Artikel 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt verstaan onder :
1° de FOD : de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu ;
2° DG Leefmilieu : het directoraat-generaal Leefmilieu van de FOD ;
3° DG Dier, Plant en Voeding : het directoraat-generaal Dier, Plant en Voeding van de FOD ;
4° KB Biociden : het koninklijk besluit van 4 april 2019 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruiken van biociden ;
5° BPR : de Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden ;
6° het Antigifcentrum : het Nationaal centrum ter voorkoming en behandeling van intoxicaties, bedoeld in het koninklijk besluit van 25 november 1983 betreffende de Rijkstegemoetkoming aan het Nationaal centrum ter voorkoming en behandeling van intoxicaties ;
7° Sciensano : de openbare instelling bedoeld in artikel 3 van de wet van 25 februari 2018 tot oprichting van Sciensano ;
8° de Minister : de Minister bevoegd voor Leefmilieu.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
9 DECEMBER 2021. - Koninklijk besluit tot oprichting van een Comité voor advies inzake biociden [...] <KB2024-03-26/05, art. 15, 002; Inwerkingtreding : 16-08-2023>(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-01-2022 en tekstbijwerking tot 15-04-2024)
Titre
9 DECEMBRE 2021. - Arrêté royal instituant un Comité d'avis sur les produits biocides [...] <AR2024-03-26/05, art. 15, 002; En vigueur : 16-08-2023>(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 03-01-2022 et mise à jour au 15-04-2024)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (18)
Texte (18)
HOOFDSTUK I. - Comité voor Advies inzake biociden.
CHAPITRE Ier. - Du Comité d'avis sur les produits biocides.
Article 1er. Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par :
1° le SPF : le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement ;
2° DG Environnement : la direction générale Environnement du SPF ;
3° DG Animaux, Végétaux et Alimentation : la direction générale Animaux, Végétaux et Alimentation du SPF ;
4° AR Biocides : l'arrêté royal du 4 avril 2019 relatif à la mise à disposition sur le marché et à l'utilisation des produits biocides ;
5° BPR : le Règlement (UE) n° 528/2012 du Parlement européen et du Conseil du 22 mai 2012 relatif à la mise à disposition sur le marché et à l'utilisation des produits biocides ;
6° Le Centre anti-poison : le Centre national de prévention et de traitement des intoxications, visé à l'arrêté royal du 25 novembre 1983, relatif à l'intervention de l'Etat au Centre national de prévention et de traitement des intoxications ;
7° Sciensano : l'institution publique visée à l'article 3 de la loi du 25 février 2018 portant création de Sciensano ;
8° le Ministre : le Ministre qui a l'Environnement dans ses attributions.
1° le SPF : le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement ;
2° DG Environnement : la direction générale Environnement du SPF ;
3° DG Animaux, Végétaux et Alimentation : la direction générale Animaux, Végétaux et Alimentation du SPF ;
4° AR Biocides : l'arrêté royal du 4 avril 2019 relatif à la mise à disposition sur le marché et à l'utilisation des produits biocides ;
5° BPR : le Règlement (UE) n° 528/2012 du Parlement européen et du Conseil du 22 mai 2012 relatif à la mise à disposition sur le marché et à l'utilisation des produits biocides ;
6° Le Centre anti-poison : le Centre national de prévention et de traitement des intoxications, visé à l'arrêté royal du 25 novembre 1983, relatif à l'intervention de l'Etat au Centre national de prévention et de traitement des intoxications ;
7° Sciensano : l'institution publique visée à l'article 3 de la loi du 25 février 2018 portant création de Sciensano ;
8° le Ministre : le Ministre qui a l'Environnement dans ses attributions.
Art. 2. In uitvoering van artikel 8, eerste lid, van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers, wordt bij de FOD een "Comité voor advies inzake biociden" opgericht, hierna aangeduid als "het CAB".
Art. 2. En application de l'article 8, premier alinéa, de la loi du 21 décembre 1998 relative aux normes de produits ayant pour but la promotion de modes de production et de consommation durables et la protection de l'environnement, de la santé, et des travailleurs, est institué au sein du SPF un "Comité d'avis sur les produits biocides", dénommé ci-après : "le CAB".
Art. 3. Het CAB heeft volgende opdrachten :
1° Advies geven over het ontwerp van beoordelingsrapport, opgesteld door DG Leefmilieu in haar hoedanigheid van evaluerende lidstaat, voor de aanvragen tot toelating voor nieuwe biociden evenals de aanvragen tot wijzing of hernieuwing van reeds bestaande toelatingen voor biociden die zijn ingediend overeenkomstig de BPR ;
2° Advies geven over het ontwerp van beoordelingsrapport, opgesteld door de evaluerende lidstaat en waarbij DG Leefmilieu in haar hoedanigheid van betrokken lidstaat handelt overeenkomstig de BPR, voor de aanvragen tot toelating voor nieuwe biociden evenals de aanvragen tot wijzing of hernieuwing van reeds bestaande toelatingen voor biociden, op voorwaarde dat deze wijziging of hernieuwing een impact heeft op de eigenschappen of de werkzaamheid van het biocide.
In afwijking van de bepalingen onder 1° en 2°, wordt geen advies gevraagd indien de betrokken biociden aanzien worden als "eenzelfde product", overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 414/ 2013 van de Commissie, of indien de beoogde wijziging of hernieuwing geen impact heeft op de eigenschappen of de werkzaamheid van de betrokken biociden ;
3° Advies geven over de aanvraag tot registratie, in geval een volledige evaluatie overeenkomstig artikel 10 van het KB Biociden vereist is, op basis van deelrapporten met betrekking tot werkzaamheid, fysisch-chemische eigenschappen, potentiële toxiciteit voor de mens en voor het milieu, blootstelling van de mens en van het milieu, gedrag in het milieu en de indeling en etikettering ;
4° Advies geven over een wijziging van registratie overeenkomstig artikel 12 van het KB Biociden indien de Minister of de door hem voor welbepaalde taken of bevoegdheden gemachtigde ambtenaar het initiatief tot wijziging neemt, of indien de houder van de registratie het initiatief neemt en het een wijziging betreft waarvoor een volledige evaluatie overeenkomstig artikel 10 van het KB Biociden vereist is ;
5° Advies geven over een schorsing van registratie overeenkomstig artikel 13, 1°, van het KB Biociden ;
6° a) Advies geven over een opheffing van registratie overeenkomstig artikel 14, 1°, van het KB Biociden en dit voor wat betreft de voorwaarden van artikel 5, 2°, 3° en 4°, van het KB Biociden ;
b) Advies geven over een opheffing van registratie overeenkomstig artikel 14, 2°, van het KB Biociden en dit indien de onjuiste of misleidende gegevens een impact hebben op de evaluatie van het betrokken biocide voor wat betreft de voorwaarden van artikel 5, 2°, 3° en 4°, van het KB Biociden ;
[1 6/1° Advies geven over de aanvraag tot verlenging of hernieuwing van een bestaande registratie, in geval een volledige evaluatie overeenkomstig artikel 10 van het KB Biociden vereist is, op basis van deelrapporten met betrekking tot werkzaamheid, fysisch-chemische eigenschappen, potentiële toxiciteit voor de mens en voor het milieu, blootstelling van de mens en van het milieu, gedrag in het milieu en de indeling en etikettering ;]1
7° Advies geven over andere onderwerpen die vallen onder het toepassingsgebied van de BPR en het KB Biociden ;
8° Desgevallend, het formuleren van vragen aan de Hoge Gezondheidsraad over de kritische punten van de dossiers waarin het CAB adviseert of over andere onderwerpen die vallen onder het toepassingsgebied van de BPR of het KB biociden ;
9° Als administratieve beroepsinstantie uitspraak doen over de bezwaarschriften ingediend overeenkomstig artikel 10, § 2, van het KB Biociden.
1° Advies geven over het ontwerp van beoordelingsrapport, opgesteld door DG Leefmilieu in haar hoedanigheid van evaluerende lidstaat, voor de aanvragen tot toelating voor nieuwe biociden evenals de aanvragen tot wijzing of hernieuwing van reeds bestaande toelatingen voor biociden die zijn ingediend overeenkomstig de BPR ;
2° Advies geven over het ontwerp van beoordelingsrapport, opgesteld door de evaluerende lidstaat en waarbij DG Leefmilieu in haar hoedanigheid van betrokken lidstaat handelt overeenkomstig de BPR, voor de aanvragen tot toelating voor nieuwe biociden evenals de aanvragen tot wijzing of hernieuwing van reeds bestaande toelatingen voor biociden, op voorwaarde dat deze wijziging of hernieuwing een impact heeft op de eigenschappen of de werkzaamheid van het biocide.
In afwijking van de bepalingen onder 1° en 2°, wordt geen advies gevraagd indien de betrokken biociden aanzien worden als "eenzelfde product", overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 414/ 2013 van de Commissie, of indien de beoogde wijziging of hernieuwing geen impact heeft op de eigenschappen of de werkzaamheid van de betrokken biociden ;
3° Advies geven over de aanvraag tot registratie, in geval een volledige evaluatie overeenkomstig artikel 10 van het KB Biociden vereist is, op basis van deelrapporten met betrekking tot werkzaamheid, fysisch-chemische eigenschappen, potentiële toxiciteit voor de mens en voor het milieu, blootstelling van de mens en van het milieu, gedrag in het milieu en de indeling en etikettering ;
4° Advies geven over een wijziging van registratie overeenkomstig artikel 12 van het KB Biociden indien de Minister of de door hem voor welbepaalde taken of bevoegdheden gemachtigde ambtenaar het initiatief tot wijziging neemt, of indien de houder van de registratie het initiatief neemt en het een wijziging betreft waarvoor een volledige evaluatie overeenkomstig artikel 10 van het KB Biociden vereist is ;
5° Advies geven over een schorsing van registratie overeenkomstig artikel 13, 1°, van het KB Biociden ;
6° a) Advies geven over een opheffing van registratie overeenkomstig artikel 14, 1°, van het KB Biociden en dit voor wat betreft de voorwaarden van artikel 5, 2°, 3° en 4°, van het KB Biociden ;
b) Advies geven over een opheffing van registratie overeenkomstig artikel 14, 2°, van het KB Biociden en dit indien de onjuiste of misleidende gegevens een impact hebben op de evaluatie van het betrokken biocide voor wat betreft de voorwaarden van artikel 5, 2°, 3° en 4°, van het KB Biociden ;
[1 6/1° Advies geven over de aanvraag tot verlenging of hernieuwing van een bestaande registratie, in geval een volledige evaluatie overeenkomstig artikel 10 van het KB Biociden vereist is, op basis van deelrapporten met betrekking tot werkzaamheid, fysisch-chemische eigenschappen, potentiële toxiciteit voor de mens en voor het milieu, blootstelling van de mens en van het milieu, gedrag in het milieu en de indeling en etikettering ;]1
7° Advies geven over andere onderwerpen die vallen onder het toepassingsgebied van de BPR en het KB Biociden ;
8° Desgevallend, het formuleren van vragen aan de Hoge Gezondheidsraad over de kritische punten van de dossiers waarin het CAB adviseert of over andere onderwerpen die vallen onder het toepassingsgebied van de BPR of het KB biociden ;
9° Als administratieve beroepsinstantie uitspraak doen over de bezwaarschriften ingediend overeenkomstig artikel 10, § 2, van het KB Biociden.
Art. 3. Le CAB est chargé des missions suivantes :
1° Rendre un avis sur le projet de rapport d'évaluation, établi par la DG Environnement en sa qualité d'Etat membre d'évaluation, pour les demandes d'autorisation de nouveaux produits biocides ainsi que pour les demandes de modification ou de renouvellement d'autorisations existantes pour des produits biocides introduites conformément au BPR ;
2° Rendre un avis sur le projet de rapport d'évaluation, établi par l'Etat membre d'évaluation et pour lequel la DG Environnement en sa qualité d'Etat membre concerné, intervient conformément au BPR pour les demandes d'autorisation de nouveaux produits biocides ainsi que pour les demandes de modification ou de renouvellement d'autorisations existantes pour des produits biocides, à condition que cette modification ou ce renouvellement ait un impact sur les propriétés ou l'efficacité du produit biocide.
Par dérogation aux points 1° et 2°, aucun avis n'est demandé lorsque les produits biocides concernés sont considérés comme "un même produit" conformément au Règlement d'exécution (UE) n° 414/2013 de la Commission, ou lorsque la modification ou le renouvellement visés n'ont aucun impact sur les propriétés ou l'efficacité du produit biocide concerné ;
3° Rendre un avis sur la demande d'enregistrement, lorsqu'une évaluation complète est exigée conformément à l'article 10 de l'AR Biocides, sur base des rapports partiels en ce qui concerne l'efficacité, les propriétés physico-chimiques, la toxicité potentielle pour l'homme et pour l'environnement, l'exposition de l'homme et de l'environnement, le comportement dans l'environnement, et la classification et l'étiquetage;
4° Rendre un avis sur une modification de l'enregistrement conformément à l'article 12 de l'AR Biocides lorsque l'initiative de la modification émane du Ministre ou du fonctionnaire habilité par ce dernier à exercer certaines tâches ou compétences, ou lorsque l'initiative émane du titulaire de l'enregistrement et qu'il s'agit d'une modification pour laquelle une évaluation complète est requise conformément à l'article 10 de l'AR Biocides ;
5° Rendre un avis sur la suspension d'un l'enregistrement conformément à l'article 13, 1°, de l'AR Biocides ;
6° a) Rendre un avis sur la suppression d'un enregistrement conformément à l'article 14, 1°, de l'AR Biocides, et ceci en ce qui concerne les conditions de l'article 5, 2°, 3° et 4°, de l'AR Biocides ;
b) Rendre un avis sur la suppression d'un enregistrement conformément à l'article 14, 2°, de l'AR Biocides, et ceci lorsque des informations fausses ou fallacieuses ont un impact sur l'évaluation du produit biocide concerné en ce qui concerne les conditions de l'article 5, 2°, 3° et 4°, de l'AR Biocides ;
[1 6/1° Rendre un avis sur la demande de prolongation ou renouvellement d'un enregistrement existant, lorsqu'une évaluation complète est exigée conformément à l'article 10 de l'AR Biocides, sur base des rapports partiels en ce qui concerne l'efficacité, les propriétés physico-chimiques, la toxicité potentielle pour l'homme et pour l'environnement, l'exposition de l'homme et de l'environnement, le comportement dans l'environnement, et la classification et l'étiquetage ;]1
7° Rendre un avis sur d'autres sujets relevant du champ d'application du BPR et de l'AR Biocides ;
8° Le cas échéant, formuler des questions au Conseil supérieur de la Santé sur les points critiques des dossiers dans lesquels le CAB rend un avis ou sur d'autres sujets relevant du champ d'application du BPR et de l'AR Biocides ;
9° En tant qu'instance d'appel administrative, se prononcer sur des réclamations introduites conformément à l'article 10, § 2, de l'AR Biocides.
1° Rendre un avis sur le projet de rapport d'évaluation, établi par la DG Environnement en sa qualité d'Etat membre d'évaluation, pour les demandes d'autorisation de nouveaux produits biocides ainsi que pour les demandes de modification ou de renouvellement d'autorisations existantes pour des produits biocides introduites conformément au BPR ;
2° Rendre un avis sur le projet de rapport d'évaluation, établi par l'Etat membre d'évaluation et pour lequel la DG Environnement en sa qualité d'Etat membre concerné, intervient conformément au BPR pour les demandes d'autorisation de nouveaux produits biocides ainsi que pour les demandes de modification ou de renouvellement d'autorisations existantes pour des produits biocides, à condition que cette modification ou ce renouvellement ait un impact sur les propriétés ou l'efficacité du produit biocide.
Par dérogation aux points 1° et 2°, aucun avis n'est demandé lorsque les produits biocides concernés sont considérés comme "un même produit" conformément au Règlement d'exécution (UE) n° 414/2013 de la Commission, ou lorsque la modification ou le renouvellement visés n'ont aucun impact sur les propriétés ou l'efficacité du produit biocide concerné ;
3° Rendre un avis sur la demande d'enregistrement, lorsqu'une évaluation complète est exigée conformément à l'article 10 de l'AR Biocides, sur base des rapports partiels en ce qui concerne l'efficacité, les propriétés physico-chimiques, la toxicité potentielle pour l'homme et pour l'environnement, l'exposition de l'homme et de l'environnement, le comportement dans l'environnement, et la classification et l'étiquetage;
4° Rendre un avis sur une modification de l'enregistrement conformément à l'article 12 de l'AR Biocides lorsque l'initiative de la modification émane du Ministre ou du fonctionnaire habilité par ce dernier à exercer certaines tâches ou compétences, ou lorsque l'initiative émane du titulaire de l'enregistrement et qu'il s'agit d'une modification pour laquelle une évaluation complète est requise conformément à l'article 10 de l'AR Biocides ;
5° Rendre un avis sur la suspension d'un l'enregistrement conformément à l'article 13, 1°, de l'AR Biocides ;
6° a) Rendre un avis sur la suppression d'un enregistrement conformément à l'article 14, 1°, de l'AR Biocides, et ceci en ce qui concerne les conditions de l'article 5, 2°, 3° et 4°, de l'AR Biocides ;
b) Rendre un avis sur la suppression d'un enregistrement conformément à l'article 14, 2°, de l'AR Biocides, et ceci lorsque des informations fausses ou fallacieuses ont un impact sur l'évaluation du produit biocide concerné en ce qui concerne les conditions de l'article 5, 2°, 3° et 4°, de l'AR Biocides ;
[1 6/1° Rendre un avis sur la demande de prolongation ou renouvellement d'un enregistrement existant, lorsqu'une évaluation complète est exigée conformément à l'article 10 de l'AR Biocides, sur base des rapports partiels en ce qui concerne l'efficacité, les propriétés physico-chimiques, la toxicité potentielle pour l'homme et pour l'environnement, l'exposition de l'homme et de l'environnement, le comportement dans l'environnement, et la classification et l'étiquetage ;]1
7° Rendre un avis sur d'autres sujets relevant du champ d'application du BPR et de l'AR Biocides ;
8° Le cas échéant, formuler des questions au Conseil supérieur de la Santé sur les points critiques des dossiers dans lesquels le CAB rend un avis ou sur d'autres sujets relevant du champ d'application du BPR et de l'AR Biocides ;
9° En tant qu'instance d'appel administrative, se prononcer sur des réclamations introduites conformément à l'article 10, § 2, de l'AR Biocides.
Wijzigingen
Art. 4. § 1. Het CAB bestaat uit volgende leden :
1° een voorzitter die tot de technische deskundigen van DG Leefmilieu behoort ;
2° een ondervoorzitter die tot de technische deskundigen van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg behoort ;
3° vijf leden die tot de technische deskundigen van DG Leefmilieu behoren ;
4° een lid dat tot de technische deskundigen van de dienst inspectie van DG Leefmilieu behoort ;
5° een lid dat tot het wetenschappelijk personeel van Sciensano behoort ;
6° drie leden die de drie Gewesten vertegenwoordigen ;
7° een lid dat tot de technische experten van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) behoort ;
8° een lid dat tot de technische experten van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG) behoort ;
9° een lid dat tot het wetenschappelijk personeel van het Antigifcentrum behoort ;
10° een lid dat tot de technische deskundigen van DG Dier, Plant en Voeding behoort.
§ 2. De in § 1 bedoelde leden, worden benoemd door de Minister voor een periode van vijf jaar.
Met uitzondering van de voorzitter, die vervangen wordt door de ondervoorzitter, wordt voor elk lid een plaatsvervangend lid benoemd dat tot dezelfde instelling behoort.
Onverminderd het eerste lid, worden de leden, en de plaatsvervangende leden, die behoren tot het FAVV slechts benoemd na het voorafgaandelijk akkoord van de Minister bevoegd voor Landbouw.
Onverminderd het eerste lid, worden de leden, en de plaatsvervangende leden, die behoren tot DG Dier, Plant en Voeding en Sciensano slechts benoemd na het voorafgaandelijk akkoord van de Minister bevoegd voor Volksgezondheid en de Minister bevoegd voor Landbouw.
Onverminderd het eerste lid, worden de leden, en de plaatsvervangende leden, die behoren tot het FAGG en het Antigifcentrum slechts benoemd na het voorafgaandelijk akkoord van de Minister bevoegd voor Volksgezondheid.
Onverminderd het eerste lid, wordt de ondervoorzitter en zijn plaatsvervanger die behoren tot de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg slechts benoemd na akkoord van de Minister bevoegd voor Werk.
Onverminderd het eerste lid, worden de leden, en de plaatsvervangende leden, die de Gewesten vertegenwoordigen, benoemd na voordracht door de betreffende Gewestregering. Deze vertegenwoordiging is louter facultatief. Bovendien kan er geen stemrecht worden toegekend aan de vertegenwoordigers van de Gewesten.
1° een voorzitter die tot de technische deskundigen van DG Leefmilieu behoort ;
2° een ondervoorzitter die tot de technische deskundigen van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg behoort ;
3° vijf leden die tot de technische deskundigen van DG Leefmilieu behoren ;
4° een lid dat tot de technische deskundigen van de dienst inspectie van DG Leefmilieu behoort ;
5° een lid dat tot het wetenschappelijk personeel van Sciensano behoort ;
6° drie leden die de drie Gewesten vertegenwoordigen ;
7° een lid dat tot de technische experten van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) behoort ;
8° een lid dat tot de technische experten van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG) behoort ;
9° een lid dat tot het wetenschappelijk personeel van het Antigifcentrum behoort ;
10° een lid dat tot de technische deskundigen van DG Dier, Plant en Voeding behoort.
§ 2. De in § 1 bedoelde leden, worden benoemd door de Minister voor een periode van vijf jaar.
Met uitzondering van de voorzitter, die vervangen wordt door de ondervoorzitter, wordt voor elk lid een plaatsvervangend lid benoemd dat tot dezelfde instelling behoort.
Onverminderd het eerste lid, worden de leden, en de plaatsvervangende leden, die behoren tot het FAVV slechts benoemd na het voorafgaandelijk akkoord van de Minister bevoegd voor Landbouw.
Onverminderd het eerste lid, worden de leden, en de plaatsvervangende leden, die behoren tot DG Dier, Plant en Voeding en Sciensano slechts benoemd na het voorafgaandelijk akkoord van de Minister bevoegd voor Volksgezondheid en de Minister bevoegd voor Landbouw.
Onverminderd het eerste lid, worden de leden, en de plaatsvervangende leden, die behoren tot het FAGG en het Antigifcentrum slechts benoemd na het voorafgaandelijk akkoord van de Minister bevoegd voor Volksgezondheid.
Onverminderd het eerste lid, wordt de ondervoorzitter en zijn plaatsvervanger die behoren tot de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg slechts benoemd na akkoord van de Minister bevoegd voor Werk.
Onverminderd het eerste lid, worden de leden, en de plaatsvervangende leden, die de Gewesten vertegenwoordigen, benoemd na voordracht door de betreffende Gewestregering. Deze vertegenwoordiging is louter facultatief. Bovendien kan er geen stemrecht worden toegekend aan de vertegenwoordigers van de Gewesten.
Art. 4. § 1er. Le CAB est composé des membres suivants :
1° un président faisant partie des experts techniques de la DG Environnement ;
2° un vice-président faisant partie des experts techniques du SPF Emploi, Travail et Concertation sociale ;
3° cinq membres faisant partie des experts techniques de la DG Environnement ;
4° un membre faisant partie des experts techniques du service d'inspection de la DG Environnement ;
5° un membre faisant partie du personnel scientifique de Sciensano ;
6° trois membres représentant les trois Régions ;
7° un membre faisant partie des experts techniques de l'Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire (AFSCA) ;
8° un membre faisant partie des experts techniques de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé (AFMPS) ;
9° un membre faisant partie du personnel scientifique du Centre anti-poison ;
10° un membre faisant partie des experts techniques de la DG Animaux, Végétaux et Alimentation.
§ 2. Les membres visés au § 1er, sont nommés par le Ministre pour une période de cinq ans.
A l'exception du président, qui se fait remplacer par le vice-président, un membre suppléant appartenant à la même institution est nommé pour chaque membre.
Sans préjudice de l'alinéa premier, la nomination des membres, et des membres suppléants, qui font partie de l'AFSCA est soumise à l'accord préalable du Ministre qui a l'Agriculture dans ses attributions.
Sans préjudice de l'alinéa premier, la nomination des membres, et des membres suppléants, qui font partie de la DG Animaux, Végétaux et Alimentation, et de Sciensano est soumise à l'accord préalable du Ministre qui a la Santé publique et du ministre qui l'Agriculture dans ses attributions.
Sans préjudice de l'alinéa premier, la nomination des membres, et des membres suppléants, qui font partie de l'AFMPS et du Centre anti-poison est soumise à l'accord préalable du Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions.
Sans préjudice de l'alinéa premier, la nomination du vice-président et de son suppléant, qui font partie du SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, est soumise à l'accord du Ministre qui a l'Emploi dans ses attributions.
Sans préjudice de l'alinéa premier, les membres, et les membres suppléant, qui représentent les Régions, sont nommés après proposition par le Gouvernement régional concerné. Cette représentation est purement facultative. En outre, aucun droit de vote ne peut être accordé aux représentants des Régions.
1° un président faisant partie des experts techniques de la DG Environnement ;
2° un vice-président faisant partie des experts techniques du SPF Emploi, Travail et Concertation sociale ;
3° cinq membres faisant partie des experts techniques de la DG Environnement ;
4° un membre faisant partie des experts techniques du service d'inspection de la DG Environnement ;
5° un membre faisant partie du personnel scientifique de Sciensano ;
6° trois membres représentant les trois Régions ;
7° un membre faisant partie des experts techniques de l'Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire (AFSCA) ;
8° un membre faisant partie des experts techniques de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé (AFMPS) ;
9° un membre faisant partie du personnel scientifique du Centre anti-poison ;
10° un membre faisant partie des experts techniques de la DG Animaux, Végétaux et Alimentation.
§ 2. Les membres visés au § 1er, sont nommés par le Ministre pour une période de cinq ans.
A l'exception du président, qui se fait remplacer par le vice-président, un membre suppléant appartenant à la même institution est nommé pour chaque membre.
Sans préjudice de l'alinéa premier, la nomination des membres, et des membres suppléants, qui font partie de l'AFSCA est soumise à l'accord préalable du Ministre qui a l'Agriculture dans ses attributions.
Sans préjudice de l'alinéa premier, la nomination des membres, et des membres suppléants, qui font partie de la DG Animaux, Végétaux et Alimentation, et de Sciensano est soumise à l'accord préalable du Ministre qui a la Santé publique et du ministre qui l'Agriculture dans ses attributions.
Sans préjudice de l'alinéa premier, la nomination des membres, et des membres suppléants, qui font partie de l'AFMPS et du Centre anti-poison est soumise à l'accord préalable du Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions.
Sans préjudice de l'alinéa premier, la nomination du vice-président et de son suppléant, qui font partie du SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, est soumise à l'accord du Ministre qui a l'Emploi dans ses attributions.
Sans préjudice de l'alinéa premier, les membres, et les membres suppléant, qui représentent les Régions, sont nommés après proposition par le Gouvernement régional concerné. Cette représentation est purement facultative. En outre, aucun droit de vote ne peut être accordé aux représentants des Régions.
Art. 5. Het secretariaat van het CAB wordt waargenomen door personeelsleden van DG Leefmilieu.
Art. 5. Le secrétariat du CAB est assuré par des membres du personnel de la DG Environnement.
Art. 6. Wordt geacht onverenigbaar te zijn met de hoedanigheid van lid of plaatsvervangend lid van het CAB, de uitoefening door dat lid, van elke betrekking, functie, mandaat, zelfs onbezoldigd :
a) in enige inrichting, onderneming, vennootschap of vereniging die actief is binnen de in artikel 3 bedoelde opdrachten van het CAB ;
b) in enige beroepsorganisatie of/-vereniging die sectoren van activiteiten vertegenwoordigt die actief zijn binnen de in artikel 3 bedoelde opdrachten van het CAB.
Vóór zijn of haar aanstelling als lid, of plaatsvervangend lid, van het CAB verklaart het kandidaat lid aan de directeur-generaal van zijn of haar wetenschappelijke instelling, zijn of haar wetenschappelijk centrum of directoraat - generaal of het onder één van de voornoemde mogelijkheden valt. Een kandidaat lid of plaatsvervangend lid dat een Gewest vertegenwoordigt, richt deze verklaring aan de Minister of aan de door hem voor welbepaalde taken of bevoegdheden gemachtigde ambtenaar.
De activiteiten binnen een wetenschappelijke vereniging vallen niet onder dit artikel, en worden dus geacht verenigbaar te zijn met de hoedanigheid van lid of plaatsvervangend lid van het CAB.
a) in enige inrichting, onderneming, vennootschap of vereniging die actief is binnen de in artikel 3 bedoelde opdrachten van het CAB ;
b) in enige beroepsorganisatie of/-vereniging die sectoren van activiteiten vertegenwoordigt die actief zijn binnen de in artikel 3 bedoelde opdrachten van het CAB.
Vóór zijn of haar aanstelling als lid, of plaatsvervangend lid, van het CAB verklaart het kandidaat lid aan de directeur-generaal van zijn of haar wetenschappelijke instelling, zijn of haar wetenschappelijk centrum of directoraat - generaal of het onder één van de voornoemde mogelijkheden valt. Een kandidaat lid of plaatsvervangend lid dat een Gewest vertegenwoordigt, richt deze verklaring aan de Minister of aan de door hem voor welbepaalde taken of bevoegdheden gemachtigde ambtenaar.
De activiteiten binnen een wetenschappelijke vereniging vallen niet onder dit artikel, en worden dus geacht verenigbaar te zijn met de hoedanigheid van lid of plaatsvervangend lid van het CAB.
Art. 6. Est réputé incompatible avec la qualité de membre ou membre suppléant du CAB, l'exercice par ce membre, de tout emploi, fonction, mandat, même gratuit :
a) dans tout établissement, entreprise, société ou association quelconque relevant des missions du CAB visées à l'article 3;
b) dans toute organisation ou association professionnelle représentative de secteurs d'activités opérant dans le cadre des missions du CAB visées à l'article 3.
Avant sa nomination comme membre, ou membre suppléant, du CAB, le membre candidat déclare au directeur-général de son institut scientifique, de son centre scientifique ou de sa direction générale s'il rentre dans une des possibilités citées ci-dessus. Un membre ou membre suppléant candidat qui représente une Région, adresse cette déclaration au Ministre ou au fonctionnaire habilité par ce dernier à exercer certaines tâches ou compétences.
Les activités au sein d'une association scientifique ne sont pas visées par le présent article, et sont dès lors censés être compatibles avec la qualité de membre ou membre suppléant du CAB.
a) dans tout établissement, entreprise, société ou association quelconque relevant des missions du CAB visées à l'article 3;
b) dans toute organisation ou association professionnelle représentative de secteurs d'activités opérant dans le cadre des missions du CAB visées à l'article 3.
Avant sa nomination comme membre, ou membre suppléant, du CAB, le membre candidat déclare au directeur-général de son institut scientifique, de son centre scientifique ou de sa direction générale s'il rentre dans une des possibilités citées ci-dessus. Un membre ou membre suppléant candidat qui représente une Région, adresse cette déclaration au Ministre ou au fonctionnaire habilité par ce dernier à exercer certaines tâches ou compétences.
Les activités au sein d'une association scientifique ne sont pas visées par le présent article, et sont dès lors censés être compatibles avec la qualité de membre ou membre suppléant du CAB.
Art. 7. Ieder lid of plaatsvervangend lid van het CAB is ertoe gehouden, zowel wat hem of haar zelf, een samenwonende als een bloedverwant in de eerste graad betreft, om spontaan en onmiddellijk te melden aan de voorzitter van het CAB :
- het hebben van een relevant belang in enige inrichting, onderneming, vennootschap of vereniging, die actief is binnen de in artikel 3 bedoelde opdrachten van het CAB, dat van aard is om zijn werking te beïnvloeden,
- de uitoefening van een directie-, beheers- of interne controlefunctie in enige inrichting, onderneming, vennootschap of vereniging die actief is binnen de in artikel 3 bedoelde opdrachten van het CAB.
De voorzitter behandelt de meldingen en treft de nodige schikkingen om de goede werking van het CAB te vrijwaren.
Het deelnemen aan de activiteiten van een wetenschappelijke vereniging valt niet onder dit artikel, en moet dus niet gemeld worden.
- het hebben van een relevant belang in enige inrichting, onderneming, vennootschap of vereniging, die actief is binnen de in artikel 3 bedoelde opdrachten van het CAB, dat van aard is om zijn werking te beïnvloeden,
- de uitoefening van een directie-, beheers- of interne controlefunctie in enige inrichting, onderneming, vennootschap of vereniging die actief is binnen de in artikel 3 bedoelde opdrachten van het CAB.
De voorzitter behandelt de meldingen en treft de nodige schikkingen om de goede werking van het CAB te vrijwaren.
Het deelnemen aan de activiteiten van een wetenschappelijke vereniging valt niet onder dit artikel, en moet dus niet gemeld worden.
Art. 7. Tout membre ou membre suppléant du CAB est tenu de déclarer au président du CAB, spontanément et immédiatement, en ce qui concerne lui- même, une personne cohabitante ou parente au premier degré :
- la détention significative d'un intérêt pertinent dans tout établissement, entreprise, société ou association opérant dans le cadre des missions du CAB visées à l'article 3, susceptible d'influencer son fonctionnement,
- l'exercice d'une fonction de direction, de gestion ou de contrôle interne, dans tout établissement, entreprise, société ou association quelconque opérant dans le cadre des missions du CAB visées à l'article 3.
Le président traite les déclarations et prend les mesures qui s'imposent afin de garantir le bon fonctionnement du CAB.
La participation aux activités d'une association scientifique n'est pas visée par le présent article, et ne doit dès lors pas être déclarée.
- la détention significative d'un intérêt pertinent dans tout établissement, entreprise, société ou association opérant dans le cadre des missions du CAB visées à l'article 3, susceptible d'influencer son fonctionnement,
- l'exercice d'une fonction de direction, de gestion ou de contrôle interne, dans tout établissement, entreprise, société ou association quelconque opérant dans le cadre des missions du CAB visées à l'article 3.
Le président traite les déclarations et prend les mesures qui s'imposent afin de garantir le bon fonctionnement du CAB.
La participation aux activités d'une association scientifique n'est pas visée par le présent article, et ne doit dès lors pas être déclarée.
Art. 8. Het CAB stelt een huishoudelijk reglement op binnen een termijn van 6 maanden na de inwerkingtreding van dit besluit.
Het huishoudelijk reglement bevat minstens volgende elementen :
- De rol van de voorzitter ;
- De organisatie van de vergaderingen, met inbegrip van het voorzien van de mogelijkheid voor zowel fysieke als virtuele vergaderingen ;
- De frequentie van de vergaderingen ;
- De procedure inzake beraadslaging en besluitvorming, met inbegrip van het voorzien van de mogelijkheid van een schriftelijke procedure ;
- De vertrouwelijkheidsregels.
Het huishoudelijk reglement bevat minstens volgende elementen :
- De rol van de voorzitter ;
- De organisatie van de vergaderingen, met inbegrip van het voorzien van de mogelijkheid voor zowel fysieke als virtuele vergaderingen ;
- De frequentie van de vergaderingen ;
- De procedure inzake beraadslaging en besluitvorming, met inbegrip van het voorzien van de mogelijkheid van een schriftelijke procedure ;
- De vertrouwelijkheidsregels.
Art. 8. Le CAB fixe son règlement d'ordre intérieur dans un délai de 6 mois après l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Le règlement d'ordre intérieur fait mention, au moins, des éléments suivants :
- Le rôle du président ;
- L'organisation des réunions y compris prévoir la possibilité d'organiser à la fois des réunions physiques et virtuelles ;
- La fréquence des réunions ;
- La procédure de délibération et de prise de décision, y compris la possibilité d'avoir une procédure écrite ;
- Les règles de confidentialité.
Le règlement d'ordre intérieur fait mention, au moins, des éléments suivants :
- Le rôle du président ;
- L'organisation des réunions y compris prévoir la possibilité d'organiser à la fois des réunions physiques et virtuelles ;
- La fréquence des réunions ;
- La procédure de délibération et de prise de décision, y compris la possibilité d'avoir une procédure écrite ;
- Les règles de confidentialité.
Art. 9. De leden van het CAB kunnen zich laten bijstaan door experten die zelf geen lid zijn van het CAB .
De agenda bepaalt precies de onderwerpen die zullen besproken worden zodat de leden zich door de meest geschikte expert kunnen laten bijstaan.
De agenda bepaalt precies de onderwerpen die zullen besproken worden zodat de leden zich door de meest geschikte expert kunnen laten bijstaan.
Art. 9. Les membres du CAB peuvent également se faire assister par des experts qui ne sont pas membre du CAB.
L'ordre du jour détermine de façon précise les sujets qui seront discutés de sorte que les membres puissent se faire assister par l'expert le plus approprié.
L'ordre du jour détermine de façon précise les sujets qui seront discutés de sorte que les membres puissent se faire assister par l'expert le plus approprié.
Art. 10. Bij het formuleren van zijn adviezen over de toelating en de registratie van biociden, houdt het CAB rekening met de bepalingen van het KB Biociden en, waar toepasselijk, met :
- de bepalingen van de BPR en de daaruit volgende wetgeving;
- de richtsnoeren en emissie-scenario-documenten uitgevaardigd door de diensten van de Europese Commissie en van het Europees Chemicaliënagentschap (ECHA) ;
- de Europese normen inzake beproeving van de doeltreffendheid van biociden ;
- de opmerkingen vanwege de Commissie, ECHA of van andere bevoegde overheden van de andere lidstaten van de Europese Unie.
- de bepalingen van de BPR en de daaruit volgende wetgeving;
- de richtsnoeren en emissie-scenario-documenten uitgevaardigd door de diensten van de Europese Commissie en van het Europees Chemicaliënagentschap (ECHA) ;
- de Europese normen inzake beproeving van de doeltreffendheid van biociden ;
- de opmerkingen vanwege de Commissie, ECHA of van andere bevoegde overheden van de andere lidstaten van de Europese Unie.
Art. 10. Lors de la formulation de ses avis relatifs à l'autorisation et l'enregistrement des produits biocides, le CAB tient compte des dispositions de l'AR Biocides, et, le cas échéant, des :
- dispositions du BPR et de la législation qui en découle ;
- lignes directrices et des documents de scénarios d'émission édictés par les services de la Commission européenne et de l'Agence européenne des produits chimiques (ECHA) ;
- normes européennes en matière d'essais d'efficacité de produits biocides ;
- remarques de la Commission, de l'ECHA ou des autorités compétentes des autres Etats Membres de l'Union européenne.
- dispositions du BPR et de la législation qui en découle ;
- lignes directrices et des documents de scénarios d'émission édictés par les services de la Commission européenne et de l'Agence européenne des produits chimiques (ECHA) ;
- normes européennes en matière d'essais d'efficacité de produits biocides ;
- remarques de la Commission, de l'ECHA ou des autorités compétentes des autres Etats Membres de l'Union européenne.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 4 april 2019 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruiken van biociden.
CHAPITRE II. - Modifications de l'arrêté royal du 4 avril 2019 relatif à la mise à disposition sur le marché et à l'utilisation des produits biocides.
Art. 11. Artikel 2, 33°, van het koninklijk besluit van 4 april 2019 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruiken van biociden, wordt vervangen als volgt :
"33° Comité voor advies inzake biociden: het comité zoals opgericht door het koninklijk besluit van 9 december 2021 tot oprichting van een Comité voor advies inzake biociden, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 april 2019 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden ; ".
"33° Comité voor advies inzake biociden: het comité zoals opgericht door het koninklijk besluit van 9 december 2021 tot oprichting van een Comité voor advies inzake biociden, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 april 2019 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden ; ".
Art. 11. L'article 2, 33°, de l'arrêté royal du 4 avril 2019 relatif à la mise à disposition sur le marché et à l'utilisation des produits biocides, est remplacé par ce qui suit :
"33° Comité d'avis sur les produits biocides : le comité constitué par l'arrêté royal du 9 décembre 2021 instituant un Comité d'avis sur les produits biocides et modifiant l'arrêté royal du 4 avril 2019 concernant la mise sur le marché et l'utilisation des produits biocides ; ".
"33° Comité d'avis sur les produits biocides : le comité constitué par l'arrêté royal du 9 décembre 2021 instituant un Comité d'avis sur les produits biocides et modifiant l'arrêté royal du 4 avril 2019 concernant la mise sur le marché et l'utilisation des produits biocides ; ".
Art. 12. Artikel 14 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Het advies van het Comité voor advies inzake biociden kan gevraagd worden.".
"Het advies van het Comité voor advies inzake biociden kan gevraagd worden.".
Art. 12. L'article 14 du même arrêté est complété avec un alinéa, rédigé comme suit :
"L'avis du Comité d'avis sur les produits biocides peut être demandé.".
"L'avis du Comité d'avis sur les produits biocides peut être demandé.".
HOOFDSTUK III. - Opheffings- en slotbepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions abrogatoires et finales.
Art. 13. Het koninklijk besluit van 5 augustus 2006 tot oprichting van een Comité voor advies inzake biociden wordt opgeheven.
Art. 13. L'arrêté royal du 5 août 2006 instituant un Comité d'avis sur les produits biocides est abrogé.
Art. 14. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022.
Art. 14. Le présent arrêté produit ses effets à partir du 1er janvier 2022.
Art. 15. De minister bevoegd voor Volksgezondheid, en de minister bevoegd voor Leefmilieu, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 15. Le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions, et la ministre qui a l'Environnement dans ses attributions, sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.