Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
10 DECEMBER 2020. - Programmadecreet 2020
Titre
10 DECEMBRE 2020. - Décret-programme 2020
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Persoongebonden aangelegenheden
Afdeling 1. - Gezondheid
Afdeling 2. - Gezin
Afdeling 3. - Sociale aangelegenheden
HOOFDSTUK 2. - Culturele aangelegenheden
Afdeling 1. - Cultuur
Afdeling 2. - Jeugd
Afdeling 3. - Sport
HOOFDSTUK 3. - Onderwijs
HOOFDSTUK 4. - Monumentenzorg
HOOFDSTUK 5. - Tewerkstelling
HOOFDSTUK 6. - Lokale besturen
HOOFDSTUK 7. - Toerisme
HOOFDSTUK 8. - Ruimtelijke ordening en stedenbouw
HOOFDSTUK 9. - Diverse bepalingen
Afdeling 1. - Uitbreiding van het crisisdecreet...
Afdeling 2. - Non-profitsector
Afdeling 3. - Subsidiegarantie
HOOFDSTUK 10. - Slotbepalingen
BIJLAGE.
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Matières personnalisables
Section 1re. - Santé
Section 2. - Famille
Section 3. - Affaires sociales
CHAPITRE 2. - Matières culturelles
Section 1re. - Culture
Section 2. - Jeunesse
Section 3. - Sport
CHAPITRE 3. - Enseignement
CHAPITRE 4. - Protection des monuments
CHAPITRE 5. - Emploi
CHAPITRE 6. - Pouvoirs locaux
CHAPITRE 7. - Tourisme
CHAPITRE 8. - Aménagement du territoire et urba...
CHAPITRE 9. - Divers
Section 1re. - Extension du décret de crise 2020
Section 2. - Secteur non marchand
Section 3. - Garantie de subside
CHAPITRE 10. - Dispositions finales
ANNEXE.
Tekst (150)
Texte (150)
HOOFDSTUK 1. - Persoongebonden aangelegenheden
CHAPITRE 1er. - Matières personnalisables
Afdeling 1. - Gezondheid
Section 1re. - Santé
Artikel 1. In artikel 10.3, § 2, derde lid, van het decreet van 1 juni 2004 betreffende de gezondheidspromotie en inzake medische preventie, ingevoegd bij het decreet van 20 juli 2020, worden de woorden "veertien dagen vanaf de terugkeer" vervangen door de woorden "een door de arts-gezondheidsinspecteur vastgelegde duur".
Article 1er. Dans l'article 10.3, § 2, alinéa 3, du décret du 1er juin 2004 relatif à la promotion de la santé et à la prévention médicale, insérés par le décret du 20 juillet 2020, les mots " quinze jours à partir du retour " sont remplacés par les mots " une durée déterminée par le médecin-inspecteur d'hygiène ".
Art. 2. In hetzelfde decreet, laatstelijk gewijzigd bij het decreet van 20 juli 2020, wordt een artikel 10.4.1 ingevoegd, luidende:
"Art. 10.4.1 - Onverminderd de maatregelen die de arts-gezondheidsinspecteur op basis van artikel 10.3 kan opleggen en onverminderd de in artikel 10.4 vermelde bevoegdheden van de arts-gezondheidsinspecteur kan de Regering initiatieven en maatregelen van algemene aard nemen om de verspreiding van besmettelijke ziekten tegen te gaan.
De arts-gezondheidsinspecteur of, op zijn verzoek, de bevoegde burgemeester worden belast met de controle van de naleving van de initiatieven en maatregelen die op grond van het eerste lid zijn genomen en beschikken daartoe over de bevoegdheden vermeld in artikel 10.4, § 1."
"Art. 10.4.1 - Onverminderd de maatregelen die de arts-gezondheidsinspecteur op basis van artikel 10.3 kan opleggen en onverminderd de in artikel 10.4 vermelde bevoegdheden van de arts-gezondheidsinspecteur kan de Regering initiatieven en maatregelen van algemene aard nemen om de verspreiding van besmettelijke ziekten tegen te gaan.
De arts-gezondheidsinspecteur of, op zijn verzoek, de bevoegde burgemeester worden belast met de controle van de naleving van de initiatieven en maatregelen die op grond van het eerste lid zijn genomen en beschikken daartoe over de bevoegdheden vermeld in artikel 10.4, § 1."
Art. 2. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 20 juillet 2020, il est inséré un article 10.4.1 rédigé comme suit :
" Art. 10.4.1 - Sans préjudice des mesures que peut imposer le médecin-inspecteur d'hygiène conformément à l'article 10.3, et des compétences du médecin-inspecteur mentionnées à l'article 10.4, le Gouvernement peut prendre des initiatives et mesures générales en vue de lutter contre la propagation de maladies contagieuses.
Le médecin-inspecteur d'hygiène ou, à sa demande, le bourgmestre compétent sont chargés de contrôler le respect des initiatives et mesures prises en vertu du premier alinéa et disposent, à cette fin, des compétences mentionnées à l'article 10.4, § 1er. "
" Art. 10.4.1 - Sans préjudice des mesures que peut imposer le médecin-inspecteur d'hygiène conformément à l'article 10.3, et des compétences du médecin-inspecteur mentionnées à l'article 10.4, le Gouvernement peut prendre des initiatives et mesures générales en vue de lutter contre la propagation de maladies contagieuses.
Le médecin-inspecteur d'hygiène ou, à sa demande, le bourgmestre compétent sont chargés de contrôler le respect des initiatives et mesures prises en vertu du premier alinéa et disposent, à cette fin, des compétences mentionnées à l'article 10.4, § 1er. "
Art. 3. In artikel 10.6, 2°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 februari 2017 en gewijzigd bij het decreet van 20 juli 2020, wordt het woord "terugkeren," vervangen door de woorden "terugkeren, geen gevolg geven aan de maatregelen en initiatieven die op grond van artikel 10.4.1 zijn genomen".
Art. 3. Dans l'article 10.6, 2°, du même décret, inséré par le décret du 20 février 2017 et modifié par le décret du 20 juillet 2020, les mots " ni aux mesures et initiatives prises en vertu de l'article 10.4.1, " sont insérés entre les mots " région de langue allemande, " et les mots " qui empêche ".
Afdeling 2. - Gezin
Section 2. - Famille
Art. 4. Artikel 7, tweede lid, van het decreet van 31 maart 2014 betreffende de kinderopvang, gewijzigd bij het decreet van 2 maart 2015, wordt aangevuld met de volgende zin:
"Als de kinderopvang plaatsvindt in de ruimten van een onderwijsinstelling of in ruimten die aan die onderwijsinstelling verbonden zijn, dan is een gunstig advies van de bevoegde commandant van de brandweerdienst over de brandveiligheid niet noodzakelijk."
"Als de kinderopvang plaatsvindt in de ruimten van een onderwijsinstelling of in ruimten die aan die onderwijsinstelling verbonden zijn, dan is een gunstig advies van de bevoegde commandant van de brandweerdienst over de brandveiligheid niet noodzakelijk."
Art. 4. Dans l'article 7 du décret du 31 mars 2014 relatif à l'accueil d'enfants, l'alinéa 2, modifié par le décret du 2 mars 2015, est complété par la phrase suivante :
" Si l'accueil des enfants se déroule dans les locaux d'un établissement d'enseignement ou des locaux qui y sont rattachés, l'avis positif en matière de sécurité incendie établi par le commandant des pompiers compétent n'est pas requis. "
" Si l'accueil des enfants se déroule dans les locaux d'un établissement d'enseignement ou des locaux qui y sont rattachés, l'avis positif en matière de sécurité incendie établi par le commandant des pompiers compétent n'est pas requis. "
Art. 5. Artikel 16.5 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 11 december 2018, wordt vervangen als volgt:
"Art. 16.5 - Attest voor belastingvermindering
§ 1 - Met het oog op de toekenning van de belastingvermindering voor kinderopvang overeenkomstig artikel 145/35 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en met het oog op de afgifte - door de Regering - van een daartoe bestemd attest voor de betrokken belastingplichtigen voldoen de dienstverrichters vermeld in het tweede lid, 3°, van hetzelfde artikel aan de volgende minimumeisen:
1° de dienstverrichter is gevestigd in het Duitse taalgebied;
2° de dienstverrichter stelt infrastructuur ter beschikking die aangepast is aan de behoeften van de kinderen en die de bewegingsvrijheid, de veiligheid en de hygiëne van de kinderen waarborgt;
3° de dienstverrichter stelt een rustruimte voor kinderen tussen drie en vijf jaar ter beschikking;
4° de dienstverrichter stelt een EHBO-koffer ter beschikking in de onmiddellijke nabijheid van de opvangvoorziening;
5° de meerderjarige begeleiders die bij de dienstverrichter werkzaam zijn, hebben geen vermelding in het strafregister overeenkomstig artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering die hen onder meer verbiedt om minderjarigen te begeleiden.
De minimumeisen vermeld in het eerste lid gelden onverminderd andere bij decreet gestelde eisen.
De Regering legt de nadere regels vast.
§ 2 - De in § 1 vermelde voorwaarden voor de toekenning van een belastingvermindering voor kinderopvang worden als vervuld beschouwd, als dat opvangaanbod in één van de volgende sectoren door de Regering gesubsidieerd wordt:
1° kinderopvang met toepassing van dit decreet;
2° creatieve vakantieateliers met toepassing van het decreet van 16 december 2003 betreffende de bevordering van creatieve ateliers;
3° vakantiekampen rond sport met toepassing van het sportdecreet van 19 april 2004;
4° jeugdkampen die georganiseerd worden door een jeugdgroep van een ondersteunde jeugdorganisatie met toepassing van het decreet van 6 december 2011 ter ondersteuning van het jeugdwerk.
§ 3 - De inspecteurs vermeld in artikel 17 controleren of de bepalingen van dit artikel worden nageleefd."
"Art. 16.5 - Attest voor belastingvermindering
§ 1 - Met het oog op de toekenning van de belastingvermindering voor kinderopvang overeenkomstig artikel 145/35 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en met het oog op de afgifte - door de Regering - van een daartoe bestemd attest voor de betrokken belastingplichtigen voldoen de dienstverrichters vermeld in het tweede lid, 3°, van hetzelfde artikel aan de volgende minimumeisen:
1° de dienstverrichter is gevestigd in het Duitse taalgebied;
2° de dienstverrichter stelt infrastructuur ter beschikking die aangepast is aan de behoeften van de kinderen en die de bewegingsvrijheid, de veiligheid en de hygiëne van de kinderen waarborgt;
3° de dienstverrichter stelt een rustruimte voor kinderen tussen drie en vijf jaar ter beschikking;
4° de dienstverrichter stelt een EHBO-koffer ter beschikking in de onmiddellijke nabijheid van de opvangvoorziening;
5° de meerderjarige begeleiders die bij de dienstverrichter werkzaam zijn, hebben geen vermelding in het strafregister overeenkomstig artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering die hen onder meer verbiedt om minderjarigen te begeleiden.
De minimumeisen vermeld in het eerste lid gelden onverminderd andere bij decreet gestelde eisen.
De Regering legt de nadere regels vast.
§ 2 - De in § 1 vermelde voorwaarden voor de toekenning van een belastingvermindering voor kinderopvang worden als vervuld beschouwd, als dat opvangaanbod in één van de volgende sectoren door de Regering gesubsidieerd wordt:
1° kinderopvang met toepassing van dit decreet;
2° creatieve vakantieateliers met toepassing van het decreet van 16 december 2003 betreffende de bevordering van creatieve ateliers;
3° vakantiekampen rond sport met toepassing van het sportdecreet van 19 april 2004;
4° jeugdkampen die georganiseerd worden door een jeugdgroep van een ondersteunde jeugdorganisatie met toepassing van het decreet van 6 december 2011 ter ondersteuning van het jeugdwerk.
§ 3 - De inspecteurs vermeld in artikel 17 controleren of de bepalingen van dit artikel worden nageleefd."
Art. 5. L'article 16.5 du même décret, inséré par le décret du 11 décembre 2018, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 16.5 - Attestation en vue de la réduction fiscale pour garde d'enfants
§ 1er - En vue de l'octroi de la réduction fiscale pour garde d'enfants conformément à l'article 145/35 du Code des impôts sur les revenus et de l'établissement, par le Gouvernement, de l'attestation y afférente en faveur des contribuables concernés, les prestataires mentionnés à l'alinéa 2, 3°, du même article remplissent les conditions minimales suivantes :
1° le prestataire a son siège en région de langue allemande;
2° le prestataire met à disposition une infrastructure adaptée aux besoins des enfants et qui garantit leur liberté de mouvement, leur sécurité et leur hygiène;
3° le prestataire met à disposition une zone de repos pour les enfants entre trois et cinq ans;
4° le prestataire met une trousse de premiers secours à disposition, et ce, à proximité directe du lieu d'accueil;
5° les gardes majeurs occupés auprès du prestataire n'ont pas d'inscription dans le casier judiciaire conformément à l'article 596, alinéa 2, du code de procédure pénale qui leur interdit, entre autres, l'encadrement de mineurs.
Les conditions minimales énoncées au premier alinéa s'appliquent, sans préjudice d'autres dispositions décrétales.
Le Gouvernement fixe les autres modalités.
§ 2 - Les conditions mentionnées au § 1er en vue de l'octroi d'une réduction fiscale pour garde d'enfants sont censées remplies lorsque l'offre d'accueil est subsidiée par le Gouvernement dans l'un des secteurs suivants :
1° accueil d'enfants en application du présent décret;
2° ateliers créatifs de vacances en application du décret du 16 décembre 2003 relatif à la promotion des ateliers créatifs;
3° camps sportifs de vacances en application du décret du 19 avril 2004;
4° camps de jeunes organisés par un groupe de jeunes relevant d'une organisation de jeunesse soutenue en application du décret du 6 décembre 2011 visant à soutenir l'animation de jeunesse.
§ 3 - Le respect des dispositions du présent article est contrôlé par les inspecteurs mentionnés à l'article 17. "
" Art. 16.5 - Attestation en vue de la réduction fiscale pour garde d'enfants
§ 1er - En vue de l'octroi de la réduction fiscale pour garde d'enfants conformément à l'article 145/35 du Code des impôts sur les revenus et de l'établissement, par le Gouvernement, de l'attestation y afférente en faveur des contribuables concernés, les prestataires mentionnés à l'alinéa 2, 3°, du même article remplissent les conditions minimales suivantes :
1° le prestataire a son siège en région de langue allemande;
2° le prestataire met à disposition une infrastructure adaptée aux besoins des enfants et qui garantit leur liberté de mouvement, leur sécurité et leur hygiène;
3° le prestataire met à disposition une zone de repos pour les enfants entre trois et cinq ans;
4° le prestataire met une trousse de premiers secours à disposition, et ce, à proximité directe du lieu d'accueil;
5° les gardes majeurs occupés auprès du prestataire n'ont pas d'inscription dans le casier judiciaire conformément à l'article 596, alinéa 2, du code de procédure pénale qui leur interdit, entre autres, l'encadrement de mineurs.
Les conditions minimales énoncées au premier alinéa s'appliquent, sans préjudice d'autres dispositions décrétales.
Le Gouvernement fixe les autres modalités.
§ 2 - Les conditions mentionnées au § 1er en vue de l'octroi d'une réduction fiscale pour garde d'enfants sont censées remplies lorsque l'offre d'accueil est subsidiée par le Gouvernement dans l'un des secteurs suivants :
1° accueil d'enfants en application du présent décret;
2° ateliers créatifs de vacances en application du décret du 16 décembre 2003 relatif à la promotion des ateliers créatifs;
3° camps sportifs de vacances en application du décret du 19 avril 2004;
4° camps de jeunes organisés par un groupe de jeunes relevant d'une organisation de jeunesse soutenue en application du décret du 6 décembre 2011 visant à soutenir l'animation de jeunesse.
§ 3 - Le respect des dispositions du présent article est contrôlé par les inspecteurs mentionnés à l'article 17. "
Art. 6. In artikel 50, § 2, eerste lid, van het decreet van 23 april 2018 betreffende de gezinsbijslagen worden de woorden "artikel 1 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen" vervangen door de woorden "artikel 1, § 3, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen".
Art. 6. Dans l'article 50, § 2, alinéa 1er, du décret du 23 avril 2018 relatif aux prestations familiales, les mots " l'article 1er de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit " sont remplacés par les mots " l'article 1er, § 3, de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse ".
Afdeling 3. - Sociale aangelegenheden
Section 3. - Affaires sociales
Art. 7. Artikel 46, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, vervangen bij de wet van 5 augustus 1992 en gewijzigd bij de decreten van 2 mei 1995 en 7 januari 2002, wordt opgeheven.
Art. 7. Dans l'article 46 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale, le § 2, remplacé par la loi du 5 août 1992 et modifié par les décrets des 2 mai 1995 et 7 janvier 2002, est abrogé.
Art. 8. In artikel 11, § 2, van het decreet van 5 mei 2014 tot erkenning en ondersteuning van sociale trefpunten, gewijzigd bij het decreet van 22 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 2°, wordt de punt op het einde van de zin vervangen door een kommapunt;
2° het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende:
"een administratief medewerker ten belope van 0,35 van een VTE-betrekking. De administratief medewerker heeft minstens een getuigschrift van het lager secundair algemeen of technisch onderwijs of een daarmee gelijkgesteld studiegetuigschrift."
3° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
"De subsidie van de personeelskosten bedraagt 87,5 % van de werkelijke loonkosten en wordt berekend op basis van de door de Regering vastgelegde berekeningsgrondslagen voor de subsidiëring van de personeelskosten in de sectoren "sociale aangelegenheden" en "gezondheid", waarbij, wat de coördinator betreft, voor de hoogste subsidie rekening wordt gehouden met de weddeschaal voor houders van een bachelordiploma of een graduaatsdiploma en, wat de administratief medewerker betreft, rekening wordt gehouden met de weddeschaal voor houders van een getuigschrift van het lager secundair algemeen of technisch onderwijs of een daarmee gelijkgesteld studiegetuigschrift. Eventuele subsidies in het kader van tewerkstellingsmaatregelen worden afgetrokken."
1° in het eerste lid, 2°, wordt de punt op het einde van de zin vervangen door een kommapunt;
2° het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende:
"een administratief medewerker ten belope van 0,35 van een VTE-betrekking. De administratief medewerker heeft minstens een getuigschrift van het lager secundair algemeen of technisch onderwijs of een daarmee gelijkgesteld studiegetuigschrift."
3° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
"De subsidie van de personeelskosten bedraagt 87,5 % van de werkelijke loonkosten en wordt berekend op basis van de door de Regering vastgelegde berekeningsgrondslagen voor de subsidiëring van de personeelskosten in de sectoren "sociale aangelegenheden" en "gezondheid", waarbij, wat de coördinator betreft, voor de hoogste subsidie rekening wordt gehouden met de weddeschaal voor houders van een bachelordiploma of een graduaatsdiploma en, wat de administratief medewerker betreft, rekening wordt gehouden met de weddeschaal voor houders van een getuigschrift van het lager secundair algemeen of technisch onderwijs of een daarmee gelijkgesteld studiegetuigschrift. Eventuele subsidies in het kader van tewerkstellingsmaatregelen worden afgetrokken."
Art. 8. A l'article 11, § 2, du décret du 5 mai 2014 portant agréation et soutien de points de contact social, modifié par le décret du 22 février 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, 2°, le point en fin de phrase est remplacé par un point-virgule;
2° l'alinéa 1er est complété par un 3° rédigé comme suit :
" 3° un agent administratif à hauteur de 0,35 équivalent temps plein. L'agent administratif est porteur au moins d'un certificat de l'enseignement secondaire inférieur général ou technique ou d'un titre y assimilé. "
3° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Le subside pour frais de personnel correspond à 87,5 % des frais de traitement effectivement encourus et répond aux bases de calcul fixées par le Gouvernement dans les domaines "Affaires sociales" et "Santé", en tenant compte, pour le subside maximal, de l'échelle de traitement pour un porteur d'un bachelor ou d'un graduat en ce qui concerne le coordinateur, et de l'échelle de traitement pour un porteur d'un certificat de l'enseignement secondaire général ou technique ou d'un titre y assimilé, en ce qui concerne l'agent administratif. Des subsides éventuellement obtenus pour des mesures d'aide à l'emploi seront portés en déduction. "
1° dans l'alinéa 1er, 2°, le point en fin de phrase est remplacé par un point-virgule;
2° l'alinéa 1er est complété par un 3° rédigé comme suit :
" 3° un agent administratif à hauteur de 0,35 équivalent temps plein. L'agent administratif est porteur au moins d'un certificat de l'enseignement secondaire inférieur général ou technique ou d'un titre y assimilé. "
3° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Le subside pour frais de personnel correspond à 87,5 % des frais de traitement effectivement encourus et répond aux bases de calcul fixées par le Gouvernement dans les domaines "Affaires sociales" et "Santé", en tenant compte, pour le subside maximal, de l'échelle de traitement pour un porteur d'un bachelor ou d'un graduat en ce qui concerne le coordinateur, et de l'échelle de traitement pour un porteur d'un certificat de l'enseignement secondaire général ou technique ou d'un titre y assimilé, en ce qui concerne l'agent administratif. Des subsides éventuellement obtenus pour des mesures d'aide à l'emploi seront portés en déduction. "
Art. 9. In artikel 13 van het decreet van 13 december 2016 tot oprichting van een dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor zelfbeschikkend leven wordt tussen het eerste lid en het tweede lid, dat het derde lid wordt, een lid ingevoegd, luidende:
"De veiligheid van de ruimten die de inrichtende macht voor de aangeboden diensten gebruikt, wordt gestaafd door een gunstig advies van de bevoegde commandant van de brandweerdienst over de brandveiligheid."
"De veiligheid van de ruimten die de inrichtende macht voor de aangeboden diensten gebruikt, wordt gestaafd door een gunstig advies van de bevoegde commandant van de brandweerdienst over de brandveiligheid."
Art. 9. Dans l'article 13 du décret du 13 décembre 2016 portant création d'un Office de la Communauté germanophone pour une vie autodéterminée, il est inséré entre les alinéas 1er et 2, qui devient l'alinéa 3, un alinéa rédigé comme suit :
" La sécurité des locaux utilisés par le pouvoir organisateur pour son service est attestée par un avis positif en matière de sécurité incendie établi par le commandant des pompiers compétent. "
" La sécurité des locaux utilisés par le pouvoir organisateur pour son service est attestée par un avis positif en matière de sécurité incendie établi par le commandant des pompiers compétent. "
Art. 10. Artikel 50 van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt:
"Art. 50 - Terugvorderingen
Bestaat er een betalingsverplichting in hoofde van derden, dan kan de Dienst of de dienstverrichter de door de Dienst berekende werkelijke kosten voor de in hoofdstuk 3 bepaalde ondersteuningsmaatregelen ofwel bij de gebruiker invorderen nadat de derden het verschuldigde bedrag betaald hebben, ofwel rechtstreeks bij de derde invorderen door subrogatie in de rechten van de gebruiker. Overeenkomsten over de schadevergoedingsregeling die tussen de gebruiker en de derde betaler worden gesloten, kunnen niet aan de Dienst worden tegengesteld. De werkelijke kosten van de ondersteuningsmaatregelen omvatten de kosten ten laste van de Dienst, alsook de kosten die de gebruiker met toepassing van artikel 10, 1°, in de vorm van een persoonlijke participatie moet betalen."
"Art. 50 - Terugvorderingen
Bestaat er een betalingsverplichting in hoofde van derden, dan kan de Dienst of de dienstverrichter de door de Dienst berekende werkelijke kosten voor de in hoofdstuk 3 bepaalde ondersteuningsmaatregelen ofwel bij de gebruiker invorderen nadat de derden het verschuldigde bedrag betaald hebben, ofwel rechtstreeks bij de derde invorderen door subrogatie in de rechten van de gebruiker. Overeenkomsten over de schadevergoedingsregeling die tussen de gebruiker en de derde betaler worden gesloten, kunnen niet aan de Dienst worden tegengesteld. De werkelijke kosten van de ondersteuningsmaatregelen omvatten de kosten ten laste van de Dienst, alsook de kosten die de gebruiker met toepassing van artikel 10, 1°, in de vorm van een persoonlijke participatie moet betalen."
Art. 10. L'article 50 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 50 - Remboursements
Lorsqu'une obligation de paiement existe dans le chef de tiers, l'Office ou le prestataire peut réclamer le coût réel de la mesure de soutien définie au chapitre 3, calculé par l'Office, aussi bien auprès du bénéficiaire après paiement du montant dû par les tiers que directement auprès du tiers payant par subrogation dans les droits du bénéficiaire. Les accords conclus entre le bénéficiaire et le tiers payant en ce qui concerne le règlement du dommage ne peuvent être opposés à l'Office. Les coûts réels de la mesure de soutien comprennent les coûts à charge de l'Office ainsi que les coûts supportés par le bénéficiaire sous la forme d'une participation personnelle en application de l'article 10, 1°. "
" Art. 50 - Remboursements
Lorsqu'une obligation de paiement existe dans le chef de tiers, l'Office ou le prestataire peut réclamer le coût réel de la mesure de soutien définie au chapitre 3, calculé par l'Office, aussi bien auprès du bénéficiaire après paiement du montant dû par les tiers que directement auprès du tiers payant par subrogation dans les droits du bénéficiaire. Les accords conclus entre le bénéficiaire et le tiers payant en ce qui concerne le règlement du dommage ne peuvent être opposés à l'Office. Les coûts réels de la mesure de soutien comprennent les coûts à charge de l'Office ainsi que les coûts supportés par le bénéficiaire sous la forme d'une participation personnelle en application de l'article 10, 1°. "
Art. 11. In hetzelfde decreet wordt een artikel 50.1 ingevoegd, luidende:
"Art. 50.1 - Beroep op de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen
In de gevallen vermeld in artikel 50 kunnen de terug te vorderen bedragen ingevorderd worden overeenkomstig artikel 51.1 van het decreet van 25 mei 2009 houdende het financieel reglement van de Duitstalige Gemeenschap."
"Art. 50.1 - Beroep op de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen
In de gevallen vermeld in artikel 50 kunnen de terug te vorderen bedragen ingevorderd worden overeenkomstig artikel 51.1 van het decreet van 25 mei 2009 houdende het financieel reglement van de Duitstalige Gemeenschap."
Art. 11. Dans le même décret, il est inséré un article 50.1, rédigé comme suit :
" Art. 50.1 - Recours à l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement de créances non fiscales
Dans les cas mentionnés à l'article 50, les montants à récupérer peuvent être recouvrés conformément à l'article 51.1 du décret du 25 mai 2009 relatif au règlement budgétaire de la Communauté germanophone. "
" Art. 50.1 - Recours à l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement de créances non fiscales
Dans les cas mentionnés à l'article 50, les montants à récupérer peuvent être recouvrés conformément à l'article 51.1 du décret du 25 mai 2009 relatif au règlement budgétaire de la Communauté germanophone. "
Art. 12. In hoofdstuk 9 van hetzelfde decreet wordt een artikel 78.1 ingevoegd, luidende:
"Art. 78.1 - Overgangsbepaling
De inrichtende machten die overeenkomstig artikel 13 op 1 januari 2021 al erkend zijn, moeten uiterlijk op 1 januari 2022 over een gunstig advies inzake brandveiligheid beschikken om hun erkenning te behouden."
"Art. 78.1 - Overgangsbepaling
De inrichtende machten die overeenkomstig artikel 13 op 1 januari 2021 al erkend zijn, moeten uiterlijk op 1 januari 2022 over een gunstig advies inzake brandveiligheid beschikken om hun erkenning te behouden."
Art. 12. Dans le chapitre 9 du même décret, il est inséré un article 78.1, rédigé comme suit :
" Art. 78.1 - Disposition transitoire
Les pouvoirs organisateurs qui, au 1er janvier 2021, sont déjà agréés conformément à l'article 13 conservent leur agréation s'ils disposent d'un avis positif en matière de sécurité incendie au plus tard le 1er janvier 2022. "
" Art. 78.1 - Disposition transitoire
Les pouvoirs organisateurs qui, au 1er janvier 2021, sont déjà agréés conformément à l'article 13 conservent leur agréation s'ils disposent d'un avis positif en matière de sécurité incendie au plus tard le 1er janvier 2022. "
Art. 13. In artikel 17, eerste lid, van het decreet van 11 december 2017 betreffende integratie en samenleven in diversiteit wordt het woord "twee" vervangen door het woord "drie".
Art. 13. Dans l'article 17, alinéa 1er, du décret du 11 décembre 2017 relatif à l'intégration et au vivre ensemble dans la diversité, le mot " deux " est remplacé par le mot " trois ".
HOOFDSTUK 2. - Culturele aangelegenheden
CHAPITRE 2. - Matières culturelles
Afdeling 1. - Cultuur
Section 1re. - Culture
Art. 14. In artikel 6 van het decreet van 16 december 2003 betreffende de bevordering van creatieve ateliers worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste en het tweede lid worden § 1, eerste en tweede lid;
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
" § 2 - Een creatief atelier dat vakantieateliers voor kinderen tot en met 12 jaar organiseert, voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° een gemengde leeftijdsgroep met kinderen van 3 tot en met 12 jaar moet elke dag gedurende enkele uren minstens in twee groepen worden opgesplitst. Daarbij staat minstens één begeleider ter beschikking voor hoogstens acht kinderen die 6 jaar of ouder zijn, respectievelijk minstens één begeleider ter beschikking voor hoogstens zes kinderen die tussen 3 jaar en de volle leeftijd van 5 jaar oud zijn;
2° de dienstverrichter stelt infrastructuur ter beschikking die aangepast is aan de behoeften van de kinderen en die de bewegingsvrijheid, de veiligheid en de hygiëne van de kinderen waarborgt;
3° de dienstverrichter stelt een rustruimte voor kinderen tussen drie en vijf jaar ter beschikking;
4° de dienstverrichter stelt een EHBO-koffer ter beschikking in de onmiddellijke nabijheid van de animatieplaats;
5° de meerderjarige animatoren die bij de dienstverrichter werkzaam zijn, hebben geen vermelding in het strafregister overeenkomstig artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dat hen onder meer verbiedt om minderjarigen te begeleiden en bezorgen hun uittreksel uit het strafregister (model 2) aan de dienstverrichter;
6° minstens één animator die ter plaatse aanwezig is, beschikt over een pedagogische opleiding, een opleiding tot vrijwillige jeugdleider, een door de Regering daarmee gelijkgestelde opleiding of minstens drie jaar praktische ervaring in een pedagogische sector of in de sector van de kinderanimatie, waarbij animatoren die een sociaal-pedagogische opleiding in het hoger onderwijs aangevat of voltooid hebben, gelijkgesteld worden;
7° per vakantieatelier is één animator verantwoordelijk voor de medische hulpverlening en de hygiëne. De animator moet een EHBO-cursus voltooid hebben. Die bestaat uit minstens één specifieke EHBO-cursus voor kinderen en jongeren die minstens zes uur duurt. Er moet een gezondheidsmap bijgehouden worden.
De dienstverrichter houdt de bewijzen waarmee wordt aangetoond dat de minimumvoorwaarden vermeld in het eerste lid worden nageleefd, ter plaatse bij in de gezondheidsmap. Bij een controle ter plaatse moet de map worden getoond."
1° het eerste en het tweede lid worden § 1, eerste en tweede lid;
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
" § 2 - Een creatief atelier dat vakantieateliers voor kinderen tot en met 12 jaar organiseert, voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° een gemengde leeftijdsgroep met kinderen van 3 tot en met 12 jaar moet elke dag gedurende enkele uren minstens in twee groepen worden opgesplitst. Daarbij staat minstens één begeleider ter beschikking voor hoogstens acht kinderen die 6 jaar of ouder zijn, respectievelijk minstens één begeleider ter beschikking voor hoogstens zes kinderen die tussen 3 jaar en de volle leeftijd van 5 jaar oud zijn;
2° de dienstverrichter stelt infrastructuur ter beschikking die aangepast is aan de behoeften van de kinderen en die de bewegingsvrijheid, de veiligheid en de hygiëne van de kinderen waarborgt;
3° de dienstverrichter stelt een rustruimte voor kinderen tussen drie en vijf jaar ter beschikking;
4° de dienstverrichter stelt een EHBO-koffer ter beschikking in de onmiddellijke nabijheid van de animatieplaats;
5° de meerderjarige animatoren die bij de dienstverrichter werkzaam zijn, hebben geen vermelding in het strafregister overeenkomstig artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dat hen onder meer verbiedt om minderjarigen te begeleiden en bezorgen hun uittreksel uit het strafregister (model 2) aan de dienstverrichter;
6° minstens één animator die ter plaatse aanwezig is, beschikt over een pedagogische opleiding, een opleiding tot vrijwillige jeugdleider, een door de Regering daarmee gelijkgestelde opleiding of minstens drie jaar praktische ervaring in een pedagogische sector of in de sector van de kinderanimatie, waarbij animatoren die een sociaal-pedagogische opleiding in het hoger onderwijs aangevat of voltooid hebben, gelijkgesteld worden;
7° per vakantieatelier is één animator verantwoordelijk voor de medische hulpverlening en de hygiëne. De animator moet een EHBO-cursus voltooid hebben. Die bestaat uit minstens één specifieke EHBO-cursus voor kinderen en jongeren die minstens zes uur duurt. Er moet een gezondheidsmap bijgehouden worden.
De dienstverrichter houdt de bewijzen waarmee wordt aangetoond dat de minimumvoorwaarden vermeld in het eerste lid worden nageleefd, ter plaatse bij in de gezondheidsmap. Bij een controle ter plaatse moet de map worden getoond."
Art. 14. A l'article 6 du décret du 16 décembre 2003 relatif à la promotion des ateliers créatifs, les modifications suivantes sont apportées :
1° les alinéas 1er et 2 forment le § 1er, alinéas 1er et 2;
2° l'article est complété par un § 2 rédigé comme suit :
" § 2 - Un atelier créatif qui organise des ateliers de vacances pour les enfants jusqu'à douze ans répond aux conditions suivantes :
1° dans le cas d'un groupe d'âges différents, de trois à douze ans, il doit chaque jour être réparti en au moins deux groupes sur une base horaire. Au moins un animateur est disponible pour huit enfants au plus âgés d'au moins six ans ou, selon le cas, au moins un animateur pour six enfants au plus âgés de trois à cinq ans accomplis;
2° le prestataire met à disposition une infrastructure adaptée aux besoins des enfants et qui garantit leur liberté de mouvement, leur sécurité et leur hygiène;
3° le prestataire met à disposition une zone de repos pour les enfants entre trois et cinq ans;
4° le prestataire met une trousse de premiers secours à disposition, et ce, à proximité directe du lieu d'animation;
5° les animateurs majeurs occupés auprès du prestataire n'ont pas d'inscription dans le casier judiciaire conformément à l'article 596, alinéa 2, du Code de procédure pénale qui leur interdit, entre autres, l'encadrement de mineurs, et transmettent au prestataire l'extrait du casier judiciaire (modèle 2) correspondant;
6° au moins un animateur se trouvant sur place dispose d'une formation pédagogique, d'une formation menant au titre de moniteur bénévole, d'une formation assimilée par le Gouvernement ou d'une expérience pratique d'au moins trois ans acquise dans le domaine pédagogique ou dans le domaine de l'animation pour enfants, les animateurs ayant entamé ou terminé des études socio-pédagogiques étant assimilés;
7° par atelier de vacances, un animateur est compétent pour le suivi médical et l'hygiène. L'animateur doit avoir terminé avec fruit les cours de secourisme. Celui-ci consiste au moins en un cours de secourisme spécifique pour les enfants et les jeunes et s'étend sur au moins six heures. Il faudra tenir un carnet de santé.
Le prestataire conserve sur place, dans le carnet de santé, les justificatifs prouvant le respect des conditions minimales mentionnées au premier alinéa. Ledit carnet doit pouvoir être présenté lors de tout contrôle sur place.
1° les alinéas 1er et 2 forment le § 1er, alinéas 1er et 2;
2° l'article est complété par un § 2 rédigé comme suit :
" § 2 - Un atelier créatif qui organise des ateliers de vacances pour les enfants jusqu'à douze ans répond aux conditions suivantes :
1° dans le cas d'un groupe d'âges différents, de trois à douze ans, il doit chaque jour être réparti en au moins deux groupes sur une base horaire. Au moins un animateur est disponible pour huit enfants au plus âgés d'au moins six ans ou, selon le cas, au moins un animateur pour six enfants au plus âgés de trois à cinq ans accomplis;
2° le prestataire met à disposition une infrastructure adaptée aux besoins des enfants et qui garantit leur liberté de mouvement, leur sécurité et leur hygiène;
3° le prestataire met à disposition une zone de repos pour les enfants entre trois et cinq ans;
4° le prestataire met une trousse de premiers secours à disposition, et ce, à proximité directe du lieu d'animation;
5° les animateurs majeurs occupés auprès du prestataire n'ont pas d'inscription dans le casier judiciaire conformément à l'article 596, alinéa 2, du Code de procédure pénale qui leur interdit, entre autres, l'encadrement de mineurs, et transmettent au prestataire l'extrait du casier judiciaire (modèle 2) correspondant;
6° au moins un animateur se trouvant sur place dispose d'une formation pédagogique, d'une formation menant au titre de moniteur bénévole, d'une formation assimilée par le Gouvernement ou d'une expérience pratique d'au moins trois ans acquise dans le domaine pédagogique ou dans le domaine de l'animation pour enfants, les animateurs ayant entamé ou terminé des études socio-pédagogiques étant assimilés;
7° par atelier de vacances, un animateur est compétent pour le suivi médical et l'hygiène. L'animateur doit avoir terminé avec fruit les cours de secourisme. Celui-ci consiste au moins en un cours de secourisme spécifique pour les enfants et les jeunes et s'étend sur au moins six heures. Il faudra tenir un carnet de santé.
Le prestataire conserve sur place, dans le carnet de santé, les justificatifs prouvant le respect des conditions minimales mentionnées au premier alinéa. Ledit carnet doit pouvoir être présenté lors de tout contrôle sur place.
Art. 15. Artikel 13 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een derde lid, luidende:
"In afwijking van artikel 5, § 2, wordt de voor de drie jaar vastgelegde periode van de werkingstoelage die loopt van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021, verlengd tot 31 december 2022."
"In afwijking van artikel 5, § 2, wordt de voor de drie jaar vastgelegde periode van de werkingstoelage die loopt van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021, verlengd tot 31 december 2022."
Art. 15. L'article 13 du même décret est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'article 5, § 2, la période de subventionnement de fonctionnement qui s'étale sur trois ans, de manière continue, du 1er janvier 2019 au 31 décembre 2021 est prolongée jusqu'au 31 décembre 2022. "
" Par dérogation à l'article 5, § 2, la période de subventionnement de fonctionnement qui s'étale sur trois ans, de manière continue, du 1er janvier 2019 au 31 décembre 2021 est prolongée jusqu'au 31 décembre 2022. "
Art. 16. In artikel 9, tweede lid, van het decreet van 7 mei 2007 over de bevordering van de musea en van de cultureel-erfgoedpublicaties, vervangen bij het decreet van 24 februari 2014 en gewijzigd bij het decreet van 11 december 2018, worden de woorden "30 juni" vervangen door de woorden "31 maart".
Art. 16. Dans l'article 9, alinéa 2, du décret du 7 mai 2007 relatif à la promotion des musées et des publications dans le domaine du patrimoine culturel, remplacé par le décret du 24 février 2014 et modifié par le décret du 11 décembre 2018, la date du " 30 juin " est remplacée par la date du " 31 mars ".
Art. 17. Hoofdstuk II, afdeling 2, onderafdeling 3, van hetzelfde decreet, dat artikel 15 bevat, wordt opgeheven.
Art. 17. Dans le chapitre II, section 2, du même décret, la sous-section 3, comportant l'article 15, est abrogée.
Art. 18. Artikel 17, § 3, derde lid, van het decreet van 18 november 2013 betreffende de ondersteuning van cultuur in de Duitstalige Gemeenschap, gewijzigd bij de decreten van 11 december 2018 en 12 december 2019, wordt vervangen als volgt:
"De Regering kan:
1° voor de toepassing van § 2, tweede lid, bepalen, welke functies die door het personeel kunnen worden uitgeoefend, beschouwd worden als functies die in het cultureel werk aanvaardbaar zijn;
2° nog andere verrekeningscriteria en verrekeningsregels voor de toepassing van deze paragraaf vastleggen."
"De Regering kan:
1° voor de toepassing van § 2, tweede lid, bepalen, welke functies die door het personeel kunnen worden uitgeoefend, beschouwd worden als functies die in het cultureel werk aanvaardbaar zijn;
2° nog andere verrekeningscriteria en verrekeningsregels voor de toepassing van deze paragraaf vastleggen."
Art. 18. Dans l'article 17, § 3, du décret du 18 novembre 2013 visant à soutenir la culture en Communauté germanophone, l'alinéa 3, modifié par les décrets des 11 décembre 2018 et 12 décembre 2019, est remplacé par ce qui suit :
" Le Gouvernement peut :
1° fixer, pour l'application du § 2, alinéa 2, les fonctions assurées par le personnel qui peuvent être considérées comme travail culturel;
2° fixer d'autres critères et modalités de calcul pour l'application du présent paragraphe. "
" Le Gouvernement peut :
1° fixer, pour l'application du § 2, alinéa 2, les fonctions assurées par le personnel qui peuvent être considérées comme travail culturel;
2° fixer d'autres critères et modalités de calcul pour l'application du présent paragraphe. "
Art. 19. Artikel 19, § 7, derde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 11 december 2018 en 12 december 2019, worden vervangen als volgt:
"De Regering kan:
1° voor de toepassing van § 6 bepalen, welke functies die door het personeel kunnen worden uitgeoefend, beschouwd worden als functies die in het cultureel werk aanvaardbaar zijn;
2° nog andere verrekeningscriteria en verrekeningsregels voor de toepassing van deze paragraaf vastleggen."
"De Regering kan:
1° voor de toepassing van § 6 bepalen, welke functies die door het personeel kunnen worden uitgeoefend, beschouwd worden als functies die in het cultureel werk aanvaardbaar zijn;
2° nog andere verrekeningscriteria en verrekeningsregels voor de toepassing van deze paragraaf vastleggen."
Art. 19. Dans l'article 19, § 7, du même décret, l'alinéa 3, modifié par les décrets des 11 décembre 2018 et 12 décembre 2019, est remplacé par ce qui suit :
" Le Gouvernement peut :
1° fixer, pour l'application du § 6, les fonctions assurées par le personnel qui peuvent être considérées comme travail culturel;
2° fixer d'autres critères et modalités de calcul pour l'application du présent paragraphe. "
" Le Gouvernement peut :
1° fixer, pour l'application du § 6, les fonctions assurées par le personnel qui peuvent être considérées comme travail culturel;
2° fixer d'autres critères et modalités de calcul pour l'application du présent paragraphe. "
Art. 20. Artikel 21, derde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 22 februari 2016 en gewijzigd bij het decreet van 26 februari 2018, wordt vervangen als volgt:
"Het eerste lid en het tweede lid gelden niet voor de in artikel 43, tweede lid, vermelde subsidies in het kader van de onderscheiding "kunstenaar van Oost-België".
"Het eerste lid en het tweede lid gelden niet voor de in artikel 43, tweede lid, vermelde subsidies in het kader van de onderscheiding "kunstenaar van Oost-België".
Art. 20. Dans l'article 21 du même décret, l'alinéa 3, inséré par le décret du 22 février 2016 et modifié par le décret du 26 février 2018, est remplacé par ce qui suit :
" Les alinéas 1er et 2 ne valent pas pour les subsides mentionnés à l'article 43, alinéa 2, dans le cadre de la distinction " Artiste de la Belgique de l'Est ".
" Les alinéas 1er et 2 ne valent pas pour les subsides mentionnés à l'article 43, alinéa 2, dans le cadre de la distinction " Artiste de la Belgique de l'Est ".
Art. 21. In artikel 41, § 3, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 2° wordt de punt op het einde van de zin vervangen door een kommapunt;
2° het artikel wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende:
"3° het concept van een kunstproject dat tijdens een drie jaar durende ondersteuningsfase dient te worden omgezet."
3° er wordt een tweede lid ingevoegd, luidende:
"De Regering bepaalt in welke vorm de documenten moeten worden ingediend."
1° in de bepaling onder 2° wordt de punt op het einde van de zin vervangen door een kommapunt;
2° het artikel wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende:
"3° het concept van een kunstproject dat tijdens een drie jaar durende ondersteuningsfase dient te worden omgezet."
3° er wordt een tweede lid ingevoegd, luidende:
"De Regering bepaalt in welke vorm de documenten moeten worden ingediend."
Art. 21. A l'article 41, § 3, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le 2°, le point en fin de phrase est remplacé par un point-virgule;
2° le paragraphe est complété par un 3° rédigé comme suit :
" 3° le concept d'un projet artistique qui doit être concrétisé pendant une phase de soutien de trois ans. ";
3° le paragraphe est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Le Gouvernement fixe la forme des documents à introduire. "
1° dans le 2°, le point en fin de phrase est remplacé par un point-virgule;
2° le paragraphe est complété par un 3° rédigé comme suit :
" 3° le concept d'un projet artistique qui doit être concrétisé pendant une phase de soutien de trois ans. ";
3° le paragraphe est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Le Gouvernement fixe la forme des documents à introduire. "
Art. 22. Artikel 43, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt:
Aan de onderscheiding is het volgende verbonden:
1° een eenmalig forfaitair bedrag van 5.000 euro dat aan de winnaar wordt toegekend aan het begin van de drie jaar durende ondersteuningsfase;
2° een werkbeurs die wordt toegekend aan de winnaar om zijn kunstproject om te zetten en die, in functie van de behoefte en de ontwikkeling van het project, in de loop van de drie jaar durende ondersteuningsfase wordt uitbetaald. Daartoe sluit de Regering een overeenkomst met de winnaar waarin wordt bepaald hoe het kunstproject zal verlopen, hoe hoog de ondersteuning is, alsook hoe de uitbetaling van de subsidie en de bewijsvoering in de tijd worden gespreid."
Aan de onderscheiding is het volgende verbonden:
1° een eenmalig forfaitair bedrag van 5.000 euro dat aan de winnaar wordt toegekend aan het begin van de drie jaar durende ondersteuningsfase;
2° een werkbeurs die wordt toegekend aan de winnaar om zijn kunstproject om te zetten en die, in functie van de behoefte en de ontwikkeling van het project, in de loop van de drie jaar durende ondersteuningsfase wordt uitbetaald. Daartoe sluit de Regering een overeenkomst met de winnaar waarin wordt bepaald hoe het kunstproject zal verlopen, hoe hoog de ondersteuning is, alsook hoe de uitbetaling van de subsidie en de bewijsvoering in de tijd worden gespreid."
Art. 22. Dans l'article 43 du même décret, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" La distinction est dotée :
1° d'un forfait unique de 5 000 euros octroyé au lauréat du prix au début de la phase de soutien de trois ans;
2° d'une bourse octroyée au lauréat pour la concrétisation de son projet artistique et qui est liquidée selon les besoins et l'évolution du projet au cours de la phase de soutien de trois ans. A cette fin, le Gouvernement conclut avec le lauréat une convention consignant le déroulement prévu du projet artistique, le montant du soutien, l'étalement des tranches de subsides et la tenue des justificatifs. "
" La distinction est dotée :
1° d'un forfait unique de 5 000 euros octroyé au lauréat du prix au début de la phase de soutien de trois ans;
2° d'une bourse octroyée au lauréat pour la concrétisation de son projet artistique et qui est liquidée selon les besoins et l'évolution du projet au cours de la phase de soutien de trois ans. A cette fin, le Gouvernement conclut avec le lauréat une convention consignant le déroulement prévu du projet artistique, le montant du soutien, l'étalement des tranches de subsides et la tenue des justificatifs. "
Art. 23. In artikel 51, § 1, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "instrumentale ensembles en muziekverenigingen" vervangen door de woorden "instrumentale ensembles, kamermuziekensembles en muziekverenigingen";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "instrumentale ensembles en muziekverenigingen" vervangen door de woorden "instrumentale ensembles, kamermuziekensembles en muziekverenigingen";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 23. A l'article 51, § 1er, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, 1°, les mots " instrumentaux et " sont remplacés par les mots " ensemble de musique de chambre et ";
2° l'alinéa 2 est abrogé.
1° dans l'alinéa 1er, 1°, les mots " instrumentaux et " sont remplacés par les mots " ensemble de musique de chambre et ";
2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 24. In artikel 81 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1 - Nadat is nagegaan dat de ondersteuningsvoorwaarden vervuld zijn, kan de Regering de in artikel 80, § 1, vermelde aanvragers een subsidie voor uitrustingsvoorwerpen toekennen. De subsidie bedraagt hoogstens 50 % van de subsidieerbare uitgaven."
2° paragraaf 2 wordt opgeheven.
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1 - Nadat is nagegaan dat de ondersteuningsvoorwaarden vervuld zijn, kan de Regering de in artikel 80, § 1, vermelde aanvragers een subsidie voor uitrustingsvoorwerpen toekennen. De subsidie bedraagt hoogstens 50 % van de subsidieerbare uitgaven."
2° paragraaf 2 wordt opgeheven.
Art. 24. A l'article 81 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er - Après avoir vérifié que les conditions de soutien sont remplies, le Gouvernement peut octroyer aux demandeurs mentionnés à l'article 80, § 1er, un subside pour biens d'équipement. Ce subside représente au plus 50 % des dépenses subsidiables. ";
2° le § 2 est abrogé.
1° le § 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er - Après avoir vérifié que les conditions de soutien sont remplies, le Gouvernement peut octroyer aux demandeurs mentionnés à l'article 80, § 1er, un subside pour biens d'équipement. Ce subside représente au plus 50 % des dépenses subsidiables. ";
2° le § 2 est abrogé.
Art. 25. In hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk 7.1 ingevoegd, dat de artikelen 93.1 tot 93.4 omvat, luidende:
"Hoofdstuk 7.1 - Tijdelijke maatregelen om de negatieve gevolgen van de coronacrisis te beperken"
"Hoofdstuk 7.1 - Tijdelijke maatregelen om de negatieve gevolgen van de coronacrisis te beperken"
Art. 25. Dans le même décret, il est inséré un chapitre 7.1, comportant les articles 93.1 à 93.4, intitulé comme suit :
" Chapitre 7.1 - Mesures temporaires visant à atténuer les répercussions de la crise du coronavirus "
" Chapitre 7.1 - Mesures temporaires visant à atténuer les répercussions de la crise du coronavirus "
Art. 26. In hoofdstuk 7.1 van hetzelfde decreet wordt een artikel 93.1 ingevoegd, luidende:
"Art. 93.1 - Specifieke ondersteuningsvoorwaarden voor cultuurcentra
In afwijking van artikel 14, eerste lid, 5°, worden de daarin vermelde kwantitatieve criteria voor het kalenderjaar 2021 met één derde verlaagd.
Voor cultuurcentra die voor het eerst ondersteuning krijgen, geldt:
1° het kalenderjaar 2020 wordt buiten beschouwing gelaten, voor zover dit gunstig is voor de aanvraag;
2° voor het kalenderjaar 2021 worden de criteria vermeld in artikel 14, eerste lid, 5°, met één derde verlaagd.
Als de aldus berekende kwantitatieve criteria een decimaal bevatten, wordt het getal tot de hogere of lagere eenheid afgerond, naargelang de decimaal al dan niet 0,5 bereikt."
"Art. 93.1 - Specifieke ondersteuningsvoorwaarden voor cultuurcentra
In afwijking van artikel 14, eerste lid, 5°, worden de daarin vermelde kwantitatieve criteria voor het kalenderjaar 2021 met één derde verlaagd.
Voor cultuurcentra die voor het eerst ondersteuning krijgen, geldt:
1° het kalenderjaar 2020 wordt buiten beschouwing gelaten, voor zover dit gunstig is voor de aanvraag;
2° voor het kalenderjaar 2021 worden de criteria vermeld in artikel 14, eerste lid, 5°, met één derde verlaagd.
Als de aldus berekende kwantitatieve criteria een decimaal bevatten, wordt het getal tot de hogere of lagere eenheid afgerond, naargelang de decimaal al dan niet 0,5 bereikt."
Art. 26. Dans le chapitre 7.1 du même décret, il est inséré un article 93.1 rédigé comme suit :
" Art. 93.1 - Conditions spécifiques de soutien aux centres culturels
Par dérogation à l'article 14, alinéa 1er, 5°, les critères quantitatifs y mentionnés sont réduits d'un tiers pour l'année calendrier 2021.
En ce qui concerne les centres culturels soutenus pour la première fois :
1° l'année calendrier 2020 n'est pas prise en considération, dans la mesure où cela a une répercussion favorable sur la demande;
2° pour l'année calendrier 2021, les critères mentionnés à l'article 14, alinéa 1er, 5°, sont réduits d'un tiers.
Si les critères quantitatifs ainsi calculés correspondent à une fraction, celle-ci est arrondie à l'unité supérieure ou inférieure, selon qu'elle atteint ou non 0,5. "
" Art. 93.1 - Conditions spécifiques de soutien aux centres culturels
Par dérogation à l'article 14, alinéa 1er, 5°, les critères quantitatifs y mentionnés sont réduits d'un tiers pour l'année calendrier 2021.
En ce qui concerne les centres culturels soutenus pour la première fois :
1° l'année calendrier 2020 n'est pas prise en considération, dans la mesure où cela a une répercussion favorable sur la demande;
2° pour l'année calendrier 2021, les critères mentionnés à l'article 14, alinéa 1er, 5°, sont réduits d'un tiers.
Si les critères quantitatifs ainsi calculés correspondent à une fraction, celle-ci est arrondie à l'unité supérieure ou inférieure, selon qu'elle atteint ou non 0,5. "
Art. 27. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 93.2 ingevoegd, luidende:
"Art. 93.2 - Specifieke ondersteuningsvoorwaarden voor cultuurorganisatoren
In afwijking van artikel 16, § 2, worden de daarin vermelde kwantitatieve criteria voor het kalenderjaar 2021 met één derde verlaagd.
Voor cultuurorganisatoren die voor het eerst ondersteuning krijgen, geldt:
1° het kalenderjaar 2020 wordt buiten beschouwing gelaten, voor zover dit gunstig is voor de aanvraag;
2° voor het kalenderjaar 2021 worden de criteria vermeld in artikel 16, § 2, met één derde verlaagd.
Als de aldus berekende kwantitatieve criteria een decimaal bevatten, wordt het getal tot de hogere of lagere eenheid afgerond, naargelang de decimaal al dan niet 0,5 bereikt."
"Art. 93.2 - Specifieke ondersteuningsvoorwaarden voor cultuurorganisatoren
In afwijking van artikel 16, § 2, worden de daarin vermelde kwantitatieve criteria voor het kalenderjaar 2021 met één derde verlaagd.
Voor cultuurorganisatoren die voor het eerst ondersteuning krijgen, geldt:
1° het kalenderjaar 2020 wordt buiten beschouwing gelaten, voor zover dit gunstig is voor de aanvraag;
2° voor het kalenderjaar 2021 worden de criteria vermeld in artikel 16, § 2, met één derde verlaagd.
Als de aldus berekende kwantitatieve criteria een decimaal bevatten, wordt het getal tot de hogere of lagere eenheid afgerond, naargelang de decimaal al dan niet 0,5 bereikt."
Art. 27. Dans le même chapitre, il est inséré un article 93.2 rédigé comme suit :
" Art. 93.2 - Conditions spécifiques de soutien pour les organisateurs d'événements culturels
Par dérogation à l'article 16, § 2, les critères quantitatifs y mentionnés sont réduits d'un tiers pour l'année calendrier 2021.
En ce qui concerne les centres culturels soutenus pour la première fois :
1° l'année calendrier 2020 n'est pas prise en considération, dans la mesure où cela a une répercussion favorable sur la demande;
2° pour l'année calendrier 2021, les critères mentionnés à l'article 16, § 2, sont réduits d'un tiers.
Si les critères quantitatifs ainsi calculés correspondent à une fraction, celle-ci est arrondie à l'unité supérieure ou inférieure, selon qu'elle atteint ou non 0,5. "
" Art. 93.2 - Conditions spécifiques de soutien pour les organisateurs d'événements culturels
Par dérogation à l'article 16, § 2, les critères quantitatifs y mentionnés sont réduits d'un tiers pour l'année calendrier 2021.
En ce qui concerne les centres culturels soutenus pour la première fois :
1° l'année calendrier 2020 n'est pas prise en considération, dans la mesure où cela a une répercussion favorable sur la demande;
2° pour l'année calendrier 2021, les critères mentionnés à l'article 16, § 2, sont réduits d'un tiers.
Si les critères quantitatifs ainsi calculés correspondent à une fraction, celle-ci est arrondie à l'unité supérieure ou inférieure, selon qu'elle atteint ou non 0,5. "
Art. 28. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 93.3 ingevoegd, luidende:
"Art. 93.3 - Specifieke ondersteuningsvoorwaarden voor cultuurproducenten
In afwijking van artikel 18, § 2 tot § 5, worden de daarin vermelde kwantitatieve criteria voor het kalenderjaar 2021 met één derde verlaagd.
Voor cultuurproducenten die voor het eerst ondersteuning krijgen, geldt:
1° het kalenderjaar 2020 wordt buiten beschouwing gelaten, voor zover dit gunstig is voor de aanvraag;
2° voor het kalenderjaar 2021 worden de criteria vermeld in artikel 18, § 2 tot § 5, met één derde verlaagd.
Als de aldus berekende kwantitatieve criteria een decimaal bevatten, wordt het getal tot de hogere of lagere eenheid afgerond, naargelang de decimaal al dan niet 0,5 bereikt."
"Art. 93.3 - Specifieke ondersteuningsvoorwaarden voor cultuurproducenten
In afwijking van artikel 18, § 2 tot § 5, worden de daarin vermelde kwantitatieve criteria voor het kalenderjaar 2021 met één derde verlaagd.
Voor cultuurproducenten die voor het eerst ondersteuning krijgen, geldt:
1° het kalenderjaar 2020 wordt buiten beschouwing gelaten, voor zover dit gunstig is voor de aanvraag;
2° voor het kalenderjaar 2021 worden de criteria vermeld in artikel 18, § 2 tot § 5, met één derde verlaagd.
Als de aldus berekende kwantitatieve criteria een decimaal bevatten, wordt het getal tot de hogere of lagere eenheid afgerond, naargelang de decimaal al dan niet 0,5 bereikt."
Art. 28. Dans le même chapitre, il est inséré un article 93.3 rédigé comme suit :
" Art. 93.3 - Conditions spécifiques de soutien pour les producteurs culturels
Par dérogation à l'article 18, § § 2 à 5, les critères quantitatifs y mentionnés sont réduits d'un tiers pour l'année calendrier 2021.
En ce qui concerne les producteurs culturels soutenus pour la première fois :
1° l'année calendrier 2020 n'est pas prise en considération, dans la mesure où cela a une répercussion favorable sur la demande;
2° pour l'année calendrier 2021, les critères mentionnés à l'article 18, § § 2 à 5, sont réduits d'un tiers.
Si les critères quantitatifs ainsi calculés correspondent à une fraction, celle-ci est arrondie à l'unité supérieure ou inférieure, selon qu'elle atteint ou non 0,5. "
" Art. 93.3 - Conditions spécifiques de soutien pour les producteurs culturels
Par dérogation à l'article 18, § § 2 à 5, les critères quantitatifs y mentionnés sont réduits d'un tiers pour l'année calendrier 2021.
En ce qui concerne les producteurs culturels soutenus pour la première fois :
1° l'année calendrier 2020 n'est pas prise en considération, dans la mesure où cela a une répercussion favorable sur la demande;
2° pour l'année calendrier 2021, les critères mentionnés à l'article 18, § § 2 à 5, sont réduits d'un tiers.
Si les critères quantitatifs ainsi calculés correspondent à une fraction, celle-ci est arrondie à l'unité supérieure ou inférieure, selon qu'elle atteint ou non 0,5. "
Art. 29. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 93.4 ingevoegd, luidende:
"Afdeling 93.4 - Ondersteuning van amateurkunstverenigingen
In afwijking van artikel 59 krijgt een amateurkunstvereniging die actief is in de kunstdiscipline theater voor de kalenderjaren 2020 en 2021 een ondersteuning op basis van de meest recente classificatie, als door de federale dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) in te dijken, geen classificatie kan plaatsvinden.
In afwijking van de artikelen 52, § 1, 58, § 1, en 64, § 1, krijgen geclassificeerde amateurkunstverenigingen voor het kalenderjaar 2021 forfaitaire subsidies die overeenstemmen met het hoogste aantal culturele activiteiten die in bijlage 1 per classificatiecategorie zijn voorzien, ook als dat aantal culturele activiteiten niet werkelijk heeft plaatsgevonden."
"Afdeling 93.4 - Ondersteuning van amateurkunstverenigingen
In afwijking van artikel 59 krijgt een amateurkunstvereniging die actief is in de kunstdiscipline theater voor de kalenderjaren 2020 en 2021 een ondersteuning op basis van de meest recente classificatie, als door de federale dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) in te dijken, geen classificatie kan plaatsvinden.
In afwijking van de artikelen 52, § 1, 58, § 1, en 64, § 1, krijgen geclassificeerde amateurkunstverenigingen voor het kalenderjaar 2021 forfaitaire subsidies die overeenstemmen met het hoogste aantal culturele activiteiten die in bijlage 1 per classificatiecategorie zijn voorzien, ook als dat aantal culturele activiteiten niet werkelijk heeft plaatsgevonden."
Art. 29. Dans le même chapitre, il est inséré un article 93.4 rédigé comme suit :
" Art. 93.4 - Soutien accordé aux sociétés d'art amateur
Par dérogation à l'article 59, une association d'art amateur active dans la discipline "théâtre" reçoit, pour les années calendrier 2020 et 2021, un soutien sur la base des derniers résultats de classement en date, si le classement ne peut avoir lieu en raison des mesures d'urgence prise par l'autorité fédérale en vue de limiter la propagation du coronavirus (COVID-19).
Par dérogation aux articles 52, § 1er, 58, § 1er, et 64, § 1er, les sociétés d'art amateur classées reçoivent, pour l'année calendrier 2021, des subsides forfaitaires correspondant au maximum d'activités culturelles prévues à l'annexe 1re par catégorie de classement, même si ce nombre n'a pas été réellement concrétisé. "
" Art. 93.4 - Soutien accordé aux sociétés d'art amateur
Par dérogation à l'article 59, une association d'art amateur active dans la discipline "théâtre" reçoit, pour les années calendrier 2020 et 2021, un soutien sur la base des derniers résultats de classement en date, si le classement ne peut avoir lieu en raison des mesures d'urgence prise par l'autorité fédérale en vue de limiter la propagation du coronavirus (COVID-19).
Par dérogation aux articles 52, § 1er, 58, § 1er, et 64, § 1er, les sociétés d'art amateur classées reçoivent, pour l'année calendrier 2021, des subsides forfaitaires correspondant au maximum d'activités culturelles prévues à l'annexe 1re par catégorie de classement, même si ce nombre n'a pas été réellement concrétisé. "
Art. 30. Bijlage 1 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de bijlage gevoegd bij dit decreet.
Art. 30. L'annexe 1re du même décret est remplacée par l'annexe jointe au présent décret.
Afdeling 2. - Jeugd
Section 2. - Jeunesse
Art. 31. In artikel 1, 12°, van het decreet van 6 december 2011 ter ondersteuning van het jeugdwerk worden de woorden "informatiecentrum voor jongeren" vervangen door de woorden "aanbieder van jongereninformatie".
Art. 31. Dans l'article 1er, 12°, du décret du 6 décembre 2011 visant à soutenir l'animation de jeunesse, les mots " centre d'information pour la jeunesse " sont remplacés par les mots " pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse ".
Art. 32. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 3, van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt:
Afdeling 3 - Ondersteuning van de jongereninformatie"
Afdeling 3 - Ondersteuning van de jongereninformatie"
Art. 32. Dans le chapitre 2 du même décret, l'intitulé de la section 3 est remplacé par ce qui suit :
Section 3 - Soutien de l'information pour la jeunesse
Section 3 - Soutien de l'information pour la jeunesse
Art. 33. In artikel 15 van hetzelfde decreet wordt de zin "Er kan hoogstens één prestatieovereenkomst voor het kanton Eupen en één prestatieovereenkomst voor het kanton Sankt Vith zijn." vervangen door de zin "Er is maar één ondersteunde aanbieder voor de jongereninformatie in het Duitse taalgebied."
Art. 33. Dans l'article 15 du même décret, la deuxième phrase est remplacée par la phrase suivante : " Un seul pouvoir organisateur d'information pour la jeunesse est soutenu en région de langue allemande. "
Art. 34. Artikel 16 van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt:
"Art. 16 - Doelstelling van de jongereninformatie
De aanbieder van jongereninformatie stelt informatie ter beschikking die op juistheid getoetst is en die betrouwbaar, volledig, neutraal en voor iedereen toegankelijk is. De informatie is zowel qua vorm als qua inhoud afgestemd op de behoeften van jongeren. De aanbieder biedt jonge mensen permanent actuele informatie aan en helpt hen bij het zoeken naar informatie.
De aanbieder van jongereninformatie doet in alle gemeenten van het Duitse taalgebied aan projectwerk om zijn dienstverlening ter plaatse ter beschikking te stellen van de jongeren.
Voorts draagt de aanbieder van jongereninformatie bij tot een op kennis gebaseerd jeugdbeleid door de voorhanden zijnde kennis over jongeren en jongereninformatie te registreren en te ontsluiten."
"Art. 16 - Doelstelling van de jongereninformatie
De aanbieder van jongereninformatie stelt informatie ter beschikking die op juistheid getoetst is en die betrouwbaar, volledig, neutraal en voor iedereen toegankelijk is. De informatie is zowel qua vorm als qua inhoud afgestemd op de behoeften van jongeren. De aanbieder biedt jonge mensen permanent actuele informatie aan en helpt hen bij het zoeken naar informatie.
De aanbieder van jongereninformatie doet in alle gemeenten van het Duitse taalgebied aan projectwerk om zijn dienstverlening ter plaatse ter beschikking te stellen van de jongeren.
Voorts draagt de aanbieder van jongereninformatie bij tot een op kennis gebaseerd jeugdbeleid door de voorhanden zijnde kennis over jongeren en jongereninformatie te registreren en te ontsluiten."
Art. 34. L'article 16 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 16 - Objectif de l'information pour la jeunesse
Le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse met à disposition de l'information dont l'exactitude a été vérifiée, qui est fiable, complète, neutre et accessible à tous. L'information est adaptée aux besoins des jeunes, en ce qui concerne tant la forme que le contenu. Le pouvoir organisateur propose en permanence aux jeunes gens une information actuelle et les soutient dans leur propre recherche d'information.
Le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse travaille par projet pour les jeunes dans toutes les communes de la région de langue allemande en ayant pour objectif de fournir ses prestations sur place.
En outre, le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse contribue à une politique de la jeunesse basée sur les connaissances en collectant et traitant les connaissances relatives aux jeunes et à l'information de la jeunesse. "
" Art. 16 - Objectif de l'information pour la jeunesse
Le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse met à disposition de l'information dont l'exactitude a été vérifiée, qui est fiable, complète, neutre et accessible à tous. L'information est adaptée aux besoins des jeunes, en ce qui concerne tant la forme que le contenu. Le pouvoir organisateur propose en permanence aux jeunes gens une information actuelle et les soutient dans leur propre recherche d'information.
Le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse travaille par projet pour les jeunes dans toutes les communes de la région de langue allemande en ayant pour objectif de fournir ses prestations sur place.
En outre, le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse contribue à une politique de la jeunesse basée sur les connaissances en collectant et traitant les connaissances relatives aux jeunes et à l'information de la jeunesse. "
Art. 35. Artikel 17, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt:
"De aanbieder van jongereninformatie werkt een concept uit in samenwerking met jongeren en met de gemeenten.
"De aanbieder van jongereninformatie werkt een concept uit in samenwerking met jongeren en met de gemeenten.
Art. 35. L'article 17, alinéa 1er, du même décret, est remplacé par ce qui suit :
" Le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse élabore un concept en impliquant les jeunes et les communes. "
" Le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse élabore un concept en impliquant les jeunes et les communes. "
Art. 36. In artikel 18, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "het informatiecentrum voor jongeren" vervangen door de woorden "de aanbieder van jongereninformatie".
Art. 36. Dans l'article 18, alinéa 1er, du même décret, les mots " le Centre d'information pour la jeunesse " sont remplacés par les mots " le pourvoir organisateur de l'information pour la jeunesse ".
Art. 37. Artikel 19, § 1, van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt:
" § 1 - De aanbieder van jongereninformatie wordt ondersteund via een prestatieovereenkomst per kanton."
" § 1 - De aanbieder van jongereninformatie wordt ondersteund via een prestatieovereenkomst per kanton."
Art. 37. L'article 19, § 1er, du même décret est remplacé par ce qui suit :
" § 1er - Le soutien apporté au pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse s'opère au moyen d'une convention de prestations par canton. "
" § 1er - Le soutien apporté au pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse s'opère au moyen d'une convention de prestations par canton. "
Art. 38. In artikel 20 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het opschrift worden de woorden "informatiecentra voor jongeren" vervangen door het woord "jongereninformatie";
2° in § 2, eerste lid, worden de woorden "het betrokken informatiecentrum voor jongeren" vervangen door de woorden "de aanbieder van jongereninformatie";
3° in § 2, tweede lid, worden de woorden "het informatiecentrum voor jongeren" vervangen door de woorden "de aanbieder van jongereninformatie".
1° in het opschrift worden de woorden "informatiecentra voor jongeren" vervangen door het woord "jongereninformatie";
2° in § 2, eerste lid, worden de woorden "het betrokken informatiecentrum voor jongeren" vervangen door de woorden "de aanbieder van jongereninformatie";
3° in § 2, tweede lid, worden de woorden "het informatiecentrum voor jongeren" vervangen door de woorden "de aanbieder van jongereninformatie".
Art. 38. A l'article 20 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'intitulé, les mots " les centres d'information pour la jeunesse " sont remplacés par les mots " l'information pour la jeunesse ";
2° dans le § 2, alinéa 1er, les mots " le centre de l'information pour la jeunesse concerné " sont remplacés par les mots " le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse ";
3° dans le § 2, alinéa 2, les mots " le centre de l'information pour la jeunesse " sont remplacés par les mots " le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse ";
1° dans l'intitulé, les mots " les centres d'information pour la jeunesse " sont remplacés par les mots " l'information pour la jeunesse ";
2° dans le § 2, alinéa 1er, les mots " le centre de l'information pour la jeunesse concerné " sont remplacés par les mots " le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse ";
3° dans le § 2, alinéa 2, les mots " le centre de l'information pour la jeunesse " sont remplacés par les mots " le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse ";
Art. 39. In artikel 21 worden de §§ 1 en 2 van hetzelfde decreet vervangen als volgt:
" § 1 - De aanbieder van jongereninformatie ontvangt een subsidie om zijn werkings- en personeelskosten te dekken indien hij:
1° voldoet aan de ondersteuningscriteria vermeld in artikel 5;
2° over een concept beschikt dat de Regering overeenkomstig artikel 18 heeft goedgekeurd;
3° aan de doelstelling vermeld in artikel 16 voldoet;
4° partij is bij een prestatieovereenkomst vermeld in artikel 19;
5° minstens één jeugdwerker, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, in dienst heeft.
De jaarlijkse forfaitaire subsidie voor de werkingskosten bedraagt 60.000 euro.
De subsidie voor de personeelskosten van de jeugdwerkers wordt geval voor geval in de prestatieovereenkomst vastgelegd, waarbij:
1° per kanton 87,5 % van het subsidieerbare gedeelte van de personeelskosten voor de eerste jeugdwerker, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, in aanmerking wordt genomen, voor zover de lokale besturen 12,5 % van die personeelskosten voor hun rekening nemen;
2° per kanton 80 % van het subsidieerbare gedeelte van de personeelskosten voor de tweede jeugdwerker, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, in aanmerking wordt genomen, voor zover de lokale besturen 20 % van die personeelskosten voor hun rekening nemen;
§ 2 - Indien geen prestatieovereenkomst in de zin van artikel 19 wordt gesloten, ontvangt de aanbieder van jongereninformatie een jaarlijkse forfaitaire subsidie voor de werkingskosten van 24.000 euro.
Voorts ontvangt de aanbieder van jongereninformatie die geen partner bij een prestatieovereenkomst is, een subsidie voor de personeelskosten voor één beklede betrekking van jeugdwerker, uitgedrukt in voltijdse equivalenten. Die subsidie bedraagt 87,5 % van het subsidieerbare gedeelte van de personeelskosten, voor zover lokale besturen 12,5 % van die personeelskosten voor hun rekening nemen."
" § 1 - De aanbieder van jongereninformatie ontvangt een subsidie om zijn werkings- en personeelskosten te dekken indien hij:
1° voldoet aan de ondersteuningscriteria vermeld in artikel 5;
2° over een concept beschikt dat de Regering overeenkomstig artikel 18 heeft goedgekeurd;
3° aan de doelstelling vermeld in artikel 16 voldoet;
4° partij is bij een prestatieovereenkomst vermeld in artikel 19;
5° minstens één jeugdwerker, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, in dienst heeft.
De jaarlijkse forfaitaire subsidie voor de werkingskosten bedraagt 60.000 euro.
De subsidie voor de personeelskosten van de jeugdwerkers wordt geval voor geval in de prestatieovereenkomst vastgelegd, waarbij:
1° per kanton 87,5 % van het subsidieerbare gedeelte van de personeelskosten voor de eerste jeugdwerker, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, in aanmerking wordt genomen, voor zover de lokale besturen 12,5 % van die personeelskosten voor hun rekening nemen;
2° per kanton 80 % van het subsidieerbare gedeelte van de personeelskosten voor de tweede jeugdwerker, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, in aanmerking wordt genomen, voor zover de lokale besturen 20 % van die personeelskosten voor hun rekening nemen;
§ 2 - Indien geen prestatieovereenkomst in de zin van artikel 19 wordt gesloten, ontvangt de aanbieder van jongereninformatie een jaarlijkse forfaitaire subsidie voor de werkingskosten van 24.000 euro.
Voorts ontvangt de aanbieder van jongereninformatie die geen partner bij een prestatieovereenkomst is, een subsidie voor de personeelskosten voor één beklede betrekking van jeugdwerker, uitgedrukt in voltijdse equivalenten. Die subsidie bedraagt 87,5 % van het subsidieerbare gedeelte van de personeelskosten, voor zover lokale besturen 12,5 % van die personeelskosten voor hun rekening nemen."
Art. 39. Dans l'article 21 du même décret, les § § 1er et 2 sont remplacés par ce qui suit :
" § 1er - Le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse reçoit un subside pour couvrir les frais de fonctionnement et de personnel s'il :
1° satisfait aux critères de soutien mentionnés à l'article 5;
2° dispose d'un concept approuvé par le Gouvernement conformément à l'article 18;
3° remplit l'objectif mentionné à l'article 16;
4° est partie à une convention de prestations mentionnée à l'article 19;
5° occupe au moins un équivalent temps plein en tant qu'animateur de jeunesse.
Le subside annuel forfaitaire pour les frais de fonctionnement s'élève à 60 000 euros.
Le subside pour les frais de personnel relatifs aux animateurs est spécifié dans la convention de prestations :
1° 87,5 % de la partie subsidiable des frais de personnel pour le premier animateur de jeunesse exprimé en équivalents temps plein étant pris en considération par canton, dans la mesure où les pouvoirs locaux participent à ces frais de personnel à hauteur de 12,5 % ;
2° 80 % de la partie subsidiable des frais de personnel pour le second animateur de jeunesse exprimé en équivalents temps plein étant pris en considération par canton, dans la mesure où les pouvoirs locaux participent à ces frais de personnel à hauteur de 20 % .
§ 2 - Si aucune convention de prestations n'est conclue conformément à l'article 19, le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse reçoit un subside forfaitaire annuel de 24 000 euros pour les frais de fonctionnement.
En outre, le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse qui n'est pas partie à une convention de prestations reçoit un subside pour les frais de personnel relatifs à un emploi d'animateur exprimé en équivalent temps plein. Ce subside correspond à 87,5 % de la partie subsidiable des frais de personnel, dans la mesure où les pouvoirs locaux participent à ces frais de personnel à hauteur de 12,5 % . "
" § 1er - Le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse reçoit un subside pour couvrir les frais de fonctionnement et de personnel s'il :
1° satisfait aux critères de soutien mentionnés à l'article 5;
2° dispose d'un concept approuvé par le Gouvernement conformément à l'article 18;
3° remplit l'objectif mentionné à l'article 16;
4° est partie à une convention de prestations mentionnée à l'article 19;
5° occupe au moins un équivalent temps plein en tant qu'animateur de jeunesse.
Le subside annuel forfaitaire pour les frais de fonctionnement s'élève à 60 000 euros.
Le subside pour les frais de personnel relatifs aux animateurs est spécifié dans la convention de prestations :
1° 87,5 % de la partie subsidiable des frais de personnel pour le premier animateur de jeunesse exprimé en équivalents temps plein étant pris en considération par canton, dans la mesure où les pouvoirs locaux participent à ces frais de personnel à hauteur de 12,5 % ;
2° 80 % de la partie subsidiable des frais de personnel pour le second animateur de jeunesse exprimé en équivalents temps plein étant pris en considération par canton, dans la mesure où les pouvoirs locaux participent à ces frais de personnel à hauteur de 20 % .
§ 2 - Si aucune convention de prestations n'est conclue conformément à l'article 19, le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse reçoit un subside forfaitaire annuel de 24 000 euros pour les frais de fonctionnement.
En outre, le pouvoir organisateur de l'information pour la jeunesse qui n'est pas partie à une convention de prestations reçoit un subside pour les frais de personnel relatifs à un emploi d'animateur exprimé en équivalent temps plein. Ce subside correspond à 87,5 % de la partie subsidiable des frais de personnel, dans la mesure où les pouvoirs locaux participent à ces frais de personnel à hauteur de 12,5 % . "
Art. 40. Artikel 35 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 40. L'article 35 du même décret est abrogé.
Art. 41. Artikel 36, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt:
"De aanvragen om goedkeuring en ondersteuning van voortgezette opleidingen voor jongeren moeten voldoen aan de voorwaarden overeenkomstig artikel 37 en moeten vóór het begin van de voortgezette opleiding bij de Regering worden ingediend."
"De aanvragen om goedkeuring en ondersteuning van voortgezette opleidingen voor jongeren moeten voldoen aan de voorwaarden overeenkomstig artikel 37 en moeten vóór het begin van de voortgezette opleiding bij de Regering worden ingediend."
Art. 41. Dans l'article 36, § 1er, du même décret, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Les demandes d'approbation et de soutien relatives à des formations continuées pour les jeunes doivent remplir les conditions conformément à l'article 37 et être introduites auprès du Gouvernement avant le début de ladite formation continuée. "
" Les demandes d'approbation et de soutien relatives à des formations continuées pour les jeunes doivent remplir les conditions conformément à l'article 37 et être introduites auprès du Gouvernement avant le début de ladite formation continuée. "
Art. 42. In artikel 38 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"De jeugdraad van de Duitstalige Gemeenschap organiseert overeenkomstig artikel 46, 8°, de basisopleiding die leidt tot het erkende bewijs "vrijwillige jeugdleider"."
2° in de inleidende zin van het tweede lid worden de woorden "de jeugdcommissie" vervangen door de woorden "de jeugdraad".
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"De jeugdraad van de Duitstalige Gemeenschap organiseert overeenkomstig artikel 46, 8°, de basisopleiding die leidt tot het erkende bewijs "vrijwillige jeugdleider"."
2° in de inleidende zin van het tweede lid worden de woorden "de jeugdcommissie" vervangen door de woorden "de jeugdraad".
Art. 42. A l'article 38 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Conformément à l'article 46, 8°, le Conseil de la jeunesse organise la formation de base menant au titre de "moniteur bénévole". ";
2° dans la phrase introductive de l'alinéa 2, les mots " la Commission "Jeunesse" " sont remplacés par les mots " le Conseil de la jeunesse ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Conformément à l'article 46, 8°, le Conseil de la jeunesse organise la formation de base menant au titre de "moniteur bénévole". ";
2° dans la phrase introductive de l'alinéa 2, les mots " la Commission "Jeunesse" " sont remplacés par les mots " le Conseil de la jeunesse ".
Art. 43. In artikel 44 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 26 februari 2018, worden de woorden "waarvoor een aanvraag werd ingediend in het kader van de oproep vermeld in artikel 35, eerste lid" opgeheven.
Art. 43. Dans l'article 44 du même décret, inséré par le décret du 26 février 2018, les mots " lorsqu'une demande a été introduite dans le cadre de l'appel mentionné à l'article 35, alinéa 1er " sont abrogés.
Art. 44. Artikel 46 van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt:
"Art. 46 - Principe
In het Duitse taalgebied kan de Regering maar één Jeugdraad ondersteunen; die Jeugdraad voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° hij is opgericht als vereniging zonder winstoogmerk met zetel in het Duitse taalgebied;
2° hij is niet gebonden aan een partij of een wereldbeschouwing en houdt rekening met de artikelen 6 en 7 van de wet van 16 juli 1973 waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt;
3° zijn leden zijn individuele jongeren en andere niet-ondersteunde organisaties van de Duitstalige Gemeenschap die voornamelijk in de jeugdsector werkzaam zijn, alsook alle jeugdvoorzieningen die overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 2 tot 4, ondersteund worden, waaronder minstens twee vertegenwoordigers van het open jeugdwerk, twee vertegenwoordigers van de jeugdorganisaties, één vertegenwoordiger van het mobiele jeugdwerk en één vertegenwoordiger van de jongereninformatie;
4° hij vertegenwoordigt de belangen van de jonge mensen door te fungeren als spreekbuis van de jonge mensen en als tussenpersoon tussen de jongeren en de beleidsmakers in het Duitse taalgebied;
5° hij neemt initiatieven die hij nuttig acht om de problemen van jongeren in de Duitstalige Gemeenschap te onderzoeken of op te lossen, alsook om de ontplooiingsmogelijkheden en de participatie van de jongeren in de Duitstalige Gemeenschap uit te bouwen;
6° hij verwezenlijkt projecten voor en met jonge mensen en zijn leden en staat daarbij open voor alle jongeren, in het bijzonder rond politieke vorming;
7° hij neemt initiatieven en ontwikkelt methoden die hij nodig acht om zijn doelstellingen te verwezenlijken en dit op regionaal, nationaal, Europees en internationaal vlak;
8° hij organiseert de basisopleiding die leidt tot het erkende bewijs "vrijwillige jeugdleider", voor zover:
a) hij het lesrooster en de gegevens over de voordrachtgevers ten minste 45 dagen vóór het begin van de basisopleiding bij de Regering indient;
b) hij aan de voorwaarden van de artikelen 37 en 39 voldoet;
c) hij binnen 60 kalenderdagen na het voltooien van de opleidingscyclus een eindverslag of evaluatieverslag aan de Regering bezorgt via het daarvoor beschikbare formulier."
"Art. 46 - Principe
In het Duitse taalgebied kan de Regering maar één Jeugdraad ondersteunen; die Jeugdraad voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° hij is opgericht als vereniging zonder winstoogmerk met zetel in het Duitse taalgebied;
2° hij is niet gebonden aan een partij of een wereldbeschouwing en houdt rekening met de artikelen 6 en 7 van de wet van 16 juli 1973 waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt;
3° zijn leden zijn individuele jongeren en andere niet-ondersteunde organisaties van de Duitstalige Gemeenschap die voornamelijk in de jeugdsector werkzaam zijn, alsook alle jeugdvoorzieningen die overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 2 tot 4, ondersteund worden, waaronder minstens twee vertegenwoordigers van het open jeugdwerk, twee vertegenwoordigers van de jeugdorganisaties, één vertegenwoordiger van het mobiele jeugdwerk en één vertegenwoordiger van de jongereninformatie;
4° hij vertegenwoordigt de belangen van de jonge mensen door te fungeren als spreekbuis van de jonge mensen en als tussenpersoon tussen de jongeren en de beleidsmakers in het Duitse taalgebied;
5° hij neemt initiatieven die hij nuttig acht om de problemen van jongeren in de Duitstalige Gemeenschap te onderzoeken of op te lossen, alsook om de ontplooiingsmogelijkheden en de participatie van de jongeren in de Duitstalige Gemeenschap uit te bouwen;
6° hij verwezenlijkt projecten voor en met jonge mensen en zijn leden en staat daarbij open voor alle jongeren, in het bijzonder rond politieke vorming;
7° hij neemt initiatieven en ontwikkelt methoden die hij nodig acht om zijn doelstellingen te verwezenlijken en dit op regionaal, nationaal, Europees en internationaal vlak;
8° hij organiseert de basisopleiding die leidt tot het erkende bewijs "vrijwillige jeugdleider", voor zover:
a) hij het lesrooster en de gegevens over de voordrachtgevers ten minste 45 dagen vóór het begin van de basisopleiding bij de Regering indient;
b) hij aan de voorwaarden van de artikelen 37 en 39 voldoet;
c) hij binnen 60 kalenderdagen na het voltooien van de opleidingscyclus een eindverslag of evaluatieverslag aan de Regering bezorgt via het daarvoor beschikbare formulier."
Art. 44. L'article 46 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 46 - Principe
En région de langue allemande, le Gouvernement ne peut soutenir qu'un seul Conseil de la jeunesse répondant aux conditions suivantes :
1° il est constitué en association sans but lucratif ayant son siège en région de langue allemande;
2° il est indépendant politiquement et philosophiquement et respecte les articles 6 et 7 de la loi du 16 juillet 1973 garantissant la protection des tendances idéologiques et philosophiques;
3° ses membres sont des jeunes pris isolément et d'autres organisations non soutenues par la Communauté germanophone, principalement actives dans le domaine de la jeunesse ainsi que tous les opérateurs de jeunesse soutenus conformément au chapitre 2, sections 2 à 4, dont au moins deux représentants de l'animation en milieu ouvert, deux représentants des organisations de jeunesse, un représentant de l'animation de jeunesse ambulante et un représentant de l'information pour la jeunesse;
4° il représente les intérêts des jeunes gens en jouant le rôle de porte-parole et en servant de relais entre les jeunes et les décideurs politiques en région de langue allemande;
5° il prend les initiatives qu'il juge utiles pour examiner et résoudre les problèmes ainsi que pour étendre les possibilités d'épanouissement et la participation des jeunes en Communauté germanophone;
6° il concrétise des projets pour les jeunes gens et ses membres et en collaboration avec ceux-ci et se montre ouvert à tous les jeunes, notamment en termes de formation politique;
7° il prend les initiatives et développe les méthodes qu'il juge utiles pour concrétiser ses objectifs, et ce, au niveau régional, national, européen et international;
8° il organise la formation de base qui mène au titre reconnu de "moniteur bénévole", dans la mesure où :
a) il remet au Gouvernement, au moins quarante-cinq jours avant le début de la formation de base, l'horaire ainsi que les données relatives aux conférenciers;
b) il répond aux conditions mentionnées aux articles 37 et 39;
c) il transmet au Gouvernement, dans un délai de soixante jours calendrier après le terme du cycle de formation, un rapport de clôture et d'évaluation établi sur le formulaire prévu à cet effet. "
" Art. 46 - Principe
En région de langue allemande, le Gouvernement ne peut soutenir qu'un seul Conseil de la jeunesse répondant aux conditions suivantes :
1° il est constitué en association sans but lucratif ayant son siège en région de langue allemande;
2° il est indépendant politiquement et philosophiquement et respecte les articles 6 et 7 de la loi du 16 juillet 1973 garantissant la protection des tendances idéologiques et philosophiques;
3° ses membres sont des jeunes pris isolément et d'autres organisations non soutenues par la Communauté germanophone, principalement actives dans le domaine de la jeunesse ainsi que tous les opérateurs de jeunesse soutenus conformément au chapitre 2, sections 2 à 4, dont au moins deux représentants de l'animation en milieu ouvert, deux représentants des organisations de jeunesse, un représentant de l'animation de jeunesse ambulante et un représentant de l'information pour la jeunesse;
4° il représente les intérêts des jeunes gens en jouant le rôle de porte-parole et en servant de relais entre les jeunes et les décideurs politiques en région de langue allemande;
5° il prend les initiatives qu'il juge utiles pour examiner et résoudre les problèmes ainsi que pour étendre les possibilités d'épanouissement et la participation des jeunes en Communauté germanophone;
6° il concrétise des projets pour les jeunes gens et ses membres et en collaboration avec ceux-ci et se montre ouvert à tous les jeunes, notamment en termes de formation politique;
7° il prend les initiatives et développe les méthodes qu'il juge utiles pour concrétiser ses objectifs, et ce, au niveau régional, national, européen et international;
8° il organise la formation de base qui mène au titre reconnu de "moniteur bénévole", dans la mesure où :
a) il remet au Gouvernement, au moins quarante-cinq jours avant le début de la formation de base, l'horaire ainsi que les données relatives aux conférenciers;
b) il répond aux conditions mentionnées aux articles 37 et 39;
c) il transmet au Gouvernement, dans un délai de soixante jours calendrier après le terme du cycle de formation, un rapport de clôture et d'évaluation établi sur le formulaire prévu à cet effet. "
Art. 45. Artikel 47, tweede lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 november 2016, wordt aangevuld met de volgende zin:
"Op verzoek van de Jeugdraad bezorgt de aanvrager binnen de gestelde termijn nadere achtergrondinformatie over de inhoud van het aangevraagde advies."
"Op verzoek van de Jeugdraad bezorgt de aanvrager binnen de gestelde termijn nadere achtergrondinformatie over de inhoud van het aangevraagde advies."
Art. 45. Dans l'article 47 du même décret, l'alinéa 2, modifié par le décret du 7 novembre 2016, est complété par la phrase suivante :
" A la demande du Conseil de la jeunesse, le demandeur transmet, dans le délai mentionné, d'autres informations de contexte relatives au contenu de l'avis demandé. "
" A la demande du Conseil de la jeunesse, le demandeur transmet, dans le délai mentionné, d'autres informations de contexte relatives au contenu de l'avis demandé. "
Art. 46. In artikel 48 van hetzelfde decreet worden de woorden "15.000 euro" vervangen door de woorden "30.000 euro".
Art. 46. Dans l'article 48 du même décret, les mots " 15.000 euros " sont remplacés par les mots " 30 000 euros ".
Art. 47. In artikel 51, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt:
"1° de basisopleidingen, alsook de voortgezette opleiding tot stagebegeleider overeenkomstig artikel 40 in opdracht van de Regering evalueren;
2° in de bepaling onder 3° worden de woorden "derde lid," opgeheven.
1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt:
"1° de basisopleidingen, alsook de voortgezette opleiding tot stagebegeleider overeenkomstig artikel 40 in opdracht van de Regering evalueren;
2° in de bepaling onder 3° worden de woorden "derde lid," opgeheven.
Art. 47. A l'article 51, alinéa 1er, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° le 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° pour le compte du Gouvernement, évaluer les formations de base ainsi que la formation continue pour les accompagnateurs de stage conformément à l'article 40; "
2° dans le 3°, les mots " , alinéa 3 " sont abrogés.
1° le 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° pour le compte du Gouvernement, évaluer les formations de base ainsi que la formation continue pour les accompagnateurs de stage conformément à l'article 40; "
2° dans le 3°, les mots " , alinéa 3 " sont abrogés.
Art. 48. In artikel 54 van hetzelfde decreet worden de woorden "1 maart" vervangen door de woorden "30 september".
Art. 48. Dans l'article 54 du même décret, la date du " 1er mars " est remplacée par la date du " 30 septembre ".
Art. 49. In artikel 80, § 2, derde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 12 december 2019, wordt het woord "één jaar" vervangen door de woorden "twee jaar".
Art. 49. Dans l'article 80, § 2, alinéa 3, du même décret, modifié par le décret du 12 décembre 2019, les mots " un an " sont remplacés par les mots " deux ans ".
Afdeling 3. - Sport
Section 3. - Sport
Art. 50. Artikel 14 van het decreet van 20 november 2006 over het statuut van de sportschutters, gewijzigd bij het decreet van 25 juni 2007, wordt aangevuld met een derde lid, luidende:
"In afwijking van artikel 5, eerste lid, artikel 8, tweede lid, en artikel 9, tweede lid, wordt de geldigheidsduur van de tijdelijke en definitieve licenties die voor het jaar 2020 werden uitgereikt, met één jaar verlengd, ook als in 2020 niet werd voldaan aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 6, 7, 9, eerste lid, en 10."
"In afwijking van artikel 5, eerste lid, artikel 8, tweede lid, en artikel 9, tweede lid, wordt de geldigheidsduur van de tijdelijke en definitieve licenties die voor het jaar 2020 werden uitgereikt, met één jaar verlengd, ook als in 2020 niet werd voldaan aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 6, 7, 9, eerste lid, en 10."
Art. 50. L'article 14 du décret du 20 novembre 2006 relatif au statut des tireurs sportifs, modifié par le décret du 25 juin 2007, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Par dérogation aux articles 5, alinéa 1er, 8, alinéa 2, et 9, alinéa 2, la durée de validité des licences provisoires et définitives octroyées pour l'année 2020 est prolongée d'un an, même si les dispositions mentionnées aux articles 6, 7, 9, alinéa 1er, et 10 n'ont pu être respectées en 2020. "
" Par dérogation aux articles 5, alinéa 1er, 8, alinéa 2, et 9, alinéa 2, la durée de validité des licences provisoires et définitives octroyées pour l'année 2020 est prolongée d'un an, même si les dispositions mentionnées aux articles 6, 7, 9, alinéa 1er, et 10 n'ont pu être respectées en 2020. "
HOOFDSTUK 3. - Onderwijs
CHAPITRE 3. - Enseignement
Art. 51. In artikel 17, § 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2012, worden de woorden "de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen" vervangen door de woorden "het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen".
Art. 51. Dans l'article 17, § 4, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique, modifié par le décret du 16 juillet 2012, les mots " à la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations " sont remplacés par les mots " au Code des sociétés et des associations ".
Art. 52. Artikel 61.4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 29 juni 1984 betreffende de organisatie van het secundair onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 18 juni 2018, wordt aangevuld met de volgende zin:
"Als de personen belast met de opvoeding de aanvraag na 31 mei indienen, beslist het schoolhoofd of de aanvraag ontvankelijk is, waarbij hij ervoor zorgt dat de termijnen vermeld in artikel 20 in acht worden genomen bij de inschrijving van de hoogbegaafde leerling."
"Als de personen belast met de opvoeding de aanvraag na 31 mei indienen, beslist het schoolhoofd of de aanvraag ontvankelijk is, waarbij hij ervoor zorgt dat de termijnen vermeld in artikel 20 in acht worden genomen bij de inschrijving van de hoogbegaafde leerling."
Art. 52. Dans l'article 61.4 de l'arrêté royal du 29 juin 1984 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire, inséré par le décret du 18 juin 2018, l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante :
" Si les personnes chargées de l'éducation introduisent la demande après le 31 mai, le chef d'établissement statue sur sa recevabilité en s'assurant que les délais fixés à l'article 20 sont respectés lors de l'inscription d'un élève surdoué. "
" Si les personnes chargées de l'éducation introduisent la demande après le 31 mai, le chef d'établissement statue sur sa recevabilité en s'assurant que les délais fixés à l'article 20 sont respectés lors de l'inscription d'un élève surdoué. "
Art. 53. In artikel 123octies van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor de gewone en gespecialiseerde scholen, ingevoegd bij het decreet van 22 juni 2020, worden de woorden "2019-2020" vervangen door de woorden "2019-2020 en 2020-2021".
Art. 53. Dans l'article 123octies du décret du 31 août 1998 relatif aux missions confiées aux pouvoirs organisateurs et au personnel des écoles et portant des dispositions générales d'ordre pédagogique et organisationnel pour les écoles ordinaires et spécialisées, inséré par le décret du 22 juin 2020, les mots " l'année scolaire 2019-2020 " sont remplacés par les mots " les années scolaires 2019-2020 et 2020-2021 ".
Art. 54. Artikel 11 van het decreet van 30 juni 2003 houdende dringende maatregelen inzake onderwijs 2003, vervangen bij het decreet van 17 mei 2004 en gewijzigd bij de decreten van 29 juni 2015 van 22 juni 2020, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4 - Onverminderd § 1, eerste lid, kan een personeelslid van wie aantoonbaar bekend is dat het gedurende minder dan zes opeenvolgende werkdagen afwezig zal zijn wegens verlof, wegens een terbeschikkingstelling of wegens enige andere vorm van afwezigheid, in het schooljaar 2020-2021 vanaf de eerste dag van zijn afwezigheid vervangen worden. De Regering kan die maatregel met hoogstens één schooljaar verlengen."
" § 4 - Onverminderd § 1, eerste lid, kan een personeelslid van wie aantoonbaar bekend is dat het gedurende minder dan zes opeenvolgende werkdagen afwezig zal zijn wegens verlof, wegens een terbeschikkingstelling of wegens enige andere vorm van afwezigheid, in het schooljaar 2020-2021 vanaf de eerste dag van zijn afwezigheid vervangen worden. De Regering kan die maatregel met hoogstens één schooljaar verlengen."
Art. 54. L'article 11 du décret du 30 juin 2003 portant des mesures urgentes en matière d'enseignement 2003, remplacé par le décret du 17 mai 2004 et modifié par les décrets des 29 juin 2015 et 22 juin 2020, est complété par un § 4 rédigé comme suit :
" § 4 - Au cours de l'année scolaire 2020-2021, s'il est manifeste qu'un membre du personnel sera absent pendant moins de six jours pour cause de congé, de mise en disponibilité ou d'autre forme d'absence, il peut être remplacé dès son premier jour d'absence, et ce, sans préjudice du § 1er, alinéa 1er. Le Gouvernement peut prolonger cette mesure pour une année scolaire au plus. "
" § 4 - Au cours de l'année scolaire 2020-2021, s'il est manifeste qu'un membre du personnel sera absent pendant moins de six jours pour cause de congé, de mise en disponibilité ou d'autre forme d'absence, il peut être remplacé dès son premier jour d'absence, et ce, sans préjudice du § 1er, alinéa 1er. Le Gouvernement peut prolonger cette mesure pour une année scolaire au plus. "
Art. 55. In artikel 3.22, eerste lid, van het decreet van 31 maart 2014 betreffende het centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren, gewijzigd bij het decreet van 6 mei 2019, worden na de woorden "te voorkomen" de woorden ", met uitzondering van schoolsluitingen" ingevoegd.
Art. 55. Dans l'article 3.22, alinéa 1er, du décret du 31 mars 2014 relatif au centre pour le développement sain des enfants et des jeunes, modifié par le décret du 6 mai 2019, les mots " , sauf la fermeture d'écoles " sont insérés entre le mot " générales " et les mots " , pour éviter ".
HOOFDSTUK 4. - Monumentenzorg
CHAPITRE 4. - Protection des monuments
Art. 56. Het decreet van 10 mei 1999 betreffende de benaming van de openbare wegen, gewijzigd bij het decreet van 24 februari 2014, wordt opgeheven.
Art. 56. Le décret du 10 mai 1999 relatif à la dénomination des voies publiques, modifié par le décret du 24 février 2014, est abrogé.
Art. 57. In artikel 10.2, § 1, tweede lid, van het decreet van 23 juni 2008 betreffende de bescherming van monumenten, klein erfgoed, ensembles en historische cultuurlandschappen en betreffende de opgravingen, ingevoegd bij het decreet van 26 februari 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin worden de woorden "uiterlijk op 31 december van het voorgaande kalenderjaar" ingevoegd tussen het woord "dient" en de woorden "een schriftelijke aanvraag";
2° in de bepaling onder 3° wordt de punt op het einde van de zin vervangen door een kommapunt;
3° er wordt een bepaling onder 4° ingevoegd, luidende:
"4° een verklaring van de aanvrager dat hij bereid is om, op verzoek van de Regering, het gesubsidieerd voorwerp op de open monumentendagen of op hoogstens twee dagen per jaar toegankelijk te maken voor het publiek."
1° in de inleidende zin worden de woorden "uiterlijk op 31 december van het voorgaande kalenderjaar" ingevoegd tussen het woord "dient" en de woorden "een schriftelijke aanvraag";
2° in de bepaling onder 3° wordt de punt op het einde van de zin vervangen door een kommapunt;
3° er wordt een bepaling onder 4° ingevoegd, luidende:
"4° een verklaring van de aanvrager dat hij bereid is om, op verzoek van de Regering, het gesubsidieerd voorwerp op de open monumentendagen of op hoogstens twee dagen per jaar toegankelijk te maken voor het publiek."
Art. 57. A l'article 10/2, § 1er, alinéa 2, du décret du 23 juin 2008 relatif à la protection des monuments, du petit patrimoine, des ensembles et sites culturels historiques, ainsi qu'aux fouilles, inséré par le décret du 26 février 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la phrase introductive, les mots " Le demandeur " sont remplacés par les mots " Pour le 31 décembre de l'année calendrier précédente au plus tard, le demandeur ";
2° dans le 3°, le point en fin de phrase est remplacé par un point-virgule;
3° l'alinéa est complété par un 4° rédigé comme suit :
" 4° une déclaration du demandeur certifiant qu'il est, sur demande du Gouvernement, disposé à rendre le bien subsidié accessible au public dans le cadre des journées du patrimoine et pendant deux autres jours maximum par an. "
1° dans la phrase introductive, les mots " Le demandeur " sont remplacés par les mots " Pour le 31 décembre de l'année calendrier précédente au plus tard, le demandeur ";
2° dans le 3°, le point en fin de phrase est remplacé par un point-virgule;
3° l'alinéa est complété par un 4° rédigé comme suit :
" 4° une déclaration du demandeur certifiant qu'il est, sur demande du Gouvernement, disposé à rendre le bien subsidié accessible au public dans le cadre des journées du patrimoine et pendant deux autres jours maximum par an. "
Art. 58. In artikel 13.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 12 december 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het enige lid, dat het eerste lid wordt, worden de woorden "artikel 13, § 3, zesde lid, en § 6," vervangen door de woorden "artikel 13, § 6,";
2° het artikel wordt aangevuld met een tweede en een derde lid, luidende:
"Voor de afgifte van haar advies beschikt de commissie:
1° over dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum waarop de Regering de aanvraag om advies aan haar heeft toegezonden, als het gaat om een eensluidend erfgoedadvies in de zin van artikel D.IV.35, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek;
2° over twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum waarop de Regering de aanvraag om advies aan haar heeft toegezonden, als het gaat om een gewoon erfgoedadvies in de zin van artikel D.IV.35, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek.
Indien binnen die termijnen geen advies is ontvangen, wordt ervan uitgegaan dat de commissie instemt met het erfgoedadvies."
1° in het enige lid, dat het eerste lid wordt, worden de woorden "artikel 13, § 3, zesde lid, en § 6," vervangen door de woorden "artikel 13, § 6,";
2° het artikel wordt aangevuld met een tweede en een derde lid, luidende:
"Voor de afgifte van haar advies beschikt de commissie:
1° over dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum waarop de Regering de aanvraag om advies aan haar heeft toegezonden, als het gaat om een eensluidend erfgoedadvies in de zin van artikel D.IV.35, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek;
2° over twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum waarop de Regering de aanvraag om advies aan haar heeft toegezonden, als het gaat om een gewoon erfgoedadvies in de zin van artikel D.IV.35, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek.
Indien binnen die termijnen geen advies is ontvangen, wordt ervan uitgegaan dat de commissie instemt met het erfgoedadvies."
Art. 58. A l'article 13.1 du même décret, inséré par le décret du 12 décembre 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa unique, qui devient le premier alinéa, les mots " l'article 13, § 3, alinéa 6, et § 6 " sont remplacés par les mots " l'article 13, § 6 ";
2° l'article est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
" Pour rendre son avis, la commission dispose de :
1° trente jours calendrier à partir de la date à laquelle le Gouvernement lui a transmis la demande d'avis, lorsqu'il s'agit d'un avis conforme relatif au patrimoine, conformément à l'article D.IV.35, § 1er, alinéa 1er, du même Code;
2° vingt jours calendrier à partir de la date à laquelle le Gouvernement lui a transmis la demande d'avis, lorsqu'il s'agit d'un simple avis relatif au patrimoine, conformément à l'article D.IV.35, § 1er, alinéa 2, du même Code.
A défaut d'avis remis dans ces délais, l'avis de la Commission est réputé favorable. "
1° dans l'alinéa unique, qui devient le premier alinéa, les mots " l'article 13, § 3, alinéa 6, et § 6 " sont remplacés par les mots " l'article 13, § 6 ";
2° l'article est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
" Pour rendre son avis, la commission dispose de :
1° trente jours calendrier à partir de la date à laquelle le Gouvernement lui a transmis la demande d'avis, lorsqu'il s'agit d'un avis conforme relatif au patrimoine, conformément à l'article D.IV.35, § 1er, alinéa 1er, du même Code;
2° vingt jours calendrier à partir de la date à laquelle le Gouvernement lui a transmis la demande d'avis, lorsqu'il s'agit d'un simple avis relatif au patrimoine, conformément à l'article D.IV.35, § 1er, alinéa 2, du même Code.
A défaut d'avis remis dans ces délais, l'avis de la Commission est réputé favorable. "
Art. 59. In artikel 22, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "uiterlijk op 31 december van het voorgaande kalenderjaar" ingevoegd tussen het woord "dient" en de woorden "een schriftelijke subsidiëringsaanvraag".
Art. 59. Dans l'article 22, alinéa 1er, du même décret, les mots " Le demandeur " sont remplacés par les mots " Pour le 31 décembre de l'année calendrier précédente au plus tard, le demandeur ".
Art. 60. Artikel 26 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 15 maart 2010, 14 februari 2011, 26 februari 2018 en 12 december 2019, wordt vervangen als volgt:
"Art. 26 - Machtiging
§ 1 - Opgravingen, archeologische peilingen of het gebruik van elektronische of magnetische detectoren met het oog op activiteiten die tot een bodemwijziging of de verwijdering van voorwerpen leiden, mogen slechts met voorafgaande machtiging van de Regering of in opdracht van de Regering worden uitgevoerd. De afzonderlijke voorwaarden die de Regering aan de machtiging verbindt, zijn niet-discriminerend, noodzakelijk en evenredig.
§ 2 - De machtiging tot het uitvoeren van archeologische peilingen of opgravingen heeft betrekking op een bepaald project en kan eventueel geografisch afgebakend worden. Zij vermeldt de gerechtigden, de voorwaarden en de vereisten alsmede de geldigheidsduur. Deze geldigheidsduur kan één keer worden verlengd.
De machtigingsaanvraag wordt ingediend via een door de Regering vastgelegd formulier. De Regering neemt haar beslissing binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van de volledige aanvraag. Neemt de Regering geen beslissing binnen de gestelde termijn, dan wordt de machtiging geacht te worden toegekend.
Worden over de toekenning van de machtiging geïnformeerd:
1° de aanvrager;
2° de commissie;
3° de eigenaar, als hij niet de aanvrager is. De eigenaar informeert desgevallend de huurders en bewoners;
4° het gemeentecollege.
De Regering legt de nadere regels vast.
§ 3 - De machtiging om elektronische of magnetische detectoren te gebruiken, wordt toegekend voor een periode van één jaar; aan die machtiging kunnen voorwaarden verbonden zijn. De machtiging kan jaarlijks verlengd worden.
Als het gebruik van elektronische of magnetische detectoren aangevraagd wordt, moet met de bevoegde dienst van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap een adviesgesprek worden gevoerd om duidelijkheid te scheppen omtrent de raamvoorwaarden bij het gebruik van detectoren.
De machtigingsaanvraag wordt ingediend via een door de Regering vastgelegd formulier. De Regering neemt haar beslissing binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van de volledige aanvraag. Neemt de Regering geen beslissing binnen de gestelde termijn, dan wordt de machtiging geacht te worden geweigerd.
Aan de machtiging zijn de volgende voorwaarden verbonden:
1° de kosten van het project worden uitsluitend door de aanvrager gedragen;
2° het betreden van een perceel geschiedt met toestemming van de eigenaar;
3° de aanvrager mag geen gaten graven die dieper zijn dan 30 centimeter en mag geen detectoren gebruiken op percelen:
a) die deel uitmaken van een voorlopig of definitief gerangschikt goed of, naargelang van het geval, deel uitmaken van een goed dat in het beschermingsgebied daarvan ligt;
b) die op de archeologische beschermingskaart opgenomen zijn;
c) waarop een archeologische peiling uitgevoerd wordt of, naargelang van het geval, een opgraving plaatsvindt, tot die handelingen beëindigd zijn;
4° De aanvrager deelt zijn vondsten die op grond van hun toestand, vorm of aard klaarblijkelijk als archeologische goederen onder de toepassing van dit decreet zouden kunnen vallen, binnen zeven kalenderdagen mee aan de bevoegde dienst van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap;
5° De bevoegde dienst van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap krijgt op eenvoudig verzoek toegang tot de vondsten;
6° Als de aanvrager daartoe geen toestemming van de Regering heeft, mag hij zijn vondsten niet vervreemden of buiten het Duitse taalgebied brengen;
7° De aanvrager heeft de toestemming van de Regering bij zich wanneer hij een detector gebruikt. Hij moet ze te allen tijde en op eenvoudig verzoek kunnen voorleggen aan de ambtenaren en beambten die belast zijn met de uitvoering van dit decreet;
8° De aanvrager verplicht zich ertoe op het einde van de geldigheidstermijn van de toestemming een eindverslag over zijn activiteiten op te stellen;
9° De aanvrager verplicht zich ertoe de door hem gegraven gaten in de bodem weer dicht te doen en het uitgegraven afval vakkundig te verwijderen.
De Regering legt de nadere regels vast."
"Art. 26 - Machtiging
§ 1 - Opgravingen, archeologische peilingen of het gebruik van elektronische of magnetische detectoren met het oog op activiteiten die tot een bodemwijziging of de verwijdering van voorwerpen leiden, mogen slechts met voorafgaande machtiging van de Regering of in opdracht van de Regering worden uitgevoerd. De afzonderlijke voorwaarden die de Regering aan de machtiging verbindt, zijn niet-discriminerend, noodzakelijk en evenredig.
§ 2 - De machtiging tot het uitvoeren van archeologische peilingen of opgravingen heeft betrekking op een bepaald project en kan eventueel geografisch afgebakend worden. Zij vermeldt de gerechtigden, de voorwaarden en de vereisten alsmede de geldigheidsduur. Deze geldigheidsduur kan één keer worden verlengd.
De machtigingsaanvraag wordt ingediend via een door de Regering vastgelegd formulier. De Regering neemt haar beslissing binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van de volledige aanvraag. Neemt de Regering geen beslissing binnen de gestelde termijn, dan wordt de machtiging geacht te worden toegekend.
Worden over de toekenning van de machtiging geïnformeerd:
1° de aanvrager;
2° de commissie;
3° de eigenaar, als hij niet de aanvrager is. De eigenaar informeert desgevallend de huurders en bewoners;
4° het gemeentecollege.
De Regering legt de nadere regels vast.
§ 3 - De machtiging om elektronische of magnetische detectoren te gebruiken, wordt toegekend voor een periode van één jaar; aan die machtiging kunnen voorwaarden verbonden zijn. De machtiging kan jaarlijks verlengd worden.
Als het gebruik van elektronische of magnetische detectoren aangevraagd wordt, moet met de bevoegde dienst van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap een adviesgesprek worden gevoerd om duidelijkheid te scheppen omtrent de raamvoorwaarden bij het gebruik van detectoren.
De machtigingsaanvraag wordt ingediend via een door de Regering vastgelegd formulier. De Regering neemt haar beslissing binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van de volledige aanvraag. Neemt de Regering geen beslissing binnen de gestelde termijn, dan wordt de machtiging geacht te worden geweigerd.
Aan de machtiging zijn de volgende voorwaarden verbonden:
1° de kosten van het project worden uitsluitend door de aanvrager gedragen;
2° het betreden van een perceel geschiedt met toestemming van de eigenaar;
3° de aanvrager mag geen gaten graven die dieper zijn dan 30 centimeter en mag geen detectoren gebruiken op percelen:
a) die deel uitmaken van een voorlopig of definitief gerangschikt goed of, naargelang van het geval, deel uitmaken van een goed dat in het beschermingsgebied daarvan ligt;
b) die op de archeologische beschermingskaart opgenomen zijn;
c) waarop een archeologische peiling uitgevoerd wordt of, naargelang van het geval, een opgraving plaatsvindt, tot die handelingen beëindigd zijn;
4° De aanvrager deelt zijn vondsten die op grond van hun toestand, vorm of aard klaarblijkelijk als archeologische goederen onder de toepassing van dit decreet zouden kunnen vallen, binnen zeven kalenderdagen mee aan de bevoegde dienst van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap;
5° De bevoegde dienst van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap krijgt op eenvoudig verzoek toegang tot de vondsten;
6° Als de aanvrager daartoe geen toestemming van de Regering heeft, mag hij zijn vondsten niet vervreemden of buiten het Duitse taalgebied brengen;
7° De aanvrager heeft de toestemming van de Regering bij zich wanneer hij een detector gebruikt. Hij moet ze te allen tijde en op eenvoudig verzoek kunnen voorleggen aan de ambtenaren en beambten die belast zijn met de uitvoering van dit decreet;
8° De aanvrager verplicht zich ertoe op het einde van de geldigheidstermijn van de toestemming een eindverslag over zijn activiteiten op te stellen;
9° De aanvrager verplicht zich ertoe de door hem gegraven gaten in de bodem weer dicht te doen en het uitgegraven afval vakkundig te verwijderen.
De Regering legt de nadere regels vast."
Art. 60. L'article 26 du même décret, modifié par les décrets des 15 mars 2010, 14 février 2011, 26 février 2018 et 12 décembre 2019, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 26 - Autorisation
§ 1er - Les fouilles, sondages archéologiques ou l'utilisation de détecteurs électroniques ou magnétiques en vue de mener des activités qui entraînent une modification du sol ou le prélèvement d'objets ne peuvent avoir lieu que moyennant l'autorisation préalable du Gouvernement ou pour son compte, selon le cas. Les conditions auxquelles le Gouvernement subordonne l'autorisation sont non discriminatoires, indispensables et raisonnables.
§ 2 - L'autorisation pour des fouilles et des sondages archéologiques se rapporte à un projet déterminé et peut, le cas échéant, avoir une portée géographique limitée. Elle mentionne les bénéficiaires, les conditions et les obligations ainsi que sa durée de validité. Cette durée peut être prolongée une fois.
La demande d'autorisation est introduite au moyen d'un formulaire fixé par le Gouvernement. Celui-ci prend sa décision dans les trente jours calendrier suivant la réception de la demande complète. Si le Gouvernement n'a pas pris de décision au terme de ce délai, l'autorisation est censée être accordée.
Sont informés de l'octroi d'une autorisation :
1° le demandeur;
2° la commission;
3° le propriétaire, s'il n'est pas le demandeur. Le propriétaire informe les locataires et occupants éventuels;
4° le collège communal.
Le Gouvernement fixe les autres modalités.
§ 3 - L'autorisation pour l'utilisation de détecteurs électroniques ou magnétiques est octroyée pour une durée d'un an et peut être conditionnée. L'autorisation peut être prolongée annuellement.
Si une demande d'utilisation de détecteurs électroniques ou magnétiques est introduite, une consultation doit obligatoirement être menée avec le service compétent du Ministère de la Communauté germanophone afin de clarifier les conditions-cadres lors de l'utilisation de tels appareils.
La demande d'autorisation est introduite au moyen d'un formulaire fixé par le Gouvernement. Celui-ci prend sa décision dans les trente jours calendrier suivant la réception de la demande complète. Si le Gouvernement n'a pas pris de décision au terme de ce délai, l'autorisation est censée être refusée.
L'autorisation est subordonnée aux conditions suivantes :
1° les coûts du projet sont à la seule charge du demandeur;
2° l'entrée sur une parcelle s'effectue moyennant l'accord du propriétaire;
3° il est interdit au demandeur de creuser des trous d'une profondeur supérieure à 30 centimètres et d'utiliser des détecteurs sur des parcelles :
a) qui font partie d'un bien classé provisoirement ou définitivement ou, selon le cas, d'un bien situé dans sa zone de protection;
b) qui sont inscrites sur la carte de protection archéologique;
c) sur lesquelles est réalisé un sondage archéologique ou, selon le cas, où ont lieu des fouilles, et ce, jusqu'à la fin de ces actes;
4° dans les sept jours calendrier, le demandeur communique au service compétent du Ministère de la Communauté germanophone les trouvailles qui, en raison de leur situation, de leur forme ou de leurs caractéristiques peuvent manifestement relever du champ d'application du présent décret en tant que bien archéologique;
5° l'accès aux découvertes est assuré, sur simple demande, au service compétent du Ministère de la Communauté germanophone;
6° il est interdit au demandeur d'aliéner ses découvertes ou de les sortir de la région de langue allemande sans l'autorisation du Gouvernement;
7° le demandeur conserve l'autorisation du Gouvernement sur lui lorsqu'il utilise un détecteur. Il doit pouvoir la présenter en tout temps, sur simple demande, aux fonctionnaires et agents chargés de l'exécution du présent décret;
8° le demandeur s'engage, au terme de la durée de validité de l'autorisation, à rédiger un rapport final relatif à ses activités;
9° le demandeur s'engage à refermer les trous qu'il a creusés dans le sol et à évacuer les excavations de manière adéquate.
Le Gouvernement fixe les autres modalités. "
" Art. 26 - Autorisation
§ 1er - Les fouilles, sondages archéologiques ou l'utilisation de détecteurs électroniques ou magnétiques en vue de mener des activités qui entraînent une modification du sol ou le prélèvement d'objets ne peuvent avoir lieu que moyennant l'autorisation préalable du Gouvernement ou pour son compte, selon le cas. Les conditions auxquelles le Gouvernement subordonne l'autorisation sont non discriminatoires, indispensables et raisonnables.
§ 2 - L'autorisation pour des fouilles et des sondages archéologiques se rapporte à un projet déterminé et peut, le cas échéant, avoir une portée géographique limitée. Elle mentionne les bénéficiaires, les conditions et les obligations ainsi que sa durée de validité. Cette durée peut être prolongée une fois.
La demande d'autorisation est introduite au moyen d'un formulaire fixé par le Gouvernement. Celui-ci prend sa décision dans les trente jours calendrier suivant la réception de la demande complète. Si le Gouvernement n'a pas pris de décision au terme de ce délai, l'autorisation est censée être accordée.
Sont informés de l'octroi d'une autorisation :
1° le demandeur;
2° la commission;
3° le propriétaire, s'il n'est pas le demandeur. Le propriétaire informe les locataires et occupants éventuels;
4° le collège communal.
Le Gouvernement fixe les autres modalités.
§ 3 - L'autorisation pour l'utilisation de détecteurs électroniques ou magnétiques est octroyée pour une durée d'un an et peut être conditionnée. L'autorisation peut être prolongée annuellement.
Si une demande d'utilisation de détecteurs électroniques ou magnétiques est introduite, une consultation doit obligatoirement être menée avec le service compétent du Ministère de la Communauté germanophone afin de clarifier les conditions-cadres lors de l'utilisation de tels appareils.
La demande d'autorisation est introduite au moyen d'un formulaire fixé par le Gouvernement. Celui-ci prend sa décision dans les trente jours calendrier suivant la réception de la demande complète. Si le Gouvernement n'a pas pris de décision au terme de ce délai, l'autorisation est censée être refusée.
L'autorisation est subordonnée aux conditions suivantes :
1° les coûts du projet sont à la seule charge du demandeur;
2° l'entrée sur une parcelle s'effectue moyennant l'accord du propriétaire;
3° il est interdit au demandeur de creuser des trous d'une profondeur supérieure à 30 centimètres et d'utiliser des détecteurs sur des parcelles :
a) qui font partie d'un bien classé provisoirement ou définitivement ou, selon le cas, d'un bien situé dans sa zone de protection;
b) qui sont inscrites sur la carte de protection archéologique;
c) sur lesquelles est réalisé un sondage archéologique ou, selon le cas, où ont lieu des fouilles, et ce, jusqu'à la fin de ces actes;
4° dans les sept jours calendrier, le demandeur communique au service compétent du Ministère de la Communauté germanophone les trouvailles qui, en raison de leur situation, de leur forme ou de leurs caractéristiques peuvent manifestement relever du champ d'application du présent décret en tant que bien archéologique;
5° l'accès aux découvertes est assuré, sur simple demande, au service compétent du Ministère de la Communauté germanophone;
6° il est interdit au demandeur d'aliéner ses découvertes ou de les sortir de la région de langue allemande sans l'autorisation du Gouvernement;
7° le demandeur conserve l'autorisation du Gouvernement sur lui lorsqu'il utilise un détecteur. Il doit pouvoir la présenter en tout temps, sur simple demande, aux fonctionnaires et agents chargés de l'exécution du présent décret;
8° le demandeur s'engage, au terme de la durée de validité de l'autorisation, à rédiger un rapport final relatif à ses activités;
9° le demandeur s'engage à refermer les trous qu'il a creusés dans le sol et à évacuer les excavations de manière adéquate.
Le Gouvernement fixe les autres modalités. "
Art. 61. In hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk IV.1 ingevoegd, dat de artikelen 35.1 en 35.2 omvat, luidende:
"HOOFDSTUK IV.1 - Benaming van openbare wegen en pleinen"
"HOOFDSTUK IV.1 - Benaming van openbare wegen en pleinen"
Art. 61. Dans le même décret, il est inséré un chapitre IV.1, comportant les articles 35.1 et 35.2, intitulé comme suit :
" Chapitre IV.1 - Dénomination de surfaces publiques de circulation ".
" Chapitre IV.1 - Dénomination de surfaces publiques de circulation ".
Art. 62. In hoofdstuk IV.1 van hetzelfde decreet wordt een artikel 35.1 ingevoegd, luidende:
"Art. 35.1 - Richtsnoeren voor de benaming
De benaming van openbare wegen en pleinen wordt alleen gewijzigd, als daar dwingende redenen voor zijn.
De benaming van openbare wegen en pleinen documenteert plaatselijke omstandigheden of, naargelang van het geval, het behoud van de geschiedenis en de traditie of dient om verdienstelijke burgers en persoonlijkheden te eren. De benaming van openbare wegen en pleinen wordt zo mogelijk afgeleid van de plaats, van haar historische achtergrond, van gebeurtenissen en personen en houdt rekening met de geschiedenis, de cultuur en de plaatselijke kenmerken van de gemeente in kwestie.
Namen van nog levende personen mogen niet worden gebruikt, met uitzondering van de namen van de koninklijke familie.
Het benoemen van wegen en pleinen naar personen is een bijzondere waardering voor hetgeen ze op verschillende gebieden voor de samenleving hebben betekend. Het benoemen naar persoonlijkheden geschiedt ten vroegste 25 jaar na het overlijden van de naamgever. De lokaal historische waardering voor de persoonlijkheid wordt verduidelijkt en gedetailleerd toegelicht in de motivering. Bij het kiezen van de openbare wegen en pleinen let de gemeente erop dat de betekenis van de straat in overeenstemming is met de beoogde eerbetuiging. Bij het kiezen van persoonlijkheden moet voor een evenwichtige verhouding tussen alle geslachten worden gezorgd.
Benamingen die een negatief en geringschattend effect op de bewoners hebben, zijn niet toegestaan."
"Art. 35.1 - Richtsnoeren voor de benaming
De benaming van openbare wegen en pleinen wordt alleen gewijzigd, als daar dwingende redenen voor zijn.
De benaming van openbare wegen en pleinen documenteert plaatselijke omstandigheden of, naargelang van het geval, het behoud van de geschiedenis en de traditie of dient om verdienstelijke burgers en persoonlijkheden te eren. De benaming van openbare wegen en pleinen wordt zo mogelijk afgeleid van de plaats, van haar historische achtergrond, van gebeurtenissen en personen en houdt rekening met de geschiedenis, de cultuur en de plaatselijke kenmerken van de gemeente in kwestie.
Namen van nog levende personen mogen niet worden gebruikt, met uitzondering van de namen van de koninklijke familie.
Het benoemen van wegen en pleinen naar personen is een bijzondere waardering voor hetgeen ze op verschillende gebieden voor de samenleving hebben betekend. Het benoemen naar persoonlijkheden geschiedt ten vroegste 25 jaar na het overlijden van de naamgever. De lokaal historische waardering voor de persoonlijkheid wordt verduidelijkt en gedetailleerd toegelicht in de motivering. Bij het kiezen van de openbare wegen en pleinen let de gemeente erop dat de betekenis van de straat in overeenstemming is met de beoogde eerbetuiging. Bij het kiezen van persoonlijkheden moet voor een evenwichtige verhouding tussen alle geslachten worden gezorgd.
Benamingen die een negatief en geringschattend effect op de bewoners hebben, zijn niet toegestaan."
Art. 62. Dans le chapitre IV.1 du même décret, il est inséré un article 35.1 rédigé comme suit :
" Art. 35.1 - Lignes directrices pour la dénomination
La dénomination de surfaces de circulation publiques ne sera modifiée que pour motifs impérieux.
La dénomination des surfaces de circulation publiques illustre les données locales ou, selon le cas, la sauvegarde de l'histoire et des traditions ou sert à honorer des citoyens méritants et des personnalités. La dénomination de surfaces de circulation publiques tire, autant que possible, son origine de la localité, de son contexte historique, d'événements et de personnes et tient compte de l'histoire, de la culture et des caractéristiques locales de la commune concernée.
Les noms de personnes encore en vie ne peuvent pas être utilisés, à l'exception de ceux de la famille royale.
La dénomination de surfaces de circulation d'après des personnes représente une reconnaissance de leur oeuvre dans différents domaines sociaux. Une dénomination d'après des personnalités s'opère au plus tôt vingt-cinq ans après leur décès. L'appréciation positive de la personnalité au niveau de l'histoire locale est expliquée et présentée de manière détaillée dans la motivation. Lors de la sélection des surfaces de circulation publiques, la commune veille à ce que l'importance de la rue corresponde à la mise à l'honneur souhaitée. Lors de la sélection de personnalités, il faut veiller à un équilibre entre tous les sexes.
Les dénominations qui ont un effet négatif, dénigrant sur les habitants ne sont pas admises. "
" Art. 35.1 - Lignes directrices pour la dénomination
La dénomination de surfaces de circulation publiques ne sera modifiée que pour motifs impérieux.
La dénomination des surfaces de circulation publiques illustre les données locales ou, selon le cas, la sauvegarde de l'histoire et des traditions ou sert à honorer des citoyens méritants et des personnalités. La dénomination de surfaces de circulation publiques tire, autant que possible, son origine de la localité, de son contexte historique, d'événements et de personnes et tient compte de l'histoire, de la culture et des caractéristiques locales de la commune concernée.
Les noms de personnes encore en vie ne peuvent pas être utilisés, à l'exception de ceux de la famille royale.
La dénomination de surfaces de circulation d'après des personnes représente une reconnaissance de leur oeuvre dans différents domaines sociaux. Une dénomination d'après des personnalités s'opère au plus tôt vingt-cinq ans après leur décès. L'appréciation positive de la personnalité au niveau de l'histoire locale est expliquée et présentée de manière détaillée dans la motivation. Lors de la sélection des surfaces de circulation publiques, la commune veille à ce que l'importance de la rue corresponde à la mise à l'honneur souhaitée. Lors de la sélection de personnalités, il faut veiller à un équilibre entre tous les sexes.
Les dénominations qui ont un effet négatif, dénigrant sur les habitants ne sont pas admises. "
Art. 63. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 35.2 ingevoegd, luidende:
"Art. 35.2 - Procedure
Voordat de gemeente een nieuwe benaming voor een openbare weg of een openbaar plein kiest, vraagt ze de Regering om advies.
De gemeente dient haar aanvraag in bij de Regering, samen met een uitvoerige motivering, een plattegrond en eventueel nog andere bijbehorende documentatie.
Binnen zestig kalenderdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag, zendt de Regering haar advies toe aan de gemeente. Als het advies niet binnen de gestelde termijn wordt toegezonden, wordt het beschouwd als een positief advies.
Voordat de Regering advies uitbrengt, vraagt ze advies aan bij de commissie.
De gemeente zendt de Regering zo snel mogelijk een kopie van de definitieve beslissing over de naamgeving. Als die beslissing afwijkt van het advies, moet ze met redenen worden omkleed."
"Art. 35.2 - Procedure
Voordat de gemeente een nieuwe benaming voor een openbare weg of een openbaar plein kiest, vraagt ze de Regering om advies.
De gemeente dient haar aanvraag in bij de Regering, samen met een uitvoerige motivering, een plattegrond en eventueel nog andere bijbehorende documentatie.
Binnen zestig kalenderdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag, zendt de Regering haar advies toe aan de gemeente. Als het advies niet binnen de gestelde termijn wordt toegezonden, wordt het beschouwd als een positief advies.
Voordat de Regering advies uitbrengt, vraagt ze advies aan bij de commissie.
De gemeente zendt de Regering zo snel mogelijk een kopie van de definitieve beslissing over de naamgeving. Als die beslissing afwijkt van het advies, moet ze met redenen worden omkleed."
Art. 63. Dans le même chapitre, il est inséré un article 35.2 rédigé comme suit :
" Art. 35.2 - Procédure
Avant que la commune ne décide d'une nouvelle dénomination pour une surface de circulation publique, elle sollicite l'avis du Gouvernement.
La commune introduit sa demande auprès du Gouvernement accompagnée d'une motivation détaillée, d'un plan de situation et, le cas échéant, d'autres documentations y relatives.
Le Gouvernement remet son avis à la commune dans les soixante jours calendrier suivant la réception de la demande. Si la transmission n'intervient pas dans le délai imparti, l'avis relatif à la demande est censé être positif.
Avant de remettre son avis, le Gouvernement demande un avis à la Commission.
La commune adresse immédiatement au Gouvernement une copie de la décision relative à la dénomination. Si cette décision ne suit pas l'avis, la décision définitive doit être motivée. "
" Art. 35.2 - Procédure
Avant que la commune ne décide d'une nouvelle dénomination pour une surface de circulation publique, elle sollicite l'avis du Gouvernement.
La commune introduit sa demande auprès du Gouvernement accompagnée d'une motivation détaillée, d'un plan de situation et, le cas échéant, d'autres documentations y relatives.
Le Gouvernement remet son avis à la commune dans les soixante jours calendrier suivant la réception de la demande. Si la transmission n'intervient pas dans le délai imparti, l'avis relatif à la demande est censé être positif.
Avant de remettre son avis, le Gouvernement demande un avis à la Commission.
La commune adresse immédiatement au Gouvernement une copie de la décision relative à la dénomination. Si cette décision ne suit pas l'avis, la décision définitive doit être motivée. "
Art. 64. In artikel 38 van hetzelfde decreet wordt tussen het tweede lid en het derde lid, dat het vierde lid wordt, een lid ingevoegd, luidende:
"Op verzoek van de Regering brengt ze adviezen uit over voorstellen voor de benaming van openbare wegen en pleinen; die adviezen worden binnen dertig kalenderdagen uitgebracht."
"Op verzoek van de Regering brengt ze adviezen uit over voorstellen voor de benaming van openbare wegen en pleinen; die adviezen worden binnen dertig kalenderdagen uitgebracht."
Art. 64. Dans l'article 38 du même décret, il est inséré entre les alinéas 2 et 3, qui devient l'alinéa 4, un alinéa rédigé comme suit :
" Sur demande du Gouvernement, elle établit des avis relatifs à des propositions de dénomination pour des surfaces de circulation publiques; les avis seront rendus dans les trente jours calendrier. "
" Sur demande du Gouvernement, elle établit des avis relatifs à des propositions de dénomination pour des surfaces de circulation publiques; les avis seront rendus dans les trente jours calendrier. "
Art. 65. Artikel 41 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 november 2016, wordt aangevuld met een derde lid, luidende:
"Het kan bepalen dat de commissie haar beslissingen via een schriftelijke procedure neemt."
"Het kan bepalen dat de commissie haar beslissingen via een schriftelijke procedure neemt."
Art. 65. L'article 41 du même décret, modifié par le décret du 7 novembre 2016, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Elle peut prévoir que la commission statuera en procédure écrite. "
" Elle peut prévoir que la commission statuera en procédure écrite. "
HOOFDSTUK 5. - Tewerkstelling
CHAPITRE 5. - Emploi
Art. 66. Opgeheven worden:
1° het decreet van 25 juni 1991 houdende ondersteuning van maatregelen tot bevordering van de werkgelegenheid;
2° het besluit van de Executieve van 20 december 1991 tot uitvoering van het decreet van 25 juni 1991 houdende ondersteuning van maatregelen tot bevordering van de werkgelegenheid.
1° het decreet van 25 juni 1991 houdende ondersteuning van maatregelen tot bevordering van de werkgelegenheid;
2° het besluit van de Executieve van 20 december 1991 tot uitvoering van het decreet van 25 juni 1991 houdende ondersteuning van maatregelen tot bevordering van de werkgelegenheid.
Art. 66. Sont abrogés :
1° le décret du 25 juin 1991 soutenant des mesures en faveur de l'emploi;
2° l'arrêté de l'Exécutif du 20 décembre 1991 portant exécution du décret du 25 juin 1991 soutenant des mesures en faveur de l'emploi.
1° le décret du 25 juin 1991 soutenant des mesures en faveur de l'emploi;
2° l'arrêté de l'Exécutif du 20 décembre 1991 portant exécution du décret du 25 juin 1991 soutenant des mesures en faveur de l'emploi.
Art. 67. In artikel 5, 3°, c), van het decreet van 11 mei 2009 betreffende de erkenning van uitzendbureaus en de controle op de particuliere arbeidsbemiddelingsbureaus worden de woorden "de artikelen 229, 5°, 265, 315, 456, 4°, en 530 van het Wetboek van vennootschappen" vervangen door de woorden "de artikelen 5: 16 2°, 5: 140 en 7.18, 2°, van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen".
Art. 67. Dans l'article 5, 3°, c), du décret du 11 mai 2009 relatif à l'agrément des agences de travail intérimaire et à la surveillance des agences de placement privées, les mots " des articles 229, 5°, 265, 315, 456, 4°, et 530 du Code des sociétés " sont remplacés par les mots " des articles 5: 16, 2°, 5: 140 et 7: 18, 2°, du Code des sociétés et des associations ".
Art. 68. In artikel 11 van het decreet van 28 mei 2018 betreffende de AktiF- en AktiF PLUS-maatregel ter bevordering van de werkgelegenheid,gewijzigd bij het ministerieel besluit van 15 oktober 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 2, eerste lid, worden de woorden "510,92 euro" vervangen door de woorden "531 euro";
2° in § 2, tweede lid, worden de woorden "306,55 euro" vervangen door de woorden "319 euro".
3° in § 3, eerste lid, worden de woorden "1.021,83 euro" vervangen door de woorden "1.063 euro";
4° in § 3, tweede lid, worden de woorden "613,10 euro" vervangen door de woorden "638 euro";
5° in § 3, derde lid, worden de woorden "306,55 euro" vervangen door de woorden "319 euro".
1° in § 2, eerste lid, worden de woorden "510,92 euro" vervangen door de woorden "531 euro";
2° in § 2, tweede lid, worden de woorden "306,55 euro" vervangen door de woorden "319 euro".
3° in § 3, eerste lid, worden de woorden "1.021,83 euro" vervangen door de woorden "1.063 euro";
4° in § 3, tweede lid, worden de woorden "613,10 euro" vervangen door de woorden "638 euro";
5° in § 3, derde lid, worden de woorden "306,55 euro" vervangen door de woorden "319 euro".
Art. 68. A l'article 11 du décret du 28 mai 2018 relatif aux mesures AktiF et AktiF PLUS destinées à promouvoir l'emploi, modifié par l'arrêté ministériel du 15 octobre 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 2, alinéa 1er, les mots " 510,92 euros " sont remplacés par les mots " 531 euros ";
2° dans le § 2, alinéa 2, les mots " 306,55 euros " sont remplacés par les mots " 319 euros ";
3° dans le § 3, alinéa 1er, les mots " 1 021,83 euros " sont remplacés par les mots " 1 063 euros ";
4° dans le § 3, alinéa 2, les mots " 613,10 euros " sont remplacés par les mots " 638 euros ";
5° dans le § 3, alinéa 3, les mots " 306,55 euros " sont remplacés par les mots " 319 euros ".
1° dans le § 2, alinéa 1er, les mots " 510,92 euros " sont remplacés par les mots " 531 euros ";
2° dans le § 2, alinéa 2, les mots " 306,55 euros " sont remplacés par les mots " 319 euros ";
3° dans le § 3, alinéa 1er, les mots " 1 021,83 euros " sont remplacés par les mots " 1 063 euros ";
4° dans le § 3, alinéa 2, les mots " 613,10 euros " sont remplacés par les mots " 638 euros ";
5° dans le § 3, alinéa 3, les mots " 306,55 euros " sont remplacés par les mots " 319 euros ".
Art. 69. In artikel 13 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 15 oktober 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 1 worden de woorden "510,92 euro" vervangen door de woorden "531 euro";
2° in § 2, eerste lid, worden de woorden "1.021,83 euro" vervangen door de woorden "1.063 euro".
3° in § 2, tweede lid, worden de woorden "613,10 euro" vervangen door de woorden "638 euro".
1° in § 1 worden de woorden "510,92 euro" vervangen door de woorden "531 euro";
2° in § 2, eerste lid, worden de woorden "1.021,83 euro" vervangen door de woorden "1.063 euro".
3° in § 2, tweede lid, worden de woorden "613,10 euro" vervangen door de woorden "638 euro".
Art. 69. A l'article 13 du même décret, modifié par l'arrêté ministériel du 15 octobre 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, les mots " 510,92 euros " sont remplacés par les mots " 531 euros ";
2° dans le § 2, alinéa 1er, les mots " 1 021,83 euros " sont remplacés par les mots " 1 063 euros ";
3° dans le § 2, alinéa 2, les mots " 613,10 euros " sont remplacés par les mots " 638 euros ".
1° dans le § 1er, les mots " 510,92 euros " sont remplacés par les mots " 531 euros ";
2° dans le § 2, alinéa 1er, les mots " 1 021,83 euros " sont remplacés par les mots " 1 063 euros ";
3° dans le § 2, alinéa 2, les mots " 613,10 euros " sont remplacés par les mots " 638 euros ".
Art. 70. In artikel 19, 2°, van hetzelfde decreet worden de woorden "de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen" vervangen door de woorden "het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen".
Art. 70. Dans l'article 19, 2°, du même décret, les mots " la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les fondations, les partis politiques européens et les fondations politiques européennes " sont remplacés par les mots " le Code des sociétés et des associations ".
Art. 71. In artikel 21 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 15 oktober 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "1.021,83 euro" vervangen door de woorden "1.063 euro";
2° in § 1, tweede lid, worden de woorden "937,02 euro" vervangen door de woorden "975 euro";
3° in § 2, eerste lid, worden de woorden "1.873,02 euro" vervangen door de woorden "1.948 euro".
4° in § 2, tweede lid, worden de woorden "1.788,21 euro" vervangen door de woorden "1.860 euro".
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "1.021,83 euro" vervangen door de woorden "1.063 euro";
2° in § 1, tweede lid, worden de woorden "937,02 euro" vervangen door de woorden "975 euro";
3° in § 2, eerste lid, worden de woorden "1.873,02 euro" vervangen door de woorden "1.948 euro".
4° in § 2, tweede lid, worden de woorden "1.788,21 euro" vervangen door de woorden "1.860 euro".
Art. 71. A l'article 21 du même décret, modifié par l'arrêté ministériel du 15 octobre 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, alinéa 1er, les mots " 1 021,83 euros " sont remplacés par les mots " 1 063 euros ";
2° dans le § 1er, alinéa 2, les mots " 937,02 euros " sont remplacés par les mots " 975 euros ";
3° dans le § 2, alinéa 1er, les mots " 1 873,02 euros " sont remplacés par les mots " 1 948 euros ";
4° dans le § 2, alinéa 2, les mots " 1 788,21 euros " sont remplacés par les mots " 1 860 euros ";
1° dans le § 1er, alinéa 1er, les mots " 1 021,83 euros " sont remplacés par les mots " 1 063 euros ";
2° dans le § 1er, alinéa 2, les mots " 937,02 euros " sont remplacés par les mots " 975 euros ";
3° dans le § 2, alinéa 1er, les mots " 1 873,02 euros " sont remplacés par les mots " 1 948 euros ";
4° dans le § 2, alinéa 2, les mots " 1 788,21 euros " sont remplacés par les mots " 1 860 euros ";
Art. 72. In artikel 26 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 15 oktober 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "1.021,83 euro" vervangen door de woorden "1.063 euro";
2° in § 1, tweede lid, worden de woorden "937,02 euro" vervangen door de woorden "975 euro";
3° in § 2, eerste lid, worden de woorden "1.873,02 euro" vervangen door de woorden "1.948 euro".
4° in § 2, tweede lid, worden de woorden "1.788,21 euro" vervangen door de woorden "1.860 euro".
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "1.021,83 euro" vervangen door de woorden "1.063 euro";
2° in § 1, tweede lid, worden de woorden "937,02 euro" vervangen door de woorden "975 euro";
3° in § 2, eerste lid, worden de woorden "1.873,02 euro" vervangen door de woorden "1.948 euro".
4° in § 2, tweede lid, worden de woorden "1.788,21 euro" vervangen door de woorden "1.860 euro".
Art. 72. A l'article 26 du même décret, modifié par l'arrêté ministériel du 15 octobre 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, alinéa 1er, les mots " 1 021,83 euros " sont remplacés par les mots " 1 063 euros ";
2° dans le § 1er, alinéa 2, les mots " 937,02 euros " sont remplacés par les mots " 975 euros ";
3° dans le § 2, alinéa 1er, les mots " 1 873,02 euros " sont remplacés par les mots " 1 948 euros ";
4° dans le § 2, alinéa 2, les mots " 1 788,21 euros " sont remplacés par les mots " 1 860 euros ";
1° dans le § 1er, alinéa 1er, les mots " 1 021,83 euros " sont remplacés par les mots " 1 063 euros ";
2° dans le § 1er, alinéa 2, les mots " 937,02 euros " sont remplacés par les mots " 975 euros ";
3° dans le § 2, alinéa 1er, les mots " 1 873,02 euros " sont remplacés par les mots " 1 948 euros ";
4° dans le § 2, alinéa 2, les mots " 1 788,21 euros " sont remplacés par les mots " 1 860 euros ";
Art. 73. In artikel 55 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden ", die onder de toepassing blijven vallen van de artikelen 4 en 5 van het voormelde besluit, zoals van kracht op 31 december 2018" worden vervangen door de woorden "die worden vastgelegd in het tweede lid";
2° het artikel wordt aangevuld met een tweede en een derde lid, luidende:
"De jaarlijkse premies die moeten worden betaald aan de werkgevers vermeld in het eerste lid, bedragen:
1° 16.471 euro voor werknemers voor wie de werkgevers op 31 december 2018 een premie ontvingen van de subsidiecategorie B1 in de zin van artikel 5, § 1, van het besluit van de Regering van het Waals Gewest van 11 mei 1995 betreffende de indienstneming van gesubsidieerde contractuelen door sommige openbare besturen en ermee gelijkgestelde werkgevers;
2° 23.069 euro voor werknemers voor wie de werkgevers op 31 december 2018 een premie ontvingen van de subsidiecategorie B2 in de zin van artikel 5, § 2, van hetzelfde besluit van de Regering van het Waals Gewest;
3° 29.120 euro voor werknemers voor wie de werkgevers op 31 december 2018 een premie ontvingen van de subsidiecategorie B3 in de zin van artikel 5, § 3, eerste en derde lid, van hetzelfde besluit van de Regering van het Waals Gewest.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid is de indexering van de overeenkomstig het tweede lid vastgelegde premie onderworpen aan de toepassing van artikel 14, § 3."
1° de woorden ", die onder de toepassing blijven vallen van de artikelen 4 en 5 van het voormelde besluit, zoals van kracht op 31 december 2018" worden vervangen door de woorden "die worden vastgelegd in het tweede lid";
2° het artikel wordt aangevuld met een tweede en een derde lid, luidende:
"De jaarlijkse premies die moeten worden betaald aan de werkgevers vermeld in het eerste lid, bedragen:
1° 16.471 euro voor werknemers voor wie de werkgevers op 31 december 2018 een premie ontvingen van de subsidiecategorie B1 in de zin van artikel 5, § 1, van het besluit van de Regering van het Waals Gewest van 11 mei 1995 betreffende de indienstneming van gesubsidieerde contractuelen door sommige openbare besturen en ermee gelijkgestelde werkgevers;
2° 23.069 euro voor werknemers voor wie de werkgevers op 31 december 2018 een premie ontvingen van de subsidiecategorie B2 in de zin van artikel 5, § 2, van hetzelfde besluit van de Regering van het Waals Gewest;
3° 29.120 euro voor werknemers voor wie de werkgevers op 31 december 2018 een premie ontvingen van de subsidiecategorie B3 in de zin van artikel 5, § 3, eerste en derde lid, van hetzelfde besluit van de Regering van het Waals Gewest.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid is de indexering van de overeenkomstig het tweede lid vastgelegde premie onderworpen aan de toepassing van artikel 14, § 3."
Art. 73. A l'article 55 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " elles-mêmes soumises à l'application des articles 4 et 5 de l'arrêté susmentionné dans leur version en vigueur au 31 décembre 2018 " sont remplacés par les mots " fixé à l'alinéa 2 ";
2° l'article est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
" Le montant des primes payables annuellement aux employeurs occupant les travailleurs mentionnés au premier alinéa s'élève à :
1° 16 471 euros pour les travailleurs pour lesquels les employeurs obtenaient, au 31 décembre 2018, une prime de la catégorie de subventionnement B1 au sens de l'article 5, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement de la Région wallonne du 11 mai 1995 relatif à l'engagement de travailleurs contractuels subventionnés auprès de certains pouvoirs publics et employeurs y assimilés;
2° 23 069 euros pour les travailleurs pour lesquels les employeurs obtenaient, au 31 décembre 2018, une prime de la catégorie de subventionnement B2 au sens de l'article 5, § 2, du même arrêté;
3° 29 120 euros pour les travailleurs pour lesquels les employeurs obtenaient, au 31 décembre 2018, une prime de la catégorie de subventionnement B3 au sens de l'article 5, § 3, alinéas 1er et 3, du même arrêté.
Sans préjudice de l'application du premier alinéa, l'indexation de la prime fixée conformément à l'alinéa 2 est soumise à l'application de l'article 14, § 3. "
1° les mots " elles-mêmes soumises à l'application des articles 4 et 5 de l'arrêté susmentionné dans leur version en vigueur au 31 décembre 2018 " sont remplacés par les mots " fixé à l'alinéa 2 ";
2° l'article est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
" Le montant des primes payables annuellement aux employeurs occupant les travailleurs mentionnés au premier alinéa s'élève à :
1° 16 471 euros pour les travailleurs pour lesquels les employeurs obtenaient, au 31 décembre 2018, une prime de la catégorie de subventionnement B1 au sens de l'article 5, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement de la Région wallonne du 11 mai 1995 relatif à l'engagement de travailleurs contractuels subventionnés auprès de certains pouvoirs publics et employeurs y assimilés;
2° 23 069 euros pour les travailleurs pour lesquels les employeurs obtenaient, au 31 décembre 2018, une prime de la catégorie de subventionnement B2 au sens de l'article 5, § 2, du même arrêté;
3° 29 120 euros pour les travailleurs pour lesquels les employeurs obtenaient, au 31 décembre 2018, une prime de la catégorie de subventionnement B3 au sens de l'article 5, § 3, alinéas 1er et 3, du même arrêté.
Sans préjudice de l'application du premier alinéa, l'indexation de la prime fixée conformément à l'alinéa 2 est soumise à l'application de l'article 14, § 3. "
Art. 74. In artikel 57 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden ", die onder de toepassing blijven vallen van de artikelen 5 tot 7 en 22.1 van het voormelde besluit van de Regering, zoals van kracht op 31 december 2018" worden vervangen door de woorden "die worden vastgelegd in het tweede lid".
2° het artikel wordt aangevuld met een tweede en een derde lid, luidende:
"De toelagen voor de werkgevers die de werknemers vermeld in het eerste lid tewerkstellen, bedragen:
1° 13.698 euro voor werknemers voor wie de werkgevers op 31 december 2018 een toelage ontvingen op basis van artikel 5 van het besluit van de Regering van 20 december 2001 houdende toekenning van toelagen aan plaatselijke besturen die geco's tewerkstellen;
2° 19.441 euro voor werknemers voor wie de werkgevers op 31 december 2018 een toelage ontvingen op basis van artikel 6 van hetzelfde regeringsbesluit;
3° 25.185 euro voor werknemers voor wie de werkgevers op 31 december 2018 een toelage ontvingen op basis van artikel 7 van hetzelfde regeringsbesluit.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid is de indexering van de overeenkomstig het tweede lid vastgelegde toelage onderworpen aan de toepassing van artikel 14, § 3."
1° de woorden ", die onder de toepassing blijven vallen van de artikelen 5 tot 7 en 22.1 van het voormelde besluit van de Regering, zoals van kracht op 31 december 2018" worden vervangen door de woorden "die worden vastgelegd in het tweede lid".
2° het artikel wordt aangevuld met een tweede en een derde lid, luidende:
"De toelagen voor de werkgevers die de werknemers vermeld in het eerste lid tewerkstellen, bedragen:
1° 13.698 euro voor werknemers voor wie de werkgevers op 31 december 2018 een toelage ontvingen op basis van artikel 5 van het besluit van de Regering van 20 december 2001 houdende toekenning van toelagen aan plaatselijke besturen die geco's tewerkstellen;
2° 19.441 euro voor werknemers voor wie de werkgevers op 31 december 2018 een toelage ontvingen op basis van artikel 6 van hetzelfde regeringsbesluit;
3° 25.185 euro voor werknemers voor wie de werkgevers op 31 december 2018 een toelage ontvingen op basis van artikel 7 van hetzelfde regeringsbesluit.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid is de indexering van de overeenkomstig het tweede lid vastgelegde toelage onderworpen aan de toepassing van artikel 14, § 3."
Art. 74. A l'article 57 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " qui continuent à être soumises à l'application des articles 5 à 7 et 22.1 de l'arrêté du Gouvernement susmentionné, dans leur version en vigueur au 31 décembre 2018 " sont remplacés par les mots " fixé à l'alinéa 2 ";
2° l'article est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
" Le montant des subventions aux employeurs occupant les travailleurs mentionnés au premier alinéa s'élève à :
1° 13 698 euros pour les travailleurs pour lesquels les employeurs obtenaient, au 31 décembre 2018, une subvention au sens de l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement du 20 décembre 2001 portant octroi de subventions aux pouvoirs locaux occupant des travailleurs contractuels subventionnés;
2° 19 441 euros pour les travailleurs pour lesquels les employeurs obtenaient, au 31 décembre 2018, une subvention au sens de l'article 6 du même arrêté du Gouvernement;
3° 25 185 euros pour les travailleurs pour lesquels les employeurs obtenaient, au 31 décembre 2018, une subvention au sens de l'article 7 du même arrêté du Gouvernement.
Sans préjudice de l'application du premier alinéa, l'indexation de la subvention fixée conformément à l'alinéa 2 est soumise à l'application de l'article 14, § 3. "
1° les mots " qui continuent à être soumises à l'application des articles 5 à 7 et 22.1 de l'arrêté du Gouvernement susmentionné, dans leur version en vigueur au 31 décembre 2018 " sont remplacés par les mots " fixé à l'alinéa 2 ";
2° l'article est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
" Le montant des subventions aux employeurs occupant les travailleurs mentionnés au premier alinéa s'élève à :
1° 13 698 euros pour les travailleurs pour lesquels les employeurs obtenaient, au 31 décembre 2018, une subvention au sens de l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement du 20 décembre 2001 portant octroi de subventions aux pouvoirs locaux occupant des travailleurs contractuels subventionnés;
2° 19 441 euros pour les travailleurs pour lesquels les employeurs obtenaient, au 31 décembre 2018, une subvention au sens de l'article 6 du même arrêté du Gouvernement;
3° 25 185 euros pour les travailleurs pour lesquels les employeurs obtenaient, au 31 décembre 2018, une subvention au sens de l'article 7 du même arrêté du Gouvernement.
Sans préjudice de l'application du premier alinéa, l'indexation de la subvention fixée conformément à l'alinéa 2 est soumise à l'application de l'article 14, § 3. "
HOOFDSTUK 6. - Lokale besturen
CHAPITRE 6. - Pouvoirs locaux
Art. 75. In artikel L4125-3, § 2, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie, ingevoegd bij het decreet van 1 juni 2006, worden de woorden "rechtbank van koophandel" vervangen door het woord "ondernemingsrechtbank".
Art. 75. Dans l'article L4125-3, § 2, alinéa 1er, 1°, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, inséré par le décret du 1er juillet 2006, les mots " tribunal de commerce " sont remplacés par les mots " tribunal de l'entreprise ".
Art. 76. In artikel 33, § 1, tweede lid, van het gemeentedecreet van 23 april 2018 worden de woorden "de maatschappelijke zetel of de bedrijfszetel" vervangen door de woorden "de zetel".
Art. 76. Dans l'article 33, § 1er, alinéa 2, du décret communal du 23 avril 2018, les mots " social ou d'exploitation " sont abrogés.
Art. 77. In artikel 45, § 1, derde lid, van het gemeentedecreet van 23 april 2018 worden de woorden "artikel L4125-1" vervangen door de woorden "artikel L4142-1".
Art. 77. Dans l'article 45, § 1er, alinéa 3, du décret communal du 23 avril 2018, les mots " article L4125-1 " sont remplacés par les mots " article L4142-1 ".
Art. 78. Artikel 95, § 2, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een derde lid, luidende:
"In het geval vermeld in § 1, tweede lid, hoeft geen eindafrekening over het beheer te worden opgemaakt."
"In het geval vermeld in § 1, tweede lid, hoeft geen eindafrekening over het beheer te worden opgemaakt."
Art. 78. A l'article 95 du même décret, le § 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Aucun compte de fin de gestion ne doit être établi dans le cas mentionné au § 1er, alinéa 2. "
" Aucun compte de fin de gestion ne doit être établi dans le cas mentionné au § 1er, alinéa 2. "
Art. 79. In artikel 108, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "de artikelen 7, 65 en 66 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen" vervangen door de woorden "de artikelen 7, 312 en 313 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen".
Art. 79. Dans l'article 108, alinéa 1er, du même décret, les mots " des articles 7, 65 et 66, de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit " sont remplacés par les mots " des articles 7, 312 et 313 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse ".
Art. 80. In artikel 159, § 2, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "maatschappelijk doel" vervangen door het woord "doel";
2° in het tweede lid worden de woorden "maatschappelijk kapitaal" vervangen door het woord "kapitaal".
1° in het eerste lid worden de woorden "maatschappelijk doel" vervangen door het woord "doel";
2° in het tweede lid worden de woorden "maatschappelijk kapitaal" vervangen door het woord "kapitaal".
Art. 80. A l'article 159, § 2, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " objet social " sont remplacés par le mot " objet ";
2° dans l'alinéa 2, les mots " capital social " sont remplacés par le mot " capital ".
1° dans l'alinéa 1er, les mots " objet social " sont remplacés par le mot " objet ";
2° dans l'alinéa 2, les mots " capital social " sont remplacés par le mot " capital ".
Art. 81. In artikel 161 van hetzelfde decreet worden de woorden "De artikelen 63, 130 tot 144, 165 tot 167, 517 tot 530, 538, 540 en 561 tot 567 van het Wetboek van Vennootschappen" vervangen door de woorden "De artikelen 2: 41, 2: 52, 3: 58 tot 3: 75, 3: 100 tot 3: 102, 7: 85 tot 7: 88, 7: 90, 7: 91, 7: 93 tot 7: 100, 7: 104, 7: 121, 7: 122, 7: 136, 7: 139 en 7: 156 tot 7: 159 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen".
Art. 81. Dans l'article 161 du même décret, les mots " articles 63, 130 à 144, 165 à 167, 517 à 530, 538, 540 et 561 à 567 du Code des sociétés " sont remplacés par les mots " articles 2: 41, 2: 52, 3: 58 à 3: 75, 3: 100 à 3: 102, 7: 85 à 7: 88, 7: 90, 7: 91, 7: 93 à 7: 100, 7: 104, 7: 121, 7: 122, 7: 136, 7: 139 et 7: 156 à 7: 159 du Code des sociétés et des associations ".
HOOFDSTUK 7. - Toerisme
CHAPITRE 7. - Tourisme
Art. 82. In artikel 21 van het decreet van 23 januari 2017 ter bevordering van het toerisme, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° § 1, derde lid, wordt opgeheven;
2° de volgende § 1.1 wordt ingevoegd:
" § 1.1 - Koepelorganisaties en verenigingen voor vreemdelingenverkeer kunnen, binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen, een subsidie van hoogstens 500 euro per evenement krijgen, als toeristen de rechtstreekse doelgroep van dat evenement zijn."
3° in paragraaf 2 worden de woorden "de initiatieven vermeld in paragraaf 1" vervangen door de woorden "de initiatieven en evenementen vermeld in de § § 1 en 1.1";
4° paragraaf 2 wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
"De subsidie wordt hoogstens drie keer voor hetzelfde initiatief of evenement toegekend, ongeacht onder welke benaming het werd uitgevoerd."
1° § 1, derde lid, wordt opgeheven;
2° de volgende § 1.1 wordt ingevoegd:
" § 1.1 - Koepelorganisaties en verenigingen voor vreemdelingenverkeer kunnen, binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen, een subsidie van hoogstens 500 euro per evenement krijgen, als toeristen de rechtstreekse doelgroep van dat evenement zijn."
3° in paragraaf 2 worden de woorden "de initiatieven vermeld in paragraaf 1" vervangen door de woorden "de initiatieven en evenementen vermeld in de § § 1 en 1.1";
4° paragraaf 2 wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
"De subsidie wordt hoogstens drie keer voor hetzelfde initiatief of evenement toegekend, ongeacht onder welke benaming het werd uitgevoerd."
Art. 82. A l'article 21 du décret du 23 janvier 2017 visant à soutenir le tourisme, modifié par le décret du 12 décembre 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 1er, alinéa 3, est abrogé;
2° il est inséré un paragraphe § 1.1 rédigé comme suit :
" § 1.1 - Les associations faîtières et syndicats d'initiative peuvent, dans la limite des crédits budgétaires disponibles, recevoir des subsides à concurrence de 500 euros par manifestation, si celle-ci cible directement les touristes. ";
3° dans le § 2, les mots " initiatives mentionnées au § 1er " sont remplacés par les mots " initiatives et, selon le cas, manifestations mentionnées aux § § 1er et 1.1. ";
4° le § 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Le subside est accordé trois fois au plus pour la même initiative ou, selon le cas, manifestation, quelle que soit la dénomination sous laquelle elle a été organisée. "
1° le § 1er, alinéa 3, est abrogé;
2° il est inséré un paragraphe § 1.1 rédigé comme suit :
" § 1.1 - Les associations faîtières et syndicats d'initiative peuvent, dans la limite des crédits budgétaires disponibles, recevoir des subsides à concurrence de 500 euros par manifestation, si celle-ci cible directement les touristes. ";
3° dans le § 2, les mots " initiatives mentionnées au § 1er " sont remplacés par les mots " initiatives et, selon le cas, manifestations mentionnées aux § § 1er et 1.1. ";
4° le § 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Le subside est accordé trois fois au plus pour la même initiative ou, selon le cas, manifestation, quelle que soit la dénomination sous laquelle elle a été organisée. "
HOOFDSTUK 8. - Ruimtelijke ordening en stedenbouw
CHAPITRE 8. - Aménagement du territoire et urbanisme
Art. 83. Artikel D.I.1 van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2019, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende:
" § 3 - De samenwerking met de overheden, diensten of organen van het Waals Gewest geschiedt in het bijzonder op basis van de bepalingen van het Samenwerkingsakkoord van 14 november 2019 tussen het Waals Gewest en de Duitstalige Gemeenschap over de uitoefening van de bevoegdheden inzake ruimtelijke ordening en bepaalde aanverwante materies, hierna 'samenwerkingsakkoord' genoemd."
" § 3 - De samenwerking met de overheden, diensten of organen van het Waals Gewest geschiedt in het bijzonder op basis van de bepalingen van het Samenwerkingsakkoord van 14 november 2019 tussen het Waals Gewest en de Duitstalige Gemeenschap over de uitoefening van de bevoegdheden inzake ruimtelijke ordening en bepaalde aanverwante materies, hierna 'samenwerkingsakkoord' genoemd."
Art. 83. L'article D.I.1 du Code wallon du développement territorial, modifié par le décret du 12 décembre 2019, est complété par un § 3 rédigé comme suit :
" § 3 - La coopération avec les autorités, services ou organismes de la Région wallonne s'effectue notamment sur la base des dispositions de l'accord de coopération du 14 novembre 2019 entre la Région wallonne et la Communauté germanophone relatif à l'exercice des compétences en matière d'aménagement du territoire et de certaines matières connexes, ci-après dénommé " accord de coopération ".
" § 3 - La coopération avec les autorités, services ou organismes de la Région wallonne s'effectue notamment sur la base des dispositions de l'accord de coopération du 14 novembre 2019 entre la Région wallonne et la Communauté germanophone relatif à l'exercice des compétences en matière d'aménagement du territoire et de certaines matières connexes, ci-après dénommé " accord de coopération ".
Art. 84. In artikel D.II.3 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 1, tweede lid, worden de woorden "wier raadpleging door de Regering nuttig wordt geacht" vervangen door de woorden "wier raadpleging door de Regering nuttig wordt geacht of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht";
2° in § 2, tweede lid, worden de woorden "wier raadpleging door de Regering nuttig geacht wordt" vervangen door de woorden "wier raadpleging door de Regering nuttig wordt geacht of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht";
1° in § 1, tweede lid, worden de woorden "wier raadpleging door de Regering nuttig wordt geacht" vervangen door de woorden "wier raadpleging door de Regering nuttig wordt geacht of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht";
2° in § 2, tweede lid, worden de woorden "wier raadpleging door de Regering nuttig geacht wordt" vervangen door de woorden "wier raadpleging door de Regering nuttig wordt geacht of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht";
Art. 84. A l'article D.II.3 du même Code, modifié par le décret du 12 décembre 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, la première phrase de l'alinéa 2 est complétée par les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération ";
2° dans le § 2, alinéa 2, les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération " sont insérés entre les mots " de consulter " et les mots " sont transmis ".
1° dans le § 1er, la première phrase de l'alinéa 2 est complétée par les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération ";
2° dans le § 2, alinéa 2, les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération " sont insérés entre les mots " de consulter " et les mots " sont transmis ".
Art. 85. In artikel D.II.7, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2019, worden de woorden "die de gemeenteraden nuttig achten te raadplegen" vervangen door de woorden "die de gemeenteraden nuttig achten te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht".
Art. 85. Dans l'article D.II.7, § 3, alinéa 2, du même Code, modifié par le décret du 12 décembre 2019, les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération " sont insérés entre les mots " de consulter " et les mots " ainsi que ".
Art. 86. In artikel D.II.12, § 3, derde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2019, worden de woorden "wier raadpleging de gemeenteraad nuttig acht" vervangen door de woorden "wier raadpleging de gemeenteraad nuttig acht of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht".
Art. 86. Dans l'article D.II.12, § 3, alinéa 3, du même Code, modifié par le décret du 12 décembre 2019, les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération " sont insérés entre les mots " de consulter " et les mots " sont transmis ".
Art. 87. Geldt alleen voor de Duitse tekst.
Art. 87. (Concerne le texte allemand.)
Art. 88. In artikel D.II.47, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2019, worden de woorden "die zij nuttig acht te raadplegen" vervangen door de woorden "die zij nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht".
Art. 88. Dans l'article D.II.47, § 2, du même Code, l'alinéa 1er, modifié par le décret du 12 décembre 2019, est complété par les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération ".
Art. 89. In artikel D.II.48, § 4, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2019, worden de woorden "die zij nuttig acht te raadplegen" vervangen door de woorden "die zij nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht".
Art. 89. Dans l'article D.II.48, § 4, du même Code, l'alinéa 1er, modifié par le décret du 12 décembre 2019, est complété par les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération ".
Art. 90. In artikel D.II.49, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "als het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, hierna "DGO3" indien het geraadpleegd is"' vervangen door de woorden "of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht".
Art. 90. Dans l'article D.II.49, § 2, alinéa 1er, du même Code, les mots " , ainsi qu'à la Direction générale opérationnelle de l'Agriculture, des Ressources naturelles et de l'Environnement, ci-après "DGO3", si elle a été consultée " sont remplacés par les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération ".
Art. 91. In artikel D.II.51, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2019, worden de woorden "die de Regering nuttig acht te raadplegen" vervangen door de woorden "die de Regering nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht".
Art. 91. Dans l'article D.II.51, § 2, alinéa 1er, du même Code, modifié par le décret du 12 décembre 2019, la deuxième phrase est complétée par les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération ".
Art. 92. In artikel D.II.52 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 3, eerste lid, worden de woorden "die de Regering nuttig acht te raadplegen" vervangen door de woorden "die de Regering nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht";
2° in § 4, eerste lid, worden de woorden "die hij nuttig acht te raadplegen" vervangen door de woorden "die hij nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht".
1° in § 3, eerste lid, worden de woorden "die de Regering nuttig acht te raadplegen" vervangen door de woorden "die de Regering nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht";
2° in § 4, eerste lid, worden de woorden "die hij nuttig acht te raadplegen" vervangen door de woorden "die hij nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht".
Art. 92. A l'article D.II.52 du même Code, modifié par le décret du 12 décembre 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 3, alinéa 1er, la première phrase est complétée par les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération ";
2° dans le § 4, alinéa 1er, la première phrase est complétée par les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération ".
1° dans le § 3, alinéa 1er, la première phrase est complétée par les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération ";
2° dans le § 4, alinéa 1er, la première phrase est complétée par les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération ".
Art. 93. Artikel D.II.54, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2019, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
"De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer de herziening van het gewestplan voor de toekenning van een milieuvergunning in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning noodzakelijk is of wanneer een globale vergunning in de zin van het samenwerkingsakkoord noodzakelijk is."
"De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer de herziening van het gewestplan voor de toekenning van een milieuvergunning in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning noodzakelijk is of wanneer een globale vergunning in de zin van het samenwerkingsakkoord noodzakelijk is."
Art. 93. L'article D.II.54, § 1er, du même Code, modifié par le décret du 12 décembre 2019, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Les dispositions du présent article ne s'appliquent pas lorsque la révision du plan de secteur est nécessaire pour l'octroi d'un permis d'environnement au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou d'un permis unique au sens de l'accord de coopération. "
" Les dispositions du présent article ne s'appliquent pas lorsque la révision du plan de secteur est nécessaire pour l'octroi d'un permis d'environnement au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou d'un permis unique au sens de l'accord de coopération. "
Art. 94. In artikel D.III.3, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2019, worde de woorden "die zij nodig acht te raadplegen" vervangen door de woorden "die zij nodig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht".
Art. 94. Dans l'article D.III.3, § 3, du même Code, l'alinéa 1er, modifié par le décret du 12 décembre 2019, est complété par les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération ".
Art. 95. In artikel D.III.6, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2019, worden de woorden "die genoemd college nodig acht te raadplegen" vervangen door de woorden "die genoemd college nodig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht".
Art. 95. Dans l'article D.III.6, § 2, du même Code, l'alinéa 2, modifié par le décret du 12 décembre 2019, est complété par les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération ".
Art. 96. In artikel D.IV.4, eerste lid, 12°, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "de Regering kan een lijst van werken bepalen die schade toebrengen aan het wortelstelsel of die het uitzicht wijzigen van opmerkelijke bomen, struiken en hagen" vervangen door de woorden "overeenkomstig de bepalingen van het samenwerkingsakkoord wordt een lijst opgemaakt van werken die schade toebrengen aan het wortelstelsel van opmerkelijke bomen, struiken en hagen of die het uitzicht wijzigen van opmerkelijke bomen, struiken en hagen; de Regering kan die lijst aanvullen".
Art. 96. Dans l'article D.IV.4, alinéa 1er, 12°, du même Code, les mots " le Gouvernement peut établir une liste des travaux qui portent préjudice au système racinaire ou qui modifient l'aspect des arbres, arbustes et haies remarquables; " sont remplacés par les mots " conformément aux dispositions de l'accord de coopération, il est établi une liste des travaux qui portent préjudice au système racinaire ou qui modifient l'aspect des arbres, arbustes et haies remarquables; le Gouvernement peut compléter cette liste ".
Art. 97. Geldt alleen voor de Duitse tekst.
Art. 97. Dans l'article D.IV.11 du même Code, modifié par le décret du 12 décembre 2019, les mots " les dérogations prévues " sont remplacés par les mots " l'exception prévue ".
Art. 98. In artikel D.IV.14.2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij het decreet van 12 december 2019, worden de woorden "een goed" vervangen door de woorden "verbouwingswerken of wijzigingen van de uiterlijke kenmerken van een goed".
Art. 98. Dans l'article D.IV.14.2 du même Code, inséré par le décret du 12 décembre 2019, les mots " un bien " sont remplacés par les mots " des travaux de transformation physique ou de transformation de l'aspect extérieur réalisés sur un bien ".
Art. 99. In artikel D.IV.35, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2019, worden de woorden "De Regering bepaalt" vervangen door de woorden "Onverminderd de adviezen die bij het samenwerkingsakkoord worden voorgeschreven, bepaalt de Regering" en worden de woorden "houdende" vervangen door de woorden "te houden".
Art. 99. Dans l'article D.IV.35, § 2, alinéa 1er, du même Code, modifié par le décret du 12 décembre 2019, les mots " Le Gouvernement " sont remplacés par les mots " Sans préjudice des avis prescrits par l'accord de coopération, le Gouvernement ".
Art. 100. Geldt alleen voor de Duitse tekst.
Art. 100. (Concerne le texte allemand).
Art. 101. In artikel D.IV.68 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "waarvan zij het advies nuttig acht" vervangen door de woorden "waarvan zij het advies nuttig acht of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht".
Art. 101. Dans l'article D.IV.68 du même Code, les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération " sont insérés entre les mots " de consulter " et les mots " ou dont la consultation ".
Art. 102. Artikel D.IV.107 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
"Art.D.IV.107 - In het geval van een gemengd project in de zin van het samenwerkingsakkoord wordt, in afwijking van de artikelen D.IV.14 en D.IV.22, overeenkomstig de bepalingen van het samenwerkingsakkoord een globale vergunning toegekend die in de plaats treedt van de stedenbouwkundige vergunning in de zin van dit Wetboek. De in de artikelen D.IV.5 tot D.IV.13 bedoelde afwijkingen en verschillen worden toegekend:
1° door het gemeentecollege als het de bevoegde overheid is; het in het syntheserapport vermelde advies van de Regering is een eensluidend advies als de aanvraag een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw als gevolg heeft;
2° door de Regering als ze samen met de technisch ambtenaar van het Waals Gewest de bevoegde overheid is;
3° door de gemengde beroepscommissie in het kader van een beroep;
4° door de Regering voor de vergunningsaanvragen betreffende handelingen en werken waarvoor er dwingende redenen van algemeen belang bestaan, die tot haar bevoegdheid behoren.
In afwijking van de artikelen D.IV.14 en D.IV.22 wordt, in het geval van een geïntegreerd project in de zin van het samenwerkingsakkoord, overeenkomstig de bepalingen van het samenwerkingsakkoord een geïntegreerde vergunning afgegeven die de stedenbouwkundige vergunning in de zin van dit Wetboek vervangt. De in de artikelen D.IV.5 tot D.IV.13 bedoelde afwijkingen en verschillen worden toegekend:
1° door het gemeentecollege als het de bevoegde overheid is; het in het syntheserapport vermelde advies van de Regering is een eensluidend advies als de aanvraag een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw als gevolg heeft;
2° door de Regering als ze samen met de ambtenaar van de handelsvestigingen en, in voorkomend geval, met de technisch ambtenaar van het Waals Gewest de bevoegde overheid is;
3° door de gemengde beroepscommissie in het kader van een beroep."
"Art.D.IV.107 - In het geval van een gemengd project in de zin van het samenwerkingsakkoord wordt, in afwijking van de artikelen D.IV.14 en D.IV.22, overeenkomstig de bepalingen van het samenwerkingsakkoord een globale vergunning toegekend die in de plaats treedt van de stedenbouwkundige vergunning in de zin van dit Wetboek. De in de artikelen D.IV.5 tot D.IV.13 bedoelde afwijkingen en verschillen worden toegekend:
1° door het gemeentecollege als het de bevoegde overheid is; het in het syntheserapport vermelde advies van de Regering is een eensluidend advies als de aanvraag een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw als gevolg heeft;
2° door de Regering als ze samen met de technisch ambtenaar van het Waals Gewest de bevoegde overheid is;
3° door de gemengde beroepscommissie in het kader van een beroep;
4° door de Regering voor de vergunningsaanvragen betreffende handelingen en werken waarvoor er dwingende redenen van algemeen belang bestaan, die tot haar bevoegdheid behoren.
In afwijking van de artikelen D.IV.14 en D.IV.22 wordt, in het geval van een geïntegreerd project in de zin van het samenwerkingsakkoord, overeenkomstig de bepalingen van het samenwerkingsakkoord een geïntegreerde vergunning afgegeven die de stedenbouwkundige vergunning in de zin van dit Wetboek vervangt. De in de artikelen D.IV.5 tot D.IV.13 bedoelde afwijkingen en verschillen worden toegekend:
1° door het gemeentecollege als het de bevoegde overheid is; het in het syntheserapport vermelde advies van de Regering is een eensluidend advies als de aanvraag een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw als gevolg heeft;
2° door de Regering als ze samen met de ambtenaar van de handelsvestigingen en, in voorkomend geval, met de technisch ambtenaar van het Waals Gewest de bevoegde overheid is;
3° door de gemengde beroepscommissie in het kader van een beroep."
Art. 102. L'article D.IV.107 du même Code est remplacé par ce qui suit :
" Art. D.IV.107 - En cas de projet mixte au sens de l'accord de coopération, et par dérogation aux articles D.IV.14 et D.IV.22, c'est un permis unique équivalent au permis d'urbanisme au sens du présent Code qui est délivré conformément aux dispositions mentionnées dans ledit accord de coopération. Les exceptions et dérogations au sens des articles D.IV.5 à D.IV.13 sont octroyées :
1° par le collège communal lorsqu'il est l'autorité compétente; l'avis du Gouvernement compris dans le rapport succinct constitue toutefois un avis conforme lorsque la demande induit une exception au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
2° par le Gouvernement lorsque celui-ci est l'autorité compétente conjointement avec l'agent technique de la Région wallonne;
3° par la Commission mixte de recours, dans le cadre d'un recours;
4° par le Gouvernement pour les demandes de permis relatives aux actes et travaux justifiés par des raisons impérieuses d'intérêt général et relevant de ses compétences.
En cas de projet intégré au sens de l'accord de coopération, et par dérogation aux articles D.IV.14 et D.IV.22, c'est un permis intégré équivalent au permis d'urbanisme au sens du présent Code qui est délivré conformément aux dispositions mentionnées dans ledit accord de coopération. Les exceptions et dérogations au sens des articles D.IV.5 à D.IV.13 sont octroyées :
1° par le collège communal lorsqu'il est l'autorité compétente; l'avis du Gouvernement compris dans le rapport succinct constitue toutefois un avis conforme lorsque la demande induit une exception au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
2° par le Gouvernement lorsque celui-ci est l'autorité compétente conjointement avec le fonctionnaire des implantations commerciales et, le cas échéant, l'agent technique de la Région wallonne;
3° par la Commission mixte de recours, dans le cadre d'un recours. "
" Art. D.IV.107 - En cas de projet mixte au sens de l'accord de coopération, et par dérogation aux articles D.IV.14 et D.IV.22, c'est un permis unique équivalent au permis d'urbanisme au sens du présent Code qui est délivré conformément aux dispositions mentionnées dans ledit accord de coopération. Les exceptions et dérogations au sens des articles D.IV.5 à D.IV.13 sont octroyées :
1° par le collège communal lorsqu'il est l'autorité compétente; l'avis du Gouvernement compris dans le rapport succinct constitue toutefois un avis conforme lorsque la demande induit une exception au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
2° par le Gouvernement lorsque celui-ci est l'autorité compétente conjointement avec l'agent technique de la Région wallonne;
3° par la Commission mixte de recours, dans le cadre d'un recours;
4° par le Gouvernement pour les demandes de permis relatives aux actes et travaux justifiés par des raisons impérieuses d'intérêt général et relevant de ses compétences.
En cas de projet intégré au sens de l'accord de coopération, et par dérogation aux articles D.IV.14 et D.IV.22, c'est un permis intégré équivalent au permis d'urbanisme au sens du présent Code qui est délivré conformément aux dispositions mentionnées dans ledit accord de coopération. Les exceptions et dérogations au sens des articles D.IV.5 à D.IV.13 sont octroyées :
1° par le collège communal lorsqu'il est l'autorité compétente; l'avis du Gouvernement compris dans le rapport succinct constitue toutefois un avis conforme lorsque la demande induit une exception au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
2° par le Gouvernement lorsque celui-ci est l'autorité compétente conjointement avec le fonctionnaire des implantations commerciales et, le cas échéant, l'agent technique de la Région wallonne;
3° par la Commission mixte de recours, dans le cadre d'un recours. "
Art. 103. Artikel D.V.16, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2019, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
"De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer de aanneming van de omtrek als milieuvergunning in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning of als globale vergunning in de zin van het samenwerkingsakkoord dient te gelden."
"De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer de aanneming van de omtrek als milieuvergunning in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning of als globale vergunning in de zin van het samenwerkingsakkoord dient te gelden."
Art. 103. L'article D.V.16, § 1er, du même Code, modifié par le décret du 12 décembre 2019, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Les dispositions du présent article ne s'appliquent pas lorsque la délimitation du périmètre vaut permis d'environnement au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou permis unique au sens de l'accord de coopération. "
" Les dispositions du présent article ne s'appliquent pas lorsque la délimitation du périmètre vaut permis d'environnement au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou permis unique au sens de l'accord de coopération. "
Art. 104. In artikel D.VII.3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2019, worden tussen de woorden "Behalve de ambtenaren van gerechtelijke politie" en het woord "zijn" de woorden "en onverminderd de bepalingen van het samenwerkingsakkoord" ingevoegd.
Art. 104. Dans l'article D.VII.3, alinéa 1er, du même Code, modifié par le décret du 12 décembre 2019, les mots " et sans préjudice des dispositions de l'accord de coopération " sont insérés entre les mots " de police judiciaire, " et les mots " ont la qualité ".
Art. 105. In artikel D.VIII.33, § 4, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2019, worde de woorden "die ze nuttig acht te raadplegen" vervangen door de woorden "die ze nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht".
Art. 105. Dans l'article D.VIII.33, § 4, du même Code, l'alinéa 1er, modifié par le décret du 12 décembre 2019, est complété par les mots " ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération ".
HOOFDSTUK 9. - Diverse bepalingen
CHAPITRE 9. - Divers
Afdeling 1. - Uitbreiding van het crisisdecreet 2020
Section 1re. - Extension du décret de crise 2020
Art. 106. In het crisisdecreet 2020 van 6 april 2020, gewijzigd bij de decreten van 27 april 2020, 22 juni 2020 en 20 juli 2020, wordt een hoofdstuk 3.5 ingevoegd, dat de artikelen 5.6 tot 5.9 omvat, luidende:
"Hoofdstuk 3.5 - Bijzondere maatregelen inzake gezondheid en ouderen"
"Hoofdstuk 3.5 - Bijzondere maatregelen inzake gezondheid en ouderen"
Art. 106. Dans le décret de crise 2020 du 6 avril 2020, modifié par les décrets des 27 avril 2020, 22 juin 2020 et 20 juillet 2020, il est inséré un chapitre 3.5, comportant les articles 5.6 à 5.9, intitulé comme suit :
" Chapitre 3.5 - Mesures spéciales en matière de santé et de personnes âgées ".
" Chapitre 3.5 - Mesures spéciales en matière de santé et de personnes âgées ".
Art. 107. In hoofdstuk 3.5 van hetzelfde decreet wordt een artikel 5.6 ingevoegd, luidende:
"Art. 5.6 - Om voor het aanbod aan diensten voor ouderen en personen met ondersteuningsbehoefte de negatieve gevolgen te beperken van de gezondheidscrisis die door het coronavirus (COVID-19) is ontstaan, wordt de Regering ertoe gemachtigd om een eenmalige forfaitaire subsidie in te voeren voor de woonzorgcentra voor ouderen van het Duitse taalgebied die door de crisis en de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) in te dijken, extra kosten en minder inkomsten via de bewonersprijs hebben.
Die forfaitaire subsidie bedraagt 3.400 euro, vermenigvuldigd met de ondersteuningscapaciteit van het betrokken woonzorgcentrum voor ouderen.
De Regering bepaalt de nadere regels voor de toekenning en de uitbetaling in een overeenkomst met de betrokken instelling."
"Art. 5.6 - Om voor het aanbod aan diensten voor ouderen en personen met ondersteuningsbehoefte de negatieve gevolgen te beperken van de gezondheidscrisis die door het coronavirus (COVID-19) is ontstaan, wordt de Regering ertoe gemachtigd om een eenmalige forfaitaire subsidie in te voeren voor de woonzorgcentra voor ouderen van het Duitse taalgebied die door de crisis en de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) in te dijken, extra kosten en minder inkomsten via de bewonersprijs hebben.
Die forfaitaire subsidie bedraagt 3.400 euro, vermenigvuldigd met de ondersteuningscapaciteit van het betrokken woonzorgcentrum voor ouderen.
De Regering bepaalt de nadere regels voor de toekenning en de uitbetaling in een overeenkomst met de betrokken instelling."
Art. 107. Dans le chapitre 3.5 du même décret, il est inséré un article 5.6 rédigé comme suit :
" Art. 5.6 - En vue d'atténuer les répercussions de la crise sanitaire provoquée par le coronavirus (COVID- 19) sur les offres pour personnes âgées ou dépendantes, le Gouvernement est habilité à instaurer un subside forfaitaire unique accordé aux maisons de repos et de soins pour personnes âgées de la région de langue allemande qui, à cause de la crise et des mesures prises pour enrayer la propagation du coronavirus (COVID-19), ont encouru des frais supplémentaires et des pertes de revenus au niveau du prix payé par les résidents.
Ce subside forfaitaire s'élève à 3 400 euros, multipliés par la capacité de soutien du centre de repos et de soins pour personnes âgées concerné.
Dans le cadre d'un contrat conclu avec chaque établissement concerné, le Gouvernement fixe les autres modalités d'octroi et de liquidation. "
" Art. 5.6 - En vue d'atténuer les répercussions de la crise sanitaire provoquée par le coronavirus (COVID- 19) sur les offres pour personnes âgées ou dépendantes, le Gouvernement est habilité à instaurer un subside forfaitaire unique accordé aux maisons de repos et de soins pour personnes âgées de la région de langue allemande qui, à cause de la crise et des mesures prises pour enrayer la propagation du coronavirus (COVID-19), ont encouru des frais supplémentaires et des pertes de revenus au niveau du prix payé par les résidents.
Ce subside forfaitaire s'élève à 3 400 euros, multipliés par la capacité de soutien du centre de repos et de soins pour personnes âgées concerné.
Dans le cadre d'un contrat conclu avec chaque établissement concerné, le Gouvernement fixe les autres modalités d'octroi et de liquidation. "
Art. 108. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 5.7 ingevoegd, luidende:
"Art. 5.7 - De woonzorgcentra voor ouderen en de psychiatrische verzorgingstehuizen kunnen isolatie-afdelingen inrichten die bestaan uit kamers van bewoners om daar bewoners onder te brengen die tot een cluster van besmetting met het coronavirus (COVID-19) behoren. In afwijking van de dienstverleningsovereenkomst vermeld in artikel 32, § 2, tweede lid, 6°, van het decreet van 13 december 2018 betreffende het aanbod aan diensten voor ouderen en personen met ondersteuningsbehoefte, alsook betreffende palliatieve zorg, respectievelijk in afwijking van de overeenkomst vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 december 1990 houdende vaststelling van de regels voor het bepalen van de opnemingsprijs voor personen die worden opgenomen in psychiatrische verzorgingstehuizen, zorgt het woonzorgcentrum, respectievelijk het psychiatrisch verzorgingstehuis voor een mogelijkheid om de eigenlijke bewoners van de kamers die als isolatie-afdeling gebruikt worden elders onder te brengen.
De Regering kent de betrokken woonzorgcentra voor ouderen en de psychiatrische verzorgingstehuizen een financiële compensatie toe voor het via de bewonersprijs geleden inkomstenverlies dat door de inrichting van de isolatie-afdeling ontstaat of dat sinds de COVID-19-gezondheidscrisis is ontstaan. Daartoe delen de woonzorgcentra voor ouderen en de psychiatrische verzorgingstehuizen aan de Regering mee gedurende welke periode de bewonerskamers gereserveerd werden."
"Art. 5.7 - De woonzorgcentra voor ouderen en de psychiatrische verzorgingstehuizen kunnen isolatie-afdelingen inrichten die bestaan uit kamers van bewoners om daar bewoners onder te brengen die tot een cluster van besmetting met het coronavirus (COVID-19) behoren. In afwijking van de dienstverleningsovereenkomst vermeld in artikel 32, § 2, tweede lid, 6°, van het decreet van 13 december 2018 betreffende het aanbod aan diensten voor ouderen en personen met ondersteuningsbehoefte, alsook betreffende palliatieve zorg, respectievelijk in afwijking van de overeenkomst vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 december 1990 houdende vaststelling van de regels voor het bepalen van de opnemingsprijs voor personen die worden opgenomen in psychiatrische verzorgingstehuizen, zorgt het woonzorgcentrum, respectievelijk het psychiatrisch verzorgingstehuis voor een mogelijkheid om de eigenlijke bewoners van de kamers die als isolatie-afdeling gebruikt worden elders onder te brengen.
De Regering kent de betrokken woonzorgcentra voor ouderen en de psychiatrische verzorgingstehuizen een financiële compensatie toe voor het via de bewonersprijs geleden inkomstenverlies dat door de inrichting van de isolatie-afdeling ontstaat of dat sinds de COVID-19-gezondheidscrisis is ontstaan. Daartoe delen de woonzorgcentra voor ouderen en de psychiatrische verzorgingstehuizen aan de Regering mee gedurende welke periode de bewonerskamers gereserveerd werden."
Art. 108. Dans le même chapitre, il est inséré un article 5.7 rédigé comme suit :
" Art. 5.7 - Les centres de repos et de soins pour personnes âgées ainsi que les maisons de soins psychiatriques peuvent aménager des blocs d'isolement composés de chambres de résidents afin d'y héberger des résidents d'un foyer de contamination touché par le coronavirus (COVID-19). Par dérogation au contrat de prestation prévu à l'article 32, § 2, alinéa 2, 6°, du décret du 13 décembre 2018 concernant les offres pour personnes âgées ou dépendantes ainsi que les soins palliatifs, ou selon le cas, par dérogation au contrat conclu en vertu de l'article 1er de l'arrêté royal du 10 décembre 1990 fixant les règles pour la fixation du prix d'hébergement pour les personnes admises dans des maisons de soins psychiatriques, le centre de repos et de soins ou, selon le cas, la maison de soins psychiatriques veille à offrir une autre opportunité pour les résidents habituels de ces chambres utilisées comme bloc d'isolement.
Aux centres de repos et de soins pour personnes âgées et maisons de soins psychiatriques concernés, le Gouvernement octroie une compensation financière pour les pertes de revenus au niveau du prix payé par les résidents, pertes dues à l'aménagement du bloc d'isolement ou enregistrées depuis le début de la crise sanitaire provoquée par le coronavirus (COVID-19). A cette fin, les centres de repos et de soins pour personnes âgées ou, selon le cas, les maisons de soins psychiatriques communiquent au Gouvernement la période pendant laquelle les chambres des résidents ont été réservées. "
" Art. 5.7 - Les centres de repos et de soins pour personnes âgées ainsi que les maisons de soins psychiatriques peuvent aménager des blocs d'isolement composés de chambres de résidents afin d'y héberger des résidents d'un foyer de contamination touché par le coronavirus (COVID-19). Par dérogation au contrat de prestation prévu à l'article 32, § 2, alinéa 2, 6°, du décret du 13 décembre 2018 concernant les offres pour personnes âgées ou dépendantes ainsi que les soins palliatifs, ou selon le cas, par dérogation au contrat conclu en vertu de l'article 1er de l'arrêté royal du 10 décembre 1990 fixant les règles pour la fixation du prix d'hébergement pour les personnes admises dans des maisons de soins psychiatriques, le centre de repos et de soins ou, selon le cas, la maison de soins psychiatriques veille à offrir une autre opportunité pour les résidents habituels de ces chambres utilisées comme bloc d'isolement.
Aux centres de repos et de soins pour personnes âgées et maisons de soins psychiatriques concernés, le Gouvernement octroie une compensation financière pour les pertes de revenus au niveau du prix payé par les résidents, pertes dues à l'aménagement du bloc d'isolement ou enregistrées depuis le début de la crise sanitaire provoquée par le coronavirus (COVID-19). A cette fin, les centres de repos et de soins pour personnes âgées ou, selon le cas, les maisons de soins psychiatriques communiquent au Gouvernement la période pendant laquelle les chambres des résidents ont été réservées. "
Art. 109. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 5.8 ingevoegd, luidende:
"Art. 5.8 - Om de negatieve gevolgen van de COVID-19-gezondheidscrisis te beperken wordt de Regering ertoe gemachtigd om aan de volgende dienstverrichters, instellingen en organisaties een eenmalige subsidie te betalen voor de extra kosten en inkomstenverliezen die zijn ontstaan door de crisis en door de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) in te dijken:
1° dienstverrichters die activiteiten van de personenondersteuning en diensten van de thuisondersteuning aanbieden in de zin van het decreet van 13 decreet 2018 betreffende het aanbod aan diensten voor ouderen en personen met ondersteuningsbehoefte, alsook betreffende palliatieve zorg;
2° inrichtende machten van psychiatrische verzorgingstehuizen in de zin van het decreet van 4 juni 2007 betreffende de psychiatrische verzorgingstehuizen;
3° initiatieven van beschut wonen in de zin van artikel 6 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
4° de diensten die erkend zijn overeenkomstig het koninklijk besluit van 20 maart 1975 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de diensten voor geestelijke gezondheidszorg;
5° huisartsenkringen in de zin van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen.
In een overeenkomst met de betrokken dienstverrichter, de betrokken instelling of de betrokken organisatie bepaalt de Regering:
1° het bedrag van de subsidie;
2° de voor de toepassing van dit artikel aanneembare kosten en inkomstenverliezen;
3° de nadere regels voor de toekenning en de uitbetaling."
"Art. 5.8 - Om de negatieve gevolgen van de COVID-19-gezondheidscrisis te beperken wordt de Regering ertoe gemachtigd om aan de volgende dienstverrichters, instellingen en organisaties een eenmalige subsidie te betalen voor de extra kosten en inkomstenverliezen die zijn ontstaan door de crisis en door de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) in te dijken:
1° dienstverrichters die activiteiten van de personenondersteuning en diensten van de thuisondersteuning aanbieden in de zin van het decreet van 13 decreet 2018 betreffende het aanbod aan diensten voor ouderen en personen met ondersteuningsbehoefte, alsook betreffende palliatieve zorg;
2° inrichtende machten van psychiatrische verzorgingstehuizen in de zin van het decreet van 4 juni 2007 betreffende de psychiatrische verzorgingstehuizen;
3° initiatieven van beschut wonen in de zin van artikel 6 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
4° de diensten die erkend zijn overeenkomstig het koninklijk besluit van 20 maart 1975 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de diensten voor geestelijke gezondheidszorg;
5° huisartsenkringen in de zin van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen.
In een overeenkomst met de betrokken dienstverrichter, de betrokken instelling of de betrokken organisatie bepaalt de Regering:
1° het bedrag van de subsidie;
2° de voor de toepassing van dit artikel aanneembare kosten en inkomstenverliezen;
3° de nadere regels voor de toekenning en de uitbetaling."
Art. 109. Dans le même chapitre, il est inséré un article 5.8 rédigé comme suit :
" Art. 5.8 - En vue d'atténuer les répercussions de la crise sanitaire provoquée par le coronavirus (COVID-19), le Gouvernement est habilité à liquider aux prestataires, institutions et organisations suivants un subside unique pour couvrir les frais supplémentaires et pertes de revenus dus à la crise et aux mesures prises pour enrayer la propagation du coronavirus (COVID-19) :
1° les prestataires d'activités relevant de l'aide aux personnes et d'offres de soutien à domicile au sens du décret du 13 décembre 2018 concernant les offres pour personnes âgées ou dépendantes ainsi que les soins palliatifs;
2° les pouvoirs organisateurs de maisons de soins psychiatriques au sens du décret du 4 juin 2007 relatif aux maisons de soins psychiatriques;
3° les initiatives d'habitation protégée au sens de l'article 6 de la loi sur les hôpitaux et autres établissement de soins, coordonnée le 10 juillet 2008;
4° les services agréés conformément à l'arrêté royal du 20 mars 1975 relatif à l'agréation des services de santé mentale et à l'octroi de subventions en leur faveur;
5° les cercles de médecins généralistes au sens de l'arrêté royal du 8 juillet 2002 fixant les missions confiées aux cercles de médecins généralistes.
Dans le cadre d'un contrat conclu avec chacun des prestataires, institutions et organisations, le Gouvernement détermine :
1° le montant du subside;
2° les frais et pertes de revenus admissibles pour l'application du présent article;
3° les autres modalités d'octroi et de liquidation. "
" Art. 5.8 - En vue d'atténuer les répercussions de la crise sanitaire provoquée par le coronavirus (COVID-19), le Gouvernement est habilité à liquider aux prestataires, institutions et organisations suivants un subside unique pour couvrir les frais supplémentaires et pertes de revenus dus à la crise et aux mesures prises pour enrayer la propagation du coronavirus (COVID-19) :
1° les prestataires d'activités relevant de l'aide aux personnes et d'offres de soutien à domicile au sens du décret du 13 décembre 2018 concernant les offres pour personnes âgées ou dépendantes ainsi que les soins palliatifs;
2° les pouvoirs organisateurs de maisons de soins psychiatriques au sens du décret du 4 juin 2007 relatif aux maisons de soins psychiatriques;
3° les initiatives d'habitation protégée au sens de l'article 6 de la loi sur les hôpitaux et autres établissement de soins, coordonnée le 10 juillet 2008;
4° les services agréés conformément à l'arrêté royal du 20 mars 1975 relatif à l'agréation des services de santé mentale et à l'octroi de subventions en leur faveur;
5° les cercles de médecins généralistes au sens de l'arrêté royal du 8 juillet 2002 fixant les missions confiées aux cercles de médecins généralistes.
Dans le cadre d'un contrat conclu avec chacun des prestataires, institutions et organisations, le Gouvernement détermine :
1° le montant du subside;
2° les frais et pertes de revenus admissibles pour l'application du présent article;
3° les autres modalités d'octroi et de liquidation. "
Art. 110. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 5.9 ingevoegd, luidende:
"Art. 5.9 - Om de negatieve gevolgen van de COVID-19-gezondheidscrisis op de ziekenhuizen in het Duitse taalgebied te beperken, wordt de Regering ertoe gemachtigd om aan die ziekenhuizen een eenmalige subsidie te betalen voor de extra kosten voor niet-duurzame infrastructuuraanpassingen die ze hebben gehad door de crisis en door de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) in te dijken.
De Regering bepaalt het bedrag van de subsidie en de nadere regels voor de toekenning en de uitbetaling in een overeenkomst met het betrokken ziekenhuis."
"Art. 5.9 - Om de negatieve gevolgen van de COVID-19-gezondheidscrisis op de ziekenhuizen in het Duitse taalgebied te beperken, wordt de Regering ertoe gemachtigd om aan die ziekenhuizen een eenmalige subsidie te betalen voor de extra kosten voor niet-duurzame infrastructuuraanpassingen die ze hebben gehad door de crisis en door de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) in te dijken.
De Regering bepaalt het bedrag van de subsidie en de nadere regels voor de toekenning en de uitbetaling in een overeenkomst met het betrokken ziekenhuis."
Art. 110. Dans le même chapitre, il est inséré un article 5.9, rédigé comme suit :
" Art. 5.9 - En vue d'atténuer les répercussions de la crise sanitaire provoquée par le coronavirus (COVID-19) sur les hôpitaux situés en région de langue allemande, le Gouvernement est habilité à leur liquider un subside unique pour couvrir les frais supplémentaires encourus pour des adaptations temporaires de l'infrastructure en raison de la crise et des mesures prises pour enrayer la propagation du coronavirus (COVID-19).
Dans le cadre d'un contrat conclu avec l'hôpital concerné, le Gouvernement fixe le montant du subside ainsi que les autres modalités d'octroi et de liquidation. "
" Art. 5.9 - En vue d'atténuer les répercussions de la crise sanitaire provoquée par le coronavirus (COVID-19) sur les hôpitaux situés en région de langue allemande, le Gouvernement est habilité à leur liquider un subside unique pour couvrir les frais supplémentaires encourus pour des adaptations temporaires de l'infrastructure en raison de la crise et des mesures prises pour enrayer la propagation du coronavirus (COVID-19).
Dans le cadre d'un contrat conclu avec l'hôpital concerné, le Gouvernement fixe le montant du subside ainsi que les autres modalités d'octroi et de liquidation. "
Art. 111. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 5.10 ingevoegd, luidende:
"Art. 5.10 - De Regering kent volgende instellingen een subsidie toe als tegemoetkoming in de kosten voor het verwerven van de consumptiecheques vermeld in artikel 19quinquies van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders:
1° dienstverrichters van de gezins- en ouderenhulp, de sociale huishoudelijke hulp, de woonzorgcentra voor ouderen en het samenwerkingsverband voor palliatieve zorg in de zin van het decreet van 13 december 2018 betreffende het aanbod aan diensten voor ouderen en personen met ondersteuningsbehoefte, alsook betreffende palliatieve zorg;
2° inrichtende machten van psychiatrische verzorgingstehuizen in de zin van het decreet van 4 juni 2007 betreffende de psychiatrische verzorgingstehuizen;
3° dienstverrichters van instellingsgebonden woonvormen in de zin van artikel 12, 2°, van het decreet van 13 december 2016 tot oprichting van een dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor zelfbeschikkend leven.
De instellingen vermeld in het eerste lid ontvangen die subsidie als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1° de door hen verworven consumptiecheques voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 19quinquies, § 2, respectievelijk § 3, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
2° De instellingen hebben die consumptiecheques verworven voor personeelsleden aan wie ze tussen 1 maart 2020 en 31 december 2020 loon uitbetaald hebben.
De subsidiëring vermeld in het eerste lid moet voldoen aan de volgende nadere regels:
1° Voor elk personeelslid in de zin van het tweede lid, 2°, voor wie de instellingen een consumptiecheque hebben verworven, ontvangen de instellingen een subsidiëring ten belope van 150 euro als het personeelslid tussen 1 maart 2020 en 31 december 2020 hoogstens halftijds aangesteld was.
2° Voor elk ander personeelslid in de zin van het tweede lid, 2°, voor wie een consumptiecheque werd verworven, ontvangen de instellingen een subsidiëring ten belope van 300 euro.
Voor de toepassing van het eerste tot het derde lid delen de instellingen aan de Regering mee aan hoeveel personeelsleden ze tussen 1 maart 2020 en 31 december 2020 loon hebben uitbetaald, opgesplitst naar arbeidstijdregeling."
"Art. 5.10 - De Regering kent volgende instellingen een subsidie toe als tegemoetkoming in de kosten voor het verwerven van de consumptiecheques vermeld in artikel 19quinquies van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders:
1° dienstverrichters van de gezins- en ouderenhulp, de sociale huishoudelijke hulp, de woonzorgcentra voor ouderen en het samenwerkingsverband voor palliatieve zorg in de zin van het decreet van 13 december 2018 betreffende het aanbod aan diensten voor ouderen en personen met ondersteuningsbehoefte, alsook betreffende palliatieve zorg;
2° inrichtende machten van psychiatrische verzorgingstehuizen in de zin van het decreet van 4 juni 2007 betreffende de psychiatrische verzorgingstehuizen;
3° dienstverrichters van instellingsgebonden woonvormen in de zin van artikel 12, 2°, van het decreet van 13 december 2016 tot oprichting van een dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor zelfbeschikkend leven.
De instellingen vermeld in het eerste lid ontvangen die subsidie als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1° de door hen verworven consumptiecheques voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 19quinquies, § 2, respectievelijk § 3, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
2° De instellingen hebben die consumptiecheques verworven voor personeelsleden aan wie ze tussen 1 maart 2020 en 31 december 2020 loon uitbetaald hebben.
De subsidiëring vermeld in het eerste lid moet voldoen aan de volgende nadere regels:
1° Voor elk personeelslid in de zin van het tweede lid, 2°, voor wie de instellingen een consumptiecheque hebben verworven, ontvangen de instellingen een subsidiëring ten belope van 150 euro als het personeelslid tussen 1 maart 2020 en 31 december 2020 hoogstens halftijds aangesteld was.
2° Voor elk ander personeelslid in de zin van het tweede lid, 2°, voor wie een consumptiecheque werd verworven, ontvangen de instellingen een subsidiëring ten belope van 300 euro.
Voor de toepassing van het eerste tot het derde lid delen de instellingen aan de Regering mee aan hoeveel personeelsleden ze tussen 1 maart 2020 en 31 december 2020 loon hebben uitbetaald, opgesplitst naar arbeidstijdregeling."
Art. 111. Dans le même chapitre, il est inséré un article 5.10 rédigé comme suit :
" Art. 5.10 - Le Gouvernement octroie un subside au titre de participation au coût d'acquisition des chèques consommation mentionnés à l'article 19quinquies de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs aux organismes suivants :
1° aux prestataires de l'aide aux familles et aux personnes âgées, de l'aide ménagère sociale, des centres de repos et de soins pour personnes âgées ainsi qu'à l'association de soins palliatifs au sens du décret du 13 décembre 2018 concernant les offres pour personnes âgées ou dépendantes ainsi que les soins palliatifs;
2° aux pouvoirs organisateurs de maisons de soins psychiatriques au sens du décret du 4 juin 2007 relatif aux maisons de soins psychiatriques;
3° aux prestataires de formes de logement en institution au sens de article 12, 2°, du décret du 13 décembre 2016 portant création d'un Office de la Communauté germanophone pour une vie autodéterminée.
Les organismes mentionnés à l'alinéa 1er obtiennent ce subside si les conditions suivantes sont remplies :
1° les chèques consommation qu'ils ont acquis répondent aux conditions mentionnées à l'article 19quinquies, § 2, ou, selon le cas, § 3, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
2° les organismes ont acquis ces chèques consommation au bénéfice du personnel auquel ils ont liquidé un salaire entre le 1er mars 2020 et le 31 décembre 2020.
Le subventionnement prévu au premier alinéa est soumis aux modalités suivantes :
1° les organismes reçoivent un subside de 150 euros par membre du personnel au sens de l'alinéa 2, 2°, pour lequel un chèque consommation a été acquis, lorsque ce membre était occupé au plus à mi-temps entre le 1er mars 2020 et le 31 décembre 2020;
2° les organismes reçoivent un subside de 300 euros pour tout autre membre du personnel au sens de l'alinéa 2, 2°, pour lequel un chèque consommation a été acquis.
Pour l'application des alinéas 1er à 3, les organismes transmettent au Gouvernement des données sur le nombre de membres du personnel auxquels ils ont liquidé un salaire entre le 1er mars 2020 et le 31 décembre 2020, réparties selon le régime de temps de travail de ces membres du personnel. "
" Art. 5.10 - Le Gouvernement octroie un subside au titre de participation au coût d'acquisition des chèques consommation mentionnés à l'article 19quinquies de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs aux organismes suivants :
1° aux prestataires de l'aide aux familles et aux personnes âgées, de l'aide ménagère sociale, des centres de repos et de soins pour personnes âgées ainsi qu'à l'association de soins palliatifs au sens du décret du 13 décembre 2018 concernant les offres pour personnes âgées ou dépendantes ainsi que les soins palliatifs;
2° aux pouvoirs organisateurs de maisons de soins psychiatriques au sens du décret du 4 juin 2007 relatif aux maisons de soins psychiatriques;
3° aux prestataires de formes de logement en institution au sens de article 12, 2°, du décret du 13 décembre 2016 portant création d'un Office de la Communauté germanophone pour une vie autodéterminée.
Les organismes mentionnés à l'alinéa 1er obtiennent ce subside si les conditions suivantes sont remplies :
1° les chèques consommation qu'ils ont acquis répondent aux conditions mentionnées à l'article 19quinquies, § 2, ou, selon le cas, § 3, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
2° les organismes ont acquis ces chèques consommation au bénéfice du personnel auquel ils ont liquidé un salaire entre le 1er mars 2020 et le 31 décembre 2020.
Le subventionnement prévu au premier alinéa est soumis aux modalités suivantes :
1° les organismes reçoivent un subside de 150 euros par membre du personnel au sens de l'alinéa 2, 2°, pour lequel un chèque consommation a été acquis, lorsque ce membre était occupé au plus à mi-temps entre le 1er mars 2020 et le 31 décembre 2020;
2° les organismes reçoivent un subside de 300 euros pour tout autre membre du personnel au sens de l'alinéa 2, 2°, pour lequel un chèque consommation a été acquis.
Pour l'application des alinéas 1er à 3, les organismes transmettent au Gouvernement des données sur le nombre de membres du personnel auxquels ils ont liquidé un salaire entre le 1er mars 2020 et le 31 décembre 2020, réparties selon le régime de temps de travail de ces membres du personnel. "
Art. 112. In hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk 3.6 ingevoegd, dat artikel 5.11 omvat, luidende:
"Hoofdstuk 3.6 - Bijzondere maatregelen op het gebied van culturele aangelegenheden"
"Hoofdstuk 3.6 - Bijzondere maatregelen op het gebied van culturele aangelegenheden"
Art. 112. Dans le même décret, il est inséré un chapitre 3.6, comportant l'article 5.11, intitulé comme suit :
" Chapitre 3.6 - Mesures spéciales en ce qui concerne les Affaires culturelles ".
" Chapitre 3.6 - Mesures spéciales en ce qui concerne les Affaires culturelles ".
Art. 113. In hoofdstuk 3.6 van hetzelfde decreet wordt een artikel 5.11 ingevoegd, luidende:
"Art. 5.11 - Om de negatieve gevolgen van de COVID-19-gezondheidscrisis te beperken wordt de Regering ertoe gemachtigd om een eenmalige subsidie van hoogstens 10.000 euro voor verenigingsinfrastructuur te betalen voor de extra kosten en inkomstenverliezen die zijn ontstaan door de crisis en door de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) in te dijken. Om die subsidie te ontvangen, richten de organisaties vermeld in het tweede lid een aanvraag aan de Regering via het daarvoor door de Regering ter beschikking gestelde formulier.
De aanvraag kan worden ingediend door verenigingen zonder winstoogmerk:
1° die een infrastructuur beheren die gebruikt wordt door verenigingen en;
2° die eigenaar zijn van die infrastructuur of in het bezit zijn van een erfpachtovereenkomst, opstalovereenkomst of huurovereenkomst die, op het ogenblik van de aanvraag, een looptijd van ten minste drie jaar heeft. Als een gemeente eigenaar is van het te subsidiëren onroerend goed, kan de erfpachtovereenkomst, opstalovereenkomst of huurovereenkomst vervangen worden door een gebruiksrecht.
De aanvraag mag niet worden ingediend door verenigingen die op grond van één van de volgende decreten subsidie voor werkings- en personeelskosten ontvangen:
1° creatieve ateliers die ondersteund worden overeenkomstig het decreet van 16 december 2003 betreffende de bevordering van creatieve ateliers;
2° sportorganisaties die ondersteund worden overeenkomstig het sportdecreet van 19 april 2004;
3° bioscoophouders die ondersteund worden overeenkomstig het decreet van 27 juni 2005 over de audiovisuele mediadiensten en de filmvoorstellingen;
4° musea die erkend zijn overeenkomstig het decreet van 7 mei 2007 over de bevordering van de musea en van de cultureel-erfgoedpublicaties;
5° instellingen voor volwassenenonderwijs die ondersteund worden overeenkomstig het decreet van 17 november 2008 ter ondersteuning van de instellingen voor volwassenenonderwijs;
6° jeugdvoorzieningen die ondersteund worden overeenkomstig het decreet van 6 december 2011 ter ondersteuning van het jeugdwerk;
7° cultuuraanbieders die ondersteund worden overeenkomstig het decreet van 18 november 2013 betreffende de ondersteuning van cultuur in de Duitstalige Gemeenschap.
De subsidie kan alleen worden toegekend als de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de subsidie heeft uitsluitend betrekking op kosten en inkomstenverliezen die in de periode van 10 maart 2020 tot 31 december 2020 ontstaan zijn door de crisis en door de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) in te dijken;
2° er kan aangetoond worden dat de aanvrager getracht heeft om het inkomstenverlies en de extra uitgaven zo laag mogelijk te houden;
3° de aanvrager heeft, indien van toepassing, aan de mensen die op honorariumbasis werken, honoraria uitbetaald voor hun geplande activiteiten die niet konden doorgaan;
4° de aanvrager houdt alle relevante bewijsstukken bij om ze op verzoek van de Regering te kunnen voorleggen;
5° de aanvrager verleent de Regering inzage in alle boekhoudkundige documenten om zijn financiële situatie te kunnen beoordelen; dit omvat ook de begeleiding door een accountant.
De Regering bepaalt de nadere regels voor de aanvraag, alsook het bedrag van de subsidie en de nadere regels voor de toekenning en de uitbetaling ervan."
"Art. 5.11 - Om de negatieve gevolgen van de COVID-19-gezondheidscrisis te beperken wordt de Regering ertoe gemachtigd om een eenmalige subsidie van hoogstens 10.000 euro voor verenigingsinfrastructuur te betalen voor de extra kosten en inkomstenverliezen die zijn ontstaan door de crisis en door de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) in te dijken. Om die subsidie te ontvangen, richten de organisaties vermeld in het tweede lid een aanvraag aan de Regering via het daarvoor door de Regering ter beschikking gestelde formulier.
De aanvraag kan worden ingediend door verenigingen zonder winstoogmerk:
1° die een infrastructuur beheren die gebruikt wordt door verenigingen en;
2° die eigenaar zijn van die infrastructuur of in het bezit zijn van een erfpachtovereenkomst, opstalovereenkomst of huurovereenkomst die, op het ogenblik van de aanvraag, een looptijd van ten minste drie jaar heeft. Als een gemeente eigenaar is van het te subsidiëren onroerend goed, kan de erfpachtovereenkomst, opstalovereenkomst of huurovereenkomst vervangen worden door een gebruiksrecht.
De aanvraag mag niet worden ingediend door verenigingen die op grond van één van de volgende decreten subsidie voor werkings- en personeelskosten ontvangen:
1° creatieve ateliers die ondersteund worden overeenkomstig het decreet van 16 december 2003 betreffende de bevordering van creatieve ateliers;
2° sportorganisaties die ondersteund worden overeenkomstig het sportdecreet van 19 april 2004;
3° bioscoophouders die ondersteund worden overeenkomstig het decreet van 27 juni 2005 over de audiovisuele mediadiensten en de filmvoorstellingen;
4° musea die erkend zijn overeenkomstig het decreet van 7 mei 2007 over de bevordering van de musea en van de cultureel-erfgoedpublicaties;
5° instellingen voor volwassenenonderwijs die ondersteund worden overeenkomstig het decreet van 17 november 2008 ter ondersteuning van de instellingen voor volwassenenonderwijs;
6° jeugdvoorzieningen die ondersteund worden overeenkomstig het decreet van 6 december 2011 ter ondersteuning van het jeugdwerk;
7° cultuuraanbieders die ondersteund worden overeenkomstig het decreet van 18 november 2013 betreffende de ondersteuning van cultuur in de Duitstalige Gemeenschap.
De subsidie kan alleen worden toegekend als de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de subsidie heeft uitsluitend betrekking op kosten en inkomstenverliezen die in de periode van 10 maart 2020 tot 31 december 2020 ontstaan zijn door de crisis en door de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) in te dijken;
2° er kan aangetoond worden dat de aanvrager getracht heeft om het inkomstenverlies en de extra uitgaven zo laag mogelijk te houden;
3° de aanvrager heeft, indien van toepassing, aan de mensen die op honorariumbasis werken, honoraria uitbetaald voor hun geplande activiteiten die niet konden doorgaan;
4° de aanvrager houdt alle relevante bewijsstukken bij om ze op verzoek van de Regering te kunnen voorleggen;
5° de aanvrager verleent de Regering inzage in alle boekhoudkundige documenten om zijn financiële situatie te kunnen beoordelen; dit omvat ook de begeleiding door een accountant.
De Regering bepaalt de nadere regels voor de aanvraag, alsook het bedrag van de subsidie en de nadere regels voor de toekenning en de uitbetaling ervan."
Art. 113. Dans le chapitre 3.6 du même décret, il est inséré un article 5.11 rédigé comme suit :
" Art. 5.11 - En vue d'atténuer les répercussions de la crise sanitaire provoquée par le coronavirus (COVID- 19), le Gouvernement est habilité à liquider aux associations un subside unique d'infrastructure s'élevant à 10 000 euros maximum afin de couvrir les frais supplémentaires et pertes de revenus dus à la crise et aux mesures prises pour enrayer la propagation du coronavirus (COVID-19). Pour recevoir ce subside, les organisations mentionnées à l'alinéa 2 adressent au Gouvernement une demande sur le formulaire prévu par lui à cette fin.
Peuvent introduire une demande les associations sans but lucratif qui :
1° gèrent une infrastructure utilisée par les associations et
2° sont propriétaires de ladite infrastructure ou sont, au moment de la demande, en possession d'un contrat de bail emphytéotique, d'un contrat de louage à domaine congéable ou d'un contrat de location d'une durée minimale de trois ans. Lorsqu'une commune est propriétaire du bien immobilier à subsidier, le contrat de bail emphytéotique, de louage à domaine congéable ou de location peut être remplacé par un droit d'usage.
Ne peuvent introduire une demande les associations qui reçoivent un subside pour frais de fonctionnement et de personnel sur la base de l'un des décrets suivants :
1° les ateliers soutenus conformément au décret du 16 décembre 2003 relatif à la promotion des ateliers créatifs;
2° les organisations sportives soutenues en vertu du décret sur le sport du 19 avril 2004;
3° les exploitants de cinéma soutenus en vertu du décret du 27 juin 2005 sur les services de médias audiovisuels et les représentations cinématographiques;
4° les musées agréés en vertu du décret du 7 mai 2007 relatif à la promotion des musées et des publications dans le domaine du patrimoine culturel;
5° les établissements de formation pour adultes soutenus en vertu du décret du 17 novembre 2008 visant à soutenir les établissements de formation pour adultes;
6° les établissements pour jeunes soutenus en vertu du décret du 6 décembre 2011 visant à soutenir l'animation de jeunesse;
7° les opérateurs culturels soutenus en vertu du décret du 18 novembre 2013 visant à soutenir la culture en Communauté germanophone.
L'octroi du subside est soumis aux conditions suivantes :
1° le subside concerne uniquement les frais et pertes de revenus encourus, pendant la période allant du 10 mars 2020 au 31 décembre 2020, en raison de la crise et des mesures prises pour enrayer la propagation du coronavirus (COVID-19);
2° le demandeur s'est manifestement efforcé de contenir autant que possible les pertes de revenus et de limiter au strict nécessaire les dépenses supplémentaires;
3° le demandeur a, le cas échéant, liquidé une indemnité pour perte d'honoraires aux personnes en percevant;
4° le demandeur présente, à la demande du Gouvernement, tous les justificatifs pertinents;
5° le demandeur octroie au Gouvernement, pour juger de sa situation financière, un droit de regard complet dans les documents comptables; cela comprend l'encadrement par un expert-comptable.
Le Gouvernement fixe les autres modalités de demande ainsi que le montant du subside et les autres modalités d'octroi et de liquidation. "
" Art. 5.11 - En vue d'atténuer les répercussions de la crise sanitaire provoquée par le coronavirus (COVID- 19), le Gouvernement est habilité à liquider aux associations un subside unique d'infrastructure s'élevant à 10 000 euros maximum afin de couvrir les frais supplémentaires et pertes de revenus dus à la crise et aux mesures prises pour enrayer la propagation du coronavirus (COVID-19). Pour recevoir ce subside, les organisations mentionnées à l'alinéa 2 adressent au Gouvernement une demande sur le formulaire prévu par lui à cette fin.
Peuvent introduire une demande les associations sans but lucratif qui :
1° gèrent une infrastructure utilisée par les associations et
2° sont propriétaires de ladite infrastructure ou sont, au moment de la demande, en possession d'un contrat de bail emphytéotique, d'un contrat de louage à domaine congéable ou d'un contrat de location d'une durée minimale de trois ans. Lorsqu'une commune est propriétaire du bien immobilier à subsidier, le contrat de bail emphytéotique, de louage à domaine congéable ou de location peut être remplacé par un droit d'usage.
Ne peuvent introduire une demande les associations qui reçoivent un subside pour frais de fonctionnement et de personnel sur la base de l'un des décrets suivants :
1° les ateliers soutenus conformément au décret du 16 décembre 2003 relatif à la promotion des ateliers créatifs;
2° les organisations sportives soutenues en vertu du décret sur le sport du 19 avril 2004;
3° les exploitants de cinéma soutenus en vertu du décret du 27 juin 2005 sur les services de médias audiovisuels et les représentations cinématographiques;
4° les musées agréés en vertu du décret du 7 mai 2007 relatif à la promotion des musées et des publications dans le domaine du patrimoine culturel;
5° les établissements de formation pour adultes soutenus en vertu du décret du 17 novembre 2008 visant à soutenir les établissements de formation pour adultes;
6° les établissements pour jeunes soutenus en vertu du décret du 6 décembre 2011 visant à soutenir l'animation de jeunesse;
7° les opérateurs culturels soutenus en vertu du décret du 18 novembre 2013 visant à soutenir la culture en Communauté germanophone.
L'octroi du subside est soumis aux conditions suivantes :
1° le subside concerne uniquement les frais et pertes de revenus encourus, pendant la période allant du 10 mars 2020 au 31 décembre 2020, en raison de la crise et des mesures prises pour enrayer la propagation du coronavirus (COVID-19);
2° le demandeur s'est manifestement efforcé de contenir autant que possible les pertes de revenus et de limiter au strict nécessaire les dépenses supplémentaires;
3° le demandeur a, le cas échéant, liquidé une indemnité pour perte d'honoraires aux personnes en percevant;
4° le demandeur présente, à la demande du Gouvernement, tous les justificatifs pertinents;
5° le demandeur octroie au Gouvernement, pour juger de sa situation financière, un droit de regard complet dans les documents comptables; cela comprend l'encadrement par un expert-comptable.
Le Gouvernement fixe les autres modalités de demande ainsi que le montant du subside et les autres modalités d'octroi et de liquidation. "
Art. 114. Artikel 8.3 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 juli 2020, wordt vervangen als volgt:
"Art. 8.3 - Ongeacht de bepalingen van het decreet van 15 december 2008 betreffende de financiering van de gemeenten en van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn door de Duitstalige Gemeenschap ontvangen de gemeenten een eenmalige aanvullende dotatie ten belope van 4.341.000 euro om, voor de toeristische sector op het niveau van de gemeenten, de negatieve gevolgen te beperken van de gezondheidscrisis die door het coronavirus (COVID-19) is ontstaan. Dat bedrag wordt als volgt onder de gemeenten verdeeld:
Amel 301.000 euro
Büllingen 522.000 euro
Burg-Reuland 396.000 euro
Bütgenbach 619.000 euro
Eupen 940.500 euro
Kelmis 237.500 euro
Lontzen 151.000 euro
Raeren 407.500 euro
Sankt Vith 766.500 euro"
"Art. 8.3 - Ongeacht de bepalingen van het decreet van 15 december 2008 betreffende de financiering van de gemeenten en van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn door de Duitstalige Gemeenschap ontvangen de gemeenten een eenmalige aanvullende dotatie ten belope van 4.341.000 euro om, voor de toeristische sector op het niveau van de gemeenten, de negatieve gevolgen te beperken van de gezondheidscrisis die door het coronavirus (COVID-19) is ontstaan. Dat bedrag wordt als volgt onder de gemeenten verdeeld:
Amel 301.000 euro
Büllingen 522.000 euro
Burg-Reuland 396.000 euro
Bütgenbach 619.000 euro
Eupen 940.500 euro
Kelmis 237.500 euro
Lontzen 151.000 euro
Raeren 407.500 euro
Sankt Vith 766.500 euro"
Art. 114. L'article 8.3 du même décret, inséré par le décret du 20 juillet 2020, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 8.3 - Nonobstant les dispositions du décret du 15 décembre 2008 portant financement des communes et des centres publics d'aide sociale par la Communauté germanophone, les communes reçoivent une dotation supplémentaire unique s'élevant à 4 341 000 euros afin d'atténuer au niveau communal, dans le secteur touristique, les répercussions de la crise sanitaire provoquée par le coronavirus (COVID-19). Ce montant est réparti comme suit entre les communes :
Amblève : 301 000 euros;
Bullange : 522 000 euros;
Burg-Reuland : 396 000 euros;
Butgenbach : 619 000 euros;
Eupen : 940 500 euros;
La Calamine : 237 500 euros;
Lontzen : 151 000 euros;
Raeren : 407 500 euros;
Saint-Vith : 766 500 euros.
" Art. 8.3 - Nonobstant les dispositions du décret du 15 décembre 2008 portant financement des communes et des centres publics d'aide sociale par la Communauté germanophone, les communes reçoivent une dotation supplémentaire unique s'élevant à 4 341 000 euros afin d'atténuer au niveau communal, dans le secteur touristique, les répercussions de la crise sanitaire provoquée par le coronavirus (COVID-19). Ce montant est réparti comme suit entre les communes :
Amblève : 301 000 euros;
Bullange : 522 000 euros;
Burg-Reuland : 396 000 euros;
Butgenbach : 619 000 euros;
Eupen : 940 500 euros;
La Calamine : 237 500 euros;
Lontzen : 151 000 euros;
Raeren : 407 500 euros;
Saint-Vith : 766 500 euros.
Art. 115. In hetzelfde decreet wordt een artikel 8.4 ingevoegd, luidende:
"Art. 8.4 - Ongeacht de bepalingen van het decreet van 15 december 2008 betreffende de financiering van de gemeenten en van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn door de Duitstalige Gemeenschap en onverminderd artikel 8.3 ontvangen de gemeenten voor de begrotingsjaren 2020 en 2021 een aanvullende dotatie om, voor de gemeentefinanciën, de negatieve gevolgen te beperken van de gezondheidscrisis die door het coronavirus (COVID-19) is ontstaan.
Voor het begrotingsjaar 2020 bedraagt de aanvullende dotatie 493.381,78 euro. Dat bedrag wordt als volgt onder de gemeenten verdeeld:
Amel 36.514,97 euro
Büllingen 39.522,14 euro
Burg-Reuland 26.900,69 euro
Bütgenbach 37.200,81 euro
Eupen 140.973,33 euro
Kelmis 55.762,73 euro
Lontzen 31.919,85 euro
Raeren 58.248,88 euro
Sankt Vith 66.338,38 euro
Voor het begrotingsjaar 2021 bedraagt de aanvullende dotatie 659.322,83 euro. Dat bedrag wordt als volgt onder de gemeenten verdeeld:
Amel 48.516,53 euro
Büllingen 52.640,77 euro
Burg-Reuland 35.852,36 euro
Bütgenbach 49.397,75 euro
Eupen 189.182,21 euro
Kelmis 74.626,09 euro
Lontzen 42.739,17 euro
Raeren 77.693,28 euro
Sankt Vith 88.674,67 euro"
"Art. 8.4 - Ongeacht de bepalingen van het decreet van 15 december 2008 betreffende de financiering van de gemeenten en van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn door de Duitstalige Gemeenschap en onverminderd artikel 8.3 ontvangen de gemeenten voor de begrotingsjaren 2020 en 2021 een aanvullende dotatie om, voor de gemeentefinanciën, de negatieve gevolgen te beperken van de gezondheidscrisis die door het coronavirus (COVID-19) is ontstaan.
Voor het begrotingsjaar 2020 bedraagt de aanvullende dotatie 493.381,78 euro. Dat bedrag wordt als volgt onder de gemeenten verdeeld:
Amel 36.514,97 euro
Büllingen 39.522,14 euro
Burg-Reuland 26.900,69 euro
Bütgenbach 37.200,81 euro
Eupen 140.973,33 euro
Kelmis 55.762,73 euro
Lontzen 31.919,85 euro
Raeren 58.248,88 euro
Sankt Vith 66.338,38 euro
Voor het begrotingsjaar 2021 bedraagt de aanvullende dotatie 659.322,83 euro. Dat bedrag wordt als volgt onder de gemeenten verdeeld:
Amel 48.516,53 euro
Büllingen 52.640,77 euro
Burg-Reuland 35.852,36 euro
Bütgenbach 49.397,75 euro
Eupen 189.182,21 euro
Kelmis 74.626,09 euro
Lontzen 42.739,17 euro
Raeren 77.693,28 euro
Sankt Vith 88.674,67 euro"
Art. 115. Dans le même décret, il est inséré un article 8.4, rédigé comme suit :
" Art. 8.4 - Nonobstant les dispositions du décret du 15 décembre 2008 portant financement des communes et des centres publics d'aide sociale par la Communauté germanophone et sans préjudice de l'article 8.3, les communes reçoivent, pour les années budgétaires 2020 et 2021, une dotation complémentaire afin d'atténuer les répercussions sur les finances communales de la crise sanitaire provoquée par le coronavirus (COVID-19).
Pour l'année budgétaire 2020, la dotation complémentaire s'élève à 493 381,78 euros. Ce montant est réparti comme suit entre les communes :
Amblève 36 514,97 euros
Bullange 39 522,14 euros
Burg-Reuland 26 900,69 euros
Butgenbach 37 200,81 euros
Eupen 140 973,33 euros
La Calamine 55 762,73 euros
Lontzen 31.919,85 euros
Raeren 58 248,88 euros
Saint-Vith 66 338,38 euros.
Pour l'année budgétaire 2021, la dotation complémentaire s'élève à 659 322,83 euros. Ce montant est réparti comme suit entre les communes :
Amblève 48 516,53 euros
Bullange 52 640,77 euros
Burg-Reuland 35 852,36 euros
Butgenbach 49 397,75 euros
Eupen 189 182,21 euros
La Calamine 74 626,09 euros
Lontzen 42 739,17 euros
Raeren 77 693,28 euros
Saint-Vith 88 674,67 euros. "
" Art. 8.4 - Nonobstant les dispositions du décret du 15 décembre 2008 portant financement des communes et des centres publics d'aide sociale par la Communauté germanophone et sans préjudice de l'article 8.3, les communes reçoivent, pour les années budgétaires 2020 et 2021, une dotation complémentaire afin d'atténuer les répercussions sur les finances communales de la crise sanitaire provoquée par le coronavirus (COVID-19).
Pour l'année budgétaire 2020, la dotation complémentaire s'élève à 493 381,78 euros. Ce montant est réparti comme suit entre les communes :
Amblève 36 514,97 euros
Bullange 39 522,14 euros
Burg-Reuland 26 900,69 euros
Butgenbach 37 200,81 euros
Eupen 140 973,33 euros
La Calamine 55 762,73 euros
Lontzen 31.919,85 euros
Raeren 58 248,88 euros
Saint-Vith 66 338,38 euros.
Pour l'année budgétaire 2021, la dotation complémentaire s'élève à 659 322,83 euros. Ce montant est réparti comme suit entre les communes :
Amblève 48 516,53 euros
Bullange 52 640,77 euros
Burg-Reuland 35 852,36 euros
Butgenbach 49 397,75 euros
Eupen 189 182,21 euros
La Calamine 74 626,09 euros
Lontzen 42 739,17 euros
Raeren 77 693,28 euros
Saint-Vith 88 674,67 euros. "
Art. 116. In hetzelfde decreet wordt een artikel 8.5 ingevoegd, luidende:
"Art. 8.5 - Ongeacht de bepalingen van het decreet van 15 december 2008 betreffende de financiering van de gemeenten en van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn door de Duitstalige Gemeenschap en onverminderd artikel 8.3 ontvangen de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor de begrotingsjaren 2020 en 2021 een aanvullende dotatie om, voor de OCMW-financiën, de negatieve gevolgen te beperken van de gezondheidscrisis die door het coronavirus (COVID-19) is ontstaan.
Voor het begrotingsjaar 2020 bedraagt de aanvullende dotatie 740.072,68 euro. Dat bedrag wordt als volgt onder de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verdeeld:
Amel 34.159,83 euro
Büllingen 34.861,26 euro
Burg-Reuland 26.239,08 euro
Bütgenbach 36.165,18 euro
Eupen 317.846,17 euro
Kelmis 127.541,57 euro
Lontzen 26.824,30 euro
Raeren 60.170,55 euro
Sankt Vith 76.264,74 euro
Voor het begrotingsjaar 2021 bedraagt de aanvullende dotatie 988.984,25 euro. Dat bedrag wordt als volgt onder de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verdeeld:
Amel 45.866,62 euro
Büllingen 47.232,04 euro
Burg-Reuland 35.165,41 euro
Bütgenbach 49.102,57 euro
Eupen 424.143,37 euro
Kelmis 169.962,02 euro
Lontzen 34.811,26 euro
Raeren 79.363,63 euro
Sankt Vith 103.337,33 euro"
"Art. 8.5 - Ongeacht de bepalingen van het decreet van 15 december 2008 betreffende de financiering van de gemeenten en van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn door de Duitstalige Gemeenschap en onverminderd artikel 8.3 ontvangen de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor de begrotingsjaren 2020 en 2021 een aanvullende dotatie om, voor de OCMW-financiën, de negatieve gevolgen te beperken van de gezondheidscrisis die door het coronavirus (COVID-19) is ontstaan.
Voor het begrotingsjaar 2020 bedraagt de aanvullende dotatie 740.072,68 euro. Dat bedrag wordt als volgt onder de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verdeeld:
Amel 34.159,83 euro
Büllingen 34.861,26 euro
Burg-Reuland 26.239,08 euro
Bütgenbach 36.165,18 euro
Eupen 317.846,17 euro
Kelmis 127.541,57 euro
Lontzen 26.824,30 euro
Raeren 60.170,55 euro
Sankt Vith 76.264,74 euro
Voor het begrotingsjaar 2021 bedraagt de aanvullende dotatie 988.984,25 euro. Dat bedrag wordt als volgt onder de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verdeeld:
Amel 45.866,62 euro
Büllingen 47.232,04 euro
Burg-Reuland 35.165,41 euro
Bütgenbach 49.102,57 euro
Eupen 424.143,37 euro
Kelmis 169.962,02 euro
Lontzen 34.811,26 euro
Raeren 79.363,63 euro
Sankt Vith 103.337,33 euro"
Art. 116. Dans le même décret, il est inséré un article 8.5 rédigé comme suit :
" Art. 8.5 - Nonobstant les dispositions du décret du 15 décembre 2008 portant financement des communes et des centres publics d'aide sociale par la Communauté germanophone et sans préjudice de l'article 8.3, les centres publics d'action sociale reçoivent, pour les années budgétaires 2020 et 2021, une dotation complémentaire afin d'atténuer les répercussions sur leurs finances de la crise sanitaire provoquée par le coronavirus (COVID-19).
Pour l'année budgétaire 2020, la dotation complémentaire s'élève à 740 072,68 euros. Ce montant est réparti comme suit entre les centres publics d'action sociale :
Amblève 34 159,83 euros
Bullange 34 861,26 euros
Burg-Reuland 26 239,08 euros
Butgenbach 36 165,18 euros
Eupen 317 846,17 euros
La Calamine 127 541,57 euros
Lontzen 26 824,30 euros
Raeren 60 170,55 euros
Saint-Vith 76 264,74 euros.
Pour l'année budgétaire 2021, la dotation complémentaire s'élève à 988 984,25 euros. Ce montant est réparti comme suit entre les centres publics d'action sociale :
Amblève 45 866,62 euros
Bullange 47 232,04 euros
Burg-Reuland 35 165,41 euros
Butgenbach 49 102,57 euros
Eupen 424 143,37 euros
La Calamine 169 962,02 euros
Lontzen 34 811,26 euros
Raeren 79 363,63 euros
Saint-Vith 103 337,33 euros. "
" Art. 8.5 - Nonobstant les dispositions du décret du 15 décembre 2008 portant financement des communes et des centres publics d'aide sociale par la Communauté germanophone et sans préjudice de l'article 8.3, les centres publics d'action sociale reçoivent, pour les années budgétaires 2020 et 2021, une dotation complémentaire afin d'atténuer les répercussions sur leurs finances de la crise sanitaire provoquée par le coronavirus (COVID-19).
Pour l'année budgétaire 2020, la dotation complémentaire s'élève à 740 072,68 euros. Ce montant est réparti comme suit entre les centres publics d'action sociale :
Amblève 34 159,83 euros
Bullange 34 861,26 euros
Burg-Reuland 26 239,08 euros
Butgenbach 36 165,18 euros
Eupen 317 846,17 euros
La Calamine 127 541,57 euros
Lontzen 26 824,30 euros
Raeren 60 170,55 euros
Saint-Vith 76 264,74 euros.
Pour l'année budgétaire 2021, la dotation complémentaire s'élève à 988 984,25 euros. Ce montant est réparti comme suit entre les centres publics d'action sociale :
Amblève 45 866,62 euros
Bullange 47 232,04 euros
Burg-Reuland 35 165,41 euros
Butgenbach 49 102,57 euros
Eupen 424 143,37 euros
La Calamine 169 962,02 euros
Lontzen 34 811,26 euros
Raeren 79 363,63 euros
Saint-Vith 103 337,33 euros. "
Afdeling 2. - Non-profitsector
Section 2. - Secteur non marchand
Art. 117. In hoofdstuk 5 van het programmadecreet 2013 van 25 februari 2013 wordt een afdeling 1 ingevoegd, die artikel 65 omvat, luidende:
"Afdeling 1 - Socio-culturele sector"
"Afdeling 1 - Socio-culturele sector"
Art. 117. - Dans le chapitre 5 du décret-programme 2013 du 25 février 2013, il est inséré une section 1re, comportant l'article 65, intitulée comme suit :
" Section 1re - Secteur socioculturel ".
" Section 1re - Secteur socioculturel ".
Art. 118. In artikel 65 van het programmadecreet 2013 van 25 februari 2013, gewijzigd bij de decreten van 20 februari 2017 en 12 december 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 1, eerste lid, 4°, wordt de punt op het einde van de zin vervangen door een kommapunt;
2° § 1, eerste lid, wordt aangevuld met een bepaling onder 5°, luidende:
"5° in 2021: 1.719,56 euro per voltijds equivalente betrekking;"
3° § 2, tweede lid, wordt opgeheven;
4° § 3, eerste lid, wordt opgeheven.
1° in § 1, eerste lid, 4°, wordt de punt op het einde van de zin vervangen door een kommapunt;
2° § 1, eerste lid, wordt aangevuld met een bepaling onder 5°, luidende:
"5° in 2021: 1.719,56 euro per voltijds equivalente betrekking;"
3° § 2, tweede lid, wordt opgeheven;
4° § 3, eerste lid, wordt opgeheven.
Art. 118. A l'article 65 du décret-programme 2013 du 25 février 2013, modifié par les décrets des 20 février 2017 et 12 décembre 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, alinéa 1er, 4°, le point en fin de phrase est remplacé par un point-virgule;
2° dans le § 1er, l'alinéa 1er est complété par un 5° rédigé comme suit :
" 5° en 2021 : 1 719,56 euros par équivalent temps plein. ";
3° dans le § 2, l'alinéa 2 est abrogé;
4° dans le § 3, l'alinéa 1er est abrogé.
1° dans le § 1er, alinéa 1er, 4°, le point en fin de phrase est remplacé par un point-virgule;
2° dans le § 1er, l'alinéa 1er est complété par un 5° rédigé comme suit :
" 5° en 2021 : 1 719,56 euros par équivalent temps plein. ";
3° dans le § 2, l'alinéa 2 est abrogé;
4° dans le § 3, l'alinéa 1er est abrogé.
Art. 119. In hoofdstuk 5 van hetzelfde programmadecreet wordt een afdeling 2 ingevoegd, die de artikelen 65.1 tot 65.8 omvat, luidende:
"Afdeling 2 - Oprichting van een personeelsregister voor de non-profitsector"
"Afdeling 2 - Oprichting van een personeelsregister voor de non-profitsector"
Art. 119. - Dans le chapitre 5 du même décret-programme, il est inséré une section 2, comportant les articles 65.1 à 65.8, intitulée comme suit :
" Section 2 - Création d'un cadastre du personnel pour le secteur non marchand ".
" Section 2 - Création d'un cadastre du personnel pour le secteur non marchand ".
Art. 120. In hoofdstuk 5, afdeling 2, van hetzelfde decreet wordt het volgende artikel 65.1 ingevoegd, luidende:
"Art. 65.1 - Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° diensten en instellingen van de non-profitsector: alle privaatrechtelijke en publiekrechtelijke organisaties, instellingen en diensten die onder de Duitstalige Gemeenschap ressorteren - met uitzondering van de onderwijssector - en die personeelssubsidie van de Regering ontvangen;
2° personeelsregister: de databank die overeenkomstig artikel 65.2 door de Regering is opgericht en die de gegevens vermeld in artikel 65.3 bevat."
"Art. 65.1 - Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° diensten en instellingen van de non-profitsector: alle privaatrechtelijke en publiekrechtelijke organisaties, instellingen en diensten die onder de Duitstalige Gemeenschap ressorteren - met uitzondering van de onderwijssector - en die personeelssubsidie van de Regering ontvangen;
2° personeelsregister: de databank die overeenkomstig artikel 65.2 door de Regering is opgericht en die de gegevens vermeld in artikel 65.3 bevat."
Art. 120. Dans le chapitre 5, section 2, du même décret, il est inséré un article 65.1 rédigé comme suit :
" Art. 65.1 - Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par :
1° services et établissements du secteur non marchand : tous les établissements, services et organisations de droit privé et public actifs dans les domaines de compétence de la Communauté germanophone, à l'exception de ceux de l'enseignement, et recevant du Gouvernement un subside pour frais de personnel;
2° cadastre du personnel : la banque de données instituée par le Gouvernement conformément à l'article 65.2 et contenant les données mentionnées à l'article 65.3. "
" Art. 65.1 - Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par :
1° services et établissements du secteur non marchand : tous les établissements, services et organisations de droit privé et public actifs dans les domaines de compétence de la Communauté germanophone, à l'exception de ceux de l'enseignement, et recevant du Gouvernement un subside pour frais de personnel;
2° cadastre du personnel : la banque de données instituée par le Gouvernement conformément à l'article 65.2 et contenant les données mentionnées à l'article 65.3. "
Art. 121. In dezelfde afdeling wordt een artikel 65.2 ingevoegd, luidende:
"Art. 65.2 - De Regering richt een personeelsregister voor de non-profitsector op en beheert dat register.
Het personeelsregister is bedoeld om de volgende doeleinden te verwezenlijken:
1° het doelmatig controleren van de bewijsstukken voor de subsidies die alleen worden toegekend als bepaalde personeelsnormen worden nageleefd, alsook het toekennen van die subsidies;
2° het doelmatig controleren van de naleving van voorwaarden voor het verkrijgen of behouden van een vergunning, toelating of erkenning die verband houdt met personeelsnormen, alsook het toekennen van die vergunning, toelating of erkenning;
3° het inschatten van de uitwerkingen van decretale of verordenende wijzigingen op de betrokken diensten en instellingen van de non-profitsector;
4° het opstellen van relevante statistieken en simulaties over de behoefte aan dienstverleningen van de non-profitsector die onder de Duitstalige Gemeenschap ressorteert, de mate waarin die behoefte gedekt wordt, het aantal en de kwaliteit van de geschapen banen, het aantal en het belang van de diensten en instellingen van de non-profitsector die onder de Duitstalige Gemeenschap ressorteren."
"Art. 65.2 - De Regering richt een personeelsregister voor de non-profitsector op en beheert dat register.
Het personeelsregister is bedoeld om de volgende doeleinden te verwezenlijken:
1° het doelmatig controleren van de bewijsstukken voor de subsidies die alleen worden toegekend als bepaalde personeelsnormen worden nageleefd, alsook het toekennen van die subsidies;
2° het doelmatig controleren van de naleving van voorwaarden voor het verkrijgen of behouden van een vergunning, toelating of erkenning die verband houdt met personeelsnormen, alsook het toekennen van die vergunning, toelating of erkenning;
3° het inschatten van de uitwerkingen van decretale of verordenende wijzigingen op de betrokken diensten en instellingen van de non-profitsector;
4° het opstellen van relevante statistieken en simulaties over de behoefte aan dienstverleningen van de non-profitsector die onder de Duitstalige Gemeenschap ressorteert, de mate waarin die behoefte gedekt wordt, het aantal en de kwaliteit van de geschapen banen, het aantal en het belang van de diensten en instellingen van de non-profitsector die onder de Duitstalige Gemeenschap ressorteren."
Art. 121. Dans la même section, il est inséré un article 65.2 rédigé comme suit :
" Art. 65.2 - Le Gouvernement institue et gère un cadastre du personnel pour le secteur non marchand.
Ce cadastre du personnel sert :
1° à vérifier correctement les justificatifs pour les subsides dont l'octroi est subordonné au respect de normes en matière de personnel, et à octroyer ces subsides;
2° à vérifier correctement si les conditions d'octroi et de maintien d'une autorisation, d'un agrément ou d'une reconnaissance en lien avec des normes en matière de personnel sont respectées, et à octroyer cette autorisation, cet agrément ou cette reconnaissance;
3° à estimer les répercussions de modifications décrétales ou règlementaires sur les différents services et établissements du secteur non marchand;
4° à établir des statistiques et simulations pertinentes, relatives aux besoins existant en matière de prestations du secteur non marchand relevant de la compétence de la Communauté germanophone, à la couverture de ces besoins, au nombre et à la qualité des emplois créés, au nombre et à l'importance des services et établissements du secteur non marchand relevant de la compétence de la Communauté germanophone. "
" Art. 65.2 - Le Gouvernement institue et gère un cadastre du personnel pour le secteur non marchand.
Ce cadastre du personnel sert :
1° à vérifier correctement les justificatifs pour les subsides dont l'octroi est subordonné au respect de normes en matière de personnel, et à octroyer ces subsides;
2° à vérifier correctement si les conditions d'octroi et de maintien d'une autorisation, d'un agrément ou d'une reconnaissance en lien avec des normes en matière de personnel sont respectées, et à octroyer cette autorisation, cet agrément ou cette reconnaissance;
3° à estimer les répercussions de modifications décrétales ou règlementaires sur les différents services et établissements du secteur non marchand;
4° à établir des statistiques et simulations pertinentes, relatives aux besoins existant en matière de prestations du secteur non marchand relevant de la compétence de la Communauté germanophone, à la couverture de ces besoins, au nombre et à la qualité des emplois créés, au nombre et à l'importance des services et établissements du secteur non marchand relevant de la compétence de la Communauté germanophone. "
Art. 122. In dezelfde afdeling wordt een artikel 65.3 ingevoegd, luidende:
"Art. 65.3 - De Regering kan alle overeenkomstig artikel 65.5 toereikende, ter zake dienende en niet overmatige persoonsgegevens uit de volgende gegevenscategorieën verwerken:
1° voor de diensten en instellingen van de non-profitsector:
a) het ondernemingsnummer;
b) de contactgegevens;
c) het identificatienummer van het bestuur dat bevoegd is voor de controle op de naleving van de voorwaarden voor de vergunning, de verklaring, het toezicht, de erkenning en/of de subsidiëring;
d) de paritaire commissie of paritaire subcommissie waaronder de dienst of de instelling ressorteert;
e) het bedrag en de financieringsbron van alle overheidssteun;
f) de rechtsvorm;
2° met betrekking tot de personeelsleden van de diensten en instellingen van de non-profitsector:
a) het rijksregisternummer;
b) de naam en voornaam;
c) de geboortedatum;
d) het interne identificatienummer van het personeelslid;
e) de elementen betreffende de functie van het personeelslid;
f) de elementen betreffende de arbeidstijdregeling van het personeelslid;
g) de elementen betreffende de beroepskwalificatie of de opleiding van het personeelslid;
h) elementen die noodzakelijk zijn voor de berekening van de anciënniteit van het personeelslid;
i) inlichtingen over de aard van de arbeidsverhouding, in het bijzonder het statuut van de werknemer en de door hem gepresteerde uren;
j) inlichtingen over het loon, de andere voordelen en de loonkosten van het personeelslid.
De Regering preciseert de gegevenscategorieën vermeld in het eerste lid na een voorafgaand advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit."
"Art. 65.3 - De Regering kan alle overeenkomstig artikel 65.5 toereikende, ter zake dienende en niet overmatige persoonsgegevens uit de volgende gegevenscategorieën verwerken:
1° voor de diensten en instellingen van de non-profitsector:
a) het ondernemingsnummer;
b) de contactgegevens;
c) het identificatienummer van het bestuur dat bevoegd is voor de controle op de naleving van de voorwaarden voor de vergunning, de verklaring, het toezicht, de erkenning en/of de subsidiëring;
d) de paritaire commissie of paritaire subcommissie waaronder de dienst of de instelling ressorteert;
e) het bedrag en de financieringsbron van alle overheidssteun;
f) de rechtsvorm;
2° met betrekking tot de personeelsleden van de diensten en instellingen van de non-profitsector:
a) het rijksregisternummer;
b) de naam en voornaam;
c) de geboortedatum;
d) het interne identificatienummer van het personeelslid;
e) de elementen betreffende de functie van het personeelslid;
f) de elementen betreffende de arbeidstijdregeling van het personeelslid;
g) de elementen betreffende de beroepskwalificatie of de opleiding van het personeelslid;
h) elementen die noodzakelijk zijn voor de berekening van de anciënniteit van het personeelslid;
i) inlichtingen over de aard van de arbeidsverhouding, in het bijzonder het statuut van de werknemer en de door hem gepresteerde uren;
j) inlichtingen over het loon, de andere voordelen en de loonkosten van het personeelslid.
De Regering preciseert de gegevenscategorieën vermeld in het eerste lid na een voorafgaand advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit."
Art. 122. Dans la même section, il est inséré un article 65.3 rédigé comme suit :
" Art. 65.3 - Le Gouvernement peut traiter toutes les données à caractère personnel des catégories suivantes si elles sont appropriées, utiles et proportionnées au sens de l'article 65.5 :
1° en ce qui concerne les services et établissements du secteur non marchand :
a) le numéro d'entreprise;
b) les coordonnées de contact;
c) le numéro d'identification de l'administration compétente pour la vérification du respect des conditions mises à l'autorisation, à la déclaration, au contrôle, à l'agrément, à la reconnaissance ou, selon le cas, au bénéfice des subsides;
d) la commission ou sous-commission paritaire dont relève le service ou l'établissement;
e) le montant et l'origine de tous les financements publics;
f) la forme juridique;
2° en ce qui concerne les membres du personnel des services et établissements du secteur non marchand :
a) le numéro de registre national;
b) les nom et prénom;
c) la date de naissance;
d) le numéro d'identification interne du membre du personnel;
e) les éléments se rapportant à la fonction du membre du personnel;
f) les éléments se rapportant au régime de temps de travail du membre du personnel;
g) les éléments se rapportant à la qualification professionnelle ou, selon le cas, à la formation du membre du personnel;
h) les éléments nécessaires pour calculer l'ancienneté de service du membre du personnel;
i) les informations relatives à la nature de la relation de travail, notamment le statut et la charge de travail;
j) les informations relatives à la rémunération, aux avantages divers et aux charges salariales du membre du personnel.
Le Gouvernement précise, sur avis préalable de l'Autorité de protection des données, les catégories de données mentionnées à l'alinéa 1er. "
" Art. 65.3 - Le Gouvernement peut traiter toutes les données à caractère personnel des catégories suivantes si elles sont appropriées, utiles et proportionnées au sens de l'article 65.5 :
1° en ce qui concerne les services et établissements du secteur non marchand :
a) le numéro d'entreprise;
b) les coordonnées de contact;
c) le numéro d'identification de l'administration compétente pour la vérification du respect des conditions mises à l'autorisation, à la déclaration, au contrôle, à l'agrément, à la reconnaissance ou, selon le cas, au bénéfice des subsides;
d) la commission ou sous-commission paritaire dont relève le service ou l'établissement;
e) le montant et l'origine de tous les financements publics;
f) la forme juridique;
2° en ce qui concerne les membres du personnel des services et établissements du secteur non marchand :
a) le numéro de registre national;
b) les nom et prénom;
c) la date de naissance;
d) le numéro d'identification interne du membre du personnel;
e) les éléments se rapportant à la fonction du membre du personnel;
f) les éléments se rapportant au régime de temps de travail du membre du personnel;
g) les éléments se rapportant à la qualification professionnelle ou, selon le cas, à la formation du membre du personnel;
h) les éléments nécessaires pour calculer l'ancienneté de service du membre du personnel;
i) les informations relatives à la nature de la relation de travail, notamment le statut et la charge de travail;
j) les informations relatives à la rémunération, aux avantages divers et aux charges salariales du membre du personnel.
Le Gouvernement précise, sur avis préalable de l'Autorité de protection des données, les catégories de données mentionnées à l'alinéa 1er. "
Art. 123. In dezelfde afdeling wordt een artikel 65.4 ingevoegd, luidende:
"Art. 65.4 - De diensten en instellingen van de non-profitsector registreren de gegevens vermeld in artikel 65.3 in het personeelsregister en werken die gegevens bij binnen de bewijsvoeringstermijnen die in de grondslagen voor de berekening van de ondersteuning zijn vastgelegd."
"Art. 65.4 - De diensten en instellingen van de non-profitsector registreren de gegevens vermeld in artikel 65.3 in het personeelsregister en werken die gegevens bij binnen de bewijsvoeringstermijnen die in de grondslagen voor de berekening van de ondersteuning zijn vastgelegd."
Art. 123. Dans la même section, il est inséré un article 65.4 rédigé comme suit :
" Art. 65.4 - Les services et établissements du secteur non marchand enregistrent dans le cadastre du personnel les données mentionnées à l'article 65.3 et les actualisent dans les délais de présentation de justificatifs prescrits dans les bases du subventionnement applicables. "
" Art. 65.4 - Les services et établissements du secteur non marchand enregistrent dans le cadastre du personnel les données mentionnées à l'article 65.3 et les actualisent dans les délais de présentation de justificatifs prescrits dans les bases du subventionnement applicables. "
Art. 124. In dezelfde afdeling wordt een artikel 65.5 ingevoegd, luidende:
"Art. 65.5 - Onverminderd andersluidende wettelijke of decretale bepalingen moeten de Regering en andere personen die bij de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbepalingen ervan betrokken zijn, de gegevens die hun in de uitoefening van hun opdracht toevertrouwd worden, vertrouwelijk behandelen."
"Art. 65.5 - Onverminderd andersluidende wettelijke of decretale bepalingen moeten de Regering en andere personen die bij de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbepalingen ervan betrokken zijn, de gegevens die hun in de uitoefening van hun opdracht toevertrouwd worden, vertrouwelijk behandelen."
Art. 124. Dans la même section, il est inséré un article 65.5 rédigé comme suit :
" Art. 65.5 - Sans préjudice de dispositions légales ou décrétales contraires, le Gouvernement et les autres parties à l'exécution du présent décret et de ses dispositions d'exécution sont tenus de traiter confidentiellement les données qui leur sont confiées dans le cadre de l'exercice de leur mission. "
" Art. 65.5 - Sans préjudice de dispositions légales ou décrétales contraires, le Gouvernement et les autres parties à l'exécution du présent décret et de ses dispositions d'exécution sont tenus de traiter confidentiellement les données qui leur sont confiées dans le cadre de l'exercice de leur mission. "
Art. 125. In dezelfde afdeling wordt een artikel 65.6 ingevoegd, luidende:
"Art. 65.6 - De Regering is verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens vermeld in artikel 65.3, alsook voor het personeelsregister. De Regering geldt als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming voor de verwerking van die gegevens en het personeelsregister.
De Regering verwerkt persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van wettelijke of decretale opdrachten, in het bijzonder wat betreft de taken vermeld in artikel 65.2 en de decreten en besluiten die aan dat artikel ten grondslag liggen, voor zover deze betrekking hebben op het controleren van de bewijsstukken voor subsidies waarvan de toekenning gebonden is aan de inachtneming van personeelsnormen, op de toekenning van die subsidies en op het doelmatig controleren van de naleving van voorwaarden voor het verkrijgen of behouden van een vergunning, toelating of erkenning die verband houdt met personeelsnormen, alsook het toekennen van die vergunning, toelating of erkenning. Ze mag de verzamelde gegevens niet voor andere doeleinden dan voor de uitvoering van haar wettelijke of decretale opdrachten gebruiken.
"Art. 65.6 - De Regering is verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens vermeld in artikel 65.3, alsook voor het personeelsregister. De Regering geldt als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming voor de verwerking van die gegevens en het personeelsregister.
De Regering verwerkt persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van wettelijke of decretale opdrachten, in het bijzonder wat betreft de taken vermeld in artikel 65.2 en de decreten en besluiten die aan dat artikel ten grondslag liggen, voor zover deze betrekking hebben op het controleren van de bewijsstukken voor subsidies waarvan de toekenning gebonden is aan de inachtneming van personeelsnormen, op de toekenning van die subsidies en op het doelmatig controleren van de naleving van voorwaarden voor het verkrijgen of behouden van een vergunning, toelating of erkenning die verband houdt met personeelsnormen, alsook het toekennen van die vergunning, toelating of erkenning. Ze mag de verzamelde gegevens niet voor andere doeleinden dan voor de uitvoering van haar wettelijke of decretale opdrachten gebruiken.
Art. 125. Dans la même section, il est inséré un article 65.6 rédigé comme suit :
" Art. 65.6 - Le Gouvernement est responsable du traitement des données à caractère personnel mentionnées à l'article 65.3 ainsi que du cadastre du personnel. Le Gouvernement est considéré comme responsable du traitement de ces données et du cadastre du personnel, et ce, au sens de l'article 4, 7°, du règlement général sur la protection des données.
Le Gouvernement traite des données à caractère personnel en vue d'exécuter des missions légales ou décrétales, notamment en ce qui concerne les tâches mentionnées à l'article 65.2 et les décrets et arrêtés sur lesquels se base cet article, dans la mesure où ces tâches consistent à vérifier les justificatifs pour les subsides dont l'octroi est subordonné au respect de normes en matière de personnel, à octroyer ces subsides, à vérifier dans les règles de l'art si les conditions d'octroi et de maintien d'une autorisation, d'un agrément ou d'une reconnaissance en lien avec des normes de personnel sont respectées, ainsi qu'à octroyer cette autorisation, cet agrément ou cette reconnaissance. Il ne peut utiliser les données collectées à d'autres fins que celles de l'exercice de ses missions légales ou décrétales. "
" Art. 65.6 - Le Gouvernement est responsable du traitement des données à caractère personnel mentionnées à l'article 65.3 ainsi que du cadastre du personnel. Le Gouvernement est considéré comme responsable du traitement de ces données et du cadastre du personnel, et ce, au sens de l'article 4, 7°, du règlement général sur la protection des données.
Le Gouvernement traite des données à caractère personnel en vue d'exécuter des missions légales ou décrétales, notamment en ce qui concerne les tâches mentionnées à l'article 65.2 et les décrets et arrêtés sur lesquels se base cet article, dans la mesure où ces tâches consistent à vérifier les justificatifs pour les subsides dont l'octroi est subordonné au respect de normes en matière de personnel, à octroyer ces subsides, à vérifier dans les règles de l'art si les conditions d'octroi et de maintien d'une autorisation, d'un agrément ou d'une reconnaissance en lien avec des normes de personnel sont respectées, ainsi qu'à octroyer cette autorisation, cet agrément ou cette reconnaissance. Il ne peut utiliser les données collectées à d'autres fins que celles de l'exercice de ses missions légales ou décrétales. "
Art. 126. In dezelfde afdeling wordt een artikel 65.7 ingevoegd, luidende:
"Art. 65.7 - De gegevens mogen tot hoogstens tien jaar na beëindiging van de arbeidsverhouding van de betrokken personeelsleden bij de diensten en instellingen van de non-profitsector bewaard worden in een vorm die de mogelijkheid biedt de betrokken personen te identificeren. Met behoud van de toepassing van de bepalingen betreffende het archiefwezen worden ze uiterlijk na het verstrijken van die termijn vernietigd.
Voor zover er een administratieve of gerechtelijke procedure loopt tegen een beslissing die op basis van die gegevens werd genomen, wordt de in het eerste lid bepaalde bewaringstermijn verlengd tot er naar aanleiding van die procedures een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen."
"Art. 65.7 - De gegevens mogen tot hoogstens tien jaar na beëindiging van de arbeidsverhouding van de betrokken personeelsleden bij de diensten en instellingen van de non-profitsector bewaard worden in een vorm die de mogelijkheid biedt de betrokken personen te identificeren. Met behoud van de toepassing van de bepalingen betreffende het archiefwezen worden ze uiterlijk na het verstrijken van die termijn vernietigd.
Voor zover er een administratieve of gerechtelijke procedure loopt tegen een beslissing die op basis van die gegevens werd genomen, wordt de in het eerste lid bepaalde bewaringstermijn verlengd tot er naar aanleiding van die procedures een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen."
Art. 126. Dans la même section, il est inséré un article 65.7 rédigé comme suit :
" Art. 65.7 - Les données peuvent être conservées au maximum dix ans après la cessation de la relation de travail du membre du personnel avec le service et les établissements du secteur non marchand, et ce, sous une forme permettant l'identification des personnes concernées. Sans préjudice des dispositions relatives à l'archivage, elles sont détruites au plus tard au terme de ce délai.
Si une procédure administrative ou judiciaire est entamée contre une décision prise sur la base de ces données, le délai de conservation prévu à l'alinéa 1er est prolongé jusqu'à ce que ces procédures aient fait l'objet d'un jugement définitif. "
" Art. 65.7 - Les données peuvent être conservées au maximum dix ans après la cessation de la relation de travail du membre du personnel avec le service et les établissements du secteur non marchand, et ce, sous une forme permettant l'identification des personnes concernées. Sans préjudice des dispositions relatives à l'archivage, elles sont détruites au plus tard au terme de ce délai.
Si une procédure administrative ou judiciaire est entamée contre une décision prise sur la base de ces données, le délai de conservation prévu à l'alinéa 1er est prolongé jusqu'à ce que ces procédures aient fait l'objet d'un jugement définitif. "
Art. 127. In dezelfde afdeling wordt een artikel 65.8 ingevoegd, luidende:
"Art. 65.8 - De Regering en de diensten en instellingen van de non-profitsector zien erop toe dat passende veiligheidsmaatregelen worden toegepast bij de verwerking van de gegevens vermeld in artikel 65.3.
Op zijn minst gelden de volgende veiligheidsmaatregelen:
1° het personeelsregister wordt voor alle diensten en instellingen van de non-profitsector beveiligd met een afzonderlijk paswoord;
2° alle diensten en instellingen van de non-profitsector kunnen alleen de gegevens registreren, inzien en bijwerken die betrekking hebben op henzelf of op hun personeelsleden.
De Regering kan de nadere regels daaromtrent bepalen."
"Art. 65.8 - De Regering en de diensten en instellingen van de non-profitsector zien erop toe dat passende veiligheidsmaatregelen worden toegepast bij de verwerking van de gegevens vermeld in artikel 65.3.
Op zijn minst gelden de volgende veiligheidsmaatregelen:
1° het personeelsregister wordt voor alle diensten en instellingen van de non-profitsector beveiligd met een afzonderlijk paswoord;
2° alle diensten en instellingen van de non-profitsector kunnen alleen de gegevens registreren, inzien en bijwerken die betrekking hebben op henzelf of op hun personeelsleden.
De Regering kan de nadere regels daaromtrent bepalen."
Art. 127. Dans la même section, il est inséré un article 65.8 rédigé comme suit :
" Art. 65.8 - Lors du traitement des données mentionnées à l'article 65.3, les services et établissements du secteur non marchand veillent à ce que des mesures de sécurité appropriées soient appliquées.
Ces mesures minimales de sécurité sont les suivantes :
1° le cadastre du personnel est protégé par un mot de passe distinct pour chaque service et établissement du secteur non marchand;
2° chaque service et établissement du secteur non marchand ne peut enregistrer, consulter et actualiser que les données le concernant ou concernant les membres de son personnel.
Le Gouvernement peut préciser d'autres modalités en la matière. "
" Art. 65.8 - Lors du traitement des données mentionnées à l'article 65.3, les services et établissements du secteur non marchand veillent à ce que des mesures de sécurité appropriées soient appliquées.
Ces mesures minimales de sécurité sont les suivantes :
1° le cadastre du personnel est protégé par un mot de passe distinct pour chaque service et établissement du secteur non marchand;
2° chaque service et établissement du secteur non marchand ne peut enregistrer, consulter et actualiser que les données le concernant ou concernant les membres de son personnel.
Le Gouvernement peut préciser d'autres modalités en la matière. "
Afdeling 3. - Subsidiegarantie
Section 3. - Garantie de subside
Art. 128. In artikel 1 van het besluit van de Regering nr. 4 van 30 april 2020 tot invoering van een subsidiegarantie en een liquiditeitsverhoging voor subsidieontvangers ter uitvoering van artikel 5.1 van het crisisdecreet 2020 van 6 april 2020 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "de begunstigden" vervangen door de woorden "de begunstigden voor de begrotingsjaren 2020 en 2021";
2° in § 1, tweede lid, worden de woorden "niet kan vervullen" vervangen door de woorden "gedurende de voormelde periode niet kan vervullen";
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met een derde lid, luidende:
"Voor situaties die na 1 september 2020 zijn ontstaan, zijn de bepalingen van dit artikel van toepassing, zodra de Regering vaststelt dat een ondersteuningssector één of meer toekennings- of uitbetalingsvoorwaarden niet kan vervullen wegens de dringende maatregelen die de bevoegde overheden hebben genomen om de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) te beperken."
4° § 2, eerste lid, wordt aangevuld met een bepaling onder 1.1, luidende:
"1.1 bij subsidies voor werkings- en personeelskosten die voor de begrotingsjaren 2020 of 2021 zouden moeten worden uitbetaald en die nog niet overeenkomstig 1° zijn onderzocht: tot een door de Regering per ondersteuningssector vast te stellen tijdstip en overeenkomstig de door de Regering vast te stellen modaliteiten;"
5° in § 3, tweede lid, worden de woorden "dan wordt het begrotingsjaar 2020 geneutraliseerd" vervangen door de woorden "dan worden de begrotingsjaren 2020 en 2021 geneutraliseerd";
6° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4 - De Regering kan bepalen welke personeelskosten als aanneembaar worden beschouwd voor de toepassing van dit artikel."
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "de begunstigden" vervangen door de woorden "de begunstigden voor de begrotingsjaren 2020 en 2021";
2° in § 1, tweede lid, worden de woorden "niet kan vervullen" vervangen door de woorden "gedurende de voormelde periode niet kan vervullen";
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met een derde lid, luidende:
"Voor situaties die na 1 september 2020 zijn ontstaan, zijn de bepalingen van dit artikel van toepassing, zodra de Regering vaststelt dat een ondersteuningssector één of meer toekennings- of uitbetalingsvoorwaarden niet kan vervullen wegens de dringende maatregelen die de bevoegde overheden hebben genomen om de verspreiding van het coronavirus (COVID-19) te beperken."
4° § 2, eerste lid, wordt aangevuld met een bepaling onder 1.1, luidende:
"1.1 bij subsidies voor werkings- en personeelskosten die voor de begrotingsjaren 2020 of 2021 zouden moeten worden uitbetaald en die nog niet overeenkomstig 1° zijn onderzocht: tot een door de Regering per ondersteuningssector vast te stellen tijdstip en overeenkomstig de door de Regering vast te stellen modaliteiten;"
5° in § 3, tweede lid, worden de woorden "dan wordt het begrotingsjaar 2020 geneutraliseerd" vervangen door de woorden "dan worden de begrotingsjaren 2020 en 2021 geneutraliseerd";
6° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4 - De Regering kan bepalen welke personeelskosten als aanneembaar worden beschouwd voor de toepassing van dit artikel."
Art. 128. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement n° 4 du 30 avril 2020 instaurant une garantie de subventionnement et une augmentation de liquidités pour les bénéficiaires de subventions en application de l'article 5.1 du décret de crise 2020 du 6 avril 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, alinéa 1er, les mots " pour les exercices budgétaires 2020 et 2021 " sont insérés entre les mots " la recevront " et les mots " même si ";
2° dans le § 1er, alinéa 2, les mots ", pendant la période mentionnée, " sont insérés entre les mots " en mesure " et les mots " de respecter ";
3° le § 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Pour les situations apparues après le 1er septembre 2020, les dispositions du présent article s'appliquent dès que le Gouvernement constate qu'un secteur soutenu ne peut remplir une ou plusieurs conditions d'octroi ou de liquidation en raison des mesures d'urgence prises par les autorités compétentes en vue de limiter la propagation du coronavirus (COVID-19). "
4° dans le § 2, l'alinéa 1er est complété par un 1.1 rédigé comme suit :
" 1.1. en ce qui concerne les subsides pour frais de fonctionnement et de personnel devant être liquidés au cours des exercices budgétaires 2020 et 2021 et qui n'ont pas encore fait l'objet d'une vérification conformément au 1°, d'ici la date fixée par le Gouvernement par secteur soutenu et selon les modalités qu'il déterminera ";
5° dans le § 3, alinéa 2, les mots " l'exercice budgétaire 2020 est neutralisé " sont remplacés par les mots " les exercices budgétaires 2020 et 2021 sont neutralisés ";
6° l'article est complété par un § 4 rédigé comme suit :
" § 4 - Le Gouvernement peut déterminer les frais de personnel considérés comme admissibles pour l'application du présent article. "
1° dans le § 1er, alinéa 1er, les mots " pour les exercices budgétaires 2020 et 2021 " sont insérés entre les mots " la recevront " et les mots " même si ";
2° dans le § 1er, alinéa 2, les mots ", pendant la période mentionnée, " sont insérés entre les mots " en mesure " et les mots " de respecter ";
3° le § 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Pour les situations apparues après le 1er septembre 2020, les dispositions du présent article s'appliquent dès que le Gouvernement constate qu'un secteur soutenu ne peut remplir une ou plusieurs conditions d'octroi ou de liquidation en raison des mesures d'urgence prises par les autorités compétentes en vue de limiter la propagation du coronavirus (COVID-19). "
4° dans le § 2, l'alinéa 1er est complété par un 1.1 rédigé comme suit :
" 1.1. en ce qui concerne les subsides pour frais de fonctionnement et de personnel devant être liquidés au cours des exercices budgétaires 2020 et 2021 et qui n'ont pas encore fait l'objet d'une vérification conformément au 1°, d'ici la date fixée par le Gouvernement par secteur soutenu et selon les modalités qu'il déterminera ";
5° dans le § 3, alinéa 2, les mots " l'exercice budgétaire 2020 est neutralisé " sont remplacés par les mots " les exercices budgétaires 2020 et 2021 sont neutralisés ";
6° l'article est complété par un § 4 rédigé comme suit :
" § 4 - Le Gouvernement peut déterminer les frais de personnel considérés comme admissibles pour l'application du présent article. "
HOOFDSTUK 10. - Slotbepalingen
CHAPITRE 10. - Dispositions finales
Art. 129. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2021, met uitzondering van:
1° artikel 49, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2020;
2° de artikelen 52, 53 en 54, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2020;
3° de artikelen 1 tot 3, 25 tot 29, 50, 55, 57, 59, 106 tot 116 en 128, die in werking treden op de dag waarop dit decreet wordt aangenomen;
4° de artikelen 31 tot 39, die in werking treden op een door de Regering vastgesteld tijdstip en uiterlijk op 1 juni 2021.
1° artikel 49, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2020;
2° de artikelen 52, 53 en 54, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2020;
3° de artikelen 1 tot 3, 25 tot 29, 50, 55, 57, 59, 106 tot 116 en 128, die in werking treden op de dag waarop dit decreet wordt aangenomen;
4° de artikelen 31 tot 39, die in werking treden op een door de Regering vastgesteld tijdstip en uiterlijk op 1 juni 2021.
Art. 129. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2021, à l'exception :
1° de l'article 49, qui produit ses effets le 1er janvier 2020;
2° des articles 52, 53 et 54, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2020;
3° des articles 1er à 3, 25 à 29, 50, 55, 57, 59, 106 à 116 et 128, qui entrent en vigueur le jour de son adoption;
4° des articles 31 à 39, qui entrent en vigueur à une date fixée par le Gouvernement et au plus tard le 1er juin 2021.
1° de l'article 49, qui produit ses effets le 1er janvier 2020;
2° des articles 52, 53 et 54, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2020;
3° des articles 1er à 3, 25 à 29, 50, 55, 57, 59, 106 à 116 et 128, qui entrent en vigueur le jour de son adoption;
4° des articles 31 à 39, qui entrent en vigueur à une date fixée par le Gouvernement et au plus tard le 1er juin 2021.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage 1 bij het decreet van 18 november 2013 betreffende de ondersteuning van cultuur in de Duitstalige Gemeenschap
Art. N. Annexe 1re au décret du 18 novembre 2013 visant à soutenir la culture en Communauté germanophone
Muziekverenigingen en instrumentale ensembles (met uitzondering van kamermuziekensembles) | ||
| Classificatie | Aantal optredens per jaar (binnen of buiten de Duitstalige Gemeenschap) | Subsidie (uitgedrukt in euro) |
| Met bijzonder artistiek niveau | 5 | 1.000,00 |
| Hoogste categorie | 4 | 877,00 |
| Eredivisie | 3 | 877,00 |
| Categorie 'uitmuntend' | 2 | 877,00 |
| Eerste categorie | 2 | 627,00 |
| Tweede categorie | 1 | 577,00 |
| Derde categorie | 1 | 457,00 |
| Reisvergoeding: max. 250 euro voor busreizen van minstens 50 km per optreden | ||
Muziekverenigingen en instrumentale ensembles (met uitzondering van kamermuziekensembles) Classificatie Aantal optredens per jaar (binnen of buiten de Duitstalige Gemeenschap) Subsidie (uitgedrukt in euro) Met bijzonder artistiek niveau 5 1.000,00 Hoogste categorie 4 877,00 Eredivisie 3 877,00 Categorie 'uitmuntend' 2 877,00 Eerste categorie 2 627,00 Tweede categorie 1 577,00 Derde categorie 1 457,00 Reisvergoeding: max. 250 euro voor busreizen van minstens 50 km per optreden
Sociétés de musique et ensembles instrumentaux (sauf ensembles de musique de chambre) | ||
| Classement | Nombre de prestations par an (en Communauté germanophone ou en dehors de celle-ci) | Subside (euros) |
| A haute valeur artistique | 5 | 1 000,00 |
| Degré supérieur | 4 | 877,00 |
| Division d'honneur | 3 | 877,00 |
| Classe d'excellence | 2 | 877,00 |
| 1re catégorie | 2 | 627,00 |
| 2e catégorie | 1 | 577,00 |
| 3e catégorie | 1 | 457,00 |
| Indemnité de déplacement : max. 250 euros pour les trajets en car d'au moins 50 km par prestation | ||
Sociétés de musique et ensembles instrumentaux (sauf ensembles de musique de chambre) Classement Nombre de prestations par an (en Communauté germanophone ou en dehors de celle-ci) Subside (euros) A haute valeur artistique 5 1 000,00 Degré supérieur 4 877,00Division d'honneur 3 877,00 Classe d'excellence 2 877,00 1re catégorie 2 627,00 2e catégorie 1 577,00 3e catégorie 1 457,00 Indemnité de déplacement : max. 250 euros pour les trajets en car d'au moins 50 km par prestation
KOREN/VOCALE ENSEMBLES | ||
| Classificatie | Aantal optredens per jaar (binnen of buiten de Duitstalige Gemeenschap) | Subsidie (uitgedrukt in euro) |
| Met bijzonder artistiek niveau | 5 | 1.000,00 |
| Categorie 'uitmuntend' | 3 | 743,00 |
| Eerste categorie | 2 | 593,00 |
| Tweede categorie | 1 | 543,00 |
| Derde categorie | 1 | 443,00 |
| Reisvergoeding: max. 250 euro voor busreizen van minstens 50 km per optreden | ||
KOREN/VOCALE ENSEMBLES Classificatie Aantal optredens per jaar (binnen of buiten de Duitstalige Gemeenschap) Subsidie (uitgedrukt in euro) Met bijzonder artistiek niveau 5 1.000,00 Categorie 'uitmuntend' 3 743,00 Eerste categorie 2 593,00 Tweede categorie 1 543,00 Derde categorie 1 443,00 Reisvergoeding: max. 250 euro voor busreizen van minstens 50 km per optreden
Choeurs/Ensembles vocaux | ||
| Classement | Nombre de prestations par an (en Communauté germanophone ou en dehors de celle-ci) | Subside (euros) |
| A haute valeur artistique | 5 | 1 000,00 |
| Classe d'excellence | 3 | 743,00 |
| 1re catégorie | 2 | 593,00 |
| 2e catégorie | 1 | 543,00 |
| 3e catégorie | 1 | 443,00 |
| Indemnité de déplacement : max. 250 euros pour les trajets en car d'au moins 50 km par prestation | ||
Choeurs/Ensembles vocaux Classement Nombre de prestations par an (en Communauté germanophone ou en dehors de celle-ci) Subside (euros) A haute valeur artistique 5 1 000,00 Classe d'excellence 3 743,00 1re catégorie 2 593,00 2e catégorie 1 543,00 3e catégorie 1 443,00 Indemnité de déplacement : max. 250 euros pour les trajets en car d'au moins 50 km par prestation
KINDERKOREN EN JEUGDKOREN | ||
| Classificatie | Aantal optredens per jaar (binnen of buiten de Duitstalige Gemeenschap) | Subsidie (uitgedrukt in euro) |
| Categorie A | 3 | 500,00 |
| Categorie B | 1 | 500,00 |
| Reisvergoeding: max. 250 euro voor busreizen van minstens 50 km per optreden | ||
KINDERKOREN EN JEUGDKOREN Classificatie Aantal optredens per jaar (binnen of buiten de Duitstalige Gemeenschap) Subsidie (uitgedrukt in euro) Categorie A 3 500,00 Categorie B 1 500,00 Reisvergoeding: max. 250 euro voor busreizen van minstens 50 km per optreden
Choeurs d'enfants et de jeunes | ||
| Classement | Nombre de prestations par an (en Communauté germanophone ou en dehors de celle-ci) | Subside (euros) |
| Catégorie A | 3 | 500,00 |
| catégorie B | 1 | 500,00 |
| Indemnité de déplacement : max. 250 euros pour les trajets en car d'au moins 50 km par prestation | ||
Choeurs d'enfants et de jeunesClassement Nombre de prestations par an (en Communauté germanophone ou en dehors de celle-ci) Subside (euros) Catégorie A 3 500,00 catégorie B 1 500,00 Indemnité de déplacement : max. 250 euros pour les trajets en car d'au moins 50 km par prestation
KAMERMUZIEKENSEMBLES Ten minste 4 en ten hoogste 6 werkende leden naast de artistieke leider | ||
| Classificatie | Aantal optredens per jaar (binnen of buiten de Duitstalige Gemeenschap) | Subsidie (uitgedrukt in euro) |
| Met bijzonder artistiek niveau | 5 | 600,00 |
| Hoogste categorie | 4 | 576,00 |
| Eredivisie | 3 | 576,00 |
| Categorie 'uitmuntend' | 2 | 576,00 |
| Eerste categorie | 2 | 426,00 |
| Tweede categorie | 1 | 376,00 |
| Derde categorie | 1 | 296,00 |
| Reisvergoeding: max. 50 euro voor busreizen van minstens 50 km per optreden | ||
KAMERMUZIEKENSEMBLES Ten minste 4 en ten hoogste 6 werkende leden naast de artistieke leider Classificatie Aantal optredens per jaar (binnen of buiten de Duitstalige Gemeenschap) Subsidie (uitgedrukt in euro) Met bijzonder artistiek niveau 5 600,00Hoogste categorie 4 576,00 Eredivisie 3 576,00 Categorie 'uitmuntend' 2 576,00 Eerste categorie 2 426,00 Tweede categorie 1 376,00 Derde categorie 1 296,00 Reisvergoeding: max. 50 euro voor busreizen van minstens 50 km per optreden
Ensembles de musique de chambre Compter au moins 4 et au plus 6 membres actifs en plus du directeur artistique | ||
| Classement | Nombre de prestations par an (en Communauté germanophone ou en dehors de celle-ci) | Subside (euros) |
| A haute valeur artistique | 5 | 600,00 |
| Degré supérieur | 4 | 576,00 |
| Division d'honneur | 3 | 576,00 |
| Classe d'excellence | 2 | 576,00 |
| 1re catégorie | 2 | 426,00 |
| 2e catégorie | 1 | 376,00 |
| 3e catégorie | 1 | 296,00 |
| Indemnité de déplacement : max. 50 euros pour les trajets en car d'au moins 50 km par prestation | ||
Ensembles de musique de chambre Compter au moins 4 et au plus 6 membres actifs en plus du directeur artistique Classement Nombre de prestations par an (en Communauté germanophone ou en dehors de celle-ci) Subside (euros) A haute valeur artistique 5 600,00 Degré supérieur 4 576,00 Division d'honneur 3 576,00 Classe d'excellence 2 576,00 1re catégorie 2 426,00 2e catégorie 1 376,00 3e catégorie 1 296,00 Indemnité de déplacement : max. 50 euros pour les trajets en car d'au moins 50 km par prestation
DANS | ||
| Classificatie | Aantal optredens per jaar (binnen of buiten de Duitstalige Gemeenschap) | Subsidie (uitgedrukt in euro) |
| Categorie 1 | 3 | 500,00 |
| Categorie 2 | 1 | 500,00 |
| Reisvergoeding: max. 130 euro voor busreizen van minstens 50 km per optreden | ||
DANS Classificatie Aantal optredens per jaar (binnen of buiten de Duitstalige Gemeenschap) Subsidie (uitgedrukt in euro) Categorie 1 3 500,00 Categorie 2 1 500,00 Reisvergoeding: max. 130 euro voor busreizen van minstens 50 km per optreden
Danse | ||
| Classement | Nombre de prestations par an (en Communauté germanophone ou en dehors de celle-ci) | Subside (euros) |
| 1re catégorie | 3 | 500,00 |
| 2e catégorie | 1 | 500,00 |
| Indemnité de déplacement : max. 130 euros pour les trajets en car d'au moins 50 km par prestation | ||
Danse Classement Nombre de prestations par an (en Communauté germanophone ou en dehors de celle-ci) Subside (euros) 1re catégorie 3 500,00 2e catégorie 1 500,00 Indemnité de déplacement : max. 130 euros pour les trajets en car d'au moins 50 km par prestation
TONEELGROEPEN | ||
| Classificatie | Aantal optredens per jaar (binnen of buiten de Duitstalige Gemeenschap) | Subsidie (uitgedrukt in euro) |
| Categorie 1 | 2 | 870,00 |
| Categorie 2 | 2 | 800,00 |
| Categorie 3 | 1 | 800,00 |
| Reisvergoeding: max. 130 euro voor busreizen van minstens 50 km per optreden | ||
TONEELGROEPEN Classificatie Aantal optredens per jaar (binnen of buiten de Duitstalige Gemeenschap) Subsidie (uitgedrukt in euro) Categorie 1 2 870,00Categorie 2 2 800,00 Categorie 3 1 800,00 Reisvergoeding: max. 130 euro voor busreizen van minstens 50 km per optreden
Troupes théâtrales | ||
| Classement | Nombre de prestations par an (en Communauté germanophone ou en dehors de celle-ci) | Subside (euros) |
| 1re catégorie | 2 | 870,00 |
| 2e catégorie | 2 | 800,00 |
| 3e catégorie | 1 | 800,00 |
| Indemnité de déplacement : max. 130 euros pour les trajets en car d'au moins 50 km par prestation | ||
Troupes théâtrales Classement Nombre de prestations par an (en Communauté germanophone ou en dehors de celle-ci) Subside (euros) 1re catégorie 2 870,00 2e catégorie 2 800,00 3e catégorie 1 800,00 Indemnité de déplacement : max. 130 euros pour les trajets en car d'au moins 50 km par prestation