Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
1 JULI 2021. - Besluit van de Regering tot wijziging van het reglementaire deel van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling
Titre
1 JUILLET 2021. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement modifiant la partie rĂšglementaire du Code du dĂ©veloppement territorial
Documentinformatie
Info du document
Tekst (27)
Texte (27)
Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie.
Article 1er. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© transpose partiellement la directive (UE) 2018/1972 du Parlement europĂ©en et du Conseil du 11 dĂ©cembre 2018 Ă©tablissant le code des communications Ă©lectroniques europĂ©en.
Art. 2. In artikel R.II.23-1 van het reglementaire deel van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling wordt het woord "eigendom" vervangen door het woord "goed".
Art. 2. Dans l'article R.II.23-1 de la partie rÚglementaire du Code du développement territorial, le mot " propriété " est remplacé par le mot " bien ".
Art. 3. [Geldt alleen voor de Duitse tekst.]
Art. 3. (Concerne le texte allemand.)
Art. 4. In artikel R.II.36-5 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 3° worden de woorden "een deel" vervangen door de woorden "minstens een derde";
  2° er wordt een bepaling onder 6° ingevoegd, luidende:
  "6° het wateroppervlak ligt door boombeplanting gedeeltelijk in de schaduw."
  1° in de bepaling onder 3° worden de woorden "een deel" vervangen door de woorden "minstens een derde";
  2° er wordt een bepaling onder 6° ingevoegd, luidende:
  "6° het wateroppervlak ligt door boombeplanting gedeeltelijk in de schaduw."
Art. 4. A l'article R.II.36-5 du mĂȘme Code, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le 3°, le mot " une partie " est remplacé par les mots " au moins un tiers ";
  2° l'article est complété par un 6° rédigé comme suit :
  " 6° le plan d'eau est en partie ombragé par la plantation d'arbres. "
  1° dans le 3°, le mot " une partie " est remplacé par les mots " au moins un tiers ";
  2° l'article est complété par un 6° rédigé comme suit :
  " 6° le plan d'eau est en partie ombragé par la plantation d'arbres. "
Art. 5. In artikel R.II.36-9, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 1° wordt het woord "eigendom" vervangen door het woord "goed";
  2° in de bepaling onder 3° worden de woorden "mat zadeldak" vervangen door de woorden "mat lessenaarsdak of zadeldak".
  1° in de bepaling onder 1° wordt het woord "eigendom" vervangen door het woord "goed";
  2° in de bepaling onder 3° worden de woorden "mat zadeldak" vervangen door de woorden "mat lessenaarsdak of zadeldak".
Art. 5. A l'article R.II.36-9, alinĂ©a 1er, du mĂȘme Code, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le 1°, le mot " propriété " est remplacé par le mot " bien ";
  2° (concerne le texte allemand).
  1° dans le 1°, le mot " propriété " est remplacé par le mot " bien ";
  2° (concerne le texte allemand).
Art. 6. In artikel R.II.36-11 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt het woord "eigendom" vervangen door het woord "goed";
  2° in het tweede lid wordt het woord "eigendom" vervangen door het woord "goed";
  3° in het derde lid, 2°, wordt het woord "toegangsweg" vervangen door het woord "openbare toegangsweg".
  1° in het eerste lid wordt het woord "eigendom" vervangen door het woord "goed";
  2° in het tweede lid wordt het woord "eigendom" vervangen door het woord "goed";
  3° in het derde lid, 2°, wordt het woord "toegangsweg" vervangen door het woord "openbare toegangsweg".
Art. 6. A l'article R.II.36-11 du mĂȘme Code, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans l'alinéa 1er, le mot " propriété " est remplacé par le mot " bien ";
  2° dans l'alinéa 2, le mot " propriété " est remplacé par le mot " bien ";
  3° (concerne le texte allemand).
  1° dans l'alinéa 1er, le mot " propriété " est remplacé par le mot " bien ";
  2° dans l'alinéa 2, le mot " propriété " est remplacé par le mot " bien ";
  3° (concerne le texte allemand).
Art. 7. § 1 - In artikel R.IV.1-1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het besluit van de Waalse Regering van 9 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een bepaling onder 2.1 ingevoegd, luidende:
  "2.1 gebouw: zelfstandig bruikbaar, overdekt bouwwerk dat door mensen kan worden betreden en dat geschikt of bestemd is om mensen, dieren of zaken te beschermen;"
  2° in de bepaling onder 4° worden de woorden ", ter verfraaiing" opgeheven;
  3° in de bepaling onder 7° wordt het woord "eigendom" vervangen door het woord "goed";
  4° in de bepaling onder 11° worden de woorden "in elkaars nabijheid" vervangen door de woorden "in elkaars werkelijke nabijheid, zonder daarom aan elkaar te grenzen";
  5° in de bepaling onder 12° wordt het woord "eigendom" vervangen door het woord "goed";
  6° in de bepaling onder 13° wordt het woord "secundair volume" telkens vervangen door het woord "aanbouwvolume";
  7° er wordt een bepaling onder 14° ingevoegd, luidende:
  "14° zwemvijver: een om te zwemmen of te baden kunstmatig aangelegd stilstaand watervlak met beplantingen, waarvan het water biologisch en niet-chemisch gereinigd wordt;"
  8° er wordt een bepaling onder 15° ingevoegd, luidende:
  "15° graveltuin: een tuinstrook die zich niet beperkt tot een weg en die bedekt is met stenen zoals steenslag, split, grind, geëxpandeerde klei van ongeacht welke afmeting, oorsprong, kleur of vorm, waarbij de stenen het belangrijkste vormgevingsmiddel of bodembedekkingsmiddel zijn en planten niet of slechts in gering aantal voorkomen;"
  9° er wordt een bepaling onder 16° ingevoegd, luidende:
  "16° bouwwerk: een door mensen opgerichte constructie die met de ondergrond verbonden is en slechts moeilijk daarvan los te maken is of die op zijn minst op de ondergrond steunt."
  10° er wordt een bepaling onder 17° ingevoegd, luidende:
  "17° draadloos toegangspunt met klein bereik: draadloze netwerktoegangsapparatuur met laag vermogen van kleine omvang die binnen een klein bereik werkt, die gebruikmaakt van radiospectrum en aan de gebruikers toegang tot elektronischecommunicatienetwerken in de zin van artikel 4, 43°, van het decreet van 1 maart 2021 betreffende de mediadiensten en de filmvoorstellingen verleent, ongeacht of de onderliggende netwerktopologie mobiel dan wel vast is, die deel uitmaakt van een elektronisch communicatienetwerk en uitgerust is met een of meerdere antennes met lage visuele impact. Een draadloos toegangspunt met klein bereik bestaat uit verschillende operationele onderdelen, zoals een signaalverwerkingseenheid, een radiofrequentie-eenheid, een antennesysteem, kabelverbindingen en een behuizing."
  § 2 - De tabel van hetzelfde artikel, vervangen bij het besluit van de Waalse Regering van 9 mei 2019 en gewijzigd bij het besluit van de Regering van 18 juni 2020, wordt vervangen als volgt:
  1° er wordt een bepaling onder 2.1 ingevoegd, luidende:
  "2.1 gebouw: zelfstandig bruikbaar, overdekt bouwwerk dat door mensen kan worden betreden en dat geschikt of bestemd is om mensen, dieren of zaken te beschermen;"
  2° in de bepaling onder 4° worden de woorden ", ter verfraaiing" opgeheven;
  3° in de bepaling onder 7° wordt het woord "eigendom" vervangen door het woord "goed";
  4° in de bepaling onder 11° worden de woorden "in elkaars nabijheid" vervangen door de woorden "in elkaars werkelijke nabijheid, zonder daarom aan elkaar te grenzen";
  5° in de bepaling onder 12° wordt het woord "eigendom" vervangen door het woord "goed";
  6° in de bepaling onder 13° wordt het woord "secundair volume" telkens vervangen door het woord "aanbouwvolume";
  7° er wordt een bepaling onder 14° ingevoegd, luidende:
  "14° zwemvijver: een om te zwemmen of te baden kunstmatig aangelegd stilstaand watervlak met beplantingen, waarvan het water biologisch en niet-chemisch gereinigd wordt;"
  8° er wordt een bepaling onder 15° ingevoegd, luidende:
  "15° graveltuin: een tuinstrook die zich niet beperkt tot een weg en die bedekt is met stenen zoals steenslag, split, grind, geëxpandeerde klei van ongeacht welke afmeting, oorsprong, kleur of vorm, waarbij de stenen het belangrijkste vormgevingsmiddel of bodembedekkingsmiddel zijn en planten niet of slechts in gering aantal voorkomen;"
  9° er wordt een bepaling onder 16° ingevoegd, luidende:
  "16° bouwwerk: een door mensen opgerichte constructie die met de ondergrond verbonden is en slechts moeilijk daarvan los te maken is of die op zijn minst op de ondergrond steunt."
  10° er wordt een bepaling onder 17° ingevoegd, luidende:
  "17° draadloos toegangspunt met klein bereik: draadloze netwerktoegangsapparatuur met laag vermogen van kleine omvang die binnen een klein bereik werkt, die gebruikmaakt van radiospectrum en aan de gebruikers toegang tot elektronischecommunicatienetwerken in de zin van artikel 4, 43°, van het decreet van 1 maart 2021 betreffende de mediadiensten en de filmvoorstellingen verleent, ongeacht of de onderliggende netwerktopologie mobiel dan wel vast is, die deel uitmaakt van een elektronisch communicatienetwerk en uitgerust is met een of meerdere antennes met lage visuele impact. Een draadloos toegangspunt met klein bereik bestaat uit verschillende operationele onderdelen, zoals een signaalverwerkingseenheid, een radiofrequentie-eenheid, een antennesysteem, kabelverbindingen en een behuizing."
  § 2 - De tabel van hetzelfde artikel, vervangen bij het besluit van de Waalse Regering van 9 mei 2019 en gewijzigd bij het besluit van de Regering van 18 juni 2020, wordt vervangen als volgt:
Art. 7. § 1er - A l'article R.IV.1-1, alinĂ©a 4, du mĂȘme Code, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 9 mai 2019, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° l'alinéa est complété par un 2.1 rédigé comme suit :
  " 2.1 bùtiment : construction autonome couverte accessible aux humains et appropriée ou destinée à protéger des humains, des animaux ou des objets; ";
  2° dans le 4°, les mots " à vocation d'agrément " sont abrogés;
  3° dans le 7°, le mot " propriété " est remplacé par le mot " bien ";
  4° dans le 11°, le mot " rĂ©ellement " est insĂ©rĂ© entre le mot " situĂ©s " et les mots " Ă proximitĂ© " et les mots " , sans ĂȘtre nĂ©cessairement contigus, " sont insĂ©rĂ©s entre le mot " autre " et le mot " et ";
  5° dans le 12°, les mots " volume annexe " sont remplacĂ©s par les mots " volume secondaire " et les mots " la mĂȘme propriĂ©tĂ© " par les mots " le mĂȘme bien ";
  6° dans le 13°, les mots " volume secondaire " sont chaque fois remplacés par les mots " volume annexe ";
  7° l'alinéa est complété par un 14° rédigé comme suit :
  " 14° étang de baignade : une retenue d'eau aménagée artificiellement pour la nage ou la baignade, avec des plantations et dont l'eau est purifiée naturellement et non chimiquement; "
  8° l'alinéa est complété par un 15° rédigé comme suit :
  " 15° rocaille : une surface du jardin non limitĂ©e Ă un sentier et recouverte de pierres, telles que des rochers, des gravillons, du gravier, de l'argile expansĂ©e, de n'importe quel diamĂštre, oĂč les pierres constituent l'Ă©lĂ©ment principal en termes d'organisation et de recouvrement du sol et oĂč les plantes sont peu ou pas prĂ©sentes; "
  9° l'alinéa est complété par un 16° rédigé comme suit :
  " 16° bùtiment : une construction érigée par l'homme qui est difficilement dissociable du sous-sol ou qui se trouve du moins en contact avec celui-ci. "
  10° l'alinéa est complété par un 17° rédigé comme suit :
  " 17° point d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e : une petite installation de faible puissance et Ă portĂ©e limitĂ©e destinĂ©e Ă l'accĂšs au rĂ©seau sans fil qui utilise les radiofrĂ©quences et qui permet Ă l'utilisateur un accĂšs sans fil, indĂ©pendant de la topologie des rĂ©seaux fixes ou mobiles, aux rĂ©seaux publics de communication au sens de l'article 4, 43°, du dĂ©cret du 1er mars 2021 relatif aux services de mĂ©dias et aux reprĂ©sentations cinĂ©matographiques, utilisĂ©e comme une partie d'un rĂ©seau de communications Ă©lectroniques et pouvant ĂȘtre Ă©quipĂ©e d'une ou de plusieurs antennes qui ont une incidence visuelle minimale. Un point d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e comprend diffĂ©rents Ă©lĂ©ments opĂ©rationnels, tels qu'une unitĂ© de traitement du signal, une unitĂ© de radiofrĂ©quence, un systĂšme d'antenne, des connexions cĂąblĂ©es et un boitier.
  § 2 - Le tableau du mĂȘme article, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 9 mai 2019 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement du 18 juin 2020, est remplacĂ© par ce qui suit :
  1° l'alinéa est complété par un 2.1 rédigé comme suit :
  " 2.1 bùtiment : construction autonome couverte accessible aux humains et appropriée ou destinée à protéger des humains, des animaux ou des objets; ";
  2° dans le 4°, les mots " à vocation d'agrément " sont abrogés;
  3° dans le 7°, le mot " propriété " est remplacé par le mot " bien ";
  4° dans le 11°, le mot " rĂ©ellement " est insĂ©rĂ© entre le mot " situĂ©s " et les mots " Ă proximitĂ© " et les mots " , sans ĂȘtre nĂ©cessairement contigus, " sont insĂ©rĂ©s entre le mot " autre " et le mot " et ";
  5° dans le 12°, les mots " volume annexe " sont remplacĂ©s par les mots " volume secondaire " et les mots " la mĂȘme propriĂ©tĂ© " par les mots " le mĂȘme bien ";
  6° dans le 13°, les mots " volume secondaire " sont chaque fois remplacés par les mots " volume annexe ";
  7° l'alinéa est complété par un 14° rédigé comme suit :
  " 14° étang de baignade : une retenue d'eau aménagée artificiellement pour la nage ou la baignade, avec des plantations et dont l'eau est purifiée naturellement et non chimiquement; "
  8° l'alinéa est complété par un 15° rédigé comme suit :
  " 15° rocaille : une surface du jardin non limitĂ©e Ă un sentier et recouverte de pierres, telles que des rochers, des gravillons, du gravier, de l'argile expansĂ©e, de n'importe quel diamĂštre, oĂč les pierres constituent l'Ă©lĂ©ment principal en termes d'organisation et de recouvrement du sol et oĂč les plantes sont peu ou pas prĂ©sentes; "
  9° l'alinéa est complété par un 16° rédigé comme suit :
  " 16° bùtiment : une construction érigée par l'homme qui est difficilement dissociable du sous-sol ou qui se trouve du moins en contact avec celui-ci. "
  10° l'alinéa est complété par un 17° rédigé comme suit :
  " 17° point d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e : une petite installation de faible puissance et Ă portĂ©e limitĂ©e destinĂ©e Ă l'accĂšs au rĂ©seau sans fil qui utilise les radiofrĂ©quences et qui permet Ă l'utilisateur un accĂšs sans fil, indĂ©pendant de la topologie des rĂ©seaux fixes ou mobiles, aux rĂ©seaux publics de communication au sens de l'article 4, 43°, du dĂ©cret du 1er mars 2021 relatif aux services de mĂ©dias et aux reprĂ©sentations cinĂ©matographiques, utilisĂ©e comme une partie d'un rĂ©seau de communications Ă©lectroniques et pouvant ĂȘtre Ă©quipĂ©e d'une ou de plusieurs antennes qui ont une incidence visuelle minimale. Un point d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e comprend diffĂ©rents Ă©lĂ©ments opĂ©rationnels, tels qu'une unitĂ© de traitement du signal, une unitĂ© de radiofrĂ©quence, un systĂšme d'antenne, des connexions cĂąblĂ©es et un boitier.
  § 2 - Le tableau du mĂȘme article, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 9 mai 2019 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement du 18 juin 2020, est remplacĂ© par ce qui suit :
| Â | Handelingen/werken/ installaties | Â | Omschrijving/eigenschappen | Vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning | Met een geringe impact | Verplichte tussenkomst van een architect niet vereist |
| A | Wijziging van de bouwschil van een gebouw (isolatie, opgaande muren, dak, openingen) | 1 | De plaatsing van de materialen voor de bekleding van de opgaande muren en de bedekking van de daken vormen de bouwschil van het gebouw of de vervanging ervan door andere materialen om de vigerende energienormen onder de volgende voorwaarden te bereiken: a) de materialen hebben hetzelfde buitenaanzicht; b) de bijkomende laag bedraagt niet meer dan 0,30 m c) indien het goed valt onder de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende de beschermde gebieden van sommige gemeenten inzake stedenbouw of betreffende de gebouwen in landelijk gebied, of de artikelen R.II.36-6 à R.II.36-9, D.II.37, § 4, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 à R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, stemmen de kleuren en materialen overeen met de betrokken aanduidingen en voorschriften. | x |  | x |
  |  | 2 | De plaatsing van fotovoltaïsche dakbedekkingsmaterialen of de vervanging van fotovoltaïsche of niet-fotovoltaïsche dakbedekkingsmaterialen door fotovoltaïsche dakbedekkingsmaterialen, op voorwaarde dat, wanneer het onroerend goed onderworpen is aan de artikelen R.II.36-6 tot R.II.36-9, R.II.37-3, R.II.37-4 en R.II.37-7 tot R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, de kleuren in overeenstemming zijn met de betrokken aanduidingen en voorschriften. | x |  | x |
  |  | 3 | Beplanting van één of meer gevels die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg of van één of meer groendakken op een bestaand gebouw of een bestaande installatie. | x |  | x |
  |  | 4 | Het schilderen, bepleisteren, zandstralen of opnieuw voegen van een bestaand bouwwerk dat een wijziging van het bouwvolume of de architectuur als gevolg heeft. |  | x | x |
  |  | 5 | De plaatsing of vervanging van materialen voor gevelbekledingen en dakbedekkingen door materialen voor bekledingen die niet voldoen aan de in de punten 1 tot en met 3 genoemde voorwaarden. |  | x | x |
  |  | 6 | De vervanging van deuren of ramen in de opgaande muren of in de daken door deuren of ramen met als doel het bereiken van de vigerende energienormen. | x |  | x |
  |  | 7 | Het sluiten, het maken of het wijzigen van openingen die zich bevinden in het dakvlak op maximum één verdieping en met in het totaal maximum één kwart van de lengte van de overeenstemmende gevel of het overeenstemmende dakvlak; het sluiten of wijzigen dient uitgevoerd te worden met hetzelfde materieel als dat van het dak. | x |  | x |
  |  | 8 | Het sluiten, openen of wijzigen van deuren of openingen in de opgaande muren met in het totaal maximum één kwart van de lengte van de overeenstemmende opgaande muur voor zover: a) Het sluiten, openen of wijzigen niet uitgevoerd wordt in een opgaande muur gelegen op de rooilijn en/of waarvan het plan gericht is op de verbindingsweg van het betrokken hoofdgebouw; b) het sluiten of het wijzigen gebeuren met dezelfde bekledingsmaterialen als die voor de opgaande muur; c) elke opening of wijziging afzonderlijk op maximum één verdieping wordt uitgevoerd; d) als het goed valt onder een gewestelijk of gemeentelijke handleiding voor stedenbouw stemmen de handelingen en werken met de handeling overeen. | x |  | x |
  |  | 9 | Het sluiten, openen of wijzigen van deuren en ramen die in totaal (alle openingen op hetzelfde niveau) niet meer dan een vierde van de lengte van de desbetreffende gevel of het desbetreffende dakvlak bedragen en die de in de punt 7 en 8 bedoelde voorwaarden niet vervullen. |  | x | x |
  |  | 10 | De installatie of vervanging van schoorstenen of schoorsteenkanalen, regengoten of regenpijpen, afvoersystemen voor installaties zoals afzuigkappen en verwarmingsketels, op voorwaarde dat, wanneer het goed onderworpen is aan de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw die betrekking hebben op de beschermde gebieden van bepaalde gemeenten op het gebied van stedenbouw of op gebouwen in landelijk gebied, de handelingen en werkzaamheden in overeenstemming zijn met deze handleiding. | x |  | x |
  |  | 11 | De plaatsing of vervanging van de in punt 10 genoemde elementen die niet aan de voorwaarden voldoen. |  | x | x |
  |  | 12 | De afbraak of het weghalen van de in de punten 10 en 11 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
| B | Verbouwing van een bestaand gebouw | 1 | De vervanging van de dragende structuur van een dak zonder wijziging van het gebouwde volume en voor zover de punten A1 en A7 worden gerespecteerd. | x | Â | x |
  |  | 2 | De verbouwing zonder vergroting van een bestaand gebouw met het oog op de creatie van meerdere ruimten die niet bestemd zijn voor bewoning, voor zover de handelingen en werken, in voorkomend geval, vermeld worden in de punten A1, A2, A3, A6, A7, A8 en A10. | x |  | x |
  |  | 3 | De verbouwing zonder vergroting van een bestaand, niet in de punten 1 en 2 bedoeld gebouw, die geen gevolgen heeft voor de dragende structuur van het gebouw. |  | x | x |
  |  | 4 | Verbouwing met vergroting van een bestaand gebouw overeenkomstig de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of overeenkomstig de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw om een ruimte in te richten die niet bestemd is voor bewoning, voor zover volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn: a) slechts één aanbouwvolume per goed en er is niet meer dan één veranda op het goed; b) de grondoppervlakte van de uitbreiding bedraagt hoogstens 40,00 m2 en is: i) ofwel een aanbouwvolume zonder verdieping en kelder; ii) ofwel de verlenging van het hoofdvolume en het zo gevormde geheel heeft geen verdieping en geen kelder; c) de uitbreiding wordt uitgevoerd met materialen in soortgelijke kleurtonen als die van het bestaande gebouw; d) de uitbreiding bevindt zich minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grenzen. | x |  | x |
  |  | 5 | De verbouwing van een bestaand gebouw dat voldoet aan de cumulatieve voorwaarden opgenomen in punt 4 en dat niet overeenstemt met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. |  |  | x |
  |  | 6 | Het plaatsen van een buitentrap |  | x | x |
  |  | 7 | Het plaatsen/opstellen van een ventilatiesysteem of airconditioningsysteem. |  | x | x |
  |  | 8 | De verbouwing van een ander bestaand gebouw dan dat bedoeld in punt 1 tot 7 voor zover de grondinneming van het gevormde geheel maximum verdubbeld wordt en de hoogte van de druiplijst en/of de hoogte van de dakopstand van het bestaande gebouw niet overschreden wordt. |  | x |  |
  |  | 9 | De afbraak of verwijdering van een aanbouwvolume, een buitentrap of een airconditioningsinstallatie voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
| C | Veranda | 1 | Overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. Slechts één per goed en er is niet meer dan één aanbouwvolume op het goed. Gelegen : leunt tegen een bestaand gebouw, aan de achterkant van dat gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg. Ligging : op minstens 2,00 meter van de gemeenschappelijke grens. Maximale oppervlakte van 40,00 m2. Volumetrie: zonder verdieping, plat dak of hellend dak met één of meer hellende vlakken Maximale hoogten berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau en voor zover het dakgootniveau kleiner is dan het dakgootniveau van het hoofdvolume onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) druiplijst: 3,00 m; b) nokhoogte: 5,00 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen : lichte structuur en wanden hoofdzakelijk van glas of van polycarbonaat zowel in de opgaande muren als in de daken | x |  | x |
  |  | 2 | De bouw van een veranda met een maximale oppervlakte van 40,00 m2 die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervult |  | x | x |
  |  | 3 | De afbraak van een veranda voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
| D | Creatie van één of meerdere woningen | 1 | De creatie van een woning in een gebouw voor zover de verbouwingshandelingen en -werken de verplichte tussenkomst van een architect niet vereisen. |  | x | x |
  |  | 2 | De creatie van een woning die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervult, of de creatie van meerdere woningen in een gebouw. |  | x |  |
| E | Plaatsing van technische installaties en bouw of heropbouw van een bijgebouw zoals: * garage, * atelier, * poolhouse, * opslagplattform * geprefabriceerde gebouwen... | 1 | Overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. Slechts één bijgebouw per goed. Niet-bestemd voor bewoning. Gelegen: * Behalve als het om een volume bestemd voor een motorvoertuig gaat, wordt het aan de achterkant van een bestaand gebouw opgericht. * Als het om een volume bestemd voor een motorvoertuig gaat, is dit volume rechtstreeks verbonden met de openbare weg en het gevelaanzicht aan de straatkant van het bijgebouw is niet gelegen verder dan het gevelaanzicht van het hoofdgebouw aan de achterkant. Ligging: op minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grens. Maximale oppervlakte: 40,00 m2. Volumetrie: zonder verdieping, plat dak of hellend dak met één of meer hellende vlakken Maximale hoogten berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau, voor zover de dakgoot of de dakopstand op dezelfde hoogte is als de dakgoot of de dakopstand van het hoofdvolume onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: hout voor de opgaande muren of elk ander materiaal met dezelfde kleurschakering als die van het hoofdgebouw. | x |  | x |
  |  | 2 | Plaatsing, verbouwing, vergroting van een technische installatie in de zin van artikel R.IV.1-2, tweede lid, met inbegrip van een kuip, die een functionele eenheid met de bestaande onderneming vormt. Hoogstens drie per goed. Gelegen : in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) binnen een straal van 30,00 m van een legale bestaande installatie of een legaal bestaand gebouw; c) op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant; d) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; e) op minimum 10,00 m van een waterloop; f) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; g) de werken vereisen niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: de totale gecumuleerde oppervlakte van de plaatsing en uitbreiding van technische installaties die van de vergunning zijn vrijgesteld, bedraagt minder dan 100,00 m2. Hoogte : maximum 10,00 m en lager dan het hoogste gebouw op het goed. | x |  | x |
  |  | 3 | Bouw, verbouwing, vergroting van een gebouw of plaatsing of verplaatsing van geprefabriceerde gebouwen, met inbegrip van de buitentrap, niet-bestemd voor bewoning en een functionele eenheid vormend met de bestaande onderneming. Gelegen: in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) binnen een straal van 30,00 m van een legale bestaande installatie of een legaal bestaand gebouw; c) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; d) op minimum 10,00 m van een waterloop; e) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; f) de werken vereisen niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: de gecumuleerde totale oppervlakte van de bouw, van de vergroting of van het geprefabriceerde gebouw vrijgesteld van vergunning bedraagt 75,00 m2. Volumetrie: één verdieping maximum, plat dak of dak met een hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken. Maximale hoogte van de dakopstand of van de nok: 7,00 m en lager dan of even hoog als het hoogste gebouw op het goed. Materialen: met dezelfde kleurschakering als die van de bestaande gebouwen. | x |  | x |
  |  | 4 | De installatie van een opslagplatform, voor zover die geen merkbare wijziging van het bodemreliëf als gevolg heeft. Eén opslagplatform per goed. Gelegen: in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; c) op minimum 10,00 m van een waterloop; d) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; e) ze vereist niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: 75,00 m2. | x |  | x |
  |  | 5 | De bouw van een bijgebouw of de plaatsing van een technische installatie die niet in de punten 1 tot en met 4 wordt bedoeld of die niet voldoet aan de in de punten 1 tot en met 4 bedoelde voorwaarden, die niet bestemd is voor huisvesting en die een functionele eenheid vormt met een of meer bestaande constructies, op voorwaarde dat de grondinneming van het zo gevormde geheel ten hoogste verdubbeld wordt. |  | x | x |
  |  | 6 | De afbraak of de verwijdering van een bijgebouw, van een technische installatie, van een bouw of van een geprefabriceerd gebouw zoals bedoeld in de punten 1 tot 5 voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of de verwijdering afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
| F | Carport, toegang en parkeerplaats | 1 | Eén carport per goed. Ligging: a) verbonden met de openbare weg; b) het gevelaanzicht mag niet hoger uitkomen dan het gevelaanzicht aan de achterkant van het hoofdgebouw Maximale oppervlakte: 40,00 m2. Volumetrie: plat dak of dak met één hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken Maximale hoogten: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: a) Structuur bestaande uit houten, betonnen of metalen palen of op pijlers met materialen vergelijkbaar met de bekleding van het bestaand gebouw of met dezelfde kleurschakering. b) dak met één of verschillende hellingen met materialen vergelijkbaar met die van het hoofdgebouw. | x |  | x |
  |  | 2 | Elke andere carport die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervult |  | x | x |
  |  | 3 | De verwijdering of de afbraak van de in punt 1 en 2 bedoelde carport voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
  |  | 4 | De parkeerplaatsen in de open lucht en hun toegang tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) ze zijn gelegen in de omgeving van een legaal bestaand gebouw en vormen samen met dat gebouw een functionele eenheid; b) ze zijn verbonden met de openbare weg; c) ze bestaan uit waterdoorlatende en onderbroken materialen; d) zij hebben een maximale oppervlakte van 300,00 m2; e) zij vereisen geen significante wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3, punten 1° tot en met 5°, 7° tot en met 9°, 11°, 12° en 15°. | x |  | x |
  |  | 5 | De andere dan in punt 4 bedoelde paden en parkeerplaatsen die in de open lucht en in de omgeving van een legaal bestaand gebouw of van een legaal bestaande installatie liggen en die daarmee een functionele eenheid vormen. |  | x | x |
| G | Tuinhuisje/berging | 1 | Slechts één tuinhuisje of berging per goed. Ligging: a) in de ruimtes van hoven en tuinen; b) ofwel niet-zichtbaar vanaf de openbare weg, ofwel gelegen aan de achterkant ten opzichte van de openbare toegangsweg. Ligging: minimum op 1,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte: 20,00 m2. Volumetrie: dak met één hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken of plat dak. Maximale hoogten: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: van hout of elk ander materiaal met een kleurschakering gelijk aan het gebouw of de omgeving waarop het betrekking heeft. | x |  | x |
  |  | 2 | De tuinhuisjes of bergingen die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervullen. |  | x | x |
  |  | 3 | De verwijdering of de afbraak van de in punt 1 en 2 bedoelde tuinhuisjes of bergingen voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
| H | Zwembad/zwemvijver | 1 | Opbouwzwembad of zelfdragend zwembad: Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: minimum op 1,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. | x | Â | x |
  |  | 2 | Geheel of gedeeltelijk ingegraven zwembad, alsook elke veiligheidsinrichting met een maximale hoogte van 2,00 m rond het zwembad: a) slechts één per goed; b) al dan niet overdekt door een lichte, uitschuifbare telescopische zwembadoverkapping waarmee de oppervlakte bedekt wordt voor zover de nokhoogte kleiner is dan 3,50 m; c) voor privé-doeleinden; d) de afgegraven aarde voor deze inrichtingen brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte (watervlak): 75,00 m2 | x |  | x |
|  |  | 2.1 | Zwemvijver: a) slechts één per goed; b) niet overdekt; c) voor privé-doeleinden; d) de voor deze zwemvijver afgegraven aarde brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte (totale oppervlakte zwemgedeelte en filtergedeelte): 100,00 m2 | x |  | x |
  |  | 3 | De zwembaden of zwemvijvers die de in de punten 1, 2 en 2.1 bedoelde voorwaarden niet vervullen. |  | x | x |
  |  | 4 | Het weghalen, de afbraak of de opvulling van de in de punten 1 tot 3 bedoelde zwembaden of zwemvijvers, voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving en voor zover de opvullingen met de vigerende wetgeving overeenstemmen. | x |  | x |
| I | Poel en vijver | 1 | Slechts één per goed. Ligging: buiten een locatie die erkend is krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud (met uitzondering van een beheermaatregel "BE5-verbindingsweide" of "B11-akkerland" en antropogene elementen in een Natura 2000-locatie). Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale wateroppervlakte: 100,00 m2. De afgegraven aarde voor deze inrichtingen brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Met uitzondering van poelen en vijvers in de ruimtes van hoven en tuinen moet het wateroppervlak door boombeplanting gedeeltelijk in de schaduw liggen. | x |  | x |
  |  | 2 | De vijvers en poelen die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervullen. |  | x | x |
  |  | 3 | De verwijdering of de opvulling van de vijvers en poelen bedoeld in punt 1 voor zover de opvullingen met de vigerende wetgeving overeenstemmen. | x |  | x |
| J | Inrichtingen, accessoires en meubilair | 1 | Het plaatsen van luifels, zonneschermen of daken van een terras op de begane grond, aangrenzend of geĂŻsoleerd. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen. Maximale hoogte: 3,50 m. Maximale totale oppervlakte van al deze inrichtingen: 40,00 m2. Ligging: minimum op 2,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. | x | Â | x |
  |  | 2 | Het plaatsen van in de bodem verankerd of ingebouwd tuinmeubilair zoals banken, tafels, stoelen, open haarden of barbecues, vuilnisemmers, compostbakken, pergola's of zuilen, plantenbakken, sierfonteinen, watertuinen, kinderspelletjes, structuren voor leibomen. Het plaatsen van lantaarn- en verlichtingspalen zodat de op de grond vallende lichtbundel van de lampen niet over de gemeenschappelijke grenzen heen straalt. De speel- en sportterreinen uit waterdoorlatende materialen en de apparaten die strikt nodig zijn voor het gebruik van die terreinen. Gelegen ofwel in de ruimtes van hoven en tuinen, ofwel in de omgeving van een gebouw gelegen in een voor bebouwing bestemd gebied dat een functionele eenheid vormt met dat gebouw. Maximale hoogte: 3,50 m. | x |  | x |
  |  | 3 | De aanleg van paden van waterdoorlatende materialen en van terrassen in de omgeving van één of meerdere bouwwerken op grondniveau en die geen merkbare wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 vereist, met uitzondering van graveltuinen. | x |  | x |
| Â | Â | 3.1 | Aanleg van graveltuinen met maximaal 8 m2 bedekte tuinoppervlakte per tuin (buiten de wegen). | x | Â | x |
| Â | Â | 3.2 | Aanleg van graveltuinen met een totale oppervlakte per tuin van meer dan 8 m2 (buiten de wegen). | Â | x | x |
  |  | 4 | Het plaatsen van plantenserres die een maximale oppervlakte van 20,00 m2 hebben. | x |  | x |
  |  | 5 | Zolang ze het goed niet afbakenen: a) De aanleg van afsluitingen die bestaan uit met elkaar verbonden palen met draad of draadgaas met brede mazen, eventueel bevestigd op een betonplaat of een muurtje met een maximumhoogte van 0,70 m, ofwel uit met elkaar verbonden palen met horizontale dwarsstukken, ofwel uit palissades van hout, ofwel uit schanskorven met een maximale dikte van 20,00 cm en de installatie van deuren, poorten of hekjes met een maximale hoogte van 2,00 m b) de bouw en de wijziging van steunmuren, met inbegrip van schanskorven, met een maximale hoogte van 0,70 m; c) de bouw en de wijziging van muren met een maximale hoogte van 2,00 m die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg of die ten opzichte van de openbare toegangsweg aan de achterkant van het gebouw liggen. | x |  | x |
  |  | 6 | De in de bodem verankerde of ingebouwde inrichtingen, accessoires, tuinmeubilair, niet bedoeld in de punten 1 tot 5 of die de in de punten 1 tot 5 bedoelde voorwaarden niet vervullen. |  | x | x |
  |  | 7 | De afbraak, de verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 6 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
| K | Microwoningen in de zin van het Waals Wetboek van Duurzaam Wonen | 1 | De plaatsing van de geprefabriceerde of als kit geleverde microwoningen. | Â | Â | x |
  |  | 2 | De plaatsing van microwoningen niet bedoeld in punt 1 voor zover zij : a) zonder verdieping zijn; b) een oppervlakte van minder dan 40,00 m2 hebben; c) een maximale hoogte van 2,50 m onder een kroonlijst hebben, 3,50 m op de nok en, indien van toepassing, 3,20 m aan de dakopstand. |  |  | x |
| L | Hernieuwbare energieën Modules voor de productie van elektriciteit of warmte | 1 | Het plaatsen van één of meer modules voor de productie van elektriciteit of warmte waarmee ieder bouwwerk, iedere installatie of ieder gebouw bevoorraad worden, gelegen op hetzelfde goed waarvan de energiebron hernieuwbaar is en waarbij wordt tegemoetgekomen aan één of meerdere van de volgende gevallen: Zonne-energie: a) indien de module(s) gevestigd is (zijn) op een hellend dak, is de projectie van het uitstekende deel op het verticale vlak kleiner dan of gelijk aan 0,30 meter en het verschil in hellingsgraad tussen de module en het dak van dat gebouw kleiner dan of gelijk aan 15 graden; b) indien de module(s) gevestigd is (zijn) op een plat dak, bedraagt het verticaal uitstekende deel maximum 1,50 meter en bedraagt de helling van de module maximum 35 graden; c) indien de module(s) gevestigd is (zijn) op een opgaande muur, bedraagt het horizontaal uitstekende deel tussen 1,20 meter en 1,50 meter en bedraagt de helling van de module tussen 25 en 45 graden; o Warmtepompen: a) in de grond; b) met een maximaal capaciteitsvolume van één m[00b3]; c) op minstens 15,00 m afstand van het volgende woongebouw gelegen of met een geluiddempende omkasting; d) niet zichtbaar vanaf de openbare toegangsweg. | x |  | x |
  |  | 2 | Het plaatsen van één of meer modules voor de productie van elektriciteit of warmte uit een hernieuwbare energiebron waarmee op hetzelfde goed gelegen bouwwerken, installaties of gebouwen rechtstreeks bevoorraad worden en die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen. |  | x | x |
  |  | 3 | De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 2 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
| M | Omheiningen | 1 | Het plaatsen van doorzichtige afsluitingen met een maximale hoogte van 2,00 m die ofwel bestaan uit palen die met elkaar verbonden zijn door draad of draadgaas en met eventueel een hoogstens 0,70 m hoge betonplaat of muur als basis, of die met elkaar verbonden zijn door houten verbindingselementen. De bouw of de wijziging van steunmuren van minder dan 0,70 m hoog, met inbegrip van schanskorven; Het plaatsen van deurtjes, hekjes of poorten met een maximumhoogte van 2,00 meter waardoor een breed gezicht op het goed mogelijk blijft. | x | Â | x |
  |  | 2 | Het plaatsen van afsluitingen, deurtjes, poorten of hekjes die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen of die niet bedoeld zijn in punt 1. |  | x | x |
  |  | 3 | De bouw of de wijziging van steunmuren met een hoogte van meer dan 0,70 m of afsluitingsmuren in de omgeving van een legaal bestaand gebouw of een legaal bestaande installatie. |  | x | x |
  |  | 4 | De afbraak of het weghalen van de in de punten 1 tot 4 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
| N | Hokken voor één of meerdere dieren met inbegrip van de bijenstallen en mestvloeren | 1 | Een of meerdere bijenstallen per goed. Onverminderd de toepassing van de bepalingen bedoeld in het Landbouwwetboek en de integrale voorwaarden genomen krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning | x |  | x |
  |  | 2 | Een of meerdere hokken voor dieren per goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen. Ligging: a) minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen b) bij grote dieren op minimum 20,00 m van elke naburige woning c) bij grote dieren niet gelegen in de zichtlijn die loodrecht staat op de achtergevel van een naburige woning. Maximale totale oppervlakte van alle hokken voor dieren op het goed: 25,00 m2 voor één of meerdere hokken. Volumetrie: zonder verdieping; een dak met één helling, een dak met twee hellingen met dezelfde hellingsgraad en lengte of een plat dak. Maximale hoogte berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: hout of traliewerk of vergelijkbaar met de materialen van het bestaande hoofdgebouw. Onverminderd de toepassing van de bepalingen bedoeld in het Landbouwwetboek en de integrale en sectorale voorwaarden genomen krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning | x |  | x |
  |  | 3 | De aanleg van een mestvloer. Gelegen ten minste 20,00 m van een andere woning dan die op het goed. Ligging: op een afstand van minimum 10,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Hoogte: op de begane grond. Maximale oppervlakte: 10,00 m2. | x |  | x |
| Â | Â | 3.1 | De aanleg van een mestvloer die de voorwaarden van punt 3 niet vervult. | Â | x | x |
  |  | 4 | De plaatsing of de bouw van hokken voor dieren die de voorwaarden van de punten 1 tot 2 niet vervullen. |  | x | x |
  |  | 5 | De afbraak en het weghalen van de in de punten 1 en 4 bedoelde hokken, bijenkorven en mestvloeren voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
| O | Landbouwbedrijven | 1 | De bouw van geheel of gedeeltelijk ingegraven opslagsilo's, voor zover de bovenhoogte van de steunmuren niet meer dan 2,00 m boven het niveau van het natuurlijk bodemreliëf uitstijgt |  | x | x |
  |  | 2 | De aanleg van een mestvloer. Gelegen op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant. Ligging: op een afstand van minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Hoogte: de bovenhoogte van de mestvloer of van de steunmuren bedraagt niet meer dan 2,00 m boven het niveau van het natuurlijke bodemreliëf. |  | x | x |
  |  | 3 | Het plaatsen van geheel of gedeeltelijk ingegraven watertanks of giersilo's. Gelegen op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant en buiten het woongebied. Ligging: a) op minimum 10,00 m van elke bevaarbare of niet-bevaarbare waterloop; b) op minimum 3,00 m van het openbaar domein. Hoogte: De bovenhoogte van de steunmuren bedraagt niet meer dan 0,70 m. |  | x | x |
| Â | Â | 3.1 | Het plaatsen van een flexitank voor vloeibare mest, per bedrijf en per seizoen, voor een maximumduur van vier maanden, voor zover het goed na afloop van die termijn in zijn oorspronkelijke toestand hersteld wordt. | x | Â | x |
| Â | Â | 3.2 | Het plaatsen van flexitanks voor vloeibare mest die de voorwaarden van punt 3.1 niet vervullen. | Â | x | x |
  |  | 4 | Het plaatsen van tunnelserres bestemd voor de teelt van de landbouw- en tuinbouwgewassen en die na de teelt worden weggehaald. | x |  | x |
  |  | 5 | Anti-hagelnetten die een in de grond verankerde structuur impliceren en het plaatsen van tunnelserres die de in de punten 1 tot 4 bedoelde voorwaarden niet vervullen. |  | x | x |
  |  | 6 | Het plaatsen van een installatie voor waterwinning in een niet-bevaarbare of niet-ingedeelde waterloop die uitsluitend bestemd is voor het drinken van vee | x |  | x |
| Â | Â | 6.1 | Het plaatsen van veepassages over onbevaarbare waterlopen, voor zover noch de bedding, noch de oever veranderd worden en voor zover een voorafgaande schriftelijke vergunning werd aangevraagd bij de beheerder van de waterloop en - in een krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend gebied - bij de luidens die wet bevoegde overheid. De passages dienen uitsluitend om vee te laten oversteken (geen machines). Maximale breedte: 3,00 m | x | Â | x |
  |  | 7 | De afbraak en het weghalen van de in de punten 1 tot 6 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
| P | Tijdelijke bouwwerken en installaties | 1 | De tijdelijke constructies voor de installatie van bouwplaatsen voor toegelaten handelingen en werken, met inbegrip van refters, onderkomens en sanitair evenals de ontvangstpaviljoenen, tijdens de duur van de handelingen en werken en voor zover de bouwplaats onafgebroken plaatsvindt. | x | Â | x |
  |  | 2 | Het plaatsen van installaties met een sociaal, cultureel, sportief of recreatief karakter met inbegrip van de desbetreffende parkeerplaatsen in de openlucht voor een maximumduur van negentig dagen voor zover het goed na afloop van die termijn in zijn oorspronkelijke toestand hersteld wordt. | x |  | x |
  |  | 3 | De plaatsing van commerciële installaties, op het openbaar domein, of op het private domein op voorwaarde dat ze verbonden zijn met een bestaande activiteit, met inbegrip van de bijbehorende buitenparkeerplaatsen, voor een periode van maximaal zestig dagen, op voorwaarde dat de installaties voldoen aan de gemeentelijke en gewestelijke handleiding voor stedenbouw en dat op het einde van de periode het goed terugkeert in zijn oorspronkelijke staat. | x |  | x |
  |  | 4 | Het tijdelijk plaatsen van installaties die nodig zijn om een ontheemde activiteit onder te brengen, voor de duur van de handelingen en werken waarvoor een vergunning vereist is, op voorwaarde dat de werkzaamheden ononderbroken worden voortgezet en dat na het verrichten van de handelingen en werken of het verstrijken van de vergunning de installaties worden verwijderd. | x |  | x |
  |  | 5 | De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 4 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
| Q | Uithangborden en reclamezuilen | 1 | Het plaatsen van één of meer uithangborden of reclamezuilen |  | x | x |
  |  | 2 | De verwijdering of het weghalen van de in punt 1 bedoelde uithangborden en reclamezuilen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
| R | Hoogzitten en uitkijkposten | 1 | In bosgebied, in gebied aanpalend aan bosgebied en in landbouwgebied, de houten of uit mat metaal gemaakte hoogzitten en andere uitkijkposten bedoeld in artikel 1, § 1, 9°, van de jachtwet van 28 februari 1882. Maximale bruikbare oppervlakte: 4,00 m2 | x |  | x |
| Â | Â | 1.1 | Hoogzitten en uitkijkposten in bosgebied, in het gebied aanpalend aan het bosgebied en in landbouwgebied die de voorwaarden van punt 1 niet vervullen | Â | x | x |
  |  | 2 | De verwijdering van de hoogzitten en uitkijkposten bedoeld in punt 1 of punt 1.1 voor zover de afval voortvloeiend uit het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
| S | Bomen, hagen en wijziging van de beplanting | 1 | De bebossing of de ontbossing | Â | x | x |
  |  | 2 | Onverminderd artikel R.IV.4-4, de kerstbomenteelt |  | x | x |
  |  | 3 | Voor zover artikel D.IV.4, eerste lid, 11°,een rol speelt: het kappen van een haag over een doorlopende lengte van minder dan 2,50 m om één enkele toegang tot een bestaande woning te creëren. | x |  | x |
  |  | 4 | Het vellen van hoogstammige alleenstaande bomen, van een haag of het vellen van een, meerdere of alle bomen van een allee in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 11°. |  | x | x |
  |  | 5 | Het vellen, het toebrengen van schade aan het wortelstelsel of de wijziging van het aspect van een waardevolle boom, struik of haag in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 12°. |  | x | x |
  |  | 6 | Het rooien of wijzigen van de beplanting in elk gebied bedoeld in artikel R.IV.4-11. |  | x | x |
  |  | 7 | Het vellen van bomen bedoeld in de punten 4 tot 6 dat het voorwerp uitmaakt van een besluit van de burgemeester genomen bij hoogdringendheid met het oog op het verzekeren van de openbare veiligheid. | x |  | x |
| T | Wijziging van het bodemreliëf | 1 | De merkbare wijziging van het bodemreliëf voor het boren of nemen van bodemmonsters in het kader van een geotechnisch onderzoek, een geologische prospectie- of bodemverontreinigingsonderzoek. | x |  | x |
  |  | 2 | De merkbare wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 binnen een straal van 30,00 m van een legaal bestaande installatie. |  | x | x |
  |  | 3 | Voor de uitvoering van een actieprogramma voor rivieren door middel van een geïntegreerde en sectorale aanpak als bedoeld in artikel D. 33/3 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt: a) opvulmateriaal of uitgegraven materiaal dat niet meer dan 50,00 centimeter hoog is en dat zich op een maximale afstand van 6,00 m van de top van de oever van een waterloop bevindt, ook in gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat; b) het storten en verspreiden van producten die het gevolg zijn van de ruimingswerken van een waterloop | x |  | x |
| U | Gebruik van een terrein voor opslag en voor mobiele installaties | 1 | Gewoonlijk grond gebruiken voor het plaatsen van één of meer mobiele installaties in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 15°, b), om een "ruimte voor de ontvangst op de hoeve'' in de zin van artikel 252/1.D van het Waalse Wetboek van Toerisme te creëren, met inbegrip van de installatie of de transformatie van de grondleidingen die nodig zijn voor het onderhoud van het terrein, op voorwaarde dat deze in overeenstemming is met het decreet en de reglementaire vereisten van het gewestplan. | x |  | x |
  |  | 2 | Een terrein doorgaans gebruiken voor: a) de opslag van één of meer afgedankte wagens, schroot, materialen of afvalstoffen; b) de plaatsing van één of meer mobiele installaties, zoals woonwagens, caravans, afgedankte voertuigen en tenten, met uitzondering van mobiele installaties die door een vergunning bedoeld in het Waalse Wetboek van Toerisme, het decreet van 4 maart 1991 betreffende de voorwaarden voor het exploiteren van caravanterreinen of het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 9 mei 1994 zijn toegelaten. |  | x | x |
| V | Structuur die als toeristische en vrijetijdslogies dient | 1 | De plaatsing van één of meerdere mobiele kampeerverblijven in de zin van artikel 1 D, 2° van het Waalse Wetboek van Toerisme, tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het mobiele kampeerverblijf heeft een maximale oppervlakte van 50,00 m2; b) de plaatsing of constructie ervan vereist geen belangrijke wijziging van het bodemreliëf; c) het is gelegen : - in een toeristisch kampeerterrein of in een kampeerterrein op de hoeve dat is toegestaan volgens het Waalse Wetboek van Toerisme; - in een caravanterrein dat is toegestaan krachtens het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 betreffende de voorwaarden voor het exploiteren van caravanterreinen; - in een camping die is toegestaan krachtens het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 9 mei 1994 over de campings en kampeerterreinen. | x |  | x |
  |  | 2 | De bouw van een terras met of zonder balustrade dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 249 BWR, eerste lid, 3° en tweede lid van het Waalse Wetboek van Toerisme op een toeristisch kampeerterrein. | x |  | x |
  |  | 3 | De bouw van blokhutten of het plaatsen van tenten, tipi's, joerten en luchtbellen in een bosgebied. |  | x | x |
  |  | 4 | Het weghalen of de afbraak van de in de punten 1 tot 3 bedoelde toeristische of vrijetijdslogies, terrassen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
| W | Handelingen en werken op het openbaar domein van de weg, spoorwegen en waterlopen | 1 | Voor zover de wegbedding niet verbreed wordt, de hernieuwing van de funderingen en de verharding van de wegen, bermen, boorden, trottoirs, eilandjes en openbare plaatsen uitgezonderd de veranderingen van verhardingen bestaande uit natuursteen en, voor openbare plaatsen, voor zover dat de handelingen en werken niet leiden tot een toename van de oppervlakte van de verhardingen van ondoordringbaar materiaal. | x | Â | x |
  |  | 2 | De plaatsing, de hernieuwing, de verplaatsing of de verwijdering van de bijkomende elementen zoals de radarinstallaties, relingen, de beveiligingsconstructies en de schampranden, met uitzondering van de steunmuren en de geluidsschermen. | x |  | x |
  |  | 3 | De plaatsing, de verplaatsing, de verbouwing, de uitbreiding, of de verwijdering van vloeistofnetwerken (met een druk van ten hoogste 20 bar voor gas), energie (met een spanning van ten hoogste 70 KV voor elektriciteit) en telecommunicatienetwerken die in het publieke domein zijn aangebracht, verankerd, ondersteund of overhangend, met inbegrip van privé-aansluitingen, hulpelementen en bijbehorende uitrusting zoals palen, technische kasten, pylonen en palen met een maximale hoogte van 14,00 meter. | x |  | x |
  |  | 4 | De tijdelijke weginrichtingen met een maximale duur van vijf jaar. | x |  | x |
  |  | 5 | De werken voor de aanleg van ruimten voor voetgangers, personen met een verminderde beweeglijkheid of fietsers en waarbij de plaatselijke creatie of verruiming van die ruimten, de verbetering van hun esthetisch aspect of de veiligheid van de gebruikers wordt beoogd, ongeacht of deze werkzaamheden al dan niet leiden tot een versmalling van de wegbedding. | x |  | x |
  |  | 6 | Het plaatsen of vernieuwen van klein stadmeubilair zoals banken, tafels, stoelen, vuilnisemmers, lantaarn- en verlichtingspalen, plantenbakken, fonteintjes, elektrische aansluitpunten, containers, al dan niet ingegraven en bestemd voor de ophaling van huishoudelijke en daarmee gelijkgestelde afval. | x |  | x |
  |  | 7 | De werken voor de inrichting van de ruimtes bestemd voor de beplantingen. | x |  | x |
  |  | 8 | De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van de signalisatie-elementen : a) de verkeersborden, met inbegrip van de steunstructuren en portalen, evenals van de bescherming ervan tegenover het verkeer; b) de vaste of mobiele installaties waarbij het verkeer, het parkeren of de snelheid beperkt worden; c) de installaties voor de controle op het parkeren zoals parkeermeters of parkeerautomaten; d) de niet-overdekte installaties voor het parkeren van tweewielers; e) de bijkomende technische al dan niet ondergrondse installaties zoals kasten voor de elektrische bediening van verkeerslichten of van de openbare verlichting, praatpalen, brandpalen en bedieningskasten voor teledistributie. | x |  | x |
  |  | 9 | De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van inrichtingen voor de openbare verlichting. | x |  | x |
  |  | 10 | Voor zover ze niet onderworpen worden aan de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende de beschermde gebieden van sommige gemeente inzake stedenbouw, de plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van de volgende reclameborden: a) de aanplakzuilen waarvan de schacht met een diameter van maximum 1,20 m beperkt blijft tot 3,50 m hoogte; b) de aanplakborden op voeten waarvan de maximale hoogte en breedte respectievelijk niet meer dan 2,50 m en 1,70 m bedragen en waarvan de bruikbare oppervlakte niet meer dan 4 m2 per vlak bedraagt. | x |  | x |
  |  | 11 | Het aanbrengen of de wijziging van de wegmarkeringen. | x |  | x |
  |  | 12 | De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van verkeersdrempels. | x |  | x |
  |  | 13 | Het aanbrengen, verwijderen of hernieuwen van funderingen en inrichtingen voor het gebruik van de wegen en de openbare vervoerslijnen zoals rails, verbindingen, ballast, palen van bovenleidingen, signalen, portieken, hokjes, bedieningskasten voor verkeersborden of palen voor bus- of tramhaltes voor reizigers. | x |  | x |
  |  | 14 | Het plaatsen van een seizoensgebonden openluchtterras in de horecasector. | x |  | x |
  |  | 15 | De hokjes voor de reizigers bij de haltes van het openbaar vervoer. | x |  | x |
  |  | 16 | De plaatsing of de verplaatsing van brievenbussen. | x |  | x |
  |  | 17 | De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van beelden, gedenktekens en andere kunstwerken geplaatst door de overheid of op bevel van de overheid. | x |  | x |
  |  | 18 | Het aanleggen, vernieuwen of verwijderen van kunstwerken voor de bescherming van de oevers in een niet-bevaarbare waterloop, met uitzondering van gemetselde muren, op een lengte van niet meer dan 100,00 m en een maximale hoogte van 2,00 m. | x |  | x |
| X | Riolering, leiding en netten buiten het openbaar domein van de weg, spoorwegen en waterlopen, boringen en waterwinningen | 1 | Het plaatsen, de verplaatsing, de wijziging van privé-aansluitingen, met inbegrip van de technische kasten, op ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen, alsook het plaatsen, de verplaatsing, de wijziging van ondergrondse water- of brandstoffenopslagtanks, straatkolken, zakputten, straatgoten, inspectieputten, deksels en septische tanken en ieder ander individueel zuiveringssysteem tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) de eventuele afgegraven aarde voor deze inrichtingen brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het eigendom; b) die inrichtingen hebben betrekking op de infrastructuur die noodzakelijk is voor het aanleggen van het goed en zijn uitsluitend gelegen op bedoeld goed. | x |  | x |
  |  | 2 | De privé-aansluitingen, met inbegrip van de technische kasten, op ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen, evenals het plaatsen van ondergrondse water- of brandstoffenopslagtanks, straatkolken, zakputten, straatgoten, inspectieputten, deksels en septische tanken en ieder ander individueel zuiveringssysteem die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen. |  | x | x |
  |  | 3 | Het plaatsen van bovengrondse tanks. |  | x | x |
  |  | 4 | De invoering of de versterking van ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen in een reeds ingerichte technische locatie tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) de ontworpen werken zijn eigen aan de functie van de locatie; b) de bestaande installaties, gebouwen, bouwwerken en bedekking zijn legaal; c) de werken beogen de bouw van een gebouw niet; d) de grondinneming beperkt de bestaande isoleringsomtrekken of voorzieningen niet. | x |  | x |
  |  | 5 | De boringen van putten of waterwinningen. | x |  | x |
  |  | 6 | In de niet-bebouwingsgebieden, en voor zover geen vergunning vereist is in de zin van artikel R.IV.4-3, eerste lid, 6°, het aanleggen of wijzigen van een drainagesysteem voor zover het terrein niet gelegen is in een locatie erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van de Natura 2000-locaties, of blootgesteld aan een groot natuurrisico of grote geotechnische druk zoals bedoeld in artikel D.IV.57, 3°. | x |  | x |
  |  | 7 | De installatie, de verplaatsing, de wijziging of de uitbreiding van ingebouwde, verankerde ondergrondse of bovengrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen en de bijkomende en bijbehorende uitrustingen wanneer ze buiten het openbare domein gelegen zijn. |  | x | x |
  |  | 8 | Het weghalen van de in de punten 1 tot 7 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
| Y | Telecommunicatie, kabeltelevisie, glasvezel, gas, elektriciteit | 1 | De vervanging van technische installaties of technische kasten door technische installaties of technische kasten van een kleiner of gelijkwaardig volume. | x | Â | x |
  |  | 2 | De vervanging van bestaande antennes door antennes met een gelijke, of kleinere of grotere afmeting op voorwaarde dat de totale hoogte van de mast niet verhoogd wordt en dat de nieuwe antennes een maximale hoogte van 3,00 m hebben. | x |  | x |
  |  | 3 | De vervanging van een pyloon of een bestaande paal door een zo hoge pyloon of paal van hetzelfde type geïnstalleerd op dezelfde locatie. | x |  | x |
  |  | 4 | De plaatsing van een technische kast op een plat dak, op voorwaarde dat ze vanaf de weg niet-zichtbaar is, dat ze gelegen is op een afstand van minstens een anderhalf keer de hoogte van de kast vanaf de dakopstand. | x |  | x |
  |  | 5 | De plaatsing of de vervanging van technische kasten naast een pyloon of een paal geplaatst op de bodem of in een technisch lokaal gelegen in de nabijheid van een mast geplaatst op een dak. | x |  | x |
  |  | 6 | De aanleg van technische installaties om de stabiliteit en de veiligheid van bestaande installaties evenals hun goede werking te verzekeren. | x |  | x |
  |  | 7 | De plaatsing van antennes of radiogolven, technische kasten en installaties tijdens culturele, sport-, recreatie- of commerciële evenementen, geplaatst voor een maximale duur van 90 dagen op voorwaarde dat deze antennes of golven, kasten en installaties niet meer dan 15 dagen voor het begin van het evenement geplaatst worden en dat ze uiterlijk 15 dagen na het einde van het evenement weggehaald worden. | x |  | x |
  |  | 8 | De verplaatsing en/of de heropbouw van antennes of radiogolven, ingebouwde, verankerde ondergrondse of bovengrondse leidingen en van technische kasten en installaties om dringende redenen, om redenen van veiligheid of openbaar belang onvoorzienbaar uit hoofde van de beheerder, de tijd nodig om alle vereiste vergunningen voor de verplaatsing en/of de heropbouw van de locatie te krijgen. | x |  | x |
  |  | 9 | De tijdelijke verplaatsing van een bestaande installatie om de continuïteit van de diensten te verzekeren in geval van werken uitgevoerd door de eigenaar van de oorspronkelijke structuur voor de uitsluitende duur van de werken. | x |  | x |
  |  | 10 | De plaatsing van installaties zoals antennes, radiogolven, technische kasten en installaties voor zover ze gelegen zijn binnen gebouwen, bouwwerken of bestaande structuren of overdekt met materialen die lijken op de bestaande materialen. | x |  | x |
  |  | 11 | De plaatsing van radiogolven met een maximale diameter van 90,00 cm op een bestaande pyloon of een legaal bestaande mast op een dak. | x |  | x |
| Â | Â | 11.1 | Plaatsen van draadloze toegangspunten met klein bereik die volledig en veilig in hun draagconstructie geĂŻntegreerd worden en dus onzichtbaar zijn voor het publiek. | x | Â | x |
| Â | Â | 11.2 | Plaatsen van draadloze toegangspunten met klein bereik die aan volgende voorwaarden voldoen: a) Het totale volume van het voor het grote publiek zichtbare deel van een draadloos toegangspunt met klein bereik voor gebruik door een of meer radiospectrumgebruikers bedraagt maximaal 30 liter; b) Het totale volume van de voor het grote publiek zichtbare delen van meerdere afzonderlijke draadloze toegangspunten met klein bereik die een infrastructuurlocatie met een afzonderlijk begrensd oppervlak delen, zoals een lantaarnpaal, een verkeerslicht, een reclamebord of een bushalte, bedraagt maximaal 30 liter; c) Indien het antennesysteem en andere onderdelen van het draadloze toegangspunt met klein bereik, zoals een radiofrequentie-eenheid, een digitale processor, een opslageenheid, een koelsysteem, stroomvoorziening, bekabeling, backhaulonderdelen of onderdelen voor aarding en bevestiging, afzonderlijk worden geĂŻnstalleerd, wordt elk gedeelte daarvan dat het maximale volume van 30 liter overschrijdt, aan het zicht van het grote publiek onttrokken; d) Het draadloze toegangspunt met klein bereik is visueel consistent met de draagconstructie, heeft een omvang die in verhouding staat tot de totale omvang van de draagconstructie, een coherente vorm, neutrale kleuren die passen bij of overgaan in de draagconstructie, en verborgen kabels, en is visueel niet storend in combinatie met andere draadloze toegangspunten met klein bereik die al zijn geĂŻnstalleerd op dezelfde locatie of op aangrenzende locaties; e) Het gewicht en de vorm van een draadloos toegangspunt met klein bereik vereisen geen structurele versterking van de draagconstructie; Draadloze toegangspunten met klein bereik waarvan het equivalent isotropisch uitgestraald vermogen 10 watt bedraagt, mogen bovendien alleen worden geĂŻmplementeerd in de buitenruimte of in grote binnenruimten met een minimale plafondhoogte van vier meter, waarbij het laagste uitstralende onderdeel van de antenne zich in een publiek toegankelijke ruimte op ten minste 2,2 meter hoogte moet bevinden. | x | Â | x |
  |  | 12 | Het plaatsen van een radio- en televisie-antenne of radiogolven (parabolische antenne of paneelantenne). Ligging: * ofwel verankerd op een opgaande muur aan de achterkant van het gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg of minstens 4,00 m achter de rooilijn * ofwel verankerd in de grond of op een dakdeel en gevestigd aan de achterkant van het gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg. Maximale oppervlakte: 1,00 m2. Materialen: de antenne vertoont een kleurschakering die gelijk is aan die van haar draagbasis. | x |  | x |
  |  | 13 | Het plaatsen van een radio- en televisie-antenne of radiogolven (parabolische antenne of paneelantenne). Ligging: op een plat dak. Maximale hoogte: 5,00 meter, met inbegrip van de steun, en de hoogte is kleiner dan de afstand tussen de installatie en de dakopstand. Maximale oppervlakte: 1,00 m2. | x |  | x |
  |  | 14 | Het plaatsen van een in de punten 1 of 2 bedoelde antenne die de voorwaarden bedoeld in de punten 1 of 2 niet vervult. |  | x | x |
  |  | 15 | De plaatsing van antennes en van de behuizing voor radiomodules op afstand op een bestaande pyloon verankerd op de bodem of op legaal bestaande mast op een dak op voorwaarde dat de afstand maximum 1 m is in het geval van een pyloon en maximum 40 cm in het geval van een mast en dat de hoogte van de pyloon of van de mast niet overschreden is. | x |  | x |
  |  | 16 | De plaatsing van antennes tegen een bestaande gevel met maximum één antenne ( met inbegrip van de actieve elementen die nodig zijn voor de aansluiting ervan), over zes strekkende gevelmeters, of op een bestaande puntgevel met maximum één antenne per puntgevel, of op een schoorsteen op voorwaarde dat die antennes een kleur gelijk aan de bedekking van de gevel of van de puntgevel heeft. | x |  | x |
  |  | 17 | De plaatsing van antennes op het plat dak of het plat gedeelte van het dak van een gebouw op voorwaarde dat ze een maximale hoogte van 3 meter, met inbegrip van de steun, hebben, dat die hoogte kleiner is dan de afstand tussen de installatie en de lagere kant of de rand van het dak of de dakopstand en dat het gebouw minstens 12,00 m hoog is. | x |  | x |
  |  | 18 | De plaatsing op de gevel of bovengronds van elektronische of numerieke communicatiekabels en leidingen en van verbindingsdozen voor zover de kleur neutraal en discreet is en voor zover het tracé van de kabel de bouwkundige lijnen van de woning volgt, zoals de raamdorpel, de kroonlijst, de verbindingen tussen de gevels, de lagere kant of de rand van het dak, de dakopstand. | x |  | x |
  |  | 19 | De plaatsing van de antenne van een radioamateur in de zin van het ministerieel besluit van 9 januari 2001 betreffende het aanleggen en het doen werken van radiostations door radioamateurs. |  | x | x |
  |  | 20 | Het plaatsen op het openbaar domein van steunen met een maximale diameter van 30,00 cm en een maximale hoogte van 8,00 meter voor technische telecommunicatieapparatuur en antennes, met inbegrip van radiogolven met een maximale diameter van 90,00 cm, met een afstand van niet meer dan 40,00 cm. | x |  | x |
  |  | 21 | De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 tot 20 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x |  | x |
| Z | Militaire domeinen | 1 | De uitvoering van defensieve werken van operationele aard of die strategisch geheim moeten blijven, ten behoeve van het ministerie van Defensie en waarvan de lijst gezamenlijk wordt opgesteld door de Minister van Defensie en de Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening | x | Â | x |
2 De plaatsing van fotovoltaĂŻsche dakbedekkingsmaterialen of de vervanging van fotovoltaĂŻsche of niet-fotovoltaĂŻsche dakbedekkingsmaterialen door fotovoltaĂŻsche dakbedekkingsmaterialen, op voorwaarde dat, wanneer het onroerend goed onderworpen is aan de artikelen R.II.36-6 tot R.II.36-9, R.II.37-3, R.II.37-4 en R.II.37-7 tot R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, de kleuren in overeenstemming zijn met de betrokken aanduidingen en voorschriften. x x
3 Beplanting van één of meer gevels die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg of van één of meer groendakken op een bestaand gebouw of een bestaande installatie. x x
4 Het schilderen, bepleisteren, zandstralen of opnieuw voegen van een bestaand bouwwerk dat een wijziging van het bouwvolume of de architectuur als gevolg heeft. x x
5 De plaatsing of vervanging van materialen voor gevelbekledingen en dakbedekkingen door materialen voor bekledingen die niet voldoen aan de in de punten 1 tot en met 3 genoemde voorwaarden. x x
6 De vervanging van deuren of ramen in de opgaande muren of in de daken door deuren of ramen met als doel het bereiken van de vigerende energienormen. x x
7 Het sluiten, het maken of het wijzigen van openingen die zich bevinden in het dakvlak op maximum één verdieping en met in het totaal maximum één kwart van de lengte van de overeenstemmende gevel of het overeenstemmende dakvlak; het sluiten of wijzigen dient uitgevoerd te worden met hetzelfde materieel als dat van het dak. x x
8 Het sluiten, openen of wijzigen van deuren of openingen in de opgaande muren met in het totaal maximum één kwart van de lengte van de overeenstemmende opgaande muur voor zover: a) Het sluiten, openen of wijzigen niet uitgevoerd wordt in een opgaande muur gelegen op de rooilijn en/of waarvan het plan gericht is op de verbindingsweg van het betrokken hoofdgebouw; b) het sluiten of het wijzigen gebeuren met dezelfde bekledingsmaterialen als die voor de opgaande muur; c) elke opening of wijziging afzonderlijk op maximum één verdieping wordt uitgevoerd; d) als het goed valt onder een gewestelijk of gemeentelijke handleiding voor stedenbouw stemmen de handelingen en werken met de handeling overeen. x x
9 Het sluiten, openen of wijzigen van deuren en ramen die in totaal (alle openingen op hetzelfde niveau) niet meer dan een vierde van de lengte van de desbetreffende gevel of het desbetreffende dakvlak bedragen en die de in de punt 7 en 8 bedoelde voorwaarden niet vervullen. x x
10 De installatie of vervanging van schoorstenen of schoorsteenkanalen, regengoten of regenpijpen, afvoersystemen voor installaties zoals afzuigkappen en verwarmingsketels, op voorwaarde dat, wanneer het goed onderworpen is aan de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw die betrekking hebben op de beschermde gebieden van bepaalde gemeenten op het gebied van stedenbouw of op gebouwen in landelijk gebied, de handelingen en werkzaamheden in overeenstemming zijn met deze handleiding. x x
11 De plaatsing of vervanging van de in punt 10 genoemde elementen die niet aan de voorwaarden voldoen. x x
12 De afbraak of het weghalen van de in de punten 10 en 11 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x B Verbouwing van een bestaand gebouw 1 De vervanging van de dragende structuur van een dak zonder wijziging van het gebouwde volume en voor zover de punten A1 en A7 worden gerespecteerd. x x
2 De verbouwing zonder vergroting van een bestaand gebouw met het oog op de creatie van meerdere ruimten die niet bestemd zijn voor bewoning, voor zover de handelingen en werken, in voorkomend geval, vermeld worden in de punten A1, A2, A3, A6, A7, A8 en A10. x x
3 De verbouwing zonder vergroting van een bestaand, niet in de punten 1 en 2 bedoeld gebouw, die geen gevolgen heeft voor de dragende structuur van het gebouw. x x
4 Verbouwing met vergroting van een bestaand gebouw overeenkomstig de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of overeenkomstig de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw om een ruimte in te richten die niet bestemd is voor bewoning, voor zover volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn: a) slechts één aanbouwvolume per goed en er is niet meer dan één veranda op het goed; b) de grondoppervlakte van de uitbreiding bedraagt hoogstens 40,00 m2 en is: i) ofwel een aanbouwvolume zonder verdieping en kelder; ii) ofwel de verlenging van het hoofdvolume en het zo gevormde geheel heeft geen verdieping en geen kelder; c) de uitbreiding wordt uitgevoerd met materialen in soortgelijke kleurtonen als die van het bestaande gebouw; d) de uitbreiding bevindt zich minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grenzen. x x
5 De verbouwing van een bestaand gebouw dat voldoet aan de cumulatieve voorwaarden opgenomen in punt 4 en dat niet overeenstemt met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. x
6 Het plaatsen van een buitentrap x x
7 Het plaatsen/opstellen van een ventilatiesysteem of airconditioningsysteem. x x
8 De verbouwing van een ander bestaand gebouw dan dat bedoeld in punt 1 tot 7 voor zover de grondinneming van het gevormde geheel maximum verdubbeld wordt en de hoogte van de druiplijst en/of de hoogte van de dakopstand van het bestaande gebouw niet overschreden wordt. x
9 De afbraak of verwijdering van een aanbouwvolume, een buitentrap of een airconditioningsinstallatie voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x C Veranda 1 Overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. Slechts één per goed en er is niet meer dan één aanbouwvolume op het goed. Gelegen : leunt tegen een bestaand gebouw, aan de achterkant van dat gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg. Ligging : op minstens 2,00 meter van de gemeenschappelijke grens. Maximale oppervlakte van 40,00 m2. Volumetrie: zonder verdieping, plat dak of hellend dak met één of meer hellende vlakken Maximale hoogten berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau en voor zover het dakgootniveau kleiner is dan het dakgootniveau van het hoofdvolume onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) druiplijst: 3,00 m; b) nokhoogte: 5,00 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen : lichte structuur en wanden hoofdzakelijk van glas of van polycarbonaat zowel in de opgaande muren als in de daken x x
2 De bouw van een veranda met een maximale oppervlakte van 40,00 m2 die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervult x x
3 De afbraak van een veranda voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x D Creatie van één of meerdere woningen 1 De creatie van een woning in een gebouw voor zover de verbouwingshandelingen en -werken de verplichte tussenkomst van een architect niet vereisen. x x
2 De creatie van een woning die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervult, of de creatie van meerdere woningen in een gebouw. x E Plaatsing van technische installaties en bouw of heropbouw van een bijgebouw zoals: * garage, * atelier, * poolhouse, * opslagplattform * geprefabriceerde gebouwen... 1 Overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. Slechts één bijgebouw per goed. Niet-bestemd voor bewoning. Gelegen: * Behalve als het om een volume bestemd voor een motorvoertuig gaat, wordt het aan de achterkant van een bestaand gebouw opgericht. * Als het om een volume bestemd voor een motorvoertuig gaat, is dit volume rechtstreeks verbonden met de openbare weg en het gevelaanzicht aan de straatkant van het bijgebouw is niet gelegen verder dan het gevelaanzicht van het hoofdgebouw aan de achterkant. Ligging: op minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grens. Maximale oppervlakte: 40,00 m2. Volumetrie: zonder verdieping, plat dak of hellend dak met één of meer hellende vlakken Maximale hoogten berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau, voor zover de dakgoot of de dakopstand op dezelfde hoogte is als de dakgoot of de dakopstand van het hoofdvolume onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: hout voor de opgaande muren of elk ander materiaal met dezelfde kleurschakering als die van het hoofdgebouw. x x
2 Plaatsing, verbouwing, vergroting van een technische installatie in de zin van artikel R.IV.1-2, tweede lid, met inbegrip van een kuip, die een functionele eenheid met de bestaande onderneming vormt. Hoogstens drie per goed. Gelegen : in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) binnen een straal van 30,00 m van een legale bestaande installatie of een legaal bestaand gebouw; c) op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant; d) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; e) op minimum 10,00 m van een waterloop; f) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; g) de werken vereisen niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: de totale gecumuleerde oppervlakte van de plaatsing en uitbreiding van technische installaties die van de vergunning zijn vrijgesteld, bedraagt minder dan 100,00 m2. Hoogte : maximum 10,00 m en lager dan het hoogste gebouw op het goed. x x
3 Bouw, verbouwing, vergroting van een gebouw of plaatsing of verplaatsing van geprefabriceerde gebouwen, met inbegrip van de buitentrap, niet-bestemd voor bewoning en een functionele eenheid vormend met de bestaande onderneming. Gelegen: in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) binnen een straal van 30,00 m van een legale bestaande installatie of een legaal bestaand gebouw; c) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; d) op minimum 10,00 m van een waterloop; e) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; f) de werken vereisen niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: de gecumuleerde totale oppervlakte van de bouw, van de vergroting of van het geprefabriceerde gebouw vrijgesteld van vergunning bedraagt 75,00 m2. Volumetrie: één verdieping maximum, plat dak of dak met een hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken. Maximale hoogte van de dakopstand of van de nok: 7,00 m en lager dan of even hoog als het hoogste gebouw op het goed. Materialen: met dezelfde kleurschakering als die van de bestaande gebouwen. x x
4 De installatie van een opslagplatform, voor zover die geen merkbare wijziging van het bodemreliëf als gevolg heeft. Eén opslagplatform per goed. Gelegen: in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; c) op minimum 10,00 m van een waterloop; d) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; e) ze vereist niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: 75,00 m2. x x
5 De bouw van een bijgebouw of de plaatsing van een technische installatie die niet in de punten 1 tot en met 4 wordt bedoeld of die niet voldoet aan de in de punten 1 tot en met 4 bedoelde voorwaarden, die niet bestemd is voor huisvesting en die een functionele eenheid vormt met een of meer bestaande constructies, op voorwaarde dat de grondinneming van het zo gevormde geheel ten hoogste verdubbeld wordt. x x
6 De afbraak of de verwijdering van een bijgebouw, van een technische installatie, van een bouw of van een geprefabriceerd gebouw zoals bedoeld in de punten 1 tot 5 voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of de verwijdering afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x F Carport, toegang en parkeerplaats 1 Eén carport per goed. Ligging: a) verbonden met de openbare weg; b) het gevelaanzicht mag niet hoger uitkomen dan het gevelaanzicht aan de achterkant van het hoofdgebouw Maximale oppervlakte: 40,00 m2. Volumetrie: plat dak of dak met één hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken Maximale hoogten: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: a) Structuur bestaande uit houten, betonnen of metalen palen of op pijlers met materialen vergelijkbaar met de bekleding van het bestaand gebouw of met dezelfde kleurschakering. b) dak met één of verschillende hellingen met materialen vergelijkbaar met die van het hoofdgebouw. x x
2 Elke andere carport die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervult x x
3 De verwijdering of de afbraak van de in punt 1 en 2 bedoelde carport voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x
4 De parkeerplaatsen in de open lucht en hun toegang tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) ze zijn gelegen in de omgeving van een legaal bestaand gebouw en vormen samen met dat gebouw een functionele eenheid; b) ze zijn verbonden met de openbare weg; c) ze bestaan uit waterdoorlatende en onderbroken materialen; d) zij hebben een maximale oppervlakte van 300,00 m2; e) zij vereisen geen significante wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3, punten 1° tot en met 5°, 7° tot en met 9°, 11°, 12° en 15°. x x
5 De andere dan in punt 4 bedoelde paden en parkeerplaatsen die in de open lucht en in de omgeving van een legaal bestaand gebouw of van een legaal bestaande installatie liggen en die daarmee een functionele eenheid vormen. x x G Tuinhuisje/berging 1 Slechts één tuinhuisje of berging per goed. Ligging: a) in de ruimtes van hoven en tuinen; b) ofwel niet-zichtbaar vanaf de openbare weg, ofwel gelegen aan de achterkant ten opzichte van de openbare toegangsweg. Ligging: minimum op 1,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte: 20,00 m2. Volumetrie: dak met één hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken of plat dak. Maximale hoogten: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: van hout of elk ander materiaal met een kleurschakering gelijk aan het gebouw of de omgeving waarop het betrekking heeft. x x
2 De tuinhuisjes of bergingen die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervullen. x x
3 De verwijdering of de afbraak van de in punt 1 en 2 bedoelde tuinhuisjes of bergingen voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x H Zwembad/zwemvijver 1 Opbouwzwembad of zelfdragend zwembad: Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: minimum op 1,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. x x
2 Geheel of gedeeltelijk ingegraven zwembad, alsook elke veiligheidsinrichting met een maximale hoogte van 2,00 m rond het zwembad: a) slechts één per goed; b) al dan niet overdekt door een lichte, uitschuifbare telescopische zwembadoverkapping waarmee de oppervlakte bedekt wordt voor zover de nokhoogte kleiner is dan 3,50 m; c) voor privé-doeleinden; d) de afgegraven aarde voor deze inrichtingen brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte (watervlak): 75,00 m2x x 2.1 Zwemvijver: a) slechts één per goed; b) niet overdekt; c) voor privé-doeleinden; d) de voor deze zwemvijver afgegraven aarde brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte (totale oppervlakte zwemgedeelte en filtergedeelte): 100,00 m2x x
3 De zwembaden of zwemvijvers die de in de punten 1, 2 en 2.1 bedoelde voorwaarden niet vervullen. x x
4 Het weghalen, de afbraak of de opvulling van de in de punten 1 tot 3 bedoelde zwembaden of zwemvijvers, voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving en voor zover de opvullingen met de vigerende wetgeving overeenstemmen. x x I Poel en vijver 1 Slechts één per goed. Ligging: buiten een locatie die erkend is krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud (met uitzondering van een beheermaatregel "BE5-verbindingsweide" of "B11-akkerland" en antropogene elementen in een Natura 2000-locatie). Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale wateroppervlakte: 100,00 m2. De afgegraven aarde voor deze inrichtingen brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Met uitzondering van poelen en vijvers in de ruimtes van hoven en tuinen moet het wateroppervlak door boombeplanting gedeeltelijk in de schaduw liggen. x x
2 De vijvers en poelen die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervullen. x x
3 De verwijdering of de opvulling van de vijvers en poelen bedoeld in punt 1 voor zover de opvullingen met de vigerende wetgeving overeenstemmen. x x J Inrichtingen, accessoires en meubilair 1 Het plaatsen van luifels, zonneschermen of daken van een terras op de begane grond, aangrenzend of geĂŻsoleerd. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen. Maximale hoogte: 3,50 m. Maximale totale oppervlakte van al deze inrichtingen: 40,00 m2. Ligging: minimum op 2,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. x x
2 Het plaatsen van in de bodem verankerd of ingebouwd tuinmeubilair zoals banken, tafels, stoelen, open haarden of barbecues, vuilnisemmers, compostbakken, pergola's of zuilen, plantenbakken, sierfonteinen, watertuinen, kinderspelletjes, structuren voor leibomen. Het plaatsen van lantaarn- en verlichtingspalen zodat de op de grond vallende lichtbundel van de lampen niet over de gemeenschappelijke grenzen heen straalt. De speel- en sportterreinen uit waterdoorlatende materialen en de apparaten die strikt nodig zijn voor het gebruik van die terreinen. Gelegen ofwel in de ruimtes van hoven en tuinen, ofwel in de omgeving van een gebouw gelegen in een voor bebouwing bestemd gebied dat een functionele eenheid vormt met dat gebouw. Maximale hoogte: 3,50 m. x x
3 De aanleg van paden van waterdoorlatende materialen en van terrassen in de omgeving van één of meerdere bouwwerken op grondniveau en die geen merkbare wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 vereist, met uitzondering van graveltuinen. x x 3.1 Aanleg van graveltuinen met maximaal 8 m2 bedekte tuinoppervlakte per tuin (buiten de wegen). x x 3.2 Aanleg van graveltuinen met een totale oppervlakte per tuin van meer dan 8 m2 (buiten de wegen). x x
4 Het plaatsen van plantenserres die een maximale oppervlakte van 20,00 m2 hebben. x x
5 Zolang ze het goed niet afbakenen: a) De aanleg van afsluitingen die bestaan uit met elkaar verbonden palen met draad of draadgaas met brede mazen, eventueel bevestigd op een betonplaat of een muurtje met een maximumhoogte van 0,70 m, ofwel uit met elkaar verbonden palen met horizontale dwarsstukken, ofwel uit palissades van hout, ofwel uit schanskorven met een maximale dikte van 20,00 cm en de installatie van deuren, poorten of hekjes met een maximale hoogte van 2,00 m b) de bouw en de wijziging van steunmuren, met inbegrip van schanskorven, met een maximale hoogte van 0,70 m; c) de bouw en de wijziging van muren met een maximale hoogte van 2,00 m die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg of die ten opzichte van de openbare toegangsweg aan de achterkant van het gebouw liggen. x x
6 De in de bodem verankerde of ingebouwde inrichtingen, accessoires, tuinmeubilair, niet bedoeld in de punten 1 tot 5 of die de in de punten 1 tot 5 bedoelde voorwaarden niet vervullen. x x
7 De afbraak, de verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 6 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x K Microwoningen in de zin van het Waals Wetboek van Duurzaam Wonen 1 De plaatsing van de geprefabriceerde of als kit geleverde microwoningen. x
2 De plaatsing van microwoningen niet bedoeld in punt 1 voor zover zij : a) zonder verdieping zijn; b) een oppervlakte van minder dan 40,00 m2 hebben; c) een maximale hoogte van 2,50 m onder een kroonlijst hebben, 3,50 m op de nok en, indien van toepassing, 3,20 m aan de dakopstand. x L Hernieuwbare energieën Modules voor de productie van elektriciteit of warmte 1 Het plaatsen van één of meer modules voor de productie van elektriciteit of warmte waarmee ieder bouwwerk, iedere installatie of ieder gebouw bevoorraad worden, gelegen op hetzelfde goed waarvan de energiebron hernieuwbaar is en waarbij wordt tegemoetgekomen aan één of meerdere van de volgende gevallen: Zonne-energie: a) indien de module(s) gevestigd is (zijn) op een hellend dak, is de projectie van het uitstekende deel op het verticale vlak kleiner dan of gelijk aan 0,30 meter en het verschil in hellingsgraad tussen de module en het dak van dat gebouw kleiner dan of gelijk aan 15 graden; b) indien de module(s) gevestigd is (zijn) op een plat dak, bedraagt het verticaal uitstekende deel maximum 1,50 meter en bedraagt de helling van de module maximum 35 graden; c) indien de module(s) gevestigd is (zijn) op een opgaande muur, bedraagt het horizontaal uitstekende deel tussen 1,20 meter en 1,50 meter en bedraagt de helling van de module tussen 25 en 45 graden; o Warmtepompen: a) in de grond; b) met een maximaal capaciteitsvolume van één m[00b3]; c) op minstens 15,00 m afstand van het volgende woongebouw gelegen of met een geluiddempende omkasting; d) niet zichtbaar vanaf de openbare toegangsweg. x x
2 Het plaatsen van één of meer modules voor de productie van elektriciteit of warmte uit een hernieuwbare energiebron waarmee op hetzelfde goed gelegen bouwwerken, installaties of gebouwen rechtstreeks bevoorraad worden en die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen. x x
3 De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 2 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x M Omheiningen 1 Het plaatsen van doorzichtige afsluitingen met een maximale hoogte van 2,00 m die ofwel bestaan uit palen die met elkaar verbonden zijn door draad of draadgaas en met eventueel een hoogstens 0,70 m hoge betonplaat of muur als basis, of die met elkaar verbonden zijn door houten verbindingselementen. De bouw of de wijziging van steunmuren van minder dan 0,70 m hoog, met inbegrip van schanskorven; Het plaatsen van deurtjes, hekjes of poorten met een maximumhoogte van 2,00 meter waardoor een breed gezicht op het goed mogelijk blijft. x x
2 Het plaatsen van afsluitingen, deurtjes, poorten of hekjes die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen of die niet bedoeld zijn in punt 1. x x
3 De bouw of de wijziging van steunmuren met een hoogte van meer dan 0,70 m of afsluitingsmuren in de omgeving van een legaal bestaand gebouw of een legaal bestaande installatie. x x
4 De afbraak of het weghalen van de in de punten 1 tot 4 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x N Hokken voor één of meerdere dieren met inbegrip van de bijenstallen en mestvloeren 1 Een of meerdere bijenstallen per goed. Onverminderd de toepassing van de bepalingen bedoeld in het Landbouwwetboek en de integrale voorwaarden genomen krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning x x
2 Een of meerdere hokken voor dieren per goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen. Ligging: a) minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen b) bij grote dieren op minimum 20,00 m van elke naburige woning c) bij grote dieren niet gelegen in de zichtlijn die loodrecht staat op de achtergevel van een naburige woning. Maximale totale oppervlakte van alle hokken voor dieren op het goed: 25,00 m2 voor één of meerdere hokken. Volumetrie: zonder verdieping; een dak met één helling, een dak met twee hellingen met dezelfde hellingsgraad en lengte of een plat dak. Maximale hoogte berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: hout of traliewerk of vergelijkbaar met de materialen van het bestaande hoofdgebouw. Onverminderd de toepassing van de bepalingen bedoeld in het Landbouwwetboek en de integrale en sectorale voorwaarden genomen krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning x x
3 De aanleg van een mestvloer. Gelegen ten minste 20,00 m van een andere woning dan die op het goed. Ligging: op een afstand van minimum 10,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Hoogte: op de begane grond. Maximale oppervlakte: 10,00 m2. x x 3.1 De aanleg van een mestvloer die de voorwaarden van punt 3 niet vervult. x x
4 De plaatsing of de bouw van hokken voor dieren die de voorwaarden van de punten 1 tot 2 niet vervullen. x x
5 De afbraak en het weghalen van de in de punten 1 en 4 bedoelde hokken, bijenkorven en mestvloeren voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x O Landbouwbedrijven 1 De bouw van geheel of gedeeltelijk ingegraven opslagsilo's, voor zover de bovenhoogte van de steunmuren niet meer dan 2,00 m boven het niveau van het natuurlijk bodemreliëf uitstijgt x x
2 De aanleg van een mestvloer. Gelegen op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant. Ligging: op een afstand van minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Hoogte: de bovenhoogte van de mestvloer of van de steunmuren bedraagt niet meer dan 2,00 m boven het niveau van het natuurlijke bodemreliëf. x x
3 Het plaatsen van geheel of gedeeltelijk ingegraven watertanks of giersilo's. Gelegen op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant en buiten het woongebied. Ligging: a) op minimum 10,00 m van elke bevaarbare of niet-bevaarbare waterloop; b) op minimum 3,00 m van het openbaar domein. Hoogte: De bovenhoogte van de steunmuren bedraagt niet meer dan 0,70 m. x x 3.1 Het plaatsen van een flexitank voor vloeibare mest, per bedrijf en per seizoen, voor een maximumduur van vier maanden, voor zover het goed na afloop van die termijn in zijn oorspronkelijke toestand hersteld wordt. x x 3.2 Het plaatsen van flexitanks voor vloeibare mest die de voorwaarden van punt 3.1 niet vervullen. x x
4 Het plaatsen van tunnelserres bestemd voor de teelt van de landbouw- en tuinbouwgewassen en die na de teelt worden weggehaald. x x
5 Anti-hagelnetten die een in de grond verankerde structuur impliceren en het plaatsen van tunnelserres die de in de punten 1 tot 4 bedoelde voorwaarden niet vervullen. x x
6 Het plaatsen van een installatie voor waterwinning in een niet-bevaarbare of niet-ingedeelde waterloop die uitsluitend bestemd is voor het drinken van vee x x 6.1 Het plaatsen van veepassages over onbevaarbare waterlopen, voor zover noch de bedding, noch de oever veranderd worden en voor zover een voorafgaande schriftelijke vergunning werd aangevraagd bij de beheerder van de waterloop en - in een krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend gebied - bij de luidens die wet bevoegde overheid. De passages dienen uitsluitend om vee te laten oversteken (geen machines). Maximale breedte: 3,00 m x x
7 De afbraak en het weghalen van de in de punten 1 tot 6 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x P Tijdelijke bouwwerken en installaties 1 De tijdelijke constructies voor de installatie van bouwplaatsen voor toegelaten handelingen en werken, met inbegrip van refters, onderkomens en sanitair evenals de ontvangstpaviljoenen, tijdens de duur van de handelingen en werken en voor zover de bouwplaats onafgebroken plaatsvindt. x x
2 Het plaatsen van installaties met een sociaal, cultureel, sportief of recreatief karakter met inbegrip van de desbetreffende parkeerplaatsen in de openlucht voor een maximumduur van negentig dagen voor zover het goed na afloop van die termijn in zijn oorspronkelijke toestand hersteld wordt. x x
3 De plaatsing van commerciële installaties, op het openbaar domein, of op het private domein op voorwaarde dat ze verbonden zijn met een bestaande activiteit, met inbegrip van de bijbehorende buitenparkeerplaatsen, voor een periode van maximaal zestig dagen, op voorwaarde dat de installaties voldoen aan de gemeentelijke en gewestelijke handleiding voor stedenbouw en dat op het einde van de periode het goed terugkeert in zijn oorspronkelijke staat. x x
4 Het tijdelijk plaatsen van installaties die nodig zijn om een ontheemde activiteit onder te brengen, voor de duur van de handelingen en werken waarvoor een vergunning vereist is, op voorwaarde dat de werkzaamheden ononderbroken worden voortgezet en dat na het verrichten van de handelingen en werken of het verstrijken van de vergunning de installaties worden verwijderd. x x
5 De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 4 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x Q Uithangborden en reclamezuilen 1 Het plaatsen van één of meer uithangborden of reclamezuilen x x
2 De verwijdering of het weghalen van de in punt 1 bedoelde uithangborden en reclamezuilen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x R Hoogzitten en uitkijkposten 1 In bosgebied, in gebied aanpalend aan bosgebied en in landbouwgebied, de houten of uit mat metaal gemaakte hoogzitten en andere uitkijkposten bedoeld in artikel 1, § 1, 9°, van de jachtwet van 28 februari 1882. Maximale bruikbare oppervlakte: 4,00 m2x x 1.1 Hoogzitten en uitkijkposten in bosgebied, in het gebied aanpalend aan het bosgebied en in landbouwgebied die de voorwaarden van punt 1 niet vervullen x x
2 De verwijdering van de hoogzitten en uitkijkposten bedoeld in punt 1 of punt 1.1 voor zover de afval voortvloeiend uit het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x S Bomen, hagen en wijziging van de beplanting 1 De bebossing of de ontbossing x x
2 Onverminderd artikel R.IV.4-4, de kerstbomenteelt x x
3 Voor zover artikel D.IV.4, eerste lid, 11°,een rol speelt: het kappen van een haag over een doorlopende lengte van minder dan 2,50 m om één enkele toegang tot een bestaande woning te creëren. x x
4 Het vellen van hoogstammige alleenstaande bomen, van een haag of het vellen van een, meerdere of alle bomen van een allee in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 11°. x x
5 Het vellen, het toebrengen van schade aan het wortelstelsel of de wijziging van het aspect van een waardevolle boom, struik of haag in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 12°. x x
6 Het rooien of wijzigen van de beplanting in elk gebied bedoeld in artikel R.IV.4-11. x x
7 Het vellen van bomen bedoeld in de punten 4 tot 6 dat het voorwerp uitmaakt van een besluit van de burgemeester genomen bij hoogdringendheid met het oog op het verzekeren van de openbare veiligheid. x x T Wijziging van het bodemreliëf 1 De merkbare wijziging van het bodemreliëf voor het boren of nemen van bodemmonsters in het kader van een geotechnisch onderzoek, een geologische prospectie- of bodemverontreinigingsonderzoek. x x
2 De merkbare wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 binnen een straal van 30,00 m van een legaal bestaande installatie. x x
3 Voor de uitvoering van een actieprogramma voor rivieren door middel van een geïntegreerde en sectorale aanpak als bedoeld in artikel D. 33/3 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt: a) opvulmateriaal of uitgegraven materiaal dat niet meer dan 50,00 centimeter hoog is en dat zich op een maximale afstand van 6,00 m van de top van de oever van een waterloop bevindt, ook in gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat; b) het storten en verspreiden van producten die het gevolg zijn van de ruimingswerken van een waterloop x x U Gebruik van een terrein voor opslag en voor mobiele installaties 1 Gewoonlijk grond gebruiken voor het plaatsen van één of meer mobiele installaties in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 15°, b), om een "ruimte voor de ontvangst op de hoeve'' in de zin van artikel 252/1.D van het Waalse Wetboek van Toerisme te creëren, met inbegrip van de installatie of de transformatie van de grondleidingen die nodig zijn voor het onderhoud van het terrein, op voorwaarde dat deze in overeenstemming is met het decreet en de reglementaire vereisten van het gewestplan. x x
2 Een terrein doorgaans gebruiken voor: a) de opslag van één of meer afgedankte wagens, schroot, materialen of afvalstoffen; b) de plaatsing van één of meer mobiele installaties, zoals woonwagens, caravans, afgedankte voertuigen en tenten, met uitzondering van mobiele installaties die door een vergunning bedoeld in het Waalse Wetboek van Toerisme, het decreet van 4 maart 1991 betreffende de voorwaarden voor het exploiteren van caravanterreinen of het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 9 mei 1994 zijn toegelaten. x x V Structuur die als toeristische en vrijetijdslogies dient 1 De plaatsing van één of meerdere mobiele kampeerverblijven in de zin van artikel 1 D, 2° van het Waalse Wetboek van Toerisme, tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het mobiele kampeerverblijf heeft een maximale oppervlakte van 50,00 m2; b) de plaatsing of constructie ervan vereist geen belangrijke wijziging van het bodemreliëf; c) het is gelegen : - in een toeristisch kampeerterrein of in een kampeerterrein op de hoeve dat is toegestaan volgens het Waalse Wetboek van Toerisme; - in een caravanterrein dat is toegestaan krachtens het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 betreffende de voorwaarden voor het exploiteren van caravanterreinen; - in een camping die is toegestaan krachtens het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 9 mei 1994 over de campings en kampeerterreinen. x x
2 De bouw van een terras met of zonder balustrade dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 249 BWR, eerste lid, 3° en tweede lid van het Waalse Wetboek van Toerisme op een toeristisch kampeerterrein. x x
3 De bouw van blokhutten of het plaatsen van tenten, tipi's, joerten en luchtbellen in een bosgebied. x x
4 Het weghalen of de afbraak van de in de punten 1 tot 3 bedoelde toeristische of vrijetijdslogies, terrassen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x W Handelingen en werken op het openbaar domein van de weg, spoorwegen en waterlopen 1 Voor zover de wegbedding niet verbreed wordt, de hernieuwing van de funderingen en de verharding van de wegen, bermen, boorden, trottoirs, eilandjes en openbare plaatsen uitgezonderd de veranderingen van verhardingen bestaande uit natuursteen en, voor openbare plaatsen, voor zover dat de handelingen en werken niet leiden tot een toename van de oppervlakte van de verhardingen van ondoordringbaar materiaal. x x
2 De plaatsing, de hernieuwing, de verplaatsing of de verwijdering van de bijkomende elementen zoals de radarinstallaties, relingen, de beveiligingsconstructies en de schampranden, met uitzondering van de steunmuren en de geluidsschermen. x x
3 De plaatsing, de verplaatsing, de verbouwing, de uitbreiding, of de verwijdering van vloeistofnetwerken (met een druk van ten hoogste 20 bar voor gas), energie (met een spanning van ten hoogste 70 KV voor elektriciteit) en telecommunicatienetwerken die in het publieke domein zijn aangebracht, verankerd, ondersteund of overhangend, met inbegrip van privé-aansluitingen, hulpelementen en bijbehorende uitrusting zoals palen, technische kasten, pylonen en palen met een maximale hoogte van 14,00 meter. x x
4 De tijdelijke weginrichtingen met een maximale duur van vijf jaar. x x
5 De werken voor de aanleg van ruimten voor voetgangers, personen met een verminderde beweeglijkheid of fietsers en waarbij de plaatselijke creatie of verruiming van die ruimten, de verbetering van hun esthetisch aspect of de veiligheid van de gebruikers wordt beoogd, ongeacht of deze werkzaamheden al dan niet leiden tot een versmalling van de wegbedding. x x
6 Het plaatsen of vernieuwen van klein stadmeubilair zoals banken, tafels, stoelen, vuilnisemmers, lantaarn- en verlichtingspalen, plantenbakken, fonteintjes, elektrische aansluitpunten, containers, al dan niet ingegraven en bestemd voor de ophaling van huishoudelijke en daarmee gelijkgestelde afval. x x
7 De werken voor de inrichting van de ruimtes bestemd voor de beplantingen. x x
8 De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van de signalisatie-elementen : a) de verkeersborden, met inbegrip van de steunstructuren en portalen, evenals van de bescherming ervan tegenover het verkeer; b) de vaste of mobiele installaties waarbij het verkeer, het parkeren of de snelheid beperkt worden; c) de installaties voor de controle op het parkeren zoals parkeermeters of parkeerautomaten; d) de niet-overdekte installaties voor het parkeren van tweewielers; e) de bijkomende technische al dan niet ondergrondse installaties zoals kasten voor de elektrische bediening van verkeerslichten of van de openbare verlichting, praatpalen, brandpalen en bedieningskasten voor teledistributie. x x
9 De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van inrichtingen voor de openbare verlichting. x x
10 Voor zover ze niet onderworpen worden aan de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende de beschermde gebieden van sommige gemeente inzake stedenbouw, de plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van de volgende reclameborden: a) de aanplakzuilen waarvan de schacht met een diameter van maximum 1,20 m beperkt blijft tot 3,50 m hoogte; b) de aanplakborden op voeten waarvan de maximale hoogte en breedte respectievelijk niet meer dan 2,50 m en 1,70 m bedragen en waarvan de bruikbare oppervlakte niet meer dan 4 m2 per vlak bedraagt. x x
11 Het aanbrengen of de wijziging van de wegmarkeringen. x x
12 De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van verkeersdrempels. x x
13 Het aanbrengen, verwijderen of hernieuwen van funderingen en inrichtingen voor het gebruik van de wegen en de openbare vervoerslijnen zoals rails, verbindingen, ballast, palen van bovenleidingen, signalen, portieken, hokjes, bedieningskasten voor verkeersborden of palen voor bus- of tramhaltes voor reizigers. x x
14 Het plaatsen van een seizoensgebonden openluchtterras in de horecasector. x x
15 De hokjes voor de reizigers bij de haltes van het openbaar vervoer. x x
16 De plaatsing of de verplaatsing van brievenbussen. x x
17 De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van beelden, gedenktekens en andere kunstwerken geplaatst door de overheid of op bevel van de overheid. x x
18 Het aanleggen, vernieuwen of verwijderen van kunstwerken voor de bescherming van de oevers in een niet-bevaarbare waterloop, met uitzondering van gemetselde muren, op een lengte van niet meer dan 100,00 m en een maximale hoogte van 2,00 m. x x X Riolering, leiding en netten buiten het openbaar domein van de weg, spoorwegen en waterlopen, boringen en waterwinningen 1 Het plaatsen, de verplaatsing, de wijziging van privé-aansluitingen, met inbegrip van de technische kasten, op ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen, alsook het plaatsen, de verplaatsing, de wijziging van ondergrondse water- of brandstoffenopslagtanks, straatkolken, zakputten, straatgoten, inspectieputten, deksels en septische tanken en ieder ander individueel zuiveringssysteem tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) de eventuele afgegraven aarde voor deze inrichtingen brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het eigendom; b) die inrichtingen hebben betrekking op de infrastructuur die noodzakelijk is voor het aanleggen van het goed en zijn uitsluitend gelegen op bedoeld goed. x x
2 De privé-aansluitingen, met inbegrip van de technische kasten, op ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen, evenals het plaatsen van ondergrondse water- of brandstoffenopslagtanks, straatkolken, zakputten, straatgoten, inspectieputten, deksels en septische tanken en ieder ander individueel zuiveringssysteem die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen. x x
3 Het plaatsen van bovengrondse tanks. x x
4 De invoering of de versterking van ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen in een reeds ingerichte technische locatie tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) de ontworpen werken zijn eigen aan de functie van de locatie; b) de bestaande installaties, gebouwen, bouwwerken en bedekking zijn legaal; c) de werken beogen de bouw van een gebouw niet; d) de grondinneming beperkt de bestaande isoleringsomtrekken of voorzieningen niet. x x
5 De boringen van putten of waterwinningen. x x
6 In de niet-bebouwingsgebieden, en voor zover geen vergunning vereist is in de zin van artikel R.IV.4-3, eerste lid, 6°, het aanleggen of wijzigen van een drainagesysteem voor zover het terrein niet gelegen is in een locatie erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van de Natura 2000-locaties, of blootgesteld aan een groot natuurrisico of grote geotechnische druk zoals bedoeld in artikel D.IV.57, 3°. x x
7 De installatie, de verplaatsing, de wijziging of de uitbreiding van ingebouwde, verankerde ondergrondse of bovengrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen en de bijkomende en bijbehorende uitrustingen wanneer ze buiten het openbare domein gelegen zijn. x x
8 Het weghalen van de in de punten 1 tot 7 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x Y Telecommunicatie, kabeltelevisie, glasvezel, gas, elektriciteit 1 De vervanging van technische installaties of technische kasten door technische installaties of technische kasten van een kleiner of gelijkwaardig volume. x x
2 De vervanging van bestaande antennes door antennes met een gelijke, of kleinere of grotere afmeting op voorwaarde dat de totale hoogte van de mast niet verhoogd wordt en dat de nieuwe antennes een maximale hoogte van 3,00 m hebben. x x
3 De vervanging van een pyloon of een bestaande paal door een zo hoge pyloon of paal van hetzelfde type geĂŻnstalleerd op dezelfde locatie. x x
4 De plaatsing van een technische kast op een plat dak, op voorwaarde dat ze vanaf de weg niet-zichtbaar is, dat ze gelegen is op een afstand van minstens een anderhalf keer de hoogte van de kast vanaf de dakopstand. x x
5 De plaatsing of de vervanging van technische kasten naast een pyloon of een paal geplaatst op de bodem of in een technisch lokaal gelegen in de nabijheid van een mast geplaatst op een dak. x x
6 De aanleg van technische installaties om de stabiliteit en de veiligheid van bestaande installaties evenals hun goede werking te verzekeren. x x
7 De plaatsing van antennes of radiogolven, technische kasten en installaties tijdens culturele, sport-, recreatie- of commerciële evenementen, geplaatst voor een maximale duur van 90 dagen op voorwaarde dat deze antennes of golven, kasten en installaties niet meer dan 15 dagen voor het begin van het evenement geplaatst worden en dat ze uiterlijk 15 dagen na het einde van het evenement weggehaald worden. x x
8 De verplaatsing en/of de heropbouw van antennes of radiogolven, ingebouwde, verankerde ondergrondse of bovengrondse leidingen en van technische kasten en installaties om dringende redenen, om redenen van veiligheid of openbaar belang onvoorzienbaar uit hoofde van de beheerder, de tijd nodig om alle vereiste vergunningen voor de verplaatsing en/of de heropbouw van de locatie te krijgen. x x
9 De tijdelijke verplaatsing van een bestaande installatie om de continuĂŻteit van de diensten te verzekeren in geval van werken uitgevoerd door de eigenaar van de oorspronkelijke structuur voor de uitsluitende duur van de werken. x x
10 De plaatsing van installaties zoals antennes, radiogolven, technische kasten en installaties voor zover ze gelegen zijn binnen gebouwen, bouwwerken of bestaande structuren of overdekt met materialen die lijken op de bestaande materialen. x x
11 De plaatsing van radiogolven met een maximale diameter van 90,00 cm op een bestaande pyloon of een legaal bestaande mast op een dak. x x 11.1 Plaatsen van draadloze toegangspunten met klein bereik die volledig en veilig in hun draagconstructie geĂŻntegreerd worden en dus onzichtbaar zijn voor het publiek. x x 11.2 Plaatsen van draadloze toegangspunten met klein bereik die aan volgende voorwaarden voldoen: a) Het totale volume van het voor het grote publiek zichtbare deel van een draadloos toegangspunt met klein bereik voor gebruik door een of meer radiospectrumgebruikers bedraagt maximaal 30 liter; b) Het totale volume van de voor het grote publiek zichtbare delen van meerdere afzonderlijke draadloze toegangspunten met klein bereik die een infrastructuurlocatie met een afzonderlijk begrensd oppervlak delen, zoals een lantaarnpaal, een verkeerslicht, een reclamebord of een bushalte, bedraagt maximaal 30 liter; c) Indien het antennesysteem en andere onderdelen van het draadloze toegangspunt met klein bereik, zoals een radiofrequentie-eenheid, een digitale processor, een opslageenheid, een koelsysteem, stroomvoorziening, bekabeling, backhaulonderdelen of onderdelen voor aarding en bevestiging, afzonderlijk worden geĂŻnstalleerd, wordt elk gedeelte daarvan dat het maximale volume van 30 liter overschrijdt, aan het zicht van het grote publiek onttrokken; d) Het draadloze toegangspunt met klein bereik is visueel consistent met de draagconstructie, heeft een omvang die in verhouding staat tot de totale omvang van de draagconstructie, een coherente vorm, neutrale kleuren die passen bij of overgaan in de draagconstructie, en verborgen kabels, en is visueel niet storend in combinatie met andere draadloze toegangspunten met klein bereik die al zijn geĂŻnstalleerd op dezelfde locatie of op aangrenzende locaties; e) Het gewicht en de vorm van een draadloos toegangspunt met klein bereik vereisen geen structurele versterking van de draagconstructie; Draadloze toegangspunten met klein bereik waarvan het equivalent isotropisch uitgestraald vermogen 10 watt bedraagt, mogen bovendien alleen worden geĂŻmplementeerd in de buitenruimte of in grote binnenruimten met een minimale plafondhoogte van vier meter, waarbij het laagste uitstralende onderdeel van de antenne zich in een publiek toegankelijke ruimte op ten minste 2,2 meter hoogte moet bevinden. x x
12 Het plaatsen van een radio- en televisie-antenne of radiogolven (parabolische antenne of paneelantenne). Ligging: * ofwel verankerd op een opgaande muur aan de achterkant van het gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg of minstens 4,00 m achter de rooilijn * ofwel verankerd in de grond of op een dakdeel en gevestigd aan de achterkant van het gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg. Maximale oppervlakte: 1,00 m2. Materialen: de antenne vertoont een kleurschakering die gelijk is aan die van haar draagbasis. x x
13 Het plaatsen van een radio- en televisie-antenne of radiogolven (parabolische antenne of paneelantenne). Ligging: op een plat dak. Maximale hoogte: 5,00 meter, met inbegrip van de steun, en de hoogte is kleiner dan de afstand tussen de installatie en de dakopstand. Maximale oppervlakte: 1,00 m2. x x
14 Het plaatsen van een in de punten 1 of 2 bedoelde antenne die de voorwaarden bedoeld in de punten 1 of 2 niet vervult. x x
15 De plaatsing van antennes en van de behuizing voor radiomodules op afstand op een bestaande pyloon verankerd op de bodem of op legaal bestaande mast op een dak op voorwaarde dat de afstand maximum 1 m is in het geval van een pyloon en maximum 40 cm in het geval van een mast en dat de hoogte van de pyloon of van de mast niet overschreden is. x x
16 De plaatsing van antennes tegen een bestaande gevel met maximum één antenne ( met inbegrip van de actieve elementen die nodig zijn voor de aansluiting ervan), over zes strekkende gevelmeters, of op een bestaande puntgevel met maximum één antenne per puntgevel, of op een schoorsteen op voorwaarde dat die antennes een kleur gelijk aan de bedekking van de gevel of van de puntgevel heeft. x x
17 De plaatsing van antennes op het plat dak of het plat gedeelte van het dak van een gebouw op voorwaarde dat ze een maximale hoogte van 3 meter, met inbegrip van de steun, hebben, dat die hoogte kleiner is dan de afstand tussen de installatie en de lagere kant of de rand van het dak of de dakopstand en dat het gebouw minstens 12,00 m hoog is. x x
18 De plaatsing op de gevel of bovengronds van elektronische of numerieke communicatiekabels en leidingen en van verbindingsdozen voor zover de kleur neutraal en discreet is en voor zover het tracé van de kabel de bouwkundige lijnen van de woning volgt, zoals de raamdorpel, de kroonlijst, de verbindingen tussen de gevels, de lagere kant of de rand van het dak, de dakopstand. x x
19 De plaatsing van de antenne van een radioamateur in de zin van het ministerieel besluit van 9 januari 2001 betreffende het aanleggen en het doen werken van radiostations door radioamateurs. x x
20 Het plaatsen op het openbaar domein van steunen met een maximale diameter van 30,00 cm en een maximale hoogte van 8,00 meter voor technische telecommunicatieapparatuur en antennes, met inbegrip van radiogolven met een maximale diameter van 90,00 cm, met een afstand van niet meer dan 40,00 cm. x x
21 De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 tot 20 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x Z Militaire domeinen 1 De uitvoering van defensieve werken van operationele aard of die strategisch geheim moeten blijven, ten behoeve van het ministerie van Defensie en waarvan de lijst gezamenlijk wordt opgesteld door de Minister van Defensie en de Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening x x
|  | " Actes/ Travaux/Installations |  | Description/Caractéristiques | Sont exonérés du permis d'urbanisme | Sont d'impact limité | Ne requiÚrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte |
| A | Modification de l'enveloppe d'un bĂątiment (isolation, Ă©lĂ©vations, toiture, baies) | 1 | a) les matĂ©riaux prĂ©sentent le mĂȘme aspect extĂ©rieur; b) l'accroissement d'Ă©paisseur n'excĂšde pas 0,30 m; c) lorsque le bien est soumis aux dispositions du guide rĂ©gional d'urbanisme relatives aux zones protĂ©gĂ©es de certaines communes en matiĂšre d'urbanisme ou relatives aux bĂątisses en site rural, ou aux articles R.II.36-6 Ă R.II.36-9, D.II.37, § 4, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 Ă R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, les couleurs et les matĂ©riaux sont conformes aux indications et prescriptions concernĂ©es. | x |  | x |
  |  | 2 | Le placement de matériaux de couvertures de toiture photovoltaïques ou le remplacement de matériaux de couvertures de toiture, photovoltaïques ou non, par des matériaux de couvertures de toiture photovoltaïques pour autant que, lorsque le bien est soumis aux articles R.II.36-6 à R.II.36-9, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 à R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, les couleurs soient conformes aux indications et prescriptions concernées. | x |  | x |
  |  | 3 | La réalisation de façade(s) végétale(s) non visible(s) depuis la voirie publique ou de toiture(s) végétale(s) sur une construction ou une installation existante. | x |  | x |
  |  | 4 | La pose d'une peinture ou d'un enduit sur une construction existante qui a pour effet la modification du volume construit ou l'aspect architectural. |  | x | x |
  |  | 5 | Le placement ou le remplacement de matériaux de parements d'élévation et de couvertures de toiture par des matériaux de parements qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 3. |  | x | x |
  |  | 6 | Le remplacement de portes ou de chùssis, en élévation ou en toiture, par des portes ou des chùssis visant à atteindre les normes énergétiques en vigueur. | x |  | x |
  |  | 7 | L'obturation, l'ouverture ou la modification de baies situĂ©es dans le plan de la toiture, sur maximum un niveau et totalisant au maximum un quart de la longueur de la façade ou toiture correspondante, pour autant que l'obturation ou la modification soit effectuĂ©e dans les mĂȘmes matĂ©riaux que ceux de la toiture. | x |  | x |
  |  | 8 | L'obturation, l'ouverture ou la modification de portes ou de baies totalisant au maximum un quart de la longueur de l'Ă©lĂ©vation correspondante, dans la mesure oĂč les conditions cumulatives suivantes sont remplies : a) l'obturation, l'ouverture ou la modification n'est pas effectuĂ©e sur une Ă©lĂ©vation situĂ©e Ă l'alignement et/ou dont le plan est orientĂ© vers la voirie de desserte publique du bĂątiment principal concernĂ©; b) l'obturation ou la modification est effectuĂ©e avec les mĂȘmes matĂ©riaux de parement que ceux de l'Ă©lĂ©vation; c) chaque ouverture ou modification s'Ă©tend sur maximum un niveau; d) lorsque le bien est soumis Ă un guide rĂ©gional ou communal d'urbanisme, les actes et travaux sont conformes Ă ce guide. | x |  | x |
  |  | 9 | L'obturation, l'ouverture ou la modification de portes ou de baies totalisant (toutes les ouvertures d'un mĂȘme niveau) au maximum un quart de la longueur de la façade ou toiture correspondante et qui ne remplissent pas les conditions visĂ©es aux points 7 et 8. |  | x | x |
  |  | 10 | Le placement ou le remplacement de cheminées ou de conduits de cheminée, de gouttiÚres ou de tuyaux de descentes d'eau de pluie, de systÚmes d'évacuation pour des installations telles que hotte, chaudiÚre, pour autant que, lorsque le bien est soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matiÚre d'urbanisme ou relatives aux bùtisses en site rural, les actes et travaux soient conformes au guide. | x |  | x |
  |  | 11 | Le placement ou le remplacement des éléments visés au point 10 qui ne remplissent pas les conditions. |  | x | x |
  |  | 12 | La démolition ou l'enlÚvement des éléments visés aux points 10 et 11 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
| B | Transformation d'une construction existante | 1 | Le remplacement de la structure portante d'une toiture sans modification du volume construit et pour autant que les points A1 et A7 soient respectés. | x |  | x |
  |  | 2 | La transformation sans agrandissement d'une construction existante en vue de créer une ou plusieurs piÚces non destinées à l'habitation, pour autant que, le cas échéant, les actes et travaux soient repris aux points A1, A2, A3, A6, A7, A8 et A10. | x |  | x |
  |  | 3 | La transformation sans agrandissement d'une construction existante non visée aux points 1 et 2 et qui ne portent pas atteinte à la structure portante de la construction. |  | x | x |
  |  | 4 | La transformation avec agrandissement conforme aux prescriptions décrétales et rÚglementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme d'une construction existante en vue de créer une piÚce non destinée à l'habitation, aux conditions cumulatives suivantes : a) un seul volume annexe par bien, et le bien ne compte pas plus d'une véranda; b) l'extension est d'une emprise au sol inférieure ou égale à 40,00 m2 et est : i) soit un volume annexe sans étage, ni sous-sol; ii) soit la prolongation du volume principal, et l'ensemble formé est sans étage, ni sous-sol; c) l'extension est effectuée dans des matériaux de tonalité similaire à ceux de la construction existante; d) l'extension est implantée à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne. | x |  | x |
  |  | 5 | La transformation d'une construction existante qui répond aux conditions cumulatives reprises au point 4 et qui n'est pas conforme aux prescriptions décrétales et rÚglementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme. |  |  | x |
  |  | 6 | Le placement d'un escalier extérieur. |  | x | x |
  |  | 7 | Le placement d'une installation d'aération ou de climatisation |  | x | x |
  |  | 8 | La transformation d'une construction existante autre que celles visées aux points 1 à 7 pour autant que l'emprise au sol de l'ensemble formé soit au maximum doublée et que la hauteur sous corniche et/ou la hauteur de l'attique du bùtiment existant ne soit pas dépassée. |  | x |  |
  |  | 9 | La démolition ou l'enlÚvement d'un volume annexe, d'un escalier extérieur ou d'un appareil de conditionnement d'air, pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
| C | Véranda | 1 | Conforme aux prescriptions décrétales et rÚglementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme. Seulement une par bien, et le bien ne compte pas plus d'un volume annexe. Situation : érigée en contiguïté avec un bùtiment existant, à l'arriÚre de ce bùtiment par rapport à la voirie de desserte. Implantation : à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne. Superficie maximale de 40,00 m2. Volumétrie : sans étage; toiture plate ou à un ou plusieurs versants. Hauteurs maximales calculées par rapport au niveau naturel du sol et pour autant que le niveau de gouttiÚre soit inférieur au niveau de gouttiÚre du volume principal et que les conditions suivantes soient respectées : a) 3,00 m sous corniche; b) 5,00 m au faßte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : structure légÚre et parois majoritairement en verre ou en polycarbonate tant en élévation qu'en toiture | x |  | x |
  |  | 2 | La construction d'une véranda d'une superficie maximale de 40,00 m2 qui ne remplit pas les conditions visées au point 1. |  | x | x |
  |  | 3 | La démolition d'une véranda pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
| D | Création d'un ou de plusieurs logements | 1 | La création d'un logement dans un bùtiment pour autant que les actes et travaux de transformation ne requiÚrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte. |  | x | x |
  |  | 2 | La création d'un logement qui ne remplit pas les conditions visées au point 1 ou la création de plusieurs logements dans un bùtiment. |  | x |  |
| E | Placement d'installations techniques et construction ou reconstruction d'un volume secondaire tels que : * garage, * atelier, * pool house, * dalle de stockage * bùtiments préfabriqués, etc. | 1 | Conforme aux prescriptions décrétales et rÚglementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme. Un seul volume secondaire par bien. Non destiné à l'habitation. Situation : * Sauf lorsqu'il s'agit d'un volume destiné à un véhicule motorisé, il est érigé à l'arriÚre d'un bùtiment existant. * Lorsqu'il s'agit d'un volume destiné à un véhicule motorisé, ce volume est en relation directe avec la voirie publique et le plan de l'élévation à rue du volume secondaire n'est pas situé au-delà du plan de l'élévation arriÚre du bùtiment principal. Implantation : à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne. Superficie maximale : 40,00 m2. Volumétrie : sans étage; toiture plate ou à un ou plusieurs versants. Hauteurs maximales calculées par rapport au niveau naturel du sol et pour autant que le niveau de gouttiÚre ou d'attique corresponde au niveau de gouttiÚre ou d'attique du volume principal et que les conditions cumulatives suivantes soient respectées : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faßte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : bois pour les élévations ou tout autre matériau de tonalité similaire à ceux du bùtiment principal. | x |  | x |
  |  | 2 | Placement, transformation, agrandissement d'une installation technique au sens de l'article R.IV.1-2, alinéa 2, en ce compris un encuvement, qui forme une unité fonctionnelle avec l'entreprise existante. Trois maximum par bien. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) dans un rayon de 30,00 m d'une installation ou d'une construction existante dument autorisée; c) à 20,00 m au moins de tout logement autre que celui de l'exploitant; d) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; e) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; f) en dehors du périmÚtre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; g) travaux n'impliquant pas d'abattage d'arbre, de haie ou d'allée au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale : la superficie totale cumulée du placement et de l'agrandissement des installations techniques dispensée de permis est inférieure à 100,00 m2. Hauteur : maximum 10,00 m et inférieure à celle du bùtiment le plus haut situé sur le bien. | x |  | x |
  |  | 3 | Construction, transformation, agrandissement d'un bùtiment ou placement ou déplacement de bùtiments préfabriqués, en ce compris l'escalier extérieur, non destiné à l'habitation et formant une unité fonctionnelle avec l'entreprise existante. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) dans un rayon de 30,00 m d'une installation ou d'une construction existante dument autorisée; c) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; d) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; e) en dehors du périmÚtre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; f) travaux n'impliquant pas l'abattage d'arbres, de haies ou d'allées au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale: la superficie totale cumulée de la construction, de l'agrandissement et du bùtiment préfabriqué dispensée de permis est de 75,00 m2. Volumétrie : un étage maximum, toiture plate ou à un ou plusieurs versants. Hauteur maximale de l'attique ou du faßte : 7,00 m et inférieure ou égale à celle du bùtiment le plus haut situé sur le bien. Matériaux : de tonalité similaire avec ceux des bùtiments existants. | x |  | x |
  |  | 4 | L'établissement d'une dalle de stockage pour autant qu'il n'implique aucune modification sensible du relief du sol. Une seule dalle de stockage par bien. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; c) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; d) en dehors du périmÚtre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; e) travaux n'impliquant pas l'abattage d'arbres, de haies ou d'allées au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale : 75,00 m2. | x |  | x |
  |  | 5 | La construction d'un volume secondaire ou le placement d'une installation technique non visé(e) au point 1 à 4 ou qui ne remplit pas les conditions visées aux points 1 à 4, non destinée à l'habitation et qui forme une unité fonctionnelle avec une construction ou un ensemble de constructions existant pour autant que l'emprise au sol de l'ensemble formé soit au maximum doublée. |  | x | x |
  |  | 6 | La démolition ou l'enlÚvement d'un volume secondaire, d'une installation technique, d'une construction ou d'un bùtiment préfabriqué visés aux points 1 à 5 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
| F | Carport, accĂšs et parcage | 1 | Un seul carport par bien. Situation : a) en relation directe avec la voirie de desserte publique; b) le plan de l'Ă©lĂ©vation Ă rue du carport ne peut ĂȘtre situĂ© au-delĂ du plan de l'Ă©lĂ©vation arriĂšre du bĂątiment principal. Superficie maximale : 40,00 m2 VolumĂ©trie : toiture plate ou Ă un ou plusieurs versants Hauteurs maximales : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faĂźte; c) le cas Ă©chĂ©ant, 3,20 m Ă la hauteur de l'attique. MatĂ©riaux : a) structure constituĂ©e de poteaux en bois, en bĂ©ton, mĂ©talliques ou de piliers en matĂ©riaux similaires au parement du bĂątiment existant ou d'une tonalitĂ© similaire Ă ceux-ci; b) toiture Ă un ou plusieurs versants en matĂ©riaux similaires Ă ceux du bĂątiment principal. | x |  | x |
  |  | 2 | Le carport autre qui ne remplit pas les conditions visées au point 1. |  | x | x |
  |  | 3 | L'enlÚvement ou la démolition d'un carport visé aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
  |  | 4 | Les emplacements de stationnement en plein air ainsi que leurs accÚs aux conditions cumulatives suivantes : a) ils sont situés aux abords d'un bùtiment existant dument autorisé et forment une unité fonctionnelle avec celui-ci; b) ils sont reliés à la voirie de desserte publique; c) ils sont constitués en matériaux perméables et discontinus; d) ils présentent une superficie maximale de 300 m2; e) ils ne nécessitent pas de modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3, points 1° à 5°, 7° à 9°, 11°, 12° et 15°. | x |  | x |
  |  | 5 | Les chemins et emplacements de stationnement en plein air aux abords d'une construction ou d'une installation existante dument autorisée et formant une unité fonctionnelle avec celle-ci, autres que ceux visés au point 4. |  | x | x |
| G | Abri de jardin/Remise | 1 | Un(e) seul(e) abri de jardin/remise par bien. Situation : a) dans les espaces de cours et jardins; b) soit non visible depuis la voirie publique, soit situé(e) à l'arriÚre du bùtiment par rapport à la voirie de desserte publique. Implantation : à 1,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale : 20,00 m2. Volumétrie : toiture à un ou plusieurs versants ou toiture plate. Hauteur maximale : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faßte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : en bois ou tout autre matériau de tonalité similaire avec le bùtiment ou le milieu dans lequel il s'intÚgre. | x |  | x |
  |  | 2 | Les abris de jardin ou les remises qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. |  | x | x |
  |  | 3 | L'enlÚvement ou la démolition des abris de jardins ou remises visés aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
| H | Piscine/Etang de baignade | 1 | Hors sol ou autoportante : Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : Ă 1,00 m au moins des limites mitoyennes. | x | Â | x |
  |  | 2 | Enterrée partiellement ou complÚtement, ainsi que tout dispositif de sécurité d'une hauteur maximale de 2,00 m entourant la piscine : a) une par bien; a) non couverte ou couverte par un abri télescopique à structure légÚre et repliable qui en recouvre la surface pour autant que la hauteur du faßte soit inférieure à 3,50 m; c) à usage privé; d) les déblais nécessaires à ces aménagements n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : le plan d'eau est situé à 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale (plan d'eau) : 75,00 m2 | x |  | x |
|  |  | 2.1 | Etang de baignade : a) un seul par bien; b) non-couvert; c) à usage privé; d) les déblais nécessaires à cet étang de baignade n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : le plan d'eau est situé à 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale (zone de baignade + zone de lagunage) : 100,00 m2 | x |  | x |
  |  | 3 | Les piscines et étangs de baignade qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1, 2 et 2.1. |  | x | x |
  |  | 4 | L'enlÚvement, la démolition ou le remblaiement de piscines et étangs de baignade visés aux points 1 à 3 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur et que les remblais soient conformes à la législation en vigueur. | x |  | x |
| I | Mare et Ă©tang | 1 | Un(e) seul(e) par bien. Situation : en dehors d'un site reconnu en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 (Ă l'exception d'une mesure de gestion " UG5-prairie de liaison " ou " UG11-terre de cultures et Ă©lĂ©ments anthropiques " dans une zone Natura 2000). Implantation : le plan d'eau est situĂ© Ă 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale : 100,00 m2. Les dĂ©blais nĂ©cessaires Ă ces amĂ©nagements n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Sauf les mares et Ă©tangs dans les espaces de cours et jardins, le plan d'eau doit ĂȘtre partiellement ombragĂ© par la plantation d'arbres. | x |  | x |
  |  | 2 | Les étangs et mares qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. |  | x | x |
  |  | 3 | La suppression ou le remblaiement des étangs et mares visés au point 1 pour autant que les remblais soient conformes à la législation en vigueur. | x |  | x |
| J | Aménagements, accessoires et mobiliers | 1 | Le placement d'auvents, de tentes solaires ou de couvertures d'une terrasse située au niveau du sol, accolés ou isolés. Situation : dans les espaces de cours et jardins. Hauteur maximale : 3,50 m. Superficie maximale totale de l'ensemble de ces aménagements : 40,00 m2. Implantation : à 2,00 m au moins des limites mitoyennes. | x |  | x |
  |  | 2 | Le placement de mobilier de jardin ancré au sol ou enterré, tel que bancs, tables, siÚges, feux ouverts ou barbecues, poubelles, compostiÚres, pergolas, colonnes, bacs à plantations, fontaines décoratives, bassins de jardin, jeux pour enfants, structures pour arbres palissés. Le placement de candélabres et de poteaux d'éclairage, de maniÚre telle que le faisceau lumineux issu de lampes reporté au sol n'excÚde pas les limites mitoyennes. Les aires de jeux et de sport en matériaux perméables et les appareillages strictement nécessaires à leur pratique. Situation : soit dans les espaces de cours et jardins, soit aux abords d'une construction située dans une zone destinée à l'urbanisation et formant une unité fonctionnelle avec cette construction. Hauteur maximale : 3,50 m. | x |  | x |
  |  | 3 | La création de chemins en matériaux perméables et de terrasses, aux abords d'une ou plusieurs constructions existantes, au niveau du sol et qui ne requiert pas de modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3, à l'exception des rocailles. | x |  | x |
|  |  | 3.1 | La création de rocailles, d'une surface de jardin maximale de 8 m2 (hors chemins). | x |  | x |
|  |  | 3.2 | La création de rocailles d'une surface totale de jardin dépassant les 8 m2 (hors chemins). |  | x | x |
  |  | 4 | Le placement de serres de jardin qui totalisent une superficie maximale de 20,00 m2. | x |  | x |
  |  | 5 | Pour autant qu'ils ne délimitent pas le bien : a) La pose de clÎtures constituées soit de piquets reliés entre eux par des fils ou treillis avec, éventuellement, à la base, une plaque de béton ou un muret de 0,70 m de hauteur maximum, soit de piquets reliés entre eux par une ou deux traverses horizontales, soit de palissades en bois, soit de gabions d'une épaisseur maximale de 20,00 cm, ainsi que la pose de portiques, portails, portillons d'une hauteur maximale de 2,00 m; b) la construction et la transformation de murs de soutÚnement, en ce compris en gabions, d'une hauteur maximale de 0,70 m; c) la construction et la transformation de murs d'une hauteur maximale de 2,00 m, non visibles depuis la voirie publique ou situés à l'arriÚre d'un bùtiment par rapport à la voirie de desserte publique. | x |  | x |
  |  | 6 | Les aménagements, accessoires, mobiliers de jardins ancrés au sol ou enterrés, non visés aux points 1 à 5 ou qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 5. |  | x | x |
  |  | 7 | La démolition, la suppression ou l'enlÚvement des éléments visés aux points 1 à 6 pour autant que les déchets provenant de la démolition, de la suppression ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
| K | Habitations légÚres au sens du Code wallon de l'habitation durable | 1 | Le placement d'habitations légÚres préfabriquées ou en kit. |  |  | x |
  |  | 2 | Construction d'habitations légÚres non visées au point 1 pour autant qu'elles soient : a) sans étage; b) d'une superficie inférieure à 40 m2; c) d'une hauteur maximale de 2,50 m sous corniche, 3,50 m au faßte et, le cas échéant, 3,20 m à l'attique. |  |  | x |
| L | Energies renouvelables Modules de production d'Ă©lectricitĂ© ou de chaleur | 1 | Le placement d'un ou de plusieurs modules de production d'Ă©lectricitĂ© ou de chaleur dont la source d'Ă©nergie est renouvelable qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bĂątiment situĂ© sur le mĂȘme bien et qui rentre dans une ou plusieurs des hypothĂšses suivantes: Energie solaire : a) lorsque le ou les modules sont fixĂ©s sur une toiture Ă versant(s), la projection du dĂ©bordement dans le plan vertical est infĂ©rieure ou Ă©gale Ă 0,30 m et la diffĂ©rence entre les pentes du module et de la toiture de ce bĂątiment est infĂ©rieure ou Ă©gale Ă 15 degrĂ©s; b) lorsque le ou les modules sont fixĂ©s sur une toiture plate, le dĂ©bordement vertical est de 1,50 m maximum et la pente du module est de 35 degrĂ©s maximum; c) lorsque le ou les modules sont fixĂ©s sur une Ă©lĂ©vation, la projection du dĂ©bordement dans le plan horizontal est comprise entre 1,20 et 1,50 m et la pente du module est comprise entre 25 et 45 degrĂ©s; Pompes Ă chaleur : a) au sol; b) d'un volume capable maximal d'un m[00b3]; c) Ă une distance d'au moins 15,00 m par rapport Ă l'habitation la plus proche ou pourvues d'un caisson acoustique d) et non visibles depuis la voirie de desserte publique. | x |  | x |
  |  | 2 | Le placement d'un ou de plusieurs modules de production d'Ă©lectricitĂ© ou de chaleur qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bĂątiment situĂ© sur le mĂȘme bien dont la source d'Ă©nergie est renouvelable qui ne remplissent pas les conditions visĂ©es au point 1. |  | x | x |
  |  | 3 | La suppression ou l'enlÚvement des éléments visés aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
| M | ClÎtures | 1 | La pose de clÎtures transparentes de 2,00 m de hauteur maximum constituées soit de piquets reliés entre eux par des fils ou treillis avec, éventuellement, à la base, une plaque de béton ou un muret de 0,70 m de hauteur maximum, soit par des éléments de fixation en bois. La construction ou la transformation de murs de soutÚnement de moins de 0,70 m de haut, en ce compris en gabions. La pose de portiques, portillons ou portails d'une hauteur maximale de 2,00 m permettant une large vue sur le bien. | x |  | x |
  |  | 2 | La pose de portiques, portails ou portillons qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1 ou qui ne sont pas visés au point 1. |  | x | x |
  |  | 3 | La construction ou la transformation de murs de soutÚnement de plus de 0,70 m de haut ou de murs de clÎture aux abords d'une construction ou d'une installation existante dument autorisée. |  | x | x |
  |  | 4 | La démolition ou l'enlÚvement des éléments visés aux points 1 à 4 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
| N | Abris pour un ou des animaux en ce compris les ruchers et les dalles de fumiÚre | 1 | Un ou plusieurs ruchers par bien. Sans préjudice de l'application des dispositions visées au Code rural et des conditions intégrales prises en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement. | x |  | x |
  |  | 2 | Un ou plusieurs abris pour animaux par bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins. Implantation : a) Ă 3,00 m au moins des limites mitoyennes; b) lorsqu'il s'agit de grands animaux, Ă 20,00 m au moins de toute habitation voisine; c) lorsqu'il s'agit de grands animaux, non situĂ©s dans l'axe de vue perpendiculaire Ă la façade arriĂšre d'une habitation voisine. Superficie maximale totale de l'ensemble des abris pour animaux sur le bien : 25,00 m2 pour un ou plusieurs abris. VolumĂ©trie : sans Ă©tage, toiture Ă un ou deux versants de mĂȘmes pente et longueur ou une toiture plate. Hauteur maximale calculĂ©e par rapport au niveau naturel du sol : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faĂźte; c) le cas Ă©chĂ©ant, 3,20 m Ă la hauteur de l'attique. MatĂ©riaux : bois ou grillage ou similaires Ă ceux du bĂątiment principal existant. Sans prĂ©judice de l'application des dispositions visĂ©es dans le Code rural et des conditions intĂ©grales et sectorielles prises en vertu du dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement. | x |  | x |
  |  | 3 | L'établissement d'une dalle de fumiÚre. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle située sur le bien. Implantation : distante de 10,00 m au moins des limites mitoyennes. Hauteur : au niveau du sol. Superficie maximale : 10,00 m2. | x |  | x |
| Â | Â | 3.1 | Le placement d'une dalle de fumiĂšre qui ne remplit pas les conditions du point 3. | Â | x | x |
  |  | 4 | Le placement ou la construction d'abris pour animaux qui ne remplissent pas les conditions des points 1 à 2. |  | x | x |
  |  | 5 | La démolition et l'enlÚvement des abris, ruches et dalles de fumiÚre visés aux points 1 à 4 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
| O | Exploitations agricoles | 1 | La construction de silos de stockage en tout ou en partie enterrés, pour autant que le niveau supérieur des murs de soutÚnement n'excÚde pas de 2,00 m le niveau du relief naturel du sol. |  | x | x |
  |  | 2 | L'établissement d'une dalle de fumiÚre. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle de l'exploitant. Implantation : distante de 3,00 m minimum des limites mitoyennes. Hauteur : le niveau supérieur de la dalle ou des murs de soutÚnement n'excÚde pas de 2,00 m le niveau du relief naturel du sol. |  | x | x |
  |  | 3 | La pose/le placement de citernes de stockage d'eau ou de poches à lisier en tout ou en partie enterrées. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle de l'exploitant et en dehors de la zone d'habitat. Implantation : a) à 10,00 m minimum de tout cours d'eau navigable ou non navigable; b) à 3,00 m minimum du domaine public. Hauteur : le niveau supérieur du mur de soutÚnement n'excÚde pas 0,70 m. |  | x | x |
|  |  | 3.1 | Le placement d'une poche à lisier par exploitation et par saison, pour une durée maximale de quatre mois, à condition que le bien retrouve son état initial au terme de ce délai. | x |  | x |
| Â | Â | 3.2 | Le placement de poches Ă lisier qui ne remplissent pas les conditions du point 3.1. | Â | x | x |
  |  | 4 | Le placement de serres-tunnels destinées à la culture de plantes agricoles ou horticoles et qui sont enlevées aprÚs la récolte. | x |  | x |
  |  | 5 | Les filets anti-grĂȘle qui impliquent une structure ancrĂ©e au sol et le placement de serres-tunnels qui ne remplissent pas les conditions visĂ©es au point 4. |  | x | x |
  |  | 6 | Le placement d'une installation de prise d'eau dans un cours d'eau non navigable ou non classé, destinée exclusivement à l'abreuvement du bétail. | x |  | x |
|  |  | 6.1 | Aménagement d'installations permettant au bétail de passer au-dessus de cours d'eau non navigables, pour autant que ni le lit du ruisseau ni les berges ne soient modifiés et pour autant qu'une autorisation écrite préalable ait été demandée auprÚs du gestionnaire du cours d'eau ainsi que, dans une zone reconnue en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, auprÚs de l'autorité compétente en application de ladite loi. Les installations servent uniquement au passage du bétail (pas de machines). Largeur maximale : 3,00 m. | x |  | x |
  |  | 7 | La démolition et l'enlÚvement des éléments visés aux points 1 à 6 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
| P | Constructions et installations provisoires | 1 | Les constructions provisoires d'infrastructures de chantiers relatifs à des actes et travaux autorisés, en ce compris les réfectoires, logements et sanitaires ainsi que les pavillons d'accueil, pendant la durée des actes et travaux et pour autant que le chantier se poursuive de maniÚre continue. | x |  | x |
  |  | 2 | Le placement d'installations à caractÚre social, culturel, sportif ou récréatif, en ce compris les emplacements de stationnement en plein air y relatifs, pour une durée maximale de nonante jours pour autant qu'au terme de ce délai, le bien retrouve son état initial. | x |  | x |
  |  | 3 | Le placement d'installations Ă caractĂšre commercial, sur le domaine public, ou sur le domaine privĂ© Ă la condition d'ĂȘtre en lien avec une activitĂ© existante, en ce compris les emplacements de stationnement en plein air y relatifs, pour une durĂ©e maximale de soixante jours pour autant que les installations soient conformes aux guide communal et rĂ©gional d'urbanisme et qu'au terme du dĂ©lai, le bien retrouve son Ă©tat initial. | x |  | x |
  |  | 4 | Le placement provisoire d'installations nécessaires à l'accueil d'une activité déplacée, pendant la durée des actes et travaux soumis à permis, pour autant que le chantier se poursuive de maniÚre continue et qu'une fois les actes et travaux réalisés ou le permis périmé, les installations soient enlevées. | x |  | x |
  |  | 5 | La suppression ou l'enlÚvement des éléments visés aux points 1 et 4, pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
| Q | Enseignes et dispositifs de publicité | 1 | Le placement d'une ou plusieurs enseignes, ou d'un ou plusieurs dispositifs de publicité. |  | x | x |
  |  | 2 | L'enlÚvement des enseignes et dispositifs visés au point 1 pour autant que les déchets provenant de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
| R | Miradors et postes d'observation | 1 | En zone forestiĂšre, dans la zone contigĂŒe Ă la zone forestiĂšre et en zone agricole, les miradors et autres postes d'observation en bois ou mĂ©talliques de ton mat visĂ©s Ă l'article 1er, § 1er, 9°, de la loi du 28 fĂ©vrier 1882 sur la chasse. Superficie utile maximale : 4,00 m2 | x |  | x |
|  |  | 1.1 | En zone forestiĂšre, dans la zone contigĂŒe Ă la zone forestiĂšre et en zone agricole, les miradors et autres postes d'observation ne remplissant pas les conditions visĂ©es au point 1. |  | x | x |
  |  | 2 | L'enlÚvement des miradors et des postes d'observation visés aux points 1 ou 1.1 pour autant que les déchets provenant de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
| S | Arbres, haies et modification de la végétation | 1 | Le boisement ou le déboisement. |  | x | x |
  |  | 2 | Sans préjudice de l'article R.IV.4-4, la culture de sapins de Noël. |  | x | x |
  |  | 3 | L'abattage d'une haie sur une longueur continue de moins de 2,50 m en vue de créer un seul accÚs à une habitation existante, pour autant que cet abattage soit concerné par l'article D.IV.4, alinéa 1er, 11°. | x |  | x |
  |  | 4 | L'abattage d'arbres isolés à haute tige, d'une haie, ou l'abattage d'un ou plusieurs ou de tous les arbres d'une allée au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 11°. |  | x | x |
  |  | 5 | L'abattage, l'atteinte au systÚme racinaire ou la modification de l'aspect d'un arbre remarquable, d'un arbuste remarquable ou d'une haie remarquable au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 12°. |  | x | x |
  |  | 6 | Le défrichage ou la modification de la végétation de toute zone visée à l'article R.IV.4-11. |  | x | x |
  |  | 7 | L'abattage d'arbres visĂ© aux points 4 Ă 6 faisant l'objet d'un arrĂȘtĂ© du bourgmestre pris en urgence dans le but d'assurer la sĂ©curitĂ© publique. | x |  | x |
| T | Modification du relief du sol | 1 | La modification sensible du relief du sol pour les forages ou carottages réalisés dans le cadre d'une étude géotechnique, d'une prospection géologique ou d'une étude de la pollution du sol. | x |  | x |
  |  | 2 | La modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 dans un rayon de 30,00 m d'une construction ou d'une installation existante dument autorisée. |  | x | x |
  |  | 3 | Pour la mise en oeuvre d'un programme d'action sur les riviĂšres par une approche intĂ©grĂ©e et sectorielle visĂ© Ă l'article D. 33/3 du Livre II du Code de l'environnement, constituant le Code de l'eau, qui concerne : a) les travaux de remblais ou de dĂ©blais n'excĂ©dant pas 50,00 centimĂštres et situĂ©s Ă une distance maximum de 6,00 m Ă partir de la crĂȘte de berge d'un cours d'eau, y compris dans les zones soumises Ă l'alĂ©a d'inondation; b) le dĂ©pĂŽt et l'Ă©talement des produits provenant des travaux de curage d'un cours d'eau. | x |  | x |
| U | Utilisation d'un terrain pour dépÎts et installations mobiles | 1 | Utiliser habituellement un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations mobiles au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 15°, b, en vue de réaliser une " aire d'accueil à la ferme " au sens de l'article 252/1.D du Code wallon du Tourisme, en ce compris l'installation ou la transformation des impétrants nécessaires à la viabilisation du terrain, pour autant qu'elle soit conforme aux prescriptions décrétales et rÚglementaires du plan de secteur. | x |  | x |
  |  | 2 | Utilisation habituelle d'un terrain : pour le dépÎt d'un ou plusieurs véhicules usagés, de mitrailles, de matériaux ou de déchets; pour le placement d'une ou plusieurs installations mobiles, telles que roulottes, caravanes, véhicules désaffectés et tentes, à l'exception des installations mobiles autorisées par une autorisation visée par le Code wallon du tourisme, le décret du 4 mars 1991 relatif aux conditions d'exploitation des terrains de caravanage ou le décret de la Communauté germanophone du 9 mai 1994. |  | x | x |
| V | Structure destinée à l'hébergement touristique et de loisirs | 1 | Le placement d'un ou plusieurs abris mobiles au sens de l'article 1er, D, 2°, du Code wallon du Tourisme, aux conditions cumulatives suivantes : a) l'abri mobile a une superficie maximale de 50,00 m2; b) son placement ou sa construction ne nécessite pas de modification sensible du relief du sol; c) il est situé : - dans un camping touristique ou dans un camping à la ferme autorisé en vertu du Code wallon du Tourisme; - sur un terrain de caravanage autorisé en vertu du décret du 4 mars 1991 relatif aux conditions d'exploitation des terrains de caravanage; - dans un camping autorisé en vertu du décret du Conseil de la Communauté germanophone du 9 mai 1994 sur le camping et les terrains de camping. | x |  | x |
  |  | 2 | La construction d'une terrasse avec ou sans balustrades qui respecte les conditions de l'article 249 AGW, alinéa 1er, 3°, et alinéa 2, du Code wallon du Tourisme dans un camping touristique. | x |  | x |
  |  | 3 | La construction de cabanes en bois ou le placement de tentes, tipis, yourtes et bulles en zone forestiÚre. |  | x | x |
  |  | 4 | L'enlÚvement ou la démolition des hébergements touristiques ou de loisirs, de terrasses visés aux points 1 à 3 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
| W | Actes et travaux sur le domaine public de la voirie, des voies ferrĂ©es et des cours d'eau | 1 | Pour autant qu'il n'y ait pas d'Ă©largissement de l'assiette des voiries, le renouvellement des fondations et du revĂȘtement des voiries, bermes, bordures, trottoirs, Ăźlots et places publiques, Ă l'exception des changements de revĂȘtements constituĂ©s de pierres naturelles et, pour les places publiques, pour autant que les actes et travaux n'augmentent pas la superficie des revĂȘtements en matĂ©riau impermĂ©able. | x |  | x |
  |  | 2 | La pose, le renouvellement, le déplacement ou l'enlÚvement des éléments accessoires tels que les radars, parapets, les glissiÚres et bordures de sécurité, à l'exception des murs de soutÚnement et des écrans antibruit. | x |  | x |
  |  | 3 | L'installation, le déplacement, la transformation, l'extension ou l'enlÚvement des réseaux de fluides, d'une pression inférieure ou égale à 20 bars pour le gaz, d'énergie, d'une tension inférieure ou égale à 70 KV pour l'électricité, et de télécommunication insérés, ancrés, prenant appui ou surplombant le domaine public en ce compris les raccordements privés, les éléments accessoires et équipements connexes tels que bornes, armoires techniques, pylÎnes et poteaux d'une hauteur maximale de 14,00 mÚtres. | x |  | x |
  |  | 4 | Les aménagements provisoires de voirie d'une durée maximale de cinq ans. | x |  | x |
  |  | 5 | Les travaux d'aménagement des espaces réservés aux piétons, personnes à mobilité réduite ou cyclistes et visant la création ou l'agrandissement local de ces espaces, l'amélioration de leur aspect esthétique ou la sécurité des usagers, que ces travaux entrainent ou non un rétrécissement de l'assiette de la ou des voiries. | x |  | x |
  |  | 6 | Le placement ou le renouvellement de petit mobilier urbain tels que bancs, tables, siÚges, poubelles, candélabres, bacs à plantations, petites piÚces d'eau, bornes électriques, conteneurs, enterrés ou non, affectés à la collecte des déchets ménagers ou assimilés. | x |  | x |
  |  | 7 | Les travaux d'aménagement des espaces réservés aux plantations. | x |  | x |
  |  | 8 | Le placement, le déplacement ou l'enlÚvement des dispositifs ou éléments de signalisation suivants : a) la signalisation, en ce compris son support et les portiques, ainsi que sa protection vis-à -vis de la circulation; b) les dispositifs fixes ou mobiles limitant la circulation, le stationnement ou la vitesse; c) les dispositifs de contrÎle du stationnement, tels que les parcmÚtres ou appareils horodateurs; d) les dispositifs de stationnement non-couverts pour véhicules à deux roues; e) les dispositifs accessoires d'installations techniques, souterraines ou non, tels que des armoires de commande électrique de feux de signalisation ou d'éclairage public, bornes téléphoniques, bornes incendies et armoires de télédiffusion. | x |  | x |
  |  | 9 | Le placement, le déplacement ou l'enlÚvement des dispositifs d'éclairage public. | x |  | x |
  |  | 10 | Pour autant qu'ils ne soient pas soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matiÚre d'urbanisme, le placement, le déplacement ou l'enlÚvement des dispositifs d'affichage et de publicité suivants : a) les colonnes dont le fût est d'au plus 1,20 m de diamÚtre et ne dépasse pas 3,50 m de hauteur; b) les panneaux sur pied dont les hauteur et largeur maximales ne dépassent pas respectivement 2,50 m et 1,70 m et dont la superficie utile ne dépasse pas 4,00 m2 par face. | x |  | x |
  |  | 11 | L'établissement ou la modification de la signalisation au sol. | x |  | x |
  |  | 12 | Le placement, le déplacement ou l'enlÚvement de ralentisseurs de trafic. | x |  | x |
  |  | 13 | La pose, l'enlĂšvement ou le renouvellement des fondations et des dispositifs d'exploitation des voies et des lignes de transport en commun existants tels que rails, traverses, ballast, poteaux catĂ©naires, signaux, portiques, loges, armoires de signalisation ou poteaux d'arrĂȘts pour les voyageurs. | x |  | x |
  |  | 14 | Le placement d'une terrasse ouverte saisonniÚre dans le secteur Horeca. | x |  | x |
  |  | 15 | Les abris pour voyageurs aux arrĂȘts de transport public. | x |  | x |
  |  | 16 | Le placement ou le déplacement de boßtes postales. | x |  | x |
  |  | 17 | Le placement, le déplacement ou l'enlÚvement de statues, monuments commémoratifs et autres oeuvres artistiques, placés par les autorités ou sur l'ordre des autorités. | x |  | x |
  |  | 18 | La pose, le renouvellement ou l'enlÚvement d'ouvrages de protection des berges dans un cours d'eau non navigable, à l'exception de murs maçonnés, sur un linéaire n'excédant pas 100,00 m et d'une hauteur maximum de 2,00 m. | x |  | x |
| X | Egouttage, canalisation et réseaux en dehors du domaine public de la voirie, des voies ferrées et des cours d'eau, forages et prises d'eau | 1 | L'installation, le déplacement, la transformation de raccordements privés, en ce compris les armoires techniques, aux réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication ainsi que l'installation, le déplacement, la transformation de citernes à eau ou combustibles enfouies, drains, avaloirs, filets d'eau, regards, taques et fosses septiques et tout autre systÚme d'épuration individuelle des eaux usées domestiques pour autant que, cumulativement : a) les déblais éventuels nécessaires à ces aménagements n'entrainent aucune modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien; b) ces dispositifs soient reliés à l'infrastructure nécessaire à l'aménagement du bien et situés exclusivement sur celui-ci. | x |  | x |
  |  | 2 | Les raccordements privés, en ce compris les armoires techniques, aux réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication ainsi que le placement de citernes à eau ou combustibles enfouies, drains, avaloirs, filets d'eau, regards, taques et fosses septiques et tout autre systÚme d'épuration individuelle qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. |  | x | x |
  |  | 3 | Le placement de citernes aériennes. |  | x | x |
  |  | 4 | L'insertion ou le renforcement de rĂ©seaux enterrĂ©s de fluide, d'Ă©nergie, de tĂ©lĂ©communication dans un site technique dĂ©jĂ amĂ©nagĂ© pour autant que, cumulativement : a) les travaux projetĂ©s sont propres Ă la fonction du site; b) les installations, bĂątiments, constructions et revĂȘtement existants ont Ă©tĂ© lĂ©galement autorisĂ©s; c) les travaux ne visent pas la construction d'un bĂątiment; d) l'emprise au sol ne rĂ©duit pas les pĂ©rimĂštres ou les dispositifs d'isolement existants. | x |  | x |
  |  | 5 | Les forages de puits et les prises d'eau. | x |  | x |
  |  | 6 | Dans les zones non destinées à l'urbanisation et à condition de ne pas nécessiter de permis au sens de l'article R.IV.4-3, alinéa 1er, 6°, l'établissement ou la modification d'un systÚme de drainage pour autant que le terrain ne soit pas situé dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception des sites Natura 2000, ou exposé à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tel que visé à l'article D.IV.57, 3°. | x |  | x |
  |  | 7 | L'installation, le déplacement, la transformation ou l'extension des réseaux de fluides, d'énergie et de télécommunication insérés ou ancrés, enterrés ou aériens et les éléments accessoires et les équipements connexes, lorsqu'ils sont situés en dehors du domaine public. |  | x | x |
  |  | 8 | L'enlÚvement des éléments visés aux points 1 à 7 pour autant que les déchets provenant de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
| Y | Télécommunication, télédistribution, fibre optique, gaz, électricité | 1 | Le remplacement d'installations ou d'armoires techniques par des installations ou armoires techniques d'un volume moindre ou équivalent. | x |  | x |
  |  | 2 | Le remplacement d'antennes existantes par des antennes de dimensions égales ou inférieures ou supérieures, à la condition que la hauteur totale incluant leur mùt de support ne soit pas augmentée et que les nouvelles antennes soient d'une hauteur maximale de 3,00 m. | x |  | x |
  |  | 3 | Le remplacement d'un pylĂŽne ou d'un poteau existant par un pylĂŽne ou un poteau de mĂȘme hauteur et de mĂȘme type installĂ© sur le mĂȘme site. | x |  | x |
  |  | 4 | Le placement d'une armoire technique sur une toiture plate à condition qu'elle ne soit pas visible depuis la voirie, à savoir qu'elle soit située à une distance d'au moins une fois et demi la hauteur de l'armoire depuis l'attique. | x |  | x |
  |  | 5 | Le placement ou le remplacement d'armoires techniques à cÎté d'un pylÎne ou d'un poteau posé au sol ou dans un local technique situé à proximité d'un mùt de support placé sur un toit. | x |  | x |
  |  | 6 | La pose d'installations techniques en vue d'assurer la stabilité et la sécurité d'installations existantes ainsi que leur bon fonctionnement. | x |  | x |
  |  | 7 | Le placement d'antennes ou faisceaux hertziens, d'armoires et d'installations techniques lors d'évÚnements culturels, sportifs, récréatifs ou commerciaux, placées pour une durée maximale de 90 jours à condition que ces antennes ou faisceaux, armoires et installations ne soient pas placés plus de 15 jours avant le début de l'évÚnement et qu'ils soient enlevés au plus tard 15 jours aprÚs la fin de l'évÚnement. | x |  | x |
  |  | 8 | Le dĂ©placement et/ou la reconstruction d'antennes ou faisceaux hertziens, de rĂ©seaux insĂ©rĂ©s, ancrĂ©s, enterrĂ©s ou aĂ©riens, et d'armoires et installations techniques pour des raisons d'urgence, de sĂ©curitĂ© ou d'intĂ©rĂȘt public imprĂ©visibles dans le chef de l'opĂ©rateur, le temps nĂ©cessaire pour obtenir toutes les autorisations requises au dĂ©placement et/ou Ă la reconstruction du site. | x |  | x |
  |  | 9 | Le déplacement temporaire d'une installation existante afin d'assurer la continuité des services, en cas de travaux effectués par le propriétaire de la structure initiale, pour la durée exclusive des travaux. | x |  | x |
  |  | 10 | La pose d'installations telles que les antennes, faisceaux hertziens, armoires et installations techniques pour autant qu'elles soient situĂ©es Ă l'intĂ©rieur de bĂątiments, de constructions ou de structures existantes ou couvertes par des matĂ©riaux ayant la mĂȘme apparence que les matĂ©riaux existants. | x |  | x |
  |  | 11 | Le placement de faisceaux hertziens ayant un diamÚtre maximal de 90,00 cm sur un pylÎne existant ou un mùt de support en toiture existant dument autorisé. | x |  | x |
|  |  | 11.1 | L'installation de points d'accÚs sans fil à portée limitée qui sont intégrés dans leur totalité et en toute sécurité dans leur structure porteuse et, partant, invisibles pour le grand public. | x |  | x |
|  |  | 11.2 | L'installation de points d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e qui remplissent les conditions suivantes : a) le volume total de la partie visible par le public d'un point d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e desservant un ou plusieurs utilisateurs du spectre radioĂ©lectrique ne dĂ©passe pas 30 litres; b) le volume total des parties visibles par le public de plusieurs points d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e sĂ©parĂ©s qui occupent un mĂȘme site d'infrastructure d'une surface individuelle dĂ©limitĂ©e, tel qu'un poteau d'Ă©clairage, des feux de circulation, un panneau d'affichage ou un arrĂȘt de bus, ne dĂ©passe pas 30 litres; c) dans les cas oĂč le systĂšme d'antenne et d'autres Ă©lĂ©ments du point d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e, tels qu'une unitĂ© de radiofrĂ©quence, un processeur numĂ©rique, une unitĂ© de stockage, un systĂšme de refroidissement, l'alimentation Ă©lectrique, des connexions par cĂąble, des Ă©lĂ©ments de collecte ou des Ă©lĂ©ments de mise Ă la terre et de fixation, sont installĂ©s sĂ©parĂ©ment, toute partie de tels Ă©lĂ©ments supĂ©rieure Ă 30 litres est rendue invisible par le public; d) le point d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e a une cohĂ©rence visuelle avec la structure porteuse et possĂšde une taille proportionnĂ©e par rapport Ă la taille globale de la structure porteuse, une forme cohĂ©rente, des couleurs neutres qui s'harmonisent avec la structure porteuse ou se fondent avec cette derniĂšre, ainsi que des cĂąbles cachĂ©s et ne crĂ©e pas de surcharge visuelle en combinaison avec d'autres points d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e dĂ©jĂ installĂ©s sur le mĂȘme site ou sur des sites adjacents; e) le poids et la forme d'un point d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e n'imposent pas de renforcement structurel de la structure porteuse. Les points d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e dont la puissance isotrope rayonnĂ©e Ă©quivalente s'Ă©lĂšve Ă 10 watts peuvent ĂȘtre uniquement dĂ©ployĂ©s dans un espace extĂ©rieur ou dans un vaste espace intĂ©rieur prĂ©sentant une hauteur de plafond d'au moins 4,00 m, la partie rayonnante infĂ©rieure de l'antenne devant ĂȘtre installĂ©e Ă une hauteur d'au moins 2,20 mĂštres au-dessus du niveau de passage du public. | x |  | x |
  |  | 12 | Le placement d'une antenne de radio-télévision ou de faisceaux hertziens (antenne parabolique ou antenne-panneau). Situation : * soit ancrée sur une élévation à l'arriÚre du bùtiment par rapport à la voirie de desserte publique ou en recul d'au moins 4,00 m de l'alignement; * soit ancrée au sol ou sur un pan de toiture et implantée à l'arriÚre du bùtiment par rapport à la voirie de desserte publique. Superficie maximale : 1,00 m2. Matériaux : il faut que l'antenne soit d'un ton similaire à celui de son support. | x |  | x |
  |  | 13 | Le placement d'une antenne de radio-télévision ou de faisceaux hertziens (antenne parabolique ou antenne-panneau). Situation : sur un toit plat. Hauteur maximale : 5,00 m support compris, et la hauteur est inférieure à la distance séparant l'installation de l'attique. Superficie maximale : 1,00 m2. | x |  | x |
  |  | 14 | Le placement d'une antenne visée aux points 1 ou 2, et qui ne remplit pas les conditions énoncées aux points 1 ou 2. |  | x | x |
  |  | 15 | Le placement d'antennes et de boßtiers de modules radio distants sur un pylÎne existant ancré au sol ou un mùt de support en toiture existant dument autorisé, à condition que le déport soit de maximum 1,00 m dans le cas d'un pylÎne et de maximum 0,40 m dans le cas d'un mùt de support, et que la hauteur du pylÎne ou du mùt ne soit pas dépassée. | x |  | x |
  |  | 16 | Le placement d'antennes accolĂ©es Ă une façade existante avec un maximum d'une antenne, en ce compris les Ă©lĂ©ments actifs nĂ©cessaires Ă son raccordement, par 6 mĂštres courants de façade, ou Ă un pignon existant avec un maximum d'une antenne par pignon, ou sur une cheminĂ©e Ă condition que ces antennes aient une couleur similaire au revĂȘtement de la façade ou du pignon. | x |  | x |
  |  | 17 | Le placement d'antennes sur le toit plat ou la partie plate du toit d'un immeuble, à condition qu'elles aient une hauteur maximale de 3,00 m support inclus, que cette hauteur soit inférieure à la distance séparant l'installation du bord inférieur ou de la rive de la toiture ou de l'attique et que le bùtiment soit d'une hauteur minimale de 12,00 m. | x |  | x |
  |  | 18 | Le placement sur façade et en aĂ©rien de cĂąbles et conduites de communications Ă©lectroniques ou numĂ©riques et des boĂźtes de raccordement connexes, pour autant que la couleur soit neutre et discrĂšte et pour autant que le tracĂ© du cĂąble suive les lignes architecturales de l'habitation telles que le seuil de la fenĂȘtre, la corniche, les jointages entre façades, le bord infĂ©rieur ou la rive de toiture, l'attique. | x |  | x |
  |  | 19 | Le placement de l'antenne d'une station d'amateur au sens de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 9 janvier 2001 relatif Ă l'Ă©tablissement et la mise en service de stations radioĂ©lectriques par des radioamateurs. |  | x | x |
  |  | 20 | Le placement sur le domaine public de supports d'un diamÚtre maximum de 30,00 cm et d'une hauteur maximale de 8,00 m supportant des équipements techniques de télécommunication et des antennes, y compris des faisceaux hertziens d'un diamÚtre maximum de 90,00 cm, avec un déport n'excédant pas 40,00 cm. | x |  | x |
  |  | 21 | La suppression ou l'enlÚvement des éléments visés aux points 1 à 20, pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x |  | x |
| Z | Domaines militaires | 1 | La réalisation d'ouvrages défensifs à caractÚre opérationnel ou devant rester secret stratégique, pour le compte du MinistÚre de la Défense nationale et dont la liste est établie conjointement par le Ministre de la Défense nationale et le Ministre ayant l'Aménagement du territoire dans ses attributions. | x |  | x |
2 Le placement de matériaux de couvertures de toiture photovoltaïques ou le remplacement de matériaux de couvertures de toiture, photovoltaïques ou non, par des matériaux de couvertures de toiture photovoltaïques pour autant que, lorsque le bien est soumis aux articles R.II.36-6 à R.II.36-9, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 à R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, les couleurs soient conformes aux indications et prescriptions concernées. x x
3 La réalisation de façade(s) végétale(s) non visible(s) depuis la voirie publique ou de toiture(s) végétale(s) sur une construction ou une installation existante. x x
4 La pose d'une peinture ou d'un enduit sur une construction existante qui a pour effet la modification du volume construit ou l'aspect architectural. x x
5 Le placement ou le remplacement de matériaux de parements d'élévation et de couvertures de toiture par des matériaux de parements qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 3. x x
6 Le remplacement de portes ou de chùssis, en élévation ou en toiture, par des portes ou des chùssis visant à atteindre les normes énergétiques en vigueur. x x
7 L'obturation, l'ouverture ou la modification de baies situĂ©es dans le plan de la toiture, sur maximum un niveau et totalisant au maximum un quart de la longueur de la façade ou toiture correspondante, pour autant que l'obturation ou la modification soit effectuĂ©e dans les mĂȘmes matĂ©riaux que ceux de la toiture. x x
8 L'obturation, l'ouverture ou la modification de portes ou de baies totalisant au maximum un quart de la longueur de l'Ă©lĂ©vation correspondante, dans la mesure oĂč les conditions cumulatives suivantes sont remplies : a) l'obturation, l'ouverture ou la modification n'est pas effectuĂ©e sur une Ă©lĂ©vation situĂ©e Ă l'alignement et/ou dont le plan est orientĂ© vers la voirie de desserte publique du bĂątiment principal concernĂ©; b) l'obturation ou la modification est effectuĂ©e avec les mĂȘmes matĂ©riaux de parement que ceux de l'Ă©lĂ©vation; c) chaque ouverture ou modification s'Ă©tend sur maximum un niveau; d) lorsque le bien est soumis Ă un guide rĂ©gional ou communal d'urbanisme, les actes et travaux sont conformes Ă ce guide. x x
9 L'obturation, l'ouverture ou la modification de portes ou de baies totalisant (toutes les ouvertures d'un mĂȘme niveau) au maximum un quart de la longueur de la façade ou toiture correspondante et qui ne remplissent pas les conditions visĂ©es aux points 7 et 8. x x
10 Le placement ou le remplacement de cheminées ou de conduits de cheminée, de gouttiÚres ou de tuyaux de descentes d'eau de pluie, de systÚmes d'évacuation pour des installations telles que hotte, chaudiÚre, pour autant que, lorsque le bien est soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matiÚre d'urbanisme ou relatives aux bùtisses en site rural, les actes et travaux soient conformes au guide. x x
11 Le placement ou le remplacement des éléments visés au point 10 qui ne remplissent pas les conditions. x x
12 La démolition ou l'enlÚvement des éléments visés aux points 10 et 11 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x x B Transformation d'une construction existante 1 Le remplacement de la structure portante d'une toiture sans modification du volume construit et pour autant que les points A1 et A7 soient respectés. x x
2 La transformation sans agrandissement d'une construction existante en vue de créer une ou plusieurs piÚces non destinées à l'habitation, pour autant que, le cas échéant, les actes et travaux soient repris aux points A1, A2, A3, A6, A7, A8 et A10. x x
3 La transformation sans agrandissement d'une construction existante non visée aux points 1 et 2 et qui ne portent pas atteinte à la structure portante de la construction. x x
4 La transformation avec agrandissement conforme aux prescriptions décrétales et rÚglementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme d'une construction existante en vue de créer une piÚce non destinée à l'habitation, aux conditions cumulatives suivantes : a) un seul volume annexe par bien, et le bien ne compte pas plus d'une véranda; b) l'extension est d'une emprise au sol inférieure ou égale à 40,00 m2 et est : i) soit un volume annexe sans étage, ni sous-sol; ii) soit la prolongation du volume principal, et l'ensemble formé est sans étage, ni sous-sol; c) l'extension est effectuée dans des matériaux de tonalité similaire à ceux de la construction existante; d) l'extension est implantée à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne. x x
5 La transformation d'une construction existante qui répond aux conditions cumulatives reprises au point 4 et qui n'est pas conforme aux prescriptions décrétales et rÚglementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme. x
6 Le placement d'un escalier extérieur. x x
7 Le placement d'une installation d'aération ou de climatisation x x
8 La transformation d'une construction existante autre que celles visées aux points 1 à 7 pour autant que l'emprise au sol de l'ensemble formé soit au maximum doublée et que la hauteur sous corniche et/ou la hauteur de l'attique du bùtiment existant ne soit pas dépassée. x
9 La démolition ou l'enlÚvement d'un volume annexe, d'un escalier extérieur ou d'un appareil de conditionnement d'air, pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. x x C Véranda 1 Conforme aux prescriptions décrétales et rÚglementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme. Seulement une par bien, et le bien ne compte pas plus d'un volume annexe. Situation : érigée en contiguïté avec un bùtiment existant, à l'arriÚre de ce bùtiment par rapport à la voirie de desserte. Implantation : à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne. Superficie maximale de 40,00 m2. Volumétrie : sans étage; toiture plate ou à un ou plusieurs versants. Hauteurs maximales calculées par rapport au niveau naturel du sol et pour autant que le niveau de gouttiÚre soit inférieur au niveau de gouttiÚre du volume principal et que les conditions suivantes soient respectées : a) 3,00 m sous corniche; b) 5,00 m au faßte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : structure légÚre et parois majoritairement en verre ou en polycarbonate tant en élévation qu'en toiture x x
2 La construction d'une véranda d'une superficie maximale de 40,00 m2 qui ne remplit pas les conditions visées au point 1. x x
3 La démolition d'une véranda pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. x x D Création d'un ou de plusieurs logements 1 La création d'un logement dans un bùtiment pour autant que les actes et travaux de transformation ne requiÚrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte. x x
2 La création d'un logement qui ne remplit pas les conditions visées au point 1 ou la création de plusieurs logements dans un bùtiment. x E Placement d'installations techniques et construction ou reconstruction d'un volume secondaire tels que : * garage, * atelier, * pool house, * dalle de stockage * bùtiments préfabriqués, etc. 1 Conforme aux prescriptions décrétales et rÚglementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme. Un seul volume secondaire par bien. Non destiné à l'habitation. Situation : * Sauf lorsqu'il s'agit d'un volume destiné à un véhicule motorisé, il est érigé à l'arriÚre d'un bùtiment existant. * Lorsqu'il s'agit d'un volume destiné à un véhicule motorisé, ce volume est en relation directe avec la voirie publique et le plan de l'élévation à rue du volume secondaire n'est pas situé au-delà du plan de l'élévation arriÚre du bùtiment principal. Implantation : à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne. Superficie maximale : 40,00 m2. Volumétrie : sans étage; toiture plate ou à un ou plusieurs versants. Hauteurs maximales calculées par rapport au niveau naturel du sol et pour autant que le niveau de gouttiÚre ou d'attique corresponde au niveau de gouttiÚre ou d'attique du volume principal et que les conditions cumulatives suivantes soient respectées : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faßte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : bois pour les élévations ou tout autre matériau de tonalité similaire à ceux du bùtiment principal. x x
2 Placement, transformation, agrandissement d'une installation technique au sens de l'article R.IV.1-2, alinéa 2, en ce compris un encuvement, qui forme une unité fonctionnelle avec l'entreprise existante. Trois maximum par bien. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) dans un rayon de 30,00 m d'une installation ou d'une construction existante dument autorisée; c) à 20,00 m au moins de tout logement autre que celui de l'exploitant; d) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; e) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; f) en dehors du périmÚtre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; g) travaux n'impliquant pas d'abattage d'arbre, de haie ou d'allée au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale : la superficie totale cumulée du placement et de l'agrandissement des installations techniques dispensée de permis est inférieure à 100,00 m2. Hauteur : maximum 10,00 m et inférieure à celle du bùtiment le plus haut situé sur le bien. x x
3 Construction, transformation, agrandissement d'un bùtiment ou placement ou déplacement de bùtiments préfabriqués, en ce compris l'escalier extérieur, non destiné à l'habitation et formant une unité fonctionnelle avec l'entreprise existante. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) dans un rayon de 30,00 m d'une installation ou d'une construction existante dument autorisée; c) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; d) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; e) en dehors du périmÚtre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; f) travaux n'impliquant pas l'abattage d'arbres, de haies ou d'allées au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale: la superficie totale cumulée de la construction, de l'agrandissement et du bùtiment préfabriqué dispensée de permis est de 75,00 m2. Volumétrie : un étage maximum, toiture plate ou à un ou plusieurs versants. Hauteur maximale de l'attique ou du faßte : 7,00 m et inférieure ou égale à celle du bùtiment le plus haut situé sur le bien. Matériaux : de tonalité similaire avec ceux des bùtiments existants. x x
4 L'établissement d'une dalle de stockage pour autant qu'il n'implique aucune modification sensible du relief du sol. Une seule dalle de stockage par bien. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; c) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; d) en dehors du périmÚtre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; e) travaux n'impliquant pas l'abattage d'arbres, de haies ou d'allées au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale : 75,00 m2. x x
5 La construction d'un volume secondaire ou le placement d'une installation technique non visé(e) au point 1 à 4 ou qui ne remplit pas les conditions visées aux points 1 à 4, non destinée à l'habitation et qui forme une unité fonctionnelle avec une construction ou un ensemble de constructions existant pour autant que l'emprise au sol de l'ensemble formé soit au maximum doublée. x x
6 La dĂ©molition ou l'enlĂšvement d'un volume secondaire, d'une installation technique, d'une construction ou d'un bĂątiment prĂ©fabriquĂ© visĂ©s aux points 1 Ă 5 pour autant que les dĂ©chets provenant de la dĂ©molition ou l'enlĂšvement soient Ă©vacuĂ©s conformĂ©ment Ă la lĂ©gislation en vigueur. x xF Carport, accĂšs et parcage 1 Un seul carport par bien. Situation : a) en relation directe avec la voirie de desserte publique; b) le plan de l'Ă©lĂ©vation Ă rue du carport ne peut ĂȘtre situĂ© au-delĂ du plan de l'Ă©lĂ©vation arriĂšre du bĂątiment principal. Superficie maximale : 40,00 m2 VolumĂ©trie : toiture plate ou Ă un ou plusieurs versants Hauteurs maximales : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faĂźte; c) le cas Ă©chĂ©ant, 3,20 m Ă la hauteur de l'attique. MatĂ©riaux : a) structure constituĂ©e de poteaux en bois, en bĂ©ton, mĂ©talliques ou de piliers en matĂ©riaux similaires au parement du bĂątiment existant ou d'une tonalitĂ© similaire Ă ceux-ci; b) toiture Ă un ou plusieurs versants en matĂ©riaux similaires Ă ceux du bĂątiment principal. x x
2 Le carport autre qui ne remplit pas les conditions visées au point 1. x x
3 L'enlÚvement ou la démolition d'un carport visé aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. x x
4 Les emplacements de stationnement en plein air ainsi que leurs accÚs aux conditions cumulatives suivantes : a) ils sont situés aux abords d'un bùtiment existant dument autorisé et forment une unité fonctionnelle avec celui-ci; b) ils sont reliés à la voirie de desserte publique; c) ils sont constitués en matériaux perméables et discontinus; d) ils présentent une superficie maximale de 300 m2; e) ils ne nécessitent pas de modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3, points 1° à 5°, 7° à 9°, 11°, 12° et 15°. x x
5 Les chemins et emplacements de stationnement en plein air aux abords d'une construction ou d'une installation existante dument autorisée et formant une unité fonctionnelle avec celle-ci, autres que ceux visés au point 4. x x G Abri de jardin/Remise 1 Un(e) seul(e) abri de jardin/remise par bien. Situation : a) dans les espaces de cours et jardins; b) soit non visible depuis la voirie publique, soit situé(e) à l'arriÚre du bùtiment par rapport à la voirie de desserte publique. Implantation : à 1,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale : 20,00 m2. Volumétrie : toiture à un ou plusieurs versants ou toiture plate. Hauteur maximale : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faßte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : en bois ou tout autre matériau de tonalité similaire avec le bùtiment ou le milieu dans lequel il s'intÚgre. x x
2 Les abris de jardin ou les remises qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. x x
3 L'enlÚvement ou la démolition des abris de jardins ou remises visés aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. x x H Piscine/Etang de baignade 1 Hors sol ou autoportante : Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : à 1,00 m au moins des limites mitoyennes. x x
2 Enterrée partiellement ou complÚtement, ainsi que tout dispositif de sécurité d'une hauteur maximale de 2,00 m entourant la piscine : a) une par bien; a) non couverte ou couverte par un abri télescopique à structure légÚre et repliable qui en recouvre la surface pour autant que la hauteur du faßte soit inférieure à 3,50 m; c) à usage privé; d) les déblais nécessaires à ces aménagements n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : le plan d'eau est situé à 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale (plan d'eau) : 75,00 m2x x 2.1 Etang de baignade : a) un seul par bien; b) non-couvert; c) à usage privé; d) les déblais nécessaires à cet étang de baignade n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : le plan d'eau est situé à 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale (zone de baignade + zone de lagunage) : 100,00 m2x x
3 Les piscines et étangs de baignade qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1, 2 et 2.1. x x
4 L'enlĂšvement, la dĂ©molition ou le remblaiement de piscines et Ă©tangs de baignade visĂ©s aux points 1 Ă 3 pour autant que les dĂ©chets provenant de la dĂ©molition soient Ă©vacuĂ©s conformĂ©ment Ă la lĂ©gislation en vigueur et que les remblais soient conformes Ă la lĂ©gislation en vigueur. x x I Mare et Ă©tang 1 Un(e) seul(e) par bien. Situation : en dehors d'un site reconnu en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 (Ă l'exception d'une mesure de gestion " UG5-prairie de liaison " ou " UG11-terre de cultures et Ă©lĂ©ments anthropiques " dans une zone Natura 2000). Implantation : le plan d'eau est situĂ© Ă 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale : 100,00 m2. Les dĂ©blais nĂ©cessaires Ă ces amĂ©nagements n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Sauf les mares et Ă©tangs dans les espaces de cours et jardins, le plan d'eau doit ĂȘtre partiellement ombragĂ© par la plantation d'arbres. x x
2 Les étangs et mares qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. x x
3 La suppression ou le remblaiement des étangs et mares visés au point 1 pour autant que les remblais soient conformes à la législation en vigueur. x x J Aménagements, accessoires et mobiliers 1 Le placement d'auvents, de tentes solaires ou de couvertures d'une terrasse située au niveau du sol, accolés ou isolés. Situation : dans les espaces de cours et jardins. Hauteur maximale : 3,50 m. Superficie maximale totale de l'ensemble de ces aménagements : 40,00 m2. Implantation : à 2,00 m au moins des limites mitoyennes. x x
2 Le placement de mobilier de jardin ancré au sol ou enterré, tel que bancs, tables, siÚges, feux ouverts ou barbecues, poubelles, compostiÚres, pergolas, colonnes, bacs à plantations, fontaines décoratives, bassins de jardin, jeux pour enfants, structures pour arbres palissés. Le placement de candélabres et de poteaux d'éclairage, de maniÚre telle que le faisceau lumineux issu de lampes reporté au sol n'excÚde pas les limites mitoyennes. Les aires de jeux et de sport en matériaux perméables et les appareillages strictement nécessaires à leur pratique. Situation : soit dans les espaces de cours et jardins, soit aux abords d'une construction située dans une zone destinée à l'urbanisation et formant une unité fonctionnelle avec cette construction. Hauteur maximale : 3,50 m. x x
3 La création de chemins en matériaux perméables et de terrasses, aux abords d'une ou plusieurs constructions existantes, au niveau du sol et qui ne requiert pas de modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3, à l'exception des rocailles. x x 3.1 La création de rocailles, d'une surface de jardin maximale de 8 m2 (hors chemins). x x 3.2 La création de rocailles d'une surface totale de jardin dépassant les 8 m2 (hors chemins). x x
4 Le placement de serres de jardin qui totalisent une superficie maximale de 20,00 m2. x x
5 Pour autant qu'ils ne délimitent pas le bien : a) La pose de clÎtures constituées soit de piquets reliés entre eux par des fils ou treillis avec, éventuellement, à la base, une plaque de béton ou un muret de 0,70 m de hauteur maximum, soit de piquets reliés entre eux par une ou deux traverses horizontales, soit de palissades en bois, soit de gabions d'une épaisseur maximale de 20,00 cm, ainsi que la pose de portiques, portails, portillons d'une hauteur maximale de 2,00 m; b) la construction et la transformation de murs de soutÚnement, en ce compris en gabions, d'une hauteur maximale de 0,70 m; c) la construction et la transformation de murs d'une hauteur maximale de 2,00 m, non visibles depuis la voirie publique ou situés à l'arriÚre d'un bùtiment par rapport à la voirie de desserte publique. x x
6 Les aménagements, accessoires, mobiliers de jardins ancrés au sol ou enterrés, non visés aux points 1 à 5 ou qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 5. x x
7 La démolition, la suppression ou l'enlÚvement des éléments visés aux points 1 à 6 pour autant que les déchets provenant de la démolition, de la suppression ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x x K Habitations légÚres au sens du Code wallon de l'habitation durable 1 Le placement d'habitations légÚres préfabriquées ou en kit. x
2 Construction d'habitations lĂ©gĂšres non visĂ©es au point 1 pour autant qu'elles soient : a) sans Ă©tage; b) d'une superficie infĂ©rieure Ă 40 m2; c) d'une hauteur maximale de 2,50 m sous corniche, 3,50 m au faĂźte et, le cas Ă©chĂ©ant, 3,20 m Ă l'attique. x L Energies renouvelables Modules de production d'Ă©lectricitĂ© ou de chaleur 1 Le placement d'un ou de plusieurs modules de production d'Ă©lectricitĂ© ou de chaleur dont la source d'Ă©nergie est renouvelable qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bĂątiment situĂ© sur le mĂȘme bien et qui rentre dans une ou plusieurs des hypothĂšses suivantes: Energie solaire : a) lorsque le ou les modules sont fixĂ©s sur une toiture Ă versant(s), la projection du dĂ©bordement dans le plan vertical est infĂ©rieure ou Ă©gale Ă 0,30 m et la diffĂ©rence entre les pentes du module et de la toiture de ce bĂątiment est infĂ©rieure ou Ă©gale Ă 15 degrĂ©s; b) lorsque le ou les modules sont fixĂ©s sur une toiture plate, le dĂ©bordement vertical est de 1,50 m maximum et la pente du module est de 35 degrĂ©s maximum; c) lorsque le ou les modules sont fixĂ©s sur une Ă©lĂ©vation, la projection du dĂ©bordement dans le plan horizontal est comprise entre 1,20 et 1,50 m et la pente du module est comprise entre 25 et 45 degrĂ©s; Pompes Ă chaleur : a) au sol; b) d'un volume capable maximal d'un m[00b3]; c) Ă une distance d'au moins 15,00 m par rapport Ă l'habitation la plus proche ou pourvues d'un caisson acoustique d) et non visibles depuis la voirie de desserte publique. x x
2 Le placement d'un ou de plusieurs modules de production d'Ă©lectricitĂ© ou de chaleur qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bĂątiment situĂ© sur le mĂȘme bien dont la source d'Ă©nergie est renouvelable qui ne remplissent pas les conditions visĂ©es au point 1. x x
3 La suppression ou l'enlÚvement des éléments visés aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x x M ClÎtures 1 La pose de clÎtures transparentes de 2,00 m de hauteur maximum constituées soit de piquets reliés entre eux par des fils ou treillis avec, éventuellement, à la base, une plaque de béton ou un muret de 0,70 m de hauteur maximum, soit par des éléments de fixation en bois. La construction ou la transformation de murs de soutÚnement de moins de 0,70 m de haut, en ce compris en gabions. La pose de portiques, portillons ou portails d'une hauteur maximale de 2,00 m permettant une large vue sur le bien. x x
2 La pose de portiques, portails ou portillons qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1 ou qui ne sont pas visés au point 1. x x
3 La construction ou la transformation de murs de soutÚnement de plus de 0,70 m de haut ou de murs de clÎture aux abords d'une construction ou d'une installation existante dument autorisée. x x
4 La démolition ou l'enlÚvement des éléments visés aux points 1 à 4 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x x N Abris pour un ou des animaux en ce compris les ruchers et les dalles de fumiÚre 1 Un ou plusieurs ruchers par bien. Sans préjudice de l'application des dispositions visées au Code rural et des conditions intégrales prises en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement. x x
2 Un ou plusieurs abris pour animaux par bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins. Implantation : a) Ă 3,00 m au moins des limites mitoyennes; b) lorsqu'il s'agit de grands animaux, Ă 20,00 m au moins de toute habitation voisine; c) lorsqu'il s'agit de grands animaux, non situĂ©s dans l'axe de vue perpendiculaire Ă la façade arriĂšre d'une habitation voisine. Superficie maximale totale de l'ensemble des abris pour animaux sur le bien : 25,00 m2 pour un ou plusieurs abris. VolumĂ©trie : sans Ă©tage, toiture Ă un ou deux versants de mĂȘmes pente et longueur ou une toiture plate. Hauteur maximale calculĂ©e par rapport au niveau naturel du sol : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faĂźte; c) le cas Ă©chĂ©ant, 3,20 m Ă la hauteur de l'attique. MatĂ©riaux : bois ou grillage ou similaires Ă ceux du bĂątiment principal existant. Sans prĂ©judice de l'application des dispositions visĂ©es dans le Code rural et des conditions intĂ©grales et sectorielles prises en vertu du dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement. x x
3 L'établissement d'une dalle de fumiÚre. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle située sur le bien. Implantation : distante de 10,00 m au moins des limites mitoyennes. Hauteur : au niveau du sol. Superficie maximale : 10,00 m2. x x 3.1 Le placement d'une dalle de fumiÚre qui ne remplit pas les conditions du point 3. x x
4 Le placement ou la construction d'abris pour animaux qui ne remplissent pas les conditions des points 1 Ă 2. x x
5 La démolition et l'enlÚvement des abris, ruches et dalles de fumiÚre visés aux points 1 à 4 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x x O Exploitations agricoles 1 La construction de silos de stockage en tout ou en partie enterrés, pour autant que le niveau supérieur des murs de soutÚnement n'excÚde pas de 2,00 m le niveau du relief naturel du sol. x x
2 L'établissement d'une dalle de fumiÚre. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle de l'exploitant. Implantation : distante de 3,00 m minimum des limites mitoyennes. Hauteur : le niveau supérieur de la dalle ou des murs de soutÚnement n'excÚde pas de 2,00 m le niveau du relief naturel du sol. x x
3 La pose/le placement de citernes de stockage d'eau ou de poches à lisier en tout ou en partie enterrées. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle de l'exploitant et en dehors de la zone d'habitat. Implantation : a) à 10,00 m minimum de tout cours d'eau navigable ou non navigable; b) à 3,00 m minimum du domaine public. Hauteur : le niveau supérieur du mur de soutÚnement n'excÚde pas 0,70 m. x x 3.1 Le placement d'une poche à lisier par exploitation et par saison, pour une durée maximale de quatre mois, à condition que le bien retrouve son état initial au terme de ce délai. x x 3.2 Le placement de poches à lisier qui ne remplissent pas les conditions du point 3.1. x x
4 Le placement de serres-tunnels destinées à la culture de plantes agricoles ou horticoles et qui sont enlevées aprÚs la récolte. x x
5 Les filets anti-grĂȘle qui impliquent une structure ancrĂ©e au sol et le placement de serres-tunnels qui ne remplissent pas les conditions visĂ©es au point 4. x x
6 Le placement d'une installation de prise d'eau dans un cours d'eau non navigable ou non classé, destinée exclusivement à l'abreuvement du bétail. x x 6.1 Aménagement d'installations permettant au bétail de passer au-dessus de cours d'eau non navigables, pour autant que ni le lit du ruisseau ni les berges ne soient modifiés et pour autant qu'une autorisation écrite préalable ait été demandée auprÚs du gestionnaire du cours d'eau ainsi que, dans une zone reconnue en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, auprÚs de l'autorité compétente en application de ladite loi. Les installations servent uniquement au passage du bétail (pas de machines). Largeur maximale : 3,00 m. x x
7 La démolition et l'enlÚvement des éléments visés aux points 1 à 6 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x x P Constructions et installations provisoires 1 Les constructions provisoires d'infrastructures de chantiers relatifs à des actes et travaux autorisés, en ce compris les réfectoires, logements et sanitaires ainsi que les pavillons d'accueil, pendant la durée des actes et travaux et pour autant que le chantier se poursuive de maniÚre continue. x x
2 Le placement d'installations à caractÚre social, culturel, sportif ou récréatif, en ce compris les emplacements de stationnement en plein air y relatifs, pour une durée maximale de nonante jours pour autant qu'au terme de ce délai, le bien retrouve son état initial. x x
3 Le placement d'installations Ă caractĂšre commercial, sur le domaine public, ou sur le domaine privĂ© Ă la condition d'ĂȘtre en lien avec une activitĂ© existante, en ce compris les emplacements de stationnement en plein air y relatifs, pour une durĂ©e maximale de soixante jours pour autant que les installations soient conformes aux guide communal et rĂ©gional d'urbanisme et qu'au terme du dĂ©lai, le bien retrouve son Ă©tat initial. x x
4 Le placement provisoire d'installations nécessaires à l'accueil d'une activité déplacée, pendant la durée des actes et travaux soumis à permis, pour autant que le chantier se poursuive de maniÚre continue et qu'une fois les actes et travaux réalisés ou le permis périmé, les installations soient enlevées. x x
5 La suppression ou l'enlÚvement des éléments visés aux points 1 et 4, pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x x Q Enseignes et dispositifs de publicité 1 Le placement d'une ou plusieurs enseignes, ou d'un ou plusieurs dispositifs de publicité. x x
2 L'enlĂšvement des enseignes et dispositifs visĂ©s au point 1 pour autant que les dĂ©chets provenant de l'enlĂšvement soient Ă©vacuĂ©s conformĂ©ment Ă la lĂ©gislation en vigueur. x xR Miradors et postes d'observation 1 En zone forestiĂšre, dans la zone contigĂŒe Ă la zone forestiĂšre et en zone agricole, les miradors et autres postes d'observation en bois ou mĂ©talliques de ton mat visĂ©s Ă l'article 1er, § 1er, 9°, de la loi du 28 fĂ©vrier 1882 sur la chasse. Superficie utile maximale : 4,00 m2x x 1.1 En zone forestiĂšre, dans la zone contigĂŒe Ă la zone forestiĂšre et en zone agricole, les miradors et autres postes d'observation ne remplissant pas les conditions visĂ©es au point 1. x x
2 L'enlÚvement des miradors et des postes d'observation visés aux points 1 ou 1.1 pour autant que les déchets provenant de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x x S Arbres, haies et modification de la végétation 1 Le boisement ou le déboisement. x x
2 Sans préjudice de l'article R.IV.4-4, la culture de sapins de Noël. x x
3 L'abattage d'une haie sur une longueur continue de moins de 2,50 m en vue de créer un seul accÚs à une habitation existante, pour autant que cet abattage soit concerné par l'article D.IV.4, alinéa 1er, 11°. x x
4 L'abattage d'arbres isolés à haute tige, d'une haie, ou l'abattage d'un ou plusieurs ou de tous les arbres d'une allée au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 11°. x x
5 L'abattage, l'atteinte au systÚme racinaire ou la modification de l'aspect d'un arbre remarquable, d'un arbuste remarquable ou d'une haie remarquable au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 12°. x x
6 Le défrichage ou la modification de la végétation de toute zone visée à l'article R.IV.4-11. x x
7 L'abattage d'arbres visĂ© aux points 4 Ă 6 faisant l'objet d'un arrĂȘtĂ© du bourgmestre pris en urgence dans le but d'assurer la sĂ©curitĂ© publique. x x T Modification du relief du sol 1 La modification sensible du relief du sol pour les forages ou carottages rĂ©alisĂ©s dans le cadre d'une Ă©tude gĂ©otechnique, d'une prospection gĂ©ologique ou d'une Ă©tude de la pollution du sol. x x
2 La modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 dans un rayon de 30,00 m d'une construction ou d'une installation existante dument autorisée. x x
3 Pour la mise en oeuvre d'un programme d'action sur les riviĂšres par une approche intĂ©grĂ©e et sectorielle visĂ© Ă l'article D. 33/3 du Livre II du Code de l'environnement, constituant le Code de l'eau, qui concerne : a) les travaux de remblais ou de dĂ©blais n'excĂ©dant pas 50,00 centimĂštres et situĂ©s Ă une distance maximum de 6,00 m Ă partir de la crĂȘte de berge d'un cours d'eau, y compris dans les zones soumises Ă l'alĂ©a d'inondation; b) le dĂ©pĂŽt et l'Ă©talement des produits provenant des travaux de curage d'un cours d'eau. x x U Utilisation d'un terrain pour dĂ©pĂŽts et installations mobiles 1 Utiliser habituellement un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations mobiles au sens de l'article D.IV.4, alinĂ©a 1er, 15°, b, en vue de rĂ©aliser une " aire d'accueil Ă la ferme " au sens de l'article 252/1.D du Code wallon du Tourisme, en ce compris l'installation ou la transformation des impĂ©trants nĂ©cessaires Ă la viabilisation du terrain, pour autant qu'elle soit conforme aux prescriptions dĂ©crĂ©tales et rĂšglementaires du plan de secteur. x x
2 Utilisation habituelle d'un terrain : pour le dépÎt d'un ou plusieurs véhicules usagés, de mitrailles, de matériaux ou de déchets; pour le placement d'une ou plusieurs installations mobiles, telles que roulottes, caravanes, véhicules désaffectés et tentes, à l'exception des installations mobiles autorisées par une autorisation visée par le Code wallon du tourisme, le décret du 4 mars 1991 relatif aux conditions d'exploitation des terrains de caravanage ou le décret de la Communauté germanophone du 9 mai 1994. x x V Structure destinée à l'hébergement touristique et de loisirs 1 Le placement d'un ou plusieurs abris mobiles au sens de l'article 1er, D, 2°, du Code wallon du Tourisme, aux conditions cumulatives suivantes : a) l'abri mobile a une superficie maximale de 50,00 m2; b) son placement ou sa construction ne nécessite pas de modification sensible du relief du sol; c) il est situé : - dans un camping touristique ou dans un camping à la ferme autorisé en vertu du Code wallon du Tourisme; - sur un terrain de caravanage autorisé en vertu du décret du 4 mars 1991 relatif aux conditions d'exploitation des terrains de caravanage; - dans un camping autorisé en vertu du décret du Conseil de la Communauté germanophone du 9 mai 1994 sur le camping et les terrains de camping. x x
2 La construction d'une terrasse avec ou sans balustrades qui respecte les conditions de l'article 249 AGW, alinéa 1er, 3°, et alinéa 2, du Code wallon du Tourisme dans un camping touristique. x x
3 La construction de cabanes en bois ou le placement de tentes, tipis, yourtes et bulles en zone forestiĂšre. x x
4 L'enlĂšvement ou la dĂ©molition des hĂ©bergements touristiques ou de loisirs, de terrasses visĂ©s aux points 1 Ă 3 pour autant que les dĂ©chets provenant de la dĂ©molition ou de l'enlĂšvement soient Ă©vacuĂ©s conformĂ©ment Ă la lĂ©gislation en vigueur. x x W Actes et travaux sur le domaine public de la voirie, des voies ferrĂ©es et des cours d'eau 1 Pour autant qu'il n'y ait pas d'Ă©largissement de l'assiette des voiries, le renouvellement des fondations et du revĂȘtement des voiries, bermes, bordures, trottoirs, Ăźlots et places publiques, Ă l'exception des changements de revĂȘtements constituĂ©s de pierres naturelles et, pour les places publiques, pour autant que les actes et travaux n'augmentent pas la superficie des revĂȘtements en matĂ©riau impermĂ©able. x x
2 La pose, le renouvellement, le déplacement ou l'enlÚvement des éléments accessoires tels que les radars, parapets, les glissiÚres et bordures de sécurité, à l'exception des murs de soutÚnement et des écrans antibruit. x x
3 L'installation, le déplacement, la transformation, l'extension ou l'enlÚvement des réseaux de fluides, d'une pression inférieure ou égale à 20 bars pour le gaz, d'énergie, d'une tension inférieure ou égale à 70 KV pour l'électricité, et de télécommunication insérés, ancrés, prenant appui ou surplombant le domaine public en ce compris les raccordements privés, les éléments accessoires et équipements connexes tels que bornes, armoires techniques, pylÎnes et poteaux d'une hauteur maximale de 14,00 mÚtres. x x
4 Les aménagements provisoires de voirie d'une durée maximale de cinq ans. x x
5 Les travaux d'aménagement des espaces réservés aux piétons, personnes à mobilité réduite ou cyclistes et visant la création ou l'agrandissement local de ces espaces, l'amélioration de leur aspect esthétique ou la sécurité des usagers, que ces travaux entrainent ou non un rétrécissement de l'assiette de la ou des voiries. x x
6 Le placement ou le renouvellement de petit mobilier urbain tels que bancs, tables, siÚges, poubelles, candélabres, bacs à plantations, petites piÚces d'eau, bornes électriques, conteneurs, enterrés ou non, affectés à la collecte des déchets ménagers ou assimilés. x x
7 Les travaux d'aménagement des espaces réservés aux plantations. x x
8 Le placement, le déplacement ou l'enlÚvement des dispositifs ou éléments de signalisation suivants : a) la signalisation, en ce compris son support et les portiques, ainsi que sa protection vis-à -vis de la circulation; b) les dispositifs fixes ou mobiles limitant la circulation, le stationnement ou la vitesse; c) les dispositifs de contrÎle du stationnement, tels que les parcmÚtres ou appareils horodateurs; d) les dispositifs de stationnement non-couverts pour véhicules à deux roues; e) les dispositifs accessoires d'installations techniques, souterraines ou non, tels que des armoires de commande électrique de feux de signalisation ou d'éclairage public, bornes téléphoniques, bornes incendies et armoires de télédiffusion. x x
9 Le placement, le déplacement ou l'enlÚvement des dispositifs d'éclairage public. x x
10 Pour autant qu'ils ne soient pas soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matiÚre d'urbanisme, le placement, le déplacement ou l'enlÚvement des dispositifs d'affichage et de publicité suivants : a) les colonnes dont le fût est d'au plus 1,20 m de diamÚtre et ne dépasse pas 3,50 m de hauteur; b) les panneaux sur pied dont les hauteur et largeur maximales ne dépassent pas respectivement 2,50 m et 1,70 m et dont la superficie utile ne dépasse pas 4,00 m2 par face. x x
11 L'établissement ou la modification de la signalisation au sol. x x
12 Le placement, le déplacement ou l'enlÚvement de ralentisseurs de trafic. x x
13 La pose, l'enlĂšvement ou le renouvellement des fondations et des dispositifs d'exploitation des voies et des lignes de transport en commun existants tels que rails, traverses, ballast, poteaux catĂ©naires, signaux, portiques, loges, armoires de signalisation ou poteaux d'arrĂȘts pour les voyageurs. x x
14 Le placement d'une terrasse ouverte saisonniĂšre dans le secteur Horeca. x x
15 Les abris pour voyageurs aux arrĂȘts de transport public. x x
16 Le placement ou le déplacement de boßtes postales. x x
17 Le placement, le déplacement ou l'enlÚvement de statues, monuments commémoratifs et autres oeuvres artistiques, placés par les autorités ou sur l'ordre des autorités. x x
18 La pose, le renouvellement ou l'enlÚvement d'ouvrages de protection des berges dans un cours d'eau non navigable, à l'exception de murs maçonnés, sur un linéaire n'excédant pas 100,00 m et d'une hauteur maximum de 2,00 m. x x X Egouttage, canalisation et réseaux en dehors du domaine public de la voirie, des voies ferrées et des cours d'eau, forages et prises d'eau 1 L'installation, le déplacement, la transformation de raccordements privés, en ce compris les armoires techniques, aux réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication ainsi que l'installation, le déplacement, la transformation de citernes à eau ou combustibles enfouies, drains, avaloirs, filets d'eau, regards, taques et fosses septiques et tout autre systÚme d'épuration individuelle des eaux usées domestiques pour autant que, cumulativement : a) les déblais éventuels nécessaires à ces aménagements n'entrainent aucune modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien; b) ces dispositifs soient reliés à l'infrastructure nécessaire à l'aménagement du bien et situés exclusivement sur celui-ci. x x
2 Les raccordements privés, en ce compris les armoires techniques, aux réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication ainsi que le placement de citernes à eau ou combustibles enfouies, drains, avaloirs, filets d'eau, regards, taques et fosses septiques et tout autre systÚme d'épuration individuelle qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. x x
3 Le placement de citernes aériennes. x x
4 L'insertion ou le renforcement de rĂ©seaux enterrĂ©s de fluide, d'Ă©nergie, de tĂ©lĂ©communication dans un site technique dĂ©jĂ amĂ©nagĂ© pour autant que, cumulativement : a) les travaux projetĂ©s sont propres Ă la fonction du site; b) les installations, bĂątiments, constructions et revĂȘtement existants ont Ă©tĂ© lĂ©galement autorisĂ©s; c) les travaux ne visent pas la construction d'un bĂątiment; d) l'emprise au sol ne rĂ©duit pas les pĂ©rimĂštres ou les dispositifs d'isolement existants. x x
5 Les forages de puits et les prises d'eau. x x
6 Dans les zones non destinées à l'urbanisation et à condition de ne pas nécessiter de permis au sens de l'article R.IV.4-3, alinéa 1er, 6°, l'établissement ou la modification d'un systÚme de drainage pour autant que le terrain ne soit pas situé dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception des sites Natura 2000, ou exposé à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tel que visé à l'article D.IV.57, 3°. x x
7 L'installation, le déplacement, la transformation ou l'extension des réseaux de fluides, d'énergie et de télécommunication insérés ou ancrés, enterrés ou aériens et les éléments accessoires et les équipements connexes, lorsqu'ils sont situés en dehors du domaine public. x x
8 L'enlÚvement des éléments visés aux points 1 à 7 pour autant que les déchets provenant de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x x Y Télécommunication, télédistribution, fibre optique, gaz, électricité 1 Le remplacement d'installations ou d'armoires techniques par des installations ou armoires techniques d'un volume moindre ou équivalent. x x
2 Le remplacement d'antennes existantes par des antennes de dimensions égales ou inférieures ou supérieures, à la condition que la hauteur totale incluant leur mùt de support ne soit pas augmentée et que les nouvelles antennes soient d'une hauteur maximale de 3,00 m. x x
3 Le remplacement d'un pylĂŽne ou d'un poteau existant par un pylĂŽne ou un poteau de mĂȘme hauteur et de mĂȘme type installĂ© sur le mĂȘme site. x x
4 Le placement d'une armoire technique sur une toiture plate à condition qu'elle ne soit pas visible depuis la voirie, à savoir qu'elle soit située à une distance d'au moins une fois et demi la hauteur de l'armoire depuis l'attique. x x
5 Le placement ou le remplacement d'armoires techniques à cÎté d'un pylÎne ou d'un poteau posé au sol ou dans un local technique situé à proximité d'un mùt de support placé sur un toit. x x
6 La pose d'installations techniques en vue d'assurer la stabilité et la sécurité d'installations existantes ainsi que leur bon fonctionnement. x x
7 Le placement d'antennes ou faisceaux hertziens, d'armoires et d'installations techniques lors d'évÚnements culturels, sportifs, récréatifs ou commerciaux, placées pour une durée maximale de 90 jours à condition que ces antennes ou faisceaux, armoires et installations ne soient pas placés plus de 15 jours avant le début de l'évÚnement et qu'ils soient enlevés au plus tard 15 jours aprÚs la fin de l'évÚnement. x x
8 Le dĂ©placement et/ou la reconstruction d'antennes ou faisceaux hertziens, de rĂ©seaux insĂ©rĂ©s, ancrĂ©s, enterrĂ©s ou aĂ©riens, et d'armoires et installations techniques pour des raisons d'urgence, de sĂ©curitĂ© ou d'intĂ©rĂȘt public imprĂ©visibles dans le chef de l'opĂ©rateur, le temps nĂ©cessaire pour obtenir toutes les autorisations requises au dĂ©placement et/ou Ă la reconstruction du site. x x
9 Le déplacement temporaire d'une installation existante afin d'assurer la continuité des services, en cas de travaux effectués par le propriétaire de la structure initiale, pour la durée exclusive des travaux. x x
10 La pose d'installations telles que les antennes, faisceaux hertziens, armoires et installations techniques pour autant qu'elles soient situĂ©es Ă l'intĂ©rieur de bĂątiments, de constructions ou de structures existantes ou couvertes par des matĂ©riaux ayant la mĂȘme apparence que les matĂ©riaux existants. x x
11 Le placement de faisceaux hertziens ayant un diamĂštre maximal de 90,00 cm sur un pylĂŽne existant ou un mĂąt de support en toiture existant dument autorisĂ©. x x 11.1 L'installation de points d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e qui sont intĂ©grĂ©s dans leur totalitĂ© et en toute sĂ©curitĂ© dans leur structure porteuse et, partant, invisibles pour le grand public. x x11.2 L'installation de points d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e qui remplissent les conditions suivantes : a) le volume total de la partie visible par le public d'un point d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e desservant un ou plusieurs utilisateurs du spectre radioĂ©lectrique ne dĂ©passe pas 30 litres; b) le volume total des parties visibles par le public de plusieurs points d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e sĂ©parĂ©s qui occupent un mĂȘme site d'infrastructure d'une surface individuelle dĂ©limitĂ©e, tel qu'un poteau d'Ă©clairage, des feux de circulation, un panneau d'affichage ou un arrĂȘt de bus, ne dĂ©passe pas 30 litres; c) dans les cas oĂč le systĂšme d'antenne et d'autres Ă©lĂ©ments du point d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e, tels qu'une unitĂ© de radiofrĂ©quence, un processeur numĂ©rique, une unitĂ© de stockage, un systĂšme de refroidissement, l'alimentation Ă©lectrique, des connexions par cĂąble, des Ă©lĂ©ments de collecte ou des Ă©lĂ©ments de mise Ă la terre et de fixation, sont installĂ©s sĂ©parĂ©ment, toute partie de tels Ă©lĂ©ments supĂ©rieure Ă 30 litres est rendue invisible par le public; d) le point d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e a une cohĂ©rence visuelle avec la structure porteuse et possĂšde une taille proportionnĂ©e par rapport Ă la taille globale de la structure porteuse, une forme cohĂ©rente, des couleurs neutres qui s'harmonisent avec la structure porteuse ou se fondent avec cette derniĂšre, ainsi que des cĂąbles cachĂ©s et ne crĂ©e pas de surcharge visuelle en combinaison avec d'autres points d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e dĂ©jĂ installĂ©s sur le mĂȘme site ou sur des sites adjacents; e) le poids et la forme d'un point d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e n'imposent pas de renforcement structurel de la structure porteuse. Les points d'accĂšs sans fil Ă portĂ©e limitĂ©e dont la puissance isotrope rayonnĂ©e Ă©quivalente s'Ă©lĂšve Ă 10 watts peuvent ĂȘtre uniquement dĂ©ployĂ©s dans un espace extĂ©rieur ou dans un vaste espace intĂ©rieur prĂ©sentant une hauteur de plafond d'au moins 4,00 m, la partie rayonnante infĂ©rieure de l'antenne devant ĂȘtre installĂ©e Ă une hauteur d'au moins 2,20 mĂštres au-dessus du niveau de passage du public. x x
12 Le placement d'une antenne de radio-télévision ou de faisceaux hertziens (antenne parabolique ou antenne-panneau). Situation : * soit ancrée sur une élévation à l'arriÚre du bùtiment par rapport à la voirie de desserte publique ou en recul d'au moins 4,00 m de l'alignement; * soit ancrée au sol ou sur un pan de toiture et implantée à l'arriÚre du bùtiment par rapport à la voirie de desserte publique. Superficie maximale : 1,00 m2. Matériaux : il faut que l'antenne soit d'un ton similaire à celui de son support. x x
13 Le placement d'une antenne de radio-télévision ou de faisceaux hertziens (antenne parabolique ou antenne-panneau). Situation : sur un toit plat. Hauteur maximale : 5,00 m support compris, et la hauteur est inférieure à la distance séparant l'installation de l'attique. Superficie maximale : 1,00 m2. x x
14 Le placement d'une antenne visée aux points 1 ou 2, et qui ne remplit pas les conditions énoncées aux points 1 ou 2. x x
15 Le placement d'antennes et de boßtiers de modules radio distants sur un pylÎne existant ancré au sol ou un mùt de support en toiture existant dument autorisé, à condition que le déport soit de maximum 1,00 m dans le cas d'un pylÎne et de maximum 0,40 m dans le cas d'un mùt de support, et que la hauteur du pylÎne ou du mùt ne soit pas dépassée. x x
16 Le placement d'antennes accolĂ©es Ă une façade existante avec un maximum d'une antenne, en ce compris les Ă©lĂ©ments actifs nĂ©cessaires Ă son raccordement, par 6 mĂštres courants de façade, ou Ă un pignon existant avec un maximum d'une antenne par pignon, ou sur une cheminĂ©e Ă condition que ces antennes aient une couleur similaire au revĂȘtement de la façade ou du pignon. x x
17 Le placement d'antennes sur le toit plat ou la partie plate du toit d'un immeuble, à condition qu'elles aient une hauteur maximale de 3,00 m support inclus, que cette hauteur soit inférieure à la distance séparant l'installation du bord inférieur ou de la rive de la toiture ou de l'attique et que le bùtiment soit d'une hauteur minimale de 12,00 m. x x
18 Le placement sur façade et en aĂ©rien de cĂąbles et conduites de communications Ă©lectroniques ou numĂ©riques et des boĂźtes de raccordement connexes, pour autant que la couleur soit neutre et discrĂšte et pour autant que le tracĂ© du cĂąble suive les lignes architecturales de l'habitation telles que le seuil de la fenĂȘtre, la corniche, les jointages entre façades, le bord infĂ©rieur ou la rive de toiture, l'attique. x x
19 Le placement de l'antenne d'une station d'amateur au sens de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 9 janvier 2001 relatif Ă l'Ă©tablissement et la mise en service de stations radioĂ©lectriques par des radioamateurs. x x
20 Le placement sur le domaine public de supports d'un diamÚtre maximum de 30,00 cm et d'une hauteur maximale de 8,00 m supportant des équipements techniques de télécommunication et des antennes, y compris des faisceaux hertziens d'un diamÚtre maximum de 90,00 cm, avec un déport n'excédant pas 40,00 cm. x x
21 La suppression ou l'enlÚvement des éléments visés aux points 1 à 20, pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlÚvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x x Z Domaines militaires 1 La réalisation d'ouvrages défensifs à caractÚre opérationnel ou devant rester secret stratégique, pour le compte du MinistÚre de la Défense nationale et dont la liste est établie conjointement par le Ministre de la Défense nationale et le Ministre ayant l'Aménagement du territoire dans ses attributions. x x
Art. 8. In artikel R.IV.4-1 van hetzelfde Wetboek wordt tussen het eerste lid en het tweede lid, dat het derde lid wordt, een lid ingevoegd, luidende:
  "Als de bestemming van een goed in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 7°, geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd, gaat het om de omschakeling in woongebruik van op de begane grond van de straat gelegen ruimten in een bestaand bouwwerk die worden gebruikt voor de verkoop of ruil van goederen en diensten of voor een drinkgelegenheid, ongeacht de grootte van de ruimten en zelfs indien daarbij geen nieuwe woning wordt gecreëerd."
  "Als de bestemming van een goed in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 7°, geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd, gaat het om de omschakeling in woongebruik van op de begane grond van de straat gelegen ruimten in een bestaand bouwwerk die worden gebruikt voor de verkoop of ruil van goederen en diensten of voor een drinkgelegenheid, ongeacht de grootte van de ruimten en zelfs indien daarbij geen nieuwe woning wordt gecreëerd."
Art. 8. Dans l'article R.IV.4-1 du mĂȘme Code, il est insĂ©rĂ© entre les alinĂ©as 1er et 2, qui devient l'alinĂ©a 3, un alinĂ©a rĂ©digĂ© comme suit :
  " La modification de destination de tout ou partie d'un bien au sens de l'article D.IV.4, alinĂ©a 1er, 7°, est la transformation en zone d'habitat de surfaces en rez-de-chaussĂ©e d'une construction existante qui sont utilisĂ©es pour la vente ou l'Ă©change de marchandises et services ou comme dĂ©bit de boissons, indĂ©pendamment de leur taille, et ce, mĂȘme s'il ne s'agit pas de crĂ©er un nouveau logement. "
  " La modification de destination de tout ou partie d'un bien au sens de l'article D.IV.4, alinĂ©a 1er, 7°, est la transformation en zone d'habitat de surfaces en rez-de-chaussĂ©e d'une construction existante qui sont utilisĂ©es pour la vente ou l'Ă©change de marchandises et services ou comme dĂ©bit de boissons, indĂ©pendamment de leur taille, et ce, mĂȘme s'il ne s'agit pas de crĂ©er un nouveau logement. "
Art. 9. In artikel R.IV.4-4, tweede lid, 3°, b), van hetzelfde Wetboek wordt het woord "a)" vervangen door het woord "b)".
Art. 9. (Concerne le texte allemand).
Art. 10. In artikel R.IV.4-5, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de inleidende zin worden de woorden "geplant worden" vervangen door het woord "geplant zijn";
  2° (Geldt alleen voor de Duitse tekst).
  1° in de inleidende zin worden de woorden "geplant worden" vervangen door het woord "geplant zijn";
  2° (Geldt alleen voor de Duitse tekst).
Art. 10. A l'article R.IV.4-5, alinĂ©a 1er, 1°, du mĂȘme Code, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° (concerne le texte allemand);
  2° dans le c), les mots " la plantation " sont remplacés par les mots " l'agencement ".
  1° (concerne le texte allemand);
  2° dans le c), les mots " la plantation " sont remplacés par les mots " l'agencement ".
Art. 11. Artikel R.IV.4-6 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
  "Art. R.IV.4-6 - Hagen en alleeën
  De haag bedoeld in artikel D.IV.4, 11°, b), voldoet cumulatief aan de volgende voorwaarden:
  1° ze bestaat voornamelijk uit inheemse soorten;
  2° ze heeft een onafgebroken lengte van minstens tien meter;
  3° de maximale breedte tussen de buitenste stamvoeten bedraagt tien meter.
  De allee bedoeld in artikel D.IV.4, 11°, b), voldoet cumulatief aan de volgende voorwaarden:
  1° ze telt minstens tien hoogstammige bomen die in ten minste één rij staan;
  2° de maximale afstand tussen elke boom is veertig meter."
  "Art. R.IV.4-6 - Hagen en alleeën
  De haag bedoeld in artikel D.IV.4, 11°, b), voldoet cumulatief aan de volgende voorwaarden:
  1° ze bestaat voornamelijk uit inheemse soorten;
  2° ze heeft een onafgebroken lengte van minstens tien meter;
  3° de maximale breedte tussen de buitenste stamvoeten bedraagt tien meter.
  De allee bedoeld in artikel D.IV.4, 11°, b), voldoet cumulatief aan de volgende voorwaarden:
  1° ze telt minstens tien hoogstammige bomen die in ten minste één rij staan;
  2° de maximale afstand tussen elke boom is veertig meter."
Art. 11. L'article R.IV.4-6 du mĂȘme Code est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. R.IV.4-6 - Haies et allées
  La haie au sens de l'article D.IV.4, 11°, b), remplit cumulativement les conditions suivantes :
  1° elle est constituée principalement d'essences indigÚnes;
  2° elle présente une longueur continue de minimum dix mÚtres;
  3° La largeur maximale entre les pieds extérieurs est de dix mÚtres.
  L'allée au sens de l'article D.IV.4, 11°, b), remplit cumulativement les conditions suivantes :
  1° elle comporte au moins dix arbres à haute tige, alignés sur au moins une rangée;
  2° la distance maximale entre les différents arbres est de 40 mÚtres. "
  " Art. R.IV.4-6 - Haies et allées
  La haie au sens de l'article D.IV.4, 11°, b), remplit cumulativement les conditions suivantes :
  1° elle est constituée principalement d'essences indigÚnes;
  2° elle présente une longueur continue de minimum dix mÚtres;
  3° La largeur maximale entre les pieds extérieurs est de dix mÚtres.
  L'allée au sens de l'article D.IV.4, 11°, b), remplit cumulativement les conditions suivantes :
  1° elle comporte au moins dix arbres à haute tige, alignés sur au moins une rangée;
  2° la distance maximale entre les différents arbres est de 40 mÚtres. "
Art. 12. In artikel R.IV.4-8 van hetzelfde Wetboek wordt het eerste lid, 2°, vervangen als volgt:
  "2° de hagen uit voornamelijk inlandse soorten die sedert meer dan dertig jaar op het openbaar domein van de wegen geplant zijn."
  "2° de hagen uit voornamelijk inlandse soorten die sedert meer dan dertig jaar op het openbaar domein van de wegen geplant zijn."
Art. 12. Dans l'article R.IV.4-8, alinĂ©a 1er, du mĂȘme Code, le 2° est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 2° les haies constituées principalement d'essences indigÚnes, plantées depuis plus de trente ans sur le domaine public de la voirie. "
  " 2° les haies constituées principalement d'essences indigÚnes, plantées depuis plus de trente ans sur le domaine public de la voirie. "
Art. 13. In artikel R.IV.4-10, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 19 december 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, 3°, wordt het woord "gesteltakken" vervangen door de woorden "levende gesteltakken";
  2° in het eerste lid wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt:
  "4° het inkorten van takken die op het snoeipunt een omtrek van meer dan dertig centimeter hebben;"
  3° het eerste lid, 8°, wordt aangevuld met de woorden ", behalve als dit elk jaar of om de twee jaar gebeurt; doorgroeiende bomen mogen niet worden beschadigd;"
  4° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
  "Paragraaf 1 is niet van toepassing op waardevolle bomen, als het snoeien tot doel heeft om die bomen als knotbomen te behouden of om in het regelmatig onderhoud te voorzien van fruitbomen in de zin van artikel R.IV.4-7, 3°."
  1° in het eerste lid, 3°, wordt het woord "gesteltakken" vervangen door de woorden "levende gesteltakken";
  2° in het eerste lid wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt:
  "4° het inkorten van takken die op het snoeipunt een omtrek van meer dan dertig centimeter hebben;"
  3° het eerste lid, 8°, wordt aangevuld met de woorden ", behalve als dit elk jaar of om de twee jaar gebeurt; doorgroeiende bomen mogen niet worden beschadigd;"
  4° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
  "Paragraaf 1 is niet van toepassing op waardevolle bomen, als het snoeien tot doel heeft om die bomen als knotbomen te behouden of om in het regelmatig onderhoud te voorzien van fruitbomen in de zin van artikel R.IV.4-7, 3°."
Art. 13. A l'article R.IV.4-10, § 1er, du mĂȘme Code, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement du 19 dĂ©cembre 2019, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans l'alinéa 1er, 3°, le mot " vivantes " est inséré entre le mot " charpentiÚres " et le mot " jusqu'à ";
  2° dans l'alinéa 1er, le 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° le raccourcissement des branches qui ont plus de trente centimÚtres de tour au point de taille ";
  3° dans l'alinĂ©a 1er, le 8° est complĂ©tĂ© par les mots " , sauf si cette taille a lieu tous les ans ou tous les deux ans; des arbres en croissance ne peuvent ĂȘtre endommagĂ©s ";
  4° (concerne le texte allemand).
  1° dans l'alinéa 1er, 3°, le mot " vivantes " est inséré entre le mot " charpentiÚres " et le mot " jusqu'à ";
  2° dans l'alinéa 1er, le 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° le raccourcissement des branches qui ont plus de trente centimÚtres de tour au point de taille ";
  3° dans l'alinĂ©a 1er, le 8° est complĂ©tĂ© par les mots " , sauf si cette taille a lieu tous les ans ou tous les deux ans; des arbres en croissance ne peuvent ĂȘtre endommagĂ©s ";
  4° (concerne le texte allemand).
Art. 14. Artikel R.IV.26-1, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
  " § 1 - De aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning waarvoor een architect moet worden ingeschakeld, wordt ingediend via het formulier in bijlage 4, waarin de inhoud van dat formulier wordt vastgelegd voor de projecten.
  De aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning waarvoor geen architect hoeft te worden ingeschakeld, wordt ingediend via het formulier in bijlage 5, waarin de inhoud van dat formulier wordt vastgelegd voor de projecten.
  De aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor handelingen die volgende doeleinden hebben, wordt ingediend via het formulier in bijlage 6, waarin de inhoud van dat formulier wordt vastgelegd:
  1° bebossing, ontbossing, het vellen van hoogstammige alleenstaande bomen, van hagen of van alleeën;
  2° kerstbomenteelt, het vellen dat schade toebrengt aan het wortelstelsel;
  3° wijziging van het uitzicht van waardevolle bomen, struiken of hagen;
  4° het rooien of wijzigen van de vegetatie in een gebied waarvan de bescherming noodzakelijk wordt geacht door de Regering.
  Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op verschillende objecten die verschillende formulieren vereisen, dan worden deze formulieren bij het dossier gevoegd en vormen ze één enkele vergunningsaanvraag."
  " § 1 - De aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning waarvoor een architect moet worden ingeschakeld, wordt ingediend via het formulier in bijlage 4, waarin de inhoud van dat formulier wordt vastgelegd voor de projecten.
  De aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning waarvoor geen architect hoeft te worden ingeschakeld, wordt ingediend via het formulier in bijlage 5, waarin de inhoud van dat formulier wordt vastgelegd voor de projecten.
  De aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor handelingen die volgende doeleinden hebben, wordt ingediend via het formulier in bijlage 6, waarin de inhoud van dat formulier wordt vastgelegd:
  1° bebossing, ontbossing, het vellen van hoogstammige alleenstaande bomen, van hagen of van alleeën;
  2° kerstbomenteelt, het vellen dat schade toebrengt aan het wortelstelsel;
  3° wijziging van het uitzicht van waardevolle bomen, struiken of hagen;
  4° het rooien of wijzigen van de vegetatie in een gebied waarvan de bescherming noodzakelijk wordt geacht door de Regering.
  Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op verschillende objecten die verschillende formulieren vereisen, dan worden deze formulieren bij het dossier gevoegd en vormen ze één enkele vergunningsaanvraag."
Art. 14. Dans l'article R.IV.26-1 du mĂȘme Code, le § 1er est remplacĂ© par ce qui suit :
  " § 1er - La demande de permis d'urbanisme pour laquelle l'intervention d'un architecte est requise est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 4 qui en fixe le contenu pour les projets.
  La demande de permis d'urbanisme pour laquelle l'intervention d'un architecte n'est pas requise est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 5 qui en fixe le contenu pour les projets.
  La demande de permis d'urbanisme pour les actes poursuivant les objectifs suivants est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 6 qui en fixe le contenu :
  1° boisement, déboisement, abattage d'arbres isolés à haute tige, de haies ou d'allées;
  2° culture de sapins de Noël, abattage qui porte préjudice au systÚme racinaire;
  3° modification de l'aspect d'un ou plusieurs arbres, arbustes ou haies remarquables;
  4° défrichement ou modification de la végétation d'une zone dont le Gouvernement juge la protection nécessaire.
  Si la demande de permis porte sur des objets différents réquérant des formulaires distincts, ceux-ci sont joints au dossier, constituant ainsi une seule demande de permis.
  " § 1er - La demande de permis d'urbanisme pour laquelle l'intervention d'un architecte est requise est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 4 qui en fixe le contenu pour les projets.
  La demande de permis d'urbanisme pour laquelle l'intervention d'un architecte n'est pas requise est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 5 qui en fixe le contenu pour les projets.
  La demande de permis d'urbanisme pour les actes poursuivant les objectifs suivants est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 6 qui en fixe le contenu :
  1° boisement, déboisement, abattage d'arbres isolés à haute tige, de haies ou d'allées;
  2° culture de sapins de Noël, abattage qui porte préjudice au systÚme racinaire;
  3° modification de l'aspect d'un ou plusieurs arbres, arbustes ou haies remarquables;
  4° défrichement ou modification de la végétation d'une zone dont le Gouvernement juge la protection nécessaire.
  Si la demande de permis porte sur des objets différents réquérant des formulaires distincts, ceux-ci sont joints au dossier, constituant ainsi une seule demande de permis.
Art. 15. In de tabel van artikel R.IV.35-1 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de regels 10 tot 12 worden vervangen als volgt:
  1° de regels 10 tot 12 worden vervangen als volgt:
Art. 15. A l'article R.IV.35-1 du mĂȘme Code, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° les lignes 10 à 12 du tableau sont remplacées par ce qui suit :
  1° les lignes 10 à 12 du tableau sont remplacées par ce qui suit :
  | Onbevaarbare waterloop van eerste categorie: bouw van een gebouw, inrichting van een parkeerruimte op een terrein dat naast de waterloop ligt | DGO3 - Directie onbevaarbare waterlopen DGO3 - Departement Natuur en Bossen |
  | Onbevaarbare waterloop van tweede categorie of ongeklasseerde waterloop: bouw van een gebouw, inrichting van een parkeerruimte op een terrein dat naast de waterloop ligt | Provinciale technische dienst DGO3 - Departement Natuur en Bossen |
  | Onbevaarbare waterloop van derde categorie: bouw van een gebouw of van een installatie, inrichting van een parkeerruimte op een terrein dat naast de waterloop ligt | Betrokken gemeentecollege DGO3 - Departement Natuur en Bossen |
Onbevaarbare waterloop van eerste categorie: bouw van een gebouw, inrichting van een parkeerruimte op een terrein dat naast de waterloop ligt DGO3 - Directie onbevaarbare waterlopen DGO3 - Departement Natuur en Bossen
Onbevaarbare waterloop van tweede categorie of ongeklasseerde waterloop: bouw van een gebouw, inrichting van een parkeerruimte op een terrein dat naast de waterloop ligt Provinciale technische dienst DGO3 - Departement Natuur en Bossen
Onbevaarbare waterloop van derde categorie: bouw van een gebouw of van een installatie, inrichting van een parkeerruimte op een terrein dat naast de waterloop ligt Betrokken gemeentecollege DGO3 - Departement Natuur en Bossen
2° regel 26 wordt vervangen als volgt:
  | Cours d'eau non navigable de 1re catĂ©gorie : construction d'un immeuble, amĂ©nagement d'un parking sur un terrain qui jouxte le cours d'eau | DGO3 - Direction des Cours d'eau non navigables DGO3 - DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts |
  | Cours d'eau non navigable de 2e catĂ©gorie ou cours d'eau non classĂ© : construction d'un immeuble, amĂ©nagement d'un parking sur un terrain qui jouxte le cours d'eau | Service technique provincial DGO3 - DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts |
  | Cours d'eau non navigable de 3e catĂ©gorie : construction d'un immeuble ou d'une installation, amĂ©nagement d'un parking sur un terrain qui jouxte le cours d'eau | CollĂšge communal concernĂ© DGO3 - DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts |
Cours d'eau non navigable de 1re catĂ©gorie : construction d'un immeuble, amĂ©nagement d'un parking sur un terrain qui jouxte le cours d'eau DGO3 - Direction des Cours d'eau non navigables DGO3 - DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts
Cours d'eau non navigable de 2e catĂ©gorie ou cours d'eau non classĂ© : construction d'un immeuble, amĂ©nagement d'un parking sur un terrain qui jouxte le cours d'eau Service technique provincial DGO3 - DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts
Cours d'eau non navigable de 3e catĂ©gorie : construction d'un immeuble ou d'une installation, amĂ©nagement d'un parking sur un terrain qui jouxte le cours d'eau CollĂšge communal concernĂ© DGO3 - DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts
2° la ligne 26 est remplacée par ce qui suit :
  | Handelingen en werken in een gebied dat overeenkomstig de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend is of dicht bij zo'n gebied, voor zover die handelingen en werken aanzienlijke schade kunnen toebrengen aan het gebied. | DGO3 - Departement Natuur en Bossen |
Handelingen en werken in een gebied dat overeenkomstig de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend is of dicht bij zo'n gebied, voor zover die handelingen en werken aanzienlijke schade kunnen toebrengen aan het gebied. DGO3 - Departement Natuur en Bossen
  | les actes et travaux Ă l'intĂ©rieur d'une zone reconnue en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature ou aux abords d'une telle zone, dans la mesure oĂč ces actes et travaux peuvent sĂ©rieusement porter atteinte Ă la zone. | DGO3 - DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts |
les actes et travaux Ă l'intĂ©rieur d'une zone reconnue en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature ou aux abords d'une telle zone, dans la mesure oĂč ces actes et travaux peuvent sĂ©rieusement porter atteinte Ă la zone. DGO3 - DĂ©partement de la Nature et des ForĂȘts
Art. 16. In artikel R.V.2-2, derde lid, c), van hetzelfde Wetboek wordt het woord "eigendom" telkens vervangen door het woord "goed".
Art. 16. Dans l'article R.V.2-2, alinĂ©a 3, c), du mĂȘme Code, le mot " propriĂ©tĂ© " est remplacĂ© par le mot " bien ".
Art. 17. In artikel R.VII.19-1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 14° worden de woorden "25 euro per mĂŒ van gebouw buiten gemeten" vervangen door de woorden "25 euro per m[00b3] van het gebouw buiten gemeten";
  2° in de bepaling onder 16° worden de woorden "per m" vervangen door de woorden "per m[00b3]".
  1° in de bepaling onder 14° worden de woorden "25 euro per mĂŒ van gebouw buiten gemeten" vervangen door de woorden "25 euro per m[00b3] van het gebouw buiten gemeten";
  2° in de bepaling onder 16° worden de woorden "per m" vervangen door de woorden "per m[00b3]".
Art. 17. A l'article R.VII.19-1, alinĂ©a 1er, du mĂȘme Code, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° (concerne le texte allemand);
  2° (concerne le texte allemand).
  1° (concerne le texte allemand);
  2° (concerne le texte allemand).
Art. 18. Bijlage 4 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het besluit van de Regering van 19 december 2019, wordt vervangen door de bijlage 1 gevoegd bij dit besluit.
Art. 18. L'annexe 4 du mĂȘme Code, remplacĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement du 19 dĂ©cembre 2019, est remplacĂ©e par l'Annexe 1re jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 19. - Bijlage 5 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het besluit van de Regering van 19 december 2019, wordt vervangen door de bijlage 2 gevoegd bij dit besluit.
Art. 19. L'annexe 5 du mĂȘme Code, remplacĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement du 19 dĂ©cembre 2019, est remplacĂ©e par l'Annexe 2 jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 20. Bijlage 6 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het besluit van de Regering van 19 december 2019, wordt vervangen door de bijlage 3 gevoegd bij dit besluit.
Art. 20. L'annexe 6 du mĂȘme Code, remplacĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement du 19 dĂ©cembre 2019, est remplacĂ©e par l'Annexe 3re jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 21. De bijlagen 7, 8 en 9 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het besluit van de Waalse Regering van 19 december 2019, worden opgeheven.
Art. 21. Les annexes 7, 8 et 9 du mĂȘme Code, remplacĂ©es par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement du 19 dĂ©cembre 2019, sont abrogĂ©es.
Art. 22. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2021.
Art. 22. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er septembre 2021.
Art. 23. De minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening wordt belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 23. Le Ministre compĂ©tent en matiĂšre d'AmĂ©nagement du territoire est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1.
  Bijlage 4 - Aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning met medewerking van een architect (zie Duitse versie)
  Bijlage 4 - Aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning met medewerking van een architect (zie Duitse versie)
Art. N1. Annexe 1.
  Annexe 4 - Demande de permis d'urbanisme avec concours d'un architecte
  Annexe 4 - Demande de permis d'urbanisme avec concours d'un architecte
Art. N2. Bijlage 2.
  Bijlage 5 - Aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning zonder medewerking van een architect (zie Duitse versie)
  Bijlage 5 - Aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning zonder medewerking van een architect (zie Duitse versie)
Art. N2. Annexe 2.
  Annexe 5 - Demande de permis d'urbanisme sans concours d'un architecte
  Annexe 5 - Demande de permis d'urbanisme sans concours d'un architecte
Art. N3. Bijlage 3.
  Bijlage 6 - Vergunningsaanvraag voor handelingen met het oog op: bebossing, ontbossing, het omhakken van alleenstaande hoogstammige bomen, hagen of alleeën, kerstbomenteelt, handelingen m.b.t. het omhakken die schade toebrengen aan het wortelstelsel, de wijziging van het uitzicht van waardevolle bomen, struiken of hagen, het rooien of wijzigen van de vegetatie in een gebied waarvan de Regering de bescherming noodzakelijk acht (zie Duitse versie)
  Bijlage 6 - Vergunningsaanvraag voor handelingen met het oog op: bebossing, ontbossing, het omhakken van alleenstaande hoogstammige bomen, hagen of alleeën, kerstbomenteelt, handelingen m.b.t. het omhakken die schade toebrengen aan het wortelstelsel, de wijziging van het uitzicht van waardevolle bomen, struiken of hagen, het rooien of wijzigen van de vegetatie in een gebied waarvan de Regering de bescherming noodzakelijk acht (zie Duitse versie)
Art. N3. Annexe 3.
  Annexe 6 - Demande de permis portant sur des actes de : boisement, de déboisement, d'abattage d'arbres isolés à haute tige, de haies ou d'allées, de culture de sapins de Noël, des actes d'abattage qui portent préjudice au systÚme racinaire ou de modification de l'aspect d'un ou plusieurs arbres, arbustes ou haies remarquables, des actes de défrichement, de modification de la végétation d'une zone dont le Gouvernement juge la protection nécessaire
  Annexe 6 - Demande de permis portant sur des actes de : boisement, de déboisement, d'abattage d'arbres isolés à haute tige, de haies ou d'allées, de culture de sapins de Noël, des actes d'abattage qui portent préjudice au systÚme racinaire ou de modification de l'aspect d'un ou plusieurs arbres, arbustes ou haies remarquables, des actes de défrichement, de modification de la végétation d'une zone dont le Gouvernement juge la protection nécessaire
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 09-07-2021, p.69861)
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 09-07-2021, p. 69827)