Artikel 1. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 1991 betreffende de indiening en afhandeling van de aanvraag tot ondersteuning bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt:
" § 1. De aanvraag, vermeld in artikel 1, wordt ingediend op een formulier waarvan het model vastgesteld is door het agentschap. Het formulier wordt aan het agentschap bezorgd met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap bepaalt. Als het formulier met de post wordt bezorgd, is het ondertekend door de persoon met een handicap of door zijn wettelijke vertegenwoordiger.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
5 MAART 2021. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van een aantal besluiten van de Vlaamse Regering over de ondersteuning van personen met een handicap
Titre
5 MARS 2021. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant divers arrêtés du Gouvernement flamand relatifs au soutien aux personnes handicapées
Documentinformatie
Numac: 2021041306
Datum: 2021-03-05
Info du document
Numac: 2021041306
Date: 2021-03-05
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van het besluit van...
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het besluit van...
HOOFDSTUK 12. - Wijzigingen van het besluit van...
HOOFDSTUK 13. - Wijzigingen van het besluit van...
HOOFDSTUK 14. - Wijzigingen van het besluit van...
HOOFDSTUK. 15. - Slotbepalingen
BIJLAGE.
Inhoud
CHAPITRE 1. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 4. - Modification de l'arrêté du Gouve...
CHAPITRE 5. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 6. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 7. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 8. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 9. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 10. - Modifications de l'arrêté du Gou...
CHAPITRE 11. - Modifications de l'arrêté du Gou...
CHAPITRE 12. - Modifications de l'arrêté du Gou...
CHAPITRE 13. - Modification de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 14. - Modifications de l'arrêté du Gou...
CHAPITRE 15. - Dispositions finales
ANNEXE.
Tekst (73)
Texte (73)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 1991 betreffende de indiening en afhandeling van de aanvraag tot ondersteuning bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap
CHAPITRE 1. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991 relatif à l'introduction et au traitement de la demande de soutien auprès de l'Agence flamande pour les Personnes handicapées
Article 1er. A l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991 relatif à l'introduction et au traitement de la demande de soutien auprès de l'Agence flamande pour les Personnes handicapées, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand des 27 novembre 2015, le paragraphe 1 est remplacé par ce qui suit :
" § 1. La demande visée à l'article 1 est introduite sur un formulaire dont le modèle est établi par l'agence. Le formulaire est transmis à l'agence par la poste ou par voie électronique selon les modalités établies par l'agence. Lorsque le formulaire est transmis par la poste, il est signé par la personne handicapée ou son représentant légal. ".
" § 1. La demande visée à l'article 1 est introduite sur un formulaire dont le modèle est établi par l'agence. Le formulaire est transmis à l'agence par la poste ou par voie électronique selon les modalités établies par l'agence. Lorsque le formulaire est transmis par la poste, il est signé par la personne handicapée ou son représentant légal. ".
Art.2. Artikel 9 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art.2. L'article 9 du même arrêté est abrogé.
Art.3. In artikel 10bis, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 februari 2007 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012 en 26 april 2019, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Binnen dertig dagen na de dag waarop de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, kan de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger met een gemotiveerd verzoekschrift aan het agentschap vragen om zijn voornemen in heroverweging te nemen. In dat verzoekschrift kan de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger vragen om door de adviescommissie, vermeld in artikel 29, gehoord te worden. De aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger bezorgt het gemotiveerde verzoekschrift aan het agentschap met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap bepaalt. Als het verzoekschrift met de post bezorgd wordt, ondertekent de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger dat verzoekschrift en wordt het aangetekend verstuurd.".
"Binnen dertig dagen na de dag waarop de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, kan de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger met een gemotiveerd verzoekschrift aan het agentschap vragen om zijn voornemen in heroverweging te nemen. In dat verzoekschrift kan de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger vragen om door de adviescommissie, vermeld in artikel 29, gehoord te worden. De aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger bezorgt het gemotiveerde verzoekschrift aan het agentschap met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap bepaalt. Als het verzoekschrift met de post bezorgd wordt, ondertekent de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger dat verzoekschrift en wordt het aangetekend verstuurd.".
Art.3. A l'article 10bis, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 février 2007 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 20 juillet 2012 et 26 avril 2019, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Dans les trente jours suivant le jour où le demandeur ou son représentant légal a reçu la notification visée à l'alinéa premier, le demandeur ou son représentant légal peut demander à l'agence, par une requête motivée, de reconsidérer son intention. Dans cette requête, le demandeur ou son représentant légal peut demander à être entendu par la commission consultative visée à l'article 29. Le demandeur ou son représentant légal transmet la requête motivée à l'agence par la poste ou par voie électronique selon les modalités déterminées par l'agence. Lorsque la requête est transmise par la poste, le demandeur ou son représentant légal signe cette requête et elle est envoyée par lettre recommandée. ".
" Dans les trente jours suivant le jour où le demandeur ou son représentant légal a reçu la notification visée à l'alinéa premier, le demandeur ou son représentant légal peut demander à l'agence, par une requête motivée, de reconsidérer son intention. Dans cette requête, le demandeur ou son représentant légal peut demander à être entendu par la commission consultative visée à l'article 29. Le demandeur ou son représentant légal transmet la requête motivée à l'agence par la poste ou par voie électronique selon les modalités déterminées par l'agence. Lorsque la requête est transmise par la poste, le demandeur ou son représentant légal signe cette requête et elle est envoyée par lettre recommandée. ".
Art.4. In artikel 28 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 en 10 mei 2019, wordt een paragraaf 4bis ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 4bis. Het agentschap betaalt aan de multidisciplinaire teams, vermeld in artikel 22, een vergoeding van 50 euro voor de afname van de storend gedragsschaal, vermeld in artikel 4 van het ministerieel besluit van 26 november 2018 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juni 2018 tot regeling van het infrastructuurforfait binnen de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, voor de vaststelling van ernstige gedragsstoornissen in het kader van de bepaling van een zorggroep als vermeld in bijlage 2 bij besluit van de Vlaamse Regering van 22 juni 2018 tot regeling van het infrastructuurforfait binnen de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, als het agentschap voor de persoon in kwestie met een handicap geen resultaten heeft van een afname van het zorgzwaarte-instrument, vermeld in artikel 1, 24°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget.".
" § 4bis. Het agentschap betaalt aan de multidisciplinaire teams, vermeld in artikel 22, een vergoeding van 50 euro voor de afname van de storend gedragsschaal, vermeld in artikel 4 van het ministerieel besluit van 26 november 2018 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juni 2018 tot regeling van het infrastructuurforfait binnen de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, voor de vaststelling van ernstige gedragsstoornissen in het kader van de bepaling van een zorggroep als vermeld in bijlage 2 bij besluit van de Vlaamse Regering van 22 juni 2018 tot regeling van het infrastructuurforfait binnen de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, als het agentschap voor de persoon in kwestie met een handicap geen resultaten heeft van een afname van het zorgzwaarte-instrument, vermeld in artikel 1, 24°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget.".
Art.4. A l'article 28 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 novembre 2010 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 27 novembre 2015 et 10 mai 2019, il est inséré un paragraphe 4bis ainsi rédigé :
" § 4bis. L'agence paie aux équipes multidisciplinaires visées à l'article 22, une indemnité de 50 euros pour le prélèvement de l'échelle de comportement perturbateur visée à l'article 4 de l'arrêté ministériel du 26 novembre 2018 portant exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juin 2018 réglant le forfait d'infrastructure dans le cadre du financement personnalisé pour des personnes handicapées, fourni par le Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables, pour la constatation de troubles graves du comportement dans le cadre de la détermination d'un groupe de soins visé à l'annexe 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juin 2018 réglant le forfait d'infrastructure dans le cadre du financement personnalisé pour des personnes handicapées, fourni par le Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables, lorsque l'agence n'a pas de résultats pour la personne handicapée concernée, de l'application de l'instrument des soins requis visé à l'article 1, 24°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles aux personnes majeures handicapées et à la mise à disposition de ce budget. ".
" § 4bis. L'agence paie aux équipes multidisciplinaires visées à l'article 22, une indemnité de 50 euros pour le prélèvement de l'échelle de comportement perturbateur visée à l'article 4 de l'arrêté ministériel du 26 novembre 2018 portant exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juin 2018 réglant le forfait d'infrastructure dans le cadre du financement personnalisé pour des personnes handicapées, fourni par le Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables, pour la constatation de troubles graves du comportement dans le cadre de la détermination d'un groupe de soins visé à l'annexe 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juin 2018 réglant le forfait d'infrastructure dans le cadre du financement personnalisé pour des personnes handicapées, fourni par le Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables, lorsque l'agence n'a pas de résultats pour la personne handicapée concernée, de l'application de l'instrument des soins requis visé à l'article 1, 24°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles aux personnes majeures handicapées et à la mise à disposition de ce budget. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse regering van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2000 établissant les conditions d'octroi d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapées
Art.5. In artikel 10, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "een periode van maximaal drie maanden" vervangen door de zinsnede "maximaal 92 dagen";
2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het PAB kan worden aangewend om kortdurende woonondersteuning of kortdurende dagondersteuning te vergoeden die wordt verleend door een van de volgende zorgaanbieders:
1° een zorgaanbieder die door het agentschap is vergund conform het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap;
2° een zorgaanbieder die geregistreerd is bij het agentschap conform artikel 7, eerste lid, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders.";
3° er worden een vierde en een vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Het PAB kan ook worden aangewend om kortdurende dagondersteuning die wordt geboden door groene zorginitiatieven als vermeld in artikel 7, tweede lid, van het voormelde besluit van 24 juni 2016, die bij het agentschap geregistreerd zijn, te vergoeden.
Het PAB kan worden aangewend om maximaal 36 mobiele begeleidingen als vermeld in artikel 1, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2013 betreffende rechtstreeks toegankelijke hulp voor personen met een handicap, of maximaal 51 ambulante begeleidingen als vermeld in artikel 1, 2°, van het voormelde besluit, te vergoeden per kalenderjaar als ze worden geboden door een multifunctioneel centrum of door een zorgaanbieder als vermeld in het derde lid, 1°. ".
1° in het eerste lid worden de woorden "een periode van maximaal drie maanden" vervangen door de zinsnede "maximaal 92 dagen";
2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het PAB kan worden aangewend om kortdurende woonondersteuning of kortdurende dagondersteuning te vergoeden die wordt verleend door een van de volgende zorgaanbieders:
1° een zorgaanbieder die door het agentschap is vergund conform het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap;
2° een zorgaanbieder die geregistreerd is bij het agentschap conform artikel 7, eerste lid, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders.";
3° er worden een vierde en een vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Het PAB kan ook worden aangewend om kortdurende dagondersteuning die wordt geboden door groene zorginitiatieven als vermeld in artikel 7, tweede lid, van het voormelde besluit van 24 juni 2016, die bij het agentschap geregistreerd zijn, te vergoeden.
Het PAB kan worden aangewend om maximaal 36 mobiele begeleidingen als vermeld in artikel 1, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2013 betreffende rechtstreeks toegankelijke hulp voor personen met een handicap, of maximaal 51 ambulante begeleidingen als vermeld in artikel 1, 2°, van het voormelde besluit, te vergoeden per kalenderjaar als ze worden geboden door een multifunctioneel centrum of door een zorgaanbieder als vermeld in het derde lid, 1°. ".
Art.5. Dans l'article 10, § 5, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2000 établissant les conditions d'octroi d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapées, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa premier, les mots " une période maximale de trois mois " sont remplacés par le membre de phrase " 92 jours au maximum " ;
2° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" Le BAP peut être affecté à l'indemnisation de l'assistance au logement de courte durée, ou l'assistance de jour de courte durée fournie par un des prestataires de soins suivants :
1° un prestataire de soins qui est autorisé par l'agence, conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant autorisation des offreurs de soins et de soutien non directement accessibles pour personnes handicapées ;
2° un prestataire de soins qui est enregistré auprès de l'agence conformément à l'article 7, alinéa premier, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les prestataires de soins autorisés. " ;
3° il est ajouté des alinéas quatre et cinq ainsi rédigés :
" Le BAP peut également être utilisé pour indemniser le soutien de jour de courte durée offert par des initiatives de soins verts visées à l'article 7, alinéa deux, de l'arrêté du 24 juin 2016 précité, qui sont enregistrées auprès de l'agence.
Le BAP peut être utilisé pour indemniser au maximum 36 accompagnements mobiles visés à l'article 1er, 5°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 février 2013 relatif à l'aide directement accessible pour les personnes handicapées, ou au maximum 51 accompagnements ambulatoires visés à l'article 1, 2°, de l'arrêté précité, par année civile, lorsqu'ils sont offerts par un centre multifonctionnel ou un prestataire de soins visé à l'alinéa trois, 1°. ".
1° dans l'alinéa premier, les mots " une période maximale de trois mois " sont remplacés par le membre de phrase " 92 jours au maximum " ;
2° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" Le BAP peut être affecté à l'indemnisation de l'assistance au logement de courte durée, ou l'assistance de jour de courte durée fournie par un des prestataires de soins suivants :
1° un prestataire de soins qui est autorisé par l'agence, conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant autorisation des offreurs de soins et de soutien non directement accessibles pour personnes handicapées ;
2° un prestataire de soins qui est enregistré auprès de l'agence conformément à l'article 7, alinéa premier, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les prestataires de soins autorisés. " ;
3° il est ajouté des alinéas quatre et cinq ainsi rédigés :
" Le BAP peut également être utilisé pour indemniser le soutien de jour de courte durée offert par des initiatives de soins verts visées à l'article 7, alinéa deux, de l'arrêté du 24 juin 2016 précité, qui sont enregistrées auprès de l'agence.
Le BAP peut être utilisé pour indemniser au maximum 36 accompagnements mobiles visés à l'article 1er, 5°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 février 2013 relatif à l'aide directement accessible pour les personnes handicapées, ou au maximum 51 accompagnements ambulatoires visés à l'article 1, 2°, de l'arrêté précité, par année civile, lorsqu'ils sont offerts par un centre multifonctionnel ou un prestataire de soins visé à l'alinéa trois, 1°. ".
Art.6. In artikel 12 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, 1°, worden tussen het woord "agentschap" en het woord "over" de woorden "of geregistreerd is bij het agentschap" ingevoegd;
2° in paragraaf 2 wordt het tweede lid opgeheven.
1° in paragraaf 1, tweede lid, 1°, worden tussen het woord "agentschap" en het woord "over" de woorden "of geregistreerd is bij het agentschap" ingevoegd;
2° in paragraaf 2 wordt het tweede lid opgeheven.
Art.6. A l'article 12 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1, alinéa 2, 1°, les mots " ou enregistré auprès de l'agence " sont insérés entre le mot " agence, " et le mot " sur " ;
2° dans le paragraphe 2, l'alinéa 2 est abrogé.
1° dans le paragraphe 1, alinéa 2, 1°, les mots " ou enregistré auprès de l'agence " sont insérés entre le mot " agence, " et le mot " sur " ;
2° dans le paragraphe 2, l'alinéa 2 est abrogé.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 fixant les critères, les conditions et les montants de référence des interventions d'assistance matérielle individuelle à l'intégration sociale des personnes handicapées
Art.7. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 februari 2018, 9 december 2011, 14 december 2018 en 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 7° wordt opgeheven;
2° punt 8° wordt vervangen door wat volgt:
"8° adviesrapport: een adviesrapport als vermeld in artikel 9, § 3, 6°, dat een gespecialiseerd multidisciplinair team opmaakt;".
1° punt 7° wordt opgeheven;
2° punt 8° wordt vervangen door wat volgt:
"8° adviesrapport: een adviesrapport als vermeld in artikel 9, § 3, 6°, dat een gespecialiseerd multidisciplinair team opmaakt;".
Art.7. A l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 fixant les critères, les conditions et les montants de référence des interventions d'assistance matérielle individuelle à l'intégration sociale des personnes handicapées, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 février 2018, 9 décembre 2011, 14 décembre 2018 et 26 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 7° est abrogé ;
2° le point 8° est remplacé par ce qui suit :
" 8° rapport consultatif : Un rapport consultatif tel que visé à l'article 9, § 3, 6°, établi par une équipe multidisciplinaire ; ".
1° le point 7° est abrogé ;
2° le point 8° est remplacé par ce qui suit :
" 8° rapport consultatif : Un rapport consultatif tel que visé à l'article 9, § 3, 6°, établi par une équipe multidisciplinaire ; ".
Art.8. In artikel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de inleidende zin vervangen door de volgende zinnen:
"Het gespecialiseerde multidisciplinair team waarop de persoon met een handicap met een verzoek om materiële bijstand een beroep doet, zorgt voor de persoonlijke adviesverlening. Dat advies omvat:";
2° in paragraaf 3 wordt punt 7° vervangen door wat volgt:
"7° het adviesrapport, vermeld in punt 6°, of de adviesrapporten, vermeld in artikel 11, § 3, 2°, bezorgen aan het agentschap en, als dat gevraagd wordt, een afschrift ervan bezorgen aan het KOC;".
1° in paragraaf 1 wordt de inleidende zin vervangen door de volgende zinnen:
"Het gespecialiseerde multidisciplinair team waarop de persoon met een handicap met een verzoek om materiële bijstand een beroep doet, zorgt voor de persoonlijke adviesverlening. Dat advies omvat:";
2° in paragraaf 3 wordt punt 7° vervangen door wat volgt:
"7° het adviesrapport, vermeld in punt 6°, of de adviesrapporten, vermeld in artikel 11, § 3, 2°, bezorgen aan het agentschap en, als dat gevraagd wordt, een afschrift ervan bezorgen aan het KOC;".
Art.8. A l'article 9 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mai 2004, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, la phrase introductive est remplacée par les phrases suivantes :
" L'équipe multidisciplinaire spécialisée à laquelle la personne handicapée fait appel en demandant une aide matérielle, assure les services de conseil personnel. Ce conseil comporte : " ;
2° dans le paragraphe 3, le point 7° est remplacé par ce qui suit :
" 7° transmettre le rapport de conseil visé au point 6°, ou les rapports de conseil visés à l'article 11, § 3, 2°, à l'agence et, si cela est demandé, en transmettre une copie au CES ; ".
1° au paragraphe 1er, la phrase introductive est remplacée par les phrases suivantes :
" L'équipe multidisciplinaire spécialisée à laquelle la personne handicapée fait appel en demandant une aide matérielle, assure les services de conseil personnel. Ce conseil comporte : " ;
2° dans le paragraphe 3, le point 7° est remplacé par ce qui suit :
" 7° transmettre le rapport de conseil visé au point 6°, ou les rapports de conseil visés à l'article 11, § 3, 2°, à l'agence et, si cela est demandé, en transmettre une copie au CES ; ".
Art.9. Artikel 13 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2019, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 13. § 1. De aanvraag van materiële bijstand wordt gemotiveerd in een adviesrapport. In dat adviesrapport wordt aangetoond dat is voldaan aan de voorwaarden voor het krijgen van een tegemoetkoming in de kosten van materiële bijstand en worden ook alle elementen aangebracht om het doeltreffende en doelmatige gebruik van de materiële hulp die al eerder is toegekend, te evalueren.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger in de volgende gevallen de aanvraag van materiële bijstand motiveren, behalve als het agentschap een adviesrapport vraagt:
1° de aanvraag van een tegemoetkoming voor een hulpmiddel of een aanpassing waarvoor in de refertelijst of in de refertelijst bis is aangegeven dat ze in aanmerking komen voor een vereenvoudigde aanvraagprocedure, behalve als het een eerste aanvraag van materiële bijstand sinds 1 januari 2002 betreft;
2° de aanvraag van een tegemoetkoming voor hetzelfde of een vergelijkbaar hulpmiddel of voor dezelfde of een vergelijkbare aanpassing als het agentschap de kosten al ten laste heeft genomen voor het hulpmiddel of de aanpassing, ongeacht of het hulpmiddel of de aanpassing is opgenomen in de refertelijst of in de refertelijst bis;
3° de aanvraag van een tegemoetkoming voor de kosten van onderhoud of herstel van een hulpmiddel of een aanpassing. Bij de motivatie wordt een factuur of een offerte gevoegd als het agentschap daarom vraagt;
4° als het agentschap een beslissing heeft genomen over de tenlasteneming van materiële bijstand, maar de aankopen, leveringen of werken niet hebben plaatsgevonden binnen de termijnen, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 1°, en een nieuwe aanvraag voor hetzelfde hulpmiddel of dezelfde aanpassing wordt ingediend.
De aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger bezorgt de motivatie aan het agentschap met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap bepaalt. Als de motivatie met de post wordt bezorgd, wordt die ondertekend door de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger.
§ 3. Het agentschap kan andere gevallen dan de gevallen, vermeld in paragraaf 2, vaststellen, waarin afgeweken kan worden van de bepalingen van paragraaf 1. Het agentschap kan in die gevallen vaststellen op welke wijze de aanvraag gemotiveerd moet worden.
§ 4. Voor de aanvraag van een tegemoetkoming in incontinentiemateriaal wordt in afwijking van paragraaf 1 geen adviesrapport gevraagd, maar wordt een medisch attest bezorgd aan het agentschap.
Het agentschap bepaalt de inhoud van het attest, de disciplines van artsen die het attest moeten invullen, en de bewijsstukken die moeten worden toegevoegd.".
"Art. 13. § 1. De aanvraag van materiële bijstand wordt gemotiveerd in een adviesrapport. In dat adviesrapport wordt aangetoond dat is voldaan aan de voorwaarden voor het krijgen van een tegemoetkoming in de kosten van materiële bijstand en worden ook alle elementen aangebracht om het doeltreffende en doelmatige gebruik van de materiële hulp die al eerder is toegekend, te evalueren.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger in de volgende gevallen de aanvraag van materiële bijstand motiveren, behalve als het agentschap een adviesrapport vraagt:
1° de aanvraag van een tegemoetkoming voor een hulpmiddel of een aanpassing waarvoor in de refertelijst of in de refertelijst bis is aangegeven dat ze in aanmerking komen voor een vereenvoudigde aanvraagprocedure, behalve als het een eerste aanvraag van materiële bijstand sinds 1 januari 2002 betreft;
2° de aanvraag van een tegemoetkoming voor hetzelfde of een vergelijkbaar hulpmiddel of voor dezelfde of een vergelijkbare aanpassing als het agentschap de kosten al ten laste heeft genomen voor het hulpmiddel of de aanpassing, ongeacht of het hulpmiddel of de aanpassing is opgenomen in de refertelijst of in de refertelijst bis;
3° de aanvraag van een tegemoetkoming voor de kosten van onderhoud of herstel van een hulpmiddel of een aanpassing. Bij de motivatie wordt een factuur of een offerte gevoegd als het agentschap daarom vraagt;
4° als het agentschap een beslissing heeft genomen over de tenlasteneming van materiële bijstand, maar de aankopen, leveringen of werken niet hebben plaatsgevonden binnen de termijnen, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 1°, en een nieuwe aanvraag voor hetzelfde hulpmiddel of dezelfde aanpassing wordt ingediend.
De aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger bezorgt de motivatie aan het agentschap met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap bepaalt. Als de motivatie met de post wordt bezorgd, wordt die ondertekend door de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger.
§ 3. Het agentschap kan andere gevallen dan de gevallen, vermeld in paragraaf 2, vaststellen, waarin afgeweken kan worden van de bepalingen van paragraaf 1. Het agentschap kan in die gevallen vaststellen op welke wijze de aanvraag gemotiveerd moet worden.
§ 4. Voor de aanvraag van een tegemoetkoming in incontinentiemateriaal wordt in afwijking van paragraaf 1 geen adviesrapport gevraagd, maar wordt een medisch attest bezorgd aan het agentschap.
Het agentschap bepaalt de inhoud van het attest, de disciplines van artsen die het attest moeten invullen, en de bewijsstukken die moeten worden toegevoegd.".
Art.9. L'article 13 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 2019, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 13. § 1. La demande d'assistance matérielle est motivée dans un rapport de conseil. Ce rapport de conseil démontre que les conditions d'obtention d'une intervention dans les frais d'assistance matérielle sont remplies et fournit également tous les éléments pour évaluer l'utilisation efficace et efficiente de l'assistance matérielle déjà accordée précédemment.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1, le demandeur ou son représentant légal peut motiver la demande d'assistance matérielle dans les cas suivants, sauf si l'agence demande un rapport de conseil :
1° la demande d'intervention pour un dispositif ou une adaptation pour lesquels il est indiqué dans la liste de référence ou dans la liste de référence bis qu'ils sont éligibles à une procédure de demande simplifiée, sauf s'il s'agit d'une première demande d'assistance matérielle depuis le 1er janvier 2002 ;
2° la demande d'intervention pour un dispositif identique ou similaire ou pour une adaptation identique ou similaire si l'agence a déjà pris en charge les frais liés au dispositif ou à l'adaptation, que le dispositif ou l'adaptation soit repris dans la liste de référence ou dans la liste de référence bis ;
3° la demande d'intervention dans les frais d'entretien ou de réparation d'un dispositif ou d'une adaptation. Une facture ou une offre est jointe à la motivation si l'agence le demande ;
4° si l'agence a pris une décision sur la prise en charge de l'assistance matérielle, mais que les achats, fournitures ou travaux n'ont pas eu lieu dans les délais visés à l'article 23, § 1er, alinéa premier, 1°, et qu'une nouvelle demande est introduite pour le même dispositif ou la même adaptation.
Le demandeur ou son représentant légal transmet la motivation à l'agence par la poste ou par voie électronique selon les modalités fixées par l'agence. Si la motivation est transmise par la poste, celle-ci est signée par le demandeur ou son représentant légal.
§ 3. L'agence peut déterminer d'autres cas que les cas visés au paragraphe 2, dans lesquels il peut être dérogé aux dispositions du paragraphe 1er. Dans ces cas, l'agence peut déterminer de quelle manière la demande doit être motivée.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 1, il n'est pas demandé de rapport de conseil pour la demande d'une intervention dans le matériel d'incontinence, mais un certificat médical est transmis à l'agence.
L'agence détermine le contenu de l'attestation, les disciplines des médecins qui doivent remplir l'attestation et les pièces justificatives à joindre. ".
" Art. 13. § 1. La demande d'assistance matérielle est motivée dans un rapport de conseil. Ce rapport de conseil démontre que les conditions d'obtention d'une intervention dans les frais d'assistance matérielle sont remplies et fournit également tous les éléments pour évaluer l'utilisation efficace et efficiente de l'assistance matérielle déjà accordée précédemment.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1, le demandeur ou son représentant légal peut motiver la demande d'assistance matérielle dans les cas suivants, sauf si l'agence demande un rapport de conseil :
1° la demande d'intervention pour un dispositif ou une adaptation pour lesquels il est indiqué dans la liste de référence ou dans la liste de référence bis qu'ils sont éligibles à une procédure de demande simplifiée, sauf s'il s'agit d'une première demande d'assistance matérielle depuis le 1er janvier 2002 ;
2° la demande d'intervention pour un dispositif identique ou similaire ou pour une adaptation identique ou similaire si l'agence a déjà pris en charge les frais liés au dispositif ou à l'adaptation, que le dispositif ou l'adaptation soit repris dans la liste de référence ou dans la liste de référence bis ;
3° la demande d'intervention dans les frais d'entretien ou de réparation d'un dispositif ou d'une adaptation. Une facture ou une offre est jointe à la motivation si l'agence le demande ;
4° si l'agence a pris une décision sur la prise en charge de l'assistance matérielle, mais que les achats, fournitures ou travaux n'ont pas eu lieu dans les délais visés à l'article 23, § 1er, alinéa premier, 1°, et qu'une nouvelle demande est introduite pour le même dispositif ou la même adaptation.
Le demandeur ou son représentant légal transmet la motivation à l'agence par la poste ou par voie électronique selon les modalités fixées par l'agence. Si la motivation est transmise par la poste, celle-ci est signée par le demandeur ou son représentant légal.
§ 3. L'agence peut déterminer d'autres cas que les cas visés au paragraphe 2, dans lesquels il peut être dérogé aux dispositions du paragraphe 1er. Dans ces cas, l'agence peut déterminer de quelle manière la demande doit être motivée.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 1, il n'est pas demandé de rapport de conseil pour la demande d'une intervention dans le matériel d'incontinence, mais un certificat médical est transmis à l'agence.
L'agence détermine le contenu de l'attestation, les disciplines des médecins qui doivent remplir l'attestation et les pièces justificatives à joindre. ".
Art.10. Aan artikel 16/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2019, wordt een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Als de refertelijst of de refertelijst bis niet voorziet in een tegemoetkoming in de kosten van herstel van een hulpmiddel, kan het agentschap de herstelkosten volledig of gedeeltelijk ten laste nemen, rekening houdend met de volgende aspecten:
1° de verwachte resterende gebruiksduur van het hulpmiddel;
2° de kostprijs van de herstelling ten aanzien van de kostprijs van de aankoop van een nieuw hulpmiddel;
3° de restwaarde van het hulpmiddel ten aanzien van de kostprijs van de herstelling.".
"Als de refertelijst of de refertelijst bis niet voorziet in een tegemoetkoming in de kosten van herstel van een hulpmiddel, kan het agentschap de herstelkosten volledig of gedeeltelijk ten laste nemen, rekening houdend met de volgende aspecten:
1° de verwachte resterende gebruiksduur van het hulpmiddel;
2° de kostprijs van de herstelling ten aanzien van de kostprijs van de aankoop van een nieuw hulpmiddel;
3° de restwaarde van het hulpmiddel ten aanzien van de kostprijs van de herstelling.".
Art.10. L'article 16/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 2019, est complété par un alinéa six ainsi rédigé :
" Si la liste de référence ou la liste de référence bis ne prévoit pas d'intervention dans les frais de réparation d'un dispositif, l'Agence peut prendre en charge tout ou partie les frais de réparation, en tenant compte des aspects suivants :
1° la durée d'utilisation restante attendue du dispositif ;
2° le coût de la réparation par rapport au coût d'achat d'un nouveau dispositif ;
3° la valeur résiduelle du dispositif par rapport au coût de la réparation. "
" Si la liste de référence ou la liste de référence bis ne prévoit pas d'intervention dans les frais de réparation d'un dispositif, l'Agence peut prendre en charge tout ou partie les frais de réparation, en tenant compte des aspects suivants :
1° la durée d'utilisation restante attendue du dispositif ;
2° le coût de la réparation par rapport au coût d'achat d'un nouveau dispositif ;
3° la valeur résiduelle du dispositif par rapport au coût de la réparation. "
Art.11. Artikel 18 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2019, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 18. Het agentschap kan materiële bijstand ten laste nemen die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in dit besluit, maar die niet is opgenomen in de refertelijst of in de refertelijst bis, op voorwaarde dat de bijzondere bijstandscommissie, vermeld in artikel 31, een gunstige beslissing neemt.
In afwijking van het eerste lid kan het agentschap de kosten van herstel van een hulpmiddel ten laste nemen als dat niet is opgenomen in de refertelijst of in de refertelijst bis, zonder een gunstige beslissing als vermeld in het eerste lid. Het agentschap beslist over de tenlasteneming conform artikel 16/1, zesde lid.".
"Art. 18. Het agentschap kan materiële bijstand ten laste nemen die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in dit besluit, maar die niet is opgenomen in de refertelijst of in de refertelijst bis, op voorwaarde dat de bijzondere bijstandscommissie, vermeld in artikel 31, een gunstige beslissing neemt.
In afwijking van het eerste lid kan het agentschap de kosten van herstel van een hulpmiddel ten laste nemen als dat niet is opgenomen in de refertelijst of in de refertelijst bis, zonder een gunstige beslissing als vermeld in het eerste lid. Het agentschap beslist over de tenlasteneming conform artikel 16/1, zesde lid.".
Art.11. L'article 18 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 2019, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 18. L'agence peut prendre en charge l'aide matérielle qui répond aux conditions, visées au présent arrêté, mais qui n'est pas reprise dans la liste de référence ou dans la liste de référence bis, à condition que la commission spéciale d'assistance visée à l'article 31, prenne une décision favorable.
Par dérogation à l'alinéa premier, l'agence peut prendre en charge les frais de réparation d'un dispositif si celui-ci n'est pas repris dans la liste de référence ou dans la liste de référence bis, sans une décision favorable telle que visée à l'alinéa premier. L'agence statue sur la prise en charge conformément à l'article 16/1, alinéa 6. ".
" Art. 18. L'agence peut prendre en charge l'aide matérielle qui répond aux conditions, visées au présent arrêté, mais qui n'est pas reprise dans la liste de référence ou dans la liste de référence bis, à condition que la commission spéciale d'assistance visée à l'article 31, prenne une décision favorable.
Par dérogation à l'alinéa premier, l'agence peut prendre en charge les frais de réparation d'un dispositif si celui-ci n'est pas repris dans la liste de référence ou dans la liste de référence bis, sans une décision favorable telle que visée à l'alinéa premier. L'agence statue sur la prise en charge conformément à l'article 16/1, alinéa 6. ".
Art.12. Artikel 21 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 december 2018 en 26 april 2019, wordt opgeheven.
Art.12. L'article 21 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 14 décembre 2018 et 26 avril 2019, est abrogé.
Art.13. In artikel 31 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 1, 1°, wordt de zinsnede ", met uitzondering van de aanvragen van een tegemoetkoming in de kosten van herstel als in de refertelijst of de refertelijst bis geen tegemoetkoming is opgenomen" toegevoegd;
2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "paragraaf 1, 3°, " vervangen door de zinsnede "paragraaf 1, 2°, ".
1° aan paragraaf 1, 1°, wordt de zinsnede ", met uitzondering van de aanvragen van een tegemoetkoming in de kosten van herstel als in de refertelijst of de refertelijst bis geen tegemoetkoming is opgenomen" toegevoegd;
2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "paragraaf 1, 3°, " vervangen door de zinsnede "paragraaf 1, 2°, ".
Art.13. A l'article 31 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1, 1°, est ajouté le membre de phrase ", à l'exception des demandes d'intervention dans les frais de réparation si la liste de référence ou la liste de référence bis ne contient pas d'intervention " ;
2° au paragraphe 4, le membre de phrase " paragraphe 1er, 3°, " est remplacé par le membre de phrase " paragraphe 1, 2°, ".
1° au paragraphe 1, 1°, est ajouté le membre de phrase ", à l'exception des demandes d'intervention dans les frais de réparation si la liste de référence ou la liste de référence bis ne contient pas d'intervention " ;
2° au paragraphe 4, le membre de phrase " paragraphe 1er, 3°, " est remplacé par le membre de phrase " paragraphe 1, 2°, ".
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap
CHAPITRE 4. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées
Art.14. In artikel 9, § 3, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017, wordt punt 9° vervangen door wat volgt:
"9° vervoer, behalve als de kosten van vervoer als een onderdeel van de kosten van de ondersteuning worden aangerekend;".
"9° vervoer, behalve als de kosten van vervoer als een onderdeel van de kosten van de ondersteuning worden aangerekend;".
Art.14. A l'article 9, § 3, alinéa 4, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mars 2017, le point 9° est remplacé par ce qui suit :
" 9° transport, sauf si les frais de transport sont imputés dans le coût de l'assistance ; ".
" 9° transport, sauf si les frais de transport sont imputés dans le coût de l'assistance ; ".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2013 betreffende rechtstreeks toegankelijke hulp voor personen met een handicap
CHAPITRE 5. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 février 2013 relatif à l'aide directement accessible pour les personnes handicapées
Art.15. In artikel 2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2013 betreffende rechtstreeks toegankelijke hulp voor personen met een handicap, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2019, worden de woorden "tot het eerste leerjaar" vervangen door de woorden "tot en met het eerste leerjaar".
Art.15. A l'article 2, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 février 2013 relatif à l'aide directement accessible pour les personnes handicapées, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 2019, les mots " jusqu'en première année de l'enseignement primaire " sont remplacés par les mots " jusqu'à et y compris la première année d'études ".
Art.16. In artikel 12 van het hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 mei 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt een punt 1° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"1° /1 besluit van 20 april 2018: het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld;";
2° in het tweede lid wordt de zinsnede ", met uitzondering van minderjarigen en personen die een voortzetting van de jeugdhulpverlening hebben gevraagd als vermeld in artikel 18, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp," opgeheven;
3° tussen het tweede lid en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Als een persoon gebruikmaakt van rechtstreeks toegankelijke hulp, kan hij niet gebruikmaken van ondersteuning als vermeld in artikel 8, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap.";
4° in het bestaande derde lid, 1°, dat het vierde lid, 1°, wordt tussen het woord "handicap" en het woord "of" de zinsnede "en de personen voor wie conform artikel 7 tot en met 10 van het besluit van 20 april 2018 een budgetcategorie is vastgesteld" ingevoegd;
5° aan het bestaande derde lid, 2°, dat het vierde lid, 2°, wordt, wordt de zinsnede "of na de aanvraag tot herziening van het aantal zorggebonden punten dat het agentschap heeft toegewezen conform artikel 7 tot en met 10 van het besluit van 20 april 2018" toegevoegd;
6° aan het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"3° de persoon met een handicap bij wie het agentschap geen beslissing heeft genomen over de terbeschikkingstelling van een budget dat is vastgesteld conform artikel 3 tot en met 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering.";
7° in het bestaande vierde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden "derde lid" vervangen door de woorden "vierde lid";
8° in het bestaande vijfde lid, dat het zesde lid wordt, worden de woorden "derde lid" vervangen door de woorden "vijfde lid" en worden de woorden "tweede lid" vervangen door de woorden "vierde lid";
9° er wordt een zevende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van artikel 13, eerste lid tot met het derde lid, van dit besluit kunnen de personen met een handicap aan wie het agentschap conform artikel 13 tot en met artikel 23 van het besluit van 24 juni 2016 zorggebonden punten heeft toegekend, maar die conform artikel 10, § 2, en 11/1, § 2, eerste lid, van het besluit van 20 april 2018 naar rechtstreeks toegankelijke hulp zijn toegeleid, aanspraak maken op maximaal zestig nachten verblijf, al of niet in combinatie met dagopvang, per jaar, boven op het maximum van acht personeelspunten per persoon per kalenderjaar, vermeld in artikel 13, eerste lid, van dit besluit, of het maximum van zeven personeelspunten per jaar, vermeld in artikel 13, tweede lid, van dit besluit.".
1° in het eerste lid wordt een punt 1° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"1° /1 besluit van 20 april 2018: het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld;";
2° in het tweede lid wordt de zinsnede ", met uitzondering van minderjarigen en personen die een voortzetting van de jeugdhulpverlening hebben gevraagd als vermeld in artikel 18, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp," opgeheven;
3° tussen het tweede lid en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Als een persoon gebruikmaakt van rechtstreeks toegankelijke hulp, kan hij niet gebruikmaken van ondersteuning als vermeld in artikel 8, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap.";
4° in het bestaande derde lid, 1°, dat het vierde lid, 1°, wordt tussen het woord "handicap" en het woord "of" de zinsnede "en de personen voor wie conform artikel 7 tot en met 10 van het besluit van 20 april 2018 een budgetcategorie is vastgesteld" ingevoegd;
5° aan het bestaande derde lid, 2°, dat het vierde lid, 2°, wordt, wordt de zinsnede "of na de aanvraag tot herziening van het aantal zorggebonden punten dat het agentschap heeft toegewezen conform artikel 7 tot en met 10 van het besluit van 20 april 2018" toegevoegd;
6° aan het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"3° de persoon met een handicap bij wie het agentschap geen beslissing heeft genomen over de terbeschikkingstelling van een budget dat is vastgesteld conform artikel 3 tot en met 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering.";
7° in het bestaande vierde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden "derde lid" vervangen door de woorden "vierde lid";
8° in het bestaande vijfde lid, dat het zesde lid wordt, worden de woorden "derde lid" vervangen door de woorden "vijfde lid" en worden de woorden "tweede lid" vervangen door de woorden "vierde lid";
9° er wordt een zevende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van artikel 13, eerste lid tot met het derde lid, van dit besluit kunnen de personen met een handicap aan wie het agentschap conform artikel 13 tot en met artikel 23 van het besluit van 24 juni 2016 zorggebonden punten heeft toegekend, maar die conform artikel 10, § 2, en 11/1, § 2, eerste lid, van het besluit van 20 april 2018 naar rechtstreeks toegankelijke hulp zijn toegeleid, aanspraak maken op maximaal zestig nachten verblijf, al of niet in combinatie met dagopvang, per jaar, boven op het maximum van acht personeelspunten per persoon per kalenderjaar, vermeld in artikel 13, eerste lid, van dit besluit, of het maximum van zeven personeelspunten per jaar, vermeld in artikel 13, tweede lid, van dit besluit.".
Art.16. A l'article 12 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 mai 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, il est inséré un point 1° /1 ainsi rédigé :
" 1° /1 arrêté du 20 avril 2018 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets personnalisés qui sont mis à disposition dans le cadre de la transition vers un financement personnalisé ; " ;
2° à l'alinéa deux, le membre de phrase ", à l'exception de mineurs et de personnes ayant demandé une continuation de l'aide à la jeunesse visée à l'article 18, § 3, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, " est abrogé ;
3° entre les alinéas 2 et 3, il est inséré un alinéa ainsi rédigé :
" Lorsqu'une personne fait usage d'une aide directement accessible, elle ne peut pas faire usage de l'aide telle que visée à l'article 8, alinéa trois, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures. " ;
4° à l'alinéa trois existant, 1°, qui devient l'alinéa quatre, 1°, le membre de phrase " et les personnes pour lesquelles une catégorie budgétaire est établie conformément aux articles 7 à 10 de l'arrêté du 20 avril 2018 " est inséré entre le mot " handicapée " et le mot " ou " ;
5° à l'alinéa trois existant, 2°, qui devient l'alinéa quatre, 2°, il est ajouté le membre de phrase " ou suite à la demande de révision du nombre de points liés aux soins que l'agence a attribués conformément aux articles 7 à 10 inclus de l'arrêté du 20 avril 2018 " ;
6° à l'alinéa trois existant, qui devient l'alinéa quatre, il est ajouté un point 3° ainsi rédigé :
" 3° la personne handicapée auprès de laquelle l'agence n'a pas pris de décision concernant la mise à disposition d'un budget fixé conformément aux articles 3 à 9 inclus de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé. " ;
7° à l'alinéa quatre existant, qui devient l'alinéa cinq, les mots " alinéa 3 " sont remplacés par les mots " alinéa 4 " ;
8° à l'alinéa cinq existant, qui devient l'alinéa six, les mots " alinéa 3 " sont remplacés par les mots " alinéa 5 " et les mots " alinéa 2 " sont remplacés par les mots " alinéa 4 " ;
9° il est ajouté un alinéa 7 ainsi rédigé :
" Par dérogation à l'article 13, alinéas premier à trois du présent arrêté, les personnes handicapées auxquelles l'agence a octroyé des crédits liés aux soins conformément aux articles 13 à 23 de l'arrêté du 24 juin 2016, mais qui, conformément à l'article 10, § 2, et 11/1, § 2, alinéa premier, de l'arrêté du 20 avril 2018 sont dirigés vers l'aide directement accessible, peuvent prétendre à un maximum de soixante nuits de séjour, combiné ou non avec l'accueil de jour, par an, en plus du maximum de huit points de personnel par personne par année civile visé à l'article 13, alinéa premier, du présent arrêté, ou au maximum de sept points de personnel par an visé à l'article 13, alinéa deux, du présent arrêté. ".
1° à l'alinéa 1er, il est inséré un point 1° /1 ainsi rédigé :
" 1° /1 arrêté du 20 avril 2018 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets personnalisés qui sont mis à disposition dans le cadre de la transition vers un financement personnalisé ; " ;
2° à l'alinéa deux, le membre de phrase ", à l'exception de mineurs et de personnes ayant demandé une continuation de l'aide à la jeunesse visée à l'article 18, § 3, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, " est abrogé ;
3° entre les alinéas 2 et 3, il est inséré un alinéa ainsi rédigé :
" Lorsqu'une personne fait usage d'une aide directement accessible, elle ne peut pas faire usage de l'aide telle que visée à l'article 8, alinéa trois, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures. " ;
4° à l'alinéa trois existant, 1°, qui devient l'alinéa quatre, 1°, le membre de phrase " et les personnes pour lesquelles une catégorie budgétaire est établie conformément aux articles 7 à 10 de l'arrêté du 20 avril 2018 " est inséré entre le mot " handicapée " et le mot " ou " ;
5° à l'alinéa trois existant, 2°, qui devient l'alinéa quatre, 2°, il est ajouté le membre de phrase " ou suite à la demande de révision du nombre de points liés aux soins que l'agence a attribués conformément aux articles 7 à 10 inclus de l'arrêté du 20 avril 2018 " ;
6° à l'alinéa trois existant, qui devient l'alinéa quatre, il est ajouté un point 3° ainsi rédigé :
" 3° la personne handicapée auprès de laquelle l'agence n'a pas pris de décision concernant la mise à disposition d'un budget fixé conformément aux articles 3 à 9 inclus de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé. " ;
7° à l'alinéa quatre existant, qui devient l'alinéa cinq, les mots " alinéa 3 " sont remplacés par les mots " alinéa 4 " ;
8° à l'alinéa cinq existant, qui devient l'alinéa six, les mots " alinéa 3 " sont remplacés par les mots " alinéa 5 " et les mots " alinéa 2 " sont remplacés par les mots " alinéa 4 " ;
9° il est ajouté un alinéa 7 ainsi rédigé :
" Par dérogation à l'article 13, alinéas premier à trois du présent arrêté, les personnes handicapées auxquelles l'agence a octroyé des crédits liés aux soins conformément aux articles 13 à 23 de l'arrêté du 24 juin 2016, mais qui, conformément à l'article 10, § 2, et 11/1, § 2, alinéa premier, de l'arrêté du 20 avril 2018 sont dirigés vers l'aide directement accessible, peuvent prétendre à un maximum de soixante nuits de séjour, combiné ou non avec l'accueil de jour, par an, en plus du maximum de huit points de personnel par personne par année civile visé à l'article 13, alinéa premier, du présent arrêté, ou au maximum de sept points de personnel par an visé à l'article 13, alinéa deux, du présent arrêté. ".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget
CHAPITRE 6. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes majeures handicapées et relatif à la mise à disposition dudit budget
Art.17. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, 8 juni 2018 en 10 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 7° /1 wordt vervangen door wat volgt:
"7° /1 jeugdhulpverlening: de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening die is toegekend met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp of die is toegewezen door het agentschap, en die bestaat uit een van de volgende vormen van ondersteuning:
a) de niet rechtstreeks toegankelijke ondersteuning die wordt geboden door een multifunctioneel centrum voor minderjarigen als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
b) de ondersteuning die wordt geboden met de inzet van persoonsvolgende middelen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 over persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden;
c) de ondersteuning die wordt geboden door een centrum voor ernstige gedrags- en emotionele stoornissen als vermeld in artikel 27/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp en die bestaat uit een typemodule verblijf voor minderjarigen met een GES+-problematiek of een typemodule contextbegeleiding kortdurend intensief;
d) een persoonlijke-assistentiebudget als vermeld in artikel 19/2 van het decreet van 7 mei 2004;";
2° punt 24° wordt vervangen door wat volgt:
"24° zorgzwaarte-instrument: het zorgzwaarte-instrument dat het agentschap ontwikkeld heeft, dat wetenschappelijk gevalideerd is en dat bestaat uit vragenlijsten die toelaten om eenduidig en objectiveerbaar de zorgzwaarte van iedere meerderjarige persoon met een handicap uit te drukken in de parameters begeleiding, die de nood aan ondersteuning door personen overdag uitdrukt, en permanentie, die de nood aan aanwezigheid van en toezicht door personen overdag uitdrukt;".
1° punt 7° /1 wordt vervangen door wat volgt:
"7° /1 jeugdhulpverlening: de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening die is toegekend met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp of die is toegewezen door het agentschap, en die bestaat uit een van de volgende vormen van ondersteuning:
a) de niet rechtstreeks toegankelijke ondersteuning die wordt geboden door een multifunctioneel centrum voor minderjarigen als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
b) de ondersteuning die wordt geboden met de inzet van persoonsvolgende middelen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 over persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden;
c) de ondersteuning die wordt geboden door een centrum voor ernstige gedrags- en emotionele stoornissen als vermeld in artikel 27/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp en die bestaat uit een typemodule verblijf voor minderjarigen met een GES+-problematiek of een typemodule contextbegeleiding kortdurend intensief;
d) een persoonlijke-assistentiebudget als vermeld in artikel 19/2 van het decreet van 7 mei 2004;";
2° punt 24° wordt vervangen door wat volgt:
"24° zorgzwaarte-instrument: het zorgzwaarte-instrument dat het agentschap ontwikkeld heeft, dat wetenschappelijk gevalideerd is en dat bestaat uit vragenlijsten die toelaten om eenduidig en objectiveerbaar de zorgzwaarte van iedere meerderjarige persoon met een handicap uit te drukken in de parameters begeleiding, die de nood aan ondersteuning door personen overdag uitdrukt, en permanentie, die de nood aan aanwezigheid van en toezicht door personen overdag uitdrukt;".
Art.17. A l'article 1 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes majeures handicapées et relatif à la mise à disposition dudit budget, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand des 24 février 2017, 8 juin 2018 et 10 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 7° /1 est remplacé par ce qui suit :
" 7° /1 aide à la jeunesse : l'aide à la jeunesse qui n'est pas directement accessible et qui est accordée en vertu du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ou qui a été attribuée par l'agence et qui consiste en l'une des formes d'aide suivantes :
a) l'aide non directement accessible qui est offerte par un centre multifonctionnel pour personnes mineures tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ;
b) l'aide offerte par le déploiement d'aides personnalisées visées dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif au versement d'aides personnalisées aux personnes handicapées ayant des besoins urgents ;
c) l'aide fournie par un centre pour troubles sévères comportementaux et émotionnels tel que visé à l'article 27/2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse et qui consiste en un module type de séjour pour mineurs ayant une problématique GES+ ou un module type d'accompagnement contextuel de manière intensive ;
d) un budget d'assistance personnelle visé à l'article 19/2 du décret du 7 mai 2004 ; " ;
2° le point 24° est remplacé par ce qui suit :
" 24° instrument de mesure des soins requis : l'instrument de mesure des soins requis développé par l'agence, qui est scientifiquement validé et qui consiste en des questionnaires permettant d'exprimer de manière univoque et objective la lourdeur des soins de chaque personne majeure handicapée dans les paramètres d'accompagnement, exprimant le besoin de soutien pendant la journée, la permanence, le besoin d'une présence de personnes et d'une surveillance par des personnes pendant la journée ; ".
1° le point 7° /1 est remplacé par ce qui suit :
" 7° /1 aide à la jeunesse : l'aide à la jeunesse qui n'est pas directement accessible et qui est accordée en vertu du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ou qui a été attribuée par l'agence et qui consiste en l'une des formes d'aide suivantes :
a) l'aide non directement accessible qui est offerte par un centre multifonctionnel pour personnes mineures tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ;
b) l'aide offerte par le déploiement d'aides personnalisées visées dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif au versement d'aides personnalisées aux personnes handicapées ayant des besoins urgents ;
c) l'aide fournie par un centre pour troubles sévères comportementaux et émotionnels tel que visé à l'article 27/2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse et qui consiste en un module type de séjour pour mineurs ayant une problématique GES+ ou un module type d'accompagnement contextuel de manière intensive ;
d) un budget d'assistance personnelle visé à l'article 19/2 du décret du 7 mai 2004 ; " ;
2° le point 24° est remplacé par ce qui suit :
" 24° instrument de mesure des soins requis : l'instrument de mesure des soins requis développé par l'agence, qui est scientifiquement validé et qui consiste en des questionnaires permettant d'exprimer de manière univoque et objective la lourdeur des soins de chaque personne majeure handicapée dans les paramètres d'accompagnement, exprimant le besoin de soutien pendant la journée, la permanence, le besoin d'une présence de personnes et d'une surveillance par des personnes pendant la journée ; ".
Art.18. Artikel 8 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 8. De aanvrager bezorgt het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering met de post of elektronisch aan het agentschap op de wijze die het agentschap bepaalt. Als het ondersteuningsplan met de post wordt bezorgd, ondertekent de aanvrager dat plan.
De dienst Ondersteuningsplan of de dienst maatschappelijk werk bezorgt het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering elektronisch aan het agentschap op de wijze die het agentschap bepaalt. De voormelde diensten bewaren een ondertekend exemplaar.".
"Art. 8. De aanvrager bezorgt het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering met de post of elektronisch aan het agentschap op de wijze die het agentschap bepaalt. Als het ondersteuningsplan met de post wordt bezorgd, ondertekent de aanvrager dat plan.
De dienst Ondersteuningsplan of de dienst maatschappelijk werk bezorgt het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering elektronisch aan het agentschap op de wijze die het agentschap bepaalt. De voormelde diensten bewaren een ondertekend exemplaar.".
Art.18. L'article 8 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 8. Le demandeur transmet le plan de soutien du financement personnalisé par la poste ou par voie électronique à l'agence selon les modalités fixées par l'agence. Si le plan d'appui est transmis par la poste, le demandeur signe ce plan.
Le service Plan de soutien ou le service travail social transmet le plan de soutien du financement personnalisé par voie électronique à l'agence selon les modalités fixées par l'agence. Les services précités conservent un exemplaire signé. ".
" Art. 8. Le demandeur transmet le plan de soutien du financement personnalisé par la poste ou par voie électronique à l'agence selon les modalités fixées par l'agence. Si le plan d'appui est transmis par la poste, le demandeur signe ce plan.
Le service Plan de soutien ou le service travail social transmet le plan de soutien du financement personnalisé par voie électronique à l'agence selon les modalités fixées par l'agence. Les services précités conservent un exemplaire signé. ".
Art.19. In artikel 12, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt punt 3° opgeheven.
Art.19. Dans l'article 12, alinéa 2, du même arrêté, le point 3° est abrogé.
Art.20. Artikel 13 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 13. De nood aan ondersteuning wordt geobjectiveerd aan de hand van het zorgzwaarte-instrument.
Het zorgzwaarte-instrument wordt afgenomen door een persoon, hierna een inschaler te noemen, die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° de inschaler beschikt over een diploma van bachelor of master in de gedrags-, sociale of psychosociale wetenschappen of over een diploma van bachelor of master in de ergotherapeutische wetenschappen;
2° de inschaler beschikt over een certificaat dat het agentschap uitreikt na de beëindiging van een opleiding tot inschaler die het agentschap geeft. Het certificaat wordt jaarlijks verlengd na de deelname aan een intervisie die het agentschap organiseert.
Als er onder de leden van de staf van een multidisciplinair team, vermeld in artikel 24, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 betreffende de indiening en afhandeling van de aanvraag tot ondersteuning bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, geen lid is dat beschikt over een certificaat als vermeld in het tweede lid, 2°, kan het multidisciplinair team voor de afname van het zorgzwaarte-instrument een beroep doen op een persoon die niet behoort tot de staf, maar wel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid.".
"Art. 13. De nood aan ondersteuning wordt geobjectiveerd aan de hand van het zorgzwaarte-instrument.
Het zorgzwaarte-instrument wordt afgenomen door een persoon, hierna een inschaler te noemen, die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° de inschaler beschikt over een diploma van bachelor of master in de gedrags-, sociale of psychosociale wetenschappen of over een diploma van bachelor of master in de ergotherapeutische wetenschappen;
2° de inschaler beschikt over een certificaat dat het agentschap uitreikt na de beëindiging van een opleiding tot inschaler die het agentschap geeft. Het certificaat wordt jaarlijks verlengd na de deelname aan een intervisie die het agentschap organiseert.
Als er onder de leden van de staf van een multidisciplinair team, vermeld in artikel 24, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 betreffende de indiening en afhandeling van de aanvraag tot ondersteuning bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, geen lid is dat beschikt over een certificaat als vermeld in het tweede lid, 2°, kan het multidisciplinair team voor de afname van het zorgzwaarte-instrument een beroep doen op een persoon die niet behoort tot de staf, maar wel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid.".
Art.20. L'article 13 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 13. Le besoin de soutien peut être objectivé à l'aide de l'instrument de mesure des soins requis.
L'instrument de mesure des soins requis est prélevé par une personne, ci-après dénommée " l'intégrateur ", qui remplit toutes les conditions suivantes :
1° l'intégrateur est titulaire d'un diplôme de bachelor ou de master en sciences comportementales, sociales ou psychosociales ou d'un diplôme de bachelor ou de master en sciences ergothérapeutiques ;
2° l'intégrateur est titulaire d'un certificat délivré par l'agence après la fin d'une formation d'intégrateur dispensée par l'agence. Le certificat est renouvelé annuellement après la participation à une intervision organisée par l'agence.
Si, parmi les membres du staff d'une équipe multidisciplinaire visés à l'article 24, § 1, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'aide auprès de l'Agence flamande pour les Personnes handicapées, il n'y a pas de membre qui dispose d'un certificat tel que visé à l'alinéa deux, 2°, l'équipe multidisciplinaire peut, pour le prélèvement de l'instrument des soins requis, faire appel à une personne qui n'appartient pas au staff, mais qui répond aux conditions visées à l'alinéa deux. ".
" Art. 13. Le besoin de soutien peut être objectivé à l'aide de l'instrument de mesure des soins requis.
L'instrument de mesure des soins requis est prélevé par une personne, ci-après dénommée " l'intégrateur ", qui remplit toutes les conditions suivantes :
1° l'intégrateur est titulaire d'un diplôme de bachelor ou de master en sciences comportementales, sociales ou psychosociales ou d'un diplôme de bachelor ou de master en sciences ergothérapeutiques ;
2° l'intégrateur est titulaire d'un certificat délivré par l'agence après la fin d'une formation d'intégrateur dispensée par l'agence. Le certificat est renouvelé annuellement après la participation à une intervision organisée par l'agence.
Si, parmi les membres du staff d'une équipe multidisciplinaire visés à l'article 24, § 1, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'aide auprès de l'Agence flamande pour les Personnes handicapées, il n'y a pas de membre qui dispose d'un certificat tel que visé à l'alinéa deux, 2°, l'équipe multidisciplinaire peut, pour le prélèvement de l'instrument des soins requis, faire appel à une personne qui n'appartient pas au staff, mais qui répond aux conditions visées à l'alinéa deux. ".
Art.21. In artikel 27, § 2, van hetzelfde besluit wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Binnen dertig dagen na de dag waarop de aanvrager de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, kan de aanvrager met een gemotiveerd verzoekschrift aan het agentschap vragen om zijn voornemen in heroverweging te nemen. De aanvrager bezorgt het gemotiveerde verzoekschrift aan het agentschap aangetekend met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap bepaalt. Als het verzoekschrift met de post bezorgd wordt, ondertekent de aanvrager dat verzoekschrift.".
"Binnen dertig dagen na de dag waarop de aanvrager de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, kan de aanvrager met een gemotiveerd verzoekschrift aan het agentschap vragen om zijn voornemen in heroverweging te nemen. De aanvrager bezorgt het gemotiveerde verzoekschrift aan het agentschap aangetekend met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap bepaalt. Als het verzoekschrift met de post bezorgd wordt, ondertekent de aanvrager dat verzoekschrift.".
Art.21. Dans l'article 27, § 2, du même arrêté, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Dans les trente jours de la réception de cette notification visée à l'alinéa premier, par le demandeur, celui-ci peut adresser à l'agence une requête motivée en vue de reconsidérer son intention. Le demandeur transmet la requête motivée à l'agence par lettre recommandée par la poste ou par voie électronique selon les modalités déterminées par l'agence. Si la requête est transmise par la poste, le demandeur signe cette requête. ".
" Dans les trente jours de la réception de cette notification visée à l'alinéa premier, par le demandeur, celui-ci peut adresser à l'agence une requête motivée en vue de reconsidérer son intention. Le demandeur transmet la requête motivée à l'agence par lettre recommandée par la poste ou par voie électronique selon les modalités déterminées par l'agence. Si la requête est transmise par la poste, le demandeur signe cette requête. ".
Art.22. In artikel 29 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan het eerste lid wordt de volgende zin toegevoegd:
"De aanvrager bezorgt de vragenlijst aan het agentschap met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap bepaalt. Als de vragenlijst met de post wordt bezorgd, ondertekent de aanvrager de vragenlijst.";
2° in het tweede lid wordt het woord "toevoegen" vervangen door de woorden "bezorgen aan het agentschap".
1° aan het eerste lid wordt de volgende zin toegevoegd:
"De aanvrager bezorgt de vragenlijst aan het agentschap met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap bepaalt. Als de vragenlijst met de post wordt bezorgd, ondertekent de aanvrager de vragenlijst.";
2° in het tweede lid wordt het woord "toevoegen" vervangen door de woorden "bezorgen aan het agentschap".
Art.22. A l'article 29 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, la phrase suivante est ajoutée :
" Le demandeur transmet le questionnaire par la poste ou par voie électronique selon les modalités déterminées par l'agence. Si le questionnaire est transmis par la poste, le demandeur signe ce questionnaire. " ;
2° dans l'alinéa 2, le mot " joindre " est remplacé par les mots " transmettre à l'agence ".
1° à l'alinéa 1er, la phrase suivante est ajoutée :
" Le demandeur transmet le questionnaire par la poste ou par voie électronique selon les modalités déterminées par l'agence. Si le questionnaire est transmis par la poste, le demandeur signe ce questionnaire. " ;
2° dans l'alinéa 2, le mot " joindre " est remplacé par les mots " transmettre à l'agence ".
Art.23. Aan artikel 32, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de volgende zin toegevoegd:
"De aanvrager bezorgt de vragenlijst aan het agentschap met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap bepaalt. Als de vragenlijst met de post wordt bezorgd, ondertekent de aanvrager de vragenlijst.".
"De aanvrager bezorgt de vragenlijst aan het agentschap met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap bepaalt. Als de vragenlijst met de post wordt bezorgd, ondertekent de aanvrager de vragenlijst.".
Art.23. L'article 32, § 1, alinéa 1er, du même arrêté est complété par la phrase suivante :
" Le demandeur transmet le questionnaire par la poste ou par voie électronique selon les modalités déterminées par l'agence. Si le questionnaire est transmis par la poste, le demandeur signe le questionnaire. ".
" Le demandeur transmet le questionnaire par la poste ou par voie électronique selon les modalités déterminées par l'agence. Si le questionnaire est transmis par la poste, le demandeur signe le questionnaire. ".
Art.24. Aan artikel 33, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de volgende zin toegevoegd:
"De aanvrager bezorgt het aanvraagformulier aan het agentschap met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap bepaalt. Als het aanvraagformulier met de post wordt bezorgd, ondertekent de aanvrager het aanvraagformulier.".
"De aanvrager bezorgt het aanvraagformulier aan het agentschap met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap bepaalt. Als het aanvraagformulier met de post wordt bezorgd, ondertekent de aanvrager het aanvraagformulier.".
Art.24. L'article 33, § 1, alinéa 1, du même arrêté est complété par la phrase suivante :
" Le demandeur transmet le formulaire de demande à l'agence par la poste ou par voie électronique selon les modalités déterminées par l'agence. Si le formulaire de demande est transmis par la poste, le demandeur signe le formulaire de demande. ".
" Le demandeur transmet le formulaire de demande à l'agence par la poste ou par voie électronique selon les modalités déterminées par l'agence. Si le formulaire de demande est transmis par la poste, le demandeur signe le formulaire de demande. ".
Art.25. Artikel 37 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016, 10 mei 2019 en 24 april 2020, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 37. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° agentschap Opgroeien: het agentschap Opgroeien, vermeld in artikel 1, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 24 oktober 2008 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Opgroeien;
2° intersectoraal zorgnetwerk: een intersectoraal zorgnetwerk als vermeld in artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015 betreffende het intersectorale zorgnetwerk en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp, wat betreft de prioritair toe te wijzen hulpvragen;
3° een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod: een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod als vermeld in artikel 67, tweede lid, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp.
§ 2. Het agentschap stelt de budgetten voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning binnen de grenzen van de middelen die zijn vastgelegd op zijn begroting voor de toekenning van budgetten aan meerderjarigen, onmiddellijk na de toewijzing ervan ter beschikking aan de volgende personen met een handicap:
1° de personen met een handicap aan wie een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning is toegewezen met toepassing van hoofdstuk 4, afdeling 1, van dit besluit;
2° de personen met een handicap aan wie een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning is toegewezen met toepassing van hoofdstuk 4, afdeling 2, van dit besluit;
3° de personen met een handicap aan wie een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning is toegewezen met toepassing van artikel 33 van dit besluit;
4° de personen met een handicap bij wie de regionale prioriteitencommissie maatschappelijke noodzaak heeft vastgesteld als vermeld in artikel 23;
5° de personen met een handicap aan wie op het moment van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning een persoonlijke-assistentiebudget is toegekend, met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, of is toegewezen door het agentschap, conform de modaliteiten, vermeld in het derde lid.
Als een persoonlijke-assistentiebudget wordt toegekend met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp nadat een ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering aan het agentschap is bezorgd of nadat het agentschap een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning heeft toegewezen, wordt onmiddellijk na de toewijzing van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning of na de toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning ter beschikking gesteld conform het derde lid.
Het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat ter beschikking kan worden gesteld aan de personen, vermeld in het eerste lid, 5°, of vermeld in het tweede lid, wordt vastgesteld op basis van de volgende elementen:
1° het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat is toegewezen;
2° het bedrag van het persoonlijke-assistentiebudget dat is toegekend;
3° als de betrokken persoon met een handicap gebruikt maakt van een intersectoraal zorgnetwerk of gebruikmaakt van een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod, wordt naast de elementen, vermeld in punt 1° en 2°, ook rekening gehouden met het bedrag van de subsidies die het agentschap Opgroeien heeft betaald voor die jeugdhulpverlening.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, bepaalt op welke wijze het bedrag van het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat ter beschikking kan worden gesteld op basis van de elementen, vermeld in het derde lid, wordt vastgesteld. Het bedrag van het budget dat ter beschikking wordt gesteld, kan nooit hoger zijn dan het bedrag van het budget dat is toegewezen.
§ 3. Het agentschap stelt het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat is toegewezen aan de personen met een handicap die op het moment van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning gebruikmaken van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a) tot en met c), ter beschikking conform het tweede tot en met het vijfde lid.
Het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat ter beschikking kan worden gesteld, wordt vastgesteld op basis van de volgende elementen:
1° het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat is toegewezen;
2° de jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 1, 7° /1, a) tot en met c), waarvan gebruikgemaakt is;
3° de resultaten van de objectivering van de nood aan zorg en ondersteuning, vermeld in artikel 12, tweede lid, 2°, opgenomen in het multidisciplinair verslag dat de aanvrager aan het agentschap heeft bezorgd in het kader van de aanvraag van het toegewezen budget;
4° als de betrokken persoon met een handicap gebruik maakt van een intersectoraal zorgnetwerk of gebruikmaakt van een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod, wordt naast de elementen, vermeld in punt 1° tot en met 3°, rekening gehouden met het bedrag van de subsidies die het agentschap Opgroeien heeft betaald voor die jeugdhulpverlening.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, bepaalt op welke wijze het bedrag van het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat ter beschikking wordt gesteld op basis van de elementen, vermeld in het tweede lid, wordt vastgesteld. Het bedrag van het budget dat ter beschikking wordt gesteld, kan nooit hoger zijn dan het bedrag van het budget dat is toegewezen.
Het budget wordt op zijn vroegst ter beschikking gesteld met ingang van 1 juli van het jaar waarin de betrokken persoon met een handicap eenentwintig jaar wordt, op voorwaarde dat de persoon met een handicap in dat jaar en voorafgaand aan de terbeschikkingstelling gebruikmaakt van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a) tot en met c).
Als de persoon met een handicap op het moment van de aanvraag gebruikmaakt van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a) tot en met c), maar het agentschap nog geen budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning heeft toegewezen op 1 juli van het jaar waarin de persoon met een handicap eenentwintig jaar wordt, wordt het budget onmiddellijk na de toewijzing van het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning ter beschikking gesteld, op voorwaarde dat de betrokken persoon met een handicap in het jaar waarin het budget wordt toegewezen en ter beschikking wordt gesteld en voorafgaand aan de terbeschikkingstelling gebruikmaakt van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a) tot en met c).".
"Art. 37. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° agentschap Opgroeien: het agentschap Opgroeien, vermeld in artikel 1, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 24 oktober 2008 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Opgroeien;
2° intersectoraal zorgnetwerk: een intersectoraal zorgnetwerk als vermeld in artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015 betreffende het intersectorale zorgnetwerk en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp, wat betreft de prioritair toe te wijzen hulpvragen;
3° een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod: een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod als vermeld in artikel 67, tweede lid, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp.
§ 2. Het agentschap stelt de budgetten voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning binnen de grenzen van de middelen die zijn vastgelegd op zijn begroting voor de toekenning van budgetten aan meerderjarigen, onmiddellijk na de toewijzing ervan ter beschikking aan de volgende personen met een handicap:
1° de personen met een handicap aan wie een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning is toegewezen met toepassing van hoofdstuk 4, afdeling 1, van dit besluit;
2° de personen met een handicap aan wie een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning is toegewezen met toepassing van hoofdstuk 4, afdeling 2, van dit besluit;
3° de personen met een handicap aan wie een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning is toegewezen met toepassing van artikel 33 van dit besluit;
4° de personen met een handicap bij wie de regionale prioriteitencommissie maatschappelijke noodzaak heeft vastgesteld als vermeld in artikel 23;
5° de personen met een handicap aan wie op het moment van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning een persoonlijke-assistentiebudget is toegekend, met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, of is toegewezen door het agentschap, conform de modaliteiten, vermeld in het derde lid.
Als een persoonlijke-assistentiebudget wordt toegekend met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp nadat een ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering aan het agentschap is bezorgd of nadat het agentschap een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning heeft toegewezen, wordt onmiddellijk na de toewijzing van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning of na de toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning ter beschikking gesteld conform het derde lid.
Het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat ter beschikking kan worden gesteld aan de personen, vermeld in het eerste lid, 5°, of vermeld in het tweede lid, wordt vastgesteld op basis van de volgende elementen:
1° het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat is toegewezen;
2° het bedrag van het persoonlijke-assistentiebudget dat is toegekend;
3° als de betrokken persoon met een handicap gebruikt maakt van een intersectoraal zorgnetwerk of gebruikmaakt van een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod, wordt naast de elementen, vermeld in punt 1° en 2°, ook rekening gehouden met het bedrag van de subsidies die het agentschap Opgroeien heeft betaald voor die jeugdhulpverlening.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, bepaalt op welke wijze het bedrag van het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat ter beschikking kan worden gesteld op basis van de elementen, vermeld in het derde lid, wordt vastgesteld. Het bedrag van het budget dat ter beschikking wordt gesteld, kan nooit hoger zijn dan het bedrag van het budget dat is toegewezen.
§ 3. Het agentschap stelt het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat is toegewezen aan de personen met een handicap die op het moment van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning gebruikmaken van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a) tot en met c), ter beschikking conform het tweede tot en met het vijfde lid.
Het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat ter beschikking kan worden gesteld, wordt vastgesteld op basis van de volgende elementen:
1° het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat is toegewezen;
2° de jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 1, 7° /1, a) tot en met c), waarvan gebruikgemaakt is;
3° de resultaten van de objectivering van de nood aan zorg en ondersteuning, vermeld in artikel 12, tweede lid, 2°, opgenomen in het multidisciplinair verslag dat de aanvrager aan het agentschap heeft bezorgd in het kader van de aanvraag van het toegewezen budget;
4° als de betrokken persoon met een handicap gebruik maakt van een intersectoraal zorgnetwerk of gebruikmaakt van een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod, wordt naast de elementen, vermeld in punt 1° tot en met 3°, rekening gehouden met het bedrag van de subsidies die het agentschap Opgroeien heeft betaald voor die jeugdhulpverlening.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, bepaalt op welke wijze het bedrag van het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat ter beschikking wordt gesteld op basis van de elementen, vermeld in het tweede lid, wordt vastgesteld. Het bedrag van het budget dat ter beschikking wordt gesteld, kan nooit hoger zijn dan het bedrag van het budget dat is toegewezen.
Het budget wordt op zijn vroegst ter beschikking gesteld met ingang van 1 juli van het jaar waarin de betrokken persoon met een handicap eenentwintig jaar wordt, op voorwaarde dat de persoon met een handicap in dat jaar en voorafgaand aan de terbeschikkingstelling gebruikmaakt van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a) tot en met c).
Als de persoon met een handicap op het moment van de aanvraag gebruikmaakt van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a) tot en met c), maar het agentschap nog geen budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning heeft toegewezen op 1 juli van het jaar waarin de persoon met een handicap eenentwintig jaar wordt, wordt het budget onmiddellijk na de toewijzing van het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning ter beschikking gesteld, op voorwaarde dat de betrokken persoon met een handicap in het jaar waarin het budget wordt toegewezen en ter beschikking wordt gesteld en voorafgaand aan de terbeschikkingstelling gebruikmaakt van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a) tot en met c).".
Art.25. L'article 37 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 4 mars 2016, 10 mai 2019 et 24 avril 2020, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 37. § 1er. Dans le présent article, on entend par :
1° Agence Grandir : l'agence agence Grandir visée à l'article 1, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2008 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Opgroeien " (Grandir);
2° réseau intersectoriel d'aide : un réseau intersectoriel d'aide visé à l'article 1, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 octobre 2015 relatif au réseau intersectoriel d'aide et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, pour ce qui est des demandes d'aide à attribuer prioritairement ;
3° une offre d'aide individualisée complémentaire ; une offre d'aide individualisée complémentaire telle que visée à l'article 67, alinéa 2, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse.
§ 2. L'agence met à disposition les budgets pour des soins et du soutien non directement accessibles dans les limites des moyens engagés à cet effet à son budget pour l'octroi de budgets aux personnes majeures, immédiatement après leur attribution, aux personnes handicapées :
1° les personnes handicapées auxquelles est attribué un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles en application du chapitre 4, section 1, du présent arrêté ;
2° les personnes handicapées auxquelles est attribué un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles en application du chapitre 4, section 2, du présent arrêté ;
3° les personnes handicapées auxquelles est attribué un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles en application de l'article 33 du présent arrêté ;
4° les personnes handicapées dont la commission régionale des priorités a constaté la nécessité sociale visée à l'article 23 ;
5° les personnes handicapées auxquelles, au moment de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, un budget d'assistance personnelle a été octroyé, en application du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, ou qui a été attribué par l'agence, conformément aux modalités visées à l'alinéa trois.
Lorsqu'un budget d'assistance personnelle est accordé en application du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse après qu'un plan de soutien du financement personnalisé a été fourni à l'agence ou après que l'agence a attribué un budget de soins et de soutien non directement accessibles, il est accordé immédiatement après l'attribution du budget pour les soins et soutien non directement accessibles ou après l'attribution du budget d'assistance personnelle, un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles est mis à disposition conformément à l'alinéa trois.
Le budget pour les soins et le soutien non directement accessibles qui peut être mis à disposition des personnes visées à l'alinéa premier, 5°, ou visées à l'alinéa deux, est fixé sur la base des éléments suivants :
1° le budget pour les soins et le soutien non directement accessibles qui est attribué ;
2° le montant du budget d'assistance personnelle qui est attribué ;
3° si la personne handicapée concernée fait usage d'un réseau intersectoriel de soins ou d'une offre d'aide individualisée complémentaire, il est également tenu compte, outre les éléments visés aux points 1° et 2°, du montant des subventions payées par l'agence Grandir pour ces services d'aide à la jeunesse.
Le ministre flamand compétent pour les personnes handicapées détermine de quelle manière le montant du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles qui peut être mis à disposition sur la base des éléments visés à l'alinéa trois, est fixé. Le montant du budget qui est mis à disposition ne peut jamais être supérieur au montant du budget attribué.
§ 3. L'agence met à la disposition, conformément aux alinéas deux à cinq, le budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, qui est attribué aux personnes handicapées qui, au moment de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, utilisent les services d'aide à la jeunesse visés à l'article 1, 7°, 1, a) à c).
Le budget pour les soins et le soutien non directement accessibles qui peut être mis à disposition est fixé sur la base des éléments suivants :
1° le budget pour les soins et le soutien non directement accessibles qui est attribué ;
2° les services d'aide à la jeunesse visés à l'article 1, 7° /1, a) à c), dont il a été fait usage ;
3° les résultats de l'objectivation de la nécessité de soins et de soutien visés à l'article 12, alinéa deux, 2°, repris dans le rapport multidisciplinaire que le demandeur a transmis à l'agence dans le cadre de la demande du budget attribué ;
4° si la personne handicapée concernée fait usage d'un réseau intersectoriel de soins ou d'une offre d'aide individualisée complémentaire, il est également tenu compte, outre les éléments visés aux points 1° à 2°, du montant des subventions payées par l'agence Grandir pour ces services d'aide à la jeunesse.
Le ministre flamand compétent pour les personnes handicapées détermine de quelle manière le montant du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles qui est mis à disposition sur la base des éléments visés à l'alinéa trois, est fixé. Le montant du budget qui est mis à disposition ne peut jamais être supérieur au montant du budget attribué.
Le budget est mis à disposition au plus tôt à partir du 1 juillet de l'année dans laquelle la personne handicapée concernée a vingt et un an, à condition que la personne handicapée fasse usage dans cette année et préalablement à la mise à disposition des services d'aide à la jeunesse tels que visés à l'article 1, 7° /1, a) à c).
Si, au moment de la demande, la personne handicapée fait usage des services d'aide à la jeunesse tels que visés à l'article 1, 7° /1, a) à c), mais que l'agence n'a pas encore attribué de budget pour les soins et le soutien non directement accessibles au 1er juillet de l'année dans laquelle la personne a vingt et un ans, le budget est immédiatement mis à disposition immédiatement après l'attribution du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, à condition que la personne handicapée concernée fasse usage des services d'aide à la jeunesse tels que visés à l'article 1er, 7° /1, a) à c) dans l'année dans laquelle le budget est attribué et mis à disposition et préalablement à la mise à disposition. ".
" Art. 37. § 1er. Dans le présent article, on entend par :
1° Agence Grandir : l'agence agence Grandir visée à l'article 1, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2008 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Opgroeien " (Grandir);
2° réseau intersectoriel d'aide : un réseau intersectoriel d'aide visé à l'article 1, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 octobre 2015 relatif au réseau intersectoriel d'aide et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, pour ce qui est des demandes d'aide à attribuer prioritairement ;
3° une offre d'aide individualisée complémentaire ; une offre d'aide individualisée complémentaire telle que visée à l'article 67, alinéa 2, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse.
§ 2. L'agence met à disposition les budgets pour des soins et du soutien non directement accessibles dans les limites des moyens engagés à cet effet à son budget pour l'octroi de budgets aux personnes majeures, immédiatement après leur attribution, aux personnes handicapées :
1° les personnes handicapées auxquelles est attribué un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles en application du chapitre 4, section 1, du présent arrêté ;
2° les personnes handicapées auxquelles est attribué un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles en application du chapitre 4, section 2, du présent arrêté ;
3° les personnes handicapées auxquelles est attribué un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles en application de l'article 33 du présent arrêté ;
4° les personnes handicapées dont la commission régionale des priorités a constaté la nécessité sociale visée à l'article 23 ;
5° les personnes handicapées auxquelles, au moment de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, un budget d'assistance personnelle a été octroyé, en application du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, ou qui a été attribué par l'agence, conformément aux modalités visées à l'alinéa trois.
Lorsqu'un budget d'assistance personnelle est accordé en application du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse après qu'un plan de soutien du financement personnalisé a été fourni à l'agence ou après que l'agence a attribué un budget de soins et de soutien non directement accessibles, il est accordé immédiatement après l'attribution du budget pour les soins et soutien non directement accessibles ou après l'attribution du budget d'assistance personnelle, un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles est mis à disposition conformément à l'alinéa trois.
Le budget pour les soins et le soutien non directement accessibles qui peut être mis à disposition des personnes visées à l'alinéa premier, 5°, ou visées à l'alinéa deux, est fixé sur la base des éléments suivants :
1° le budget pour les soins et le soutien non directement accessibles qui est attribué ;
2° le montant du budget d'assistance personnelle qui est attribué ;
3° si la personne handicapée concernée fait usage d'un réseau intersectoriel de soins ou d'une offre d'aide individualisée complémentaire, il est également tenu compte, outre les éléments visés aux points 1° et 2°, du montant des subventions payées par l'agence Grandir pour ces services d'aide à la jeunesse.
Le ministre flamand compétent pour les personnes handicapées détermine de quelle manière le montant du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles qui peut être mis à disposition sur la base des éléments visés à l'alinéa trois, est fixé. Le montant du budget qui est mis à disposition ne peut jamais être supérieur au montant du budget attribué.
§ 3. L'agence met à la disposition, conformément aux alinéas deux à cinq, le budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, qui est attribué aux personnes handicapées qui, au moment de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, utilisent les services d'aide à la jeunesse visés à l'article 1, 7°, 1, a) à c).
Le budget pour les soins et le soutien non directement accessibles qui peut être mis à disposition est fixé sur la base des éléments suivants :
1° le budget pour les soins et le soutien non directement accessibles qui est attribué ;
2° les services d'aide à la jeunesse visés à l'article 1, 7° /1, a) à c), dont il a été fait usage ;
3° les résultats de l'objectivation de la nécessité de soins et de soutien visés à l'article 12, alinéa deux, 2°, repris dans le rapport multidisciplinaire que le demandeur a transmis à l'agence dans le cadre de la demande du budget attribué ;
4° si la personne handicapée concernée fait usage d'un réseau intersectoriel de soins ou d'une offre d'aide individualisée complémentaire, il est également tenu compte, outre les éléments visés aux points 1° à 2°, du montant des subventions payées par l'agence Grandir pour ces services d'aide à la jeunesse.
Le ministre flamand compétent pour les personnes handicapées détermine de quelle manière le montant du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles qui est mis à disposition sur la base des éléments visés à l'alinéa trois, est fixé. Le montant du budget qui est mis à disposition ne peut jamais être supérieur au montant du budget attribué.
Le budget est mis à disposition au plus tôt à partir du 1 juillet de l'année dans laquelle la personne handicapée concernée a vingt et un an, à condition que la personne handicapée fasse usage dans cette année et préalablement à la mise à disposition des services d'aide à la jeunesse tels que visés à l'article 1, 7° /1, a) à c).
Si, au moment de la demande, la personne handicapée fait usage des services d'aide à la jeunesse tels que visés à l'article 1, 7° /1, a) à c), mais que l'agence n'a pas encore attribué de budget pour les soins et le soutien non directement accessibles au 1er juillet de l'année dans laquelle la personne a vingt et un ans, le budget est immédiatement mis à disposition immédiatement après l'attribution du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, à condition que la personne handicapée concernée fasse usage des services d'aide à la jeunesse tels que visés à l'article 1er, 7° /1, a) à c) dans l'année dans laquelle le budget est attribué et mis à disposition et préalablement à la mise à disposition. ".
Art.26. In hoofdstuk 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016, 10 mei 2019 en 24 april 2020, wordt een artikel 37/0 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 37/0. § 1.Het agentschap kan binnen de grenzen van de middelen die jaarlijks zijn vastgelegd op zijn begroting voor de toekenning van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap die resteren na de terbeschikkingstelling van een budget aan de personen met een handicap, vermeld in artikel 37, § 2 en § 3, het toegewezen budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning ter beschikking stellen aan personen met een handicap voor wie een prioriteitengroep als vermeld in artikel 23 is toegekend.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, bepaalt jaarlijks hoe de resterende middelen, vermeld in het eerste lid, verdeeld moeten worden over de prioriteitengroepen, vermeld in artikel 23.
§ 2. Als het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning conform paragraaf 1 ter beschikking gesteld kan worden, en het budget toegewezen is nadat een procedure doorlopen is als vermeld in het tweede lid, en de budgetcategorie van het budget dat toegewezen is, niet is vastgesteld conform artikel 17 tot en met 21, wordt de budgetcategorie voorafgaand aan de terbeschikkingstelling opnieuw vastgesteld conform artikel 17 tot en met 21 op basis van de vraag, vermeld in het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering, en op basis van het resultaat van de objectivering van de nood aan zorg en ondersteuning als vermeld in het multidisciplinaire verslag, vermeld in artikel 12, tweede, lid, 2°, dat aan het agentschap is bezorgd in het kader van de aanvraag van het toegewezen budget. De beslissing tot toewijzing van de nieuw vastgestelde budgetcategorie vervangt de eerdere beslissing tot toewijzing. Het agentschap stelt de nieuw vastgestelde budgetcategorie ter beschikking.
Onder de procedures, vermeld in het eerste lid, worden de volgende procedures verstaan:
1° de procedure om een budget aan te vragen, vermeld in hoofdstuk 2 en 3, en in artikel 33 van dit besluit;
2° een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 35 van dit besluit;
3° de procedure, vermeld in artikel 32 van dit besluit;
4° een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 16, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering, zoals van toepassing op 30 april 2018;
5° een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 24 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten;
6° een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 11/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld;
7° de procedure, vermeld in artikel 3, § 4, en artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2018 over de zorg en ondersteuning voor personen met een niet-aangeboren hersenletsel of tetraplegie ten gevolge van een hoge dwarslaesie met de hoogste zorg- en ondersteuningsnood.
Als de budgetcategorie van het budget dat conform paragraaf 1 ter beschikking gesteld kan worden, vastgesteld is conform artikel 6 tot en met 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering, wordt het budget aangepast dat is toegewezen conform tabel 9 die als bijlage bij dit besluit is gevoegd. De beslissing tot toewijzing van het aangepaste budget vervangt de eerdere beslissing tot toewijzing. Het agentschap stelt het aangepaste budget ter beschikking.".
"Art. 37/0. § 1.Het agentschap kan binnen de grenzen van de middelen die jaarlijks zijn vastgelegd op zijn begroting voor de toekenning van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap die resteren na de terbeschikkingstelling van een budget aan de personen met een handicap, vermeld in artikel 37, § 2 en § 3, het toegewezen budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning ter beschikking stellen aan personen met een handicap voor wie een prioriteitengroep als vermeld in artikel 23 is toegekend.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, bepaalt jaarlijks hoe de resterende middelen, vermeld in het eerste lid, verdeeld moeten worden over de prioriteitengroepen, vermeld in artikel 23.
§ 2. Als het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning conform paragraaf 1 ter beschikking gesteld kan worden, en het budget toegewezen is nadat een procedure doorlopen is als vermeld in het tweede lid, en de budgetcategorie van het budget dat toegewezen is, niet is vastgesteld conform artikel 17 tot en met 21, wordt de budgetcategorie voorafgaand aan de terbeschikkingstelling opnieuw vastgesteld conform artikel 17 tot en met 21 op basis van de vraag, vermeld in het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering, en op basis van het resultaat van de objectivering van de nood aan zorg en ondersteuning als vermeld in het multidisciplinaire verslag, vermeld in artikel 12, tweede, lid, 2°, dat aan het agentschap is bezorgd in het kader van de aanvraag van het toegewezen budget. De beslissing tot toewijzing van de nieuw vastgestelde budgetcategorie vervangt de eerdere beslissing tot toewijzing. Het agentschap stelt de nieuw vastgestelde budgetcategorie ter beschikking.
Onder de procedures, vermeld in het eerste lid, worden de volgende procedures verstaan:
1° de procedure om een budget aan te vragen, vermeld in hoofdstuk 2 en 3, en in artikel 33 van dit besluit;
2° een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 35 van dit besluit;
3° de procedure, vermeld in artikel 32 van dit besluit;
4° een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 16, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering, zoals van toepassing op 30 april 2018;
5° een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 24 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten;
6° een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 11/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld;
7° de procedure, vermeld in artikel 3, § 4, en artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2018 over de zorg en ondersteuning voor personen met een niet-aangeboren hersenletsel of tetraplegie ten gevolge van een hoge dwarslaesie met de hoogste zorg- en ondersteuningsnood.
Als de budgetcategorie van het budget dat conform paragraaf 1 ter beschikking gesteld kan worden, vastgesteld is conform artikel 6 tot en met 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering, wordt het budget aangepast dat is toegewezen conform tabel 9 die als bijlage bij dit besluit is gevoegd. De beslissing tot toewijzing van het aangepaste budget vervangt de eerdere beslissing tot toewijzing. Het agentschap stelt het aangepaste budget ter beschikking.".
Art.26. Dans le chapitre 8 même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 4 mars 2016, 10 mai 2019 et 24 avril 2020, il est inséré un article 37/0 ainsi rédigé :
" Art. 37.0. § 1er. Dans les limites des moyens fixés annuellement sur son budget pour l'octroi d'un budget pour soins et soutien non directement accessibles aux personnes majeures handicapées qui restent après la mise à disposition d'un budget aux personnes handicapées visées à l'article 37, §§ 2 et 3, l'agence peut mettre le budget attribué pour les soins et le soutien non directement accessibles aux personnes handicapées pour lesquelles un groupe de priorités tel que visé à l'article 23 est attribué.
Le ministre flamand compétent pour les personnes handicapées détermine annuellement comment les moyens restants visés à l'alinéa premier, doivent être répartis entre les groupes de priorités visés à l'article 23.
§ 2. Si le budget pour les soins et le soutien non directement accessibles peut être mis à disposition conformément au paragraphe 1er, et si le budget est attribué après qu'une procédure a été menée à bien, et que la catégorie budgétaire du budget qui est attribuée n'est pas fixée conformément aux articles 17 à 21 inclus, la catégorie budgétaire précédant la mise à disposition est à nouveau fixée conformément aux articles 17 à 21 inclus sur la base de la demande, mentionnée dans le plan de soutien personnel suivant financement, et sur la base du résultat de l'objectivation de la nécessité de soins et de soutien, telle que visée dans le rapport multidisciplinaire visé à l'article 12, alinéa deux, 2°, qui a été transmis à l'agence dans le cadre de la demande du budget attribué. La décision d'attribution de la catégorie budgétaire nouvellement fixée remplace la décision d'attribution antérieure. L'agence met à disposition la catégorie budgétaire nouvellement fixée.
Par les procédures visées à l'alinéa premier, on entend les procédures suivantes :
1° la procédure de demande de budget visée aux chapitres 2 et 3 et à l'article 33 du présent arrêté ;
2° une demande en révision visée à l'article 35 du présent arrêté ;
3° la procédure visée à l'article 32 du présent arrêté ;
4° une demande en révision visée à l'article 16, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé, tel qu'en vigueur au 30 avril 2018 ;
5° une demande en révision visée à l'article 24 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers une aide financière personnalisée et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide à domicile ;
6° une demande en révision visée à l'article 11/2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets personnalisés qui sont mis à disposition dans le cadre de la transition vers un financement personnalisé ;
7° la procédure visée à l'article 3, § 4, et l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 septembre 2018 relatif aux soins et au soutien pour les personnes atteintes d'une lésion cérébrale non congénitale ou de tétraplégie suite à une paraplégie haute, ayant le besoin de soins et de soutien le plus élevé.
Lorsque la catégorie budgétaire du budget qui peut être mis à disposition conformément au paragraphe 1er, est fixée conformément aux articles 6 à 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé, le budget attribué est adapté conformément au tableau 9 joint au présent arrêté. La décision d'attribution du budget ajusté remplace la décision d'attribution antérieure. L'agence met le budget ajusté à disposition. ".
" Art. 37.0. § 1er. Dans les limites des moyens fixés annuellement sur son budget pour l'octroi d'un budget pour soins et soutien non directement accessibles aux personnes majeures handicapées qui restent après la mise à disposition d'un budget aux personnes handicapées visées à l'article 37, §§ 2 et 3, l'agence peut mettre le budget attribué pour les soins et le soutien non directement accessibles aux personnes handicapées pour lesquelles un groupe de priorités tel que visé à l'article 23 est attribué.
Le ministre flamand compétent pour les personnes handicapées détermine annuellement comment les moyens restants visés à l'alinéa premier, doivent être répartis entre les groupes de priorités visés à l'article 23.
§ 2. Si le budget pour les soins et le soutien non directement accessibles peut être mis à disposition conformément au paragraphe 1er, et si le budget est attribué après qu'une procédure a été menée à bien, et que la catégorie budgétaire du budget qui est attribuée n'est pas fixée conformément aux articles 17 à 21 inclus, la catégorie budgétaire précédant la mise à disposition est à nouveau fixée conformément aux articles 17 à 21 inclus sur la base de la demande, mentionnée dans le plan de soutien personnel suivant financement, et sur la base du résultat de l'objectivation de la nécessité de soins et de soutien, telle que visée dans le rapport multidisciplinaire visé à l'article 12, alinéa deux, 2°, qui a été transmis à l'agence dans le cadre de la demande du budget attribué. La décision d'attribution de la catégorie budgétaire nouvellement fixée remplace la décision d'attribution antérieure. L'agence met à disposition la catégorie budgétaire nouvellement fixée.
Par les procédures visées à l'alinéa premier, on entend les procédures suivantes :
1° la procédure de demande de budget visée aux chapitres 2 et 3 et à l'article 33 du présent arrêté ;
2° une demande en révision visée à l'article 35 du présent arrêté ;
3° la procédure visée à l'article 32 du présent arrêté ;
4° une demande en révision visée à l'article 16, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé, tel qu'en vigueur au 30 avril 2018 ;
5° une demande en révision visée à l'article 24 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers une aide financière personnalisée et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide à domicile ;
6° une demande en révision visée à l'article 11/2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets personnalisés qui sont mis à disposition dans le cadre de la transition vers un financement personnalisé ;
7° la procédure visée à l'article 3, § 4, et l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 septembre 2018 relatif aux soins et au soutien pour les personnes atteintes d'une lésion cérébrale non congénitale ou de tétraplégie suite à une paraplégie haute, ayant le besoin de soins et de soutien le plus élevé.
Lorsque la catégorie budgétaire du budget qui peut être mis à disposition conformément au paragraphe 1er, est fixée conformément aux articles 6 à 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé, le budget attribué est adapté conformément au tableau 9 joint au présent arrêté. La décision d'attribution du budget ajusté remplace la décision d'attribution antérieure. L'agence met le budget ajusté à disposition. ".
Art.27. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2020, wordt een hoofdstuk 8/2, dat bestaat uit artikel 37/3 tot en met artikel 37/11, ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 8/2. Samenloop van aanvragen van een budget
Art. 37/3. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° besluit van 10 juni 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering;
2° besluit van 24 juni 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten;
3° budget: een budget voor niet rechtsreeks toegankelijks zorg en ondersteuning als vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap;
4° definitieve terbeschikkingstelling: de terbeschikkingstelling van een budget voor een periode van onbeperkte duur;
5° reguliere budgetbepaling: het budget dat het agentschap bepaalt in het kader van een van de volgende procedures:
a) de procedure om een budget aan te vragen, vermeld in hoofdstuk 2 en 3, en artikel 33 van dit besluit;
b) een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 35 van dit besluit;
c) de procedure, vermeld in artikel 32 van dit besluit;
d) een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 16, tweede lid, van het besluit van 10 juni 2016, zoals van toepassing op 30 april 2018;
e) een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 24 van het besluit van 24 juni 2016;
f) een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 11/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld;
g) de procedure, vermeld in artikel 3, § 4, en artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2018 over de zorg en ondersteuning voor personen met een niet-aangeboren hersenletsel of tetraplegie ten gevolge van een hoge dwarslaesie met de hoogste zorg- en ondersteuningsnood.
Art. 37/4. Als het agentschap een beslissing heeft genomen over de toewijzing van een budget op basis van een reguliere budgetbepaling en het agentschap al eerder een beslissing heeft genomen over de toewijzing van een budget en dat budget nog niet ter beschikking is gesteld, wordt de eerdere beslissing van het agentschap tot toewijzing van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning opgeheven met behoud van de toepassing van artikel 35, § 3.
Art. 37/5. Als het agentschap een beslissing heeft genomen over de toewijzing en de definitieve terbeschikkingstelling van een budget met toepassing van artikel 33 en als dat budget hoger is dan het budget dat het agentschap heeft toegewezen op basis van een reguliere budgetbepaling naar aanleiding van een eerdere aanvraag, wordt de beslissing tot toewijzing naar aanleiding van de eerdere vraag opgeheven.
Art. 37/6. Als het agentschap een beslissing over de toewijzing en terbeschikkingstelling van een budget heeft genomen met toepassing van artikel 2 tot en met artikel 12 van het besluit van 24 juni 2016, wordt de beslissing tot toewijzing van een budget dat conform artikel 3 tot en met artikel 15 van dit besluit voor 1 januari 2017 is aangevraagd of de beslissing tot toewijzing van een budget met toepassing van artikel 2 tot en met 15 van het besluit van 10 juni 2016, opgeheven als het budget dat is toegewezen en ter beschikking is gesteld, hoger is.
Art. 37/7. Als het agentschap een beslissing over de definitieve terbeschikkingstelling van een budget heeft genomen en nadien een beslissing neemt over de toewijzing van een budget op basis van een reguliere budgetbepaling en als dat budget lager is dan het budget dat ter beschikking is gesteld, wordt dat lagere budget ter beschikking gesteld met ingang van de eerste dag van de vierde maand die volgt op de maand waarin het agentschap de beslissing over de terbeschikkingstelling heeft genomen. De beslissing tot toewijzing en terbeschikkingstelling van het hogere budget wordt opgeheven met ingang van de eerste dag van vierde maand die volgt op maand waarin het agentschap de beslissing over de terbeschikkingstelling heeft genomen.
Art. 37/8. Als het agentschap een beslissing heeft genomen over de definitieve terbeschikkingstelling van een budget dat is toegewezen op basis van een reguliere budgetbepaling, en als dat budget hoger is dan het budget dat al ter beschikking was gesteld op het moment van de nieuwe beslissing over de toewijzing en de terbeschikkingstelling van een budget, wordt die eerdere beslissing over de toewijzing en de terbeschikkingstelling opgeheven.
Art. 37/9. Als het agentschap een beslissing heeft genomen over de definitieve terbeschikkingstelling van een budget en het nadien een beslissing neemt over de toewijzing en de definitieve terbeschikkingstelling van een budget met toepassing van artikel 33, wordt de eerdere beslissing over de toewijzing en de terbeschikkingstelling van een budget opgeheven.
Art. 37/10. Als het agentschap een beslissing over de toewijzing van een budget heeft genomen op basis van een aanvraag tot herziening die is ingediend met toepassing van artikel 24 van het besluit van 24 juni 2016, en een beslissing heeft genomen over de toewijzing en terbeschikkingstelling van een budget conform artikel 10 tot en met 11/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld, en als het budget, vermeld in artikel 11/1, § 1, eerste lid, van het voormelde besluit van 20 april 2018, hoger is dan het budget dat gevraagd is met toepassing van artikel 24 van het besluit van 24 juni 2016, wordt de beslissing over de toewijzing en de terbeschikkingstelling van dat lagere budget opgeheven.
Art. 37/11. In dit artikel wordt verstaan onder aanvraag tot herziening: een aanvraag tot herziening als vermeld in een van de volgende bepalingen:
1° artikel 35 van dit besluit;
2° artikel 16, tweede lid, van het besluit van 10 juni 2016, zoals van toepassing op 30 april 2018;
3° artikel 24 van het besluit van 24 juni 2016;
4° artikel 11/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld.
De afhandeling van de aanvraag van een budget die wordt ingediend conform artikel 3 tot en met artikel 15 van dit besluit, of van de aanvraag tot herziening wordt opgeschort als de aanvraag van een budget wordt ingediend in het kader van een van de volgende procedures:
1° de procedure, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 1, van dit besluit;
2° de procedure, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, van dit besluit;
3° de procedure, vermeld in artikel 33 van dit besluit;
4° de aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 6, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2018 over de zorg en ondersteuning voor personen met een niet-aangeboren hersenletsel of tetraplegie ten gevolge van een hoge dwarslaesie met de hoogste zorg- en ondersteuningsnood.
De aanvraag van een budget die wordt ingediend conform artikel 3 tot en met artikel 15, of de aanvraag tot herziening wordt verder afgehandeld als de aanvraag van een budget die wordt ingediend in het kader van een van de procedures, vermeld in het tweede lid, wordt afgewezen.
Als de aanvraag van een budget die wordt ingediend in het kader van een van de procedures, vermeld in het tweede lid, wordt goedgekeurd, wordt de aanvraag van een budget die wordt ingediend conform artikel 3 tot en met artikel 15, of de aanvraag tot herziening van rechtswege stopgezet.
Als de aanvraag van een budget is ingediend conform artikel 3 tot en met artikel 15 en er voordat die aanvraag is afgehandeld opnieuw een aanvraag conform artikel 3 tot en met artikel 15 wordt ingediend, wordt de eerdere aanvraag van een budget van rechtswege stopgezet.
Een deelvraag als vermeld in artikel 7, derde lid, wordt van rechtswege stopgezet als de budgetcategorie die conform artikel 17 tot en met artikel 21 wordt vastgesteld voor de voormelde deelvraag, dezelfde is als de budgetcategorie die is vastgesteld voor de totale aanvraag of als de prioriteitengroep die wordt toegekend voor de deelvraag, dezelfde is als de prioriteitengroep die wordt toegekend voor de totale aanvraag.".
"Hoofdstuk 8/2. Samenloop van aanvragen van een budget
Art. 37/3. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° besluit van 10 juni 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering;
2° besluit van 24 juni 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten;
3° budget: een budget voor niet rechtsreeks toegankelijks zorg en ondersteuning als vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap;
4° definitieve terbeschikkingstelling: de terbeschikkingstelling van een budget voor een periode van onbeperkte duur;
5° reguliere budgetbepaling: het budget dat het agentschap bepaalt in het kader van een van de volgende procedures:
a) de procedure om een budget aan te vragen, vermeld in hoofdstuk 2 en 3, en artikel 33 van dit besluit;
b) een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 35 van dit besluit;
c) de procedure, vermeld in artikel 32 van dit besluit;
d) een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 16, tweede lid, van het besluit van 10 juni 2016, zoals van toepassing op 30 april 2018;
e) een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 24 van het besluit van 24 juni 2016;
f) een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 11/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld;
g) de procedure, vermeld in artikel 3, § 4, en artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2018 over de zorg en ondersteuning voor personen met een niet-aangeboren hersenletsel of tetraplegie ten gevolge van een hoge dwarslaesie met de hoogste zorg- en ondersteuningsnood.
Art. 37/4. Als het agentschap een beslissing heeft genomen over de toewijzing van een budget op basis van een reguliere budgetbepaling en het agentschap al eerder een beslissing heeft genomen over de toewijzing van een budget en dat budget nog niet ter beschikking is gesteld, wordt de eerdere beslissing van het agentschap tot toewijzing van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning opgeheven met behoud van de toepassing van artikel 35, § 3.
Art. 37/5. Als het agentschap een beslissing heeft genomen over de toewijzing en de definitieve terbeschikkingstelling van een budget met toepassing van artikel 33 en als dat budget hoger is dan het budget dat het agentschap heeft toegewezen op basis van een reguliere budgetbepaling naar aanleiding van een eerdere aanvraag, wordt de beslissing tot toewijzing naar aanleiding van de eerdere vraag opgeheven.
Art. 37/6. Als het agentschap een beslissing over de toewijzing en terbeschikkingstelling van een budget heeft genomen met toepassing van artikel 2 tot en met artikel 12 van het besluit van 24 juni 2016, wordt de beslissing tot toewijzing van een budget dat conform artikel 3 tot en met artikel 15 van dit besluit voor 1 januari 2017 is aangevraagd of de beslissing tot toewijzing van een budget met toepassing van artikel 2 tot en met 15 van het besluit van 10 juni 2016, opgeheven als het budget dat is toegewezen en ter beschikking is gesteld, hoger is.
Art. 37/7. Als het agentschap een beslissing over de definitieve terbeschikkingstelling van een budget heeft genomen en nadien een beslissing neemt over de toewijzing van een budget op basis van een reguliere budgetbepaling en als dat budget lager is dan het budget dat ter beschikking is gesteld, wordt dat lagere budget ter beschikking gesteld met ingang van de eerste dag van de vierde maand die volgt op de maand waarin het agentschap de beslissing over de terbeschikkingstelling heeft genomen. De beslissing tot toewijzing en terbeschikkingstelling van het hogere budget wordt opgeheven met ingang van de eerste dag van vierde maand die volgt op maand waarin het agentschap de beslissing over de terbeschikkingstelling heeft genomen.
Art. 37/8. Als het agentschap een beslissing heeft genomen over de definitieve terbeschikkingstelling van een budget dat is toegewezen op basis van een reguliere budgetbepaling, en als dat budget hoger is dan het budget dat al ter beschikking was gesteld op het moment van de nieuwe beslissing over de toewijzing en de terbeschikkingstelling van een budget, wordt die eerdere beslissing over de toewijzing en de terbeschikkingstelling opgeheven.
Art. 37/9. Als het agentschap een beslissing heeft genomen over de definitieve terbeschikkingstelling van een budget en het nadien een beslissing neemt over de toewijzing en de definitieve terbeschikkingstelling van een budget met toepassing van artikel 33, wordt de eerdere beslissing over de toewijzing en de terbeschikkingstelling van een budget opgeheven.
Art. 37/10. Als het agentschap een beslissing over de toewijzing van een budget heeft genomen op basis van een aanvraag tot herziening die is ingediend met toepassing van artikel 24 van het besluit van 24 juni 2016, en een beslissing heeft genomen over de toewijzing en terbeschikkingstelling van een budget conform artikel 10 tot en met 11/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld, en als het budget, vermeld in artikel 11/1, § 1, eerste lid, van het voormelde besluit van 20 april 2018, hoger is dan het budget dat gevraagd is met toepassing van artikel 24 van het besluit van 24 juni 2016, wordt de beslissing over de toewijzing en de terbeschikkingstelling van dat lagere budget opgeheven.
Art. 37/11. In dit artikel wordt verstaan onder aanvraag tot herziening: een aanvraag tot herziening als vermeld in een van de volgende bepalingen:
1° artikel 35 van dit besluit;
2° artikel 16, tweede lid, van het besluit van 10 juni 2016, zoals van toepassing op 30 april 2018;
3° artikel 24 van het besluit van 24 juni 2016;
4° artikel 11/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld.
De afhandeling van de aanvraag van een budget die wordt ingediend conform artikel 3 tot en met artikel 15 van dit besluit, of van de aanvraag tot herziening wordt opgeschort als de aanvraag van een budget wordt ingediend in het kader van een van de volgende procedures:
1° de procedure, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 1, van dit besluit;
2° de procedure, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, van dit besluit;
3° de procedure, vermeld in artikel 33 van dit besluit;
4° de aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 6, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2018 over de zorg en ondersteuning voor personen met een niet-aangeboren hersenletsel of tetraplegie ten gevolge van een hoge dwarslaesie met de hoogste zorg- en ondersteuningsnood.
De aanvraag van een budget die wordt ingediend conform artikel 3 tot en met artikel 15, of de aanvraag tot herziening wordt verder afgehandeld als de aanvraag van een budget die wordt ingediend in het kader van een van de procedures, vermeld in het tweede lid, wordt afgewezen.
Als de aanvraag van een budget die wordt ingediend in het kader van een van de procedures, vermeld in het tweede lid, wordt goedgekeurd, wordt de aanvraag van een budget die wordt ingediend conform artikel 3 tot en met artikel 15, of de aanvraag tot herziening van rechtswege stopgezet.
Als de aanvraag van een budget is ingediend conform artikel 3 tot en met artikel 15 en er voordat die aanvraag is afgehandeld opnieuw een aanvraag conform artikel 3 tot en met artikel 15 wordt ingediend, wordt de eerdere aanvraag van een budget van rechtswege stopgezet.
Een deelvraag als vermeld in artikel 7, derde lid, wordt van rechtswege stopgezet als de budgetcategorie die conform artikel 17 tot en met artikel 21 wordt vastgesteld voor de voormelde deelvraag, dezelfde is als de budgetcategorie die is vastgesteld voor de totale aanvraag of als de prioriteitengroep die wordt toegekend voor de deelvraag, dezelfde is als de prioriteitengroep die wordt toegekend voor de totale aanvraag.".
Art.27. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2020, il est inséré un chapitre 8/2, comprenant les articles 37/3 à 37/11, rédigé comme suit :
" Chapitre 8/2. Concours de demandes de budget
Art. 37/3. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° arrêté du 10 juin 2016 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé ;
2° arrêté du 24 juin 2016 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers un financement personnalisé et portant transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide à domicile ;
3° budget : un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, tel que visé au chapitre 5 du décret du 25 avril 2014 portant le financement personnalisé pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées ;
4° mise à disposition définitive : la mise à disposition d'un budget pour une période de durée illimitée ;
5° disposition budgétaire régulière : le budget déterminé par l'agence dans le cadre de l'une des procédures suivantes :
a) la procédure de demande de budget visée aux chapitres 2 et 3, et à l'article 33 du présent arrêté ;
b) une demande en révision visée à l'article 35 du présent arrêté ;
c) la procédure visée à l'article 32 du présent arrêté ;
d) une demande en révision visée à l'article 16, alinéa deux, de l'arrêté du 10 juin 2016, tel qu'en vigueur le 30 avril 2018 ;
e) une demande en révision visée à l'article 24 de l'arrête du 24 juin 2016 ;
f) une demande en révision visée à l'article 11/2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets personnalisés qui sont mis à disposition dans le cadre de la transition vers un financement personnalisé ;
g) la procédure visée à l'article 3, § 4, et l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 septembre 2018 relatif aux soins et au soutien pour les personnes atteintes d'une lésion cérébrale non congénitale ou de tétraplégie suite à une paraplégie haute, ayant le besoin de soins et de soutien le plus élevé.
Art. 37/4. Si l'agence a pris une décision sur l'attribution d'un budget sur la base d'une disposition budgétaire régulière et que l'agence a déjà pris une décision sur l'attribution d'un budget et que ce budget n'est pas encore mis à disposition, la décision antérieure de l'agence d'attribuer un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles est abrogée, sans préjudice de l'application de l'article 35, § 3.
Art. 37/5. Si l'agence a pris une décision sur l'attribution et la mise à disposition définitive d'un budget en application de l'article 33 et si ce budget est supérieur au budget attribué par l'agence sur la base d'une disposition budgétaire régulière suite à une demande antérieure, la décision d'attribution suite à la demande antérieure est abrogée.
Art. 37/6. Lorsque l'agence a pris une décision sur l'attribution et la mise à disposition d'un budget en application des articles 2 à 12 inclus de l'arrêté du 24 juin 2016, la décision d'attribution d'un budget demandé conformément aux articles 3 à 15 du présent arrêté avant le 1er janvier 2017 ou la décision d'attribution d'un budget en application des articles 2 à 15 de l'arrêté du 10 juin 2016, est abrogé si le budget attribué et mis à disposition, est supérieur.
Art. 37/7. Lorsque l'agence a pris une décision sur la mise à disposition définitive d'un budget et prend ensuite une décision sur l'attribution d'un budget sur la base d'une disposition budgétaire régulière et lorsque ce budget est inférieur au budget mis à disposition, ce budget réduit est mis à disposition à partir du premier jour du quatrième mois qui suit le mois au cours duquel l'agence a pris la décision sur la mise à disposition. La décision d'attribution et de mise à disposition du budget supérieur est abrogée à partir du premier jour du quatrième mois qui suit le mois au cours duquel l'agence a pris la décision sur la mise à disposition.
Art. 37/8. Lorsque l'agence a pris une décision sur la mise à disposition définitive d'un budget qui est attribué sur la base d'une disposition budgétaire régulière, et lorsque ce budget est supérieur au budget déjà mis à disposition au moment de la nouvelle décision d'attribution et de mise à disposition d'un budget, cette décision antérieure sur l'attribution et la mise à disposition est abrogée.
Art. 37/9. Lorsque l'agence a pris une décision sur la mise à disposition définitive d'un budget et qu'elle prend ensuite une décision sur l'attribution et la mise à disposition définitive d'un budget en application de l'article 33, la décision antérieure sur l'attribution et la mise à disposition d'un budget est abrogée.
Art. 37/10. Si l'agence a pris une décision sur l'attribution d'un budget sur la base d'une demande en révision introduite en application de l'article 24 de l'arrêté du 24 juin 2016 et a pris une décision sur l'attribution et la mise à disposition d'un budget conformément aux articles 10 à 11/1 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets personnalisés qui sont mis à disposition dans le cadre de la transition vers un financement personnalisé, et si le budget visé à l'article 11/1, § 1er, alinéa premier, de l'arrêté du 20 avril 2018 précité, est supérieur au budget demandé en application de l'article 24 de l'arrêté du 24 juin 2016, la décision relative à l'attribution et à la mise à disposition de ce budget inférieur est abrogée.
Art. 37/11. Dans le présent article, on entend par demande en révision : une demande en révision visée à l'une des dispositions suivantes :
1° l'article 35 du présent arrêté ;
2° l'article 16, alinéa deux, de l'arrêté du 10 juin 2016, tel qu'en vigueur au 30 avril 2018 ;
3° l'article 24 de l'arrêté du 24 juin 2016 ;
4° l'article 11/2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets personnalisés qui sont mis à disposition dans le cadre de la transition vers un financement personnalisé.
Le traitement de la demande d'un budget introduite conformément aux articles 3 à 15 du présent arrêté, ou de la demande en révision est suspendu si la demande d'un budget est introduite dans le cadre de l'une des procédures suivantes :
1° la procédure visée au chapitre 4, section 1, du présent arrêté ;
2° la procédure visée au chapitre 4, section 2, du présent arrêté ;
3° la procédure visée à l'article 33 du présent arrêté ;
4° la demande de soutien visée à l'article 6 § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 septembre 2018 relatif aux soins et au soutien pour les personnes atteintes d'une lésion cérébrale non congénitale ou de tétraplégie suite à une paraplégie haute, ayant le besoin de soins et de soutien le plus élevé.
La demande d'un budget introduite conformément aux articles 3 à 15, ou la demande en révision est traitée si la demande d'un budget qui est introduite dans le cadre d'une des procédures visées à l'alinéa deux, est rejetée.
Lorsque la demande d'un budget introduite dans le cadre d'une des procédures visées à l'alinéa deux, est approuvée, la demande d'un budget introduite conformément aux articles 3 à 15 inclus, ou la demande en révision est arrêtée de plein droit.
Lorsque la demande d'un budget est introduite conformément aux articles 3 à 15 et qu'une nouvelle demande est introduite conformément aux articles 3 à 15 avant que cette demande ne soit traitée, la demande antérieure d'un budget est arrêtée de plein droit.
Une sous-question telle que visée à l'article 7, alinéa trois, est suspendue de plein droit si la catégorie budgétaire fixée pour la sous-question précitée, conformément aux articles 17 à 21, est la même que la catégorie budgétaire fixée pour la demande totale ou si le groupe de priorités attribué pour la sous-question est le même que le groupe de priorités attribué pour la demande globale. "
" Chapitre 8/2. Concours de demandes de budget
Art. 37/3. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° arrêté du 10 juin 2016 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé ;
2° arrêté du 24 juin 2016 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers un financement personnalisé et portant transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide à domicile ;
3° budget : un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, tel que visé au chapitre 5 du décret du 25 avril 2014 portant le financement personnalisé pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées ;
4° mise à disposition définitive : la mise à disposition d'un budget pour une période de durée illimitée ;
5° disposition budgétaire régulière : le budget déterminé par l'agence dans le cadre de l'une des procédures suivantes :
a) la procédure de demande de budget visée aux chapitres 2 et 3, et à l'article 33 du présent arrêté ;
b) une demande en révision visée à l'article 35 du présent arrêté ;
c) la procédure visée à l'article 32 du présent arrêté ;
d) une demande en révision visée à l'article 16, alinéa deux, de l'arrêté du 10 juin 2016, tel qu'en vigueur le 30 avril 2018 ;
e) une demande en révision visée à l'article 24 de l'arrête du 24 juin 2016 ;
f) une demande en révision visée à l'article 11/2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets personnalisés qui sont mis à disposition dans le cadre de la transition vers un financement personnalisé ;
g) la procédure visée à l'article 3, § 4, et l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 septembre 2018 relatif aux soins et au soutien pour les personnes atteintes d'une lésion cérébrale non congénitale ou de tétraplégie suite à une paraplégie haute, ayant le besoin de soins et de soutien le plus élevé.
Art. 37/4. Si l'agence a pris une décision sur l'attribution d'un budget sur la base d'une disposition budgétaire régulière et que l'agence a déjà pris une décision sur l'attribution d'un budget et que ce budget n'est pas encore mis à disposition, la décision antérieure de l'agence d'attribuer un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles est abrogée, sans préjudice de l'application de l'article 35, § 3.
Art. 37/5. Si l'agence a pris une décision sur l'attribution et la mise à disposition définitive d'un budget en application de l'article 33 et si ce budget est supérieur au budget attribué par l'agence sur la base d'une disposition budgétaire régulière suite à une demande antérieure, la décision d'attribution suite à la demande antérieure est abrogée.
Art. 37/6. Lorsque l'agence a pris une décision sur l'attribution et la mise à disposition d'un budget en application des articles 2 à 12 inclus de l'arrêté du 24 juin 2016, la décision d'attribution d'un budget demandé conformément aux articles 3 à 15 du présent arrêté avant le 1er janvier 2017 ou la décision d'attribution d'un budget en application des articles 2 à 15 de l'arrêté du 10 juin 2016, est abrogé si le budget attribué et mis à disposition, est supérieur.
Art. 37/7. Lorsque l'agence a pris une décision sur la mise à disposition définitive d'un budget et prend ensuite une décision sur l'attribution d'un budget sur la base d'une disposition budgétaire régulière et lorsque ce budget est inférieur au budget mis à disposition, ce budget réduit est mis à disposition à partir du premier jour du quatrième mois qui suit le mois au cours duquel l'agence a pris la décision sur la mise à disposition. La décision d'attribution et de mise à disposition du budget supérieur est abrogée à partir du premier jour du quatrième mois qui suit le mois au cours duquel l'agence a pris la décision sur la mise à disposition.
Art. 37/8. Lorsque l'agence a pris une décision sur la mise à disposition définitive d'un budget qui est attribué sur la base d'une disposition budgétaire régulière, et lorsque ce budget est supérieur au budget déjà mis à disposition au moment de la nouvelle décision d'attribution et de mise à disposition d'un budget, cette décision antérieure sur l'attribution et la mise à disposition est abrogée.
Art. 37/9. Lorsque l'agence a pris une décision sur la mise à disposition définitive d'un budget et qu'elle prend ensuite une décision sur l'attribution et la mise à disposition définitive d'un budget en application de l'article 33, la décision antérieure sur l'attribution et la mise à disposition d'un budget est abrogée.
Art. 37/10. Si l'agence a pris une décision sur l'attribution d'un budget sur la base d'une demande en révision introduite en application de l'article 24 de l'arrêté du 24 juin 2016 et a pris une décision sur l'attribution et la mise à disposition d'un budget conformément aux articles 10 à 11/1 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets personnalisés qui sont mis à disposition dans le cadre de la transition vers un financement personnalisé, et si le budget visé à l'article 11/1, § 1er, alinéa premier, de l'arrêté du 20 avril 2018 précité, est supérieur au budget demandé en application de l'article 24 de l'arrêté du 24 juin 2016, la décision relative à l'attribution et à la mise à disposition de ce budget inférieur est abrogée.
Art. 37/11. Dans le présent article, on entend par demande en révision : une demande en révision visée à l'une des dispositions suivantes :
1° l'article 35 du présent arrêté ;
2° l'article 16, alinéa deux, de l'arrêté du 10 juin 2016, tel qu'en vigueur au 30 avril 2018 ;
3° l'article 24 de l'arrêté du 24 juin 2016 ;
4° l'article 11/2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets personnalisés qui sont mis à disposition dans le cadre de la transition vers un financement personnalisé.
Le traitement de la demande d'un budget introduite conformément aux articles 3 à 15 du présent arrêté, ou de la demande en révision est suspendu si la demande d'un budget est introduite dans le cadre de l'une des procédures suivantes :
1° la procédure visée au chapitre 4, section 1, du présent arrêté ;
2° la procédure visée au chapitre 4, section 2, du présent arrêté ;
3° la procédure visée à l'article 33 du présent arrêté ;
4° la demande de soutien visée à l'article 6 § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 septembre 2018 relatif aux soins et au soutien pour les personnes atteintes d'une lésion cérébrale non congénitale ou de tétraplégie suite à une paraplégie haute, ayant le besoin de soins et de soutien le plus élevé.
La demande d'un budget introduite conformément aux articles 3 à 15, ou la demande en révision est traitée si la demande d'un budget qui est introduite dans le cadre d'une des procédures visées à l'alinéa deux, est rejetée.
Lorsque la demande d'un budget introduite dans le cadre d'une des procédures visées à l'alinéa deux, est approuvée, la demande d'un budget introduite conformément aux articles 3 à 15 inclus, ou la demande en révision est arrêtée de plein droit.
Lorsque la demande d'un budget est introduite conformément aux articles 3 à 15 et qu'une nouvelle demande est introduite conformément aux articles 3 à 15 avant que cette demande ne soit traitée, la demande antérieure d'un budget est arrêtée de plein droit.
Une sous-question telle que visée à l'article 7, alinéa trois, est suspendue de plein droit si la catégorie budgétaire fixée pour la sous-question précitée, conformément aux articles 17 à 21, est la même que la catégorie budgétaire fixée pour la demande totale ou si le groupe de priorités attribué pour la sous-question est le même que le groupe de priorités attribué pour la demande globale. "
Art.28. In artikel 56 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt:
"De beslissing tot toekenning van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a), b) of d), van dit besluit, die is genomen met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, of de beslissing van het agentschap tot toewijzing van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a), b) of d), van dit besluit, vervalt met ingang van de eerste dag van de vijfde maand die volgt op de datum van de beslissing over de terbeschikkingstelling van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning aan personen met een handicap als vermeld in het derde lid, artikel 37, § 2, eerste lid, 5°, en § 3, eerste lid.";
2° het zesde lid wordt vervangen door wat volgt:
"De personen met een handicap die aan al de volgende voorwaarden voldoen en vanaf het jaar 2020 in aanmerking komen voor de terbeschikkingstelling van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning conform artikel 37, § 1, derde tot en met zevende lid, zoals van toepassing op 31 december 2020, hoeven niet te voldoen aan de voorwaarde, vermeld in artikel 37, § 1, vierde lid, zoals van toepassing op 31 december 2020:
1° ze zijn geboren in het jaar 1998 of vroeger;
2° ze maakten op het moment van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning gebruik van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a) of b);
3° ze hebben voor 1 januari 2020 een aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning ingediend;
4° het agentschap heeft voor 1 januari 2020 geen beslissing tot toewijzing van een budget naar aanleiding van de aanvraag, vermeld in punt 3°, genomen.";
3° tussen het zesde en het zevende lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Personen met een handicap die op het ogenblik van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning gebruikmaken van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a) of b), en die voldoen aan al de volgende voorwaarden, moeten in afwijking van artikel 37, § 3, vierde of vijfde lid, in het jaar 2020 gebruikmaken van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a) en b), om in aanmerking te komen voor de terbeschikkingstelling conform artikel 37, § 3, van het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning:
1° ze zijn in het jaar 2020 21 jaar of ouder geworden;
2° ze hebben na 1 januari 2020 en voor 17 juli 2020 een ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering ingediend bij het agentschap dat het agentschap heeft goedgekeurd voor 17 juli 2020;
3° het multidisciplinaire verslag, vermeld in artikel 12, is uiterlijk op 31 december 2020 aan het agentschap bezorgd.";
4° er wordt een tiende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De personen met een handicap die op het moment van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning gebruikmaken van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, c), van dit besluit, of gebruik maakten van ondersteuning voor personen met een handicap met ernstig externaliserend of internaliserend storend gedrag waarvan de impact dermate groot is dat er nood is aan continue, hoofdzakelijk residentiële ondersteuning met een semi-gesloten karakter, die werd geboden door een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap als vermeld in artikel 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 december 2019, komen conform artikel 37, § 1, derde lid tot en met zevende lid, van dit besluit, zoals van toepassing op 31 december 2020, in het jaar 2020 in aanmerking voor de terbeschikkingstelling van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als ze in het jaar 2020 gebruik maakten van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a) tot en met c), van dit besluit.".
1° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt:
"De beslissing tot toekenning van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a), b) of d), van dit besluit, die is genomen met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, of de beslissing van het agentschap tot toewijzing van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a), b) of d), van dit besluit, vervalt met ingang van de eerste dag van de vijfde maand die volgt op de datum van de beslissing over de terbeschikkingstelling van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning aan personen met een handicap als vermeld in het derde lid, artikel 37, § 2, eerste lid, 5°, en § 3, eerste lid.";
2° het zesde lid wordt vervangen door wat volgt:
"De personen met een handicap die aan al de volgende voorwaarden voldoen en vanaf het jaar 2020 in aanmerking komen voor de terbeschikkingstelling van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning conform artikel 37, § 1, derde tot en met zevende lid, zoals van toepassing op 31 december 2020, hoeven niet te voldoen aan de voorwaarde, vermeld in artikel 37, § 1, vierde lid, zoals van toepassing op 31 december 2020:
1° ze zijn geboren in het jaar 1998 of vroeger;
2° ze maakten op het moment van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning gebruik van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a) of b);
3° ze hebben voor 1 januari 2020 een aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning ingediend;
4° het agentschap heeft voor 1 januari 2020 geen beslissing tot toewijzing van een budget naar aanleiding van de aanvraag, vermeld in punt 3°, genomen.";
3° tussen het zesde en het zevende lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Personen met een handicap die op het ogenblik van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning gebruikmaken van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a) of b), en die voldoen aan al de volgende voorwaarden, moeten in afwijking van artikel 37, § 3, vierde of vijfde lid, in het jaar 2020 gebruikmaken van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a) en b), om in aanmerking te komen voor de terbeschikkingstelling conform artikel 37, § 3, van het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning:
1° ze zijn in het jaar 2020 21 jaar of ouder geworden;
2° ze hebben na 1 januari 2020 en voor 17 juli 2020 een ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering ingediend bij het agentschap dat het agentschap heeft goedgekeurd voor 17 juli 2020;
3° het multidisciplinaire verslag, vermeld in artikel 12, is uiterlijk op 31 december 2020 aan het agentschap bezorgd.";
4° er wordt een tiende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De personen met een handicap die op het moment van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning gebruikmaken van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, c), van dit besluit, of gebruik maakten van ondersteuning voor personen met een handicap met ernstig externaliserend of internaliserend storend gedrag waarvan de impact dermate groot is dat er nood is aan continue, hoofdzakelijk residentiële ondersteuning met een semi-gesloten karakter, die werd geboden door een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap als vermeld in artikel 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 december 2019, komen conform artikel 37, § 1, derde lid tot en met zevende lid, van dit besluit, zoals van toepassing op 31 december 2020, in het jaar 2020 in aanmerking voor de terbeschikkingstelling van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als ze in het jaar 2020 gebruik maakten van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 1, 7° /1, a) tot en met c), van dit besluit.".
Art.28. A l'article 56 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" La décision d'accorder une aide à la jeunesse telle que visée à l'article 1, 7° /1, a), b) ou d), du présent arrêté, prise en application du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, ou la décision de l'agence d'attribution d'aide à la jeunesse telle que visée à l'article 1, 7° /1, a), b) ou d), du présent arrêté, échoit à partir du premier jour du cinquième mois qui suit la date de la décision sur la mise à disposition d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles aux personnes handicapées, telle que visée à l'alinéa trois, article 37, § 2, alinéa premier, 5°, et § 3, alinéa premier. " ;
2° l'alinéa 6 est remplacé par ce qui suit :
" Les personnes handicapées qui remplissent toutes les conditions suivantes et qui, à partir de l'année 2020, entrent en ligne de compte pour la mise à disposition d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles conformément à l'article 37, § 1, alinéas trois à sept inclus, tel qu'applicable au 31 décembre 2020, ne doivent pas satisfaire à la condition visée à l'article 37, § 1, telle qu'applicable le 31 décembre 2020 :
1° ils sont nés en 1998 ou avant ;
2° au moment de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, ils ont fait usage des services d'aide à la jeunesse tel que visé à l'article 1, 7° /1, a) ou b) ;
3° ils ont introduit avant le 1 janvier 2020 une demande de budget pour les soins et le soutien non directement accessibles ;
4° avant le 1er janvier 2020, l'agence n'a pas pris de décision d'attribution d'un budget suite à la demande visée au point 3°. " ;
3° entre les sixième et septième alinéas, il est inséré un alinéa ainsi rédigé :
" Les personnes handicapées qui, au moment de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, font appel à des services d'aide à la jeunesse tel que visé à l'article 1, 7° /1, a) ou b), et qui satisfont à toutes les conditions suivantes, doivent, par dérogation à l'article 37, § 3, quatrième ou cinquième alinéa, faire usage des services d'aide à la jeunesse tel que visé à l'article 1, 7° /1, a) et b), pour entrer en ligne de compte pour la mise à disposition conformément à l'article 37, § 3, du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles :
1° ils ont atteint l'âge d'au moins 21 ans en 2020 ;
2° ils ont introduit un plan de soutien de financement personnalisé auprès de l'agence, qui a été approuvé par l'agence avant le 17 juillet 2020 ;
3° le rapport multidisciplinaire visé à l'article 12, est transmis à l'agence au plus tard le 31 décembre 2020. " ;
4° il est ajouté un alinéa dix ainsi rédigé :
" Les personnes handicapées qui, au moment de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, font appel à des services d'aide à la jeunesse tel que visé à l'article 1, 7° /1, c), du présent arrêté, ou font appel à un soutien aux personnes handicapées présentant un comportement perturbant à extériorisation ou internalisation grave, dont l'impact est tel qu'il est nécessaire de fournir un soutien continu, essentiellement résidentiel à caractère semi-fermé, offert par un centre multifonctionnel pour mineurs handicapés, tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures, tel qu'il est d'application au 31 décembre 2019, sont, conformément à l'article 37, § 1, alinéas trois à sept du présent arrêté, tel qu'est d'application au 31 décembre 2020, dans l'année 2020, éligibles à la mise à disposition d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles s'ils ont fait appel à des services d'aide à la jeunesse dans l'année 2020, tel que visé à l'article 1, 7° /1, a) à c), du présent arrêté. ".
1° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" La décision d'accorder une aide à la jeunesse telle que visée à l'article 1, 7° /1, a), b) ou d), du présent arrêté, prise en application du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, ou la décision de l'agence d'attribution d'aide à la jeunesse telle que visée à l'article 1, 7° /1, a), b) ou d), du présent arrêté, échoit à partir du premier jour du cinquième mois qui suit la date de la décision sur la mise à disposition d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles aux personnes handicapées, telle que visée à l'alinéa trois, article 37, § 2, alinéa premier, 5°, et § 3, alinéa premier. " ;
2° l'alinéa 6 est remplacé par ce qui suit :
" Les personnes handicapées qui remplissent toutes les conditions suivantes et qui, à partir de l'année 2020, entrent en ligne de compte pour la mise à disposition d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles conformément à l'article 37, § 1, alinéas trois à sept inclus, tel qu'applicable au 31 décembre 2020, ne doivent pas satisfaire à la condition visée à l'article 37, § 1, telle qu'applicable le 31 décembre 2020 :
1° ils sont nés en 1998 ou avant ;
2° au moment de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, ils ont fait usage des services d'aide à la jeunesse tel que visé à l'article 1, 7° /1, a) ou b) ;
3° ils ont introduit avant le 1 janvier 2020 une demande de budget pour les soins et le soutien non directement accessibles ;
4° avant le 1er janvier 2020, l'agence n'a pas pris de décision d'attribution d'un budget suite à la demande visée au point 3°. " ;
3° entre les sixième et septième alinéas, il est inséré un alinéa ainsi rédigé :
" Les personnes handicapées qui, au moment de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, font appel à des services d'aide à la jeunesse tel que visé à l'article 1, 7° /1, a) ou b), et qui satisfont à toutes les conditions suivantes, doivent, par dérogation à l'article 37, § 3, quatrième ou cinquième alinéa, faire usage des services d'aide à la jeunesse tel que visé à l'article 1, 7° /1, a) et b), pour entrer en ligne de compte pour la mise à disposition conformément à l'article 37, § 3, du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles :
1° ils ont atteint l'âge d'au moins 21 ans en 2020 ;
2° ils ont introduit un plan de soutien de financement personnalisé auprès de l'agence, qui a été approuvé par l'agence avant le 17 juillet 2020 ;
3° le rapport multidisciplinaire visé à l'article 12, est transmis à l'agence au plus tard le 31 décembre 2020. " ;
4° il est ajouté un alinéa dix ainsi rédigé :
" Les personnes handicapées qui, au moment de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, font appel à des services d'aide à la jeunesse tel que visé à l'article 1, 7° /1, c), du présent arrêté, ou font appel à un soutien aux personnes handicapées présentant un comportement perturbant à extériorisation ou internalisation grave, dont l'impact est tel qu'il est nécessaire de fournir un soutien continu, essentiellement résidentiel à caractère semi-fermé, offert par un centre multifonctionnel pour mineurs handicapés, tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures, tel qu'il est d'application au 31 décembre 2019, sont, conformément à l'article 37, § 1, alinéas trois à sept du présent arrêté, tel qu'est d'application au 31 décembre 2020, dans l'année 2020, éligibles à la mise à disposition d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles s'ils ont fait appel à des services d'aide à la jeunesse dans l'année 2020, tel que visé à l'article 1, 7° /1, a) à c), du présent arrêté. ".
Art.29. De bijlage bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 mei 2019, wordt vervangen door de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.
Art.29. L'annexe au même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mai 2019, est remplacée par l'annexe jointe au présent arrêté.
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap
CHAPITRE 7. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures
Art.30. In artikel 25 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. De bijdrage mag niet meer bedragen dan het basisbedrag, verhoogd met de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte waarop de gebruiker recht heeft krachtens het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.
In afwijking van het eerste lid mag het bedrag voor de gebruiker die geboren is voor 1 januari 2019, niet hoger zijn dan de kinderbijslag, verhoogd met de leeftijdstoeslag en de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte waarop de gebruiker recht heeft krachtens het voormelde decreet van 27 april 2018.";
2° in paragraaf 3, tweede lid en derde lid, wordt de zinsnede "de gewone kinderbijslag, verhoogd met de bijslag voor leeftijd en handicap waarop die gebruiker recht heeft in de kinderbijslagregeling" vervangen door de zinsnede "de maximale bijdrage, vermeld in paragraaf 2";
3° in paragraaf 4 worden de woorden "de kinderbijslag waarop die gebruiker recht heeft in de kinderbijslagregeling" vervangen door de zinsnede "de maximale bijdrage, vermeld in paragraaf 2".
1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. De bijdrage mag niet meer bedragen dan het basisbedrag, verhoogd met de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte waarop de gebruiker recht heeft krachtens het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.
In afwijking van het eerste lid mag het bedrag voor de gebruiker die geboren is voor 1 januari 2019, niet hoger zijn dan de kinderbijslag, verhoogd met de leeftijdstoeslag en de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte waarop de gebruiker recht heeft krachtens het voormelde decreet van 27 april 2018.";
2° in paragraaf 3, tweede lid en derde lid, wordt de zinsnede "de gewone kinderbijslag, verhoogd met de bijslag voor leeftijd en handicap waarop die gebruiker recht heeft in de kinderbijslagregeling" vervangen door de zinsnede "de maximale bijdrage, vermeld in paragraaf 2";
3° in paragraaf 4 worden de woorden "de kinderbijslag waarop die gebruiker recht heeft in de kinderbijslagregeling" vervangen door de zinsnede "de maximale bijdrage, vermeld in paragraaf 2".
Art.30. A l'article 25 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La contribution ne peut pas dépasser le montant de base, majoré de l'allocation de soins pour enfants ayant un besoin d'aide spécifique auquel l'usager a droit en vertu du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale.
Par dérogation à l'alinéa premier, le montant pour l'usager né avant le 1 janvier 2019 ne peut être supérieur aux allocations familiales, majorées du supplément d'âge et de l'allocation de soins pour enfants ayant un besoin d'aide spécifique auquel l'usager a droit en vertu du décret du 27 avril 2018 précité. " ;
2° dans le paragraphe 3, alinéas deux et trois, le membre de phrase " des allocations familiales ordinaires, majorées des suppléments d'âge et de l'allocation complémentaire du chef de l'existence d'un handicap auxquels cet usager a droit dans le régime des allocations familiales " est remplacé par le membre de phrase " de la contribution maximale visée au paragraphe 2 " ;
3° dans le paragraphe 4, les mots " les allocations familiales auxquelles cet usager a droit dans le régime des allocations familiales " sont remplacés par le membre de phrase " la contribution maximale visée au paragraphe 2 ".
1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La contribution ne peut pas dépasser le montant de base, majoré de l'allocation de soins pour enfants ayant un besoin d'aide spécifique auquel l'usager a droit en vertu du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale.
Par dérogation à l'alinéa premier, le montant pour l'usager né avant le 1 janvier 2019 ne peut être supérieur aux allocations familiales, majorées du supplément d'âge et de l'allocation de soins pour enfants ayant un besoin d'aide spécifique auquel l'usager a droit en vertu du décret du 27 avril 2018 précité. " ;
2° dans le paragraphe 3, alinéas deux et trois, le membre de phrase " des allocations familiales ordinaires, majorées des suppléments d'âge et de l'allocation complémentaire du chef de l'existence d'un handicap auxquels cet usager a droit dans le régime des allocations familiales " est remplacé par le membre de phrase " de la contribution maximale visée au paragraphe 2 " ;
3° dans le paragraphe 4, les mots " les allocations familiales auxquelles cet usager a droit dans le régime des allocations familiales " sont remplacés par le membre de phrase " la contribution maximale visée au paragraphe 2 ".
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders
CHAPITRE 8. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les offreurs de soins autorisés
Art.31. In artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 december 2017, 11 januari 2019 en 28 december 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het percentage "11,94 %" vervangen door het percentage "10,35%";
2° in paragraaf 3, wordt het vijfde lid, 3°, vervangen door wat volgt:
"3° vanaf het kalenderjaar 2022: 65%".
1° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het percentage "11,94 %" vervangen door het percentage "10,35%";
2° in paragraaf 3, wordt het vijfde lid, 3°, vervangen door wat volgt:
"3° vanaf het kalenderjaar 2022: 65%".
Art.31. A l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les offreurs de soins autorisés, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 22 décembre 2017, 11 janvier 2019 et 28 décembre 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2, alinéa premier, le pourcentage " 11,94 % " est remplacé par le pourcentage " 10,35 % " ;
2° dans le paragraphe 3, l'alinéa 5, 3°, est remplacé par ce qui suit :
" 3° à partir de l'année civile 2022 : 65 % ".
1° dans le paragraphe 2, alinéa premier, le pourcentage " 11,94 % " est remplacé par le pourcentage " 10,35 % " ;
2° dans le paragraphe 3, l'alinéa 5, 3°, est remplacé par ce qui suit :
" 3° à partir de l'année civile 2022 : 65 % ".
Art.32. Aan artikel 24, 10°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede ", in voorkomend geval met inbegrip van de kosten van vervoer" toegevoegd.
Art.32. L'article 24, 10°, du même arrêté est complété par le membre de phrase " , le cas échéant, y compris les frais de transport ".
Art.33. In artikel 25, vijfde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017, wordt de zin "Deze regeling is van toepassing tot en met 31 december 2019." opgeheven.
Art.33. Dans l'article 25, alinéa cinq, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017, la phrase " Cette règle est d'application jusqu'au 31 décembre 2019. " est abrogé.
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 houdende de methodiek voor de berekening van de subsidies voor personeelskosten
CHAPITRE 9. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2017 relatif à la méthode de calcul des subventions pour frais de personnel
Art.34. In artikel 20/0 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 houdende de methodiek voor de berekening van de subsidies voor personeelskosten, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2018, wordt tussen het woord "subsidie-eenheid" en de woorden "zijn berekend" de zinsnede ", met uitzondering van de subsidie-eenheid die is opgericht door een ondergeschikt bestuur zoals een provincie, een gemeente, een intercommunale van gemeenten, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een vereniging als vermeld in artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, of door een publiekrechtelijke rechtspersoon of een instelling van openbaar nut.," ingevoegd.
Art.34. A l'article 20/0 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2017 relatif à la méthode de calcul des subventions pour frais de personnel, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 2018, le membre de phrase ", à l'exception de l'unité de subvention établie par une administration subordonnée telle qu'une province, une commune, une intercommunale de communes, un centre public d'action sociale ou une association telle que visée à l'article 118 de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale ou par une personne morale de droit public ou un organisme d'intérêt public, " est inséré entre le membre de phrase " unité de subvention " et le mot " conformément ".
Art.35. Aan artikel 13, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2020, worden de woorden "en wordt niet toegekend aan de personeelsleden van een subsidie-eenheid die is opgericht door een ondergeschikt bestuur zoals een provincie, een gemeente, een intercommunale van gemeenten, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een vereniging als vermeld in artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, of door een publiekrechtelijke rechtspersoon of een instelling van openbaar nut." toegevoegd.
Art.35. A l'article 13, alinéa 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 juillet 2020, est ajouté le membre de phrase " et n'est pas accordé aux membre du personnel d'une unité de subvention établie par une administration subordonnée telle qu'une province, une commune, une intercommunale de communes, un centre public d'action sociale ou une association telle que visée à l'article 118 de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale, ou par une personne morale de droit public, ou un organisme d'intérêt public. ".
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden
CHAPITRE 10. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés
Art.36. In artikel 21 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het aanvraagdocument, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt ingediend door de persoon met een handicap, zijn wettelijke vertegenwoordiger of zijn bewindvoerder in het geval, vermeld in het vierde lid. Het aanvraagdocument kan bezorgd worden met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap vaststelt. Als het document met de post wordt bezorgd, wordt het ondertekend door de persoon met een handicap of zijn wettelijke vertegenwoordiger en in het geval, vermeld in het vierde lid, door de bewindvoerder.";
2° er worden een vijfde en een zesde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
De beslissing van het agentschap tot toewijzing van ondersteuning aan een unit voor geïnterneerden vervalt in de volgende gevallen:
1° met ingang van de eerste dag van de vijfde maand die volgt op maand waarin het agentschap de beslissing heeft genomen over de terbeschikkingstelling van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap;
2° als er binnen een jaar vanaf de datum van de beslissing geen individuele dienstverleningsovereenkomst is gesloten als vermeld in artikel 9 van het besluit van 4 februari 2011, over de ondersteuning van een unit voor geïnterneerden;
3° vanaf het ogenblik van de definitieve invrijheidstelling, vermeld in artikel 77 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering, behalve in het geval, vermeld in artikel 11, tweede lid, van dit besluit;
4° als de geïnterneerde persoon opnieuw verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 11, eerste lid, 3°, van dit besluit.
5° vanaf de dag van het overlijden van de geïnterneerde persoon;
6° als het agentschap een beslissing heeft genomen als vermeld in artikel 6, § 3, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018 over de zorg en ondersteuning voor geïnterneerde personen met een handicap door vergunde zorgaanbieders, behalve als een individuele dienstverleningsovereenkomst is gesloten als vermeld in artikel 9 van het besluit van 4 februari 2011, over de ondersteuning aan een unit voor geïnterneerden.
In afwijking van het vijfde lid, 4°, vervalt de beslissing van het agentschap tot toewijzing van ondersteuning aan een unit voor geïnterneerden niet als gedurende drie maanden vanaf de ingangsdatum van de individuele dienstverleningsovereenkomst over de ondersteuning aan een unit voor geïnterneerden, die ondersteuning wordt gecombineerd met een verblijf of een gedeeltelijk verblijf in een inrichting als vermeld in artikel 11, eerste lid, 3°. ".
1° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het aanvraagdocument, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt ingediend door de persoon met een handicap, zijn wettelijke vertegenwoordiger of zijn bewindvoerder in het geval, vermeld in het vierde lid. Het aanvraagdocument kan bezorgd worden met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap vaststelt. Als het document met de post wordt bezorgd, wordt het ondertekend door de persoon met een handicap of zijn wettelijke vertegenwoordiger en in het geval, vermeld in het vierde lid, door de bewindvoerder.";
2° er worden een vijfde en een zesde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
De beslissing van het agentschap tot toewijzing van ondersteuning aan een unit voor geïnterneerden vervalt in de volgende gevallen:
1° met ingang van de eerste dag van de vijfde maand die volgt op maand waarin het agentschap de beslissing heeft genomen over de terbeschikkingstelling van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap;
2° als er binnen een jaar vanaf de datum van de beslissing geen individuele dienstverleningsovereenkomst is gesloten als vermeld in artikel 9 van het besluit van 4 februari 2011, over de ondersteuning van een unit voor geïnterneerden;
3° vanaf het ogenblik van de definitieve invrijheidstelling, vermeld in artikel 77 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering, behalve in het geval, vermeld in artikel 11, tweede lid, van dit besluit;
4° als de geïnterneerde persoon opnieuw verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 11, eerste lid, 3°, van dit besluit.
5° vanaf de dag van het overlijden van de geïnterneerde persoon;
6° als het agentschap een beslissing heeft genomen als vermeld in artikel 6, § 3, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018 over de zorg en ondersteuning voor geïnterneerde personen met een handicap door vergunde zorgaanbieders, behalve als een individuele dienstverleningsovereenkomst is gesloten als vermeld in artikel 9 van het besluit van 4 februari 2011, over de ondersteuning aan een unit voor geïnterneerden.
In afwijking van het vijfde lid, 4°, vervalt de beslissing van het agentschap tot toewijzing van ondersteuning aan een unit voor geïnterneerden niet als gedurende drie maanden vanaf de ingangsdatum van de individuele dienstverleningsovereenkomst over de ondersteuning aan een unit voor geïnterneerden, die ondersteuning wordt gecombineerd met een verblijf of een gedeeltelijk verblijf in een inrichting als vermeld in artikel 11, eerste lid, 3°. ".
Art.36. A l'article 21 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" Le document de demande visé à l'alinéa premier, 1°, est introduit par la personne handicapée, son représentant légal ou son administrateur dans le cas visé à l'alinéa quatre. Le document de demande peut être transmis par le poste ou par voie électronique selon les modalités déterminées par l'agence. Si le document est transmis par la poste, il est signé par la personne handicapée ou son représentant légal et dans le cas visé à l'alinéa quatre, par l'administrateur. " ;
2° il est ajouté des alinéas cinq et six ainsi rédigés :
La décision de l'agence d'allouer un soutien à une unité pour internés échoit dans les cas suivants :
1° à partir du premier jour du cinquième mois qui suit le mois au cours duquel l'agence a pris la décision de la mise à disposition d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, tel que visé au chapitre 5 du décret du 25 avril 2014 portant le financement personnalisé pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées ;
2° si, dans l'année suivant la date de la décision, aucun contrat individuel de service n'a été conclu, tel que visé à l'article 9 de l'arrêté du 4 février 2011 relatif au soutien d'une unité pour les internés ;
3° à partir du moment de la libération définitive visée à l'article 77 de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement, sauf dans le cas visé à l'article 11, alinéa deux, du présent arrêté ;
4° si la personne internée réside à nouveau dans un établissement tel que visé à l'article 11, alinéa premier, 3°, du présent arrêté.
5° à partir du jour du décès de la personne internée ;
6° si l'agence a pris une décision telle que visée à l'article 6, § 3, alinéa quatre, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018 relatif aux soins et au soutien pour les personnes handicapées internées par des offreurs de soins autorisés, sauf si un contrat individuel de services est conclu, tel que visé à l'article 9 de l'arrêté du 4 février 2011 relatif au soutien d'une unité pour les internés.
Par dérogation à l'alinéa cinq, 4°, la décision de l'agence d'attribution de soutien à une unité pour internés n'échoit pas si pendant trois mois à compter de la date d'entrée en vigueur du contrat individuel de services relatif au soutien à une unité pour internés, ce soutien est combiné avec un séjour ou un séjour partiel dans un établissement tel que visé à l'article 11, alinéa premier, 3°. ".
1° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" Le document de demande visé à l'alinéa premier, 1°, est introduit par la personne handicapée, son représentant légal ou son administrateur dans le cas visé à l'alinéa quatre. Le document de demande peut être transmis par le poste ou par voie électronique selon les modalités déterminées par l'agence. Si le document est transmis par la poste, il est signé par la personne handicapée ou son représentant légal et dans le cas visé à l'alinéa quatre, par l'administrateur. " ;
2° il est ajouté des alinéas cinq et six ainsi rédigés :
La décision de l'agence d'allouer un soutien à une unité pour internés échoit dans les cas suivants :
1° à partir du premier jour du cinquième mois qui suit le mois au cours duquel l'agence a pris la décision de la mise à disposition d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, tel que visé au chapitre 5 du décret du 25 avril 2014 portant le financement personnalisé pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées ;
2° si, dans l'année suivant la date de la décision, aucun contrat individuel de service n'a été conclu, tel que visé à l'article 9 de l'arrêté du 4 février 2011 relatif au soutien d'une unité pour les internés ;
3° à partir du moment de la libération définitive visée à l'article 77 de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement, sauf dans le cas visé à l'article 11, alinéa deux, du présent arrêté ;
4° si la personne internée réside à nouveau dans un établissement tel que visé à l'article 11, alinéa premier, 3°, du présent arrêté.
5° à partir du jour du décès de la personne internée ;
6° si l'agence a pris une décision telle que visée à l'article 6, § 3, alinéa quatre, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018 relatif aux soins et au soutien pour les personnes handicapées internées par des offreurs de soins autorisés, sauf si un contrat individuel de services est conclu, tel que visé à l'article 9 de l'arrêté du 4 février 2011 relatif au soutien d'une unité pour les internés.
Par dérogation à l'alinéa cinq, 4°, la décision de l'agence d'attribution de soutien à une unité pour internés n'échoit pas si pendant trois mois à compter de la date d'entrée en vigueur du contrat individuel de services relatif au soutien à une unité pour internés, ce soutien est combiné avec un séjour ou un séjour partiel dans un établissement tel que visé à l'article 11, alinéa premier, 3°. ".
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld
CHAPITRE 11. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets personnalisés qui sont mis à disposition dans le cadre de la transition vers un financement personnalisé
Art.37. Aan artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 mei 2019, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 4. Als het aantal zorggebonden punten dat conform paragraaf 1 tot en met 3 is vastgesteld, voor de personen met een handicap voor wie met toepassing van paragraaf 1 tot en met 3 een budgetcategorie is vastgesteld, meer dan 15 % lager is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2, wordt het aantal zorggebonden punten dat conform paragraaf 1 tot en met 3 is vastgesteld, verhoogd totdat het verschil met de zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2, 15 % bedraagt.".
" § 4. Als het aantal zorggebonden punten dat conform paragraaf 1 tot en met 3 is vastgesteld, voor de personen met een handicap voor wie met toepassing van paragraaf 1 tot en met 3 een budgetcategorie is vastgesteld, meer dan 15 % lager is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2, wordt het aantal zorggebonden punten dat conform paragraaf 1 tot en met 3 is vastgesteld, verhoogd totdat het verschil met de zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2, 15 % bedraagt.".
Art.37. A l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets personnalisés qui sont mis à disposition dans le cadre de la transition vers un financement personnalisé, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mai 2019, il est ajouté un paragraphe 4 ainsi rédigé :
" § 4. Si le nombre de points liés aux soins fixé conformément aux paragraphes 1 à 3, pour les personnes handicapées pour lesquelles une catégorie budgétaire est établie en application des paragraphes 1 à 3, est inférieur de plus de 15 % au nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant augmenté conformément au chapitre 2, le nombre de points liés aux soins fixé conformément aux paragraphes 1 à 3, est augmenté jusqu'à la différence avec les points liés aux soins visés à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2, est de 15 %. ".
" § 4. Si le nombre de points liés aux soins fixé conformément aux paragraphes 1 à 3, pour les personnes handicapées pour lesquelles une catégorie budgétaire est établie en application des paragraphes 1 à 3, est inférieur de plus de 15 % au nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant augmenté conformément au chapitre 2, le nombre de points liés aux soins fixé conformément aux paragraphes 1 à 3, est augmenté jusqu'à la différence avec les points liés aux soins visés à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2, est de 15 %. ".
Art.38. In artikel 11, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 mei 2019, worden de woorden "of lager" telkens opgeheven.
Art.38. A l'article 11, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mai 2019, le membre de phrase " ou inférieur " est chaque fois abrogé.
Art.39. In artikel 11/1, § 1, vierde lid, 2° en 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 mei 2019, worden de woorden "of lager" opgeheven.
Art.39. A l'article 11/1, § 1, alinéa quatre, 2° et 3°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mai 2019, le membre de phrase " ou inférieur " est abrogé.
Art.40. Artikel 11/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 mei 2019, wordt opgeheven.
Art.40. L'article 11/3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mai 2019, est abrogé.
HOOFDSTUK 12. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2018 over de zorg en ondersteuning voor personen met een niet-aangeboren hersenletsel of tetraplegie ten gevolge van een hoge dwarslaesie met de hoogste zorg- en ondersteuningsnood
CHAPITRE 12. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 septembre 2018 relatif aux soins et au soutien pour les personnes atteintes d'une lésion cérébrale non congénitale ou de tétraplégie suite à une paraplégie haute, ayant le besoin de soins et de soutien le plus élevé.
Art.41. In artikel 2, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2018 over de zorg en ondersteuning voor personen met een niet-aangeboren hersenletsel of tetraplegie ten gevolge van een hoge dwarslaesie met de hoogste zorg- en ondersteuningsnood wordt de zinsnede "budgetcategorie X" vervangen door de zinsnede "budgetcategorie 16".
Art.41. A l'article 2, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 septembre 2018 relatif aux soins et au soutien pour les personnes atteintes d'une lésion cérébrale non congénitale ou de tétraplégie suite à une paraplégie haute, ayant le besoin de soins et de soutien le plus élevé, le membre de phrase " catégorie budgétaire X " est remplacé par le membre de phrase " catégorie budgétaire 16 ".
Art.42. In artikel 3 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het aanvraagdocument kan aan het agentschap bezorgd worden met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap bepaalt. Als het met de post wordt bezorgd, wordt het ondertekend doorde aanvrager .";
2° in paragraaf 4 wordt tussen de zinsnede "artikel 4, § 3," en het woord "bezorgd" de zinsnede "op de wijze, vermeld in artikel 8 van het besluit van 27 november 2015" ingevoegd.
1° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het aanvraagdocument kan aan het agentschap bezorgd worden met de post of elektronisch op de wijze die het agentschap bepaalt. Als het met de post wordt bezorgd, wordt het ondertekend doorde aanvrager .";
2° in paragraaf 4 wordt tussen de zinsnede "artikel 4, § 3," en het woord "bezorgd" de zinsnede "op de wijze, vermeld in artikel 8 van het besluit van 27 november 2015" ingevoegd.
Art.42. A l'article 3 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2 il est ajouté un troisième alinéa ainsi rédigé :
" Le document de demande peut être transmis à l'agence par la poste ou par voie électronique selon les modalités fixées par l'agence. S'il est transmis par la poste, il est signé par le demandeur. " ;
2° au paragraphe 4, le membre de phrase " , selon les modalités visées à l'article 8 de l'arrêté du 27 novembre 2015 " est inséré après le membre de phrase " visée à l'article 4, § 3, ".
1° au paragraphe 2 il est ajouté un troisième alinéa ainsi rédigé :
" Le document de demande peut être transmis à l'agence par la poste ou par voie électronique selon les modalités fixées par l'agence. S'il est transmis par la poste, il est signé par le demandeur. " ;
2° au paragraphe 4, le membre de phrase " , selon les modalités visées à l'article 8 de l'arrêté du 27 novembre 2015 " est inséré après le membre de phrase " visée à l'article 4, § 3, ".
HOOFDSTUK 13. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018 over de zorg en ondersteuning voor geïnterneerde personen met een handicap door vergunde zorgaanbieders
CHAPITRE 13. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018 relatif aux soins et au soutien pour les personnes handicapées internées, fournis par des offreurs de soins autorisés
Art.43. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018 over de zorg en ondersteuning voor geïnterneerde personen met een handicap door vergunde zorgaanbieders wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° een project dat de bevoegde overheid subsidieert via de samenwerkingsovereenkomsten "opdracht in het kader van de uitbouw van een gedeelte van het zorgtraject voor geïnterneerde personen binnen de hervorming van de geestelijke gezondheidszorg" of "opdracht in het kader van de uitbouw voor het werkingsgebied Vlaanderen van een gedeelte van het zorgtraject voor gedetineerde en geïnterneerde seksuele plegers met een medium-riskprofiel binnen de hervorming van de geestelijke gezondheidszorg" als het een geïnterneerde persoon betreft met een vermoeden van handicap als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 7 mei 2004;".
"4° een project dat de bevoegde overheid subsidieert via de samenwerkingsovereenkomsten "opdracht in het kader van de uitbouw van een gedeelte van het zorgtraject voor geïnterneerde personen binnen de hervorming van de geestelijke gezondheidszorg" of "opdracht in het kader van de uitbouw voor het werkingsgebied Vlaanderen van een gedeelte van het zorgtraject voor gedetineerde en geïnterneerde seksuele plegers met een medium-riskprofiel binnen de hervorming van de geestelijke gezondheidszorg" als het een geïnterneerde persoon betreft met een vermoeden van handicap als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 7 mei 2004;".
Art.43. A l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018 relatif aux soins et au soutien pour les personnes handicapées internées, fournis par des offreurs de soins autorisés, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° un projet subventionné par l'autorité compétente par le biais des accords de coopération " mission dans le cadre du développement d'une partie du trajet de soins pour personnes internées dans le cadre de la réforme de la santé mentale " ou " mission dans le cadre du développement pour la zone d'action Flandre d'une partie du trajet de soins pour les auteurs d'infractions sexuelles détenus et internés présentant un profil de risque moyen dans le cadre de la réforme de la santé mentale " s'il s'agit d'une personne internée avec une présomption de handicap telle que visée à l'article 2, 2°, du décret du 7 mai 2004 ; ".
" 4° un projet subventionné par l'autorité compétente par le biais des accords de coopération " mission dans le cadre du développement d'une partie du trajet de soins pour personnes internées dans le cadre de la réforme de la santé mentale " ou " mission dans le cadre du développement pour la zone d'action Flandre d'une partie du trajet de soins pour les auteurs d'infractions sexuelles détenus et internés présentant un profil de risque moyen dans le cadre de la réforme de la santé mentale " s'il s'agit d'une personne internée avec une présomption de handicap telle que visée à l'article 2, 2°, du décret du 7 mai 2004 ; ".
Art.44. Aan artikel 3 van hetzelfde besluit worden een paragraaf 3 en een paragraaf 4 toegevoegd, die luiden als volgt:
" § 3. Als een geïnterneerde persoon met een handicap die verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°, een aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 4, indient bij het agentschap, wordt de aanvraag van een budget waarover het agentschap nog geen beslissing heeft genomen op de datum van de aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 4, van rechtswege stopgezet. De beslissing van het agentschap tot toewijzing van een budget vervalt vanaf de datum van de aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 4.
§ 4. Als het agentschap een budget ter beschikking stelt dat is toegewezen naar aanleiding van een aanvraag van een budget van een geïnterneerde persoon die verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°, van dit besluit, of die een individuele dienstverleningsovereenkomst heeft gesloten als vermeld in artikel 9 van dit besluit, wordt de nood aan zorg en ondersteuning binnen een periode van drie maanden vanaf de datum van de beslissing over de terbeschikkingstelling van het budget opnieuw geobjectiveerd door een multidisciplinair team conform artikel 13 van het besluit van 27 november 2015. Als de nood aan zorg en ondersteuning niet binnen de voormelde periode van drie maanden opnieuw wordt geobjectiveerd, wordt de terbeschikkingstelling stopgezet met ingang van de eerste dag van de zevende maand die volgt op de maand waarin het agentschap de beslissing over de terbeschikkingstelling van het budget heeft genomen. De beslissing tot toewijzing wordt opgeheven met ingang van dezelfde dag.
Het agentschap stelt op basis van de ondersteuningsfuncties en frequenties, vermeld in het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering, vermeld in artikel 1, 15°, van het besluit van 27 november 2015, dat is bezorgd in het kader van de aanvraag van een budget, vermeld in het eerste lid, en op basis van het resultaat van de nieuwe objectivering van de nood aan zorg en ondersteuning, vermeld in het eerste lid, een budgetcategorie vast conform artikel 17 tot en met artikel 21 van het besluit van 27 november 2015. De beslissing tot toewijzing van die budgetcategorie vervangt de eerdere beslissing over de toewijzing van een budget.
Als de budgetcategorie, die wordt vastgesteld conform het tweede lid, lager is dan de budgetcategorie van het budget, vermeld in het eerste lid, dat ter beschikking is gesteld, wordt de nieuwe budgetcategorie toegewezen en ter beschikking gesteld met ingang van de eerste dag van de vierde maand die volgt op de maand waarin het agentschap de beslissing over de terbeschikkingstelling heeft genomen.
Als de budgetcategorie, die wordt vastgesteld conform het tweede lid, hoger is dan de budgetcategorie van het budget, vermeld in het eerste lid, dat ter beschikking gesteld is, wordt die budgetcategorie onmiddellijk toegewezen en ter beschikking gesteld.".
" § 3. Als een geïnterneerde persoon met een handicap die verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°, een aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 4, indient bij het agentschap, wordt de aanvraag van een budget waarover het agentschap nog geen beslissing heeft genomen op de datum van de aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 4, van rechtswege stopgezet. De beslissing van het agentschap tot toewijzing van een budget vervalt vanaf de datum van de aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 4.
§ 4. Als het agentschap een budget ter beschikking stelt dat is toegewezen naar aanleiding van een aanvraag van een budget van een geïnterneerde persoon die verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°, van dit besluit, of die een individuele dienstverleningsovereenkomst heeft gesloten als vermeld in artikel 9 van dit besluit, wordt de nood aan zorg en ondersteuning binnen een periode van drie maanden vanaf de datum van de beslissing over de terbeschikkingstelling van het budget opnieuw geobjectiveerd door een multidisciplinair team conform artikel 13 van het besluit van 27 november 2015. Als de nood aan zorg en ondersteuning niet binnen de voormelde periode van drie maanden opnieuw wordt geobjectiveerd, wordt de terbeschikkingstelling stopgezet met ingang van de eerste dag van de zevende maand die volgt op de maand waarin het agentschap de beslissing over de terbeschikkingstelling van het budget heeft genomen. De beslissing tot toewijzing wordt opgeheven met ingang van dezelfde dag.
Het agentschap stelt op basis van de ondersteuningsfuncties en frequenties, vermeld in het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering, vermeld in artikel 1, 15°, van het besluit van 27 november 2015, dat is bezorgd in het kader van de aanvraag van een budget, vermeld in het eerste lid, en op basis van het resultaat van de nieuwe objectivering van de nood aan zorg en ondersteuning, vermeld in het eerste lid, een budgetcategorie vast conform artikel 17 tot en met artikel 21 van het besluit van 27 november 2015. De beslissing tot toewijzing van die budgetcategorie vervangt de eerdere beslissing over de toewijzing van een budget.
Als de budgetcategorie, die wordt vastgesteld conform het tweede lid, lager is dan de budgetcategorie van het budget, vermeld in het eerste lid, dat ter beschikking is gesteld, wordt de nieuwe budgetcategorie toegewezen en ter beschikking gesteld met ingang van de eerste dag van de vierde maand die volgt op de maand waarin het agentschap de beslissing over de terbeschikkingstelling heeft genomen.
Als de budgetcategorie, die wordt vastgesteld conform het tweede lid, hoger is dan de budgetcategorie van het budget, vermeld in het eerste lid, dat ter beschikking gesteld is, wordt die budgetcategorie onmiddellijk toegewezen en ter beschikking gesteld.".
Art.44. L'article 3 du même arrêté est complété par les paragraphe 3 et 4, ainsi rédigés :
" § 3. Lorsqu'une personne internée handicapée qui séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°, introduit une demande de soutien visée à l'article 4, auprès de l'agence, la demande d'un budget pour lequel l'agence n'a pas encore pris de décision à la date de la demande de soutien visée à l'article 4, prend fin de plein droit. La décision de l'agence d'attribution d'un budget expire à partir de la date de la demande de soutien visée à l'article 4.
§ 4. Lorsque l'agence met à disposition un budget qui est attribué suite à une demande d'un budget d'une personne internée qui séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°, du présent arrêté, ou qui a conclu un contrat individuel de services tel que visé à l'article 9 du présent arrêté, la nécessité de soins et de soutien est à nouveau objectivée par une équipe multidisciplinaire conformément à l'article 13 de l'arrêté du 27 novembre 2015 dans une période de trois mois à partir de la date de la décision relative à la mise à disposition du budget. Si la nécessité de soins et de soutien n'est pas à nouveau objectivée dans la période de trois mois précitée, la mise à disposition est arrêtée à partir du premier jour du septième mois qui suit le mois au cours duquel l'agence a pris la décision de mise à disposition du budget. La décision d'attribution est abrogée à partir du même jour.
Sur la base des fonctions de soutien et des fréquences visées au plan de soutien du financement personnalisé visé à l'article 1, 15°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, qui est fourni dans le cadre de la demande d'un budget visé à l'alinéa premier, et sur la base du résultat de la nouvelle objectivation de la nécessité de soins et de soutien visé à l'alinéa premier, l'agence fixe une catégorie budgétaire conformément aux articles 17 à 21 de l'arrêté du 27 novembre 2015. La décision d'attribution de cette catégorie budgétaire remplace la décision antérieure d'attribution d'un budget.
Si la catégorie budgétaire, fixée conformément à l'alinéa deux, est inférieure à la catégorie budgétaire du budget visée à l'alinéa premier, qui est mise à disposition, la nouvelle catégorie budgétaire est attribuée et mise à disposition à partir du premier jour du quatrième mois qui suit le mois au cours duquel l'agence a pris la décision sur la mise à disposition.
Lorsque la catégorie budgétaire, fixée conformément à l'alinéa deux, est supérieure à la catégorie budgétaire du budget visée à l'alinéa premier, qui est mise à disposition, cette catégorie budgétaire est immédiatement attribuée et mise à disposition. ".
" § 3. Lorsqu'une personne internée handicapée qui séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°, introduit une demande de soutien visée à l'article 4, auprès de l'agence, la demande d'un budget pour lequel l'agence n'a pas encore pris de décision à la date de la demande de soutien visée à l'article 4, prend fin de plein droit. La décision de l'agence d'attribution d'un budget expire à partir de la date de la demande de soutien visée à l'article 4.
§ 4. Lorsque l'agence met à disposition un budget qui est attribué suite à une demande d'un budget d'une personne internée qui séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°, du présent arrêté, ou qui a conclu un contrat individuel de services tel que visé à l'article 9 du présent arrêté, la nécessité de soins et de soutien est à nouveau objectivée par une équipe multidisciplinaire conformément à l'article 13 de l'arrêté du 27 novembre 2015 dans une période de trois mois à partir de la date de la décision relative à la mise à disposition du budget. Si la nécessité de soins et de soutien n'est pas à nouveau objectivée dans la période de trois mois précitée, la mise à disposition est arrêtée à partir du premier jour du septième mois qui suit le mois au cours duquel l'agence a pris la décision de mise à disposition du budget. La décision d'attribution est abrogée à partir du même jour.
Sur la base des fonctions de soutien et des fréquences visées au plan de soutien du financement personnalisé visé à l'article 1, 15°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, qui est fourni dans le cadre de la demande d'un budget visé à l'alinéa premier, et sur la base du résultat de la nouvelle objectivation de la nécessité de soins et de soutien visé à l'alinéa premier, l'agence fixe une catégorie budgétaire conformément aux articles 17 à 21 de l'arrêté du 27 novembre 2015. La décision d'attribution de cette catégorie budgétaire remplace la décision antérieure d'attribution d'un budget.
Si la catégorie budgétaire, fixée conformément à l'alinéa deux, est inférieure à la catégorie budgétaire du budget visée à l'alinéa premier, qui est mise à disposition, la nouvelle catégorie budgétaire est attribuée et mise à disposition à partir du premier jour du quatrième mois qui suit le mois au cours duquel l'agence a pris la décision sur la mise à disposition.
Lorsque la catégorie budgétaire, fixée conformément à l'alinéa deux, est supérieure à la catégorie budgétaire du budget visée à l'alinéa premier, qui est mise à disposition, cette catégorie budgétaire est immédiatement attribuée et mise à disposition. ".
Art.45. In artikel 6, § 3, vijfde lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
"2° vanaf het ogenblik van de definitieve invrijheidstelling, vermeld in artikel 77 van de wet van 5 mei 2014, behalve als een individuele dienstverleningsovereenkomst als vermeld in artikel 9 van dit besluit, is aangegaan en een budget is toegewezen of aangevraagd of binnen drie maanden na de datum van de definitieve invrijheidstelling een ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering als vermeld in artikel 1, 15°, van het besluit 27 november 2015, aan het agentschap is bezorgd;";
2° er worden een punt 5° en een punt 6° toegevoegd, die luiden als volgt:
"5° vanaf de dag van het overlijden van de geïnterneerde persoon;
6° vanaf de datum van de beslissing van het agentschap tot toewijzing van ondersteuning als vermeld in artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden.".
1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
"2° vanaf het ogenblik van de definitieve invrijheidstelling, vermeld in artikel 77 van de wet van 5 mei 2014, behalve als een individuele dienstverleningsovereenkomst als vermeld in artikel 9 van dit besluit, is aangegaan en een budget is toegewezen of aangevraagd of binnen drie maanden na de datum van de definitieve invrijheidstelling een ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering als vermeld in artikel 1, 15°, van het besluit 27 november 2015, aan het agentschap is bezorgd;";
2° er worden een punt 5° en een punt 6° toegevoegd, die luiden als volgt:
"5° vanaf de dag van het overlijden van de geïnterneerde persoon;
6° vanaf de datum van de beslissing van het agentschap tot toewijzing van ondersteuning als vermeld in artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden.".
Art.45. A l'article 6, § 3, alinéa cinq, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° à partir du moment de la libération définitive visée à l'article 77 de la loi du 5 mai 2014, sauf si un contrat individuel de services tel que visé à l'article 9 du présent arrêté, a été conclu et qu'un budget a été attribué ou demandé ou si, dans les trois mois de la date de la libération définitive, un plan de soutien du financement personnalisé tel que visé à l'article 1, 15°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, a été transmis à l'agence ; " ;
2° les points 5° et 6° sont ajoutés, ainsi rédigés :
" 5° à partir du jour du décès de la personne internée ;
6° à partir de la date de la décision de l'agence d'attribution du soutien, telle que visée à l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés. ".
1° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° à partir du moment de la libération définitive visée à l'article 77 de la loi du 5 mai 2014, sauf si un contrat individuel de services tel que visé à l'article 9 du présent arrêté, a été conclu et qu'un budget a été attribué ou demandé ou si, dans les trois mois de la date de la libération définitive, un plan de soutien du financement personnalisé tel que visé à l'article 1, 15°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, a été transmis à l'agence ; " ;
2° les points 5° et 6° sont ajoutés, ainsi rédigés :
" 5° à partir du jour du décès de la personne internée ;
6° à partir de la date de la décision de l'agence d'attribution du soutien, telle que visée à l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés. ".
Art.46. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 mei 2019, wordt een artikel 6/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 6/1. Als er binnen een jaar vanaf de datum van de beslissing, vermeld in artikel 6, § 3, vierde lid, tot toewijzing van een module ondersteuning als vermeld in de tabel die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, een nieuwe aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 4, wordt ingediend en als er op de datum van die aanvraag geen individuele dienstverleningsovereenkomst als vermeld in artikel 9, is geregistreerd bij het agentschap of het agentschap conform artikel 8 geen goedkeuring heeft verleend om een individuele dienstverleningsovereenkomst te sluiten, vervangt de beslissing van het agentschap die is genomen naar aanleiding van de nieuwe aanvraag, de beslissing die het agentschap heeft genomen naar aanleiding van de vorige aanvraag. De termijn van een jaar, vermeld in artikel 6, § 3, vijfde lid, 1°, begint opnieuw te lopen vanaf de datum van de beslissing van het agentschap over de nieuwe aanvraag.".
"Art. 6/1. Als er binnen een jaar vanaf de datum van de beslissing, vermeld in artikel 6, § 3, vierde lid, tot toewijzing van een module ondersteuning als vermeld in de tabel die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, een nieuwe aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 4, wordt ingediend en als er op de datum van die aanvraag geen individuele dienstverleningsovereenkomst als vermeld in artikel 9, is geregistreerd bij het agentschap of het agentschap conform artikel 8 geen goedkeuring heeft verleend om een individuele dienstverleningsovereenkomst te sluiten, vervangt de beslissing van het agentschap die is genomen naar aanleiding van de nieuwe aanvraag, de beslissing die het agentschap heeft genomen naar aanleiding van de vorige aanvraag. De termijn van een jaar, vermeld in artikel 6, § 3, vijfde lid, 1°, begint opnieuw te lopen vanaf de datum van de beslissing van het agentschap over de nieuwe aanvraag.".
Art.46. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mai 2019, il est inséré un article 6/1 ainsi rédigé :
" Art. 6/1. Si, dans un délai d'an à compter de la date de la décision visée à l'article 6, § 3, alinéa quatre, d'attribution d'un module soutien tel que visé au tableau repris en annexe au présent arrêté, une nouvelle demande de soutien telle que visée à l'article 4, est introduite et si à la date de cette demande, aucun contrat individuel de services, tel que visé à l'article 9, est enregistré auprès de l'agence ou l'agence n'a pas donné son approbation pour la conclusion d'un contrat individuel de services, remplace la décision de l'agence prise à la suite de la nouvelle demande, la décision prise par l'agence à la suite de la nouvelle demande remplace la décision prise par l'agence à l'occasion de la demande précédente. Le délai d'un an visé à l'article 6, § 3, alinéa cinq, 1°, recommence à courir à partir de la date de la décision de l'agence sur la nouvelle demande. ".
" Art. 6/1. Si, dans un délai d'an à compter de la date de la décision visée à l'article 6, § 3, alinéa quatre, d'attribution d'un module soutien tel que visé au tableau repris en annexe au présent arrêté, une nouvelle demande de soutien telle que visée à l'article 4, est introduite et si à la date de cette demande, aucun contrat individuel de services, tel que visé à l'article 9, est enregistré auprès de l'agence ou l'agence n'a pas donné son approbation pour la conclusion d'un contrat individuel de services, remplace la décision de l'agence prise à la suite de la nouvelle demande, la décision prise par l'agence à la suite de la nouvelle demande remplace la décision prise par l'agence à l'occasion de la demande précédente. Le délai d'un an visé à l'article 6, § 3, alinéa cinq, 1°, recommence à courir à partir de la date de la décision de l'agence sur la nouvelle demande. ".
Art.47. Aan artikel 9 van hetzelfde besluit wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Gedurende een periode van drie maanden vanaf de datum van de goedkeuring van het agentschap, vermeld in artikel 8, kan de ondersteuning, vermeld in de module ondersteuning, vermeld in de tabel die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, die het agentschap heeft toegewezen, gecombineerd worden met een verblijf of een gedeeltelijk verblijf in een inrichting als vermeld in artikel 2.".
"Gedurende een periode van drie maanden vanaf de datum van de goedkeuring van het agentschap, vermeld in artikel 8, kan de ondersteuning, vermeld in de module ondersteuning, vermeld in de tabel die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, die het agentschap heeft toegewezen, gecombineerd worden met een verblijf of een gedeeltelijk verblijf in een inrichting als vermeld in artikel 2.".
Art.47. L'article 9 du même arrêté est complété par un alinéa quatre ainsi rédigé :
" Pendant une période de trois mois à partir de la date de l'approbation de l'agence visée à l'article 8, le soutien visé dans le module soutien visé au tableau repris en annexe au présent arrêté, qui a été attribué par l'agence, peut être combiné avec un séjour ou un séjour partiel dans un établissement tel que visé à l'article 2. "
" Pendant une période de trois mois à partir de la date de l'approbation de l'agence visée à l'article 8, le soutien visé dans le module soutien visé au tableau repris en annexe au présent arrêté, qui a été attribué par l'agence, peut être combiné avec un séjour ou un séjour partiel dans un établissement tel que visé à l'article 2. "
Art.48. Aan artikel 13, § 1, vierde lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede ", behalve als een budget is toegewezen of is aangevraagd of als binnen drie maanden na de datum van de definitieve invrijheidstelling een ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering als vermeld in artikel 1, 15°, van het besluit 27 november 2015, aan het agentschap is bezorgd." toegevoegd.
Art.48. A l'article 13, § 1, alinéa quatre, du même arrêté est ajouté le membre de phrase " , sauf si un budget a été attribué ou demandé ou si, dans les trois mois de la date de la libération définitive, un plan de soutien du financement personnalisé tel que visé à l'article 1, 15°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, a été transmis à l'agence. ".
HOOFDSTUK 14. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2018 betreffende de huur van hulpmiddelen voor communicatie, computerbediening en omgevingsbedieningen voor personen met een snel degeneratieve aandoening
CHAPITRE 14. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2018 relatif à la location d'aides à la communication, à la commande d'ordinateurs et au contrôle de l'environnement en faveur de personnes atteintes d'une maladie dégénérative rapide
Art.49. In artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2018 betreffende de huur van hulpmiddelen voor communicatie, computerbediening en omgevingsbedieningen voor personen met een snel degeneratieve aandoening wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt:
" § 1. De diensten die conform artikel 357 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming erkend zijn als indicatiesteller in het kader van de mobiliteitshulpmiddelen met het oog op de opmaak van de medische voorschriften snel degeneratieve aandoening en de rolstoeladviesrapporten en die het agentschap conform artikel 24 van het besluit van 24 juli 1991 erkend heeft als multidisciplinair team en die bijkomend erkend zijn als gespecialiseerd multidisciplinair team voor de toekenning van individuele materiële bijstand, worden van rechtswege bijkomend erkend als gespecialiseerd multidisciplinair team voor snel degeneratieve aandoeningen.".
" § 1. De diensten die conform artikel 357 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming erkend zijn als indicatiesteller in het kader van de mobiliteitshulpmiddelen met het oog op de opmaak van de medische voorschriften snel degeneratieve aandoening en de rolstoeladviesrapporten en die het agentschap conform artikel 24 van het besluit van 24 juli 1991 erkend heeft als multidisciplinair team en die bijkomend erkend zijn als gespecialiseerd multidisciplinair team voor de toekenning van individuele materiële bijstand, worden van rechtswege bijkomend erkend als gespecialiseerd multidisciplinair team voor snel degeneratieve aandoeningen.".
Art.49. A l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2018 relatif à la location d'aides à la communication, à la commande d'ordinateurs et au contrôle de l'environnement en faveur de personnes atteintes d'une maladie dégénérative rapide, le paragraphe 1 est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Les services qui, conformément à l'article 357 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 portant exécution du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, sont agréés comme indicateur dans le cadre des aides à la mobilité en vue de l'établissement des prescriptions médicales, de l'affection dégénérative rapide et des rapports d'avis en fauteuil roulant et que l'agence, conformément à l'article 24 de l'arrêté du 24 juillet 1991 a agréé comme équipe multidisciplinaire et qui sont agréées en plus comme équipe multidisciplinaire spécialisée pour l'octroi de l'aide matérielle individuelle, sont agréés de plein droit comme équipe multidisciplinaire spécialisée pour les affections dégénératives rapides. ".
" § 1er. Les services qui, conformément à l'article 357 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 portant exécution du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, sont agréés comme indicateur dans le cadre des aides à la mobilité en vue de l'établissement des prescriptions médicales, de l'affection dégénérative rapide et des rapports d'avis en fauteuil roulant et que l'agence, conformément à l'article 24 de l'arrêté du 24 juillet 1991 a agréé comme équipe multidisciplinaire et qui sont agréées en plus comme équipe multidisciplinaire spécialisée pour l'octroi de l'aide matérielle individuelle, sont agréés de plein droit comme équipe multidisciplinaire spécialisée pour les affections dégénératives rapides. ".
HOOFDSTUK. 15. - Slotbepalingen
CHAPITRE 15. - Dispositions finales
Art.50. Voor de toepassing van artikel 639, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming worden de personen met een handicap die conform artikel 11/1, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld met ingang van 1 januari 2020 en die toegeleid zijn naar rechtstreeks toegankelijke hulp, van rechtswege beschouwd als personen die het gebruik van de niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning, vrijwillig hebben stopgezet vóór 1 januari 2020.
Art.50. Pour l'application de l'article 639, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 portant exécution du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, les personnes handicapées qui, conformément à l'article 11/1, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets personnalisées qui sont mis à disposition dans le cadre de la transition vers un financement personnalisé mis à disposition à partir du 1 janvier 2020 dans le cadre de la transition vers le financement personnalisé et orientés vers l'aide directement accessible, sont considérées de plein droit comme des personnes qui ont volontairement cessé d'utiliser les soins et le soutien non directement accessibles avant le 1 janvier 2020.
Art.51. In afwijking van artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget, zoals van kracht na de inwerkingtreding van artikel 20 van dit besluit, mogen de personen die voor de inwerkingtreding van artikel 20 van dit besluit beschikken over een certificaat dat het agentschap heeft uitgereikt na de beëindiging van een opleiding tot inschaler en dat is verlengd na de deelname aan een intervisie die het agentschap organiseert, maar geen diploma van bachelor of master in de gedrags-, sociale of psychosociale wetenschappen of geen diploma van bachelor of master in de ergotherapeutische wetenschappen hebben, blijven optreden als inschaler.
Art.51. Par dérogation à l'article 13 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes majeures handicapées et relatif à la mise à disposition dudit budget, tel qu'en vigueur après l'entrée en vigueur de l'article 20 du présent arrêté, les personnes qui disposent, avant l'entrée en vigueur de l'article 20 du présent arrêté, d'un certificat délivré par l'agence après la fin d'une formation de médiateur et qui a été prolongé suite à la participation à une intervision organisée par l'agence, mais qui ne possèdent pas de diplôme de bachelor ou de master en sciences comportementales, sociales ou psychosociales ou de diplôme de bachelor ou de master en sciences ergothérapeutiques, continuent à agir en qualité de médiateur.
Art.52. In dit artikel wordt verstaan onder het besluit van 20 april 2018: het besluit van de Vlaamse regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgeten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld.
Voor de personen met een handicap die conform artikel 10, § 2, eerste lid, en artikel 11/1, § 2, van het besluit van 20 april 2018 zijn toegeleid naar rechtstreeks toegankelijk hulp en voor wie het totaal aantal zorggebonden punten dat is vastgesteld conform artikel 10, § 1, van het besluit van 20 april 2018 meer dan 15 % lager is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, van het besluit van 20 april 2018, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van hetzelfde besluit, wordt het verschil beperkt tot maximaal 15 %.
Als het aantal zorggebonden punten dat is berekend is conform het tweede lid hoger is dan de ondergrens van het aantal zorggebonden punten voor budgetcategorie 1, conform tabel 2, die is opgenomen in de bijlage die bij het besluit van 20 april 2018 is gevoegd, wordt conform artikel 10, § 2, derde tot en vijfde lid, van het besluit van 20 april 2018 een budgetcategorie vastgesteld. Het agentschap wijst deze budgetcategorie toe als een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en stelt dit budget ter beschikking met ingang van 1 januari 2021.
Voor de personen met een handicap die conform artikel 10, § 2, eerste lid, en artikel 11/1, § 2, van het besluit van 20 april 2018 zijn toegeleid naar rechtstreeks toegankelijk hulp en voor wie het totaal aantal zorggebonden punten dat is vastgesteld conform artikel 10, § 1, van het besluit van 20 april 2018 meer dan 15 % lager is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, van het besluit van 20 april 2018, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van hetzelfde besluit, wordt het verschil beperkt tot maximaal 15 %.
Als het aantal zorggebonden punten dat is berekend is conform het tweede lid hoger is dan de ondergrens van het aantal zorggebonden punten voor budgetcategorie 1, conform tabel 2, die is opgenomen in de bijlage die bij het besluit van 20 april 2018 is gevoegd, wordt conform artikel 10, § 2, derde tot en vijfde lid, van het besluit van 20 april 2018 een budgetcategorie vastgesteld. Het agentschap wijst deze budgetcategorie toe als een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en stelt dit budget ter beschikking met ingang van 1 januari 2021.
Art.52. Dans le présent article, on entend par l'arrêté du 20 avril 2018 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets personnalisés qui sont mis à disposition dans le cadre de la transition vers un financement personnalisé.
Pour les personnes handicapées qui, conformément à l'article 10, § 2, alinéa premier, et à l'article 11/1, § 2, de l'arrêté du 20 avril 2018, ont été acheminées vers une aide directement accessible et pour lesquelles le nombre total de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10, § 1 de l'arrêté du 20 avril 2018 est inférieur de 15 % du nombre de points liés aux soins visés à l'article 2 de l'arrêté du 20 avril 2018, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du même arrêté, la différence est limitée à 15 % maximum.
Si le nombre de points liés aux soins calculé conformément à l'alinéa deux est supérieur à la limite inférieure du nombre de points liés aux soins pour la catégorie budgétaire 1, conformément au tableau 2, repris à l'annexe jointe à l'arrêté du 20 avril 2018, une catégorie de budget est fixée conformément à l'article 10, § 2, alinéas 3 à 5, de l'arrêté du 20 avril 2018. L'agence attribue cette catégorie budgétaire comme un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, tel que visé au chapitre 5 du décret du 25 avril 2014 portant le financement personnalisé pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées et met ce budget à disposition à partir du 1er janvier 2021.
Pour les personnes handicapées qui, conformément à l'article 10, § 2, alinéa premier, et à l'article 11/1, § 2, de l'arrêté du 20 avril 2018, ont été acheminées vers une aide directement accessible et pour lesquelles le nombre total de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10, § 1 de l'arrêté du 20 avril 2018 est inférieur de 15 % du nombre de points liés aux soins visés à l'article 2 de l'arrêté du 20 avril 2018, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du même arrêté, la différence est limitée à 15 % maximum.
Si le nombre de points liés aux soins calculé conformément à l'alinéa deux est supérieur à la limite inférieure du nombre de points liés aux soins pour la catégorie budgétaire 1, conformément au tableau 2, repris à l'annexe jointe à l'arrêté du 20 avril 2018, une catégorie de budget est fixée conformément à l'article 10, § 2, alinéas 3 à 5, de l'arrêté du 20 avril 2018. L'agence attribue cette catégorie budgétaire comme un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, tel que visé au chapitre 5 du décret du 25 avril 2014 portant le financement personnalisé pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées et met ce budget à disposition à partir du 1er janvier 2021.
Art.53. Het aantal personeelspunten waarvoor voorzieningen die op 1 november 2019 ondersteuning boden aan de personen met een handicap, vermeld in artikel 52 van dit besluit, conform artikel 11/1, § 2, tweede lid, van het besluit van 20 april 2018 zijn erkend voor de uitbouw van rechtstreeks toegankelijke hulp, wordt verminderd met het aantal personeelspunten dat was toegekend om de ondersteuning van de personen, vermeld in artikel 52 van dit besluit, voor te zetten binnen rechtstreeks toegankelijke hulp.
Art.53. Le nombre de points de personnel pour lesquels des structures qui offraient du soutien aux personnes handicapées le 1er novembre 2019, visées à l'article 52 du présent arrêté, sont agréées, conformément à l'article 11/1, § 2, alinéa deux, de l'arrêté du 20 avril 2018, pour le développement de l'aide directement accessible est diminué du nombre de points de personnel qui a été attribué pour continuer le soutien aux personnes visées à l'article 52 du présent arrêté, dans le cadre de l'aide directement accessible.
Art.54. Als een geïnterneerde persoon met een handicap op de datum van de inwerkingtreding van artikel 36 van dit besluit ondersteund wordt door een unit voor geïnterneerden als vermeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden, en een beslissing heeft over de terbeschikkingstelling van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijk zorg en ondersteuning die het agentschap heeft genomen voor de datum van inwerkingtreding van artikel 36 van dit besluit, wordt de beslissing over de toewijzing en de beslissing over de terbeschikkingstelling van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijk zorg en ondersteuning opgeheven met ingang van de eerste dag van de vierde maand die volgt op de datum van inwerkingtreding van artikel 36 van dit besluit.
Art.54. Lorsqu'à la date d'entrée en vigueur de l'article 36 du présent arrêté, une personne internée handicapée est soutenue par une unité pour internés telle que visée à l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés, et qu'une décision a été prise par l'agence sur la mise à disposition d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, avant la date d'entrée en vigueur de l'article 36 du présent arrêté, la décision relative à l'attribution et la décision de mise à disposition d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles sont abrogées à partir du premier jour du quatrième mois qui suit la date d'entrée en vigueur de l'article 36 du présent arrêté.
Art.55. Artikel 5, 6, 25, 26, 28, met uitzondering van punt 4°, artikel 29, artikel 31, 1°, en artikel 52 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2021.
Artikel 16, 1°, 4° en 5°, artikel 28, 4°, artikel 33 en artikel 37 tot en met 39 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2020.
Artikel 30 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019.
Artikel 35 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2019.
Artikel 34 heeft uitwerking met ingang van 27 augustus 2018.
Artikel 50 heeft uitwerking met ingang van 31 december 2019.
Artikel 16, 1°, 4° en 5°, artikel 28, 4°, artikel 33 en artikel 37 tot en met 39 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2020.
Artikel 30 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019.
Artikel 35 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2019.
Artikel 34 heeft uitwerking met ingang van 27 augustus 2018.
Artikel 50 heeft uitwerking met ingang van 31 december 2019.
Art.55. Les articles 5, 6, 25, 26, 28, à l'exception du point 4°, l'article 29, l'article 31, 1°, et l'article 52 produisent leurs effets à partir du 1 janvier 2021.
L'article 16, 1°, 4° et 5°, l'article 28, 4°, l'article 33 et les articles 37 à 39 produisent leurs effets le 1 janvier 2020.
L'article 30 produit ses effets le 1 janvier 2019.
L'article 35 produit ses effets le 1 septembre 2019.
L'article 34 produit ses effets le 27 août 2018.
L'article 50 produit ses effets le 31 décembre 2019.
L'article 16, 1°, 4° et 5°, l'article 28, 4°, l'article 33 et les articles 37 à 39 produisent leurs effets le 1 janvier 2020.
L'article 30 produit ses effets le 1 janvier 2019.
L'article 35 produit ses effets le 1 septembre 2019.
L'article 34 produit ses effets le 27 août 2018.
L'article 50 produit ses effets le 31 décembre 2019.
Art.56. De Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.56. Le ministre flamand compétent pour les personnes handicapées est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-04-2021, p. 40953)
Art. N. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-04-2021, p. 40970)
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-04-2021, p. 40954)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-04-2021, p. 40971)
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-04-2021, p. 40955)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-04-2021, p. 40972)
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-04-2021, p. 40956)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-04-2021, p. 40973)
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-04-2021, p. 40957)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-04-2021, p. 40974)
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-04-2021, p. 40958)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-04-2021, p. 40975)