Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
23 JUNI 2022. - Besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 juni 2022 tot wijziging van het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 1 december 2016 betreffende het beheer van afvalstoffen en gelinkte bepalingen
Titre
23 JUIN 2022. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 23 juin 2022 modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 1er dĂ©cembre 2016 relatif Ă  la gestion des dĂ©chets et des dispositions connexes
Documentinformatie
Numac: 2022015098
Datum: 2022-06-23
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2022015098
Date: 2022-06-23
Moniteur: Voir
Tekst (61)
Texte (61)
Artikel 1. Wijziging van het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 1 december 2016 betreffende het beheer van afvalstoffen, hierna "Brudalex"
Article 1er. Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 1er dĂ©cembre 2016 relatif Ă  la gestion des dĂ©chets, ci-aprĂšs " Brudalex "
Art. 1.1. In artikel 1.1. § 1 van Brudalex, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) punt 10° wordt vervangen als volgt:
  " 10° "producent": onder de producenten van producten in de zin van artikel 3, 13° van de ordonnantie afval, iedere natuurlijke of rechtspersoon die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, inclusief de verkoop op afstand:
  a) in België gevestigd is en onder zijn eigen naam of merknaam een product vervaardigt, of laat ontwerpen of vervaardigen en het onder zijn eigen naam of merknaam op de markt brengt op het Belgisch grondgebied;
  b) in België gevestigd is en in België onder zijn eigen naam of handelsmerk een product wederverkoopt die door andere leveranciers is geproduceerd, hierbij wordt de wederverkoper niet als producent aangemerkt wanneer het merkteken zoals bepaald in punt a) op het product zichtbaar is;
  c) in België gevestigd is en die beroepsmatig een product uit een derde land of een andere lidstaat van de Europese Unie op het Belgische grondgebied in de handel brengt;
  d) in België gevestigd is en een product vervaardigt of invoert en het beroepsmatig voor eigen gebruik toewijst;
  e) buiten België gevestigd is en via communicatie op afstand een product, in de zin van artikel I.8. 15° van het Wetboek van economisch recht, rechtstreeks verkoopt aan huishoudens of aan andere gebruikers dan huishoudens in België.
  Diegene die uitsluitend voorziet in financiering op grond van of in het kader van een financieringsovereenkomst wordt niet als "producent" aangemerkt, tenzij hij tevens optreedt als producent in de zin van het bepaalde onder de punten a) tot en met e); ";
  b) de volgende punten worden toegevoegd :
  " 28° "Verordening (EG) nr. 1013/2006": Verordening (EG) Nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen;
  29° "Verordening (EG) nr. 1069/2009": Verordening (EG) Nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002;
  30° "Verordening (EU) nr. 142/2011": Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn;
  31° "compostering": een aerobe gecontroleerde afbraak van biodegradeerbare materie, die door het vrijkomen van biologische warmte toelaat om geschikte temperaturen te bekomen voor het ontwikkelen van thermofiele bacteriën;
  32° "bijkomend inzamelpunt": inrichting voor het inzamelen van afvalstoffen zoals bedoeld in punt 14 toegevoegd na de tabel van de bijlage van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, IC, ID, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
  33° "matras": product bestemd om op te slapen en te rusten, geschikt voor het gebruik door elk persoon voor een lange periode, bestaand uit een sterke hoes, gevuld met kernmaterialen, en dat kan worden geplaatst op een bestaande ondersteunende bedstructuur, inclusief toppers die bovenop de matras worden gelegd;
  34° "afgedankte matras": elke matras die onder de definitie van "afvalstof" valt zoals beoogd in artikel 3, 1°, van de ordonnantie afvalstoffen, ongeacht het gewicht, de vorm, het volume, de samenstelling of het gebruik;
  35° "kunststof": een materiaal bestaande uit een polymeer zoals bedoeld in artikel 3, punt 5, van Verordening (EG) nr. 1907/2006, waaraan mogelijk additieven of andere stoffen zijn toegevoegd, en dat als een structureel hoofdbestanddeel van eindproducten kan worden gebruikt, met uitzondering van natuurlijke polymeren die niet chemisch zijn gewijzigd;
  36° "product voor eenmalig gebruik": een product dat niet werd bedacht, ontworpen of in de handel gebracht om binnen zijn levensduur meerdere cycli te maken door te worden teruggestuurd naar een producent om opnieuw gevuld te worden of opnieuw gebruikt te worden voor het doel waarvoor het gemaakt was;
  37° "kunststofproduct voor eenmalig gebruik": een product dat geheel of gedeeltelijk van kunststof is gemaakt en niet werd bedacht, ontworpen of in de handel gebracht om binnen zijn levensduur meerdere cycli te maken door te worden teruggestuurd naar een producent om opnieuw gevuld te worden of opnieuw gebruikt te worden voor het doel waarvoor het gemaakt was;
  38° "vistuig": elk voorwerp of onderdeel van een werktuig dat wordt gebruikt in de visserij of de aquacultuur om in zee levende organismen af te zonderen, te vangen of te kweken, of dat op het zeeoppervlak drijft en wordt uitgezet met als doel dergelijke in zee levende organismen aan te trekken, te vangen of te kweken;
  39° "vistuigafval": elk vistuig dat valt onder de definitie van "afvalstoffen" in artikel 3, 1°, van de ordonnantie afvalstoffen, met inbegrip van alle afzonderlijke bestanddelen, stoffen of materialen die deel uitmaakten of bevestigd waren aan dergelijk vistuig toen het werd afgedankt, werd achtergelaten of verloren raakte;
  40° "vochtige doekjes": alle vooraf bevochtigde doekjes voor persoonlijke hygiëne, en huishoudelijk gebruik;
  41° "ballonnen": alle ballonnen, met uitzondering van ballonnen voor industriële of andere professionele toepassingen en die niet op particuliere basis aan consumenten worden verstrekt;
  42° "tabaksproducten": producten die geconsumeerd kunnen worden en die, al is het slechts ten dele, bestaan uit tabak, ook indien genetisch gemodificeerd;
  43° "peuken": alle afval van tabaksproducten met plastic filters voor eenmalig gebruik en alle afval van plastic filters voor eenmalig gebruik dat op de markt is gebracht als producten die in combinatie met tabaksproducten moeten worden gebruikt;
  44° "cateringmateriaal": alles wat gebruikt wordt voor het aanbieden en het nuttigen van etenswaren en drank, met uitsluiting van voorverpakte dranken of etenswaren;
  45° "cateringmateriaal voor eenmalig gebruik": cateringmateriaal dat een product voor eenmalig gebruik is;
  46° "bereide voedingsmiddelen": voedingsmiddelen die ter plaatse worden klaargemaakt, samengesteld, geschikt, opgewarmd, geregenereerd of ontdooid;
  47° "openbare entiteit": elke rechtspersoon die behoort tot één van de categorieën bedoeld in artikel 1.3.1, 4°, van de ordonnantie van 2 mei 2013 houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, met uitzondering van federale en gemeenschapsoverheden en van Europese en internationale instellingen.".
Art. 1.1. Dans l'article 1.1. § 1er du Brudalex, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le point 10° est remplacé par ce qui suit :
  " 10° " producteur " : parmi les producteurs de produits au sens de l'article 3, 13° de l'ordonnance déchets, toute personne physique ou morale qui, quelle que soit la technique de vente utilisée, y compris par communication à distance :
  a) est établie en Belgique et fabrique un produit sous son propre nom ou sa propre marque, ou le fait concevoir ou fabriquer et le commercialise sous son propre nom ou sa propre marque sur le territoire belge ;
  b) est Ă©tablie en Belgique et revend, en Belgique, sous son propre nom ou sa propre marque, un produit fabriquĂ© par d'autres fournisseurs, le revendeur ne devant pas ĂȘtre considĂ©rĂ© comme producteur lorsque la marque du producteur figure sur le produit, conformĂ©ment au point a) ;
  c) est établie en Belgique et met sur le marché sur le territoire belge, à titre professionnel, un produit provenant d'un pays tiers ou d'un autre Etat membre de l'Union européenne ;
  d) est établie en Belgique et fabrique ou importe un produit et l'affecte à son propre usage, à titre professionnel ;
  e) est établie en dehors de la Belgique et vend un produit par communication à distance, au sens de l'article I.8.15° du Code de droit économique, directement aux ménages ou à des utilisateurs autres que les ménages en Belgique.
  La personne qui assure exclusivement un financement en vertu de, ou conformément à un contrat de financement, n'est pas considérée comme "producteur", à moins qu'elle n'agisse aussi comme producteur au sens des points a) à e) ; " ;
  b) les points suivants sont ajoutés :
  " 28° " RÚglement (CE) N° 1013/2006 " : RÚglement (CE) N° 1013/2006 du Parlement Européen et du Conseil du 14 juin 2006 concernant les transferts de déchets ;
  29° " RÚglement (CE) N° 1069/2009 " : RÚglement (CE) N° 1069/2009 du Parlement Européen et du Conseil du 21 octobre 2009 établissant des rÚgles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et abrogeant le RÚglement (CE) N° 1774/2002 ;
  30° " RÚglement (UE) N° 142/2011 " : RÚglement (UE) N° 142/2011 de la Commission du 25 février 2011, portant application du RÚglement (CE) N° 1069/2009 du Parlement européen et du Conseil établissant des rÚgles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et portant application de la directive 97/78/CE du Conseil en ce qui concerne certains échantillons et articles exemptés des contrÎles vétérinaires effectués aux frontiÚres en vertu de cette directive ;
  31° " compostage " : une décomposition aérobie maßtrisée des matiÚres biodégradables, qui, du fait d'un dégagement de chaleur biologique, permet d'obtenir des températures propices au développement de bactéries thermophiles ;
  32° " point de collecte complĂ©mentaire " : l'installation de collecte de dĂ©chets visĂ©e au point 14 ajoutĂ© Ă  la suite du tableau de l'annexe de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 4 mars 1999 fixant la liste des installations de classe IB, IC, ID, II et III en exĂ©cution de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement ;
  33° " matelas " : produit destinĂ© au couchage et au repos, pouvant ĂȘtre utilisĂ© par toute personne pendant une longue pĂ©riode, constituĂ© d'une housse solide, rembourrĂ©e de matĂ©riaux de base, et susceptible d'ĂȘtre mis sur une structure de lit de support, ainsi que des surmatelas qui sont posĂ©s sur les matelas ;
  34° " déchets de matelas ": tout matelas couvert par la définition de " déchets " qui figure à l'article 3, 1°, de l'ordonnance déchets, quel que soit son poids, sa forme, son volume, sa composition ou son utilisation ;
  35° " plastique " : un matériau constitué d'un polymÚre tel que défini à l'article 3, point 5), du RÚglement (CE) N° 1907/2006, auquel des additifs ou d'autres substances peuvent avoir été ajoutés, et qui peut jouer le rÎle de composant structurel principal de produits finaux, à l'exception des polymÚres naturels qui n'ont pas été chimiquement modifiés ;
  36° " produit Ă  usage unique " : un produit qui n'est pas conçu, créé ou mis sur le marchĂ© pour accomplir, pendant sa durĂ©e de vie, plusieurs trajets ou rotations en Ă©tant retournĂ© Ă  un producteur pour ĂȘtre rempli Ă  nouveau ou rĂ©utilisĂ© pour un usage identique Ă  celui pour lequel il a Ă©tĂ© conçu ;
  37° " produit en plastique Ă  usage unique " : un produit fabriquĂ© entiĂšrement ou partiellement Ă  partir de plastique et qui n'est pas conçu, créé ou mis sur le marchĂ© pour accomplir, pendant sa durĂ©e de vie, plusieurs trajets ou rotations en Ă©tant retournĂ© Ă  un producteur pour ĂȘtre rempli Ă  nouveau ou rĂ©utilisĂ© pour un usage identique Ă  celui pour lequel il a Ă©tĂ© conçu ;
  38° " engin de pĂȘche " : tout Ă©lĂ©ment ou toute piĂšce d'Ă©quipement qui est utilisĂ©(e) dans le cadre de la pĂȘche ou de l'aquaculture pour cibler, capturer ou Ă©lever des ressources biologiques de la mer, ou qui flotte Ă  la surface de la mer, et est dĂ©ployĂ©(e) dans le but d'attirer et de capturer ou d'Ă©lever de telles ressources biologiques de la mer ;
  39° " dĂ©chets d'engin de pĂȘche " : tout engin de pĂȘche couvert par la dĂ©finition de " dĂ©chets " qui figure Ă  l'article 3, 1°, de l'ordonnance dĂ©chets, y compris tous les composants, les substances ou les matĂ©riaux sĂ©parĂ©s qui faisaient partie de l'engin de pĂȘche ou qui y Ă©taient attachĂ©s lors de son rejet, y compris lorsqu'il a Ă©tĂ© abandonnĂ© ou perdu ;
  40° " lingettes humides " : toutes lingettes pré-imbibées pour usages corporels et domestiques ;
  41° " ballons de baudruche " : tous ballons de baudruche, à l'exception des ballons de baudruche utilisés pour des usages et applications industriels ou professionnels et qui ne sont pas distribués aux consommateurs à titre privé ;
  42° " produits du tabac " : des produits pouvant ĂȘtre consommĂ©s et composĂ©s, mĂȘme partiellement, de tabac, qu'il soit ou non gĂ©nĂ©tiquement modifiĂ© ;
  43° " mĂ©gots " : tous dĂ©chets de produits du tabac avec filtres en plastique Ă  usage unique et tous dĂ©chets de filtres en plastique Ă  usage unique commercialisĂ©s lorsqu'ils Ă©taient des produits pour ĂȘtre utilisĂ©s en combinaison avec des produits Ă  base de tabac ;
  44° " matériel de restauration " : tout matériel utilisé pour l'offre et la consommation d'aliments et de boissons, à l'exception de boissons ou d'aliments préemballés ;
  45° " matériel de restauration à usage unique " : matériel de restauration constituant un produit un usage unique ;
  46° " aliments préparés " : aliments qui sont préparés, composés, arrangés, réchauffés, régénérés ou décongelés sur les lieux ;
  47° " entité publique " : toute personne morale qui relÚve d'une des catégories visées à l'article 1.3.1, 4°, de l'ordonnance du 2 mai 2013 portant le Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la Maßtrise de l'Energie, à l'exception des autorités fédérales et communautaires et des institutions européennes et internationales. ".
Art. 1.2. In artikel 1.1. van hetzelfde besluit wordt paragraaf 2 vervangen door:
  " § 2. Onverminderd de definities in dit artikel zijn de definities van
  - de ordonnantie milieuvergunningen,
  - de ordonnantie afvalstoffen,
  - de ordonnantie bodem,
  - de Europese verordeningen bedoeld in paragraaf 1
  van toepassing op het huidig besluit.".
Art. 1.2. Dans l'article 1.1. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le paragraphe 2 est remplacĂ© par :
  " § 2. Sans préjudice des définitions figurant dans le présent article, les définitions figurant dans
  - l'ordonnance permis d'environnement,
  - l'ordonnance déchets,
  - l'ordonnance sol,
  - les rÚglements européens visés au paragraphe 1er
  sont d'application dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©. ".
Art. 1.3. In artikel 1.2, § 2, van hetzelfde besluit worden een punt 5 en 6 toegevoegd:
  "5. artikelen 4 en 8 van de richtlijn (EU) 2019/904 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu.
  6. artikel 16.2, lid 2, c) van de richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water.".
Art. 1.3. Dans l'article 1.2, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, un point 5° et 6° sont ajoutĂ©s comme suit :
  " 5. les articles 4 et 8 de la directive (UE) 2019/904 du Parlement européen et du Conseil du 5 juin 2019 relative à la réduction de l'incidence de certains produits en plastique sur l'environnement.
  6. l'article 16.2, al. 2, c) de la directive (UE) 2020/2184 du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2020 relative à la qualité des eaux destinées à la consommation humaine. ".
Art. 1.4. In artikel 1.4. van hetzelfde besluit wordt een 5de paragraaf toegevoegd die als volgt luidt:
  " § 5. 1. In het geval van een grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen zoals bedoeld in de Verordening (EG) nr. 1013/2006 gelden de door deze verordening opgelegde documenten als traceerbaarheidsdocument in de zin van dit besluit.
  2. In het geval van een overbrenging van dierlijke bijproducten, met uitzondering van keukenafval en etensresten van categorie 3, geldt het handelsdocument zoals bedoeld in bijlage VIII, hoofdstuk III, punt 6 van de Verordening (EU) nr. 142/2011 als traceerbaarheidsdocument in de zin van dit besluit.".
Art. 1.4. Dans l'article 1.4. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, un paragraphe 5 rĂ©digĂ© comme suit est ajoutĂ© :
  " § 5. 1. En cas de transfert transfrontalier de dĂ©chets visĂ© par le RĂšglement (CE) N° 1013/2006, les documents imposĂ©s par ce rĂšglement font office de document de traçabilitĂ© au sens du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  2. En cas de transfert de sous-produits animaux, Ă  l'exception de transfert des dĂ©chets de cuisine et de table de catĂ©gorie 3, le document commercial visĂ© Ă  l'annexe VIII, chapitre III, point 6 du RĂšglement (UE) N° 142/2011 fait office de document de traçabilitĂ© au sens du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. ".
Art. 1.5. In artikel 1.5. van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in paragraaf 2, wordt punt 1 vervangen door:
  "1. de inzameling in één ophaalronde bij de eerste producenten op voorwaarde dat de lijst van ophaalpunten beschikbaar is in het voertuig:
  - van niet gevaarlijke afvalstoffen, of
  - van keukenafval en etensresten van categorie 3;";
  b) in paragraaf 2, wordt het eerste streepje van punt 4 vervangen door:
  "- een inzamel- of verwerkingsinrichting van afvalstoffen voor zover de vervoerde hoeveelheid afvalstoffen niet groter is dan 500 kg en de afvalstoffen geen dierlijke bijproducten of afgeleide producten zijn bedoeld in Verordening (EG) nr. 1069/2009, of";
  c) in paragraaf 2, wordt punt 5 toegevoegd:
  "5. het vervoer van mest tussen twee plaatsen op hetzelfde agrarische bedrijf.";
  d) paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. 1.5. Dans l'article 1.5. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  a) au paragraphe 2, le point 1 est remplacé par :
  " 1. la collecte en une seule tournée auprÚs des producteurs initiaux à condition que la liste des points de collecte soit disponible dans le véhicule :
  - des déchets non dangereux, ou
  - des déchets de cuisine et de table de catégorie 3 ; " ;
  b) au paragraphe 2, le premier tiret du point 4 est remplacé par :
  " - une installation de collecte ou de traitement des déchets, pour autant que la quantité de déchets transportée ne dépasse pas 500 kg et que les déchets ne sont pas des sous-produits animaux ou produits dérivés visé par le RÚglement (CE) N° 1069/2009, ou ";
  c) au paragraphe 2, un point 5 rédigé comme suit est ajouté :
  " 5. le transport du lisier entre deux points situĂ©s au sein d'une mĂȘme exploitation agricole. " ;
  d) le paragraphe 4 est abrogé.
Art. 1.6. In artikel 1.6. van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht:
  a) paragraaf 2 wordt vervangen door:
  " § 2. De afgifte van afvalstoffen aan een inrichting zoals bepaald in artikel 3.5.15, 1° door de afvalstoffenhouder kan gebeuren zonder een traceerbaarheidsdocument.";
  b) paragraaf 3 wordt vervangen door:
  " § 3. In volgende gevallen kan de afgifte van afvalstoffen gebeuren door, minstens jaarlijks een traceerbaarheidsdocument te bezorgen aan de afvalstoffenhouder:
  1. de afgifte van niet gevaarlijke niet huishoudelijke afvalstoffen, met uitzondering van dierlijke bijproducten bedoeld door de Verordening (EG) nr. 1069/2009, ingezameld bij de eerste afvalproducent;
  2. de afgifte van afvalstoffen aan een inrichting zoals bepaald in punt 3° van artikel 3.5.15;
  3. in afwijking van punt 1, de afgifte van keukenafval en etensresten van categorie 3 ingezameld bij de eerste afvalproducent.".
Art.1.6. Dans l'article 1.6. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  a) le paragraphe 2 est remplacé par :
  " § 2. La remise de déchets à une installation visée à l'article 3.5.15, 1° par le détenteur de déchets peut s'effectuer sans document de traçabilité. " ;
  b) le paragraphe 3 est remplacé par :
  " § 3. Dans les cas suivants, la remise de déchets peut s'effectuer contre délivrance, au moins une fois par an, d'un document de traçabilité au détenteur de déchets :
  1. la remise de déchets non dangereux non ménagers, à l'exclusion des sous-produits animaux visés par le RÚglement (CE) N° 1069/2009, collectés auprÚs du producteur initial de déchets ;
  2. la remise de déchets à une installation visée au point 3° de l'article 3.5.15 ;
  3. par dérogation au point 1, la remise de déchets de cuisine et de table de catégorie 3 collectés auprÚs du producteur initial de déchets. ".
Art. 1.7. In artikel 1.7. van hetzelfde besluit wordt paragraaf 6 opgesteld als volgt toegevoegd:
  " § 6. De beheerder van de afvalstoffen controleert de gegevens op de traceerbaarheidsdocumenten.
  In geval van dierlijke bijproducten bedoeld door de Verordening (EG) nr. 1069/2009 brengt de afvalstoffenhouder Leefmilieu Brussel schriftelijk op de hoogte als op de traceerbaarheidsdocumenten de vermeldingen ontbreken die de afvalstoffen beschrijven en die bewijzen dat de afvalstoffen gehanteerd, verzameld, verwerkt of gebruikt zijn.".
Art. 1.7. Dans l'article 1.7. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, un paragraphe 6 rĂ©digĂ© comme suit est ajoutĂ© :
  " § 6. Le gestionnaire de déchets vérifie les données reprises sur les documents de traçabilité.
  En cas de sous-produits animaux visés par le RÚglement (CE) N° 1069/2009, le détenteur de déchets informe Bruxelles Environnement par écrit si des mentions décrivant les déchets et prouvant qu'ils ont été manipulés, rassemblés, transformés ou utilisés sont manquantes sur les documents de traçabilité. ".
Art. 1.8. In artikel 1.8. van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in paragraaf 1, punt 3 worden de woorden "afvalstoffen andere dan huishoudelijke" vervangen door "huishoudelijke afvalstoffen";
  b) in paragraaf 5, worden de woorden "per post of" opgeheven.
Art. 1.8. Dans l'article 1.8. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  a) au paragraphe 1er, point 3, les mots " autres que " sont supprimés ;
  b) au paragraphe 5, les mots " par voie postale ou " sont abrogés.
Art. 1.9. Titel I. van hetzelfde besluit, getiteld "Algemene bepalingen", wordt aangevuld met een hoofdstuk 4 getiteld "Verwerking van persoonsgegevens" dat luidt als volgt:
   "HOOFDSTUK 4. - Verwerking van persoonsgegevens
  Afdeling 1. - Gebruik van de gegevens
  Art. 1.10.1. De in artikel 2.2.9, 1° bedoelde gegevens worden gebruikt in het kader van de beoordeling van het preventie- en beheersplan van de afvalstoffen om de producent die het plan heeft ingediend te identificeren.
  Art. 1.10.2. De gegevens bedoeld in artikel 2.3.1, § 2, 2° worden gebruikt na de afgifte van de erkenning met het oog op de controle van de naleving van dit besluit door de met het toezicht belaste personeelsleden.
  Art. 1.10.3. De in artikelen 3.3.2, 3.4.2, 3.5.2 en 4.7.5, § 3 bedoelde gegevens worden gebruikt in het kader van de aanvraag van registratie, erkenning of milieuvergunning, om te controleren of de aanvrager van de registratie, de erkenning of de milieuvergunning bekwaam is of beschikt over personeel dat bekwaam is op het vlak van afvalstoffenbeheer.
  Deze gegevens worden ook gebruikt na de afgifte van de registratie, de erkenning of de milieuvergunning met het oog op de controle van de naleving van dit besluit door de met het toezicht belaste personeelsleden.
  Art. 1.10.4. § 1. De in artikel 3.9.9 § 2 bedoelde gegevens worden gebruikt om te controleren of de uitbater van een wijkcomposteersite of de door hem aangestelde persoon bekwaam is op het vlak van compostering.
  Deze gegevens worden gebruikt met het oog op de controle van de naleving van dit besluit door de met het toezicht belaste personeelsleden.
  De in artikel 3.9.9, § 3 bedoelde gegevens worden gebruikt in het kader van de controle van de toegang tot de wijkcomposteersite door de beheerder van de composteersite, om de herkomst van de afvalstoffen te controleren.
  Deze gegevens worden ook gebruikt met het oog op de controle van de naleving van dit besluit door de met het toezicht belaste personeelsleden.
  § 2. De in artikel 3.9.10, § 2 tot § 4 bedoelde gegevens worden gebruikt met het oog op de controle van de naleving van dit besluit door de met het toezicht belaste personeelsleden om te controleren of de uitbater van een bedrijfscomposteersite of de door hem aangestelde persoon bekwaam is op het vlak van compostering, evenals in het kader van de controle van de toegang tot de bedrijfscomposteersite door de beheerder van de composteersite, om de herkomst van de afvalstoffen te controleren.
  Art. 1.10.5. De in artikel 4.7.5, § 2 bedoelde gegevens worden gebruikt in het kader van de milieuvergunningsaanvraag om te controleren of de aanvrager van de milieuvergunning beschikt over personeel dat is opgeleid in het domein van het beheer van afvalstoffen van de zorg.
  Deze gegevens worden ook gebruikt na de afgifte van de milieuvergunning met het oog op de controle van de naleving van dit besluit door de met het toezicht belaste personeelsleden.
  Afdeling 2. - Verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens en bewaartermijn
  Art. 1.11.1. De verwerkingsverantwoordelijke voor de in artikel 2.2.9, 1° bedoelde gegevens is Leefmilieu Brussel.
  Deze gegevens worden bewaard gedurende de geldigheidsperiode van het preventie- en beheersplan van de afvalstoffen.
  Art. 1.11.2. De verwerkingsverantwoordelijke voor de in artikel 2.3.1, § 2, 2° en 3° bedoelde gegevens is Leefmilieu Brussel.
  Deze gegevens worden bewaard gedurende de geldigheidsperiode van de erkenning.
  Art. 1.11.3. De verwerkingsverantwoordelijke voor de in artikel 3.3.2, 3.4.2, 3.5.2 en 4.7.5, § 3 bedoelde gegevens is Leefmilieu Brussel.
  Deze gegevens worden bewaard gedurende de geldigheidsperiode van de registratie, de erkenning of de milieuvergunning.
  Art. 1.11.4. § 1. De verwerkingsverantwoordelijken voor de in artikelen 3.9.9, § 2 en 3.9.9, § 3 bedoelde gegevens zijn de beheerder van de wijkcomposteersite en Leefmilieu Brussel.
  Deze gegevens worden bewaard gedurende een jaar na het einde van de deelname aan de wijkcompostering.
  § 2. De verwerkingsverantwoordelijken voor de in artikel 3.9.10, § 2 tot § 4 bedoelde gegevens zijn de beheerder van de bedrijfscomposteersite en Leefmilieu Brussel.
  Deze gegevens worden vijf jaar bewaard na het einde van de deelname aan de bedrijfscomposteersite.
  Art. 1.11.5. De verwerkingsverantwoordelijke voor de in artikel 4.7.5, § 2 bedoelde gegevens zijn de titularis van de milieuvergunning en Leefmilieu Brussel.
  Deze gegevens worden bewaard gedurende een jaar na het einde van de samenwerking met het personeelslid dat de opleiding heeft gevolgd.
  Afdeling 3. - Transparantie
  Art. 1.12.1. Leefmilieu Brussel neemt de passende maatregelen om aan de betrokken persoon de in artikelen 13 en 14 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europese Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) bedoelde informatie en de in artikelen 15 tot en met 22 en in artikel 34 van dezelfde verordening bedoelde communicatie in verband met de verwerking van zijn persoonsgegevens, voor het in artikelen 1.10.1 tot en met 1.10.5 van het huidig besluit bedoelde doel, te verstrekken in een duidelijke en eenvoudige taal en in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm.".
Art. 1.9. Le titre Ier du mĂȘme arrĂȘtĂ© intitulĂ© " Dispositions gĂ©nĂ©rales ", est complĂ©tĂ© par un chapitre 4 intitulĂ© " Traitement des donnĂ©es Ă  caractĂšre personnel " rĂ©digĂ© comme suit :
  " CHAPITRE 4. - Traitement des données à caractÚre personnel
  Section 1re. - Utilisation des données
  Art.1.10.1 . Les données visées à l'article 2.2.9, 1° sont utilisées dans le cadre de l'évaluation du plan de prévention et de gestion des déchets pour identifier le producteur ayant introduit ledit plan.
  Art. 1.10.2. Les donnĂ©es visĂ©es Ă  l'article 2.3.1, § 2, 2° sont utilisĂ©es postĂ©rieurement Ă  la dĂ©livrance de l'agrĂ©ment en vue du contrĂŽle du respect du prĂ©sent arrĂȘtĂ© par les agents chargĂ©s de la surveillance.
  Art. 1.10.3. Les données visées aux articles 3.3.2, 3.4.2, 3.5.2 et 4.7.5, § 3 sont utilisées dans le cadre de la demande d'enregistrement, d'agrément ou de permis d'environnement pour vérifier si le demandeur de l'enregistrement, de l'agrément ou du permis d'environnement est compétent ou dispose d'un personnel compétent en matiÚre de gestion de déchets.
  Ces donnĂ©es sont Ă©galement utilisĂ©es postĂ©rieurement Ă  la dĂ©livrance de l'enregistrement, de l'agrĂ©ment ou du permis d'environnement en vue du contrĂŽle du respect du prĂ©sent arrĂȘtĂ© par les agents chargĂ©s de la surveillance.
  Art. 1.10.4. § 1er. Les données visées à l'article 3.9.9 § 2 sont utilisées pour vérifier si l'exploitant d'un site de compostage de quartier ou la personne désignée par lui est compétent en matiÚre de compostage.
  Ces donnĂ©es sont utilisĂ©es en vue du contrĂŽle du respect du prĂ©sent arrĂȘtĂ© par les agents chargĂ©s de la surveillance.
  Les données visées à l'article 3.9.9, § 3 sont utilisées dans le cadre de la gestion de l'accÚs au site de compostage de quartier et à l'organisation de la gestion journaliÚre par le gestionnaire du site de compostage pour vérifier la provenance des déchets.
  Ces donnĂ©es sont Ă©galement utilisĂ©es en vue du contrĂŽle du respect du prĂ©sent arrĂȘtĂ© par les agents chargĂ©s de la surveillance.
  § 2. Les donnĂ©es visĂ©es Ă  l'article 3.9.10, § 2 Ă  § 4 sont utilisĂ©es en vue du contrĂŽle du respect du prĂ©sent arrĂȘtĂ© par les agents chargĂ©s de la surveillance pour vĂ©rifier si l'exploitant d'un site de compostage en entreprise ou la personne dĂ©signĂ©e par lui est compĂ©tent en matiĂšre de compostage ainsi que dans le cadre de la gestion de l'accĂšs au site de compostage en entreprise et Ă  l'organisation de la gestion journaliĂšres par le gestionnaire du site de compostage pour vĂ©rifier la provenance des dĂ©chets.
  Art. 1.10.5. Les données visées à l'article 4.7.5, § 2 sont utilisées dans le cadre de la demande de permis d'environnement pour vérifier si le demandeur du permis d'environnement dispose d'un personnel formé à la gestion des déchets de soins.
  Ces donnĂ©es sont Ă©galement utilisĂ©es postĂ©rieurement Ă  la dĂ©livrance du permis d'environnement en vue du contrĂŽle du respect du prĂ©sent arrĂȘtĂ© par les agents chargĂ©s de la surveillance.
  Section 2. - Responsable du traitement des données et durée de conservation
  Art. 1.11.1. Le responsable du traitement des données visées à l'article 2.2.9, 1° est Bruxelles Environnement.
  Ces données sont conservées durant la durée de validité du plan de prévention et de gestion des déchets.
  Art. 1.11.2. Le responsable du traitement des données visées à l'article 2.3.1, § 2, 2° et 3° est Bruxelles Environnement.
  Ces données sont conservées durant la période de validité de l'agrément.
  Art. 1.11.3. Le responsable du traitement des données visées aux articles 3.3.2, 3.4.2, 3.5.2 et 4.7.5, § 3 est Bruxelles Environnement.
  Ces données sont conservées durant la période de validité de l'enregistrement, de l'agrément ou du permis d'environnement.
  Art. 1.11.4. § 1er. Les responsables du traitement des données visées aux articles 3.9.9, § 2 et 3.9.9, § 3 sont le gestionnaire du site de compostage de quartier et Bruxelles Environnement.
  Ces données sont conservées pendant un an aprÚs la fin de la participation au compostage de quartier.
  § 2. Les responsables du traitement des données visées aux articles 3.9.10, § 2 à § 4 sont le gestionnaire du site de compostage en entreprise et Bruxelles Environnement.
  Ces données sont conservées cinq ans aprÚs la fin de la participation au compostage en entreprise.
  Art. 1.11.5. Les responsables du traitement des données visées à l'article 4.7.5, § 2 sont le titulaire du permis d'environnement et Bruxelles Environnement.
  Ces données sont conservées un an aprÚs la fin de la collaboration avec le membre du personnel ayant suivi la formation.
  Section 3. - Transparence
  Art. 1.12.1. Bruxelles Environnement prend des mesures appropriĂ©es afin de transmettre Ă  la personne concernĂ©e les informations visĂ©es aux articles 13 et 14 du RĂšglement (UE) 2016/679 du Parlement EuropĂ©en et du Conseil du 27 avril 2016 relatif Ă  la protection des personnes physiques Ă  l'Ă©gard du traitement des donnĂ©es Ă  caractĂšre personnel et Ă  la libre circulation de ces donnĂ©es, et abrogeant la directive 95/46/CE (rĂšglement gĂ©nĂ©ral sur la protection des donnĂ©es) et la communication visĂ©e aux articles 15 Ă  22 et Ă  l'article 34 du mĂȘme rĂšglement en ce qui concerne le traitement de ses donnĂ©es Ă  caractĂšre personnel aux fins visĂ©es aux articles 1.10.1 Ă  1.10.5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en des termes clairs et simples, sous une forme concise, transparente, comprĂ©hensible et aisĂ©ment accessible. ".
Art. 1.10. Onderhavig artikel zet de richtlijn (EU) 2019/904 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu om, artikel 8.
  In artikel 2.1.1. van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) paragraaf 2 wordt aangevuld met een punt 8 als volgt geformuleerd:
  "8. een verplichting gelinkt aan openbare netheid.";
  b) paragraaf 3 wordt aangevuld met 6° tot 10°, luidende:
  "6. afgedankte matrassen;
  7. afval van vochtige doekjes;
  8. afval van ballonnen;
  9. afval van kunststofhoudend vistuig;
  10. peuken.";
  c) er wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die als volgt luidt:
  " § 4. De regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die zijn vastgesteld voor de in punten 7° tot en met 10° van paragraaf 3 bedoelde stromen, worden weerspiegeld in de volgende verplichtingen:
  1. de in paragraaf 2, 5° bedoelde verplichting, overeenkomstig de artikelen 2.2.12. en 2.2.13.;
  2. de in paragraaf 2, 6° bedoelde verplichting, overeenkomstig de artikelen 2.2.9. tot en met 2.2.11.;
  3. de in paragraaf 2, 7° bedoelde verplichting, overeenkomstig artikel 2.2.14.;
  4. de in paragraaf 2, 8° bedoelde verplichting;
  5. het instaan voor de kosten van de onder 1. tot en met 4. bedoelde verplichtingen, alsmede de kosten bedoeld in artikel 26/1, § 4, 1°, d) en e), van de ordonnantie afvalstoffen.".
Art. 1.10. Le présent article transpose la directive (UE) 2019/904 du Parlement européen et du Conseil du 5 juin 2019 relative à la réduction de l'incidence de certains produits en plastique sur l'environnement, article 8.
  Dans l'article 2.1.1. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  a) le paragraphe 2 est complété par un point 8 rédigé comme suit :
  " 8. une obligation liée à la propreté publique. " ;
  b) le paragraphe 3 est complété par les 6° à 10° rédigés comme suit :
  " 6. les déchets de matelas ;
  7. les déchets de lingettes humides ;
  8. les déchets de ballons de baudruche ;
  9. les dĂ©chets d'engins de pĂȘche contenant du plastique ;
  10. les mégots. " ;
  c) un paragraphe 4 est ajouté rédigé comme suit :
  " § 4. Les régimes de responsabilité élargie du producteur instaurés pour les flux visés aux points 7° à 10° du paragraphe 3 se traduisent par les obligations suivantes :
  1. l'obligation visée au paragraphe 2, 5° conformément aux articles 2.2.12. et 2.2.13. ;
  2. l'obligation visée au paragraphe 2, 6° conformément aux articles 2.2.9. à 2.2.11. ;
  3. l'obligation visée au paragraphe 2, 7° conformément à l'article 2.2.14. ;
  4. l'obligation visée au paragraphe 2, 8° ;
  5. la prise en charge des coûts relatifs aux obligations visées au 1. à 4. ainsi que les coûts visés à l'article 26/1, § 4, 1°, d) et e), de l'ordonnance déchets. ".
Art. 1.11. In artikel 2.2.2. van hetzelfde besluit worden de woorden "in artikel 2.1.1, § 3" vervangen door de woorden "in artikel 2.1.1., § 3, 1° tot en met 6° ".
Art. 1.11. Dans l'article 2.2.2. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " visĂ©s Ă  l'article 2.1.1 § 3 " sont remplacĂ©s par les mots " visĂ©s Ă  l'article 2.1.1., § 3, 1° Ă  6° ".
Art. 1.12. Artikel 2.2.14. van hetzelfde besluit wordt aangevuld met paragraaf 4, die als volgt luidt:
  " § 4. De paragrafen 2 en 3 zijn niet van toepassing op de afvalstoffen bedoeld in artikel 2.1.1., § 3, 7° tot en met 10°. ".
Art. 1.12. L'article 2.2.14. du mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© par le paragraphe 4 rĂ©digĂ© comme suit :
  " § 4. Les paragraphes 2 et 3 ne s'appliquent pas aux déchets visés à l'article 2.1.1., § 3, 7° à 10°. ".
Art. 1.13. In artikel 2.3.1 paragraaf 2 van hetzelfde besluit wordt het punt 3 vervangen door:
  "3° een verklaring op eer dat de bestuurders en de personen die de vereniging kunnen verbinden voldoen aan de voorwaarden vastgesteld in § 1, 3° en 4° van dit artikel;".
Art. 1.13. Dans l'article 2.3.1., paragraphe 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le point 3 est remplacĂ© comme suit :
  " 3° une déclaration sur l'honneur que les administrateurs et les personnes pouvant engager l'association répondent aux conditions fixées au § 1er, 3° et 4° du présent article ; ".
Art. 1.14. In artikel 2.4.46 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) paragraaf 4 wordt vervangen als volgt:
  " § 4. Het stelsel van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is niet van toepassing op de volgende EEA:
  1. apparatuur die noodzakelijk is voor de bescherming van de wezenlijke belangen van de veiligheid van België, met inbegrip van wapens, munitie en oorlogsmateriaal voor specifieke militaire doeleinden;
  2. apparatuur die specifiek is ontworpen en geïnstalleerd om deel uit te maken van andere apparatuur welke is uitgesloten van of niet onder het toepassingsgebied van deze afdeling valt, die haar functie alleen kan vervullen als zij deel uitmaakt van laatstbedoelde apparatuur;
  3. gloeilampen;
  4. apparatuur die ontworpen is om de ruimte ingestuurd te worden;
  5. grote, niet verplaatsbare industriële werktuigen;
  6. grote, vaste installaties met uitzondering van apparatuur die niet specifiek is ontworpen en geïnstalleerd wordt als onderdeel van zulke installaties, zoals bijvoorbeeld verlichtingsmateriaal of fotovoltaïsche zonnepanelen;
  7. vervoermiddelen voor personen of goederen, met uitzondering van elektrische tweewielers zonder typegoedkeuring;
  8. niet voor de weg bestemde mobiele machines die uitsluitend beroepsmatig ter beschikking zijn gesteld;
  9. apparatuur die speciaal is ontworpen uitsluitend voor doeleinden van onderzoek en ontwikkeling en die alleen door een bedrijf aan een ander bedrijf ter beschikking wordt gesteld;
  10. medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek, wanneer deze hulpmiddelen naar verwachting vóór het einde van hun levensduur infectieus zijn, en actieve implanteerbare medische hulpmiddelen.";
  b) paragraaf 5 wordt opgeheven.
Art. 1.14. A l'article 2.4.46 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  a) le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Le régime de responsabilité élargie du producteur ne s'applique pas aux EEE suivants :
  1. les Ă©quipements qui sont nĂ©cessaires Ă  la protection des intĂ©rĂȘts essentiels de sĂ©curitĂ© des Etats membres, y compris les armes, les munitions et le matĂ©riel de guerre destinĂ©s Ă  des fins spĂ©cifiquement militaires ;
  2. les équipements qui sont spécifiquement conçus et installés pour s'intégrer dans un autre type d'équipement exclu du champ d'application de la présente section ou n'en relevant pas, et qui ne peuvent remplir leur fonction que s'ils font partie de cet équipement ;
  3. les ampoules à filament ;
  4. les Ă©quipements destinĂ©s Ă  ĂȘtre envoyĂ©s dans l'espace ;
  5. les gros outils industriels fixes ;
  6. les grosses installations fixes, à l'exception de tout équipement qui est présent dans de telles installations, mais n'est pas spécifiquement conçu et monté pour s'intégrer dans lesdites installations tels que par exemple le matériel d'éclairage ou les panneaux photovoltaïques ;
  7. les moyens de transport de personnes ou de marchandises, à l'exception des véhicules électriques à deux roues qui ne sont pas homologués ;
  8. les engins mobiles non routiers destinés exclusivement à un usage professionnel ;
  9. les équipements spécifiquement conçus aux seules fins de recherche et de développement, et qui sont disponibles uniquement dans un contexte interentreprises ;
  10. les dispositifs médicaux et les dispositifs médicaux de diagnostic in vitro, lorsque ces dispositifs deviennent normalement infectieux avant la fin de leur cycle de vie, ainsi que les dispositifs médicaux implantables actifs. " ;
  b) le paragraphe 5 est abrogé.
Art. 1.15. In titel II van hetzelfde besluit getiteld "Bepalingen betreffende de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van producten" wordt hoofdstuk 4 getiteld "Verplichtingen per afvalstroom" aangevuld met een afdeling 6 getiteld "Afgedankte matrassen", die luidt als volgt:
  "Afdeling 6. - Afgedankte matrassen
  Onderafdeling 1. - Definities en toepassingsgebied
  Art. 2.4.68. In de zin van deze afdeling wordt verstaan onder:
  1° "inzamelingspercentage": het percentage dat wordt verkregen door het totale gewicht van de ingezamelde afgedankte matrassen te delen door het totale gewicht van de nieuwe matrassen die op de markt worden gebracht gedurende het betrokken kalenderjaar;
  2° "recyclagepercentage": het percentage dat wordt verkregen door het gewicht van de gerecycleerde afgedankte matrassen te delen door het totale gewicht van de gedurende het betrokken kalenderjaar ingezamelde afgedankte matrassen.
  Onderafdeling 2. - Terugnameplicht
  Art. 2.4.69. § 1. De producent neemt gratis de afgedankte matrassen terug die aan de distributeurs en de kleinhandelaars werden teruggegeven.
  Hij bouwt een gratis inzamelnetwerk uit met een voldoende groot aantal inzamelpunten die evenwichtig geografisch verspreid zijn over het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  § 2. In afwijking van artikel 2.2.3, zijn de kleinhandelaars in nieuwe matrassen die de consumenten op een zichtbare plaats in al hun verkooppunten duidelijk leesbare informatie verstrekken over de door de producenten ingerichte inzamelpunten, niet verplicht om de huishoudelijke afgedankte matrassen te aanvaarden.
  § 3. De producent neemt de huishoudelijke afgedankte matrassen die ingezameld worden door de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen, gratis terug en laat ze in een hiertoe vergunde inrichting verwerken.
  Art. 2.4.70. Uiterlijk vanaf 1 januari 2023 organiseren de publiekrechtelijke rechtspersonen de selectieve inzameling en de opslag van de afgedankte matrassen in aangepaste containers of andere middelen die geschikt zijn om ze te beschermen tegen slechte weersomstandigheden of om gezondheidsrisico's te vermijden. De matrassen worden droog ingezameld, opgeslagen en vervoerd.
  Art. 2.4.71. Een onderneming met sociaal oogmerk kan vrijwillig, gratis en op eigen kosten de afgedankte matrassen aannemen die door de huishoudens worden aangeboden.
  Art. 2.4.72. De inzameling van de afgedankte matrassen andere dan huishoudelijke gebeurt door de indiening ervan bij een inzamelaar, handelaar of makelaar van niet gevaarlijke afvalstoffen, of bij een inzamel- of verwerkingsinrichting.
  Voor de vrijwillige inzameling van huishoudelijke afgedankte matrassen en afgedankte matrassen andere dan huishoudelijke werkt de producent stimulerende maatregelen uit.
  Onderafdeling 3. - Verwerking
  Art. 2.4.73. De ingezamelde afgedankte matrassen worden verwerkt met toepassing van de beste beschikbare technieken voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. De producent waarborgt de recyclage of het hergebruik van de matrassen met het oog op het behalen van de doelstellingen beoogd in onderafdeling 5.
  Een verwijderingshandeling zoals bepaald in bijlage 1 van de ordonnantie afvalstoffen is niet toegestaan voor afgedankte matrassen.
  Onderafdeling 4. - Financiering
  Art. 2.4.74. De producent is verantwoordelijk voor de financiering van de preventie, de inzameling en de verwerking van de ingezamelde afgedankte matrassen overeenkomstig deze titel.
  Hij draagt de kosten van de voorlichtingscampagnes ten behoeve van de consumenten die handelen over de preventie, de inzameling en de verwerking van de afgedankte matrassen.
  De producent betaalt de kosten voor het verstrekken van de voor het rapport zoals voorzien in artikel 2.4.80. noodzakelijke gegevens terug aan de inzamelaars, handelaars en makelaars.
  Art. 2.4.75. Wanneer de huishoudelijke afgedankte matrassen die selectief worden ingezameld via het netwerk van overheidsinfrastructuren, worden verwerkt in het kader van een openbare aanbesteding gegund door de voor het beheer van het huishoudelijke afval verantwoordelijke publiekrechtelijke rechtspersonen, betaalt de producent de reële en volledige kosten van het afvalbeheer die voortvloeien uit deze aanbesteding terug, met inbegrip van de kosten van het administratief beheer, volgens de procedures die met deze publiekrechtelijke rechtspersonen zijn overeengekomen.
  Te dien einde sluit de producent een overeenkomst met de bovenvermelde publiekrechtelijke rechtspersonen binnen de 3 maanden na inwerkingtreding van huidige artikel.
  De overeenkomst regelt minstens de voorwaarden van inzameling en verwerking van de huishoudelijke afgedankte matrassen en het bedrag van de vergoedingen.
  Art. 2.4.76. De producent sluit, met de vertegenwoordiger(s) van de vennootschappen met sociaal oogmerk, een overeenkomst over de huishoudelijke matrassen die minstens de volgende punten regelt:
  1. de financiële compensatie die de producent toekent per teruggenomen matras. Deze compensatie bedraagt minstens evenveel als de compensatie die wordt toegekend aan de kleinhandelaars.
  2. de organisatie en de financiering van een jaarlijkse informatiecampagne voor de verschillende doelgroepen, met name de huishoudens, de kleinhandelaars en de professionele gebruikers ter bevordering van het hergebruik van de matrassen via de vennootschappen met sociaal oogmerk voor hergebruik.
  3. de organisatie van een jaarlijkse vergadering voor beoordeling, coördinatie en aanpassing van het systeem en van de maatregelen die werden getroffen ter voorbereiding van hergebruik.
  4. de organisatie en de financiering van de rapportering van de jaarlijkse prestaties van de vennootschappen met sociaal oogmerk voor de voorbereiding voor hergebruik.
  5. het ter beschikking stellen, op kosten van de producent, voor alle aanvoerpunten van de vennootschappen met sociaal oogmerk voor de voorbereiding voor hergebruik, van een voldoende grote container voor de opslag van niet-herbruikbare matrassen met het doel de inzameling mogelijk te maken door een inzamelaar, handelaar of makelaar die een overeenkomst heeft gesloten met de producent.
  Art. 2.4.77. De producent legt de in artikelen 2.4.75 en 2.4.76 bedoelde overeenkomsten, evenals alle wijzigingen ervan, vooraf ter goedkeuring voor aan Leefmilieu Brussel.
  Onderafdeling 5. - Doelstellingen
  Art. 2.4.78. § 1. De producent behaalt een gecumuleerd inzamelingspercentage van minimaal:
  1° 50 % op 1 januari 2023,
  2° 65 % op 1 januari 2025,
  3° 80 % op 1 januari 2030.
  § 2. Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden eveneens de volgende doelstellingen behaald:
  1° een gewicht van 0,60 kg/inwoner op 1 januari 2023,
  2° een gewicht van 0,70 kg/inwoner op 1 januari 2025,
  3° een gewicht van 0,80 kg/inwoner op 1 januari 2030.
  Art. 2.4.79. § 1. Voor de verwerking worden de volgende hergebruiks- en recyclagedoelstellingen behaald voor de ingezamelde hoeveelheden:
  1° 35 % op 1 januari 2023,
  2° 50 % op 1 januari 2025,
  3° 75 % op 1 januari 2030.
  § 2. Voor hergebruik worden de volgende doelstellingen behaald voor de ingezamelde hoeveelheden na voorbereiding voor hergebruik door de vennootschappen met sociaal oogmerk:
  1° 200 matrassen op 1 januari 2023,
  2° 300 matrassen op 1 januari 2025,
  3° 500 matrassen op 1 januari 2030.
  Onderafdeling 6. - Rapportage
  Art. 2.4.80. Vóór 31 mei van ieder jaar bezorgt de producent Leefmilieu Brussel, overeenkomstig artikel 2.2.12 en voor het verstreken kalenderjaar, de volgende informatie:
  1° de in kilogram en in eenheden uitgedrukte totale hoeveelheid matrassen die in de handel werden gebracht;
  2° de in kilogram uitgedrukte totale hoeveelheid afgedankte matrassen, ingezameld in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en in België, per inzamelkanaal, met onderscheid tussen huishoudelijke en andere dan huishoudelijke matrassen;
  3° de inrichtingen waar de ingezamelde afgedankte matrassen zijn verwerkt, de omschrijving van de verwerkingswijze en het percentage afvalstoffen dat verwijderd wordt na die verwerkingen;
  4° de in kilogram uitgedrukte totale hoeveelheid afgedankte matrassen die:
  a. werden voorbereid met het oog op hergebruik;
  b. gerecycleerd werden;
  c. energetisch gevaloriseerd werden;
  5° de in kilogram uitgedrukte totale hoeveelheid materialen afkomstig van de verwerking afgedankte matrassen die:
  a. gerecycleerd werden;
  b. energetisch gevaloriseerd werden;
  c. verwijderd werden;
  6° de nodige gegevens voor de beoordeling van de preventieacties en de berekening van de resultatenindicatoren;
  7° indien een beroep wordt gedaan op een erkend organisme of een beheersorganisme, de aan dit organisme betaalde bijdragen, met de berekeningsmodaliteiten en de ledenlijst van het organisme;
  8° de lijst van studies, pilootprojecten en andere initiatieven die werden genomen, evenals de lijst van belanghebbenden en de bedragen.
  Onderafdeling 7. - Preventie
  Art. 2.4.81. § 1. De producent stelt een preventieplan op, dat hij uitvoert, dat erop gericht is de hoeveelheid afval te verminderen en de recyclage van afgedankte matrassen te vergemakkelijken via, in het bijzonder, het principe van de eco-modulatie, om de producenten van matrassen aan te moedigen om alternatieven te zoeken voor de assemblage en de samenstelling van de matrassen, met het doel matrassen op de markt te brengen die gemakkelijker te ontmantelen en te recycleren zijn.
  § 2. De producent informeert de huishoudens en de professionele gebruikers van de voordelen en de mogelijkheden om dergelijke matrassen aan te schaffen.
  § 3. De producent beoordeelt zijn acties elk jaar en informeert Leefmilieu Brussel hierover samen met de rapportage zoals bedoeld in artikel 2.4.80.
  Onderafdeling 8. - Sensibilisering van de gebruikers en de operatoren
  Art. 2.4.82. § 1. Vanaf uiterlijk 1 januari 2023 verzekert de producent dat de consumenten en de professionele gebruikers, in het bijzonder door middel van voorlichtingscampagnes, volledig ingelicht worden:
  1° over de inzameling- en recyclagesystemen die hen ter beschikking gesteld worden;
  2° over hun rol bij de inzameling en de verwerking van afgedankte matrassen.
  § 2. De producent ziet toe op de doeltreffendheid en de veiligheid van de inzameling en verwerking van afgedankte matrassen, met name via sensibiliseringsacties ten behoeve van de inzameling- en verwerkingsoperatoren.".
Art. 1.15. Dans le titre II du mĂȘme arrĂȘtĂ© intitulĂ© " Dispositions relatives Ă  la responsabilitĂ© Ă©largie du producteur de produits ", le chapitre 4 intitulĂ© " Obligations par flux " est complĂ©tĂ© par une section 6 intitulĂ©e " Des dĂ©chets de matelas " rĂ©digĂ©e comme suit :
  " Section 6. - Déchets de matelas
  Sous-section 1re. - Définitions et champ d'application
  Art. 2.4.68. Au sens de la présente section, on entend par :
  1° " taux de collecte " : le pourcentage obtenu en divisant le poids total des déchets de matelas collectés par le poids total des matelas neufs mis sur le marché durant l'année calendrier concernée ;
  2° " taux de recyclage " : le pourcentage obtenu en divisant le poids des déchets de matelas recyclés par le poids total des déchets de matelas collectés durant l'année calendrier concernée.
  Sous-section 2. - Obligation de reprise
  Art. 2.4.69. § 1er. Le producteur reprend gratuitement les déchets de matelas remis aux distributeurs et aux détaillants.
  Il met en place un réseau de collecte gratuite qui comporte un nombre suffisant de points de reprise répartis sur la Région de Bruxelles-Capitale de maniÚre géographiquement équilibrée.
  § 2. Par dérogation à l'article 2.2.3, les détaillants de matelas neufs qui affichent à un endroit visible de chacun de leurs points de vente un avis clairement lisible qui informe les consommateurs du réseau de points de collecte mis en place par les producteurs, ne sont pas tenus de reprendre les déchets de matelas ménagers.
  § 3. Le producteur reprend gratuitement et fait traiter à ses frais, dans une installation autorisée, les déchets de matelas ménagers et qui sont collectés par les personnes morales de droit public territorialement responsables de la gestion des déchets ménagers.
  Art. 2.4.70. A partir du 1er janvier 2023 au plus tard, les personnes morales de droit public organisent la collecte sélective et le stockage des déchets de matelas dans des conteneurs adaptés ou autres moyens appropriés en vue de les protéger des intempéries et d'éviter les risques sanitaires. Les matelas sont collectés, entreposés et transportés au sec.
  Art. 2.4.71. Une entreprise à finalité sociale peut reprendre gratuitement et à ses frais, de maniÚre volontaire, les déchets de matelas qui lui sont déposés par les ménages.
  Art. 2.4.72. La collecte des déchets de matelas autres que ménagers est effectuée par leur remise à un collecteur, négociant ou courtier de déchets non dangereux, ou à une installation de collecte ou de traitement.
  Pour la collecte volontaire de déchets de matelas ménagers et de déchets de matelas autres que ménagers, le producteur développe des mesures incitatives.
  Sous-section 3. - Traitement
  Art. 2.4.73. Les déchets de matelas collectés sont traités en utilisant les meilleures techniques disponibles en termes de protection de la santé et de l'environnement. Le producteur garantit que les matelas sont recyclés ou réutilisés, dans le respect des taux visés à la sous-section 5.
  Une opération d'élimination conformément à l'annexe 1er de l'ordonnance déchets n'est pas autorisée pour les déchets de matelas.
  Sous-section 4. - Financement
  Art. 2.4.74. Le producteur est responsable du financement de la prévention, de la collecte et du traitement de tous les déchets de matelas collectés conformément au présent titre.
  Il prend en charge les coûts des campagnes d'information des consommateurs concernant la prévention, la collecte et le traitement des déchets de matelas.
  Le producteur rembourse aux collecteurs, négociants et courtiers les frais de fourniture des données nécessaires au rapportage visé à l'article 2.4.80.
  Art. 2.4.75. Lorsque les déchets de matelas ménagers, qui sont collectés sélectivement au moyen du réseau d'infrastructures publiques, sont traités dans le cadre d'un marché public passé par les personnes morales de droit public territorialement responsables de la gestion des déchets ménagers, le producteur rembourse le coût réel et complet de gestion des déchets résultant dudit marché, frais de gestion administrative inclus, selon les modalités convenues avec lesdites personnes morales de droit public.
  A cette fin, le producteur conclut une convention avec les personnes morales de droit public susmentionnées dans les 3 mois à dater de l'entrée en vigueur du présent article.
  La convention rÚgle au minimum les modalités de collecte et de traitement des déchets de matelas ménagers et le montant des indemnités.
  Art. 2.4.76. Le producteur conclut une convention avec le(s) représentant(s) des entreprises à finalité sociale portant sur les matelas ménagers et réglant au minimum les points suivants :
  1. la compensation financiÚre que le producteur octroie par matelas repris. Cette derniÚre est au moins égale à celle octroyée aux détaillants.
  2. l'organisation et le financement d'une campagne d'information annuelle vers les différents public-cibles, à savoir les ménages, les détaillants et les utilisateurs professionnels, en faveur du réemploi des matelas via les entreprises à finalité sociale de réemploi.
  3. l'organisation d'une réunion annuelle d'évaluation, de coordination et d'adaptation du systÚme et des mesures pris en faveur de la préparation en vue du réemploi.
  4. l'organisation et le financement du rapportage des performances annuelles des entreprises à finalité sociale de préparation en vue du réemploi.
  5. la mise à disposition au frais du producteur pour l'ensemble des points d'apport des entreprises à finalité sociale de préparation en vue du réemploi d'un conteneur d'une taille suffisante au stockage des matelas non-réemployables afin de faciliter la collecte par un collecteur, négociant ou courtier ayant conclu une convention avec le producteur.
  Art. 2.4.77. Le producteur soumet les conventions visées aux articles 2.4.75 et 2.4.76 pour approbation préalable à Bruxelles Environnement ainsi que toute modification de celles-ci.
  Sous-section 5. - Taux
  Art. 2.4.78. § 1er. Le producteur atteint un taux minimum global de collecte de :
  1° 50 % au 1er janvier 2023,
  2° 65 % au 1er janvier 2025,
  3° 80 % au 1er janvier 2030.
  § 2. En Région de Bruxelles-Capitale, les objectifs suivants sont également atteints :
  1° un poids de 0,60 kg/habitant au 1er janvier 2023,
  2° un poids de 0,70 kg/habitant au 1er janvier 2025,
  3° un poids de 0,80 kg/habitant au 1er janvier 2030.
  Art. 2.4.79. § 1er. Pour le traitement des déchets de matelas, les taux minimums de recyclage suivants sont atteints pour les quantités collectées :
  1° 35 % au 1er janvier 2023,
  2° 50 % au 1er janvier 2025,
  3° 75 % au 1er janvier 2030.
  § 2. Les objectifs de réemploi suite à la préparation en vue du réemploi par entreprises à finalité sociale sont :
  1° 200 matelas au 1er janvier 2023,
  2° 300 matelas au 1er janvier 2025,
  3° 500 matelas au 1er janvier 2030.
  Sous-section 6. - Rapportage
  Art. 2.4.80. Le producteur fournit à Bruxelles Environnement avant le 31 mai de chaque année, conformément à l'article 2.2.12 et en ce qui concerne l'année civile écoulée :
  1° la quantité totale, exprimée en kilogramme et en unités, des matelas mis sur le marché ;
  2° la quantité totale, exprimée en kilogramme, des déchets de matelas collectés en Région de Bruxelles-Capitale et en Belgique, par canal de collecte, avec une distinction entre les matelas ménagers et autres que ménagers ;
  3° les installations dans lesquelles les déchets de matelas collectés ont été traités, la description de leur mode de traitement et le taux de déchets éliminés à l'issue de ces traitements ;
  4° la quantité totale, exprimée en kilogramme, des déchets de matelas qui :
  a. ont été préparés en vue du réemploi ;
  b. ont été recyclés ;
  c. ont été valorisés énergétiquement ;
  5° la quantité totale, exprimée en kilogramme, des matériaux provenant du traitement des déchets de matelas qui :
  a. ont été recyclés ;
  b. ont été valorisés énergétiquement ;
  c. ont été éliminés ;
  6° les données nécessaires à l'évaluation des actions de prévention et au calcul des indicateurs de résultats ;
  7° en cas de délégation à un organisme agréé ou à un organisme de gestion, les cotisations versées à cet organisme, avec les modalités de calcul et la liste des membres adhérents à l'organisme ;
  8° la liste des études, projets pilotes et autres initiatives prises ainsi que la liste des parties prenantes et des montants.
  Sous-section 7. - Prévention
  Art. 2.4.81. § 1er. Le producteur établit et met en oeuvre un plan de prévention visant à diminuer les quantités de déchets et à faciliter le recyclage des déchets de matelas à travers notamment le principe d'éco-modulation, afin d'inciter les producteurs de matelas à rechercher des alternatives pour l'assemblage et la composition des matelas, en vue de mettre sur le marché des matelas dont le désassemblage et le recyclage sont facilités.
  § 2. Le producteur informe les ménages et les utilisateurs professionnels des avantages et des possibilités d'acquérir de tels matelas.
  § 3. Le producteur Ă©value annuellement son action et en informe Bruxelles Environnement en mĂȘme temps avec le rapportage visĂ© Ă  l'article 2.4.80.
  Sous-section 8. - Information des utilisateurs et des opérateurs
  Art. 2.4.82. § 1er. A partir du 1er janvier 2023 au plus tard, le producteur veille, notamment par des campagnes d'information, à ce que les consommateurs et les utilisateurs professionnels soient parfaitement informés :
  1° des systÚmes de collecte et de recyclage mis à leur disposition ;
  2° du rÎle qu'ils ont à jouer dans la collecte et le traitement des déchets de matelas.
  § 2. Le producteur veille à l'efficacité et la sécurité de la collecte et du traitement des déchets de matelas, notamment par des actions de sensibilisation vis-à-vis des opérateurs de collecte et de traitement. ".
Art. 1.16. Artikel 3.1.1. van hetzelfde besluit wordt vervangen door:
  "Art. 3.1.1. Registratie
  § 1. Laat zich registreren volgens de voorwaarden van de ordonnantie milieuvergunningen en de voorwaarden van de huidige titel, de persoon die activiteiten uitoefent als:
  1° vervoerder van afvalstoffen, met uitzondering van:
  a) de afvalstoffenproducent die zijn eigen afvalstoffen vervoert naar een inzamelinrichting zoals omschreven in artikel 3.5.15. of;
  b) de afvalstoffenproducent die zijn eigen afvalstoffen vervoert voor zover de hoeveelheid niet groter is dan 500 kg;
  2° inzamelaar, handelaar of makelaar van niet gevaarlijke afvalstoffen.
  § 2. Is niet onderworpen aan de registratie voor de inzamelactiviteit die plaats vindt op zijn site:
  1° de houder van een milieuvergunning voor een inzamel- en/of een verwerkingsinrichting van niet gevaarlijke afvalstoffen;
  2° de uitbater van een inzamelinrichting vallend onder artikel 3.5.15.".
Art. 1.16. L'article 3.1.1. du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par :
  " Art. 3.1.1. Enregistrement
  § 1er. Se fait enregistrer conformément aux dispositions prévues dans l'ordonnance permis d'environnement et aux conditions prévues dans le présent titre, la personne effectuant des activités de :
  1° transporteur de déchets, à l'exception :
  a) du producteur de déchets qui transporte ses propres déchets vers une installation de collecte visée à l'article 3.5.15. ou ;
  b) du producteur de déchets qui transporte ses propres déchets dont la quantité ne dépasse pas 500 kg ;
  2° collecteur, négociant ou courtier de déchets non dangereux.
  § 2. N'est pas soumis à un enregistrement pour les activités de collecte ayant lieu sur son site :
  1° le titulaire d'un permis d'environnement pour une installation de collecte et/ou de traitement de déchets non dangereux ;
  2° l'exploitant d'une installation de collecte visée à l'article 3.5.15. ".
Art. 1.17. Artikel 3.1.2. van hetzelfde besluit wordt vervangen door:
  "Art. 3.1.2. Erkenning
  § 1. Laat zich erkennen volgens de voorwaarden van de ordonnantie milieuvergunningen en de voorwaarden van de huidige titel, de natuurlijke of rechtspersoon die activiteiten uitoefent als inzamelaar, handelaar of makelaar van gevaarlijke afvalstoffen.
  § 2. Is niet onderworpen aan de erkenning voor de inzamelactiviteit die plaats vindt op zijn site:
  1° de houder van een milieuvergunning voor een inzamel- en/of een verwerkingsinrichting van gevaarlijke afvalstoffen;
  2° de uitbater van een inzamelinrichting vallend onder artikel 3.5.15.".
Art. 1.17. L'article 3.1.2. du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par :
  " Art. 3.1.2. Agrément
  § 1er. Se fait agréer conformément aux dispositions prévues dans l'ordonnance permis d'environnement et aux conditions prévues dans le présent titre, la personne physique ou morale effectuant des activités de collecteur, négociant ou courtier de déchets dangereux.
  § 2. N'est pas soumis à l'agrément pour l'activité de collecte ayant lieu sur son site :
  1° le titulaire d'un permis d'environnement pour une installation de collecte et/ou de traitement de déchets dangereux ;
  2° l'exploitant d'une installation de collecte visée à l'article 3.5.15. ".
Art. 1.18. Aan artikel 3.1.3. 1° van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht:
  a) bij het 3de streepje worden de woorden "of personen die de vennootschap kunnen verbinden" vervangen door ", personen die de vennootschap kunnen verbinden of verantwoordelijken voor het afvalstoffenbeheer";
  b) bij het 4de streepje worden de woorden "of personen die de vennootschap kunnen verbinden" vervangen door ", personen die de vennootschap kunnen verbinden of verantwoordelijken voor het afvalstoffenbeheer".
Art. 1.18. A l'article 3.1.3. 1° du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  a) au 3Úme tiret, les mots " ou personnes habilitées à engager la société " sont remplacés par ", personnes habilitées à engager la société ou responsables pour la gestion de déchets " ;
  b) au 4Úme tiret, les mots " ou personnes habilitées à engager la société " sont remplacés par ", personnes habilitées à engager la société ou responsables pour la gestion de déchets ".
Art. 1.19. Artikel 3.1.4. van hetzelfde besluit wordt vervangen door:
  "Art. 3.1.4. § 1. De registratie- en de erkenningsaanvraag gebeurt met behulp van het formulier dat Leefmilieu Brussel ter beschikking stelt. De minimale inhoud van het formulier is vastgelegd in bijlage 6, 7 en 8 van dit besluit.
  § 2. De aanvrager van een milieuvergunning voor een inzamel- en/of verwerkingsinrichting of de verlenging ervan, voegt aan de aanvraag het bijkomend formulier toe dat Leefmilieu Brussel ter beschikking stelt. De minimale inhoud van het formulier is vastgelegd in bijlage 9 van dit besluit.
  § 3. Leefmilieu Brussel heeft het recht om tijdens het onderzoek van de aanvraag aanvullende informatie met betrekking tot het project te vragen.
  § 4. Leefmilieu Brussel kan deze formulieren aanpassen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang of aan wijzigingen in de Europese regelgeving.".
Art. 1.19. L'article 3.1.4. du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par :
  " Art. 3.1.4. § 1er. La demande d'enregistrement et d'agrĂ©ment s'effectuent Ă  l'aide d'un formulaire que Bruxelles Environnement met Ă  disposition. Le contenu minimal du formulaire est prĂ©cisĂ© aux annexes 6, 7 et 8 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  § 2. Le demandeur d'un permis d'environnement ou de sa prolongation pour une installation de collecte et/ou de traitement de dĂ©chets, joint Ă  sa demande le formulaire complĂ©mentaire mis Ă  disposition par Bruxelles Environnement. Le contenu minimal du formulaire est prĂ©cisĂ© Ă  l'annexe 9 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  § 3. Bruxelles Environnement est en droit de demander, en cours d'instruction de la demande, toute information complémentaire relative au projet.
  § 4. Bruxelles Environnement peut adapter ces formulaires aux progrÚs techniques et scientifiques ou aux modifications de la réglementation européenne. ".
Art. 1.20. In artikel 3.1.5. § 2. van hetzelfde besluit worden twee bijkomende streepjes opgesteld als volgt, toegevoegd:
  "- een lijst met vergunde inzamel- en verwerkingsinrichtingen van afvalstoffen;
  - een lijst met bedrijven erkend volgens artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1069/2009.".
Art. 1.20. Dans l'article 3.1.5. § 2. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, deux tirets supplĂ©mentaires rĂ©digĂ©s comme suit sont ajoutĂ©s :
  " - une liste des installations de collecte et de traitement de déchets autorisées ;
  - une liste des entreprises agréées conformément à l'article 24 du RÚglement (CE) N° 1069/2009. ".
Art. 1.21. Artikel 3.2.1. § 1. van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt:
  "De vervoerder die in één van de Belgische gewesten of in een ander land dat een lidstaat is van de Economische Europese Ruimte, erkend of geregistreerd is krachtens artikel 26 van de richtlijn 2008/98/EG of artikel 23 van de Verordening (EG) nr. 1069/2009 wordt van rechtswege geregistreerd als vervoerder voor de afvalstoffen die in de oorspronkelijke erkenning of registratie voorkomen.".
Art. 1.21. L'article 3.2.1. § 1er du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par :
  " Le transporteur agréé ou enregistré dans l'une des Régions de l'Etat belge ou dans un autre pays membre de l'Espace économique européen en vertu de l'article 26 de la directive 2008/98/CE ou l'article 23 du RÚglement (CE) N° 1069/2009 est enregistré de plein droit comme transporteur pour les déchets qui font l'objet de leur agrément ou enregistrement d'origine. ".
Art. 1.22. In artikel 3.3.3. van hetzelfde besluit wordt de tweede paragraaf 2 hernummerd tot paragraaf 4.
Art. 1.22. A l'article 3.3.3. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le deuxiĂšme paragraphe 2 est renumĂ©rotĂ© paragraphe 4.
Art. 1.23. In artikel 3.4.2. § 3, tweede alinea van hetzelfde besluit, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de woorden "onder meer" worden opgeheven;
  b) de woorden "en enkel" worden vervangen door "of".
Art. 1.23. A l'article 3.4.2. § 3, al.2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  a) les mots " entre autres " sont abrogés ;
  b) " les mots " et seulement " sont remplacés par " ou ".
Art. 1.24. In titel III met als titel "Bepalingen betreffende afvalbeheeroperaties en -operatoren", van hetzelfde besluit, wordt de titel van hoofdstuk 5 met "en bijkomende inzamelpunten" aangevuld.
Art. 1.24. Dans le titre III intitulĂ© " Dispositions relatives aux opĂ©rations et aux opĂ©rateurs de gestion de dĂ©chets " du mĂȘme arrĂȘtĂ©, l'intitulĂ© du chapitre 5 est complĂ©tĂ© par " et points de collecte complĂ©mentaires ".
Art. 1.25. In artikel 3.5.4. van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de eerste paragraaf wordt vervangen door:
  " § 1. Een kwaliteitsbeheersysteem conform aan paragrafen 1 en 2 van het artikel 3.3.3. is aanwezig in elke inrichting voor inzameling of verwerking van afval.";
  b) een paragraaf 3 opgesteld als volgt wordt toegevoegd:
  " § 3. Naast de elementen opgenomen in paragrafen 1 en 2, neemt de titularis van de milieuvergunning, die geldt als erkenning volgens artikel 24 van de Verordening (EG) nr. 1069/2009, in zijn kwaliteitsbeheersysteem de controlepunten en de maatregelen vermeld in de artikelen 28 en 29 van de Verordening (EG) nr. 1069/2009 op.".
Art. 1.25. Dans l'article 3.5.4. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  a) le paragraphe 1er est remplacé par :
  " § 1er. Un systÚme de gestion de la qualité conforme aux paragraphes 1er et 2 de l'article 3.3.3. est présent au sein de chaque installation de collecte ou de traitement de déchets. " ;
  b) un paragraphe 3 rédigé comme suit est ajouté :
  " § 3. En plus des éléments repris aux paragraphes 1 et 2, le titulaire du permis d'environnement, qui vaut agrément conformément à l'article 24 du RÚglement N° 1069/2009, reprend dans le systÚme de gestion de la qualité les points de contrÎle et les mesures mentionnées dans les articles 28 et 29 du RÚglement (CE) N° 1069/2009. ".
Art. 1.26. In artikel 3.5.9. § 4 van hetzelfde besluit, worden de woorden "aflopend naar de riolering" opgeheven.
Art. 1.26. A l'article 3.5.9. § 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " , en pente vers une rigole d'Ă©gouttage " sont abrogĂ©s.
Art. 1.27. Artikel 3.5.15. van hetzelfde besluit wordt vervangen door:
  "Art. 3.5.15. De bepalingen van huidige afdeling zijn enkel van toepassing op de hieronder vermelde inrichtingen gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die het inzamelen van afvalstoffen als nevenactiviteit uitoefenen:
  1° De inzamelinrichting van afvalstoffen afkomstig van verschillende uitbatingszetels van eenzelfde natuurlijke of rechtspersoon, onder de volgende voorwaarden:
  1. de inrichting en de verschillende uitbatingszetels beschikken over één en hetzelfde ondernemingsnummer;
  2. een lijst wordt bijgehouden van de uitbatingszetels waarvan afvalstoffen ingezameld worden.
  2° [...]
  3° De inzamelinrichting van afvalstoffen afkomstig van verschillende natuurlijke en rechtspersonen die gevestigd zijn op hetzelfde bedrijventerrein, onder de volgende voorwaarden:
  1. de afvalstoffen zijn geen gevaarlijke afvalstoffen of zijn dierlijke bijproducten bepaald in artikel 4.5.1. § 3;
  2. een lijst wordt bijgehouden van de natuurlijke of rechtspersonen waarvan afvalstoffen ingezameld worden.
  4° De inzamelinrichting van afvalstoffen afkomstig van andere afvalstoffenhouders, onder de volgende voorwaarden:
  1. de ingezamelde afvalstoffen zijn van dezelfde soort en afkomstig van eenzelfde sector als degene van de inrichting of de ingezamelde afvalstoffen zijn de dierenkadavers bepaald in artikel 4.5.1. § 3;
  2. de hoeveelheid ingezamelde afvalstoffen bedraagt per afgifte maximaal 500 kg;
  3. een lijst wordt bijgehouden van de natuurlijke of rechtspersonen waarvan afvalstoffen ingezameld worden.
  5° De exploitatiezetel van de kleinhandelaar waar afvalstoffen in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, volgens titel II worden teruggenomen. De afvalstoffen worden rechtstreeks aangebracht door de consument.
  6° De exploitatiezetel van de kleinhandelaar waar afvalstoffen worden teruggenomen buiten het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. De afvalstoffen zijn van gelijke aard als de verkochte producten en worden rechtstreeks aangebracht door de consument.".
Art. 1.27. L'article 3.5.15. du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par :
  " Art. 3.5.15. Les dispositions de la présente section ne s'appliquent qu'aux installations énumérées ci-dessous, situées en Région de Bruxelles Capitale qui exercent leurs activités de collecte de déchets à titre accessoire :
  1° L'installation de collecte de dĂ©chets en provenance de diffĂ©rents siĂšges d'exploitation d'une mĂȘme personne morale ou physique, respectant les conditions suivantes :
  1. l'installation et les diffĂ©rents siĂšges d'exploitation disposent d'un seul et mĂȘme numĂ©ro d'entreprise ;
  2. une liste des sites d'exploitation pour lesquels les déchets sont collectés est tenue à jour.
  2° [...]
  3° L'installation de collecte de dĂ©chets en provenance de diffĂ©rentes personnes morales ou physiques situĂ©es sur une mĂȘme zone d'activitĂ©s, respectant les conditions suivantes :
  1. les déchets sont non dangereux ou sont des sous-produits animaux visés à l'article 4.5.1. § 3 ;
  2. une liste des personnes morales ou physiques pour lesquelles les déchets sont collectés est tenue à jour.
  4° L'installation de collecte de déchets en provenance d'autres détenteurs de déchets, respectant les conditions suivantes :
  1. les dĂ©chets collectĂ©s sont de mĂȘme nature et proviennent du mĂȘme secteur d'activitĂ© que celui de l'installation ou les dĂ©chets collectĂ©s sont des cadavres d'animaux visĂ©s Ă  l'article 4.5.1. § 3 ;
  2. la quantité de déchets collectés ne dépasse pas 500 kg par apport ;
  3. une liste des personnes morales ou physiques pour lesquelles les déchets sont collectés est tenue à jour.
  5° Le siĂšge d'exploitation du dĂ©taillant oĂč des dĂ©chets soumis Ă  responsabilitĂ© Ă©largie du producteur conformĂ©ment au titre II sont repris. Les dĂ©chets sont apportĂ©s par le consommateur.
  6° Le siĂšge d'exploitation du dĂ©taillant oĂč des dĂ©chets sont collectĂ©s en dehors du cadre de la responsabilitĂ© Ă©largie du producteur. Les dĂ©chets sont de la mĂȘme nature que les produits vendus et sont apportĂ©s par le consommateur. ".
Art. 1.28. In titel III, hoofdstuk 5 van hetzelfde besluit, wordt een vierde afdeling met als titel "Bepalingen betreffende de bijkomende inzamelpunten" toegevoegd, die als volgt luidt:
  " Afdeling 4. - Bepalingen betreffende bijkomende inzamelpunten
  Art. 3.5.18. Toepassingsgebied
  § 1. De afdeling is van toepassing op inzamelpunten.
  § 2. De afdelingen 1, 2 en 3 van huidig hoofdstuk zijn niet van toepassing op inzamelpunten.
  Art. 3.5.19. Uitbating
  § 1. Het bijkomende inzamelpunt voldoet aan volgende voorwaarden:
  1. de afvalstoffen worden opgehaald door een vergunde inzamelaar, handelaar of makelaar,
  2. de inzameling gebeurt op regelmatige en georganiseerde wijze.
  § 2. Het bijkomende inzamelpunt vermeldt:
  1. de naam van de inzamelaar, handelaar of makelaar en/of de beheerder van de site en/of het beheersorganisme;
  2. het type van de aanvaardde afvalstoffen;
  3. dat enkel afvalstoffen van huishoudens worden aanvaard.
  § 3. De recipiënten van een bijkomend inzamelpunt zijn zo ontworpen om overvulling te vermijden en om de veiligheid van de opslag, de inperking van de gevaarlijke stoffen, de voorbereiding voor hergebruik en het hergebruik te optimaliseren. De inrichting en de omgeving wordt proper gehouden.
  § 4. De inzameling via bijkomende inzamelpunten van grofvuil en van gevaarlijke afvalstoffen, andere dan heel klein AEEA en afgedankte batterijen en accu's, is verboden.
  § 5. De inzameling via bijkomende inzamelpunten van afgedankte batterijen en accu's is verboden in kleuter- en lagere scholen, behalve indien zij beschikken over een metalen inzamelrecipiënt met deksel en met een opening die batterijen met een diameter groter dan 47 mm niet doorlaat.
  § 6. De inzamelpunten van heel klein AEEA bedoeld onder artikel 4.1.4. zijn niet onderworpen aan huidig artikel.
  § 7. De inzamelpunten van afgewerkte voedingsolie en -vetten zoals bedoeld in artikel 4.5.14. zijn niet onderworpen aan huidig artikel.".
Art. 1.28. Dans le titre III, chapitre 5 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, une section 4 intitulĂ©e " Dispositions relatives aux points de collecte complĂ©mentaires " rĂ©digĂ©e comme suit est insĂ©rĂ©e :
  " Section 4. - Dispositions relatives aux points de collecte complémentaires
  Art. 3.5.18. Champ d'application
  § 1er. La section s'applique aux points de collecte.
  § 2. Les sections 1, 2 et 3 du présent chapitre ne s'appliquent pas aux points de collecte.
  Art. 3.5.19. Exploitation
  § 1er. Le point de collecte complémentaire satisfait aux conditions suivantes :
  1. les déchets sont repris par un collecteur, négociant ou courtier autorisé,
  2. la collecte se fait de maniÚre réguliÚre et organisée.
  § 2. Le point de collecte complémentaire mentionne :
  1. le nom du collecteur, négociant ou courtier et/ou du gestionnaire du site et/ou de l'organisme de gestion ;
  2. le type de déchets acceptés ;
  3. que seuls les déchets des ménages sont acceptés.
  § 3. Les récipients d'un point de collecte complémentaire sont conçus de maniÚre à éviter tout débordement et à optimiser la sécurité des dépÎts, le confinement des substances dangereuses, la préparation en vue du réemploi et le réemploi. L'installation et ses alentours sont maintenus propres.
  § 4. La collecte via les points de collecte complémentaires des déchets encombrants et des déchets dangereux, autres que les DEEE de trÚs petites dimensions et les déchets de piles et accumulateurs, est interdite.
  § 5. La collecte via les points de collecte complémentaires des déchets de piles et accumulateurs est interdite dans les écoles maternelles et primaires, sauf si elles disposent d'un récipient de collecte en métal avec un couvercle et une ouverture qui ne laisse pas passer les piles d'un diamÚtre supérieur à 47 mm.
  § 6. Les points de collecte de DEEE de trÚs petites dimensions visés à l'article 4.1.4. ne sont pas soumis au présent article.
  § 7. Les points de collecte de déchets d'huiles et graisses alimentaires visés à l'article 4.5.14. ne sont pas soumis au présent article. ".
Art. 1.29. In artikel 3.7.1. van hetzelfde besluit wordt paragraaf 1 vervangen door:
  " § 1. Conform artikel 19 van de ordonnantie afvalstoffen sorteert de afvalstoffenhouder van andere dan huishoudelijke afvalstoffen de volgende stromen:
  1. afvalstoffen van PMD-verpakkingen zonder inhoud met een maximumvolume van 8 liter: plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons;
  2. afvalstoffen van papier en karton, droog en proper;
  3. afvalstoffen van kleurloos en gekleurd verpakkingsglas;
  4. bioafval bestaande uit volgende fracties:
  a) biologisch afbreekbaar tuin- en parkafval;
  b) levensmiddelen- en keukenafval van kantoren, restaurants, groothandel, kantines, cateringfaciliteiten en winkels en vergelijkbare afvalstoffen van de levensmiddelenindustrie;
  5. gevaarlijke afvalstoffen;
  6. afvalstoffen die selectief ingezameld moeten worden in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid conform titel II van dit besluit en de afgewerkte voedingsolie en -vetten;
  7. textielafvalstoffen;
  8. metaalafvalstoffen;
  9. houtafvalstoffen;
  10. afvalstoffen van harde kunststoffen;
  11. afvalstoffen van geëxpandeerd polystyreen;
  12. afvalstoffen van plasticfolie andere dan de afvalstoffen bedoeld in punt 1;
  13. afvalstoffen van plastic spanbanden;
  14. dierlijke bijproducten, andere dan de afvalstoffen bedoeld in punten 4 en 6, volgens de bepalingen van hoofdstuk 5 van titel IV;
  15. risicohoudende afvalstoffen van de zorg, volgens de bepalingen van hoofdstuk 7 van titel IV;
  16. puin.".
Art. 1.29. Dans l'article 3.7.1. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le paragraphe 1er est remplacĂ© par :
  " § 1er. Conformément à l'article 19 de l'ordonnance déchets, le détenteur de déchets autre que ménagers trie les flux suivants :
  1. les déchets d'emballages PMC vides de leur contenu et d'un volume maximum de 8 litres : les emballages en plastique, les emballages métalliques et les cartons à boissons ;
  2. les déchets de papier et carton, sec et propre ;
  3. les déchets de verre d'emballage blanc et de couleur ;
  4. les biodéchets, comprenant les fractions suivantes :
  a) les déchets biodégradables de jardin ou de parc ;
  b) les déchets alimentaires ou de cuisine provenant des bureaux, des restaurants, du commerce de gros, des cantines, des traiteurs ou des magasins de vente au détail, ainsi que les déchets comparables provenant des usines de transformation de denrées alimentaires ;
  5. les déchets dangereux ;
  6. les dĂ©chets qui doivent ĂȘtre collectĂ©s sĂ©lectivement dans le cadre de l'obligation de la responsabilitĂ© Ă©largie du producteur conformĂ©ment au titre II du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et les dĂ©chets d'huiles et graisses alimentaires ;
  7. les déchets de textile ;
  8. les déchets métalliques ;
  9. les déchets de bois ;
  10. les déchets de plastiques rigides ;
  11. les déchets de polystyrÚne expansé ;
  12. les déchets de films plastiques autres que les déchets visés au point 1 ;
  13. les déchets de liens de cerclage en plastique ;
  14. les sous-produits animaux autres que les déchets visés sous les points 4 et 6, conformément aux exigences du chapitre 5 du titre IV ;
  15. les déchets de soins à risque, conformément aux exigences du chapitre 7 du titre IV ;
  16. les gravats. ".
Art. 1.30. In artikel 3.8.2. van hetzelfde besluit, wordt 4° vervangen door:
  "4° afvalstoffen uit de gezondheidszorg: afvalstoffen afkomstig van activiteiten in de gezondheidszorg in de zin van artikel 4.7.2., 2°. "
Art. 1.30. A l'article 3.8.2. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le 4° est remplacĂ© par :
  " 4° déchet de soins de santé : déchet résultant d'activités de soins de santé au sens de l'article 4.7.2., 2°. "
Art. 2. Composteren
  In titel III van hetzelfde besluit wordt er een hoofdstuk 9 toegevoegd, getiteld " Composteren ", dat als volgt luidt:
  " HOOFDSTUK 9. - Composteren
  Afdeling 1. - Wijkcompostering en bedrijfscompostering
  Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied en afwijkingen
  Art. 3.9.1. Toepassingsgebied en afwijkingen
  § 1. In de zin van onderhavige afdeling wordt verstaan onder:
  - "wijkcompostering": de compostering uitgevoerd door een groep huishoudens;
  - "bedrijfscompostering": de compostering uitgevoerd door een onderneming of een groep ondernemingen;
  - "beheerder van de composteersite": een natuurlijke of rechtspersoon die is aangesteld als verantwoordelijke voor het goede beheer van de composteersite;
  - "groep ondernemingen": de ondernemingen van eenzelfde bedrijventerrein die gebonden zijn door een contract voor het beheer van de composteersite op hun bedrijventerrein.
  § 2. Deze afdeling is van toepassing op de wijkcompostering en de bedrijfscompostering.
  Deze afdeling is niet van toepassing op de individuele inrichtingen voor thuiscomposteren bij gezinnen en waarvan de compost door hen voor eigen rekening gebruikt wordt.
  Behoudens andersluidende bepalingen zijn titel I, hoofdstukken 1 tot 8 van deze titel en hoofdstuk 5 van titel IV niet van toepassing op de wijkcompostering en de bedrijfscompostering.
  § 3. De wijkcompostering en de bedrijfscompostering zijn niet onderworpen aan een milieuvergunning.
  Onderafdeling 2. - Algemeen
  Art. 3.9.2. Aanvoer
  § 1. Alleen keukenafval en etensresten van categorie 3 en tuin- en parkafval, kan worden gecomposteerd.
  § 2. Alleen keukenafval en etensresten geproduceerd door de groep van huishoudens, door de onderneming of de groep ondernemingen mag worden aangebracht op hun eigen composteersite.
  Een huishouden brengt deze afvalstoffen niet aan op een site voor bedrijfscompostering en een bedrijf brengt deze niet aan op een site voor wijkcompostering.
  § 3. Tuin- en parkafval kan worden aangevoerd door de volgende derden:
  1° de publiekrechtelijke rechtspersoon die beheerder is van de groene ruimten en;
  2° professionele landschapsverzorgers.
  § 4. Het composteer en opslagvolume mag de 25 m3 niet overschrijden.
  § 5. Wanneer de composteersite zijn maximale verwerkingscapaciteit bereikt heeft, is de aanvoer van afvalstoffen niet meer toegelaten.
  In dit geval brengt de beheerder van de composteersite de in artikel 3.9.5. § 1 bedoelde personen die toegang hebben tot de site hiervan op de hoogte, verbiedt hij bijkomende aanvoer van afvalstoffen tot nader order en verstrekt hij informatie over alternatieve manieren van afvalverwijdering.
  Art. 3.9.3. Locatie
  § 1. De locatie van de composteersite voldoet aan de volgende criteria:
  1. ze situeert zich zodanig dat de risico's op hinder voor het leefmilieu en de buurt beperkt zijn;
  2. ze is ingeplant op minstens 4 meter afstand van oevers van geklasseerde onbevaarbare waterlopen en vijvers in de zin van de ordonnantie van 16 mei 2019 houdende het beheer en de bescherming van onbevaarbare waterlopen en vijvers;
  3. ze is niet ingeplant in de waterwinningsgebieden en beschermingszones van grondwaterwinningen.
  § 2. Er wordt geen afval opgeslagen buiten de in artikel 3.9.4. genoemde zones voor compostering.
  § 3. Artikel 3.5.5. § 1 en 3 is van toepassing.
  Art. 3.9.4. Infrastructuur
  § 1. Op elk moment beschikt de composteersite minstens over:
  1. een verwerkingszone waar aerobe ontbinding en rijping plaatsvinden;
  2. een opslagzone voor structuurmateriaal;
  3. een opslagzone voor compost.
  § 2. De zones zijn duidelijk ruimtelijk afgebakend.
  § 3. Een technische uitrusting die de compostering versnelt of die geen installatie voor aerobe biologische omzetting is, is verboden op de site voor wijk- of bedrijfscompostering.
  Art. 3.9.5. Controle van de toegang tot de composteersite
  § 1. Alleen personen die vooraf toestemming hebben gekregen van de beheerder van de composteersite, hebben toegang tot de composteersite.
  § 2. Bij de ingang van de composteersite wordt een informatiebord geplaatst op een plek die van buitenaf zichtbaar is.
  Dit informatiebord bevat:
  1. informatie die de identificatie van en het contact met de beheerder van de composteersite mogelijk maakt;
  2. openingstijden van de composteersite;
  3. instructies betreffende de voorwaarden voor het afgeven van afvalstoffen;
  4. de lijst van aanvaarde afvalstoffen.
  Art. 3.9.6. Controle en opvolging van het composteren
  Al de aangevoerde afvalstoffen worden gecomposteerd.
  De correcte ontbinding en hygiënisering van de afvalstoffen wordt verzekerd door een permanente toevoer van koolstofhoudend structuurmateriaal in een toereikende hoeveelheid en door het regelmatig draaien en verplaatsen van de afvalstoffen om deze te homogeniseren.
  De hopen afvalstoffen die aan het composteren zijn, zijn niet hoger dan 2 meter en hebben een minimaal volume van 1 m3.
  Artikel 3.5.6. § 3 is van toepassing.
  Art. 3.9.7. Voorkomen van hinder
  Artikel 3.5.12. is van toepassing.
  Art. 3.9.8. Gebruik van de compost
  § 1. Alleen de huishoudens, de onderneming of de ondernemingen van de groep ondernemingen die keukenafval en etensresten aanvoeren, mogen de compost gebruiken afkomstig van hun eigen composteersite.
  Bij de verdeling van de compost ziet de beheerder van de composteersite erop toe dat de gezondheidsrisico's in verband met het gebruik van de compost en de goede hygiënische praktijken voor de hantering ervan in herinnering worden gebracht.
  De compost mag enkel voor eigen gebruik aangewend worden en onder eigen verantwoordelijkheid. De compost mag niet weggegeven of verkocht worden.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 mag de compost worden gebruikt door de publiekrechtelijke rechtspersoon die de groene ruimten beheert en die toegang heeft tot een composteersite conform artikel 3.9.5. § 1, in de eigen groene ruimten.
  In dit geval is het gebruik van de compost op grond bestemd voor fruit- en groententeelt, op weiden of op akkers bestemd voor de teelt van voedergewassen voor diervoeders verboden.
  § 3. De overtollige hoeveelheden compost worden vervoerd naar een vergunde inzamel- of verwerkingsinrichting. Deze overtollige hoeveelheden kunnen niet worden overgebracht tussen verschillende wijkcomposteersites en/of bedrijfscomposteersites.
  Onderafdeling 3. - Exploitatie
  Art. 3.9.9. Beheerder van de wijkcomposteersite
  § 1. Een natuurlijke persoon, de beheerder van de composteersite, wordt aangewezen als verantwoordelijke voor het goede beheer van de composteersite.
  § 2. De beheerder van de composteersite of een door hem aangeduide persoon, volgt een opleiding over de reglementering en de richtlijnen van de gids van goede praktijken op het vlak van composteren.
  § 3. De beheerder van de composteersite geeft zijn voorafgaande goedkeuring aan de huishoudens die toegang hebben tot de site en houdt de lijst van de huishoudens met hun adressen bij.
  Hij geeft zijn voorafgaande schriftelijke en gedateerde toestemming aan de publiekrechtelijke rechtspersoon die de groene ruimten beheert en/of de professionele landschapsverzorger die tuin- en parkafval aanvoert, en werkt de lijst met hun gegevens minstens een keer per jaar bij.
  De lijsten worden op eenvoudig verzoek voorgelegd aan de personeelsleden belast met het toezicht volgens de bepalingen van artikel 5 van het wetboek van inspectie.
  § 4. De beheerder van de composteersite en de in de paragraaf 3 bedoelde personen organiseren zich om een goed beheer van de composteersite te verzekeren.
  § 5. Leefmilieu Brussel stelt een gids van goede praktijken inzake composteren op en publiceert deze op zijn website.
  Art. 3.9.10. Beheerder van de bedrijfscomposteersite
  § 1. Een natuurlijke of rechtspersoon wordt aangesteld als beheerder van de composteersite en is verantwoordelijk voor het goede beheer van de composteersite.
  § 2. De beheerder van de composteersite, of een door hem aangeduide persoon, volgt een opleiding over de reglementering en de richtlijnen van de gids van goede praktijken op het vlak van composteren.
  § 3. De onderneming legt minimum de volgende informatie vast in een intern register van de onderneming:
  - de gegevens van de persoon die is aangesteld als beheerder van de composteersite;
  - het bewijs dat de beheerder van de composteersite of een door hem aangesteld persoon de onder paragraaf 2 bedoelde opleiding heeft gevolgd;
  - de lijst van medewerkers van de onderneming die toegang hebben tot de composteersite;
  - alle voorafgaande schriftelijke en gedateerde akkoorden met de publiekrechtelijke rechtspersoon die de beheerder is van de groene ruimten en/of met de professionele landschapsverzorgers die toegang hebben tot de site en die tuin- en parkafval aanvoeren, en een lijst met hun gegevens.
  § 4. In het geval van een groep van ondernemingen bepalen de ondernemingen op het terrein van welke onderneming van de groep de composteersite zal worden geïnstalleerd. Er wordt een contract gesloten tussen de ondernemingen die deze composteersite gebruiken en elk van hen houdt een kopie van het contract bij. Het contract bevat minstens de volgende informatie:
  - de gegevens van de ondernemingen die deel uitmaken van de groep van ondernemingen;
  - de exacte plaats van de composteersite;
  - de gegevens van de persoon die is aangesteld als beheerder van de composteersite;
  - het bewijs dat de beheerder van de composteersite of een door hem aangestelde persoon de onder paragraaf 2 bedoelde opleiding heeft gevolgd.
  De beheerder van de composteersite legt minimum de volgende informatie vast in een register:
  - de kopie van het contract bedoeld onder het eerste lid;
  - de lijst van medewerkers van de ondernemingen die toegang hebben tot de composteersite;
  - alle voorafgaande schriftelijke en gedateerde akkoorden met derden die toegang hebben tot de site en die tuin- en parkafval aanvoeren, en een lijst met hun gegevens.
  § 5. De akkoorden, contracten en registers zijn gedateerd en worden regelmatig bijgewerkt, minstens een keer per jaar naargelang van de evolutie van de staat van de composteersite.
  § 6. Het register kan worden gebruikt als bewijs van afvalbeheer zoals bedoeld onder artikel 1.7. § 2, 3. van Brudalex op voorwaarde dat de bedrijfscomposteersite voldoet aan de voorwaarden van deze afdeling.
  Het register wordt op eenvoudig verzoek voorgelegd aan de personeelsleden belast met het toezicht volgens de bepalingen van artikel 5 van het wetboek van inspectie.
  § 7. De beheerder van de composteersite ziet toe op een goed beheer van de composteersite.
  § 8. Leefmilieu Brussel stelt een gids van goede praktijken inzake composteren op en publiceert deze op zijn website.
  Afdeling 2. - Kleinschalig composteren
  Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied
  Art. 3.9.11. Toepassingsgebied
  § 1. Deze afdeling is van toepassing op de composteerinrichtingen die door de rubriek 41-1A beoogd worden tenzij het gaat om wijkcomposteerinrichtingen onderworpen aan afdeling 1.
  Behoudens andersluidende bepalingen, zijn titel I, de hoofdstukken 1 tot 8 van deze titel en hoofdstuk 5 van titel IV van toepassing op het kleinschalig composteren.
  § 2. Deze afdeling is van toepassing onverminderd de Verordening (EG) nr. 1069/2009.
  Onderafdeling 2. - Algemeen
  Art. 3.9.12. Aanvoer
  § 1. Alleen biodegradeerbare afvalstoffen kunnen gecomposteerd worden. Onverminderd andere regelgevingen, is de aanvoer van de volgende soorten afvalstoffen verboden:
  1. de gevaarlijke afvalstoffen zoals opgenomen in de lijst van afvalstoffen zoals bepaald in artikel 1.9. van huidig besluit;
  2. het behandeld hout.
  De milieuvergunning vermeldt de afvalstoffen die kunnen verwerkt worden in de composteerinrichting.
  § 2. Chemische en/of biologische composteeradditieven zijn verboden.
  De milieuvergunning kan een afwijking van het gebruik van composteeradditieven toestaan, op voorwaarde dat de uitbater aantoont dat het gebruik van de additieven onschadelijk is voor het milieu en dat de regelgeving wordt nageleefd.
  Art. 3.9.13. Locatie
  § 1. De locatie van de composteersite stemt overeen met artikel 3.9.3. § 1.
  § 2. Er wordt geen afval opgeslagen buiten de in artikel 3.9.14. genoemde zones voor compostering.
  Art. 3.9.14. Infrastructuur
  § 1. De composteerinrichting omvat minstens:
  1. een zone of uitrusting voor de ontvangst, de eventuele sortering en de controle van afvalstoffen;
  2. desgevallend een zone of uitrusting voor de opslag van afvalstoffen, aangepast aan de aard van de afvalstoffen;
  3. desgevallend een zone of uitrusting voor de voorbehandeling van afval;
  4. een zone of uitrusting bestemd voor de aerobe ontbinding;
  5. een zone of uitrusting bestemd voor de rijping;
  6. een zone of uitrusting bestemd voor de nabewerking, het zeven en desgevallend het bereiden;
  7. desgevallend een zone voor de opslag van de compost voorafgaand aan de verzending ervan.
  § 2. De zones beschikken over alle uitrustingen en constructies die nuttig zijn voor het composteren en zijn zodanig gedimensioneerd dat een voldoende lange verblijftijd gegarandeerd wordt om het verkrijgen van een compost te verzekeren die voldoet aan de normen gedefinieerd in artikel 3.9.17.
  § 3. De zones zijn goed afgebakend, zodat contact tussen de afvalstoffen en de compost vermeden wordt.
  § 4. De vloer van de zones bedoeld bij paragraaf 1, 1° tot 5°, is bedekt met of bestaat uit een ondoorlaatbaar materiaal. De vloer moet een voldoende grote helling hebben om het percolaat en het afvloeiingswater te kunnen opvangen.
  § 5. De inrichting is uitgerust met een systeem voor de opvang en het hergebruik van het percolaat en het afvloeiingswater voor het besproeien van het ontbindende materiaal tijdens de verwerking ervan door middel van composteren.
  § 6. De milieuvergunning kan een afwijking op de paragrafen 4 en 5 toekennen, op voorwaarde dat de uitbater kan aantonen dat er geen enkel risico voor de bodem en het water is.
  Onderafdeling 3. - Uitbating
  Art. 3.9.15. Milieuvergunningsaanvraag
  § 1. Bij het indienen van de aanvraag voor een milieuvergunning zijn de in artikelen 3.5.2., 3.5.3. en 3.5.4. gevraagde documenten niet vereist.
  § 2. De uitbater, of een door hem aangeduide persoon, volgt een opleiding over de reglementering en de richtlijnen van de gids van goede praktijken op het vlak van composteren zoals bepaald in artikel 3.9.9. § 2.
  Art. 3.9.16. Controle en opvolging van het composteren
  § 1. De uitbater is ertoe gehouden om alles in het werk te stellen om een goed verloop van de compostering te verzekeren, met name de organisatie, de planning van de activiteiten en de goede werking van het materieel.
  § 2. Indien de inrichting is uitgerust met een luchtzuiveringssysteem, wordt deze onderhouden volgens de instructies van de leverancier of installateur.
  § 3. De indeling van de ruimte maakt de organisatie van de compostering en de opslag mogelijk.
  § 4. De uitbater stelt een beheer per lot afvalstoffen in. Hij verzekert er zich van dat de afvalstoffen die een lot vormen identieke composteeromstandigheden ondergaan. Elk lot is geïdentificeerd.
  § 5. De uitbater zorgt ervoor dat er tijdens de ontbinding- en rijpingsfase geen anaerobe omstandigheden ontstaan bij de opslag van de afvalstoffen.
  § 6. Binnen 24 uur na aflevering worden de aangevoerde afvalstoffen ingevoerd in het composteringsproces.
  § 7. De afvalstoffen worden gestort in hopen waarvan de maximale hoogte tijdens het composteren beperkt is tot 3 meter.
  § 8. De correcte ontbinding en hygiënisering van de afvalstoffen wordt verzekerd door het regelmatig en homogeen draaien van het materiaal of door middel van geforceerde ventilatie.
  Het draaien moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1. het moet regelmatig voor al het materiaal gebeuren, met verplaatsing ervan om het te homogeniseren;
  2. de verblijftijd van het materiaal in aerobe ontbinding in de hiertoe voorziene zone, bedraagt minstens drie weken;
  3. tijdens de fase van de aerobe ontbinding wordt het materiaal minstens drie keer gedraaid.
  Bij geforceerde ventilatie bedraagt de bewaartijd van het materiaal in aerobe ontbinding in de hiertoe voorziene zone, minstens twee weken.
  § 9. Door de milieuvergunning kan een afwijking op paragraaf 8, punten 2 en 3, toegekend worden, als de uitbater aan de hand van een expertise aantoont dat het gebruikte alternatief een gelijkwaardige bescherming van het milieu en hygiënisering van de compost biedt.
  § 10. Aan het einde van de aerobe ontbinding wordt het materiaal naar de rijpingszone gebracht.
  § 11. De temperatuur van het materiaal dat aan het composteren is, wordt dagelijks gecontroleerd.
  § 12. Tijdens het composteren vertonen alle delen van het materiaal een variatie in temperatuur in functie van de tijd die overeenstemt met een van de volgende situaties:
  1. 60 ° C of meer gedurende minstens 4 dagen,
  2. 55 ° C of meer gedurende minstens 12 dagen.
  § 13. Het personeel beschikt op de composteersite over alle benodigde informatie om de naleving van de procedures te verzekeren.
  Art. 3.9.17. Samenstelling van de compost
  § 1. Behalve voor de parameter Zn respecteert de compost de saneringsnormen voor de bodem zoals opgenomen in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 maart 2018 tot vaststelling van de interventie en saneringsnormen. Voor de parameter Zn is de maximale drempel 400 mg Zn/kg droge stof.
  § 2. Er worden minstens analyses uitgevoerd met betrekking tot zware metalen en metalloïden, polycyclische aromatische koolwaterstoffen en minerale oliën.
  § 3. De milieuvergunning kan bijkomende de te analyseren parameters opleggen in functie van de aanvoer.
  Art. 3.9.18. Monsterneming en analyse
  § 1. De uitbater voert monsternames uit volgens de code van goede praktijken met betrekking tot het nemen van monsters en gepubliceerd op de site van Leefmilieu Brussel.
  § 2. De analyse van de compost wordt uitgevoerd door een erkend laboratorium in het domein van bodem, in toepassing van het besluit van 23 juni 1994 betreffende de algemene voorwaarden en de procedure voor erkenning van laboratoria.
  § 3. De analyse van de compost wordt uitgevoerd volgens de code van goede praktijken gepubliceerd op de site van Leefmilieu Brussel voor de analysemethoden.
  Art. 3.9.19. Voorkomen van hinder
  § 1. Alle maatregelen worden genomen om de geuroverlast zoveel mogelijk te beperken, vooral tijdens het draaien en zeven.
  § 2. Als het niet mogelijk blijkt om de naar de inrichting gebrachte afvalstoffen te verwerken in het composteringsproces, worden ze zo snel mogelijk afgevoerd om alle hinder te vermijden.
  Art. 3.9.20. Activiteitenverslag
  § 1. De uitbater houdt een activiteitenverslag bij met de volgende informatie:
  1. gedateerde informatie over de uitgevoerde handelingen, de analyseresultaten en de gemeten parameters, met name de temperatuur, het draaien, het zeven en de opslag van de compost;
  2. de geproduceerde hoeveelheden compost;
  3. de informatie in het in artikel 1.7 bedoelde afvalstoffenregister.
  § 2. Het activiteitenverslag wordt op eenvoudig verzoek aan de overheden die belast zijn met het toezicht voorgelegd.
  Art. 3.9.21. Einde van afvalstatuut in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en gebruik van de compost
  Onverminderd de aanvullende verplichtingen van Verordening (EG) nr. 1069/2009 is compost dat het resultaat is van een composteringsproces overeenkomstig artikel 3.9.17. en 3.9.18. niet langer een afvalstof overeenkomstig artikel 9 van de ordonnantie afvalstoffen.
  De compost kan gebruikt worden als grondverbeteringsmiddel.
  De compost geproduceerd in het Vlaamse gewest of het Waalse gewest bekomt het einde van afvalstatuut in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op voorwaarde dat deze voldoet aan de vereisten van artikels 3.9.17. § 1 en 3.9.18. Deze compost is niet onderworpen aan de toelating voor rubriek 178.
  Afdeling 3. - Grootschalig composteren
  Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied
  Art. 3.9.22. Toepassingsgebied
  § 1. Deze afdeling is van toepassing op de composteerinrichtingen die door rubriek 41-1B beoogd worden.
  Behoudens andersluidende bepalingen, zijn titel I, de hoofdstukken 1 tot 8 van deze titel en hoofdstuk 5 van titel IV van toepassing op het grootschalig composteren.
  § 2. Deze afdeling is van toepassing onverminderd de Verordening (EG) nr. 1069/2009.
  Onderafdeling 2. - Algemeen
  Art. 3.9.23. Aanvoer
  Artikel 3.9.12. is van toepassing.
  Art. 3.9.24. Locatie
  § 1. De locatie van de composteersite voldoet aan art. 3.9.3. § 1.
  § 2. Er wordt geen afval opgeslagen buiten de in artikel 3.9.14. genoemde zones voor compostering.
  § 3. De zones en de uitrustingen voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1. ze zijn gelegen op ten minste 50 meter afstand van door derden bewoonde woningen, voor bewoning bestemde ruimten, inrichtingen die publiek ontvangen, met uitzondering van die welke verband houden met de inzameling of verwerking van afvalstoffen. Deze minimumafstand wordt verhoogd tot 200 meter wanneer ze niet zijn uitgerust met een systeem voor opvang en behandeling van de gasvormige effluenten;
  2. de inrichting mag zich niet boven of onder door derden bewoonde vertrekken of als kantoor gebruikte ruimten bevinden, met uitzondering van de technische ruimten die nodig zijn voor de werking van de installatie.
  § 4. De omheiningen en andere inrichtingen die indringers buiten moeten houden, worden in goede staat gehouden.
  Art. 3.9.25. Infrastructuur
  Artikel 3.9.14. is van toepassing met uitzondering van de afwijking voorzien in paragraaf 6.
  Onderafdeling 3. - Uitbating
  Art. 3.9.26. § 1. Artikel 3.9.16. is van toepassing met uitzondering van zijn paragraaf 9.
  § 2. Artikelen 3.9.17. tot en met 3.9.21. zijn van toepassing.
  "
Art. 2. Compostage
  Dans le titre III du mĂȘme arrĂȘtĂ©, un chapitre 9 intitulĂ© " Compostage " rĂ©digĂ© comme suit est ajoutĂ© :
  " CHAPITRE 9. - Compostage
  Section 1re. - Compostage de quartier et compostage en entreprise
  Sous-section 1re. - Champ d'application et dérogations
  Art. 3.9.1. Champ d'application et dérogations
  § 1er. Au sens de la présente section, on entend par :
  - " compostage de quartier " : l'opération de compostage effectuée par un groupe de ménages ;
  - " compostage en entreprise " : l'opération de compostage effectuée par une entreprise ou un groupement d'entreprises ;
  - " gestionnaire du site de compostage " : une personne physique ou morale désignée comme responsable de la bonne gestion du site de compostage ;
  - " groupement d'entreprises " : les entreprises d'une mĂȘme zone d'activitĂ©s qui sont liĂ©es par un contrat pour la gestion du site de compostage dans leur zone d'activitĂ©s.
  § 2. La présente section s'applique au compostage de quartier et au compostage en entreprise.
  La présente section ne s'applique pas aux installations de compostage domestiques individuelles, présentes chez les ménages et dont le compost est utilisé pour leur propre compte.
  Sauf dispositions contraires, le titre I, les chapitres 1 à 8 du présent titre et le chapitre 5 du titre IV, ne s'appliquent pas au compostage de quartier et au compostage en entreprise.
  § 3. Le compostage de quartier et le compostage en entreprise ne sont pas soumis à permis d'environnement.
  Sous-section 2. - Généralités
  Art. 3.9.2. Apports
  § 1er. Seuls les déchets de cuisine et de table de catégorie 3 ainsi que les déchets de jardins et de parcs peuvent faire l'objet d'un compostage.
  § 2. Seuls les dĂ©chets de cuisine et de table produits par le groupe de mĂ©nages, l'entreprise ou le groupement d'entreprises peuvent ĂȘtre apportĂ©s sur leur propre site de compostage.
  Un ménage n'apporte pas ces déchets sur un site de compostage en entreprise et une entreprise ne les apporte pas sur un site de compostage de quartier.
  § 3. Les dĂ©chets de jardins et de parcs peuvent ĂȘtre apportĂ©s par les tiers suivants :
  1° la personne morale de droit public gestionnaire d'espaces verts et ;
  2° le professionnel de service d'aménagement paysager.
  § 4. Le volume de compostage et de dépÎt n'excÚde pas 25 m3.
  § 5. Lorsque le site de compostage a atteint la capacité maximale de traitement, l'apport de déchets n'est plus autorisé.
  Dans ce cas, le gestionnaire du site de compostage en informe les personnes ayant accÚs au site visées à l'article 3.9.5. § 1er, interdit les apports supplémentaires de déchets jusqu'à nouvel ordre et fournit des informations sur les alternatives d'élimination des déchets.
  Art. 3.9.3. Localisation
  § 1er. La localisation du site de compostage respecte les critÚres suivants :
  1. il est implanté de maniÚre à limiter les risques de nuisances pour l'environnement et le voisinage ;
  2. il est implantĂ© Ă  minimum 4 mĂštres des crĂȘtes des berges de cours d'eau non navigables classĂ©s et des Ă©tangs au sens de l'ordonnance du 16 mai 2019 relative Ă  la gestion et Ă  la protection des cours d'eau non navigables et des Ă©tangs ;
  3. il n'est pas implanté dans les zones de captage et de protection des captages d'eau souterraine.
  § 2. Aucun stockage de déchets ne se fait en dehors des aires prévues pour le compostage reprises à l'article 3.9.4.
  § 3. L'article 3.5.5. § 1 et 3 est d'application.
  Art. 3.9.4. Infrastructure
  § 1er. A tout moment, le site de compostage dispose au minimum de :
  1. une aire de transformation oĂč s'effectuent la dĂ©composition aĂ©robie et la maturation ;
  2. une aire de stockage de matiÚre structurante ;
  3. une aire de stockage des composts.
  § 2. Les aires sont bien délimitées dans l'espace.
  § 3. Un équipement technique qui accélÚre le processus de compostage ou qui n'est pas une installation de conversion biologique aérobie est interdit sur le site de compostage de quartier ou en entreprise.
  Art. 3.9.5. ContrÎle de l'accÚs au site de compostage
  § 1er. Seules les personnes ayant reçu l'accord préalable du gestionnaire du site de compostage ont accÚs au site de compostage.
  § 2. Un tableau d'information est installé à l'entrée du site de compostage, à un endroit visible depuis l'extérieur du site.
  Ce tableau d'information contient :
  1. les informations permettant d'identifier et de contacter le gestionnaire du site de compostage ;
  2. les heures d'ouverture du site de compostage ;
  3. les consignes concernant les conditions de remise des déchets ;
  4. la liste des déchets acceptés.
  Art. 3.9.6. ContrÎle et suivi du compostage
  Tous les déchets apportés font l'objet d'un compostage.
  La décomposition et l'hygiénisation correctes des déchets, sont assurées par un approvisionnement pérenne en matiÚre carbonée structurante en quantité suffisante et par des retournements réguliers sur l'ensemble des déchets avec déplacement de ceux-ci afin de les homogénéiser.
  Les tas de déchets en cours de compostage ont une hauteur maximale de 2 mÚtres et un volume minimum de 1 m3.
  L'article 3.5.6. § 3 est d'application.
  Art. 3.9.7. Prévention des nuisances
  L'article 3.5.12. est d'application.
  Art. 3.9.8. Utilisation du compost
  § 1er. Seuls les ménages, l'entreprise ou les entreprises du groupement d'entreprises apportant les déchets de cuisine et de table peuvent utiliser le compost issu de leur propre site de compostage.
  Lors de la distribution du compost, le gestionnaire du site de compostage rappelle les risques sanitaires liés à l'utilisation du compost et les bonnes pratiques d'hygiÚne pour sa manipulation.
  Le compost ne peut ĂȘtre utilisĂ© que pour son propre usage et sous sa propre responsabilitĂ©. Le compost ne peut ĂȘtre ni donnĂ©, ni vendu.
  § 2. Par dĂ©rogation au paragrahe 1er, le compost peut ĂȘtre utilisĂ© par la personne morale de droit public gestionnaire d'espaces verts ayant accĂšs Ă  un site de compostage conformĂ©ment Ă  l'article 3.9.5. § 1er, sur ses propres espaces verts.
  Dans ce cas, l'utilisation du compost sur des terres consacrées à la production des fruits et légumes, sur des pùturages ou sur des terres consacrées à la production de plantes fourragÚres destinées à l'alimentation animale est interdite.
  § 3. Les quantitĂ©s excĂ©dentaires de compost sont transportĂ©es vers une installation de collecte et/ou de traitement autorisĂ©e. Ces quantitĂ©s excĂ©dentaires ne peuvent pas ĂȘtre transfĂ©rĂ©es entre diffĂ©rents sites de compostage de quartier et/ou sites de compostage en entreprise.
  Sous-section 3. - Exploitation
  Art. 3.9.9. Gestionnaire du site de compostage de quartier
  § 1er. Une personne physique, le gestionnaire du site de compostage, est désignée comme responsable de la bonne gestion du site de compostage.
  § 2. Le gestionnaire du site de compostage, ou une personne désignée par lui, suit une formation relative à la réglementation et aux rÚgles du guide de bonnes pratiques sur le compostage.
  § 3. Le gestionnaire du site de compostage donne son accord préalable aux ménages ayant accÚs au site et tient à jour la liste des ménages et leur adresse.
  Il donne son accord préalable, écrit et daté, à la personne morale de droit public gestionnaire d'espaces verts et/ou le professionnel de service d'aménagement paysager qui apporte des déchets de jardins et de parcs et tient à jour, au minimum une fois par an, la liste des coordonnées de ceux-ci.
  Les listes sont présentées sur simple demande aux agents chargés de la surveillance suivant les dispositions de l'article 5 du code de l'inspection.
  § 4. Le gestionnaire du site de compostage et les personnes visées au paragraphe 3 s'organisent pour assurer une bonne gestion du site de compostage.
  § 5. Bruxelles Environnement rédige un guide de bonnes pratiques sur le compostage et le publie sur son site internet.
  Art. 3.9.10. Gestionnaire du site de compostage en entreprise
  § 1er. Une personne physique ou morale est désignée comme gestionnaire du site de compostage et est responsable de la bonne gestion du site de compostage.
  § 2. Le gestionnaire du site de compostage ou une personne désignée par lui, suit une formation relative à la réglementation et aux rÚgles du guide de bonnes pratiques sur le compostage.
  § 3. L'entreprise consigne dans un registre interne à l'entreprise au minimum les informations suivantes :
  - les coordonnées de la personne désignée comme gestionnaire du site de compostage ;
  - la preuve que le gestionnaire du site de compostage ou une personne désignée par lui, a suivi la formation visée au paragraphe 2 ;
  - la liste des collaborateurs de l'entreprise ayant accÚs au site de compostage ;
  - l'ensemble des accords préalable, écrits et datés, avec la personne morale de droit public gestionnaire d'espaces verts et/ou le professionnel de service d'aménagement paysager ayant accÚs au site, qui apportent des déchets de jardins et de parcs et une liste des coordonnées de ceux-ci.
  § 4. En cas de groupement d'entreprises, les entreprises désignent l'entreprise du groupement sur le terrain de laquelle le site de compostage est installé. Un contrat est établi entre les entreprises qui utilisent ce site et chacune d'entre elles garde une copie du contrat. Le contrat reprend au minimum les informations suivantes :
  - les coordonnées des entreprises participant dans le groupement d'entreprises ;
  - le lieu exact du site de compostage ;
  - les coordonnées de la personne designée comme gestionnaire du site de compostage;
  - la preuve que le gestionnaire du site de compostage ou une personne désignée par lui, a suivi la formation visée au paragraphe 2.
  Le gestionnaire du site de compostage consigne dans un registre au minimum les informations suivantes :
  - la copie du contrat visé à l'alinéa 1er ;
  - la liste des collaborateurs des entreprises ayant accÚs au site de compostage ;
  - l'ensemble des accords préalable, écrits et datés, avec les tiers ayant accÚs au site, qui apportent des déchets de jardins et de parcs et une liste des coordonnées de ceux-ci.
  § 5. Les accords, les contrats et les registres sont datés et sont réguliÚrement mis à jour, au minimum une fois par an, au regard de l'évolution de la situation du site de compostage.
  § 6. Le registre peut servir comme preuve de gestion de déchets visé par l'article 1.7. § 2, 3. du Brudalex à condition que le site de compostage en entreprise respecte les conditions reprises dans la présente section.
  Le registre est présenté sur simple demande aux agents chargés de la surveillance suivant les dispositions de l'article 5 du code de l'inspection.
  § 7. Le gestionnaire du site de compostage s'organise pour assurer une bonne gestion du site de compostage.
  § 8. Bruxelles Environnement rédige et publie sur son site internet un guide de bonnes pratiques sur le compostage.
  Section 2. - Compostage de petite taille
  Sous-section 1re. - Champ d'application
  Art. 3.9.11. Champ d'application
  § 1er. La présente section s'applique aux installations de compostage visées à la rubrique 41-1A sauf s'il s'agit d'installations de compostage de quartier soumises à la section 1re.
  Sauf dispositions contraires, le titre I, les chapitres 1 à 8 du présent titre et le chapitre 5 du titre IV, s'appliquent au compostage de petite taille.
  § 2. Cette section s'applique sans préjudice du RÚglement (CE) N° 1069/2009.
  Sous-section 2. - Généralités
  Art. 3.9.12. Apports
  § 1er. Seuls les déchets biodégradables peuvent faire l'objet d'un compostage. Sans préjudice d'autres rÚglementations, l'apport des déchets suivants est interdit :
  1. les dĂ©chets dangereux tels que repris dans la liste des dĂ©chets visĂ©e par l'article 1.9. du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  2. les bois traités.
  Le permis d'environnement prĂ©cise les dĂ©chets pouvant ĂȘtre traitĂ©s dans l'installation de compostage.
  § 2. Les additifs de compostage chimiques et/ou biologiques sont interdits.
  Le permis d'environnement peut octroyer une dérogation à l'utilisation des additifs de compostage pour autant que l'exploitant démontre l'innocuité de l'utilisation des additifs sur l'environnement ainsi que le respect de la rÚglementation.
  Art. 3.9.13. Localisation
  § 1. La localisation de l'installation de compostage est conforme à l'article 3.9.3. § 1.
  § 2. Aucun stockage de déchets ne se fait en dehors des aires prévues pour le compostage reprises à l'article 3.9.14.
  Art. 3.9.14. Infrastructure
  § 1er. L'installation de compostage comprend au minimum :
  1. une aire ou un équipement dédié à la réception, le tri éventuel et le contrÎle des déchets ;
  2. une aire ou un équipement dédié au stockage des déchets, adapté à la nature de ceux-ci, le cas échéant ;
  3. une aire ou un équipement dédié au prétraitement des déchets, le cas échéant ;
  4. une aire ou un équipement dédié à la décomposition aérobie ;
  5. une aire ou un équipement dédié à la maturation ;
  6. une aire ou un équipement dédié à l'affinage, le criblage, la formulation le cas échéant ;
  7. une aire de stockage du compost avant expédition, le cas échéant.
  § 2. Les aires se composent de tous les équipements et constructions utiles au compostage et sont dimensionnées de maniÚre à garantir un temps de séjour suffisant pour assurer l'obtention d'un compost respectant les normes définies à l'article 3.9.17.
  § 3. Les aires sont bien délimitées et permettent d'éviter le contact entre les déchets et le compost.
  § 4. Le sol des aires visées au paragraphe 1er, 1° à 5° est recouvert ou composé d'un matériau imperméable. Il est pourvu d'une pente suffisante afin de récolter les lixiviats et les eaux de ruissellement.
  § 5. L'installation est pourvue d'un systÚme de récupération et de réutilisation des lixiviats et eaux de ruissellement pour l'arrosage de la matiÚre en décomposition durant le traitement par compostage.
  § 6. Le permis d'environnement peut octroyer une dérogation aux paragraphes 4 et 5 pour autant que l'exploitant démontre l'absence de risque pour le sol et les eaux.
  Sous-section 3. - Exploitation
  Art. 3.9.15. Demande de permis d'environnement
  § 1er. Lors de l'introduction de la demande de permis d'environnement, les documents requis par les articles 3.5.2., 3.5.3. et 3.5.4 ne sont pas exigés.
  § 2. L'exploitant, ou une personne désignée par lui, suit une formation relative à la réglementation et aux rÚgles du guide de bonnes pratiques sur le compostage telles que définies à l'article 3.9.9. § 2.
  Art. 3.9.16. ContrÎle et suivi du compostage
  § 1er. L'exploitant est tenu de tout mettre en oeuvre pour le bon déroulement du compostage, notamment, l'organisation, le planning des opérations et le bon fonctionnement du matériel.
  § 2. Si l'installation est munie d'un systÚme d'épuration de l'air, celui-ci est entretenu conformément aux instructions du fournisseur ou de l'installateur.
  § 3. L'occupation de l'espace permet l'organisation du compostage et des dépÎts.
  § 4. L'exploitant instaure une gestion par lot de déchets. Il s'assure que les déchets composant le lot subissent des conditions de compostage identiques. Chaque lot est identifié.
  § 5. L'exploitant s'assure que des conditions anaérobies n'apparaissent pas au niveau des déchets lors des phases de décomposition et de maturation.
  § 6. Dans les 24 heures de leur livraison, les déchets apportés sont incorporés dans le processus du compostage.
  § 7. Les déchets sont déposés en andains dont la hauteur maximale en cours de compostage est limitée à 3 mÚtres.
  § 8. La décomposition et l'hygiénisation correcte des déchets est assurée par retournement régulier et homogÚne de la matiÚre ou par ventilation forcée.
  Les retournements répondent aux conditions suivantes :
  1. ils sont réguliers sur l'ensemble de la matiÚre avec déplacement de celle-ci afin d'homogénéiser la matiÚre ;
  2. le temps de séjour des matiÚres en cours de décomposition aérobie dans l'aire correspondante est au minimum de trois semaines ;
  3. pendant la phase de décomposition aérobie, la matiÚre subit au minimum trois retournements.
  En cas de ventilation forcée, le temps de séjour des matiÚres en cours de décomposition aérobie dans l'aire correspondante est au minimum de deux semaines.
  § 9. Une dĂ©rogation au paragraphe 8, points 2 et 3 peut ĂȘtre octroyĂ©e par le permis d'environnement si l'exploitant Ă©tablit, sur base d'une expertise, que l'alternative utilisĂ©e assure de maniĂšre Ă©quivalente la protection de l'environnement et l'hygiĂ©nisation du compost.
  § 10. A l'issue de la phase de décomposition aérobie, la matiÚre est dirigée vers la zone de maturation.
  § 11. La température de la matiÚre en cours de compostage est contrÎlée quotidiennement.
  § 12. Pendant le compostage, toutes les parties de la matiÚre présentent une variation de la température en fonction du temps qui correspond à l'une des situations suivantes :
  1. 60 ° C ou plus pendant au moins 4 jours,
  2. 55 ° C ou plus pendant au moins 12 jours.
  § 13. Le personnel dispose sur le site de compostage de toutes les informations nécessaires pour assurer le respect des procédures.
  Art. 3.9.17. Composition du compost
  § 1er. Sauf pour le paramĂštre Zn, le compost respecte les normes d'assainissement pour le sol reprises dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 29 mars 2018 fixant les normes d'intervention et les normes d'assainissement. Pour le paramĂštre Zn, le seuil maximum est de 400 mg de Zn/kg de matiĂšre sĂšche.
  § 2. Des analyses sont au minimum réalisées au niveau des métaux lourds et métalloïdes, hydrocarbures aromatiques polycycliques et huiles minérales.
  § 3. Le permis d'environnement peut fixer des paramÚtres supplémentaires à analyser en tenant compte des apports.
  Art. 3.9.18. Echantillonage et analyse
  § 1er. L'exploitant procÚde à une prise d'échantillons selon les codes de bonnes pratiques relatifs à la prise d'échantillons et publiés sur le site de Bruxelles Environnement.
  § 2. L'analyse du compost est rĂ©alisĂ©e par un laboratoire agréé en RĂ©gion de Bruxelles-Capitale, dans le domaine du sol, en application de l'arrĂȘtĂ© du 23 juin 1994 relatif aux conditions gĂ©nĂ©rales et Ă  la procĂ©dure d'agrĂ©ment de laboratoires.
  § 3. L'analyse du compost est réalisée selon les codes de bonnes pratiques publiés sur le site de Bruxelles Environnement et relatifs aux méthodes d'analyse.
  Art. 3.9.19. Prévention des nuisances
  § 1er. Toutes les mesures sont prises pour limiter au maximum les nuisances dues aux odeurs, notamment lors des retournements et du criblage.
  § 2. En cas d'impossibilité d'incorporer les déchets apportés dans le processus de compostage, ceux-ci sont évacués le plus vite possible afin d'éviter toutes nuisances.
  Art. 3.9.20. Rapport d'activités
  § 1er. L'exploitant tient un rapport d'activités contenant les informations suivantes :
  1. les informations datées sur les opérations effectuées, les résultats d'analyse et paramÚtres mesurés notamment, la température, les retournements, le criblage et le stockage du compost ;
  2. les quantités de compost produites ;
  3. les informations contenues dans le registre de déchets visé à l'article 1.7.
  § 2. Le rapport d'activités est présenté sur simple demande aux autorités habilitées à exercer des contrÎles.
  Art. 3.9.21. Fin de statut de déchet en Région de Bruxelles-Capitale et utilisation du compost
  Sans prĂ©judice des obligations complĂ©mentaires du RĂšglement (CE) N° 1069/2009, le compost issu d'un processus de compostage conforme Ă  l'article 3.9.17. et 3.9.18. cesse d'ĂȘtre un dĂ©chet conformĂ©ment Ă  l'article 9 de l'ordonnance dĂ©chets.
  Le compost peut ĂȘtre utilisĂ© comme amendement du sol.
  Le compost réalisé en Région flamande ou en Région wallonne obtient la fin de statut de déchet en Région de Bruxelles-Capitale, pour autant qu'il soit conforme aux exigences de l'article 3.9.17. § 1er et de l'article 3.9.18. Ce compost n'est pas soumis à l'autorisation pour la rubrique 178.
  Section 3. - Compostage de grande taille
  Sous-section 1re. - Champ d'application
  Art. 3.9.22. Champ d'application
  § 1er. La présente section s'applique aux installations de compostage visées à la rubrique 41-1B.
  Sauf dispositions contraires, le titre I, les chapitres 1 à 8 du présent titre et le chapitre 5 du titre IV, s'appliquent au compostage de grande taille.
  § 2. Cette section s'applique sans préjudice du RÚglement (CE) N° 1069/2009.
  Sous-section 2. - Généralités
  Art. 3.9.23. Apports
  L'article 3.9.12. est d'application.
  Art. 3.9.24. Localisation
  § 1er. La localisation de l'installation de compostage est conforme à l'article 3.9.3. § 1.
  § 2. Aucun stockage de déchets ne se fait en dehors des aires prévues pour le compostage reprises à l'article 3.9.14.
  § 3. Les aires et équipements répondent aux conditions suivantes :
  1. ils sont situés à au moins 50 mÚtres des habitations occupées par des tiers, des zones destinées à l'habitation, des établissements recevant du public, à l'exception de ceux en lien avec la collecte ou le traitement des déchets. Cette distance est portée à au moins 200 mÚtres s'ils ne sont pas munis d'un systÚme de collecte et de traitement des effluents gazeux ;
  2. l'installation ne surmonte pas ou n'est pas surmontée de locaux habités, occupés par des tiers ou à usage de bureaux, à l'exception de locaux techniques nécessaires au fonctionnement de l'installation.
  § 4 Les clĂŽtures et autres dispositifs empĂȘchant l'intrusion sont maintenus en bon Ă©tat.
  Art. 3.9.25. Infrastructure
  L'article 3.9.14. est d'application à l'exception de la dérogation prévue au paragraphe 6.
  Sous-section 3. - Exploitation
  Art. 3.9.26. § 1er. L'article 3.9.16. est d'application à l'exception de son paragraphe 9.
  § 2. Les articles 3.9.17. à 3.9.21. sont d'application.
  "
Art. 3. Wijziging van hoofdstuk 1 van titel IV betreffende de afgedankte elektrische en elektronische apparatuur
Art. 3. Modification du chapitre 1er du titre IV les déchets d'équipements électriques et électroniques
Art. 3.1. Het artikel 4.1.2. van Brudalex wordt vervangen als volgt:
  "Art. 4.1.2. § 1. Er wordt voorrang gegeven aan het hergebruik van gebruikte EEA en aan de voorbereiding voor hergebruik van AEEA.
  Hergebruik en voorbereiding voor hergebruik is verboden voor de volgende apparaten:
  1. huishoudelijke schermen met kathodestraalbuizen (CRT);
  2. apparaten die CFK's of HCFK's bevatten zoals vermeld in Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees parlement en de raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen. Bij een apparaat zonder vermelding van het gebruikte koelgas, wordt er van uitgegaan dat het apparaat CFK's of HCFK's bevat.
  § 2. Voor het hergebruik van gebruikte EEA zijn de volgende regels van toepassing:
  1. het toestel bevindt zich in goede staat;
  2. alle essentiële onderdelen zijn aanwezig;
  3. de behuizing is volledig.
  § 3. Voor de voorbereiding voor hergebruik van AEEA, zijn de volgende regels van toepassing:
  1. Een apparaat wordt alleen voor hergebruik voorbereid als er een reguliere markt voor het betrokken apparaat bestaat.
  2. De door auteursrechten beschermde software waarvoor er geen licentie is, wordt gewist.
  3. De elektrische veiligheid van het apparaat wordt getest. Deze test omvat ook desgevallend een isolatiemeting, een aardingsmeting en een kortsluitingscontrole. Alleen een elektrisch veilig apparaat, mag worden hergebruikt.
  4. De functionaliteit van het apparaat wordt getest. Alleen een volledig functioneel apparaat mag worden hergebruikt. Een apparaat is volledig functioneel als de test aantoont dat het zijn oorspronkelijke functies volledig kan vervullen.
  De specifieke bepalingen, vastgesteld in bijlage 4, zijn van toepassing op de apparaten die erin vermeld worden.
  § 4. Elk apparaat dat werd voorbereid voor hergebruik beschikt over een etiket en een hergebruiksfiche die voldoen aan de verplichtingen bepaald in deze paragraaf.
  Het etiket vermeldt minimaal:
  1. het identificatienummer van het apparaat of een andere unieke identificatiecode;
  2. de naam van het centrum voor voorbereiding voor hergebruik waar de apparatuur werd voorbereid voor hergebruik.
  Het etiket wordt stevig op het apparaat bevestigd en is zichtbaar en leesbaar.
  De hergebruiksfiche vermeldt minimaal:
  1. het identificatienummer van het apparaat of een andere unieke identificatiecode;
  2. de naam van het centrum voor voorbereiding voor hergebruik waar de apparatuur werd voorbereid voor hergebruik;
  3. de benaming van het apparaat;
  4. de categorie van het apparaat in de zin van artikel 2.4.46.;
  5. het resultaat van de uitgevoerde tests en de datum waarop ze plaatsvonden.
  De hergebruiksfiche kan de vorm aannemen van een papieren fiche, een digitale fiche of een registratie in een database.
  De hergebruiksfiche wordt op eenvoudig verzoek aan de overheden die belast zijn met het toezicht voorgelegd.
  De hergebruiksfiche wordt gedurende ten minste 5 jaar bewaard door het centrum voor voorbereiding voor hergebruik.".
Art. 3.1. L'article 4.1.2. du Brudalex est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 4.1.2. § 1er La priorité est donnée au réemploi des EEE usagés et à la préparation en vue du réemploi des DEEE.
  Le réemploi et la préparation en vue du réemploi sont interdits pour les appareils suivants :
  1. des écrans ménagers utilisant des tubes cathodiques (CRT) ;
  2. des appareils contenant des CFC ou des HCFC visé par le RÚglement (CE) N° 1005/2009 du parlement européen et du conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone. S'il n'y a pas d'indication du gaz de refroidissement utilisé sur l'appareil, la présence de CFC ou d'HCFC dans l'appareil est présumée.
  § 2. Pour le réemploi des EEE usagés, les rÚgles suivantes sont d'application :
  1. l'appareil est en bon état ;
  2. tous les composants essentiels sont présents ;
  3. le boßtier est complet.
  § 3. Pour la préparation en vue du réemploi des DEEE, les rÚgles suivantes sont d'application :
  1. Un appareil n'est préparé en vue du réemploi que s'il existe un marché régulier pour cet appareil.
  2. Le logiciel protégé par des droits d'auteur et pour lequel il n'y a pas de licence, est supprimé.
  3. La sĂ©curitĂ© Ă©lectrique de l'appareil est testĂ©e. Le test comprend Ă©galement, le cas Ă©chĂ©ant, un mesurage d'isolation, un mesurage de terre et un contrĂŽle de court-circuit. Uniquement l'appareil qui est sĂ»r d'un point de vue Ă©lectrique peut ĂȘtre rĂ©employĂ©.
  4. La fonctionnalitĂ© de l'appareil est testĂ©e. Uniquement l'appareil qui est pleinement fonctionnel peut ĂȘtre rĂ©employĂ©. Un appareil est pleinement fonctionnel lorsque le test rĂ©vĂšle que les fonctions d'origine peuvent ĂȘtre pleinement remplies.
  Les dispositions spécifiques établies à l'annexe 4 s'appliquent pour les équipements qui y sont visés.
  § 4. Chaque appareil qui a fait l'objet d'une prĂ©paration en vue d'ĂȘtre rĂ©employĂ© dispose d'une Ă©tiquette et d'une fiche de rĂ©emploi rĂ©pondant aux obligations dĂ©finies dans le prĂ©sent paragraphe.
  L'étiquette mentionne au moins :
  1. le numéro d'identification de l'équipement ou un autre code d'identification unique ;
  2. le nom du centre de prĂ©paration au rĂ©emploi qui a prĂ©parĂ© l'appareil au rĂ©emploi oĂč l'Ă©quipement a Ă©tĂ© prĂ©parĂ© au rĂ©emploi.
  L'étiquette est solidement fixée à l'équipement et est visible et lisible.
  La fiche de réemploi mentionne au minimum :
  1. le numéro d'identification de l'équipement ou un autre code d'identification unique ;
  2. le nom du centre de prĂ©paration en vue du rĂ©emploi oĂč l'Ă©quipement a Ă©tĂ© prĂ©parĂ© au rĂ©emploi ;
  3. la dénomination de l'appareil ;
  4. la catégorie de l'appareil au sens de l'article 2.4.46. ;
  5. le résultat des différents tests effectués et la date à laquelle ils ont été effectués.
  La fiche de réemploi peut prendre la forme d'une fiche papier, d'une fiche digitale ou d'un enregistrement dans une base de données.
  La fiche de réemploi est présentée sur simple demande aux autorités habilitées à exercer des contrÎles.
  La fiche de réemploi est conservée pendant au moins 5 ans par le centre de préparation au réemploi. ".
Art. 3.2. In artikel 4.1.3. § 4 van hetzelfde besluit, wordt de bepaling onder punt 3 vervangen als volgt:
  "3. apparaten verboden voor hergebruik en voor voorbereiding voor hergebruik overeenkomstig artikel 4.1.2. § 1.".
Art. 3.2. Dans l'article 4.1.3. § 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le point 3 est remplacĂ© comme suit :
  " 3. appareils interdits pour le réemploi et pour la préparation en vue de réemploi conformément à l'article 4.1.2. § 1. ".
Art. 3.3. In titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2 wordt in de titel van de onderafdeling 3 vervangen door: "Grensoverschrijdende overbrenging van gebruikte EEA".
Art. 3.3. Dans le titre IV, chapitre 1, section 2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, l'intitulĂ© de la sous-section 3 est remplacĂ© par : " Du transfert transfrontalier d'EEE usagĂ©s ".
Art. 3.4. In artikel 4.1.6. van hetzelfde besluit worden de paragrafen 1, 2, 3 en 4 vervangen als volgt:
  "Art. 4.1.6. § 1. De grensoverschrijdende overbrenging van gebruikte EEA is enkel toegestaan als de gebruikte EEA doeltreffend worden beschermd tegen beschadiging tijdens het vervoer en het in- en uitladen, met name door voldoende verpakking en passende stapeling van de lading.
  § 2. Om het onderscheid te maken tussen "gebruikte elektrische en elektronische apparatuur" en "afgedankte elektrische en elektronische apparatuur", in gevallen waarin de houder van het voorwerp beweert dat hij gebruikte EEA overbrengt of voornemens is over te brengen die geen AEEA is, stelt hun houder de volgende documenten ter beschikking van de diensten die de douaneformulieren opstellen en van instanties die bevoegd zijn om controles uit te voeren, om de juistheid van deze bewering te staven:
  1. een kopie van de factuur en het contract met betrekking tot de verkoop en/of de eigendomsoverdracht van de EEA, waarin wordt verklaard dat de apparatuur bestemd is voor onmiddellijk hergebruik en helemaal functioneel is;
  2. een bewijs van beoordeling of beproeving zoals beschreven in paragraaf 4, in de vorm van een kopie van de documenten (beproevingscertificaat, keuringsbewijs), voor elk apparaat dat deel uitmaakt van de zending;
  3. een verklaring van de houder die het vervoer van de EEA organiseert, dat de zending geen materiaal of apparatuur omvat die een afvalstof is in de zin van artikel 3 van de ordonnantie afvalstoffen.
  § 3. Het bepaalde in 1° en 2° van paragraaf 2, en paragraaf 4 is niet van toepassing wanneer dit wordt gedocumenteerd door afdoende bewijs dat de overbrenging plaatsvindt in het kader van een overdrachtovereenkomst tussen ondernemingen en dat:
  a) de EEA wordt teruggestuurd naar de producent of naar een derde die in diens naam handelt als defect voor reparatie onder garantie met het oog op hergebruik, of
  b) de gebruikte EEA voor professioneel gebruik wordt verzonden naar de producent of naar een derde die in diens naam handelt of naar faciliteiten van een derde in landen waar Besluit C(2001)107/def. van de OESO-Raad inzake de herziening van Besluit C(92)39/def. Betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen bestemd voor handelingen ter nuttige toepassing van toepassing is, met als doel om te worden opgeknapt of gerepareerd, krachtens een geldig contract, met het oog op hergebruik, of
  c) de defecte gebruikte EEA voor professioneel gebruik, zoals medische hulpmiddelen of onderdelen daarvan naar de producent of naar een derde die in diens naam handelt wordt verzonden, voor analyse van de onderliggende oorzaak, krachtens een geldig contract, wanneer zo'n analyse alleen kan worden uitgevoerd door de producent of derden die in zijn naam handelen.
  § 4. Als bewijs dat de overgebrachte apparaten gebruikte EEA vormen en geen AEEA, moeten de volgende test- en documentatiestappen met betrekking tot gebruikte EEA worden doorgelopen in een inrichting onderworpen aan een milieuvergunning voor voorbereiden voor hergebruik:
  Stap 1: tests om na te gaan of de apparaten beantwoorden aan de bepalingen zoals beschreven in artikel 4.1.2. paragraaf 1, 2 en 3.
  a) er wordt gekeken of het apparaat functioneert en of het gevaarlijke stoffen bevat. Welke tests worden uitgevoerd, hangt af van de aard van de EEA. Voor de meeste gebruikte EEA volstaat een functionaliteitstest van de belangrijkste functies;
  b) de resultaten van de beoordeling en het testen worden geregistreerd in de hergebruiksfiche.
  Stap 2: etiket
  a) het etiket wordt stevig, maar niet onlosmakelijk bevestigd hetzij aan de onverpakte EEA zelf, hetzij aan de verpakking, op zodanige wijze dat het kan worden gelezen zonder dat de apparatuur moet worden uitgepakt;
  b) het etiket bevat de volgende informatie:
  - het identificatienummer van het apparaat of een andere unieke identificatiecode;
  - de naam, het adres en het ondernemingsnummer van het centrum voor voorbereiding voor hergebruik waar de apparatuur werd voorbereid voor hergebruik;
  - de benaming (benaming van het apparaat en vermelding van de categorie waartoe het behoort overeenkomstig artikel 2.4.46.);
  - het productiejaar, indien bekend;
  - de resultaten van de tests als omschreven in stap 1 met inbegrip van de datum van de test van de functionele capaciteit;
  - de aard van de uitgevoerde tests.".
Art. 3.4. Dans l'article 4.1.6. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les paragraphes 1er, 2, 3 et 4 sont remplacĂ©s comme suit :
  " Art. 4.1.6. § 1er. Le transfert transfrontalier d'EEE usagés n'est autorisé que si les EEE usagés sont protégés de maniÚre appropriée contre les dommages pouvant survenir lors du transport, lors du chargement et du déchargement, en particulier au moyen d'un emballage suffisant et d'un empilement approprié du chargement.
  § 2. Afin de pouvoir faire la distinction entre des " équipements électriques et électroniques usagés " et des " déchets d'équipements électriques et électroniques ", lorsque le détenteur de l'objet en question déclare qu'il a l'intention de transférer ou qu'il transfÚre des EEE usagés et non des DEEE, leur détenteur met à disposition des services qui établissent les formulaires douaniers et des autorités habilitées à effectuer des contrÎles les documents suivants à l'appui de cette déclaration :
  1. une copie de la facture et du contrat relatif Ă  la vente et/ou au transfert de propriĂ©tĂ© de l'EEE, indiquant que celui-ci est destinĂ© Ă  ĂȘtre rĂ©employĂ© directement et qu'il est totalement fonctionnel ;
  2. une preuve d'évaluation ou d'essais, comme décrit au paragraphe 4, sous la forme d'une copie des documents (certificat d'essais, preuve du bon fonctionnement) pour chaque appareil du lot ;
  3. une déclaration du détenteur qui organise le transport des EEE, indiquant que le lot ne contient aucun matériel ou équipement constituant un déchet au sens de l'article 3 de l'ordonnance déchets.
  § 3. Par dérogation, les points 1° et 2° du paragraphe 2, et le paragraphe 4 ne s'appliquent pas lorsque des preuves concluantes attestent que le transfert a lieu dans le cadre d'un accord de transfert entre entreprises et que :
  a) des EEE sont renvoyés au producteur ou à un tiers agissant pour le compte du producteur pour défaut pour une réparation sous garantie en vue de leur réemploi ; ou
  b) des EEE destinés à un usage professionnel, usagés, sont renvoyés au producteur ou à un tiers agissant pour le compte du producteur ou à l'installation d'un tiers dans des pays dans lesquels s'applique la décision C(2001)107/final du Conseil de l'OCDE concernant la révision de la décision C(92)39/final sur le contrÎle des mouvements transfrontiÚres de déchets destinés à des opérations de valorisation, pour remise à neuf ou réparation dans le cadre d'un contrat valide, en vue de leur réemploi ; ou
  c) des EEE destinĂ©s Ă  un usage professionnel, usagĂ©s et dĂ©fectueux, tels que des dispositifs mĂ©dicaux ou des parties de ceux-ci, sont renvoyĂ©s au producteur ou Ă  un tiers agissant pour le compte du producteur pour analyse des causes profondes dans le cadre d'un contrat valide, dans les cas oĂč une telle analyse ne peut ĂȘtre effectuĂ©e que par le producteur ou un tiers agissant pour le compte du producteur.
  § 4. Afin de dĂ©montrer que les appareils transfĂ©rĂ©s constituent des EEE usagĂ©s et non des DEEE, les essais et l'Ă©tablissement de procĂšs-verbaux d'essai pour les EEE usagĂ©s doivent ĂȘtre rĂ©alisĂ©s dans une installation autorisĂ©e pour la prĂ©paration en vue du rĂ©emploi, selon les Ă©tapes suivantes :
  Etape n° 1 : essais pour contrÎler si les appareils répondent aux dispositions de l'article 4.1.2. paragraphes 1, 2 et 3.
  a) le bon fonctionnement est testé, et la présence de substances dangereuses est évaluée. Les essais à réaliser dépendent du type d'EEE. Pour la plupart des EEE usagés, un test de bon fonctionnement des fonctions essentielles est suffisant ;
  b) les résultats des évaluations et des essais sont consignés dans la fiche de préparation en vue du réemploi.
  Etape n° 2 : procÚs-verbal d'essai
  a) le procĂšs-verbal d'essai est fixĂ© solidement, mais de maniĂšre non permanente, soit sur l'EEE lui-mĂȘme, s'il n'est pas emballĂ©, soit sur l'emballage, de façon Ă  pouvoir ĂȘtre lu sans dĂ©baller l'Ă©quipement ;
  b) le procÚs-verbal contient les informations suivantes :
  - le numéro d'identification de l'équipement ou un autre code d'identification unique ;
  - le nom, l'adresse et le numĂ©ro d'entreprise du centre de prĂ©paration en vue du rĂ©emploi oĂč l'Ă©quipement a Ă©tĂ© prĂ©parĂ© au rĂ©emploi ;
  - le nom de l'article (nom de l'équipement, et mention de la catégorie à laquelle il appartient conformément à l'article 2.4.46.) ;
  - l'année de production, si connue ;
  - les résultats des essais décrits à l'étape 1, y compris la date de l'essai de bon fonctionnement ;
  - le type d'essais réalisés. ".
Art. 3.5. Het artikel 4.1.13. van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
  "Art. 4.1.13. De kennisgever in de zin van Verordening (EG) nr. 1013/2006, die AEEA heeft overgebracht, bezorgt de organisatie, aangesteld conform artikel 2.4.62. een rapport dat minimaal de volgende informatie bevat:
  1. de periode waarop het rapport betrekking heeft;
  2. de hoeveelheid AEEA, uitgedrukt in kilogram en in eenheden, per categorie overeenkomstig artikel 2.4.46 en per type (huishoudelijk en professioneel), die werd overgebracht.".
Art. 3.5. L'article 4.1.13. du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 4.1.13. Le notifiant au sens du RÚglement (CE) N° 1013/2006, qui a transféré des DEEE, met à disposition de l'organisation désignée à cet effet, conformément à l'article 2.4.62. un rapport contenant au moins les informations suivantes :
  1. la période couverte par le rapport ;
  2. la quantité de DEEE, exprimée en kilogramme et en unités, par catégorie conformément à l'article 2.4.46 et par sorte (domestiques et professionnels) qui a été transférée. ".
Art. 4. Voedingsolie en -vetten
  Het hoofdstuk 2 van titel IV van Brudalex met opschrift " Afgewerkte voedingsolie en -vetten " wordt opgeheven.
Art. 4. Huiles et graisses alimentaires
  Le chapitre 2 du titre IV du Brudalex intitulé " Des déchets d'huiles et graisses alimentaires " est abrogé.
Art. 5. Dierlijke bijproducten
  Hoofdstuk 5 van titel IV van Brudalex met opschrift " Dierlijke bijproducten " wordt vervangen door: "
  HOOFDSTUK 5. - Dierlijke bijproducten en afgeleide producten
  Afdeling 1. - Algemene bepalingen
  Art. 4.5.1. Toepassingsgebied
  § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing onverminderd de Verordening (EG) nr. 1069/2009 en de Verordening (EU) nr. 142/2011.
  Dit hoofdstuk is van toepassing op dierlijke bijproducten en afgeleide producten die afvalstoffen zijn in de zin van de ordonnantie afvalstoffen of die zijn ingedeeld onder rubriek 106.1, 106.2 of 106.3. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn mutatis mutandis van toepassing op afgeleide producten.
  Overeenkomstig artikel 15 van de Verordening (EU) nr. 142/2011 is dit hoofdstuk niet van toepassing op voormalige voedingsmiddelen als bedoeld in artikel 10. f) van de Verordening (EG) nr. 1069/2009 op voorwaarde dat het volume van deze dierlijke bijproducten bij de houder niet meer dan 20 kilogram per week bedraagt.
  § 2. Tenzij anders of specifiek bepaald, zijn titel I en III van toepassing.
  § 3. Artikel 3.5.15. is enkel van toepassing op de volgende dierlijke bijproducten:
  - keukenafval en etensresten van categorie 3;
  - kadavers van dieren ontdekt door de beheerder van de site waar ze gevonden werden, met uitzondering van landbouwhuisdieren;
  - kadavers van dieren geproduceerd door en gebracht naar dierenartsen, dierenklinieken en opvangcentra voor wilde dieren.
  § 4. De dierlijke bijproducten zijn onderworpen aan de bepalingen voor afvalstoffen als zij dermate verontreinigd zijn met andere stoffen of andere afvalstoffen waardoor deze dierlijke bijproducten niet kunnen worden beheerd overeenkomstig de Verordening (EG) nr. 1069/2009 en de Verordening (EU) nr. 142/2011.
  Afdeling 2. - Handelingen voor het beheer van dierlijke bijproducten
  Art. 4.5.2. Verpakking
  § 1. Dierlijke bijproducten worden verpakt in een verpakking, recipiënt en/of voertuig dat toelaat de categorie van de dierlijke bijproducten te identificeren tijdens het vervoer en de opslag, van productie tot verwijdering, met inachtneming van de in bijlage VIII, hoofdstuk II van de Verordening (EU) nr. 142/2011 vastgestelde kleurcode en verplichte vermeldingen.
  Het oppervlak of een deel van het oppervlak van de verpakking, recipiënt of voertuig, of een daarop bevestigd etiket heeft de vastgestelde kleurcode.
  § 2. De kleur van de verpakking of het recipiënt mag geen verwarring veroorzaken met de kleurcode op het etiket.
  § 3. De verpakking of het recipiënt wordt geïdentificeerd met de naam en de contactgegevens van de producent van de dierlijke bijproducten. Deze paragraaf is niet van toepassing op de verpakking of het recipiënt van dierlijke bijproducten die door de oorspronkelijke producent worden gebracht naar een inrichting voor het inzamelen van afvalstoffen als nevenactiviteit bedoeld in artikel 3.5.15.
  § 4. De bepalingen betreffende de kleurcode zijn niet van toepassing voor de verpakking of het recipiënt van keukenafval en etensresten van categorie 3.
  § 5. Dit artikel is niet van toepassing op:
  - mest die wordt vervoerd tussen twee punten die zich op hetzelfde bedrijf bevinden of op mest die is opgeslagen op het bedrijf waar deze is geproduceerd;
  - afgewerkte voedingsolie en -vetten ingezameld in de in artikel 4.5.14. bedoelde inzamelpunten;
  - de verpakking of het recipiënt van keukenafval en etensresten van categorie 3 ingezameld bij huishoudens.
  Art. 4.5.3. Contract en melding van inzameling
  § 1. Om zijn dierlijke bijproducten te laten inzamelen, sluit de houder een contract met een geregistreerde inzamelaar, handelaar en makelaar of meldt hij de productie van de dierlijke bijproducten binnen 24 uur aan een geregistreerde inzamelaar, handelaar en makelaar.
  § 2. In het in paragraaf 1 bedoelde contract wordt de frequentie van de inzameling van de dierlijke bijproducten vermeld, die zodanig wordt vastgesteld dat alle hinder aan het milieu of aan de gezondheid van mens of dier wordt voorkomen.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 is het contract of de melding niet verplicht voor:
  1° kadavers van dieren afkomstig van huishoudens waarvan het gewicht kleiner is dan 1 kg;
  2° dierlijke bijproducten die bestemd zijn voor een inrichting als bedoeld in artikel 3.5.15.;
  3° dierlijke bijproducten die worden ingezameld in een inzamelpunt als bedoeld in artikel 4.5.14.
  § 4. In afwijking van paragraaf 1 is de melding binnen 24 uur niet verplicht voor dierlijke bijproducten die incidenteel worden geproduceerd, zoals:
  - dierlijke bijproducten afkomstig van dierenartsen, dierenklinieken en opvangcentra voor wilde dieren;
  - dierlijke bijproducten die ontstaan in een dierenhandelszaak of een kwekerij van dieren;
  - kadavers van dieren afkomstig van huishoudens waarvan het gewicht groter is dan 1 kg.
  Deze afwijking is niet van toepassing indien hinder bij de houder werd vastgesteld door een personeelslid belast met het toezicht volgens de bepalingen van artikel 5 van het wetboek van inspectie.
  Art. 4.5.4. Bewaring en vervoer
  § 1. Dierlijke bijproducten worden rechtstreeks vervoerd naar een vergunde inrichting voor opslag, inzameling of verwerking van dierlijke bijproducten.
  § 2. In afwachting van de ophaling van de opgeslagen dierlijke bijproducten worden alle maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de risico's van overdracht van ziekten op de mens, de risico's van milieuverontreiniging en de hinder worden beperkt, in het bijzonder een hiervoor aangewezen opslagzone en een aangepaste koeling in functie van de omgevingstemperatuur.
  § 3. Het karkas van een landbouwhuisdier dat door de houder overeenkomstig artikel 4.5.3. § 1 gemeld is, wordt binnen 2 werkdagen na de melding door een geregistreerde inzamelaar, handelaar en makelaar opgehaald.
  § 4. De in artikel 4.5.3. § 4 bedoelde ophaling van dierlijke bijproducten vindt plaats:
  - binnen 2 werkdagen na de melding indien de dierlijke bijproducten bij een omgevingstemperatuur van meer dan 5 ° C worden opgeslagen;
  - binnen de 2 weken na de melding indien de dierlijke bijproducten worden bewaard in een actief gekoelde ruimte of in een recipiënt met een maximale omgevingstemperatuur van 5 ° C;
  - op verzoek, indien de dierlijke bijproducten bij een omgevingstemperatuur van maximaal -18 ° C worden bewaard.
  § 5. Voertuigen en recipiënten, met inbegrip van hun dekzeil, die opnieuw kunnen worden gebruikt voor het vervoer van dierlijke bijproducten, worden, na elk gebruik voor zover nodig, gereinigd en ontsmet met een door de FOD Volksgezondheid - Voedselveiligheid en Leefmilieu toegestaan ontsmettingsmiddel om kruisbesmetting en het risico van milieuverontreiniging en hinder te voorkomen.
  De personeelsleden belast met het toezicht volgens de bepalingen van artikel 5 van het wetboek van inspectie kunnen, indien nodig, opdracht geven tot reiniging en ontsmetting van voertuigen en containers.
  Art. 4.5.5. Verwijdering en gebruik
  § 1. De verwijdering en het gebruik van dierlijke bijproducten worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de Verordening (EG) nr. 1069/2009.
  § 2. Het gebruik van dierlijke bijproducten voor vervoedering aan wilde dieren wordt toegestaan bij voorafgaande schriftelijke toestemming van Leefmilieu Brussel, zoals bepaald in artikel 18, paragraaf 1, punt e), en paragraaf 2, onder b), van de Verordening (EG) nr. 1069/2009.
  § 3. Een andere verwijderingsmethode kan worden toegestaan bij voorafgaande schriftelijke toestemming, zoals bepaald in artikel 19 van de Verordening (EG) nr. 1069/2009:
  1° door het bevoegde gemeentebestuur, met name het begraven van dode huisdieren op een begraafplaats voor dieren, ingericht overeenkomstig de geldende milieuvoorschriften of reglementeringen;
  2° door Leefmilieu Brussel, met name het verbranden ter plaatse bij het uitbreken van een meldingsplichtige ziekte, indien het vervoer naar het dichtstbijzijnde erkende bedrijf voor verwerking of verwijdering het gevaar van verspreiding van gezondheidsrisico's zou vergroten;
  3° door Leefmilieu Brussel, met name het verbranden in geval van het uitbreken van een belangrijke epizoötie die zou leiden tot een gebrek aan verwijderingscapaciteit in de hiervoor voorziene verwerkingsinrichtingen.
  § 4. Volgende verwijderingsmethoden zijn toegelaten van rechtswege, zonder schriftelijke toestemming, zoals bepaald in artikel 19 van de Verordening (EG) nr. 1069/2009:
  1° het verbranden of begraven ter plaatse van bijen en bijproducten van de bijenteelt, in omstandigheden waarmee de overdracht van risico's voor de volksgezondheid en de dierengezondheid wordt voorkomen;
  2° het verwijderen op het agrarische bedrijf van dierlijke bijproducten, uitgezonderd categorie 1-materiaal, die ontstaan bij chirurgische ingrepen bij levende dieren of bij de geboorte van dieren op dat bedrijf;
  3° het verwijderen op een andere wijze dan toegelaten is conform de Verordening (EG) nr. 1069/2009, van categorie 2- en 3-materiaal dat afkomstig is van inrichtingen met een toelating om het te gebruiken voor onderzoek en andere specifieke doeleinden, als de hoeveelheid per week niet meer dan 20 kg bedraagt;
  4° het verwijderen op een andere wijze dan toegelaten is conform de Verordening (EG) nr. 1069/2009, van dierlijk materiaal dat wordt opgevangen bij het voorbehandelingsproces van de afvalwaterbehandeling in bedrijfsruimten die alleen categorie 3-materiaal ontvangen, als de hoeveelheid per week niet meer dan 20 kg bedraagt.
  Afdeling 3. - Operatoren voor het beheer van dierlijke bijproducten
  Art. 4.5.6. Registratie
  § 1. De exploitant bedoeld in artikel 23, punt 1. a) van de Verordening (EG) nr. 1069/2009 laat zich registreren volgens artikel 3.1.1. van dit besluit.
  § 2. De uitzondering voorzien in artikel 3.1.1. 1° b) is niet van toepassing voor dierlijke bijproducten.
  § 3. De geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar van dierlijke bijproducten die gevaarlijke afvalstoffen zijn, is niet onderworpen aan de erkenning van artikel 3.1.2. voor dezelfde afvalstoffen.
  Art. 4.5.7. Erkenning
  § 1. De milieuvergunning voor de rubrieken 40, 41, 50, 106.2, 212 en/of 219 voor inrichtingen waar de in artikel 24, punt 1, van de Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde activiteiten worden uitgevoerd, geldt als erkenning.
  § 2. De erkenning is alleen geldig wanneer bij een bezoek ter plaatse door de bevoegde autoriteit, vóór het begin van een activiteit, is aangetoond dat aan de overeenkomstig artikel 27 van de Verordening (EG) nr. 1069/2009 vastgestelde relevante voorschriften is voldaan.
  Art. 4.5.8. In geval van gezondheidscrisis
  Op verzoek van de bevoegde overheid voor de veiligheid van de voedselketen kan Leefmilieu Brussel in geval van beheer van een gezondheidscrisis een tijdelijke afwijking toestaan op de artikelen 4.5.6. en 4.5.7.
  Afdeling 4. - Specifieke regels
  Onderafdeling 1. - Mest
  Art. 4.5.9. Opslag
  § 1. De uitbating onderworpen aan rubriek 66 respecteert de volgende voorwaarden:
  - alle maatregelen worden genomen om geurhinder maximaal te beperken;
  - de opslag gebeurt in een waterdicht recipiënt of in een daarvoor bestemde zone;
  - afvloeivocht zoals vloeibare mest en percolatiewater wordt opgevangen in een afgesloten tank zonder overloop;
  - de vloer van de opslag- en overslagzone is gemaakt van harde, ondoordringbare materialen;
  - de opslagzone is rond drie zijden omgeven door stevige waterdichte wanden die voldoende hoog zijn om overstorten te vermijden. De vierde zijde is zo gebouwd dat er geen percolatie- of afvloeiend water buiten de opslagplaats kan lopen;
  § 2. Dit artikel is van toepassing tenzij anders bepaald in de milieuvergunning.
  Art. 4.5.10. Beheer
  Mest mag zonder verwerking op het land uitgereden worden wanneer er geen risico is op verspreiding van ernstige overdraagbare ziekte. Dit gebeurt zonder afbreuk te doen aan het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 19 november 1998 inzake de bescherming van het water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen.
  Onderafdeling 2. - Afgewerkte voedingsolie en -vetten
  Art. 4.5.11. Algemene bepalingen
  § 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder:
  1° "voedingsolie en -vetten": alle voor voeding bestemde plantaardige en dierlijke oliën en vetten die kunnen worden gebruikt om voedingsmiddelen te frituren;
  2° "afgewerkte voedingsolie en -vetten": alle voedingsoliën en vetten waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen en die afvalstoffen zijn in de zin van de ordonnantie afvalstoffen, met inbegrip van de afgewerkte bak- en braadolie waarop de Verordening (EU) nr. 142/2011 van toepassing is;
  3° "afgewerkte voedingsolie en -vetten andere dan huishoudelijke": afgewerkte voedingsolie en -vetten afkomstig van professionele gebruikers, namelijk iedere persoon die een permanente, mobiele of tijdelijke restauratie-inrichting uitbaat zoals een restaurant, hotel, café, fastfoodrestaurant, snackbar, frituur, traiteurszaak, maar ook een openbare instelling met name een ziekenhuis, kantine, catering en soortgelijke inrichting waar voedingsmiddelen worden bereid of verpakt om verbruikt te worde, en soortgelijke inrichting, die in het kader van haar beroepsactiviteit frituuroliën en vetten gebruikt om voedingsmiddelen te frituren.
  § 2. Deze onderafdeling is van toepassing op afgewerkte voedingsolie en -vetten van huishoudelijke oorsprong. De criteria op grond waarvan een onderscheid wordt gemaakt tussen huishoudelijke en professionele voedingsolie en -vetten, worden ter goedkeuring voorgelegd aan Leefmilieu Brussel overeenkomstig artikel 2.3.6.
  Art. 4.5.12. Beheer van afgewerkte voedingsolie en -vetten
  § 1. Iedere houder van afgewerkte voedingsolie en -vetten moet deze bij de inzameling gescheiden van het restafval aanbieden.
  § 2. De afgewerkte voedingsolie en -vetten van huishoudelijke oorsprong worden ingezameld door:
  - publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen, meer bepaald via mobiele inzamelsystemen en in containerparken, of
  - geregistreerde inzamelaars, handelaars of makelaars in inzamelsystemen zoals beschreven in artikels 4.5.13. en 4.5.14.
  Voor de afgewerkte voedingsolie en -vetten van huishoudelijke oorsprong moeten de producenten, in samenwerking met de publiekrechtelijke rechtspersonen, de ingezamelde hoeveelheden ten laatste tegen eind 2020 verhogen met 20 % in vergelijking met de hoeveelheden die in 2011 werden ingezameld. Ten laatste tegen eind 2023 en eind 2025 moeten de ingezamelde hoeveelheden met respectievelijk 15 % en 20 % verhogen in vergelijking met de hoeveelheden die in 2018 werden ingezameld. De hoeveelheden, ingezameld conform artikel 4.5.13. en 4.5.14. worden in aanmerking genomen bij de evaluatie van deze doelstellingen.
  § 3. De producenten richten een begeleidingscomité op dat als taak heeft het beheer van de afvalstromen van afgewerkte voedingsolie en -vetten op te volgen. Het begeleidingscomité bestaat minimaal uit vertegenwoordigers van de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van huishoudelijke afvalstoffen en van Leefmilieu Brussel. Het vergadert minimaal één keer per jaar.
  § 4. De producenten sluiten met de publiekrechtelijke rechtspersonen een overeenkomst die minimaal de volgende elementen omschrijft:
  - de berekeningsmodaliteiten voor de vergoeding van de inzamelpunten, hierbij inbegrepen de dekking van de infrastructuur- en werkingskosten van de containerparken;
  - de modaliteiten voor de organisatie en de financiering van de sensibiliseringscampagnes waarvan sprake is in artikel 4.5.17.
  Deze overeenkomst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan Leefmilieu Brussel, overeenkomstig artikel 2.3.6.
  § 5. De afgewerkte voedingsolie en -vetten die afzonderlijk zijn ingezameld worden volledig gerecycleerd of gevaloriseerd.
  Art. 4.5.13. Inzamelinrichting als nevenactiviteit
  § 1. Overeenkomstig artikel 3.5.15. 6° kan de kleinhandelaar die voedingsolie en -vetten verkoopt, de afgewerkte voedingsolie en -vetten van huishoudelijke oorsprong terugnemen. Als de kleinhandelaar ze terugneemt, brengt hij of laat hij de producenten op de hoogte brengen van het gebruikte inzamelsysteem, met een omschrijving van de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen.
  § 2. De inzamelaar, handelaar of makelaar, die afgewerkte voedingsolie en -vetten ophaalt bij de kleinhandelaar waarvan sprake is in paragraaf 1, verstrekt uiterlijk op 30 april van ieder jaar de volgende informatie aan de producenten:
  - de ingezamelde hoeveelheid afgewerkte voedingsolie en -vetten;
  - het verwerkingsproces van de ingezamelde afgewerkte voedingsolie en -vetten.
  § 3. De terugname van de afgewerkte voedingsolie en -vetten bij de kleinhandelaar voldoet aan de volgende voorwaarden:
  - de teruggenomen afgewerkte voedingsolie en -vetten worden niet opgeslagen op de openbare weg;
  - de opslag gebeurt op zodanige wijze dat geen schade kan worden toegebracht aan de menselijke gezondheid of het milieu;
  - de afgewerkte voedingsolie en -vetten worden regelmatig opgehaald door een geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar;
  - de opslagplaats en haar omgeving worden zuiver gehouden;
  - de recipiënten worden zuiver gehouden en zijn voorzien van een tweetalig etiket met de aanduiding " Categorie 3: niet voor menselijke consumptie - pas pour consommation humaine ";
  - op de site moet een toegelaten ontsmettingsproduct aanwezig zijn.
  Art. 4.5.14. Inzamelpunt voor afgewerkte voedingsolie en -vetten
  § 1. Met inachtneming van de verplichtingen van paragrafen 2 tot 4, kan de geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar bijkomende inzamelingen organiseren van afgewerkte voedingsolie en -vetten, via een inzamelpunt.
  § 2. Voor het inzamelpunt van afgewerkte voedingsolie en -vetten, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
  1. De geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar tekent een overeenkomst met de beheerder van de site. Deze overeenkomst vermeldt minstens:
  a. het adres of, bij gebrek daaraan, de exacte ligging van het inzamelpunt;
  b. de beschrijving van de inzamelrecipiënten;
  c. de gegevens van de beheerder van de site en van de geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar;
  d. de frequentie van de inzameling;
  e. de duur van de overeenkomst;
  f. de verdeling van de verantwoordelijkheden.
  2. De recipiënten worden zuiver gehouden en zijn voorzien van een etiket met de vermelding van:
  a. de naam van de inzamelaar, handelaar of makelaar;
  b. de tweetalige vermeldingen:
  - " Categorie 3: niet voor menselijke consumptie - pas pour consommation humaine ",
  - " Voor afgewerkte voedingsolie en -vetten van huishoudelijke oorsprong - Pour les déchets d'huiles et graisses alimentaires issus exclusivement des ménages ".
  3. De inzamelrecipiënten zijn zo ontworpen om de veiligheid van de opslag en de beperking op lekken te optimaliseren. Ze bevinden zich op een veilige plaats.
  4. Het inzamelpunt en zijn omgeving wordt zuiver gehouden.
  5. Het inzamelpunt heeft een maximale capaciteit van 1000 kg.
  6. De ophaling bij een inzamelpunt gebeurt op regelmatige en voldoende wijze en overeenkomstig paragrafen 1, 2 en 5 van artikel 4.5.4. van dit hoofdstuk.
  § 3. De inzameling van afgewerkte voedingsolie en -vetten via een inzamelpunt is verboden in kleuter- en lagere scholen.
  § 4. De geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar, die afgewerkte voedingsolie en -vetten ophaalt bij de inzamelpunten, verstrekt uiterlijk op 30 april van ieder jaar de volgende informatie aan de producenten:
  1. de ingezamelde hoeveelheid afgewerkte voedingsolie en -vetten tijdens het jaar, voor elk inzamelpunt;
  2. het verwerkingsproces van de ingezamelde afgewerkte voedingsolie en -vetten.
  Art. 4.5.15. Financiering
  § 1. De producent draagt de werkelijke en volledige kosten van de inzameling, het sorteren en de verwerking van de afgewerkte voedingsolie en -vetten van huishoudelijke oorsprong die beheerd worden door de publiekrechtelijke rechtspersonen die territoriaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van de huishoudelijke afvalstoffen.
  § 2. De dekking van de kosten bedoeld in paragraaf 1 en de verdeling van de eventuele ontvangsten worden in onderling overleg overeengekomen door de betrokken publiekrechtelijke rechtspersonen en de producenten.
  § 3. De verdeling van de eventuele ontvangsten met de publiekrechtelijke rechtspersonen geldt enkel als de totale kosten, die toegerekend zijn aan de producent voor de uitvoering van de sensibiliseringscampagnes bedoeld in artikel 4.5.17, gedekt zijn door de wederverkoop van de ingezamelde afgewerkte voedingsolie en -vetten.
  Art. 4.5.16. Rapportage
  § 1. De producenten verstrekken Leefmilieu Brussel voor 31 mei van ieder jaar de volgende informatie voor het verstreken kalenderjaar:
  1° de totale hoeveelheid voedingsolie en -vetten bestemd voor huishoudens, uitgedrukt in kilogram, die in de handel werden gebracht;
  2° de totale hoeveelheid afgewerkte voedingsolie en -vetten van huishoudelijke oorsprong, uitgedrukt in kilogram, die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werden ingezameld per inzamelingswijze;
  3° het aantal inzamelinrichtingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en hun identificatie, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de inzamelinrichtingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen en de overige inzamelinrichtingen;
  4° de installaties waar de ingezamelde voedingsolie en -vetten werden verwerkt, met vermelding van de verwerkte hoeveelheid en de beschrijving van de verwerkingsmethode;
  5° de totale hoeveelheid afgewerkte voedingsolie en -vetten van huishoudelijke oorsprong, uitgedrukt in kilogram, die gevaloriseerd of gerecycleerd werden;
  6° de gegevens over de ondernomen sensibiliserings- en preventieacties, de beoordeling van die acties en de berekening van de resultatenindicatoren.
  § 2. Leefmilieu Brussel kan van elke producent eisen dat hij alle andere relevante informatie verstrekt om te beoordelen in hoeverre de in dit besluit beschreven doelstellingen werden bereikt en om de uitvoering te controleren.
  Art. 4.5.17. Informeren van de consument
  § 1. Om de in artikel 4.5.12. bedoelde doelstellingen te halen, voeren de producenten en de publiekrechtelijke rechtspersonen gezamenlijk minstens éénmaal per jaar regionale en lokale voorlichtings- en sensibiliseringscampagnes gericht op de huishoudens.
  § 2. De campagnes bedoeld in paragraaf 1 worden gefinancierd uit de opbrengst van de inzameling van afgewerkte voedingsolie en -vetten door de publiekrechtelijke rechtspersoon, na aftrek van de inzamelingskosten bedoeld in artikel 4.5.15. Wanneer deze opbrengst onvoldoende is om de campagnes bedoeld in de vorige paragraaf te financieren, betaalt de producent de nodige som om deze te financieren.
  § 3. De modaliteiten voor de sensibiliseringscampagnes worden overeengekomen in onderling overleg tussen de producenten en de publiekrechtelijke rechtspersonen.
  "
Art. 5. Sous-produits animaux
  Le chapitre 5 du titre IV du Brudalex intitulé " Sous-produits animaux " est remplacé par :
  " CHAPITRE 5. - Sous-produits animaux et produits dérivés
  Section 1re. - Dispositions générales
  Art. 4.5.1. Champ d'application
  § 1er. Ce chapitre est d'application sans préjudice du RÚglement (CE) N° 1069/2009 et du RÚglement (UE) N° 142/2011.
  Ce chapitre s'applique aux sous-produits animaux et produits dérivés qui sont des déchets au sens de l'ordonnance déchets ou qui sont classés en rubrique 106.1, 106.2 ou 106.3. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent mutatis mutandis aux produits dérivés.
  Conformément à l'article 15 du RÚglement (UE) N° 142/2011, ce chapitre ne s'applique pas aux anciennes denrées alimentaires visées à l'article 10. f) du RÚglement (CE) N° 1069/2009 si le volume de ces sous-produits animaux n'excÚde pas les 20 kilogrammes par semaine pour le détenteur.
  § 2. Sauf dispositions contraires ou spécifiques, les titres I et III s'appliquent.
  § 3. L'article 3.5.15. ne s'applique que pour les sous-produits animaux suivants :
  - déchets de cuisine et de table de catégorie 3 ;
  - cadavres d'animaux dĂ©couverts par le gestionnaire du site oĂč ils ont Ă©tĂ© trouvĂ©s, Ă  l'exception des animaux d'Ă©levage ;
  - cadavres d'animaux produits par et apportés chez les vétérinaires, cliniques vétérinaires et dans les centres d'accueil pour animaux sauvages.
  § 4. Les sous-produits animaux sont soumis aux dispositions relatives aux dĂ©chets s'ils sont contaminĂ©s par d'autres matiĂšres ou d'autres dĂ©chets dans une mesure qui empĂȘche que ces sous-produits animaux ou produits dĂ©rivĂ©s soient gĂ©rĂ©s conformĂ©ment le RĂšglement (CE) N° 1069/2009 et le RĂšglement (UE) N° 142/2011.
  Section 2. - Opérations de gestion des sous-produits animaux
  Art. 4.5.2. Conditionnement
  § 1er. Les sous-produits animaux sont conditionnés dans un emballage, un conteneur et/ou un véhicule permettant d'identifier la catégorie des sous-produits animaux lors de leur transport et entreposage, de leur production à leur élimination, en respectant le code couleur et les mentions obligatoires prévus à l'annexe VIII, chapitre II du RÚglement (UE) N° 142/2011.
  La surface ou une partie de la surface de l'emballage, du conteneur ou du véhicule, ou une étiquette apposée sur ceux-ci a la couleur prévue.
  § 2. La couleur de l'emballage ou du conteneur ne peut pas créer une confusion du code couleur de l'étiquette.
  § 3. L'emballage ou le conteneur est identifié avec le nom et les coordonnées du producteur de sous-produits animaux. Ce paragraphe ne s'applique pas à l'emballage ou le conteneur des sous-produits animaux apporté par le producteur initial vers une installation de collecte à titre accessoire visée à l'article 3.5.15.
  § 4. Les dispositions relatives au code couleur ne s'appliquent pas à l'emballage ou au conteneur de déchets de cuisine et de table de catégorie 3.
  § 5. Cet article ne s'applique pas :
  - au lisier transportĂ© entre deux points situĂ©s au sein d'une mĂȘme exploitation, ou au lisier entreposĂ© au sein de l'exploitation oĂč il a Ă©tĂ© produit ;
  - aux déchets d'huiles et graisses alimentaires collectés aux points de collecte visés à l'article 4.5.14. ;
  - à l'emballage ou au récipient des déchets de cuisine et de table de catégorie 3 collectés auprÚs des ménages.
  Art. 4.5.3. Contrat et notification de collecte
  § 1er. Pour faire collecter ses sous-produits animaux, le détenteur dispose d'un contrat avec un collecteur, négociant et courtier enregistré ou notifie la production des sous-produits animaux dans les 24 heures à un collecteur, négociant et courtier enregistré.
  § 2. Le contrat visé au paragraphe 1er précise la fréquence de collecte des sous-produits animaux, établie de maniÚre à éviter toute nuisance sur l'environnement ou la santé humaine ou animale.
  § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, le contrat ou la notification n'est pas obligatoire lorsqu'il s'agit :
  1° de cadavres d'animaux provenant des ménages, dont le poids total est inférieur à 1 kg ;
  2° de sous-produits animaux destinés à une installation visée à l'article 3.5.15. ;
  3° de sous-produits animaux collectés dans un point de collecte visé à l'article 4.5.14.
  § 4. Par dérogation au paragraphe 1er, la notification dans les 24 heures n'est pas obligatoire pour les sous-produits animaux dont la production est occasionnelle, tels que :
  - les sous-produits animaux générés chez les vétérinaires, cliniques vétérinaires et dans les centres d'accueil pour animaux sauvages ;
  - les sous-produits animaux générés dans un établissement commercial pour animaux ou un élevage d'animaux ;
  - les cadavres d'animaux provenant des ménages, dont le poids est supérieur à 1 kg.
  Cette dérogation ne s'applique pas si des nuisances ont été constatées chez le détenteur par un agent chargé de la surveillance suivant les dispositions de l'article 5 du code de l'inspection.
  Art. 4.5.4. Conservation et transport
  § 1er Les sous-produits animaux sont directement transportés vers une installation autorisée pour le dépÎt, la collecte ou le traitement de sous-produits animaux.
  § 2. En attente de la collecte des sous-produits animaux entreposés, toutes les mesures sont prises pour que les risques de transmission d'une maladie à l'homme, les risques de pollution de l'environnement et les nuisances soient limités, en particulier une zone de stockage dédié et un refroidissement adapté en fonction de la température ambiante.
  § 3. Le cadavre d'animal d'élevage notifié par le détenteur conformément à l'article 4.5.3. § 1 est collecté par un collecteur, négociant et courtier enregistré, dans les 2 jours ouvrables qui suivent la notification.
  § 4. La collecte des sous-produits animaux visés à l'article 4.5.3. § 4, a lieu :
  - dans les 2 jours ouvrables aprÚs notification si les sous-produits animaux sont conservés à une température ambiante de plus de 5 ° C ;
  - dans les 2 semaines aprĂšs notification, si les sous-produits animaux sont conservĂ©s dans un endroit refroidi activement ou dans un rĂ©cipient oĂč la tempĂ©rature ambiante maximale est de 5 ° C ;
  - sur demande si les sous-produits animaux sont conservés à une température ambiante de maximum -18 ° C.
  § 5. Les vĂ©hicules, conteneurs y compris leur bĂąche qui peuvent ĂȘtre rĂ©utilisĂ©s pour le transport de sous-produits animaux sont nettoyĂ©s et dĂ©sinfectĂ©s Ă  l'aide d'un dĂ©sinfectant autorisĂ© par le SPF SantĂ© publique, SĂ©curitĂ© de la ChaĂźne alimentaire et Environnement aprĂšs chaque utilisation jusqu'au degrĂ© nĂ©cessaire, Ă  empĂȘcher toute contamination croisĂ©e et les risques de pollution de l'environnement et les nuisances.
  Les agents chargés de la surveillance suivant les dispositions de l'article 5 du code de l'inspection peuvent ordonner le nettoyage et la désinfection des véhicules et conteneurs si cela s'avÚre nécessaire.
  Art. 4.5.5. Elimination et utilisation
  § 1er. L'élimination et l'utilisation des sous-produits animaux est réalisée conformément aux dispositions du RÚglement (CE) N° 1069/2009.
  § 2. L'utilisation des sous-produits animaux pour l'alimentation des animaux sauvages est autorisée par accord écrit préalable de Bruxelles Environnement, tel que prévu par l'article 18 paragraphe 1, point e) et paragraphe 2, point b) du RÚglement (CE ) N° 1069/2009.
  § 3. Une autre mĂ©thode d'Ă©limination peut ĂȘtre autorisĂ©e par accord Ă©crit prĂ©alable, tel que prĂ©vu par l'article 19 du RĂšglement (CE) N° 1069/2009 :
  1° par l'autorité compétente communale, notamment l'enfouissement des animaux familiers morts sur un terrain d'enfouissement pour animaux, aménagé conformément à la réglementation environnementale ou les prescriptions en vigueur ;
  2° par Bruxelles Environnement, notamment l'incinĂ©ration sur place en cas d'apparition d'une maladie Ă  dĂ©claration obligatoire, dans l'Ă©ventualitĂ© oĂč le transport vers l'entreprise agréée la plus proche en vue de leur transformation ou Ă©limination aggraverait le danger de propagation des risques sanitaires ;
  3° par Bruxelles Environnement, notamment l'incinération en cas d'apparition d'une épizootie de grande ampleur qui entraßnerait un manque de capacité d'élimination dans les installations de traitement prévues à cet effet.
  § 4. Les méthodes d'élimination suivantes sont autorisées de plein droit, sans accord par écrit, tel que prévu par l'article 19 du RÚglement (CE) N° 1069/2009 :
  1° l'incinĂ©ration ou l'enfouissement sur place, d'abeilles et des sous-produits issus de l'apiculture, dans des conditions empĂȘchant la propagation des risques pour la santĂ© publique ou animale ;
  2° l'élimination de sous-produits animaux dans l'établissement agricole, à l'exception des matériaux de la catégorie 1, provenant d'interventions chirurgicales sur des animaux vivants ou de la naissance d'animaux dans cet établissement ;
  3° l'élimination, par des moyens autres que ceux autorisés par le RÚglement (CE) N° 1069/2009, de matériaux des catégories 2 et 3 provenant d'établissements autorisés à les utiliser à des fins de recherche et à d'autres fins spécifiques, si la quantité hebdomadaire ne dépasse pas les 20 kg ;
  4° l'élimination, par des moyens autres que ceux autorisés par le RÚglement (CE) N° 1069/2009, de matériaux animaux collectés lors du procédé de prétraitement des eaux usées dans des entreprises ne recevant que des matériaux de catégorie 3, si la quantité hebdomadaire ne dépasse pas les 20 kg.
  Section 3. - Opérateurs de gestion des sous-produits animaux
  Art. 4.5.6. Enregistrement
  § 1er. L'exploitant visĂ© Ă  l'article 23, point 1. a) du RĂšglement (CE) N° 1069/2009 se fait enregistrer conformĂ©ment Ă  l'article 3.1.1. du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  § 2. L'exception visée à l'article 3.1.1. 1° b) ne s'applique pas aux sous-produits animaux.
  § 3. Le collecteur, nĂ©gociant ou courtier des sous-produits animaux qui sont des dĂ©chets dangereux n'est pas soumis Ă  l'agrĂ©ment de l'article 3.1.2. pour ces mĂȘmes dĂ©chets.
  Art. 4.5.7. Agrément
  § 1er. Le permis d'environnement autorisant les rubriques 40, 41, 50, 106.2, 212 et/ou 219 pour des Ă©tablissements oĂč sont effectuĂ©es les activitĂ©s visĂ©es Ă  l'article 24 point 1. du RĂšglement (CE) N° 1069/2009 vaut agrĂ©ment.
  § 2. L'agrĂ©ment n'est valable que lorsqu'une visite par l'autoritĂ© compĂ©tente sur place, prĂ©alable au dĂ©marrage de toute activitĂ©, a dĂ©montrĂ© que les prescriptions pertinentes arrĂȘtĂ©es conformĂ©ment Ă  l'article 27 du RĂšglement (CE) N° 1069/2009 sont respectĂ©es.
  Art. 4.5.8. En cas de crise sanitaire
  A la demande de l'autorité compétente pour la sécurité de la chaine l'alimentaire, dans le cas d'une gestion de crise sanitaire, Bruxelles Environnement peut accorder une dérogation temporaire aux articles 4.5.6. et 4.5.7.
  Section 4. - RÚgles spécifiques
  Sous-section 1re. - Lisier
  Art. 4.5.9. Stockage
  § 1er. L'exploitation soumise à la rubrique 66 respecte les conditions suivantes :
  - toutes les mesures sont prises pour limiter au maximum les nuisances dues aux odeurs ;
  - le stockage se fait dans un récipient étanche ou sur une zone construite à cet effet ;
  - les jus d'écoulement tels que le purin et les lixiviats sont récupérés dans une cuve étanche et sans trop-plein.
  - le sol de la zone de stockage et de transbordement est en matériaux durs et imperméables.
  - la zone de stockage est entourée sur trois de ses cÎtés, de parois rigides, étanches, d'une hauteur suffisante pour éviter tout débordement. Le quatriÚme cÎté est construit de maniÚre à ce qu'aucun lixiviat ou aucune eau de ruissellement ne puisse s'écouler en dehors du dépÎt.
  § 2. Le présent article s'applique sauf si le permis d'environnement en dispose autrement.
  Art. 4.5.10. Gestion
  Le lisier peut ĂȘtre Ă©pandu sur le sol sans transformation prĂ©alable, lorsqu'il n'y a pas de risque de propagation d'une maladie grave transmissible, et ceci, sans prĂ©judice de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 19 novembre 1998 relatif Ă  la protection des eaux contre la pollution par les nitrates Ă  partir de sources agricoles.
  Sous-section 2. - Déchets d'huiles et graisses alimentaires
  Art. 4.5.11. Dispositions générales
  § 1er. Pour l'application de la présente sous-section, on entend par :
  1° " huiles et graisses alimentaires " : toutes les huiles et graisses vĂ©gĂ©tales et animales comestibles pouvant ĂȘtre utilisĂ©es lors de la friture de denrĂ©es alimentaires ;
  2° " déchets d'huiles et graisses alimentaires " : toutes les huiles et graisses alimentaires dont le détenteur se défait ou a l'intention ou l'obligation de se défaire et qui constituent des déchets au sens de l'ordonnance déchets, y compris les huiles de cuisson usagées visées par le RÚglement (UE) N° 142/2011 ;
  3° " dĂ©chets d'huiles et graisses alimentaires autres que mĂ©nagĂšres " : dĂ©chets d'huiles et graisses alimentaires en provenance des utilisateurs professionnels, Ă  savoir toute personne qui gĂšre une installation de restauration permanente, mobile ou temporaire telle que restaurant, hĂŽtel, cafĂ©, fast-food, snackbar, friterie, traiteur, collectivitĂ©, notamment, un hĂŽpital, cantine, catering et installation similaire oĂč des denrĂ©es alimentaires sont prĂ©parĂ©es ou emballĂ©es pour ĂȘtre consommĂ©es, et installation similaire, qui dans le cadre de son activitĂ© professionnelle utilise des huiles et graisses de friture pour la friture de denrĂ©es alimentaires.
  § 2. La présente sous-section s'applique aux déchets d'huiles et graisses alimentaires ménagÚres. Les critÚres de distinction entre les huiles et graisses alimentaires considérées comme ménagÚres et les huiles et graisses alimentaires considérées comme autres que ménagÚres sont soumis à l'approbation de Bruxelles Environnement conformément à l'article 2.3.6.
  Art. 4.5.12. Gestion des déchets d'huiles et graisses alimentaires
  § 1er. Tout détenteur de déchets d'huiles et graisses alimentaires est tenu de les présenter à la collecte séparée des déchets résiduels.
  § 2. Les déchets d'huiles et graisses alimentaires ménagÚres sont collectées par :
  - des personnes morales de droit public territorialement responsables pour la gestion des déchets ménagers, notamment via des systÚmes de collecte mobiles et en parc à conteneurs, ou
  - des collecteurs, négociants ou courtiers enregistrés dans les systÚmes de collecte visés aux articles 4.5.13. et 4.5.14.
  Pour les déchets d'huiles et graisses alimentaires ménagÚres, les producteurs, en collaboration avec les personnes morales de droit public, sont tenus d'augmenter les quantités collectées de 20 % au plus tard pour fin 2020, par rapport aux quantités collectées en 2011. Au plus tard, pour fin 2023 et fin 2025, les quantités collectées doivent augmenter avec respectivement 15 % et 20 % des quantités collectées en 2018. Les quantités collectées conformément à l'article 4.5.13. et 4.5.14. sont prises en considération dans l'évaluation de ces objectifs.
  § 3. Les producteurs instituent un comité d'accompagnement ayant pour mission le suivi de la gestion du flux des déchets d'huiles et graisses alimentaires. Le comité d'accompagnement se compose au minimum de représentants des personnes morales de droit public territorialement responsables pour la gestion des déchets ménagers et de Bruxelles Environnement. Il se réunit au minimum une fois par an.
  § 4. Les producteurs concluent un contrat avec les personnes morales de droit public définissant au minimum les éléments suivants :
  - les modalités de calcul de l'indemnisation des points de collecte, en ce compris la couverture des coûts d'infrastructure et de fonctionnement des parcs à conteneurs ;
  - les modalités d'organisation et de financement des campagnes d'information visées à l'article 4.5.17.
  Ce contrat est soumis pour avis à Bruxelles Environnement conformément à l'article 2.3.6.
  § 5. Les déchets d'huiles et graisses alimentaires collectés séparément sont entiÚrement recyclés ou valorisés.
  Art. 4.5.13. Installation de collecte à titre accessoire
  § 1er. Conformément à l'article 3.5.15. 6°, le détaillant d'huiles et graisses alimentaires peut reprendre les déchets d'huiles et graisses alimentaires ménagÚres. Si le détaillant les reprend, il notifie ou fait notifier aux producteurs le systÚme de collecte mis en place notamment en définissant les responsabilités des acteurs participants.
  § 2. Le collecteur, négociant ou courtier qui collecte des déchets d'huiles et graisses alimentaires auprÚs du détaillant visé au paragraphe 1 communique aux producteurs, au plus tard pour le 30 avril de chaque année les informations suivantes :
  - la quantité de déchets d'huiles et graisses alimentaires collectées ;
  - le procédé de traitement des déchets d'huiles et graisses alimentaires collectées.
  § 3. La reprise des déchets d'huiles et graisses alimentaires auprÚs de détaillant satisfait aux conditions suivantes :
  - les déchets d'huiles et graisses alimentaires repris ne sont pas stockés sur la voie publique ;
  - le stockage a lieu de telle maniÚre qu'il ne pourra causer aucun dommage à la santé humaine ou à l'environnement ;
  - les déchets d'huiles et graisses alimentaires sont collectés réguliÚrement par un collecteur, négociant ou courtier enregistré ;
  - le site de stockage et ses alentours sont maintenus propres ;
  - les rĂ©cipients doivent ĂȘtre tenus propres et contenir une Ă©tiquette bilingue indiquant " CatĂ©gorie 3 : pas pour consommation humaine - niet voor menselijke consumptie " ;
  - un produit de dĂ©sinfection autorisĂ© doit ĂȘtre prĂ©sent sur le site.
  Art. 4.5.14. Point de collecte des déchets d'huiles et graisses alimentaires
  § 1er. Moyennant le respect des obligations contenues aux paragraphes 2 à 4, le collecteur, négociant ou courtier enregistré peut organiser des collectes complémentaires de déchets d'huiles et graisses alimentaires provenant des ménages, auprÚs d'un point de collecte.
  § 2. Le point de collecte de déchets d'huiles et graisses alimentaires satisfait aux conditions suivantes :
  1. Le collecteur, négociant ou courtier enregistré signe une convention avec le gestionnaire du site. Cette convention reprend au minimum :
  a. l'adresse ou, à défaut, la localisation exacte du point de collecte ;
  b. la description des récipients de collecte ;
  c. les coordonnées du gestionnaire du site et du collecteur, négociant ou courtier enregistré ;
  d. la fréquence de collecte ;
  e. la durée de la convention ;
  f. la répartition des responsabilités.
  2. Les récipients sont tenus propres et contiennent une étiquette indiquant :
  a. le nom du collecteur, négociant ou courtier ;
  b. les mentions bilingues :
  - " Catégorie 3 : pas pour consommation humaine - niet voor menselijke consumptie ",
  - " Pour les déchets d'huiles et graisses alimentaires issus exclusivement des ménages - Voor afgewerkte voedingsolie en -vetten van huishoudelijke oorsprong ".
  3. Les récipients de collecte sont conçus de maniÚre à optimiser la sécurité des stockages et à éviter tout écoulement. Ils se trouvent dans un endroit sûr.
  4. Le point de collecte et ses alentours sont maintenus propres.
  5. Le point de collecte a une capacité maximale de 1000 kg.
  6. L'enlÚvement auprÚs d'un point de collecte est effectuée de façon réguliÚre et suffisante et conformément aux paragraphes 1, 2 et 5 de l'article 4.5.4. du présent chapitre.
  § 3. La collecte des déchets d'huiles et graisses alimentaires via un point de collecte est interdite dans les écoles maternelles et primaires.
  § 4. Le collecteur, négociant ou courtier enregistré qui reprend des déchets d'huiles et graisses alimentaires auprÚs des points de collecte communique aux producteurs, au plus tard pour le 30 avril de chaque année, les informations suivantes :
  1. la quantité de déchets d'huiles et graisses alimentaires collectés durant l'année, pour chaque point de collecte ;
  2. le procédé de traitement des déchets d'huiles et graisses alimentaires collectés.
  Art. 4.5.15. Financement
  § 1er. Le producteur couvre le coût réel et complet de la collecte, du tri et du traitement des déchets d'huiles et graisses alimentaires ménagÚres pris en charge par les personnes morales de droit public territorialement responsables pour la gestion des déchets ménagers.
  § 2. La couverture des coûts visés au paragraphe 1er et le partage des éventuelles recettes sont convenus de commun accord entre les producteurs et les personnes morales de droit public.
  § 3. Le partage des éventuelles recettes avec les personnes morales de droit public ne vaut que si l'entiÚreté des coûts imputés au producteur pour la réalisation des campagnes de communication visées à l'article 4.5.17 sont couverts par la revente des déchets huiles et graisses alimentaires collectés.
  Art. 4.5.16. Rapportage
  § 1er. Les producteurs fournissent à Bruxelles Environnement pour le 31 mai de chaque année, en ce qui concerne l'année civile écoulée :
  1° la quantité totale exprimée en kilos des huiles et graisses alimentaires destinées aux ménages mises sur le marché ;
  2° la quantité totale, exprimée en kilos, des déchets d'huiles et graisses alimentaires ménagÚres collectés en Région de Bruxelles-Capitale, par mode de collecte ;
  3° l'identification et le nombre d'installations de collecte en Région de Bruxelles-Capitale, en distinguant les installations de collecte des personnes morales de droit public et les autres installations de collecte ;
  4° les installations oĂč les dĂ©chets d'huiles et graisses alimentaires collectĂ©s ont Ă©tĂ© traitĂ©s, avec mention de la quantitĂ© traitĂ©e et la description de leur mode de traitement ;
  5° la quantité totale, exprimée en kilos, des déchets d'huiles et graisses alimentaires ménagÚres valorisés ou recyclés ;
  6° les données relatives aux actions de sensibilisation et de prévention entreprises, à l'évaluation de ces actions et au calcul des indicateurs de résultats.
  § 2. Bruxelles Environnement peut exiger de tout producteur de lui fournir toute autre information pertinente pour l'appréciation de la réalisation des objectifs visés par la présente sous-section et le contrÎle de leur mise en oeuvre.
  Art. 4.5.17. Information du consommateur
  § 1er. Afin d'atteindre les objectifs visés à l'article 4.5.12., les producteurs, en collaboration avec les personnes morales de droit public, mÚnent au moins une fois par an des campagnes d'information et de sensibilisation à destination des ménages à l'échelle régionale et locale.
  § 2. Les campagnes visées au paragraphe 1er sont financées au moyen des recettes générées par la revente des déchets d'huiles et graisses alimentaires collectés par la personne morale de droit public, déduction faite des coûts de collecte visé à l'article 4.5.15. Lorsque lesdites recettes ne sont pas suffisantes pour financer les campagnes visées au paragraphe précédent, le producteur paie le solde nécessaire pour les financer.
  § 3. Les modalités des campagnes de communication sont convenues de commun accord entre les producteurs et les personnes morales de droit public.
  "
Art. 6. Productenvoor eenmalig gebruik
  In hoofdstuk 6 van titel IV van Brudalex wordt er een afdeling 2 toegevoegd, getiteld "Producten voor eenmalig gebruik", die luidt als volgt:
  " Afdeling 2. - Producten voor eenmalig gebruik
  Art. 4.6.3. § 1. Onderhavige afdeling zet de richtlijn (EU) 2019/904 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu, artikel 4, om, evenals de richtlijn 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, artikel 16.2, lid 2, c.
  § 2. Het is voor een openbare entiteit in het kader van haar eigen activiteiten en tevens in het kader van door haar georganiseerde evenementen verboden:
  a) vanaf 1 januari 2023 dranken te schenken in cateringmateriaal voor eenmalig gebruik, met uitzondering van verpakkingen van wijn en sterkedranken;
  b) vanaf 1 juli 2023 bereide voedingsmiddelen aan te bieden in cateringmateriaal voor eenmalig gebruik;
  c) vanaf 1 juli 2023 water ander dan leidingwater te schenken.
  § 3. De verplichtingen bedoeld in paragraaf 2 zijn niet van toepassing in de volgende gevallen:
  1° wanneer de openbare entiteiten gezondheidszorgactiviteiten uitvoeren zoals bedoeld in artikel 4.7.2, 1° ;
  2° in noodsituaties;
  3° bij straathoekwerk en daklozenronde beoogd in artikel 2, 8°, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 14 juni 2018 betreffende de noodhulp aan en de inschakeling van daklozen.
  § 4. Leefmilieu Brussel kan een afwijking van het verbod in paragraaf 2, c) verlenen in geval de toegang tot leidingwater niet mogelijk.
  § 5. Leefmilieu Brussel kan een afwijking van alle of een deel van de verbodsbepalingen in paragraaf 2 toekennen:
  1° in het kader van een evenement wanneer de verbodsbepalingen duidelijk onevenredig zijn gezien de specifieke kenmerken van het evenement;
  2° wanneer de naleving van de in paragraaf 2 genoemde termijnen redelijkerwijs niet kan worden verzekerd gelet op de kosten en de operationele modaliteiten die uit de maatregelen voortvloeien.
  § 6. De aanvragen tot afwijking worden gemotiveerd en aan Leefmilieu Brussel overgemaakt in de vorm en onder de voorwaarden bepaald door Leefmilieu Brussel.
  Het in paragraaf 5, 2°, van deze bepaling bedoelde verzoek om afwijking bevat een stappenplan voor de tenuitvoerlegging van de verbodsbepalingen dat niet verder reikt dan 1 januari 2025 en dat uiterlijk binnen de zes maanden na de inwerkingtreding van dit artikel wordt ingediend.
  De afwijkingen moeten evenredig zijn en gericht zijn op de handhaving van een hoog niveau van milieubescherming.
  "
Art. 6. Produits Ă  usage unique
  Dans le chapitre 6 du titre IV du Brudalex, une section 2 intitulée " Produits à usage unique " rédigée comme suit est ajoutée :
  " Section 2. - Produits à usage unique
  Art. 4.6.3. § 1er. La présente section transpose la directive (UE) 2019/904 du Parlement européen et du Conseil du 5 juin 2019 relative à la réduction de l'incidence de certains produits en plastique sur l'environnement, article 4 ainsi que la directive 2020/2184 du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2020 relative à la qualité des eaux destinées à la consommation humaine, article 16.2, al. 2, c.
  § 2. Il est interdit à une entité publique dans le cadre de ses propres activités ainsi que dans le cadre des évÚnements organisés par elle :
  a) à partir du 1er janvier 2023, de servir des boissons avec du matériel de restauration à usage unique, à l'exception des emballages de vin et spiritueux ;
  b) à partir du 1er juillet 2023, de servir des aliments préparés dans du matériel de restauration à usage unique ;
  c) à partir du 1er juillet 2023, de servir de l'eau autre que de l'eau distribuée par réseau.
  § 3. Les obligations visées au paragraphe 2 ne sont pas applicables dans les cas suivants :
  1° lorsque les entités publiques réalisent des activités de soins de santé visées à l'article 4.7.2, 1° ;
  2° lors de situations d'urgence ;
  3° lors de travail de rue et maraude visé à l'article 2, 8°, de l'ordonnance de la Commission communautaire commune du 14 juin 2018 relative à l'aide d'urgence et à l'insertion des personnes sans abri.
  § 4. Bruxelles Environnement peut octroyer une dĂ©rogation Ă  l'interdiction visĂ©e au paragraphe 2, c) dans le cas oĂč l'accĂšs Ă  l'eau distribuĂ©e par rĂ©seau est impossible.
  § 5. Bruxelles Environnement peut octroyer une dérogation à toutes ou partie des interdictions visées au paragraphe 2 :
  1° dans le cadre d'un évÚnement lorsque les interdictions sont manifestement disproportionnées compte tenu des spécificités de l'évÚnement;
  2° lorsque le respect des dĂ©lais visĂ©s au paragraphe 2 ne peut ĂȘtre raisonnablement assurĂ© compte tenu des coĂ»ts et des modalitĂ©s opĂ©rationnelles engendrĂ©s.
  § 6. Les demandes de dérogation sont motivées et transmises à Bruxelles Environnement selon la forme et les modalités définies par Bruxelles Environnement.
  La demande de dĂ©rogation visĂ©e au paragraphe 5, 2° de la prĂ©sente disposition contient un plan progressif de mise en oeuvre des interdictions qui ne peut dĂ©passer le 1er janvier 2025 et qui doit ĂȘtre introduite au plus tard dans les 6 mois de l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent article.
  Les dérogations sont proportionnées et visent à préserver un niveau élevé de protection de l'environnement.
  "
Art. 7. Afvalstoffen van activiteiten in de gezondheidszorg
  In titel IV getiteld "Bepalingen betreffende bepaalde afvalstromen" van Brudalex wordt een hoofdstuk 7 toegevoegd getiteld "Afvalstoffen van activiteiten in de gezondheidszorg", dat luidt als volgt:
  " HOOFDSTUK 7. - Afvalstoffen van activiteiten in de gezondheidszorg
  Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities
  Art. 4.7.1. Toepassingsgebied
  § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de afvalstoffen geproduceerd gedurende de activiteiten in de gezondheidszorg zoals gedefinieerd in artikel 4.7.2. 1°.
  § 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op afvalstoffen van de zorg afkomstig van huishoudens totdat deze worden aanvaard voor inzameling, verwijdering of nuttige toepassing door een vergunde installatie.
  § 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op afvalstoffen van diergeneeskundige zorgen, met uitzondering van scherpe, snijdende en prikkende afvalstoffen. Afvalstoffen van diergeneeskundige zorgen, anders dan scherpe, snijdende en prikkende afvalstoffen zijn onderworpen aan hoofdstuk 5 van titel IV van huidig besluit.
  § 4. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op afvalstoffen van de zorg geproduceerd door de laboratoria zoals bedoeld door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde en/of pathogene organismen van 8 november 2001.
  § 5. Tenzij tegengestelde of specifieke bepalingen, zijn de titels I en III van toepassing.
  Art. 4.7.2. Definities
  Voor de toepassing van huidig hoofdstuk worden verstaan onder:
  1° "activiteiten in de gezondheidszorg": activiteiten van preventieve, curatieve of palliatieve diagnosestelling, opvolging en behandeling, in de domeinen van mens- en diergeneeskunde. Zijn gelijkgesteld aan deze activiteiten in de gezondheidszorg : de activiteiten in onderwijs, onderzoek en industriële productie in de domeinen van mens- en diergeneeskunde, de activiteiten van thanatopraxie, esthetische chirurgie, tatoeage en cosmetologie ;
  2° "afvalstoffen van de zorg": risicohoudende afvalstoffen van de zorg en niet risicohoudende afvalstoffen van de zorg afkomstig van activiteiten in de gezondheidszorg;
  3° "risicohoudende afvalstoffen van de zorg":
  a) afvalstoffen met infectierisico, dit wil zeggen die pathogenen bevatten die ziektes kunnen veroorzaken bij mens of dier en die niet behoren tot de respectievelijke menselijke of dierlijke eigen flora;
  b) scherpe, snijdende, prikkende afvalstoffen;
  c) anatomisch menselijke afvalstoffen met inbegrip van bloed en bloedderivaten;
  d) afvalstoffen met cytotoxische en cytostatische eigenschappen;
  4° "niet risicohoudende afvalstoffen van de zorg": afvalstoffen afkomstig van activiteiten in de gezondheidszorg andere dan risicohoudende afvalstoffen van de zorg;
  5° "verwerking door desinfectie": procedé voor reductie van het aantal levensvatbare pathogenen aan de hand van fysische en/of chemische methodes om het risico te beperken tot een aanvaardbaar niveau voor het leefmilieu en de volksgezondheid, gecombineerd met een wijziging van het uitzicht van de afvalstoffen van de zorg om ze onherkenbaar te maken, en dat toelaat dat risicohoudende afvalstoffen van de zorg overgaan naar niet gevaarlijke afvalstoffen;
  6° "gezondheidscrisis": door de Nationale Veiligheidsraad zoals bepaald in artikel 3, 1° wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten verklaarde crisis, die de gezondheid van een groot aantal personen aantast na blootstelling aan een pathogeen.
  Afdeling 2. - Operaties voor het beheer van de afvalstoffen van de zorg
  Onderafdeling 1. - Preventie
  Art. 4.7.3. Algemene bepalingen
  De producent van afvalstoffen van de zorg neemt de nodige maatregelen om de hoeveelheid geproduceerde afvalstoffen te beperken.
  Art. 4.7.4. Preventie- en beheersplan van de afvalstoffen
  § 1. De verantwoordelijke voor het beheer van de afvalstoffen van de zorg van de uitbating die onderworpen is aan rubriek 79-A stelt een preventie- en beheersplan van de afvalstoffen op en let op de uitvoering ervan.
  § 2. Het preventie- en beheersplan van de afvalstoffen betreft de afvalstoffen van de zorg evenals de andere afvalstoffen geproduceerd door de uitbating.
  § 3. Het preventie- en beheersplan van de afvalstoffen wordt bij de aanvraag tot milieuvergunning of verlenging van milieuvergunning gevoegd. Dit plan is gedateerd en wordt regelmatig en minimaal één maal per jaar bijgewerkt aan de actuele omstandigheden van de inrichting of de activiteit.
  § 4. Het preventie- en beheersplan van afvalstoffen wordt op vraag bezorgd aan Leefmilieu Brussel.
  § 5. Het preventieluik van het preventie- en beheersplan van de afvalstoffen bevat minstens:
  1. een analyse van de bestaande situatie;
  2. nieuwe te bereiken doelstellingen voor elke periode van 5 jaar.
  § 6. Leefmilieu Brussel stelt een lijst ter beschikking aan het publiek met de essentiële elementen die voorkomen in het preventie- en beheersplan.
  § 7. De houder van de milieuvergunning of de uitbater onderworpen aan rubriek 79-B beschikt over een kwaliteitsbeheersysteem conform aan artikel 3.5.4.
  4.7.5. Vorming van het personeel
  § 1. De uitbating onderworpen aan rubriek 79-A of 79-B beschikt over een persoon die verantwoordelijk is voor het beheer van de afvalstoffen van de zorg.
  § 2. Voor de onderneming onderworpen aan rubriek 79-A, de persoon die verantwoordelijk is voor het beheer van afvalstoffen van de zorg:
  1. stelt de procedure op voor het sorteren en/of verwerken van de afvalstoffen van de zorg en hangt ze uit op de sorteer- en/of verwerkingsplaatsen zichtbaar voor het personeel;
  2. ziet erop toe dat het personeel deze procedure kent en toepast;
  3. houdt een register bij van de vormingen met betrekking tot het beheer van de afvalstoffen en de aanwezigheden op deze vormingen. Het register wordt regelmatig bijgewerkt, en minstens één keer per jaar.
  § 3. Voor de uitbating onderworpen aan rubriek 79-B, beschikt de persoon die verantwoordelijk is voor het beheer van de afvalstoffen van de zorg over voldoende kennis van de wetgeving en het beheer van deze afvalstoffen. Deze kennis wordt aangetoond conform artikel 3.3.2. § 2 en § 3.
  Onderafdeling 2. - Sorteren
  Art. 4.7.6. Algemene bepalingen
  § 1. De afvalstoffen die worden geproduceerd buiten de zones waar de activiteiten in de gezondheidszorg plaatsvinden worden gesorteerd zoals bepaald in artikel 3.7.1.
  § 2. De niet risicohoudende afvalstoffen van de zorg worden gesorteerd zoals bepaald in artikel 3.7.1. Keukenafval en etensresten geproduceerd in zones waar activiteiten in de gezondheidszorg plaatsvinden, mag worden gesorteerd met het oog op compostering en biomethanisatie in een inrichting die de erkenning heeft van artikel 24 punt 1 van de Verordening (EG) nr. 1069/2009.
  § 3. Onmiddellijk na de productie ervan worden de risicohoudende afvalstoffen van de zorg in de hiervoor voorziene verpakkingen geplaatst.
  § 4. Indien niet risicohoudende afvalstoffen van de zorg in contact komen of worden vermengd met risicohoudende afvalstoffen van de zorg moeten al deze afvalstoffen worden beheerd als risicohoudende afvalstoffen van de zorg.
  § 5. De risicohoudende afvalstoffen van de zorg die bestemd zijn voor verwerking door desinfectie worden gescheiden van de afvalstoffen geviseerd in artikel 4.7.13. § 1.
  Onderafdeling 3. - Verpakking en opslag
  Art. 4.7.7. Algemene bepalingen
  § 1. De niet risicohoudende afvalstoffen van de zorg worden verpakt als niet gevaarlijke niet huishoudelijke afvalstoffen.
  § 2. De risicohoudende afvalstoffen van de zorg worden verpakt volgens de bepalingen opgenomen in de tabel van bijlage 18.
  § 3. Wanneer de vulgrens voor goede afsluiting van de verpakking is bereikt, wordt de verpakking afgesloten conform de richtlijnen van de fabrikant.
  Art. 4.7.8. Buitenverpakking van de risicohoudende afvalstoffen van de zorg
  § 1. De buitenverpakking wordt geïdentificeerd met de naam, het adres van de uitbatingszetel, het ondernemingsnummer van de producent van de afvalstoffen.
  § 2. Het sluitingsysteem van de buitenverpakking zorgt voor een volledige en lekdichte afsluiting.
  § 3. De herbruikbare buitenverpakking is afwasbaar en kan gemakkelijk worden ontsmet. De binnen- en buitenwanden worden gereinigd en ontsmet na elke lediging.
  Art. 4.7.9. Opslag
  § 1. De afvalstoffen van de zorg worden opgeslagen in een lokaal of een zone die uitsluitend is voorbehouden voor dit gebruik en waarin geen nieuwe verpakkingen mogen worden opgeslagen.
  § 2. Aan de ingang van het opslaglokaal of de -zone voor risicohoudende afvalstoffen van de zorg hangt een signalisatie die het infectierisico vermeldt aan de hand van het symbool voor "biologisch gevaar" dat is opgenomen in bijlage 18.
  § 3. Het opslaglokaal voor risicohoudende afvalstoffen van de zorg voldoet aan de volgende criteria:
  1. de wanden, vloeren en plafonds hebben een brandweerstand van minstens EI 60;
  2. elke toegangsdeur in een binnenmuur van het lokaal is een automatische sluitende deur met een brandweerstand van EI 30.
  § 4. De toegang tot het opslaglokaal of -zone voor risicohoudende afvalstoffen van de zorg is verboden voor publiek.
  § 5. De capaciteit van het opslaglokaal of -zone voor afvalstoffen van de zorg is aangepast aan de geproduceerde hoeveelheid afvalstoffen en aan de frequentie van ophaling.
  § 6. De verpakkingen zijn op zodanige wijze gestapeld om ongelukken te vermijden en zodanig dat ze eenvoudig, snel en in alle veiligheid kunnen geladen worden, met een minimum aan manipulaties van de inzamelaar.
  § 7. In het geval van buitenopslag:
  1. de stevige buitenverpakkingen zijn permanent gesloten;
  2. de zone is duidelijk afgebakend en niet toegankelijk voor het publiek;
  3. de zone is beschermd tegen slechte weersomstandigheden.
  § 8. De opslag van risicohoudende afvalstoffen van de zorg op de openbare weg is niet toegelaten.
  Onderafdeling 4. - Inzameling
  Art. 4.7.10. Intern transport
  Het intern transport van risicohoudende afvalstoffen van de zorg gebeurt met karretjes die gemakkelijk afwasbaar zijn.
  Art. 4.7.11. Inzameling
  § 1. Niet risicohoudende afvalstoffen van de zorg worden ingezameld zoals niet gevaarlijke niet huishoudelijke afvalstoffen.
  § 2. Risicohoudende afvalstoffen van de zorg worden beschouwd als gevaarlijk afval en worden als dusdanig beheerd.
  § 3. De inzameling van risicohoudende afvalstoffen van de zorg vindt plaats binnen een termijn die toelaat dat alle gevaar en hinder voor het leefmilieu en de volksgezondheid vermeden wordt.
  § 4. Met uitzondering van de scherpe, snijdende en prikkende afvalstoffen worden de risicohoudende afvalstoffen van de zorg ten laatste vierentwintig uren na de inzameling verwerkt.
  § 5. De producent van risicohoudende afvalstoffen van de zorg kan zijn eigen afvalstoffen vervoeren conform artikel 3.1.1. 1°, voor zover de vervoerde hoeveelheid afvalstoffen niet groter is dan 20 kg.
  Onderafdeling 5. - Behandeling en nuttige toepassing
  Art. 4.7.12. Algemene bepalingen
  § 1. Risicohoudende afvalstoffen van de zorg worden ofwel verbrand, ofwel verwerkt door desinfectie conform van deze onderafdeling.
  § 2. Niet risicohoudende afvalstoffen van de zorg en risicohoudende afvalstoffen van de zorg die verwerkt werden door desinfectie volgens de bepalingen van deze onderafdeling worden ofwel verbrand, ofwel gevaloriseerd, voor zover dit niet schadelijk is voor het leefmilieu zoals bepaald in artikel 17 van de ordonnantie afvalstoffen.
  Art. 4.7.13. Valorisatie van risicohoudende afvalstoffen van de zorg
  § 1. Risicohoudende afvalstoffen van de zorg kunnen een verwerking door desinfectie ondergaan, met uitzondering van de volgende afvalstoffen:
  a) die radioactief zijn;
  b) die mogelijk prionen bevatten;
  c) die vermalingstoestellen kunnen beschadigen of de werking ervan kunnen verstoren;
  d) die cytostatisch en cytotoxisch zijn;
  e) die biologische agentia van groep 4 kunnen bevatten, volgens het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 8 november 2001 betreffende het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde en/of pathogene organismen.
  § 2. Op basis van artikel 13 van de ordonnantie milieuvergunningen wordt het advies van de Dienst Bioveiligheid en Biotechnologie van Sciensano gevraagd in de loop van het onderzoek van de aanvragen van milieucertificaten en -vergunningen voor rubriek 79-B. Dit advies controleert de naleving van de minimumeisen van artikel 4.7.14.
  § 3. De Dienst Bioveiligheid en Biotechnologie van Sciensano kan bijkomende informatie vragen om haar advies op te stellen.
  § 4. Risicohoudende afvalstoffen van de zorg die een verwerking door desinfectie hebben ondergaan, worden beheerd als niet gevaarlijke andere dan huishoudelijke afvalstoffen.
  Art. 4.7.14. Inrichting voor de verwerking door desinfectie
  § 1. De inrichting voor verwerking door desinfectie voldoet minimum aan de volgende vereisten:
  1. de reductie van het aantal micro-organismen, gemeten door telling van de levensvatbare aerobe bacterieflora, is gelijk aan of hoger dan 5 log10;
  2. het monster omvat geen specifieke bacteriële indicatoren zoals enterobacteriën, Staphylococcus aureus, Pseudomonas aeruginosa, en andere indicator micro-organismes als daartoe aanleiding is;
  3. indien de wijziging van het uitzicht van de afvalstoffen wordt veroorzaakt door vermaling, heeft minstens 80 % van het verwerkte afval een granulometrie kleiner dan 30 mm.
  § 2. De inrichting voor de verwerking door desinfectie is uitgerust met middelen voor continue controle van het goede procesverloop. Een alarmsysteem meldt alle onregelmatigheden. In het geval van een onregelmatigheid en/of wanneer het resultaat van de verwerking door desinfectie niet gegarandeerd kan worden, wordt de afvalstoffen verwerkt als risicohoudende afvalstoffen van de zorg.
  § 3. In de inrichting voor de verwerking door desinfectie mogen enkel risicohoudende afvalstoffen van de zorg worden gehanteerd die verpakt zijn conform bijlage 18.
  § 4. De verwerking door desinfectie van risicohoudende afvalstoffen van de zorg vindt plaats binnen een termijn die toelaat dat alle gevaar en hinder voor het leefmilieu en de volksgezondheid vermeden wordt.
  § 5. Er wordt een register van verwerking van risicohoudende afvalstoffen van de zorg bijgehouden. Voor elke cyclus van de verwerking door desinfectie vermeldt het:
  1. de registratie van gedetailleerde gegevens betreffende de kritieke parameters voor beheersing van de behandeling;
  2. het verslag van de vastgestelde technische problemen en de eventueel uitgevoerde herstellingen.
  De gegevens worden geregistreerd voor elke cyclus en bijgehouden op zodanige manier dat de exploitant en de bevoegde overheid de werking van de inrichting kunnen controleren.
  "
Art. 7. Déchets d'activités de soins de santé
  Dans le titre IV intitulé " Dispositions relatives à certains flux de déchets " du Brudalex, il est ajouté un chapitre 7 intitulé " Des déchets d'activités de soins de santé " rédigé comme suit :
  " CHAPITRE 7. - Des déchets d'activités de soins de santé
  Section 1re. - Champ d'application et définitions
  Art. 4.7.1. Champ d'application
  § 1er. Ce chapitre s'applique aux déchets produits lors d'activités de soins de santé telles que définies à l'article 4.7.2. 1°.
  § 2. Ce chapitre ne s'applique pas aux déchets de soins produits par les ménages tant que leur collecte, leur élimination ou leur valorisation n'a pas été acceptée par une installation autorisée.
  § 3. Ce chapitre ne s'applique pas aux dĂ©chets de soins vĂ©tĂ©rinaires, exceptĂ© les dĂ©chets piquants, coupants, tranchants. Les dĂ©chets de soins vĂ©tĂ©rinaires autres que les dĂ©chets piquants, coupants, tranchants sont soumis au chapitre 5 du titre IV du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  § 4. Ce chapitre ne s'applique pas aux dĂ©chets de soins produits par les laboratoires visĂ©s par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 8 novembre 2001 relatif Ă  l'utilisation confinĂ©e d'organismes gĂ©nĂ©tiquement modifiĂ©s et/ou pathogĂšnes.
  § 5. Sauf dispositions contraires ou spécifiques, les titres I et III s'appliquent.
  Art. 4.7.2. Définitions
  Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
  1° " activités de soins de santé " : activités de diagnostic, de suivi et de traitement préventif, curatif ou palliatif, dans les domaines de la médecine humaine et vétérinaire. Sont assimilées à ces activités de soins de santé: les activités d'enseignement, de recherche et de production industrielle dans les domaines de la médecine humaine ou vétérinaire, les activités de thanatopraxie, de chirurgie esthétique, de tatouage et de cosmétologie ;
  2° " déchets de soins " : déchets de soins à risque et déchets de soins non à risque provenant des activités de soins de santé ;
  3° " déchets de soins à risque " :
  a) dĂ©chets Ă  risque infectieux, c'est-Ă -dire contenant des pathogĂšnes pouvant causer la maladie chez l'ĂȘtre humain ou animal et n'appartenant pas Ă  la flore commensale humaine ou animale respectivement ;
  b) déchets piquants, coupants, tranchants ;
  c) déchets anatomiques humains y compris le sang et dérivés de sang ;
  d) déchets ayant des propriétés cytotoxiques et cytostatiques ;
  4° " déchets de soins non à risque " : déchets provenant d'activités de soins de santé autres que les déchets de soins à risque ;
  5° " traitement par désinfection " : procédé de réduction du nombre de pathogÚnes viables par méthodes physique et/ou chimique afin d'en réduire le risque à un niveau acceptable pour l'environnement et la santé publique, combiné à une modification de l'apparence des déchets de soins afin de les rendre non reconnaissables, et permettant de faire passer un déchet de soins à risque à un déchet non dangereux ;
  6° " crise sanitaire " : crise déclarée par Conseil National de Sécurité tel que visé à l'article 3, 1° de la loi organique du 30 novembre 1998 des services de renseignement et de sécurité, affectant la santé d'un grand nombre de personnes, suite à l'exposition d'un pathogÚne.
  Section 2. - Opérations de gestion des déchets de soins
  Sous-section 1re. - Prévention
  Art. 4.7.3. Dispositions générales
  Le producteur de déchets de soins prend les dispositions nécessaires pour limiter la quantité de déchets produits.
  Art. 4.7.4. Plan de prévention et de gestion des déchets
  § 1er. Le responsable de la gestion des déchets de soins de l'exploitation soumise à la rubrique 79-A met en place un plan de prévention et de gestion des déchets et veille à son exécution.
  § 2. Le plan de prévention et de gestion des déchets concerne aussi bien les déchets de soins que les autres déchets produits par l'exploitation.
  § 3. Le plan de prévention et de gestion des déchets est joint à la demande de permis d'environnement ou de prolongation de permis d'environnement. Ce plan est daté et réguliÚrement mis à jour et au minimum une fois par an, au regard de la situation actuelle de l'installation ou de l'activité.
  § 4. Le plan de prévention et de gestion des déchets est transmis sur demande à Bruxelles Environnement.
  § 5. Le volet prévention du plan de prévention et de gestion des déchets comporte au minimum :
  1. une analyse de la situation existante;
  2. de nouveaux objectifs à atteindre pour chaque période de 5 ans.
  § 6. Bruxelles Environnement met à disposition du public une liste des éléments essentiels qui figurent dans le plan prévention et de gestion des déchets.
  § 7. Le titulaire de permis d'environnement ou l'exploitant soumis à la rubrique 79-B dispose d'un systÚme de gestion de la qualité conformément à l'article 3.5.4.
  Art. 4.7.5. Formation du personnel
  § 1er. L'exploitation soumise à la rubrique 79-A ou 79-B dispose d'une personne responsable de la gestion des déchets de soins.
  § 2. Pour l'exploitation soumise à la rubrique 79-A, la personne responsable de la gestion des déchets de soins :
  1. établit et affiche la procédure de tri et/ou de traitement des déchets de soins aux endroits de tri et/ou de traitement, de maniÚre à ce qu'elle soit visible pour le personnel ;
  2. s'assure que le personnel connait et applique cette procédure ;
  3. tient un registre de formations relatives à la gestion des déchets et de présences à ces formations. Le registre est mis à jour réguliÚrement, au minimum une fois par an.
  § 3. Pour l'exploitation soumise à la rubrique 79-B, la personne responsable de la gestion des déchets de soins possÚde une connaissance suffisante de la législation et de la gestion de ces déchets. La démonstration de ces connaissances est attestée conformément à l'article 3.3.2. § 2 et § 3.
  Sous-section 2. - Tri
  Art. 4.7.6. Dispositions générales
  § 1er. Les dĂ©chets produits en dehors des zones oĂč sont effectuĂ©es les activitĂ©s de soins de santĂ© sont triĂ©s conformĂ©ment Ă  l'article 3.7.1.
  § 2. Les dĂ©chets de soins non Ă  risque sont triĂ©s conformĂ©ment Ă  l'article 3.7.1. Les dĂ©chets de cuisine et de table produits dans les zones oĂč sont effectuĂ©es les activitĂ©s de soins de santĂ© peuvent ĂȘtre triĂ©s en vue de leur compostage et de leur biomĂ©thanisation dans une installation disposant de l'agrĂ©ment prĂ©vu par l'article 24 point 1 du RĂšglement (CE) N° 1069/2009.
  § 3. Immédiatement aprÚs leur production, les déchets de soins à risque sont placés dans les conditionnements prévus à cet effet.
  § 4. Si un déchet de soins non à risque est rentré en contact ou mélangé avec un déchet de soins à risque, l'ensemble de ces déchets est géré comme des déchets de soins à risque.
  § 5. Les déchets de soins à risque destinés au traitement par désinfection sont séparés des déchets visés à l'article 4.7.13. § 1.
  Sous-section 3. - Conditionnement et dépÎt
  Art. 4.7.7. Dispositions générales
  § 1er. Les déchets de soins non à risque sont conditionnés comme des déchets non dangereux non ménagers.
  § 2. Les déchets de soins à risque sont conditionnés selon les modalités reprises dans le tableau de l'annexe 18.
  § 3. Lorsque la limite de remplissage garantissant la fermeture correcte du conditionnement est atteinte, celui-ci est fermé, conformément aux instructions du fabricant.
  Art. 4.7.8. Emballage externe des déchets de soins à risque
  § 1er. L'emballage externe est identifié avec le nom, l'adresse du siÚge d'exploitation, le numéro d'entreprise du producteur des déchets.
  § 2. Le dispositif de fermeture de l'emballage externe permet une fermeture complÚte et étanche.
  § 3. L'emballage externe réutilisable est lavable et facile à désinfecter. Les parois intérieures et extérieures sont nettoyées et désinfectées aprÚs chaque déchargement.
  Art. 4.7.9. DépÎt
  § 1er. Les déchets de soins sont stockés dans un local ou une zone réservée uniquement à cet usage et ne pouvant pas servir au stockage de conditionnements neufs.
  § 2. Le local ou la zone de dépÎt de déchets de soins à risque présente une signalisation indiquant le risque infectieux à son entrée via le symbole " danger biologique " repris à l'annexe 18.
  § 3. Le local de dépÎt de déchets de soins à risque satisfait aux critÚres suivants :
  1. les parois, sols et plafonds ont une résistance au feu d'au moins EI 60 ;
  2. chaque porte d'accÚs dans une paroi intérieure de ce local est à fermeture automatique et a une résistance au feu EI 30.
  § 4. L'accÚs en local ou à la zone de dépÎt de déchets de soins à risque est interdit au public.
  § 5. La capacité du local ou de la zone de dépÎt de déchets de soins est adaptée à la quantité de déchets produite et à la fréquence de collecte.
  § 6. Les conditionnements sont entreposĂ©s de façon Ă  Ă©viter les accidents et Ă  pouvoir ĂȘtre chargĂ©s facilement, rapidement et en toute sĂ©curitĂ©, nĂ©cessitant un minimum de manipulations par le collecteur.
  § 7. En cas de dépÎt à l'extérieur :
  1. les emballages externes rigides sont fermés en permanence ;
  2. la zone est clairement délimitée et non accessible au public ;
  3. la zone est protégée des intempéries.
  § 8. Le stockage de déchets de soins à risque sur la voie publique n'est pas autorisé.
  Sous-section 4. - Collecte
  Art. 4.7.10. Transport interne
  Le transport interne de déchets soins à risque s'effectue au moyen de chariots facilement lavables.
  Art. 4.7.11. Collecte
  § 1er. Les déchets de soins non à risque sont collectés comme des déchets non dangereux non ménagers.
  § 2. Les déchets de soins à risque sont considérés comme des déchets dangereux et sont gérés comme tel.
  § 3. La collecte des déchets de soins à risque a lieu dans un délai qui permet d'éviter toute nuisance pour l'environnement et la santé publique.
  § 4. A l'exception des déchets piquants, coupants, tranchants, les déchets de soins à risque sont traités vingt-quatre heures au plus tard aprÚs leur collecte.
  § 5. Le producteur de déchets de soins à risque peut transporter ses propres déchets conformément à l'article 3.1.1. 1°, pour autant que la quantité de déchets transportée ne dépasse pas 20 kg.
  Sous-section 5. - Traitement et valorisation
  Art. 4.7.12. Dispositions générales
  § 1er. Les déchets de soins à risque sont soit incinérés, soit soumis à un traitement par désinfection conformément à la présente sous-section.
  § 2. Les déchets de soins non à risque et les déchets de soins à risque ayant été soumis à un traitement par désinfection selon les dispositions de la présente sous-section sont soit incinérés, soit valorisés pour autant que cela ne nuise pas à l'environnement, conformément à l'article 17 de l'ordonnance déchets.
  Art.4.7.13 . Valorisation des déchets de soins à risque
  § 1er. Les déchets de soins à risque peuvent faire l'objet d'un traitement par désinfection, à l'exception des déchets :
  a) radioactifs ;
  b) susceptibles de renfermer des prions ;
  c) susceptibles d'endommager les appareils de broyage, ou d'en perturber le processus ;
  d) cytostatiques et cytotoxiques ;
  e) susceptibles de renfermer des agents biologiques de classe de risque 4 selon l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 8 novembre 2001 relatif Ă  l'utilisation confinĂ©e d'organismes gĂ©nĂ©tiquement modifiĂ©s et/ou pathogĂšnes.
  § 2. En application de l'article 13 de l'ordonnance permis d'environnement, l'avis du Service de Biosécurité et Biotechnologie de Sciensano est sollicité au cours de l'instruction des demandes de certificats et de permis d'environnement pour la rubrique 79-B. Cet avis contrÎle le respect des exigences minimales de l'article 4.7.14.
  § 3. Le Service de Biosécurité et Biotechnologie de Sciensano peut demander des informations complémentaires afin d'élaborer son avis.
  § 4. Les déchets de soins à risque ayant subi un traitement par désinfection sont gérés comme des déchets non dangereux autres que ménagers.
  Art. 4.7.14. Installation de traitement par désinfection
  § 1er. L'installation de traitement par désinfection répond au minimum aux exigences suivantes :
  1. l'abattement du nombre de microorganismes, mesuré par la numération de la flore bactérienne aérobie revivifiable, est égal ou supérieur à 5 log10;
  2. le prélÚvement ne contient pas d'indicateurs bactériens spécifiques tels que les entérobactéries, Staphylococcus aureus, Pseudomonas aeruginosa, et d'autres microorganismes indicateurs s'il y lieu;
  3. si la modification de l'apparence des déchets se fait par broyage, au moins 80 % des déchets traités a une granulométrie inférieure à 30 mm.
  § 2. L'installation de traitement par dĂ©sinfection est dotĂ©e de moyens de contrĂŽle en continu du bon dĂ©roulement du processus. Un systĂšme d'alarme signale toute anomalie. En cas d'anomalie et/ou si le rĂ©sultat du traitement par dĂ©sinfection ne peut ĂȘtre garanti, les dĂ©chets sont traitĂ©s comme des dĂ©chets de soins Ă  risque.
  § 3. L'installation de traitement par désinfection ne peut recevoir des déchets de soins à risque que s'ils sont emballés conformément à l'annexe 18.
  § 4. Le traitement par désinfection des déchets de soins à risque a lieu dans un délai qui permet d'éviter toute nuisance pour l'environnement et la santé publique.
  § 5. Un registre de traitement des déchets de soins à risque est tenu à jour et reprend pour chaque cycle de traitement par désinfection :
  1. l'enregistrement des données détaillées concernant les paramÚtres critiques pour la maitrise du traitement;
  2. le compte rendu des problÚmes techniques rencontrés et des réparations éventuellement effectuées.
  Les données sont enregistrées pour chaque cycle et conservées de maniÚre à ce que l'exploitant et l'autorité compétente puisse contrÎler le fonctionnement de l'installation.
  "
Art. 8. Bijlagen
Art. 8. Annexes
Art. 8.1. De volgende bijlagen van hetzelfde besluit worden vervangen:
  a) Bijlage 4 wordt vervangen door bijlage I van huidig besluit;
  b) Bijlage 6 wordt vervangen door bijlage II van huidig besluit;
  c) Bijlage 7 wordt vervangen door bijlage III van huidig besluit;
  d) Bijlage 8 wordt vervangen door bijlage IV van huidig besluit;
  e) Bijlage 9 wordt vervangen door bijlage V van huidig besluit;
  f) De bijlage 16 wordt vervangen door bijlage VI van huidig besluit.
Art. 8.1. Les annexes suivantes du mĂȘme arrĂȘtĂ© sont remplacĂ©es :
  a) L'annexe 4 est remplacĂ©e par l'annexe I du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  b) L'annexe 6 est remplacĂ©e par l'annexe II du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  c) L'annexe 7 est remplacĂ©e par l'annexe III du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  d) L'annexe 8 est remplacĂ©e par l'annexe IV du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  e) L'annexe 9 est remplacĂ©e par l'annexe V du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  f) L'annexe 16 est remplacĂ©e par l'annexe VI du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 8.2. In hetzelfde besluit wordt een bijlage 18 ingevoegd die als bijlage VII is gevoegd bij dit besluit.
Art. 8.2. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© une annexe 18 qui est jointe Ă  l'annexe VII du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 9. Wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, IC, ID, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen
  § 1. De rubrieken nr. 22-3, 41-1 44, 45-1, 45-3, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 62, 79, 106 van de bijlage van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, IC, ID, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen worden respectievelijk door volgende rubrieken vervangen:
Art. 9. Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 4 mars 1999 fixant la liste des installations de classe IB, IC, ID, II et III en exĂ©cution de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement
  § 1. Les rubriques n° 22-3, 41-1 44, 45-1, 45-3, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 62, 79, 106 de l'annexe de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 4 mars 1999 fixant la liste des installations de classe IB, IC, ID, II et III en exĂ©cution de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement sont remplacĂ©es respectivement par les rubriques suivantes :
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-07-2022, p. 60072)
  § 2. De rubriek nr. 67 van de bijlage van hetzelfde besluit wordt geschrapt.
  § 3. Punten 14, 15 en 16 worden toegevoegd na de tabel van de bijlage van hetzelfde besluit:
  (14) Voor de toepassing van rubriek 51 zijn de al dan niet ingegraven bijkomende inzamelpunten van volgende types niet geviseerd: het type glasbollen, textielcontainers, recipiënten voor afgewerkte voedingsolie en -vetten, voor afgedankte batterijen en accu's, voor heel klein AEEA, enz... die dienen om afvalstoffen van huishoudens te ontvangen.
  (15) Voor de toepassing van rubriek 79-B, is de verwerking door desinfectie deze zoals gedefinieerd in artikel 4.7.2, 5° van Brudalex en die de voorwaarden respecteert, vermeld in artikel 4.7.14. van de Brudalex.
  (16) Voor de toepassing van rubriek 62 zijn uitgesloten:
  - grondwaterwinningen waarbij geen motorisch aangedreven pomp wordt gebruikt;
  - grondwaterwinningen nodig voor het uitvoeren van bodemsaneringswerken in de zin van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;
  - grondwateronttrekkingen die worden uitgevoerd met een pomp voor het afvoeren van infiltratiewater in constructies bestaand op 1 april 2019.
  § 4. Punt 8 dat is toegevoegd na de tabel van de bijlage van hetzelfde besluit wordt vervangen door:
  (8) Voor de toepassing van rubriek 106, onder categorie de categorieën verstaan worden in de zin van de Verordening (EG) Nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en de Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009.
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-07-2022, p. 60072)
  § 2. La rubrique n° 67 de l'annexe du mĂȘme arrĂȘtĂ© est supprimĂ©e.
  § 3. Des points 14, 15 et 16 sont ajoutĂ©s Ă  la suite du tableau de l'annexe du mĂȘme arrĂȘtĂ© :
  (14) Dans le cadre de l'application de la rubrique 51, les points de collecte complémentaires enterrés ou non de type bulles à verre, bulles à textiles, récipients d'huiles et graisses alimentaires, de déches de piles et accumulateurs, de DEEE de trÚs petites dimensions, etc, ... destinés à accueillir les déchets des ménages ne sont pas visés.
  (15) Dans le cadre de l'application de la rubrique 79-B, le traitement par désinfection est celui qui est défini à l'article 4.7.2, 5° du Brudalex et qui respecte les conditions énoncées à l'article 4.7.14. du Brudalex.
  (16) Dans le cadre de l'application de la rubrique 62, sont exclus :
  - les captages d'eau souterraine réalisés exclusivement sans l'intervention d'une pompe à moteur
  - les captages d'eau souterraine nécessaires à la réalisation des travaux d'assainissement du sol au sens de l'ordonnance du 5 mars 2009 relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués ;
  - les pompages à l'aide d'une pompe " vide-caves " destinés à évacuer les eaux d'infiltration dans les constructions existantes au 1er avril 2019.
  § 4. Le point 8 qui est ajoutĂ© Ă  la suite du tableau de l'annexe du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par :
  (8) Dans le cadre de l'application de la rubrique 106, il faut entendre par catégorie, les catégories au sens du RÚglement (CE) N° 1069/2009 du Parlement Européen et du Conseil du 21 octobre 2009 établissant des rÚgles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et du RÚglement (UE) N° 142/2011 de la Commission du 25 février 2011 portant application du RÚglement (CE) N° 1069/2009.
Art. 10. Wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 april 2019 tot verplichting van het inwinnen van het advies van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp voor bepaalde ingedeelde inrichtingen
  De rubrieken nr. 41.1.B, nr. 44, nr 45.1.B, nr 45.3, nr. 46, nr. 47, nr. 48, nr. 49, nr. 50 en nr. 79 in de bijlage I bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 april 2019 tot verplichting van het inwinnen van het advies van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp voor bepaalde ingedeelde inrichtingen worden respectievelijk vervangen door volgende rubrieken:
Art. 10. Modification de l'ArrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 4 avril 2019 imposant l'avis du Service d'Incendie et d'Aide MĂ©dicale Urgente de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale pour certaines installations classĂ©es
  Les rubriques n° 41.1.B, n° 44, n° 45.1.B, n° 45.3, n° 46, n° 47, n° 48, n° 49, n° 50 en nr. 79 de l'annexe I de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 4 avril 2019 imposant l'avis du Service Incendie et d'Aide MĂ©dicale Urgente en RĂ©gion de Bruxelles-Capitale pour certaines installations classĂ©es sont remplacĂ©es respectivement par les rubriques suivantes :
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-07-2022, p. 60075)
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-07-2022, p. 60075)
Art. 11. Wijziging van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 17 december 2009 tot vaststelling van de lijst van de risicoactiviteiten
  De rubrieken nr. 22.3, nr. 45.1.B, nr. 45.3, nr. 46, nr. 47 en nr. 51 van de bijlage bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 17 december 2009 tot vaststelling van de lijst van de risicoactiviteiten worden respectievelijk vervangen door volgende rubrieken:
Art. 11. Modification de l'arrĂȘtĂ© du 17 dĂ©cembre 2009 du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale fixant la liste des activitĂ©s Ă  risque
  Les rubriques n° 22.3, n° 45.1.B, n° 45.3, n° 46, n° 47 et n° 51 de l'annexe de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 17 dĂ©cembre 2009 fixant la liste des activitĂ©s Ă  risque sont remplacĂ©es respectivement par les rubriques suivantes :
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-07-2022, p. 60076)
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-07-2022, p. 60076)
  (NOTA : zie ook ERR. van 15-12-2022, p. 97327)
  (NOTE : voir aussi ERR du 15-12-2022, p. 97327)
Art. 12. Treedt in werking, het artikel 39 van de ordonnantie van 6 mei 2021 houdende wijziging van de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen, van het Wetboek van 25 maart 1999 van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid, van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, van het koninklijk besluit van 8 november 2007 betreffende de preventie en het herstel van milieuschade ten gevolge van het vervoer over de weg, per spoor, over de binnenwateren of in de lucht van: uitheemse plantensoorten evenals van uitheemse diersoorten en hun krengen, naar aanleiding van de in-, de uit- en de doorvoer ervan; alsook van afvalstoffen bij hun doorvoer en van de ordonnantie van 22 april 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IA bedoeld in artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
Art. 12. Entre en vigueur, l'article 39 de Ordonnance du 6 mai 2021 portant modification de l'ordonnance du 14 juin 2012 relative aux dĂ©chets, du Code du 25 mars 1999 de l'inspection, la prĂ©vention, la constatation et la rĂ©pression des infractions en matiĂšre d'environnement et de la responsabilitĂ© environnementale, de l'ordonnance du 5 mars 2009 relative Ă  la gestion et Ă  l'assainissement des sols polluĂ©s, de l'arrĂȘtĂ© royal du 8 novembre 2007 concernant la prĂ©vention et la rĂ©paration des dommages environnementaux dus au transport par la route, la voie ferrĂ©e, par voie navigable ou par les airs : d'espĂšces vĂ©gĂ©tales non indigĂšnes et d'espĂšces animales non indigĂšnes, ainsi que les dĂ©pouilles de ces derniers suite Ă  leur import, export et transit ; ainsi que de dĂ©chets lors de leur transit et de l'ordonnance du 22 avril 1999 fixant la liste des installations de classe IA visĂ©e Ă  l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
Art. 13. Opheffingsbepalingen
  Worden opgeheven:
  - het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 maart 1994 betreffende het beheer van afvalstoffen afkomstig van activiteiten in de gezondheidszorg;
  - het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 28 november 2002 betreffende de verwijdering van dierlijk afval en betreffende de inrichtingen voor de verwerking van dierlijk afval.
Art. 13. Dispositions abrogatoires
  Sont abrogés :
  - l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 23 mars 1994 relatif Ă  la gestion des dĂ©chets rĂ©sultant d'activitĂ©s de soins de santĂ© ;
  - l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 28 novembre 2002 relatif Ă  l'Ă©limination des dĂ©chets animaux et aux installations de transformation de dĂ©chets animaux.
Art. 14. Overgangsbepalingen
  § 1. De persoon die geregistreerd is als vervoerder of ophaler van dierlijk afval volgens de bepalingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 november 2002 betreffende de verwijdering van dierlijk afval en betreffende de inrichtingen voor de verwerking van dierlijk afval is respectievelijk van rechtswege geregistreerd als vervoerder van dierlijke bijproducten of als inzamelaar, handelaar en makelaar van dierlijke bijproducten. Wanneer hij van rechtswege geregistreerd is als inzamelaar, handelaar en makelaar van dierlijke bijproducten, beschikt hij vanaf de inwerkingtreding van onderhavig besluit over een termijn van een jaar om zich in orde te stellen met artikels 3.3.2. en 3.3.3. van de Brudalex.
  § 2. De uitbating die geregistreerd is als een inrichting voor groeperen of verwerken van dierlijk afval volgens de bepalingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 november 2002 betreffende de verwijdering van dierlijk afval en betreffende de inrichtingen voor de verwerking van dierlijk afval is respectievelijk van rechtswege erkend als inrichting voor de opslag van dierlijke bijproducten of voor de verwerking van dierlijke bijproducten. Hij maakt aan Leefmilieu Brussel het formulier van bijlage 9 van de Brudalex over binnen een termijn van een jaar vanaf de inwerkingtreding van onderhavig besluit.
  § 3. Het nieuwe artikel 4.6.3. van de Brudalex ingevoegd door artikel 6 van dit besluit is niet van toepassing op overheidsopdrachten waarvan de sluiting plaatsvond voor de inwerkingtreding van dit besluit.
  § 4. De uitbatingsvoorwaarden tegenstrijdig aan artikel 2 en opgenomen in de milieuvergunningen voor de rubriek 41-1A of 41-1B blijven van toepassing. Dit geldt daarentegen niet voor de bepalingen met betrekking tot de staalname en de analyse.
Art. 14. Dispositions transitoires
  § 1. La personne enregistrĂ©e en tant que transporteur ou collecteur de dĂ©chets animaux conformĂ©ment aux dispositions de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 28 novembre 2002 relatif Ă  l'Ă©limination des dĂ©chets animaux et aux installations de transformation de dĂ©chets animaux est respectivement enregistrĂ©e de plein droit en tant que transporteur de sous-produits animaux ou collecteur, nĂ©gociant et courtier de sous-produits animaux. Lorsqu'elle est enregistrĂ©e de plein droit en tant que collecteur, nĂ©gociant et courtier de sous-produits animaux, elle dispose d'un dĂ©lai d'un an pour se conformer aux articles 3.3.2 et 3.3.3 du Brudalex Ă  partir de l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  § 2. L'exploitation enregistrĂ©e en tant qu'Ă©tablissement de regroupement ou traitement de dĂ©chets animaux conformĂ©ment aux dispositions de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 28 novembre 2002 relatif Ă  l'Ă©limination des dĂ©chets animaux et aux installations de transformation de dĂ©chets animaux est respectivement agréée de plein droit en tant qu'Ă©tablissement pour l'entreposage de sous-produits animaux ou pour la transformation de sous-produits animaux. Elle transmet Ă  Bruxelles Environnement le formulaire de l'annexe 9 du Brudalex dans un dĂ©lai d'un an Ă  partir de l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  § 3. Le nouvel article 4.6.3. du Brudalex insĂ©rĂ© par l'article 6 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© n'est pas applicable aux marchĂ©s publics dont la conclusion a eu lieu avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  § 4. Les conditions d'exploiter contraires à l'article 2 et reprises dans les permis d'environnement autorisant la rubrique 41-1A ou 41-1B restent d'application. Cependant, cela ne vaut pas pour les impositions relatives à l'échantillonnage et l'analyse.
Art. 15. Inwerkingtreding
  § 1. Huidig besluit treedt in werking 10 dagen na zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 zijn de regelingen inzake de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die zijn ingevoerd voor de stromen bedoeld in 7° tot 10° van artikel 2.1.1., § 3 van het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 1 december 2016 betreffende het beheer van afvalstoffen, ingevoegd door artikel 1.10. van huidig besluit, van toepassing op een door de Regering vastgestelde datum en ten laatste vanaf 5 januari 2023.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1, treedt het nieuwe artikel 3.7.1. § 1, 4° b) en 8° tot 13° van het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 1 december 2016 betreffende het beheer van afvalstoffen, ingevoegd door artikel 1.29 van huidig besluit, in werking op 1 mei 2023 en treedt het nieuwe artikel 3.7.1. § 1, 7° van het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 1 december 2016 betreffende het beheer van afvalstoffen ingevoegd door artikel 1.29 van huidig besluit, in werking op 1 januari 2025.
  § 4. In afwijking van paragraaf 1, treedt artikel 2 van huidig besluit in werking :
  - 1 jaar na de datum van publicatie wat betreft de bepalingen met betrekking tot de bestaande wijkcomposteerinrichtingen en bestaande bedrijfscomposteringen;
  - 1 jaar na de datum van publicatie wat betreft de bepalingen met betrekking tot de controle en de opvolging van het composteren, tot de samenstelling van de compost, tot de staalname en de analyse, evenals de einde afvalfase in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en tot het gebruik van de compost.
Art. 15. Entrée en vigueur
  § 1er. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur 10 jours aprĂšs sa publication au Moniteur belge.
  § 2. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, les rĂ©gimes de responsabilitĂ© Ă©largie du producteur instaurĂ©s pour les flux visĂ©s aux 7° Ă  10° de l'article 2.1.1., § 3, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 1ier dĂ©cembre 2016 relatif Ă  la gestion des dĂ©chets, insĂ©rĂ©s par l'article 1.10. du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, sont d'application Ă  une date fixĂ©e par le Gouvernement et au plus tard Ă  partir du 5 janvier 2023.
  § 3. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, le nouvel article 3.7.1. § 1er, 4° b) et 8° Ă  13°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 1er dĂ©cembre 2016 relatif Ă  la gestion des dĂ©chets, insĂ©rĂ© par l'article 1.29 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, entre en vigueur le 1er mai 2023 et le nouvel article 3.7.1. § 1er, 7° de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 1er dĂ©cembre 2016 relatif Ă  la gestion des dĂ©chets, insĂ©rĂ© par l'article 1. 29 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, entre en vigueur le 1er janvier 2025.
  § 4. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, l'article 2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur :
  - 1 an aprÚs la date de publication pour ce qui concerne les dispositions relatives aux installations de compostage de quartier existantes et aux installations de compostage en entreprise existantes ;
  - 1 an aprÚs la date de publication pour les dispositions relatives au contrÎle et suivi du compostage, à la composition du compost, à l'échantillonnage et l'analyse ainsi qu'à la fin de statut de déchet en Région de Bruxelles-Capitale et à l'utilisation du compost.
Art. 16. Uitvoeringsbepaling
  De Minister bevoegd voor het Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 16. Article exécutoire
  Le Ministre qui a l'Environnement dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1.   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-07-2022, p. 60079)
Art. N1.   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-07-2022, p. 60089)
Art. N2.   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-07-2022, p. 60081)
Art. N2.   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-07-2022, p. 60091)
Art. N3.   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-07-2022, p. 60082)
Art. N3.   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-07-2022, p. 60092)
Art. N4.   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-07-2022, p. 60083)
Art. N4.   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-07-2022, p. 60093)
Art. N5.   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-07-2022, p. 60085)
Art. N5.   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-07-2022, p. 60095)
Art. N6.   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-07-2022, p. 60087)
Art. N6.   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-07-2022, p. 60097)
Art. N7.   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-07-2022, p. 60088)
Art. N7.   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-07-2022, p. 60098)