Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
11 MAART 2021. - Koninklijk besluit betreffende de veiligheidsvergunning, het uniek veiligheidscertificaat en het jaarlijks veiligheidsverslag
Titre
11 MARS 2021. - Arrêté royal relatif à l'agrément de sécurité, au certificat de sécurité unique et au rapport annuel de sécurité
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 2. - Afgifte, vernieuwing en herzieni...
Afdeling 1. - Taken van de veiligheidsinstantie
Afdeling 2. - Verzoek tot voorafgaande raadpleging
Afdeling 3. - Indiening van een aanvraag
Afdeling 4. - Termijnen en verloop van de proce...
Afdeling 5. - Nadere regels voor bezoeken en in...
Afdeling 6. - Categorisering van knelpunten
HOOFDSTUK 3. - Verlenging, intrekking of opscho...
Afdeling 1. - Verlenging
Afdeling 2. - Intrekking
Onderafdeling 1. - Intrekking van de veiligheid...
Onderafdeling 2. - Intrekking van het uniek vei...
Onderafdeling 3. - Intrekkingsprocedure
Afdeling 3. - Opschorting
HOOFDSTUK 4. - Gemeenschappelijke bepalingen aa...
HOOFDSTUK 5. - Het jaarlijks veiligheidsverslag
HOOFDSTUK 6. - Overgangsbepaling
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
BIJLAGEN.
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
CHAPITRE 2. - Délivrance, renouvellement et rév...
Section 1re. - Tâches de l'autorité de sécurité
Section 2. - Demande de consultation préalable
Section 3. - Dépôt d'une demande
Section 4. - Délais et étapes de la procédure
Section 5. - Modalités des visites et inspectio...
Section 6. - Catégorisation des questions
CHAPITRE 3. - Prorogation, retrait ou suspensio...
Section 1re. - Prorogation
Section 2. - Retrait
Sous-section 1re. - Retrait de l'agrément de sé...
Sous-section 2. - Retrait du certificat de sécu...
Sous-section 3. - Procédure de retrait
Section 3. - Suspension
CHAPITRE 4. - Dispositions communes aux chapitr...
CHAPITRE 5. - Le rapport annuel de sécurité
CHAPITRE 6. - Disposition transitoire
CHAPITRE 7. - Dispositions finales
ANNEXES.
Tekst (54)
Texte (54)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Dit besluit zet de richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor gedeeltelijk om.
Article 1er. Le présent arrêté transpose partiellement la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 relative à la sécurité ferroviaire.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder:
1° "uniek veiligheidscertificaat" : het certificaat bedoeld in artikel 3, 16°, van de Spoorcodex wanneer dit is afgeleverd door de veiligheidsinstantie overeenkomstig artikel 100 van de Spoorcodex;
2° "werkdagen" : alle dagen van de week met uitzondering van zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen;
3° "resterend aandachtspunt": een klein probleem dat is vastgesteld tijdens de beoordeling van een aanvraag van een veiligheidsvergunning, dat de afgifte van die vergunning niet in de weg staat en dat kan worden uitgesteld voor later toezicht;
4° "gedeeltelijke intrekking" : de beperking van een uniek veiligheidscertificaat of van een veiligheidsvergunning zoals bepaald in respectievelijk artikel 74/1, § 6, derde lid, en § 8, derde lid, van de Spoorcodex.
1° "uniek veiligheidscertificaat" : het certificaat bedoeld in artikel 3, 16°, van de Spoorcodex wanneer dit is afgeleverd door de veiligheidsinstantie overeenkomstig artikel 100 van de Spoorcodex;
2° "werkdagen" : alle dagen van de week met uitzondering van zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen;
3° "resterend aandachtspunt": een klein probleem dat is vastgesteld tijdens de beoordeling van een aanvraag van een veiligheidsvergunning, dat de afgifte van die vergunning niet in de weg staat en dat kan worden uitgesteld voor later toezicht;
4° "gedeeltelijke intrekking" : de beperking van een uniek veiligheidscertificaat of van een veiligheidsvergunning zoals bepaald in respectievelijk artikel 74/1, § 6, derde lid, en § 8, derde lid, van de Spoorcodex.
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° " certificat de sécurité unique " : le certificat visé à l'article 3, 16 °, du Code ferroviaire, lorsqu'il est délivré par l'autorité de sécurité conformément à l'article 100 du Code ferroviaire;
2° " jours ouvrables " : tous les jours de la semaine à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés légaux;
3° " point d'attention résiduel " : un problème mineur, mis en évidence au cours de l'évaluation d'une demande d'agrément de sécurité, qui n'empêche pas la délivrance et peut être différé pour une surveillance ultérieure;
4° " retrait partiel " : la restriction d'un certificat de sécurité unique ou d'un agrément de sécurité, telle que fixée respectivement à l'article 74/1, § 6, alinéa 3, et § 8, alinéa 3, du Code ferroviaire.
1° " certificat de sécurité unique " : le certificat visé à l'article 3, 16 °, du Code ferroviaire, lorsqu'il est délivré par l'autorité de sécurité conformément à l'article 100 du Code ferroviaire;
2° " jours ouvrables " : tous les jours de la semaine à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés légaux;
3° " point d'attention résiduel " : un problème mineur, mis en évidence au cours de l'évaluation d'une demande d'agrément de sécurité, qui n'empêche pas la délivrance et peut être différé pour une surveillance ultérieure;
4° " retrait partiel " : la restriction d'un certificat de sécurité unique ou d'un agrément de sécurité, telle que fixée respectivement à l'article 74/1, § 6, alinéa 3, et § 8, alinéa 3, du Code ferroviaire.
HOOFDSTUK 2. - Afgifte, vernieuwing en herziening van een veiligheidsvergunning
CHAPITRE 2. - Délivrance, renouvellement et révision d'un agrément de sécurité
Afdeling 1. - Taken van de veiligheidsinstantie
Section 1re. - Tâches de l'autorité de sécurité
Art. 3. Voor de afgifte van veiligheidsvergunningen verzamelt de veiligheidsinstantie de volgende informatie:
a) alle relevante informatie over de verschillende stappen van de beoordelingsprocedure van de aanvraag, met inbegrip van de motivering van alle in de loop van die procedure genomen besluiten, zoals inspecties, alsook de gebruiksbeperkingen of -voorwaarden die in de veiligheidsvergunning moeten worden opgenomen;
b) het resultaat van de beoordelingsprocedure van de aanvraag, met inbegrip van de samenvattende conclusies en, in voorkomend geval, een advies over de afgifte van de veiligheidsvergunning.
a) alle relevante informatie over de verschillende stappen van de beoordelingsprocedure van de aanvraag, met inbegrip van de motivering van alle in de loop van die procedure genomen besluiten, zoals inspecties, alsook de gebruiksbeperkingen of -voorwaarden die in de veiligheidsvergunning moeten worden opgenomen;
b) het resultaat van de beoordelingsprocedure van de aanvraag, met inbegrip van de samenvattende conclusies en, in voorkomend geval, een advies over de afgifte van de veiligheidsvergunning.
Art. 3. Aux fins de la délivrance d'agréments de sécurité, l'autorité de sécurité compile les éléments suivants :
a) toutes les informations pertinentes concernant les différentes étapes de la procédure d'évaluation de la demande, notamment les motifs de toute décision prise au cours de cette procédure, telle que des inspections, ainsi que toute restriction ou condition d'utilisation à préciser dans l'agrément de sécurité;
b) le résultat de la procédure d'évaluation de la demande, y compris le résumé des conclusions et, le cas échéant, un avis concernant la délivrance de l'agrément de sécurité.
a) toutes les informations pertinentes concernant les différentes étapes de la procédure d'évaluation de la demande, notamment les motifs de toute décision prise au cours de cette procédure, telle que des inspections, ainsi que toute restriction ou condition d'utilisation à préciser dans l'agrément de sécurité;
b) le résultat de la procédure d'évaluation de la demande, y compris le résumé des conclusions et, le cas échéant, un avis concernant la délivrance de l'agrément de sécurité.
Art. 4. De veiligheidsinstantie stelt op haar internetsite gratis een handleiding voor de aanvrager ter beschikking, met inbegrip van modellen, met een toelichting betreffende de eisen voor de afgifte van een veiligheidsvergunning en de vereiste documenten en werkt deze bij.
De handleiding voor de aanvrager bevat een lijst met relevante bepalingen inzake de procedure die van toepassing zijn op de aanvraag van een veiligheidsvergunning.
Het vermeldt eveneens de regelingen inzake de communicatie tussen de veiligheidsinstantie en de aanvrager, zoals de contactpersonen of de middelen die voor de communicatie kunnen worden gebruikt.
Deze handleiding kan worden opgesteld overeenkomstig het model van handleiding opgesteld door het Spoorwegbureau van de Europese Unie.
De handleiding voor de aanvrager bevat een lijst met relevante bepalingen inzake de procedure die van toepassing zijn op de aanvraag van een veiligheidsvergunning.
Het vermeldt eveneens de regelingen inzake de communicatie tussen de veiligheidsinstantie en de aanvrager, zoals de contactpersonen of de middelen die voor de communicatie kunnen worden gebruikt.
Deze handleiding kan worden opgesteld overeenkomstig het model van handleiding opgesteld door het Spoorwegbureau van de Europese Unie.
Art. 4. L'autorité de sécurité met gratuitement à disposition sur son site internet et tient à jour un guide du demandeur, y compris des modèles, expliquant les exigences pour l'obtention des agréments de sécurité et les documents requis.
Le guide du demandeur liste les dispositions pertinentes en matière de procédure qui s'appliquent à la demande d'agrément de sécurité.
Il mentionne également les modalités de communication entre l'autorité de sécurité et le demandeur, telles que des personnes de contacts ou les moyens pouvant être utilisés pour la communication.
Ce guide peut être établi conformément au modèle de guide établi par l'Agence de l'Union européenne pour les chemins de fer.
Le guide du demandeur liste les dispositions pertinentes en matière de procédure qui s'appliquent à la demande d'agrément de sécurité.
Il mentionne également les modalités de communication entre l'autorité de sécurité et le demandeur, telles que des personnes de contacts ou les moyens pouvant être utilisés pour la communication.
Ce guide peut être établi conformément au modèle de guide établi par l'Agence de l'Union européenne pour les chemins de fer.
Art. 5. Bij de beoordeling van aanvragen kan de veiligheidsinstantie rekening houden met andere types vergunningen, certificaten en andere relevante documenten die door de infrastructuurbeheerder of zijn contractanten zijn afgeleverd, andere dan de elementen bedoeld in artikel 8, en die overeenkomstig de pertinente bepalingen van Unierecht zijn afgegeven, als bewijs dat zij in staat zijn te voldoen aan de vastgestelde vereisten:
a) hetzij voor elke herziening andere dan deze bedoeld in punt b), van een veiligheidsvergunning afgeleverd vóór 31 oktober 2020 en tot aan de vervaldatum ervan, aan de bijlage 2 van de Verordening (EU) nr. 1169/2010 van de Commissie van 10 december 2010 betreffende een gemeenschappelijke veiligheidsmethode ter beoordeling van de conformiteit met de vereisten voor de verkrijging van een veiligheidsvergunning voor spoorwegen;
b) hetzij, voor elke nieuwe aanvraag van een veiligheidsvergunning, voor elke aanvraag tot vernieuwing, of elke aanvraag tot herziening als gevolg van een substantiële wijziging van de subsystemen infrastructuur, seingeving of energie of van de beginselen die van toepassing zijn op de exploitatie en het onderhoud ervan, aan de bijlage 2 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/762 van de Commissie van 8 maart 2018 tot vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden inzake de eisen voor veiligheidsbeheersystemen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 1158/2010 en (EU) nr. 1169/2010.
a) hetzij voor elke herziening andere dan deze bedoeld in punt b), van een veiligheidsvergunning afgeleverd vóór 31 oktober 2020 en tot aan de vervaldatum ervan, aan de bijlage 2 van de Verordening (EU) nr. 1169/2010 van de Commissie van 10 december 2010 betreffende een gemeenschappelijke veiligheidsmethode ter beoordeling van de conformiteit met de vereisten voor de verkrijging van een veiligheidsvergunning voor spoorwegen;
b) hetzij, voor elke nieuwe aanvraag van een veiligheidsvergunning, voor elke aanvraag tot vernieuwing, of elke aanvraag tot herziening als gevolg van een substantiële wijziging van de subsystemen infrastructuur, seingeving of energie of van de beginselen die van toepassing zijn op de exploitatie en het onderhoud ervan, aan de bijlage 2 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/762 van de Commissie van 8 maart 2018 tot vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden inzake de eisen voor veiligheidsbeheersystemen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 1158/2010 en (EU) nr. 1169/2010.
Art. 5. Lors de l'évaluation des demandes, l'autorité de sécurité peut tenir compte d'autres types d'agréments, de certificats et tout autre document pertinent fournis par le gestionnaire de l'infrastructure ou ses contractants que les éléments visés à l'article 8, octroyés conformément aux dispositions pertinentes du droit de l'Union, comme preuve de sa capacité à satisfaire aux exigences définies :
a) soit, pour toute révision autre que celle visée au point b), d'un agrément de sécurité délivré avant le 31 octobre 2020, et jusqu'à la date d'expiration de celui-ci, à l'annexe 2 du Règlement (UE) n° 1169/2010 de la Commission du 10 décembre 2010 relatif à une méthode de sécurité commune pour l'évaluation de la conformité aux exigences pour l'obtention d'un agrément de sécurité ferroviaire ;
b) soit, pour toute nouvelle demande d'agrément de sécurité, pour toute demande de renouvellement ou pour toute demande de révision due à une modification substantielle des sous-systèmes infrastructure, signalisation ou énergie, ou des principes applicables à leur exploitation et à leur entretien, à l'annexe 2 du Règlement délégué (UE) 2018/762 de la Commission du 8 mars 2018 établissant des méthodes de sécurité communes relatives aux exigences en matière de système de gestion de la sécurité conformément à la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant les Règlements de la Commission (UE) n° 1158/2010 et (UE) n° 1169/2010.
a) soit, pour toute révision autre que celle visée au point b), d'un agrément de sécurité délivré avant le 31 octobre 2020, et jusqu'à la date d'expiration de celui-ci, à l'annexe 2 du Règlement (UE) n° 1169/2010 de la Commission du 10 décembre 2010 relatif à une méthode de sécurité commune pour l'évaluation de la conformité aux exigences pour l'obtention d'un agrément de sécurité ferroviaire ;
b) soit, pour toute nouvelle demande d'agrément de sécurité, pour toute demande de renouvellement ou pour toute demande de révision due à une modification substantielle des sous-systèmes infrastructure, signalisation ou énergie, ou des principes applicables à leur exploitation et à leur entretien, à l'annexe 2 du Règlement délégué (UE) 2018/762 de la Commission du 8 mars 2018 établissant des méthodes de sécurité communes relatives aux exigences en matière de système de gestion de la sécurité conformément à la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant les Règlements de la Commission (UE) n° 1158/2010 et (UE) n° 1169/2010.
Afdeling 2. - Verzoek tot voorafgaande raadpleging
Section 2. - Demande de consultation préalable
Art. 6. Elke infrastructuurbeheerder kan, alvorens een aanvraag van veiligheidsvergunning in te dienen, bij de veiligheidsinstantie een verzoek tot voorafgaande raadpleging indienen om toelichting te bekomen over de informatie en de vereisten opgenomen in de handleiding voor de aanvrager en in dit besluit, over de stappen van de procedure voor de afgifte van een veiligheidsvergunning.
Hij voegt bij zijn verzoek de informatie opgesomd in de punten 1 tot 5 van de bijlage 1.
De veiligheidsinstantie geeft de toelichting waarom gevraagd wordt.
Hij voegt bij zijn verzoek de informatie opgesomd in de punten 1 tot 5 van de bijlage 1.
De veiligheidsinstantie geeft de toelichting waarom gevraagd wordt.
Art. 6. Tout gestionnaire de l'infrastructure peut, avant de soumettre une demande d'agrément de sécurité, soumettre à l'autorité de sécurité une demande de consultation préalable visant à obtenir des éclaircissements sur les informations et les exigences contenues dans le guide du demandeur et dans le présent arrêté, concernant les étapes de la procédure pour la délivrance d'un agrément de sécurité.
Il joint à sa demande les informations énumérées aux points 1er à 5 de l'annexe 1re.
L'autorité de sécurité fournit tous les éclaircissements demandés.
Il joint à sa demande les informations énumérées aux points 1er à 5 de l'annexe 1re.
L'autorité de sécurité fournit tous les éclaircissements demandés.
Afdeling 3. - Indiening van een aanvraag
Section 3. - Dépôt d'une demande
Art. 7. De aanvrager dient zijn aanvraag van veiligheidsvergunning, herziening of vernieuwing van zo'n vergunning in bij de veiligheidsinstantie bij middel van een formulier dat door haar wordt ter beschikking gesteld, vóór de volgende data, naargelang het geval:
a) de geplande aanvangsdatum van de exploitatie van een nieuw netwerk;
b) de geplande aanvangsdatum van de exploitatie van een netwerk onder andere dan de in de geldige veiligheidsvergunning beschreven voorwaarden, na een belangrijke wijziging van de subsystemen infrastructuur, seingeving of energie, of van de van toepassing zijnde exploitatie- en onderhoudsprincipes;
c) vier maanden vóór de vervaldatum van de geldige veiligheidsvergunning.
De infrastructuurbeheerder maakt steeds, tegelijkertijd met de officiële aanvraag ingediend overeenkomstig artikel 24, steeds een elektronische versie van de aanvraag van veiligheidsvergunning over aan de veiligheidsinstantie.
Als de elektronische versie niet compatibel is met het uitleessysteem van de veiligheidsinstantie, informeert die de infrastructuurbeheerder die dan kosteloos de benodigde software verschaft.
a) de geplande aanvangsdatum van de exploitatie van een nieuw netwerk;
b) de geplande aanvangsdatum van de exploitatie van een netwerk onder andere dan de in de geldige veiligheidsvergunning beschreven voorwaarden, na een belangrijke wijziging van de subsystemen infrastructuur, seingeving of energie, of van de van toepassing zijnde exploitatie- en onderhoudsprincipes;
c) vier maanden vóór de vervaldatum van de geldige veiligheidsvergunning.
De infrastructuurbeheerder maakt steeds, tegelijkertijd met de officiële aanvraag ingediend overeenkomstig artikel 24, steeds een elektronische versie van de aanvraag van veiligheidsvergunning over aan de veiligheidsinstantie.
Als de elektronische versie niet compatibel is met het uitleessysteem van de veiligheidsinstantie, informeert die de infrastructuurbeheerder die dan kosteloos de benodigde software verschaft.
Art. 7. Le demandeur soumet sa demande d'agrément de sécurité, ou de révision ou de renouvellement d'un tel agrément, à l'autorité de sécurité, au moyen du formulaire mis à disposition par celle-ci, avant les dates suivantes, selon le cas :
a) la date prévue pour le début de l'exploitation d'un nouveau réseau;
b) la date prévue pour le début de l'exploitation d'un réseau dans des conditions autres que celles prévues dans l'agrément de sécurité en cours de validité, à la suite d'une modification substantielle des sous-systèmes infrastructure, signalisation ou énergie, ou des principes applicables à leur exploitation et à leur entretien;
c) quatre mois avant la date d'expiration de l'agrément de sécurité en cours de validité.
Le gestionnaire de l'infrastructure transmet toujours à l'autorité de sécurité une version électronique de la demande d'agrément de sécurité en même temps que sa demande officielle soumise conformément à l'article 24.
Si la version électronique envoyée n'est pas compatible avec le système de lecture de l'autorité de sécurité, celle-ci en informe le gestionnaire de l'infrastructure qui lui fournit alors gratuitement le logiciel nécessaire.
a) la date prévue pour le début de l'exploitation d'un nouveau réseau;
b) la date prévue pour le début de l'exploitation d'un réseau dans des conditions autres que celles prévues dans l'agrément de sécurité en cours de validité, à la suite d'une modification substantielle des sous-systèmes infrastructure, signalisation ou énergie, ou des principes applicables à leur exploitation et à leur entretien;
c) quatre mois avant la date d'expiration de l'agrément de sécurité en cours de validité.
Le gestionnaire de l'infrastructure transmet toujours à l'autorité de sécurité une version électronique de la demande d'agrément de sécurité en même temps que sa demande officielle soumise conformément à l'article 24.
Si la version électronique envoyée n'est pas compatible avec le système de lecture de l'autorité de sécurité, celle-ci en informe le gestionnaire de l'infrastructure qui lui fournit alors gratuitement le logiciel nécessaire.
Art. 8. Wanneer hij een aanvraag indient voor een nieuwe veiligheidsvergunning, deelt de aanvrager de informatie opgesomd in bijlage 1 mee.
Art. 8. Lorsqu'il soumet une demande de nouvel agrément de sécurité, le demandeur communique les informations énumérées à l'annexe 1re.
Art. 9. Wanneer hij een aanvraag indient voor herziening of vernieuwing van een veiligheidsvergunning, beschrijft de aanvrager de informatie opgesomd in bijlage 1 en vermeldt hij op welke punten zijn veiligheidsbeheersysteem sinds de afgifte van de geldige vergunning is gewijzigd.
De veiligheidsinstantie beslist of het nodig is het volledige aanvraagdossier opnieuw te beoordelen:
1° als de wijzigingen bedoeld in het eerste lid een negatieve invloed kunnen hebben op de veiligheidsprestaties of tot ernstige veiligheidsrisico's kunnen leiden; of
2° als zij in het kader van haar toezichtsactiviteiten andere bekommernissen constateert.
De veiligheidsinstantie beslist of het nodig is het volledige aanvraagdossier opnieuw te beoordelen:
1° als de wijzigingen bedoeld in het eerste lid een negatieve invloed kunnen hebben op de veiligheidsprestaties of tot ernstige veiligheidsrisico's kunnen leiden; of
2° als zij in het kader van haar toezichtsactiviteiten andere bekommernissen constateert.
Art. 9. Lorsqu'il soumet une demande de révision ou de renouvellement d'un agrément de sécurité, le demandeur communique les informations énumérées à l'annexe 1re et décrit les modifications apportées à son système de gestion de la sécurité depuis la délivrance de l'agrément en cours de validité.
L'autorité de sécurité décide s'il convient de réévaluer l'ensemble du dossier de demande :
1° si les modifications visées à l'alinéa 1er sont susceptibles de nuire aux performances en matière de sécurité ou d'engendrer des risques graves pour la sécurité; ou
2° si elle décèle tout autre sujet de préoccupation dans le cadre de ses activités de surveillance.
L'autorité de sécurité décide s'il convient de réévaluer l'ensemble du dossier de demande :
1° si les modifications visées à l'alinéa 1er sont susceptibles de nuire aux performances en matière de sécurité ou d'engendrer des risques graves pour la sécurité; ou
2° si elle décèle tout autre sujet de préoccupation dans le cadre de ses activités de surveillance.
Art. 10. Wanneer het ingediende dossier kopieën bevat van documenten die door andere entiteiten dan de veiligheidsinstantie zijn afgegeven, bewaart de aanvrager de originelen gedurende ten minste vijf jaar na het einde van de geldigheidstermijn van de veiligheidsvergunning.
In het geval van een vernieuwing of herziening bewaart de aanvrager de originelen van documenten die met het oog op die aanvraag zijn ingediend en die door andere entiteiten dan de veiligheidsinstantie zijn afgegeven gedurende ten minste vijf jaar na het einde van de geldigheidstermijn van de vernieuwde of herziene veiligheidsvergunning.
De aanvrager stelt de originele documenten op verzoek ter beschikking van de veiligheidsinstantie.
In het geval van een vernieuwing of herziening bewaart de aanvrager de originelen van documenten die met het oog op die aanvraag zijn ingediend en die door andere entiteiten dan de veiligheidsinstantie zijn afgegeven gedurende ten minste vijf jaar na het einde van de geldigheidstermijn van de vernieuwde of herziene veiligheidsvergunning.
De aanvrager stelt de originele documenten op verzoek ter beschikking van de veiligheidsinstantie.
Art. 10. Lorsque le dossier soumis contient des copies de documents délivrés par des entités autres que l'autorité de sécurité, le demandeur conserve les originaux pendant au moins cinq ans après la fin de la période de validité de l'agrément de sécurité.
Dans le cas d'un renouvellement ou d'une révision, le demandeur conserve les originaux des documents soumis pour la demande en question et délivrés par des entités autres que l'autorité de sécurité pendant au moins cinq ans après la fin de la période de validité de l'agrément de sécurité renouvelé ou révisé.
Le demandeur met à disposition ces documents originaux à la demande de l'autorité de sécurité.
Dans le cas d'un renouvellement ou d'une révision, le demandeur conserve les originaux des documents soumis pour la demande en question et délivrés par des entités autres que l'autorité de sécurité pendant au moins cinq ans après la fin de la période de validité de l'agrément de sécurité renouvelé ou révisé.
Le demandeur met à disposition ces documents originaux à la demande de l'autorité de sécurité.
Afdeling 4. - Termijnen en verloop van de procedure
Section 4. - Délais et étapes de la procédure
Art. 11. Voor de behandeling van de aanvragen tot afgifte, vernieuwing en herziening van een veiligheidsvergunning, past de veiligheidsinstantie de procedure als bepaald in de bijlage 2 toe.
Art. 11. Pour traiter les demandes de délivrance, de renouvellement et de révision d'un agrément de sécurité, l'autorité de sécurité applique la procédure définie à l'annexe 2.
Afdeling 5. - Nadere regels voor bezoeken en inspecties ter plaatse bij de infrastructuurbeheerder en voor audits
Section 5. - Modalités des visites et inspections sur les sites du gestionnaire de l'infrastructure et des audits
Art. 12. In het geval van bezoeken, inspecties of audits door de veiligheidsinstantie, wijst de aanvrager zijn vertegenwoordiger aan en geeft hij aan welke de geldende veiligheidsvoorschriften en -procedures zijn die de met het bezoek, de inspectie of de audit belaste personeelsleden van de veiligheidsinstantie in acht dienen te nemen.
De veiligheidsinstantie stelt het schema voor de bezoeken, inspecties en audits vast, rekening houdend met de beschikbaarheden van de aanvrager.
De veiligheidsinstantie stelt het schema voor de bezoeken, inspecties en audits vast, rekening houdend met de beschikbaarheden van de aanvrager.
Art. 12. Si l'autorité de sécurité mène des visites, inspections ou audits, le demandeur indique la personne qui le représente ainsi que les règles et procédures de sécurité en vigueur auxquelles doit se conformer le personnel de l'autorité de sécurité chargé d'effectuer la visite, l'inspection ou l'audit.
L'autorité de sécurité fixe le calendrier des visites, inspections et audits en tenant compte des disponibilités du demandeur.
L'autorité de sécurité fixe le calendrier des visites, inspections et audits en tenant compte des disponibilités du demandeur.
Art. 13. Als de veiligheidsinstantie een bezoek, inspectie of audit doet, stelt zij een verslag op over de knelpunten die tijdens de beoordeling aan het licht zijn gekomen en geeft zij aan of die door het tijdens het bezoek, de inspectie of de audit verstrekte bewijs zijn opgelost en, zo ja, op welke wijze.
Dat verslag kan ook melding maken van aanvullende knelpunten en kan voorzien dat de aanvrager deze oplost binnen een redelijke termijn die de veiligheidsinstantie vaststelt, rekening houdend met de complexiteit van de opgesomde knelpunten.
Dat verslag kan ook melding maken van aanvullende knelpunten en kan voorzien dat de aanvrager deze oplost binnen een redelijke termijn die de veiligheidsinstantie vaststelt, rekening houdend met de complexiteit van de opgesomde knelpunten.
Art. 13. Si l'autorité de sécurité réalise des visites, des inspections ou des audits, elle élabore un rapport présentant les questions recensées au cours de l'évaluation et précisant, au moyen d'éléments de preuve fournis au cours de la visite, de l'inspection ou de l'audit, si elles ont été résolues et, dans l'affirmative, de quelle manière.
Ce rapport peut également inclure des questions supplémentaires et prévoir que le demandeur les résout dans un délai raisonnable que l'autorité de sécurité fixe en prenant en considération la complexité des questions énumérées.
Ce rapport peut également inclure des questions supplémentaires et prévoir que le demandeur les résout dans un délai raisonnable que l'autorité de sécurité fixe en prenant en considération la complexité des questions énumérées.
Afdeling 6. - Categorisering van knelpunten
Section 6. - Catégorisation des questions
Art. 14. § 1. De veiligheidsinstantie categoriseert de tijdens de beoordeling van het aanvraagdossier geconstateerde knelpunten als volgt:
a) "Type 1": knelpunten waarvoor een antwoord van de aanvrager nodig is om het aanvraagdossier beter te kunnen begrijpen;
b) "Type 2": knelpunten die kunnen leiden tot een wijziging van het aanvraagdossier of beperkte maatregelen van de aanvrager; de keuze van de te nemen maatregelen wordt overgelaten aan het oordeel van de aanvrager en vormt geen belemmering voor de afgifte van de veiligheidsvergunning;
c) "Type 3": knelpunten die specifieke maatregelen van de aanvrager vergen en waarvan de uitvoering mag worden uitgesteld tot een datum na de afgifte van de veiligheidsvergunning; de aanvrager stelt aan de veiligheidsinstantie de maatregelen voor om een knelpunt op te lossen waarover de veiligheidsinstantie beslist of zij deze al dan niet aanvaardt;
d) "Type 4": knelpunten waarvoor het aanvraagdossier moet worden gewijzigd of waarvoor de aanvrager specifieke maatregelen moet nemen; er wordt geen veiligheidsvergunning afgegeven behalve wanneer het knelpunt is opgelost door een bijwerking van het aanvraagdossier of wanneer in de veiligheidsvergunning gebruiksbeperkingen of -voorwaarden zijn opgenomen die rekening houden met het knelpunt; de aanvrager stelt aan de veiligheidsinstantie de maatregelen voor om een knelpunt op te lossen waarover de veiligheidsinstantie beslist of zij deze al dan niet aanvaardt.
§ 2. Op basis van het antwoord van de aanvrager of de maatregelen die de aanvrager naar aanleiding van het knelpunt heeft genomen, herbekijkt de veiligheidsinstantie haar beoordeling van de geconstateerde knelpunten, deelt zij ze desgevallend in een andere categorie in en kent zij aan elk knelpunt een van de volgende statussen toe:
a) "openstaand knelpunt" wanneer de door de aanvrager verstrekte elementen ontoereikend zijn en er aanvullende informatie vereist is;
b) "resterend aandachtspunt " zoals beschreven in artikel 2, punt 3° ;
c) "opgelost knelpunt" als de aanvrager een bevredigend antwoord heeft verstrekt en alle resterende aandachtspunten zijn weggewerkt.
§ 3. De veiligheidsinstantie kan tijdens het toezicht rekening houden met de resterende aandachtspunten en/of zij kan maatregelen bevelen, rekening houdend met het advies van de aanvrager, in functie van diens voorstel tot bijwerking van het aanvraagdossier.
In dergelijk geval komt de officiële oplossing van het knelpunt na de afgifte van de veiligheidsvergunning.
Om dat te doen dient de aanvrager bij de veiligheidsinstantie een aanvraagdossier in tot herziening van zijn veiligheidsvergunning van zodra alle resterende aandachtspunten zijn opgelost.
a) "Type 1": knelpunten waarvoor een antwoord van de aanvrager nodig is om het aanvraagdossier beter te kunnen begrijpen;
b) "Type 2": knelpunten die kunnen leiden tot een wijziging van het aanvraagdossier of beperkte maatregelen van de aanvrager; de keuze van de te nemen maatregelen wordt overgelaten aan het oordeel van de aanvrager en vormt geen belemmering voor de afgifte van de veiligheidsvergunning;
c) "Type 3": knelpunten die specifieke maatregelen van de aanvrager vergen en waarvan de uitvoering mag worden uitgesteld tot een datum na de afgifte van de veiligheidsvergunning; de aanvrager stelt aan de veiligheidsinstantie de maatregelen voor om een knelpunt op te lossen waarover de veiligheidsinstantie beslist of zij deze al dan niet aanvaardt;
d) "Type 4": knelpunten waarvoor het aanvraagdossier moet worden gewijzigd of waarvoor de aanvrager specifieke maatregelen moet nemen; er wordt geen veiligheidsvergunning afgegeven behalve wanneer het knelpunt is opgelost door een bijwerking van het aanvraagdossier of wanneer in de veiligheidsvergunning gebruiksbeperkingen of -voorwaarden zijn opgenomen die rekening houden met het knelpunt; de aanvrager stelt aan de veiligheidsinstantie de maatregelen voor om een knelpunt op te lossen waarover de veiligheidsinstantie beslist of zij deze al dan niet aanvaardt.
§ 2. Op basis van het antwoord van de aanvrager of de maatregelen die de aanvrager naar aanleiding van het knelpunt heeft genomen, herbekijkt de veiligheidsinstantie haar beoordeling van de geconstateerde knelpunten, deelt zij ze desgevallend in een andere categorie in en kent zij aan elk knelpunt een van de volgende statussen toe:
a) "openstaand knelpunt" wanneer de door de aanvrager verstrekte elementen ontoereikend zijn en er aanvullende informatie vereist is;
b) "resterend aandachtspunt " zoals beschreven in artikel 2, punt 3° ;
c) "opgelost knelpunt" als de aanvrager een bevredigend antwoord heeft verstrekt en alle resterende aandachtspunten zijn weggewerkt.
§ 3. De veiligheidsinstantie kan tijdens het toezicht rekening houden met de resterende aandachtspunten en/of zij kan maatregelen bevelen, rekening houdend met het advies van de aanvrager, in functie van diens voorstel tot bijwerking van het aanvraagdossier.
In dergelijk geval komt de officiële oplossing van het knelpunt na de afgifte van de veiligheidsvergunning.
Om dat te doen dient de aanvrager bij de veiligheidsinstantie een aanvraagdossier in tot herziening van zijn veiligheidsvergunning van zodra alle resterende aandachtspunten zijn opgelost.
Art. 14. § 1er. L'autorité de sécurité catégorise les questions recensées au cours de l'évaluation du dossier de demande de la manière suivante :
a) " Type 1 " : questions qui nécessitent une réponse du demandeur afin de mieux comprendre le dossier de demande;
b) " Type 2 " : questions susceptibles d'entraîner une modification du dossier de demande ou une action mineure de la part du demandeur; l'action à exécuter est laissée à l'appréciation du demandeur et n'empêche pas la délivrance de l'agrément de sécurité;
c) " Type 3 " : questions qui nécessitent une action spécifique de la part du demandeur dont l'accomplissement peut être repoussé à une date ultérieure à l'octroi de l'agrément de sécurité; le demandeur propose à l'autorité de sécurité les mesures visant à résoudre la question, que l'autorité de sécurité décide ou non d'accepter;
d) " Type 4 " : questions qui nécessitent une modification du dossier de demande ou une action spécifique de la part du demandeur; l'agrément de sécurité n'est pas octroyé sauf si la question est résolue par une mise à jour du dossier de demande, ou si des restrictions ou des conditions d'utilisation tenant compte de la question sont incluses dans l'agrément; le demandeur propose à l'autorité de sécurité les mesures visant à résoudre la question que l'autorité de sécurité décide ou non d'accepter.
§ 2. Une fois la réponse apportée ou les mesures accomplies par le demandeur, en fonction de la question, l'autorité de sécurité réévalue les questions soulevées, les reclassifie le cas échéant et attribue à chacune d'entre elles un des statuts suivants :
a) " question en suspens " si les éléments fournis par le demandeur ne sont pas satisfaisants et que des informations complémentaires sont nécessaires;
b) " point d'attention résiduel " tel que défini à l'article 2, 3° ;
c) " question résolue " si le demandeur a fourni une réponse satisfaisante et qu'aucun point d'attention résiduel ne demeure.
§ 3. L'autorité de sécurité peut prendre en considération les points d'attention résiduels lors de la surveillance et/ou elle peut arrêter des mesures en prenant en compte l'avis du demandeur, en fonction de la proposition de mise à jour du dossier de demande de ce dernier.
En pareil cas, la résolution officielle de la question est postérieure à la délivrance de l'agrément de sécurité.
Pour ce faire, le demandeur soumet un dossier de demande de révision de son agrément de sécurité auprès de l'autorité de sécurité une fois que tous les points d'attention résiduels ont été résolus.
a) " Type 1 " : questions qui nécessitent une réponse du demandeur afin de mieux comprendre le dossier de demande;
b) " Type 2 " : questions susceptibles d'entraîner une modification du dossier de demande ou une action mineure de la part du demandeur; l'action à exécuter est laissée à l'appréciation du demandeur et n'empêche pas la délivrance de l'agrément de sécurité;
c) " Type 3 " : questions qui nécessitent une action spécifique de la part du demandeur dont l'accomplissement peut être repoussé à une date ultérieure à l'octroi de l'agrément de sécurité; le demandeur propose à l'autorité de sécurité les mesures visant à résoudre la question, que l'autorité de sécurité décide ou non d'accepter;
d) " Type 4 " : questions qui nécessitent une modification du dossier de demande ou une action spécifique de la part du demandeur; l'agrément de sécurité n'est pas octroyé sauf si la question est résolue par une mise à jour du dossier de demande, ou si des restrictions ou des conditions d'utilisation tenant compte de la question sont incluses dans l'agrément; le demandeur propose à l'autorité de sécurité les mesures visant à résoudre la question que l'autorité de sécurité décide ou non d'accepter.
§ 2. Une fois la réponse apportée ou les mesures accomplies par le demandeur, en fonction de la question, l'autorité de sécurité réévalue les questions soulevées, les reclassifie le cas échéant et attribue à chacune d'entre elles un des statuts suivants :
a) " question en suspens " si les éléments fournis par le demandeur ne sont pas satisfaisants et que des informations complémentaires sont nécessaires;
b) " point d'attention résiduel " tel que défini à l'article 2, 3° ;
c) " question résolue " si le demandeur a fourni une réponse satisfaisante et qu'aucun point d'attention résiduel ne demeure.
§ 3. L'autorité de sécurité peut prendre en considération les points d'attention résiduels lors de la surveillance et/ou elle peut arrêter des mesures en prenant en compte l'avis du demandeur, en fonction de la proposition de mise à jour du dossier de demande de ce dernier.
En pareil cas, la résolution officielle de la question est postérieure à la délivrance de l'agrément de sécurité.
Pour ce faire, le demandeur soumet un dossier de demande de révision de son agrément de sécurité auprès de l'autorité de sécurité une fois que tous les points d'attention résiduels ont été résolus.
HOOFDSTUK 3. - Verlenging, intrekking of opschorting van een veiligheidsvergunning of een uniek veiligheidscertificaat
CHAPITRE 3. - Prorogation, retrait ou suspension d'un agrément de sécurité ou d'un certificat de sécurité unique
Afdeling 1. - Verlenging
Section 1re. - Prorogation
Art. 15. Als het onderzoek van de aanvraag tot vernieuwing van een veiligheidsvergunning of van een uniek veiligheidscertificaat het noodzakelijk maakt, kan de veiligheidsinstantie ambtshalve beslissen om de veiligheidsvergunning of het uniek veiligheidscertificaat één of meerdere malen te verlengen voor een totale tijdspanne van maximum één jaar.
Art. 15. Si l'examen de la demande de renouvellement d'un agrément de sécurité ou d'un certificat de sécurité unique le nécessite, l'autorité de sécurité peut décider d'office de proroger une ou plusieurs fois l'agrément de sécurité ou le certificat de sécurité unique pour une période totale maximale d'un an.
Afdeling 2. - Intrekking
Section 2. - Retrait
Onderafdeling 1. - Intrekking van de veiligheidsvergunning
Sous-section 1re. - Retrait de l'agrément de sécurité
Art. 16. Onverminderd artikel 74/1, § 7, van de Spoorcodex en in de gevallen bedoeld in de artikelen 74/1, § 8, en 96, vijfde lid, van de Spoorcodex, kan de veiligheidsinstantie zich uitspreken over de gedeeltelijke of gehele intrekking van een veiligheidsvergunning volgens de procedure bedoeld in onderafdeling 3.
De intrekking van een veiligheidsvergunning kan geheel zijn of, in voorkomend geval, beperkt zijn tot een deel van het spoorwegnetwerk.
De intrekking van een veiligheidsvergunning kan geheel zijn of, in voorkomend geval, beperkt zijn tot een deel van het spoorwegnetwerk.
Art. 16. Sans préjudice de l'article 74/1, § 7, du Code ferroviaire et dans les cas visés aux articles, 74/1, § 8, et 96, alinéa 5, du Code ferroviaire, l'autorité de sécurité peut prononcer le retrait partiel ou total de l'agrément de sécurité selon la procédure visée à la sous-section 3.
Le retrait d'un agrément de sécurité peut être total ou, le cas échéant, être limité à une partie du réseau ferroviaire.
Le retrait d'un agrément de sécurité peut être total ou, le cas échéant, être limité à une partie du réseau ferroviaire.
Art. 17. Wanneer een spoorwegonderneming een abnormale of gevaarlijke situatie of feit vaststelt, begaan of veroorzaakt door de infrastructuurbeheerder, met een mogelijk risico voor de veiligheid van de spoorwegexploitatie, meldt zij dit schriftelijk aan de infrastructuurbeheerder.
Als de infrastructuurbeheerder niet binnen de dertig dagen na de informatie bedoeld in het eerste lid reageert of als de spoorwegonderneming van oordeel is dat de door de infrastructuurbeheerder genomen maatregelen niet toelaten te verhelpen aan het risico voor de veiligheid van de spoorwegexploitatie, kan zij de veiligheidsinstantie schriftelijk op de hoogte brengen.
Als de infrastructuurbeheerder niet binnen de dertig dagen na de informatie bedoeld in het eerste lid reageert of als de spoorwegonderneming van oordeel is dat de door de infrastructuurbeheerder genomen maatregelen niet toelaten te verhelpen aan het risico voor de veiligheid van de spoorwegexploitatie, kan zij de veiligheidsinstantie schriftelijk op de hoogte brengen.
Art. 17. Lorsqu'une entreprise ferroviaire constate une situation ou un fait anormal ou dangereux commis ou provoqués par le gestionnaire d'infrastructure, susceptible de constituer un risque pour la sécurité d'exploitation ferroviaire, elle en informe par écrit le gestionnaire de l'infrastructure.
Si le gestionnaire de l'infrastructure ne répond pas endéans les trente jours suivant l'information visée à l'alinéa 1er ou si l'entreprise ferroviaire estime que les mesures prises par le gestionnaire de l'infrastructure ne permettent pas de remédier au risque pour la sécurité d'exploitation ferroviaire, elle peut en informer par écrit l'autorité de sécurité.
Si le gestionnaire de l'infrastructure ne répond pas endéans les trente jours suivant l'information visée à l'alinéa 1er ou si l'entreprise ferroviaire estime que les mesures prises par le gestionnaire de l'infrastructure ne permettent pas de remédier au risque pour la sécurité d'exploitation ferroviaire, elle peut en informer par écrit l'autorité de sécurité.
Onderafdeling 2. - Intrekking van het uniek veiligheidscertificaat
Sous-section 2. - Retrait du certificat de sécurité unique
Art. 18. Onverminderd artikel 74/1, § 7, van de Spoorcodex en in de gevallen bedoeld in de artikelen 74/1, § 6, en 100, § 3, van de Spoorcodex kan de veiligheidsinstantie zich uitspreken over de gedeeltelijke of gehele intrekking van een uniek veiligheidscertificaat volgens de procedure bedoeld in onderafdeling 3.
De intrekking van een uniek veiligheidscertificaat kan geheel zijn of beperkt zijn tot één of meerdere types van activiteiten of tot één of meerdere bediende lijnen.
De intrekking van een uniek veiligheidscertificaat kan geheel zijn of beperkt zijn tot één of meerdere types van activiteiten of tot één of meerdere bediende lijnen.
Art. 18. Sans préjudice de l'article 74/1, § 7, du Code ferroviaire et dans les cas visés aux articles 74/1, § 6, et 100, § 3, du Code ferroviaire, l'autorité de sécurité peut prononcer le retrait partiel ou total du certificat de sécurité unique, selon la procédure visée à la sous-section 3.
Le retrait d'un certificat de sécurité unique peut être total ou être limité à un ou plusieurs types d'activités ou à une ou plusieurs des lignes desservies.
Le retrait d'un certificat de sécurité unique peut être total ou être limité à un ou plusieurs types d'activités ou à une ou plusieurs des lignes desservies.
Art. 19. Wanneer de betrokken infrastructuurbeheerder vaststelt dat een spoorwegonderneming feiten heeft gepleegd die een inbreuk op de spoorwegreglementering kunnen vormen, stelt hij de veiligheidsinstantie daarvan in kennis.
Art. 19. Lorsque le gestionnaire de l'infrastructure concerné constate la commission par une entreprise ferroviaire de faits susceptibles de constituer une infraction à la réglementation ferroviaire, il en informe l'autorité de sécurité.
Onderafdeling 3. - Intrekkingsprocedure
Sous-section 3. - Procédure de retrait
Art. 20. § 1. Binnen vijftien dagen na de dag van vaststelling van één van de gevallen bedoeld in de onderafdelingen 1 en 2, stelt de veiligheidsinstantie de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming in kennis van haar voornemen om de veiligheidsvergunning of het uniek veiligheidscertificaat geheel of gedeeltelijk in te trekken en vermeldt zij de redenen hiervoor.
§ 2. De veiligheidsinstantie nodigt de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming uit om schriftelijk zijn of haar opmerkingen over te maken binnen een termijn van vijftien dagen na de dag van kennisname van deze kennisgeving.
Deze termijn wordt verlengd met vijftien dagen als de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming geen zetel heeft in België.
De veiligheidsinstantie brengt de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming er eveneens van op de hoogte dat hij/zij kan verzoeken om:
1° de documenten te raadplegen die aan de basis liggen van het voornemen om de intrekking geheel of gedeeltelijk uit te spreken alsook hiervan kopieën te verkrijgen;
2° gehoord te worden op voorwaarde dat hiertoe een schriftelijk verzoek wordt ingediend bij de veiligheidsinstantie uiterlijk binnen de termijn bedoeld in het eerste of tweede lid.
Als de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming verzoekt om gehoord te worden, roept de veiligheidsinstantie hem/haar op uiterlijk binnen de vijftien dagen die volgen op de dag waarop zij kennis heeft genomen van dat verzoek.
De betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming kan zich laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een raadsman, en kan getuigen oproepen.
§ 3. Als de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming meent dat hij/zij onvoldoende tijd heeft om zijn/haar verdediging voor te bereiden, richt hij/zij zich tot de veiligheidsinstantie, ten laatste op de dag waarop de termijn bedoeld in paragraaf 2, eerste of tweede lid verstrijkt, met een schriftelijk, gemotiveerd verzoek om een verlenging van maximaal vijftien dagen te bekomen.
De veiligheidsinstantie beslist binnen vijf werkdagen vanaf de ontvangst van dit verzoek.
Als zij geen beslissing neemt binnen die termijn, wordt de beslissing geacht positief te zijn.
In geval van een positieve beslissing, gaat de in het eerste lid bedoelde verlenging in:
1° bij het verstrijken van de termijnen bedoeld in paragraaf 2, eerste of tweede lid; of
2° op de dag na de kennisgeving van de beslissing of op de dag na het verstrijken van de termijn bedoeld in het tweede lid, als deze kennisgeving plaatsvindt of de termijn verstrijkt op of na de vervaldatum bedoeld in 1°.
§ 2. De veiligheidsinstantie nodigt de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming uit om schriftelijk zijn of haar opmerkingen over te maken binnen een termijn van vijftien dagen na de dag van kennisname van deze kennisgeving.
Deze termijn wordt verlengd met vijftien dagen als de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming geen zetel heeft in België.
De veiligheidsinstantie brengt de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming er eveneens van op de hoogte dat hij/zij kan verzoeken om:
1° de documenten te raadplegen die aan de basis liggen van het voornemen om de intrekking geheel of gedeeltelijk uit te spreken alsook hiervan kopieën te verkrijgen;
2° gehoord te worden op voorwaarde dat hiertoe een schriftelijk verzoek wordt ingediend bij de veiligheidsinstantie uiterlijk binnen de termijn bedoeld in het eerste of tweede lid.
Als de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming verzoekt om gehoord te worden, roept de veiligheidsinstantie hem/haar op uiterlijk binnen de vijftien dagen die volgen op de dag waarop zij kennis heeft genomen van dat verzoek.
De betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming kan zich laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een raadsman, en kan getuigen oproepen.
§ 3. Als de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming meent dat hij/zij onvoldoende tijd heeft om zijn/haar verdediging voor te bereiden, richt hij/zij zich tot de veiligheidsinstantie, ten laatste op de dag waarop de termijn bedoeld in paragraaf 2, eerste of tweede lid verstrijkt, met een schriftelijk, gemotiveerd verzoek om een verlenging van maximaal vijftien dagen te bekomen.
De veiligheidsinstantie beslist binnen vijf werkdagen vanaf de ontvangst van dit verzoek.
Als zij geen beslissing neemt binnen die termijn, wordt de beslissing geacht positief te zijn.
In geval van een positieve beslissing, gaat de in het eerste lid bedoelde verlenging in:
1° bij het verstrijken van de termijnen bedoeld in paragraaf 2, eerste of tweede lid; of
2° op de dag na de kennisgeving van de beslissing of op de dag na het verstrijken van de termijn bedoeld in het tweede lid, als deze kennisgeving plaatsvindt of de termijn verstrijkt op of na de vervaldatum bedoeld in 1°.
Art. 20. § 1er. Dans les quinze jours suivant le jour du constat de l'une des situations visées aux sous-sections 1re et 2, l'autorité de sécurité notifie au gestionnaire de l'infrastructure ou à l'entreprise ferroviaire concerné(e) son intention de prononcer le retrait total ou partiel de l'agrément de sécurité ou du certificat de sécurité unique et en indique les motifs.
§ 2. L'autorité de sécurité invite le gestionnaire de l'infrastructure ou l'entreprise ferroviaire concerné(e) à présenter ses observations par écrit dans un délai de quinze jours suivant le jour de la prise de connaissance de cette notification.
Ce délai est prolongé de quinze jours si le gestionnaire de l'infrastructure ou l'entreprise ferroviaire concerné(e) n'a pas de siège en Belgique.
L'autorité de sécurité informe le gestionnaire de l'infrastructure ou l'entreprise ferroviaire concerné(e) également du fait qu'il/elle peut demander à :
1° consulter les documents qui sont à la base de l'intention de prononcer le retrait total ou partiel et en obtenir des copies;
2° être entendu(e) à la condition d'introduire une demande écrite à cet effet auprès de l'autorité de sécurité au plus tard dans le délai visé à l'alinéa 1er ou 2.
Si le gestionnaire de l'infrastructure ou l'entreprise ferroviaire concerné(e) demande à être entendu(e), l'autorité de sécurité le/la convoque au plus tard dans les quinze jours qui suivent le jour où elle a pris connaissance de cette demande.
Le gestionnaire de l'infrastructure ou l'entreprise ferroviaire concerné(e) peut se faire assister ou représenter par un avocat, et peut appeler des témoins.
§ 3. Si le gestionnaire de l'infrastructure ou l'entreprise ferroviaire concerné(e) estime qu'il/elle ne dispose pas de suffisamment de temps pour préparer sa défense, il/elle adresse à l'autorité de sécurité, au plus tard à l'échéance du délai visé au paragraphe 2, alinéa 1er ou 2, une demande écrite motivée pour obtenir une prolongation de quinze jours au maximum.
L'autorité de sécurité statue dans les cinq jours ouvrables à dater de la réception de cette demande.
Si elle ne statue pas dans ce délai, la décision est réputée positive.
En cas de décision positive, la prolongation visée à l'alinéa 1er débute :
1° à l'échéance des délais visés au paragraphe 2, alinéa 1er ou 2; ou
2° le jour suivant la notification de la décision ou l'échéance du délai visé à l'alinéa 2, si cette notification ou cette échéance intervient à ou après l'échéance visée au 1°.
§ 2. L'autorité de sécurité invite le gestionnaire de l'infrastructure ou l'entreprise ferroviaire concerné(e) à présenter ses observations par écrit dans un délai de quinze jours suivant le jour de la prise de connaissance de cette notification.
Ce délai est prolongé de quinze jours si le gestionnaire de l'infrastructure ou l'entreprise ferroviaire concerné(e) n'a pas de siège en Belgique.
L'autorité de sécurité informe le gestionnaire de l'infrastructure ou l'entreprise ferroviaire concerné(e) également du fait qu'il/elle peut demander à :
1° consulter les documents qui sont à la base de l'intention de prononcer le retrait total ou partiel et en obtenir des copies;
2° être entendu(e) à la condition d'introduire une demande écrite à cet effet auprès de l'autorité de sécurité au plus tard dans le délai visé à l'alinéa 1er ou 2.
Si le gestionnaire de l'infrastructure ou l'entreprise ferroviaire concerné(e) demande à être entendu(e), l'autorité de sécurité le/la convoque au plus tard dans les quinze jours qui suivent le jour où elle a pris connaissance de cette demande.
Le gestionnaire de l'infrastructure ou l'entreprise ferroviaire concerné(e) peut se faire assister ou représenter par un avocat, et peut appeler des témoins.
§ 3. Si le gestionnaire de l'infrastructure ou l'entreprise ferroviaire concerné(e) estime qu'il/elle ne dispose pas de suffisamment de temps pour préparer sa défense, il/elle adresse à l'autorité de sécurité, au plus tard à l'échéance du délai visé au paragraphe 2, alinéa 1er ou 2, une demande écrite motivée pour obtenir une prolongation de quinze jours au maximum.
L'autorité de sécurité statue dans les cinq jours ouvrables à dater de la réception de cette demande.
Si elle ne statue pas dans ce délai, la décision est réputée positive.
En cas de décision positive, la prolongation visée à l'alinéa 1er débute :
1° à l'échéance des délais visés au paragraphe 2, alinéa 1er ou 2; ou
2° le jour suivant la notification de la décision ou l'échéance du délai visé à l'alinéa 2, si cette notification ou cette échéance intervient à ou après l'échéance visée au 1°.
Art. 21. De veiligheidsinstantie geeft kennis van haar beslissing tot gedeeltelijke of gehele intrekking binnen de maand die volgt op de ontvangst van de schriftelijke verdediging bedoeld in artikel 20, § 2, eerste lid, of, in voorkomend geval, binnen de maand volgend op het horen van de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming.
De veiligheidsinstantie spreekt geen intrekking uit als, op het moment van het nemen van de beslissing, de situatie die de grond was voor het voornemen om tot gedeeltelijke of gehele intrekking over te gaan, verdwenen is.
De veiligheidsinstantie spreekt geen intrekking uit als, op het moment van het nemen van de beslissing, de situatie die de grond was voor het voornemen om tot gedeeltelijke of gehele intrekking over te gaan, verdwenen is.
Art. 21. L'autorité de sécurité notifie sa décision concernant le retrait partiel ou total dans le mois qui suit la réception de la défense écrite visée à l'article 20, § 2, alinéa 1er, ou, le cas échéant, dans le mois qui suit l'audition du gestionnaire de l'infrastructure ou de l'entreprise ferroviaire concerné(e).
Si, au moment de la prise de la décision, la situation qui motivait l'intention de prononcer le retrait partiel ou total a cessé, l'autorité de sécurité ne prononce pas le retrait.
Si, au moment de la prise de la décision, la situation qui motivait l'intention de prononcer le retrait partiel ou total a cessé, l'autorité de sécurité ne prononce pas le retrait.
Afdeling 3. - Opschorting
Section 3. - Suspension
Art. 22. Overeenkomstig artikel 74/1, § 7, van de Spoorcodex, als zij meent dat er een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid bestaat, kan de veiligheidsinstantie de onmiddellijke gehele of gedeeltelijke opschorting uitspreken van de betrokken veiligheidsvergunning of het betrokken uniek veiligheidscertificaat.
In dit geval, stelt zij de betrokken spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder onmiddellijk in kennis van haar beslissing.
De veiligheidsinstantie heft de opschorting op van zodra het gevaar verdwenen is.
In dit geval, stelt zij de betrokken spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder onmiddellijk in kennis van haar beslissing.
De veiligheidsinstantie heft de opschorting op van zodra het gevaar verdwenen is.
Art. 22. Conformément à l'article 74/1, § 7, du Code ferroviaire, si elle estime qu'il y a un danger grave et imminent pour la sécurité, l'autorité de sécurité peut prononcer la suspension immédiate totale ou partielle de l'agrément de sécurité ou du certificat de sécurité unique concerné.
Dans ce cas, elle notifie immédiatement sa décision à l'entreprise ferroviaire ou au gestionnaire de l'infrastructure concerné(e).
L'autorité de sécurité lève la suspension dès que le danger a disparu.
Dans ce cas, elle notifie immédiatement sa décision à l'entreprise ferroviaire ou au gestionnaire de l'infrastructure concerné(e).
L'autorité de sécurité lève la suspension dès que le danger a disparu.
Art. 23. De opschorting heeft niet tot gevolg dat de geldigheidsduur van de veiligheidsvergunning of het uniek veiligheidscertificaat verlengd wordt.
Art. 23. La suspension n'a pas pour effet de prolonger la durée de validité de l'agrément de sécurité ou du certificat de sécurité unique.
HOOFDSTUK 4. - Gemeenschappelijke bepalingen aan de hoofdstukken 2 en 3
CHAPITRE 4. - Dispositions communes aux chapitres 2 et 3
Art. 24. De infrastructuurbeheerder en de spoorwegonderneming richten elke aanvraag, elk ontbrekend document of elke bijkomende informatie bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 aan de veiligheidsinstantie per aangetekende zending of door afgifte tegen ontvangstbewijs.
Art. 24. Le gestionnaire de l'infrastructure et l'entreprise ferroviaire adressent toute demande, tout document manquant ou toute information complémentaire visés dans les chapitres 2 et 3 à l'autorité de sécurité par envoi recommandé ou par remise en mains propres contre accusé de réception.
Art. 25. De veiligheidsinstantie doet elke kennisgeving bedoeld in dit besluit per aangetekende zending met ontvangstbewijs.
Zij kan deze kennisgeving ook gelijktijdig op een andere manier laten geschieden.
Zij kan deze kennisgeving ook gelijktijdig op een andere manier laten geschieden.
Art. 25. L'autorité de sécurité procède à toutes les notifications visées dans le présent arrêté par envoi recommandé avec accusé de réception.
Elle peut également réaliser cette notification simultanément par un autre moyen.
Elle peut également réaliser cette notification simultanément par un autre moyen.
Art. 26. De betrokken partij wordt geacht kennis te hebben genomen van hetzij de kennisgeving van elke beslissing van de veiligheidsinstantie hetzij de kennisgeving van elk verzoek door een spoorwegonderneming of een infrastructuurbeheerder die hem werden gedaan op de derde dag die volgt op de verzending van deze kennisgevingen, tenzij de betrokken partij bewijst dat de kennisneming gebeurde op een later tijdstip.
De termijnen bedoeld in dit besluit worden gerekend van middernacht tot middernacht.
De vervaldag is in de termijnen begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de volgende werkdag.
De termijnen bedoeld in dit besluit worden gerekend van middernacht tot middernacht.
De vervaldag is in de termijnen begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de volgende werkdag.
Art. 26. La partie concernée est supposée avoir pris connaissance soit de la notification de toute décision de l'autorité de sécurité, soit de la communication de toute demande par une entreprise ferroviaire ou par un gestionnaire de l'infrastructure qui lui sont faites le troisième jour qui suit l'envoi de celles-ci, excepté si la partie concernée démontre que la prise de connaissance a eu lieu à un moment plus tardif.
Les délais prévus au présent article sont comptés de minuit et jusqu'à minuit.
Le jour de l'échéance est compris dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est reporté au prochain jour ouvrable.
Les délais prévus au présent article sont comptés de minuit et jusqu'à minuit.
Le jour de l'échéance est compris dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est reporté au prochain jour ouvrable.
HOOFDSTUK 5. - Het jaarlijks veiligheidsverslag
CHAPITRE 5. - Le rapport annuel de sécurité
Art. 27. § 1. Elke infrastructuurbeheerder en elke spoorwegonderneming verstuurt het jaarlijks veiligheidsverslag bedoeld in artikel 92 van de Spoorcodex aan de veiligheidsinstantie.
§ 2. De veiligheidsinstantie kan bijkomende informatie betreffende de gegevens van het veiligheidsverslag opvragen.
Drie maanden vóór de aflevering van het jaarlijks veiligheidsverslag kan de veiligheidsinstantie eveneens, op grond van het vorige jaarlijks veiligheidsverslag, de recente evolutie van sommige veiligheidsaspecten of naar aanleiding van betekenisvolle gebeurtenissen, welbepaalde veiligheidskwesties opleggen die, gericht op de situatie van de infrastructuurbeheerder of de betrokken spoorwegonderneming, in het verslag verduidelijkt en op de voorgrond moeten gesteld worden.
§ 2. De veiligheidsinstantie kan bijkomende informatie betreffende de gegevens van het veiligheidsverslag opvragen.
Drie maanden vóór de aflevering van het jaarlijks veiligheidsverslag kan de veiligheidsinstantie eveneens, op grond van het vorige jaarlijks veiligheidsverslag, de recente evolutie van sommige veiligheidsaspecten of naar aanleiding van betekenisvolle gebeurtenissen, welbepaalde veiligheidskwesties opleggen die, gericht op de situatie van de infrastructuurbeheerder of de betrokken spoorwegonderneming, in het verslag verduidelijkt en op de voorgrond moeten gesteld worden.
Art. 27. § 1er. Tout gestionnaire de l'infrastructure et toute entreprise ferroviaire envoie à l'autorité de sécurité le rapport annuel de sécurité visé à l'article 92 du Code ferroviaire.
§ 2. L'autorité de sécurité peut demander toute information complémentaire sur les données comprises dans le rapport de sécurité.
L'autorité de sécurité peut également, sur la base du rapport de sécurité annuel précédent, de l'évolution récente de certains aspects de sécurité ou à l'occasion d'événements significatifs, trois mois avant la remise du rapport annuel de sécurité, imposer des questions spécifiques de sécurité qui, appliquées à la situation du gestionnaire de l'infrastructure ou de l'entreprise ferroviaire concerné(e), doivent être éclaircies et mises en exergue dans le rapport.
§ 2. L'autorité de sécurité peut demander toute information complémentaire sur les données comprises dans le rapport de sécurité.
L'autorité de sécurité peut également, sur la base du rapport de sécurité annuel précédent, de l'évolution récente de certains aspects de sécurité ou à l'occasion d'événements significatifs, trois mois avant la remise du rapport annuel de sécurité, imposer des questions spécifiques de sécurité qui, appliquées à la situation du gestionnaire de l'infrastructure ou de l'entreprise ferroviaire concerné(e), doivent être éclaircies et mises en exergue dans le rapport.
HOOFDSTUK 6. - Overgangsbepaling
CHAPITRE 6. - Disposition transitoire
Art. 28. De hoofdstukken 1 tot 6 van het koninklijk besluit van 21 november 2018 betreffende de veiligheidsvergunning, het veiligheidscertificaat en het jaarlijks veiligheidsverslag, zoals deze van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op veiligheidscertificaten en veiligheidsvergunningen die vóór 31 oktober 2020 zijn afgegeven, en dit tot aan hun vervaldatum, behalve in geval van vernieuwing of herziening als gevolg van een substantiële wijziging van de subsystemen infrastructuur, seingeving of energie of van de beginselen die van toepassing zijn op de exploitatie en het onderhoud ervan of als gevolg van een wijziging van het type, de draagwijdte en het exploitatiegebied.
Art. 28. Les chapitres 1er à 6 de l'arrêté royal du 21 novembre 2018 relatif à l'agrément de sécurité, au certificat de sécurité et au rapport annuel de sécurité, tels qu'ils étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, restent applicables aux certificats de sécurité et aux agréments de sécurité délivrés avant le 31 octobre 2020, et ce, jusqu'à leur date d'expiration, excepté en cas de renouvellement ou de révision due à une modification substantielle des sous-systèmes infrastructure, signalisation ou énergie, ou des principes applicables à leur exploitation et à leur entretien ou à la suite d'une modification du type, de la portée et du domaine d'exploitation.
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions finales
Art. 29. Onverminderd het artikel 28, wordt het koninklijk besluit van 21 november 2018 betreffende de veiligheidsvergunning, het veiligheidscertificaat en het jaarlijks veiligheidsverslag, opgeheven.
Art. 29. Sans préjudice de l'article 28, l'arrêté royal du 21 novembre 2018 relatif à l'agrément de sécurité, au certificat de sécurité et au rapport annuel de sécurité, est abrogé.
Art. 30. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van de dag van inwerkingtreding van de wet van 20 januari 2021 tot wijziging van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex.
Art. 30. Le présent arrêté produit ses effets au jour de l'entrée en vigueur de la loi du 20 janvier 2021 modifiant la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire.
Art. 31. De minister bevoegd voor het spoorwegvervoer en de minister belast met de uitoefening van het gezag over de Dienst Veiligheid en Interoperabiliteit van de Spoorwegen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 31. Le ministre qui a le transport ferroviaire dans ses attributions et la ministre chargé d'exercer l'autorité sur le Service de Sécurité et d'Interopérabilité des Chemins de Fer sont chargés chacun pour ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1 - Inhoud van de aanvraag van een veiligheidsvergunning
Opmerking: Alle in deze bijlage vermelde informatie, met inbegrip van de documenten, worden bij de aanvraag gevoegd, tenzij deze zijn aangeduid met "F" (facultatief). Als de infrastructuurbeheerder overeenkomstig punt 8 een corrigerend actieplan opstelt, is de informatie over dat plan verplicht.
1. Soort aanvraag:
1.1. Nieuwe vergunning
1.2. Vernieuwing van een vergunning
1.3. Herziening van een vergunning
1.4. Identificatienummer van de vorige vergunning (alleen bij een vernieuwing of herziening van een vergunning)
2. Details over infrastructuur (selecteer een of meerdere):
2.1. trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T)
2.1.1. Uitgebreid TEN-T-netwerk
2.1.2. TEN-T-kernnetwerk voor goederen
2.1.3. TEN-T-kernnetwerk voor passagiers
2.1.4. Geen onderdeel van het TEN-T
2.2. Energie
2.2.1. Bovenleiding
2.2.2. Derde spoor
2.2.3. Vierde spoor
2.2.4. Niet-geëlektrificeerd
2.3. Besturing en seingeving
2.3.1. Systeem van klasse A
2.3.2. Syste(e)m(en) van klasse B
2.4. Andere (verduidelijken)
3. Exploitatie van het netwerk:
3.1. Voorziene aanvangsdatum van de diensten/activiteiten (F)
3.2. Lidsta(a)t(en) waar de infrastructuur zich bevindt
4. Informatie over de aanvrager:
4.1. Nummer Kruispuntbank van Ondernemingen
4.2. Acroniem (F)
4.3. Telefoonnummer
4.4. Fax (F)
4.5. E-mailadres
4.6. Website (F)
4.7. Andere relevante informatie (F)
5. Informatie betreffende de contactpersoon:
5.1. Voornaam
5.2. Familienaam
5.3. Titel of functie
5.4. Volledig postadres
5.5. Telefoonnummer
5.6. Fax (F)
5.7. E-mailadres
5.8. Gesproken taal of talen
De aanvrager deelt aan de veiligheidsinstantie de hierboven opgesomde gegevens van de contactpersoon mee.
Wanneer de persoon die als contactpersoon is opgegeven, stopt met het uitoefenen van zijn functie bij de onderneming, deelt deze laatste dit zonder uitstel mee aan de veiligheidsinstantie.
Nadat de veiligheidsinstantie in kennis is gesteld dat de contactpersoon zijn functie niet langer uitoefent, stopt zij onmiddellijk met de verwerking van de hierboven opgesomde gegevens met betrekking tot de contactpersoon.
De veiligheidsinstantie beschikt over een administratieve procedure voor het beheer en de archivering van de hierboven vermelde gegevens en is verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens die haar worden meegedeeld.
Zij kan die gegevens opnemen in een gegevensbank.
De verwerking van de hierboven bedoelde persoonsgegevens heeft als doelstelling de afgifte, de vernieuwing en de herziening toe te laten van de veiligheidsvergunning overeenkomstig artikel 11.
De veiligheidsinstantie hanteert een strikt gebruikers- en toegangsbeheer en neemt de gepaste technische en organisatorische maatregelen voor de bescherming van de persoonsgegevens.
De veiligheidsinstantie bewaart de hierboven limitatief opgesomde gegevens zolang de contactpersoon zijn functie bij de onderneming uitoefent of tenminste tot aan de vervaldatum van de veiligheidsvergunning.
DOCUMENTEN DIE BIJ DE AANVRAAG MOETEN WORDEN GEVOEGD
6. Documenten die zijn ingediend voor het deel van de beoordeling i.v.m. het veiligheidsbeheersysteem:
6.1. Een beschrijving van het veiligheidsbeheersysteem en andere documenten waaruit blijkt dat de eisen van bijlage II bij gedelegeerde Verordening (EU) 2018/762 worden nageleefd.
6.2. Verwijzingen binnen het veiligheidsbeheersysteem (zie punt 6.1) naar bijlage II bij gedelegeerde Verordening (EU) 2018/762, met inbegrip van de vermelding van waar in de documentatie over het veiligheidsbeheersysteem wordt aangetoond dat voldaan is aan de relevante voorschriften van de toepasselijke technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem "exploitatie en verkeersleiding".
6.3. Met het oog op de exploitatie van treinen, voertuigen voor de inspectie van infrastructuur, spoormachines of andere speciale voertuigen, ook wanneer daarvoor een beroep wordt gedaan op contractanten, de beschrijving van het veiligheidsbeheersysteem en ander documenten die de overeenstemming aantonen met de van toepassing zijnde eisen gedefinieerd in de bijlage I bij gedelegeerde Verordening (EU) 2018/762 van de Commissie van 8 maart 2018 tot vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden inzake de eisen voor veiligheidsbeheersystemen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 1158/2010 en (EU) nr. 1169/2010 en met name de punten 1, 5.1, 5.2 en 5.5.
7. Documenten die zijn ingediend voor het deel van de beoordeling gewijd aan het nationaal regelgevend kader inzake veiligheid:
7.1. Een beschrijving of ander bewijs van de manier waarop de regelingen voor veiligheidsbeheer beantwoorden aan de relevante nationale voorschriften die overeenkomstig artikel 69 van de Spoorcodex zijn aangemeld.
7.2. Verwijzingen binnen het veiligheidsbeheersysteem (zie punt 6.1) naar de eisen beschreven in de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid om de veiligheid van de spoorweginfrastructuur te garanderen in elke fase van het ontwerp, het onderhoud en de exploitatie, met inbegrip van in voorkomend geval, het onderhoud en de exploitatie van het systeem van besturing en seingeving (als bedoeld in punt 7.1).
8. Corrigerende actieplannen:
8.1. De huidige status van de door de infrastructuurbeheerder opgestelde actieplannen om belangrijke tekortkomingen en andere sinds de vorige beoordeling geconstateerde aandachtspunten aan te pakken.
8.2. De huidige stand van zaken van door de infrastructuurbeheerder opgestelde actieplannen om de resterende aandachtspunten van de vorige beoordeling aan te pakken.
Opmerking: Alle in deze bijlage vermelde informatie, met inbegrip van de documenten, worden bij de aanvraag gevoegd, tenzij deze zijn aangeduid met "F" (facultatief). Als de infrastructuurbeheerder overeenkomstig punt 8 een corrigerend actieplan opstelt, is de informatie over dat plan verplicht.
1. Soort aanvraag:
1.1. Nieuwe vergunning
1.2. Vernieuwing van een vergunning
1.3. Herziening van een vergunning
1.4. Identificatienummer van de vorige vergunning (alleen bij een vernieuwing of herziening van een vergunning)
2. Details over infrastructuur (selecteer een of meerdere):
2.1. trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T)
2.1.1. Uitgebreid TEN-T-netwerk
2.1.2. TEN-T-kernnetwerk voor goederen
2.1.3. TEN-T-kernnetwerk voor passagiers
2.1.4. Geen onderdeel van het TEN-T
2.2. Energie
2.2.1. Bovenleiding
2.2.2. Derde spoor
2.2.3. Vierde spoor
2.2.4. Niet-geëlektrificeerd
2.3. Besturing en seingeving
2.3.1. Systeem van klasse A
2.3.2. Syste(e)m(en) van klasse B
2.4. Andere (verduidelijken)
3. Exploitatie van het netwerk:
3.1. Voorziene aanvangsdatum van de diensten/activiteiten (F)
3.2. Lidsta(a)t(en) waar de infrastructuur zich bevindt
4. Informatie over de aanvrager:
4.1. Nummer Kruispuntbank van Ondernemingen
4.2. Acroniem (F)
4.3. Telefoonnummer
4.4. Fax (F)
4.5. E-mailadres
4.6. Website (F)
4.7. Andere relevante informatie (F)
5. Informatie betreffende de contactpersoon:
5.1. Voornaam
5.2. Familienaam
5.3. Titel of functie
5.4. Volledig postadres
5.5. Telefoonnummer
5.6. Fax (F)
5.7. E-mailadres
5.8. Gesproken taal of talen
De aanvrager deelt aan de veiligheidsinstantie de hierboven opgesomde gegevens van de contactpersoon mee.
Wanneer de persoon die als contactpersoon is opgegeven, stopt met het uitoefenen van zijn functie bij de onderneming, deelt deze laatste dit zonder uitstel mee aan de veiligheidsinstantie.
Nadat de veiligheidsinstantie in kennis is gesteld dat de contactpersoon zijn functie niet langer uitoefent, stopt zij onmiddellijk met de verwerking van de hierboven opgesomde gegevens met betrekking tot de contactpersoon.
De veiligheidsinstantie beschikt over een administratieve procedure voor het beheer en de archivering van de hierboven vermelde gegevens en is verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens die haar worden meegedeeld.
Zij kan die gegevens opnemen in een gegevensbank.
De verwerking van de hierboven bedoelde persoonsgegevens heeft als doelstelling de afgifte, de vernieuwing en de herziening toe te laten van de veiligheidsvergunning overeenkomstig artikel 11.
De veiligheidsinstantie hanteert een strikt gebruikers- en toegangsbeheer en neemt de gepaste technische en organisatorische maatregelen voor de bescherming van de persoonsgegevens.
De veiligheidsinstantie bewaart de hierboven limitatief opgesomde gegevens zolang de contactpersoon zijn functie bij de onderneming uitoefent of tenminste tot aan de vervaldatum van de veiligheidsvergunning.
DOCUMENTEN DIE BIJ DE AANVRAAG MOETEN WORDEN GEVOEGD
6. Documenten die zijn ingediend voor het deel van de beoordeling i.v.m. het veiligheidsbeheersysteem:
6.1. Een beschrijving van het veiligheidsbeheersysteem en andere documenten waaruit blijkt dat de eisen van bijlage II bij gedelegeerde Verordening (EU) 2018/762 worden nageleefd.
6.2. Verwijzingen binnen het veiligheidsbeheersysteem (zie punt 6.1) naar bijlage II bij gedelegeerde Verordening (EU) 2018/762, met inbegrip van de vermelding van waar in de documentatie over het veiligheidsbeheersysteem wordt aangetoond dat voldaan is aan de relevante voorschriften van de toepasselijke technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem "exploitatie en verkeersleiding".
6.3. Met het oog op de exploitatie van treinen, voertuigen voor de inspectie van infrastructuur, spoormachines of andere speciale voertuigen, ook wanneer daarvoor een beroep wordt gedaan op contractanten, de beschrijving van het veiligheidsbeheersysteem en ander documenten die de overeenstemming aantonen met de van toepassing zijnde eisen gedefinieerd in de bijlage I bij gedelegeerde Verordening (EU) 2018/762 van de Commissie van 8 maart 2018 tot vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden inzake de eisen voor veiligheidsbeheersystemen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 1158/2010 en (EU) nr. 1169/2010 en met name de punten 1, 5.1, 5.2 en 5.5.
7. Documenten die zijn ingediend voor het deel van de beoordeling gewijd aan het nationaal regelgevend kader inzake veiligheid:
7.1. Een beschrijving of ander bewijs van de manier waarop de regelingen voor veiligheidsbeheer beantwoorden aan de relevante nationale voorschriften die overeenkomstig artikel 69 van de Spoorcodex zijn aangemeld.
7.2. Verwijzingen binnen het veiligheidsbeheersysteem (zie punt 6.1) naar de eisen beschreven in de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid om de veiligheid van de spoorweginfrastructuur te garanderen in elke fase van het ontwerp, het onderhoud en de exploitatie, met inbegrip van in voorkomend geval, het onderhoud en de exploitatie van het systeem van besturing en seingeving (als bedoeld in punt 7.1).
8. Corrigerende actieplannen:
8.1. De huidige status van de door de infrastructuurbeheerder opgestelde actieplannen om belangrijke tekortkomingen en andere sinds de vorige beoordeling geconstateerde aandachtspunten aan te pakken.
8.2. De huidige stand van zaken van door de infrastructuurbeheerder opgestelde actieplannen om de resterende aandachtspunten van de vorige beoordeling aan te pakken.
Art. N1. Annexe 1. - Contenu de la demande d'agrément de sécurité
Remarque: L'ensemble des informations énumérées dans la présente annexe, y compris les documents, sont jointes à la demande, sauf si elles sont marquées d'un " F " (facultatif). Lorsque le gestionnaire de l'infrastructure établit un plan d'actions correctives conformément au point 8, les informations le concernant sont obligatoires.
1. Type de demande:
1.1. Nouvel agrément
1.2. Renouvellement d'un agrément
1.3. Révision d'un agrément
1.4. Numéro d'identification de l'agrément précédent (uniquement en cas de demande de renouvellement ou de révision d'un agrément)
2. Détails des/de l'infrastructure(s) (sélectionner un ou plusieurs détails) :
2.1. Réseau transeuropéen de transport (RTE-T)
2.1.1. Réseau global du RTE-T
2.1.2. Réseau central du RTE-T pour le fret
2.1.3. Réseau central du RTE-T pour les passagers
2.1.4. En dehors du réseau RTE-T
2.2. Energie
2.2.1. Ligne aérienne de contact
2.2.2. Troisième rail
2.2.3. Quatrième rail
2.2.4. Non électrifié
2.3. Contrôle-commande et signalisation
2.3.1. Système de classe A
2.3.2. Système(s) de classe B
2.4. Autre (préciser)
3. Exploitation du réseau :
3.1. Date prévue pour le démarrage des services/opérations (F)
3.2. Etat(s) membre(s) dans lequel/lesquels l'infrastructure est située
4. Informations relatives au demandeur:
4.1. Numéro Banque Carrefour des Entreprises
4.2. Acronyme (F)
4.3. Téléphone
4.4. Télécopieur (F)
4.5. Courrier électronique
4.6. Site internet (F)
4.7. Autre information pertinente (F)
5. Coordonnées de la personne de contact:
5.1. Prénom
5.2. Nom
5.3. Titre ou fonction
5.4. Adresse postale complète
5.5. Téléphone
5.6. Télécopieur (F)
5.7. Courrier électronique
5.8. Langue(s) parlée(s)
Le demandeur communique à l'autorité de sécurité les coordonnées de la personne de contact énumérées ci-avant.
Lorsque la personne mentionnée comme personne de contact cesse d'exercer ses fonctions auprès de l'entreprise, celle-ci le communique sans délai à l'autorité de sécurité.
Après que l'autorité de sécurité ait été informée que la personne de contact a cessé d'exercer ses fonctions, elle arrête immédiatement le traitement des données énumérées ci-avant concernant la personne de contact.
L'autorité de sécurité dispose d'une procédure administrative pour la gestion et l'archivage des données susmentionnées et est responsable du traitement des données qui lui sont communiquées.
Elle peut reprendre ces données dans une banque de données.
Le traitement des données à caractère personnel visées ci-avant, a pour objectif de permettre la délivrance, le renouvellement et la révision d'agrément de sécurité conformément à l'article 11.
L'autorité de sécurité applique une stricte gestion des utilisations et des accès et prend des mesures techniques et organisationnelles pour la protection des données à caractère personnel.
L'autorité de sécurité conserve les données énumérées limitativement ci-avant, aussi longtemps que la personne de contact exerce sa fonction au sein de l'entreprise ou à tout le moins, jusqu'à l'échéance de l'agrément de sécurité.
DOCUMENTS A JOINDRE A LA DEMANDE
6. Documents soumis pour la partie de l'évaluation consacrée au système de gestion de la sécurité :
6.1. Description du système de gestion de la sécurité et autres documents attestant de la conformité avec les exigences énoncées à l'annexe II du Règlement délégué (UE) 2018/762.
6.2. Informations mettant en relation le système de gestion de la sécurité (voir le point 6.1) et l'annexe II du Règlement délégué (UE) 2018/762, y compris une indication de la partie de la documentation sur ce système qui atteste du respect des exigences pertinentes de la spécification technique applicable à l'interopérabilité liées au sous-système " Exploitation et gestion du trafic ".
6.3. En vue de l'exploitation de trains, de véhicules d'inspection d'infrastructure, d'engins de travaux ou d'autres véhicules spéciaux, y compris du recours à des contractants, la description du système de gestion de la sécurité et autres documents attestant de la conformité avec les exigences applicables définies à l'annexe I du Règlement délégué (UE) 2018/762 de la Commission du 8 mars 2018 établissant des méthodes de sécurité communes relatives aux exigences en matière de système de gestion de la sécurité conformément à la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant les Règlements de la Commission (UE) n° 1158/2010 et (UE) n° 1169/2010, en particulier ses points 1, 5.1, 5.2 et 5.5.
7. Documents soumis pour la partie de l'évaluation consacrée au cadre réglementaire national en matière de sécurité :
7.1. Description ou autre élément montrant comment les dispositions de gestion de la sécurité tiennent compte des règles nationales applicables notifiées conformément à l'article 69 du Code ferroviaire.
7.2. Informations mettant en relation le système de gestion de la sécurité (voir le point 6.1) et les exigences définies dans les dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité afin de garantir la sécurité de l'infrastructure ferroviaire dans chaque phase de la conception, de l'entretien et de l'exploitation, y compris, le cas échéant, l'entretien et l'exploitation du système de contrôle du trafic et de signalisation (visées au point 7.1).
8. Plan(s) d'actions correctives :
8.1. La situation actuelle concernant le ou les plans d'action mis en place par le gestionnaire de l'infrastructure afin de résoudre toute non-conformité grave et toute autre point d'attention révélé par les activités de surveillance depuis l'évaluation précédente.
8.2. La situation actuelle concernant le ou les plans d'action mis en place par le gestionnaire de l'infrastructure pour résoudre les points d'attention résiduels issues de l'évaluation précédente.
Remarque: L'ensemble des informations énumérées dans la présente annexe, y compris les documents, sont jointes à la demande, sauf si elles sont marquées d'un " F " (facultatif). Lorsque le gestionnaire de l'infrastructure établit un plan d'actions correctives conformément au point 8, les informations le concernant sont obligatoires.
1. Type de demande:
1.1. Nouvel agrément
1.2. Renouvellement d'un agrément
1.3. Révision d'un agrément
1.4. Numéro d'identification de l'agrément précédent (uniquement en cas de demande de renouvellement ou de révision d'un agrément)
2. Détails des/de l'infrastructure(s) (sélectionner un ou plusieurs détails) :
2.1. Réseau transeuropéen de transport (RTE-T)
2.1.1. Réseau global du RTE-T
2.1.2. Réseau central du RTE-T pour le fret
2.1.3. Réseau central du RTE-T pour les passagers
2.1.4. En dehors du réseau RTE-T
2.2. Energie
2.2.1. Ligne aérienne de contact
2.2.2. Troisième rail
2.2.3. Quatrième rail
2.2.4. Non électrifié
2.3. Contrôle-commande et signalisation
2.3.1. Système de classe A
2.3.2. Système(s) de classe B
2.4. Autre (préciser)
3. Exploitation du réseau :
3.1. Date prévue pour le démarrage des services/opérations (F)
3.2. Etat(s) membre(s) dans lequel/lesquels l'infrastructure est située
4. Informations relatives au demandeur:
4.1. Numéro Banque Carrefour des Entreprises
4.2. Acronyme (F)
4.3. Téléphone
4.4. Télécopieur (F)
4.5. Courrier électronique
4.6. Site internet (F)
4.7. Autre information pertinente (F)
5. Coordonnées de la personne de contact:
5.1. Prénom
5.2. Nom
5.3. Titre ou fonction
5.4. Adresse postale complète
5.5. Téléphone
5.6. Télécopieur (F)
5.7. Courrier électronique
5.8. Langue(s) parlée(s)
Le demandeur communique à l'autorité de sécurité les coordonnées de la personne de contact énumérées ci-avant.
Lorsque la personne mentionnée comme personne de contact cesse d'exercer ses fonctions auprès de l'entreprise, celle-ci le communique sans délai à l'autorité de sécurité.
Après que l'autorité de sécurité ait été informée que la personne de contact a cessé d'exercer ses fonctions, elle arrête immédiatement le traitement des données énumérées ci-avant concernant la personne de contact.
L'autorité de sécurité dispose d'une procédure administrative pour la gestion et l'archivage des données susmentionnées et est responsable du traitement des données qui lui sont communiquées.
Elle peut reprendre ces données dans une banque de données.
Le traitement des données à caractère personnel visées ci-avant, a pour objectif de permettre la délivrance, le renouvellement et la révision d'agrément de sécurité conformément à l'article 11.
L'autorité de sécurité applique une stricte gestion des utilisations et des accès et prend des mesures techniques et organisationnelles pour la protection des données à caractère personnel.
L'autorité de sécurité conserve les données énumérées limitativement ci-avant, aussi longtemps que la personne de contact exerce sa fonction au sein de l'entreprise ou à tout le moins, jusqu'à l'échéance de l'agrément de sécurité.
DOCUMENTS A JOINDRE A LA DEMANDE
6. Documents soumis pour la partie de l'évaluation consacrée au système de gestion de la sécurité :
6.1. Description du système de gestion de la sécurité et autres documents attestant de la conformité avec les exigences énoncées à l'annexe II du Règlement délégué (UE) 2018/762.
6.2. Informations mettant en relation le système de gestion de la sécurité (voir le point 6.1) et l'annexe II du Règlement délégué (UE) 2018/762, y compris une indication de la partie de la documentation sur ce système qui atteste du respect des exigences pertinentes de la spécification technique applicable à l'interopérabilité liées au sous-système " Exploitation et gestion du trafic ".
6.3. En vue de l'exploitation de trains, de véhicules d'inspection d'infrastructure, d'engins de travaux ou d'autres véhicules spéciaux, y compris du recours à des contractants, la description du système de gestion de la sécurité et autres documents attestant de la conformité avec les exigences applicables définies à l'annexe I du Règlement délégué (UE) 2018/762 de la Commission du 8 mars 2018 établissant des méthodes de sécurité communes relatives aux exigences en matière de système de gestion de la sécurité conformément à la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant les Règlements de la Commission (UE) n° 1158/2010 et (UE) n° 1169/2010, en particulier ses points 1, 5.1, 5.2 et 5.5.
7. Documents soumis pour la partie de l'évaluation consacrée au cadre réglementaire national en matière de sécurité :
7.1. Description ou autre élément montrant comment les dispositions de gestion de la sécurité tiennent compte des règles nationales applicables notifiées conformément à l'article 69 du Code ferroviaire.
7.2. Informations mettant en relation le système de gestion de la sécurité (voir le point 6.1) et les exigences définies dans les dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité afin de garantir la sécurité de l'infrastructure ferroviaire dans chaque phase de la conception, de l'entretien et de l'exploitation, y compris, le cas échéant, l'entretien et l'exploitation du système de contrôle du trafic et de signalisation (visées au point 7.1).
8. Plan(s) d'actions correctives :
8.1. La situation actuelle concernant le ou les plans d'action mis en place par le gestionnaire de l'infrastructure afin de résoudre toute non-conformité grave et toute autre point d'attention révélé par les activités de surveillance depuis l'évaluation précédente.
8.2. La situation actuelle concernant le ou les plans d'action mis en place par le gestionnaire de l'infrastructure pour résoudre les points d'attention résiduels issues de l'évaluation précédente.
Art. N2. Bijlage 2. - Beoordelingsprocedure
1. ALGEMEENHEDEN
De veiligheidsinstantie ontwikkelt een gestructureerd en auditeerbaar proces voor de volledige activiteit, rekening houdende met de in deze bijlage genoemde elementen. De beoordelingsprocedure van de aanvraag verloopt stapsgewijs d.w.z. de veiligheidsinstantie kan redelijke verzoeken doen om nadere informatie bij te brengen of om een aanvraag opnieuw in te dienen overeenkomstig dit besluit.
2. ONTVANGST VAN DE AANVRAAG
Na de ontvangst van een aanvraag van een veiligheidsvergunning bevestigt de veiligheidsinstantie formeel en onverwijld de ontvangst van de aanvraag en creëert zij een geregistreerd dossier om het informatiebeheer in elke fase van de beoordelingsprocedure te waarborgen.
3. EERSTE SCREENING
3.1. Na ontvangst van de aanvraag, voert de veiligheidsinstantie onverwijld een eerste screening uit om te controleren dat:
a) de aanvrager de documenten opgesomd in de bijlage 1 heeft verstrekt, en, in voorkomend geval de informatie die noodzakelijk is om de aanvraag effectief te behandelen;
b) het aanvraagdossier voldoende bewijsstukken bevat en gestructureerd is en interne kruisverwijzingen bevat, zodat het correct kan worden afgetoetst aan de eisen voor het veiligheidsbeheersysteem en de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid. De veiligheidsinstantie voert een eerste beoordeling uit van de inhoud van de bewijsstukken in de aanvraag, teneinde een eerste oordeel te vormen over kwaliteit, voldoende toereikendheid en adequaatheid van het veiligheidsbeheersysteem;
c) het dossier, in voorkomend geval, de huidige status bevat van het (de) door de infrastructuurbeheerder opgestelde actieplan(nen) om belangrijke tekortkomingen weg te werken en alle andere sinds de vorige beoordeling resterende aandachtspunten op te lossen;
d) het dossier, in voorkomend geval, de huidige status bevat van het (de) door de infrastructuurbeheerder opgestelde actieplan(nen) om de resterende aandachtspunten van de vorige beoordeling aan te pakken.
3.2. De veiligheidsinstantie informeert de aanvrager zo spoedig mogelijk, en in ieder geval uiterlijk een maand na de datum van ontvangst van de aanvraag, zoals bepaald in overeenstemming met artikel 26, of de aanvraag volledig is en of de inhoud daarvan begrijpelijk is door kennis te nemen van een voldoende groot deel ervan.
Als de aanvraag onvolledig is of als de inhoud daarvan onvoldoende begrijpelijk is, verzoekt de veiligheidsinstantie onmiddellijk om de nodige ontbrekende informatie of om een verbeterde versie van de aanvraag en geeft zij een termijn aan waarbinnen de aanvrager deze moet verstrekken. In dat geval begint de in punt 5.1 bedoelde termijn pas te lopen wanneer de aanvrager alle ontbrekende informatie of een verbeterde versie van de aanvraag aan de veiligheidsinstantie heeft overgemaakt.
De termijn voor het verstrekken van aanvullende informatie of een verbeterde versie van de aanvraag is redelijk en staat in verhouding tot de moeilijkheid om de gevraagde informatie te verstrekken.
Als de aanvrager de gevraagde informatie of de verbeterde versie van de aanvraag niet binnen de gestelde termijn verstrekt, kan de veiligheidsinstantie beslissen deze termijn te verlengen of het verzoek af te wijzen.
3.3. Na de eerste screening als bedoeld in punt 3.1, en in de veronderstelling dat het dossier in overeenkomstig punt 3.2 volledig is, kan de veiligheidsinstantie de aanvrager op gelijk welk ogenblik in de beoordelingsprocedure vragen haar alle aanvullende informatie te verstrekken binnen een termijn die zij aangeeft. Overeenkomstig punt 5.1, tweede lid, leidt deze aanvraag tot aanvullende informatie tot een opschorting van de termijn bedoeld in punt 5.1.
De termijn voor het verstrekken van aanvullende informatie is redelijk en staat in verhouding tot de moeilijkheid om de gevraagde informatie te verstrekken.
Als de aanvrager de gevraagde informatie te laat verstrekt, kan de veiligheidsinstantie beslissen deze termijn te verlengen of het verzoek na kennisgeving af te wijzen.
4. GEDETAILLEERDE BEOORDELING
4.1. De veiligheidsinstantie gaat over tot een gedetailleerde beoordeling van het aanvraagdossier op basis van de eisen van het veiligheidsbeheersysteem en de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid.
4.2. Bij de beoordeling van de bekwaamheid van de infrastructuurbeheerder op het gebied van de exploitatie van treinen, voertuigen voor de inspectie van infrastructuur, spoormachines of andere speciale voertuigen, ook wanneer daarvoor een beroep wordt gedaan op contractanten, baseert de veiligheidsinstantie zich op de relevante eisen gedefinieerd in de bijlage I bij gedelegeerde Verordening (EU) 2018/762 van de Commissie van 8 maart 2018 tot vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden inzake de eisen voor veiligheidsbeheersystemen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 1158/2010 en (EU) nr. 1169/2010 en met name de punten 1, 5.1, 5.2 en 5.5.
4.3. De beoordeling bepaalt of de eisen van het veiligheidsbeheersysteem en de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid zijn nageleefd en of aanvullende informatie moet worden gevraagd overeenkomstig punt 3.3. Tijdens de beoordeling onderzoekt de veiligheidsinstantie aan de hand van de resultaten van de beoordelingsprocedure van het veiligheidsbeheersysteem of de eisen van het veiligheidsbeheersysteem en de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid zijn nageleefd, in voorkomend geval door gebruik te maken van steekproeven, teneinde er op toe te zien dat de aanvrager de eisen heeft begrepen en kan nakomen in functie van het type van de spoorwegactiviteit, zodat de veilige exploitatie van de spoorweg gegarandeerd is.
4.4. Wanneer zij een knelpunt als bedoeld in artikel 14 vaststelt, is de veiligheidsinstantie duidelijk en precies en helpt zij de aanvrager om te begrijpen welk nauwkeurigheidsniveau van de aanvrager in zijn antwoord wordt verwacht. Daartoe neemt de veiligheidsinstantie de volgende stappen:
a) nauwkeurig verwijzen naar de relevante eisen van het veiligheidsbeheersysteem en de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid en de aanvrager helpen de geconstateerde knelpunten te begrijpen;
b) het relevante deel van de desbetreffende reglementen en voorschriften bepalen;
c) verklaren waarom niet voldaan is aan een welbepaalde eis van het veiligheidsbeheersysteem of de relevante bepaling van het regelgevend kader inzake veiligheid, evenals van elke overige betrokken regelgeving;
d) na raadpleging van de aanvrager, bepalen welke verdere verbintenissen moeten worden aangegaan of welke nadere rechtvaardigende documenten en informatie moeten worden verstrekt, naargelang het nauwkeurigheidsniveau van de eis van het veiligheidsbeheersysteem of de relevante bepaling van het regelgevend kader inzake veiligheid alsook van de andere relevante wetgeving;
e) na raadpleging van de aanvrager, een nalevingstermijn bepalen die redelijk is en in verhouding staat tot de inspanningen die moeten worden geleverd om de gevraagde informatie te verstrekken.
4.5. Om toereikend te zijn, moeten de schriftelijke antwoorden van de aanvrager volstaan om de aangegeven aandachtspunten op te lossen en aan te tonen dat de voorgestelde regelingen voldoen aan de criteria of aan de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid.
4.6. Wanneer een antwoord als ontoereikend wordt beschouwd, geeft de veiligheidsinstantie nauwkeurig aan welke verdere informatie of bewijsstukken van de aanvrager worden verlangd om dit toereikend te maken.
4.7. Indien er bezorgdheid rijst over een mogelijke afwijzing van de aanvraag tot vernieuwing of herziening van een veiligheidsvergunning, of over het feit dat het langer zal duren om een beslissing te nemen dan is toegestaan volgens de termijn voor de beoordeling, en onverminderd artikel 15, kan de veiligheidsinstantie de veiligheidsvergunning één of meerdere malen verlengen.
4.8. Wanneer wordt geconcludeerd dat de aanvraag aan alle eisen voldoet, dan wel dat het weinig waarschijnlijk is dat nog vooruitgang wordt geboekt om een bevredigende oplossing voor de openstaande knelpunten te bieden, neemt de veiligheidsinstantie de volgende stappen om de boordeling af te ronden:
a) verklaren of aan alle criteria is voldaan en of er nog openstaande punten zijn;
b) verklaren of er resterende aandachtspunten zijn;
c) verklaren welke eventuele beperkingen of gebruiksvoorwaarden in de veiligheidsvergunning moeten worden opgenomen;
d) verslag uitbrengen over de opvolging van belangrijke gevallen van niet-naleving die tijdens toezichtsactiviteiten zijn vastgesteld, zoals bedoeld in artikel 5 van gedelegeerde Verordening (EU) 2018/761 van 16 februari 2018 tot vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden voor toezicht door nationale veiligheidsinstanties na de afgifte van een uniek veiligheidscertificaat of een veiligheidsvergunning overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1077/2012, voor zover van toepassing;
e) de resultaten van de beoordeling bundelen, met inbegrip van beknopte conclusies en, in voorkomend geval, advies geven over de aanvraag van veiligheidsvergunning.
5. BESLUITVORMING
5.1. Op basis van de conclusies van de voltooide beoordeling geeft de veiligheidsinstantie binnen de vier maanden na ontvangst van de volledige aanvraag aan de aanvrager kennis van haar beslissing om al dan niet een veiligheidsvergunning af te geven.
Deze termijn wordt opgeschort tot op het ogenblik waarop de aanvrager de aanvullende informatie bedoeld in 3.3. verstrekt.
Wanneer een veiligheidsvergunning wordt afgegeven, kunnen er nog resterende aandachtspunten blijven bestaan. Een veiligheidsvergunning wordt niet afgegeven als een type 4-knelpunt aan de orde wordt gesteld en tijdens de beoordeling niet wordt opgelost.
Als een type 4-knelpunt zoals bedoeld in artikel 14, § 1, d) zich voordoet, kan de veiligheidsinstantie:
a) in overleg met de aanvrager vragen om een bijwerking van het aanvraagdossier;
b) beslissen de reikwijdte van de veiligheidsvergunning te beperken door beperkingen of gebruiksvoorwaarden vast te stellen;
c) de veiligheidsvergunning niet afgeven.
5.2. De bovengenoemde termijn voor het nemen van een beslissing over de afgifte van de veiligheidsvergunning kan ook worden opgeschort als de noodzakelijke termijn voor de samenwerking bedoeld in artikel 98/1 van de Spoorcodex het rechtvaardigt.
5.3. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de beslissing van de veiligheidsinstantie, met inbegrip van het resultaat van de beoordeling.
In geval van een positieve beslissing geeft de veiligheidsinstantie een veiligheidsvergunning af die de in bijlage 3 vermelde informatie bevat.
De veiligheidsinstantie kent aan elke veiligheidsvergunning een uniek identificatienummer toe.
5.4. Als de aanvraag wordt geweigerd of als de veiligheidsvergunning andere beperkingen of gebruiksvoorwaarden bevat dan die welke in de aanvraag zijn gedefinieerd, stelt de veiligheidsinstantie de aanvrager daarvan in kennis alsook van de procedure om een herziening te vragen.
5.5. De aanvrager kan in de in punt 5.4 bedoelde hypothesen binnen een maand na ontvangst van de beslissing van de veiligheidsinstantie verzoeken om herziening van de beslissing.
In dat geval wordt de beslissing opgeschort. In die hypothese wordt de vorige veiligheidsvergunning verlengd totdat de veiligheidsinstantie zich heeft uitgesproken over de herzieningsaanvraag.
De veiligheidsinstantie heeft na ontvangst van de aanvraag tot herziening één maand de tijd om de aanvraag te bevestigen of af te wijzen.
De beoordelingsprocedure is gericht op de vragen die de beslissing van de veiligheidsinstantie om af te wijken van de aanvraag hebben gerechtvaardigd.
6. AANVULLENDE BEPALINGEN VAN TOEPASSING IN GEVAL VAN VERLENGING VAN EEN VEILIGHEIDSVERGUNNING
6.1. Een veiligheidsvergunning kan verlengd worden op verzoek van de aanvrager in de hypothesen opgesomd in artikel 7.
6.2. In het geval van een aanvraag tot vernieuwing vergelijkt de veiligheidsinstantie de wijzigingen met de bewijsstukken die in het kader van de vorige aanvraag zijn ingediend, en neemt zij de resultaten van de vorige toezichtsactiviteiten, als bedoeld in artikel 5 van gedelegeerde Verordening (EU) 2018/761 van 16 februari 2018 tot vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden voor toezicht door nationale veiligheidsinstanties na de afgifte van een uniek veiligheidscertificaat of een veiligheidsvergunning overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1077/2012 in overweging om de van toepassing zijnde eisen van het veiligheidsbeheersysteem of de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid op basis waarvan de vernieuwing moet worden beoordeeld, te prioriteren of te richten.
7. AANVULLENDE BEPALINGEN VAN TOEPASSING IN GEVAL VAN HERZIENING VAN EEN VEILIGHEIDSVERGUNNING
7.1.Als de infrastructuurbeheerder die houder is van een veiligheidsvergunning voornemens is een substantiële wijziging in de zin van artikel 96, tweede lid, van de Spoorcodex door te voeren, stelt hij de veiligheidsinstantie daar onverwijld van in kennis.
7.2. Na de kennisgeving door de infrastructuurbeheerder neemt de veiligheidsinstantie de volgende stappen:
a) controleren of de wijziging duidelijk omschreven is en of de potentiële veiligheidsrisico's zijn beoordeeld;
b) bestuderen van de noodzaak van een herziening van de veiligheidsvergunning, na daarover het advies van de infrastructuurbeheerder te hebben ingewonnen.
7.3. De veiligheidsinstantie mag overgaan tot bijkomende opzoekingen bij de aanvrager. Als de veiligheidsinstantie het ermee eens is dat de voorgestelde wijziging niet substantieel is, stelt zij de aanvrager er schriftelijk van in kennis dat een herziening niet nodig is.
7.4. In het geval van een aanvraag voor een herziening neemt de veiligheidsinstantie de volgende stappen:
a) de wijzigingen toetsen aan de bewijsstukken die werden ingediend in het kader van de vorige aanvraag op basis waarvan de huidige vergunning was afgegeven;
b) rekening houden met de resultaten van voorbije toezichtactiviteiten, zoals bedoeld in artikel 5 van gedelegeerde Verordening (EU) 2018/761 van 16 februari 2018 tot vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden voor toezicht door nationale veiligheidsinstanties na de afgifte van een uniek veiligheidscertificaat of een veiligheidsvergunning overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1077/2012, en met name met problemen met betrekking tot het vermogen van de aanvrager om zijn proces voor het beheer van wijzigingen effectief toe te passen en te monitoren;
c) de van toepassing zijnde eisen van het veiligheidsbeheersysteem en de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid prioriteren of richten om de herzieningsaanvraag te beoordelen.
7.5. De veiligheidsinstantie beslist, op verzoek van de aanvrager, of de veiligheidsvergunning moet worden herzien indien de voorwaarden op grond waarvan de vergunning is afgegeven moeten worden gewijzigd zonder gevolgen voor de infrastructuur, het seinsysteem, de energievoorziening die in verband met de infrastructuur wordt gebruikt of de beginselen voor de exploitatie en het onderhoud van die infrastructuur, het seinsysteem of de energievoorziening.
7.6. Wanneer de veiligheidsinstantie op basis van artikel 96, vierde lid van de Spoorcodex een herziening vraagt van de veiligheidsvergunning, stelt zij de infrastructuurbeheerder op de hoogte van alle stukken die zij nodig heeft voor haar beoordeling, uitgevoerd in overeenstemming met de punten 7.4. en volgende, en de termijn die hem gegeven wordt om die stukken mee te delen.
7.7. De herziening van de veiligheidsvergunning zoals bedoeld in de punten 7.1. en 7.6 heeft geen verlenging van de geldigheidsduur tot gevolg.
1. ALGEMEENHEDEN
De veiligheidsinstantie ontwikkelt een gestructureerd en auditeerbaar proces voor de volledige activiteit, rekening houdende met de in deze bijlage genoemde elementen. De beoordelingsprocedure van de aanvraag verloopt stapsgewijs d.w.z. de veiligheidsinstantie kan redelijke verzoeken doen om nadere informatie bij te brengen of om een aanvraag opnieuw in te dienen overeenkomstig dit besluit.
2. ONTVANGST VAN DE AANVRAAG
Na de ontvangst van een aanvraag van een veiligheidsvergunning bevestigt de veiligheidsinstantie formeel en onverwijld de ontvangst van de aanvraag en creëert zij een geregistreerd dossier om het informatiebeheer in elke fase van de beoordelingsprocedure te waarborgen.
3. EERSTE SCREENING
3.1. Na ontvangst van de aanvraag, voert de veiligheidsinstantie onverwijld een eerste screening uit om te controleren dat:
a) de aanvrager de documenten opgesomd in de bijlage 1 heeft verstrekt, en, in voorkomend geval de informatie die noodzakelijk is om de aanvraag effectief te behandelen;
b) het aanvraagdossier voldoende bewijsstukken bevat en gestructureerd is en interne kruisverwijzingen bevat, zodat het correct kan worden afgetoetst aan de eisen voor het veiligheidsbeheersysteem en de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid. De veiligheidsinstantie voert een eerste beoordeling uit van de inhoud van de bewijsstukken in de aanvraag, teneinde een eerste oordeel te vormen over kwaliteit, voldoende toereikendheid en adequaatheid van het veiligheidsbeheersysteem;
c) het dossier, in voorkomend geval, de huidige status bevat van het (de) door de infrastructuurbeheerder opgestelde actieplan(nen) om belangrijke tekortkomingen weg te werken en alle andere sinds de vorige beoordeling resterende aandachtspunten op te lossen;
d) het dossier, in voorkomend geval, de huidige status bevat van het (de) door de infrastructuurbeheerder opgestelde actieplan(nen) om de resterende aandachtspunten van de vorige beoordeling aan te pakken.
3.2. De veiligheidsinstantie informeert de aanvrager zo spoedig mogelijk, en in ieder geval uiterlijk een maand na de datum van ontvangst van de aanvraag, zoals bepaald in overeenstemming met artikel 26, of de aanvraag volledig is en of de inhoud daarvan begrijpelijk is door kennis te nemen van een voldoende groot deel ervan.
Als de aanvraag onvolledig is of als de inhoud daarvan onvoldoende begrijpelijk is, verzoekt de veiligheidsinstantie onmiddellijk om de nodige ontbrekende informatie of om een verbeterde versie van de aanvraag en geeft zij een termijn aan waarbinnen de aanvrager deze moet verstrekken. In dat geval begint de in punt 5.1 bedoelde termijn pas te lopen wanneer de aanvrager alle ontbrekende informatie of een verbeterde versie van de aanvraag aan de veiligheidsinstantie heeft overgemaakt.
De termijn voor het verstrekken van aanvullende informatie of een verbeterde versie van de aanvraag is redelijk en staat in verhouding tot de moeilijkheid om de gevraagde informatie te verstrekken.
Als de aanvrager de gevraagde informatie of de verbeterde versie van de aanvraag niet binnen de gestelde termijn verstrekt, kan de veiligheidsinstantie beslissen deze termijn te verlengen of het verzoek af te wijzen.
3.3. Na de eerste screening als bedoeld in punt 3.1, en in de veronderstelling dat het dossier in overeenkomstig punt 3.2 volledig is, kan de veiligheidsinstantie de aanvrager op gelijk welk ogenblik in de beoordelingsprocedure vragen haar alle aanvullende informatie te verstrekken binnen een termijn die zij aangeeft. Overeenkomstig punt 5.1, tweede lid, leidt deze aanvraag tot aanvullende informatie tot een opschorting van de termijn bedoeld in punt 5.1.
De termijn voor het verstrekken van aanvullende informatie is redelijk en staat in verhouding tot de moeilijkheid om de gevraagde informatie te verstrekken.
Als de aanvrager de gevraagde informatie te laat verstrekt, kan de veiligheidsinstantie beslissen deze termijn te verlengen of het verzoek na kennisgeving af te wijzen.
4. GEDETAILLEERDE BEOORDELING
4.1. De veiligheidsinstantie gaat over tot een gedetailleerde beoordeling van het aanvraagdossier op basis van de eisen van het veiligheidsbeheersysteem en de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid.
4.2. Bij de beoordeling van de bekwaamheid van de infrastructuurbeheerder op het gebied van de exploitatie van treinen, voertuigen voor de inspectie van infrastructuur, spoormachines of andere speciale voertuigen, ook wanneer daarvoor een beroep wordt gedaan op contractanten, baseert de veiligheidsinstantie zich op de relevante eisen gedefinieerd in de bijlage I bij gedelegeerde Verordening (EU) 2018/762 van de Commissie van 8 maart 2018 tot vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden inzake de eisen voor veiligheidsbeheersystemen overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 1158/2010 en (EU) nr. 1169/2010 en met name de punten 1, 5.1, 5.2 en 5.5.
4.3. De beoordeling bepaalt of de eisen van het veiligheidsbeheersysteem en de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid zijn nageleefd en of aanvullende informatie moet worden gevraagd overeenkomstig punt 3.3. Tijdens de beoordeling onderzoekt de veiligheidsinstantie aan de hand van de resultaten van de beoordelingsprocedure van het veiligheidsbeheersysteem of de eisen van het veiligheidsbeheersysteem en de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid zijn nageleefd, in voorkomend geval door gebruik te maken van steekproeven, teneinde er op toe te zien dat de aanvrager de eisen heeft begrepen en kan nakomen in functie van het type van de spoorwegactiviteit, zodat de veilige exploitatie van de spoorweg gegarandeerd is.
4.4. Wanneer zij een knelpunt als bedoeld in artikel 14 vaststelt, is de veiligheidsinstantie duidelijk en precies en helpt zij de aanvrager om te begrijpen welk nauwkeurigheidsniveau van de aanvrager in zijn antwoord wordt verwacht. Daartoe neemt de veiligheidsinstantie de volgende stappen:
a) nauwkeurig verwijzen naar de relevante eisen van het veiligheidsbeheersysteem en de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid en de aanvrager helpen de geconstateerde knelpunten te begrijpen;
b) het relevante deel van de desbetreffende reglementen en voorschriften bepalen;
c) verklaren waarom niet voldaan is aan een welbepaalde eis van het veiligheidsbeheersysteem of de relevante bepaling van het regelgevend kader inzake veiligheid, evenals van elke overige betrokken regelgeving;
d) na raadpleging van de aanvrager, bepalen welke verdere verbintenissen moeten worden aangegaan of welke nadere rechtvaardigende documenten en informatie moeten worden verstrekt, naargelang het nauwkeurigheidsniveau van de eis van het veiligheidsbeheersysteem of de relevante bepaling van het regelgevend kader inzake veiligheid alsook van de andere relevante wetgeving;
e) na raadpleging van de aanvrager, een nalevingstermijn bepalen die redelijk is en in verhouding staat tot de inspanningen die moeten worden geleverd om de gevraagde informatie te verstrekken.
4.5. Om toereikend te zijn, moeten de schriftelijke antwoorden van de aanvrager volstaan om de aangegeven aandachtspunten op te lossen en aan te tonen dat de voorgestelde regelingen voldoen aan de criteria of aan de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid.
4.6. Wanneer een antwoord als ontoereikend wordt beschouwd, geeft de veiligheidsinstantie nauwkeurig aan welke verdere informatie of bewijsstukken van de aanvrager worden verlangd om dit toereikend te maken.
4.7. Indien er bezorgdheid rijst over een mogelijke afwijzing van de aanvraag tot vernieuwing of herziening van een veiligheidsvergunning, of over het feit dat het langer zal duren om een beslissing te nemen dan is toegestaan volgens de termijn voor de beoordeling, en onverminderd artikel 15, kan de veiligheidsinstantie de veiligheidsvergunning één of meerdere malen verlengen.
4.8. Wanneer wordt geconcludeerd dat de aanvraag aan alle eisen voldoet, dan wel dat het weinig waarschijnlijk is dat nog vooruitgang wordt geboekt om een bevredigende oplossing voor de openstaande knelpunten te bieden, neemt de veiligheidsinstantie de volgende stappen om de boordeling af te ronden:
a) verklaren of aan alle criteria is voldaan en of er nog openstaande punten zijn;
b) verklaren of er resterende aandachtspunten zijn;
c) verklaren welke eventuele beperkingen of gebruiksvoorwaarden in de veiligheidsvergunning moeten worden opgenomen;
d) verslag uitbrengen over de opvolging van belangrijke gevallen van niet-naleving die tijdens toezichtsactiviteiten zijn vastgesteld, zoals bedoeld in artikel 5 van gedelegeerde Verordening (EU) 2018/761 van 16 februari 2018 tot vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden voor toezicht door nationale veiligheidsinstanties na de afgifte van een uniek veiligheidscertificaat of een veiligheidsvergunning overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1077/2012, voor zover van toepassing;
e) de resultaten van de beoordeling bundelen, met inbegrip van beknopte conclusies en, in voorkomend geval, advies geven over de aanvraag van veiligheidsvergunning.
5. BESLUITVORMING
5.1. Op basis van de conclusies van de voltooide beoordeling geeft de veiligheidsinstantie binnen de vier maanden na ontvangst van de volledige aanvraag aan de aanvrager kennis van haar beslissing om al dan niet een veiligheidsvergunning af te geven.
Deze termijn wordt opgeschort tot op het ogenblik waarop de aanvrager de aanvullende informatie bedoeld in 3.3. verstrekt.
Wanneer een veiligheidsvergunning wordt afgegeven, kunnen er nog resterende aandachtspunten blijven bestaan. Een veiligheidsvergunning wordt niet afgegeven als een type 4-knelpunt aan de orde wordt gesteld en tijdens de beoordeling niet wordt opgelost.
Als een type 4-knelpunt zoals bedoeld in artikel 14, § 1, d) zich voordoet, kan de veiligheidsinstantie:
a) in overleg met de aanvrager vragen om een bijwerking van het aanvraagdossier;
b) beslissen de reikwijdte van de veiligheidsvergunning te beperken door beperkingen of gebruiksvoorwaarden vast te stellen;
c) de veiligheidsvergunning niet afgeven.
5.2. De bovengenoemde termijn voor het nemen van een beslissing over de afgifte van de veiligheidsvergunning kan ook worden opgeschort als de noodzakelijke termijn voor de samenwerking bedoeld in artikel 98/1 van de Spoorcodex het rechtvaardigt.
5.3. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de beslissing van de veiligheidsinstantie, met inbegrip van het resultaat van de beoordeling.
In geval van een positieve beslissing geeft de veiligheidsinstantie een veiligheidsvergunning af die de in bijlage 3 vermelde informatie bevat.
De veiligheidsinstantie kent aan elke veiligheidsvergunning een uniek identificatienummer toe.
5.4. Als de aanvraag wordt geweigerd of als de veiligheidsvergunning andere beperkingen of gebruiksvoorwaarden bevat dan die welke in de aanvraag zijn gedefinieerd, stelt de veiligheidsinstantie de aanvrager daarvan in kennis alsook van de procedure om een herziening te vragen.
5.5. De aanvrager kan in de in punt 5.4 bedoelde hypothesen binnen een maand na ontvangst van de beslissing van de veiligheidsinstantie verzoeken om herziening van de beslissing.
In dat geval wordt de beslissing opgeschort. In die hypothese wordt de vorige veiligheidsvergunning verlengd totdat de veiligheidsinstantie zich heeft uitgesproken over de herzieningsaanvraag.
De veiligheidsinstantie heeft na ontvangst van de aanvraag tot herziening één maand de tijd om de aanvraag te bevestigen of af te wijzen.
De beoordelingsprocedure is gericht op de vragen die de beslissing van de veiligheidsinstantie om af te wijken van de aanvraag hebben gerechtvaardigd.
6. AANVULLENDE BEPALINGEN VAN TOEPASSING IN GEVAL VAN VERLENGING VAN EEN VEILIGHEIDSVERGUNNING
6.1. Een veiligheidsvergunning kan verlengd worden op verzoek van de aanvrager in de hypothesen opgesomd in artikel 7.
6.2. In het geval van een aanvraag tot vernieuwing vergelijkt de veiligheidsinstantie de wijzigingen met de bewijsstukken die in het kader van de vorige aanvraag zijn ingediend, en neemt zij de resultaten van de vorige toezichtsactiviteiten, als bedoeld in artikel 5 van gedelegeerde Verordening (EU) 2018/761 van 16 februari 2018 tot vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden voor toezicht door nationale veiligheidsinstanties na de afgifte van een uniek veiligheidscertificaat of een veiligheidsvergunning overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1077/2012 in overweging om de van toepassing zijnde eisen van het veiligheidsbeheersysteem of de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid op basis waarvan de vernieuwing moet worden beoordeeld, te prioriteren of te richten.
7. AANVULLENDE BEPALINGEN VAN TOEPASSING IN GEVAL VAN HERZIENING VAN EEN VEILIGHEIDSVERGUNNING
7.1.Als de infrastructuurbeheerder die houder is van een veiligheidsvergunning voornemens is een substantiële wijziging in de zin van artikel 96, tweede lid, van de Spoorcodex door te voeren, stelt hij de veiligheidsinstantie daar onverwijld van in kennis.
7.2. Na de kennisgeving door de infrastructuurbeheerder neemt de veiligheidsinstantie de volgende stappen:
a) controleren of de wijziging duidelijk omschreven is en of de potentiële veiligheidsrisico's zijn beoordeeld;
b) bestuderen van de noodzaak van een herziening van de veiligheidsvergunning, na daarover het advies van de infrastructuurbeheerder te hebben ingewonnen.
7.3. De veiligheidsinstantie mag overgaan tot bijkomende opzoekingen bij de aanvrager. Als de veiligheidsinstantie het ermee eens is dat de voorgestelde wijziging niet substantieel is, stelt zij de aanvrager er schriftelijk van in kennis dat een herziening niet nodig is.
7.4. In het geval van een aanvraag voor een herziening neemt de veiligheidsinstantie de volgende stappen:
a) de wijzigingen toetsen aan de bewijsstukken die werden ingediend in het kader van de vorige aanvraag op basis waarvan de huidige vergunning was afgegeven;
b) rekening houden met de resultaten van voorbije toezichtactiviteiten, zoals bedoeld in artikel 5 van gedelegeerde Verordening (EU) 2018/761 van 16 februari 2018 tot vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden voor toezicht door nationale veiligheidsinstanties na de afgifte van een uniek veiligheidscertificaat of een veiligheidsvergunning overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1077/2012, en met name met problemen met betrekking tot het vermogen van de aanvrager om zijn proces voor het beheer van wijzigingen effectief toe te passen en te monitoren;
c) de van toepassing zijnde eisen van het veiligheidsbeheersysteem en de relevante bepalingen van het regelgevend kader inzake veiligheid prioriteren of richten om de herzieningsaanvraag te beoordelen.
7.5. De veiligheidsinstantie beslist, op verzoek van de aanvrager, of de veiligheidsvergunning moet worden herzien indien de voorwaarden op grond waarvan de vergunning is afgegeven moeten worden gewijzigd zonder gevolgen voor de infrastructuur, het seinsysteem, de energievoorziening die in verband met de infrastructuur wordt gebruikt of de beginselen voor de exploitatie en het onderhoud van die infrastructuur, het seinsysteem of de energievoorziening.
7.6. Wanneer de veiligheidsinstantie op basis van artikel 96, vierde lid van de Spoorcodex een herziening vraagt van de veiligheidsvergunning, stelt zij de infrastructuurbeheerder op de hoogte van alle stukken die zij nodig heeft voor haar beoordeling, uitgevoerd in overeenstemming met de punten 7.4. en volgende, en de termijn die hem gegeven wordt om die stukken mee te delen.
7.7. De herziening van de veiligheidsvergunning zoals bedoeld in de punten 7.1. en 7.6 heeft geen verlenging van de geldigheidsduur tot gevolg.
Art. N2. Annexe 2. - Procédure d'évaluation
1. GENERALITES
L'autorité de sécurité met au point un processus structuré et vérifiable pour l'ensemble de l'activité, qui tient compte des éléments indiqués dans la présente annexe. La procédure d'évaluation de la demande est itérative c'est-à-dire que l'autorité de sécurité peut formuler des demandes raisonnables d'informations complémentaires ou de réintroduction d'une demande conformément au présent arrêté.
2. RECEPTION DE LA DEMANDE
Après réception de la demande d'agrément de sécurité, l'autorité de sécurité en accuse officiellement réception dans les meilleurs délais et crée le dossier enregistré pour veiller à la gestion de l'information à chaque étape de la procédure d'évaluation.
3. CONTROLE INITIAL
3.1. Dès réception de la demande, l'autorité de sécurité réalise dans les meilleurs délais un contrôle initial pour s'assurer que:
a) le demandeur a fourni les documents énumérés à l'annexe 1re et, le cas échéant, les informations nécessaires permettant un traitement efficace de la demande;
b) le dossier de demande contient des éléments de preuve suffisants et présente une structure et des renvois internes permettant d'évaluer correctement sa conformité avec les exigences du système de gestion de la sécurité et les dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité. L'autorité de sécurité procède à un examen initial de la teneur effective des éléments de preuve contenus dans la demande afin de porter une première appréciation sur la qualité, le caractère suffisant et l'adéquation du système de gestion de la sécurité;
c) le cas échéant, le dossier comprend la situation actuelle concernant le ou les plans d'action(s) mis en place par le gestionnaire de l'infrastructure afin de résoudre toute non-conformité majeure et tout autre point d'attention résiduel révélé par les activités de surveillance depuis l'évaluation précédente;
d) le cas échéant, le dossier comprend la situation actuelle concernant le ou les plans d'action mis en place par le gestionnaire de l'infrastructure pour résoudre les points d'attention résiduels issus de l'évaluation précédente.
3.2. L'autorité de sécurité informe le demandeur au plus vite, et dans tous les cas au plus tard un mois après la date de réception de la demande, déterminée conformément à l'article 26, si la demande est complète et si son contenu est compréhensible en prenant connaissance d'un échantillon suffisant de cette dernière.
Si la demande est incomplète ou que son contenu n'est pas suffisamment compréhensible, l'autorité de sécurité demande rapidement les informations manquantes nécessaires ou une version améliorée de la demande et indique un délai pour que le demandeur les lui communique. Dans ce cas, le délai visé au point 5.1 ne commence à courir qu'au moment où le demandeur a transmis à l'autorité de sécurité toutes les informations manquantes ou la version améliorée de la demande.
Le délai pour la communication des informations manquantes ou de la version améliorée de la demande, est raisonnable et proportionné à la difficulté de fourniture des informations demandées.
Si le demandeur ne communique pas les informations demandées ou la version améliorée de la demande dans le délai imparti, l'autorité de sécurité peut décider de proroger ce délai ou de rejeter la demande.
3.3. Après avoir procédé au contrôle initial visé au point 3.1 et considéré que le dossier est complet conformément au point 3.2, l'autorité de sécurité peut demander au demandeur de lui communiquer toute information complémentaire à tout moment de la procédure d'évaluation dans un délai qu'elle indique. Conformément au point 5.1, alinéa 2, cette demande d'information(s) complémentaire(s) entraîne la suspension du délai visé au point 5.1.
Le délai pour la communication des informations complémentaires est raisonnable et proportionné à la difficulté de fourniture des informations demandées.
Si le demandeur tarde à communiquer les informations demandées, l'autorité de sécurité peut décider de proroger ce délai ou de rejeter la demande après préavis.
4. EVALUATION DETAILLEE
4.1. L'autorité de sécurité procède à l'évaluation détaillée du dossier de demande au regard des exigences du système de gestion de la sécurité et des dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité.
4.2. Lors de l'évaluation de la capacité du gestionnaire de l'infrastructure à exploiter des trains, des véhicules d'inspection d'infrastructure, des engins de travaux ou d'autres véhicules spéciaux, y compris du recours à des contractants le cas échéant, l'autorité de sécurité se fonde sur les exigences pertinentes définies à l'annexe I du Règlement délégué (UE) 2018/762 de la Commission du 8 mars 2018 établissant des méthodes de sécurité communes relatives aux exigences en matière de système de gestion de la sécurité conformément à la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant les Règlements de la Commission (UE) n° 1158/2010 et (UE) n° 1169/2010, en particulier les points 1, 5.1, 5.2 et 5.5.
4.3. L'évaluation détermine si les exigences du système de gestion de la sécurité et les dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité sont respectées ou si un complément d'information doit être demandé conformément au point 3.3. Lors de l'évaluation, l'autorité de sécurité établit également si les exigences du système de gestion de la sécurité et les dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité ont été respectées à partir des résultats des processus du système de gestion de la sécurité, en recourant le cas échéant à des méthodes d'échantillonnage, pour s'assurer que le demandeur a compris les exigences et est en mesure de les respecter en fonction du type d'activités ferroviaires pour garantir la sécurité d'exploitation des chemins de fer.
4.4. Lorsqu'elle soulève une question visée à l'article 14, l'autorité de sécurité fait preuve de précision et aide le demandeur à comprendre le niveau de détail que doit présenter sa réponse. A cette fin, l'autorité de sécurité prend les dispositions suivantes :
a) mentionner précisément les exigences applicables du système de gestion de la sécurité et les dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité et aider le demandeur à comprendre les questions soulevées ;
b) indiquer la partie applicable des réglementations et règles en question ;
c) indiquer en quoi l'exigence en question du système de gestion de la sécurité ou la disposition pertinente du cadre réglementaire en matière de sécurité en question, ainsi que toute législation s'y rapportant, n'est pas remplie ;
d) définir, après avoir consulté le demandeur, d'autres engagements à respecter ou d'autres documents ou informations justificatives à fournir, en fonction du niveau de détail requis par l'exigence du système de gestion de la sécurité ou de la disposition pertinente du cadre réglementaire en matière de sécurité ;
e) définir, après avoir consulté le demandeur, un calendrier de mise en conformité qui soit raisonnable et proportionné à la difficulté de fournir les informations requises.
4.5. Pour être satisfaisantes, les réponses écrites du demandeur doivent être suffisantes pour dissiper les points d'attention exprimés et démontrer que les solutions qu'il propose permettront de répondre aux critères ou aux dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité.
4.6. Lorsqu'une réponse n'est pas jugée satisfaisante, l'autorité de sécurité indique les informations ou éléments de preuve complémentaires que le demandeur doit soumettre pour la rendre satisfaisante.
4.7. S'il apparaît que la demande de renouvellement ou de révision d'un agrément de sécurité risque d'être rejetée ou qu'il faudra plus de temps pour parvenir à une décision que ne le prévoit le délai imparti pour procéder à l'évaluation, et sans préjudice de l'article 15, l'autorité de sécurité peut proroger une ou plusieurs fois l'agrément de sécurité.
4.8. Si la conclusion est que la demande répond à toutes les exigences, ou qu'il est peu probable que de nouveaux progrès qui puissent apporter des réponses satisfaisantes aux points en suspens soient enregistrés, l'autorité de sécurité finalise l'évaluation en prenant les dispositions suivantes:
a) indiquer si tous les critères sont remplis ou s'il reste des points en suspens;
b) indiquer s'il subsiste des points d'attention résiduels;
c) indiquer les éventuelles restrictions ou conditions d'utilisation à inclure dans l'agrément de sécurité.
d) établir un rapport sur le suivi des non-conformités importantes relevées au cours des activités de surveillance, au sens de l'article 5 du Règlement délégué (UE) 2018/761 de la Commission du 16 février 2018 établissant des méthodes de sécurité communes aux fins de la surveillance exercée par les autorités nationales de sécurité après la délivrance d'un certificat de sécurité unique ou d'un agrément de sécurité conformément à la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant le Règlement (UE) n° 1077/2012 de la Commission, le cas échéant;
e) établir le bilan de l'évaluation, y compris le résumé des conclusions et, le cas échéant, un avis concernant la demande d'agrément de sécurité.
5. PRISE DE DECISION
5.1. Sur la base des conclusions de l'évaluation finalisée, l'autorité de sécurité notifie au demandeur sa décision de délivrer ou non l'agrément de sécurité, dans les quatre mois de la réception de la demande complète.
Ce délai est suspendu jusqu'au moment où le demandeur fournit toutes les informations complémentaires visées au 3.3.
Lorsqu'un agrément de sécurité est délivré, il peut subsister des points d'attention résiduels. Il n'est pas délivré d'agrément de sécurité si une question de type 4 est soulevée et n'est pas résolue dans le courant de l'évaluation.
Si une question de type 4 telle que visée à l'article 14, § 1er, d) est soulevée, l'autorité de sécurité peut :
a) en concertation avec le demandeur, solliciter une mise à jour du dossier de demande ;
b) décider de restreindre la portée de l'agrément de sécurité en déterminant des restrictions ou des conditions d'utilisation ;
c) ne pas octroyer l'agrément de sécurité.
5.2. Le délai susmentionné pour la prise de décision concernant la délivrance de l'agrément de sécurité peut également être suspendu si le temps nécessaire à la coopération visée à l'article 98/1 du Code ferroviaire le justifie.
5.3. Le demandeur est informé de la décision de l'autorité de sécurité, y compris du bilan de l'évaluation.
En cas de décision positive, l'autorité de sécurité délivre un agrément de sécurité qui contient les informations énumérées à l'annexe 3.
L'autorité de sécurité attribue à chaque agrément de sécurité un numéro d'identification unique.
5.4. Si la demande est refusée ou si l'agrément de sécurité contient des restrictions ou des conditions d'utilisation autres que celles définies dans la demande, l'autorité de sécurité en informe le demandeur, et lui notifie la procédure à suivre pour demander une révision.
5.5. Le demandeur peut dans les hypothèses visées au point 5.4., dans un délai d'un mois à compter de la réception de la décision de l'autorité de sécurité, demander que la décision soit revue.
Dans ce cas, la décision est suspendue. Dans cette hypothèse, l'agrément de sécurité précédent est prorogé jusqu'à ce que l'autorité de sécurité ait statué sur la demande de révision.
L'autorité de sécurité dispose d'un mois à compter de la réception de la demande de révision pour confirmer ou infirmer sa demande.
La procédure de révision est axée sur les questions ayant justifié que la décision de l'autorité de sécurité s'écarte de la demande.
6. DISPOSITIONS SUPPLEMENTAIRES APPLICABLES EN CAS DE RENOUVELLEMENT D'UN AGREMENT DE SECURITE
6.1. Un agrément de sécurité peut être renouvelé à la requête du demandeur dans les hypothèses énumérées à l'article 7.
6.2. Dans le cas d'une demande de renouvellement, l'autorité de sécurité vérifie les détails des modifications apportées aux éléments de preuve soumis dans la précédente demande et tient compte des résultats des activités de surveillance antérieures au sens de l'article 5 du Règlement délégué (UE) 2018/761 de la Commission du 16 février 2018 établissant des méthodes de sécurité communes aux fins de la surveillance exercée par les autorités nationales de sécurité après la délivrance d'un certificat de sécurité unique ou d'un agrément de sécurité conformément à la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant le Règlement (UE) n° 1077/2012 de la Commission afin de hiérarchiser ou de cibler les exigences applicables du système de gestion de la sécurité ou les dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité en fonction desquelles la demande de renouvellement doit être évaluée.
7. DISPOSITIONS SUPPLEMENTAIRES APPLICABLES EN CAS DE REVISION D'UN AGREMENT DE SECURITE
7.1. Lorsqu'il envisage une modification substantielle au sens l'article 96, alinéa 2 du Code ferroviaire, le gestionnaire de l'infrastructure titulaire de l'agrément de sécurité en informe sans délai l'autorité de sécurité.
7.2. A la suite de la notification effectuée par le gestionnaire de l'infrastructure, l'autorité de sécurité :
a) s'assure que la modification est clairement décrite et que les risques de sécurité potentiels sont évalués;
b) examine, après avoir demandé l'avis du gestionnaire de l'infrastructure, la nécessité d'une révision de l'agrément de sécurité.
7.3. L'autorité de sécurité peut procéder à des investigations supplémentaires auprès du demandeur. Si l'autorité de sécurité confirme que la modification envisagée n'est pas substantielle, elle informe par écrit le demandeur qu'une révision n'est pas requise.
7.4. Dans le cas d'une demande de révision, l'autorité de sécurité prend les dispositions suivantes :
a) vérifier les détails des modifications apportées aux éléments de preuve soumis dans la demande précédente ayant donné lieu à la délivrance de l'agrément de sécurité en cours de validité;
b) tenir compte des résultats des activités de surveillance antérieures au sens de l'article 5 du Règlement délégué (UE) 2018/761 de la Commission du 16 février 2018 établissant des méthodes de sécurité communes aux fins de la surveillance exercée par les autorités nationales de sécurité après la délivrance d'un certificat de sécurité unique ou d'un agrément de sécurité conformément à la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant le Règlement (UE) n° 1077/2012 de la Commission et, notamment, des questions relatives à l'aptitude du demandeur à assurer efficacement la mise en oeuvre et la surveillance de son processus de gestion du changement ;
c) hiérarchiser et cibler les exigences applicables du système de gestion de la sécurité et les dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité afin d'évaluer la demande de révision.
7.5. L'autorité de sécurité détermine, à la requête du demandeur, s'il y a lieu de réviser l'agrément de sécurité lorsque les conditions dans lesquelles celui-ci a été délivré doivent être modifiées sans qu'il y ait d'incidence sur l'infrastructure, la signalisation ou l'approvisionnement en énergie utilisés en relation avec l'infrastructure ou les principes applicables à leur exploitation et à leur entretien.
7.6. Lorsque l'autorité de sécurité exige la révision de l'agrément de sécurité sur la base de l'article 96, alinéa 4 du Code ferroviaire, elle communique au gestionnaire de l'infrastructure toutes les pièces dont elle a besoin pour son examen réalisé conformément aux points 7.4. et suivants et le délai qui lui est donné pour communiquer ces pièces.
7.7. La révision d'un agrément de sécurité telle que visée aux points 7.1. et 7.6., n'a pas pour effet de prolonger sa durée de validité.
1. GENERALITES
L'autorité de sécurité met au point un processus structuré et vérifiable pour l'ensemble de l'activité, qui tient compte des éléments indiqués dans la présente annexe. La procédure d'évaluation de la demande est itérative c'est-à-dire que l'autorité de sécurité peut formuler des demandes raisonnables d'informations complémentaires ou de réintroduction d'une demande conformément au présent arrêté.
2. RECEPTION DE LA DEMANDE
Après réception de la demande d'agrément de sécurité, l'autorité de sécurité en accuse officiellement réception dans les meilleurs délais et crée le dossier enregistré pour veiller à la gestion de l'information à chaque étape de la procédure d'évaluation.
3. CONTROLE INITIAL
3.1. Dès réception de la demande, l'autorité de sécurité réalise dans les meilleurs délais un contrôle initial pour s'assurer que:
a) le demandeur a fourni les documents énumérés à l'annexe 1re et, le cas échéant, les informations nécessaires permettant un traitement efficace de la demande;
b) le dossier de demande contient des éléments de preuve suffisants et présente une structure et des renvois internes permettant d'évaluer correctement sa conformité avec les exigences du système de gestion de la sécurité et les dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité. L'autorité de sécurité procède à un examen initial de la teneur effective des éléments de preuve contenus dans la demande afin de porter une première appréciation sur la qualité, le caractère suffisant et l'adéquation du système de gestion de la sécurité;
c) le cas échéant, le dossier comprend la situation actuelle concernant le ou les plans d'action(s) mis en place par le gestionnaire de l'infrastructure afin de résoudre toute non-conformité majeure et tout autre point d'attention résiduel révélé par les activités de surveillance depuis l'évaluation précédente;
d) le cas échéant, le dossier comprend la situation actuelle concernant le ou les plans d'action mis en place par le gestionnaire de l'infrastructure pour résoudre les points d'attention résiduels issus de l'évaluation précédente.
3.2. L'autorité de sécurité informe le demandeur au plus vite, et dans tous les cas au plus tard un mois après la date de réception de la demande, déterminée conformément à l'article 26, si la demande est complète et si son contenu est compréhensible en prenant connaissance d'un échantillon suffisant de cette dernière.
Si la demande est incomplète ou que son contenu n'est pas suffisamment compréhensible, l'autorité de sécurité demande rapidement les informations manquantes nécessaires ou une version améliorée de la demande et indique un délai pour que le demandeur les lui communique. Dans ce cas, le délai visé au point 5.1 ne commence à courir qu'au moment où le demandeur a transmis à l'autorité de sécurité toutes les informations manquantes ou la version améliorée de la demande.
Le délai pour la communication des informations manquantes ou de la version améliorée de la demande, est raisonnable et proportionné à la difficulté de fourniture des informations demandées.
Si le demandeur ne communique pas les informations demandées ou la version améliorée de la demande dans le délai imparti, l'autorité de sécurité peut décider de proroger ce délai ou de rejeter la demande.
3.3. Après avoir procédé au contrôle initial visé au point 3.1 et considéré que le dossier est complet conformément au point 3.2, l'autorité de sécurité peut demander au demandeur de lui communiquer toute information complémentaire à tout moment de la procédure d'évaluation dans un délai qu'elle indique. Conformément au point 5.1, alinéa 2, cette demande d'information(s) complémentaire(s) entraîne la suspension du délai visé au point 5.1.
Le délai pour la communication des informations complémentaires est raisonnable et proportionné à la difficulté de fourniture des informations demandées.
Si le demandeur tarde à communiquer les informations demandées, l'autorité de sécurité peut décider de proroger ce délai ou de rejeter la demande après préavis.
4. EVALUATION DETAILLEE
4.1. L'autorité de sécurité procède à l'évaluation détaillée du dossier de demande au regard des exigences du système de gestion de la sécurité et des dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité.
4.2. Lors de l'évaluation de la capacité du gestionnaire de l'infrastructure à exploiter des trains, des véhicules d'inspection d'infrastructure, des engins de travaux ou d'autres véhicules spéciaux, y compris du recours à des contractants le cas échéant, l'autorité de sécurité se fonde sur les exigences pertinentes définies à l'annexe I du Règlement délégué (UE) 2018/762 de la Commission du 8 mars 2018 établissant des méthodes de sécurité communes relatives aux exigences en matière de système de gestion de la sécurité conformément à la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant les Règlements de la Commission (UE) n° 1158/2010 et (UE) n° 1169/2010, en particulier les points 1, 5.1, 5.2 et 5.5.
4.3. L'évaluation détermine si les exigences du système de gestion de la sécurité et les dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité sont respectées ou si un complément d'information doit être demandé conformément au point 3.3. Lors de l'évaluation, l'autorité de sécurité établit également si les exigences du système de gestion de la sécurité et les dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité ont été respectées à partir des résultats des processus du système de gestion de la sécurité, en recourant le cas échéant à des méthodes d'échantillonnage, pour s'assurer que le demandeur a compris les exigences et est en mesure de les respecter en fonction du type d'activités ferroviaires pour garantir la sécurité d'exploitation des chemins de fer.
4.4. Lorsqu'elle soulève une question visée à l'article 14, l'autorité de sécurité fait preuve de précision et aide le demandeur à comprendre le niveau de détail que doit présenter sa réponse. A cette fin, l'autorité de sécurité prend les dispositions suivantes :
a) mentionner précisément les exigences applicables du système de gestion de la sécurité et les dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité et aider le demandeur à comprendre les questions soulevées ;
b) indiquer la partie applicable des réglementations et règles en question ;
c) indiquer en quoi l'exigence en question du système de gestion de la sécurité ou la disposition pertinente du cadre réglementaire en matière de sécurité en question, ainsi que toute législation s'y rapportant, n'est pas remplie ;
d) définir, après avoir consulté le demandeur, d'autres engagements à respecter ou d'autres documents ou informations justificatives à fournir, en fonction du niveau de détail requis par l'exigence du système de gestion de la sécurité ou de la disposition pertinente du cadre réglementaire en matière de sécurité ;
e) définir, après avoir consulté le demandeur, un calendrier de mise en conformité qui soit raisonnable et proportionné à la difficulté de fournir les informations requises.
4.5. Pour être satisfaisantes, les réponses écrites du demandeur doivent être suffisantes pour dissiper les points d'attention exprimés et démontrer que les solutions qu'il propose permettront de répondre aux critères ou aux dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité.
4.6. Lorsqu'une réponse n'est pas jugée satisfaisante, l'autorité de sécurité indique les informations ou éléments de preuve complémentaires que le demandeur doit soumettre pour la rendre satisfaisante.
4.7. S'il apparaît que la demande de renouvellement ou de révision d'un agrément de sécurité risque d'être rejetée ou qu'il faudra plus de temps pour parvenir à une décision que ne le prévoit le délai imparti pour procéder à l'évaluation, et sans préjudice de l'article 15, l'autorité de sécurité peut proroger une ou plusieurs fois l'agrément de sécurité.
4.8. Si la conclusion est que la demande répond à toutes les exigences, ou qu'il est peu probable que de nouveaux progrès qui puissent apporter des réponses satisfaisantes aux points en suspens soient enregistrés, l'autorité de sécurité finalise l'évaluation en prenant les dispositions suivantes:
a) indiquer si tous les critères sont remplis ou s'il reste des points en suspens;
b) indiquer s'il subsiste des points d'attention résiduels;
c) indiquer les éventuelles restrictions ou conditions d'utilisation à inclure dans l'agrément de sécurité.
d) établir un rapport sur le suivi des non-conformités importantes relevées au cours des activités de surveillance, au sens de l'article 5 du Règlement délégué (UE) 2018/761 de la Commission du 16 février 2018 établissant des méthodes de sécurité communes aux fins de la surveillance exercée par les autorités nationales de sécurité après la délivrance d'un certificat de sécurité unique ou d'un agrément de sécurité conformément à la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant le Règlement (UE) n° 1077/2012 de la Commission, le cas échéant;
e) établir le bilan de l'évaluation, y compris le résumé des conclusions et, le cas échéant, un avis concernant la demande d'agrément de sécurité.
5. PRISE DE DECISION
5.1. Sur la base des conclusions de l'évaluation finalisée, l'autorité de sécurité notifie au demandeur sa décision de délivrer ou non l'agrément de sécurité, dans les quatre mois de la réception de la demande complète.
Ce délai est suspendu jusqu'au moment où le demandeur fournit toutes les informations complémentaires visées au 3.3.
Lorsqu'un agrément de sécurité est délivré, il peut subsister des points d'attention résiduels. Il n'est pas délivré d'agrément de sécurité si une question de type 4 est soulevée et n'est pas résolue dans le courant de l'évaluation.
Si une question de type 4 telle que visée à l'article 14, § 1er, d) est soulevée, l'autorité de sécurité peut :
a) en concertation avec le demandeur, solliciter une mise à jour du dossier de demande ;
b) décider de restreindre la portée de l'agrément de sécurité en déterminant des restrictions ou des conditions d'utilisation ;
c) ne pas octroyer l'agrément de sécurité.
5.2. Le délai susmentionné pour la prise de décision concernant la délivrance de l'agrément de sécurité peut également être suspendu si le temps nécessaire à la coopération visée à l'article 98/1 du Code ferroviaire le justifie.
5.3. Le demandeur est informé de la décision de l'autorité de sécurité, y compris du bilan de l'évaluation.
En cas de décision positive, l'autorité de sécurité délivre un agrément de sécurité qui contient les informations énumérées à l'annexe 3.
L'autorité de sécurité attribue à chaque agrément de sécurité un numéro d'identification unique.
5.4. Si la demande est refusée ou si l'agrément de sécurité contient des restrictions ou des conditions d'utilisation autres que celles définies dans la demande, l'autorité de sécurité en informe le demandeur, et lui notifie la procédure à suivre pour demander une révision.
5.5. Le demandeur peut dans les hypothèses visées au point 5.4., dans un délai d'un mois à compter de la réception de la décision de l'autorité de sécurité, demander que la décision soit revue.
Dans ce cas, la décision est suspendue. Dans cette hypothèse, l'agrément de sécurité précédent est prorogé jusqu'à ce que l'autorité de sécurité ait statué sur la demande de révision.
L'autorité de sécurité dispose d'un mois à compter de la réception de la demande de révision pour confirmer ou infirmer sa demande.
La procédure de révision est axée sur les questions ayant justifié que la décision de l'autorité de sécurité s'écarte de la demande.
6. DISPOSITIONS SUPPLEMENTAIRES APPLICABLES EN CAS DE RENOUVELLEMENT D'UN AGREMENT DE SECURITE
6.1. Un agrément de sécurité peut être renouvelé à la requête du demandeur dans les hypothèses énumérées à l'article 7.
6.2. Dans le cas d'une demande de renouvellement, l'autorité de sécurité vérifie les détails des modifications apportées aux éléments de preuve soumis dans la précédente demande et tient compte des résultats des activités de surveillance antérieures au sens de l'article 5 du Règlement délégué (UE) 2018/761 de la Commission du 16 février 2018 établissant des méthodes de sécurité communes aux fins de la surveillance exercée par les autorités nationales de sécurité après la délivrance d'un certificat de sécurité unique ou d'un agrément de sécurité conformément à la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant le Règlement (UE) n° 1077/2012 de la Commission afin de hiérarchiser ou de cibler les exigences applicables du système de gestion de la sécurité ou les dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité en fonction desquelles la demande de renouvellement doit être évaluée.
7. DISPOSITIONS SUPPLEMENTAIRES APPLICABLES EN CAS DE REVISION D'UN AGREMENT DE SECURITE
7.1. Lorsqu'il envisage une modification substantielle au sens l'article 96, alinéa 2 du Code ferroviaire, le gestionnaire de l'infrastructure titulaire de l'agrément de sécurité en informe sans délai l'autorité de sécurité.
7.2. A la suite de la notification effectuée par le gestionnaire de l'infrastructure, l'autorité de sécurité :
a) s'assure que la modification est clairement décrite et que les risques de sécurité potentiels sont évalués;
b) examine, après avoir demandé l'avis du gestionnaire de l'infrastructure, la nécessité d'une révision de l'agrément de sécurité.
7.3. L'autorité de sécurité peut procéder à des investigations supplémentaires auprès du demandeur. Si l'autorité de sécurité confirme que la modification envisagée n'est pas substantielle, elle informe par écrit le demandeur qu'une révision n'est pas requise.
7.4. Dans le cas d'une demande de révision, l'autorité de sécurité prend les dispositions suivantes :
a) vérifier les détails des modifications apportées aux éléments de preuve soumis dans la demande précédente ayant donné lieu à la délivrance de l'agrément de sécurité en cours de validité;
b) tenir compte des résultats des activités de surveillance antérieures au sens de l'article 5 du Règlement délégué (UE) 2018/761 de la Commission du 16 février 2018 établissant des méthodes de sécurité communes aux fins de la surveillance exercée par les autorités nationales de sécurité après la délivrance d'un certificat de sécurité unique ou d'un agrément de sécurité conformément à la directive (UE) 2016/798 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant le Règlement (UE) n° 1077/2012 de la Commission et, notamment, des questions relatives à l'aptitude du demandeur à assurer efficacement la mise en oeuvre et la surveillance de son processus de gestion du changement ;
c) hiérarchiser et cibler les exigences applicables du système de gestion de la sécurité et les dispositions pertinentes du cadre réglementaire en matière de sécurité afin d'évaluer la demande de révision.
7.5. L'autorité de sécurité détermine, à la requête du demandeur, s'il y a lieu de réviser l'agrément de sécurité lorsque les conditions dans lesquelles celui-ci a été délivré doivent être modifiées sans qu'il y ait d'incidence sur l'infrastructure, la signalisation ou l'approvisionnement en énergie utilisés en relation avec l'infrastructure ou les principes applicables à leur exploitation et à leur entretien.
7.6. Lorsque l'autorité de sécurité exige la révision de l'agrément de sécurité sur la base de l'article 96, alinéa 4 du Code ferroviaire, elle communique au gestionnaire de l'infrastructure toutes les pièces dont elle a besoin pour son examen réalisé conformément aux points 7.4. et suivants et le délai qui lui est donné pour communiquer ces pièces.
7.7. La révision d'un agrément de sécurité telle que visée aux points 7.1. et 7.6., n'a pas pour effet de prolonger sa durée de validité.
Art. N3. Bijlage 3. - Inhoud van de veiligheidsvergunning
1. Identificatienummer van de veiligheidsvergunning
2. Identificatie van de infrastructuurbeheerder
2.1. Wettelijke naam
2.2. Nationaal registratienummer
2.3. Btw-nummer
3. Identificatie van de veiligheidsinstantie
3.1. Organisatie
3.2. Lidstaat
4. Informatie over de vergunning
4.1. Nieuwe vergunning
4.2. Vernieuwing
4.3. Herziening
4.4. Identificatienummer van de vorige vergunning (alleen in geval van vernieuwing of herziening)
4.5. Begin- en einddatum
4.6. Details over de infrastructuur
5. Toepasselijke nationale wetgeving
6. Beperkingen en gebruiksvoorwaarden
7. Aanvullende informatie
8. Datum van afgifte en gemachtigde ondertekenaar/stempel van de instantie
1. Identificatienummer van de veiligheidsvergunning
2. Identificatie van de infrastructuurbeheerder
2.1. Wettelijke naam
2.2. Nationaal registratienummer
2.3. Btw-nummer
3. Identificatie van de veiligheidsinstantie
3.1. Organisatie
3.2. Lidstaat
4. Informatie over de vergunning
4.1. Nieuwe vergunning
4.2. Vernieuwing
4.3. Herziening
4.4. Identificatienummer van de vorige vergunning (alleen in geval van vernieuwing of herziening)
4.5. Begin- en einddatum
4.6. Details over de infrastructuur
5. Toepasselijke nationale wetgeving
6. Beperkingen en gebruiksvoorwaarden
7. Aanvullende informatie
8. Datum van afgifte en gemachtigde ondertekenaar/stempel van de instantie
Art. N3. Annexe 3. - Contenu de l'agrément de sécurité
1. Numéro d'identification de l'agrément de sécurité
2. Identification du gestionnaire de l'infrastructure:
2.1. Dénomination légale
2.2. Numéro d'enregistrement national
2.3. Numéro de TVA
3. Identification de l'autorité de sécurité:
3.1. Organisation
3.2. Etat membre
4. Informations relatives à l'agrément:
4.1. Nouvel agrément
4.2. Renouvellement
4.3. Révision
4.4. Numéro d'identification de l'agrément précédent (uniquement en cas de renouvellement ou de révision)
4.5. Dates de début et de fin de validité
4.6. Détails des/de l'infrastructure(s)
5. Législation nationale applicable
6. Restrictions et conditions d'utilisation
7. Informations supplémentaires
8. Date de délivrance et signataire autorisé/cachet de l'autorité
1. Numéro d'identification de l'agrément de sécurité
2. Identification du gestionnaire de l'infrastructure:
2.1. Dénomination légale
2.2. Numéro d'enregistrement national
2.3. Numéro de TVA
3. Identification de l'autorité de sécurité:
3.1. Organisation
3.2. Etat membre
4. Informations relatives à l'agrément:
4.1. Nouvel agrément
4.2. Renouvellement
4.3. Révision
4.4. Numéro d'identification de l'agrément précédent (uniquement en cas de renouvellement ou de révision)
4.5. Dates de début et de fin de validité
4.6. Détails des/de l'infrastructure(s)
5. Législation nationale applicable
6. Restrictions et conditions d'utilisation
7. Informations supplémentaires
8. Date de délivrance et signataire autorisé/cachet de l'autorité