Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
9 JULI 2021. - Decreet over het onderwijs XXXI
Titre
9 JUILLET 2021. - Décret relatif à l'enseignement XXXI
Documentinformatie
Numac: 2021032309
Datum: 2021-07-09
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2021032309
Date: 2021-07-09
Moniteur: Voir
Tekst (285)
Texte (285)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire.
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 4 augustus 1986 tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 4 août 1986 réglant la mise à la retraite des membres du personnel enseignant de l'enseignement universitaire et modifiant d'autres dispositions de la législation de l'enseignement
Art. 2. In artikel 2, § 1, eerste lid, van de wet van 4 augustus 1986 tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving wordt de zinsnede "tijdens hetwelk zij 65 jaar worden" vervangen door de woorden "waarin zij de wettelijke pensioenleeftijd bereiken" en wordt de zinsnede "hun 65ste verjaardag" vervangen door de woorden "het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd".
Art. 2. A l'article 2, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 4 août 1986 réglant la mise à la retraite des membres du personnel enseignant de l'enseignement universitaire et modifiant d'autres dispositions de la législation de l'enseignement, le membre de phrase " au cours de laquelle elles ont atteint l'âgé de 65 ans " est remplacé par les mots " au cours de laquelle elles ont atteint l'âge légal de la pension " et le segment de phrase " leur 65e anniversaire " est remplacé par les mots " la date à laquelle elles ont atteint l'âge légal de la pension ".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991
CHAPITRE 3. - Modification du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné
Art. 3. Aan artikel 4, § 5, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, worden een derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "In afwijking van het eerste en tweede lid is de rechtspersoon die bevoegdheid draagt voor de scholengemeenschapsinstelling bevoegd voor de aanstelling en vaste benoeming van de personeelsleden van deze instelling, evenals voor het toekennen van een afwezigheid, een verlof, een terbeschikkingstelling, een affectatie, een zorgkrediet en een loopbaanonderbreking.
  Hetzelfde geldt binnen het provinciaal onderwijs.".
Art. 3. A l'article 4, § 2, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, modifié en dernier lieu par le décret du 16 juin 2017, sont ajoutés un alinéa 3 et un alinéa 4 libellés comme suit :
  " Par dérogation aux alinéas 1er et 2, la personne morale compétente pour l'établissement de centre d'enseignement est habilitée à désigner et à nommer à titre définitif les membres du personnel de cet établissement, ainsi qu'à accorder une absence, un congé, une mise en disponibilité, une affectation, un crédit-soins ou une interruption de carrière.
  Il en va de même dans l'enseignement provincial. ".
Art. 4. In artikel 5 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1° wordt tussen de zinsnede "de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs," en de woorden "de academies voor deeltijds kunstonderwijs" de zinsnede "de scholengemeenschapsinstellingen," ingevoegd;
  2° in punt 5° wordt de zinsnede "volgens artikel 33, § 1, 4° en 5°, of artikel 84undevicies" vervangen door de zinsnede "volgens artikel 33, § 1, 4°, 5° en 6°, artikel 84undevicies of artikel 84vicies sexies, § 1, 4°, 5° en 6° ";
  3° in punt 28° wordt tussen de zinsnede "de centrumbesturen van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs," en de woorden "de centrumbesturen van de centra voor volwassenenonderwijs" de zinsnede "de rechtspersonen die bevoegdheid dragen voor de scholengemeenschapsinstellingen," ingevoegd.
Art. 4. A l'article 5 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du vendredi 15 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 1° le membre de phrase " les établissements de centre d'enseignement " est inséré entre le membre de phrase " les écoles et les centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, " et les mots " les académies d'enseignement artistique à temps partiel " ;
  2° au point 5°, le membre de phrase " en vertu de l'article 33, § 1er, 4° et 5°, ou de l'article 84undevicies " est remplacé par le membre de phrase " en vertu de l'article 33, § 1er, 4°, 5° et 6°, de l'article 84undevicies ou de l'article 84vicies sexies, § 1er, 4°, 5° et 6° " ;
  3° au point 28°, le membre de phrase " les personnes morales compétentes pour les établissements de centre d'enseignement, " est inséré entre le membre de phrase " les autorités des centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, " et les mots " les autorités des centres d'éducation des adultes ".
Art. 5. In artikel 6, § 4, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018 en gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt de zinsnede "maximaal 580 dagen" vervangen door de zinsnede "maximaal 290 dagen".
Art. 5. A l'article 6, § 4, alinéa 2, du même décret, inséré par le décret du 6 juillet 2018 et modifié par le décret du 15 mars 2019, le membre de phrase " 580 jours au maximum " est remplacé par le membre de phrase " 290 jours au maximum ".
Art. 6. In artikel 20bis, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 15 maart 2019, worden de woorden "of in voorkomend geval in de functiebeschrijving van het personeelslid" opgeheven.
Art. 6. A l'article 20bis, § 1er, alinéa 2, du même décret, inséré par le décret du 15 mars 2019, les mots " ou, le cas échéant, dans la description de fonction du membre du personnel " sont abrogés.
Art. 7. In artikel 21 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, wordt paragraaf 2 opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
  " § 2. De inrichtende macht moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.".
Art. 7. A l'article 21 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 21 décembre 2012, le paragraphe 2 est rétabli dans la rédaction suivante :
  " § 2. Le pouvoir organisateur doit toujours motiver par écrit l'expiration d'une désignation temporaire d'une durée déterminée et en informer le membre du personnel concerné. "
Art. 8. In artikel 23 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt als vermeld in paragraaf 5, als hij in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 290 dagen, waarvan 200 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  2° uiterlijk op 30 juni van het schooljaar in de instelling of instellingen of in het CLB of de CLB's waar het personeelslid de dienstanciënniteit, vermeld in punt 1°, heeft verworven voor het betrokken ambt van de eerste evaluator een positieve beoordeling gekregen hebben. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar in de instelling of instellingen of het CLB of de CLB's waar hij de in punt 1° vermelde voorwaarden bereikt geen beoordeling heeft gekregen van de eerste evaluator, wordt die voorwaarde voor die instellingen of instellingen geacht vervuld te zijn.
  De eerste evaluator kan een van de volgende beoordelingen toekennen: een positieve beoordeling, een beoordeling met werkpunten of een negatieve beoordeling.
  Als de eerste evaluator oordeelt dat het personeelslid voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven, kent hij een positieve beoordeling toe. Het tijdelijke personeelslid kan de dienstanciënniteit die hij in de instelling of in het CLB heeft verworven, inroepen voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als vermeld in het eerste lid.
  Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. De beoordeling met werkpunten heeft tot gevolg dat het tijdelijke personeelslid de dienstanciënniteit die hij in het ambt heeft verworven in de instelling of het CLB waar hij deze beoordeling heeft gekregen, nog niet kan inroepen voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als vermeld in het eerste lid. Het personeelslid moet dan nog bijkomend 200 effectieve dagen presteren, voordat hij in aanmerking komt voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens die bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten kan verhaal halen bij de inrichtende macht. De inrichtende macht gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt, rekening houdend met het traject van aanvangsbegeleiding dat het personeelslid heeft doorlopen. De inrichtende macht bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de inrichtende macht vragen om gehoord te worden. De inrichtende macht hoort in dat geval beide partijen voordat hij een beslissing neemt.
  Het tijdelijke personeelslid dat van de eerste evaluator een beoordeling met werkpunten heeft gekregen, heeft het daaropvolgende schooljaar of later in een instelling of CLB van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt waarvoor de beoordeling met werkpunten is toegekend. Dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur geldt pas nadat in toepassing van dit artikel een betrekking is toegekend aan de personeelsleden die het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven. Het tijdelijke personeelslid verliest dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het betrokken ambt als hij vanaf het ogenblik waarop hij de beoordeling met werkpunten heeft gekregen vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in een of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt, conform de werkpunten die de eerste evaluator in het verslag van de beoordeling heeft opgenomen, een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen. Uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin het tijdelijke personeelslid de bijkomende 200 effectieve dagen heeft gepresteerd, moet hij van de eerste evaluator een nieuwe beoordeling krijgen. Dat kan slechts een positieve beoordeling of een negatieve beoordeling zijn. Als het personeelslid van de eerste evaluator geen beoordeling krijgt, geldt dit als een positieve beoordeling.
  Onverminderd de toepassing van hoofdstuk Vter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een negatieve beoordeling geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de motivering worden opgenomen, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. De negatieve beoordeling heeft tot gevolg dat het tijdelijke personeelslid de dienstanciënniteit die hij in het ambt heeft verworven in de instelling of het CLB waar hij de negatieve beoordeling heeft gekregen niet kan inroepen om zich bij de inrichtende macht kandidaat te stellen voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in het ambt in kwestie, zoals bepaald in paragraaf 7. Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de negatieve beoordeling kan verhaal halen bij de inrichtende macht. De inrichtende macht gaat vervolgens na of de negatieve beoordeling redelijk en verantwoord is, rekening houdend met het traject van aanvangsbegeleiding dat het personeelslid heeft doorlopen. De inrichtende macht bevestigt of vernietigt de negatieve beoordeling. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de inrichtende macht vragen om gehoord te worden. De inrichtende macht hoort in dat geval beide partijen voordat ze een beslissing neemt.
  Als een personeelslid dat van de eerste evaluator een negatieve beoordeling heeft gekregen voor de prestaties die hij in een ambt in de instelling of het CLB heeft verricht, het daaropvolgende schooljaar of later in de instelling of het CLB waar hij deze negatieve beoordeling heeft gekregen in het betrokken ambt een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur krijgt, dan wordt de eerdere negatieve beoordeling omgezet in een beoordeling met werkpunten. Het personeelslid moet dan in het betrokken ambt in de instelling of in het CLB bijkomend 200 effectieve dagen presteren, onder de voorwaarden vermeld in het vierde en vijfde lid, voordat hij in aanmerking komt voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Bij de nieuwe tijdelijke aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt, conform de motivering die de eerste evaluator in het verslag van de negatieve beoordeling heeft opgenomen, een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen.
  De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dat akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de beoordeling in kwestie door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
  In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling. Daarbij moet alleszins rekening gehouden worden met de volgende principes:
  - een eerste evaluator kan aan een tijdelijk personeelslid dat gespreid over meerdere schooljaren in eenzelfde ambt voor bepaalde duur is aangesteld in een of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren slechts twee maal een negatieve beoordeling of een beoordeling met werkpunten toekennen. Als het personeelslid in een instelling of CLB van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort opnieuw tijdelijk wordt aangesteld voor bepaalde duur in een ambt waarvoor hij eerder al twee negatieve beoordelingen heeft gekregen, ofwel een beoordeling met werkpunten gevolgd door negatieve beoordeling heeft gekregen, ofwel een negatieve beoordeling gevolgd door een beoordeling met werkpunten heeft gekregen, dan kan de eerste evaluator in een instelling of CLB van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort in dat ambt geen derde beoordeling meer toekennen die een negatieve beoordeling is of die een beoordeling met werkpunten is. Als de eerste evaluator van dit personeelslid van mening is dat het personeelslid niet in aanmerking komt voor een nieuwe of verdere tijdelijke aanstelling, dan kan hij dit enkel doen via een evaluatie met eindconclusie onvoldoende, als vermeld in hoofdstuk Vter;
  - als een tijdelijk personeelslid in hetzelfde ambt een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur heeft in meerdere instellingen of CLB's van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren, dan tellen voor de toepassing van het hiervoor vermelde principe alle negatieve beoordelingen en beoordelingen met werkpunten die in hetzelfde schooljaar zijn toegekend samen als één beoordeling.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht waarbij het recht is verworven en waar het personeelslid van de eerste evaluator een positieve beoordeling of geen beoordeling heeft gekregen.
  Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die die door de inrichtende macht, na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De inrichtende macht deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, als vermeld in het eerste lid, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.";
  2° in paragraaf 5, vierde lid, wordt de zinsnede "maximaal 490 dagen" vervangen door de zinsnede "maximaal 200 dagen";
  3° in paragraaf 7, 2°, worden de woorden "de pedagogische entiteit" telkens vervangen door de zinsnede "de pedagogische entiteit, vermeld in artikel 47septies, § 2,";
  4° aan paragraaf 7 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat op het einde van het schooljaar een negatieve beoordeling heeft gekregen als vermeld in paragraaf 3, zesde lid, kan de diensten die hij tot dat ogenblik presteerde in de instelling waar hij de negatieve beoordeling kreeg niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of van artikel 77bis, maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor hij de negatieve beoordeling kreeg. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die hij gepresteerd heeft bij andere instellingen of CLB's van de inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap in het ambt waarvoor hij een negatieve beoordeling kreeg, niet aanwenden om in de instelling of het CLB waar hij die negatieve beoordeling kreeg het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in paragraaf 3 of in artikel 77bis.";
  5° in paragraaf 7bis, 2° en 3°, worden de woorden "de pedagogische entiteit" telkens vervangen door de zinsnede "de pedagogische entiteit, vermeld in artikel 47septies, § 2,";
  6° in paragraaf 7ter, 2°, worden de woorden "de pedagogische entiteit" telkens vervangen door de zinsnede "de pedagogische entiteit, vermeld in artikel 47septies, § 2,";
  7° in paragraaf 7quater, tweede lid, worden de woorden "de pedagogische entiteit" vervangen door de zinsnede "de pedagogische entiteit, vermeld in artikel 47septies, § 2,";
  8° aan paragraaf 7quater wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als een tijdelijk personeelslid na een negatieve beoordeling in een ambt volgens artikel 23, § 3, zesde lid, of artikel 23bis, § 3, zesde lid, opnieuw wordt aangeworven in dat ambt in de instelling of het CLB van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort waar hij voor dat ambt een negatieve beoordeling heeft gekregen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór de negatieve beoordeling presteerde.";
  9° aan paragraaf 10 wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Deze voorwaarde geldt enkel voor de instellingen of CLB's van de inrichtende macht waar het personeelslid van de eerste evaluator een positieve beoordeling of geen beoordeling heeft gekregen.".
Art. 8. A l'article 23 du même décret, remplacé par le décret du 14 février 2003 et modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Un membre du personnel a droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans une fonction visée au paragraphe 5 s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements ou CLB du même pouvoir organisateur :
  1° avoir acquis une ancienneté de service d'au moins 290 jours, dont 200 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
  2° ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation positive au plus tard le 30 juin de l'année scolaire dans le ou les établissements ou dans le ou les CLB où le membre du personnel a acquis l'ancienneté de service visée au point 1°. Si le membre du personnel n'a pas été évalué par le premier évaluateur au plus tard le 30 juin de l'année scolaire dans le ou les établissements ou dans le ou les CLB où il remplit les conditions visées au point 1°, cette condition est réputée remplie pour le ou les établissements concernés.
  Le premier évaluateur peut attribuer l'une des évaluations suivantes : une évaluation positive, une évaluation avec points d'amélioration ou une évaluation négative.
  Si le premier évaluateur juge que le membre du personnel remplit les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, il lui donne une évaluation positive. Le membre du personnel temporaire peut invoquer l'ancienneté de service acquise dans l'établissement ou le CLB pour le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue tel que visé à l'alinéa 1er.
  Sans préjudice de l'application du chapitre VIter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue et peut lui donner une évaluation avec points d'amélioration. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et les points d'amélioration, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. L'évaluation avec points d'amélioration a pour conséquence que le membre du personnel temporaire ne peut pas encore faire valoir l'ancienneté de service acquise dans la fonction exercée dans l'établissement ou le CLB où il a reçu cette évaluation pour obtenir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue telle que visée à l'alinéa premier. Dans ce cas, le membre du personnel est tenu de prester 200 jours effectifs supplémentaires avant d'être éligible au droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte pendant cette période supplémentaire comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation. Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation avec points d'amélioration peut introduire un recours auprès du pouvoir organisateur. Le pouvoir organisateur examine ensuite si l'évaluation avec points d'amélioration est raisonnable et si elle justifie le report du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et ce, en tenant compte du parcours suivi par le membre du personnel lors de l'encadrement initial. Le pouvoir organisateur confirme ou annule l'évaluation avec points d'amélioration. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au pouvoir organisateur d'être entendus. Dans ce cas, le pouvoir organisateur entend les deux parties avant de prendre une décision.
  Tout membre du personnel temporaire ayant reçu une évaluation avec points d'amélioration de la part du premier évaluateur a droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans la fonction pour laquelle l'évaluation avec points d'amélioration lui a été attribuée, et ce, l'année scolaire suivante ou ultérieurement, dans un établissement ou CLB du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement. Ce droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée ne vaut qu'après qu'un emploi a été attribué - en application du présent article - aux membres du personnel qui ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue. Le membre du personnel temporaire perd ce droit à une nouvelle désignation à durée déterminée dans la fonction concernée lorsque, à compter du moment où il a reçu l'évaluation avec points d'amélioration, il n'a pas presté de services pendant cinq années scolaires consécutives dans un ou plusieurs établissements ou CLB du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement. Lors d'une nouvelle désignation du membre du personnel dans la fonction concernée, il est établi, conformément aux points d'amélioration repris par le premier évaluateur dans le rapport d'évaluation, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant cette période supplémentaire. Au plus tard le 30 juin de l'année scolaire durant laquelle le membre du personnel temporaire a presté les 200 jours effectifs supplémentaires, celui-ci doit recevoir une nouvelle évaluation de la part du premier évaluateur. Il ne peut s'agir alors que d'une évaluation soit positive, soit négative. Si le membre du personnel ne reçoit aucune évaluation de la part du premier évaluateur, il est réputé avoir reçu une évaluation positive.
  Sans préjudice de l'application du chapitre Vter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et peut lui donner une évaluation négative. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et ce qui la motive, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. L'évaluation négative a pour conséquence que le membre du personnel temporaire ne peut pas faire valoir l'ancienneté de service acquise dans la fonction exercée dans l'établissement ou le CLB où il a reçu cette évaluation négative pour se porter candidat auprès du pouvoir organisateur au droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans la fonction concernée telle que visée au paragraphe 7. Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation négative peut introduire un recours auprès du pouvoir organisateur. Le pouvoir organisateur examine ensuite si l'évaluation négative est raisonnable et justifiée en tenant compte du parcours suivi par le membre du personnel lors de l'encadrement initial. Le pouvoir organisateur confirme ou annule l'évaluation négative. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au pouvoir organisateur d'être entendus. Dans ce cas, le pouvoir organisateur entend les deux parties avant de prendre une décision.
  Si le membre du personnel qui a reçu une évaluation négative de la part du premier évaluateur pour ses prestations réalisées dans le cadre de la fonction exercée dans l'établissement ou le CLB reçoit, l'année scolaire suivante ou ultérieurement, une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans l'établissement ou le CLB où il a reçu cette évaluation négative, l'évaluation négative précédente est convertie en évaluation avec points d'amélioration. Dans ce cas, le membre du personnel est tenu de prester 200 jours effectifs supplémentaires dans l'établissement ou le CLB, selon les conditions visées aux alinéas 4 et 5, avant d'être éligible au droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue. Lors de la nouvelle désignation du membre du personnel dans la fonction concernée, il est établi, conformément aux motifs repris par le premier évaluateur dans le rapport d'évaluation négative, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant cette période supplémentaire.
  L'instance compétente du culte concerné ou de la morale non confessionnelle doit également donner son accord à l'évaluation de l'enseignant de cours philosophiques pour ce qui est des aspects techniques et du contenu du cours enseigné. Cet accord est attesté par la signature de cette partie de l'évaluation en question par un représentant de l'instance compétente.
  Quant à l'évaluation, des arrangements généraux sont négociés au sein du comité local compétent. A cet égard, il y a lieu de tenir compte au moins des principes suivants :
  - un premier évaluateur ne peut attribuer que deux fois une évaluation négative ou une évaluation avec points d'amélioration à un membre du personnel temporaire désigné pour un temps déterminé réparti sur plusieurs années scolaires dans la même fonction dans un ou plusieurs établissements ou CLB n'appartenant pas à un centre d'enseignement. Si le membre du personnel est de nouveau désigné à titre temporaire et pour une durée déterminée dans un établissement ou CLB du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement dans la fonction pour laquelle il a précédemment déjà reçu deux évaluations négatives ou une évaluation avec points d'amélioration suivie d'une évaluation négative ou une évaluation négative suivie d'une évaluation avec points d'amélioration, le premier évaluateur ne peut alors pas attribuer à cette fonction exercée dans un établissement ou CLB du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement une troisième évaluation qui serait une évaluation négative ou une évaluation avec points d'amélioration. Si le premier évaluateur de ce membre du personnel est d'avis que ce membre du personnel n'est pas éligible à une nouvelle désignation temporaire ou à la poursuite d'une désignation temporaire, il ne peut le signifier qu'au moyen d'une évaluation avec la conclusion finale " insuffisant ", telle que visée au chapitre Vter ;
  - lorsqu'un membre du personnel temporaire a une désignation temporaire à durée déterminée dans la même fonction au sein de plusieurs établissements ou CLB du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement, il est alors considéré, pour l'application du principe précité, que toutes les évaluations négatives et évaluations avec point d'amélioration attribuées durant la même année scolaire forment ensemble une évaluation unique.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut pour les emplois dans tous les établissements ou CLB du pouvoir organisateur où ce droit est acquis et où le membre du personnel a reçu soit une évaluation positive, soit aucune évaluation, de la part du premier évaluateur.
  Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du pouvoir organisateur. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le pouvoir organisateur après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le pouvoir organisateur fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis. Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions visées à l'alinéa premier, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge. " ;
  2° au paragraphe 5, alinéa 4, le membre de phrase " 490 jours au maximum " est remplacé par le membre de phrase " 200 jours au maximum " ;
  3° au paragraphe 7, 2°, les mots " l'entité pédagogique " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " l'entité pédagogique visée à l'article 47septies, § 2, " ;
  4° au paragraphe 7, il est ajouté un deuxième alinéa, libellé comme suit :
  " Un membre du personnel désigné pour une durée déterminée et qui, à la fin de l'année scolaire, a reçu une évaluation négative comme visé au paragraphe 3, alinéa 6, ne peut plus prendre en considération les services prestés jusqu'à ce moment dans l'établissement où il a reçu l'évaluation négative pour le calcul de l'ancienneté telle que visée aux paragraphes 3 et 4 du présent article ou à l'article 77bis. Cette restriction est limitée aux services prestés dans la fonction pour laquelle il a reçu une évaluation négative. Le membre du personnel ne peut en outre utiliser les services qu'il a prestés dans d'autres établissements ou CLB du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement dans la fonction pour laquelle il a reçu une évaluation négative pour invoquer dans l'établissement ou CLB où il a reçu l'évaluation négative le droit à une désignation temporaire de durée ininterrompue telle que visée au paragraphe 3 ou à l'article 77bis. " ;
  5° au paragraphe 7bis, 2° et 3°, les mots " l'entité pédagogique " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " l'entité pédagogique visée à l'article 47septies, § 2, " ;
  6° au paragraphe 7ter, 2°, les mots " l'entité pédagogique " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " l'entité pédagogique visée à l'article 47septies, § 2, " ;
  7° au paragraphe 7quater, alinéa 2, les mots " l'entité pédagogique " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " l'entité pédagogique visée à l'article 47septies, § 2, " ;
  8° au paragraphe 7quater, il est ajouté un alinéa 3, libellé comme suit :
  " Lorsqu'un membre du personnel, après une évaluation négative dans une fonction telle que visée à l'article 23, § 3, alinéa 6, ou à l'article 23bis, § 3, alinéa 6, est de nouveau engagé, dans cette même fonction, dans l'établissement ou CLB du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement et où il a reçu une évaluation négative pour cette fonction, il peut de nouveau invoquer pour le droit à une désignation temporaire de durée ininterrompue les services qu'il a prestés avant l'évaluation négative. " ;
  9° au paragraphe 10, il est ajouté une phrase, libellée comme suit :
  " Cette condition vaut uniquement pour les établissements ou CLB du pouvoir organisateur où le membre du personnel a reçu soit une évaluation positive, soit aucune évaluation, de la part du premier évaluateur. ".
Art. 9. In artikel 23bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in paragraaf 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 290 dagen, waarvan 200 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  2° uiterlijk op 30 juni van het schooljaar in de instelling of instellingen waar het personeelslid de dienstanciënniteit, vermeld in punt 1°, heeft verworven voor het betrokken ambt van de eerste evaluator een positieve beoordeling gekregen hebben. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar in de instelling of instellingen waar hij de in punt 1° vermelde voorwaarden bereikt geen beoordeling heeft gekregen van de eerste evaluator, wordt die voorwaarde voor die instellingen of instellingen geacht vervuld te zijn.
  De eerste evaluator kan een van de volgende beoordelingen toekennen: een positieve beoordeling, een beoordeling met werkpunten of een negatieve beoordeling.
  Als de eerste evaluator oordeelt dat het personeelslid voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven, kent hij een positieve beoordeling toe. Het tijdelijke personeelslid kan de dienstanciënniteit die hij in de instelling heeft verworven, inroepen voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, als vermeld in het eerste lid.
  Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. De beoordeling met werkpunten heeft tot gevolg dat het tijdelijke personeelslid de dienstanciënniteit die hij in het ambt heeft verworven in de instelling waar hij deze beoordeling heeft gekregen, nog niet kan inroepen voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, als vermeld in het eerste lid. Het personeelslid moet dan nog bijkomend 200 effectieve dagen presteren, voordat hij in aanmerking komt voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens die bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten kan verhaal halen bij de inrichtende macht. De inrichtende macht gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt, rekening houdend met het traject van aanvangsbegeleiding dat het personeelslid heeft doorlopen. De inrichtende macht bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de inrichtende macht vragen om gehoord te worden. De inrichtende macht hoort in dat geval beide partijen voordat hij een beslissing neemt.
  Het tijdelijke personeelslid dat van de eerste evaluator een beoordeling met werkpunten heeft gekregen, heeft het daaropvolgende schooljaar of later in een instelling van de scholengemeenschap recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt waarvoor de beoordeling met werkpunten is toegekend. Dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur geldt pas nadat in toepassing van dit artikel een betrekking is toegekend aan de personeelsleden die het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven. Het tijdelijke personeelslid verliest dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het betrokken ambt als hij vanaf het ogenblik waarop hij de beoordeling met werkpunten heeft gekregen vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in een of meer instellingen van de scholengemeenschap. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt, conform de werkpunten die de eerste evaluator in het verslag van de beoordeling heeft opgenomen, een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen. Uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin het tijdelijke personeelslid de bijkomende 200 effectieve dagen heeft gepresteerd, moet hij van de eerste evaluator een nieuwe beoordeling krijgen. Dat kan slechts een positieve beoordeling of een negatieve beoordeling zijn. Als het personeelslid van de eerste evaluator geen beoordeling krijgt, geldt dit als een positieve beoordeling.
  Onverminderd de toepassing van hoofdstuk Vter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een negatieve beoordeling geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de motivering worden opgenomen, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. De negatieve beoordeling heeft tot gevolg dat het tijdelijke personeelslid de dienstanciënniteit die hij in het ambt heeft verworven in de instelling waar hij de negatieve beoordeling heeft gekregen niet kan inroepen om zich bij de inrichtende macht kandidaat te stellen voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in het ambt in kwestie, zoals bepaald in paragraaf 7. Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de negatieve beoordeling kan verhaal halen bij de inrichtende macht. De inrichtende macht gaat vervolgens na of de negatieve beoordeling redelijk en verantwoord is, rekening houdend met het traject van aanvangsbegeleiding dat het personeelslid heeft doorlopen. De inrichtende macht bevestigt of vernietigt de negatieve beoordeling. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de inrichtende macht vragen om gehoord te worden. De inrichtende macht hoort in dat geval beide partijen voordat ze een beslissing neemt.
  Als een personeelslid dat van de eerste evaluator een negatieve beoordeling heeft gekregen voor de prestaties die hij in een ambt in de instelling heeft verricht, het daaropvolgende schooljaar of later in de instelling waar hij deze negatieve beoordeling heeft gekregen in het betrokken ambt een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur krijgt, dan wordt de eerdere negatieve beoordeling omgezet in een beoordeling met werkpunten. Het personeelslid moet dan in het betrokken ambt in de instelling bijkomend 200 effectieve dagen presteren, onder de voorwaarden vermeld in het vierde en vijfde lid, voordat hij in aanmerking komt voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Bij de nieuwe tijdelijke aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt, conform de motivering die de eerste evaluator in het verslag van de negatieve beoordeling heeft opgenomen, een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen.
  De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dat akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de beoordeling in kwestie door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
  In het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling. Daarbij moet alleszins rekening gehouden worden met de volgende principes:
  - een eerste evaluator kan aan een tijdelijk personeelslid dat gespreid over meerdere schooljaren in eenzelfde ambt voor bepaalde duur is aangesteld in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap slechts twee maal een negatieve beoordeling of een beoordeling met werkpunten toekennen. Als het personeelslid in een instelling van de scholengemeenschap opnieuw tijdelijk wordt aangesteld voor bepaalde duur in een ambt waarvoor hij eerder al twee negatieve beoordelingen heeft gekregen, ofwel een beoordeling met werkpunten gevolgd door negatieve beoordeling heeft gekregen, ofwel een negatieve beoordeling gevolgd door een beoordeling met werkpunten heeft gekregen, dan kan de eerste evaluator in een instelling van de scholengemeenschap in dat ambt geen derde beoordeling meer toekennen die een negatieve beoordeling is of een beoordeling met werkpunten is. Als de eerste evaluator van dit personeelslid van mening is dat het personeelslid niet in aanmerking komt voor een nieuwe of verdere tijdelijke aanstelling, dan kan hij dit enkel doen via een evaluatie met eindconclusie onvoldoende als vermeld in hoofdstuk Vter;
  - als een tijdelijk personeelslid in hetzelfde ambt een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur heeft in meerdere instellingen van dezelfde scholengemeenschap, dan tellen voor de toepassing van het hiervoor vermelde principe alle negatieve beoordelingen en beoordelingen met werkpunten die in hetzelfde schooljaar zijn toegekend samen als één beoordeling.
  Als het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in een of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dat recht voor betrekkingen in de instelling of instellingen waar het personeelslid van de eerste evaluator een positieve beoordeling heeft gekregen, evenals in alle instellingen van die scholengemeenschap waar het personeelslid van de eerste evaluator geen beoordeling heeft gekregen.
  Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de scholengemeenschap, na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De scholengemeenschap deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie.
  Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan die waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven.
  Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, als vermeld in het eerste lid, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.";
  2° in paragraaf 5, vierde lid, wordt de zinsnede "maximaal 490 dagen" vervangen door de zinsnede "maximaal 200 dagen";
  3° in paragraaf 7, 2°, worden de woorden "de pedagogische entiteit" telkens vervangen door de zinsnede "de pedagogische entiteit, vermeld in artikel 47septies, § 2,";
  4° aan paragraaf 7 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat op het einde van het schooljaar een negatieve beoordeling heeft gekregen, als vermeld in paragraaf 3, zesde lid, kan de diensten die hij tot dat ogenblik presteerde in de instelling waar hij de negatieve beoordeling kreeg niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of van artikel 77ter, maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor hij de negatieve beoordeling kreeg. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die hij gepresteerd heeft bij andere instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarvoor hij een negatieve beoordeling kreeg, niet aanwenden om in de instelling waar hij die negatieve beoordeling kreeg het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in paragraaf 3 of in artikel 77ter.";
  5° in paragraaf 7bis, 2° en 3°, worden de woorden "de pedagogische entiteit" telkens vervangen door de zinsnede "de pedagogische entiteit, vermeld in artikel 47septies, § 2,";
  6° in paragraaf 7ter, 2°, worden de woorden "de pedagogische entiteit" telkens vervangen door de zinsnede "de pedagogische entiteit, vermeld in artikel 47septies, § 2,";
  7° in paragraaf 7quater, tweede lid, worden de woorden "de pedagogische entiteit" vervangen door de zinsnede "de pedagogische entiteit, vermeld in artikel 47septies, § 2,";
  8° aan paragraaf 7quater wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als een tijdelijk personeelslid na een negatieve beoordeling in een ambt volgens artikel 23, § 3, zesde lid, of artikel 23bis, § 3, zesde lid, opnieuw wordt aangeworven in dat ambt in de instelling waar hij voor dat ambt een negatieve beoordeling heeft gekregen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór de negatieve beoordeling presteerde.";
  9° aan paragraaf 10 wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Deze voorwaarde geldt enkel voor de instellingen van de scholengemeenschap waar het personeelslid van de eerste evaluator een positieve beoordeling of geen beoordeling heeft gekregen.".
Art. 9. A l'article 23bis du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998, remplacé par le décret du 14 février 2003 et modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Un membre du personnel a droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans une fonction visée au paragraphe 5 s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement :
  1° avoir acquis une ancienneté de service d'au moins 290 jours, dont 200 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
  2° ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation positive au plus tard le 30 juin de l'année scolaire dans le ou les établissements où le membre du personnel a acquis l'ancienneté de service visée au point 1°. Si le membre du personnel n'a pas été évalué par le premier évaluateur au plus tard le 30 juin de l'année scolaire dans le ou les établissements où il remplit les conditions visées au point 1°, cette condition est réputée remplie pour le ou les établissements concernés.
  Le premier évaluateur peut attribuer l'une des évaluations suivantes : une évaluation positive, une évaluation avec points d'amélioration ou une évaluation négative.
  Si le premier évaluateur juge que le membre du personnel remplit les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, il lui donne une évaluation positive. Le membre du personnel temporaire peut invoquer l'ancienneté de service acquise dans l'établissement pour le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue telle que visée à l'alinéa 1er.
  Sans préjudice de l'application du chapitre VIter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue et peut lui donner une évaluation avec points d'amélioration. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et les points d'amélioration, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. L'évaluation avec points d'amélioration a pour conséquence que le membre du personnel temporaire ne peut pas encore faire valoir l'ancienneté de service acquise dans la fonction exercée dans l'établissement où il a reçu cette évaluation pour obtenir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue telle que visée à l'alinéa premier. Dans ce cas, le membre du personnel est tenu de prester 200 jours effectifs supplémentaires avant d'être éligible au droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte pendant cette période supplémentaire comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation. Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation avec points d'amélioration peut introduire un recours auprès du pouvoir organisateur. Le pouvoir organisateur examine ensuite si l'évaluation avec points d'amélioration est raisonnable et si elle justifie le report du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et ce, en tenant compte du parcours suivi par le membre du personnel lors de l'encadrement initial. Le pouvoir organisateur confirme ou annule l'évaluation avec points d'amélioration. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au pouvoir organisateur d'être entendus. Dans ce cas, le pouvoir organisateur entend les deux parties avant de prendre une décision.
  Tout membre du personnel temporaire ayant reçu une évaluation avec points d'amélioration de la part du premier évaluateur a droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans la fonction pour laquelle l'évaluation avec points d'amélioration lui a été attribuée, et ce, l'année scolaire suivante ou ultérieurement, dans un établissement du centre d'enseignement. Ce droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée ne vaut qu'après qu'un emploi a été attribué - en application du présent article - aux membres du personnel qui ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue. Le membre du personnel temporaire perd ce droit à une nouvelle désignation à durée déterminée dans la fonction concernée lorsque, à compter du moment où il a reçu l'évaluation avec points d'amélioration, il n'a pas presté de services pendant cinq années scolaires consécutives dans un ou plusieurs établissements du centre d'enseignement. Lors d'une nouvelle désignation du membre du personnel dans la fonction concernée, il est établi, conformément aux points d'amélioration repris par le premier évaluateur dans le rapport d'évaluation, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant cette période supplémentaire. Au plus tard le 30 juin de l'année scolaire durant laquelle le membre du personnel temporaire a presté les 200 jours effectifs supplémentaires, celui-ci doit recevoir une nouvelle évaluation de la part du premier évaluateur. Il ne peut s'agir alors que d'une évaluation soit positive, soit négative. Si le membre du personnel ne reçoit aucune évaluation de la part du premier évaluateur, il est réputé avoir reçu une évaluation positive.
  Sans préjudice de l'application du chapitre Vter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et peut lui donner une évaluation négative. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et ce qui la motive, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. L'évaluation négative a pour conséquence que le membre du personnel temporaire ne peut pas faire valoir l'ancienneté de service acquise dans la fonction exercée dans l'établissement où il a reçu cette évaluation négative pour se porter candidat auprès du pouvoir organisateur au droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans la fonction concernée telle que visée au paragraphe 7. Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation négative peut introduire un recours auprès du pouvoir organisateur. Le pouvoir organisateur examine ensuite si l'évaluation négative est raisonnable et justifiée en tenant compte du parcours suivi par le membre du personnel lors de l'encadrement initial. Le pouvoir organisateur confirme ou annule l'évaluation négative. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au pouvoir organisateur d'être entendus. Dans ce cas, le pouvoir organisateur entend les deux parties avant de prendre une décision.
  Si le membre du personnel qui a reçu une évaluation négative de la part du premier évaluateur pour ses prestations réalisées dans le cadre de la fonction exercée dans l'établissement reçoit, l'année scolaire suivante ou ultérieurement, une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans l'établissement où il a reçu cette évaluation négative, l'évaluation négative précédente est convertie en évaluation avec points d'amélioration. Dans ce cas, le membre du personnel est tenu de prester 200 jours effectifs supplémentaires dans l'établissement, selon les conditions visées aux alinéas 4 et 5, avant d'être éligible au droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue. Lors de la nouvelle désignation du membre du personnel dans la fonction concernée, il est établi, conformément aux motifs repris par le premier évaluateur dans le rapport d'évaluation négative, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant cette période supplémentaire.
  L'instance compétente du culte concerné ou de la morale non confessionnelle doit également donner son accord à l'évaluation de l'enseignant de cours philosophiques pour ce qui est des aspects techniques et du contenu du cours enseigné. Cet accord est attesté par la signature de cette partie de l'évaluation en question par un représentant de l'instance compétente.
  Quant à l'évaluation, des arrangements généraux sont négociés au sein du comité local compétent du centre d'enseignement. A cet égard, il y a lieu de tenir compte au moins des principes suivants :
  - un premier évaluateur ne peut attribuer que deux fois une évaluation négative ou une évaluation avec points d'amélioration à un membre du personnel temporaire désigné pour un temps déterminé réparti sur plusieurs années scolaires dans la même fonction dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement. Si le membre du personnel est de nouveau désigné à titre temporaire et pour une durée déterminée dans un établissement du centre d'enseignement dans la fonction pour laquelle il a précédemment déjà reçu deux évaluations négatives ou une évaluation avec points d'amélioration suivie d'une évaluation négative ou une évaluation négative suivie d'une évaluation avec points d'amélioration, le premier évaluateur ne peut alors pas attribuer à cette fonction exercée dans un établissement du centre d'enseignement une troisième évaluation qui serait une évaluation négative ou une évaluation avec points d'amélioration. Si le premier évaluateur de ce membre du personnel est d'avis que ce membre du personnel n'est pas éligible à une nouvelle désignation temporaire ou à la poursuite d'une désignation temporaire, il ne peut le signifier qu'au moyen d'une évaluation avec la conclusion finale " insuffisant ", telle que visée au chapitre Vter ;
  - lorsqu'un membre du personnel temporaire a une désignation temporaire à durée déterminée dans la même fonction au sein de plusieurs établissements du même centre d'enseignement, il est alors considéré, pour l'application du principe précité, que toutes les évaluations négatives et évaluations avec point d'amélioration attribuées durant la même année scolaire forment ensemble une évaluation unique.
  Si le membre du personnel a acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans un ou plusieurs établissements d'un centre d'enseignement, ce droit vaut alors pour les emplois dans tous les établissements de ce centre d'enseignement où le membre du personnel a reçu soit une évaluation positive, soit aucune évaluation, de la part du premier évaluateur.
  Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du pouvoir organisateur d'un des établissements du centre d'enseignement. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le centre d'enseignement après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le centre d'enseignement fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis et pour tous les établissements du centre d'enseignement en question.
  Lorsque le membre du personnel a presté des services auprès d'un autre pouvoir organisateur que celui auprès duquel il introduit sa candidature, il ajoute à sa candidature une liste des services déjà prestés afin de justifier l'exercice de son droit à une désignation à durée ininterrompue.
  Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions visées à l'alinéa premier, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge. " ;
  2° au paragraphe 5, alinéa 4, le membre de phrase " 490 jours au maximum " est remplacé par le membre de phrase " 200 jours au maximum " ;
  3° au paragraphe 7, 2°, les mots " l'entité pédagogique " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " l'entité pédagogique visée à l'article 47septies, § 2, " ;
  4° au paragraphe 7, il est ajouté un alinéa libellé comme suit :
  " Un membre du personnel désigné pour une durée déterminée et qui, à la fin de l'année scolaire, a reçu une évaluation négative comme visé au paragraphe 3, alinéa 6, ne peut plus prendre en considération les services prestés jusqu'à ce moment dans l'établissement où il a reçu l'évaluation négative pour le calcul de l'ancienneté telle que visée aux paragraphes 3 et 4 du présent article ou à l'article 77ter. Cette restriction est limitée aux services prestés dans la fonction pour laquelle il a reçu une évaluation négative. Le membre du personnel ne peut en outre utiliser les services qu'il a prestés dans d'autres établissements du centre d'enseignement dans la fonction pour laquelle il a reçu une évaluation négative pour invoquer dans l'établissement où il a reçu l'évaluation négative le droit à une désignation temporaire de durée ininterrompue telle que visée au paragraphe 3 ou à l'article 77ter. " ;
  5° au paragraphe 7bis, 2° et 3°, les mots " l'entité pédagogique " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " l'entité pédagogique visée à l'article 47septies, § 2, " ;
  6° au paragraphe 7ter, 2°, les mots " l'entité pédagogique " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " l'entité pédagogique visée à l'article 47septies, § 2, " ;
  7° au paragraphe 7quater, alinéa 2, les mots " l'entité pédagogique " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " l'entité pédagogique visée à l'article 47septies, § 2, " ;
  8° au paragraphe 7quater, il est ajouté un alinéa 3, libellé comme suit :
  " Lorsqu'un membre du personnel, après une évaluation négative dans une fonction telle que visée à l'article 23, § 3, alinéa 6, ou à l'article 23bis, § 3, alinéa 6, est de nouveau engagé, dans cette même fonction, dans l'établissement où il a reçu une évaluation négative pour cette fonction, il peut de nouveau invoquer pour le droit à une désignation temporaire de durée ininterrompue les services qu'il a prestés avant l'évaluation négative. " ;
  9° au paragraphe 10, il est ajouté une phrase, libellée comme suit :
  " Cette condition vaut uniquement pour les établissements du centre d'enseignement où le membre du personnel a reçu soit une évaluation positive, soit aucune évaluation, de la part du premier évaluateur. ".
Art. 10. In artikel 25, vierde lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 25 april 2014, wordt de zin "Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 69." vervangen door de zin "Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen vanaf de dag nadat de post de schriftelijke mededeling van het ontslag om dringende redenen voor het eerst heeft aangeboden, met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 69.".
Art. 10. A l'article 25, alinéa 4, du même décret, remplacé par le décret du 25 avril 2014, la phrase " Dans les cinq jours calendrier de la réception du licenciement pour motif grave, le membre du personnel peut introduire par lettre recommandée un recours auprès de la chambre de recours compétente visée à l'article 69. " est remplacée par la phrase " Dans les cinq jours calendrier à compter du jour de la première présentation par la poste de la notification écrite du licenciement pour motif grave, le membre du personnel peut introduire par lettre recommandée un recours auprès de la chambre de recours compétente visée à l'article 69. ".
Art. 11. In artikel 31 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003 en gewijzigd bij de decreten van 7 juli 2006, 6 juli 2018 en 15 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° op 31 augustus voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat ten minste 360 dagen dienstanciënniteit heeft in het bedoelde ambt bij de inrichtende macht. De inrichtende macht kan ook dienstanciënniteit in aanmerking nemen die het personeelslid heeft verworven in instellingen die tot een andere inrichtende macht behoren. Als het een leraar betreft in het bezit van een voldoende geacht of gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs moeten de 360 dagen zijn gepresteerd in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;";
  2° in paragraaf 1, eerste lid, 3°, wordt de zin "Behoort de instelling of het CLB waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren." vervangen door de zin "Behoort de instelling of het CLB waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren, maar niet voor die instelling of instellingen waar het personeelslid van de eerste evaluator als laatste beoordeling een negatieve beoordeling heeft gekregen, als vermeld in artikel 23, § 3, of in artikel 23bis, § 3, tenzij de inrichtende macht instemt met een vaste benoeming in de instelling.";
  3° in paragraaf 1, eerste lid, 3°, wordt de zin "Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengemeenschap." vervangen door de zin "Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengemeenschap, maar niet voor die instelling of instellingen waar het personeelslid van de eerste evaluator als laatste beoordeling een negatieve beoordeling heeft gekregen, als vermeld in artikel 23, § 3, of in artikel 23bis, § 3, tenzij de inrichtende macht instemt met een vaste benoeming in de instelling.";
  4° paragraaf 5 wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
  " § 5. De inrichtende macht legt criteria vast die ze zal hanteren om een vaste benoeming toe te kennen als er meerdere personeelsleden zijn die zich kandidaat hebben gesteld voor eenzelfde betrekking. Deze criteria worden onderhandeld in het daartoe bevoegde lokaal comité.";
  5° paragraaf 7 wordt opgeheven.
Art. 11. A l'article 31 du même décret, remplacé par le décret du 14 février 2003 et modifié par les décrets des 6 juillet 2018 et 15 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° compter au moins 360 jours d'ancienneté de service dans la fonction concernée exercée auprès du pouvoir organisateur le 31 août qui précède la date à laquelle la nomination prend cours. Le pouvoir organisateur peut également prendre en compte l'ancienneté de service acquise par le membre du personnel dans des établissements appartenant à un autre pouvoir organisateur. S'il s'agit d'un professeur porteur d'un titre de capacité jugé suffisant ou équivalent, les 360 jours doivent avoir été prestés dans la formation, le module, le cours ou la spécialité de l'emploi déclaré vacant ; "
  2° au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°, la phrase " Si l'établissement ou le CLB auquel le membre du personnel est désigné pour une durée ininterrompue n'appartient pas à un centre d'enseignement, le membre du personnel remplit cette condition pour tous les établissements ou CLB du pouvoir organisateur qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement. " est remplacée par la phrase " Si l'établissement ou le CLB auquel le membre du personnel est désigné pour une durée ininterrompue n'appartient pas à un centre d'enseignement, le membre du personnel remplit cette condition pour tous les établissements ou CLB du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement, mais pas pour le ou les établissements où le membre du personnel a reçu pour dernière évaluation de la part du premier évaluateur une évaluation négative telle que visée à l'article 23, § 3, ou à l'article 23bis, § 3, à moins que le pouvoir organisateur n'accepte une nomination à titre définitif dans l'établissement. " ;
  3° au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°, la phrase " Si l'établissement auquel le membre du personnel est désigné pour une durée ininterrompue appartient à un centre d'enseignement, le membre du personnel remplit cette condition pour tous les établissements du centre d'enseignement. " est remplacée par la phrase " Si l'établissement auquel le membre du personnel est désigné pour une durée ininterrompue appartient à un centre d'enseignement, le membre du personnel remplit cette condition pour tous les établissements du centre d'enseignement, mais pas pour le ou les établissements où le membre du personnel a reçu pour dernière évaluation de la part du premier évaluateur une évaluation négative telle que visée à l'article 23, § 3, ou à l'article 23bis, § 3, à moins que le pouvoir organisateur n'accepte une nomination à titre définitif dans l'établissement. " ;
  4° le paragraphe 5 est rétabli dans la rédaction suivante :
  " § 5. Le pouvoir organisateur établit des critères qu'il utilisera pour attribuer une nomination à titre définitif lorsque plusieurs membres du personnel se sont portés candidat pour un même emploi. Ces critères sont négociés au sein du comité local compétent. " ;
  5° le paragraphe 7 est abrogé.
Art. 12. In artikel 33 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1, eerste lid, wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "6° de betrekking of het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 oktober van dat schooljaar voor een volledig schooljaar afwezig is omwille van een of meer van volgende verlofstelsels:
  a) verlof wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in artikel 51quater van dit decreet;
  b) verlof wegens opdracht zoals bepaald in artikel 51quater van dit decreet;
  c) verlof voor vakbondsopdrachten zoals bepaald in artikel 53 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs of zoals bepaald in het koninklijk besluit van 16 december 1981 betreffende het syndicaal verlof in het gesubsidieerd onderwijs;
  d) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschapsof gewestregering, van een lid van de Federale Regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de Federale Regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
  e) verlof erkende politieke groepen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medischsociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen en of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
  f) politiek verlof zoals bepaald in artikel 29 tot en met artikel 36bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;
  g) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
  h) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties.";
  2° in paragraaf 4 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, bepaalt de inrichtende macht afzonderlijk voor haar Centra voor Volwassenenonderwijs en voor haar academies voor deeltijds kunstonderwijs jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onderhandelingen in het bevoegde lokale onderhandelingscomité welke vacante betrekkingen ze meedeelt in respectievelijk de centra voor volwassenenonderwijs en de academies voor deeltijds kunstonderwijs.";
  b) in het tweede lid wordt de zinsnede "vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4° en 5°, " vervangen door de zinsnede "vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, 5° en 6°, ".
Art. 12. A l'article 33 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, il est ajouté un point 6°, libellé comme suit :
  " 6° L'emploi ou la partie de l'emploi dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant d'un membre du personnel nommé à titre définitif pour lequel ce membre du personnel est, au 15 octobre de l'année scolaire en question, absent pour une année scolaire complète en raison d'un ou de plusieurs régimes de congés suivants :
  a) congé pour mission spéciale, tel que visé à l'article 51quater du présent décret ;
  b) congé pour mission, tel que visé à l'article 51quater du présent décret ;
  c) congé pour activité syndicale tel que visé à l'article 53 du décret du 5 avril 1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné ou tel que visé à l'arrêté royal du 16 décembre 1981 concernant le congé syndical dans l'enseignement subventionné ;
  d) congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel tel que visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel d'un membre d'un gouvernement de communauté ou de région, d'un membre du Gouvernement fédéral ou d'un secrétaire d'Etat régional, et auprès d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale de la politique et d'une cellule de politique générale auprès d'un membre du Gouvernement fédéral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves ;
  e) congé groupes politiques reconnus tel que visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 1991 relatif au congé accordé aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux pour accomplir certaines prestations au bénéfice de groupes politiques reconnus dans les chambres législatives de l'Etat, des Communautés ou des Régions, ou au bénéfice des présidents de ces groupes ;
  f) congé politique tel que visé aux articles 29 à 36bis inclus du décret du 28 avril 1993 relatif à l'enseignement IV ;
  g) congé pour prestations réduites tel que visé au chapitre II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés et aux absences pour prestations réduites ;
  h) absence pour prestations réduites telle que visée au chapitre III de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés et aux absences pour prestations réduites. " ;
  2° au paragraphe 4, les modifications suivantes sont apportées :
  a) l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, le pouvoir organisateur détermine chaque année, d'une part pour ses centres d'éducation des adultes et d'autre part pour ses académies d'enseignement artistique à temps partiel, sur la base d'un plan directeur et après négociations au sein du comité local de négociation compétent, quels sont les emplois pour lesquels il fait une déclaration de vacance respectivement dans ses centres d'éducation des adultes et dans ses académies d'enseignement artistique à temps partiel. " ;
  b) A l'alinéa 2, le membre de phrase " visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4° et 5°, " est remplacé par le membre de phrase " visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, 5° et 6°, ".
Art. 13. In artikel 35bis, § 2, 3°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij de decreten van 3 juli 2015 en 6 juli 2018, wordt de zinsnede "vanaf 1 januari" vervangen door de zinsnede "vanaf 1 februari".
Art. 13. A l'article 35bis, § 2, 3°, du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998 et modifié par les décrets des 3 juillet 2015 et 6 juillet 2018, le membre de phrase " à partir du 1er janvier " et remplacé par le membre de phrase " à partir du 1er février ".
Art. 14. Aan artikel 36ter, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid kan het ambt van ICT-coördinator door een voltijdse of deeltijdse betrekking worden ingevuld.".
Art. 14. A l'article 36ter, § 2, du même décret, modifié par le décret du 8 mai 2009, il est ajouté un alinéa 2 libellé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, la fonction de coordinateur TIC peut être occupée par un emploi à temps plein ou à temps partiel. ".
Art. 15. In titel II, hoofdstuk III, van hetzelfde decreet wordt het opschrift van afdeling 5 vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 5. Inzetbaarheid van de personeelsleden binnen de scholengemeenschappen".
Art. 15. Au titre II, chapitre III, du même décret, l'intitulé de la section 5 est remplacé par ce qui suit :
  " Section 5. Employabilité des membres du personnel au sein des centres d'enseignement. "
Art. 16. Artikel 36octies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 36octies. Zonder afbreuk te doen aan de principes dat een personeelslid wordt aangesteld in of geaffecteerd aan een instelling, kunnen in het basisonderwijs:
  1° de leden van het bestuurspersoneel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet;
  2° de leden van het onderwijzend personeel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor andere instellingen van de scholengemeenschap worden ingezet;
  3° de leden van het beleidsen ondersteunend personeel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor en in andere instellingen van de scholengemeenschap of voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet;
  4° in afwijking van punt 2° de personeelsleden die zijn aangesteld met overgedragen lestijden, worden ingezet voor de vervulling van opdrachten voor en in andere instellingen van de scholengemeenschap. Daarover moet vooraf in het lokaal comité worden onderhandeld.
  Zonder afbreuk te doen aan de principes dat een personeelslid wordt aangesteld in of geaffecteerd aan een instelling, kunnen in het secundair onderwijs:
  1° de leden van het bestuurspersoneel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet;
  2° de leden van het ondersteunend personeel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, als ze daarmee instemmen, voor de vervulling van opdrachten voor en in andere instellingen van de scholengemeenschap of voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet.
  Bij de toepassing van het eerste lid, 3° en 4°, en het tweede lid, 2°, worden minstens de volgende principes gehanteerd:
  1° het personeelslid wordt altijd aangesteld in of geaffecteerd aan de instelling waar de betrekking reglementair wordt ingericht;
  2° de afstand over de openbare weg tussen de instelling van aanstelling of affectatie en de instelling waar het personeelslid wordt ingezet mag nooit meer dan 25 kilometer bedragen. Dat geldt niet als het personeelslid ermee instemt om over een grotere afstand ingezet te worden;
  3° er wordt altijd rekening gehouden met de statutaire toestand van het personeelslid die conform dit decreet is bepaald.
  De bepalingen over de inzetbaarheid, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, worden, onverminderd artikel 20 en 45, opgenomen in de overeenkomst of het besluit waarin de aanstelling wordt vastgesteld, alsook in de functiebeschrijving, vermeld in hoofdstuk Vbis.".
Art. 16. L'article 36octies du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003 et modifié en dernier lieu par le décret du 21 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 36octies. Sans porter préjudice aux principes qu'un membre du personnel est désigné ou affecté auprès d'un établissement, dans l'enseignement fondamental :
  1° les membres du personnel directeur des établissements constituant le centre d'enseignement peuvent être affectés à des charges pour la totalité du centre d'enseignement ;
  2° les membres du personnel enseignant des établissements constituant le centre d'enseignement peuvent être affectés à des charges pour d'autres écoles du centre d'enseignement ;
  3° les membres du personnel directeur et d'appui des établissements constituant le centre d'enseignement peuvent être affectés à des charges pour et auprès d'autres établissements du centre d'enseignement ou pour la totalité du centre d'enseignement ;
  4° par dérogation au point 2°, les membres du personnel désignés avec des périodes transférées, sont affectés à des charges pour et auprès d'autres établissements du centre d'enseignement. Ceci doit préalablement faire l'objet de concertations au sein du comité local.
  Sans porter préjudice aux principes qu'un membre du personnel est désigné ou affecté auprès d'un établissement, dans l'enseignement secondaire :
  1° les membres du personnel directeur des établissements constituant le centre d'enseignement peuvent être affectés à des charges pour la totalité du centre d'enseignement ;
  2° les membres du personnel d'appui des établissements constituant le centre d'enseignement peuvent être affectés, moyennant leur consentement, à des charges pour et auprès d'autres établissements du centre d'enseignement ou pour la totalité du centre d'enseignement.
  Lors de l'application de l'alinéa 1er, 3° et 4°, et de l'alinéa 2, 2°, au moins les principes suivants doivent être suivis :
  1° le membre du personnel est toujours désigné ou affecté auprès de l'établissement où l'emploi est organisé réglementairement ;
  2° la distance par la voie publique entre l'établissement de désignation ou d'affectation et l'établissement où le membre du personnel est occupé ne peut jamais dépasser 25 km. Cette disposition ne s'applique pas si le membre du personnel accepte d'être occupé à une plus grande distance ;
  3° il faut toujours tenir compte de la position statutaire du membre du personnel fixée par le présent décret.
  Sans préjudice des articles 20 et 45, les dispositions en matière d'employabilité telles que visées aux alinéas 1er à 3 sont reprises dans la convention ou l'arrêté stipulant la désignation, ainsi que dans la description de fonction telle que visée au chapitre Vbis. ".
Art. 17. In titel II, hoofdstuk III, van hetzelfde decreet wordt het opschrift van afdeling 6 vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 6. Inzetbaarheid van de personeelsleden tewerkgesteld in de scholengemeenschapsinstellingen of aangesteld ter ondersteuning van de werking van een scholengemeenschap".
Art. 17. Au titre II, chapitre III, du même décret, l'intitulé de la section 6 est remplacé par ce qui suit :
  " Section 6. Employabilité des membres du personnel employés dans les établissements d'un centre d'enseignement ou désignés à l'appui du fonctionnement d'un centre d'enseignement ".
Art. 18. Artikel 36novies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 17 juni 2011, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 36novies. Zonder afbreuk te doen aan de principes dat een personeelslid wordt aangesteld in of geaffecteerd aan een instelling, kunnen in afwijking van artikel 36octies de personeelsleden, die zijn aangesteld in of geaffecteerd aan een scholengemeenschapsinstelling of die zijn aangesteld in een functie of een betrekking die wordt ingericht ter ondersteuning van de werking van de scholengemeenschap, worden ingezet voor de vervulling van opdrachten voor en in andere instellingen van de scholengemeenschap of voor de vervulling van opdrachten voor de totaliteit van de scholengemeenschap.
  Bij de toepassing van het eerste lid, worden minstens de volgende principes gehanteerd:
  1° het personeelslid wordt altijd aangesteld in of geaffecteerd aan de instelling waar de betrekking reglementair wordt ingericht;
  2° de afstand over de openbare weg tussen de instelling van aanstelling of affectatie en de instelling waar het personeelslid wordt ingezet mag nooit meer dan 25 kilometer bedragen. Dat geldt niet als het personeelslid ermee instemt om over een grotere afstand ingezet te worden;
  3° er wordt altijd rekening gehouden met de statutaire toestand van het personeelslid die conform dit decreet is bepaald.
  De bepalingen over de inzetbaarheid, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden, onverminderd artikel 20 en 45, opgenomen in de overeenkomst of het besluit waarin de aanstelling wordt vastgesteld, alsook in de functiebeschrijving, vermeld in hoofdstuk Vbis.".
Art. 18. L'article 36novies du même décret, inséré par le décret du 17 juin 2011, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 36novies. Sans porter préjudice aux principes qu'un membre du personnel est désigné ou affecté auprès d'un établissement, les membres du personnel affectés ou désignés auprès d'un établissement de centre d'enseignement ou désignés dans une fonction ou à un emploi organisé à l'appui du fonctionnement du centre d'enseignement peuvent, par dérogation à l'article 36octies, être affectés à des charges pour et auprès d'autres établissements du centre d'enseignement ou pour la totalité du centre d'enseignement.
  Lors de l'application de l'alinéa 1er, au moins les principes suivants doivent être suivis :
  1° le membre du personnel est toujours désigné ou affecté auprès de l'établissement où l'emploi est organisé réglementairement ;
  2° la distance par la voie publique entre l'établissement de désignation ou d'affectation et l'établissement où le membre du personnel est occupé ne peut jamais dépasser 25 km. Cette disposition ne s'applique pas si le membre du personnel accepte d'être occupé à une plus grande distance ;
  3° il faut toujours tenir compte de la position statutaire du membre du personnel fixée par le présent décret.
  Sans préjudice des articles 20 et 45, les dispositions en matière d'employabilité telles que visées aux alinéas 1er et 2 sont reprises dans la convention ou l'arrêté stipulant la désignation, ainsi que dans la description de fonction telle que visée au chapitre Vbis. ".
Art. 19. In artikel 44quinquies decies/2, § 2, 1°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014, wordt de zinsnede "de geïndividualiseerde functiebeschrijving zoals bepaald in artikel 47sexies" vervangen door de woorden "de functiebeschrijving".
Art. 19. A l'article 44quinquies decies/2, § 2, 1°, du même décret, inséré par le décret du 25 avril 2014, le membre de phrase " la description de fonction individualisée visée à l'article 47sexies " est remplacé par les mots " la description de fonction ".
Art. 20. In artikel 44quinquies decies/3, § 2, 1°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014, wordt de zinsnede "de geïndividualiseerde functiebeschrijving zoals bepaald in artikel 47sexies" vervangen door de woorden "de functiebeschrijving".
Art. 20. A l'article 44quinquies decies/3, § 2, 1°, du même décret, inséré par le décret du 25 avril 2014, le membre de phrase " la description de fonction individualisée visée à l'article 47sexies " est remplacé par les mots " la description de fonction ".
Art. 21. Artikel 47bis, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Voor de bepalingen van dit hoofdstuk wordt onder "instelling" desgevallend ook een pedagogische entiteit verstaan die bestaat uit alle instellingen voor secundair onderwijs, die behoren tot dezelfde inrichtende macht en liggen binnen eenzelfde kadastraal perceel of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden door hetzij maximaal twee kadastrale percelen, hetzij door een weg. De vestigingsplaatsen die op deze locatie liggen en die behoren tot andere dan de hiervoor vermelde instellingen, behoren niet tot de pedagogische entiteit.".
Art. 21. L'article 47bis, § 2, du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Pour les dispositions du présent chapitre, on entend par " établissement " également le cas échéant une entité pédagogique constituée de tous les établissements pour l'enseignement secondaire appartenant à un même pouvoir organisateur et qui se situent dans la même parcelle cadastrale ou des parcelles cadastrales adjacentes, ou séparées soit par au maximum deux parcelles cadastrales, soit par une voie. Les implantations situées en ce lieu relevant d'établissements autres que les établissements précités ne font pas partie de l'entité pédagogique. "
Art. 22. In artikel 47ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het woord "geïndividualiseerde" opgeheven;
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Een functiebeschrijving is verplicht voor elk personeelslid en wordt door de eerste evaluator ondertekend. Voor de beheerder van een internaat, de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en in voorkomend geval de adjunct-directeur of - voor het CLB - de coördinator wordt de functiebeschrijving ondertekend door de inrichtende macht. Voor de directeur, belast met de functie directeur coördinatie-scholengemeenschap, wordt de functiebeschrijving ondertekend door de evaluator aangeduid door de scholengemeenschap. De functiebeschrijving wordt bij de aanstelling overhandigd. Het betrokken personeelslid ondertekent de functiebeschrijving voor kennisname.";
  3° in paragraaf 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  - aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt:
  "De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie, worden vastgelegd.";
  - aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt:
  "De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie worden vastgelegd.";
  4° in paragraaf 4, 2°, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  - in het eerste streepje worden tussen de woorden "Deze bepaling is evenwel niet van toepassing voor personeelsleden die tewerkgesteld zijn" en de woorden "ter ondersteuning van of op het niveau van de scholengemeenschap" de woorden "in een scholengemeenschapsinstelling of" ingevoegd;
  - het vierde streepje wordt vervangen door wat volgt:
  "- de eerste evaluator heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De eerste evaluator moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen;";
  5° paragraaf 5 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 5. In afwijking van paragraaf 4 worden de beheerder van een internaat, de directeur en de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst geëvalueerd door de inrichtende macht. De inrichtende macht heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De inrichtende macht moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen.
  In afwijking van het eerste lid wordt de directeur, belast met de functie directeur coördinatie-scholengemeenschap, geëvalueerd door de evaluator die in overleg wordt aangeduid door de scholengemeenschap. Hij heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De evaluator moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen.
  In afwijking van paragraaf 4 wordt het personeelslid dat belast is met het mandaat van coördinerend directeur geëvalueerd door de instantie die hem met het mandaat belast heeft. De instantie die de evaluatie op zich neemt, heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De instantie die de evaluatie op zich neemt moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen.";
  6° paragraaf 6 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 6. In afwijking van paragraaf 4 kan de inrichtende macht voor de evaluatie van de adjunct-directeur of - voor het CLB - van de coördinator kiezen om ofwel zelf de adjunct-directeur of - voor het CLB - de coördinator te evalueren ofwel de directeur aan te duiden als eerste evaluator en zelf de rol van tweede evaluator op zich te nemen. Indien de inrichtende macht ervoor kiest om de adjunct-directeur of - voor het CLB - de coördinator zelf te evalueren, dan heeft ze als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. De eerste evaluator of desgevallend de inrichtende macht moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen.";
  7° paragraaf 7 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 7. Een opleiding tot evaluator is verplicht voor wie als evaluator wordt aangesteld. Evaluatoren moeten binnen de twee jaar na hun aanduiding als evaluator een opleiding tot evaluator succesvol afgerond hebben. Evaluatoren die al voor 1 september 2021 als evaluator aangeduid waren en nog geen opleiding hadden gevolgd, krijgen daarvoor de tijd tot 1 september 2023.
  Wie na deze termijn niet aan deze voorwaarde voldoet kan niet evalueren.";
  8° paragraaf 8 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 8. De functiebeschrijving, die moet vastgelegd worden per ambt en per instelling, bevat de kerntaken van het personeelslid. De kerntaken omvatten de taken eigen aan de functie, de professionalisering, en het overleg en de samenwerking met directie, collega's en desgevallend CLB en ouders. Wanneer zijn kerntaken wijzigen, krijgt het personeelslid een nieuwe functiebeschrijving. Daarbij wordt rekening gehouden met de algemene afspraken die in uitvoering van paragraaf 3 zijn vastgelegd met de bepalingen van het arbeidsreglement en, in het gesubsidieerd vrij onderwijs, met de bepalingen van de arbeidsovereenkomst.".
Art. 22. A l'article 47ter du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007 et modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, le mot " individualisé " est abrogé ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé " par ce qui suit :
  " § 2. Une description de fonction est obligatoire pour tout membre du personnel et doit être signée par le premier évaluateur. En ce qui concerne l'administrateur d'internat, le directeur, le conseiller-coordinateur du service d'accompagnement pédagogique et, le cas échéant, le directeur adjoint ou - pour le CLB - le coordinateur, la description de fonction est signée par le pouvoir organisateur. En ce qui concerne le directeur chargé de la fonction de directeur de la coordination du centre d'enseignement, la description de fonction est signée par l'évaluateur désigné par le centre d'enseignement. La description de fonction est remise lors de la désignation. Le membre du personnel concerné signe pour prise de connaissance la description de fonction. " ;
  3° au paragraphe 3, les modifications suivantes sont apportées :
  - à l'alinéa 1er est ajoutée une phrase libellée comme suit :
  " Les tâches essentielles qui doivent être reprises dans les descriptions de fonction peuvent ainsi être définies par emploi et, le cas échéant, par fonction exercée dans le cadre de l'emploi. " ;
  - à l'alinéa 2 est ajoutée une phrase libellée comme suit :
  " Les tâches essentielles qui doivent être reprises dans les descriptions de fonction peuvent ainsi être définies par emploi et, le cas échéant, par fonction exercée dans le cadre de l'emploi. " ;
  4° au paragraphe 4, 2°, les modifications suivantes sont apportées :
  - au premier tiret, il est inséré entre les mots " Toutefois, cette disposition ne s'applique pas aux membres du personnel employés " et les mots " en soutien au ou au niveau du centre d'enseignement " les mots " dans un établissement de centre d'enseignement ou " ;
  - le quatrième tiret est remplacé par ce qui suit :
  " - le premier évaluateur a pour principale tâche de fournir au membre du personnel un coaching et un accompagnement suffisant. A cet effet, il peut être fait appel à une délégation ou à une aide extérieure pour la prise en charge du parcours d'accompagnement proprement dit. Le premier évaluateur doit mener des entretiens de fonctionnement réguliers avec le membre du personnel. Le membre du personnel a en outre droit à un entretien de fonctionnement s'il en fait la demande. L'entretien de fonctionnement peut faire l'objet d'un compte rendu reprenant si besoin des objectifs personnels et de développement ; " ;
  5° le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
  " § 5. Par dérogation au paragraphe 4, l'administrateur d'internat, le directeur et le conseiller-coordinateur du service d'accompagnement pédagogique sont évalués par le pouvoir organisateur. Le pouvoir organisateur a pour principale tâche de fournir au membre du personnel un coaching et un accompagnement suffisant. A cet effet, il peut être fait appel à une délégation ou à une aide extérieure pour la prise en charge du parcours d'accompagnement proprement dit. Le pouvoir organisateur doit mener des entretiens de fonctionnement réguliers avec le membre du personnel. Le membre du personnel a en outre droit à un entretien de fonctionnement s'il en fait la demande. L'entretien de fonctionnement peut faire l'objet d'un compte rendu reprenant si besoin des objectifs personnels et de développement.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le directeur chargé de la fonction de directeur de la coordination du centre d'enseignement est évalué par l'évaluateur désigné en concertation avec le centre d'enseignement. Il a pour principale tâche de fournir au membre du personnel un coaching et un accompagnement suffisant. A cet effet, il peut être fait appel à une délégation ou à une aide extérieure pour la prise en charge du parcours d'accompagnement proprement dit. L'évaluateur doit mener des entretiens de fonctionnement réguliers avec le membre du personnel. Le membre du personnel a en outre droit à un entretien de fonctionnement s'il en fait la demande. L'entretien de fonctionnement peut faire l'objet d'un compte rendu reprenant si besoin des objectifs personnels et de développement.
  Par dérogation au paragraphe 4, le membre du personnel chargé du mandat de directeur coordonnateur est évalué par l'instance qui lui a confié ce mandat. L'instance chargée de l'évaluation a pour principale tâche de fournir au membre du personnel un coaching et un accompagnement suffisant. A cet effet, il peut être fait appel à une délégation ou à une aide extérieure pour la prise en charge du parcours d'accompagnement proprement dit. L'instance chargée de l'évaluation doit mener des entretiens de fonctionnement réguliers avec le membre du personnel. Le membre du personnel a en outre droit à un entretien de fonctionnement s'il en fait la demande. L'entretien de fonctionnement peut faire l'objet d'un compte rendu reprenant si besoin des objectifs personnels et de développement. " ;
  6° le paragraphe 6 est remplacé par ce qui suit :
  " § 6. Par dérogation au paragraphe 4, concernant l'évaluation du directeur adjoint ou - pour le CLB - du coordinateur, le pouvoir organisateur peut choisir soit d'évaluer lui-même le directeur adjoint ou - pour le CLB - le coordinateur, soit de désigner le directeur en tant que premier évaluateur et d'assumer soi-même le rôle de deuxième évaluateur. Si le pouvoir organisateur choisit d'évaluer lui-même le directeur adjoint ou - pour le CLB - le coordinateur, il a alors pour principale tâche de fournir au membre du personnel un coaching et un accompagnement suffisant. Le premier évaluateur ou, le cas échéant, le pouvoir organisateur doit mener des entretiens de fonctionnement réguliers avec le membre du personnel. Le membre du personnel a en outre droit à un entretien de fonctionnement s'il en fait la demande. L'entretien de fonctionnement peut faire l'objet d'un compte rendu reprenant si besoin des objectifs personnels et de développement. " ;
  7° le paragraphe 7 est remplacé par ce qui suit :
  " § 7. Toute personne désignée comme évaluateur a l'obligation de suivre une formation d'évaluateur. Les évaluateurs doivent avoir réussi leur formation d'évaluateur dans un délai de deux ans suivant leur désignation à cette fonction. Les évaluateurs désignés dans cette fonction avant le 1er septembre 2021 qui n'ont pas encore suivi de formation ont jusqu'au 1er septembre 2023 pour s'y conformer.
  Toute personne qui ne satisfait pas à cette condition passé ce délai ne peut pas procéder à des évaluations. " ;
  8° le paragraphe 8 est remplacé par ce qui suit :
  " § 8. La description de fonction qui doit être établie par fonction et par établissement contient les tâches essentielles du membre du personnel. Les tâches essentielles comprennent les tâches propres à la fonction, la professionnalisation ainsi que la concertation et la coopération avec la direction, les collègues et, le cas échéant, le CLB et les parents. En cas de modifications apportées à ses tâches essentielles, le membre du personnel reçoit alors une nouvelle description. A cet égard, il est tenu compte des conventions générales établies en application du paragraphe 3, des dispositions du règlement de travail et, dans l'enseignement libre subventionné, des dispositions du contrat de travail. ".
Art. 23. Artikel 47ter/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011 en gewijzigd bij het decreet van 16 maart 2018, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 47ter/1. § 1. De lijst van de instellingsgebonden opdrachten wordt opgemaakt door de directeur en onderhandeld in het lokaal comité.
  De instellingsgebonden opdrachten worden niet opgenomen in de functiebeschrijving. Een overzicht van de verdeling van de instellingsgebonden opdrachten op schoolniveau wordt aan alle personeelsleden bezorgd.
  § 2. Bij het verdelen van de instellingsgebonden opdrachten tussen alle personeelsleden houdt de inrichtende macht rekening met onder andere:
  1° de aard van de kerntaken van de personeelsleden in de instelling, het voltijds of deeltijds karakter ervan en de tijd die hieraan besteed wordt;
  2° het principe van de billijke verdeling van de instellingsgebonden opdrachten, inzonderheid met betrekking tot personeelsleden die nog in andere instellingen werkzaam zijn;
  3° de competenties van de personeelsleden.
  Bij het toewijzen van instellingsgebonden opdrachten aan personeelsleden moet de inrichtende macht bovendien rekening houden met de tijd die de personeelsleden besteden aan hun vertegenwoordiging in lokale inspraakorganen opgericht door of krachtens een wet of een decreet, en met de tijd die een vakbondsafgevaardigde besteedt aan zijn vertegenwoordiging in de Vlaamse Onderwijsraad.
  § 3. Voor de personeelsleden aangesteld in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel kunnen naast de kerntaken, ook een beperkt aantal instellingsgebonden opdrachten worden gevraagd, zoals:
  - het opnemen van verantwoordelijkheden die het lesof klasgebeuren overschrijden;
  - het opnemen van een of andere specifieke rol of opdracht;
  - het vervangen van afwezige leraars en aanvullend toezicht houden;
  - vertegenwoordiging in schoolexterne organen.".
Art. 23. L'article 47ter/1, du même décret, inséré par le décret du 1er juillet 2011 et modifié par le décret du 16 mars 2018, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 47ter/1. § 1er. La liste des missions inhérentes à l'établissement est établie par le directeur est négociée au sein du comité local.
  Les missions inhérentes à l'établissement ne sont pas intégrées à la description de fonction. Un aperçu de la répartition des missions inhérentes à l'établissement au niveau de l'école est remis à chaque membre du personnel.
  § 2. Lors de la répartition des missions inhérentes à l'établissement entre tous les membres du personnel, le pouvoir organisateur doit notamment tenir compte :
  1° de la nature des tâches essentielles des membres du personnel au sein de l'établissement, du fait que celles-ci réclament un temps plein ou un temps partiel et du temps qui doit y être consacré ;
  2° du principe de répartition équitable des missions inhérentes à l'établissement, en particulier concernant les membres du personnel encore occupés dans d'autres établissements ;
  3° des compétences des membres du personnel.
  Lors de l'attribution des missions inhérentes à l'établissement aux membres du personnel, le pouvoir organisateur doit en outre tenir compte du temps consacré par les membres du personnel à leur représentation au sein d'organes de participation locaux établis par ou en vertu d'une loi ou d'un décret ainsi qu'avec le temps consacré par un délégué syndical à sa représentation au sein du Conseil flamand de l'Enseignement.
  § 3. Les membres du personnel désignés dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant peuvent être chargés, outre leurs tâches essentielles, d'autres missions inhérentes à l'établissement. Par exemple :
  - assumer des responsabilités dépassant les activités en cours ou en classe ;
  - assumer un rôle ou une mission spécifiques ;
  - remplacer les enseignants absents et assurer une surveillance complémentaire ;
  - assurer la représentation dans des organes extérieurs à l'école. ".
Art. 24. In artikel 47quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007 en gewijzigd bij de decreten van 4 juli 2008 en 1 juli 2011, wordt het derde lid opgeheven.
Art. 24. A l'article 47quater du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007 et modifié par les décrets des 4 juillet 2008 et 1er juillet 2011, l'alinéa trois est abrogé.
Art. 25. Artikel 47quinquies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007 en gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 47quinquies. § 1. Voor de wervingsambten van het bestuursen onderwijzend personeel wordt, voor zover dit ambt een lesopdracht omvat, bij het vastleggen van de functiebeschrijvingen, onverminderd artikel 47ter en 47ter/1, rekening gehouden met het volgende principe:
  De kerntaak van de leraar is het lesgeven, in de brede zin van het woord. Het gaat om een geïntegreerde lerarenopdracht, die betrekking heeft op alles wat als vanzelfsprekend bij het lerarenberoep hoort, vertrekkend vanuit de brede professionaliteit van de lesgever. Tot deze geïntegreerde lerarenopdracht behoren kerntaken zoals:
  - de planning en voorbereiding van lessen;
  - het lesgeven zelf;
  - de klaseigen leerlingenbegeleiding;
  - de evaluatie van de leerlingen en cursisten;
  - de professionalisering;
  - het overleg en de samenwerking met directie, collega's, en desgevallend CLB en ouders.
  § 2. Een personeelslid in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel kan belast worden met een specifieke functie op voorwaarde dat de inrichtende macht daarvoor omkaderingsmiddelen aanwendt. In dat geval worden voor dit personeelslid in afwijking van paragraaf 1 - of aanvullend op paragraaf 1 indien het personeelslid belast wordt met zowel een lesopdracht als een specifieke functiespecifieke taken opgenomen in de functiebeschrijving.
  De criteria die worden gebruikt om voor die specifieke taken al dan niet omkaderingsmiddelen aan te wenden en om ze te verdelen onder alle personeelsleden alsook de criteria voor de verdeling van de omkaderingsmiddelen worden onderhandeld in het lokaal comité.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 kan voor de wervingsambten van het bestuursen onderwijzend personeel in het basisonderwijs in de functiebeschrijving enkel de geïntegreerde lerarenopdracht worden opgenomen, die bestaat uit de hoofdopdracht en de volgende kerntaken:
  - de planning en voorbereiding van lessen;
  - de klaseigen leerlingenbegeleiding;
  - de evaluatie van de leerlingen;
  - de professionalisering;
  - het overleg en de samenwerking met directie, collega's, CLB en ouders.".
Art. 25. L'article 47quinquies du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007 et modifié par le décret du 1er juillet 2011, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 47quinquies. § 1er. En ce qui concerne les fonctions de recrutement du personnel directeur et enseignant et pour autant que la fonction comprenne une charge de cours, il est tenu compte lors de l'établissement de la description de fonction, sans préjudice des articles 47ter et 47ter/1, du principe suivant :
  La tâche essentielle de l'enseignant est d'enseigner, au sens large du terme. Il s'agit d'une mission intégrée des enseignants qui se rapporte à tout ce qui relève de façon évidente de la profession d'enseignant et s'appuie sur le grand professionnalisme de l'enseignant. Cette mission intégrée des enseignants comprend des tâches essentielles telles que :
  - la planification et la préparation des cours ;
  - l'enseignement des cours proprement dit ;
  - l'encadrement des élèves en fonction de la classe ;
  - l'évaluation des élèves et des participants aux cours ;
  - la professionnalisation ;
  - la concertation et la coopération avec la direction, les collègues et, le cas échéant, le CLB et les parents.
  § 2. Un membre du personnel assurant une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant peut être chargé d'une fonction spécifique à la condition que le pouvoir organisateur y consacre des moyens d'encadrement. Le cas échéant, par dérogation au paragraphe 1er - ou en complément du paragraphe 1er si le membre du personnel est chargé tant d'une charge de cours que d'une fonction spécifique -, des tâches spécifiques sont intégrées à la description de fonction du membre du personnel concerné.
  Les critères utilisés pour affecter ou non des moyens d'encadrement à ces tâches spécifiques et pour les répartir entre tous les membres du personnel ainsi que les critères de répartition des moyens d'encadrement sont négociés au sein du comité local.
  § 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, en ce qui concerne les fonctions de recrutement du personnel directeur et enseignant dans l'enseignement fondamental, seule peut être reprise dans la description de fonction la mission intégrée des enseignants, laquelle est constituée des tâches essentielles suivantes :
  - la planification et la préparation des cours ;
  - l'encadrement des élèves en fonction de la classe ;
  - l'évaluation des élèves ;
  - la professionnalisation ;
  - la concertation et la coopération avec la direction, les collègues, le CLB et les parents. ".
Art. 26. Artikel 47sexies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007 en gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009 en 27 april 2018, wordt opgeheven.
Art. 26. L'article 47sexies du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007 et modifié par les décrets des 8 mai 2009 et 27 avril 2018, est abrogé.
Art. 27. Artikel 47septies, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Voor de bepalingen van dit hoofdstuk wordt onder "instelling" desgevallend ook een pedagogische entiteit verstaan die bestaat uit alle instellingen voor secundair onderwijs, die behoren tot de inrichtende macht en liggen binnen eenzelfde kadastraal perceel of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden door hetzij maximaal twee kadastrale percelen, hetzij door een weg. De vestigingsplaatsen die op deze locatie liggen en die behoren tot andere dan de hiervoor vermelde instellingen, behoren niet tot de pedagogische entiteit.".
Art. 27. L'article 47septies, § 2, du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Pour les dispositions du présent chapitre, on entend par " établissement " également le cas échéant une entité pédagogique constituée de tous les établissements pour l'enseignement secondaire appartenant au pouvoir organisateur et qui se situent dans la même parcelle cadastrale ou des parcelles cadastrales adjacentes, ou séparées soit par au maximum deux parcelles cadastrales, soit par une voie. Les implantations situées en ce lieu relevant d'établissements autres que les établissements précités ne font pas partie de l'entité pédagogique. "
Art. 28. Aan artikel 47octies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een personeelslid moet geëvalueerd worden op diens volledige functioneren op basis van zijn functiebeschrijving en van de persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen in de verslagen van de functioneringsgesprekken.";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Een personeelslid voor wie geen functiebeschrijving werd opgesteld volgens de bepalingen van hoofdstuk Vbis, voor wie geen persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen werden opgenomen in de verslagen van zijn functioneringsgesprekken of voor wie niet in voldoende mate kan aangetoond worden dat de nodige coaching en begeleiding werd voorzien, kan niet worden geëvalueerd. Als aan een personeelslid het verslag van het eerste formele functioneringsgesprek werd overhandigd met daarin de persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen van het personeelslid en een duidelijke weergave van de tekortkomingen die zich stellen, moet een termijn van minimum 120 dagen effectieve prestaties gerespecteerd worden - waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, met uitzondering van de zomervakantie - vooraleer een evaluatieverslag met als eindconclusie "onvoldoende" kan overhandigd worden.";
  3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Evaluatoren doen met het oog op de evaluatie zelf een aantal vaststellingen, en kunnen bijkomend een beroep doen op informatie die zij verkregen hebben van derden.".
Art. 28. A l'article 47octies du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1, il est ajouté un deuxième alinéa, libellé comme suit :
  " Un membre du personnel doit être évalué sur l'ensemble de son fonctionnement, et ce, sur la base de sa description de fonction et des objectifs personnels et de développement figurant dans les comptes rendus des entretiens de fonctionnement. " ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Un membre du personnel pour qui aucune description de fonction n'a été établie selon les dispositions du chapitre Vbis, pour qui aucun objectif personnel et de développement n'a été consigné dans les comptes rendus de ses entretiens de fonctionnement ou pour qui il ne peut pas être démontré dans une mesure suffisante que le coaching et l'accompagnement nécessaires ont été fournis ne peut pas être évalué. Si le membre du personnel s'est vu remettre le compte rendu de son premier entretien de fonctionnement formel dans lequel figurent ses objectifs personnels et de développement ainsi qu'un aperçu clair des manquements qui se présentent, un délai minimum de 120 jours de prestations effectives doit être respecté - les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, à l'exception des vacances d'été - avant qu'un rapport d'évaluation avec la conclusion finale " insuffisant " puisse être remis. " ;
  3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. En vue de l'évaluation, les évaluateurs font eux-mêmes un certain nombre de constatations et peuvent en recourir à des informations provenant de tiers. ".
Art. 29. Aan artikel 47decies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt het woord "afspraken" vervangen door de woorden "persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen";
  2° in paragraaf 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  - in het tweede lid worden tussen de woorden "de coördinator," en de woorden "beschrijft op zorgvuldige wijze" de zinsnede "door de evaluator aangeduid door de scholengemeenschap voor de directeur belast met de functie van directeur coördinatie-scholengemeenschap of door de instantie die met de evaluatie belast is voor het personeelslid belast met het mandaat van coördinerend directeur," ingevoegd;
  - in het tweede lid wordt het woord "eventueel" opgeheven;
  - in het vierde lid wordt de zinsnede "- op straffe van nietigheid -" opgeheven.
Art. 29. A l'article 47decies du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007 et modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa 2, le mot " accords " est remplacé par les mots " objectifs personnels et de développement " ;
  2° au paragraphe 2, les modifications suivantes sont apportées :
  - à l'alinéa 2, entre les mots " le coordinateur, " et les mots " décrit de manière détaillée ", il est inséré le membre de phrase " par l'évaluateur désigné par le centre d'enseignement pour le directeur chargé de la fonction de directeur de la coordination du centre d'enseignement ou par l'instance chargée de l'évaluation pour le membre du personnel chargé du mandat de directeur coordonnateur, " ;
  - à l'alinéa 2, 1°, le mot " éventuellement " est abrogé ;
  - à l'alinéa 4, le membre de phrase " - sous peine de nullité - " est abrogé.
Art. 30. In artikel 47undecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007 en gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid is een evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende" onmogelijk voor een personeelslid aangesteld in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel en belast met een specifieke functie, zoals vermeld in artikel 47quinquies, § 2, voor zover hij voordien belast was met een lesopdracht en daarvoor geen functioneringsverslag met persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen heeft gekregen dat aanleiding gaf tot een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende". Hetzelfde geldt voor het personeelslid dat die specifieke functie combineert met een lesopdracht en voor die lesopdracht geen persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen heeft gekregen in zijn functioneringsverslag die aanleiding geven tot een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende".";
  2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Na een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende", en voor zover deze niet leidt tot het ontslag zoals bedoeld in dit hoofdstuk, moet betrokkene een nieuwe evaluatie krijgen. Deze nieuwe evaluatie kan ten vroegste plaatsvinden na een periode van minstens 120 dagen effectieve prestaties, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, met uitzondering van de zomervakantie. Deze periode start op het ogenblik dat het evaluatieverslag wordt voorgelegd aan het betrokken personeelslid overeenkomstig artikel 47decies, § 2. Bovendien moet een periode van minstens 12 maanden gerespecteerd worden sinds aan betrokkene het verslag van het eerste formele functioneringsgesprek werd overhandigd, bedoeld in artikel 47octies, § 2.".
Art. 30. A l'article 47undecies du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007 et modifié par le décret du 9 juillet 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1, il est ajouté un deuxième alinéa, libellé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, un rapport d'évaluation avec la conclusion finale " insuffisant " n'est pas possible pour un membre du personnel désigné dans une fonction de recrutement du personnel directeur ou enseignant et chargé d'une fonction spécifique tel que visé à l'article 47quinquies, § 2, pour autant qu'il était précédemment chargé d'une charge de cours et qu'il n'a, pour cette dernière, pas reçu de rapport de fonctionnement avec objectifs personnel et de développement donnant lieu à une évaluation avec la conclusion finale " insuffisant ". La même disposition s'applique au membre du personnel combinant cette fonction spécifique à une charge de cours et qui n'a, pour cette dernière, pas reçu de rapport de fonctionnement avec objectifs personnel et de développement donnant lieu à une évaluation avec la conclusion finale " insuffisant ". " ;
  2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. " Après une évaluation avec la conclusion finale " insuffisant " et pour autant que celle-ci ne donne pas lieu au licenciement tel que visé au présent chapitre, le membre du personnel concerné doit recevoir une nouvelle évaluation. Cette nouvelle évaluation peut être effectuée au plus tôt après une période d'au moins 120 jours de prestations effectives, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, à l'exception des vacances d'été. Cette période prend cours au moment où le rapport d'évaluation est présenté au membre du personnel concerné conformément à l'article 47decies, § 2. En outre, une période d'au moins 12 mois doit être respectée à compter du moment où le compte rendu du premier entretien de fonctionnement formel tel que visé à l'article 47octies, § 2, a été remis au membre du personnel concerné. ".
Art. 31. Artikel 47duodecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, wordt opgeheven.
Art. 31. L'article 47duodecies du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, est abrogé.
Art. 32. Aan artikel 47septiesdecies, § 5, 1°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007 en gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° na de woorden "en desgevallend de adjunct-directeur" wordt de zinsnede "of door de evaluator aangeduid door de scholengemeenschap voor de directeur belast met de functie van directeur coördinatie-scholengemeenschap" toegevoegd;
  2° er wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Indien de beroepsmogelijkheden in strijd met artikel 47decies, § 2, niet vermeld zijn in het evaluatieverslag, dan neemt de termijn van twintig kalenderdagen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende" werd overhandigd;".
Art. 32. A l'article 47septiesdecies, § 5, 1°, du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007 et modifié par le décret du 8 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
  1° après les mots " et le cas échéant le directeur adjoint ", il est ajouté le membre de phrase " ou par l'évaluateur désigné par le centre d'enseignement pour le directeur chargé de la fonction de directeur de la coordination du centre d'enseignement " ;
  2° une phrase est ajoutée, libellée comme suit :
  " Si les voies de recours en violation de l'article 47decies, § 2, ne sont pas mentionnées dans le rapport d'évaluation, le délai de 20 jours calendaires prend cours quatre mois après remise au membre du personnel concerné de la copie du rapport d'évaluation avec la conclusion finale " insuffisant " ; ".
Art. 33. In artikel 51decies, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018 en gewijzigd bij het decreet van 18 december 2020, wordt de zinsnede "artikel 33, § 1, 4° en 5°, artikel 84undevicies of artikel 84vicies septies" vervangen door de zinsnede "artikel 33, § 1, 4°, 5° en 6°, artikel 84undevicies of artikel 84vicies sexies, § 1, 4°, 5° en 6° ".
Art. 33. A l'article 51decies, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 6 juillet 2018 et modifié par le décret du 18 décembre 2020, le membre de phrase " de l'article 33, § 1er, 4° et 5°, de l'article 84undevicies ou de l'article 84vicies septies " est remplacé par le membre de phrase " de l'article 33, § 1er, 4°, 5° et 6°, de l'article 84undevicies ou de l'article 84vicies sexies, § 1er, 4°, 5° et 6°. ".
Art. 34. Aan artikel 68, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 4 juli 2008, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De afwijkingen voorzien in het eerste lid gelden niet voor de scholengemeenschapsinstellingen.".
Art. 34. A l'article 68, § 2, du même décret, modifié par le décret du 4 juillet 2008, il est ajouté un alinéa 2 libellé comme suit :
  " Les dérogations visées à l'alinéa 1er ne s'appliquent pas aux établissements de centre d'enseignement. ".
Art. 35. In artikel 74, § 5, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, wordt de zinsnede "artikel 23, § 3, of 23bis, § 3, van dit decreet, of in artikel 21, § 3, of 21bis, § 3," vervangen door de zinsnede "artikel 23, § 3, of artikel 77bis en artikel 23bis, § 3, of artikel 77ter van dit decreet of in artikel 21, § 3, of artikel 100quater decies en artikel 21bis, § 3, of artikel 100quinquies decies".
Art. 35. A l'article 74, § 5, du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009, le membre de phrase " à l'article 23, § 3, ou 23bis, § 3, du présent décret, ou à l'article 21, § 3, ou 21bis, § 3, " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 23, § 3, ou à l'article 77bis et à l'article 23bis, § 3, ou à l'article 77ter du présent décret ou à l'article 21, § 3, ou à l'article 100quater decies et à l'article 21bis, § 3, ou à l'article 100 quinquies decies ".
Art. 36. In artikel 77bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 15 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden het derde en vierde lid vervangen door wat volgt:
  "Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de inrichtende macht, na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De inrichtende macht deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven.
  Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "In afwijking van paragraaf 1 en 3 en van artikel 23, § 3," vervangen door de zinsnede "In afwijking van paragraaf 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 9 en van artikel 23, § 3,";
  3° in paragraaf 2 worden het derde en vierde lid vervangen door wat volgt:
  "Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de inrichtende macht, na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De inrichtende macht deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven.
  Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.";
  4° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zinsnede "In afwijking van paragraaf 1 en 2 en van artikel 23, § 3," vervangen door de zinsnede "In afwijking van paragraaf 1, 2, 4, 5, 6, 7 en 9 en van artikel 23, § 3,";
  5° in paragraaf 3 wordt het zevende lid vervangen door wat volgt:
  "Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de inrichtende macht, na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De inrichtende macht deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.";
  6° een paragraaf 4, een paragraaf 5, een paragraaf 6, een paragraaf 7, een paragraaf 8 en een paragraaf 9 worden toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 4. In afwijking van paragraaf 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 9 en van artikel 23, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2021 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23, § 5, als hij in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° uiterlijk op 30 juni 2020 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  2° voor het betrokken ambt uiterlijk op 30 juni 2020 geen beoordeling met werkpunten, als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni 2020 geen beoordeling heeft gekregen, wordt die voorwaarde geacht vervuld te zijn;
  3° tijdens het schooljaar 2020-2021 of later in het betrokken ambt niet tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht waarbij het recht is verworven.
  Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de inrichtende macht, na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De inrichtende macht deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  § 5. In afwijking van paragraaf 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 9 en van artikel 23, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2021 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23, § 5, als hij in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° na 1 september 2019 en uiterlijk op 30 juni 2021 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  2° voor het betrokken ambt na 1 september 2019 en uiterlijk op 30 juni 2021 geen beoordeling met werkpunten gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid na 1 september 2019 en uiterlijk op 30 juni 2021 geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht waarbij het recht is verworven.
  Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de inrichtende macht, na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De inrichtende macht deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  § 6. In afwijking van paragraaf 1 tot en met 5, van paragraaf 7 en 9 en van artikel 23, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2022 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bepaald in het tweede lid, voor een ambt, vermeld in artikel 23, § 5, als hij in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° uiterlijk op 30 juni 2021 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  2° voor het betrokken ambt en uiterlijk op 30 juni 2021 een beoordeling met werkpunten gekregen hebben waarin de eerste evaluator oordeelde dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven;
  3° na 31 augustus 2021 tijdelijk aangesteld worden in het betrokken ambt in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht.
  Het tijdelijke personeelslid dat aan de voorwaarden van het eerste lid voldoet, verwerft het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur op of na 1 september 2022 als dat dit personeelslid uiterlijk op 30 juni 2022 of later bijkomend 200 dagen effectieve prestaties heeft gepresteerd in het betrokken ambt in een of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren en in toepassing van hoofdstuk Vter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" gekregen heeft. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens deze bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.
  Het tijdelijke personeelslid dat van de eerste evaluator tijdens het schooljaar 2020-2021 en uiterlijk op 30 juni 2021 een beoordeling met werkpunten heeft gekregen, heeft op 1 september 2021 of later in een instelling of CLB van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt waarvoor de beoordeling is toegekend. Het tijdelijke personeelslid verliest dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het betrokken ambt als hij vanaf het ogenblik waarop hij de beoordeling met werkpunten heeft gekregen vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in een of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren. Dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur geldt pas nadat in toepassing van artikel 23 een betrekking is toegekend aan de personeelsleden die het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven.
  Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt, conform de werkpunten die de eerste evaluator in het verslag van de beoordeling heeft opgenomen, een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens de bijkomende periode van 200 dagen effectieve prestaties moet volgen.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht waarbij het recht is verworven.
  Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de inrichtende macht, na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief.
  De inrichtende macht deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  § 7. In afwijking van paragraaf 1 tot en met 6, van paragraaf 9 en van artikel 23, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2022 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23,§ 5, als hij in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° uiterlijk op 30 juni 2021 in het betrokken ambt een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 290 dagen en ten hoogste 579 dagen;
  2° na 31 augustus 2021 tijdelijk aangesteld worden in het betrokken ambt in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht;
  3° op 30 juni 2022 of later in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  4° voor het betrokken ambt uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin het personeelslid de in punt 3° vereiste dienstanciënniteit heeft verworven geen beoordeling met werkpunten, als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de in punt 3° vereiste dienstanciënniteit heeft verworven geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.
  Onverminderd de toepassing van hoofdstuk Vter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding werd afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk Vter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens deze bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.
  Het tijdelijke personeelslid dat van de eerste evaluator op 30 juni 2022 of later een beoordeling met werkpunten heeft gekregen waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven, heeft het daaropvolgende schooljaar of later in een instelling of CLB van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt waarvoor de beoordeling is toegekend. Dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur geldt pas nadat in toepassing van artikel 23 een betrekking is toegekend aan de personeelsleden die het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven. Het tijdelijke personeelslid verliest dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het betrokken ambt als hij vanaf het ogenblik waarop hij de beoordeling met werkpunten heeft gekregen vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in een of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt, conform de werkpunten die de eerste evaluator in het verslag van de beoordeling heeft opgenomen, een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens de bijkomende periode van 200 dagen effectieve prestaties moet volgen.
  Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de inrichtende macht. De inrichtende macht gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en of die het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt, rekening houdend met het traject van aanvangsbegeleiding dat het personeelslid heeft doorlopen. De inrichtende macht bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de inrichtende macht vragen om gehoord te worden. De inrichtende macht hoort in dat geval beide partijen voordat ze een beslissing neemt.
  De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dat akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de beoordeling in kwestie door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
  In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht waarbij het recht is verworven.
  Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de inrichtende macht, na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De inrichtende macht deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven.
  Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  § 8. Het tijdelijke personeelslid dat voor 31 augustus 2021 in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren in een ambt reeds dienstanciënniteit heeft verworven en niet voldoet aan de voorwaarden van paragraaf 1 tot en met 7 of van paragraaf 9, kan voor het betrokken ambt het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel verwerven als het personeelslid op of na 1 september 2021 een nieuwe tijdelijke aanstelling krijgt in het betrokken ambt in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren en op 30 juni daaropvolgend beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 23, § 3. De voormelde dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid voor 31 augustus 2021 al heeft verworven, geldt daarbij vanaf 1 september 2021 voor de toepassing van artikel 23, § 3.
  § 9. In afwijking van de paragrafen 1 tot en met 8 en van artikel 23, § 3, verwerft het tijdelijke personeelslid dat op 1 juli 2021 door een inrichtende macht vast benoemd wordt in een ambt volgens artikel 84vicies septies, § 2, 3° of 4°, vanaf 1 september 2021 in dat ambt het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Dat recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor alle instellingen en CLB's van de inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap.".
Art. 36. A l'article 77bis du même décret, inséré par le décret du 15 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, les alinéas 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
  " Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du pouvoir organisateur. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le pouvoir organisateur après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le pouvoir organisateur fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis.
  Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction. " ;
  2° au paragraphe 2, alinéa 1er, le membre de phrase " par dérogation aux paragraphes 1er et 3 et à l'article 23, § 3, " est remplacé par le membre de phrase " par dérogation aux paragraphes 1er, 3, 4, 5, 6, 7 et 9 et à l'article 23, § 3, " ;
  3° au paragraphe 2, les alinéas 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
  " Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du pouvoir organisateur. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le pouvoir organisateur après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le pouvoir organisateur fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis.
  Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction. " ;
  4° au paragraphe 3, alinéa 1er, le membre de phrase " par dérogation aux paragraphes 1er et 2 et à l'article 23, § 2, " est remplacé par le membre de phrase " par dérogation aux paragraphes 1er, 3, 4, 5, 6, 7 et 9 et à l'article 23, § 3, " ;
  5° au paragraphe 3, l'alinéa 7 est remplacé par ce qui suit :
  " Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du pouvoir organisateur. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le pouvoir organisateur après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le pouvoir organisateur fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis. Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction. " ;
  6° il est ajouté des paragraphes 4, 5, 6, 7, 8 et 9 libellés comme suit :
  " § 4. Par dérogation aux paragraphes 1er, 2, 3, 5, 6, 7 et 9 et à l'article 23, § 3, un membre du personnel a droit au 1er septembre 2021 ou plus tard à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans une fonction visée à l'article 23, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements ou CLB du même pouvoir organisateur :
  1° avoir acquis au plus tard le 30 juin 2020 dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 580 jours répartis sur au moins deux années scolaires, dont 400 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 140 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
  2° au plus tard le 30 juin 2020, ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation avec points d'amélioration telle que visée à l'alinéa 2. Si le membre du personnel n'a pas reçu d'évaluation au plus tard le 30 juin 2020, cette condition est réputée remplie ;
  3° au cours de l'année scolaire 2020-2021 ou plus tard, ne pas avoir été désigné à titre temporaire dans la fonction concernée pour une durée ininterrompue dans un ou plusieurs établissements ou CLB du même pouvoir organisateur.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut pour les emplois dans tous les établissements ou CLB du pouvoir organisateur où ce droit est acquis.
  Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du pouvoir organisateur. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le pouvoir organisateur après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le pouvoir organisateur fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis. Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge.
  § 5. Par dérogation aux paragraphes 1er, 2, 3, 4, 6, 7 et 9 et à l'article 23, § 3, un membre du personnel a droit au 1er septembre 2021 ou plus tard à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans une fonction visée à l'article 23, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements ou CLB du même pouvoir organisateur :
  1° avoir acquis après le 1er septembre 2019 et au plus tard le 30 juin 2021 dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 580 jours répartis sur au moins deux années scolaires, dont 400 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 140 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
  2° après le 1er septembre 2019 et au plus tard le 30 juin 2021, ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation avec points d'amélioration. Si le membre du personnel n'a pas reçu d'évaluation après le 1er septembre 2019 et au plus tard le 30 juin 2021, cette condition est réputée remplie ;
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut pour les emplois dans tous les établissements ou CLB du pouvoir organisateur où ce droit est acquis.
  Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du pouvoir organisateur. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le pouvoir organisateur après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le pouvoir organisateur fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis. Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge.
  § 6. Par dérogation aux paragraphes 1er à 5, aux paragraphes 7 et 9 et à l'article 23, § 3, un membre du personnel a droit au 1er septembre 2022 ou plus tard à une désignation temporaire à durée ininterrompue, telle que visée à l'alinéa 2, dans une fonction visée à l'article 23, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements ou CLB du même pouvoir organisateur :
  1° avoir acquis, au plus tard le 30 juin 2021, dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 580 jours répartis sur au moins deux années scolaires, dont 400 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 140 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
  2° avoir reçu pour la fonction concernée, et ce, au plus tard le 30 juin 2021, une évaluation avec points d'amélioration dans laquelle le premier évaluateur juge que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ;
  3° après le 31 août 2021, avoir été désigné à titre temporaire dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements ou CLB du même pouvoir organisateur.
  Le membre du personnel temporaire qui satisfait aux conditions visées à l'alinéa 1er obtient le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue le 1er septembre 2022 ou plus tard, à condition que ce membre du personnel ait, au plus tard le 30 juin 2022, presté 200 jours effectifs supplémentaires dans la fonction concernée auprès d'un ou de plusieurs établissements ou CLB du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement et qu'il n'ait, en application du chapitre Vter, au plus tard à la fin de ce délai, pas reçu d'évaluation définitive avec la conclusion finale " insuffisante ". Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte pendant cette période supplémentaire comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation.
  Tout membre du personnel temporaire ayant reçu au cours de l'année scolaire 2020-2021 et au plus tard le 30 juin 2021 une évaluation avec points d'amélioration de la part du premier évaluateur a droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans la fonction pour laquelle l'évaluation lui a été attribuée, et ce, au 1er septembre 2021 ou ultérieurement, dans un établissement ou CLB du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement. Le membre du personnel temporaire perd ce droit à une nouvelle désignation à durée déterminée dans la fonction concernée lorsque, à compter du moment où il a reçu l'évaluation avec points d'amélioration, il n'a pas presté de services pendant cinq années scolaires consécutives dans un ou plusieurs établissements ou CLB du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement. Ce droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée ne vaut qu'après qu'un emploi a été attribué - en application de l'article 23 - aux membres du personnel qui ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue.
  Lors d'une nouvelle désignation du membre du personnel dans la fonction concernée, il est établi, conformément aux points d'amélioration repris par le premier évaluateur dans le rapport d'évaluation, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant la période supplémentaire de 200 jours de prestations effectives.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut pour les emplois dans tous les établissements ou CLB du pouvoir organisateur où ce droit est acquis.
  Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du pouvoir organisateur. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le pouvoir organisateur après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste.
  Le pouvoir organisateur fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis. Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge.
  § 7. Par dérogation aux paragraphes 1er à 6, au paragraphe 9 et à l'article 23, § 3, un membre du personnel a droit au 1er septembre 2022 ou plus tard à une désignation temporaire à durée ininterrompue à une fonction visée à l'article 23, paragraphe 5 s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements ou CLB du même pouvoir organisateur :
  1° avoir acquis au plus tard le 30 juin 2021 dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 290 jours et d'au plus 579 jours ;
  2° après le 31 août 2021, avoir été désigné à titre temporaire dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements ou CLB du même pouvoir organisateur ;
  3° avoir acquis au 30 juin 2022 ou plus tard dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 580 jours répartis sur au moins deux années scolaires, dont 400 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 140 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
  4° au plus tard le 30 juin de l'année scolaire au cours de laquelle le membre du personnel a acquis l'ancienneté de service requise au point 3°, ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation avec points d'amélioration telle que visée à l'alinéa 2. Si le membre du personnel n'a pas été évalué au plus tard le 30 juin de l'année scolaire au cours de laquelle il a acquis l'ancienneté de service requise au point 3°, cette condition est réputée remplie.
  Sans préjudice de l'application du chapitre Vter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue et peut lui donner une évaluation avec points d'amélioration. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et les points d'amélioration, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. Le cas échéant, le membre du personnel doit prester 200 jours effectifs supplémentaires en vue d'acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, à la condition qu'il n'ait, en application du chapitre Vter, au plus tard à la fin de ce délai, pas reçu d'évaluation définitive avec la conclusion finale " insuffisante ". Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte pendant cette période supplémentaire comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation.
  Tout membre du personnel temporaire ayant reçu de la part du premier évaluateur, au 30 juin 2022 ou plus tard, une évaluation avec points d'amélioration dont il ressort qu'il ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, a droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans la fonction pour laquelle l'évaluation lui a été attribuée, et ce, l'année scolaire suivante ou ultérieurement, dans un établissement ou CLB du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement. Ce droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée ne vaut qu'après qu'un emploi a été attribué - en application de l'article 23 - aux membres du personnel qui ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue. Le membre du personnel temporaire perd ce droit à une nouvelle désignation à durée déterminée dans la fonction concernée lorsque, à compter du moment où il a reçu l'évaluation avec points d'amélioration, il n'a pas presté de services pendant cinq années scolaires consécutives dans un ou plusieurs établissements ou CLB du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement. Lors d'une nouvelle désignation du membre du personnel dans la fonction concernée, il est établi, conformément aux points d'amélioration repris par le premier évaluateur dans le rapport d'évaluation, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant la période supplémentaire de 200 jours de prestations effectives.
  Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation avec points d'amélioration telle que visée à l'alinéa 2 peut introduire un recours auprès du pouvoir organisateur. Le pouvoir organisateur examine ensuite si l'évaluation avec points d'amélioration est raisonnable et si elle justifie le report du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et ce, en tenant compte du parcours suivi par le membre du personnel lors de l'encadrement initial. Le pouvoir organisateur confirme ou annule l'évaluation avec points d'amélioration. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au pouvoir organisateur d'être entendus. Dans ce cas, le pouvoir organisateur entend les deux parties avant de prendre une décision.
  L'instance compétente du culte concerné ou de la morale non confessionnelle doit également donner son accord à l'évaluation de l'enseignant de cours philosophiques pour ce qui est des aspects techniques et du contenu du cours enseigné. Cet accord est attesté par la signature de cette partie de l'évaluation en question par un représentant de l'instance compétente.
  Quant à l'évaluation, des arrangements généraux sont négociés au sein du comité local compétent.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut pour les emplois dans tous les établissements ou CLB du pouvoir organisateur où ce droit est acquis.
  Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du pouvoir organisateur. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le pouvoir organisateur après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le pouvoir organisateur fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis.
  Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge.
  § 8. Le membre du personnel temporaire qui a, avant le 31 août 2021, déjà acquis de l'ancienneté de service dans une fonction exercée auprès d'un ou plusieurs établissements ou CLB du même pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement et qui ne remplit pas les conditions visées aux paragraphes 1er à 7 ou au paragraphe 9, peut acquérir, pour la fonction concernée, le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue uniquement s'il a reçu au 1er septembre 2021 ou plus tard une nouvelle désignation temporaire dans la fonction concernée auprès d'un ou plusieurs établissements ou CLB du même pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement et s'il remplit au 30 juin suivant les conditions visées à l'article 23, § 3. En outre, l'ancienneté de service précitée, acquise par le membre du personnel temporaire avant le 31 août 2021, vaut à partir du 1er septembre 2021 pour l'application de l'article 23, § 3.
  § 9. Par dérogation aux paragraphes 1er à 8 et à l'article 23, § 3, le membre du personnel temporaire nommé à titre définitif dans une fonction le 1er juillet 2021 par un pouvoir organisateur suivant l'article 84vicies septies, § 2, 3° ou 4°, acquiert à partir du 1er septembre 2021 le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans cette fonction. Ce droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut pour tous les établissements et CLB du pouvoir organisateur n'appartenant pas à un centre d'enseignement. ".
Art. 37. In artikel 77ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 15 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de scholengemeenschap na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De scholengemeenschap deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie.";
  2° in paragraaf 1 wordt het vijfde lid vervangen door wat volgt:
  "Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.";
  3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "In afwijking van paragraaf 1 en 3 en van artikel 23bis, § 3," vervangen door de zinsnede "In afwijking van paragraaf 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 9 en van artikel 23bis, § 3,";
  4° in paragraaf 2 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de scholengemeenschap na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De scholengemeenschap deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie.";
  5° in paragraaf 2 wordt het vijfde lid vervangen door wat volgt:
  "Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.";
  6° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zinsnede "In afwijking van paragraaf 1 en 2 en van artikel 23bis, § 5," vervangen door de zinsnede "In afwijking van 1, 2, 4, 5, 6, 7 en 9 en van artikel 23bis, § 5,";
  7° in paragraaf 3 wordt het zevende lid vervangen door wat volgt:
  "Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de scholengemeenschap na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De scholengemeenschap deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie.";
  8° in paragraaf 3 wordt het negende lid vervangen door wat volgt:
  "Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.";
  9° een paragraaf 4, een paragraaf 5, een paragraaf 6, een paragraaf 7, een paragraaf 8, een paragraaf 9 en een paragraaf 10 worden toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 4. In afwijking van paragraaf 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 9 en van artikel 23bis, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2021 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23bis, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° uiterlijk op 30 juni 2020 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  2° voor het betrokken ambt uiterlijk op 30 juni 2020 geen beoordeling met werkpunten, als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni 2020 geen beoordeling heeft gekregen, wordt die voorwaarde geacht vervuld te zijn;
  3° tijdens het schooljaar 2020-2021 of later in het betrokken ambt niet tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap.
  Als het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in een of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dat recht voor betrekkingen in alle instellingen van die scholengemeenschap.
  Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de scholengemeenschap na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De scholengemeenschap deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie.
  Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan die waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven.
  Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  § 5. In afwijking van paragraaf 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 9 en van artikel 23bis, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2021 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23bis, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° na 1 september 2019 en uiterlijk op 30 juni 2021 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  2° voor het betrokken ambt na 1 september 2019 en uiterlijk op 30 juni 2021 geen beoordeling met werkpunten gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid na 1 september 2019 en uiterlijk op 30 juni 2021 geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.
  Als het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in een of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dat recht voor betrekkingen in alle instellingen van die scholengemeenschap.
  Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de scholengemeenschap na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De scholengemeenschap deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie.
  Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan die waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven.
  Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  § 6. In afwijking van paragraaf 1 tot en met 5, van paragraaf 7 en 9 en van artikel 23bis, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2022 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bepaald in het tweede lid, voor een ambt, vermeld in artikel 23bis, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° uiterlijk op 30 juni 2021 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  2° voor het betrokken ambt en uiterlijk op 30 juni 2021 een beoordeling met werkpunten gekregen hebben waarin de eerste evaluator oordeelde dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven;
  3° na 31 augustus 2021 tijdelijk aangesteld worden in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap.
  Het tijdelijke personeelslid dat aan de voorwaarden van het eerste lid voldoet, verwerft het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur op of na 1 september 2022 als dat dit personeelslid uiterlijk op 30 juni 2022 of later bijkomend 200 dagen effectieve prestaties heeft gepresteerd in het betrokken ambt in een of meer instellingen van de scholengemeenschap en in toepassing van hoofdstuk Vter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" gekregen heeft. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens deze bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.
  Het tijdelijke personeelslid dat van de eerste evaluator tijdens het schooljaar 2020-2021 en uiterlijk op 30 juni 2021 een beoordeling met werkpunten heeft gekregen, heeft op 1 september 2021 of later in een instelling van de scholengemeenschap recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt waarvoor de beoordeling is toegekend. Dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur geldt pas nadat in toepassing van artikel 23 een betrekking is toegekend aan de personeelsleden die het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven. Het tijdelijke personeelslid verliest dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het betrokken ambt als hij vanaf het ogenblik waarop hij de beoordeling met werkpunten heeft gekregen vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in een of meer instellingen van de scholengemeenschap.
  Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt, conform de werkpunten die de eerste evaluator in het verslag van de beoordeling heeft opgenomen, een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens de bijkomende periode van 200 dagen effectieve prestaties moet volgen.
  Als het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in een of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dat recht voor betrekkingen in alle instellingen van die scholengemeenschap.
  Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de scholengemeenschap na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De scholengemeenschap deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie.
  Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan die waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven.
  Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  § 7. In afwijking van paragraaf 1 tot en met 6, van paragraaf 9 en van artikel 23bis, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2022 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23bis, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° uiterlijk op 30 juni 2021 in het betrokken ambt een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 290 dagen en ten hoogste 579 dagen;
  2° na 31 augustus 2021 tijdelijk aangesteld worden in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap;
  3° op 30 juni 2022 of later in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  4° voor het betrokken ambt uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin het personeelslid de in punt 3° vereiste dienstanciënniteit heeft verworven geen beoordeling met werkpunten, als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de in punt 3° vereiste dienstanciënniteit heeft verworven geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.
  Onverminderd de toepassing van hoofdstuk Vter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding werd afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk Vter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens deze bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.
  Het tijdelijke personeelslid dat van de eerste evaluator op 30 juni 2022 of later een beoordeling met werkpunten heeft gekregen waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven, heeft het daaropvolgende schooljaar of later in een instelling van de scholengemeenschap recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt waarvoor de beoordeling is toegekend. Dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur geldt pas nadat in toepassing van artikel 23bis een betrekking is toegekend aan de personeelsleden die het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven. Het tijdelijke personeelslid verliest dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het betrokken ambt als hij vanaf het ogenblik waarop hij de beoordeling met werkpunten heeft gekregen vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in een of meer instellingen van de scholengemeenschap. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt, conform de werkpunten die de eerste evaluator in het verslag van de beoordeling heeft opgenomen, een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens de bijkomende periode van 200 dagen effectieve prestaties moet volgen.
  Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de inrichtende macht. De inrichtende macht gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en of die het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt, rekening houdend met het traject van aanvangsbegeleiding dat het personeelslid heeft doorlopen. De inrichtende macht bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de inrichtende macht vragen om gehoord te worden. De inrichtende macht hoort in dat geval beide partijen voordat ze een beslissing neemt.
  De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dat akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de beoordeling in kwestie door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
  In het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling.
  Als het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in een of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dat recht voor betrekkingen in alle instellingen van die scholengemeenschap.
  Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de scholengemeenschap na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De scholengemeenschap deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie.
  Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan die waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven.
  Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  § 8. Het tijdelijke personeelslid dat in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap voor 31 augustus 2021 in een ambt reeds dienstancienniteit heeft verworven en niet voldoet aan de voorwaarden van paragraaf 1 tot en met 7 of van paragraaf 9, kan voor het betrokken ambt het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel verwerven als het personeelslid op of na 1 september 2021 een nieuwe tijdelijke aanstelling krijgt in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap en op 30 juni daaropvolgend beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 23bis, § 3. De voormelde dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid voor 31 augustus 2021 al heeft verworven, geldt daarbij vanaf 1 september 2021 voor de toepassing van artikel 23bis, § 3.
  § 9. In afwijking van de paragrafen 1 tot en met 8 en van artikel 23bis, § 3, verwerft het tijdelijke personeelslid dat op 1 juli 2021 door een inrichtende macht vast benoemd wordt in een ambt volgens artikel 84vicies septies, § 2, 3° of 4°, vanaf 1 september 2021 in dat ambt het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Dat recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor alle instellingen van de scholengemeenschap.
  § 10. Voor de toepassing van artikel 31, § 1, 1°, kan een personeelslid dat op 1 januari 2021 door de inrichtende macht deeltijds benoemd is in een ambt, voor een uitbreiding van zijn vaste benoeming op 1 januari 2022 in dat ambt bij deze inrichtende macht, beroep doen op alle prestaties die hij in het ambt heeft verworven bij de betrokken inrichtende macht en op de prestaties die hij in dat ambt heeft verworven bij een andere inrichtende macht, beide voor wat de instellingen betreft die tot dezelfde scholengemeenschap behoren. Dit geldt enkel op voorwaarde dat de betrokken inrichtende macht op 1 januari 2021 geen gebruik heeft gemaakt van de bepaling dat er bij haar een dienstanciënniteit van ten minste 360 dagen, waarvan 240 effectief gepresteerd, moest verworven zijn.".
Art. 37. A l'article 77ter du même décret, inséré par le décret du 15 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  " Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du pouvoir organisateur d'un des établissements du centre d'enseignement. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le centre d'enseignement après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le centre d'enseignement fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis et pour tous les établissements du centre d'enseignement en question. " ;
  2° au paragraphe 1, l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
  " Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction. " ;
  3° au paragraphe 2, alinéa 1er, le membre de phrase " par dérogation aux paragraphes 1er et 3 et à l'article 23bis, § 3, " est remplacé par le membre de phrase " par dérogation aux paragraphes 1er, 3, 4, 5, 6, 7 et 9 et à l'article 23bis, § 3, " ;
  4° au paragraphe 2, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  " Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du pouvoir organisateur d'un des établissements du centre d'enseignement. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le centre d'enseignement après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le centre d'enseignement fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis et pour tous les établissements du centre d'enseignement en question. " ;
  5° au paragraphe 2, l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
  " Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction. " ;
  6° au paragraphe 3, alinéa 1er, le membre de phrase " par dérogation aux paragraphes 1er et 2 et à l'article 23bis, § 5, " est remplacé par le membre de phrase " par dérogation aux paragraphes 1er, 3, 4, 5, 6, 7 et 9 et à l'article 23bis, § 5, " ;
  7° au paragraphe 3, l'alinéa 7 est remplacé par ce qui suit :
  " Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du pouvoir organisateur d'un des établissements du centre d'enseignement. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le centre d'enseignement après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le centre d'enseignement fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis et pour tous les établissements du centre d'enseignement en question. " ;
  8° au paragraphe 3, l'alinéa 9 est remplacé par ce qui suit :
  " Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction. " ;
  9° il est ajouté des paragraphes 4, 5, 6, 7, 8, 9 et 10 libellés comme suit :
  " § 4. Par dérogation aux paragraphes 1er, 2, 3, 5, 6, 7 et 9 et à l'article 23bis, § 3, un membre du personnel a droit au 1er septembre 2021 ou plus tard à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans une fonction visée à l'article 23bis, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement :
  1° avoir acquis au plus tard le 30 juin 2020 dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 580 jours répartis sur au moins deux années scolaires, dont 400 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 140 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
  2° au plus tard le 30 juin 2020, ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation avec points d'amélioration telle que visée à l'alinéa 2. Si le membre du personnel n'a pas reçu d'évaluation au plus tard le 30 juin 2020, cette condition est réputée remplie ;
  3° au cours de l'année scolaire 2020-2021 ou plus tard, ne pas avoir été désigné à titre temporaire dans la fonction concernée pour une durée ininterrompue dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement.
  Si le membre du personnel a acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans un ou plusieurs établissements d'un centre d'enseignement, ce droit vaut alors pour les emplois dans tous les établissements de ce centre d'enseignement.
  Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du pouvoir organisateur d'un des établissements du centre d'enseignement. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le centre d'enseignement après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le centre d'enseignement fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis et pour tous les établissements du centre d'enseignement en question.
  Lorsque le membre du personnel a presté des services auprès d'un autre pouvoir organisateur que celui auprès duquel il introduit sa candidature, il ajoute à sa candidature une liste des services déjà prestés afin de justifier l'exercice de son droit à une désignation à durée ininterrompue.
  Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge.
  § 5. Par dérogation aux paragraphes 1er, 2, 3, 4, 6, 7 et 9 et à l'article 23bis, § 3, un membre du personnel a droit au 1er septembre 2021 ou plus tard à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans une fonction visée à l'article 23bis, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement :
  1° avoir acquis après le 1er septembre 2019 et au plus tard le 30 juin 2021 dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 580 jours répartis sur au moins deux années scolaires, dont 400 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 140 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
  2° après le 1er septembre 2019 et au plus tard le 30 juin 2021, ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation avec points d'amélioration. Si le membre du personnel n'a pas reçu d'évaluation après le 1er septembre 2019 et au plus tard le 30 juin 2021, cette condition est réputée remplie.
  Si le membre du personnel a acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans un ou plusieurs établissements d'un centre d'enseignement, ce droit vaut alors pour les emplois dans tous les établissements de ce centre d'enseignement.
  Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du pouvoir organisateur d'un des établissements du centre d'enseignement. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le centre d'enseignement après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le centre d'enseignement fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis et pour tous les établissements du centre d'enseignement en question.
  Lorsque le membre du personnel a presté des services auprès d'un autre pouvoir organisateur que celui auprès duquel il introduit sa candidature, il ajoute à sa candidature une liste des services déjà prestés afin de justifier l'exercice de son droit à une désignation à durée ininterrompue.
  Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge.
  § 6. Par dérogation aux paragraphes 1er à 5 et aux paragraphes 7 et 9 de l'article 23bis, § 3, un membre du personnel a droit au 1er septembre 2022 ou plus tard à une désignation temporaire à durée ininterrompue, telle que visée à l'alinéa 2, dans une fonction visée à l'article 23bis, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement :
  1° avoir acquis, au plus tard le 30 juin 2021, dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 580 jours répartis sur au moins deux années scolaires, dont 400 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 140 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
  2° avoir reçu pour la fonction concernée, et ce, au plus tard le 30 juin 2021, une évaluation avec points d'amélioration dans laquelle le premier évaluateur juge que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ;
  3° après le 31 août 2021, avoir été désigné à titre temporaire dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement.
  Le membre du personnel temporaire qui satisfait aux conditions visées à l'alinéa 1er obtient le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue le 1er septembre 2022 ou plus tard, à condition que ce membre du personnel ait, au plus tard le 30 juin 2022, presté 200 jours effectifs supplémentaires dans la fonction concernée auprès d'un ou de plusieurs établissements du centre d'enseignement et qu'il n'ait, en application du chapitre Vter, au plus tard à la fin de ce délai, pas reçu d'évaluation définitive avec la conclusion finale " insuffisante ". Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte pendant cette période supplémentaire comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation.
  Tout membre du personnel temporaire ayant reçu au cours de l'année scolaire 2020-2012 et au plus tard le 30 juin 2021 une évaluation avec points d'amélioration de la part du premier évaluateur a droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans la fonction pour laquelle l'évaluation lui a été attribuée, et ce, au 1er septembre 2021 ou ultérieurement, dans un établissement du centre d'enseignement. Ce droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée ne vaut qu'après qu'un emploi a été attribué - en application de l'article 23 - aux membres du personnel qui ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue. Le membre du personnel temporaire perd ce droit à une nouvelle désignation à durée déterminée dans la fonction concernée lorsque, à compter du moment où il a reçu l'évaluation avec points d'amélioration, il n'a pas presté de services pendant cinq années scolaires consécutives dans un ou plusieurs établissements du centre d'enseignement.
  Lors d'une nouvelle désignation du membre du personnel dans la fonction concernée, il est établi, conformément aux points d'amélioration repris par le premier évaluateur dans le rapport d'évaluation, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant la période supplémentaire de 200 jours de prestations effectives.
  Si le membre du personnel a acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans un ou plusieurs établissements d'un centre d'enseignement, ce droit vaut alors pour les emplois dans tous les établissements de ce centre d'enseignement.
  Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du pouvoir organisateur d'un des établissements du centre d'enseignement. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le centre d'enseignement après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le centre d'enseignement fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis et pour tous les établissements du centre d'enseignement en question.
  Lorsque le membre du personnel a presté des services auprès d'un autre pouvoir organisateur que celui auprès duquel il introduit sa candidature, il ajoute à sa candidature une liste des services déjà prestés afin de justifier l'exercice de son droit à une désignation à durée ininterrompue.
  Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge.
  § 7. Par dérogation aux paragraphes 1er à 6, au paragraphe 9 et à l'article 23bis, § 3, un membre du personnel a droit au 1er septembre 2022 ou plus tard à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans une fonction visée à l'article 23bis, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement :
  1° avoir acquis au plus tard le 30 juin 2021 dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 290 jours et d'au plus 579 jours ;
  2° après le 31 août 2021, avoir été désigné à titre temporaire dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement ;
  3° avoir acquis au 30 juin 2022 ou plus tard dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 580 jours répartis sur au moins deux années scolaires, dont 400 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 140 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
  4° au plus tard le 30 juin de l'année scolaire au cours de laquelle le membre du personnel a acquis l'ancienneté de service requise au point 3°, ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation avec points d'amélioration telle que visée à l'alinéa 2. Si le membre du personnel n'a pas été évalué par le premier évaluateur au plus tard le 30 juin de l'année scolaire au cours de laquelle il a acquis l'ancienneté de service requise au point 3°, cette condition est réputée remplie.
  Sans préjudice de l'application du chapitre Vter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue et peut lui donner une évaluation avec points d'amélioration. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et les points d'amélioration, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. Le cas échéant, le membre du personnel doit prester 200 jours effectifs supplémentaires en vue d'acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, à la condition qu'il n'ait, en application du chapitre Vter, au plus tard à la fin de ce délai, pas reçu d'évaluation définitive avec la conclusion finale " insuffisante ". Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte pendant cette période supplémentaire comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation.
  Tout membre du personnel temporaire ayant reçu de la part du premier évaluateur, au 30 juin 2022 ou plus tard, une évaluation avec points d'amélioration dont il ressort qu'il ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, a droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans la fonction pour laquelle l'évaluation lui a été attribuée, et ce, l'année scolaire suivante ou ultérieurement, dans un établissement du centre d'enseignement. Ce droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée ne vaut qu'après qu'un emploi a été attribué - en application de l'article 23bis - aux membres du personnel qui ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue. Le membre du personnel temporaire perd ce droit à une nouvelle désignation à durée déterminée à la fonction concernée lorsque, à compter du moment où il a reçu l'évaluation avec points d'amélioration, il n'a pas presté de services pendant cinq années scolaires consécutives dans un ou plusieurs établissements du centre d'enseignement. Lors d'une nouvelle désignation du membre du personnel dans la fonction concernée, il est établi, conformément aux points d'amélioration repris par le premier évaluateur dans le rapport d'évaluation, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant la période supplémentaire de 200 jours de prestations effectives.
  Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation avec points d'amélioration telle que visée à l'alinéa 2 peut introduire un recours auprès du pouvoir organisateur. Le pouvoir organisateur examine ensuite si l'évaluation avec points d'amélioration est raisonnable et si elle justifie le report du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et ce, en tenant compte du parcours suivi par le membre du personnel lors de l'encadrement initial. Le pouvoir organisateur confirme ou annule l'évaluation avec points d'amélioration. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au pouvoir organisateur d'être entendus. Dans ce cas, le pouvoir organisateur entend les deux parties avant de prendre une décision.
  L'instance compétente du culte concerné ou de la morale non confessionnelle doit également donner son accord à l'évaluation de l'enseignant de cours philosophiques pour ce qui est des aspects techniques et du contenu du cours enseigné. Cet accord est attesté par la signature de cette partie de l'évaluation en question par un représentant de l'instance compétente.
  Quant à l'évaluation, des arrangements généraux sont négociés au sein du comité local compétent du centre d'enseignement.
  Si le membre du personnel a acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans un ou plusieurs établissements d'un centre d'enseignement, ce droit vaut alors pour les emplois dans tous les établissements de ce centre d'enseignement.
  Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du pouvoir organisateur d'un des établissements du centre d'enseignement. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le centre d'enseignement après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le centre d'enseignement fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis et pour tous les établissements du centre d'enseignement en question.
  Lorsque le membre du personnel a presté des services auprès d'un autre pouvoir organisateur que celui auprès duquel il introduit sa candidature, il ajoute à sa candidature une liste des services déjà prestés afin de justifier l'exercice de son droit à une désignation à durée ininterrompue.
  Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge.
  § 8. Le membre du personnel temporaire qui a, avant le 31 août 2021, déjà acquis de l'ancienneté de service dans une fonction exercée auprès d'un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement et qui ne remplit pas les conditions visées aux paragraphes 1er à 7 ou au paragraphe 9, peut acquérir, pour la fonction concernée, le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue uniquement s'il a reçu au 1er septembre 2021 ou plus tard une nouvelle désignation temporaire dans la fonction concernée auprès d'un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement et s'il remplit au 30 juin suivant les conditions visées à l'article 23bis, § 3. En outre, l'ancienneté de service précitée, acquise par le membre du personnel temporaire avant le 31 août 2021, vaut à partir du 1er septembre 2021 pour l'application de l'article 23bis, § 3.
  § 9. Par dérogation aux paragraphes 1er à 8 et à l'article 23bis, § 3, le membre du personnel temporaire nommé à titre définitif dans une fonction le 1er juillet 2021 par un pouvoir organisateur suivant l'article 84vicies septies, § 2, 3° ou 4°, acquiert à partir du 1er septembre 2021 le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans cette fonction. Ce droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut pour tous les établissements du centre d'enseignement.
  § 10. Pour l'application de l'article 21, § 1er, 1°, un membre du personnel nommé au 1er janvier 2021 par le pouvoir organisateur à temps partiel dans une fonction peut, pour une extension de sa nomination à titre définitif dans cette fonction auprès de ce pouvoir organisateur, invoquer toutes les prestations acquises dans cette fonction auprès du pouvoir organisateur concerné comme auprès d'un autre pouvoir organisateur, tous deux pour ce qui concerne les établissements appartenant au même centre d'enseignement. Cela ne s'applique qu'à condition que le pouvoir organisateur concerné n'ait pas fait valoir, au 1er janvier 2021, la disposition selon laquelle une ancienneté de service d'au moins 360 jours, dont 240 jours effectivement prestés, ait dû être acquise auprès de lui. ".
Art. 38. In artikel 84vicies septies, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Als er meerdere personeelsleden zijn die zich kandidaat stellen voor vaste benoeming in eenzelfde betrekking moet de inrichtende macht, onverminderd artikel 35, § 2 en § 3, bij de toewijzing van de vaste benoeming in die betrekking de volgende volgorde respecteren:
  1° de personeelsleden die bij de inrichtende macht deeltijds benoemd zijn in het ambt;
  2° de tijdelijke personeelsleden die bij de inrichtende macht uiterlijk op 30 juni 2021 in het ambt tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;
  3° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 mei 2021 in het ambt ten minste 580 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in een of meer instellingen van de inrichtende macht of desgevallend in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap. Voor het bepalen van deze 580 dagen dienstanciënniteit wordt, in afwijking van artikel 6, § 1, a), het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. De inrichtende macht kan beslissen om een tijdelijk personeelslid dat voldoet aan deze voorwaarde niet vast te benoemen, als het personeelslid in het ambt uiterlijk op 30 juni 2021 van de eerste evaluator een beoordeling met werkpunten heeft gekregen. De inrichtende macht deelt de weigering via een schriftelijke motivatie mee aan het personeelslid. Dit geldt ook als het tijdelijk personeelslid de enige kandidaat is voor de vacant verklaarde betrekking;
  4° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 mei 2021 in het ambt waarvoor ze zich kandidaat stellen ten minste 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in een of meer instellingen van de inrichtende macht. De inrichtende macht kan beslissen om een tijdelijk personeelslid dat voldoet aan deze voorwaarde niet vast te benoemen, op voorwaarde dat het personeelslid dan een schriftelijke motivatie krijgt waarin de inrichtende macht opneemt om welke redenen ze de vaste benoeming weigert. Dit geldt ook als het tijdelijk personeelslid de enige kandidaat is voor de vacant verklaarde betrekking.";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 38. A l'article 84vicies septies, § 2, du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Si plusieurs membres du personnel se portent candidat pour une nomination à titre définitif dans le même emploi, le pouvoir organisateur doit, sans préjudice de l'article 35, § 2 et § 3, respecter l'ordre suivant lors de l'attribution de la nomination à titre définitif dans cet emploi :
  1° les membres du personnel nommés à temps partiel dans la fonction auprès du pouvoir organisateur ;
  2° les membres du personnel temporaires qui sont désignés temporairement auprès du pouvoir organisateur pour une durée ininterrompue, au plus tard le 30 juin 2021 ;
  3° les membres du personnel temporaires qui ont acquis, au plus tard le 31 mai 2021, dans la fonction, au moins 580 jours d'ancienneté de service dans un ou plusieurs établissements du pouvoir organisateur ou, le cas échéant, dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement. Pour le calcul de ces 580 jours d'ancienneté de service, par dérogation à l'article 6, § 1er, a), le nombre de jours prestés n'est pas multiplié par 1,2. Le pouvoir organisateur peut décider de ne pas nommer à titre définitif un membre du personnel temporaire qui remplit cette condition, si le membre du personnel concerné a reçu, dans la fonction, au plus tard le 30 juin 2021, une évaluation avec points d'amélioration de la part du premier évaluateur. Le pouvoir organisateur signifie son refus au membre du personnel par le biais d'une motivation écrite. Cela s'applique également si le membre du personnel temporaire est le seul candidat pour l'emploi déclaré vacant ;
  4° les membres du personnel temporaires qui ont acquis, au plus tard le 31 mai 2021, dans la fonction pour laquelle ils se portent candidat, au moins 360 jours d'ancienneté de service dans un ou plusieurs établissements du pouvoir organisateur. Le pouvoir organisateur peut décider de ne pas nommer à titre définitif un membre du personnel temporaire qui remplit cette condition, à condition que le membre du personnel reçoive une motivation écrite dans laquelle le pouvoir organisateur reprend les motifs du refus de la nomination à titre définitif. Cela s'applique également si le membre du personnel temporaire est le seul candidat pour l'emploi déclaré vacant. " ;
  2° l'alinéa 2 est abrogé.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991
CHAPITRE 4. - Modifications du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire
Art. 39. In artikel 3 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 3° wordt tussen de zinsnede "de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs," en de woorden "de academies voor deeltijds kunstonderwijs" de woorden "de scholengemeenschapsinstellingen" ingevoegd;
  2° in punt 11° wordt de zinsnede "artikel 28, § 1, 4° en 5°, of artikel 100terdecies" vervangen door de zinsnede "artikel 28, § 1, 4°, 5° en 6°, artikel 100terdecies of artikel 100sexies decies, § 1, 4°, 5° en 6° ";
  3° aan punt 24° wordt de volgende zin toegevoegd:
  "En voor de scholengemeenschapsinstellingen een directeur die de raad van bestuur heeft aangewezen als directeur van de scholengemeenschapsinstelling;".
Art. 39. A l'article 3 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du vendredi 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 3° les mots " les établissements de centre d'enseignement " sont insérés entre le membre de phrase " les écoles et les centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, " et les mots " les académies d'enseignement artistique à temps partiel " ;
  2° au point 11°, le membre de phrase " article 28, § 1er, 4° et 5°, ou article 100terdecies " est remplacé par le membre de phrase " article 28, § 1er, 4°, 5° et 6°, article 100terdecies ou article 100sexies decies, § 1er, 4°, 5° et 6° " ;
  3° au point 24°, la phrase suivante est ajoutée :
  " Et pour les établissements de centre d'enseignement, un directeur désigné par le conseil d'administration en tant que directeur d'établissement de centre d'enseignement ; ".
Art. 40. In artikel 4, § 4, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018 en gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt de zinsnede "maximaal 580 dagen" vervangen door de zinsnede "maximaal 290 dagen".
Art. 40. A l'article 4, alinéa 2, du même décret, inséré par le décret du 6 juillet 2018 et modifié par le décret du 15 mars 2019, le membre de phrase " 580 jours au maximum " est remplacé par le membre de phrase " 290 jours au maximum ".
Art. 41. In artikel 17 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 41. A l'article 17 du même décret, modifié par le décret du 16 juin 2017, le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 42. In artikel 20bis, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 15 maart 2019, worden de woorden "of in voorkomend geval in de functiebeschrijving van het personeelslid" opgeheven.
Art. 42. A l'article 20bis, § 1er, alinéa 2, du même décret, inséré par le décret du 15 mars 2019, les mots " ou, le cas échéant, dans la description de fonction du membre du personnel " sont abrogés.
Art. 43. In artikel 21 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in paragraaf 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 290 dagen, waarvan 200 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen, voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  2° uiterlijk op 30 juni van het schooljaar in de instelling of instellingen waar het personeelslid de dienstanciënniteit, vermeld in 1°, heeft verworven voor het betrokken ambt van de eerste evaluator een positieve beoordeling gekregen hebben. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar in de instelling of instellingen waar hij de in punt 1° vermelde voorwaarden bereikt geen beoordeling heeft gekregen van de eerste evaluator, wordt die voorwaarde voor die instellingen of instellingen geacht vervuld te zijn.
  De eerste evaluator kan één van de volgende beoordelingen toekennen: een positieve beoordeling, een beoordeling met werkpunten of een negatieve beoordeling.
  Als de eerste evaluator oordeelt dat het personeelslid voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven, kent hij een positieve beoordeling toe. Het tijdelijke personeelslid kan de dienstanciënniteit die hij in de instelling heeft verworven, inroepen voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als vermeld in het eerste lid.
  Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIIIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. De beoordeling met werkpunten heeft tot gevolg dat het tijdelijke personeelslid de dienstanciënniteit die hij in het ambt heeft verworven in de instelling waar hij deze beoordeling heeft gekregen, nog niet kan inroepen voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, als vermeld in het eerste lid. Het personeelslid moet dan nog bijkomend 200 effectieve dagen presteren, voordat hij in aanmerking komt voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens die bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen, voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten kan verhaal halen bij de raad van bestuur. De raad van bestuur gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt, rekening houdend met het traject van aanvangsbegeleiding dat het personeelslid heeft doorlopen. De raad van bestuur bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de raad van bestuur vragen om gehoord te worden. De raad van bestuur hoort in dat geval beide partijen voordat hij een beslissing neemt.
  Het tijdelijke personeelslid dat van de eerste evaluator een beoordeling met werkpunten heeft gekregen, heeft het daaropvolgende schooljaar of later in een instelling van de scholengroep recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt waarvoor de beoordeling met werkpunten is toegekend. Dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur geldt pas nadat in toepassing van dit artikel en van artikel 21bis een betrekking is toegekend aan de personeelsleden die het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven. Het tijdelijke personeelslid verliest dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het betrokken ambt als hij vanaf het ogenblik waarop hij de beoordeling met werkpunten heeft gekregen vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in een of meer instellingen van de scholengroep. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt, conform de werkpunten die de eerste evaluator in het verslag van de beoordeling heeft opgenomen, een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen. Uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin het tijdelijke personeelslid de bijkomende 200 effectieve dagen heeft gepresteerd, moet hij van de eerste evaluator een nieuwe beoordeling krijgen. Dat kan slechts een positieve beoordeling of een negatieve beoordeling zijn. Als het personeelslid van de eerste evaluator geen beoordeling krijgt, geldt dit als een positieve beoordeling.
  Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIIIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een negatieve beoordeling geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de motivering worden opgenomen, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. De negatieve beoordeling heeft tot gevolg dat het tijdelijke personeelslid de dienstanciënniteit die hij in het ambt heeft verworven in de instelling waar hij de negatieve beoordeling heeft gekregen, niet kan inroepen om zich bij de raad van bestuur kandidaat te stellen voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in het ambt in kwestie, zoals bepaald in paragraaf 7. Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de negatieve beoordeling kan verhaal halen bij de raad van bestuur. De raad van bestuur gaat vervolgens na of de negatieve beoordeling redelijk en verantwoord is, rekening houdend met het traject van aanvangsbegeleiding dat het personeelslid heeft doorlopen. De raad van bestuur bevestigt of vernietigt de negatieve beoordeling. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de raad van bestuur vragen om gehoord te worden. De raad van bestuur hoort in dat geval beide partijen voordat hij een beslissing neemt.
  Als een personeelslid dat van de eerste evaluator een negatieve beoordeling heeft gekregen voor de prestaties die hij in een ambt in de instelling heeft verricht, het daaropvolgende schooljaar of later in de instelling waar hij deze negatieve beoordeling heeft gekregen in het betrokken ambt een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur krijgt, dan wordt de eerdere negatieve beoordeling omgezet in een beoordeling met werkpunten. Het personeelslid moet dan in het betrokken ambt in de instelling bijkomend 200 effectieve dagen presteren, onder de voorwaarden vermeld in het vierde en vijfde lid, voordat hij in aanmerking komt voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Bij de nieuwe tijdelijke aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt, conform de motivering die de eerste evaluator in het verslag van de negatieve beoordeling heeft opgenomen, een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen.
  De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dat akkoord blijkt uit de ondertekening van dat deel van de beoordeling in kwestie door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
  In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling. Daarbij moet alleszins rekening gehouden worden met de volgende principes:
  - een eerste evaluator kan aan een tijdelijk personeelslid dat gespreid over meerdere schooljaren in eenzelfde ambt voor bepaalde duur is aangesteld in een of meer instellingen van de scholengroep slechts twee maal een negatieve beoordeling of een beoordeling met werkpunten toekennen. Als het personeelslid in een instelling van de scholengroep opnieuw tijdelijk wordt aangesteld voor bepaalde duur in een ambt waarvoor hij eerder al twee negatieve beoordelingen heeft gekregen, ofwel een beoordeling met werkpunten gevolgd door negatieve beoordeling heeft gekregen, ofwel een negatieve beoordeling gevolgd door een beoordeling met werkpunten heeft gekregen, dan kan de eerste evaluator in een instelling van de scholengroep in dat ambt geen derde beoordeling meer toekennen die een negatieve beoordeling is of die een beoordeling met werkpunten is. Als de eerste evaluator van dit personeelslid van mening is dat het personeelslid niet in aanmerking komt voor een nieuwe of verdere tijdelijke aanstelling, dan kan hij dit enkel doen via een evaluatie met eindconclusie onvoldoende, als vermeld in hoofdstuk VIIIter;
  - als een tijdelijk personeelslid in hetzelfde ambt een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur heeft in meerdere instellingen van de scholengroep, dan tellen voor de toepassing van het hiervoor vermelde principe alle negatieve beoordelingen en beoordelingen met werkpunten die in hetzelfde schooljaar zijn toegekend samen als één beoordeling.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
  1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren en waar het personeelslid van de eerste evaluator een positieve beoordeling of geen beoordeling heeft gekregen;
  2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren en waar het personeelslid van de eerste evaluator een positieve beoordeling of geen beoordeling heeft gekregen.
  Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, als vermeld in het eerste lid, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.";
  2° in paragraaf 5, vierde lid, wordt de zinsnede "maximaal 490 dagen" vervangen door de zinsnede "maximaal 200 dagen";
  3° in paragraaf 7, 2°, worden de woorden "de pedagogische entiteit" telkens vervangen door de zinsnede "de pedagogische entiteit, vermeld in artikel 73septies, § 2,";
  4° aan paragraaf 7 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat op het einde van het schooljaar een negatieve beoordeling heeft gekregen, als vermeld in paragraaf 3, zesde lid, kan de diensten die hij tot dat ogenblik presteerde in de instelling waar hij de negatieve beoordeling kreeg niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of van artikel 100quater decies, maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor hij de negatieve beoordeling kreeg. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die hij gepresteerd heeft bij andere instellingen van de scholengroep in het ambt waarvoor hij een negatieve beoordeling kreeg, niet aanwenden om in de instelling waar hij die negatieve beoordeling kreeg het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen, zoals bedoeld in paragraaf 3 of in artikel 100quater decies.";
  5° in paragraaf 7bis, 2° en 3°, worden de woorden "de pedagogische entiteit" telkens vervangen door de zinsnede "de pedagogische entiteit, vermeld in artikel 73septies, § 2,";
  6° in paragraaf 7ter, 2°, worden de woorden "de pedagogische entiteit" telkens vervangen door de zinsnede "de pedagogische entiteit, vermeld in artikel 73septies, § 2,";
  7° in paragraaf 7quater, tweede lid, worden de woorden "de pedagogische entiteit" vervangen door de zinsnede "de pedagogische entiteit, vermeld in artikel 73septies, § 2,";
  8° aan paragraaf 7quater wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als een tijdelijk personeelslid na een negatieve beoordeling in een ambt volgens artikel 21, § 3, zesde lid, of artikel 21bis, § 3, zesde lid, opnieuw wordt aangeworven in dat ambt in de instelling van de scholengroep waar hij voor dat ambt een negatieve beoordeling heeft gekregen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór de negatieve beoordeling presteerde.";
  9° paragraaf 10 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 10. Vastbenoemde personeelsleden die in één of meer instellingen van dezelfde scholengroep een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt hebben, komen prioritair en in de hieronder vermelde volgorde in aanmerking voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, voor zover van toepassing:
  1° in instellingen van dezelfde scholengroep, die niet tot een scholengemeenschap behoren en waar het personeelslid van de eerste evaluator een positieve beoordeling of geen beoordeling heeft gekregen;
  2° in instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren waar het personeelslid van de eerste evaluator een positieve beoordeling of geen beoordeling heeft gekregen.".
Art. 43. A l'article 21 du même décret, remplacé par le décret du 14 février 2003 et modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Un membre du personnel a droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans une fonction visée au paragraphe 5 s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles :
  1° avoir acquis une ancienneté de service d'au moins 290 jours, dont 200 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
  2° ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation positive au plus tard le 30 juin de l'année scolaire dans le ou les établissements où le membre du personnel a acquis l'ancienneté de service visée au point 1°. Si le membre du personnel n'a pas été évalué par le premier évaluateur au plus tard le 30 juin de l'année scolaire dans le ou les établissements où il remplit les conditions visées au point 1°, cette condition est réputée remplie pour le ou les établissements concernés.
  Le premier évaluateur peut attribuer l'une des évaluations suivantes : une évaluation positive, une évaluation avec points d'amélioration ou une évaluation négative.
  Si le premier évaluateur juge que le membre du personnel remplit les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, il lui donne une évaluation positive. Le membre du personnel temporaire peut invoquer l'ancienneté de service acquise dans l'établissement pour le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue telle que visée à l'alinéa 1er.
  Sans préjudice de l'application du chapitre VIIIter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue et peut lui donner une évaluation avec points d'amélioration. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et les points d'amélioration, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. L'évaluation avec points d'amélioration a pour conséquence que le membre du personnel temporaire ne peut pas encore faire valoir l'ancienneté de service acquise dans la fonction exercée dans l'établissement où il a reçu cette évaluation pour obtenir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue telle que visée à l'alinéa premier. Dans ce cas, le membre du personnel est tenu de prester 200 jours effectifs supplémentaires avant d'être éligible au droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte pendant cette période supplémentaire comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation. Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation avec points d'amélioration peut introduire un recours auprès du conseil d'administration. Le conseil d'administration examine ensuite si l'évaluation avec points d'amélioration est raisonnable et si elle justifie le report du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et ce, en tenant compte du parcours suivi par le membre du personnel lors de l'encadrement initial. Le conseil d'administration confirme ou annule l'évaluation avec points d'amélioration. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au conseil d'administration d'être entendus. Dans ce cas, le conseil d'administration entend les deux parties avant de prendre une décision.
  Tout membre du personnel temporaire ayant reçu une évaluation avec points d'amélioration de la part du premier évaluateur a droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans la fonction pour laquelle l'évaluation avec points d'amélioration lui a été attribuée, et ce, l'année scolaire suivante ou ultérieurement, dans un établissement du groupe d'écoles. Ce droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée ne vaut qu'après qu'un emploi a été attribué - en application du présent article et de l'article 21bis - aux membres du personnel qui ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue. Le membre du personnel temporaire perd ce droit à une nouvelle désignation à durée déterminée dans la fonction concernée lorsque, à compter du moment où il a reçu l'évaluation avec points d'amélioration, il n'a pas presté de services pendant cinq années scolaires consécutives dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles. Lors d'une nouvelle désignation du membre du personnel dans la fonction concernée, il est établi, conformément aux points d'amélioration repris par le premier évaluateur dans le rapport d'évaluation, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant cette période supplémentaire. Au plus tard le 30 juin de l'année scolaire durant laquelle le membre du personnel temporaire a presté les 200 jours effectifs supplémentaires, celui-ci doit recevoir une nouvelle évaluation de la part du premier évaluateur. Il ne peut s'agir alors que d'une évaluation soit positive, soit négative. Si le membre du personnel ne reçoit aucune évaluation de la part du premier évaluateur, il est réputé avoir reçu une évaluation positive.
  Sans préjudice de l'application du chapitre VIIIter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et peut lui donner une évaluation négative. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et ce qui la motive, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. L'évaluation négative a pour conséquence que le membre du personnel temporaire ne peut pas faire valoir l'ancienneté de service acquise dans la fonction exercée dans l'établissement où il a reçu cette évaluation négative pour se porter candidat auprès du conseil d'administration au droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans la fonction concernée telle que visée au paragraphe 7. Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation négative peut introduire un recours auprès du conseil d'administration. Le conseil d'administration examine ensuite si l'évaluation négative est raisonnable et justifiée en tenant compte du parcours suivi par le membre du personnel lors de l'encadrement initial. Le conseil d'administration confirme ou annule l'évaluation négative. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au conseil d'administration d'être entendus. Dans ce cas, le conseil d'administration entend les deux parties avant de prendre une décision.
  Si le membre du personnel qui a reçu une évaluation négative de la part du premier évaluateur pour ses prestations réalisées dans le cadre de la fonction exercée dans l'établissement reçoit, l'année scolaire suivante ou ultérieurement, une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans l'établissement où il a reçu cette évaluation négative, l'évaluation négative précédente est convertie en évaluation avec points d'amélioration. Dans ce cas, le membre du personnel est tenu de prester 200 jours effectifs supplémentaires dans l'établissement, selon les conditions visées aux alinéas 4 et 5, avant d'être éligible au droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue. Lors de la nouvelle désignation du membre du personnel dans la fonction concernée, il est établi, conformément aux motifs repris par le premier évaluateur dans le rapport d'évaluation négative, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant cette période supplémentaire.
  L'instance compétente du culte concerné ou de la morale non confessionnelle doit également donner son accord à l'évaluation de l'enseignant de cours philosophiques pour ce qui est des aspects techniques et du contenu du cours enseigné. Cet accord est attesté par la signature de cette partie de l'évaluation en question par un représentant de l'instance compétente.
  Quant à l'évaluation, des arrangements généraux sont négociés au sein du comité local compétent. A cet égard, il y a lieu de tenir compte au moins des principes suivants :
  - un premier évaluateur ne peut attribuer que deux fois une évaluation négative ou une évaluation avec points d'amélioration à un membre du personnel temporaire désigné pour un temps déterminé réparti sur plusieurs années scolaires dans la même fonction dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles. Si le membre du personnel est de nouveau désigné à titre temporaire et pour une durée déterminée dans un établissement du groupe d'écoles dans la fonction pour laquelle il a précédemment déjà reçu deux évaluations négatives ou une évaluation avec points d'amélioration suivie d'une évaluation négative ou une évaluation négative suivie d'une évaluation avec points d'amélioration, le premier évaluateur ne peut alors pas attribuer à cette fonction dans un établissement du groupe d'écoles une troisième évaluation qui serait une évaluation négative ou une évaluation avec points d'amélioration. Si le premier évaluateur de ce membre du personnel est d'avis que ce membre du personnel n'est pas éligible à une nouvelle désignation temporaire ou à la poursuite d'une désignation temporaire, il ne peut le signifier qu'au moyen d'une évaluation avec la conclusion finale " insuffisant ", telle que visée au chapitre VIIIter ;
  - lorsqu'un membre du personnel temporaire a une désignation temporaire à durée déterminée dans la même fonction au sein de plusieurs établissements du groupe d'écoles, il est alors considéré, pour l'application du principe précité, que toutes les évaluations négatives et évaluations avec point d'amélioration attribuées durant la même année scolaire forment ensemble une évaluation unique.
  Ce droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue s'applique dans l'ordre suivant aux emplois :
  1° dans les établissements du même groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement où le membre du personnel a reçu soit une évaluation positive, soit aucune évaluation, de la part du premier évaluateur ;
  2° dans les établissements du même groupe d'écoles appartenant à un centre d'enseignement où le membre du personnel a reçu soit une évaluation positive, soit aucune évaluation, de la part du premier évaluateur.
  Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du conseil d'administration. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le collège des directeurs après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le conseil d'administration fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions visées à l'alinéa premier, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre Vbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge. " ;
  2° au paragraphe 5, alinéa 4, le membre de phrase " 490 jours au maximum " est remplacé par le membre de phrase " 200 jours au maximum " ;
  3° au paragraphe 7, 2°, les mots " l'entité pédagogique " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " l'entité pédagogique visée à l'article 73septies, § 2, " ;
  4° au paragraphe 7, il est ajouté un deuxième alinéa, libellé comme suit :
  " Un membre du personnel désigné pour une durée déterminée et qui, à la fin de l'année scolaire, a reçu une évaluation négative comme visé au paragraphe 3, alinéa 6, ne peut plus prendre en considération les services prestés jusqu'à ce moment dans l'établissement où il a reçu l'évaluation négative pour le calcul de l'ancienneté telle que visée aux paragraphes 3 et 4 du présent article ou à l'article 100quater decies. Cette restriction est limitée aux services prestés dans la fonction pour laquelle il a reçu une évaluation négative. Le membre du personnel ne peut en outre utiliser les services qu'il a prestés dans d'autres établissements du groupe d'écoles dans la fonction pour laquelle il a reçu une évaluation négative pour invoquer dans l'établissement où il a reçu l'évaluation négative le droit à une désignation temporaire de durée ininterrompue telle que visée au paragraphe 3 ou à l'article 100quater decies. " ;
  5° au paragraphe 7bis, 2° et 3°, les mots " l'entité pédagogique " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " l'entité pédagogique visée à l'article 73septies, § 2, " ;
  6° au paragraphe 7ter, 2°, les mots " l'entité pédagogique " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " l'entité pédagogique visée à l'article 73septies, § 2, " ;
  7° au paragraphe 7quater, alinéa 2, les mots " l'entité pédagogique " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " l'entité pédagogique visée à l'article 73septies, § 2, " ;
  8° au paragraphe 7quater, il est ajouté un alinéa 3, libellé comme suit :
  " Lorsqu'un membre du personnel, après une évaluation négative dans une fonction telle que visée à l'article 21, § 3, alinéa 6, ou à l'article 21bis, § 3, alinéa 6, est de nouveau engagé, dans cette même fonction, dans l'établissement du groupe d'écoles où il a reçu une évaluation négative pour cette fonction, il peut de nouveau invoquer pour le droit à une désignation temporaire de durée ininterrompue les services qu'il a prestés avant l'évaluation négative. " ;
  9° le paragraphe 10 est remplacé par ce qui suit :
  " § 10. Les membres du personnel nommés à titre définitif qui exercent un emploi à prestations partielles en fonction principale, dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles, ont priorité, le cas échéant, pour une désignation temporaire à durée ininterrompue suivant l'ordre fixé ci-après :
  1° dans des établissements du même groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement où le membre du personnel a reçu soit une évaluation positive, soit aucune évaluation, de la part du premier évaluateur ;
  2° dans des établissements du même groupe d'écoles appartenant à un centre d'enseignement où le membre du personnel a reçu soit une évaluation positive, soit aucune évaluation, de la part du premier évaluateur. ".
Art. 44. In artikel 21bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in paragraaf 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 290 dagen, waarvan 200 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  2° uiterlijk op 30 juni van het schooljaar in de instelling of instellingen waar het personeelslid de dienstanciënniteit, vermeld in punt 1°, heeft verworven voor het betrokken ambt van de eerste evaluator een positieve beoordeling gekregen hebben. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar in de instelling of instellingen waar hij de in punt 1° vermelde voorwaarden bereikt geen beoordeling heeft gekregen van de eerste evaluator, wordt die voorwaarde voor die instellingen of instellingen geacht vervuld te zijn.
  De eerste evaluator kan één van de volgende beoordelingen toekennen: een positieve beoordeling, een beoordeling met werkpunten of een negatieve beoordeling.
  Als de eerste evaluator oordeelt dat het personeelslid voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven, kent hij een positieve beoordeling toe. Het tijdelijke personeelslid kan de dienstanciënniteit die hij in de instelling heeft verworven, inroepen voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, als vermeld in het eerste lid.
  Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIIIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding werd afgelegd. De beoordeling met werkpunten heeft tot gevolg dat het tijdelijke personeelslid de dienstanciënniteit die hij in het ambt heeft verworven in de instelling waar hij deze beoordeling heeft gekregen, nog niet kan inroepen voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, als vermeld in het eerste lid. Het personeelslid moet dan nog bijkomend 200 effectieve dagen presteren, voordat hij in aanmerking komt voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/ of moederschapsbescherming worden tijdens deze bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten kan verhaal halen bij de raad van bestuur. De raad van bestuur gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt, rekening houdend met het traject van aanvangsbegeleiding dat het personeelslid heeft doorlopen. De raad van bestuur bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de raad van bestuur vragen om gehoord te worden. De raad van bestuur hoort in dat geval beide partijen voordat hij een beslissing neemt.
  Het tijdelijke personeelslid dat van de eerste evaluator een beoordeling met werkpunten heeft gekregen, heeft het daaropvolgende schooljaar of later in een instelling van de scholengemeenschap recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt waarvoor de beoordeling met werkpunten is toegekend. Dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur geldt pas nadat in toepassing van dit artikel en van artikel 21 een betrekking is toegekend aan de personeelsleden die het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven. Het tijdelijke personeelslid verliest dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het betrokken ambt als hij vanaf het ogenblik waarop hij de beoordeling met werkpunten heeft gekregen vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in een of meer instellingen van de scholengemeenschap. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt, conform de werkpunten die de eerste evaluator in het verslag van de beoordeling heeft opgenomen, een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen. Uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin het tijdelijke personeelslid de bijkomende 200 effectieve dagen heeft gepresteerd, moet hij van de eerste evaluator een nieuwe beoordeling krijgen. Dat kan slechts een positieve beoordeling of een negatieve beoordeling zijn. Als het personeelslid van de eerste evaluator geen beoordeling krijgt, geldt dit als een positieve beoordeling.
  Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIIIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een negatieve beoordeling geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de motivering worden opgenomen, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. De negatieve beoordeling heeft tot gevolg dat het tijdelijke personeelslid de dienstanciënniteit die hij in het ambt heeft verworven in de instelling waar hij de negatieve beoordeling heeft gekregen niet kan inroepen om zich bij de raad van bestuur kandidaat te stellen voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in het ambt in kwestie, zoals bepaald in paragraaf 7. Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de negatieve beoordeling kan verhaal halen bij de raad van bestuur. De raad van bestuur gaat vervolgens na of de negatieve beoordeling redelijk en verantwoord is, rekening houdend met het traject van aanvangsbegeleiding dat het personeelslid heeft doorlopen. De raad van bestuur bevestigt of vernietigt de negatieve beoordeling. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de raad van bestuur vragen om gehoord te worden. De raad van bestuur hoort in dat geval beide partijen voordat hij een beslissing neemt.
  Als een personeelslid dat van de eerste evaluator een negatieve beoordeling heeft gekregen voor de prestaties die hij in een ambt in de instelling heeft verricht, het daaropvolgende schooljaar of later in de instelling waar hij deze negatieve beoordeling heeft gekregen in het betrokken ambt een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur krijgt, dan wordt de eerdere negatieve beoordeling omgezet in een beoordeling met werkpunten. Het personeelslid moet dan in het betrokken ambt in de instelling bijkomend 200 effectieve dagen presteren, onder de voorwaarden, vermeld in het vierde en vijfde lid, voordat hij in aanmerking komt voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Bij de nieuwe tijdelijke aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt, conform de motivering die de eerste evaluator in het verslag van de negatieve beoordeling heeft opgenomen, een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen.
  De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken beoordeling door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
  In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling. Daarbij moet alleszins rekening gehouden worden met de volgende principes:
  - een eerste evaluator kan aan een tijdelijk personeelslid dat gespreid over meerdere schooljaren in eenzelfde ambt voor bepaalde duur is aangesteld in een of meer instellingen van de scholengroep slechts twee maal een negatieve beoordeling of een beoordeling met werkpunten toekennen. Als het personeelslid in een instelling van de scholengroep opnieuw tijdelijk wordt aangesteld voor bepaalde duur in een ambt waarvoor hij eerder al twee negatieve beoordelingen heeft gekregen, ofwel een beoordeling met werkpunten gevolgd door negatieve beoordeling heeft gekregen, ofwel een negatieve beoordeling gevolgd door een beoordeling met werkpunten heeft gekregen, dan kan de eerste evaluator in een instelling van de scholengroep in dat ambt geen derde beoordeling meer toekennen die een negatieve beoordeling is of die een beoordeling met werkpunten is. Als de eerste evaluator van dit personeelslid van mening is dat het personeelslid niet in aanmerking komt voor een nieuwe of verdere tijdelijke aanstelling, dan kan hij dit enkel doen via een evaluatie met eindconclusie onvoldoende, als vermeld in hoofdstuk VIIIter;
  - als een tijdelijk personeelslid in hetzelfde ambt een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur heeft in meerdere instellingen van de scholengroep, dan tellen voor de toepassing van het hiervoor vermelde principe alle negatieve beoordelingen en beoordelingen met werkpunten die in hetzelfde schooljaar zijn toegekend samen als één beoordeling.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
  1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net en waar het personeelslid van de eerste evaluator een positieve beoordeling of geen beoordeling heeft gekregen;
  2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep en waar het personeelslid van de eerste evaluator een positieve beoordeling of geen beoordeling heeft gekregen;
  3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren en waar het personeelslid van de eerste evaluator een positieve beoordeling of geen beoordeling heeft gekregen.
  Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, als vermeld in het eerste lid, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.";
  2° in paragraaf 5, vierde lid, wordt de zinsnede "maximaal 490 dagen" vervangen door de zinsnede "maximaal 200 dagen";
  3° in paragraaf 7, 2°, worden de woorden "de pedagogische entiteit" telkens vervangen door de zinsnede "de pedagogische entiteit, vermeld in artikel 73septies, § 2,";
  4° aan paragraaf 7 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat op het einde van het schooljaar een negatieve beoordeling heeft gekregen, als vermeld in paragraaf 3, zesde lid, kan de diensten die hij tot dat ogenblik presteerde in de instelling waar hij de negatieve beoordeling kreeg niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of van artikel 100quinquies decies, maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor hij de negatieve beoordeling kreeg. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die hij gepresteerd heeft bij andere instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarvoor hij een negatieve beoordeling kreeg, niet aanwenden om in de instelling waar hij die negatieve beoordeling kreeg het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen, zoals bedoeld in paragraaf 3 of in artikel 100quinquies decies.";
  5° in paragraaf 7bis, 2° en 3°, worden de woorden "de pedagogische entiteit" telkens vervangen door de zinsnede "de pedagogische entiteit, vermeld in artikel 73septies, § 2,";
  6° in paragraaf 7ter, 2°, worden de woorden "de pedagogische entiteit" telkens vervangen door de zinsnede "de pedagogische entiteit, vermeld in artikel 73septies, § 2,";
  7° in paragraaf 7quater, tweede lid, worden de woorden "de pedagogische entiteit" vervangen door de zinsnede "de pedagogische entiteit, vermeld in artikel 73septies, § 2,";
  8° aan paragraaf 7quater wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als een tijdelijk personeelslid na een negatieve beoordeling in een ambt volgens artikel 21, § 3, zesde lid, of artikel 21bis, § 3, zesde lid, opnieuw wordt aangeworven in dat ambt in de instelling van de scholengroep waar hij voor dat ambt een negatieve beoordeling heeft gekregen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór de negatieve beoordeling presteerde.";
  9° paragraaf 10 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 10. Vastbenoemde personeelsleden die in een of meer instellingen van de scholengemeenschap een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt hebben, komen prioritair en in de hieronder vermelde volgorde in aanmerking voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, voor zover van toepassing:
  1° in instellingen van dezelfde scholengemeenschap en waar het personeelslid van de eerste evaluator een positieve beoordeling of geen beoordeling heeft gekregen;
  2° in instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep en waar het personeelslid van de eerste evaluator een positieve beoordeling of geen beoordeling heeft gekregen;
  3° in instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren en waar het personeelslid van de eerste evaluator een positieve beoordeling of geen beoordeling heeft gekregen.".
Art. 44. A l'article 21bis du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998, remplacé par le décret du 14 février 2003 et modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Un membre du personnel a droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans une fonction visée au paragraphe 5 s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles :
  1° avoir acquis une ancienneté de service d'au moins 290 jours, dont 200 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
  2° ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation positive au plus tard le 30 juin de l'année scolaire dans le ou les établissements où le membre du personnel a acquis l'ancienneté de service visée au point 1°. Si le membre du personnel n'a pas été évalué par le premier évaluateur au plus tard le 30 juin de l'année scolaire dans le ou les établissements où il remplit les conditions visées au point 1°, cette condition est réputée remplie pour le ou les établissements concernés.
  Le premier évaluateur peut attribuer l'une des évaluations suivantes : une évaluation positive, une évaluation avec points d'amélioration ou une évaluation négative.
  Si le premier évaluateur juge que le membre du personnel remplit les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, il lui donne une évaluation positive. Le membre du personnel temporaire peut invoquer l'ancienneté de service acquise dans l'établissement pour le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue telle que visée à l'alinéa 1er.
  Sans préjudice de l'application du chapitre VIIIter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue et peut lui donner une évaluation avec points d'amélioration. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et les points d'amélioration, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. L'évaluation avec points d'amélioration a pour conséquence que le membre du personnel temporaire ne peut pas encore faire valoir l'ancienneté de service acquise dans la fonction exercée dans l'établissement où il a reçu cette évaluation pour obtenir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue telle que visée à l'alinéa premier. Dans ce cas, le membre du personnel est tenu de prester 200 jours effectifs supplémentaires avant d'être éligible au droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte pendant cette période supplémentaire comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation. Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation avec points d'amélioration peut introduire un recours auprès du conseil d'administration. Le conseil d'administration examine ensuite si l'évaluation avec points d'amélioration est raisonnable et si elle justifie le report du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et ce, en tenant compte du parcours suivi par le membre du personnel lors de l'encadrement initial. Le conseil d'administration confirme ou annule l'évaluation avec points d'amélioration. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au conseil d'administration d'être entendus. Dans ce cas, le conseil d'administration entend les deux parties avant de prendre une décision.
  Tout membre du personnel temporaire ayant reçu une évaluation avec points d'amélioration de la part du premier évaluateur a droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans la fonction pour laquelle l'évaluation avec points d'amélioration lui a été attribuée, et ce, l'année scolaire suivante ou ultérieurement, dans un établissement du centre d'enseignement. Ce droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée ne vaut qu'après qu'un emploi a été attribué - en application du présent article et de l'article 21 - aux membres du personnel qui ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue. Le membre du personnel temporaire perd ce droit à une nouvelle désignation à durée déterminée dans la fonction concernée lorsque, à compter du moment où il a reçu l'évaluation avec points d'amélioration, il n'a pas presté de services pendant cinq années scolaires consécutives dans un ou plusieurs établissements du centre d'enseignement. Lors d'une nouvelle désignation du membre du personnel dans la fonction concernée, il est établi, conformément aux points d'amélioration repris par le premier évaluateur dans le rapport d'évaluation, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant cette période supplémentaire. Au plus tard le 30 juin de l'année scolaire durant laquelle le membre du personnel temporaire a presté les 200 jours effectifs supplémentaires, celui-ci doit recevoir une nouvelle évaluation de la part du premier évaluateur. Il ne peut s'agir alors que d'une évaluation soit positive, soit négative. Si le membre du personnel ne reçoit aucune évaluation de la part du premier évaluateur, il est réputé avoir reçu une évaluation positive.
  Sans préjudice de l'application du chapitre VIIIter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et peut lui donner une évaluation négative. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et ce qui la motive, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. L'évaluation négative a pour conséquence que le membre du personnel temporaire ne peut pas faire valoir l'ancienneté de service acquise dans la fonction exercée dans l'établissement où il a reçu cette évaluation négative pour se porter candidat auprès du conseil d'administration au droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans la fonction concernée telle que visée au paragraphe 7. Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation négative peut introduire un recours auprès du conseil d'administration. Le conseil d'administration examine ensuite si l'évaluation négative est raisonnable et justifiée en tenant compte du parcours suivi par le membre du personnel lors de l'encadrement initial. Le conseil d'administration confirme ou annule l'évaluation négative. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au conseil d'administration d'être entendus. Dans ce cas, le conseil d'administration entend les deux parties avant de prendre une décision.
  Si le membre du personnel qui a reçu une évaluation négative de la part du premier évaluateur pour ses prestations réalisées dans le cadre de la fonction exercée dans l'établissement reçoit, l'année scolaire suivante ou ultérieurement, une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans l'établissement où il a reçu cette évaluation négative, l'évaluation négative précédente est convertie en évaluation avec points d'amélioration. Dans ce cas, le membre du personnel est tenu de prester 200 jours effectifs supplémentaires dans l'établissement, selon les conditions visées aux alinéas 4 et 5, avant d'être éligible au droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue. Lors de la nouvelle désignation du membre du personnel dans la fonction concernée, il est établi, conformément aux motifs repris par le premier évaluateur dans le rapport d'évaluation négative, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant cette période supplémentaire.
  L'instance compétente du culte concerné ou de la morale non confessionnelle doit également donner son accord à l'évaluation de l'enseignant de cours philosophiques pour ce qui est des aspects techniques et du contenu du cours enseigné. Cet accord est attesté par la signature de cette partie de l'évaluation concernée par un représentant de l'instance compétente.
  Quant à l'évaluation, des arrangements généraux sont négociés au sein du comité local compétent. A cet égard, il y a lieu de tenir compte au moins des principes suivants :
  - un premier évaluateur ne peut attribuer que deux fois une évaluation négative ou une évaluation avec points d'amélioration à un membre du personnel temporaire désigné pour un temps déterminé réparti sur plusieurs années scolaires dans la même fonction dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles. Si le membre du personnel est de nouveau désigné à titre temporaire et pour une durée déterminée dans un établissement du groupe d'écoles dans la fonction pour laquelle il a précédemment déjà reçu deux évaluations négatives ou une évaluation avec points d'amélioration suivie d'une évaluation négative ou une évaluation négative suivie d'une évaluation avec points d'amélioration, le premier évaluateur ne peut alors pas attribuer à cette fonction dans un établissement du groupe d'écoles une troisième évaluation qui serait une évaluation négative ou une évaluation avec points d'amélioration. Si le premier évaluateur de ce membre du personnel est d'avis que ce membre du personnel n'est pas éligible à une nouvelle désignation temporaire ou à la poursuite d'une désignation temporaire, il ne peut le signifier qu'au moyen d'une évaluation avec la conclusion finale " insuffisant ", telle que visée au chapitre VIIIter ;
  - lorsqu'un membre du personnel temporaire a une désignation temporaire à durée déterminée dans la même fonction au sein de plusieurs établissements du groupe d'écoles, il est alors considéré, pour l'application du principe précité, que toutes les évaluations négatives et évaluations avec point d'amélioration attribuées durant la même année scolaire forment ensemble une évaluation unique.
  Ce droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue s'applique dans l'ordre suivant aux emplois :
  1° dans les établissements du même centre d'enseignement, quel que soit le réseau, où le membre du personnel a reçu soit une évaluation positive, soit aucune évaluation, de la part du premier évaluateur ;
  2° dans les établissements d'un autre centre d'enseignement du même groupe d'écoles où le membre du personnel a reçu soit une évaluation positive, soit aucune évaluation, de la part du premier évaluateur ;
  3° dans des établissements du même groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement où le membre du personnel a reçu soit une évaluation positive, soit aucune évaluation, de la part du premier évaluateur.
  Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès du conseil d'administration. Le membre du personnel peut se porter candidat au choix par lettre recommandée à la poste ou par tout moyen établi par le collège des directeurs après négociation au sein du comité de négociation compétent et présentant en matière d'opposabilité les mêmes garanties qu'une lettre recommandée à la poste. Le conseil d'administration fait part des possibilités de déclaration de candidature à tous les membres du personnel et les rend également publiques. Dès lors que la candidature du membre du personnel satisfait à toutes les conditions visées à l'alinéa premier, celle-ci vaut comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre Vbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge. " ;
  2° au paragraphe 5, alinéa 4, le membre de phrase " 490 jours au maximum " est remplacé par le membre de phrase " 200 jours au maximum " ;
  3° au paragraphe 7, 2°, les mots " l'entité pédagogique " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " l'entité pédagogique visée à l'article 73septies, § 2, " ;
  4° au paragraphe 7, il est ajouté un deuxième alinéa, libellé comme suit :
  " Un membre du personnel désigné pour une durée déterminée et qui, à la fin de l'année scolaire, a reçu une évaluation négative comme visé au paragraphe 3, alinéa 6, ne peut plus prendre en considération les services prestés jusqu'à ce moment dans l'établissement où il a reçu l'évaluation négative pour le calcul de l'ancienneté telle que visée aux paragraphes 3 et 4 du présent article ou à l'article 100quinquies decies. Cette restriction est limitée aux services prestés dans la fonction pour laquelle il a reçu une évaluation négative. Le membre du personnel ne peut en outre utiliser les services qu'il a prestés dans d'autres établissements du centre d'enseignement et du groupe d'écoles dans la fonction pour laquelle il a reçu une évaluation négative pour invoquer dans l'établissement où il a reçu l'évaluation négative le droit à une désignation temporaire de durée ininterrompue telle que visée au paragraphe 3 ou à l'article 100quinquies decies. " ;
  5° au paragraphe 7bis, 2° et 3°, les mots " l'entité pédagogique " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " l'entité pédagogique visée à l'article 73septies, § 2, " ;
  6° au paragraphe 7ter, 2°, les mots " l'entité pédagogique " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " l'entité pédagogique visée à l'article 73septies, § 2, " ;
  7° au paragraphe 7quater, alinéa 2, les mots " l'entité pédagogique " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " l'entité pédagogique visée à l'article 73septies, § 2, " ;
  8° au paragraphe 7quater, il est ajouté un alinéa 3, libellé comme suit :
  " Lorsqu'un membre du personnel, après une évaluation négative dans une fonction telle que visée à l'article 21, § 3, alinéa 6, ou à l'article 21bis, § 3, alinéa 6, est de nouveau engagé, dans cette même fonction, dans l'établissement du groupe d'écoles où il a reçu une évaluation négative pour cette fonction, il peut de nouveau invoquer pour le droit à une désignation temporaire de durée ininterrompue les services qu'il a prestés avant l'évaluation négative. " ;
  9° le paragraphe 10 est remplacé par ce qui suit :
  " § 10. Les membres du personnel nommés à titre définitif qui exercent un emploi à prestations partielles en fonction principale, dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement, ont priorité, le cas échéant, pour une désignation temporaire à durée ininterrompue suivant l'ordre fixé ci-après :
  1° dans des établissements du même centre d'enseignement où le membre du personnel a reçu soit une évaluation positive, soit aucune évaluation, de la part du premier évaluateur ;
  2° dans des établissements d'un autre centre d'enseignement du même groupe d'écoles où le membre du personnel a reçu soit une évaluation positive, soit aucune évaluation, de la part du premier évaluateur ;
  3° dans des établissements du même groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement où le membre du personnel a reçu soit une évaluation positive, soit aucune évaluation, de la part du premier évaluateur. ".
Art. 45. Aan artikel 23 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De directeur of in voorkomend geval de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.".
Art. 45. A l'article 23 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 21 décembre 2012, il est ajouté un alinéa 5, libellé comme suit :
  " Le directeur ou, le cas échéant, le conseil d'administration ou l'administrateur délégué doit toujours motiver par écrit l'expiration d'une désignation temporaire d'une durée déterminée et en informer le membre du personnel concerné. "
Art. 46. In artikel 24, vierde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007 en vervangen bij het decreet van 25 april 2014, wordt de zin "Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 71." vervangen door de zin "Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen vanaf de dag nadat de post de schriftelijke mededeling van het ontslag om dringende redenen voor het eerst heeft aangeboden, beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 71.".
Art. 46. A l'article 24, alinéa 4, du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007 et remplacé par le décret du 25 avril 2014, la phrase " Dans les cinq jours calendrier de la réception du licenciement pour motif grave, le membre du personnel peut introduire par lettre recommandée un recours auprès de la chambre de recours compétente visée à l'article 71. " est remplacée par la phrase " Dans les cinq jours calendrier à compter du jour de la première présentation par la poste de la notification écrite du licenciement pour motif grave, le membre du personnel peut introduire par lettre recommandée un recours auprès de la chambre de recours compétente visée à l'article 71. ".
Art. 47. In artikel 28, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan het eerste lid wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "6° de betrekking of het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 oktober van dat schooljaar voor een volledig schooljaar afwezig is omwille van een of meer van volgende verlofstelsels:
  a) verlof wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in artikel 77quater van dit decreet;
  b) verlof wegens opdracht zoals bepaald in artikel 77quater van dit decreet;
  c) verlof voor vakbondsopdrachten zoals bepaald in artikel 29 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuursen onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunsten normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
  d) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschapsof gewestregering, van een lid van de Federale Regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de Federale Regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
  e) verlof erkende politieke groepen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen en of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
  f) politiek verlof zoals bepaald in artikel 29 tot en met artikel 36 bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;
  g) verlof toegekend aan personeelsleden die ter beschikking van de koning worden gesteld zoals bepaald in artikel 39 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuursen onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor het kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunsten normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
  h) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
  i) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties.";
  2° in het tweede lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de zin "In afwijking van het eerste lid bepaalt de raad van bestuur voor haar centra voor volwassenenonderwijs jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onderhandelingen in het bevoegde lokaal comité welke vacante betrekkingen hij vacant verklaart." wordt vervangen door de zin "In afwijking van het eerste lid bepaalt de raad van bestuur afzonderlijk voor haar centra voor volwassenenonderwijs en voor haar academies voor deeltijds kunstonderwijs jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onderhandelingen in het bevoegde lokaal comité welke vacante betrekkingen hij vacant verklaart in respectievelijk de centra voor volwassenenonderwijs en de academies voor deeltijds kunstonderwijs.";
  b) de zinsnede "het eerste lid, 4° en 5° " wordt vervangen door de zinsnede "het eerste lid, 4°, 5° en 6° ".
Art. 47. A l'article 28, § 1er, du même décret, remplacé par le décret du 6 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, il est ajouté un point 6°, libellé comme suit :
  " 6° L'emploi ou la partie de l'emploi dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant d'un membre du personnel nommé à titre définitif pour lequel ce membre du personnel est, au 15 octobre de l'année scolaire en question, absent pour une année scolaire complète en raison d'un ou de plusieurs régimes de congés suivants :
  a) congé pour mission spéciale, tel que visé à l'article 77quater du présent décret ;
  b) congé pour mission, tel que visé à l'article 77quater du présent décret ;
  c) congé pour missions syndicales, tel que visé à l'article 29 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements ;
  d) congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel tel que visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel d'un membre d'un gouvernement de communauté ou de région, d'un membre du Gouvernement fédéral ou d'un secrétaire d'Etat régional, et auprès d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale de la politique et d'une cellule de politique générale auprès d'un membre du Gouvernement fédéral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves ;
  e) congé groupes politiques reconnus tel que visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 1991 relatif au congé accordé aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux pour accomplir certaines prestations au bénéfice de groupes politiques reconnus dans les chambres législatives de l'Etat, des Communautés ou des Régions, ou au bénéfice des présidents de ces groupes ;
  f) congé politique tel que visé aux articles 29 à 36bis inclus du décret du 28 avril 1993 relatif à l'enseignement IV ;
  g) congé accordé aux membres du personnel mis à disposition du Roi tel que visé à l'article 39 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements ;
  h) congé pour prestations réduites tel que visé au chapitre II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés et aux absences pour prestations réduites ;
  i) absence pour prestations réduites telle que visée au chapitre III de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congés et aux absences pour prestations réduites. " ;
  2° à l'alinéa 2, les modifications suivantes sont apportées :
  a) la phrase " Par dérogation à l'alinéa 1er, le conseil d'administration détermine chaque année pour ses centres d'éducation des adultes, sur la base d'un plan directeur et après des négociations au sein du comité local compétent, quels sont les emplois vacants pour lesquels il fait une déclaration de vacance. " est remplacée par la phrase " Par dérogation à l'alinéa 1er, le conseil d'administration détermine chaque année, d'une part pour ses centres d'éducation des adultes et d'autre part pour ses académies d'enseignement artistique à temps partiel, sur la base d'un plan directeur et après des négociations au sein du comité local compétent, quels sont les emplois vacants pour lesquels il fait une déclaration de vacance respectivement dans ses centres d'éducation des adultes et dans ses académies d'enseignement artistique à temps partiel. " ;
  b) le membre de phrase " visés à l'alinéa 1er, 4° et 5° " est remplacé par le membre de phrase " visés à l'alinéa 1er, 4°, 5° et 6° ".
Art. 48. In artikel 36, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 6 juli 2018 en gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019 en 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
  "1° op 31 augustus voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat ten minste 360 dagen dienstanciënniteit telt in het betrokken ambt bij de scholengroep. De raad van bestuur kan ook dienstanciënniteit in aanmerking nemen die het personeelslid heeft verworven in instellingen die tot een andere scholengroep behoren of die tot een inrichtende macht van het gesubsidieerd onderwijs behoren. Als het een leraar betreft in het bezit van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs moeten de 360 dagen gepresteerd zijn in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;";
  2° in punt 3° wordt de zin "Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren." vervangen door de zin "Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren, maar niet voor die instelling of instellingen waar het personeelslid van de eerste evaluator als laatste beoordeling een negatieve beoordeling heeft gekregen, als vermeld in artikel 23, § 3, of in artikel 23bis, § 3, tenzij het instellingshoofd instemt met een vaste benoeming in de instelling.";
  3° in punt 3° wordt de zin "Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van deze scholengemeenschap." vervangen door de zin "Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van deze scholengemeenschap, maar niet voor die instelling of instellingen waar het personeelslid van de eerste evaluator als laatste beoordeling een negatieve beoordeling heeft gekregen, als vermeld in artikel 23, § 3, of in artikel 23bis, § 3, tenzij het instellingshoofd instemt met een vaste benoeming in de instelling.".
Art. 48. A l'article 36, alinéa 1er, du même décret, remplacé par le décret du 6 juillet 2018 et modifié par les décrets des 15 mars 2019 et 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° compter au moins 360 jours d'ancienneté de service dans la fonction concernée exercée auprès du groupe d'écoles le 31 août qui précède la date à laquelle la nomination prend cours. Le conseil d'administration peut également prendre en compte l'ancienneté de service acquise par le membre du personnel dans des établissements appartenant à un autre groupe d'écoles ou à un pouvoir organisateur de l'enseignement subventionné. S'il s'agit d'un professeur porteur d'un titre de capacité jugé suffisant, les 360 jours doivent avoir été prestés dans la formation, le module, le cours ou la spécialité de l'emploi déclaré vacant ; " ;
  2° au point 3°, la phrase " Si l'établissement auquel le membre du personnel est désigné pour une durée ininterrompue n'appartient pas à un centre d'enseignement, le membre du personnel remplit cette condition pour tous les établissements du groupe d'écoles qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement. " est remplacée par la phrase " Si l'établissement auquel le membre du personnel est désigné pour une durée ininterrompue n'appartient pas à un centre d'enseignement, le membre du personnel remplit cette condition pour tous les établissements du groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement, mais pas pour le ou les établissements où le membre du personnel a reçu pour dernière évaluation de la part du premier évaluateur une évaluation négative telle que visée à l'article 23, § 3, ou à l'article 23bis, § 3, à moins que le chef d'établissement n'accepte une nomination à titre définitif dans l'établissement. " ;
  3° au point 3°, la phrase " Si l'établissement auquel le membre du personnel est désigné pour une durée ininterrompue appartient à un centre d'enseignement, le membre du personnel remplit cette condition pour tous les établissements du centre d'enseignement. " est remplacée par la phrase " Si l'établissement auquel le membre du personnel est désigné pour une durée ininterrompue appartient à un centre d'enseignement, le membre du personnel remplit cette condition pour tous les établissements du centre d'enseignement, mais pas pour le ou les établissements où le membre du personnel a reçu pour dernière évaluation de la part du premier évaluateur une évaluation négative telle que visée à l'article 23, § 3, ou à l'article 23bis, § 3, à moins que le chef d'établissement n'accepte une nomination à titre définitif dans l'établissement. ".
Art. 49. In artikel 37 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 mei 1999 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 worden de zinnen "De raad van bestuur legt criteria vast die ze zal hanteren om een vaste benoeming toe te kennen als er zich meerdere personeelsleden kandidaat hebben gesteld voor eenzelfde betrekking. Deze criteria worden onderhandeld in het daartoe bevoegde lokaal comité." toegevoegd;
  2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "de in artikel 36 gestelde voorwaarden" vervangen door de zinsnede "de in artikel 36 of artikel 100septies decies gestelde voorwaarden".
Art. 49. A l'article 37 du même décret, remplacé par le décret du 18 mai 1999 et modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, sont insérées les phrases " Le conseil d'administration détermine les critères qu'il utilisera pour octroyer une nomination à titre définitif lorsque plusieurs membres du personnel ont postulé à un même emploi. Ces critères sont négociés au sein du comité local compétent en la matière. " ;
  2° au paragraphe 2, le membre de phrase " les conditions prévues à l'article 36 " est remplacé par le membre de phrase " les conditions prévues à l'article 36 ou à l'article 100septiesdecies ".
Art. 50. Aan artikel 40quinquies, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid kan het ambt van ICT-coördinator door een voltijdse of deeltijdse betrekking worden ingevuld.".
Art. 50. A l'article 40quinquies, § 2, du même décret, modifié par le décret du 8 mai 2009, il est ajouté un alinéa deux, libellé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, la fonction de coordinateur TIC peut être pourvue par un emploi à temps plein ou partiel. ".
Art. 51. In hoofdstuk III van hetzelfde decreet wordt het opschrift van afdeling 7 vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 7. Inzetbaarheid van de personeelsleden binnen de scholengemeenschappen".
Art. 51. Au chapitre III du même décret, l'intitulé de la section 7 est remplacé par ce qui suit :
  " Section 7. Disponibilité des membres du personnel dans les centres d'enseignement ".
Art. 52. Artikel 40novies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003, vervangen bij het decreet van 17 juni 2011 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 40novies. Zonder afbreuk te doen aan de principes dat een personeelslid wordt aangesteld in of geaffecteerd aan een instelling, kunnen in het basisonderwijs:
  1° de leden van het bestuurspersoneel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet;
  2° de leden van het onderwijzend personeel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor andere instellingen van de scholengemeenschap worden ingezet;
  3° de leden van het beleidsen ondersteunend personeel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor en in andere instellingen van de scholengemeenschap of voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet;
  4° in afwijking van punt 2° de personeelsleden die zijn aangesteld met overgedragen lestijden, worden ingezet voor de vervulling van opdrachten voor en in andere instellingen van de scholengemeenschap. Daarover moet vooraf in het lokaal comité worden onderhandeld.
  Zonder afbreuk te doen aan de principes dat een personeelslid wordt aangesteld in of geaffecteerd aan een instelling, kunnen in het secundair onderwijs:
  1° de leden van het bestuurspersoneel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet;
  2° de leden van het ondersteunend personeel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, als ze daarmee instemmen, voor de vervulling van opdrachten voor en in andere instellingen van de scholengemeenschap of voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet.
  Bij de toepassing van het eerste lid, 3° en 4°, en het tweede lid, 2°, worden minstens volgende principes gehanteerd:
  1° het personeelslid wordt steeds aangesteld in of geaffecteerd aan de instelling waar de betrekking reglementair wordt ingericht;
  2° de afstand over de openbare weg tussen de instelling van aanstelling of affectatie en de instelling waar het personeelslid wordt ingezet mag nooit meer dan 25 kilometer bedragen. Dat geldt niet als het personeelslid ermee instemt om over een grotere afstand ingezet te worden;
  3° er wordt altijd rekening gehouden met de statutaire toestand van het personeelslid die conform dit decreet is bepaald.
  De bepalingen over de inzetbaarheid, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, worden, onverminderd artikel 18 en 31, opgenomen in het geschrift waarin de aanstelling wordt vastgesteld, alsook in de functiebeschrijving, vermeld in hoofdstuk VIIIbis.".
Art. 52. L'article 40novies du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003, remplacé par le décret du 17 juin 2011 et modifié par le décret du 21 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 40novies. Sans préjudice des principes de désignation ou d'affectation d'un membre du personnel dans un établissement, dans l'enseignement fondamental :
  1° les membres du personnel directeur des établissements formant le centre d'enseignement peuvent être employés pour l'accomplissement de tâches pour l'ensemble du centre d'enseignement ;
  2° les membres du personnel enseignant des établissements formant le centre d'enseignement peuvent être employés pour l'accomplissement de tâches pour d'autres établissements du centre d'enseignement ;
  3° les membres du personnel directeur et de soutien des établissements formant le centre d'enseignement peuvent être employés pour l'accomplissement de tâches pour et dans d'autres établissements du centre d'enseignement ou pour l'ensemble du centre d'enseignement ;
  4° par dérogation au point 2°, les membres du personnel désignés avec des périodes de cours transférées peuvent être employés pour l'accomplissement de tâches pour et dans d'autres établissements du centre d'enseignement. Cela doit être négocié au préalable au sein du comité local.
  Sans préjudice des principes de désignation ou d'affectation d'un membre du personnel dans un établissement, dans l'enseignement de secondaire :
  1° les membres du personnel directeur des établissements formant le centre d'enseignement peuvent être employés pour l'accomplissement de tâches pour l'ensemble du centre d'enseignement ;
  2° les membres du personnel de soutien des établissements formant le centre d'enseignement peuvent, s'ils y consentent, être employés pour l'accomplissement des tâches pour et dans d'autres établissements du centre d'enseignement ou pour l'ensemble du centre d'enseignement.
  En application de l'alinéa premier, 3° et 4°, et de l'alinéa deux, 2°, les principes suivants sont au moins appliqués :
  1° le membre du personnel est toujours désigné ou affecté à l'établissement où l'emploi est organisé réglementairement ;
  2° la distance par la voie publique entre l'établissement de nomination ou d'affection et l'établissement le membre du personnel est employé ne peut excéder 25 kilomètres. Cela ne s'applique pas si le membre du personnel accepté d'être employé sur une plus longue distance ;
  3° il est toujours tenu compte de la situation statutaire du membre du personnel déterminée conformément au présent décret.
  Les dispositions relatives à l'employabilité, visées aux alinéas 1 à 3 figurent, sans préjudice des articles 18 et 31, dans l'acte de nomination et dans la description de fonction visée au chapitre VIII bis. ".
Art. 53. In hoofdstuk III van hetzelfde decreet wordt het opschrift van afdeling 7bis vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 7bis. Inzetbaarheid van de personeelsleden tewerkgesteld in de scholengemeenschapsinstellingen of aangesteld ter ondersteuning van de werking van een scholengemeenschap".
Art. 53. Au chapitre III du même décret, l'intitulé de la section 7bis est remplacé par ce qui suit :
  " Section 7bis. Employabilité des membres du personnel employés dans les établissements de centre d'enseignement ou affectés en soutien au fonctionnement d'un centre d'enseignement ".
Art. 54. Artikel 40decies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 17 juni 2011, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 40decies. Zonder afbreuk te doen aan de principes dat een personeelslid wordt aangesteld in of geaffecteerd aan een instelling, kunnen in afwijking van artikel 40novies de personeelsleden die zijn aangesteld of geaffecteerd in een scholengemeenschapsinstelling of die zijn aangesteld in een functie of een betrekking die wordt ingericht ter ondersteuning van de werking van de scholengemeenschap, worden ingezet voor de vervulling van opdrachten voor en in andere instellingen van de scholengemeenschap of voor de vervulling van opdrachten voor de totaliteit van de scholengemeenschap.
  Bij de toepassing van het eerste lid worden minstens volgende principes gehanteerd:
  1° het personeelslid wordt altijd aangesteld in of geaffecteerd aan de instelling waar de betrekking reglementair wordt ingericht;
  2° de afstand over de openbare weg tussen de instelling van aanstelling of affectatie en de instelling waar het personeelslid wordt ingezet mag nooit meer dan 25 kilometer bedragen. Dat geldt niet als het personeelslid ermee instemt om over een grotere afstand ingezet te worden;
  3° er wordt altijd rekening gehouden met de statutaire toestand van het personeelslid die conform dit decreet is bepaald.
  De bepalingen over de inzetbaarheid, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden, onverminderd artikel 18 en 31, opgenomen in het geschrift waarin de aanstelling wordt vastgesteld, alsook in de functiebeschrijving, vermeld in hoofdstuk VIIIbis.".
Art. 54. L'article 40decies du même décret, inséré par le décret du 17 juin 2011, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 40decies. Sans préjudice des principes selon lesquels un membre du personnel est désigné ou affecté dans un établissement, par dérogation à l'article 40novies, les membres du personnel désignés ou affectés dans un établissement de centre d'enseignement ou qui sont désignés dans une fonction ou un emploi qui est organisé en soutien du fonctionnement du centre d'enseignement, sont employés pour l'accomplissement de tâches pour et dans d'autres établissements du centre d'enseignement ou pour l'accomplissement de tâches pour l'ensemble du centre d'enseignement.
  En application de l'alinéa premier, les principaux suivants seront au moins appliqués :
  1° le membre du personnel est toujours désigné ou affecté dans l'établissement où l'emploi est organisé réglementairement ;
  2° la distance par la voie publique entre l'établissement de désignation ou d'affection et l'établissement où le membre du personnel est employé ne peut excéder 25 kilomètres. Cela ne s'applique pas si le membre du personnel accepte d'être employé sur une plus longue distance ;
  3° il est toujours tenu compte de la situation statutaire du membre du personnel déterminée conformément au présent décret.
  Les dispositions relatives à l'employabilité, visées aux alinéas premier et deux, figurent, sans préjudice des articles 18 et 31, dans le document de désignation et dans la description de fonction visée au chapitre VIIIbis. ".
Art. 55. In artikel 55vicies/2, § 2, 1°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014, wordt de zinsnede "de geïndividualiseerde functiebeschrijving zoals bepaald in artikel 73ter" vervangen door de woorden "de functiebeschrijving".
Art. 55. A l'article 55vicies/2, § 2, 1°, du même décret, inséré par le décret du 25 avril 2014, le membre de phrase " , la description de fonction individualisée telle que visée à l'article 73ter " est remplacé par les mots " la description de fonction ".
Art. 56. In artikel 55vicies/3, § 2, 1°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014, wordt de zinsnede "de geïndividualiseerde functiebeschrijving zoals bepaald in artikel 73ter" vervangen door de woorden "de functiebeschrijving".
Art. 56. A l'article 55vicies/3, § 2, 1°, du même décret, inséré par le décret du 25 avril 2014, le membre de phrase " , la description de fonction individualisée telle que visée à l'article 73ter " est remplacé par les mots " la description de fonction ".
Art. 57. Artikel 73bis, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007, wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Voor de bepalingen van dit hoofdstuk wordt onder "instelling" desgevallend ook een pedagogische entiteit verstaan die bestaat uit alle instellingen voor secundair onderwijs, die behoren tot hetzelfde schoolbestuur en liggen binnen eenzelfde kadastraal perceel of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden door hetzij maximaal twee kadastrale percelen, hetzij door een weg. De vestigingsplaatsen die op deze locatie liggen en die behoren tot andere dan de hiervoor vermelde instellingen, behoren niet tot de pedagogische entiteit.".
Art. 57. L'article 73bis, § 2, du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998, remplacé par le décret du 13 juillet 2007, est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Aux fins du présent chapitre, on entend également le cas échéant par " établissement " une entité éducative constituée de l'ensemble des établissements d'enseignement secondaire appartenant à la même autorité scolaire et situés à l'intérieur de la même parcelle cadastrale ou de parcelles cadastrales contiguës, ou séparées par au plus deux parcelles cadastrales, ou par une route. Les implantations situées au même endroit et qui appartiennent à des établissements autres que ceux mentionnés ci-dessus n'appartiennent pas à l'entité pédagogique. ".
Art. 58. In artikel 73ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het woord "geïndividualiseerde" opgeheven;
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:" § 2. Een functiebeschrijving is verplicht voor elk personeelslid en wordt door de eerste evaluator ondertekend. De functiebeschrijving wordt bij de aanstelling zo snel als mogelijk overhandigd. Het betrokken personeelslid ondertekent de functiebeschrijving voor kennisname.";
  3° in paragraaf 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  - aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt:
  "De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie, worden vastgelegd.";
  - aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt:
  "De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie worden vastgelegd.";
  4° in paragraaf 4 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  - in het eerste lid, 2°, eerste streepje, worden tussen de woorden "Voor een personeelslid dat tewerkgesteld is" en de woorden "ter ondersteuning van of op het niveau van de scholengemeenschap" de woorden "in een scholengemeenschapsinstelling of" ingevoegd;
  - het eerste lid, 2°, derde streepje, wordt vervangen door wat volgt:
  "- de eerste evaluator heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De eerste evaluator moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen;";
  - het tweede lid, eerste streepje, wordt vervangen door wat volgt:
  "- de adviseur-coördinator is de eerste evaluator. Hij heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De adviseur-coördinator moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen;";
  5° in paragraaf 5 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  - in het eerste lid wordt tussen de woorden "door de afgevaardigd bestuurder." en de woorden "Deze personeelsleden hebben" de volgende zin ingevoegd:
  "De directeur, belast met de functie directeur coördinatie-scholengemeenschap, wordt geëvalueerd door de evaluator die in overleg wordt aangeduid door de scholengemeenschap.";
  - het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "De eerste evaluator heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject.
  De eerste evaluator moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen.";
  6° paragraaf 6 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 6. Een opleiding tot evaluator is verplicht voor wie als evaluator wordt aangesteld. Evaluatoren moeten binnen de twee jaar na hun aanduiding als evaluator een opleiding tot evaluator succesvol afgerond hebben. Evaluatoren die al voor 1 september 2021 als evaluator aangeduid waren en nog geen opleiding hadden gevolgd, krijgen daarvoor de tijd tot 1 september 2023.
  Wie na deze termijn niet aan deze voorwaarde voldoet kan niet evalueren.";
  7° paragraaf 7 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 7. De functiebeschrijving, die moet vastgelegd worden per ambt en per instelling, bevat de kerntaken van het personeelslid. De kerntaken omvatten de taken eigen aan de functie, de professionalisering, en het overleg en de samenwerking met directie, collega's en desgevallend CLB en ouders. Wanneer zijn kerntaken wijzigen, krijgt het personeelslid een nieuwe functiebeschrijving. Daarbij wordt rekening gehouden met de algemene afspraken die in uitvoering van paragraaf 3 zijn vastgelegd en met de bepalingen van het arbeidsreglement.".
Art. 58. A l'article 73ter du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998, remplacé par le décret du 13 juillet 2007 et modifié en dernier lieu par le décret du 15 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, le mot " individualisé " est abrogé ;
  2° paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit : " § 2. Une description de fonction est requise pour chaque membre du personnel et est signée par le premier évaluateur. La description de fonction est remise le plus tôt possible au moment de la désignation. Le membre du personnel concerné signe la description de fonction pour en accuser réception. " ;
  3° au paragraphe 3, les modifications suivantes sont apportées :
  - à l'alinéa 1er est ajoutée une phrase libellée comme suit :
  " Les tâches essentielles à inclure dans les descriptions de fonction peuvent ainsi être définies par fonction et, le cas échéant, au sein de la fonction par fonction. " ;
  - à l'alinéa deux est ajoutée une phrase libellée comme suit :
  " Les tâches essentielles à inclure dans les descriptions de fonction peuvent ainsi être définies par fonction et, le cas échéant, au sein de la fonction par fonction. " ;
  4° au paragraphe 4, les modifications suivantes sont apportées :
  - à l'alinéa 1er, 2°, premier tiret, les mots " dans un établissement de centre d'enseignement ou " sont insérés entre les mots " pour un membre du personnel qui est employé " et les mots " à l'appui ou au niveau du centre d'enseignement " ;
  - l'alinéa 1er, 2°, troisième tiret, est remplacé par ce qui suit :
  " - La tâche principale du premier évaluateur est de fournir au membre du personnel un coaching et un encadrement adéquats. Une délégation ou une assistance externe peut être fournie pour l'inclusion du parcours d'accompagnement concret. Le premier évaluateur doit avoir des entretiens de fonctionnement réguliers avec le membre du personnel. En outre, le membre du personnel a droit à un entretien de fonctionnement à sa demande. Un rapport de l'entretien de fonctionnement peut être établi. Il comprendra éventuellement des objectifs personnels et de développement ; " ;
  - l'alinéa deux, premier tiret, est remplacé par ce qui suit :
  " - le conseiller-coordinateur est le premier évaluateur. Sa tâche principale consiste à fournir au membre du personnel un coaching et un encadrement suffisants. Une délégation ou une assistance externe peut être fournie pour l'inclusion du parcours d'accompagnement concret. Le conseiller-coordinateur doit régulièrement mener des entretiens de fonctionnement avec le membre du personnel. En outre, le membre du personnel a droit à un entretien de fonctionnement à sa demande. Un rapport de l'entretien de fonctionnement peut être établi. Il comprendra éventuellement des objectifs personnels et de développement ; " ;
  5° au paragraphe 5, les modifications suivantes sont apportées :
  - à l'alinéa 1er, entre les mots " par l'administrateur délégué. " et les mots " Ces membres du personnel ont ", est insérée la phrase suivante :
  " Le directeur, chargé de la fonction de directeur de la coordination du centre d'enseignement, est évalué par l'évaluateur désigné en concertation par le centre d'enseignement. " ;
  - l'alinéa trois est remplacé par ce qui suit :
  " La tâche principale du premier évaluateur est de fournir au membre du personnel un coaching et un encadrement adéquats. Une délégation ou une assistance externe peut être fournie pour l'inclusion du parcours d'accompagnement concret.
  Le premier évaluateur doit avoir des entretiens de fonctionnement réguliers avec le membre du personnel. En outre, le membre du personnel a droit à un entretien de fonctionnement à sa demande. Un rapport de l'entretien de fonctionnement peut être établi. Il comprendra éventuellement des objectifs personnels et de développement ; " ;
  6° le paragraphe 6 est remplacé par ce qui suit :
  " § 6. Une formation d'évaluateur est obligatoire pour les personnes désignées évaluateurs. Les évaluateurs doivent avoir suivi avec succès une formation d'évaluateur dans les deux ans suivant leur désignation. Les évaluateurs qui étaient déjà désignés comme évaluateurs avant le 1er septembre 2021 et qui n'avaient pas encore suivi de formation auront jusqu'au 1er septembre 2023.
  Ceux qui ne remplissent pas cette condition après cette période ne peuvent pas être évalués. " ;
  7° Le paragraphe 7 est remplacé par ce qui suit :
  " § 7. La description de fonction, qui doit être définie par poste et par établissement, contient les tâches essentielles du membre du personnel. Les tâches essentielles comprennent les tâches propres à la fonction, la professionnalisation, la concertation et la coopération avec la direction, les collègues et, le cas échéant, le CLB et les parents. Chaque fois que ses tâches essentielles changent, le membre du personnel reçoit une nouvelle description de fonction. Ce faisant, il est tenu compte des conventions générales prévues en application du paragraphe 3 et des dispositions du règlement de travail. ".
Art. 59. Artikel 73ter/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011 en gewijzigd bij het decreet van 16 maart 2018, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 73ter/1. § 1. De lijst van de instellingsgebonden opdrachten wordt opgemaakt door de directeur en onderhandeld in het lokaal comité.
  De instellingsgebonden opdrachten worden niet opgenomen in de functiebeschrijving. Een overzicht van de verdeling van de instellingsgebonden opdrachten op schoolniveau wordt aan alle personeelsleden bezorgd.
  § 2. Bij het verdelen van de instellingsgebonden opdrachten tussen alle personeelsleden houdt de directeur rekening met onder andere:
  1° de aard van de kerntaken van de personeelsleden in de instelling, het voltijds of deeltijds karakter ervan en de tijd die hieraan besteed wordt;
  2° het principe van de billijke verdeling van de instellingsgebonden opdrachten, inzonderheid met betrekking tot personeelsleden die nog in andere instellingen werkzaam zijn;
  3° de competenties van de personeelsleden.
  Bij het toewijzen van instellingsgebonden opdrachten aan personeelsleden moet het instellingshoofd bovendien rekening houden met de tijd die de personeelsleden besteden aan hun vertegenwoordiging in lokale inspraakorganen opgericht door of krachtens een wet of een decreet, en met de tijd die een vakbondsafgevaardigde besteedt aan zijn vertegenwoordiging in de Vlaamse Onderwijsraad.
  § 3. Voor de personeelsleden aangesteld in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel kunnen naast de kerntaken, ook een beperkt aantal instellingsgebonden opdrachten worden gevraagd, zoals:
  - het opnemen van verantwoordelijkheden die het lesof klasgebeuren overschrijden;
  - het opnemen van een of andere specifieke rol of opdracht;
  - het vervangen van afwezige leraars en aanvullend toezicht houden;
  - vertegenwoordiging in schoolexterne organen.".
Art. 59. L'article 73ter/1 du même décret, inséré par le décret du 1er juillet 2011 et modifié par le décret du 16 mars 2018, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 73ter/1. § 1er. La liste des charges spécifiques à l'établissement est dressée par le directeur et négociée au sein du comité local.
  Les charges spécifiques à l'établissement ne figurent pas dans la description de fonction. Un aperçu de la répartition des charges spécifiques à l'établissement au niveau scolaire est remis à tous les membres du personnel.
  § 2. Lors de la répartition des charges spécifiques à l'établissement entre tous les membres du personnel, le directeur tient compte, entre autres, des éléments suivants :
  1° la nature des tâches essentielles des membres du personnel dans l'établissement, leur caractère à temps plein ou à temps partiel et le temps qui y est consacré ;
  2° le principe de la répartition équitable des charges spécifiques à l'établissement, notamment en ce qui concerne les membres du personnel travaillant encore dans d'autres établissements ;
  3° les compétences des membres du personnel.
  Lors de l'attribution de charges spécifiques à l'établissement aux membres du personnel, le chef d'établissement doit également tenir compte du temps consacré par les membres du personnel à leur représentation dans les organes de participation locaux institués par ou en vertu d'une loi ou d'un décret, ainsi que du temps consacré par un délégué syndical à sa représentation au Conseil flamand de l'enseignement.
  § 3. Outre les tâches essentielles, un nombre limité de charges spécifiques à l'établissement peuvent être demandées aux membres du personnel désignés dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant, par exemple :
  - assumer des responsabilités qui vont au-delà de la vie en classe ;
  - assumer un rôle ou une charge spécifique ;
  - remplacer les enseignants absents et assurer une supervision supplémentaire ;
  - assurer la représentation dans des organes externes de l'école. ".
Art. 60. In artikel 73quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007 en gewijzigd bij de decreten van 4 juli 2008 en 1 juli 2011, wordt het derde lid opgeheven.
Art. 60. A l'article 73quater du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998, remplacé par le décret du 13 juillet 2007 et modifié par les décrets des 4 juillet 2008 et 1er juillet 2011, l'alinéa trois est abrogé.
Art. 61. Artikel 73quinquies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007 en gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 73quinquies. § 1. Voor de wervingsambten van het bestuursen onderwijzend personeel wordt, voor zover dit ambt een lesopdracht omvat, bij het vastleggen van de functiebeschrijvingen, onverminderd artikel 73ter en 73ter/1, rekening gehouden met het volgende principe:
  De kerntaak van de leraar is het lesgeven, in de brede zin van het woord. Het gaat om een geïntegreerde lerarenopdracht, die betrekking heeft op alles wat als vanzelfsprekend bij het lerarenberoep hoort, vertrekkend vanuit de brede professionaliteit van de lesgever. Tot deze geïntegreerde lerarenopdracht behoren kerntaken zoals:
  - de planning en voorbereiding van lessen;
  - het lesgeven zelf;
  - de klaseigen leerlingenbegeleiding;
  - de evaluatie van de leerlingen en cursisten;
  - de professionalisering;
  - het overleg en de samenwerking met directie, collega's, en desgevallend CLB en ouders.
  § 2. Een personeelslid in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel kan belast worden met een specifieke functie op voorwaarde dat het schoolbestuur daarvoor omkaderingsmiddelen aanwendt. In dat geval worden voor dit personeelslid in afwijking van paragraaf 1 - of aanvullend op paragraaf 1 indien het personeelslid belast wordt met zowel een lesopdracht als een specifieke functiespecifieke taken opgenomen in de functiebeschrijving.
  De criteria die worden gebruikt om voor die specifieke taken al dan niet omkaderingsmiddelen aan te wenden en om ze te verdelen onder alle personeelsleden alsook de criteria voor de verdeling van de omkaderingsmiddelen worden onderhandeld in het lokaal comité.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 kan voor de wervingsambten van het bestuursen onderwijzend personeel in het basisonderwijs in de functiebeschrijving enkel de geïntegreerde lerarenopdracht worden opgenomen, die bestaat uit de hoofdopdracht en de volgende kerntaken:
  - de planning en voorbereiding van lessen;
  - de klaseigen leerlingenbegeleiding;
  - de evaluatie van de leerlingen;
  - de professionalisering;
  - het overleg en de samenwerking met directie, collega's, CLB en ouders.".
Art. 61. L'article 73quinquies du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998, remplacé par le décret du 13 juillet 2007 et modifié par le décret du 1er juillet 2011, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 73quinquies. § 1er. Pour les fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant, dans la mesure où cet fonction comporte une charge d'enseignement, le principe suivant est pris en compte lors de la définition des descriptions de fonction, sans préjudice des articles 73ter et 73ter/1 :
  La tâche essentielle de l'enseignant est l'enseignement, au sens large du terme. Il s'agit d'une charge intégrée de l'enseignant, qui couvre tout ce qui fait partie intégrante de la profession d'enseignant, à commencer par le professionnalisme général de l'enseignant. Cette charge intégrée de l'enseignant comprend des tâches essentielles telles que :
  - la planification et la préparation des leçons ;
  - l'enseignement lui-même ;
  - l'accompagnement des élèves propre à la classe ;
  - l'évaluation des élèves et participants aux cours ;
  - la professionnalisation ;
  - la concertation et la coopération avec la direction, les collègues et le cas échéant le CLB et les parents.
  § 2. Un membre du personnel occupant une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant peut se voir confier une fonction spécifique à condition que la direction de l'école alloue des ressources d'encadrement à cette fin. Dans ce cas, par dérogation au paragraphe 1er ou en complément du paragraphe 1er si le membre du personnel est affecté à la fois à une charge d'enseignement et à une fonction spécifique des tâches spécifiques sont incluses dans la description de fonction.
  Les critères utilisés pour allouer ou non des ressources d'encadrement à ces tâches spécifiques et pour les répartir entre tous les membres du personnel, ainsi que les critères de répartition des ressources d'encadrement, sont négociés au sein du comité local.
  § 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, pour le recrutement du personnel directeur et enseignant de l'enseignement fondamental, la description de fonction ne peut comporter que la charge intégrée de l'enseignant, qui se compose de la charge principale et des tâches essentielles suivantes :
  - la planification et la préparation des leçons ;
  - l'accompagnement des élèves propre à la classe ;
  - l'évaluation des élèves ;
  - la professionnalisation ;
  - la concertation et la coopération avec la direction, les collègues, CLB et les parents. ".
Art. 62. Artikel 73sexies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007 en gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, wordt opgeheven.
Art. 62. L'article 73sexies du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998, remplacé par le décret du 13 juillet 2007 et modifié par le décret du 8 mai 2009, est abrogé.
Art. 63. Artikel 73septies, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007, wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Voor de bepalingen van dit hoofdstuk wordt onder "instelling" desgevallend ook een pedagogische entiteit verstaan die bestaat uit alle instellingen voor secundair onderwijs, die behoren tot hetzelfde schoolbestuur en liggen binnen eenzelfde kadastraal perceel of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden door hetzij maximaal twee kadastrale percelen, hetzij door een weg. De vestigingsplaatsen die op deze locatie liggen en die behoren tot andere dan de hiervoor vermelde instellingen, behoren niet tot de pedagogische entiteit.".
Art. 63. L'article 73septies, § 2, du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998, remplacé par le décret du 13 juillet 2007, est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Aux fins du présent chapitre, on entend également le cas échéant par " établissement " une entité éducative constituée de l'ensemble des établissements d'enseignement secondaire appartenant à la même autorité scolaire et situés à l'intérieur de la même parcelle cadastrale ou de parcelles cadastrales contiguës, ou séparées par au plus deux parcelles cadastrales, ou par une route. Les implantations situées au même endroit et qui appartiennent à des établissements autres que ceux mentionnés ci-dessus n'appartiennent pas à l'entité pédagogique. ".
Art. 64. Aan artikel 73octies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt er een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een personeelslid moet geëvalueerd worden op diens volledige functioneren op basis van zijn functiebeschrijving en van de persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen in de verslagen van de functioneringsgesprekken.";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Een personeelslid voor wie geen functiebeschrijving werd opgesteld volgens de bepalingen van hoofdstuk VIIIbis, voor wie geen persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen werden opgenomen in de verslagen van zijn functioneringsgesprekken of voor wie niet in voldoende mate kan aangetoond worden dat de nodige coaching en begeleiding werd voorzien, kan niet worden geëvalueerd. Als aan een personeelslid het verslag van het eerste formele functioneringsgesprek werd overhandigd met daarin de persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen van het personeelslid en een duidelijke weergave van de tekortkomingen die zich stellen, moet een termijn van minimum 120 dagen effectieve prestaties gerespecteerd worden - waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, met uitzondering van de zomervakantie - vooraleer een evaluatieverslag met als eindconclusie "onvoldoende" kan overhandigd worden.";
  3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Evaluatoren doen met het oog op de evaluatie zelf een aantal vaststellingen, en kunnen bijkomend een beroep doen op informatie die zij verkregen hebben van derden.".
Art. 64. A l'article 73octies du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998, remplacé par le décret du 13 juillet 2007, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, il est ajouté un alinéa deux, libellé comme suit :
  " Un membre du personnel doit être évalué sur l'ensemble de son fonctionnement sur la base de sa description de fonction et des objectifs personnels et de développement définis dans les rapports des entretiens de fonctionnement. " ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Un membre du personnel pour lequel aucune description de fonction n'a été établie conformément aux dispositions du chapitre VIII bis, pour lequel aucun objectif personnel et de développement n'a été inclus dans les rapports de ses entretiens de fonctionnement, ou pour lequel il ne peut être suffisamment démontré que le coaching et l'accompagnement nécessaires ont été fournis, ne peut être évalué. Si un membre du personnel a reçu le rapport du premier entretien de fonctionnement formel qui contient les objectifs personnels et de développement du membre du personnel et une indication claire des lacunes, une période d'au moins 120 jours de travail effectif doit être observée les jours suivants étant également considérés comme des jours de travail effectif : les samedis, les dimanches, les jours fériés légaux et les vacances scolaires, à l'exception des vacances d'été avant qu'un rapport d'évaluation dont la conclusion finale est " insuffisant " puisse être remis ;
  3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Les évaluateurs effectuent un certain nombre d'observations dans le cadre de l'évaluation elle-même et peuvent également utiliser des informations obtenues auprès de tiers. ".
Art. 65. Aan artikel 73decies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt het woord "afspraken" vervangen door de woorden "persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen";
  2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt het woord "eventueel" opgeheven;
  3° in paragraaf 2, derde lid, wordt de zinsnede "- op straffe van nietigheid -" opgeheven.
Art. 65. A l'article 73decies du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998, remplacé par le décret du 13 juillet 2007 et modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa deux, le mot " conventions " est remplacé par les mots " objectifs personnels et de développement " ;
  2° au paragraphe 2, alinéa 2, le mot " éventuellement " est abrogé ;
  3° au paragraphe 2, alinéa 3, le membre de phrase " sous peine de nullité " est abrogé.
Art. 66. In artikel 73undecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007 en gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid is een evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende" onmogelijk voor een personeelslid aangesteld in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel en belast met een specifieke functie, zoals vermeld in artikel 73quinquies, § 2, voor zover hij voordien belast was met een lesopdracht en daarvoor geen functioneringsverslag met persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen heeft gekregen dat aanleiding gaf tot een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende". Hetzelfde geldt voor het personeelslid dat die specifieke functie combineert met een lesopdracht en voor die lesopdracht geen persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen heeft gekregen in zijn functioneringsverslag die aanleiding geven tot een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende".";
  2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Na een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende", en voor zover deze niet leidt tot het ontslag zoals bedoeld in dit hoofdstuk, moet betrokkene een nieuwe evaluatie krijgen. Deze nieuwe evaluatie kan ten vroegste plaats vinden na een periode van minstens 120 dagen effectieve prestaties, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, met uitzondering van de zomervakantie. Deze periode start op het ogenblik dat het evaluatieverslag wordt voorgelegd aan het betrokken personeelslid overeenkomstig artikel 73decies, § 2. Bovendien moet een periode van minstens 12 maanden gerespecteerd worden sinds aan betrokkene het verslag van het eerste formele functioneringsgesprek werd overhandigd, bedoeld in artikel 73octies, § 2.".
Art. 66. A l'article 73undecies du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998, remplacé par le décret du 13 juillet 2007 et modifié par le décret du 9 juillet 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, il est ajouté un alinéa deux, libellé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa premier, un rapport d'évaluation avec une conclusion finale " insuffisant " est impossible pour un membre du personnel désigné dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant et chargé d'une fonction spécifique telle que visée à l'article 73quinquies, § 2, dans la mesure où il était précédemment chargé d'une charge d'enseignement et qu'il n'a pas reçu auparavant un rapport de fonctionnement avec des objectifs personnels et de développement qui a conduit à une évaluation dont la conclusion finale est " insuffisant ". Il en va de même pour un membre du personnel qui combine cette fonction spécifique avec une charge d'enseignement et qui n'a pas reçu d'objectifs personnels et de développement dans son rapport de fonctionnement et qui conduisent à une évaluation dont la conclusion finale est " insuffisant ". " ;
  2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Après une évaluation dont la conclusion finale est " insuffisant ", et dans la mesure où cela ne conduit pas à un licenciement tel que visé dans le présent chapitre, la personne concernée doit obtenir une nouvelle évaluation. Cette nouvelle évaluation peut avoir lieu au plus tôt après une période d'au moins 120 jours de travail effectif, les jours suivants étant également considérés comme des jours de travail effectif : les samedis, les dimanches, les jours fériés légaux et les vacances scolaires, à l'exception des vacances d'été. Cette période débute lorsque le rapport d'évaluation est remis au membre du personnel concerné conformément à l'article 73decies, § 2. En outre, une période d'au moins 12 mois doit être observée depuis que le rapport du premier entretien de fonctionnement formel visé à l'article 73octies, § 2, a été remis à la personne concernée. ".
Art. 67. Artikel 73duodecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007, wordt opgeheven.
Art. 67. L'article 73duodecies du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998, remplacé par le décret du 13 juillet 2007, est abrogé.
Art. 68. Aan artikel 73septiesdecies, § 5, 1°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Indien de beroepsmogelijkheden in strijd met artikel 73decies, § 2, niet vermeld zijn in het evaluatieverslag, dan neemt de termijn van twintig kalenderdagen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende" werd overhandigd;".
Art. 68. A l'article 73septiesdecies, § 5, 1°, du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, il est ajouté une phrase, libellée comme suit :
  " Si les voies de recours contraires à l'article 73decies, § 2, ne sont pas mentionnées dans le rapport d'évaluation, le délai de vingt jours civils commence à courir quatre mois après que la copie du rapport d'évaluation portant la conclusion finale " insuffisant " a été remise à la personne concernée ; ".
Art. 69. In artikel 77decies, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018 en gewijzigd bij het decreet van 18 december 2020, wordt de zinsnede "artikel 28, § 1, 4° en 5°, artikel 100terdecies of artikel 100septies decies" vervangen door de zinsnede "artikel 28, § 1, 4°, 5° en 6°, artikel 100terdecies of artikel 100sexies decies, § 1, 4, 5° en 6° ".
Art. 69. A l'article 77decies, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 6 juillet 2018 et modifié par le décret du 18 décembre 2020, le membre de phrase " l'article 28, § 1er, 4° et 5°, l'article 100 terdecies ou l'article 100septiesdecies " est remplacé par le membre de phrase " l'article 28, § 1er, 4°, 5° et 6°, l'article 100terdecies ou l'article 100sexies, § 1er, 4, 5° et 6° ".
Art. 70. In artikel 100quater decies, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 15 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "In afwijking van paragraaf 1 en 3 en van artikel 21, § 3," vervangen door de zinsnede "In afwijking van paragraaf 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 9 en van artikel 21, § 3,";
  3° in paragraaf 2 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.";
  4° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zinsnede "In afwijking van paragraaf 1 en 2 en van artikel 21, § 3," vervangen door de zinsnede "In afwijking van paragraaf 1, 2, 4, 5, 6, 7 en 9 en van artikel 21, § 3,";
  5° in paragraaf 3 wordt het zevende lid vervangen door wat volgt:
  "Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.";
  6° een paragraaf 4, een paragraaf 5, een paragraaf 6, een paragraaf 7, een paragraaf 8 en een paragraaf 9 worden toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 4. In afwijking van paragraaf 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 9 en van artikel 21, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2021 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° uiterlijk op 30 juni 2020 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  2° voor het betrokken ambt uiterlijk op 30 juni 2020 geen beoordeling met werkpunten, als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni 2020 geen beoordeling heeft gekregen, wordt die voorwaarde geacht vervuld te zijn;
  3° tijdens het schooljaar 2020-2021 of later in het betrokken ambt niet tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
  1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;
  2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.
  Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  § 5. In afwijking van paragraaf 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 9 en van artikel 21, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2021 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° na 1 september 2019 en uiterlijk op 30 juni 2021 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  2° voor het betrokken ambt na 1 september 2019 en uiterlijk op 30 juni 2021 geen beoordeling met werkpunten gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid na 1 september 2019 en uiterlijk op 30 juni 2021 geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
  1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;
  2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.
  Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  § 6. In afwijking van paragraaf 1 tot en met 5, van paragraaf 7 en 9 en van artikel 21, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2022 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bepaald in het tweede lid, voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° uiterlijk op 30 juni 2021 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  2° voor het betrokken ambt en uiterlijk op 30 juni 2021 een beoordeling met werkpunten gekregen hebben waarin de eerste evaluator oordeelde dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven;
  3° na 31 augustus 2021 tijdelijk aangesteld worden in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep.
  Het tijdelijke personeelslid dat aan de voorwaarden van het eerste lid voldoet, verwerft het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur op of na 1 september 2022 als dat dit personeelslid uiterlijk op 30 juni 2022 of later bijkomend 200 dagen effectieve prestaties heeft gepresteerd in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep en in toepassing van hoofdstuk VIIIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" gekregen heeft. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens deze bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.
  Het tijdelijke personeelslid dat van de eerste evaluator tijdens het schooljaar 2020-2021 en uiterlijk op 30 juni 2021 een beoordeling met werkpunten heeft gekregen waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven, heeft op 1 september 2021 of later in een instelling van de scholengroep recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt waarvoor de beoordeling is toegekend. Het tijdelijke personeelslid verliest dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het betrokken ambt als hij vanaf het ogenblik waarop hij de beoordeling met werkpunten heeft gekregen vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in een of meer instellingen van de scholengroep. Dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur geldt pas nadat in toepassing van artikel 21 en van artikel 21bis een betrekking is toegekend aan de personeelsleden die het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven.
  Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt, conform de werkpunten die de eerste evaluator in het verslag van de beoordeling heeft opgenomen, een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens de bijkomende periode van 200 dagen effectieve prestaties moet volgen.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
  1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;
  2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.
  Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  § 7. In afwijking van paragraaf 1 tot en met 6, van paragraaf 9 en van artikel 21, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2022 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° uiterlijk op 30 juni 2021 in het betrokken ambt een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 290 dagen en ten hoogste 579 dagen;
  2° na 31 augustus 2021 tijdelijk aangesteld worden in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep;
  3° op 30 juni 2022 of later in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  4° voor het betrokken ambt uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin het personeelslid de in punt 3° vereiste dienstanciënniteit heeft verworven geen beoordeling met werkpunten, als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de in punt 3° vereiste dienstanciënniteit heeft verworven geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.
  Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIIIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding werd afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIIIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens deze bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.
  Het tijdelijke personeelslid dat van de eerste evaluator op 30 juni 2022 of later een beoordeling met werkpunten heeft gekregen waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven, heeft het daaropvolgende schooljaar of later in een instelling van de scholengroep recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt waarvoor de beoordeling is toegekend. Dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur geldt pas nadat in toepassing van artikel 21 en van artikel 21bis een betrekking is toegekend aan de personeelsleden die het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven. Het tijdelijke personeelslid verliest dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het betrokken ambt als hij vanaf het ogenblik waarop hij de beoordeling met werkpunten heeft gekregen vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in een of meer instellingen van de scholengroep. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt, conform de werkpunten die de eerste evaluator in het verslag van de beoordeling heeft opgenomen, een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens de bijkomende periode van 200 dagen effectieve prestaties moet volgen.
  Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de raad van bestuur. De raad van bestuur gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt, rekening houdend met het traject van aanvangsbegeleiding dat het personeelslid heeft doorlopen. De raad van bestuur bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de raad van bestuur vragen om gehoord te worden. De raad van bestuur hoort in dat geval beide partijen voordat het een beslissing neemt.
  De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken beoordeling door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
  In het bevoegde lokaal comité van de scholengroep worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
  1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;
  2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.
  Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  § 8. Het tijdelijke personeelslid dat in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voor 31 augustus 2021 in een ambt reeds dienstanciënniteit heeft verworven en niet voldoet aan de voorwaarden van paragraaf 1 tot en met 7 of van paragraaf 9, kan voor het betrokken ambt het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel verwerven als het personeelslid op of na 1 september 2021 een nieuwe tijdelijke aanstelling krijgt in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep en op 30 juni daaropvolgend beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 21, § 3, of van artikel 21bis, § 3. De voormelde dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid voor 31 augustus 2021 al heeft verworven, geldt daarbij vanaf 1 september 2021 voor de toepassing van artikel 21, § 3, of van artikel 21bis, § 3.
  § 9. In afwijking van de paragrafen 1 tot en met 8 en van artikel 21, § 3, verwerft het tijdelijke personeelslid dat op 1 juli 2021 door een raad van bestuur vast benoemd wordt in een ambt volgens artikel 100septies decies, § 2, 3°, of 4°, vanaf 1 september 2021 in dat ambt het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
  1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;
  2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.".
Art. 70. A l'article 100quaterdecies du même décret, inséré par le décret du 15 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, l'alinéa trois est remplacé par ce qui suit :
  " Pour bénéficier du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel postulera auprès du conseil d'administration avant le 15 juin, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante. Le membre du personnel peut le faire par courrier recommandé ou par tout autre moyen fixé par le collège des directeurs, après négociations au sein du comité de négociation compétent, et qui offre au moins les mêmes garanties en matière d'opposabilité qu'une lettre recommandée. Le conseil d'administration informe tous les membres du personnel des possibilités d'annoncer des candidatures et le rend également public. Si la candidature du membre du personnel remplit toutes les conditions, elle est considérée comme une candidature ininterrompue pour la fonction tout au long des années scolaires. "
  2° au paragraphe 2, alinéa premier, le membre de phrase " par dérogation aux paragraphes 1er et 3 et à l'article 21, § 3, " est remplacé par le membre de phrase " Par dérogation aux paragraphes 1er, 3, 4, 5, 6, 7 et 9 et à l'article 21, § 3, " ;
  3° au paragraphe 2, l'alinéa trois est remplacé par ce qui suit :
  " Pour bénéficier du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel postulera auprès du conseil d'administration avant le 15 juin, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante. Le membre du personnel peut le faire par courrier recommandé ou par tout autre moyen fixé par le collège des directeurs, après négociations au sein du comité de négociation compétent, et qui offre au moins les mêmes garanties en matière d'opposabilité qu'une lettre recommandée. Le conseil d'administration informe tous les membres du personnel des possibilités d'annoncer des candidatures et le rend également public. Si la candidature du membre du personnel remplit toutes les conditions, elle est considérée comme une candidature ininterrompue pour la fonction tout au long des années scolaires. "
  4° au paragraphe 3, alinéa premier, le membre de phrase " par dérogation aux paragraphes 1er et 2 et à l'article 21, § 3, " est remplacé par le membre de phrase " Par dérogation aux paragraphes 1er, 3, 4, 5, 6, 7 et 9 et à l'article 21, § 3, " ;
  5° au paragraphe 3, le septième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Pour bénéficier du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel postulera auprès du conseil d'administration avant le 15 juin, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante. Le membre du personnel peut le faire par courrier recommandé ou par tout autre moyen fixé par le collège des directeurs, après négociations au sein du comité de négociation compétent, et qui offre au moins les mêmes garanties en matière d'opposabilité qu'une lettre recommandée. Le conseil d'administration informe tous les membres du personnel des possibilités d'annoncer des candidatures et le rend également public. Si la candidature du membre du personnel remplit toutes les conditions, elle est considérée comme une candidature ininterrompue pour la fonction tout au long des années scolaires. "
  6° il est ajouté des paragraphes 4, 5, 6, 7, 8 et 9 libellés comme suit :
  " § 4. Par dérogation aux paragraphes 1er, 2, 3, 5, 6, 7 et 9 et à l'article 21, § 3, un membre du personnel a droit, à partir du 1er septembre 2021, à une désignation temporaire à durée ininterrompue à une fonction, mentionnée à l'article 21, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles :
  1° au plus tard le 30 juin 2020, avoir acquis dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 580 jours, dont 400 jours de travail effectif, répartis sur au moins deux années scolaires, les jours suivants étant également considérés comme jours de travail effectif : les samedis, les dimanches, les jours fériés légaux et les vacances scolaires, dans la mesure où ils se situent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du risque dans le cadre de la menace d'une maladie professionnelle et/ou de la protection de la maternité sont comptabilisés jusqu'à un maximum de 140 jours comme jours de travail effectif, dans la mesure où ces jours se situent dans la période de désignation ;
  2° ne pas avoir reçu du premier évaluateur, au plus tard le 30 juin 2020, une évaluation avec des points d'amélioration telle que visée à l'alinéa deux pour la fonction concernée. Si le membre du personnel n'a pas reçu d'évaluation au plus tard le 30 juin 2020, cette condition est considérée comme remplie ;
  3° ne pas avoir été désigné dans la fonction concernée pour une période ininterrompue dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles au cours de l'année scolaire 2020-2021 ou ultérieurement.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les emplois :
  1° dans les établissements d'un même groupe d'écoles qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement ;
  2° dans les établissements d'un même groupe d'écoles appartenant à un centre d'enseignement.
  Pour bénéficier du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel postulera auprès du conseil d'administration avant le 15 juin, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante. Le membre du personnel peut le faire par courrier recommandé ou par tout autre moyen fixé par le collège des directeurs, après négociations au sein du comité de négociation compétent, et qui offre au moins les mêmes garanties en matière d'opposabilité qu'une lettre recommandée. Le conseil d'administration informe tous les membres du personnel des possibilités d'annoncer des candidatures et le rend également public. Si la candidature du membre du personnel remplit toutes les conditions, elle est considérée comme une candidature ininterrompue pour la fonction tout au long des années scolaires.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne s'applique pas aux membres du personnel visés au chapitre Vbis, en ce qui concerne le volume de leur charge permanente pour laquelle ils ont obtenu un congé pour accomplir temporairement une autre charge.
  § 5. Par dérogation aux paragraphes 1er, 2, 3, 4, 6, 7 et 9 et à l'article 21, § 3, un membre du personnel a droit, à partir du 1er septembre 2021, à une désignation temporaire à durée ininterrompue à une fonction, mentionnée à l'article 21, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles :
  1° après le 1er septembre 2019 et au plus tard le 30 juin 2021, avoir acquis dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 580 jours, dont 400 jours de travail effectif, répartis sur au moins deux années scolaires, les jours suivants étant également considérés comme jours de travail effectif : les samedis, les dimanches, les jours fériés légaux et les vacances scolaires, dans la mesure où ils se situent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'éloignement d'un risque dans le cadre de la menace d'une maladie professionnelle et/ou de la protection de la maternité sont comptabilisés comme des jours de travail effectif jusqu'à un maximum de 140 jours, dans la mesure où ces jours se situent dans la période de désignation ;
  2° ne pas avoir reçu du premier évaluateur, après le 1er septembre 2019 et au plus tard le 30 juin 2021, une évaluation avec des points d'amélioration pour la fonction concernée. Si le membre du personnel n'a pas reçu d'évaluation après le 1er septembre 2019 et au plus tard le 30 juin 2021, cette condition est considérée comme remplie.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les emplois :
  1° dans les établissements d'un même groupe d'écoles qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement ;
  2° dans les établissements d'un même groupe d'écoles appartenant à un centre d'enseignement.
  Pour bénéficier du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel postulera auprès du conseil d'administration avant le 15 juin, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante. Le membre du personnel peut le faire par courrier recommandé ou par tout autre moyen fixé par le collège des directeurs, après négociations au sein du comité de négociation compétent, et qui offre au moins les mêmes garanties en matière d'opposabilité qu'une lettre recommandée. Le conseil d'administration informe tous les membres du personnel des possibilités d'annoncer des candidatures et le rend également public. Si la candidature du membre du personnel remplit toutes les conditions, elle est considérée comme une candidature ininterrompue pour la fonction tout au long des années scolaires ;
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne s'applique pas aux membres du personnel visés au chapitre Vbis, en ce qui concerne le volume de leur mission permanente pour laquelle ils ont obtenu un congé pour accomplir temporairement une autre mission.
  § 6. Par dérogation aux paragraphes 1er à 5, aux paragraphes 7 à 9 et à l'article 21, § 3, un membre du personnel a droit, à partir du 1er septembre 2022, à une désignation temporaire à durée ininterrompue, comme précisé à l'alinéa deux, pour une fonction mentionnée à l'article 21, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles :
  1° au plus tard le 30 juin 2021, avoir acquis dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 580 jours, dont 400 jours de travail effectif, répartis sur au moins deux années scolaires, les jours suivants étant également considérés comme jours de travail effectif : les samedis, les dimanches, les jours fériés légaux et les vacances scolaires, dans la mesure où ils se situent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'éloignement d'un risque dans le cadre de la menace d'une maladie professionnelle et/ou de la protection de la maternité sont comptabilisés comme des jours de travail effectif jusqu'à un maximum de 140 jours, dans la mesure où ces jours se situent dans la période de désignation ;
  2° pour la fonction concernée, et au plus tard le 30 juin 2021, avoir reçu une évaluation avec des points d'amélioration dans laquelle le premier évaluateur a jugé que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ;
  3° après le 31 août 2021, être désigné temporairement dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles.
  Le membre du personnel temporaire qui remplit les conditions du premier alinéa acquiert le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue à partir du 1er septembre 2022, à condition d'avoir accompli, au plus tard le 30 juin 2022 ou ultérieurement, 200 jours de travail effectif supplémentaires dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles et de ne pas avoir reçu, à la fin de cette période, une évaluation finale assortie d'une conclusion finale " insuffisant " en application du chapitre VIIIter. Le congé de maternité et la période d'éloignement d'un risque dans le cadre de la menace d'une maladie professionnelle et/ou de la protection de la maternité sont comptabilisés comme des jours de travail effectif jusqu'à un maximum de 70 jours, dans la mesure où ces jours se situent dans la période de désignation.
  Le membre du personnel temporaire qui reçoit une évaluation avec des points d'amélioration du premier évaluateur au cours de l'année scolaire 2020-2021 et au plus tard le 30 juin 2021, montrant qu'il ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, a droit, au 1er septembre 2021 ou ultérieurement, à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans un établissement du groupe d'écoles dans la fonction pour laquelle l'évaluation est attribuée. Le membre du personnel temporaire perd son droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans la fonction concernée s'il n'a pas travaillé dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles pendant cinq années scolaires consécutives à compter de la date de réception de son évaluation avec des points d'amélioration. Ce droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée ne s'applique qu'après que les membres du personnel qui ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ont obtenu un emploi en application des articles 21 et 21bis.
  En cas de nouvelle désignation du membre du personnel à la fonction concernée, un parcours adapté d'encadrement initial que le membre du personnel devra suivre pendant la période supplémentaire de 200 jours de travail effectif sera établi, conformément aux points d'amélioration définis par le premier évaluateur dans le rapport d'évaluation.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les emplois :
  1° dans les établissements d'un même groupe d'écoles qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement ;
  2° dans les établissements d'un même groupe d'écoles appartenant à un centre d'enseignement.
  Pour bénéficier du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel postulera auprès du conseil d'administration avant le 15 juin, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante. Le membre du personnel peut le faire par courrier recommandé ou par tout autre moyen fixé par le collège des directeurs, après négociations au sein du comité de négociation compétent, et qui offre au moins les mêmes garanties en matière d'opposabilité qu'une lettre recommandée. Le conseil d'administration informe tous les membres du personnel des possibilités d'annoncer des candidatures et le rend également public. Si la candidature du membre du personnel remplit toutes les conditions, elle est considérée comme une candidature ininterrompue pour la fonction tout au long des années scolaires.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne s'applique pas aux membres du personnel visés au chapitre Vbis, en ce qui concerne le volume de leur mission permanente pour laquelle ils ont obtenu un congé pour accomplir temporairement une autre mission.
  § 7. Par dérogation aux paragraphes 1er à 6, au paragraphe 9 et à l'article 21, § 3, un membre du personnel a droit, à partir du 1er septembre 2021, à une désignation temporaire à durée ininterrompue pour une fonction, mentionnée à l'article 21, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles :
  1° avoir acquis au plus tard le 30 juin 2021 dans la fonction concernée une ancienneté de service de 290 jours au moins et de 579 jours au plus ;
  2° après le 31 août 2021, être désigné temporairement dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles ;
  3° au plus tard le 30 juin 2022 ou ultérieurement, avoir acquis dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 580 jours, dont 400 jours de travail effectif, répartis sur au moins deux années scolaires, les jours suivants étant également considérés comme jours de travail effectif : les samedis, les dimanches, les jours fériés légaux et les vacances scolaires, dans la mesure où ils se situent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'éloignement d'un risque dans le cadre de la menace d'une maladie professionnelle et/ou de la protection de la maternité sont comptabilisés comme des jours de travail effectif jusqu'à un maximum de 140 jours, dans la mesure où ces jours se situent dans la période de désignation ;
  4° ne pas avoir reçu du premier évaluateur, au plus tard le 30 juin 2020 de l'année scolaire au cours de laquelle le membre du personnel a acquis l'ancienneté requise au point 3°, une évaluation avec des points d'amélioration telle que visée à l'alinéa deux pour la fonction concernée. Si le membre du personnel n'a pas reçu d'évaluation au plus tard le 30 juin de l'année scolaire au cours de laquelle il a acquis l'ancienneté de service requise au point 3°, cette condition est réputée remplie.
  Sans préjudice de l'application du chapitre VIIIter, le premier évaluateur peut également considérer que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions requises pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue et lui donner une évaluation avec des points d'amélioration. Le premier évaluateur rédige donc un rapport dans lequel sont consignés cette décision et les points d'amélioration, ainsi que le parcours effectué lors de l'encadrement initial. Dans ce cas, l'agent doit effectuer 200 jours supplémentaires de travail effectif avant d'acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, à condition qu'à la fin de cette période, le membre du personnel n'ait pas reçu d'évaluation finale assortie d'une conclusion finale " insuffisant " en application du chapitre VIIIter. Le congé de maternité et la période d'éloignement d'un risque dans le cadre de la menace d'une maladie professionnelle et/ou de la protection de la maternité sont comptabilisés comme des jours de travail effectif jusqu'à un maximum de 70 jours, dans la mesure où ces jours se situent dans la période de désignation.
  Le membre du personnel temporaire qui reçoit une évaluation avec des points d'amélioration du premier évaluateur le 30 juin 2021 ou ultérieurement, montrant qu'il ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, a droit, l'année scolaire suivante ou ultérieurement, à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans un établissement du groupe d'écoles dans la fonction pour laquelle l'évaluation est attribuée. Ce droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée ne s'applique qu'après que les membres du personnel qui ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ont obtenu un emploi en application des articles 21 et 21bis. Le membre du personnel temporaire perd son droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans la fonction concernée s'il n'a pas travaillé dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles pendant cinq années scolaires consécutives à compter de la date de réception de son évaluation avec des points d'amélioration. En cas de nouvelle désignation du membre du personnel à la fonction concernée, un parcours adapté d'encadrement initial que le membre du personnel devra suivre pendant la période supplémentaire de 200 jours de travail effectif sera établi, conformément aux points de travail définis par le premier évaluateur dans le rapport d'évaluation.
  Le membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation avec des points d'amélioration visée au paragraphe 2 peut interjeter appel auprès du conseil d'administration. Le conseil d'administration examine ensuite si l'évaluation avec des points d'amélioration est raisonnable et justifie ce report du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, compte tenu du parcours d'encadrement initial effectué par le membre du personnel. Le conseil d'administration confirme ou annule l'évaluation avec des points d'amélioration. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander à être entendus par le conseil d'administration. Dans ce cas, le conseil d'administration entend les deux parties avant de prendre une décision.
  L'évaluation de l'enseignant de cours philosophiques doit également recevoir l'approbation de l'autorité compétente du culte concerné ou de la morale non confessionnelle concernant les aspects relatifs au contenu ou à la technique. Cet accord est attesté par la signature d'un représentant de l'autorité compétente sur cette partie de l'évaluation en question.
  Des accords généraux sont négociés sur l'évaluation au sein du comité local compétent du groupe d'écoles.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les emplois :
  1° dans les établissements d'un même groupe d'écoles qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement ;
  2° dans les établissements d'un même groupe d'écoles appartenant à un centre d'enseignement.
  Pour bénéficier du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel postulera auprès du conseil d'administration avant le 15 juin, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante. Le membre du personnel peut le faire par courrier recommandé ou par tout autre moyen fixé par le collège des directeurs, après négociations au sein du comité de négociation compétent, et qui offre au moins les mêmes garanties en matière d'opposabilité qu'une lettre recommandée. Le conseil d'administration informe tous les membres du personnel des possibilités d'annoncer des candidatures et le rend également public. Si la candidature du membre du personnel remplit toutes les conditions, elle est considérée comme une candidature ininterrompue pour la fonction tout au long des années scolaires ;
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne s'applique pas aux membres du personnel visés au chapitre Vbis, en ce qui concerne le volume de leur mission permanente pour laquelle ils ont obtenu un congé pour accomplir temporairement une autre mission.
  § 8. Le membre du personnel temporaire qui a déjà acquis de l'ancienneté de service dans une fonction dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles avant le 31 août 2021 et qui ne remplit pas les conditions énoncées aux paragraphes 1 à 7 ou 9 ne peut acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans la fonction concernée que s'il reçoit une nouvelle désignation temporaire dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles à partir du 1er septembre 2021 et remplit les conditions prévues à l'article 21, § 3, ou à l'article 21 bis, § 3, au 30 juin de l'année suivante. L'ancienneté de service précitée déjà acquise par le membre du personnel temporaire avant le 31 août 2021 s'applique à partir du 1er septembre 2021 aux fins de l'article 21, § 3, ou de l'article 21bis, § 3.
  § 9. Par dérogation aux paragraphes 1er à 8 et à l'article 21, § 3, le membre du personnel temporaire qui, au 1er juillet 2021, est nommé à titre définitif par un conseil d'administration à une fonction conformément à l'article 100septiesdecies, § 2, 3° ou 4°, acquiert le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans cette fonction à partir du 1er septembre 2021. Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les emplois :
  1° dans les établissements d'un même groupe d'écoles qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement ;
  2° dans les établissements d'un même groupe d'écoles appartenant à un centre d'enseignement. ".
Art. 71. In artikel 100quinquies decies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 15 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5," vervangen door de zinsnede "voor een ambt, vermeld in artikel 21bis, § 5,".
  2° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.";
  3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "In afwijking van paragraaf 1 en 3 en van artikel 21bis, § 3," vervangen door de zinsnede "In afwijking van paragraaf 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 9 en van artikel 21bis, § 3," en wordt de zinsnede "voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5," vervangen door de zinsnede "voor een ambt, vermeld in artikel 21bis, § 5,";
  4° in paragraaf 2 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.";
  5° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zinsnede "In afwijking van paragraaf 1 en 2 en van artikel 23bis, § 3," vervangen door de zinsnede "In afwijking van paragraaf 1, 2, 4, 5, 6, 7 en 9 en van artikel 21bis, § 3,";
  6° in paragraaf 3 wordt het zevende lid vervangen door wat volgt:
  "Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.";
  7° een paragraaf 4, een paragraaf 5, een paragraaf 6, een paragraaf 7, een paragraaf 8 en een paragraaf 9 worden toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 4. In afwijking van paragraaf 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 9 en van artikel 21, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2021 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° uiterlijk op 30 juni 2020 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  2° voor het betrokken ambt uiterlijk op 30 juni 2020 geen beoordeling met werkpunten, als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni 2020 geen beoordeling heeft gekregen, wordt die voorwaarde geacht vervuld te zijn;
  3° tijdens het schooljaar 2020-2021 of later in het betrokken ambt niet tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
  1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net;
  2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;
  3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.
  Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  § 5. In afwijking van paragraaf 1, 2, 3, 4, 6,7 en 9 en van artikel 21bis, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2021 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21bis, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° na 1 september 2019 en uiterlijk op 30 juni 2021 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  2° voor het betrokken ambt na 1 september 2019 en uiterlijk op 30 juni 2021 geen beoordeling met werkpunten gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid na 1 september 2019 en uiterlijk op 30 juni 2021 geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
  1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net;
  2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;
  3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.
  Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  § 6. In afwijking van paragraaf 1 tot en met 5, van paragraaf 7 en 9 en van artikel 21bis, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2022 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bepaald in het tweede lid, voor een ambt, vermeld in artikel 21bis, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° uiterlijk op 30 juni 2021 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  2° voor het betrokken ambt uiterlijk op 30 juni 2021 een beoordeling met werkpunten gekregen hebben waarin de eerste evaluator oordeelde dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven;
  3° na 31 augustus 2021 tijdelijk aangesteld worden in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep.
  Het tijdelijke personeelslid dat aan de voorwaarden van het eerste lid voldoet, verwerft het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur op of na 1 september 2022 als dat dit personeelslid uiterlijk op 30 juni 2022 of later bijkomend 200 dagen effectieve prestaties heeft gepresteerd in het betrokken ambt in een of meer instellingen van de scholengroep en in toepassing van hoofdstuk VIIIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" gekregen heeft. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens deze bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.
  Het tijdelijke personeelslid dat van de eerste evaluator op 30 juni 2022 of later een beoordeling met werkpunten heeft gekregen waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven, heeft het daaropvolgende schooljaar of later in een instelling van de scholengemeenschap recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt waarvoor de beoordeling is toegekend. Dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur geldt pas nadat in toepassing van artikel 21 en van artikel 21bis een betrekking is toegekend aan de personeelsleden die het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven. Het tijdelijke personeelslid verliest dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het betrokken ambt als hij vanaf het ogenblik waarop hij de beoordeling met werkpunten heeft gekregen vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in een of meer instellingen van de scholengemeenschap.
  Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt, conform de werkpunten die de eerste evaluator in het verslag van de beoordeling heeft opgenomen, een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens de bijkomende periode van 200 dagen effectieve prestaties moet volgen.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
  1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net;
  2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;
  3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.
  Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  § 7. In afwijking van paragraaf 1 tot en met 6, van paragraaf 9 en van artikel 21bis, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2021 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21bis, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° uiterlijk op 30 juni 2021 in het betrokken ambt een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 290 dagen en ten hoogste 579 dagen;
  2° na 31 augustus 2021 tijdelijk aangesteld worden in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep;
  3° op 30 juni 2022 of later in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
  4° voor het betrokken ambt uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin het personeelslid de in punt 3° vereiste dienstanciënniteit heeft verworven geen beoordeling met werkpunten, als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de in punt 3° vereiste dienstanciënniteit heeft verworven geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.
  Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIIIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding werd afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIIIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens deze bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.
  Het tijdelijke personeelslid dat van de eerste evaluator op 30 juni 2022 of later een beoordeling met werkpunten heeft gekregen waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven, heeft het daaropvolgende schooljaar of later in een instelling van de scholengemeenschap recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt waarvoor de beoordeling is toegekend. Dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur geldt pas nadat in toepassing van artikel 21 en van artikel 21bis een betrekking is toegekend aan de personeelsleden die het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven. Het tijdelijke personeelslid verliest dit recht op een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het betrokken ambt als hij vanaf het ogenblik waarop hij de beoordeling met werkpunten heeft gekregen vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in een of meer instellingen van de scholengemeenschap. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt, conform de werkpunten die de eerste evaluator in het verslag van de beoordeling heeft opgenomen, een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens de bijkomende periode van 200 dagen effectieve prestaties moet volgen.
  Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de raad van bestuur. De raad van bestuur gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt, rekening houdend met het traject van aanvangsbegeleiding dat het personeelslid heeft doorlopen. De raad van bestuur bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de raad van bestuur vragen om gehoord te worden. De raad van bestuur hoort in dat geval beide partijen voordat het een beslissing neemt.
  De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken beoordeling door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
  In het bevoegde lokaal comité van de scholengroep worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
  1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net;
  2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;
  3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.
  Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als de kandidatuur van het personeelslid aan alle voorwaarden voldoet, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
  Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
  § 8. Het tijdelijke personeelslid dat in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voor 31 augustus 2021 in een ambt reeds dienstanciënniteit heeft verworven en niet voldoet aan de voorwaarden van paragraaf 1 tot en met 7 of van paragraaf 9, kan voor het betrokken ambt het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel verwerven als het personeelslid op of na 1 september 2021 een nieuwe tijdelijke aanstelling krijgt in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep en op 30 juni daaropvolgend beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 21, § 3, of van artikel 21bis, § 3. De voormelde dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid voor 31 augustus 2021 al heeft verworven, geldt daarbij vanaf 1 september 2021 voor de toepassing van artikel 21, § 3, of van artikel 21bis, § 3.
  § 9. In afwijking van de paragrafen 1 tot en met 8 en van artikel 21bis, § 3, verwerft het tijdelijke personeelslid dat op 1 juli 2021 door een raad van bestuur vast benoemd wordt in een ambt volgens artikel 100septies decies, § 2, 3° of 4°, vanaf 1 september 2021 in dat ambt het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
  1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net;
  2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;
  3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.".
Art. 71. A l'article 100quinquies du même décret, inséré par le décret du 15 mars 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " pour une fonction visée à l'article 21, § 5, " est remplacé par le membre de phrase " pour une fonction visée à l'article 21bis, § 5, ".
  2° au paragraphe 1er, l'alinéa trois est remplacé par ce qui suit :
  " Pour bénéficier du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel postulera auprès du conseil d'administration avant le 15 juin, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante. Le membre du personnel peut le faire par courrier recommandé ou par tout autre moyen fixé par le collège des directeurs, après négociations au sein du comité de négociation compétent, et qui offre au moins les mêmes garanties en matière d'opposabilité qu'une lettre recommandée. Le conseil d'administration informe tous les membres du personnel des possibilités d'annoncer des candidatures et le rend également public. Si la candidature du membre du personnel remplit toutes les conditions, elle est considérée comme une candidature ininterrompue pour la fonction tout au long des années scolaires. "
  3° au paragraphe 2, alinéa 1er, le membre de phrase " Par dérogation aux paragraphes 1er et 3 et à l'article 21bis, § 3, " est remplacé par le membre de phrase " Par dérogation aux paragraphes 1er, 3, 4, 5, 6, 7 et 9 et à l'article 21bis, § 3, " et le membre de phrase " pour une fonction visée à l'article 21, § 5, " est remplacé par le membre de phrase " pour une fonction visée à l'article 21bis, § 5, " ;
  4° au paragraphe 2, l'alinéa trois est remplacé par ce qui suit :
  " Pour bénéficier du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel postulera auprès du conseil d'administration avant le 15 juin, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante. Le membre du personnel peut le faire par courrier recommandé ou par tout autre moyen fixé par le collège des directeurs, après négociations au sein du comité de négociation compétent, et qui offre au moins les mêmes garanties en matière d'opposabilité qu'une lettre recommandée. Le conseil d'administration informe tous les membres du personnel des possibilités d'annoncer des candidatures et le rend également public. Si la candidature du membre du personnel remplit toutes les conditions, elle est considérée comme une candidature ininterrompue pour la fonction tout au long des années scolaires. "
  5° au paragraphe 3, alinéa 1er, le membre de phrase " Par dérogation aux paragraphes 1er et 2 et à l'article 23bis, § 3, " est remplacé par le membre de phrase " Par dérogation aux paragraphes 1er, 2, 4, 5, 6, 7 et 9 et à l'article 21bis, § 3, " ;
  6° au paragraphe 3, le septième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Pour bénéficier du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel postulera auprès du conseil d'administration avant le 15 juin, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante. Le membre du personnel peut le faire par courrier recommandé ou par tout autre moyen fixé par le collège des directeurs, après négociations au sein du comité de négociation compétent, et qui offre au moins les mêmes garanties en matière d'opposabilité qu'une lettre recommandée. Le conseil d'administration informe tous les membres du personnel des possibilités d'annoncer des candidatures et le rend également public. Si la candidature du membre du personnel remplit toutes les conditions, elle est considérée comme une candidature ininterrompue pour la fonction tout au long des années scolaires. "
  7° il est ajouté des paragraphes 4, 5, 6, 7, 8 et 9 libellés comme suit :
  " § 4. Par dérogation aux paragraphes 1er, 2, 3, 5, 6, 7 et 9 et à l'article 21, § 3, un membre du personnel a droit, à partir du 1er septembre 2021, à une désignation temporaire à durée ininterrompue à une fonction, mentionnée à l'article 21, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles :
  1° au plus tard le 30 juin 2020, avoir acquis dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 580 jours, dont 400 jours de travail effectif, répartis sur au moins deux années scolaires, les jours suivants étant également considérés comme jours de travail effectif : les samedis, les dimanches, les jours fériés légaux et les vacances scolaires, dans la mesure où ils se situent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'éloignement d'un risque dans le cadre de la menace d'une maladie professionnelle et/ou de la protection de la maternité sont comptabilisés comme des jours de travail effectif jusqu'à un maximum de 140 jours, dans la mesure où ces jours se situent dans la période de désignation ;
  2° ne pas avoir reçu du premier évaluateur, au plus tard le 30 juin 2020, une évaluation avec des points d'amélioration telle que visée à l'alinéa deux pour la fonction concernée. Si le membre du personnel n'a pas reçu d'évaluation au plus tard le 30 juin 2020, cette condition est considérée comme remplie ;
  3° ne pas avoir été désigné dans la fonction concernée pour une période ininterrompue dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles au cours de l'année scolaire 2020-2021 ou ultérieurement.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les emplois :
  1° dans les établissements du même centre d'enseignement, quel que soit le réseau ;
  2° dans les établissements d'un autre centre d'enseignement du même groupe d'écoles ;
  3° dans les établissements du même groupe d'écoles qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement.
  Pour bénéficier du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel postulera auprès du conseil d'administration avant le 15 juin, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante. Le membre du personnel peut le faire par courrier recommandé ou par tout autre moyen fixé par le collège des directeurs, après négociations au sein du comité de négociation compétent, et qui offre au moins les mêmes garanties en matière d'opposabilité qu'une lettre recommandée. Le conseil d'administration informe tous les membres du personnel des possibilités d'annoncer des candidatures et le rend également public. Si la candidature du membre du personnel remplit toutes les conditions, elle est considérée comme une candidature ininterrompue pour la fonction tout au long des années scolaires.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne s'applique pas aux membres du personnel visés au chapitre Vbis, en ce qui concerne le volume de leur mission permanente pour laquelle ils ont obtenu un congé pour accomplir temporairement une autre mission.
  § 5. Par dérogation aux paragraphes 1er, 2, 3, 4, 6, 7 et 9 et à l'article 21bis, § 3, un membre du personnel a droit, à partir du 1er septembre 2021, à une désignation temporaire à durée ininterrompue pour une fonction, mentionnée à l'article 21bis, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles :
  1° après le 1er septembre 2019 et au plus tard le 30 juin 2021, avoir acquis dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 580 jours, dont 400 jours de travail effectif, répartis sur au moins deux années scolaires, les jours suivants étant également considérés comme jours de travail effectif : les samedis, les dimanches, les jours fériés légaux et les vacances scolaires, dans la mesure où ils se situent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'éloignement d'un risque dans le cadre de la menace d'une maladie professionnelle et/ou de la protection de la maternité sont comptabilisés comme des jours de travail effectif jusqu'à un maximum de 140 jours, dans la mesure où ces jours se situent dans la période de désignation ;
  2° ne pas avoir reçu du premier évaluateur, après le 1er septembre 2019 et au plus tard le 30 juin 2021, une évaluation avec des points d'amélioration pour la fonction concernée. Si le membre du personnel n'a pas reçu d'évaluation après le 1er septembre 2019 et au plus tard le 30 juin 2021, cette condition est considérée comme remplie.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les emplois :
  1° dans les établissements du même centre d'enseignement, quel que soit le réseau ;
  2° dans les établissements d'un autre centre d'enseignement du même groupe d'écoles ;
  3° dans les établissements d'un même groupe d'écoles qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement.
  Pour bénéficier du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel postulera auprès du conseil d'administration avant le 15 juin, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante. Le membre du personnel peut le faire par courrier recommandé ou par tout autre moyen fixé par le collège des directeurs, après négociations au sein du comité de négociation compétent, et qui offre au moins les mêmes garanties en matière d'opposabilité qu'une lettre recommandée. Le conseil d'administration informe tous les membres du personnel des possibilités d'annoncer des candidatures et le rend également public. Si la candidature du membre du personnel remplit toutes les conditions, elle est considérée comme une candidature ininterrompue pour la fonction tout au long des années scolaires.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne s'applique pas aux membres du personnel visés au chapitre Vbis, en ce qui concerne le volume de leur mission permanente pour laquelle ils ont obtenu un congé pour accomplir temporairement une autre mission.
  § 6. Par dérogation aux paragraphes 1er à 5, aux paragraphes 7 à 9 et à l'article 21bis, § 3, un membre du personnel a droit, à partir du 1er septembre 2022, à une désignation temporaire à durée ininterrompue, comme précisé à l'alinéa deux, pour une fonction mentionnée à l'article 21bis, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles :
  1° au plus tard le 30 juin 2021, avoir acquis dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 580 jours, dont 400 jours de travail effectif, répartis sur au moins deux années scolaires, les jours suivants étant également considérés comme jours de travail effectif : les samedis, les dimanches, les jours fériés légaux et les vacances scolaires, dans la mesure où ils se situent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'éloignement d'un risque dans le cadre de la menace d'une maladie professionnelle et/ou de la protection de la maternité sont comptabilisés comme des jours de travail effectif jusqu'à un maximum de 140 jours, dans la mesure où ces jours se situent dans la période de désignation ;
  2° pour la fonction concernée, au plus tard le 30 juin 2021, avoir reçu une évaluation avec des points d'amélioration dans laquelle le premier évaluateur a jugé que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ;
  3° après le 31 août 2021, être désigné temporairement dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles.
  Le membre du personnel temporaire qui remplit les conditions de l'alinéa 1er acquiert le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue à partir du 1er septembre 2022, à condition d'avoir accompli, au plus tard le 30 juin 2022 ou ultérieurement, 200 jours supplémentaires travail effectif dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles et de ne pas avoir reçu, à la fin de cette période, une évaluation finale assortie d'une conclusion finale " insuffisant " en application du chapitre VIIIter. Le congé de maternité et la période d'éloignement d'un risque dans le cadre de la menace d'une maladie professionnelle et/ou de la protection de la maternité sont comptabilisés comme des jours de travail effectif jusqu'à un maximum de 70 jours, dans la mesure où ces jours se situent dans la période de désignation.
  Le membre du personnel temporaire qui reçoit une évaluation avec des points d'amélioration du premier évaluateur le 30 juin 2021 ou ultérieurement, montrant qu'il ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, a droit, l'année scolaire suivante ou ultérieurement, à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans un établissement du centre d'enseignement dans la fonction pour laquelle l'évaluation est attribuée. Ce droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée ne s'applique qu'après que les membres du personnel qui ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ont obtenu un emploi en application des articles 21 et 21bis. Le membre du personnel temporaire perd son droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans la fonction concernée s'il n'a pas travaillé dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles pendant cinq années scolaires consécutives à compter de la date de réception de son évaluation avec des points d'amélioration.
  En cas de nouvelle désignation du membre du personnel à la fonction concernée, un parcours adapté d'encadrement initial que le membre du personnel devra suivre pendant la période supplémentaire de 200 jours de travail effectif sera établi, conformément aux points d'amélioration définis par le premier évaluateur dans le rapport d'évaluation.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les emplois :
  1° dans les établissements du même centre d'enseignement, quel que soit le réseau ;
  2° dans les établissements d'un autre centre d'enseignement du même groupe d'écoles ;
  3° dans les établissements d'un même groupe d'écoles qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement.
  Pour bénéficier du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel postulera auprès du conseil d'administration avant le 15 juin, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante. Le membre du personnel peut le faire par courrier recommandé ou par tout autre moyen fixé par le collège des directeurs, après négociations au sein du comité de négociation compétent, et qui offre au moins les mêmes garanties en matière d'opposabilité qu'une lettre recommandée. Le conseil d'administration informe tous les membres du personnel des possibilités d'annoncer des candidatures et le rend également public. Si la candidature du membre du personnel remplit toutes les conditions, elle est considérée comme une candidature ininterrompue pour la fonction tout au long des années scolaires.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne s'applique pas aux membres du personnel visés au chapitre Vbis, en ce qui concerne le volume de leur mission permanente pour laquelle ils ont obtenu un congé pour accomplir temporairement une autre mission.
  § 7. Par dérogation aux paragraphes 1er à 6, au paragraphe 9 et à l'article 21bis, § 3, un membre du personnel a droit, à partir du 1er septembre 2021, à une désignation temporaire à durée ininterrompue pour une fonction, mentionnée à l'article 21bis, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles :
  1° avoir acquis au plus tard le 30 juin 2021 dans la fonction concernée une ancienneté de service de 290 jours au moins et de 579 jours au plus ;
  2° après le 31 août 2021, être désigné temporairement dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles ;
  3° au plus tard le 30 juin 2022 ou ultérieurement, avoir acquis dans la fonction concernée une ancienneté de service d'au moins 580 jours, dont 400 jours de travail effectif, répartis sur au moins deux années scolaires, les jours suivants étant également considérés comme jours de travail effectif : les samedis, les dimanches, les jours fériés légaux et les vacances scolaires, dans la mesure où ils se situent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'éloignement d'un risque dans le cadre de la menace d'une maladie professionnelle et/ou de la protection de la maternité sont comptabilisés comme des jours de travail effectif jusqu'à un maximum de 140 jours, dans la mesure où ces jours se situent dans la période de désignation ;
  4° ne pas avoir reçu du premier évaluateur, au plus tard le 30 juin 2020 de l'année scolaire au cours de laquelle le membre du personnel a acquis l'ancienneté requise au point 3°, une évaluation avec des points d'amélioration telle que visée à l'alinéa deux pour la fonction concernée. Si le membre du personnel n'a pas reçu d'évaluation au plus tard le 30 juin de l'année scolaire au cours de laquelle il a acquis l'ancienneté de service requise au point 3°, cette condition est réputée remplie.
  Sans préjudice de l'application du chapitre VIIIter, le premier évaluateur peut également considérer que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions requises pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue et lui donner une évaluation avec des points d'amélioration. Le premier évaluateur rédige donc un rapport dans lequel sont consignés cette décision et les points d'amélioration, ainsi que le parcours effectué lors de l'encadrement initial. Dans ce cas, l'agent doit effectuer 200 jours supplémentaires de travail effectif avant d'acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, à condition qu'à la fin de cette période, le membre du personnel n'ait pas reçu d'évaluation finale assortie d'une conclusion finale " insuffisant " en application du chapitre VIIIter. Le congé de maternité et la période d'éloignement d'un risque dans le cadre de la menace d'une maladie professionnelle et/ou de la protection de la maternité sont comptabilisés comme des jours de travail effectif jusqu'à un maximum de 70 jours, dans la mesure où ces jours se situent dans la période de désignation.
  Le membre du personnel temporaire qui reçoit une évaluation avec des points d'amélioration du premier évaluateur le 30 juin 2021 ou ultérieurement, montrant qu'il ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, a droit, l'année scolaire suivante ou ultérieurement, à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans un établissement du centre d'enseignement dans la fonction pour laquelle l'évaluation est attribuée. Ce droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée ne s'applique qu'après que les membres du personnel qui ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ont obtenu un emploi en application des articles 21 et 21bis. Le membre du personnel temporaire perd son droit à une nouvelle désignation temporaire à durée déterminée dans la fonction concernée s'il n'a pas travaillé dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles pendant cinq années scolaires consécutives à compter de la date de réception de son évaluation avec des points d'amélioration. En cas de nouvelle désignation du membre du personnel à la fonction concernée, un parcours adapté d'encadrement initial que le membre du personnel devra suivre pendant la période supplémentaire de 200 jours de travail effectif sera établi, conformément aux points d'amélioration définis par le premier évaluateur dans le rapport d'évaluation.
  Le membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation avec des points d'amélioration visée au paragraphe 2 peut interjeter appel auprès du conseil d'administration. Le conseil d'administration examine ensuite si l'évaluation avec des points d'amélioration est raisonnable et justifie ce report du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, compte tenu du parcours d'encadrement initial effectué par le membre du personnel. Le conseil d'administration confirme ou annule l'évaluation avec des points d'amélioration. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander à être entendus par le conseil d'administration. Dans ce cas, le conseil d'administration entend les deux parties avant de prendre une décision.
  L'évaluation de l'enseignant de cours philosophiques doit également recevoir l'approbation de l'autorité compétente du culte concerné ou de la morale non confessionnelle concernant les aspects relatifs au contenu ou à la technique. Cet accord est attesté par la signature d'un représentant de l'autorité compétente sur cette partie de l'évaluation en question.
  Des accords généraux sont négociés sur l'évaluation au sein du comité local compétent du groupe d'écoles.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les emplois :
  1° dans les établissements du même centre d'enseignement, quel que soit le réseau ;
  2° dans les établissements d'un autre centre d'enseignement du même groupe d'écoles ;
  3° dans les établissements d'un même groupe d'écoles qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement.
  Pour bénéficier du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel postulera auprès du conseil d'administration avant le 15 juin, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante. Le membre du personnel peut le faire par courrier recommandé ou par tout autre moyen fixé par le collège des directeurs, après négociations au sein du comité de négociation compétent, et qui offre au moins les mêmes garanties en matière d'opposabilité qu'une lettre recommandée. Le conseil d'administration informe tous les membres du personnel des possibilités d'annoncer des candidatures et le rend également public. Si la candidature du membre du personnel remplit toutes les conditions, elle est considérée comme une candidature ininterrompue pour la fonction tout au long des années scolaires.
  Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne s'applique pas aux membres du personnel visés au chapitre Vbis, en ce qui concerne le volume de leur mission permanente pour laquelle ils ont obtenu un congé pour accomplir temporairement une autre mission.
  § 8. Le membre du personnel temporaire qui a déjà acquis de l'ancienneté de service dans une fonction dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles avant le 31 août 2021 et qui ne remplit pas les conditions énoncées aux paragraphes 1 à 7 ou 9 ne peut acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans la fonction concernée que s'il reçoit une nouvelle désignation temporaire dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles à partir du 1er septembre 2021 et remplit les conditions prévues à l'article 21, § 3, ou à l'article 21bis, § 3, au 30 juin de l'année suivante. L'ancienneté de service précitée déjà acquise par le membre du personnel temporaire avant le 31 août 2021 s'applique à partir du 1er septembre 2021 aux fins de l'article 21, § 3, ou de l'article 21bis, § 3.
  § 9. Par dérogation aux paragraphes 1er à 8 et à l'article 21bis, § 3, le membre du personnel temporaire qui, au 1er juillet 2021, est nommé à titre définitif par un conseil d'administration à une fonction conformément à l'article 100septiesdecies, § 2, 3° ou 4°, acquiert le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue dans cette fonction à partir du 1er septembre 2021. Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les emplois :
  1° dans les établissements du même centre d'enseignement, quel que soit le réseau ;
  2° dans les établissements d'un autre centre d'enseignement du même groupe d'écoles ;
  3° dans les établissements d'un même groupe d'écoles qui n'appartiennent pas à un centre d'enseignement. ".
Art. 72. In artikel 100septies decies, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Als er meerdere personeelsleden zijn die zich kandidaat stellen voor vaste benoeming in eenzelfde betrekking moet de raad van bestuur bij de toewijzing van de vaste benoeming in die betrekking de volgende volgorde respecteren:
  1° de personeelsleden die in de scholengroep deeltijds benoemd zijn in het ambt;
  2° de tijdelijke personeelsleden die in de scholengroep uiterlijk op 30 juni 2021 in het ambt tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;
  3° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 mei 2021 in het ambt ten minste 580 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in een of meer instellingen van de scholengroep. Voor het bepalen van deze 580 dagen dienstanciënniteit wordt, in afwijking van artikel 4, § 1, a, het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. De raad van bestuur kan beslissen om een tijdelijk personeelslid dat voldoet aan deze voorwaarde niet vast te benoemen, als het personeelslid in het ambt uiterlijk op 30 juni 2021 van de eerste evaluator een beoordeling met werkpunten heeft gekregen. De raad van bestuur deelt de weigering via een schriftelijke motivatie mee aan het personeelslid. Dit geldt ook als het tijdelijk personeelslid de enige kandidaat is voor de vacant verklaarde betrekking;
  4° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 mei 2021 in het ambt waarvoor ze zich kandidaat stellen ten minste 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in een of meer instellingen van de scholengroep. De raad van bestuur kan beslissen om een tijdelijk personeelslid dat voldoet aan deze voorwaarde niet vast te benoemen, op voorwaarde dat het personeelslid dan een schriftelijke motivatie krijgt waarin de raad van bestuur opneemt om welke redenen ze de vaste benoeming weigert. Dit geldt ook als het tijdelijk personeelslid de enige kandidaat is voor de vacant verklaarde betrekking.";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 72. A l'article 100septiesdecies, § 2, du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Si plusieurs membres du personnel postulent pour une nomination à titre définitif à un même emploi, le conseil d'administration doit respecter l'ordre de priorité suivant lors de l'attribution de la nomination à titre définitif à cet emploi :
  1° les membres du personnel nommés à temps partiel dans le centre d'enseignement dans la fonction ;
  2° les membres du personnel temporaire qui, au plus tard le 30 juin 2021, sont désignés temporairement à durée ininterrompue dans la fonction dans le centre d'enseignement ;
  3° les membres du personnel qui, au plus tard le 31 mai 2021, ont acquis dans la fonction au moins 580 jours d'ancienneté de service dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles. Pour la détermination de ces 580 jours d'ancienneté de service, et par dérogation à l'article 4, § 1er, a, le nombre de jours de travail n'est pas multiplié par 1,2. Le conseil d'administration peut décider de ne pas nommer à titre définitif un membre du personnel temporaire qui remplit cette condition, si au plus tard le 30 juin 2021, le membre du personnel temporaire a reçu, dans la fonction, une évaluation avec des points d'amélioration par le premier évaluateur. Le conseil d'administration informe le membre du personnel de ce refus en le motivant par écrit. Cela vaut également si le membre du personnel temporaire est le seul candidat à l'emploi déclaré vacant ;
  4° les membres du personnel temporaires qui, au plus tard le 31 mai 2021, ont acquis dans la fonction à laquelle ils postulent au moins 360 jours d'ancienneté de service dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles. Le conseil d'administration peut décider de ne pas nommer à titre définitif un membre du personnel temporaire qui remplit cette condition, à condition que le membre du personnel reçoive une motivation écrite dans laquelle le conseil d'administration reprend les raisons pour lesquelles il refuse la nomination à titre définitif. Cela vaut également si le membre du personnel temporaire est le seul candidat à l'emploi déclaré vacant. "
  2° l'alinéa deux est abrogé.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het decreet tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs van 5 april 1995
CHAPITRE 5. - Modifications du décret portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné du 5 avril 1995
Art. 73. Aan artikel 13 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3. In afwijking van paragraaf 1 wordt een scholengemeenschapsinstelling, zoals vermeld in artikel 125duodecies2 van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs en artikel 63/1 van de Codex Secundair Onderwijs, ook beschouwd als school.".
Art. 73. A l'article 13 du décret du 5 avril 1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné, il est ajouté un paragraphe 3, libellé comme suit :
  " § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, un établissement de centre d'enseignement, tel que visé à l'article 125duodecies2 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental et l'article 63/1 du Code de l'Enseignement secondaire, est également considéré comme une école. ".
Art. 74. In artikel 27, tweede lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt punt 4° vervangen door volgt:
  "4° het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat:
  - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling of dat geen beoordeling heeft gekregen;
  - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur nog niet verwerft wegens een beoordeling met werkpunten, met binnen die groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen;
  - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur niet verwerft wegens een negatieve beoordeling.
  Deze gegevens worden verstrekt per school.".
Art. 74. A l'article 27, alinéa deux, du même décret, modifié par le décret du 15 mars 2019, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui :
  - acquièrent le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue sur la base d'une évaluation positive ou qui n'ont pas été évalués ;
  - n'acquièrent pas encore le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue en raison d'une évaluation avec des points d'amélioration, avec dans ce dernier groupe une distinction entre les membres du personnel qui obtiennent par la suite une nouvelle désignation et les membres du personnel qui n'obtiennent pas par la suite une nouvelle désignation ;
  - n'acquièrent pas le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue en raison d'une évaluation négative.
  Ces données sont fournies par école. ".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997
CHAPITRE 6. - Modifications du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997
Art. 75. In artikel 3 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een punt 18° bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "18° bis gemotiveerd verslag: een handelingsgericht advies voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel, vermeld in artikel 172quinquies en 172quinquies/1, dat een CLB-medewerker registreert in het multidisciplinair dossier van de leerling;";
  2° er wordt een punt 52° bis/0 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "52° bis/0 scholengemeenschapsinstelling: een scholengemeenschapsinstelling is een instelling die geen school is en die uitsluitend opgericht kan worden binnen één scholengemeenschap en zich beperkt tot en als enige doel heeft daar personeelsleden, die werken ter ondersteuning van de scholen van de scholengemeenschap aan te stellen, te affecteren, toe te laten tot de proeftijd en vast te benoemen indien ze daarvoor in aanmerking komen.";
  3° punt 52° bis/2 wordt vervangen door wat volgt:
  "52° bis/2 thuisloze:
  a) een leerling die beschikt over een jeugdhulpverleningsbeslissing als vermeld in artikel 2, § 1, 28°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, voor een aangepaste woonen leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder als vermeld in artikel 2, § 1, 27°, van het voormelde decreet, op verwijzing van een van de volgende instanties:
  1) een gemandateerde voorziening als vermeld in artikel 33 en 42 van het voormelde decreet;
  2) een sociale dienst van de jeugdrechtbank met toepassing van artikel 80 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp;
  b) een niet-begeleide minderjarige vreemdeling voor wie de voorwaarden, vermeld in de Programmawet (I) van 24 december 2002, titel XIII, hoofdstuk VI, afdeling 3, artikel 5, vervuld zijn;";
Art. 75. A l'article 3 du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997, modifié pour la dernière fois par le décret du 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° il est inséré un point 18° bis, libellé comme suit :
  " 18° bis rapport motivé : un avis orienté action d'accompagnement basé sur le modèle de soutien visé aux articles 172quinquies et 172quinquies/1, qu'un collaborateur CLB enregistre dans le dossier multidisciplinaire de l'élève ; ";
  2° il est inséré un point 52° bis/0, libellé comme suit :
  " 52° bis/0 établissement de centre d'enseignement : un établissement de centre d'enseignement est un établissement qui n'est pas une école et qui ne peut être établi qu'au sein d'un centre d'enseignement et se limite et a pour seul but d'y désigner, de les y affecter, de les admettre à la période d'essai et de les nommer à titre définitif s'ils sont éligibles, des membres du personnel travaillant en soutien aux écoles du centre d'enseignement. " ;
  3° le point 52° bis/2 est remplacé par ce qui suit :
  " 52° bis/2 élève vivant en dehors du milieu familial :
  a) un élève qui dispose d'une décision d'aide à la jeunesse telle que visée à l'article 2, § 1er, 28°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, pour un environnement et un entourage sous surveillance et accompagnement, auprès d'un intervenant jeunesse tel que visé à l'article 2, § 1er, 27°, du décret précité, sur référence de l'une des instances suivantes :
  1) une structure mandatée telle que visée aux articles 33 et 42, du décret précité ;
  2) un service social du tribunal de la jeunesse en application de l'article 80 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;
  b) un mineur étranger non accompagné pour lequel les conditions, tel que visé dans la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, titre XIII, chapitre VI, section 3, article 5, sont remplies ; " ;
Art. 76. Artikel 11ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2013 en gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt opgeheven.
Art. 76. L'article 11ter du même décret, inséré par le décret du 19 juillet 2013 et modifié par le décret du 17 juin 2016, est abrogé.
Art. 77. Artikel 13 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 20 maart 2009 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt opgeheven.
Art. 77. L'article 13 du même décret, remplacé par le décret du 20 mars 2009 et modifié en dernier lieu par le décret du 16 juin 2017, est abrogé.
Art. 78. In artikel 13/1, § 3, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de zinnen "In afwachting van deze mededeling is de leerling ingeschreven onder opschortende voorwaarde. Bij overschrijding van de genoemde termijn is de leerling ingeschreven." vervangen door de zinnen "Indien de leerling geen beroep kan doen op het behoud van inschrijving, conform artikel 37/9 of artikel 37bis, § 4, is de leerling in afwachting van deze mededeling ingeschreven onder opschortende voorwaarde. Bij overschrijding van de genoemde termijn is de leerling ingeschreven of toegelaten.".
Art. 78. A l'article 13/1, § 3, alinéa deux, du même décret, inséré par le décret du 3 juillet 2020, les phrases " Dans l'attente de cette communication, l'élève est inscrit sous condition suspensive. En cas de dépassement dudit délai, l'élève est inscrit. " sont remplacées par les phrases " Si l'élève ne peut invoquer le maintien de l'inscription, conformément à l'article 37/9 ou à l'article 37bis, § 4, il sera inscrit, dans l'attente de cette communication, sous condition suspensive. En cas de dépassement du délai cité, l'élève est inscrit ou admis. ".
Art. 79. Artikel 14 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 17 juni 2016, wordt opgeheven.
Art. 79. L'article 14 du même décret, remplacé par le décret du 17 juin 2016, est abrogé.
Art. 80. In artikel 14/0 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zinsnede "na toelating conform artikel 13/1, § 2, 2° " wordt vervangen door de zinsnede "op verzoek van de ouders of op initiatief van de school, na toelating conform artikel 13/1, § 2, eerste lid, 2°, en § 3";
  2° de zinsnede "conform artikel 13/1, § 2, 3° " wordt vervangen door de zinsnede "conform artikel 13/1, § 2, eerste lid, 3°, en § 3";
  3° tussen de woorden "adviezen van de klassenraad en van het CLB," en de woorden "nemen de ouders" wordt de zinsnede "op vraag van de ouders of op initiatief van de school," ingevoegd.
Art. 80. A l'article 14/0 du même décret, inséré par le décret du 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le membre de phrase " après admission conformément à l'article 13/1, § 2, 2° " est remplacé par le membre de phrase " à la demande des parents ou à l'initiative de l'école, après admission conformément à l'article 13/1, § 2, alinéa 1er, 2°, et § 3 ";
  2° le membre de phrase " conformément à l'article 13/1, § 2, 3° " est remplacé par le membre de phrase " conformément à l'article 13/1, § 2, alinéa 1er, 3°, et § 3 ";
  3° entre les mots " explications à propos de ceux-ci, " et les mots " les parents prennent ", il est inséré le membre de phrase " à la demande des parents ou l'initiative de l'école, ".
Art. 81. In artikel 15, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 21 maart 2014 en gewijzigd bij de decreten van 17 juni 2016, 6 juli 2018 en 5 april 2019, wordt de zinsnede "de artikelen 12, § 1, 12/1, § 2, 13, § 4, en 14, § 2" vervangen door de zinsnede "artikel 12, § 1, 12/1, § 2, 13/1, § 5, 14/0, 2°, en 14/1, § 1, § 3, § 4".
Art. 81. A l'article 15, § 1er, alinéa 1er, du même décret, remplacé par le décret du 21 mars 2014 et modifié par les décrets des 17 juin 2016, 6 juillet 2018 et 5 avril 2019, le membre de phrase " les articles 12, § 1er, 12/1, § 2, 13, § 4, et 14, § 2 " est remplacé par le membre de phrase " articles 12, § 1er, 12/1, § 2, 13/1, § 5, 14/0, 2°, et 14/1, § 1er, § 3, § 4 ".
Art. 82. In artikel 16 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 21 maart 2014 en gewijzigd bij de decreten van 6 juli 2018 en 5 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 3 wordt de zin "Een wijziging van het type, vermeld in paragraaf 1, 2°, binnen hetzelfde onderwijsniveau kan gebeuren met een addendum bij het gemotiveerd verslag, voorzien van de datum van opmaak." opgeheven;
  2° paragraaf 5 wordt opgeheven.
Art. 82. A l'article 16 du même décret, remplacé par le décret du 21 mars 2014 et modifié par les décrets des 6 juillet 2018 et 5 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 3, la phrase " Une modification du type, visée au paragraphe 1er, 2°, au sein du même niveau d'enseignement peut être effectuée au moyen d'un avenant au rapport motivé, qui doit préciser la date de rédaction. " est abrogée ;
  2° le paragraphe 5 est abrogé.
Art. 83. In artikel 20 van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "13, 14" vervangen door de zinsnede "13/1, 14/0".
Art. 83. A l'article 20 du même décret, le membre de phrase " 13, 14 " est remplacé par le membre de phrase " 13/1, 14/0 ".
Art. 84. In artikel 31, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 4° wordt vervangen door wat volgt:
  "4° een kopie van het verslag wordt door de oude school overgedragen aan de nieuwe school of de oude school brengt de nieuwe school op de hoogte van het bestaan van een handelingsgericht advies van het CLB voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel. Het CLB dat verbonden is aan de oude school draagt een verslag over aan het CLB dat verbonden is met de nieuwe school of het CLB dat verbonden is aan de oude school brengt het CLB dat verbonden is met de nieuwe school op de hoogte van het handelingsgericht advies. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen die overdrachten niet verzetten;";
  2° punt 6° wordt vervangen door wat volgt:
  "6° het centrumbestuur van het CLB dat het verslag of het handelingsgericht advies voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel, vermeld in punt 4°, heeft opgesteld, is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen door of ter voorbereiding van het verslag of handelingsgericht advies voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel. Het centrumbestuur van het overnemende CLB is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen na de ontvangst van het verslag of handelingsgericht advies voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel.".
Art. 84. A l'article 31, § 1er, alinéa 1er, du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° une copie du rapport est remise par l'ancienne école à la nouvelle école ou l'ancienne école informe la nouvelle école de l'existence d'un avis orienté action du CLB pour accompagnement basé sur le modèle de soutien. Le CLB rattaché à l'ancienne école remet un rapport au CLB rattaché à la nouvelle école ou le CLB rattaché à l'ancienne école informe le CLB rattaché à la nouvelle école du conseil orienté action. Dans l'intérêt de l'accompagnement optimal de l'élève concerné et de l'organisation de l'école, les parents ne peuvent s'opposer à ces transferts ; " ;
  2° le point 6° est remplacé par ce qui suit :
  " 6° l'autorité du centre du CLB qui a rédigé le rapport ou le conseil orienté action d'accompagnement basé sur le modèle de soutien, tel que visé au point 4°, est responsable du traitement effectué par ou en préparation du rapport ou du conseil orienté action d'accompagnement basé sur le modèle de soutien. L'autorité du centre du CLB qui prend le relais est responsable du traitement après réception du rapport ou du conseil orienté action d'accompagnement basé sur le modèle de soutien. " .
Art. 85. In artikel 37 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 13 juli 2001 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt punt 10° vervangen door wat volgt:
  "10° de mededeling dat de school bij schoolverandering binnen het basisonderwijs verplicht is het bestaan van een handelingsgericht advies voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel of een kopie van het verslag, vermeld in artikel 15 van dit decreet, bekend te maken of over te dragen aan de nieuwe school;";
  2° in paragraaf 3 wordt punt 14° vervangen door wat volgt:
  "14° de mededeling dat de school bij schoolverandering binnen het basisonderwijs verplicht is het bestaan van een handelingsgericht advies voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel en een kopie van het verslag, vermeld in artikel 15 van dit decreet, bekend te maken of over te dragen aan de nieuwe school;".
Art. 85. A l'article 37 du même décret, remplacé par le décret du 13 juillet 2001 et modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 2, le point 10° est remplacé par la disposition suivante :
  " 10° la communication que l'école, en cas de changement d'école dans l'enseignement fondamental, est obligée de mentionner l'existence d'un conseil orienté action d'accompagnement basé sur le modèle de soutien ou d'une copie du rapport, visés à l'article 15 du présent décret, ou de les présenter à la nouvelle école ; " ;
  2° au paragraphe 3, le point 14° est remplacé par la disposition suivante :
  " 14° la communication que l'école, en cas de changement d'école dans l'enseignement fondamental, est obligée de mentionner l'existence d'un conseil orienté action d'accompagnement basé sur le modèle de soutien ou d'une copie du rapport, visés à l'article 15 du présent décret, ou de les présenter à la nouvelle école ; ".
Art. 86. In artikel 37/3, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014, worden de woorden "Het schoolbestuur bepaalt de samenstelling" vervangen door de woorden "Het schoolbestuur of zijn afgevaardigde bepaalt de samenstelling".
Art. 86. A l'article 37/3, § 2, du même décret, inséré par le décret du 4 avril 2014, les mots " L'autorité scolaire fixe la composition " sont remplacés par les mots " L'autorité scolaire ou son délégué fixent la composition ".
Art. 87. In artikel 37/5, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014, worden de woorden "Het schoolbestuur bepaalt de samenstelling" vervangen door de woorden "Het schoolbestuur of zijn afgevaardigde bepaalt de samenstelling".
Art. 87. A l'article 37/5, § 2, du même décret, inséré par le décret du 4 avril 2014, les mots " L'autorité scolaire fixe la composition " sont remplacés par les mots " L'autorité scolaire ou son délégué fixent la composition ".
Art. 88. In artikel 47 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 juli 2003 en 6 juli 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1, 5°, wordt vervangen door wat volgt:
  "5° de wijze waarop de school via haar zorgbeleid, zoals bepaald in artikel 153septies, § 1, en haar gelijke onderwijskansenbeleid, zoals bepaald in artikel 153septies, § 2, werkt aan de optimale leeren ontwikkelingskansen van al haar leerlingen.";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Tijdens de schooldoorlichting neemt de onderwijsinspectie kennis van het schoolwerkplan zonder de inhoud ervan te beoordelen, onverminderd de bevoegdheid van de onderwijsinspectie, conform artikel 38, § 1, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, om ook met betrekking tot de in het schoolwerkplan opgenomen thema's na te gaan of de onderwijsreglementering gerespecteerd wordt en of aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, tegemoet gekomen wordt.".
Art. 88. A l'article 47 du même décret, modifié par les décrets du 10 juillet 2003 et du 6 juillet 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er, 5°, est remplacé par ce qui suit :
  " 5° la façon dont l'école réalise, par sa gestion de l'encadrement, telle que visée à l'article 153septies, § 1er, et par sa politique d'égalité des chances dans l'enseignement, telle que visée à l'article 153septies, § 2, des opportunités d'apprentissage et de développement optimales pour tous ses élèves. " ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Au cours de l'audit de l'école, l'inspection scolaire prend connaissance du plan de travail scolaire sans en évaluer le contenu, sans préjudice de la compétence de l'inspection scolaire, conformément à l'article 38, § 1er, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, de vérifier également, en ce qui concerne les thèmes repris dans le plan de travail scolaire, si le règlement scolaire est respecté et si les attentes en matière de qualité, telles que définies dans le cadre de référence pour la qualité de l'enseignement, sont satisfaites. ".
Art. 89. In artikel 47ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 27 april 2018, wordt het woord "GOK-beleid" vervangen door de woorden "gelijke onderwijskansenbeleid".
Art. 89. A l'article 47ter du même décret, inséré par le décret du 27 avril 2018, les mots " politique de l'égalité de chances en éducation (GOK) " sont remplacés les mots " politique d'égalité des chances dans l'enseignement ".
Art. 90. In artikel 55 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 4 april 2014 en 16 juni 2017, worden de woorden "directeur en zijn afgevaardigde" vervangen door de woorden "directeur of zijn afgevaardigde".
Art. 90. A l'article 55 du même décret, modifié par les décrets des 4 avril 2014 et 16 juin 2017, les mots " directeur et son délégué " sont remplacés par les mots " directeur ou son délégué ".
Art. 91. In artikel 73, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 13 juli 2001 en 10 juli 2003, wordt punt 6° opgeheven.
Art. 91. Le point 6° de l'article 73, § 1er, du même décret, modifié par les décrets des 13 juillet 2001 et 10 juillet 2003, est abrogé.
Art. 92. Aan artikel 76 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 4 juli 2008, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, zoals vermeld in artikel 78, § 1, kan enkel worden aangewend in het kader van een gelijke onderwijskansenbeleid, zoals bepaald in artikel 153septies, § 2.".
Art. 92. A l'article 76 du même décret, remplacé par le décret du 4 juillet 2008, il est ajouté un troisième alinéa, libellé comme suit :
  " Le budget de fonctionnement basé sur les caractéristiques des élèves, tel que mentionné à l'article 78, § 1er, ne peut être utilisé que dans le cadre d'une politique d'égalité des chances dans l'enseignement, telle que visée à l'article 153septies, § 2. ".
Art. 93. In artikel 85, § 2, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "Het werkingsbudget per school is de som van:" vervangen door de zinsnede "Onverminderd de bepalingen in artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs is het werkingsbudget per school de som van:".
Art. 93. A l'article 85, § 2, du même décret, le membre de phrase " Le budget de fonctionnement par école est la somme de : " est remplacé par le membre de phrase " Sans préjudice des dispositions de l'article de 39, § 7, 2°, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, le budget de fonctionnement par école est la somme de : ".
Art. 94. In hetzelfde decreet wordt een artikel 87ter ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 87ter. Aan scholen voor buitengewoon basisonderwijs die actief zijn in het ondersteuningsmodel, in toepassing van de artikelen 172quinquies en 172quinquies/1, wordt voor het schooljaar 2021-2022 eenmalig een budget toegekend in functie van het professionaliseren van ondersteuners. Voor het begrotingsjaar 2021 gaat het om 957.284 euro en voor het begrotingsjaar 2022 gaat het om 1.915.237 euro. De middelen worden ingezet voor de aanstelling van personeelsleden in het schooljaar 2021-2022 die ondersteuners vervangen tijdens een periode van professionalisering. De Vlaamse Regering legt daartoe het verdelingsmechanisme over de scholen, de toepassingsmodaliteiten en de modaliteiten met betrekking tot het lokaal sociaal overleg vast.".
Art. 94. Dans le même décret, il est inséré un article 87ter, libellé comme suit :
  " Art. 87ter. Pour l'année scolaire 2021-2022, les écoles de l'enseignement fondamental spécial qui sont actives dans le modèle de soutien, en application des articles 172quinquies et 172quinquies/1, se voient attribuer un budget unique en fonction de la professionnalisation du personnel de soutien. Pour l'exercice budgétaire 2021, il s'agit de 957 284 euros et pour l'exercice budgétaire 2022, il s'agit de 1 915 237 euros. Les moyens sont alloués pour la désignation de membres du personnel durant l'année scolaire 2021-2022 afin de remplacer du personnel de soutien pendant une période de professionnalisation. Le Gouvernement flamand détermine à cette fin le mécanisme de répartition entre les écoles, les modalités d'application et les modalités relatives à la concertation sociale locale. ".
Art. 95. In hetzelfde decreet wordt een nieuw artikel 111/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 111/1. In afwijking van artikel 111, § 3, kan een schoolbestuur dat voor de programmatie van een nieuw type of een nieuwe school een goedkeuring kreeg van de Vlaamse Regering met het oog op de start van het nieuwe aanbod op 1 september 2021 ervoor opteren om de programmatie van dit nieuwe aanbod met 1 schooljaar uit te stellen zonder bijkomende aanvraag of goedkeuring.".
Art. 95. Dans le même décret, il est inséré un nouvel article 111/1, libellé comme suit :
  " Art. 111/1. Par dérogation à l'article 111, § 3, une autorité scolaire qui a reçu une approbation du Gouvernement flamand pour la programmation d'un nouveau type d'école ou d'une nouvelle école en vue du démarrage de la nouvelle offre au 1er septembre 2021 peut choisir de reporter la programmation de cette nouvelle offre d'une année scolaire sans demande ou approbation supplémentaire. ".
Art. 96. In hetzelfde decreet wordt een nieuw artikel 111/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 111/2. In afwijking van artikel 103, § 1, § 1bis en § 2, mag een schoolbestuur dat voor de programmatie van een nieuwe school een goedkeuring kreeg van de Vlaamse Regering met het oog op de start van het nieuwe aanbod op 1 september 2021, zonder bijkomende aanvraag of goedkeuring een tweede maal het bijkomende aanbod inrichten vanaf 1 september 2022, indien de school de programmatienormen voor dit nieuwe aanbod niet haalt op de eerste schooldag van oktober 2021. Vanaf de eerste schooldag van oktober 2022 moet de school gedurende drie opeenvolgende schooljaren de programmatienormen voor dit nieuwe aanbod bereiken op de eerste schooldag van oktober.".
Art. 96. Dans le même décret, il est inséré un nouvel article 111/2, libellé comme suit :
  " Art. 111/2. Par dérogation à l'article 111, § 1er, § 1bis et § 2, une autorité scolaire qui a reçu une approbation du Gouvernement flamand pour la programmation d'une nouvelle école en vue du démarrage de la nouvelle offre au 1er septembre 2021, peut mettre en place une deuxième fois l'offre supplémentaire à partir du 1er septembre 2022, sans demande ni approbation supplémentaire, si l'école n'atteint pas les normes de programmation pour cette nouvelle offre le premier jour de classe d'octobre 2021. A partir du premier jour de classe d'octobre 2022, l'école doit atteindre les normes de la programmation pour cette nouvelle offre pendant trois années scolaires consécutives. ".
Art. 97. In hetzelfde decreet wordt een nieuw artikel 111/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 111/3. In afwijking van de artikelen 101, § 2 en 111, § 1 en § 2, telt een type dat wordt opgericht op 1 september 2021 na een goedkeuring van de Vlaamse Regering niet mee voor het behalen van de rationalisatienormen op de eerste schooldag van oktober 2021. De school, inclusief het nieuw opgerichte type, moet aan de rationalisatienormen voldoen op de eerste schooldag van februari 2022.".
Art. 97. Dans le même décret, il est inséré un nouvel article 111/3, libellé comme suit :
  " Art. 111/3. Par dérogation aux articles 101, § 2, et 111, § 1er et § 2, un type organisé le 1er septembre 2021 après une approbation du Gouvernement flamand n'est pas pris en considération pas pour atteindre les normes de rationalisation le premier jour de classe d'octobre 2021. L'école, y compris le type nouvellement créé, doit satisfaire aux normes de rationalisation le premier jour de classe de février 2022. ".
Art. 98. In artikel 125duodecies1, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 22 juni 2007, vervangen bij het decreet van 4 juli 2008 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Er wordt een percentage vastgelegd dat scholengemeenschappen waar gewoon basisonderwijs deel van uitmaakt, moeten gebruiken voor leerlingondersteuning in de klas in de scholen van het gewoon basisonderwijs. Dat percentage bedraagt voor het schooljaar 2020-2021 minstens 20%. Dit percentage stijgt naar 25% in het schooljaar 2021-2022, 30% in het schooljaar 2022-2023 en 35% in het schooljaar 2023-2024. Deze leerlingondersteuning kadert in de toepassing van artikel 47bis, derde lid, en artikel 153septies, § 1, 3°, van het decreet.".
Art. 98. A l'article 125duocecies1, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 22 juin 2007, remplacé par le décret du 4 juillet 2008 et modifié en dernier lieu par le décret du 17 juin 2016, un alinéa est inséré entre les alinéas premier et deux, libellé comme suit :
  " Il est défini un pourcentage que les centres d'enseignement dont l'enseignement fondamental ordinaire fait partie doivent utiliser pour le soutien des élèves en classe dans les écoles de l'enseignement fondamental ordinaire. Ce pourcentage est d'au moins 20 % pour l'année scolaire 2020-2021. Ce pourcentage passe à 25 % pour l'année scolaire 2021-2022, 30 % pour l'année scolaire 2022-2023 et 35 % pour l'année scolaire 2023-2024. Ce soutien de l'élève s'inscrit dans le cadre de l'application de l'article 47bis, alinéa trois, et de l'article 153septies, § 1er, 3°, du décret. ".
Art. 99. Artikel 125duodecies1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 22 juni 2007, vervangen bij het decreet van 4 juli 2008 en het laatst gewijzigd bij dit decreet, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 125duodecies1. § 1. De scholengemeenschap ontvangt jaarlijks een puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid.
  Er wordt een percentage vastgelegd dat scholengemeenschappen waar gewoon basisonderwijs deel van uitmaakt, moeten gebruiken voor leerlingondersteuning in de klas in de scholen van het gewoon basisonderwijs. Dat percentage bedraagt voor het schooljaar 2020-2021 minstens 20%. Dit percentage stijgt naar 25% in het schooljaar 2021-2022, 30% in het schooljaar 2022-2023 en 35% in het schooljaar 2023-2024. Deze leerlingondersteuning kadert in de toepassing van artikel 47bis, derde lid, en artikel 153septies, § 1, 3°, van het decreet.
  De punten waar de scholengemeenschap overeenkomstig paragraaf 3, 4°, recht op heeft, dienen aangewend te worden voor taalintegratietrajecten in de scholen voor gewoon basisonderwijs zoals bedoeld in artikel 11quater, paragraaf De aanwending van deze middelen maakt deel uit van de aanwending conform het tweede lid.
  De overige punten uit de puntenenveloppe kunnen alleen voor het zorgbeleid, vermeld in artikel 153septies, gebruikt worden.
  § 2. Bij het tellen van de leerlingen voor deze puntenenveloppe gelden de volgende regels:
  1° in het gewoon basisonderwijs worden alleen de regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar geteld;
  2° in afwijking van punt 1° worden voor de CKG-scholen de leerlingen geteld op basis van het gemiddelde aantal regelmatige leerlingen tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari;
  3° in het buitengewoon basisonderwijs worden alleen de regelmatige kleuters op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar geteld;
  4° in afwijking van punt 3°, worden in de scholen voor type 5 de kleuters geteld op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari;
  5° scholen die, op basis van artikel 125quinquies, toetreden tot een al bestaande scholengemeenschap, worden geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, voor de berekening van de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid van de scholengemeenschap, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de toetreding tot de scholengemeenschap opgenomen was in de financieringsof subsidiëringsregeling en geen deel uitmaakte van een andere scholengemeenschap;
  6° scholen die op basis van artikel 125quinquies, toetreden tot een al bestaande scholengemeenschap, worden geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, voor de berekening van de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid van die scholengemeenschap op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de toetreding tot de scholengemeenschap deel uitmaakte van een scholengemeenschap die op 31 augustus van het schooljaar voor de toetreding van de school tot haar nieuwe scholengemeenschap ophoudt te bestaan;
  7° scholen die op basis van artikel 125quinquies een nieuwe scholengemeenschap vormen, worden geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de scholengemeenschap, voor de berekening van de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid van die scholengemeenschap op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap geen deel uitmaakte van een andere scholengemeenschap en op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financieringsof subsidiëringsregeling;
  8° bij de start van een nieuwe zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, zoals bepaald in artikel 125quinquies, worden de scholen, die bij de start van de scholengemeenschap op 1 september deel uitmaken van de scholengemeenschap, geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financieringsof subsidiëringsregeling.
  § 3. Het aantal punten waarop de scholengemeenschap recht heeft, is de som van A, B, C en D, waarbij:
  1° A = het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal scholen voor gewoon basisonderwijs, dat de scholengemeenschap telt op de teldag, met de coëfficiënt 14;
  2° B = de som van de voor elke school voor gewoon basisonderwijs van de scholengemeenschap op schoolniveau afgeronde som van a en b.
  Deze afronding wordt als volgt uitgevoerd: indien het eerste cijfer na de komma van de som van a en b groter is dan vier wordt er afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma van de som van a en b kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal.
  Waarbij a = het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige kleuters dat de school telt op de teldag of tijdens de telperiode met de coëfficiënt 0,24339.
  Waarbij b = het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag of tijdens de telperiode met de coëfficiënt 0,20333;
  3° C = de som van de resultaten van de volgende berekening voor elke school voor buitengewoon basisonderwijs van de scholengemeenschap: het aantal regelmatige kleuters op de teldag of tijdens de telperiode wordt per school vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,03055. Het resultaat van deze berekening wordt voor elke school afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan 4. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, dan wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal.
  4° D = de som van het voor elke school voor gewoon basisonderwijs van de scholengemeenschap op schoolniveau afgeronde getal F.
  Deze afronding wordt als volgt uitgevoerd: indien het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal.
  Waarbij F = het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige kleuters die 4 jaar worden vóór 1 januari van het lopende schooljaar en die voldoen aan het leerlingenkenmerk vermeld in artikel 133, § 1, c, dat de school telt op de teldag of tijdens de telperiode met de coëfficiënt 1,208207681.
  § 4. Maximaal 10% van de puntenenveloppe kan aangewend worden voor het aanstellen van personeelsleden die een beleidsondersteunende functie, in het kader van het zorgbeleid zoals omschreven in artikel 153septies, uitoefenen ten behoeve van de scholengemeenschap. Van dit percentage kan na akkoord in het bevoegd lokaal comité worden afgeweken.
  De betrekkingen die worden ingericht op basis van de overeenkomstig deze paragraaf aangewende punten komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.
  § 5. De verdeling van de puntenenveloppe door de scholengemeenschap mag niet tot gevolg hebben dat bijkomende personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk kunnen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledige schooljaar.
  § 6. Uit deze puntenenveloppe, verkregen volgens paragraaf 3, kunnen betrekkingen in het ambt van zorgcoördinator uit de categorie beleidsen ondersteunend personeel ingericht worden.
  De regering bepaalt op welke wijze de omrekening van punten naar de gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen gebeurt.".
Art. 99. L'article 125duodecies1 du même décret, inséré par le décret du 22 juin 2007, remplacé par le décret du 4 juillet 2008 et modifié en dernier lieu par le présent décret, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 125duodecies1. § 1er. Le centre d'enseignement reçoit annuellement une enveloppe de points destinée à la gestion de l'encadrement renforcé.
  Il est défini un pourcentage que les centres d'enseignement dont l'enseignement fondamental ordinaire fait partie doivent utiliser pour le soutien des élèves en classe dans les écoles de l'enseignement fondamental ordinaire. Ce pourcentage est d'au moins 20% pour l'année scolaire 2020-2021. Ce pourcentage passe à 25 % pour l'année scolaire 2021-2022, 30 % pour l'année scolaire 2022-2023 et 35 % pour l'année scolaire 2023-2024. Ce soutien de l'élève s'inscrit dans le cadre de l'application de l'article 47bis, troisième alinéa, et de l'article 153septies, § 1er, 3°, du décret.
  Les points auxquels le centre d'enseignement a droit, conformément au paragraphe 3, 4°, doivent être utilisés pour des parcours d'intégration linguistique dans les écoles de l'enseignement fondamental ordinaire, tel que visés à l'article 11quater, paragraphe 3. L'utilisation de ces moyens fait partie de l'utilisation conformément à l'alinéa deux.
  Les autres points de l'enveloppe de points ne peuvent être utilisés que pour la gestion de l'encadrement renforcé, telle que visée à l'article 153septies.
  § 2. Les règles suivantes sont d'application pour le comptage des élèves de cette enveloppe de points :
  1° dans l'enseignement fondamental ordinaire, seuls sont comptés les élèves réguliers au premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente ;
  2° par dérogation au point 1°, les élèves pour les écoles CKG sont comptés sur la base du nombre moyen d'élèves réguliers pendant la période de douze mois précédant le premier jour de classe de février ;
  3° dans l'enseignement fondamental spécial, seuls sont comptés les jeunes élèves réguliers le premier jour de classe du mois de février de l'année précédente ;
  4° par dérogation au point 3°, dans les écoles du type 5, les jeunes élèves sont comptés sur la base du nombre moyen d'élèves réguliers pendant la période de douze mois précédant le premier jour de classe du mois de février ;
  5° les écoles qui, sur la base de l'article 125quinquies, adhèrent à un centre d'enseignement déjà existant, sont censées faire partie du centre d'enseignement au premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente, pour le calcul de l'enveloppe de points destinée à l'encadrement renforcé de ce centre d'enseignement, à condition que, pendant l'année scolaire avant son adhésion au centre d'enseignement, l'école fût reprise dans le régime de financement et de subventionnement et ne fît pas partie d'un autre centre d'enseignement ;
  6° Les écoles qui, sur la base de l'article 125quinquies, adhèrent à un centre d'enseignement déjà existant, sont censées faire partie du centre d'enseignement au premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente, pour le calcul de l'enveloppe de points destinée à l'encadrement renforcé de ce centre d'enseignement, si, pendant l'année scolaire avant son adhésion au centre d'enseignement, l'école faisait partie d'un centre d'enseignement qui, au 31 août de l'année scolaire avant l'adhésion de l'école à son nouveau centre d'enseignement, cesse d'exister ;
  7° les écoles qui, sur la base de l'article 125quinquies, forment un nouveau centre d'enseignement, sont censées faire partie du centre d'enseignement au premier jour de classe de février de l'année scolaire précédant le début du centre d'enseignement, pour le calcul de l'enveloppe de points destinée à l'encadrement renforcé de ce centre d'enseignement, si l'école ne faisait pas partie d'un autre centre d'enseignement pendant l'année scolaire précédant le début du centre d'enseignement en question et à condition que l'école fût reprise dans le régime de financement ou de subventionnement pendant l'année scolaire précédant le début du centre d'enseignement ;
  8° au début d'une nouvelle période de six années pour les centres d'enseignement telle que visée à l'article 125quinquies, les écoles qui, au début du centre d'enseignement le 1er septembre, font partie du centre d'enseignement, sont censées faire partie du centre d'enseignement au premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente, si l'école était reprise dans le régime de financement ou de subventionnement pendant l'année scolaire précédant le début du centre d'enseignement.
  § 3. Le nombre de points auxquels le centre d'enseignement a droit est la somme de A, B, C et D, où :
  1° A = le résultat de la multiplication du nombre d'écoles de l'enseignement fondamental ordinaire que compte le centre d'enseignement le jour de comptage par un coefficient de 14 ;
  2° B = la somme de a et b arrondie pour chaque école de l'enseignement fondamental ordinaire du centre d'enseignement au niveau de l'école.
  Cet arrondi s'effectue comme suit : si la première décimale de la somme de a et b est supérieure à quatre, l'arrondi s'effectue au nombre entier supérieur. Si la première décimale de la somme de a et b est inférieur ou égal à quatre, l'arrondi s'effectue au nombre entier inférieur.
  Où a = le résultat de la multiplication du nombre de jeunes enfants que compte l'école le jour de comptage ou pendant la période de comptage par un coefficient de 0,24339 ;
  Où b = le résultat de la multiplication du nombre d'élèves réguliers de l'enseignement primaire que compte l'école le jour de comptage ou pendant la période de comptage par un coefficient de 0,20333 ;
  3° C = la somme des résultats du calcul suivant pour chaque école d'enseignement fondamental spécial du centre d'enseignement : le nombre de jeunes élèves réguliers le jour de comptage ou pendant la période de comptage est multiplié par école par le coefficient 0,03055. Le résultat de ce calcul est arrondi au nombre entier supérieur pour chaque école si la première décimale est supérieure à 4. Si la première décimale est inférieure ou égale à quatre, l'arrondi s'effectue au nombre entier inférieur.
  4° D = la somme du nombre F arrondi pour chaque école de l'enseignement fondamental ordinaire du centre d'enseignement au niveau de l'école.
  Cet arrondi s'effectue comme suit : si la première décimale est supérieure à quatre, l'arrondi s'effectue au nombre entier supérieur. Si la première décimale est inférieure ou égale à quatre, l'arrondi s'effectue au nombre entier inférieur.
  Où F = le résultat de la multiplication du nombre de jeunes élèves qui atteignent l'âge de 4 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours et qui répondent à la caractéristique de l'élève telle visée à l'article 133, § 1er, c, que l'école compte le jour de comptage ou pendant la période de comptage par le coefficient 1,208207681.
  § 4. Au maximum 10 % de l'enveloppe de points peut être affecté à la désignation de membres du personnel remplissant une fonction d'aide à la gestion au profit du centre d'enseignement, dans le cadre de la gestion de l'encadrement renforcé, telle que définie à l'article 153septies. Moyennant un accord obtenu au sein du comité local compétent, il peut être dérogé à ce pourcentage.
  Les emplois organisés sur la base des points utilisés conformément au présent paragraphe n'entrent pas en ligne de compte pour une déclaration de vacance d'emploi et l'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer un membre du personnel à titre définitif, l'affecter ou le muter dans ces emplois.
  § 5. La répartition de l'enveloppe de points par le centre d'enseignement ne peut avoir pour conséquence que des membres du personnel supplémentaires doivent être mis en disponibilité par défaut d'emploi, à moins qu'ils ne puissent être immédiatement réaffectés ou remis au travail dans un emploi organique vacant ou non vacant dans le centre d'enseignement, pour la durée de l'année scolaire entière.
  § 6. Avec cette enveloppe de points, obtenue conformément au paragraphe 3, des emplois peuvent être organisés dans la fonction de coordinateur de l'encadrement renforcé de la catégorie personnel de gestion et d'appui.
  Le gouvernement détermine les modalités de conversion des points vers les emplois financés ou subventionnés. ".
Art. 100. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt een artikel 125duodecies2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 125duodecies2. § 1. In een scholengemeenschap kunnen de betrokken schoolbesturen beslissen om één scholengemeenschapsinstelling op te richten. Voor zover de samenstelling van de scholengemeenschap niet wijzigt kan deze scholengemeenschapsinstelling niet opgeheven worden.
  Een voorwaarde voor de oprichting van deze scholengemeenschapsinstelling of in het geval van het vijfde lid de scholengemeenschapsinstellingen, is dat elk schoolbestuur uit de scholengemeenschap, voor wat betreft de betrokken scholengemeenschap, medeoprichter is van een scholengemeenschapsinstelling conform het derde, vierde of vijfde lid.
  Als de scholen van de scholengemeenschap tot hetzelfde schoolbestuur behoren dan is dit schoolbestuur verantwoordelijk voor de scholengemeenschapsinstelling.
  Als de scholen van de scholengemeenschap tot verschillende schoolbesturen behoren, wordt een nieuwe rechtspersoon opgericht die verantwoordelijk is voor deze scholengemeenschapsinstellinginstelling, vermeld in het eerste lid.
  Deze nieuwe rechtspersoon beperkt zich tot en heeft als enige doel om ten aanzien van de personeelsleden aangesteld in of geaffecteerd aan de scholengemeenschapsinstelling de bevoegdheden uit te oefenen die zijn vastgelegd in het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs hetzij het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.
  In afwijking van het eerste en het vierde lid wordt er, als de scholen van de scholengemeenschap behoren tot schoolbesturen van verschillende onderwijsnetten en er door de betrokken schoolbesturen gekozen wordt voor de oprichting van scholengemeenschapsinstellingen, één scholengemeenschapsinstelling opgericht per onderwijsnet. De scholengemeenschapsinstelling behoort tot het betrokken onderwijsnet. Als de scholen, van het betrokken onderwijsnet in de scholengemeenschap tot hetzelfde schoolbestuur behoren dan is dit schoolbestuur verantwoordelijk voor de instelling. Als de scholen, van het betrokken onderwijsnet, in de scholengemeenschap tot verschillende schoolbesturen behoren, wordt, voor die scholengemeenschap door alle betrokken schoolbesturen in de scholengemeenschap van dat onderwijsnet, een rechtspersoon opgericht die verantwoordelijk is voor de betrokken scholengemeenschapsinstelling.
  Deze nieuwe rechtspersoon beperkt zich tot en heeft uitsluitend als doel om ten aanzien van de personeelsleden aangesteld of geaffecteerd aan in de scholengemeenschapsinstelling de bevoegdheden uit te oefenen die zijn vastgelegd in het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs hetzij het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.
  § 2. In scholengemeenschappen die conform dit artikel een scholengemeenschapsinstelling hebben opgericht maken de betrokken directies van de scholengemeenschap, binnen de geldende regelgeving, afspraken over de werking van deze scholengemeenschapsinstelling of -instellingen.
  § 3. In afwijking van artikel 125duodecies, § 5, artikel 125duodecies1, § 4, tweede lid, en artikel 153sexies, § 6, kunnen in scholengemeenschappen die conform dit artikel een scholengemeenschapsinstelling hebben opgericht de betrokken betrekkingen wel vacant verklaard worden. De personeelsleden die in die betrekkingen bij de scholengemeenschapsinstelling aangesteld worden, kunnen geaffecteerd, tot de proeftijd toegelaten, vastbenoemd of gemuteerd worden. Deze punten moeten in eerste instantie steeds worden aangewend voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden. Er kan maximaal vacant verklaard worden in de punten vermeld in artikel 153sexies, § 4, tot het percentage dat op 1 september 2020 samengelegd werd op het niveau van de scholengemeenschap en voor wat betreft de punten vermeld in artikel 125duodecies1 kan er maximaal vacant verklaard worden tot het percentage dat op 1 september 2020 aangewend werd op scholengemeenschapsniveau. Dit percentage kan verhoogd worden na akkoord binnen het bevoegd lokaal comité, zonder dat het percentage in het volgende lid overschreden kan worden.
  Wanneer er overeenkomstig artikel 125duodecies1, § 4, eerste lid, of artikel 153sexies, § 4, afgeweken wordt van het maximum van 10% komen de betrekkingen, ingericht bovenop die 10%, niet in aanmerking voor vacantverklaring en kunnen er in geen geval personeelsleden geaffecteerd, tot de proeftijd toegelaten, vast benoemd of gemuteerd worden in deze betrekkingen.".
Art. 100. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2020, il est inséré un article 125duodecies2, libellé comme suit :
  " Art. 125duodecies2. § 1er. Dans un centre d'enseignement, les autorités scolaires concernées peuvent décider de créer un seul établissement de centre d'enseignement. Tant que la composition du centre d'enseignement ne change pas, cet établissement de centre d'enseignement ne peut être supprimé.
  La création de cet établissement de centre d'enseignement ou, dans le cas du cinquième alinéa, des établissements de centre d'enseignement, est subordonné au fait que l'autorité scolaire du centre d'enseignement, en ce qui concerne le centre d'enseignement concerné, soit cofondatrice d'un établissement de centre d'enseignement conformément aux alinéas trois, quatre ou cinq.
  Si les écoles du centre d'enseignement appartiennent à la même autorité scolaire, celle-ci est responsable de l'établissement de centre d'enseignement.
  Si les écoles du centre d'enseignement appartiennent à des autorités scolaires différentes, il est créé une nouvelle personne morale responsable de cet établissement de centre d'enseignement, tel que visé à l'alinéa 1er.
  Cette nouvelle personne morale se limite à et a pour seul objet d'exercer, à l'égard des membres du personnel désignés dans l'établissement de centre d'enseignement ou qui y sont affectés, les pouvoirs prévus par le décret sur le statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou le décret sur le statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
  Par dérogation aux alinéas premier et quatre, si les écoles du centre d'enseignement appartiennent à des autorités scolaires de différents réseaux d'enseignement et que les autorités scolaires concernées optent pour la création d'établissements de centre d'enseignement, un seul établissement de centre d'enseignement est créé par réseau d'enseignement. L'établissement de centre d'enseignement appartient au réseau d'enseignement concerné. Si les écoles du réseau d'enseignement concerné du centre d'enseignement appartiennent à la même autorité scolaire, celle-ci est responsable de l'établissement. Si les écoles du réseau d'enseignement concerné appartiennent à différentes autorités scolaires dans le centre d'enseignement, une personne morale, responsable de l'établissement de centre d'enseignement, sera créée par toutes les autorités scolaires concernées dans le centre d'enseignement de ce réseau d'enseignement.
  Cette nouvelle personne morale se limite à et a pour seul objet d'exercer, à l'égard des membres du personnel désignés dans l'établissement de centre d'enseignement ou qui y sont affectés, les pouvoirs prévus par le décret sur le statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou le décret sur le statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
  § 2. Dans les centres d'enseignement qui ont créé un établissement de centre d'enseignement conformément au présent article, les directions concernées du centre d'enseignement conviennent du fonctionnement de ce ou ces établissements de centre d'enseignement conformément à la réglementation applicable.
  § 3. Par dérogation à l'article 125duodecies, § 5, à l'article 125duodecies, § 4, alinéa deux, et à l'article 153sexies, § 6, les emplois concernés peuvent être déclarés vacants dans les centres d'enseignement qui ont créé un établissement de centre d'enseignement conformément au présent article. Les membres du personnel désignés dans ces emplois auprès de l'établissement de centre d'enseignement peuvent être affectés, admis à la période d'essai, nommés à titre définitif ou mutés. Ces points doivent toujours être utilisés en premier lieu pour maintenir les emplois des membres du personnel nommés à titre définitif. Pour les points tels que visés à l'article 153sexies, § 4, une vacance maximale peut être déclarée jusqu'au pourcentage réunit au 1er septembre 2020 au niveau du centre d'enseignement, et pour les points tels que visés à l'article 125duodecies1, une vacance maximale peut être déclarée jusqu'au pourcentage utilisé le 1er septembre 2020 au niveau du centre d'enseignement. Ce pourcentage peut être augmenté après accord au sein du comité local compétent, sans que le pourcentage tel que visé à l'alinéa suivant puisse être dépassé.
  Lorsque, conformément à l'article 125duodecies1, § 4, alinéa 1er, ou à l'article 153sexies, § 4, il est dérogé au maximum de 10 %, les emplois organisés en sus de la limite de 10 % ne peuvent faire l'objet d'une déclaration de vacance et en aucun cas les membres du personnel ne peuvent affectés, admis à la période d'essai, nommés à titre définitif ou mutés dans ces emplois. ".
Art. 101. Aan artikel 125quinquies decies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008, wordt de volgende zinsnede toegevoegd: ", eventueel aangevuld met een scholengemeenschapsinstelling, zoals vermeld in artikel 125duodecies2".
Art. 101. A l'article 125quinquiesdecies du même décret, inséré par le décret du 4 juillet 2008, le membre de phrase suivante est ajouté : " éventuellement complétée par un établissement de centre d'enseignement, tel que visé à l'article 125duodecies2 ".
Art. 102. In artikel 125vicies, § 2, derde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008 en gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
  "4° inlichtingen over het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap:
  - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling of dat geen beoordeling heeft gekregen;
  - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur nog niet verwerft wegens een beoordeling met werkpunten, met binnen die groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen;
  - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur niet verwerft wegens een negatieve beoordeling.".
Art. 102. A l'article 125vicies, § 2, alinéa trois, du même décret, inséré par le décret du 4 juillet 2008 et modifié par le décret du 15 mars 2019, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° informations sur le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui, dans les écoles du centre d'enseignement :
  - acquièrent le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue sur la base d'une évaluation positive ou qui n'ont pas été évalués ;
  - n'acquièrent pas encore le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue en raison d'une évaluation avec des points d'amélioration, avec au sein de ce groupe, une scission entre les membres du personnel qui reçoivent ensuite une nouvelle désignation et ceux qui n'en reçoivent pas ensuite ;
  - n'acquièrent pas le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue en raison d'une évaluation négative. ".
Art. 103. Aan artikel 125vicies septies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008, wordt de volgende zinsnede toegevoegd: ", eventueel aangevuld met een scholengemeenschapsinstelling, zoals vermeld in artikel 125duodecies2".
Art. 103. A l'article 125viciessepties du même décret, inséré par le décret du 4 juillet 2008, le membre de phrase suivant est ajouté : " éventuellement complétée par un établissement de centre d'enseignement, tel que visé à l'article 125duodecies2 ".
Art. 104. In artikel 125tricies bis, § 2, derde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008 en gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
  "4° inlichtingen over het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap:
  - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling of dat geen beoordeling heeft gekregen;
  - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur nog niet verwerft wegens een beoordeling met werkpunten, met binnen die groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen;
  - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur niet verwerft wegens een negatieve beoordeling.".
Art. 104. A l'article 125tricies bis, § 2, alinéa trois, du même décret, inséré par le décret du 4 juillet 2008 et modifié par le décret du 15 mars 2019, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° informations sur le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui, dans les écoles du centre d'enseignement :
  - acquièrent le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue sur la base d'une évaluation positive ou qui n'ont pas été évalués ;
  - n'acquièrent pas encore le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue en raison d'une évaluation avec des points d'amélioration, avec dans ce dernier groupe une distinction entre les membres du personnel qui obtiennent par la suite une nouvelle désignation et les membres du personnel qui n'obtiennent pas par la suite une nouvelle désignation ;
  - n'acquièrent pas le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue en raison d'une évaluation négative. ".
Art. 105. In artikel 134 van hetzelfde decreet, heropgenomen bij het decreet van 6 juli 2012 en gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de eerste zin van paragraaf 1 wordt tussen de woorden "kleuteronderwijs" en "recht" de zinsnede ", onverminderd de bepalingen in artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs," ingevoegd;
  2° in de eerste zin van paragraaf 2 wordt tussen de woorden "lager onderwijs" en "recht" de zinsnede ", onverminderd de bepalingen in artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs," ingevoegd;
  3° er wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 5. De SES-lestijden kunnen enkel worden aangewend in het kader van een gelijke onderwijskansenbeleid, zoals bepaald in artikel 153septies, § 2.".
Art. 105. A l'article 134 du même décret, repris du décret du 6 juillet 2012 et modifié par le décret du 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans la première phrase du paragraphe 1er, entre les mots " droit " et " pour l'enseignement maternel ", il est inséré le membre de phrase " , sans préjudice des dispositions de l'article 39, § 7, 2°, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, " ;
  2° dans la première phrase du paragraphe 2, entre les mots " enseignement primaire " et " a droit ", il est inséré le membre de phrase " sans préjudice des dispositions de l'article 39, § 7, 2°, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, " ;
  3° il est ajouté un paragraphe 5, libellé comme suit :
  " § 5. Les périodes SES ne peuvent être utilisées que dans le cadre d'une politique d'égalité des chances dans l'enseignement, telle que visée à l'article 153septies, § 2. ".
Art. 106. In artikel 139duodecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009 en gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  "Onverminderd de bepalingen in artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs kunnen scholen jaarlijks aanvullende lestijden krijgen, voor zover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen:
  1° op 1 februari van het voorafgaande of daaraan voorafgaande schooljaar ten minste 40% regelmatige leerlingen type basisaanbod en type 3 tellen, die beantwoorden aan de in artikel 139undecies, § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator die niet:
  a) binnen het niet rechtstreeks toegankelijke aanbod, als vermeld in artikel 2, § 1, 4°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp gebruik maken van de module verblijf in een multifunctioneel centrum, als vermeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
  b) in een internaat buitengewoon onderwijs vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 ingeschreven zijn;
  2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 139ter decies batig gerangschikt zijn onder de in punt 1° bedoelde scholen en ten minste 6 aanvullende lestijden genereren.";
  2° paragraaf 2 en paragraaf 3 worden opgeheven.
Art. 106. A l'article 139duodecies du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009 et modifié par le décret du 21 mars 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Sans préjudice des dispositions de l'article 39, § 7, 2°, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, les écoles peuvent bénéficier de périodes complémentaires sur une base annuelle, pour autant qu'elles remplissent toutes les conditions suivantes :
  1° compter, au 1er février de l'année scolaire précédente ou celle la précédant encore, au moins 40 % d'élèves réguliers de type offre de base et de type 3, qui satisfont à l'indicateur d'égalité des chances visé à l'article 139undecies, § 1er, 1° qui :
  a) dans l'offre non directement accessible, telle que visée à l'article 2, § 1er, 4°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, n'ont pas recours au module séjour dans un centre multifonctionnel, tel que visé à l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ;
  b) ne sont pas inscrits dans un internat d'enseignement spécial mentionné à la partie III, chapitre 4, section 1ère, sous-section 2, de la codification de certaines dispositions relatives à l'éducation du 28 octobre 2016 ;
  2° être classées favorablement parmi les écoles visées au 1° conformément aux dispositions de l'article 139terdecies et générer au minimum six périodes complémentaires. " ;
  2° les paragraphes 2 et 3 sont abrogés.
Art. 107. Artikel 139duodecies/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt opgeheven.
Art. 107. L'article 139duodecies/1 du même décret, inséré par le décret du 16 juin 2017, est abrogé.
Art. 108. In artikel 139ter decies, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het woord "driejaarlijks" vervangen door het woord "jaarlijks";
  2° in paragraaf 2 wordt het derde lid opgeheven;
  3° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 108. A l'article 139terdecies, inséré par le décret du 8 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, les mots " tous les trois ans " sont remplacés par le mot " annuellement " ;
  2° au paragraphe 2, l'alinéa trois est abrogé ;
  3° le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 109. Artikel 139quater decies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 139quater decies. De aanvullende lestijden kunnen enkel worden aangewend in het kader van een gelijke onderwijskansenbeleid, zoals bepaald in artikel 153septies, § 2.".
Art. 109. L'article 139quaterdecies, du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 139quaterdecies. Les périodes complémentaires ne peuvent être utilisées que dans le cadre d'une politique d'égalité des chances dans l'enseignement, telle que visée à l'article 153septies, § 2. ".
Art. 110. Artikel 139quinquies decies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, wordt opgeheven.
Art. 110. L'article 139quinquies du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009, est abrogé.
Art. 111. Artikel 139sexies decies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, wordt opgeheven.
Art. 111. L'article 139sexiesdecies du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009, est abrogé.
Art. 112. In artikel 140, § 1, 6°, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 6 juli 2012, wordt punt c) opgeheven.
Art. 112. A l'article 140, § 1er, 6°, du même décret, remplacé par le décret du 6 juillet 2012, le point c) est abrogé.
Art. 113. In artikel 153quinquies, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt de tweede zin geschrapt.
Art. 113. A l'article 153quinquies, § 2, du même décret, modifié par le décret du 3 juillet 2020, la troisième phrase est supprimée.
Art. 114. In artikel 153sexies van het hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 24 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 5 wordt geschrapt;
  2° in paragraaf 6 worden de woorden "de paragrafen 4 en 5" vervangen door "paragraaf 4".
Art. 114. A l'article 153sexies du même décret, modifié par le décret du 24 décembre 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 5 est abrogé ;
  2° au paragraphe 6, les mots " aux paragraphes 4 et 5 " sont remplacés par " au paragraphe 4 ".
Art. 115. Artikel 153septies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en vervangen bij het decreet van 19 juli 2013, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 153septies. § 1. Elke school in het gewoon basisonderwijs voert een zorgbeleid met het oog op de optimale leeren ontwikkelingskansen van alle leerlingen. Met de haar toegekende omkadering zorgt de school voor:
  1° de coördinatie van alle zorginitiatieven op het niveau van de school en in voorkomend geval afstemming met het beleid ter zake van de scholengemeenschap;
  2° het ondersteunen van het handelen van het onderwijzend personeel;
  3° het begeleiden van leerlingen;
  4° de bevordering van de kleuterparticipatie.
  § 2. Elke school in het basisonderwijs voert, in samenhang met het zorgbeleid zoals vermeld in paragraaf 1 en met de haar toegekende omkadering, ook een gelijke onderwijskansenbeleid met bijzondere aandacht voor de optimale leeren ontwikkelingskansen van de leerlingen die beantwoorden aan de leerlingenkenmerken zoals bepaald in artikel 78 en artikel 133, en de gelijkekansenindicatoren zoals bepaald in artikel 139undecies, § 1. Om de optimale leeren ontwikkelingskansen van de leerlingen die beantwoorden aan de leerlingenkenmerken zoals bepaald in artikel 78 en artikel 133, en de gelijkekansenindicatoren zoals bepaald in artikel 139undecies, § 1, te realiseren dient ze de werkingsmiddelen en lestijden die deze leerlingen genereren ook voor deze leerlingen in te zetten.
  Dit gelijke onderwijskansenbeleid wordt gevoerd conform de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vastgelegd ter uitvoering van artikel 4, § 2, eerste lid, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. Hiertoe bepaalt de school eigen streefdoelen alsook indicatoren en een tijdspad om deze streefdoelen te bereiken.
  De externe evaluatie op het gelijke onderwijskansenbeleid van de school met inbegrip van de aanwending van de daarvoor toegekende middelen, gebeurt in het kader van de schooldoorlichting als bedoeld in artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.".
Art. 115. L'article 153septies du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003 et remplacé par le décret du 19 juillet 2013, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 153septies. § 1er. Chaque école de l'enseignement fondamental ordinaire mène une gestion de l'encadrement renforcé en vue de la réalisation d'opportunités d'apprentissage et de développement optimales pour tous les élèves. Avec l'encadrement lui étant accordé, l'école se charge :
  1° de la coordination de toutes les initiatives portant sur l'encadrement renforcé au niveau de l'école et, le cas échéant, de l'harmonisation avec la politique en la matière du centre d'enseignement ;
  2° de l'appui des actes du personnel enseignant ;
  3° de l'encadrement des élèves ;
  4° de la promotion de la participation des jeunes enfants.
  § 2. Chaque école de l'enseignement fondamental mène également, en lien avec la gestion de l'encadrement renforcé, telle que visée au paragraphe 1er et avec l'encadrement lui étant accordé, une politique d'égalité des chances dans l'enseignement, en accordant une attention particulière aux d'opportunités d'apprentissage et de développement optimales des élèves qui correspondent aux caractéristiques des élèves telles que définies aux articles 78 et 133 et aux indicateurs d'égalité des chances tel que défini à l'article 139 undecies, § 1er. Pour réaliser les opportunités d'apprentissage et de développement optimales des élèves qui correspondent aux caractéristiques des élèves telles que définies aux articles 78 et 133, et aux indicateurs d'égalité des chances tel que défini à l'article 139undecies, § 1er, elle doit également utiliser pour ces élèves les moyens de fonctionnement et périodes qu'ils génèrent.
  Cette politique d'égalité des chances dans l'enseignement est menée conformément aux attentes de qualité incluses dans le cadre de référence de la qualité de l'enseignement, établi en application de l'article 4, § 2, alinéa 1er, 2°, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. L'école fixe pour ce faire ses propres objectifs ainsi que des indicateurs et un calendrier pour atteindre ces objectifs.
  L'évaluation externe de la politique d'égalité des chances dans l'enseignement de l'école, y compris l'utilisation des moyens alloués à cet effet, se fait dans le cadre de l'audit de l'école tel que visé aux articles 36 à 42 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. ".
Art. 116. In artikel 172 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 4 juni 2008, wordt de zinsnede ", § 3," vervangen door de zinsnede ", § 4,".
Art. 116. A l'article 172 du même décret, remplacé par le décret du 4 juin 2008, le membre de phrase " , § 3, " est remplacé par le membre de phrase " , § 4, ".
Art. 117. Aan artikel 194quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008 en gewijzigd bij de decreten van 17 juni 2011 en 25 april 2014, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Minstens 20% van de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid dient in de scholen van het gewoon basisonderwijs aangewend te worden voor leerlingondersteuning in de klas. Dit percentage stijgt naar 25% in het schooljaar 20212022, 30% in het schooljaar 2022-2023 en 35% in het schooljaar 2023-2024. Deze leerlingondersteuning kadert in de toepassing van artikel 47bis, derde lid, en artikel 153septies, 3°, van het decreet.".
Art. 117. A l'article 194quater du même décret, inséré par le décret du 4 juillet 2008 et modifié par les décrets des 17 juin 2011 et 25 avril 2014, il est ajouté un alinéa deux, libellé comme suit :
  " Au moins 20 % de l'enveloppe de points destinée à la gestion de l'encadrement renforcé doit être utilisé dans les écoles de l'enseignement fondamental ordinaire pour le soutien des élèves en classe. Ce pourcentage passe à 25 % pour l'année scolaire 20212022, 30 % pour l'année scolaire 2022-2023 et 35 % pour l'année scolaire 2023-2024. Ce soutien des élèves s'inscrit dans le cadre de l'application de l'article 47bis, alinéa trois, et de l'article 153septies, 3°, du décret.
Art. 118. Artikel 194quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008 en gewijzigd bij de decreten van 17 juni 2011, 25 april 2014 en dit decreet, wordt vervangen door wat volgt:
  "Artikel 194quater § 1. Aan iedere school voor gewoon basisonderwijs die geen deel uitmaakt van een scholengemeenschap wordt jaarlijks de volgende puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid toegekend:
  1° 9 punten voor scholen met minder dan 100 leerlingen;
  2° 17 punten voor scholen met 100 tot 149 leerlingen;
  3° 24 punten voor scholen met 150 tot 299 leerlingen;
  4° 42 punten voor scholen met 300 tot 449 leerlingen;
  5° 61 punten voor scholen met 450 tot 599 leerlingen;
  6° 85 punten voor scholen met 600 tot 699 leerlingen;
  7° 102 punten voor scholen met 700 tot 749 leerlingen;
  8° 109 punten voor scholen vanaf 750 leerlingen.
  § 2. De puntenenveloppe vermeld in paragraaf 1 wordt voor scholen gewoon basisonderwijs verhoogd met 0,06211 punten per leerling. Het aldus bekomen aantal punten wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.
  § 3. De puntenenveloppe vermeld in paragraaf 1 wordt voor scholen gewoon basisonderwijs verhoogd met het op schoolniveau afgeronde getal F.
  Deze afronding wordt als volgt uitgevoerd: indien het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lager gelegen geheel getal.
  Waarbij F = het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige kleuters die 4 jaar worden vóór 1 januari van het lopende schooljaar en die voldoen aan het leerlingenkenmerk vermeld in artikel 133, § 1, c, dat de school telt op de teldag of tijdens de telperiode met de coëfficiënt 1,208207681.
  § 4. Minstens 20% van de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid dient in de scholen van het gewoon basisonderwijs aangewend te worden voor leerlingondersteuning in de klas. Dit percentage stijgt naar 25% in het schooljaar 2021-2022, 30% in het schooljaar 2022-2023 en 35% in het schooljaar 20232024. Deze leerlingondersteuning kadert in de toepassing van artikel 47bis, derde lid, en artikel 153septies, 3°, van het decreet.
  De punten waar de school overeenkomstig paragraaf 3 recht op heeft dienen aangewend te worden voor taalintegratietrajecten in de scholen voor gewoon basisonderwijs zoals bedoeld in artikel 11quater, paragraaf 3. De aanwending van deze middelen maakt deel uit van de aanwending conform het eerste lid.
  De overige punten uit de puntenenveloppe kunnen alleen voor het zorgbeleid, vermeld in artikel 153septies, gebruikt worden.
  § 5. Uit deze puntenenveloppe kunnen betrekkingen in het ambt van zorgcoördinator uit de categorie beleidsen ondersteunend personeel ingericht worden.
  De regering bepaalt op welke wijze de omrekening van punten naar de gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen gebeurt.".
Art. 118. L'article 194quater du même décret, inséré par le décret du 4 juillet 2008 et modifié par les décrets des 17 juin 2011, 25 avril 2014 et le présent décret, est remplacé par ce qui suit :
  " Article 194quater, § 1er. Chaque école d'enseignement fondamental ordinaire qui ne fait pas partie d'un centre d'enseignement se voit attribuer annuellement l'enveloppe de points suivante destinée à la gestion de l'encadrement renforcé :
  1° 9 points pour les écoles de moins de 100 élèves ;
  2° 17 points pour les écoles de 100 à 149 élèves ;
  3° 24 points pour les écoles de 150 à 299 élèves ;
  4° 42 points pour les écoles de 300 à 449 élèves ;
  5° 61 points pour les écoles de 450 à 599 élèves ;
  6° 85 points pour les écoles de 600 à 699 élèves ;
  7° 102 points pour les écoles de 700 à 749 élèves ;
  8° 109 points pour les écoles à partir de 750 élèves.
  § 2. L'enveloppe de points mentionnée au paragraphe 1er est majorée de 0,06211 point par élève pour les écoles de l'enseignement fondamental ordinaire. Le nombre de points ainsi obtenu est arrondi comme suit : si la première décimale est supérieure à quatre, l'arrondi s'effectue au nombre entier supérieur. Si la première décimale est inférieure ou égale à quatre, l'arrondi s'effectue au nombre entier inférieur.
  § 3. L'enveloppe de points mentionnée au paragraphe 1er est majorée du nombre F arrondi au niveau de l'école pour les écoles de l'enseignement fondamental ordinaire.
  Cet arrondi s'effectue comme suit : si la première décimale est supérieure à quatre, l'arrondi s'effectue au nombre entier supérieur. Si la première décimale est inférieure ou égale à quatre, l'arrondi s'effectue au nombre entier inférieur.
  Où F = le résultat de la multiplication du nombre de jeunes élèves réguliers qui atteignent l'âge de 4 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours et qui répondent à la caractéristique de l'élève telle visée à l'article 133, § 1er, c, que l'école compte le jour de comptage ou pendant la période de comptage par le coefficient 1,208207681.
  § 4. " Au moins 20 % de l'enveloppe de points destinée à la gestion de l'encadrement renforcé doit être utilisé dans les écoles de l'enseignement fondamental ordinaire pour le soutien des élèves en classe. Ce pourcentage passe à 25 % pour l'année scolaire 2021-2022, 30 % pour l'année scolaire 2022-2023 et 35 % pour l'année scolaire 2023-2024. Ce soutien des élèves s'inscrit dans le cadre de l'application de l'article 47bis, troisième alinéa, et de l'article 153septies, 3°, du décret.
  Les points auxquels l'école a droit, conformément au paragraphe 3, doivent être utilisés pour des parcours d'intégration linguistique dans les écoles de l'enseignement fondamental ordinaire, tel que visé à l'article 11quater, paragraphe 3. L'utilisation de ces moyens fait partie de l'utilisation conformément à l'alinéa premier.
  Les autres points de l'enveloppe de points ne peuvent être utilisés que pour la gestion de l'encadrement renforcé, telle que visée à l'article 153septies.
  § 5. Avec cette enveloppe de points, des emplois peuvent être organisés dans la fonction de coordinateur de l'encadrement renforcé de la catégorie personnel de gestion et d'appui.
  Le gouvernement détermine les modalités de conversion des points vers les emplois financés ou subventionnés. ".
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van het decreet van 30 maart 1999 houdende de subsidiering van studentenen leerlingenkoepelverenigingen
CHAPITRE 7. - Modification du décret du 30 mars 1999 fixant l'octroi de subventions aux associations coordinatrices d'étudiants et d'élèves
Art. 119. In artikel 7, 1°, van het decreet van 30 maart 1999 houdende de subsidiëring van studentenen leerlingenkoepelverenigingen wordt de zinsnede "de wet van 27 juni 1921" vervangen door de woorden "de wettelijke verplichtingen voor verenigingen zonder winstoogmerk".
Art. 119. A l'article 7, 1°, du décret du 30 mars 1999 fixant l'octroi de subventions aux associations coordinatrices d'étudiants et d'élèves, le membre de phrase " à la loi du 27 juin " est remplacé par les mots " aux obligations légales des associations sans but lucratif ".
HOOFDSTUK 8. - Wijziging van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad
CHAPITRE 8. - Modification du décret du 2 avril 2004 relatif à la participation à l'école et au " Vlaamse Onderwijsraad " (Conseil flamand de l'Enseignement)
Art. 120. In artikel 60, derde lid, van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad, vervangen bij het decreet van 18 november 2005, wordt de zinsnede "de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen" vervangen door de woorden "de wettelijke verplichtingen voor verenigingen zonder winstoogmerk".
Art. 120. A l'article 60, troisième alinéa, du décret du 2 avril 2004 relatif à la participation à l'école et au " Vlaamse Onderwijsraad ", remplacé par le décret du 18 novembre 2005, le membre de phrase " de la loi du 27 juin 1921 relative aux associations sans but lucratif, aux associations internationales sans but lucratif et aux fondations " est remplacé par les mots " des obligations légales des associations sans but lucratif ".
HOOFDSTUK 9. - Wijziging van het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs
CHAPITRE 9. - Modification du décret du 9 décembre 2005 relatif à l'organisation de projets temporaires dans l'enseignement
Art. 121. Aan artikel 4/1 van het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 3 juli 2020, worden een vijfde en een zesde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "Werknemers moeten voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden die de Vlaamse Regering opneemt in het model van raamovereenkomst dienstverlening, vermeld in het vierde lid. Werknemers die ter beschikking worden gesteld van een school die gelegen is in het Nederlands taalgebied met uitzondering van de faciliteitengemeenten, tonen daarenboven aan dat ze de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheersen op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De werknemers bewijzen die vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen:
  1° met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor het ambt van leraar secundair onderwijs en dat behaald is in de onderwijstaal;
  2° met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
  3° met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
  4° met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont.
  In het vijfde lid wordt verstaan onder Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen: de Nederlandstalige vertaling van het door de Raad van Europa gepubliceerde Common European Framework of Reference for Languages.".
Art. 121. A l'article 4/1 du décret du 9 décembre 2005 relatif à l'organisation de projets temporaires dans l'enseignement, inséré par le décret du 3 juillet 2020, sont ajoutés des alinéas cinq et six, libellés comme suit :
  " Les travailleurs doivent répondre aux exigences de recrutement que le Gouvernement flamand inclut dans le modèle de convention-cadre de service, tel que visé à l'alinéa quatre. Les travailleurs qui sont mis à la disposition d'une école située dans la région de langue néerlandaise, à l'exception des communes à facilités, démontrent également qu'ils maîtrisent la connaissance du néerlandais comme langue d'enseignement au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues. Les travailleurs prouvent ces compétences linguistiques requises de l'une des manières suivantes :
  1° avec un titre établi par le Gouvernement flamand pour la fonction d'enseignant dans l'enseignement secondaire et obtenu dans la langue d'enseignement ;
  2° avec un titre d'un enseignement reconnu, financé ou subventionné par la Communauté flamande qui démontre le niveau de connaissances linguistiques requis ;
  3° avec un titre équivalent à un titre d'un enseignement reconnu, financé ou subventionné par la Communauté flamande et qui démontre le niveau de connaissances linguistiques requis ;
  4° avec un certificat ou une attestation démontrant le niveau requis C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues.
  Dans le cinquième alinéa, il faut entendre par Cadre européen commun de référence pour les langues : la traduction française du " Common European Framework of Reference for Languages " publié par le Conseil de l'Europe.
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap
CHAPITRE 10. - Modification du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande
Art. 122. In artikel 53 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 1 juli 2011, 21 december 2012 en 22 maart 2019, wordt in het eerste lid de datum "1 augustus" vervangen door de zinsnede "2 juni voorafgaand aan het academiejaar waarop de aanvraag betrekking heeft".
Art. 122. A l'article 53 du même décret, modifié par les décrets du 1er juillet 2011, 21 décembre 2012 et 22 mars 2019, à l'alinéa 1er, la date " 1er août " est remplacée par le membre de phrase " 2 juin précédant l'année académique à laquelle se rapporte la demande ".
Art. 123. Artikel 53/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2012 en gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014, 15 juni 2018 en 22 maart 2019, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 53/1. In dit artikel wordt verstaan onder bijna-beursstudent: een bijnabeursstudent als vermeld in artikel I.3, 16°, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.
  De afdeling Studietoelagen onderzoekt het recht op een studietoelage voor een academiejaar als de student aan de volgende voorwaarden voldoet:
  1° de aanvrager gaf de toestemming om het recht op een studietoelage te onderzoeken;
  2° de student kwam in het academiejaar vóór het academiejaar waarop de studietoelage betrekking heeft, in aanmerking voor een studietoelage of was bijna-beursstudent.
  De afdeling Studietoelagen bepaalt de datum waarop het onderzoek, vermeld in het tweede lid, start. Het onderzoek kan ten vroegste op 1 januari voorafgaand aan het academiejaar waarop de studietoelage betrekking heeft en uiterlijk 1 juni van het academiejaar waarop de studietoelage betrekking heeft, starten. De afdeling Studietoelagen meldt de start van het onderzoek aan de aanvrager.
  De aanvrager kan op elk moment het lopend onderzoek stopzetten.
  De student die in het academiejaar vóór het academiejaar waarop de studietoelage betrekking heeft, niet in aanmerking kwam voor een studietoelage of de student die geen bijna-beursstudent was, vraagt opnieuw een studietoelage aan conform artikel 53.".
Art. 123. L'article 53/1 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2012 et modifié par les décrets des 25 avril 2014, 15 juin 2018 et 22 mars 2019, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 53/1. Dans le présent article, il faut entend par étudiant quasi boursier " : un étudiant quasi boursier, tel que visé à l'article I.3, 16°, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013.
  La Division des Allocations d'Etudes examine le droit à une allocation d'études pour une année académique si l'étudiant remplit les conditions suivantes :
  1° le demandeur a donné l'autorisation d'enquêter sur le droit à une allocation d'études ;
  2° durant l'année académique précédant l'année académique à laquelle se rapporte l'allocation d'études, l'étudiant entrait en ligne de compte pour une allocation d'études ou était quasi boursier.
  La Division des Allocations d'Etudes fixe la date à laquelle l'enquête, telle que visée à l'alinéa deux, débute. L'enquête peut débuter au plus tôt le 1er janvier précédant l'année académique à laquelle se rapporte l'allocation d'études et au plus tard le 1er juin de l'année académique à laquelle elle se rapporte. La Division des Allocations d'Etudes informe le demandeur du début de l'enquête.
  Le demandeur peut interrompre l'enquête en cours à tout moment.
  L'étudiant qui n'entrait pas en ligne de compte pour une allocation d'études au cours de l'année académique précédant l'année académique à laquelle l'allocation d'études se rapporte ou l'étudiant qui n'était pas un quasi boursier fait une nouvelle demande d'allocation d'études conformément à l'article 53. ".
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs
CHAPITRE 11. - Modifications du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes
Art. 124. In artikel 25bis, § 2, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2012 en gewijzigd bij de decreten van 19 juni 2015 en 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
  "1° in de leergebieden wiskunde, Nederlands, informatieen communicatietechnologie en alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie. De open module wiskunde omvat uitsluitend eindtermen of basiscompetenties uit het leergebied wiskunde. De open module Nederlands omvat uitsluitend eindtermen uit het leergebied Nederlands. De open module alfabetisering Nederlands tweede taal omvat uitsluitend basiscompetenties uit het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal. De open module ICT omvat uitsluitend eindtermen uit het leergebied informatie- en communicatietechnologie;";
  2° er wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "4° in de opleiding Start to ICT van het studiegebied ICT. De open module Start to ICT omvat uitsluitend basiscompetenties uit de opleiding Start to ICT.".
Art. 124. A l'article 25bis, § 2, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, inséré par le décret du 21 décembre 2012 et modifié par les décrets des 19 juin 2015 et 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° dans les domaines d'apprentissage 'wiskunde' (mathématiques), 'Nederlands' (néerlandais), `informatieen communicatietechnologie' (technologie de l'information et de la communication' et 'alfabetisering Nederlands tweede taal' (alphabétisation néerlandais deuxième langue) de l'éducation de base. Le module ouvert 'wiskunde' comprend uniquement des objectifs finaux ou des compétences de base du domaine d'apprentissage 'wiskunde'. Le module ouvert `Nederlands' comprend exclusivement des objectifs finaux du domaine d'apprentissage `Nederlands' ; Le module ouvert 'alfabetisering Nederlands tweede taal' comprend uniquement des compétences de base du domaine d'apprentissage 'alfabetisering Nederlands tweede taal'. Le module ouvert TIC comprend exclusivement des objectifs finaux du domaine d'apprentissage `informatie-en communicatietechnologie' ; ";
  2° il est ajouté un point 4° libellé comme suit :
  " 4° dans la formation " Start to ICT " du domaine d'apprentissage TIC. Le module ouvert " Start to ICT " comprend exclusivement des compétences de base de la formation " Start to ICT. ". ".
Art. 125. In artikel 88, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 16 juni 2017 en 7 juli 2017, wordt punt d) opgeheven.
Art. 125. A l'article 88, § 1er, du même décret, modifié par les décrets des 16 juin 2017 et 7 juillet 2017, le point d) est abrogé.
Art. 126. In artikel 91 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt tussen het woord "VTE" en het woord "en" de zinsnede ", punten" ingevoegd.
Art. 126. A l'article 91 du même décret, modifié par le décret du 19 décembre 2014, le membre de phrase " , des points " est inséré entre le mot " ETP " et le mot " et ".
Art. 127. In artikel 98, § 2, derde lid, 8°, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 16 maart 2018, wordt tussen de zinsnede "1,875" en het woord "voor" de zinsnede "voor de geletterdheidsmodules Regie over het Eigen Leren," ingevoegd.
Art. 127. A l'article 98, § 2, troisième alinéa, 8°, du même décret, remplacé par le décret du 16 mars 2018, le membre de phrase " pour les modules d'alphabétisation Regie over het Eigen Leren, " est inséré entre le membre de phrase " 1,875 " et le mot " pour ".
Art. 128. In artikel 101 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt tussen het woord "leraarsuren" en het woord "toekennen" de zinsnede ", punten en werkingstoelagen" ingevoegd.
Art. 128. A l'article 101 du même décret, modifié par le décret du 19 décembre 2014, le membre de phrase " , points et subventions de fonctionnement " est inséré entre les mots " périodes/enseignant " et " complémentaires ".
Art. 129. In artikel 105, § 3bis, derde lid, 8°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 maart 2018, wordt tussen de zinsnede "1,875" en het woord "voor" de zinsnede "voor de geletterdheidsmodules Regie over het Eigen Leren," ingevoegd.
Art. 129. A l'article 105, § 3bis, troisième alinéa, 8°, du même décret, modifié par le décret du 16 mars 2018, le membre de phrase " pour les modules d'alphabétisation Regie over het Eigen Leren, " est inséré entre le membre de phrase " 1,875 " et le mot " pour ".
Art. 130. In artikel 106, § 1, 1°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, wordt punt d) opgeheven.
Art. 130. A l'article 106, § 1er, 1°, du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009, le point d) est abrogé.
Art. 131. In artikel 113novies, § 4, 1°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 maart 2018, wordt de zinsnede "leren," vervangen door de zinsnede "leren of Regie over het Eigen Leren,".
Art. 131. A l'article 113novies, § 4, 1°, du même décret, inséré par le décret du 16 mars 2018, le membre de phrase " leren " est remplacé par le membre de phrase " leren ou Regie over het Eigen Leren, ".
HOOFDSTUK 12. - Wijzigingen van het decreet van 14 december 2007 houdende de organisatie en werking van de regionale technologische centra
CHAPITRE 12. - Modifications du décret du 14 décembre 2007 portant organisation et fonctionnement des centres technologiques régionaux
Art. 132. In artikel 2, eerste lid, van het decreet van 14 december 2007 houdende de organisatie en werking van de regionale technologische centra wordt de zinsnede "de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen" vervangen door de woorden "de wettelijke verplichtingen voor verenigingen zonder winstoogmerk".
Art. 132. A l'article 2, alinéa 1er, du décret du 14 décembre 2007 portant organisation et fonctionnement des centres technologiques régionaux, le membre de phrase " de la loi du 27 juin 1921 relative aux associations sans but lucratif, aux associations internationales sans but lucratif et aux fondations " est remplacé par les mots " des obligations légales des associations sans but lucratif ".
Art. 133. Aan artikel 9 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Voor de beheersovereenkomsten voor de periode 1 september 2020 tot 31 augustus 2022 wordt tijdens de looptijd van die beheersovereenkomsten geen evaluatie georganiseerd.".
Art. 133. A l'article 9 du même décret, modifié par le décret du 21 décembre 2012, il est ajouté un alinéa deux libellé comme suit :
  " Pendant la durée de ces contrats de gestion, aucune évaluation n'est organisée concernant les contrats de gestion pour la période du 1er septembre 2020 au 31 août 2022. ".
HOOFDSTUK 13. - Wijzigingen van het decreet van 20 juni 2008 houdende het statuut van de Universiteit Hasselt en de Hoge Raad voor het Hoger Onderwijs in Limburg
CHAPITRE 13. - Modifications du décret du 20 juin 2008 portant le statut de l'Universiteit Hasselt et du 'Hoge Raad voor het Hoger Onderwijs in Limburg' (Conseil supérieur de l'Enseignement supérieur au Limbourg)
Art. 134. In artikel 6, tweede lid, van het decreet van 20 juni 2008 houdende het statuut van de Universiteit Hasselt en de Hoge Raad voor het Hoger Onderwijs in Limburg wordt de zinsnede ", de regeringscommissaris en de Inspecteur van Financiën" vervangen door de woorden "en de regeringscommissaris".
Art. 134. A l'article 6, alinéa deux, du décret du 20 juin 2008 portant le statut de l'Universiteit Hasselt et du 'Hoge Raad voor het Hoger Onderwijs in Limburg' (Conseil supérieur de l'Enseignement supérieur au Limbourg), le membre de phrase " , le commissaire du gouvernement et l'inspecteur des Finances " est remplacé par les mots " et le commissaire du gouvernement ".
Art. 135. In artikel 20, derde lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede ", de regeringscommissaris en de Inspecteur van Financiën" vervangen door de woorden "en de regeringscommissaris".
Art. 135. A l'article 20, troisième alinéa, du même décret, le membre de phrase " , le commissaire du gouvernement et l'inspecteur des Finances " est remplacé par les mots " et le commissaire du gouvernement ".
HOOFDSTUK 14. - Wijziging van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap
CHAPITRE 14. - Modification du décret du 10 juillet 2008 : le décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande ;
Art. 136. In artikel 10, § 1, tweede lid, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, wordt punt 11° opgeheven.
Art. 136. A l'article 10, § 1er, alinéa deux, du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, le point 11° est abrogé.
Art. 137. In artikel 21, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 3 juli 2020, worden de woorden "centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en elk" opgeheven.
Art. 137. A l'article 21, alinéa 1er, du même décret, remplacé par le décret du 3 juillet 2020, les mots " Chaque centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et chaque " sont abrogés.
Art. 138. Artikel 29 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009 en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 29. Als in het deeltijds beroepssecundair onderwijs studiebewijzen worden uitgereikt die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs, dan zijn voor de algemene vorming de bepalingen over eindtermen en leerplannen van toepassing zoals opgenomen in de Codex Secundair Onderwijs, deel IV, titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 3. Naargelang van het leerjaarniveau van het studiebewijs in kwestie betreft het de eindtermen en de leerplannen voor de tweede graad, voor het eerste en tweede leerjaar van de derde graad dan wel voor het derde leerjaar van de derde graad van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs.
  In afwijking van het eerste lid en met in acht name van de door de Vlaamse Regering bepaalde omzettingskalender van het deeltijds beroepssecundair onderwijs naar het duaal leren, zijn evenwel volgende eindtermen niet van toepassing:
  1° de eindtermen lichamelijke opvoeding van het beroepssecundair onderwijs als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000, bekrachtigd bij het decreet van 18 januari 2002, en het besluit van de Vlaamse Regering van 20 september 2002, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2002;
  2° de volgende eindtermen, vermeld in het decreet van 12 februari 2021:
  a) de eindtermen 1.9, 1.10, 1.11 en 1.12 van de basisvorming van de tweede graad arbeidsmarktfinaliteit binnen de sleutelcompetentie "competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn/gezondheid"; en
  b) de eindtermen 1.8, 1.9, 1.10 en 1.11 van de basisvorming van de derde graad arbeidsmarktfinaliteit binnen de sleutelcompetentie "competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn/gezondheid".".
Art. 138. L'article 29 du même décret, modifié par le décret du 8 mai 2009 et l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 2010, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 29. Si, dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, des certificats d'étude identiques à ceux de l'enseignement secondaire professionnel ordinaire à temps plein sont délivrés, les dispositions relatives aux objectifs finaux et aux programmes d'études tels que repris dans le Code de l'Enseignement secondaire, partie IV, titre 1er, chapitre 1er, section 3, s'appliquent à la formation générale. Selon le niveau de l'année d'étude du titre en question, il s'agit des objectifs finaux à atteindre et des programmes d'études pour le deuxième degré, pour la première et la deuxième année d'études du troisième degré ou pour la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel ordinaire à temps plein.
  Toutefois, par dérogation à l'alinéa premier et dans le respect du calendrier de conversion déterminé par le Gouvernement flamand pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel en enseignement dual, les objectifs finaux suivants ne sont pas d'application :
  1° les objectifs finaux éducation physique de l'enseignement secondaire professionnel, tels que visés dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2000, ratifié par le décret du 18 janvier 2002, et l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 septembre 2002, ratifié par le décret du 20 décembre 2002 ;
  2° les objectifs finaux suivants, tels que visés dans le décret du 12 février 2021 :
  a) les objectifs finaux 1.9, 1.10, 1.11 et 1.12 de la formation de base du deuxième degré à finalité insertion sur le marché du travail dans la compétence clé " compétences en matière de conscience/santé physique, spirituelle et émotionnelle " ; et
  b) les objectifs finaux 1.8, 1.9, 1.10 et 1.11 de la formation de base du troisième degré finalité du marché du travail dans la compétence clé " compétences en matière de conscience/santé physique, spirituelle et émotionnelle ". ".
Art. 139. Artikel 33 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 en het decreet van 19 juni 2020, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 33. Als in de leertijd studiebewijzen worden uitgereikt die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs, dan zijn voor de algemene vorming de bepalingen over eindtermen en leerplannen van toepassing zoals opgenomen in de Codex Secundair Onderwijs, deel IV, titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 3. Naargelang van het leerjaarniveau van het studiebewijs in kwestie betreft het de eindtermen en de leerplannen voor de tweede graad, voor het eerste en tweede leerjaar van de derde graad dan wel voor het derde leerjaar van de derde graad van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs.
  In afwijking van het eerste lid en met inachtname van de door de Vlaamse Regering bepaalde omzettingskalender van de leertijd naar het duaal leren, zijn evenwel volgende eindtermen niet van toepassing:
  1° de eindtermen lichamelijke opvoeding van het beroepssecundair onderwijs als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000, bekrachtigd bij het decreet van 18 januari 2002, en het besluit van de Vlaamse Regering van 20 september 2002, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2002;
  2° de volgende eindtermen als vermeld in het decreet van 12 februari 2021:
  a) de eindtermen 1.9, 1.10, 1.11 en 1.12 van de basisvorming van de tweede graad arbeidsmarktfinaliteit binnen de sleutelcompetentie "competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn/gezondheid"; en
  b) de eindtermen 1.8, 1.9, 1.10 en 1.11 van de basisvorming van de derde graad arbeidsmarktfinaliteit binnen de sleutelcompetentie "competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn/gezondheid".".
Art. 139. L'article 33 du même décret, modifié par le décret du 8 mai 2009, l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 2010 et le décret du 19 juin 2020, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 33. Si, durant la période d'apprentissage, des titres identiques à ceux de l'enseignement secondaire professionnel ordinaire à temps plein sont délivrés, les dispositions relatives aux objectifs finaux et aux programmes d'études tels que repris dans le Code de l'Enseignement secondaire, partie IV, titre 1er, chapitre 1er, section 3, s'appliquent à la formation générale. Selon le niveau de l'année d'étude du titre en question, il s'agit des objectifs finaux à atteindre et des programmes d'études pour le deuxième degré, pour la première et la deuxième année d'études du troisième degré ou pour la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel ordinaire à temps plein.
  Toutefois, par dérogation à l'alinéa premier et dans le respect du calendrier de conversion déterminé par le Gouvernement flamand pour la période d'apprentissage en enseignement dual, les objectifs finaux suivants ne sont pas d'application :
  1° les objectifs finaux éducation physique de l'enseignement secondaire professionnel, tels que visés dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2000, ratifié par le décret du 18 janvier 2002, et l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 septembre 2002, ratifié par le décret du 20 décembre 2002 ;
  2° les objectifs finaux suivants, tels que visés au décret du 12 février 2021 :
  a) les objectifs finaux 1.9, 1.10, 1.11 et 1.12 de la formation de base du deuxième degré à finalité insertion sur le marché du travail dans la compétence clé " compétences en matière de conscience/santé physique, spirituelle et émotionnelle " ; et
  b) les objectifs finaux 1.8, 1.9, 1.10 et 1.11 de la formation de base du troisième degré finalité du marché du travail dans la compétence clé " compétences en matière de conscience/santé physique, spirituelle et émotionnelle ". ".
HOOFDSTUK 15. - Wijzigingen van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs
CHAPITRE 15. - Modifications du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement
Art. 140. In artikel 8 van het decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs van 8 mei 2009, gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt een vijfde lid toegevoegd dat luidt als volgt:
  "Als aan personeelsleden professionalisering wordt opgelegd, komen de kosten ten laste van het schoolbestuur.".
Art. 140. A l'article 8 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, modifié par le décret du 15 mars 2019, un alinéa cinq est ajouté, libellé comme suit :
  " Si une professionnalisation est imposée aux membres du personnel, les frais sont supportés par l'autorité scolaire. ".
Art. 141. In artikel 9, § 3, van hetzelfde decreet wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 141. A l'article 9, § 3, du même décret, l'alinéa deux est abrogé.
Art. 142. In artikel 35, § 1, vierde lid, en § 2, vierde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 maart 2018, wordt de zin "Zo niet wordt de beslissing geacht gunstig te zijn." vervangen door de zin "Dit is een termijn van orde.".
Art. 142. A l'article 35, § 1er, alinéa quatre, et § 2, alinéa quatre, du même décret, inséré par le décret du 23 mars 2018, la phrase " A défaut, la décision est réputée favorable. " est remplacée par la phrase " C'est un délai d'ordre. ".
Art. 143. In artikel 38, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 juli 2013 en van 23 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, eerste lid, tegemoetkomt.
  In het basis- en het secundair onderwijs, met uitzondering voor de nieuwe onderwijsinstellingen, spreekt de onderwijsinspectie ook een evaluatie uit over het gelijke onderwijskansenbeleid.";
  2° aan paragraaf 1, eerste lid, wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "3° in het basis- en het secundair onderwijs een kwaliteitsvol beleid op leerlingenbegeleiding ontwikkelt, implementeert en evalueert, in toepassing van de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van leerlingenbegeleiding.";
  3° aan paragraaf 1, tweede lid, wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt: "3° de kernactiviteiten signaalfunctie en consultatieve leerlingenbegeleiding kwaliteitsvol uitvoert.".
Art. 143. A l'article 38 du même décret, modifié par les décrets du 19 juillet 2013 et du 23 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° répond aux attentes de qualité contenues dans le cadre de référence pour la qualité de l'enseignement visé à l'article 4, § 2, alinéa 1er.
  Dans l'enseignement fondamental et secondaire, à l'exception des nouveaux établissements d'enseignement, l'inspection de l'enseignement évalue également la politique d'égalité des chances. " ;
  2° au paragraphe 1er, alinéa 1er, il est ajouté un point 3°, libellé comme suit :
  " 3° élabore, met en oeuvre et évalue une politique de qualité de l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental et secondaire, en application des obligations réglementaires des établissements en matière d'orientation des élèves. " ;
  3° au paragraphe 1er, alinéa deux, il est ajouté un point 3°, libellé comme suit : " 3° réalise de manière qualitative les activités clés `fonction de signal' et `encadrement des élèves consultatif'. ".
Art. 144. Aan artikel 39 van hetzelfde decreet, gewijzigd door de decreten van 23 maart 2018 en 5 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° een paragraaf 6 wordt toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 6. Tijdens de eerste twee schooljaren van inwerkingtreding van bij decreet of besluit vastgelegde onderwijsdoelen, kan het niet of niet in voldoende mate bereiken of nastreven, naargelang van het geval, van die onderwijsdoelen, niet leiden tot een advies als vermeld in paragraaf 5, eerste lid, 2°. ";
  2° een paragraaf 7 wordt toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 7. Voor het basisen secundair onderwijs zijn volgende evaluaties van het gelijkeonderwijskansenbeleid mogelijk:
  1° een positieve evaluatie: dit heeft als gevolg dat de school het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, alsook, naargelang het geval, de SES-lestijden, de aanvullende lestijden, de extra uren-leraar of de extra lesuren ontvangt tot de daaropvolgende schooldoorlichting, conform de berekeningen gebaseerd op, naargelang het geval, artikel 85, § 2, 134 en 139ter decies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 227, 235, 249 of 319 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
  2° een negatieve evaluatie: dit heeft als gevolg dat de school een engagement tot remediëring met externe begeleiding en ondersteuning moet aangaan. Als de eerstvolgende evaluatie door de onderwijsinspectie opnieuw negatief is, dan ontvangt de school vanaf het daaropvolgend schooljaar, slechts de helft van het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, alsook, naargelang het geval, de helft van het aantal SES-lestijden, aanvullende lestijden, extra uren-leraar of extra lesuren waarop ze normaliter recht heeft en dat tot en met het schooljaar waarin een evaluatie positief is. De onderwijsinspectie evalueert de school opnieuw binnen een termijn van 1 jaar.".
Art. 144. A l'article 39 du même décret, modifié par les décrets des 23 mars 2018 et 5 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° il est ajouté un paragraphe 6, libellé comme suit :
  " § 6. Au cours des deux premières années scolaires de l'entrée en vigueur des objectifs éducatifs fixés par décret ou arrêté, le fait de ne pas atteindre ou de ne pas poursuivre ou pas suffisamment ces objectifs éducatifs, selon le cas, ne donne pas lieu à un avis visé au paragraphe 5, alinéa 1er, 2°. " ;
  2° il est ajouté un paragraphe 7, libellé comme suit :
  " § 7. Pour l'enseignement fondamental et secondaire, les évaluations suivantes de la politique d'égalité des chances dans l'enseignement sont possibles :
  1° une évaluation positive : cela signifie que l'école reçoit le budget de fonctionnement basé sur les caractéristiques des élèves, ainsi que, selon le cas, les périodes SES, les périodes complémentaires, les périodes-professeur supplémentaires ou les heures de cours supplémentaires jusqu'à l'audit scolaire suivant, conformément aux calculs basés, selon le cas, sur l'article 85, § 2, 134 et 139terdecies du décret du 25 février 1997 et les articles 227, 235, 249 ou 319 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 ;
  2° une évaluation négative : cela signifie que l'école doit s'engager à y remédier avec des conseils et un soutien extérieurs. Si l'évaluation suivante de l'inspection de l'enseignement est à nouveau négative, l'école ne reçoit, à partir de l'année scolaire suivante, que la moitié du budget de fonctionnement basé sur les caractéristiques des élèves, ainsi que, selon le cas, la moitié du nombre de périodes SES, de périodes complémentaires, d'heures de périodes-professeur supplémentaires ou d'heures de cours supplémentaires auxquelles elle a normalement droit, jusqu'à et y compris l'année scolaire au cours de laquelle une évaluation est positive. L'inspection de l'enseignement évalue à nouveau l'école dans un délai d'un an. ".
Art. 145. In deel II, titel IV, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt een hoofdstuk IIIbis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk IIIbis. De toegang tot persoonsgegevens".
Art. 145. A la partie II, titre IV, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2020, il est inséré un chapitre IIIbis, libellé comme suit :
  " chapitre IIIbis. L'accès aux données à caractère personnel ".
Art. 146. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt in hoofdstuk IIIbis, ingevoegd bij artikel 137, een artikel 44bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 44bis. § 1. De inspecteurs hebben het recht om voor de uitoefening van hun opdracht inzage te krijgen in of kopie te krijgen van persoonsgegevens. De persoonsgegevens hebben betrekking op leerlingen verbonden aan de onderwijsinstelling of begeleid door het centrum voor leerlingenbegeleiding en betreffen de gegevens die de onderwijsinstelling of het centrum voor leerlingenbegeleiding krachtens de onderwijsof CLB-reglementering in het dossier verwerken, zoals de administratieve gegevens, inschrijvingsgegevens, afwezigheden, studieresultaten en zorggegevens. De bevoegdheid heeft ook betrekking op gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat.
  Als anonieme gegevens beschikbaar en actueel zijn, vragen de inspecteurs in eerste instantie inzage in die gegevens. Als dat nodig is in het licht van de opdracht, kunnen de inspecteurs inzage vragen in persoonsgegevens, als daarvoor de Europese, federale en Vlaamse regels over het verwerken van die gegevens worden gevolgd. Onder anonieme gegevens wordt verstaan: gegevens die geen betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon of op persoonsgegevens die zodanig anoniem zijn gemaakt dat de betrokkene niet of niet meer identificeerbaar is.
  De Vlaamse Regering stelt voorwaarden vast om de transparantie en de uitoefening van de rechten van de betrokkenen te verzekeren.
  § 2. De inspecteurs respecteren het vertrouwelijke karakter van de gegevens waarvan ze kennis hebben gekregen bij de uitoefening van hun opdracht met betrekking tot de controle op de kwaliteit en op de toepassing van de onderwijsreglementering, conform artikel 32 en artikel 38 van dit decreet. Ze wenden die gegevens uitsluitend aan voor de vervulling van hun opdracht en delen die niet mee aan andere instanties.
  In afwijking van artikel 57, dragen de inspecteurs die belast zijn met de inspectie van de centra voor leerlingenbegeleiding kennis van geheimen die hun zijn toevertrouwd, in de zin van artikel 458 van het Strafwetboek, voor wat betreft de persoonsgegevens die door de centra voor leerlingenbegeleiding worden meegedeeld. De personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding delen de persoonsgegevens mee aan de onderwijsinspectie, in afwijking van artikel 11 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs of artikel 14 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding en artikel 7 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp.
  De inspecteurs bewaren de persoonsgegevens die ze bij de uitoefening van hun opdracht verwerken, niet langer dan nodig voor de uitoefening van die opdracht en in elk geval niet langer dan nodig voor de eindredactie van het verslag of het rapport.
  § 3. De onderwijsinspectie is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), voor de persoonsgegevens die inspecteurs bij de uitoefening van hun opdracht verwerken.".
Art. 146. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2020, au chapitre IIIbis, inséré par l'article 137, il est inséré un article 44bis, libellé comme suit :
  " Art. 44bis. § 1er. Les inspecteurs ont le droit d'accéder aux données à caractère personnel ou d'en recevoir une copie afin de remplir leur mission. Les données à caractère personnel concernent les élèves liés à l'établissement d'enseignement ou encadrés par le centre d'encadrement des élèves et portent sur les données que l'établissement d'enseignement ou le centre d'encadrement des élèves traite dans le dossier en vertu de la réglementation scolaire ou du CLB, telles que les données administratives, les données d'inscription, les absences, les résultats d'études et les données d'encadrement. La compétence couvre également les données accessibles via un système informatique ou tout autre dispositif électronique.
  Si des données anonymes sont disponibles et actuelles, les inspecteurs demanderont à consulter ces données en priorité. Si cela s'avère nécessaire dans le cadre de la mission, les inspecteurs peuvent demander l'accès aux données à caractère personnel, si les règles européennes, fédérales et flamandes relatives au traitement de ces données sont respectées. Il faut entendre par données anonymes : données qui ne concernent pas une personne physique identifiée ou identifiable ni des données à caractère personnel rendues anonymes de telle sorte que la personne concernée n'est pas ou plus identifiable " ;
  Le Gouvernement flamand fixe des conditions pour assurer la transparence et l'exercice des droits des personnes concernées.
  § 2. Les inspecteurs respectent le caractère confidentiel des données dont ils ont pris connaissance dans l'exercice de leur mission de contrôle de la qualité et de l'application de la réglementation de l'enseignement, conformément à l'article 32 et à l'article 38 du présent décret. Ils utilisent ces données uniquement pour l'accomplissement de leur mission et ne les divulguent à aucune autre instance.
  Par dérogation à l'article 57, les inspecteurs chargés de l'inspection des centres d'encadrement des élèves ont connaissance de secrets qui leur sont confiés, au sens de l'article 458 du Code pénal, en ce qui concerne les données à caractère personnel communiquées par les centres d'encadrement des élèves. Les membres du personnel des centres d'encadrement des élèves communiquent les données à caractère personnel à l'inspection de l'enseignement, par dérogation à l'article 11 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 14 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves et l'article 7 du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse.
  Les inspecteurs conservent les données à caractère personnel qu'ils traitent dans l'accomplissement de leur mission pendant une durée n'excédant pas celle nécessaire à l'accomplissement de cette mission et, en tout cas, pendant une durée n'excédant pas celle nécessaire à la rédaction finale du compte-rendu ou du rapport.
  § 3. L'inspection de l'enseignement est le responsable du traitement, tel que visé à l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), pour les données à caractère personnel que traitent les inspecteurs dans l'accomplissement de leur mission.
HOOFDSTUK 16. - Wijzigingen van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010
CHAPITRE 16. - Modifications du Code de l'enseignement secondaire du 17 décembre 2010
Art. 147. In artikel 3 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 14° /2 wordt vervangen door wat volgt:
  "14° /2 gemotiveerd verslag: een handelingsgericht advies voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel, vermeld in artikel 314/8 en 314/9, dat een CLB-medewerker registreert in het multidisciplinair dossier van de leerling;";
  2° er wordt een punt 39° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "39° /1 scholengemeenschapsinstelling: een scholengemeenschapsinstelling is een instelling die geen onderwijsinstelling is en die uitsluitend opgericht kan worden binnen één scholengemeenschap en zich beperkt tot en als enige doel heeft daar personeelsleden, die werken ter ondersteuning van de scholen van de scholengemeenschap aan te stellen, te affecteren, toe te laten tot de proeftijd en vast te benoemen indien ze daarvoor in aanmerking komen.";
  3° er wordt een punt 43° /2 ingevoegd, dat luidt als volgt: "43° /2 thuisloze:
  a) een leerling die beschikt over een jeugdhulpverleningsbeslissing als vermeld in artikel 2, § 1, 28°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, voor een aangepaste woonen leefomgeving onder toezicht en begeleiding, bij een jeugdhulpaanbieder als vermeld in artikel 2, § 1, 27°, van het voormelde decreet, op verwijzing van een van de volgende instanties:
  1) een gemandateerde voorziening als vermeld in artikel 33 en 42 van het voormelde decreet;
  2) een sociale dienst van de jeugdrechtbank met toepassing van artikel 80 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp;
  b) een niet-begeleide minderjarige vreemdeling voor wie de voorwaarden, vermeld in de Programmawet (I) van 24 december 2002, titel XIII, hoofdstuk VI, afdeling 3, artikel 5, vervuld zijn;".
Art. 147. A l'article 3 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, modifié pour la dernière fois par le décret du 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 14/2 est remplacé par ce qui suit :
  " 14° /2 rapport motivé : un avis orienté action d'accompagnement basé sur le modèle de soutien visé aux articles 314/8 et 314/9, qu'un collaborateur CLB enregistre dans le dossier multidisciplinaire de l'élève ; " ;
  2° il est inséré un point 39° /1, libellé comme suit :
  " 39° /1 établissement de centre d'enseignement : un établissement de centre d'enseignement est un établissement qui n'est pas une école et qui ne peut être établi qu'au sein d'un centre d'enseignement et se limite et a pour seul but d'y désigner, de les y affecter, de les admettre à la période d'essai et de les nommer à titre définitif s'ils sont éligibles, des membres du personnel travaillant en soutien aux écoles du centre d'enseignement. " ;
  3° il est inséré un point 43° /2, libellé comme suit : " 43° /2 élève vivant en dehors du milieu familial :
  a) un élève qui dispose d'une décision d'aide à la jeunesse telle que visée à l'article 2, § 1er, 28°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, pour un environnement et un entourage sous surveillance et accompagnement, auprès d'un intervenant jeunesse tel que visé à l'article 2, § 1er, 27°, du décret précité, sur référence de l'une des instances suivantes :
  1) une structure mandatée telle que visée aux articles 33 et 42, du décret précité ;
  2) un service social du tribunal de la jeunesse en application de l'article 80 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;
  b) un mineur étranger non accompagné pour lequel les conditions, telles que visées dans la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, titre XIII, chapitre VI, section 3, article 5, sont remplies ; ".
Art. 148. In artikel 15, § 1, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 27 april 2018, wordt punt 10° opgeheven.
Art. 148. A l'article 15, § 1er, du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 27 avril 2018, le point 10° est abrogé.
Art. 149. In artikel 18, § 1, van dezelfde codex, wordt punt 4° opgeheven.
Art. 149. A l'article 18, § 1er, du même code, le point 4° est abrogé.
Art. 150. In artikel 30, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de zinsnede "- ambten van het bestuurspersoneel en het ondersteunend personeel kunnen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;" vervangen door de zinsnede "- ambten van het bestuurspersoneel en het ondersteunend personeel kunnen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden. In afwijking hiervan kan het ambt van ICT-coördinator per voltijdse of deeltijdse betrekking opgericht worden;";
  2° in paragraaf 1, tweede lid wordt aan de zinsnede "- als een school punten aanwendt voor ambten in het ondersteunend personeel moeten de personeelsleden van deze categorie uit tenminste 50% opvoeders bestaan;" de zin "Voor het bepalen van dit percentage wordt geen rekening gehouden met de personeelsleden aangesteld in het ambt van ICT-coördinator." toegevoegd;
  3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "De scholengemeenschap kan de punten van de voorafname, bedoeld in artikel 29, § 1, als volgt en naar keuze aanwenden:" vervangen door de zinsnede "Als de scholengemeenschap, conform artikel 63/1, geen scholengemeenschapsinstelling heeft opgericht, kan ze de punten van de voorafname, bedoeld in artikel 29, § 1, als volgt en naar keuze aanwenden:";
  4° in paragraaf 2, tweede lid, wordt aan punt 1° een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
  "In afwijking hiervan kan het ambt van ICT-coördinator per voltijdse of deeltijdse betrekking opgericht worden;";
  5° een paragraaf 2bis wordt ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2bis. Als de scholengemeenschap, conform artikel 63/1, één scholengemeenschapsinstelling heeft opgericht, kan ze de punten van de voorafname, bedoeld in artikel 29, § 1, als volgt aanwenden:
  - voor de oprichting van betrekkingen in de scholengemeenschapsinstelling in ambten van het bestuurspersoneel, het ondersteunend personeel, en in het kader van taaken functiedifferentiatie in wervingsambten van het onderwijzend, het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel;
  - voor het schoolof klasvrij maken van een personeelslid;
  - voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.
  Bij aanwending van de punten van de voorafname in de scholengemeenschapsinstelling moet de scholengemeenschap rekening houden met volgende principes:
  1° in eerste instantie moeten de punten steeds worden aangewend voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in ambten, bedoeld in het eerste lid;
  2° als de scholengemeenschap na toepassing van punt 1° nog punten ter beschikking heeft, kan ze deze als volgt en naar keuze aanwenden:
  - voor de oprichting van betrekkingen in ambten bedoeld in het eerste lid;
  - voor het klasvrij maken van een personeelslid;
  - voor de toekenning van een hogere salarisschaal in een ambt van het ondersteunend personeel in toepassing van artikel 55 van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 44 van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
  - voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend;
  3° ambten van het bestuurspersoneel en het ondersteunend personeel kunnen enkel per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden, behoudens het ambt van ICT-coördinator dat ook als deeltijdse betrekking kan worden opgericht;
  4° als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de scholengemeenschap de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.
  De betrekkingen die in de scholengemeenschapsinstelling of scholengemeenschapsinstellingen, al naar gelang het geval, worden ingericht in de punten van de voorafname komen in totaal tot een maximum van 10% van de globale puntenenveloppe in aanmerking voor vacantverklaring, toelating tot de proeftijd, vaste benoeming of mutatie. Als de scholengemeenschap voor haar voorafname meer dan 10% van de globale puntenenveloppe overschrijdt, als vermeld in artikel 29, § 1, dan komen de betrekkingen die in de scholengemeenschapsinstelling of scholengemeenschapsinstellingen, al naar gelang het geval, worden ingericht boven deze 10% niet in aanmerking voor vacantverklaring, toelating tot de proeftijd, vaste benoeming of mutatie. Er kan maximaal vacant verklaard worden in deze punten tot het percentage dat op 1 september 2020 vooraf genomen werd. Dit percentage kan verhoogd worden na akkoord binnen het bevoegd lokaal comité, zonder dat het percentage van 10% overschreden kan worden.".
Art. 150. A l'article 30 du même code, modifié par le décret du 17 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, deuxième alinéa, le membre de phrase " - les fonctions du personnel directeur et du personnel d'appui peuvent être créées par emploi à mi-temps ou à temps plein ; est remplacé par le membre de phrase " - les fonctions du personnel directeur et du personnel d'appui peuvent être créées par emploi à mi-temps ou à temps plein. Par dérogation à ceci, la fonction de coordinateur TIC peut être créée par emploi à temps plein ou à temps partiel ; " ;
  2° au paragraphe 1er, alinéa deux, il est ajouté au membre de phrase " - lorsqu'une école utilise des points pour des fonctions dans la catégorie du personnel d'appui, les membres du personnel de cette catégorie se composent pour 50 % au moins d'éducateurs ; " la phrase " Pour déterminer ce pourcentage, les membres du personnel désignés à la fonction de coordinateur TIC ne sont pas pris en compte. "
  3° au paragraphe 2, alinéa 1er, le membre de phrase " Le centre d'enseignement peut utiliser les points du prélèvement, visé à l'article 29, § 1er, comme suit et au choix : " est remplacé par le membre de phrase " Si le centre d'enseignement, conformément à l'article 63/1, n'a pas créé d'établissement de centre d'enseignement, il peut utiliser les points du prélèvement, visé à l'article 29, § 1er, comme suit et au choix : " ;
  4° au paragraphe 2, alinéa deux, il est ajouté au point 1° une phrase libellée comme suit :
  " Par dérogation à cela, la fonction de coordinateur TIC peut être créée par emploi à temps plein ou à temps partiel ; " ;
  5° il est ajouté un paragraphe 2bis, libellé comme suit :
  " § 2bis. Si le centre d'enseignement, conformément à l'article 63/1, a créé un établissement de centre d'enseignement, il peut utiliser les points du prélèvement, visé à l'article 29, § 1er, comme suit
  - pour créer des emplois dans l'établissement de centre d'enseignement dans des fonctions de personnel directeur, de personnel d'appui, et dans le cadre de la différenciation des tâches et des fonctions dans des fonctions de recrutement du personnel enseignant, paramédical, médical, social, orthopédagogique et psychologique ;
  - pour décharger un membre du personnel de l'école ou de cours ;
  - pour accroître temporairement la valeur du point d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui, dont le titulaire est en interruption de service, afin qu'il soit possible d'attribuer une échelle de traitement supérieure au remplaçant.
  Le centre d'enseignement doit tenir compte des principes suivants lors de l'utilisation des points du prélèvement dans l'établissement de centre d'enseignement :
  1° en premier lieu, les points doivent toujours être utilisés pour maintenir les emplois de membres du personnel nommés à titre définitif dans des fonctions visées à l'alinéa 1er ;
  2° si après l'application du point 1°, le centre d'enseignement dispose encore de points, il peut les utiliser comme suit et au choix :
  - pour créer des emplois dans des fonctions visées à l'alinéa 1er ;
  - pour décharger un membre du personnel de cours ;
  - pour octroyer une échelle de traitement supérieure dans une fonction de personnel de soutien en application de l'article 55 du décret sur le statut du personnel de l'enseignement communautaire ou de l'article 44 du décret sur le statut du personnel de l'enseignement subventionné ;
  - pour accroître temporairement la valeur du point d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui, dont le titulaire est en interruption de service, afin qu'il soit possible d'attribuer une échelle de traitement supérieure au remplaçant ;
  3° les fonctions du personnel directeur et du personnel d'appui ne peuvent être créées que par emploi à mi-temps ou temps plein, sauf la fonction de coordinateur TIC qui peut également être créée comme fonction à temps partiel ;
  4° Si le titulaire d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui n'est pas remplacé ou est partiellement remplacé pendant une interruption de service, le centre d'enseignement peut utiliser la valeur en points de la charge non remplie du titulaire pour attribuer une échelle de traitement plus élevée au remplaçant dans un emploi dans une fonction de personnel d'appui.
  Les emplois créés dans les points du prélèvement dans le ou les établissements de centre d'enseignement, selon le cas, peuvent faire l'objet d'une déclaration de vacance, d'une admission à la période d'essai, d'une nomination à titre définitif ou d'une mutation dans la limite de 10 % de l'enveloppe globale de points. Si pour son prélèvement, le centre d'enseignement dépasse de plus de 10 % l'enveloppe de points globale visée à l'article 29, § 1er, les emplois qui sont organisés dans le ou les établissements de centre d'enseignement, selon le cas, au-delà de ces 10 % ne peuvent faire l'objet d'une déclaration de vacance, d'une admission à la période d'essai, d'une nomination à titre définitif ou d'une mutation. La déclaration de vacance dans ces points peut atteindre au maximum le pourcentage prélevé au 1er septembre 2020. Ce pourcentage peut être augmenté après accord au sein du comité local compétent, sans que le pourcentage de 10 % ne puisse être dépassé. ".
Art. 151. In artikel 31, § 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid, wordt de zinsnede "- ambten van het bestuurspersoneel en het ondersteunend personeel kunnen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;" vervangen door de zinsnede "- ambten van het bestuurspersoneel en het ondersteunend personeel kunnen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden. In afwijking hiervan kan het ambt van ICT-coördinator per voltijdse of deeltijdse betrekking opgericht worden;";
  2° in het tweede lid wordt aan de zinsnede "- als een school punten aanwendt voor ambten in het ondersteunend personeel moeten de personeelsleden van deze categorie uit tenminste 50% opvoeders bestaan;" de zin "Voor het bepalen van dit percentage wordt geen rekening gehouden met de personeelsleden aangesteld in het ambt van ICT-coördinator." toegevoegd.
Art. 151. A l'article 31, § 1er, du même code, modifié par le décret du 17 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa deux, le membre de phrase " - les fonctions du personnel directeur et du personnel d'appui peuvent être créées par emploi à mi-temps ou à temps plein ; est remplacé par le membre de phrase " - les fonctions du personnel directeur et du personnel d'appui peuvent être créées par emploi à mi-temps ou à temps plein. Par dérogation à ceci, la fonction de coordinateur TIC peut être créée par emploi à temps plein ou à temps partiel ; " ;
  2° à l'alinéa deux, il est ajouté au membre de phrase " - lorsqu'une école utilise des points pour des fonctions dans la catégorie du personnel d'appui, les membres du personnel de cette catégorie se composent pour 50 % au moins d'éducateurs ; " la phrase " Pour déterminer ce pourcentage, les membres du personnel désignés à la fonction de coordinateur TIC ne sont pas pris en compte. ".
Art. 152. In artikel 41 van dezelfde codex wordt tussen het eerste lid en het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het werkingsbudget op basis van de leerlingenkenmerken, zoals vermeld in artikel 242, kan enkel worden aangewend in het kader van een gelijke onderwijskansenbeleid.".
Art. 152. A l'article 41 du même code, il est inséré, entre l'alinéa premier et l'alinéa deux, un nouvel alinéa libellé comme suit :
  " Le budget de fonctionnement basé sur les caractéristiques des élèves, tel que mentionné à l'article 242, ne peut être utilisé que dans le cadre d'une politique d'égalité des chances dans l'enseignement. ".
Art. 153. In artikel 43, § 1, eerste lid, van dezelfde codex wordt de zinsnede "artikel 17, § 4, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen" vervangen door de woorden "de wettelijke verplichtingen voor verenigingen zonder winstoogmerk".
Art. 153. A l'article 43, § 1er, alinéa 1er, du même code, le membre de phrase " à l'article 17, § 4, de la loi du 27 juin 1921 relative aux associations sans but lucratif, aux associations internationales sans but lucratif et aux fondations " est remplacé par les mots " aux obligations légales des associations sans but lucratif ".
Art. 154. In dezelfde codex wordt een artikel 63/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 63/1. In een scholengemeenschap kunnen de betrokken schoolbesturen beslissen om één scholengemeenschapsinstelling op te richten.
  Voor zover de samenstelling van de scholengemeenschap niet wijzigt kan deze scholengemeenschapsinstelling niet opgeheven worden.
  Een voorwaarde voor de oprichting van deze scholengemeenschapsinstelling of in het geval van het vijfde lid de scholengemeenschapsinstellingen, is dat elk schoolbestuur uit de scholengemeenschap, voor wat betreft de betrokken scholengemeenschap, mede oprichter is van een scholengemeenschapsinstelling conform het derde, vierde of vijfde lid.
  Als de scholen van de scholengemeenschap tot hetzelfde schoolbestuur behoren dan is dit schoolbestuur verantwoordelijk voor de scholengemeenschapsinstelling.
  Als de scholen van de scholengemeenschap tot verschillende schoolbesturen behoren, wordt een rechtspersoon opgericht die verantwoordelijk is voor de scholengemeenschapsinstelling, vermeld in het eerste lid. Deze nieuwe rechtspersoon beperkt zich tot en heeft uitsluitend als doel om ten aanzien van de personeelsleden aangesteld of geaffecteerd aan de scholengemeenschapsinstelling de bevoegdheden uit te oefenen die zijn vastgelegd in het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs hetzij het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.
  In afwijking van het eerste en het vierde lid wordt er, als de scholen van de scholengemeenschap behoren tot schoolbesturen van verschillende onderwijsnetten en er door de betrokken schoolbesturen gekozen wordt voor de oprichting van scholengemeenschapsinstellingen, één scholengemeenschapsinstelling opgericht per onderwijsnet. De scholengemeenschapsinstelling behoort tot het betrokken onderwijsnet. Als de scholen, van het betrokken onderwijsnet in de scholengemeenschap tot hetzelfde schoolbestuur behoren dan is dit schoolbestuur verantwoordelijk voor de scholengemeenschapsinstelling. Als de scholen van het betrokken onderwijsnet in de scholengemeenschap tot verschillende schoolbesturen behoren, wordt voor die scholengemeenschap door alle betrokken schoolbesturen in de scholengemeenschap van dat onderwijsnet, een rechtspersoon opgericht die verantwoordelijk is voor de betrokken scholengemeenschapsinstelling. Deze nieuwe rechtspersoon beperkt zich tot en heeft uitsluitend als doel om ten aanzien van de personeelsleden aangesteld of geaffecteerd aan de scholengemeenschapsinstelling de bevoegdheden uit te oefenen die zijn vastgelegd in het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs hetzij het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.
  In scholengemeenschappen die conform dit artikel een scholengemeenschapsinstelling hebben opgericht maken de betrokken directies van de scholengemeenschap, binnen de geldende regelgeving, afspraken over de werking van deze scholengemeenschapsinstelling of -instellingen.".
Art. 154. Dans le même décret, il est inséré un article 63/1, libellé comme suit :
  " Art. 63/1. Dans un centre d'enseignement, les autorités scolaires concernées peuvent décider de créer un seul établissement de centre d'enseignement.
  Tant que la composition du centre d'enseignement ne change pas, cet établissement de centre d'enseignement ne peut être supprimé.
  La création de cet établissement de centre d'enseignement ou, dans le cas de l'alinéa cinq, des établissements de centre d'enseignement, est subordonnée au fait que l'autorité scolaire du centre d'enseignement, en ce qui concerne le centre d'enseignement concerné, soit cofondatrice d'un établissement de centre d'enseignement conformément à l'alinéa trois, quatre ou cinq.
  Si les écoles du centre d'enseignement appartiennent à la même autorité scolaire, celle-ci est responsable de l'établissement de centre d'enseignement.
  Si les écoles du centre d'enseignement appartiennent à des autorités scolaires différentes, il est créé une personne morale responsable de cet établissement de centre d'enseignement, tel que visé à l'alinéa 1er. Cette nouvelle personne morale se limite à et a pour seul objet d'exercer, à l'égard des membres du personnel désignés dans l'établissement de centre d'enseignement ou qui y sont affectés, les pouvoirs prévus par le décret sur le statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou le décret sur le statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
  Par dérogation aux alinéas premier et quatre, si les écoles du centre d'enseignement appartiennent à des autorités scolaires de différents réseaux d'enseignement et que les autorités scolaires concernées optent pour la création d'établissements de centre d'enseignement, un seul établissement de centre d'enseignement est créé par réseau d'enseignement. L'établissement de centre d'enseignement appartient au réseau d'enseignement concerné. Si les écoles du réseau d'enseignement concerné du centre d'enseignement appartiennent à la même autorité scolaire, celle-ci est responsable de l'établissement du centre d'enseignement. Si les écoles du réseau d'enseignement concerné du centre d'enseignement appartiennent à différentes autorités scolaires, une personne morale, responsable de l'établissement de centre d'enseignement concerné, est créée par toutes les autorités scolaires concernées dans le centre d'enseignement de ce réseau d'enseignement. Cette nouvelle personne morale se limite à et a pour seul objet d'exercer, à l'égard des membres du personnel désignés dans l'établissement de centre d'enseignement ou qui y sont affectés, les pouvoirs prévus par le décret sur le statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou le décret sur le statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
  Dans les centres d'enseignement qui ont créé un établissement de centre d'enseignement conformément au présent article, les directions concernées du centre d'enseignement conviennent du fonctionnement de ce ou ces établissements de centre d'enseignement conformément à la réglementation applicable. ".
Art. 155. Aan artikel 71 van dezelfde codex wordt de volgende zinsnede toegevoegd: ", in voorkomend geval aangevuld met een scholengemeenschapsinstelling, zoals vermeld in artikel 63/1".
Art. 155. A l'article 71 du même code, le membre de phrase suivant est ajouté : " , le cas échéant complétées par un établissement de centre d'enseignement, tel que visé à l'article 63/1 ".
Art. 156. In artikel 76, § 2, tweede lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
  "4° inlichtingen over het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap:
  - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling of dat geen beoordeling heeft gekregen;
  - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur nog niet verwerft wegens een beoordeling met werkpunten, met binnen die groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen;
  - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur niet verwerft wegens een negatieve beoordeling.".
Art. 156. A l'article 76, § 2, alinéa deux, du même code, modifié par le décret du 15 mars 2019, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° informations sur le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui, dans les écoles du centre d'enseignement :
  - ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue sur la base d'une évaluation positive ou qui n'ont pas été évalués ;
  - n'acquièrent pas encore le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue en raison d'une évaluation avec des points d'amélioration, avec dans ce dernier groupe une distinction entre les membres du personnel qui obtiennent par la suite une nouvelle désignation et les membres du personnel qui n'obtiennent pas par la suite une nouvelle désignation ;
  - n'acquièrent pas le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue en raison d'une évaluation négative. ".
Art. 157. Aan artikel 83 van dezelfde codex wordt de volgende zinsnede toegevoegd: ", eventueel aangevuld met een scholengemeenschapsinstelling, zoals vermeld in artikel 63/1".
Art. 157. A l'article 83 du même code, le membre de phrase suivant est ajouté : " , éventuellement complétées par un établissement de centre d'enseignement, tel que visé à l'article 63/1 ".
Art. 158. In artikel 88, § 2, tweede lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
  "4° inlichtingen over het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap:
  - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling of dat geen beoordeling heeft gekregen;
  - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur nog niet verwerft wegens een beoordeling met werkpunten, met binnen die groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen;
  - het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur niet verwerft wegens een negatieve beoordeling.".
Art. 158. A l'article 88, § 2, alinéa deux, du même code, modifié par le décret du 15 mars 2019, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° informations sur le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui, dans les écoles du centre d'enseignement :
  - ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue sur la base d'une évaluation positive ou qui n'ont pas été évalués ;
  - n'acquièrent pas encore le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue en raison d'une évaluation avec des points d'amélioration, avec dans ce dernier groupe une distinction entre les membres du personnel qui obtiennent par la suite une nouvelle désignation et les membres du personnel qui n'obtiennent pas par la suite une nouvelle désignation ;
  - n'acquièrent pas le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue en raison d'une évaluation négative. ".
Art. 159. In artikel 112, eerste lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 april 2019, wordt punt 15° vervangen door wat volgt:
  "15° de mededeling dat de school bij schoolverandering verplicht is het bestaan van een handelingsgericht advies voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel of een kopie van het eventuele verslag, vermeld in artikel 294, § 2 tot en met § 10, bekend te maken of over te dragen aan de nieuwe school;".
Art. 159. A l'article 112, alinéa 1er, du même code, inséré par le décret du 4 avril 2014 et modifié en dernier lieu par le décret du 5 avril 2019, le point 15° est remplacé par ce qui suit :
  " 15° la communication que l'école, en cas de changement d'école, est obligée de mentionner l'existence d'un conseil orienté action d'accompagnement basé sur le modèle de soutien ou d'une copie du rapport éventuel, visés à l'article 294, § 2 à 10, ou de les présenter à la nouvelle école ; ".
Art. 160. Artikel 115/5 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 17 juni 2016, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 115/5. Een beslissing van de delibererende klassenraad waartegen de betrokken personen geen beroep of een niet ontvankelijk beroep hebben ingesteld, kan door het schoolbestuur omstreden worden geacht. In dat geval kan het schoolbestuur de klassenraad opnieuw doen samenkomen om de omstreden beslissing te heroverwegen. Het opnieuw samenkomen dient te gebeuren uiterlijk op 31 augustus van het schooljaar in kwestie. In afwijking hiervan is dat uiterlijk 15 februari van het schooljaar in kwestie als de omstreden beslissing betrekking heeft op een Se-n-Se die eindigt op 31 januari. In het geval de dan genomen beslissing afwijkt van de door het schoolbestuur omstreden beslissing, wordt ze schriftelijk en gemotiveerd onmiddellijk aan de betrokken personen meegedeeld. Als die afwijkende beslissing door de betrokken personen omstreden is, kunnen ze beroep instellen, waarbij de bepalingen van artikel 123/15 tot en met 123/18 van toepassing zijn.".
Art. 160. L'article 115/5 du même code, remplacé par le décret du 17 juin 2016, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 115/5. Une décision du conseil de classe délibérant contre laquelle les personnes concernées n'ont introduit de recours ou un recours irrecevable peut être considérée comme controversée par l'autorité scolaire. Dans ce cas, l'autorité de l'école peut demander au conseil de classe de se réunir à nouveau pour réexaminer la décision contestée. La nouvelle réunion doit avoir lieu au plus tard le 31 août de l'année scolaire en question. Par dérogation, c'est au plus tard le 15 février de l'année scolaire en question si la décision contestée concerne une Se-n-Se se terminant le 31 janvier. Si la décision prise alors diffère de la décision contestée par l'autorité scolaire, elle est immédiatement communiquée par écrit et de manière motivée aux personnes concernées. Si cette décision divergente est contestée par les personnes concernées, celles-ci peuvent former un recours, auquel cas les dispositions des articles 123/15 à 123/18 sont applicables. ".
Art. 161. In artikel 123/6, eerste lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014, vernummerd bij het decreet van 17 juni 2016, en gewijzigd bij de decreten van 17 juni 2016 en 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 4° wordt vervangen door wat volgt;
  "4° een kopie van het verslag wordt door de oude school overgedragen aan de nieuwe school of de oude school brengt de nieuwe school op de hoogte van het bestaan van een handelingsgericht advies van het CLB voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel. Het CLB dat verbonden is aan de oude school draagt een verslag over aan het CLB dat verbonden is met de nieuwe school of het CLB dat verbonden is aan de oude school brengt het CLB dat verbonden is met de nieuwe school op de hoogte van het handelingsgericht advies. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen die overdrachten niet verzetten;";
  2° punt 6° wordt vervangen door wat volgt:
  "6° het centrumbestuur van het CLB dat het verslag of het handelingsgericht advies voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel, vermeld in punt 4°, heeft opgesteld, is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen door of ter voorbereiding van het verslag of handelingsgericht advies voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel. Het centrumbestuur van het overnemende CLB is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen na de ontvangst van het verslag of handelingsgericht advies voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel.".
Art. 161. A l'article 123/6, alinéa 1er, du même code, inséré par le décret du 4 avril 2014, renuméroté par le décret du 17 juin 2016 et modifié par les décrets des 17 juin 2016 et 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° une copie du rapport est remise par l'ancienne école à la nouvelle école ou l'ancienne école informe la nouvelle école de l'existence d'un avis orienté action du CLB pour accompagnement basé sur le modèle de soutien. Le CLB rattaché à l'ancienne école remet un rapport au CLB rattaché à la nouvelle école ou le CLB rattaché à l'ancienne école informe le CLB rattaché à la nouvelle école du conseil orienté action. Dans l'intérêt de l'accompagnement optimal de l'élève concerné et de l'organisation de l'école, les parents ne peuvent s'opposer à ces transferts ; " ;
  2° le point 6° est remplacé par ce qui suit :
  " 6° l'autorité du centre du CLB qui a rédigé le rapport ou le conseil orienté action d'accompagnement basé sur le modèle de soutien, tel que visé au point 4°, est responsable du traitement effectué par ou en préparation du rapport ou du conseil orienté action d'accompagnement basé sur le modèle de soutien. L'autorité du centre du CLB qui prend le relais est responsable du traitement après réception du rapport ou du conseil orienté action d'accompagnement basé sur le modèle de soutien. " .
Art. 162. In artikel 123/13 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014, vernummerd bij het decreet van 17 juni 2016 en gewijzigd bij de decreten van 10 juni 2016 en 30 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "bepaalt het schoolof centrumbestuur de samenstelling" vervangen door de woorden "bepaalt het schoolof centrumbestuur of zijn afgevaardigde de samenstelling";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, 3°, worden de woorden "door het schoolof centrumbestuur onder de externe personen" vervangen door de woorden "door het schoolof centrumbestuur of zijn afgevaardigde onder de externe personen";
  3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "bepaalt het centrumbestuur de samenstelling" vervangen door de woorden "bepaalt het centrumbestuur of zijn afgevaardigde de samenstelling";
  4° in paragraaf 3, eerste lid, 3°, worden de woorden "door het centrumbestuur onder de externe personen" vervangen door de woorden "door het centrumbestuur of zijn afgevaardigde onder de externe personen".
Art. 162. A l'article 123/13 du même code, inséré par le décret du 4 avril 2014, renuméroté par le décret du 17 juin 2016 et modifié par les décrets des 10 juin 2016 et 30 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " l'autorité scolaire ou la direction du centre détermine la composition " est remplacé par les mots " l'autorité scolaire, la direction du centre ou son délégué détermine la composition " ;
  2° au paragraphe 2, alinéa 1er, 3°, les mots " est désigné par l'autorité scolaire ou la direction du centre parmi les personnes externes " sont remplacés par les mots " est désigné par l'autorité scolaire, la direction du centre ou son délégué parmi les personnes externes " ;
  3° au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " l'autorité du centre fixe la composition " sont remplacés par " l'autorité du centre ou son délégué fixe la composition " ;
  4° au paragraphe 3, troisième alinéa, 3°, les mots " par l'autorité du centre parmi les membres externes " sont remplacés par les mots " par l'autorité du centre ou son délégué parmi les membres externes ".
Art. 163. In artikel 123/17 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014, vernummerd bij het decreet van 17 juni 2016, en gewijzigd bij de decreten van 10 juni 2016 en 30 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "bepaalt het schoolof centrumbestuur de samenstelling" vervangen door de woorden "bepaalt het schoolof centrumbestuur of zijn afgevaardigde de samenstelling";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, 3°, worden de woorden "door het schoolof centrumbestuur onder de externe personen" vervangen door de woorden "door het schoolof centrumbestuur of zijn afgevaardigde onder de externe personen";
  3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "bepaalt het centrumbestuur de samenstelling" vervangen door de woorden "bepaalt het centrumbestuur of zijn afgevaardigde de samenstelling";
  4° in paragraaf 3, eerste lid, 3°, worden de woorden "door het centrumbestuur onder de externe personen" vervangen door de woorden "door het centrumbestuur of zijn afgevaardigde onder de externe personen".
Art. 163. A l'article 123/17 du même code, inséré par le décret du 4 avril 2014, renuméroté par le décret du 17 juin 2016 et modifié par les décrets des 10 juin 2016 et 30 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " l'autorité scolaire ou la direction du centre détermine la composition " est remplacé par les mots " l'autorité scolaire, la direction du centre ou son délégué fixe la composition " ;
  2° au paragraphe 2, alinéa 1er, 3°, les mots " est désigné par l'autorité scolaire ou la direction du centre parmi les personnes externes " sont remplacés par les mots " est désigné par l'autorité scolaire, la direction du centre ou son délégué parmi les personnes externes " ;
  3° au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " l'autorité du centre fixe la composition " sont remplacés par " l'autorité du centre ou son délégué fixe la composition " ;
  4° au paragraphe 3, alinéa trois, 3°, les mots " par l'autorité du centre parmi les membres externes " sont remplacés par les mots " par l'autorité du centre ou son délégué parmi les membres externes ".
Art. 164. In artikel 133/4 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 20 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1, achtste lid, wordt aan punt 4° de volgende bepaling toegevoegd:
  ", behoudens bij financiering als die ook voor andere structuuronderdelen dan Se-n-Se op onderwijsvormen is gebaseerd.";
  2° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 1/1. De studierichtingen van de tweede en de derde graad die zijn opgenomen in de matrix, worden geordend volgens disciplines met het oog op de financiering van het voltijds gewoon secundair onderwijs. Een discipline bundelt een groep van inhoudelijk verwante studierichtingen per onderwijsvorm.
  De onderwijsvorm:
  1° "aso": omvat alle domeinoverschrijdende studierichtingen uit de doorstroomfinaliteit;
  2° "tso": omvat alle domeingebonden studierichtingen uit de doorstroomen dubbele finaliteit die niet onder punt 3° vallen;
  3° "kso": omvat alle domeingebonden studierichtingen uit de doorstroomen dubbele finaliteit die niet onder punt 2° vallen;
  4° "bso": omvat alle studierichtingen uit de arbeidsmarktfinaliteit.
  Die disciplines zijn:
  1° Klassiek aso;
  2° Modern aso;
  3° Sport aso;
  4° Architectuur en beeldende kunst kso;
  5° Grafische technieken en media kso;
  6° Modecreatie kso;
  7° Podiumkunsten kso;
  8° Administratie en distributie tso;
  9° Auto en tweewielers tso;
  10° Biotechnologie en chemie tso;
  11° Grafische technieken en media tso;
  12° Horeca tso;
  13° Hout en bouw tso;
  14° Koeling en warmte tso;
  15° Landen tuinbouw tso;
  16° Lichaamsverzorging tso;
  17° Maatschappelijke veiligheid so;
  18° Maritiem tso;
  19° Mechanica-elektriciteit tso;
  20° Modecreatie tso;
  21° Paramedisch tso;
  22° Personenzorg tso;
  23° Sport tso;
  24° Technologie en industrie tso;
  25° Textiel tso;
  26° Toerisme, taal en cultuur tso;
  27° Voeding tso;
  28° Administratie en distributie bso;
  29° Auto en tweewielers bso;
  30° Biotechnologie en chemie bso;
  31° Creatie en ambacht bso;
  32° Grafische technieken en media bso;
  33° Horeca bso;
  34° Hout en bouw bso;
  35° Koeling en warmte bso;
  36° Landen tuinbouw bso;
  37° Lichaamsverzorging bso
  38° Maatschappelijke veiligheid bso;
  39° Maritiem bso;
  40° Mechanica-elektriciteit bso;
  41° Modecreatie bso;
  42° Moderealisatie en textielverzorging bso;
  43° Paramedisch bso;
  44° Personenzorg bso;
  45° Sport bso;
  46° Technologie en industrie bso;
  47° Textiel bso;
  48° Toerisme, taal en cultuur bso;
  49° Voeding bso.
  De Vlaamse Regering rangschikt de studierichtingen, vermeld in het eerste lid, in de disciplines, vermeld in het derde lid.".
Art. 164. A l'article 133/4 du même code, inséré par le décret du 20 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa huit, il est ajouté au point 4° la disposition suivante :
  " , sauf en cas de financement s'il est également basé sur des formes d'enseignement pour d'autres subdivisions structurelles que la Se-n-Se. " ;
  2° il est inséré un paragraphe 1/1, libellé comme suit :
  " § 1er/1. Les orientations d'études des deuxième et troisième degrés qui sont contenues dans la matrice sont classées par disciplines en vue de financer l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein. Une discipline regroupe un ensemble d'orientations d'études apparentées par forme d'enseignement.
  La forme d'enseignement :
  1° enseignement secondaire général (aso) : comprend toutes les orientations d'études transversales à finalité `transition' ;
  2° enseignement secondaire technique (tso) : comprend toutes les orientations d'études à finalité `transition' et double finalité qui ne relèvent pas du point 3° ;
  3° enseignement secondaire artistique (kso) : comprend toutes les orientations d'études à finalité `transition' et double finalité qui ne relèvent pas du point 2° ;
  4° enseignement secondaire professionnel (bso) : comprend toutes les orientations d'études à finalité `insertion sur le marché du travail'.
  Ces disciplines sont :
  1° enseignement secondaire général classique ;
  2° enseignement secondaire général moderne ;
  3° enseignement secondaire général sportif ;
  4° enseignement secondaire artistique `Architecture et arts plastiques' ;
  5° enseignement secondaire artistique `Techniques et médias graphiques' ;
  6° enseignement secondaire artistique `Création de mode' ;
  7° enseignement secondaire artistique `Arts de la scène' ;
  8° enseignement secondaire technique `Administration et de distribution ;
  9° enseignement secondaire technique `Voitures et de deux-roues' ;
  10° enseignement secondaire technique `Biotechnologie et chimie' ;
  11° enseignement secondaire technique `Techniques et médias graphiques' ;
  12° enseignement secondaire technique `Horeca' ;
  13° enseignement secondaire technique `Bois et construction' ;
  14° enseignement secondaire technique `Refroidissement et chaleur' ;
  15° enseignement secondaire technique `Agriculture et horticulture' ;
  16° enseignement secondaire technique `Soins corporels' ;
  17° enseignement secondaire technique `Sécurité sociale' ;
  18° enseignement secondaire technique `Maritime' ;
  19° enseignement secondaire technique `Mécanique-électricité' ;
  20° enseignement secondaire technique `Création de mode' ;
  21° enseignement secondaire technique `Paramédical' ;
  22° enseignement secondaire technique `Soins aux personnes' ;
  23° enseignement secondaire technique `Sport' ;
  24° enseignement secondaire technique `Technologie et industrie' ;
  25° enseignement secondaire technique `Textile' ;
  26° enseignement secondaire technique `Tourisme, langue et culture' ;
  27° enseignement secondaire technique `Alimentation' ;
  28° enseignement secondaire professionnel `Administration et distribution' ;
  29° enseignement secondaire professionnel `Voitures et de deux roues' ;
  30° enseignement secondaire professionnel `Biotechnologie et chimie' ;
  31° enseignement secondaire professionnel `Création et artisanat' ;
  32° enseignement secondaire professionnel `Techniques et médias graphiques' ;
  33° enseignement secondaire professionnel `Horeca' ;
  34° enseignement secondaire professionnel `Bois et construction' ;
  35° enseignement secondaire professionnel `Refroidissement et chaleur' ;
  36° enseignement secondaire professionnel `Agriculture et horticulture' ;
  37° enseignement secondaire professionnel `Soins corporels' ;
  38° enseignement secondaire professionnel `Sécurité sociale' ;
  39° enseignement secondaire professionnel `Maritime' ;
  40° enseignement secondaire professionnel `Mécanique-électricité' ;
  41° enseignement secondaire professionnel `Création de mode' ;
  42° enseignement secondaire professionnel `Réalisation de modèles et entretien du textile' ;
  43° enseignement secondaire professionnel `Paramédical' ;
  44° enseignement secondaire professionnel `Soins aux personnes' ;
  45° enseignement secondaire professionnel `Sport' ;
  46° enseignement secondaire professionnel `Technologie et industrie' ;
  47° enseignement secondaire professionnel `Textile' ;
  48° enseignement secondaire professionnel `Tourisme, langue et culture' ;
  49° enseignement secondaire professionnel `Alimentation'.
  Le Gouvernement flamand classe les orientations d'études visées à l'alinéa 1er dans les disciplines visées au troisième l'alinéa. ".
Art. 165. Aan artikel 146 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 26 januari 2018, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 5. In afwijking van de termijnen, bepaald in paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 3, eerste lid, gelden de volgende termijnen met betrekking tot een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen voor de door het Vlaams Parlement goedgekeurde eindtermen van de tweede graad die een schoolbestuur geacht wordt in het kader van de modernisering van het secundair onderwijs geleidelijk toe te passen vanaf 1 september 2021:
  1° de indiening van de aanvraag voor het schooljaar 2021-2022 gebeurt uiterlijk drie maanden na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de door het Vlaams Parlement goedgekeurde onderwijsdoelen van de tweede graad;
  2° de Vlaamse Regering beslist uiterlijk vier maanden na indiening van de aanvraag.
  Tijdens het schooljaar 2021-2022 wordt gedoogd dat de aanvrager nog met de oude eindtermen of, in voorkomend geval, de oude vervangende eindtermen werkt.".
Art. 165. A l'article 146 du même code, remplacé par le décret du 26 janvier 2018, il est ajouté un paragraphe 5, libellé comme suit :
  " § 5. Par dérogation aux délais visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, et au paragraphe 3, alinéa 1er, les délais suivants s'appliquent à demande d'équivalence d'objectifs finaux de remplacement pour les objectifs finaux du deuxième degré approuvés par le Parlement flamand, qu'une autorité scolaire est censée appliquer progressivement à partir du 1er septembre 2021 dans le cadre de la modernisation de l'enseignement secondaire :
  1° l'introduction de la demande pour l'année scolaire 2021-2022 a lieu au plus tard trois mois après la publication au Moniteur belge des objectifs éducatifs du deuxième degré tels qu'approuvés par le Parlement flamand ;
  2° le Gouvernement flamand prend sa décision au plus tard quatre mois après l'introduction de la demande.
  Pendant l'année scolaire 2021-2022, il est toléré que le demandeur travaille encore avec les anciens objectifs de finaux ou, le cas échéant, les anciens objectifs finaux de remplacement. ".
Art. 166. In artikel 147/3 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 26 januari 2018, wordt aan paragraaf 2 een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van paragraaf 1, derde lid, mag in het schooljaar 2022-2023 een schoolbestuur leerplannen toepassen die, in voorkomend geval, aansluiten bij de door het Vlaams Parlement goedgekeurde vervangende eindtermen van de tweede graad, vermeld in artikel 146, § 5, zonder dat die leerplannen door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd.".
Art. 166. A l'article 147/3 du même code, inséré par le décret du 26 janvier 2018, il est ajouté au paragraphe 2 un alinéa deux, libellé comme suit :
  " Par dérogation au paragraphe 1er, troisième alinéa, une autorité scolaire peut, au cours de l'année scolaire 2022-2023, appliquer des programmes d'études qui, le cas échéant, correspondent aux objectifs finaux de remplacement du deuxième degré visés à l'article 146, § 5, tels qu'approuvés par le Parlement flamand, sans que ces programmes d'études aient été approuvés par le Gouvernement flamand. ".
Art. 167. In artikel 209, § 2, van dezelfde codex wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Bij de progressieve uitrol van de modernisering van het secundair onderwijs wordt de berekeningswijze van het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan een school kan worden toegekend die op 1 september 2021 van kracht is, maximaal behouden, met dien verstande dat:
  1° de coëfficiënt uren-leraar per regelmatige leerling in een structuuronderdeel vóór de modernisering waar mogelijk wordt doorgetrokken naar het, door de concordantie, overeenkomstige structuuronderdeel vanaf de modernisering;
  2° specifieke uren-leraar, al dan niet per regelmatige leerling of groep van regelmatige leerlingen, in een structuuronderdeel of groep van structuuronderdelen vóór de modernisering worden doorgetrokken naar de, door de concordantie, overeenkomstige structuuronderdelen vanaf de modernisering;
  3° als uren-leraar aan disciplines zijn gekoppeld, artikel 133/4, § 1/1, van toepassing is.".
Art. 167. A l'article 209, § 2, du même code, il est inséré entre les alinéas premier et deux, un alinéa libellé comme suit :
  " Dans le cadre du déploiement progressif de la modernisation de l'enseignement secondaire, le mode de calcul du nombre de périodes-professeur pouvant être attribuées à une école en vigueur au 1er septembre 2021 est conservé dans toute la mesure du possible, étant entendu que :
  1° le coefficient périodes-professeur par élève régulier dans une subdivision structurelle avant la modernisation est étendu, si possible, à la subdivision structurelle correspondante par la concordance à partir de la modernisation ;
  2° les périodes-professeur spécifiques, par élève régulier ou groupe d'élèves réguliers ou non, dans une subdivision structurelle ou un groupe de subdivisions structurelles avant la modernisation sont étendues aux subdivisions structurelles correspondantes par la concordance à partir de la modernisation ;
  3° si des périodes-professeur sont liées à des disciplines, l'article 133/4, § 1er/1, est d'application. ".
Art. 168. In artikel 221, § 1, van dezelfde codex wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "Aan elke school voor voltijds secundair onderwijs met ten minste vijfentwintig regelmatige leerlingen op de toepasbare teldatum in structuuronderdelen met in de benaming "topsport" die onder toepassing valt van het gesloten topsportconvenant, wordt een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking van topsportschoolcoordinator toegekend. Die betrekking wordt niet meer toegekend als de norm twee aansluitende schooljaren niet wordt bereikt.".
Art. 168. A l'article 221, § 1er, du même code, l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
  " Un emploi financé ou subventionné de coordinateur scolaire de sport de haut niveau est octroyé à chaque école de l'enseignement secondaire à temps plein comptant au moins vingt-cinq élèves réguliers à la date de comptage applicable dans les subdivisions structurelles avec la dénomination " sport de haut niveau ", qui relève de la convention conclue en matière de sport de haut niveau. Cet emploi n'est plus octroyé si la norme n'est pas atteinte pendant deux années scolaires consécutives. ".
Art. 169. In artikel 225, § 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 15 juni 2018 en 22 maart 2019, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° de leerling is thuisloze;".
Art. 169. A l'article 225, § 1er, du même code, modifié par les décrets des 15 juin 2018 et 22 mars 2019, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° l'élève vit en dehors du milieu familial ; ".
Art. 170. In artikel 226 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, worden in het eerste lid de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zinsnede "voor een periode van drie schooljaren" wordt vervangen door het woord "jaarlijks";
  2° in punt 1° wordt de zinsnede "het voorafgaand schooljaar" vervangen door de zinsnede "het voorafgaande of daaraan voorafgaande schooljaar".
Art. 170. A l'article 226 du même code, modifié par le décret du 21 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées à l'alinéa 1er :
  1° le membre de phrase " pendant une période de trois années scolaires " est remplacé par le mot " annuellement " ;
  2° au point 1°, le membre de phrase " de l'année scolaire précédente " est remplacé par le membre de phrase " de l'année scolaire précédente ou de celle qui l'a précédée ".
Art. 171. In artikel 227 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "De toekenning van de middelen gebeurt driejaarlijks als volgt" vervangen door de zinsnede "Onverminderd de bepalingen van artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, gebeurt de toekenning van de extra uren-leraar jaarlijks als volgt";
  2° in paragraaf 2 wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 171. A l'article 227 du même code, modifié par le décret du 1er juillet 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " L'octroi des moyens se fait tous les trois ans de la façon suivante " est remplacé par le membre de phrase " Sans préjudice des dispositions de l'article 39, § 7, 2°, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, l'octroi des périodes-professeur supplémentaires se fait annuellement de la façon suivante " ;
  2° l'alinéa deux du paragraphe 2 est abrogé.
Art. 172. Artikel 228 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 228. De extra uren-leraar kunnen enkel worden aangewend om als schoolteam voor elke leerling een passende begeleiding te voorzien met het oog op gelijke onderwijskansen als vermeld in artikel 123/21 en op dat vlak tegemoet te komen aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering. Teneinde hieraan uitvoering te geven, bepaalt de school haar eigen streefdoelen, indicatoren en een tijdspad.".
Art. 172. L'article 228 du même code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 228. Les périodes-professeur supplémentaires ne peuvent être utilisées que pour permettre à l'équipe de l'école d'apporter un encadrement approprié à chaque élève en vue de l'égalité des chances dans l'enseignement visée à l'article 123/21 et de répondre aux attentes de qualité telles que définies dans le cadre de référence pour la qualité de l'enseignement établi par le Gouvernement flamand. Pour ce faire, l'école définit ses propres objectifs, indicateurs et calendrier. ".
Art. 173. Artikel 229 van dezelfde codex wordt opgeheven.
Art. 173. L'article 229 du même code loi est abrogé.
Art. 174. Artikel 230 van dezelfde codex wordt opgeheven.
Art. 174. L'article 230 du même code loi est abrogé.
Art. 175. Artikel 231 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 231. De externe evaluatie op het gelijke onderwijskansenbeleid van de school met inbegrip van de aanwending van de daarvoor toegekende uren-leraar gebeurt in het kader van de schooldoorlichting als bedoeld in artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.".
Art. 175. L'article 231 du même code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 231. L'évaluation externe de la politique d'égalité des chances dans l'enseignement de l'école, y compris l'utilisation des périodes-professeur allouées à cet effet, se fait dans le cadre de l'audit de l'école tel que visé aux articles 36 à 42 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. ".
Art. 176. Artikel 231/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt opgeheven.
Art. 176. L'article 231/1 du même décret, inséré par le décret du 16 juin 2017, est abrogé.
Art. 177. In artikel 233, § 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 15 juni 2018 en 22 maart 2019, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° de leerling is thuisloze;".
Art. 177. A l'article 233, § 1er, du même code, modifié par les décrets des 15 juin 2018 et 22 mars 2019, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° l'élève vit en dehors du milieu familial ; ".
Art. 178. In artikel 234 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, worden in het eerste lid de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zinsnede "voor een periode van drie schooljaren" vervangen door het woord "jaarlijks";
  2° in punt 1° wordt de zinsnede "het voorafgaand schooljaar" vervangen door de zinsnede "het voorafgaande of daaraan voorafgaande schooljaar".
Art. 178. A l'article 234 du même code, modifié par le décret du 21 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées à l'alinéa 1er :
  1° le membre de phrase " pendant une période de trois années scolaires " est remplacé par le mot " annuellement " ;
  2° au point 1°, le membre de phrase " de l'année scolaire précédente " est remplacé par le membre de phrase " de l'année scolaire précédente ou de celle qui l'a précédée ".
Art. 179. In artikel 235 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "De toekenning van de extra uren-leraar/ puntenwaarden gebeurt voor de tweede en derde graad van het gewoon voltijds secundair onderwijs driejaarlijks als volgt" vervangen door de zinsnede "Onverminderd de bepalingen van artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, gebeurt de toekenning van de extra uren-leraar/puntenwaarden jaarlijks als volgt";
  2° in paragraaf 2 wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 179. A l'article 235 du même code, modifié par le décret du 1er juillet 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " Tous les trois ans, l'octroi des périodes-professeur supplémentaires et/ou des valeurs de point s'opère pour les deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein comme suit : " est remplacé par le membre de phrase " Sans préjudice des dispositions de l'article 39, § 7, 2°, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, l'octroi des périodes-professeur supplémentaires et/ou des valeurs de point se fait annuellement de la façon suivante " ;
  2° l'alinéa deux du paragraphe 2 est abrogé.
Art. 180. Artikel 237 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 237. De extra uren-leraar/puntenwaarden kunnen enkel worden aangewend om als schoolteam voor elke leerling een passende begeleiding te voorzien met het oog op gelijke onderwijskansen als vermeld in artikel 123/21 en op dat vlak tegemoet te komen aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering. Teneinde hieraan uitvoering te geven, bepaalt de school haar eigen streefdoelen, indicatoren en een tijdspad.".
Art. 180. L'article 237 du même code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 237. Les périodes-professeur supplémentaires et/ou valeurs de point ne peuvent être utilisées que pour permettre à l'équipe de l'école d'apporter un encadrement approprié à chaque élève en vue de l'égalité des chances dans l'enseignement visée à l'article 123/21 et de répondre aux attentes de qualité telles que définies dans le cadre de référence pour la qualité de l'enseignement établi par le Gouvernement flamand. Pour ce faire, l'école définit ses propres objectifs, indicateurs et calendrier. ".
Art. 181. Artikel 238 van dezelfde codex wordt opgeheven.
Art. 181. L'article 238 du même code loi est abrogé.
Art. 182. Artikel 239 van dezelfde codex wordt opgeheven.
Art. 182. L'article 239 du même code loi est abrogé.
Art. 183. Artikel 240 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 240. De externe evaluatie op het gelijke onderwijskansenbeleid van de school met inbegrip van de aanwending van de daarvoor toegekende uren-leraar/puntenwaarden gebeurt in het kader van de schooldoorlichting als bedoeld in artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.".
Art. 183. L'article 240 du même code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 240. L'évaluation externe de la politique d'égalité des chances dans l'enseignement de l'école, y compris l'utilisation des périodes-professeur / valeurs de point allouées à cet effet, se fait dans le cadre de l'audit de l'école tel que visé aux articles 36 à 42 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. ".
Art. 184. Artikel 241 van dezelfde codex wordt opgeheven.
Art. 184. L'article 241 du même code loi est abrogé.
Art. 185. Artikel 241/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt opgeheven.
Art. 185. L'article 241/1 du même décret, inséré par le décret du 16 juin 2017, est supprimé.
Art. 186. In artikel 242, § 2, tweede lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 15 juni 2018, worden de zinnen "Onder thuislozen worden de leerlingen verstaan die tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen zijn door een gezin of persoon, een voorziening of sociale dienst, vermeld in het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand en in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, met uitzondering van de internaten, gefinancierd of gesubsidieerd door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Onder thuislozen worden ook de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen verstaan als vermeld in artikel 479 van de Programmawet I van 24 december 2002." opgeheven.
Art. 186. A l'article 242, § 2, alinéa deux, du même code, modifié par le décret du 15 juin 2018, les phrases " Par élèves vivant en dehors du milieu familial, il faut entendre les élèves recueillis temporairement ou de façon permanente en dehors de la famille par une famille ou une personne, une structure ou un service social, visé au décret du 7 mars 2008 relatif à l'assistance spéciale à la jeunesse et à la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à l'exception des internats financés ou subventionnés par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation. Par élèves vivant en dehors du milieu familial, on entend également les mineurs étrangers non accompagnés visés à l'article 479 de la loi-programme I du 24 décembre 2002. " sont abrogées.
Art. 187. In artikel 245 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 5 april 2019, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° a) vóór de modernisering van het secundair onderwijs worden de puntengewichten per regelmatige leerling als volgt vastgesteld:
Art. 187. A l'article 245 du même code, modifié par le décret du 5 avril 2019, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° a) avant la modernisation de l'enseignement secondaire, les coefficients de pondération par élève régulier sont déterminés comme suit :
eerste graad 16
tweede en derde graad algemeen secundair onderwijs (inclusief de aso-studierichtingen die tot het studiegebied Sport behoren) 16
tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de studiegebieden Decoratieve technieken, Fotografie, Handel, Mode, Lichaamsverzorging, Personenzorg, Sport, Toerisme, Voeding 18
tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de studiegebieden Auto, Bouw, Chemie, Glastechnieken, Grafische communicatie en media, Hout, Juwelen, Koeling en warmte, Landen tuinbouw, Maritieme opleidingen, Maatschappelijke veiligheid, Mechanica-elektriciteit, Muziekinstrumentenbouw, Optiek, Orthopedische technieken, Tandtechnieken, Textiel 22
tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de studiegebieden Ballet, Podiumkunsten 20
tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: het studiegebied Beeldende kunsten 18
hoger beroepsonderwijs verpleegkunde 20
deeltijds beroepssecundair onderwijs 10
eerste graad 16 tweede en derde graad algemeen secundair onderwijs (inclusief de aso-studierichtingen die tot het studiegebied Sport behoren) 16 tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de studiegebieden Decoratieve technieken, Fotografie, Handel, Mode, Lichaamsverzorging, Personenzorg, Sport, Toerisme, Voeding 18 tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de studiegebieden Auto, Bouw, Chemie, Glastechnieken, Grafische communicatie en media, Hout, Juwelen, Koeling en warmte, Landen tuinbouw, Maritieme opleidingen, Maatschappelijke veiligheid, Mechanica-elektriciteit, Muziekinstrumentenbouw, Optiek, Orthopedische technieken, Tandtechnieken, Textiel 22 tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de studiegebieden Ballet, Podiumkunsten 20 tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: het studiegebied Beeldende kunsten 18 hoger beroepsonderwijs verpleegkunde 20 deeltijds beroepssecundair onderwijs 10
b) vanaf de modernisering van het secundair onderwijs worden de puntengewichten per regelmatige leerling als volgt vastgesteld:
premier degré 16
deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire général (y compris les orientations d'études enseignement secondaire général qui relèvent de la discipline `Sport') 16
deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel : les disciplines Techniques décoratives, Photographie, Commerce, Mode, Soins corporels, soins aux personnes, Sport, Tourisme, Alimentation 18
deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel : les disciplines Voiture, Construction, Chimie, Techniques du verre, Communication et médias graphiques, Bois, Bijouterie, Refroidissement et chaleur, Agriculture et horticulture, Formations maritimes, Sécurité civile, Mécanique-électricité, Facture instrumentale, Optique, Techniques orthopédiques, Techniques dentaires, Textile 22
deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : les disciplines Ballet, Arts de la scène 20
deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : la discipline Arts plastiques 18
enseignement supérieur professionnel Art. infirmier 20
enseignement secondaire professionnel à temps partiel 10
premier degré 16 deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire général (y compris les orientations d'études enseignement secondaire général qui relèvent de la discipline `Sport') 16 deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel : les disciplines Techniques décoratives, Photographie, Commerce, Mode, Soins corporels, soins aux personnes, Sport, Tourisme, Alimentation 18 deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel : les disciplines Voiture, Construction, Chimie, Techniques du verre, Communication et médias graphiques, Bois, Bijouterie, Refroidissement et chaleur, Agriculture et horticulture, Formations maritimes, Sécurité civile, Mécanique-électricité, Facture instrumentale, Optique, Techniques orthopédiques, Techniques dentaires, Textile 22 deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : les disciplines Ballet, Arts de la scène 20 deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : la discipline Arts plastiques 18 enseignement supérieur professionnel Art. infirmier 20 enseignement secondaire professionnel à temps partiel 10
b) à partir de la modernisation de l'enseignement secondaire, les coefficients de pondération par élève régulier sont déterminés comme suit :
Eerste graad 16
Tweede en derde graad algemeen secundair onderwijs: de disciplines Klassiek, Modern, Sport 16
Tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de disciplines Administratie en distributie, Horeca, Lichaamsverzorging, Modecreatie, Moderealisatie en textielverzorging, Personenzorg, Sport, Toerisme, taal en cultuur, Voeding 18
Tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de disciplines Auto en tweewielers, Biotechnologie en chemie, Creatie en ambacht, Grafische technieken en media, Hout en bouw, Koeling en warmte, Landen tuinbouw, Maatschappelijke veiligheid, Maritiem, Mechanicaelektriciteit, Paramedisch, Technologie en industrie, Textiel 22
Tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de disciplines Architectuur en beeldende kunst, Modecreatie 18
Tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de discipline Podiumkunsten 20
Tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de discipline Grafische technieken en media 22
Hoger beroepsonderwijs verpleegkunde 20
Deeltijds beroepssecundair onderwijs 10
Eerste graad 16 Tweede en derde graad algemeen secundair onderwijs: de disciplines Klassiek, Modern, Sport 16 Tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de disciplines Administratie en distributie, Horeca, Lichaamsverzorging, Modecreatie, Moderealisatie en textielverzorging, Personenzorg, Sport, Toerisme, taal en cultuur, Voeding 18 Tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs: de disciplines Auto en tweewielers, Biotechnologie en chemie, Creatie en ambacht, Grafische technieken en media, Hout en bouw, Koeling en warmte, Landen tuinbouw, Maatschappelijke veiligheid, Maritiem, Mechanicaelektriciteit, Paramedisch, Technologie en industrie, Textiel 22 Tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de disciplines Architectuur en beeldende kunst, Modecreatie 18 Tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de discipline Podiumkunsten 20 Tweede en derde graad kunstsecundair onderwijs: de discipline Grafische technieken en media 22 Hoger beroepsonderwijs verpleegkunde 20 Deeltijds beroepssecundair onderwijs 10
;".
Premier degré 16
Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire général : les disciplines Classique, Moderne, Sport 16
Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel : les disciplines Administration et distribution, Horeca, Soins corporels, Création de mode, Réalisation de mode et entretien du textile, Soins aux personnes, Sport, Tourisme, Langue et culture, Alimentation 18
Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel : les disciplines Voiture et deux-roues, Biotechnologie et chimie, Création et artisanat, Techniques et médias graphiques, Bois et construction, Refroidissement et chaleur, Agriculture et horticulture, Sécurité civile, Maritime, Mécanique-électricité, Paramédical, Technologie et industrie, Textile 22
Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : les disciplines Architecture et arts plastiques, Création de mode 18
Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : la discipline Arts de la scène 20
Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : la discipline Techniques et médias graphiques 22
Enseignement supérieur professionnel Art. infirmier 20
Enseignement secondaire professionnel à temps partiel 10
Premier degré 16 Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire général : les disciplines Classique, Moderne, Sport 16 Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel : les disciplines Administration et distribution, Horeca, Soins corporels, Création de mode, Réalisation de mode et entretien du textile, Soins aux personnes, Sport, Tourisme, Langue et culture, Alimentation 18 Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire technique et professionnel : les disciplines Voiture et deux-roues, Biotechnologie et chimie, Création et artisanat, Techniques et médias graphiques, Bois et construction, Refroidissement et chaleur, Agriculture et horticulture, Sécurité civile, Maritime, Mécanique-électricité, Paramédical, Technologie et industrie, Textile 22 Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : les disciplines Architecture et arts plastiques, Création de mode 18 Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : la discipline Arts de la scène 20 Deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire artistique : la discipline Techniques et médias graphiques 22 Enseignement supérieur professionnel Art. infirmier 20 Enseignement secondaire professionnel à temps partiel 10
; ".
Art. 188. In artikel 249, § 2, van dezelfde codex wordt de zinsnede "Het werkingsbudget per school van het gewoon secundair onderwijs is de som van:" vervangen door de zinsnede "Onverminderd de bepalingen in artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, is het werkingsbudget per school van het gewoon secundair onderwijs de som van:".
Art. 188. A l'article 249, § 2, du même code, le membre de phrase " Le budget de fonctionnement par école est la somme de : " est remplacé par le membre de phrase " Sans préjudice des dispositions de l'article 39, § 7, 2°, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, le budget de fonctionnement par école de l'enseignement secondaire général est la somme est la somme de : ".
Art. 189. In artikel 252/1, tweede lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2013 en gewijzigd bij de decreten van 19 juni 2015 en 20 april 2018, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° de structuuronderdelen van het derde leerjaar van de derde graad;".
Art. 189. A l'article 252/1, alinéa deux, du même code, inséré par le décret du 19 juillet 2013 et modifié par les décrets des 19 juin 2015 et 20 avril 2018, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° les subdivisions structurelles de la troisième année du troisième degré ; ".
Art. 190. In artikel 268, § 3, van dezelfde codex wordt het eerste lid opgeheven.
Art. 190. A l'article 268, § 3, du même code, l'alinéa 1er est abrogé.
Art. 191. In dezelfde codex wordt een nieuw artikel 290/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 290/2. In afwijking van de artikelen 286, 289 en 290/1 mag een schoolbestuur dat voor de programmatie van een nieuw type, een nieuwe opleidingsvorm of van een nieuwe school een goedkeuring kreeg van de Vlaamse Regering met het oog op de start van het nieuwe aanbod op 1 september 2021, zonder bijkomende aanvraag of goedkeuring een tweede maal het bijkomende aanbod inrichten vanaf 1 september 2022, indien de school de programmatienormen voor dit nieuwe aanbod niet haalt op de eerste schooldag van oktober 2021. Op de eerste schooldag van oktober 2022 moet de school de programmatienormen voor dit nieuwe aanbod bereiken.".
Art. 191. Dans le même code, il est inséré un nouvel article 290/2, libellé comme suit :
  " Art. 290/2. Par dérogation aux articles 286, 289 et 290/1, une autorité scolaire qui a reçu une approbation du Gouvernement flamand pour la programmation d'un nouveau type, d'une nouvelle forme d'enseignement ou d'une nouvelle école en vue du démarrage de la nouvelle offre au 1er septembre 2021, peut mettre en place une deuxième fois l'offre supplémentaire à partir du 1er septembre 2022, sans demande ni approbation supplémentaire, si l'école n'atteint pas les normes de programmation pour cette nouvelle offre le premier jour de classe d'octobre 2021. Le premier jour de classe d'octobre 2022, l'école doit atteindre les normes de la programmation pour cette nouvelle offre. ".
Art. 192. In paragraaf 1 van artikel 314/1 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt de zinsnede "2019-2020 en 2020-2021", vervangen door de zinsnede "2019-2020, 2020-2021 en 2021-2022".
Art. 192. Au paragraphe 1er de l'article 314/1 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2020, le membre de phrase " 2019-2020 et 2020-2021 " est remplacé par le membre de phrase " 2019-2020, 2020-2021 et 2021-2022 ".
Art. 193. In artikel 314/4 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt het getal "2021" vervangen door het getal "2022".
Art. 193. A l'article 314/4 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2020, le nombre " 2021 " et remplacé par le nombre " 2022 ".
Art. 194. Artikel 318 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012 en 21 maart 2014, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 318. Scholen kunnen jaarlijks extra lesuren krijgen voor zover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen:
  1° op 1 februari van het voorafgaande of daaraan voorafgaande schooljaar ten minste 40% regelmatige leerlingen type basisaanbod en type 3 tellen, die beantwoorden aan de in artikel 317, § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator en die niet:
  - binnen het niet rechtstreeks toegankelijke aanbod, als vermeld in artikel 2, § 1, 40, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp gebruik maken van de module verblijf in een multifunctioneel centrum als vermeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
  - in een internaat buitengewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 ingeschreven zijn;
  2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 319 batig gerangschikt zijn onder de in punt 1° bedoelde scholen en ten minste 6 extra lesuren genereren.".
Art. 194. L'article 318 du même code, modifié par les décrets des 21 décembre 2012 et 21 mars 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 318. Les écoles peuvent recevoir des heures de cours supplémentaires chaque année si elles remplissent toutes les conditions ci-dessous :
  1° compter, au 1er février de l'année scolaire précédente ou celle la précédant encore, au moins 40 % d'élèves réguliers de type offre de base et de type 3, qui satisfont à l'indicateur d'égalité des chances visé à l'article 317, § 1er, 1°, et qui :
  - dans l'offre directement accessible, telle que visée à l'article 2, § 1er, 4°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, n'ont pas recours au module séjour dans un centre multifonctionnel, tel que visé à l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ;
  - ne sont pas inscrits dans un internat d'enseignement spécial, tel que visé à la partie III, chapitre 4, section 1ère, sous-section 2, de la codification de certaines dispositions relatives à l'éducation du 28 octobre 2016 ;
  2° être classées favorablement parmi les écoles visées au 1° conformément aux dispositions de l'article 139 et générer au minimum six heures de cours supplémentaires. ".
Art. 195. In artikel 319 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "De toekenning van de middelen gebeurt driejaarlijks als volgt" vervangen door de zinsnede "Onverminderd de bepalingen van artikel 39, § 7, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, gebeurt de toekenning van de extra lesuren jaarlijks als volgt";
  2° in paragraaf 2 wordt het tweede en het derde lid opgeheven.
Art. 195. A l'article 319 du même code, modifié par le décret du 21 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " L'octroi des moyens se fait tous les trois ans de la façon suivante " est remplacé par le membre de phrase " Sans préjudice des dispositions de l'article 39, § 7, 2°, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, l'octroi des heures de cours supplémentaires se fait annuellement de la façon suivante " ;
  2° au paragraphe 2, les alinéas deux et trois sont abrogés.
Art. 196. Artikel 320 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 320. De extra lesuren kunnen enkel worden aangewend om als schoolteam voor elke leerling een passende begeleiding te voorzien met het oog op gelijke onderwijskansen als vermeld in artikel 123/21 en op dat vlak tegemoet te komen aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering. Teneinde hieraan uitvoering te geven, bepaalt de school haar eigen streefdoelen, indicatoren en een tijdspad.".
Art. 196. L'article 320 du même code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 320. Les heures de cours supplémentaires ne peuvent être utilisées que pour permettre à l'équipe de l'école d'apporter un encadrement approprié à chaque élève en vue de l'égalité des chances dans l'enseignement visée à l'article 123/21 et de répondre aux attentes de qualité telles que définies dans le cadre de référence pour la qualité de l'enseignement établi par le Gouvernement flamand. Pour ce faire, l'école définit ses propres objectifs, indicateurs et calendrier. ".
Art. 197. Artikel 321 van dezelfde codex wordt opgeheven.
Art. 197. L'article 321 du même code est abrogé.
Art. 198. Artikel 322 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 322. De externe evaluatie op het gelijke onderwijskansenbeleid van de school met inbegrip van de aanwending van de daarvoor toegekende lesuren gebeurt in het kader van de schooldoorlichting als bedoeld in artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.".
Art. 198. L'article 322 du même code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 322. L'évaluation externe de la politique d'égalité des chances dans l'enseignement de l'école, y compris l'utilisation des heures de cours allouées à cet effet, se fait dans le cadre de l'audit de l'école tel que visé aux articles 36 à 42 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement. ".
Art. 199. Artikel 322/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt opgeheven.
Art. 199. L'article 322/1 du même code, inséré par le décret du 16 juin 2017, est abrogé.
Art. 200. In dezelfde codex wordt een artikel 330/4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 330/4. Aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die actief zijn in het ondersteuningsmodel, in toepassing van artikel 314/8 en 314/9, wordt voor het schooljaar 2021-2022 eenmalig een budget toegekend in functie van het professionaliseren van ondersteuners. Voor het begrotingsjaar 2021 gaat het om 475.716 euro en voor begrotingsjaar 2022 gaat het om 951.763 euro. De middelen worden ingezet voor de aanstelling van personeelsleden in het schooljaar 2021-2022 die ondersteuners vervangen tijdens een periode van professionalisering. De Vlaamse Regering legt daartoe het verdelingsmechanisme over de scholen, de toepassingsmodaliteiten en de modaliteiten met betrekking tot het lokaal sociaal overleg vast.".
Art. 200. Dans le même décret, il est inséré un article 330/4, libellé comme suit :
  " Art. 330/4. Pour l'année scolaire 2021-2022, les écoles de l'enseignement secondaire spécial qui sont actives dans le modèle de soutien, en application des articles 314/8 et 314/9, se voient attribuer un budget unique en fonction de la professionnalisation du personnel de soutien. Pour l'exercice budgétaire 2021, il s'agit de 475.716 euros et pour l'exercice budgétaire 2022, il s'agit de 951.763 euros. Les moyens sont alloués pour la désignation de membres du personnel durant l'année scolaire 2021-2022 afin de remplacer du personnel de soutien pendant une période de professionnalisation. Le Gouvernement flamand détermine à cette fin le mécanisme de répartition entre les écoles, les modalités d'application et les modalités relatives à la concertation sociale locale. ".
Art. 201. In artikel 352 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 21 maart 2014 en gewijzigd bij de decreten van 6 juli 2018 en 5 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 3 wordt de zin "Een wijziging van het type, vermeld in paragraaf 1, 2°, binnen hetzelfde onderwijsniveau kan gebeuren met een addendum bij het gemotiveerd verslag, voorzien van de datum van opmaak." opgeheven;
  2° paragraaf 5 wordt opgeheven.
Art. 201. A l'article 352 du même code, remplacé par le décret du 21 mars 2014 et modifié par les décrets des 6 juillet 2018 et 5 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 3, la phrase " Une modification du type, visée au paragraphe 1er, 2°, au sein du même niveau d'enseignement peut être effectuée au moyen d'un avenant au rapport motivé, qui doit préciser la date de rédaction. " est abrogée ;
  2° le paragraphe 5 est abrogé.
Art. 202. In artikel 357/7 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 30 maart 2018 en gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. In afwachting van de invoering van curriculumdossiers als vermeld in artikel 138, eerste lid, zijn de duale structuuronderdelen ingericht volgens standaardtrajecten.";
  2° in paragraaf 2 wordt in het tweede lid punt 5° vervangen door wat volgt:
  "5° in voorkomend geval de algemeen vormende competenties, gebaseerd op de toepasbare eindtermen voor het overeenstemmend niet-duaal leren. Indien de aanbieder van de duale opleiding een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen is, zijn evenwel niet van toepassing:
  1° vóór de modernisering: de eindtermen lichamelijke opvoeding van het beroepssecundair onderwijs als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000, bekrachtigd bij het decreet van 18 januari 2002, en het besluit van de Vlaamse Regering van 20 september 2002, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2002;
  2° vanaf de modernisering: de volgende eindtermen als vermeld in het decreet van 12 februari 2021:
  a) de eindtermen 1.9, 1.10, 1.11 en 1.12 van de basisvorming van de tweede graad arbeidsmarktfinaliteit en van de tweede graad dubbele finaliteit binnen de sleutelcompetentie "competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn/ gezondheid"; en
  b) de eindtermen 1.8, 1.9, 1.10 en 1.11 van de basisvorming van de derde graad arbeidsmarktfinaliteit en van de derde graad dubbele finaliteit binnen de sleutelcompetentie "competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn/ gezondheid";".
Art. 202. A l'article 357/7 du même code, inséré par le décret du 30 mars 2018 et modifié par le décret du 19 juin 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Dans l'attente de l'introduction des dossiers du cursus scolaire, tels que visés à l'article 138, alinéa 1er, les subdivisions structurelles duales seront organisées selon les parcours standard. " ;
  2° au paragraphe 2, le point 5° de l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
  " 5° le cas échéant, les compétences générales basées sur les objectifs finaux applicables pour la formation non duale correspondante. si le prestataire de la formation duale est un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, ne sont toutefois pas d'application :
  1° avant la modernisation : les objectifs finaux éducation physique de l'enseignement secondaire professionnel, tels que visés dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2000, ratifié par le décret du 18 janvier 2002, et l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 septembre 2002, ratifié par le décret du 20 décembre 2002 ;
  2° à partir de la modernisation : les objectifs finaux suivants, tels que visés au décret du 12 février 2021 :
  a) les objectifs finaux 1.9, 1.10, 1.11 et 1.12 de la formation de base du deuxième degré à finalité insertion sur le marché du travail et du deuxième degré à double finalité dans la compétence clé " compétences en matière de conscience/santé physique, spirituelle et émotionnelle " ; et
  b) les objectifs finaux 1.8, 1.9, 1.10 et 1.11 de la formation de base du troisième degré à finalité insertion sur le marché du travail et du troisième degré à double finalité dans la compétence clé " compétences en matière de conscience/santé physique, spirituelle et émotionnelle ". "
Art. 203. Aan artikel 357/8 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 30 maart 2018 en gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van artikel 3, 35°, hoeft een aanbieder die op 1 september 2020 de toelating had om de opleiding beveiligingstechnicus duaal te organiseren, geen nieuwe programmatieaanvraag in te dienen met het oog op een opstart op 1 september 2021, ongeacht of die opleiding in het schooljaar 2020-2021 is georganiseerd.".
Art. 203. A l'article 357/8, du même code, inséré par le décret du 30 mars 2018 et modifié par le décret du 3 juillet 2020, il est ajouté un alinéa huit, libellé comme suit :
  " Par dérogation à l'article 3, 35°, un prestataire qui était autorisé au 1er septembre 2020 à organiser une formation de technicien de sécurité en alternance ne doit pas introduire de nouvelle demande de programmation en vue d'un démarrage au 1er septembre 2021, indépendamment du fait que cette formation soit organisée au cours de l'année scolaire 2020-2021. "
HOOFDSTUK 17. - Wijzigingen van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013
CHAPITRE 17. - Modifications du Code de l'enseignement supérieur du 11 octobre 2013
Art. 204. In artikel II.113, § 3, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, vervangen bij het decreet van 4 mei 2018 en gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
  "2° een bewijs van pedagogische bekwaamheid, als vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, in combinatie met een bachelorof masterdiploma;";
  2° punt 3° wordt vervangen door wat volgt:
  "3° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met een van de voorgaande diploma's wordt erkend;";
  3° punt 4° wordt opgeheven.
Art. 204. A l'article II.113, § 3, du Code de l'enseignement supérieur du 11 octobre 2013, remplacé par le décret du 4 mai 2018 et modifié par le décret du 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° un certificat d'aptitude pédagogique, tel que visé à l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juin 1989 relatif aux certificats d'aptitude, aux échelles de traitement, au système de prestations et au système de rémunération dans l'enseignement secondaire, en combinaison avec un diplôme de bachelier ou de licencié ; " ;
  2° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° un titre reconnu comme équivalent à l'un des diplômes précités en vertu d'une norme légale, d'une directive européenne ou d'une convention internationale ; " ;
  3° le point 4° est abrogé.
Art. 205. In artikel II.113, § 4, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 4 mei 2018 en gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "van licentiaat of ingenieur, behaald voor het academiejaar 2004-2005, in afwijking van paragraaf 2" vervangen door de zinsnede "dat gelijkgeschakeld is met de graad van master, vermeld in artikel II.377 en in artikel II.378, § 1, tweede en derde lid, in afwijking van paragraaf 2 van dit artikel";
  2° in het vierde lid worden tussen de zinsnede "bachelordiploma," en de zinsnede ", behaald in een kunstopleiding" de woorden "of een diploma gelijkgeschakeld met de graad van master" ingevoegd.
Art. 205. A l'article II.113, § 4, du même code, remplacé par le décret du 4 mai 2018 et modifié par le décret du 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " de licencié ou ingénieur, obtenu avant l'année académique 2004-2005, peut également, par dérogation au paragraphe 2, " est remplacé par le membre de phrase " qui est assimilé au degré de master, tel que visé à l'article II.377 et à l'article II.378, § 1er, alinéas deux et trois, peut également, par dérogation au paragraphe 2 du présent article " ;
  2° au quatrième alinéa, les mots " ou un diplôme assimilé au grade de master " est inséré entre le membre de phrase " diplôme de bachelor ", et le membre de phrase " , obtenu dans une formation artistique "
Art. 206. Aan artikel II.124/1, eerste lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 2018, worden een punt 5° en een punt 6° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "5° het tarief voor de toets nieuwe opleiding, vermeld in artikel II.153/5, bedraagt per opleiding ten minste 500 euro en ten hoogste 2000 euro;
  6° het tarief voor de opleidingsaccreditatie, vermeld in artikel II.170/12, vierde lid en II.170/17, § 3, bedraagt per opleiding ten minste 500 euro en ten hoogste 2000 euro.".
Art. 206. A l'article II.124/1, alinéa premier, du même code, inséré par le décret du 18 mai 2018, sont ajoutés un point 5° et un point 6°, libellés comme suit :
  " 5° le tarif de l'évaluation nouvelle formation, visée à l'article II.153/5, s'élève à 500 euros au moins et 2 000 euros au plus par formation ;
  6° le tarif de l'accréditation de formation, visée à l'article II.170/12, alinéa quatre, et II.170/17, § 3, s'élève à 500 euros au moins et 2 000 euros au plus par formation. ".
Art. 207. In artikel II.151 van dezelfde codex worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "De masteropleidingen die als masteropleiding worden geselecteerd" vervangen door de woorden "De bacheloren masteropleidingen die worden geselecteerd";
  2° in het tweede lid worden de woorden "een Erasmus Mundus masteropleiding" vervangen door de zinsnede "een bacheloren masteropleiding die geselecteerd werd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multiof gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld,";
  3° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een bachelorof masteropleiding die kadert binnen een `European Universities Initiative' dat als pilootproject werd goedgekeurd in 2019 of 2020, wordt geacht een opleiding te zijn die geselecteerd werd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multiof gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, vermeld in het eerste lid. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. Deze opleidingen starten uiterlijk in het academiejaar volgend op het academiejaar waarin het pilootproject afloopt. In afwijking van het eerste lid, worden deze opleidingen geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang bepaald voor de desbetreffende opleiding voor de eerste keer geheel doorlopen werd.".
Art. 207. A l'article II.151 du même code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa premier, les mots " Les formations de master qui sont sélectionnées comme formation de master " sont remplacés par les mots " Les formations de bachelor et de master qui sont sélectionnées " ;
  2° au deuxième alinéa, les mots " un mastère Erasmus Mundus " sont remplacés par le membre de phrase " une formation de bachelor et de master qui a été sélectionnée conformément aux dispositions d'un programme européen de financement visant à promouvoir la coopération internationale dans l'enseignement supérieur et dans le cadre duquel la diplomation multiple ou conjointe est soutenue, " ;
  3° il est ajouté un alinéa trois, libellé comme suit :
  " Une formation de bachelor ou master qui s'inscrit dans une `European Universities Initiative' qui a été approuvée en tant que projet pilote en 2019 ou 2020 est réputée être une formation sélectionnée conformément aux dispositions d'un programme européen de financement visant à promouvoir la coopération internationale dans l'enseignement supérieur et dans le cadre duquel la diplomation multiple ou conjointe est soutenue, tel que visé à l'alinéa premier. Les établissements ne peuvent proposer ces formations que s'ils disposent de la compétence d'enseignement requise. Ces formations commencent au plus tard dans l'année académique qui suit l'année académique au cours de laquelle le projet pilote se termine. Par dérogation à l'alinéa premier, ces formations sont réputées être accréditées jusqu'à la fin de la deuxième année académique qui suit la fin de l'année académique au cours de laquelle le volume des études déterminé pour la formation en question a été entièrement complété pour la première fois. ".
Art. 208. In artikel II.170, § 2, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 8 december 2017 en gewijzigd bij de decreten van 5 april 2019 en 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan het vijfde lid, 7°, worden de woorden "of een opleiding van het hoger beroepsonderwijs" toegevoegd;
  2° in het zevende lid wordt de zin "Voor de bacheloren masteropleidingen die de andere ambtshalve geregistreerde instellingen en de geregistreerde instellingen aanbieden, kan de Vlaamse Regering het Hogeronderwijsregister, vermeld in paragraaf 1, aanpassen op vraag van het instellingsbestuur." vervangen door de zin "Voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, de bacheloren masteropleidingen die de andere ambtshalve geregistreerde instellingen en de geregistreerde instellingen aanbieden, kan de Vlaamse Regering de lijst, vermeld in het derde lid, voor een instelling aanpassen op verzoek van het instellingsbestuur.".
Art. 208. A l'article II.170, § 2, du même code, remplacé par le décret du 8 décembre 2017 et modifié par les décrets des 5 avril 2019 et 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa cinq, 7°, les mots " ou une formation de l'enseignement supérieur professionnel " sont ajoutés ;
  2° à l'alinéa sept, la phrase " Pour les formations de bachelor et de master proposées par les autres institutions enregistrées d'office ou par des institutions enregistrées, le Gouvernement flamand peut adapter le Registre de l'Enseignement supérieur, visé au paragraphe 1er, à la demande de la direction de l'institution. " est remplacée par la phrase " Pour les formations de l'enseignement supérieur professionnel, les formations de bachelor et de master proposées par les autres institutions enregistrées d'office ou par des institutions enregistrées, le Gouvernement flamand peut adapter le Registre de l'Enseignement supérieur, visé à alinéa trois, à la demande de la direction de l'institution. ".
Art. 209. In artikel II.177, tweede lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt tussen de woorden "of de student" en de woorden "over de kennis" de zinsnede ", die de leeftijd van achttien jaar bereikt heeft op 31 december van het academiejaar waarvoor wordt ingeschreven," ingevoegd.
Art. 209. A l'article II.177, alinéa deux, du même code, modifié par le décret du 4 mai 2018, le membre de phrase " , qui a atteint l'âge de dix-huit ans au 31 décembre de l'année académique pour laquelle il est inscrit " est inséré entre les mots " si l'étudiant " et les mots " dispose des connaissances ".
Art. 210. In artikel II.179/1, tweede lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de woorden "vijf jaar" vervangen door de woorden "tien jaar".
Art. 210. A l'article II.179/1, alinéa deux, du même code, inséré par le décret du 3 juillet 2020, les mots " cinq ans " sont remplacés par les mots " dix ans ".
Art. 211. In artikel II.197 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een student die nog niet in het bezit is van een bachelordiploma kan onder de voorwaarden, bepaald door het instellingsbestuur, toegelaten worden tot de inschrijving voor de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs zonder de vermelding van onderwijsvakken, vermeld in artikel II.113, § 4.";
  2° in het derde lid wordt tussen de woorden "diploma van de bachelor-na-bacheloropleiding" en de woorden "is het bezit van het diploma" de zinsnede "of van de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs zonder de vermelding van onderwijsvakken," ingevoegd.
Art. 211. A l'article II.197 du même code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° il est inséré entre les alinéas premier et deux un nouvel alinéa, libellé comme suit :
  " Un étudiant qui n'est pas encore titulaire d'un diplôme de bachelor peut, dans les conditions fixées par la direction de l'institution, être admis à l'inscription à la formation de bachelor éducatif pour l'enseignement secondaire sans la mention des matières d'enseignement, telle que visée à l'article II.113, § 4. " ;
  2° à l'alinéa trois, le membre de phrase " ou de la formation de bachelor éducatif sans la mention des matières d'enseignement, " est inséré entre les mots " diplôme de bachelor après la formation de bachelor " et les mots " être détenteur du diplôme ".
Art. 212. In artikel II.247 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt paragraaf 4 opgeheven.
Art. 212. A l'article II.247 du même décret, modifié par le décret du 4 mai 2018, le paragraphe 4 est abrogé.
Art. 213. Aan artikel II.260/1 van de dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 5. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, wordt het onderwijs in het studiegebied Nautische wetenschappen in het Nederlands en het Frans gegeven.".
Art. 213. A l'article II.260/1 du même code, inséré par le décret du 4 mai 2018, il est ajouté un paragraphe 5, libellé comme suit :
  " § 5. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, l'enseignement dans la discipline Sciences nautiques est dispensé en néerlandais et en français. ".
Art. 214. Aan artikel II.261, § 2, van dezelfde codex, wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "5° de opleidingsonderdelen die deel uitmaken van een bachelorof masteropleiding die kadert binnen een `European Universities Initiative' dat als pilootproject werd goedgekeurd in 2019 of 2020, zoals beschreven in artikel II.151.".
Art. 214. A l'article II.261, § 2, du même code, il est ajouté un point 5°, libellé comme suit :
  " 5° les subdivisions de formation qui font partie d'une formation de bachelor ou de master dans le cadre d'une `European Universities Initiative' qui a été approuvée en tant que projet pilote en 2019 ou 2020, telle que décrite à l'article II.151. ".
Art. 215. Artikel II.261, § 5, van dezelfde codex, wordt vervangen door wat volgt:
  " § 5. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, wordt het onderwijs in het studiegebied Nautische wetenschappen in het Nederlands en het Frans gegeven.".
Art. 215. L'article II.261, § 5, du même code est remplacé par ce qui suit :
  " § 5. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, l'enseignement dans la discipline Sciences nautiques est dispensé en néerlandais et en français. ".
Art. 216. Aan artikel II.266, § 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Bij de bepaling van de breuken, vermeld in het eerste lid, punt 1° en 2°, en het tweede lid van deze paragraaf, wordt geen rekening gehouden met de anderstalige initiële bachelorof masteropleidingen aangeboden door de Hogere Zeevaartschool.".
Art. 216. A l'article II.266, § 1er, du même code, modifié par le décret du 3 juillet 2020, il est ajouté un alinéa huit, libellé comme suit :
  " Pour la détermination des fractions visées à l'alinéa premier, points 1° et 2°, et à l'alinéa deux du présent paragraphe, il n'est pas tenu compte des formations de bachelor ou de master enseignées en langue étrangère par l'Ecole supérieure de navigation. ".
Art. 217. In artikel II.270, § 2, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, worden tussen de tweede en de derde zin de volgende zinnen ingevoegd:
  "Wanneer een personeelslid al langer dan vijf jaar aangesteld is of al benoemd is op het moment dat het belast wordt met een onderwijsopdracht, moet het op dat moment aan het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoen. Een personeelslid dat niet aan de vereisten voor het beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoet, kan geen onderwijsopdracht uitoefenen.".
Art. 217. A l'article II.270, § 2, du même code, modifié par le décret du 16 juin 2017, la phrase suivante est insérée entre les deuxième et troisième phrases :
  " Quand un membre du personnel a été nommé depuis plus de cinq ans ou est déjà au moment où il se voit confier une charge d'enseignement, il doit à ce moment-là satisfaire au niveau requis de maîtrise de la langue néerlandaise. Un membre du personnel qui ne remplit pas les conditions de maîtrise de la langue néerlandaise ne peut pas exercer une charge d'enseignement. ".
Art. 218. Aan artikel III.5 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreetvan 18 december 2020, wordt een paragraaf 20 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 20. Het bedrag VOWprof als vermeld in of berekend conform dit artikel, wordt vermeerderd met de volgende bedragen:
  1° in het begrotingsjaar 2022 met 12.000.000 euro;
  2° in het begrotingsjaar 2023 met 16.000.000 euro;
  3° vanaf het begrotingsjaar 2024 met 20.000.000 euro.
  Bij de opmaak van de begroting 2023 wordt het groeipad, vermeld in paragraaf 18 tot en met 20, geëvalueerd.".
Art. 218. A l'article III.5 du même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2020, il est ajouté un paragraphe 20, libellé comme suit :
  " § 20. Le montant VOWprof mentionné ou calculé conformément au présent article est augmenté des montants suivants :
  1° au cours de l'exercice budgétaire 2022, de 12 000 000 euros ;
  2° au cours de l'exercice budgétaire 2023, de 16 000 000 euros ;
  3° à partir de l'exercice budgétaire 2024, de 20 000 000 euros.
  L'objectif de croissance visé aux paragraphes 18 à 20 est évalué lors de l'établissement du budget pour 2023. ".
Art. 219. Aan artikel III.19, § 1, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2020, wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "9° in afwijking van punt 1°, c), bedraagt het puntengewicht voor het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie 1,27 voor het begrotingsjaar 2022 en 1,30 vanaf het begrotingsjaar 2023.
  In afwijking van punt 1°, i), bedraagt het puntengewicht voor het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde:
  a) voor het begrotingsjaar 2022: 1,02;
  b) voor het begrotingsjaar 2023: 1,04;
  c) vanaf het begrotingsjaar 2024: 1,06.".
Art. 219. A l'article III.19, § 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2020, il est ajouté un point 9°, libellé comme suit :
  " 9° Par dérogation au point 1°, c), le coefficient de pondération de la discipline Sciences et technologies industrielles est de 1,27 pour l'exercice budgétaire 2022 et de 1,30 à partir de l'exercice budgétaire 2023.
  Par dérogation au point 1°, i), le coefficient de pondération de la discipline Sciences commerciales et gestion d'entreprise est la suivante :
  a) pour l'exercice budgétaire 2022 : 1,02 ;
  b) pour l'exercice budgétaire 2023 : 1,04 ;
  c) A partir de l'exercice budgétaire 2024 : 1,06. ".
Art. 220. Aan deel 3, titel 2, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2019, wordt een hoofdstuk 10 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk 10. Onderwijskundig beleidsen praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek".
Art. 220. A la partie 3, titre 2, du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 1er mars 2019, il est inséré un chapitre 10, libellé comme suit :
  " chapitre 10. Recherche scientifique appliquée à la gestion et à la pratique de l'enseignement ".
Art. 221. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2020, wordt aan hoofdstuk 10, toegevoegd bij artikel 201, een artikel III.98/8 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. III.98/8. De Vlaamse Regering subsidieert hogeronderwijsinstellingen voor onderwijskundig beleidsen praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek.
  De subsidies voor het onderwijskundig beleidsen praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek worden toegekend binnen de daartoe beschikbare begrotingskredieten.".
Art. 221. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2020, il est ajouté au chapitre 10, par l'article 201, un article III.98/8, libellé comme suit :
  " Art. III.98/8. Le Gouvernement flamand subventionne les établissements d'enseignement supérieur pour la recherche scientifique appliquée à la gestion et à la pratique de l'enseignement.
  Les subventions pour la recherche scientifique appliquée à la gestion et à la pratique de l'enseignement sont octroyées dans la limite des crédits budgétaires disponibles. ".
Art. 222. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2020, wordt aan hetzelfde hoofdstuk 10 een artikel III.98/9 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. III.98/9. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure op basis waarvan de hogeronderwijsinstellingen voorstellen kunnen indienen en bepaalt de criteria op basis waarvan de voorstellen worden beoordeeld en geselecteerd. De Vlaamse Regering waarborgt hierbij de onafhankelijkheid van het selectiemechanisme en de rangschikking van de geselecteerde projecten.
  § 2. De beoordelingscriteria voor het toekennen van de subsidies houden onder meer rekening met de kwaliteit, de expertise van de indieners en de prijs.".
Art. 222. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2020, il est ajouté au même chapitre 10, un article III.98/9, libellé comme suit :
  " Art. III.98/9. § 1er. Le Gouvernement flamand détermine la procédure sur la base de laquelle les établissements d'enseignement supérieur peuvent soumettre des propositions et définit les critères sur la base desquels les propositions sont évaluées et sélectionnées. Le Gouvernement flamand garantit l'indépendance du mécanisme de sélection et du classement des projets sélectionnés.
  § 2. Les critères d'évaluation pour l'attribution des subventions tiennent compte, entre autres, de la qualité, de l'expertise des auteurs et du prix. ".
Art. 223. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2020, wordt aan hetzelfde hoofdstuk 10 een artikel III.98/10 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. III 98/10. De Vlaamse Regering regelt de wijze waarop de voortgang van de onderzoeken wordt opgevolgd en de regelingen over de vrijgave en het gebruik van de onderzoeksresultaten.
  De Vlaamse Regering kan complementaire regels over subsidiëring vastleggen.".
Art. 223. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2020, il est ajouté au même chapitre 10, un article III.98/10, libellé comme suit :
  " Art. III 98/10. Le Gouvernement flamand réglemente la manière de suivre l'avancement des recherches et les modalités de diffusion et d'utilisation des résultats des recherches.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter des règles complémentaires relatives au subventionnement. ".
Art. 224. In artikel IV.13, tweede lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 21 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "De regeringscommissaris en de afgevaardigde van financiën bezorgen hun analyse" worden vervangen door de woorden "De regeringscommissaris bezorgt een analyse";
  2° de woorden "Als de regeringscommissaris en de afgevaardigde van financiën vaststellen" worden vervangen door de woorden "Als de regeringscommissaris vaststelt".
Art. 224. A l'article IV.13, deuxième alinéa, du même code, remplacé par le décret du 21 mars 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots " Le commissaire du gouvernement et le délégué des finances remettent leur analyse " sont remplacés par " Le commissaire du gouvernement remet une analyse " ;
  2° les mots " Si le commissaire du gouvernement et le délégué des finances constatent " sont remplacés par les mots " Si le commissaire du gouvernement constate ".
Art. 225. In artikel IV.17 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 21 maart 2014, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "Als de Vlaamse Regering op basis van het advies en de analyse van de regeringscommissaris de begroting niet kan goedkeuren omdat ze van oordeel is dat die begroting strijdig is met bepalingen die bij of krachtens de wet of decreet zijn vastgesteld of het financieel evenwicht van de universiteit in gevaar brengt, brengt ze binnen dertig dagen na de dag waarop ze het advies van de regeringscommissaris heeft ontvangen de instelling daarvan op de hoogte en brengt ze de instelling op de hoogte van haar bezwaren.".
Art. 225. A l'article IV.17 du même code, remplacé par le décret du 21 mars 2014, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Si, sur la base de l'avis et de l'analyse du commissaire du gouvernement, le Gouvernement flamand ne peut approuver le budget parce qu'il estime que ce budget va à l'encontre de ce qui a été fixé par ou en vertu de la loi ou du décret ou parce qu'il met en danger l'équilibre financier de l'université, il en avise l'institution dans un délai de trente jours de la réception de l'avis du commissaire du gouvernement et formule ses objections. ".
Art. 226. In artikel IV.83, § 4, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "Voor de universiteiten wordt de goedkeuring, vermeld in het eerste lid, beschouwd als verworven als de bevoegde regeringscommissaris in de analyse van de jaarrekening, rekening houdend met alle relevante informatie, een gunstig advies uitbrengt.".
Art. 226. A l'article IV.83, § 4, du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2017, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
  " Pour les universités, l'agrément, mentionné à l'alinéa premier, est considéré comme acquis si le commissaire du gouvernement compétent dans l'analyse du compte annuel, en tenant compte de toutes les informations pertinentes, émet un avis favorable. ".
Art. 227. Aan artikel V.25, eerste lid, van dezelfde codex, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Het universiteitsbestuur kan een wervingsreserve aanleggen voor een cluster van verwante functies.".
Art. 227. A l'article V.25, alinéa premier, du même code, il est ajouté la phrase suivante :
  " La direction de l'université peut constituer une réserve de recrutement pour un ensemble de fonctions apparentées. ".
Art. 228. Aan artikel V.28, derde lid, van dezelfde codex, worden de volgende zinnen toegevoegd:
  "Als de beoordeling gunstig is, maar het betrokken personeelslid niet voldoet aan de taalvereiste, vermeld in artikel II.270, § 2, kan het personeelslid niet benoemd worden maar kan de aanstelling met een bijkomende termijn worden verlengd om het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal te bereiken. Als de termijn wordt verlengd, wordt het personeelslid in principe benoemd zonder nieuwe beoordeling van zodra het aan het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoet. De totale duur van de initiële aanstelling en de bijkomende termijn mag niet meer dan 5 jaar bedragen.".
Art. 228. A l'article V.28, alinéa trois, du même code, les phrases suivantes sont ajoutées :
  " Si l'évaluation est favorable, mais que le membre du personnel concerné ne satisfait pas à l'exigence linguistique visée à l'article II.270, § 2, le membre du personnel ne peut être nommé, mais la désignation peut être prolongée d'un nouveau délai afin d'atteindre le niveau requis de maîtrise de la langue néerlandaise. Si le délai est prolongé, le membre du personnel est en principe nommé sans réévaluation dès qu'il atteint le niveau requis de maîtrise de la langue néerlandaise. La durée totale de la désignation initiale et de la durée supplémentaire ne peut dépasser cinq ans. ".
Art. 229. In artikel V.106 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt punt 6° opgeheven.
Art. 229. A l'article V.106 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 16 juin 2017, le point 6° est abrogé.
Art. 230. Aan artikel V.121 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het tweede lid kan een personeelslid van de Hogere Zeevaartschool Antwerpen dat op 1 juni 2021 benoemd is in het ambt van praktijklector of hoofdpraktijklector onder de hiernavolgende voorwaarden dit ambt ten persoonlijken titel behouden en verder blijven uitoefenen in de opleiding scheepswerktuigkunde beperkt tot het volume van de opdracht op voormelde datum:
  1° het personeelslid oefende tot 31 augustus 2021 deze opdracht uit in de professionele bachelor in de scheepswerktuigkunde;
  2° het personeelslid is vanaf 1 september 2021 voor het luik onderwijs van zijn opdracht uitsluitend belast met praktijkgebonden opleidingsonderdelen in de academische bachelor van de opleiding scheepswerktuigkunde.".
Art. 230. A l'article V.121 du même code, modifié par le décret du 3 juillet 2020, il est ajouté un alinéa six, libellé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa deux, un membre du personnel de l'Ecole supérieure de navigation d'Anvers nommé au 1er juin 2021 dans la fonction de maître de conférences de formation pratique ou de maître de conférences principal de formation pratique peut, dans les conditions suivantes, conserver cette fonction à titre personnel et continuer à exercer dans la formation mécanique navale, dans la limite du volume de charge à la date précitée :
  1° le membre du personnel a exercé cette charge jusqu'au 31 août 2021 dans le bachelor professionnel en mécanique navale ;
  2° à compter du 1er septembre 2021, le membre du personnel n'est chargé, dans le volet enseignement de sa charge, que de subdivisions de formation pratiques dans le bachelor académique de la formation mécanique navale. ".
Art. 231. Aan artikel V.148, § 3, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 5 april 2019, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Voor de academische bacheloren masteropleidingen in de scheepswerktuigkunde geldt als vereist bekwaamheidsbewijs voor de ambten van docent, hoofddocent en hoogleraar eveneens een Certificate of Competence/vaarbevoegdheidsbewijs A-III/2 als Chief Engineer, zoals beschreven in de STCW Conventie 1978 Regulation III/2.".
Art. 231. A l'article V.148 du même code, modifié par le décret du 5 avril 2019, il est ajouté un deuxième alinéa, libellé comme suit :
  " Pour les formations académiques de bachelor et de master en mécanique navale, le titre requis pour les fonctions de chargé de cours, chargé de cours principal et professeur peut également être un Certificate of Competence/brevet d'aptitude A-III/2 en tant que Chief Engineer, tel que décrit à la Règle III/2 de la Convention STCW de 1978. ".
Art. 232. Aan artikel V.135 van dezelfde codex wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Het hogeschoolbestuur kan een wervingsreserve aanleggen voor een cluster van verwante functies.".
Art. 232. A l'article V.135 du même code, il est ajouté la phrase suivante :
  " La direction de l'institut supérieur peut constituer une réserve de recrutement pour un ensemble de fonctions apparentées. ".
HOOFDSTUK 18. - Wijzigingen van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016
CHAPITRE 18. - Modifications de la Codification de certaines dispositions de l'enseignement du 28 octobre 2016
Art. 233. In de de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, bekrachtigd bij het decreet van 23 december 2016, wordt een artikel III.2/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. III.2/1. De overheveling van een internaat naar een andere inrichtende macht heeft ten aanzien van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming uitwerking op 1 september.".
Art. 233. Dans la codification de certaines dispositions de l'enseignement du 28 octobre 2016, ratifié par le décret du 23 décembre 2016, il est inséré un article III.2/1, libellé comme suit :
  " Art. III.2/1. Le transfert d'un internat vers un autre pouvoir organisateur prend effet le 1er septembre envers le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation. ".
Art. 234. In artikel III.4, § 2, van dezelfde codificatie, gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt punt 7° opgeheven.
Art. 234. A l'article III.4, § 2, de la même codification, modifié par le décret du 16 juin 2017, le point 7° est abrogé.
Art. 235. In artikel III.20/2 van dezelfde codificatie, ingevoegd bij het decreet van 26 juni 2020 en gewijzigd bij het decreet van 17 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt het bedrag "499.000 euro" vervangen door het bedrag "900.000 euro";
  2° in het tweede lid worden tussen het woord "internen" en het woord "die" de woorden "ingeschreven op 1 februari 2021" ingevoegd;
  3° in het tweede lid worden de woorden "de de" vervangen door het woord "de";
  4° het derde lid wordt opgeheven.
Art. 235. A l'article III.20/2 de la même codification, inséré par le décret du 26 juin 2020 et modifié par le décret du 17 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, le montant " 499 000 euros " est remplacé par le montant " 900 000 euros " ;
  2° à l'alinéa deux, les mots " inscrits au 1er février " sont insérés entre le mot " internes " et le mot " qui " ;
  3° à l'alinéa deux, les mots " de de " sont remplacés dans la version en néerlandais par " de ";
  4° l'alinéa trois est abrogé.
Art. 236. In artikel IV.36, § 1, van dezelfde codificatie wordt de zinsnede "artikel 17, § 4, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen" vervangen door de woorden "de wettelijke verplichtingen voor verenigingen zonder winstoogmerk".
Art. 236. A l'article IV.36, § 1er, de la même codification, le membre de phrase " l'article 17, § 4, de la loi du 27 juin 1921 relative aux associations sans but lucratif, aux associations internationales sans but lucratif et aux fondations " est remplacé par les mots " les obligations légales des associations sans but lucratif ".
Art. 237. In artikel IV.37, § 1, van dezelfde codificatie wordt de zinsnede "artikel 17 van de wet van 27 juni 1921" vervangen door de woorden "de wettelijke verplichtingen voor verenigingen zonder winstoogmerk".
Art. 237. A l'article IV.37, § 1er, de la même codification, le membre de phrase " de l'article 17 de la loi du 27 juin 1921 " est remplacé par les mots " des obligations légales des associations sans but lucratif ".
Art. 238. In het artikel IV.52 van dezelfde codificatie, ingevoegd bij het decreet van 5 april 2019 en vervangen bij het decreet van 3 juli 2020, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "De Vlaamse Regering bepaalt de opdracht van de centrale organisatie en de opdracht van een of meer organisaties die een deelopdracht opnemen. De Vlaamse Regering sluit een kaderovereenkomst af met de geselecteerde centrale organisator.".
Art. 238. A l'article IV.52 de la même codification, inséré par le décret du 5 avril 2019 et remplacé par le décret du 3 juillet 2020, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
  " Le Gouvernement détermine la mission de l'organisation centrale et la mission d'une ou de plusieurs organisations assumant une mission partielle. Le Gouvernement flamand conclut une convention-cadre avec l'organisation centrale sélectionnée. ".
Art. 239. In artikel V.45 van dezelfde codificatie, wordt punt 4° opgeheven.
Art. 239. A l'article V.45 de la même codification, le point 4° est abrogé.
Art. 240. Aan artikel VI.4, tweede lid, 2°, van dezelfde codificatie, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "In het basisonderwijs is artikel 153sexies, § 4, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs onverminderd van toepassing.".
Art. 240. A l'article VI.4, alinéa deux, 2°, de la même codification, modifiée par le décret du 3 juillet 2020, il est ajouté la phrase suivante :
  " Dans l'enseignement fondamental, l'article 153sexies, § 4, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental est entièrement d'application. ".
Art. 241. In artikel VI.5 van dezelfde codificatie, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. De middelen worden toegekend aan iedere school voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, aan iedere school voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, aan ieder centrum voor volwassenenonderwijs, aan iedere academie en aan ieder centrum voor basiseducatie. Scholen, academies en centra kunnen kiezen om de middelen aan te wenden op niveau van:
  1° een scholengemeenschap in het basisof het secundair onderwijs, of
  2° een scholengroep, of
  3° een samenwerkingsplatform dat kan bestaan uit:
  a) een of meerdere scholengemeenschappen in het basisof secundair onderwijs, en/of
  b) een of meerdere scholengroepen, en/of
  c) een of meerdere scholen voor gewoon en/of buitengewoon basisonderwijs, voor zover deze niet behoren tot een scholengemeenschap in het basisonderwijs, en/of
  d) een of meerdere scholen voor gewoon secundair onderwijs, voor zover deze niet behoren tot een scholengemeenschap in het secundair onderwijs, en/of
  e) een of meerdere scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, en/ of
  f) een of meerdere centra voor volwassenenonderwijs, en/of
  g) een of meerdere academies, en/of
  h) een of meerdere centra voor basiseducatie.
  De aanwending als vermeld in het eerste lid mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden bijkomend ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. De inrichtende macht van de instellingen die middelen samenleggen, moet met het oog op de controle een verklaring op erewoord bezorgen aan het bevoegde agentschap waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen.
  De scholengemeenschap, de scholengroep, of het samenwerkingsplatform maakt afspraken over de aanwending van de middelen.
  Als scholen, academies of centra beslissen om de middelen, vermeld in het eerste lid, aan te wenden in een samenwerkingsplatform kunnen de daarmee ingerichte betrekkingen niet worden vacant verklaard. Het schoolof centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.";
  2° aan paragraaf 2 wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het samenwerkingsplatform kan worden stopgezet op 31 augustus 2021. Nieuwe samenwerkingsplatformen die ingevolge een dergelijke stopzetting worden opgericht, gelden voor de duur van vijf schooljaren. De samenstelling van dit samenwerkingsplatform kan in afwijking van het vierde lid worden gemeld uiterlijk op 1 oktober 2021 aan het betrokken Agentschap van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.".
Art. 241. A l'article VI.5 de la même codification, modifiée par le décret du 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Les moyens sont alloués à chaque école d'enseignement fondamental ordinaire ou spécial, à chaque école d'enseignement secondaire ordinaire ou spécial, à chaque centre d'éducation des adultes, à chaque académie et chaque centre d'éducation de base. Les écoles, académies et centres peuvent choisir d'utiliser les moyens au niveau :
  1° d'un centre d'enseignement dans l'enseignement fondamental ou secondaire, ou
  2° d'un groupe d'écoles, ou
  3° d'une plateforme de coopération qui peut consister en :
  a) un ou plusieurs centres d'enseignement dans l'enseignement fondamental ou secondaire, et/ou
  b) un ou plusieurs groupes d'écoles, et/ou
  c) une ou plusieurs écoles d'enseignement fondamental ordinaire et/ou spécial, pour autant qu'elles n'appartiennent pas à un centre d'enseignement de l'enseignement fondamental, et/ou
  d) une ou plusieurs écoles de l'enseignement secondaire ordinaire, pour autant qu'elles n'appartiennent pas à un centre d'enseignement dans l'enseignement secondaire, et/ou
  e) une ou plusieurs écoles de l'enseignement secondaire spécial, et/ou
  f) un ou plusieurs centres d'éducation des adultes, et/ou
  g) une ou plusieurs académies, et/ou
  h) un ou plusieurs centres d'éducation de base.
  L'utilisation visée à l'alinéa premier ne peut avoir pour conséquence que des membres du personnel supplémentaires doivent être mis en disponibilité par défaut d'emploi. Le non-respect de cette disposition a pour conséquence qu'une mise en disponibilité par défaut d'emploi n'a aucun effet à l'égard des pouvoirs publics. Aux fins de contrôle, le pouvoir organisateur des établissements qui mettent des moyens en commun doivent fournir à l'agence compétente une déclaration sur l'honneur attestant du respect de cette disposition.
  Le centre d'enseignement, le groupe d'écoles, ou la plateforme de coopération conclut des accords portant sur l'utilisation des moyens.
  Si les écoles, académies ou centres décident d'utiliser les moyens, visés à l'alinéa 1er, dans une plateforme de coopération, les emplois ainsi créés ne peuvent être déclarés vacants. La direction de l'école ou du centre ne peut en aucun cas nommer à titre définitif, affecter ou muter un membre du personnel dans cet emploi. " ;
  2° au paragraphe 2, il est ajouté un alinéa cinq, libellé comme suit :
  " La plateforme de coopération pourra être supprimée le 31 août 2021. Les nouvelles plateformes créées à la suite de cette suppression sont valables pour une période de cinq années scolaires. Par dérogation à l'alinéa quatre, la composition de cette plateforme de coopération peut être communiquée au plus tard le 1er octobre 2021 à l'Agence concernée du Ministre flamand de l'Enseignement et de la Formation. ".
Art. 242. In artikel VI.7 van dezelfde codificatie, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. De punten van de enveloppe kunnen worden aangewend voor het oprichten van één of meer betrekkingen in het ambt van ICT-coördinator. In het basisonderwijs is artikel 153sexies, § 4, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs onverminderd van toepassing. De Vlaamse Regering legt het aantal punten vast dat in rekening moet worden gebracht voor een personeelslid dat in dit ambt wordt aangesteld.";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. De bepalingen van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs en het decreet Rechtspositie Basiseducatie blijven verder van toepassing.";
  3° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 242. A l'article VI.7 de la même codification, modifiée par le décret du 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Les points de l'enveloppe peuvent être utilisés pour la création d'un ou plusieurs emplois dans la fonction de coordinateur TIC. Dans l'enseignement fondamental, l'article 153sexies, § 4, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental est entièrement d'application. Le Gouvernement flamand détermine le nombre de points à prendre en considération pour un membre du personnel désigné à cette fonction. " ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Les dispositions du décret sur le statut du personnel de l'enseignement communautaire, du décret sur le statut du personnel de l'enseignement subventionné et du décret sur le statut de l'éducation de base continuent de s'appliquer. "
  3° le paragraphe 3 est abrogé.
HOOFDSTUK 19. - Wijzigingen van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie
CHAPITRE 19. - Modifications du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base
Art. 243. In artikel 27 van het decreet betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie wordt punt 2° opgeheven.
Art. 243. A l'article 27 du décret relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base, le point 2° est abrogé.
Art. 244. In artikel 49 van hetzelfde decreet wordt punt 2° opgeheven.
Art. 244. A l'article 49 du même décret, le point 2° est abrogé.
HOOFDSTUK 20. - Wijzigingen van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs
CHAPITRE 20. - Modifications du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel
Art. 245. Aan artikel 5 van het decreet betreffende het deeltijds kunstonderwijs van 9 maart 2018, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het derde lid wordt de zinsnede "geldt het specifieke gedeelte van een onderwijskwalificatie" vervangen door de zinsnede "gelden de specifieke eindtermen van het wetenschapsdomein kunst en cultuur, vermeld in bijlage 4 van het decreet van 12 februari 2021 betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen";
  2° in het vierde lid worden tussen de woorden "studierichting" en "selecteert het schoolbestuur" de woorden ", met uitzondering van de kortlopende studierichting schrijver," ingevoegd;
  3° er wordt een vijfde lid toegevoegd dat luidt als volgt:
  "Voor de kortlopende studierichting schrijver geldt de beroepskwalificatie amateur literair schrijver.".
Art. 245. A l'article 5 du décret relatif à l'enseignement artistique à temps partiel du 9 mars 2018, modifié par le décret du 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa trois, le membre de phrase " La partie spécifique d'une qualification d'enseignement s'applique " est remplacé par le membre de phrase " Les objectifs finaux spécifiques du domaine scientifique art et culture, visés à l'annexe 4 du décret du 12 février 2021 contenant les objectifs pédagogiques des deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire, et diverses autres mesures y afférentes " ;
  2° à l'alinéa quatre, les mots " , à l'exception de l'orientation d'étude de courte durée écrivain " sont insérés entre les mots " orientation d'étude " et " , l'autorité scolaire sélectionne " ;
  3° il est ajouté un alinéa cinq, libellé comme suit :
  " Pour l'orientation d'étude de courte durée, la qualification professionnelle d'écrivain littéraire amateur s'applique. ".
Art. 246. In artikel 31 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het derde lid, vervangen bij het decreet van 15 juni 2018, wordt vervangen door wat volgt:
  "Om toegelaten te worden tot de tweede graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten mag de leerling nog geen twaalf jaar zijn op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar en moet voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
  1° de basiscompetenties van de eerste graad verworven hebben;
  2° de leeftijd van acht jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.";
  2° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het derde lid kan een leerling die nog geen twaalf jaar is op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar en ingeschreven is in het lager onderwijs toegelaten worden tot de tweede graad.".
Art. 246. A l'article 31 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa trois, remplacé par le décret du 15 juin 2018, est remplacé par ce qui suit :
  " Pour être admis au deuxième degré du domaine arts plastiques et audiovisuels, l'élève ne doit pas avoir atteint l'âge de douze ans à la date du 31 décembre suivant le début de l'année scolaire et doit remplir l'une des conditions suivantes :
  1° avoir acquis les compétences de base du premier degré ;
  2° avoir atteint l'âge de huit ans à la date du 31 décembre suivant le début de l'année scolaire. " ;
  2° il est ajouté un alinéa quatre, libellé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa trois, peut être admis dans le second degré l'élève qui n'a pas encore atteint l'âge de douze ans à la date du 31 décembre suivant le début de l'année scolaire et qui est inscrit dans l'enseignement primaire. ".
Art. 247. In artikel 54 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "door het schoolbestuur" opgeheven;
  2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De Vlaamse Regering bepaalt de redenen voor gewettigde afwezigheid.".
Art. 247. A l'article 54 du même décret, modifié par le décret du 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " par l'autorité scolaire " sont abrogés ;
  2° il est inséré, entre les alinéas premier et deux, un alinéa libellé comme suit :
  " Le Gouvernement flamand détermine les motifs d'absence justifiée. ".
Art. 248. In artikel 66 van hetzelfde decreet wordt punt 6° opgeheven.
Art. 248. A l'article 66 du même décret, le point 6° est abrogé.
Art. 249. Aan artikel 76/1, § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 15 maart 2019, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Binnen het samenwerkingsverband wordt afgesproken aan welke academie het betrokken personeelslid administratief wordt aangesteld, in overleg met het betrokken personeelslid. Die personeelsleden kunnen dan niet alleen werken in de academie die hen administratief aanstelt, maar in alle academies van het samenwerkingsverband.".
Art. 249. A l'article 76/1, § 3, du même décret, inséré par le décret du 15 mars 2019, un alinéa quatre est ajouté, libellé comme suit:
  " L'académie dans laquelle est désigné le membre du personnel est convenue dans le cadre du partenariat en concertation avec le membre du personnel concerné. Ces membres du personnel peuvent ainsi non seulement travailler dans l'académie qui les désigne administrativement, mais aussi dans toutes les académies du partenariat. ".
Art. 250. In artikel 92, § 1, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
  "1° uitkeringsgerechtigd verplicht ingeschreven zijn als werkzoekende op grond van de reglementering in verband met de arbeidsvoorziening en de werkloosheid, of daarmee gelijkgesteld zijn;";
  2° punt 2° wordt opgeheven;
  3° er wordt een punt 11° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "11° houder zijn van een European Disability Card conform het protocolakkoord van 10 oktober 2016 over het project European Disability Card tussen de Federale Regering, de Vlaamse Regering, de Waalse Regering, de Franse Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Regering.".
Art. 250. A l'article 92, § 1er, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° être obligatoirement inscrit comme demandeur d'emploi indemnisé sur la base de la réglementation relative à l'emploi et au chômage, ou y être assimilé ; " ;
  2° le point 2° est abrogé ;
  3° il est ajouté un point 11°, libellé comme suit :
  " 11° être titulaire d'une European Disability Card conformément au protocole d'accord du 10 octobre 2016 relatif au projet de European Disability Card entre le Gouvernement fédéral, le Gouvernement flamand, le Gouvernement wallon, la Commission communautaire française et le Gouvernement germanophone. ".
Art. 251. In artikel 101 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid worden de woorden "de dag van 1 april" vervangen door de woorden "de dag van 1 maart";
  2° in het derde lid wordt de eerste zin opgeheven.
Art. 251. A l'article 101 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa deux, les mots " le 1er avril " sont remplacés par les mots " le 1er mars " ;
  2° à l'alinéa trois, la première phrase est abrogée.
Art. 252. In artikel 102 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "uiterlijk op 1 april" vervangen door de woorden "uiterlijk op 1 maart";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 252. A l'article 102 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " au plus tard le 1er avril " sont remplacés par les mots " au plus tard le 1er mars " ;
  2° l'alinéa deux est abrogé.
Art. 253. In artikel 111, § 2, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "uiterlijk op 1 april" vervangen door de woorden "uiterlijk op 1 maart";
  2° het tweede lid wordt opgeheven;
  3° er wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als het schoolbestuur niet overgaat tot de oprichting van de academie of het onderdeel van een academie in het schooljaar dat volgt op de goedkeuring van de aanvraag tot financiering of subsidiëring, verliest het de goedkeuring. Het schoolbestuur kan een nieuwe aanvraag indienen conform het eerste lid.".
Art. 253. A l'article 111, § 2, du même décret sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " au plus tard le 1er avril " sont remplacés par les mots " au plus tard le 1er mars " ;
  2° l'alinéa deux est abrogé.
  3° il est ajouté un alinéa libellé comme suit :
  " Si l'autorité scolaire ne procède pas à la création de l'académie ou de la partie d'une académie durant l'année scolaire suivant l'approbation de la demande de financement ou de subvention, elle perd cette approbation. L'autorité scolaire peut introduire une nouvelle demande conformément à l'alinéa 1er. ".
Art. 254. In artikel 115 van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "in al haar reeds opgerichte domeinen, de rationalisatienormen, vermeld in artikel 126," vervangen door de zinsnede "in al haar reeds opgerichte domeinen en structuuronderdelen de rationalisatienormen".
Art. 254. A l'article 115 du même décret, le membre de phrase " les normes de rationalisation visées à l'article 126, dans tous ses domaines déjà créés " est remplacé par le membre de phrase " les normes de rationalisation dans tous ses domaines et subdivisions structurelles déjà créés ".
Art. 255. In artikel 116 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 5 april 2019 en 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Onder de oprichting van een structuuronderdeel, vermeld in het derde lid en in artikel 117, wordt de oprichting van een nieuw structuuronderdeel van een domein waarvan de academie al een of meer structuuronderdelen organiseert in een of meer bestaande of nieuwe vestigingsplaatsen verstaan.";
  2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een schoolbestuur kan het aantal vestigingsplaatsen van dat structuuronderdeel tijdens de oprichtingsperiode niet uitbreiden.".
Art. 255. A l'article 116 du même décret, modifié par les décrets du 5 avril 2019 et du 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Il faut entendre par la création d'une subdivision structurelle, visée à l'alinéa trois et à l'article 117, la création d'une nouvelle subdivision structurelle d'un domaine dont l'académie organise déjà une ou plusieurs subdivisions structurelles dans une ou plusieurs implantations existantes ou nouvelles. " ;
  2° entre les alinéas premier et deux, il est inséré un alinéa libellé comme suit :
  " Une autorité scolaire ne peut augmenter le nombre d'implantations de cette subdivision structurelle pendant sa période de création. ".
Art. 256. In artikel 117 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
  "3° voor het opgerichte structuuronderdeel per vestigingsplaats op de teldag van het oprichtingsjaar voldoen aan de programmatienorm, naar rato van het aantal opgerichte leerjaren van het langste traject, vermeld in artikel 70, dat de academie organiseert in die vestigingsplaats.";
  2° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "Tijdens de oprichtingsperiode wordt de programmatienorm telkens bereikt per vestigingsplaats naar rato van het aantal leerjaren van het langste traject dat in die vestigingsplaats georganiseerd wordt en het aantal schooljaren dat het nieuwe structuuronderdeel al in oprichting is.";
  3° in paragraaf 2, tweede lid, worden tussen de woorden "het structuuronderdeel" en de woorden "vanaf dat schooljaar" de woorden "in die vestigingsplaats" ingevoegd;
  4° in paragraaf 2, derde lid, worden tussen de woorden "het structuuronderdeel" en de woorden "op de vorige teldag" de woorden "in die vestigingsplaats" ingevoegd;
  5° in paragraaf 3 wordt de zin "De rationalisatienorm geldt vanaf het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin minstens een traject van het nieuwe structuuronderdeel volledig is uitgebouwd en de programmatienorm, vermeld in artikel 121 of 122, bereikt wordt." vervangen door de zin "De rationalisatienorm geldt vanaf het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin in een vestigingsplaats minstens een traject van het nieuwe structuuronderdeel volledig is uitgebouwd en de programmatienorm, vermeld in artikel 121 of 122, in alle vestigingsplaatsen bereikt wordt.".
Art. 256. A l'article 117 du même décret, modifié par le décret du 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° remplir, pour la subdivision structurelle créée par implantation au jour de comptage de l'année de création, la norme de programmation, au prorata du nombre d'années scolaires créées dans le parcours le plus long, visé à l'article 70, que l'académie organise dans cette implantation. " ;
  2° au paragraphe 2, l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
  " Pendant la période de création, la norme de programmation est atteinte par implantation au prorata du nombre d'années scolaires du parcours le plus long organisé dans cette implantation et du nombre d'années scolaires que la nouvelle subdivision structurelle est déjà en cours de création. " ;
  3° au paragraphe 2, alinéa deux, les mots " dans cette implantation " sont insérés entre les mots " de la subdivision structurelle " et les mots " ne sont pas inclus " ;
  4° au paragraphe 2, alinéa trois, les mots " dans cette implantation " sont insérés entre les mots " de la subdivision structurelle " et les mots " a atteint la norme " ;
  5° au paragraphe 3, la phrase " La norme de rationalisation vaut à partir de l'année scolaire qui suit l'année scolaire dans laquelle au moins un parcours de la nouvelle subdivision structurelle a été développé pleinement et la norme de programmation, visée à l'article 121 ou 122, est atteinte " est remplacée par la phrase " La norme de rationalisation vaut à partir de l'année scolaire qui suit l'année scolaire dans laquelle, dans une implantation, au moins un parcours de la nouvelle subdivision structurelle a été développé pleinement et la norme de programmation, visée à l'article 121 ou 122, est atteinte dans toutes les implantations. ".
Art. 257. Aan artikel 126 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3. De rationalisatienormen, vermeld in paragraaf 1 en 2, zijn niet van toepassing op academies voor deeltijds kunstonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats gevestigd is in de gemeente Voeren.".
Art. 257. A l'article 126 du même décret, modifié par le décret du 3 juillet 2020, il est ajouté un paragraphe 3, libellé comme suit :
  " § 3. Les normes de rationalisation visées aux paragraphes 1er et 2, ne s'appliquent pas aux académies d'enseignement artistique à temps partiel dont l'implantation principale est située dans la commune de Fourons. ".
Art. 258. In artikel 131, § 1, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "een andere academie" vervangen door de woorden "een academie van een ander schoolbestuur";
  2° in het tweede lid worden de woorden "vóór 1 maart" vervangen door de woorden "uiterlijk 1 maart";
  3° het derde lid wordt opgeheven.
Art. 258. A l'article 131, § 1er, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa premier, les mots " une autre année académie " sont remplacés par les mots " une académie d'une autre autorité scolaire " ;
  2° à l'alinéa deux, les mots " avant le 1er mars " sont remplacés par les mots " au plus tard le 1er mars " ;
  3° l'alinéa trois est abrogé.
Art. 259. In artikel 132 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid worden de woorden "vóór 1 maart" vervangen door de woorden "uiterlijk 1 maart";
  2° het derde lid wordt opgeheven.
Art. 259. A l'article 132 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa deux, les mots " avant le 1er mars " sont remplacés par les mots " au plus tard le 1er mars " ;
  2° l'alinéa trois est abrogé.
Art. 260. In artikel 133, § 1, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "vóór 1 maart" vervangen door woorden "uiterlijk 1 maart";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 260. A l'article 133, § 1er, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " avant le 1er mars " sont remplacés par les mots " au plus tard le 1er mars " ;
  2° l'alinéa deux est abrogé.
HOOFDSTUK 21. - Wijziging van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding
CHAPITRE 21. - Modification du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves
Art. 261. In het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, gewijzigd bij de decreten van 5 april 2019, 20 december 2019 en 3 juli 2020, wordt een artikel 19/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 19/1. De onderwijsinspectie kan voor twee of meer centra die aangestuurd worden door eenzelfde bestuur de doorlichting gezamenlijk organiseren voor een aantal of voor al die centra samen. Die gezamenlijke doorlichting gebeurt altijd met het akkoord van het bestuur, de betrokken centra die ervoor kiezen om samen doorgelicht te worden en de onderwijsinspectie. Een betrokken centrum dat niet kiest voor gezamenlijke doorlichting wordt op instellingsnummer doorgelicht.
  De onderwijsinspectie maakt bij gezamenlijke doorlichting één doorlichtingsverslag met een advies dat van toepassing is op al de centra die samen worden doorgelicht.
  De rechtsgevolgen van de doorlichting, vermeld in het artikel 22, zijn op dezelfde manier van toepassing op al de centra die samen worden doorgelicht.".
Art. 261. Dans le décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves, modifié par les décrets du 5 avril 2019, du 20 décembre 2019 et 3 juillet 2020, il est inséré un article 19/1, libellé comme suit :
  " Art. 19/1. L'inspection de l'enseignement peut organiser l'audit conjoint de deux ou plusieurs centres gérés par une même autorité pour certains ou tous ces centres ensemble. Cet audit conjoint a toujours lieu avec l'accord de l'autorité, des centres concernés qui choisissent d'être audités conjointement et de l'inspection de l'enseignement. Un centre concerné qui n'opte pas pour l'audit conjoint est audité sur un code établissement.
  Dans le cas d'un audit conjoint, l'inspection de l'enseignement prépare un seul rapport d'audit avec un avis qui s'applique à tous les centres audités conjointement.
  Les conséquences juridiques de l'audit, visé à l'article 22, s'appliquent de la même manière à tous les centres audités conjointement. ".
Art. 262. In artikel 24, 1°, van hetzelfde decreet wordt punt d) opgeheven.
Art. 262. A l'article 24, 1°, du même décret, le point d) est abrogé.
HOOFDSTUK 22. - Inwerkingtreding en toepassingsgebied in de tijd
CHAPITRE 22. - Entrée en vigueur et champ d'application dans le temps
Art. 263. § 1. Dit decreet treedt in werking op 1 september 2021, met uitzondering van artikel 75, 3°, 112, 147, 3°, artikel 169, 177, 186, 218 en 219, die in werking treden op 1 januari 2022.
  Artikel 233 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1997.
  Artikel 134, 135, 224, 225 en 226 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2019.
  Artikel 98, 117, 121, 133, 205, 249 en 257 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2020.
  Artikel 41, 91, 125, 130, 136, 148, 149, 229, 234, 239, 243, 244, 248 en 262 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2021.
  Artikel 127 heeft uitwerking met ingang van 1 februari 2021. Artikel 165 heeft uitwerking met ingang van 26 mei 2021.
  Artikel 36, 37, 38, 70, 71, 72, 122 en 123 hebben uitwerking met ingang van 1 juni 2021.
  Artikel 94 en 200 hebben uitwerking met ingang van 15 augustus 2021.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 treden de artikelen 21 tot en met 32 en 57 tot en met 68 voor de vastbenoemde personeelsleden en de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur die voor 1 september 2021 een eerste evaluatie met als eindconclusie "onvoldoende" hebben gekregen pas in werking nadat deze personeelsleden opnieuw geëvalueerd worden en die nieuwe evaluatie definitief is geworden.
Art. 263. § 1er. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2021, à l'exception des articles 75, 3°, 112, 147, 3°, des articles 169, 177, 186, 218 et 219, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2022.
  L'article 233 produit ses effets à partir du 1er septembre 1997.
  Les articles 134, 135, 224, 225 et 226 produisent leurs effets à partir du 1er septembre 2019.
  Les articles 98, 117, 121, 133, 205, 249 et 257 produisent leurs effets à partir du 1er septembre 2020.
  Les articles 41, 91, 125, 130, 136, 148, 149, 229, 234, 239, 243, 244, 248 et 262 produisent leurs effets à compter du 1er janvier 2021.
  L'article 127 produit ses effets à partir du 1er février 2021. L'article 165 produit ses effets à partir du 26 mai 2021.
  Les articles 36, 37, 38, 70, 71, 72, 122 en 123 produisent leurs effets à partir du 1er juin 2021.
  Les articles 94 et 200 produisent leurs effets à compter du 15 août 2021.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les articles 21 à 32 et 57 à 68 pour les membres du personnel nommés à titre définitif et les membres du personnel désignés temporairement à durée ininterrompue qui ont reçu une première évaluation dont la conclusion finale est " insuffisant " pour le 1er septembre 2021, produisent seulement leurs effets après que ces membre du personnel ont été réévalués et que cette nouvelle évaluation est devenue définitive.