Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
5 JANUARI 2021. - Koninklijk besluit betreffende de vereisten met betrekking tot de opleiding en de erkenning van de EG-beroepskwalificaties voor het uitoefenen van het beroep van privédetective en de erkenning van de opleidingen
Titre
5 JANVIER 2021. - Arrêté royal relatif aux conditions en matière de formation et à la reconnaissance des qualifications professionnelles CE pour l'exercice de la profession de détective privé, ainsi qu'à l'agrément des formations
Documentinformatie
Numac: 2021040029
Datum: 2021-01-05
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2021040029
Date: 2021-01-05
Moniteur: Voir
Tekst (61)
Texte (61)
Artikel 1. Dit besluit verzekert onder meer de omzetting van de Richtlijn 2005/36/CE van het Europees parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, betreffende de uitoefening van de werkzaamheden bedoeld in de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective.
Article 1er. Le présent arrêté assure entre autres la transposition de la Directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 205 relatif à la reconnaissance des qualifications professionnelles, en ce qui concerne l'exercice d'activités visées par la loi du 19 juillet 1991 organisant la profession de détective privé.
TITEL I. - DEFINITIES
TITRE Ier. - DEFINITIONS
Art. 2. § 1. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder:
richtlijn: Richtlijn 2005/36/EG van het Europees parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en haar latere wijzigingen;
wet: de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective ;
lidstaat : lidstaat van de Europese Unie alsook de andere staten waarop de richtlijn van toepassing is;
derde land: een staat waarop de richtlijn niet van toepassing is;
beroepskwalificaties: kwalificaties die worden gestaafd door een opleidingstitel, een bekwaamheidsattest zoals bedoeld in artikel 25, punt 1°, a), b) en c) en/of beroepservaring;
opleidingstitel : een diploma, certificaat of andere titel die door een overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat aangewezen bevoegde autoriteit, is afgegeven ter afsluiting van een hoofdzakelijk in één of meerdere lidstaten gevolgde beroepsopleiding;
beroepservaring: de daadwerkelijke en geoorloofde voltijdse of gelijkwaardige deeltijdse uitoefening van het betrokken beroep in een lidstaat;
minister : de Minister van Binnenlandse Zaken;
bevoegde autoriteit : iedere autoriteit of instelling die door een lidstaat specifiek wordt gemachtigd om opleidingstitels en andere documenten of informatie af te geven of te ontvangen, alsmede aanvragen te ontvangen en beslissingen te nemen als bedoeld in dit besluit;
10° bevoegde Belgische autoriteit: de Federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
11° gereglementeerd beroep: een beroepsactiviteit of een geheel van beroepsactiviteiten waartoe de toegang of waarvan de uitoefening of één van de wijzen van uitoefening krachtens de wet direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties;
12° gereglementeerde opleiding: elke opleiding die specifiek op de uitoefening van een bepaald beroep gericht is en die uit een studiecyclus bestaat die eventueel met een beroepsopleiding, een beroepsstage of beroepspraktijkervaring wordt aangevuld. De structuur en het niveau van de beroepsopleiding, de beroepsstage of de praktijkervaring worden in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat vastgesteld of door een daartoe aangewezen autoriteit gecontroleerd of erkend;
13° vakken die wezenlijk verschillen: vakgebieden waarvan de kennis en de vaardigheden en competenties van essentieel belang zijn voor de uitoefening van het beroep en waarvoor de door de aanvrager ontvangen opleiding qua inhoud wezenlijk afwijkt van de in België vereiste opleiding;
14° aanvrager: onderdaan van een lidstaat die een aanvraag tot erkenning van zijn beroepskwalificaties heeft ingediend bij de bevoegde Belgische autoriteit ;
15° bekwaamheidsproef : een controle van de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties van de aanvrager, die wordt verricht of erkend door de bevoegde Belgische autoriteit en die tot doel heeft de bekwaamheid van de aanvrager te beoordelen om in België het gereglementeerd beroep uit te oefenen;
16° aanpassingsstage: de uitoefening van de gereglementeerde beroepsactiviteit in België onder verantwoordelijkheid van een gekwalificeerde beoefenaar, eventueel gekoppeld aan een aanvullende opleiding;
17° dwingende redenen van algemeen belang: als zodanig in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie erkende redenen, in het bijzonder de openbare orde, de openbare veiligheid, de Staatsveiligheid, de Volksgezondheid, de handhaving van het financiële evenwicht van het sociale zekerheidsstelsel, de bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, de eerlijkheid van handelstransacties, de fraudebestrijding, de bescherming van het milieu en het stedelijke milieu, het dierenwelzijn, de intellectuele eigendom, het behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid;
18° Europees systeem voor de overdracht van studiepunten of ECTS-studiepunten: het in het Europees hogeronderwijsstelsel gangbare studiepuntenoverdrachtsysteem;
19° IMI: het informatiesysteem van de interne markt beheerst door reglement 1024/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012;
20° een leven lang leren: alle vormen van algemeen onderwijs, beroepsonderwijs en beroepsopleidingen, niet-formeel onderwijs en informeel leren die gedurende het gehele leven plaatsvinden en die tot meer kennis, vaardigheden en competenties leiden, eventueel ook op het gebied van beroepsethiek.
§ 2. Met een opleidingstitel wordt gelijkgesteld elke opleidingstitel die afgegeven is in een derde land, als de houder ervan in kwestie een beroepservaring van drie jaar heeft op het grondgebied van de lidstaat die de betrokken opleidingstitel, overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de richtlijn, heeft erkend en als die lidstaat de beroepservaring bevestigt.
Art. 2. § 1er. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
directive: la Directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles, et ses modifications ultérieures;
loi : la loi du 19 juillet 1991 organisant la profession de détective privé;
Etat membre: Etat membre de l'Union européenne, ainsi que les autres Etats auxquels la Directive est d'application;
pays tiers: un Etat auquel la directive n'est pas d'application;
qualifications professionnelles: les qualifications attestées par un titre de formation, une attestation de compétence visée à l'article 25, 1 °, a), b) et c) et/ou une expérience professionnelle;
titre de formation : un diplôme, certificat ou autre titre délivré par une autorité compétente d'un Etat membre désignée conformément aux dispositions législatives, réglementaires ou administratives de cet Etat membre et sanctionnant une formation professionnelle acquise principalement dans un ou plusieurs Etats membres;
expérience professionnelle : l'exercice effectif et licite de la profession concernée dans un Etat membre à temps plein ou à temps partiel;
ministre : le Ministre de l'Intérieur;
autorité compétente : toute autorité ou instance habilitée spécifiquement par un Etat membre à délivrer ou à recevoir des titres de formation et autres documents ou informations, ainsi qu'à recevoir des demandes et à prendre des décisions visées dans le présent arrêté ;
10° autorité compétente belge: le Service public fédéral Intérieur;
11° profession réglementée : une activité ou un ensemble d'activités professionnelles dont l'accès, l'exercice ou une des modalités d'exercice est subordonné directement ou indirectement, en vertu de dispositions législatives, réglementaires ou administratives, à la possession de qualifications professionnelles déterminées ;
12° formation réglementée : toute formation qui vise spécifiquement l'exercice d'une profession déterminée et qui consiste en un cycle d'études complété, le cas échéant, par une formation professionnelle, un stage professionnel ou une expérience pratique professionnelle. La structure et le niveau de la formation professionnelle, du stage professionnel ou de la pratique professionnelle sont déterminés par les dispositions législatives, réglementaires ou administratives de l'Etat membre concerné ou contrôlés ou reconnus par une autorité désignée à cet effet ;
13° matières substantiellement différentes: matières dont la connaissance, les aptitudes et les compétences acquises sont essentielles à l'exercice de la profession et pour lesquelles la formation reçue par le demandeur présente des différences significatives en termes de contenu par rapport à la formation exigée en Belgique;
14° demandeur: ressortissant d'un Etat membre ayant introduit une demande de reconnaissance de ses qualifications professionnelles auprès de l'autorité compétente belge;
15° épreuve d'aptitude : un contrôle des connaissances, aptitudes et compétences professionnelles du demandeur, qui est réalisé ou reconnu par l'autorité belge compétente et qui a pour objectif d'apprécier l'aptitude du demandeur à exercer la profession réglementée en Belgique ;
16° stage d'adaptation : l'exercice de l'activité professionnelle réglementée en Belgique, sous la responsabilité d'un professionnel qualifié et qui est éventuellement accompagné d'une formation complémentaire ;
17° raisons impérieuses d'intérêt général : les raisons reconnues comme telles par la jurisprudence de la Cour de justice de l'Union européenne, notamment l'ordre public, la sécurité publique, la Sûreté de l'Etat, la Santé publique, le maintien de l'équilibre financier du système de sécurité sociale, la protection des consommateurs, des clients de services et des travailleurs, la loyauté des transactions commerciales, la lutte contre la fraude, la protection de l'environnement et de l'environnement urbain, le bien-être animal, la propriété intellectuelle, la conservation du patrimoine national historique et artistique et des objectifs de politique sociale et de politique culturelle ;
18° système européen de transfert et d'accumulation d'unités de cours capitalisables ou crédits ECTS : le système de crédits pour l'enseignement supérieur utilisé dans l'Espace européen de l'enseignement supérieur;
19° IMI : le système d'information du marché interne géré par le Règlement 1024/2012/UE du Parlement européen et du Conseil du 25 octobre 2012 ;
20° apprentissage tout au long de la vie : toutes les formes de l'enseignement général, de l'enseignement et de la formation professionnels, de l'éducation non formelle et de l'apprentissage informel entrepris pendant toute la vie, aboutissant à une amélioration des connaissances, des aptitudes et des compétences, ce qui peut inclure l'éthique professionnelle.
§ 2. Est assimilé à un titre de formation tout titre de formation délivré dans un pays tiers, si le détenteur de celui-ci a une expérience professionnelle de trois ans sur le territoire de l'Etat membre qui a reconnu le titre de formation en question, conformément à l'article 2, alinéa 2, de la Directive et si cet Etat membre confirme l'expérience professionnelle.
TITEL II. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE IN BELGIE GEORGANISEERDE OPLEIDINGEN DIE DE BETROKKENEN IN STAAT STELLEN HET BEROEP VAN PRIVEDETECTIVE UIT TE OEFENEN
TITRE II. - DISPOSITIONS RELATIVES AUX FORMATIONS ORGANISEES EN BELGIQUE PERMETTANT AUX INTERESSES D'EXERCER LA PROFESSION DE DETECTIVE PRIVE
HOOFDSTUK I. - Opleidingsvoorwaarden
CHAPITRE Ier. - Conditions de formations.
Art. 3. Personen die zich niet kunnen beroepen op het erkenningsregime bepaald in Ondertitel I van Titel III kunnen vergund worden om activiteiten van privédetective uit te oefenen indien zij houder zijn van een bekwaamheidsattest voor privédetective.
Dit attest wordt afgeleverd door een daartoe door de minister erkende opleidingsinstelling, conform de bepalingen van artikel 12.
Art. 3. Les personnes qui ne peuvent se prévaloir du régime de reconnaissance institué au Sous-titre I du Titre III peuvent être autorisées à exercer des activités de détective privé si elles sont détentrices d'une attestation de compétence de détective privé.
Cette attestation de compétence est délivrée par un organisme de formation agréé à cet effet par le ministre, conformément aux dispositions de l'article 12.
Art. 4. In afwijking van artikel 3, eerste lid, dienen de personen voor wie de administratie vastgesteld heeft dat zij van de bepalingen van artikel 22, § 1, van de wet genieten, over geen bekwaamheidsattest voor privédetective te beschikken.
Art. 4. En dérogation à l'article 3, alinéa 1er, les personnes pour lesquelles l'administration a constaté qu'elles bénéficient de la disposition de l'article 22, § 1er, de la loi ne doivent pas être détentrices de l'attestation de compétence de détective privé.
Art. 5. Elke privédetective dient om de vijf jaar na de eerste toekenning van het bekwaamheidsattest of na de eerste toekenning van een vergunning, als hij van de bepalingen van artikel 22, § 1, van de wet heeft genoten, zonder enige afwezigheid de bijscholing, bepaald in artikel 6, § 2, beëindigd te hebben, en permanent over het attest van bijscholing te beschikken.
Art. 5. Tout détective privé doit, tous les cinq ans après la première obtention de l'attestation de compétence ou après la première obtention d'autorisation, s'il a bénéficié de la disposition de l'article 22, § 1er, de la loi, avoir suivi sans aucune absence un recyclage tel que défini à l'article 6, § 2, et être en permanence détenteur de l'attestation de recyclage de détective privé.
Art. 6. § 1.a) De basisopleiding van de privédetectives omvat ten minste tweehonderdvijftig uren, die zijn verdeeld over maximum twee jaar en bestaat uit :
A. Juridische vorming (zestig uren) :
a) grondwettelijk recht, miv de grondwettelijke rechten en vrijheden en het Europees Verdrag ter vrijwaring van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
b) burgerlijk recht;
c) strafrecht;
d) gerechtelijk recht;
e) de wetgeving toepasselijk op de privédetectives, op de politiediensten en op de ondernemingen en diensten bedoeld in de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid.
B. Socio-psychologische vorming (dertig uren) :
a) psychologie;
b) criminologie;
c) plichtenleer.
C. Beroepstechnische vorming (zestig uren) :
a) detectivetechnieken;
b) informatieverwerking;
c) rapportering.
D. De theoretische vakken dienen aangepast te zijn aan de praktijk van het beroep van privédetective.
E. 100 uren praktische oefeningen die georganiseerd worden binnen de schoot van de opleidingsinstelling.
b) Een voor de basisopleiding erkende opleidingsinstelling kan een sectoropleiding inrichten, voor zover deze beantwoordt aan de specificiteit van een bepaald opsporingsdomein. Deze opleiding dient te voldoen aan alle bepalingen van artikel 12, § 2. Elke sectoropleiding zal erkend moeten worden door de minister, na advies van de Commissie Opleiding privédetectives zoals bepaald in artikel 14.
§ 2. De bijscholing omvat een minimale deelname van 25 uren aan studiesessies over actuele aspecten van het beroep van privédetective, waarvan minimum 15 uren juridische vorming.
Art. 6. § 1er. a) La formation de base de détectives privés comporte au moins deux cent cinquante heures, réparties sur maximum deux ans et comprenant :
A. Formation juridique (soixante heures) :
a) droit constitutionnel y compris les droits et libertés constitutionnels et la convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales;
b) droit civil;
c) droit pénal;
d) droit judiciaire;
e) la législation applicable aux détectives privés, aux services de police et aux entreprises et services visés dans la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière.
B. Formation socio-psychologique (trente heures) :
a) psychologie;
b) criminologie;
c) déontologie.
C. Formation technico-professionnelle (soixante heures):
a) techniques de détective;
b) informatique;
c) rédaction de rapports.
D. Les matières théoriques doivent être adaptée à la pratique de la profession de détective privé.
E. 100 heures d'exercices pratiques qui sont organisés au sein de l'organisme de formation.
b) Un organisme de formation agréé pour la formation de base peut instaurer une formation sectorielle pour autant que celle-ci réponde aux spécificités d'un domaine particulier d'enquête. Cette formation doit satisfaire à toutes les dispositions de l'article 12, § 2. Chaque formation sectorielle devra être agréée par le ministre après avis de la Commission Formation détectives privés telle que définie à l'article 14.
§ 2. Le recyclage comporte une participation minimale de 25 heures à des sessions d'études concernant les aspects actualisés de la profession de détective privé, dont minimum 15 heures de formation juridique.
Art. 7. De opleidingsinstelling dient de kandidaat-cursist voorafgaand aan de inschrijving tot de opleiding in kennis te stellen van :
de wettelijke voorwaarden tot het bekomen van een vergunning om het beroep van privédetective uit te oefenen;
de regels inzake de examens en de herexamens;
de verplichting van bijscholing.
Teneinde de opleidingen zoals bepaald in artikel 6, te kunnen aanvatten, dient de kandidaat-cursist aan de opleidingsinstelling de volgende documenten te hebben voorgelegd:
een uittreksel uit het Strafregister dat maximum 6 maanden oud is waaruit blijkt dat hij niet veroordeeld is wegens misdrijven zoals bepaald in artikel 3, § 1, 1° van de wet;
een identiteitsdocument waaruit blijkt dat hij aan de nationaliteitsvereiste voldoet zoals bepaald in artikel 3, § 1, 2° van de wet.
Art. 7. Préalablement à l'inscription à la formation, l'organisme de formation informe le candidat sur :
les conditions légales auxquelles l'intéressé doit satisfaire pour exercer la profession de détective privé;
les règles relatives aux examens et aux épreuves de repêchage;
l'obligation de recyclage.
L'élève-candidat ne pourra prendre part aux formations définies à l'article 6 que s'il fournit les documents suivants à l'organisme de formation :
un extrait du Casier judiciaire, datant de maximum six mois, dont il ressort qu'il n'a pas été condamné du chef d'infractions visées à l'article 3, § 1er, 1° de la loi;
un document d'identité qui démontre qu'il satisfait à la condition de nationalité définie à l'article 3, § 1er, 2° de la loi.
HOOFDSTUK II. - Voorwaarden inzake examens en bekwaamheidsattesten
CHAPITRE II. - Conditions relatives aux examens et aux attestations de compétence
Art. 8. Om te slagen in de examens moet minimum vijftig percent van de punten behaald worden voor elk gedoceerd vak en minimum zestig percent van de punten voor het totaal van de geëxamineerde vakken.
Ongeacht de opleidingsinstelling mag niemand zich voor de toepassing van dit besluit georganiseerde examens meer dan viermaal aanmelden, met inbegrip van de herexamens die ten laatste twee maanden na het afleggen van het examen van een vorige examenzitting moeten georganiseerd worden.
De herexamens kunnen afgelegd worden zonder de verplichting de cursus opnieuw te volgen.
Wie, na herexamens, niet geslaagd is, dient het geheel van de cursus een tweede keer te volgen om zich voor de examens opnieuw aan te melden.
De opleidingsinstelling hanteert het examenreglement dat na advies van de Commissie opleiding privédetectives door de Minister van Binnenlandse Zaken werd goedgekeurd.
Art. 8. La réussite des examens est subordonnée à l'obtention d'un minimum de cinquante pour cent des points dans chaque branche enseignée et d'un minimum de soixante pour cent des points sur le total des branches examinées.
Quel que soit l'organisme de formation, nul n'est autorisé à se présenter plus de quatre fois aux examens organisés en application du présent arrêté, y compris les épreuves de repêchage qui doivent être organisées au plus tard deux mois suivant le dernier examen de la session antérieure.
Les épreuves de repêchage peuvent être présentées sans obligation de suivre le cours à nouveau.
Celui qui n'a pas réussi les épreuves de repêchage doit suivre une deuxième fois l'entièreté des cours pour se représenter aux examens.
L'organisme de formation applique un règlement d'examens approuvé par le ministre après avis de la Commission Formation détectives privés.
Art. 9. In het kader van de controleopdracht belast aan de administratie :
de administratie mag aanwezig zijn in de verschillende examencommissies van een opleidingsinstelling;
de minister mag beslissen dat een voor een theoretisch vak gepland examen dient te worden vervangen door een door de administratie opgesteld schriftelijk examen;
de minister mag beslissen dat een door hem erkende exameninstelling voor bepaalde vakken examens zal afnemen.
Art. 9. Dans le cadre de la mission de contrôle confiée à l'administration :
l'administration peut être présente aux différentes sessions d'examens d'un organisme de formation;
le ministre peut décider qu'un examen prévu pour une matière théorique soit remplacé par un examen écrit élaboré par l'administration;
le ministre peut décider qu'un organisme d'examen agréé par lui fera passer le ou les examens relatifs à une matière déterminée.
Art. 10. De bekwaamheidsattesten worden binnen de twee maanden na de datum van sluiting van de zittijd aan de cursisten gegeven.
Art. 10. Les attestations de compétence sont délivrées aux élèves dans les deux mois suivant la date de clôture de la session d'examen.
Art. 11. Deze bekwaamheidsattesten zijn geldig voor een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van uitreiking die op de attesten dient te worden vermeld.
Art. 11. Les attestations de compétence sont valables pour une période de cinq ans à partir de la date de délivrance qui doit être mentionnée sur l'attestation.
HOOFDSTUK III. - Voorwaarden inzake de erkenningen van de opleidingen
CHAPITRE III. - Conditions relatives à l'agrément des formations
Art. 12. § 1. Om te kunnen worden erkend voor de basisopleiding dient een opleidingsinstelling aan de volgende voorwaarden te voldoen :
de rechtspersoonlijkheid hebben;
een lessenprogramma verstrekken dat voldoet aan de minimum kwaliteitsnormen bepaald door de minister en dat minstens het minimumprogramma omvat zoals voorzien in artikel 6, § 1, van dit besluit;
lesgevers tewerkstellen die :
a) niet veroordeeld zijn, zelfs niet met uitstel, tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf, of tot een lagere correctionele straf wegens huisvredebreuk, schending van het briefgeheim, opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen, diefstal, afpersing, misbruik van vertrouwen, oplichting, valsheid in geschriften, aanranding op de eerbaarheid, verkrachting, de misdrijven bepaald bij de artikelen 379 tot 386ter van het Strafwetboek, omkoping van ambtenaren, gebruikmaking van valse namen, heling, uitgifte van ongedekte cheques, meineed, valsmunterij;
b) geen strafrechtelijke veroordelingen of administratieve geldboetes, schorsing of intrekking van de vergunning van privédetective in toepassing van de wet of haar uitvoeringsbesluiten hebben opgelopen;
c) tevens geen feiten hebben gepleegd die een tekortkoming kunnen uitmaken op de beroepsdeontologie van de privédetective en/of deze van lesgever;
d) voor het doceren van de cursussen en de praktische oefeningen kunnen aantonen dat zij beschikken over een aangepaste opleidingstitel waarvoor de minister voor elk vak een lijst opstelt of beschikken over een relevante ervaring in de te doceren materie van minstens 5 jaar in de loop van de laatste vijftien jaren;
beschikken of kunnen beschikken over voldoende accommodatie voor het verstrekken van het in dit besluit geregeld onderricht;
voltijds een cursuscoördinator tewerkstellen, belast met de coördinatie van de cursussen en de praktische oefeningen, die door de opleidingsinstelling worden georganiseerd en die aantoont hiertoe over voldoende kennis en beroepsbekwaamheid te beschikken;
geen opleiding voor privédetective organiseren per correspondentie.
§ 2. Om te kunnen worden erkend voor de bijscholing dient een opleidingsinstelling aan de volgende voorwaarden te voldoen :
de voorwaarden voorzien in § 1;
gedurende twee opeenvolgende cursusjaren de opleiding, bedoeld in artikel 6, § 1 van dit besluit te hebben georganiseerd, zonder dat hierbij inbreuken werden vastgesteld op de voorwaarden opgesomd in § 1 van dit artikel;
jaarlijks minstens één bijscholingscyclus organiseren.
§ 3. De vakinhoud van de cursussen en de praktische oefeningen dient jaarlijks aangepast te worden rekening houdend met evoluties van de wetgeving en de technologie. De gedoceerde vakken moeten duidelijk aantonen dat de privédetective over geen politiebevoegdheden beschikt.
Art. 12. § 1er. Pour pouvoir être agréé pour la formation de base, un organisme de formation doit remplir les conditions suivantes :
avoir la personnalité juridique;
dispenser un programme de cours qui répond aux normes de qualité minimales fixées par le ministre et qui comprend au moins le programme minimum tel que prévu à l'article 6, § 1er, du présent arrêté;
occuper des chargés de cours qui :
a) n'ont pas été condamnés, même avec sursis, à un emprisonnement de six mois au moins du chef d'une infraction ou à une peine correctionnelle moindre pour violation de domicile, violation du secret de la correspondance, coups et blessures volontaires, vol, extorsion, abus de confiance, escroquerie, faux en écritures, attentat à la pudeur, viol, infraction prévue aux articles 379 à 386ter du Code pénal, corruption de fonctionnaires, usage de faux noms, recel, émission de chèques sans provision, faux serment, fausse monnaie;
b) n'ont pas été frappés de condamnations pénales ou amendes administratives, de suspension ou de retrait d'autorisation de détective privé, en application de la loi ou de ses arrêtés d'exécution;
c) en outre n'ont commis aucun fait qui peut constituer une faute vis à vis de la déontologie de la profession de détective privé et/ou de celle d'enseignant;
d) en vue de dispenser les cours et les exercices pratiques, sont en mesure de prouver qu'ils disposent d'un titre de formation adéquat dont la liste est fixée pour chaque matière par le ministre ou qu'ils disposent, depuis ces 15 dernières années, d'une expérience pertinente d'au moins 5 ans dans la matière à enseigner;
disposer ou pouvoir disposer d'infrastructures suffisantes pour dispenser l'enseignement réglé au présent arrêté;
engager à temps plein un coordinateur de cours chargé de l'organisation des cours et des exercices pratiques organisés par l'organisme de formation et qui prouve une connaissance et une aptitude professionnelle suffisante pour ce faire;
ne pas organiser de formations pour détective privé par correspondance.
§ 2. Pour pouvoir être agréé pour le recyclage, un organisme de formation doit satisfaire aux conditions suivantes :
les conditions prévues au § 1er;
avoir organisé, durant deux années successives, la formation visée à l'article 6, § 1er, du présent arrêté, sans qu'il ait été constaté des infractions aux conditions énumérées au § 1er du présent article;
organiser au moins un cycle de recyclage par an.
§ 3. Le contenu de la matière des cours et des exercices pratiques doit être adapté tous les ans en tenant compte des évolutions de la législation et de la technologie. Les matières enseignées doivent faire clairement ressortir que le détective privé ne possède pas des compétences de police.
Art. 13. § 1. Met de aanvraag tot erkenning zoals bedoeld in artikel 12, §§ 1 en 2, dienen de volgende gegevens en documenten meegestuurd te worden :
de statuten en het huishoudelijk reglement van de opleidingsinstelling;
de gedetailleerde programma's van de lessen;
de modaliteiten betreffende de organisatie van de lessen en de examens;
de lijst van het lerarenkorps en voor elk ervan, de persoonlijke gegevens, een uittreksel van het Strafregister, een curriculum vitae met betrekking tot de beroepsactiviteiten en ieder element dat aantoont dat de voorwaarden bedoeld in artikel 12, § 1, 3°, d) zijn voldaan;
de regels inzake de samenstelling van de examencommissie;
de bedragen van het inschrijvings- en collegegeld.
§ 2. De opleidingsinstelling stelt de minister onverwijld in kennis van elke wijziging van de in § 1 bepaalde gegevens.
Art. 13. § 1er. La demande d'agrément visé à l'article 12, §§ 1er et 2, doit être accompagnée des données ou des documents ayant trait aux objets suivants :
les statuts et le règlement d'ordre intérieur de l'organisme de formation;
les programmes détaillés des cours;
les modalités d'organisation des cours et des examens;
la liste des membres du corps professoral, et, pour chacun d'entre eux, leurs coordonnées personnelles, un extrait du Casier judiciaire, un curriculum vitae professionnel et tout élément prouvant que les conditions visées à l'article 12, § 1er, 3°, d) sont satisfaites;
les règles de constitution du jury d'examen;
les montants des droits d'inscription et de participation aux cours.
§ 2. L'organisme de formation informe sans délai le ministre de toute modification aux données prévues au § 1er.
HOOFDSTUK IV. - Commissie Opleiding privédetectives.
CHAPITRE IV. - Commission Formation détectives privés
Art. 14. § 1. Een commissie genaamd " Commissie Opleiding privédetectives " wordt bij de FOD Binnenlandse Zaken door de minister ingesteld en is als volgt samengesteld:
de afgevaardigde van de administratie, die het voorzitterschap waarneemt;
twee vertegenwoordigers van de federale politie aangewezen door de Algemene Directie van de ondersteuning en het beheer;
een vertegenwoordiger van de lokale politie aangewezen door de Vaste commissie van de lokale politie;
drie privédetectives, die met goed gevolg de vereiste opleiding hebben gevolgd in een erkende opleidingsinstelling, over ten minste twee jaar beroepservaring beschikken en het beroep uitoefenen als hoofdberoep; ze worden gekozen door de minister op voordracht van de beroepsorganisaties van de sector;
twee vertegenwoordigers van de erkende opleidingsinstellingen; ze worden voorgesteld bij gezamenlijke voordracht van de erkende opleidingsinstellingen privédetective.
Voor elke vertegenwoordiger wordt een plaatsvervanger aangewezen.
§ 2. Het secretariaat van de commissie wordt waargenomen door de administratie.
§ 3. De leden worden benoemd door de minister voor een termijn van vijf jaar. Hun mandaat is vernieuwbaar. Het plaatsvervangend lid vervangt het effectief lid dat verhinderd is. Het mandaat van de leden en van de plaatsvervangende leden eindigt bij hun ontslag. Het mandaat van de leden en van de plaatsvervangende leden die benoemd zijn na de vernieuwing van de commissie eindigt bij de volgende vernieuwing ervan.
§ 4. De commissie opleiding privédetectives heeft tot taak de minister te adviseren omtrent :
de nadere detaillering van de lessenprogramma's zoals bedoeld bij artikel 6;
de erkenning van de opleidingsinstellingen en hun lesprogramma's;
de toepassing van dit besluit en de voorstellen van eventuele wijzigingen ervan.
Art. 14. § 1er. Une commission intitulée " Commission Formation détectives privés ", est créée par le ministre au sein du SPF Intérieur et est composée comme suit :
le délégué de l'administration qui en assume la présidence;
deux représentants de la police fédérale désignés par la Direction générale de l'appui et de la gestion;
un représentant de la police locale désigné par la Commission permanente de la police locale;
trois détectives privés, qui ont suivi avec fruit la formation requise auprès d'un organisme de formation agréé, qui disposent d'une expérience professionnelle d'au moins deux ans et qui exercent la profession à titre principal; ils sont choisis par le ministre, sur proposition des organisations professionnelles du secteur;
deux représentants des organismes de formation agréés. Ils sont proposés de commun accord par les organismes de formation pour détective privé agréés.
Un suppléant est désigné pour chaque représentant.
§ 2. Le secrétariat de la Commission est assuré par l'administration;
§ 3. Les membres sont nommés par le ministre pour un terme de cinq ans. Leur mandat est renouvelable. Le membre suppléant remplace le membre effectif empêché. Le mandat des membres et des membres suppléants s'achève à leur démission. Le mandat des membres et des membres suppléants nommés après le renouvellement de la Commission s'achève au prochain renouvellement de celle-ci.
§ 4. La Commission Formation détectives privés a pour mission de conseiller le ministre sur :
le détail précis des programmes de cours fixés à l'article 6;
l'agrément des organismes de formation et leur programme de cours;
l'application du présent arrêté et les propositions d'éventuelles modifications à celui-ci.
HOOFDSTUK V. - Controle
CHAPITRE V. - Contrôle
Art. 15. Elk jaar op datum van erkenning bezorgen de verantwoordelijken van de opleidingsinstellingen aan de commissie opleiding privédetectives een verslag omtrent het programma en de organisatie van de cursussen, de organisatie en de coördinatie van de praktische oefeningen, de namen en titels van lesgevers en de cursisten.
De opleidingsinstellingen die erkend zijn om de opleiding bedoeld in artikel 6, § 2, te organiseren, vervolledigen het verslag met alle gegevens die aantonen dat het programma voldoet aan de bepaling van artikel 12, §§ 2 en 3.
Art. 15. A la date anniversaire de leur agrément, les responsables des organismes de formation fournissent annuellement à la Commission Formation détectives privés un rapport concernant le programme et l'organisation des cours, l'organisation et la coordination des exercices pratiques, les noms et titres des enseignants et des élèves.
Les organismes de formation agréés pour l'organisation de la formation visée à l'article 6, § 2, complètent le rapport par toutes les données qui prouvent que le programme satisfait à la disposition de l'article 12, §§ 2 et 3.
Art. 16. De cursuscoördinator en de directeur lichten de minister spontaan en dadelijk in over elke onregelmatigheid inzake het verloop van de opleidingen en examens.
Art. 16. Le coordinateur des cours et le directeur informent spontanément et immédiatement le ministre au sujet de toute irrégularité ayant trait au déroulement des formations et des examens.
Art. 17. De nodige faciliteiten worden verleend aan de door de minister aangewezen agenten of ambtenaren die belast zijn met het toezicht op het naleven van de bepalingen van de wet en van dit besluit, zoals het nazicht van de gegevens van het verslag, de toegang tot de lokalen en de documenten, het contact met de inrichters, de lesgevers, de cursuscoördinator, de cursisten en hun eventueel verhoor.
Art. 17. Les facilités requises sont accordées aux agents ou fonctionnaires, désignés par le ministre, qui sont chargés du contrôle du respect des dispositions de la loi et du présent arrêté, telles que la vérification des données du rapport, l'accès aux locaux et aux documents, le contact avec les organisateurs, les chargés de cours, le coordinateur de cours, les élèves et leur audition éventuelle.
TITEL III. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE ERKENNING VAN DE BEROEPSKWALIFICATIES VAN PERSONEN VERKREGEN IN EEN ANDERE LIDSTAAT WAAROP RICHTLIJN 2005/36/EG VAN TOEPASSING IS
TITRE III. - DISPOSITIONS RELATIVES A LA RECONNAISSANCE DES QUALIFICATIONS PROFESSIONNELLES DE PERSONNES OBTENUES DANS UN AUTRE ETAT AUQUEL LA DIRECTIVE N° 2005/36/CE EST APPLICABLE
ONDERTITEL I. - Algemene bepalingen
SOUS-TITRE I. - Dispositions générales
Art. 18. Deze titel bevat bepalingen omtrent de weerslag van het Europese recht op de opleidings- en ervaringsvoorwaarden voor het uitoefenen van het beroep van privédetective.
Art. 18. Le présent titre comprend des dispositions relatives à l'incidence du droit européen sur les conditions de formation et d'expérience requises pour l'exercice de la profession de détective privé.
Art. 19. Indien de bevoegde Belgische autoriteit de beroepskwalificaties van de aanvrager erkent, voldoet de aanvrager aan de opleidings- en ervaringsvereisten bedoeld in artikel 3, § 1, 4°, of § 2, 5°, van de wet, voor het uitoefenen van het beroep van privédetective.
Voor de toepassing van dit besluit is het beroep dat de aanvrager in België wenst uit te oefenen hetzelfde als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezit, indien hieronder vergelijkbare werkzaamheden vallen.
In afwijking van het eerste lid, wordt gedeeltelijke toegang tot het beroep in België verleend onder de in artikel 20 vastgestelde voorwaarden.
Art. 19. Si l'autorité belge compétente reconnaît les qualifications professionnelles du demandeur, ce dernier satisfait aux exigences de formation et d'expérience visées à l'article 3, § 1er, 4°, ou § 2, 5°, de la loi pour l'exercice de la profession de détective privé.
Pour l'application du présent arrêté, la profession que le demandeur souhaite exercer en Belgique est la même que celle pour laquelle il possède les qualifications dans l'Etat membre d'origine, s'il est question de prestations similaires.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un accès partiel à la profession en Belgique est accordé aux conditions fixées à l'article 20.
Art. 20. De bevoegde Belgische autoriteit verleent per geval gedeeltelijke toegang tot een beroepsactiviteit op zijn grondgebied, doch alleen indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a) de beroepsbeoefenaar is in zijn lidstaat van oorsprong volledig gekwalificeerd om de beroepsactiviteit uit te oefenen waarvoor in België gedeeltelijke toegang wordt aangevraagd;
b) de verschillen tussen de in de lidstaat van oorsprong legaal verrichte beroepsactiviteiten en het beroep van privédetective in België zijn zo groot dat de toepassing van compenserende maatregelen erop zou neerkomen dat de aanvrager het volledige onderwijs- en opleidingsprogramma in België zou moeten doorlopen om tot het beroep van privédetective in België te kunnen toegelaten te worden;
c) de beroepsactiviteit kan objectief worden gescheiden van andere activiteiten die het beroep van privédetective in België omvat.
Voor de toepassing van het eerste lid, punt c), dient de Belgische bevoegde autoriteit rekening te houden met de vraag of de beroepsactiviteit autonoom in België kan worden uitgeoefend.
Gedeeltelijke toegang kan worden afgewezen indien deze afwijzing door een dwingende reden van algemeen belang gerechtvaardigd is, indien zulks passend is ter verwezenlijking van het nagestreefde doel en het niet verder gaat dan wat noodzakelijk is om dat doel te bereiken.
Art. 20. L'autorité belge compétente fournit au cas par cas un accès partiel à une activité professionnelle sur son territoire, mais uniquement s'il est satisfait à l'ensemble des conditions suivantes :
a) le professionnel est entièrement qualifié dans son Etat membre d'origine pour exercer l'activité professionnelle pour laquelle un accès partiel est demandé en Belgique ;
b) les différences entre les activités professionnelles exercées légalement dans l'Etat membre d'origine et la profession de détective privé en Belgique sont telles que l'application de mesures compensatoires reviendrait à obliger le demandeur à suivre le programme complet d'enseignement et de formation en Belgique pour pouvoir être admis à la profession de détective privé en Belgique;
c) l'activité professionnelle peut être objectivement scindée des autres activités que la profession de détective privé comporte en Belgique.
Pour l'application du premier alinéa, point c), l'autorité belge compétente doit tenir compte de la possibilité ou non d'exercer l'activité professionnelle de manière autonome en Belgique.
Un accès partiel peut être refusé si ce refus est justifié par des raisons impérieuses d'intérêt général, s'il est propre à garantir la réalisation de l'objectif poursuivi et ne va pas au-delà de que ce qui est nécessaire pour atteindre cet objectif.
ONDERTITEL II. - Vrije dienstverrichting
SOUS-TITRE II. - Libre prestation de services
HOOFDSTUK I. - Principe
CHAPITRE Ier. - Principe
Art. 21. § 1. Onverminderd specifieke bepalingen van het communautaire recht en de artikelen 22 en 23 van dit besluit, kan de bevoegde Belgische autoriteit niet om redenen van beroepskwalificatie beperkingen stellen aan het vrij verrichten van diensten op haar grondgebied:
a) indien de dienstverrichter op wettige wijze is gevestigd in een lidstaat (hierna "lidstaat van vestiging" genoemd) om er hetzelfde beroep uit te oefenen, en
b) wanneer de dienstverrichter zich naar een andere lidstaat begeeft, indien hij dat beroep tijdens de laatste tien jaar die voorafgaan aan de dienstverrichting gedurende ten minste een jaar heeft uitgeoefend in een of meer lidstaten wanneer het beroep van privé-detective niet gereglementeerd is in de lidstaat van vestiging. Deze voorwaarde, namelijk een jaar beroepsuitoefening, is niet van toepassing wanneer het beroep of het onderwijs en de opleiding die toegang verleent tot het beroep, gereglementeerd is.
§ 2. De bepalingen van deze ondertitel zijn uitsluitend van toepassing wanneer de dienstverrichter zich naar het Belgisch grondgebied begeeft om er tijdelijk en incidenteel het beroep van privédetective uit te oefenen. Het tijdelijke en incidentele karakter van de dienstverrichting wordt per geval beoordeeld, met name in het licht van de duur, frequentie, regelmaat en continuïteit van de verrichting.
§ 3. Als een dienstverrichter zich naar een andere lidstaat begeeft, valt hij onder de professionele, wettelijke of administratieve beroepsregels die rechtstreeks verband houden met beroepskwalificaties, zoals de definitie van het beroep, het gebruik van titels en de ernstige beroepsfouten die rechtstreeks en specifiek verband houden met de bescherming en de veiligheid van consumenten, alsook onder de administratieve sancties, die op het Belgisch grondgebied van toepassing zijn op de personen die er hetzelfde beroep uitoefenen.
Art. 21. § 1er. Sans préjudice de dispositions spécifiques du droit communautaire ni des articles 22 et 23 du présent arrêté, l'autorité compétente belge ne peut restreindre, pour des raisons relatives aux qualifications professionnelles, la libre prestation de services sur son territoire:
a) si le prestataire est légalement établi dans un Etat membre pour y exercer la même profession (ci-après dénommé " Etat membre d'établissement "), et
b) en cas de déplacement du prestataire, s'il a exercé cette profession dans un ou plusieurs Etats membres pendant au moins une année au cours des dix années qui précèdent la prestation lorsque la profession de détective privé n'est pas réglementée dans l'Etat membre d'établissement. La condition exigeant l'exercice de la profession pendant une année n'est pas d'application si la profession ou la formation conduisant à la profession est réglementée.
§ 2. Les dispositions du présent sous-titre s'appliquent uniquement dans le cas où le prestataire se déplace vers le territoire belge pour exercer, de façon temporaire et occasionnelle, la profession de détective privé. Le caractère temporaire et occasionnel de la prestation est apprécié au cas par cas, notamment en fonction de la durée de la prestation, de sa fréquence, de sa périodicité et de sa continuité.
§ 3. S'il se déplace, un prestataire est soumis aux règles de conduite de caractère professionnel, réglementaire ou administratif en rapport direct avec les qualifications professionnelles telles que la définition de la profession, l'usage des titres et les fautes professionnelles graves qui ont un lien direct et spécifique avec la protection et la sécurité des consommateurs, ainsi qu'aux sanctions administratives applicables sur le territoire belge aux professionnels qui y exercent la même profession.
HOOFDSTUK II. - Vrijstellingen
CHAPITRE II. - Dispenses
Art. 22. Een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter wordt door de bevoegde Belgische autoriteit, overeenkomstig artikel 21, § 1, vrijgesteld van de hiernavolgende verplichting die wordt gesteld aan op haar grondgebied gevestigde beroepsbeoefenaren. De dienstverrichter wordt vrijgesteld van de verplichting tot inschrijving bij een openbare instelling van sociale zekerheid om de rekeningen met betrekking tot verrichte werkzaamheden ten gunste van sociaal verzekerden te kunnen verhalen op een verzekeringsinstelling. De dienstverrichter stelt evenwel de instelling vooraf, of in dringende gevallen achteraf, van de door hem verrichte dienst in kennis.
Art. 22. Un prestataire de services établi dans un autre Etat membre est dispensé par l'autorité belge compétente, conformément à l'article 21, § 1, de l'obligation suivante imposée aux professionnels établis sur son territoire. Le prestataire de services est dispensé de l'obligation de s'inscrire auprès d'un organisme de sécurité sociale de droit public afin de pouvoir récupérer auprès d'un organisme assureur les comptes relatifs aux activités effectuées au profit d'assurés sociaux. Toutefois, le prestataire de services informe l'organisme au préalable ou, en cas d'urgence, ultérieurement, du service qu'il a fourni.
HOOFDSTUK III. - Vooraf af te leggen verklaring in geval de dienstverrichter zich naar een andere lidstaat begeeft
CHAPITRE III. - Déclaration préalable en cas de déplacement du prestataire de services
Art. 23. § 1. Wanneer die dienstverrichter overweegt om zich voor het eerst van de ene lidstaat naar het Belgisch grondgebied te begeven om er diensten te verrichten, stelt hij de bevoegde Belgische autoriteit vooraf in kennis door middel van een schriftelijke verklaring, met daarin de gegevens betreffende verzekeringsdekking of soortgelijke individuele of collectieve vormen van bescherming inzake beroepsaansprakelijkheid. Deze verklaring wordt eenmaal per jaar verlengd indien de dienstverrichter voornemens is om gedurende dat jaar in die lidstaat tijdelijke of incidentele diensten te verrichten. De dienstverrichter mag de verklaring met alle middelen aanleveren.
§ 2. Voor de eerste dienstverrichting, of indien zich een wezenlijke verandering heeft voorgedaan in de door de documenten gestaafde situatie, moet de verklaring bovendien vergezeld gaan van de volgende documenten:
a) een bewijs van de nationaliteit van de dienstverrichter;
b) een attest dat de houder ervan rechtmatig in een lidstaat gevestigd is om er de betrokken werkzaamheden uit te oefenen, en dat hem op het moment van afgifte van het attest geen beroepsuitoefeningsverbod is opgelegd, ook al is het maar tijdelijk;
c) een bewijs van beroepskwalificaties;
d) voor gevallen als bedoeld in artikel 21, paragraaf 1, onder b), een bewijs dat de dienstverrichter de betrokken werkzaamheden in de tien voorafgaande jaren gedurende ten minste een jaar heeft uitgeoefend;
e) een attest waarin wordt bevestigd dat de desbetreffende persoon geen tijdelijk of permanent verbod heeft om het beroep van privédetective uit te oefenen of niet strafrechtelijk is veroordeeld.
§ 3. Door de indiening van een vereiste verklaring door de dienstverrichter overeenkomstig paragraaf 1, kan de toegang tot de beoogde dienstenactiviteit of tot het uitoefenen van die activiteit op het Belgisch grondgebied hem niet worden geweigerd om redenen die verband houden met zijn beroepskwalificaties.
§ 4. Indien aan alle voorwaarden en regels bepaald bij of krachtens de wet voor de uitoefening van het bedoelde beroep is voldaan, wordt de dienst verricht onder de beroepstitel van de lidstaat van vestiging, wanneer voor de betrokken beroepswerkzaamheid in die lidstaat een dergelijke titel bestaat. Deze titel wordt vermeld in de officiële taal of één van de officiële talen van de lidstaat van vestiging, teneinde verwarring met de beroepstitel in België te vermijden. Wanneer de betrokken beroepstitel in de lidstaat van vestiging niet bestaat, vermeldt de dienstverrichter zijn opleidingstitel in de officiële taal of één van de officiële talen van die lidstaat.
Art. 23. § 1er. Lorsque le prestataire envisage de se déplacer d'un autre Etat membre vers le territoire belge pour la première fois pour fournir des services, il en informe préalablement l'autorité compétente belge par une déclaration écrite comprenant les informations relatives aux couvertures d'assurance ou autres moyens de protection personnelle ou collective concernant la responsabilité professionnelle. Une telle déclaration est renouvelée une fois par an si le prestataire compte fournir des services d'une manière temporaire ou occasionnelle dans cet Etat membre au cours de l'année concernée. Le prestataire peut fournir cette déclaration par tout moyen.
§ 2. En outre, lors de la première prestation de service ou en cas de changement matériel relatif à la situation établie par les documents, la déclaration doit être accompagnée des documents suivants:
a) une preuve de la nationalité du prestataire;
b) une attestation certifiant que le détenteur est légalement établi dans un Etat membre pour y exercer les activités en question, et qu'il n'encourt, lorsque l'attestation est délivrée, aucune interdiction même temporaire d'exercer;
c) une preuve des qualifications professionnelles;
d) pour les cas visés à l'article 21, paragraphe 1, point b), la preuve par tout moyen que le prestataire a exercé les activités en question pendant au moins une année au cours des dix années précédentes;
e) une attestation confirmant l'absence d'interdictions temporaires ou définitives d'exercer la profession de détective privé ou de condamnations pénales.
§ 3. La présentation par le prestataire d'une déclaration requise conformément au paragraphe 1 permet à ce prestataire de ne pas se voir refuser l'accès à l'activité de services ou à l'exercice de cette activité sur le territoire belge pour des raisons liées à ses qualifications professionnelles.
§ 4. Si l'ensemble des conditions et règles déterminées par ou en vertu de la loi pour l'exercice de la profession envisagée sont remplies, la prestation est effectuée sous le titre professionnel de l'Etat membre d'établissement lorsqu'un tel titre existe dans ledit Etat membre pour l'activité professionnelle concernée. Ce titre est indiqué dans la langue officielle ou dans l'une des langues officielles de l'Etat membre d'établissement, de manière à éviter toute confusion avec le titre professionnel en Belgique. Dans les cas où ledit titre professionnel n'existe pas dans l'Etat membre d'établissement, le prestataire fait mention de son titre de formation dans la langue officielle ou dans l'une des langues officielles de cet Etat membre.
Art. 24. Bij de eerste dienstverrichting voert de bevoegde Belgische autoriteit vóór deze verrichting een controle van de beroepskwalificaties van de dienstverrichter uit. Deze controle is bedoeld om ernstige schade voor de veiligheid van de afnemer van de dienstverrichting ingevolge een ontoereikende beroepskwalificatie van de dienstverrichter te voorkomen, en omvat niet meer dan voor dit doel noodzakelijk is.
De bevoegde Belgische autoriteit stelt de dienstverrichter, na de beroepskwalificaties te hebben gecontroleerd, binnen een termijn van ten hoogste een maand na ontvangst van de verklaring en de begeleidende documenten als bedoeld in de paragrafen 1 en 2 van artikel 23, in kennis van haar besluit om:
a) van de dienstverrichter het afleggen van een bekwaamheidsproef te vereisen; of
b) de beroepskwalificaties van de aanvrager te erkennen.
Wanneer er zich problemen voordoen die een vertraging veroorzaken bij het nemen van een besluit uit hoofde van het tweede lid, stelt de bevoegde autoriteit de dienstverrichter binnen dezelfde termijn in kennis van de reden van de vertraging. Het probleem moet voor het einde van de eerste maand na deze kennisgeving worden opgelost en het besluit moet binnen twee maanden na oplossing van het probleem zijn vastgesteld.
Wanneer de beroepskwalificaties van de dienstverrichter wezenlijk verschillen van de in België vereiste opleiding, en wel in die mate dat dit verschil de volksgezondheid of de openbare veiligheid schaadt, en wanneer de dienstverrichter dit niet kan compenseren door beroepservaring of in het kader van een leven lang leren verworven kennis, vaardigheden of competenties die formeel zijn gevalideerd door een daartoe bevoegde instantie, dient de bevoegde Belgische autoriteit die dienstverrichter de mogelijkheid te bieden om in het bijzonder door middel van een bekwaamheidsproef, als bedoeld in het tweede lid, te bewijzen dat hij de ontbrekende kennis, vaardigheden of competenties heeft verworven. De bevoegde Belgische autoriteit beslist op basis daarvan om de beroepskwalificaties van de aanvrager al dan niet te erkennen. De beslissing betreffende de beroepskwalificaties dient in ieder geval te kunnen plaatsvinden tijdens de maand die volgt op die waarin het overeenkomstig het tweede lid genomen besluit is getroffen, behalve indien de aanvrager uitdrukkelijk gevraagd heeft deze termijn te verlengen omdat hij de bekwaamheidsproef om redenen buiten zijn wil niet binnen de vereiste termijn heeft kunnen afleggen en indien de bevoegde Belgische autoriteit deze vraag heeft goedgekeurd.
Indien de bevoegde autoriteit binnen de in het tweede en derde lid vermelde termijnen niet reageert, wordt ervan uitgegaan dat de dienstverrichter over de vereiste beroepskwalificaties beschikt.
In de gevallen waarin de beroepskwalificaties werden geverifieerd en waarin, na de controle van alle in de wet vastgelegde voorwaarden en regels, de toelating werd gegeven om de dienst te verrichten, wordt de dienst verricht onder de beroepstitel die in België geldt.
Art. 24. Lors de la première prestation de services, l'autorité compétente belge procède avant cette première prestation à une vérification des qualifications professionnelles du prestataire. Cette vérification a pour objectif d'éviter des dommages graves pour la sécurité du destinataire du service, du fait du manque de qualification professionnelle du prestataire, et n'excède pas ce qui est nécessaire à cette fin.
Au plus tard un mois à compter de la réception de la déclaration et des documents joints, visés aux paragraphes 1 et 2 de l'article 23, l'autorité compétente belge, ayant vérifié ses qualifications professionnelles, informe le prestataire de sa décision:
a) d'imposer au prestataire de services une épreuve d'aptitude; ou
b) de reconnaître les qualifications professionnelles du demandeur.
En cas de difficulté susceptible de provoquer un retard dans la prise de décision prévue au deuxième alinéa, l'autorité compétente informe le prestataire dans le même délai des raisons du retard. La difficulté est résolue dans le mois qui suit cette information et la décision est prise dans un délai de deux mois suivant la résolution de la difficulté.
En cas de différence substantielle entre les qualifications professionnelles du prestataire et la formation exigée en Belgique, dans la mesure où cette différence est de nature à nuire à la santé ou à la sécurité publiques et où elle ne peut être compensée par l'expérience professionnelle du prestataire ou par les connaissances, aptitudes et compétences acquises lors d'un apprentissage tout au long de la vie ayant fait l'objet, à cette fin, d'une validation en bonne et due forme par un organisme compétent, l'autorité compétente belge offre au prestataire la possibilité de démontrer qu'il a acquis les connaissances, aptitudes ou compétences manquantes, par une épreuve d'aptitude telle que visée au deuxième alinéa. L'autorité compétente belge décide, sur cette base, de reconnaitre ou non les qualifications professionnelles du demandeur. En tout état de cause, la décision relative aux qualifications professionnelles doit pouvoir intervenir dans le mois qui suit la décision prise en application du deuxième alinéa, sauf si le demandeur a expressément demandé la prolongation de ce délai au motif qu'il n'a pas pu passer l'épreuve d'aptitude dans le délai requis pour des raisons indépendantes de sa volonté et que cette demande a été acceptée par l'autorité compétente belge.
En l'absence de réaction de l'autorité compétente dans les délais fixés aux deuxième et troisième alinéas, il est considéré que le prestataire dispose des qualifications professionnelles requises.
Dans les cas où les qualifications professionnelles ont été vérifiées et où l'autorisation de réaliser la prestation de services a été donnée après vérification de l'ensemble des conditions et règles prévues dans la loi, la prestation de services est effectuée sous le titre professionnel en vigueur en Belgique.
ONDERTITEL III. - Vrijheid van vestiging
SOUS - TITRE III. - Liberté d'établissement
HOOFDSTUK 1. - Algemeen stelsel van erkenning van opleidingstitels
CHAPITRE Ier. - Régime général de reconnaissance des titres de formation
Afdeling 1. - Kwalificatieniveau
Section 1re. - Niveau de qualification
Art. 25. De beroepskwalificaties worden in de hiernavolgende niveaus ingedeeld:
bekwaamheidsattest dat is afgegeven door een overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aangewezen bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong, en waaruit blijkt dat een persoon over één van de hiernavolgende beroepskwalificaties beschikt :
a) een opleiding heeft genoten die niet wordt afgesloten met een certificaat of diploma zoals bedoeld onder punt 2°, 3°, 4° of 5° ;
b) een specifiek examen zonder voorafgaande opleiding heeft afgelegd;
c) het beroep tijdens de afgelopen tien jaren voorafgaand aan het indienen van de aanvraag, gedurende drie opeenvolgende jaren voltijds of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds in een lidstaat heeft uitgeoefend;
d) op het niveau van het lager of secundair onderwijs een algemene opleiding heeft genoten, waaruit blijkt dat de houder over algemene kennis beschikt;
certificaat ter afsluiting van een cyclus van secundair onderwijs :
a) hetzij van algemene aard, aangevuld met een andere dan de onder 3° bedoelde studiecyclus of beroepsopleiding en/of met de beroepsstage of praktijkervaring die als aanvulling op deze studiecyclus vereist is;
b) hetzij van technische of beroepsmatige aard, in voorkomend geval aangevuld met een studiecyclus of beroepsopleiding zoals bedoeld onder a), en/of met de beroepsstage of praktijkervaring die als aanvulling op deze studiecyclus vereist is;
een diploma ter afsluiting van :
a) hetzij een opleiding op het niveau van postsecundair onderwijs dat verschilt van het onder punt 4° en 5° bedoelde niveau en ten minste 1 jaar duurt, dan wel, in geval van een deeltijdse opleiding, een daaraan gelijkwaardige duur heeft, en waarvoor als een van de toelatingsvoorwaarden in de regel geldt dat men een studiecyclus van secundair onderwijs moet hebben voltooid die voor de toegang tot het universitair of hoger onderwijs vereist is of een volledige equivalente schoolopleiding van secundair niveau, alsook de beroepsopleiding die eventueel op deze cyclus van postsecundair onderwijs vereist is;
b) hetzij een gereglementeerde opleiding of, in het geval van gereglementeerde beroepen, een beroepsopleiding met een bijzondere structuur waarbij competenties worden aangereikt die verder gaan dan wat het onder punt 2° bedoelde niveau verstrekt, die gelijkwaardig is aan het bij het punt a) vermelde opleidingsniveau, indien deze opleiding tot een vergelijkbare beroepsbekwaamheid leidt en op een vergelijkbaar niveau van verantwoordelijkheden en taken voorbereidt, mits het diploma vergezeld gaat van een certificaat van de lidstaat van oorsprong;
een diploma dat bewijst dat de houder met succes een postsecundaire opleiding met een duur van ten minste drie jaar en ten hoogste vier jaar of met een daaraan gelijkwaardige duur in geval van een deeltijdse opleiding heeft afgesloten, die daarnaast kan worden uitgedrukt in een daaraan gelijkwaardig aantal ECTS-studiepunten, behaald aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of aan een andere instelling met hetzelfde opleidingsniveau, en dat, in voorkomend geval, bewijst dat hij de beroepsopleiding die als aanvulling op de postsecundaire opleiding vereist is, met succes heeft afgesloten;
een diploma dat bewijst dat de houder met succes een postsecundaire opleiding met een duur van ten minste vier jaar of met een daaraan gelijkwaardige duur in geval van een deeltijdse opleiding heeft afgesloten, die daarnaast kan worden uitgedrukt in een daaraan gelijkwaardig aantal ECTS-studiepunten, behaald aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of aan een andere instelling met hetzelfde opleidingsniveau en dat, in voorkomend geval, bewijst dat hij de beroepsopleiding die als aanvulling op de postsecundaire opleiding vereist is, met succes heeft afgesloten.
Art. 25. Les qualifications professionnelles sont regroupées selon les niveaux suivants :
attestation de compétence délivrée par une autorité compétente de l'Etat membre d'origine désignée conformément aux dispositions législatives, réglementaires ou administratives de cet Etat et attestant des qualifications professionnelles sur l'une des bases suivantes :
a) d'une formation qui n'est pas sanctionnée par un certificat ou un diplôme au sens des points 2°, 3°, 4° ou 5° ;
b) d'un examen spécifique sans formation préalable;
c) de l'exercice à temps plein de la profession dans un Etat membre pendant trois années consécutives ou pendant une durée équivalente à temps partiel, au cours des dix dernières années précédant l'introduction de la demande;
d) d'une formation générale du niveau de l'enseignement primaire ou secondaire attestant que son titulaire possède des connaissances générales;
certificat sanctionnant un cycle d'études secondaires:
a) soit général complété par un cycle d'études ou de formation professionnelle autre que ceux visés au point 3° et/ou par le stage ou la pratique professionnelle requis en plus de ce cycle d'études;
b) soit technique ou professionnel complété le cas échéant par un cycle d'études ou de formation professionnelle tel que visé au point a) et/ou par le stage ou la pratique professionnelle requis en plus de ce cycle d'études;
diplôme sanctionnant :
a) soit une formation du niveau de l'enseignement postsecondaire autre que celui visé aux points 4° et 5° d'une durée minimale d'un an ou d'une durée équivalente à temps partiel, dont l'une des conditions d'accès est, en règle générale, l'accomplissement du cycle d'études secondaires exigé pour accéder à l'enseignement universitaire ou supérieur, ou l'accomplissement d'une formation de niveau secondaire équivalente, ainsi que la formation professionnelle éventuellement requise en plus de ce cycle d'études postsecondaires;
b) soit une formation réglementée ou, dans le cas de professions réglementées, une formation professionnelle avec une structure particulière où sont proposées des compétences qui vont plus loin que le niveau visé au point 2°, qui est équivalente au niveau de formation mentionné au point a), si cette formation conduit à une aptitude professionnelle comparable et prépare à un niveau comparable de responsabilités et de tâches, à condition que le diplôme soit accompagné d'un certificat de l'Etat membre d'origine ;
un diplôme qui prouve que le titulaire a terminé avec fruit une formation post-secondaire d'une durée d'au moins 3 ans et maximum 4 ans ou d'une durée équivalente dans le cas d'une formation à temps partiel, qui peut être exprimée en crédits ECTS équivalents, obtenue dans une université ou un établissement d'enseignement supérieur ou dans tout autre établissement avec le même niveau de formation et qui prouve, le cas échéant, qu'il a terminé avec fruit la formation professionnelle qui est requise en complément de la formation post-secondaire ;
un diplôme qui prouve que le titulaire a terminé avec fruit une formation post-secondaire d'une durée d'au moins 4 ans ou d'une durée équivalente dans le cas d'une formation à temps partiel, qui peut en outre être exprimée en crédits ECTS équivalents, obtenu dans une université ou un établissement d'enseignement supérieur ou dans tout autre établissement avec le même niveau de formation et qui prouve, le cas échéant, qu'il a terminé avec fruit la formation professionnelle qui est requise en complément de la formation post-secondaire.
Afdeling 2. - Gelijkgestelde opleidingen
Section 2. - Formations assimilées
Art. 26. Met een opleidingstitel ter afsluiting van een in artikel 25 bedoelde opleiding, met inbegrip van het betrokken niveau, wordt gelijkgesteld elke opleidingstitel die, ofwel elk geheel van opleidingstitels dat, door een bevoegde autoriteit in een lidstaat is afgegeven, wanneer de daarmee in de Europese Unie op voltijdse of deeltijdse basis zowel binnen als buiten formele programma's gevolgde opleiding wordt afgesloten die door deze lidstaat als gelijkwaardig wordt erkend en de houder ervan dezelfde rechten inzake de toegang tot of de uitoefening van het beroep verleent, dan wel hem voorbereidt op de uitoefening van dat beroep.
Onder dezelfde voorwaarden als die van het eerste lid wordt met een dergelijke opleidingstitel ook gelijkgesteld elke beroepskwalificatie die weliswaar niet voldoet aan de eisen die in de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaat van oorsprong voor de toegang tot of uitoefening van een beroep zijn vastgesteld, maar die de houder ervan krachtens deze bepalingen verworven rechten verleent.
Dit geldt met name indien de lidstaat van oorsprong het niveau verhoogt van de opleiding die vereist is voor de toegang tot een beroep of de uitoefening ervan, en indien een persoon die vroeger een opleiding heeft genoten die niet meer voldoet aan de eisen van de nieuwe kwalificatie, verworven rechten geniet uit hoofde van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen; in dat geval wordt de vroeger genoten opleiding door de bevoegde Belgische autoriteit beschouwd, met het oog op de toepassing van artikel 27, als overeenkomend met het niveau van de nieuwe opleiding.
Art. 26. Est assimilé à un titre de formation sanctionnant une formation visée à l'article 25, en ce compris du niveau concerné, tout titre de formation ou tout ensemble de titres de formations qui est délivré par une autorité compétente dans un Etat membre, lorsque la formation suivie dans l'Union européenne à temps plein ou à temps partiel tant dans le cadre qu'en dehors des programmes formels, est clôturée, qu'elle est reconnue par cet Etat membre comme équivalente et confère au titulaire les mêmes droits en matière d'accès ou d'exercice de la profession et ou le prépare à l'exercice de cette profession.
Est également assimilée à un tel titre de formation, dans les mêmes conditions que celles prévues au premier alinéa, toute qualification professionnelle qui, sans répondre aux exigences prévues par les dispositions législatives, réglementaires ou administratives de l'Etat membre d'origine pour l'accès à une profession ou son exercice, confère à son titulaire des droits acquis en vertu de ces dispositions.
En particulier, ceci s'applique dans le cas où l'Etat membre d'origine relève le niveau de formation requis pour l'accès à une profession ou son exercice et où une personne ayant suivi la formation antérieure, qui ne répond pas aux exigences de la nouvelle qualification, bénéficie de droits acquis en vertu de dispositions législatives, réglementaires ou administrative; dans un tel cas, la formation antérieure est considérée par l'autorité compétente belge aux fins de l'application de l'article 27, comme correspondant au niveau de la nouvelle formation.
HOOFDSTUK II. - Voorwaarden inzake erkenning
CHAPITRE II. - Conditions en matière de reconnaissance
Art. 27. Wordt beschouwd aan de opleidingsvoorwaarden en aan de beroepservaring zoals bedoeld in de artikel 3, § 1, 4° of § 2, 5°, van de wet, te voldoen de aanvrager die op de datum van de indiening van de aanvraag tot erkenning van zijn beroepskwalificaties:
hetzij beschikt over het bekwaamheidsattest dat of opleidingstitel die in een andere lidstaat verplicht wordt gesteld voor de toegang tot of de uitoefening van deze activiteit op zijn grondgebied;
hetzij aantoont tijdens de voorbije tien jaar op voltijdse basis gedurende een jaar of gedurende een daarmee in zijn totaliteit overeenkomende periode op deeltijdbasis de bedoelde activiteit te hebben uitgeoefend in een andere lidstaat die deze activiteit niet reglementeert, en die beschikt over een of meer bekwaamheidsattesten of opleidingstitels afgegeven door een andere lidstaat die deze activiteit niet reglementeert.
De bekwaamheidsattesten of opleidingstitels bedoeld onder punt 1° moeten afgegeven zijn door een bevoegde autoriteit in een lidstaat die overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van die lidstaat is aangewezen.
De bekwaamheidsattesten of opleidingstitels bedoeld onder punt 2° moeten aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen:
a) zij moeten afgegeven zijn door een bevoegde autoriteit in een lidstaat die overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van die lidstaat is aangewezen;
b) zij moeten aantonen dat de houder op de uitoefening van het betrokken beroep is voorbereid.
De in het eerste lid, 2° bedoelde beroepservaring van een jaar wordt echter niet geëist wanneer de aanvrager met de opleidingstitel(s) waarover hij beschikt kan aantonen dat hij een gereglementeerde opleiding heeft afgesloten die hem voorbereidt op de uitoefening van de betrokken activiteiten.
Art. 27. Est considéré comme satisfaisant aux conditions de formation et à l'expérience professionnelle telles que visées à l'article 3, § 1er, 4°, ou § 2, 5°, de la loi, le demandeur qui, à la date d'introduction de la demande d'agrément de ses qualifications professionnelles:
soit possède l'attestation de compétence ou le titre de formation qui est prescrit par un autre Etat membre pour accéder à cette activité sur son territoire ou l'y exercer ;
soit démontre avoir exercé l'activité visée à temps plein pendant une année ou pendant une durée équivalente à temps partiel au cours des dix dernières années dans un autre Etat membre qui ne réglemente pas cette activité, et disposer d'une ou plusieurs attestations de compétence ou titres de formation délivrés par un autre Etat membre qui ne réglemente pas cette activité.
Les attestations de compétence ou titres de formation visés au point 1° doivent avoir été délivrés par une autorité compétente dans un Etat membre, désignée conformément aux dispositions législatives, réglementaires ou administratives de cet Etat .
Les attestations de compétence ou les titres de formation visés au point 2° doivent remplir les conditions cumulatives suivantes:
a) ils doivent avoir été délivrés par une autorité compétente dans un Etat membre, désignée conformément aux dispositions législatives, réglementaires ou administratives de cet Etat ;
b) ils doivent attester de la préparation du titulaire à l'exercice de la profession concernée.
L'expérience professionnelle d'une année, visée à l'alinéa 1er, 2°, n'est cependant pas requise lorsque le demandeur peut démontrer avec le(s) titre(s) de formation dont il dispose qu'il a achevé une formation réglementée qui l'a préparé à l'exercice des activités en question.
HOOFDSTUK III. - Procedure
CHAPITRE III. - Procédure
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Art. 28. § 1. De aanvraag tot erkenning van de beroepskwalificaties uitgaande van de aanvrager, die de activiteiten bedoeld in de wet wil uitoefenen, moet worden ingediend volgens de volgende modaliteiten :
de aanvraag wordt ingediend bij de bevoegde Belgische autoriteit;
het nationaliteitsbewijs van de aanvrager wordt aan de aanvraag toegevoegd;
een kopie van het bekwaamheidsattest en/of de opleidingstitel waarnaar de aanvrager verwijst en, in voorkomend geval, de documenten die de relevante beroepservaring aantonen worden aan de aanvraag toegevoegd;
de aanvraag en de documenten bedoeld onder 3° worden opgesteld in het Nederlands, het Frans of het Duits of gaan vergezeld van een voor eensluidend verklaarde vertaling van deze documenten in een van deze talen.
§ 2. In geval van gegronde twijfel kan de bevoegde Belgische autoriteit de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat vragen om bevestiging van de echtheid van de in die andere lidstaat afgegeven getuigschriften en opleidingstitels.
In geval van gegronde twijfel, wanneer de opleidingstitels zoals omschreven in artikel 2, § 1, 6°, zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit in een lidstaat en een opleiding omvatten die geheel of gedeeltelijk is gevolgd in een rechtmatig op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigde instelling, mag de bevoegde Belgische autoriteit bij de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar het diploma vandaan komt, nagaan :
a) of de opleidingscyclus aan de instelling die de opleiding heeft verzorgd, officieel is gecertificeerd door de onderwijsinstelling die gevestigd is in de lidstaat vanwaar het diploma afkomstig is;
b) of de opleidingstitel dezelfde is als de titel die zou zijn verleend indien de opleiding in zijn geheel was gevolgd in de lidstaat vanwaar het diploma afkomstig is;
c) of de opleidingstitel dezelfde beroepsrechten verleent op het grondgebied van de lidstaat vanwaar het diploma afkomstig is.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteit mag de aanvrager verzoeken om informatie en/of bijkomende documenten betreffende zijn opleiding of zijn relevante beroepservaring te bezorgen om het niveau en de inhoud ervan evenals het eventueel bestaan van aanzienlijke verschillen met het in België vereiste niveau van de opleiding te bepalen.
Indien de aanvrager deze informatie niet kan verstrekken, richt de bevoegde Belgische autoriteit zich tot het contactpunt, de bevoegde autoriteit of iedere andere relevante instelling van de lidstaat van oorsprong.
§ 4. In geval van gegronde twijfel kan de bevoegde Belgische autoriteit de bevoegde autoriteiten van een lidstaat om een bevestiging vragen dat de aanvrager geen tijdelijk of permanent verbod heeft tot beroepsuitoefening als gevolg van ernstige beroepsfouten of strafrechtelijke veroordelingen die betrekking hebben op de uitoefening van een van zijn beroepsactiviteiten.
§ 5. Uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten van verschillende lidstaten krachtens dit artikel vindt plaats via het IMI.
Art. 28. § 1er. La demande de reconnaissance des qualifications professionnelles émanant d'un demandeur qui souhaite exercer les activités visées par la loi doit être introduite selon les modalités suivantes :
la demande est introduite auprès de l'autorité compétente belge;
la preuve de la nationalité du demandeur est jointe à la demande;
une copie de l'attestation de compétence et/ou titre de formation auxquels le demandeur se réfère et, le cas échéant, des documents prouvant l'expérience professionnelle pertinente sont joints à la demande;
la demande et les documents visés au 3° sont rédigés en français, néerlandais ou allemand ou sont accompagnés d'une traduction certifiée conforme de ces documents dans une de ces langues.
§ 2. En cas de doute justifié, l'autorité compétente belge peut exiger des autorités compétentes d'un Etat membre une confirmation de l'authenticité des attestations et des titres de formation délivrés dans cet autre Etat membre.
En cas de doute justifié, lorsqu'une autorité compétente d'un Etat membre a délivré un titre de formation, tel que défini à l'article 2, § 1er, 6°, comprenant une formation reçue en tout ou en partie dans un établissement légalement établi sur le territoire d'un autre Etat membre, l'autorité compétente belge est en droit de vérifier auprès de l'organisme compétent de l'Etat membre d'origine où la délivrance a eu lieu :
a) si la formation dispensée par l'établissement concerné a été formellement certifiée par l'établissement d'enseignement situé dans l'Etat membre d'origine où la délivrance a eu lieu;
b) si le titre de formation délivré est le même que celui qui aurait été délivré si la formation avait été entièrement suivie dans l'Etat membre d'origine où la délivrance a eu lieu; et
c) si le titre de formation délivré confère les mêmes droits d'accès à la profession sur le territoire de l'Etat membre d'origine où la délivrance a eu lieu.
§ 3. L'autorité compétente belge pourra inviter le demandeur à fournir des informations et/ou des documents complémentaires concernant sa formation ou son expérience professionnelle pertinente dans la mesure nécessaire pour déterminer son niveau et son contenu, ainsi que l'existence éventuelle de différences substantielles avec le niveau de la formation exigé en Belgique.
Si le demandeur ne peut pas fournir ces informations, l'autorité belge compétente s'adresse au point de contact, à l'autorité compétente ou à tout autre établissement pertinent de l'Etat membre d'origine.
§ 4. En cas de doute fondé, l'autorité belge compétente peut demander la confirmation aux autorités compétentes d'un Etat membre que le demandeur n'a pas d'interdiction temporaire ou permanente d'exercer la profession en raison de fautes professionnelles graves ou de condamnations pénales qui ont trait à l'exercice d'une de ses activités professionnelles.
§ 5. L'échange d'informations entre autorités compétentes de différents Etats membres a lieu par le biais de l'IMI en vertu du présent article.
Art. 29. De bevoegde Belgische autoriteit bevestigt ontvangst van het dossier aan de aanvrager binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de ontvangst en zij informeert hem, in voorkomend geval, over elk ontbrekend document.
Art. 29. L'autorité compétente belge accuse réception du dossier au demandeur dans un délai d'un mois à compter de sa réception et, le cas échéant, l'informe de tout document manquant.
Art. 30. De minister of de ambtenaar die hij hiertoe heeft aangewezen, neemt een beslissing met betrekking tot de aanvraag binnen de drie maanden nadat de volledigheid van het dossier is vastgesteld. Deze uiterste datum kan met één maand worden verlengd.
Art. 30. Le ministre ou le fonctionnaire qu'il aura désigné à cette fin prend une décision concernant la demande dans un délai de trois mois après avoir constaté que le dossier de demande est complet. Ce délai peut être prorogé d'un mois.
Afdeling 2. - Compenserende maatregelen
Section 2. - Mesures compensatoires
Art. 31. § 1. De minister of de ambtenaar die hij hiertoe heeft aangewezen kan, in één van de volgende gevallen, een beslissing tot erkenning van beroepskwalificaties verbinden aan het slagen in een bekwaamheidsproef of aan het doorlopen van een aanpassingsstage van maximum drie jaar:
a) wanneer de door hem gevolgde opleiding betrekking heeft op vakken die wezenlijk verschillen van die welke worden bestreken door de in België vereiste opleidingstitel;
b) wanneer het beroep van privédetective in België een of meer gereglementeerde beroepswerkzaamheden omvat die niet bestaan in het overeenkomstige beroep in de lidstaat van oorsprong van de aanvrager, in de zin van artikel 4, § 2, van de richtlijn, en waarvoor een opleiding in België vereist is die betrekking heeft op vakken die wezenlijk verschillen van die welke vallen onder het bekwaamheidsattest of de opleidingstitel die de aanvrager overlegt.
Indien de minister of de ambtenaar die hij hiertoe heeft aangewezen gebruik maakt van de mogelijkheid voorzien in het eerste lid, moet hij de aanvrager de keuze laten tussen de aanpassingsstage en de bekwaamheidsproef.
Alvorens deze beslissing te nemen, en wanneer deze gebaseerd is op een van de wezenlijke verschillen bedoeld onder punt a) of b) van het eerste lid, gaat de minister of de ambtenaar die hij hiertoe heeft aangewezen, na of de door de aanvrager in het kader van zijn beroepservaring in een lidstaat of derde land verworven relevante kennis deze wezenlijke verschillen geheel of gedeeltelijk kan overbruggen.
§ 2. De beslissing bedoeld in paragraaf 1 wordt naar behoren gemotiveerd. De aanvrager krijgt volgende informatie:
het in België vereiste beroepskwalificatieniveau en het door de aanvrager behaalde beroepskwalificatieniveau volgens de onderverdeling in artikel 25; en
de wezenlijke verschillen bedoeld in paragraaf 1 en de redenen waarom deze verschillen niet kunnen worden gecompenseerd door de kennis, vaardigheden en competenties welke zijn verworven door beroepservaring of een leven lang leren, en die met dat doel door een bevoegde instantie formeel zijn gevalideerd.
Art. 31. § 1er. Le ministre ou le fonctionnaire qu'il a désigné à cet effet peut, dans un des cas suivants, subordonner un décision de reconnaissance des qualifications professionnelles à la réussite d'une épreuve d'aptitude ou à un stage d'adaptation d'une durée maximale de trois ans:
a) lorsque la formation qu'il a suivie porte sur des matières substantiellement différentes de celles couvertes par le titre de formation requis en Belgique;
b) lorsque la profession de détective privé en Belgique comprend une ou plusieurs activités professionnelles réglementées qui n'existent pas dans la profession correspondante dans l'Etat membre d'origine du demandeur, au sens de l'article 4, § 2, de la directive, et que la formation requise en Belgique porte sur des matières substantiellement différentes de celles couvertes par l'attestation de compétences ou le titre de formation du demandeur.
Si le ministre ou le fonctionnaire qu'il a désigné à cet effet fait usage de la possibilité prévue à l'alinéa 1er, il doit laisser au demandeur le choix entre le stage d'adaptation et l'épreuve d'aptitude.
Avant de prendre cette décision, et lorsque celle-ci se fonde sur une des différences substantielles visées au point a) ou b) du premier alinéa, le ministre ou le fonctionnaire qu'il aura désigné à cette fin vérifie si les connaissances acquises par le demandeur au cours de son expérience professionnelle pertinente dans un Etat membre ou dans un pays tiers sont de nature à couvrir, en tout ou en partie, ces différences substantielles.
§ 2. La décision visée au paragraphe 1er est dûment justifiée. Le demandeur reçoit les informations suivantes:
le niveau de qualification professionnelle requis en Belgique et le niveau de qualification professionnelle que possède le demandeur selon la subdivision prévue à l'article 25; et
les différences essentielles visées au paragraphe 1er et les raisons pour lesquelles ces différences ne peuvent pas être comblées par les connaissances, aptitudes et compétences acquises au cours de l'expérience professionnelle ou de l'apprentissage tout au long de la vie, et ayant fait l'objet, à cette fin, d'une validation en bonne et due forme par un organisme compétent.
Art. 32. Ten behoeve van de controle van de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties van de aanvrager in het kader van de bekwaamheidsproef, stelt de bevoegde Belgische autoriteit, op basis van een vergelijking tussen de in België vereiste opleiding en de opleiding die de aanvrager heeft genoten, een lijst op van de vakgebieden die niet afgedekt worden door het diploma of de opleidingstitel(s) waarover de aanvrager beschikt.
Bij de bekwaamheidsproef moet in aanmerking worden genomen dat de aanvrager in de lidstaat van oorsprong of herkomst een gekwalificeerde beroepsbeoefenaar is. De proef heeft betrekking op vakgebieden die moeten worden gekozen uit deze die op de lijst staan en waarvan de kennis een wezenlijke voorwaarde is om het beroep van privédetective in België te kunnen uitoefenen. Deze proef kan ook betrekking hebben op de kennis van de deontologie die in België op het beroep van privédetective van toepassing is.
De minister of de ambtenaar die hij hiertoe aangewezen heeft bepaalt de nadere regelingen voor de bekwaamheidsproef, de vakken waarop deze proef betrekking heeft in functie van de wezenlijke verschillen die zijn geconstateerd, alsook de status die de aanvrager die zich op de bekwaamheidsproef in België wil voorbereiden heeft.
De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld om de bekwaamheidsproef af te leggen binnen een termijn van zes maanden na de beslissing waarbij hem dergelijke bekwaamheidsproef is opgelegd.
Art. 32. Pour permettre le contrôle des connaissances, aptitudes et compétences professionnelles du demandeur dans le cadre de l'épreuve d'aptitude, l'autorité compétente belge établit, sur la base d'une comparaison entre la formation requise en Belgique et la formation dont le demandeur a bénéficié, une liste des matières qui ne sont pas couvertes par le diplôme ou le titre de formation dont dispose le demandeur.
Dans le cadre de l'épreuve d'aptitude, il y a lieu de tenir compte du fait que le demandeur est un professionnel qualifié dans l'Etat membre d'origine. L'examen porte sur des matières à choisir parmi celles figurant sur la liste et dont la connaissance est une condition essentielle pour pouvoir exercer la profession de détective privé en Belgique. Cette épreuve peut également comprendre la connaissance de la déontologie applicable à la profession de détective privé en Belgique.
Le ministre ou le fonctionnaire qu'il désigne à cet effet détermine les modalités de l'épreuve d'aptitude, les matières sur lesquelles porte cette épreuve en fonction des différences substantielles qui ont été constatées, ainsi que le statut dont jouit le demandeur qui souhaite se préparer à l'épreuve d'aptitude en Belgique.
Le demandeur reçoit la possibilité de passer l'épreuve d'aptitude dans un délai de six mois à compter de la décision par laquelle une telle épreuve d'aptitude lui a été imposée.
Art. 33. De nadere regels voor de aanpassingsstage en de beoordeling alsmede de status van de stagiair worden door de minister of de ambtenaar die hij hiertoe aangewezen heeft vastgesteld.
Art. 33. Les modalités pour le stage d'adaptation et l'évaluation, ainsi que le statut du stagiaire sont déterminées par le ministre ou le fonctionnaire qu'il désigne à cet effet.
ONDERTITEL IV. - Talenkennis
SOUS - TITRE IV. - Connaissances linguistiques
Art. 34. De begunstigden van de erkenning van beroepskwalificaties moeten beschikken over de kennis van het Nederlands, het Frans of het Duits.
De minister of de ambtenaar die hij hiertoe aangewezen heeft kan een controle opleggen op de naleving van de verplichting bedoeld in het eerste lid als er ernstige en concrete twijfel bestaat of de beroepsbeoefenaar over voldoende talenkennis beschikt voor de beroepswerkzaamheden die hij wil uitoefenen.
Deze controle wordt slechts uitgevoerd na de erkenning van een beroepskwalificatie.
Elke controle van talenkennis dient evenredig te zijn met de uit te oefenen activiteit.
Art. 34. Les bénéficiaires de la reconnaissance des qualifications professionnelles doivent avoir la connaissance du néerlandais, du français ou de l'allemand.
Le ministre ou le fonctionnaire qu'il désigne à cet effet peut imposer un contrôle quant au respect de l'obligation visée à l'alinéa 1er s'il existe des doutes sérieux et concrets que le professionnel dispose de connaissances linguistiques suffisantes pour les prestations professionnelles qu'il souhaite exercer.
Ce contrôle n'est effectué qu'après la reconnaissance d'une qualification professionnelle.
Le contrôle linguistique doit être proportionné à l'activité à exercer.
TITEL IV. - OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
TITRE IV. - DISPOSITIONS TRANSITOIRES ET FINALES
Art. 35. De leden van de Commissie Opleiding privé-detectives die benoemd zijn onder het koninklijk besluit van 10 februari 2008 `betreffende de vereisten met betrekking tot de opleiding en de erkenning van de EG-beroepskwalificaties voor het uitoefenen van het beroep van privé-detective en de erkenning van de opleidingen' behouden hun mandaat totdat een nieuwe Commissie Opleiding privédetectives wordt ingesteld in uitvoering van dit besluit, behalve indien hun mandaat ten einde komt voor deze datum.
Art. 35. Les membres de la Commission Formation détectives privés nommés sous l'empire de l'arrêté royal du 10 février 2008 `relatif aux conditions en matière de formation et à la reconnaissance des qualifications professionnelles CE pour l'exercice de la profession de détective privé, ainsi qu'à l'agrément des formations' conservent leur mandat jusqu'à ce qu'une nouvelle Commission formation détectives privés soit créée en exécution du présent arrêté, à moins que leur mandat ne vienne à échéance avant cette date.
Art. 36. Het koninklijk besluit van 10 februari 2008 `betreffende de vereisten met betrekking tot de opleiding en de erkenning van de EG-beroepskwalificaties voor het uitoefenen van het beroep van privé-detective en de erkenning van de opleidingen' wordt opgeheven.
Art. 36. L'Arrêté royal du 10 février 2008 `relatif aux conditions en matière de formation et à la reconnaissance des qualifications professionnelles CE pour l'exercice de la profession de détective privé, ainsi qu'à l'agrément des formations' est abrogé.
Art. 37. De personen die in het bezit zijn van een certificaat afgeleverd conform het koninklijk besluit van 14 september 1992 `betreffende de uitreiking van het certificaat voor het uitoefenen van het beroep van privé-detective en de erkenning van de instellingen gemachtigd om dit certificaat af te leveren' worden beschouwd als houders van het bekwaamheidsattest dat, in toepassing van het huidig besluit, toegang geeft tot het beroep van privédetective.
Art. 37. Les personnes qui sont en possession d'un certificat délivré conformément à l'arrêté royal du 14 septembre 1992 `relatif à la délivrance d'un certificat en vue de l'exercice de la profession de détective privé et à l'agrément des organismes autorisés à délivrer ce certificat' sont considérées comme détentrices de l'attestation de compétence de détective privé qui, en vertu du présent arrêté, donne accès à l'exercice de la profession de détective privé.
Art. 38. Onze Minister die Binnenlandse Zaken onder zijn bevoegdheid heeft is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 38. Notre Ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.