Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit bedoelt men met:
  1° Minister: de minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, zoals bepaald in artikel 6, 61, IX van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980;
  2° Personeelslid: personeelslid van rang A in de zin van artikel 16, 1° van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel;
  3° Bestuur: de directie Economische Migratie bij Brussel Economie en Werkgelegenheid van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, als bedoeld in artikel 2 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 19 maart 2015 tot regeling van de naamswijziging van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  4° Samenwerkingsakkoord: het Samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de federale staat, het Waalse Gewest, het Vlaamse Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
  5° Wet van 19 februari 1965: de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen;
  6° Wet van 30 april 1999: de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
  7° Koninklijk besluit van 2 augustus 1985: het koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende uitvoering van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen;
  8° Koninklijk besluit van 9 juni 1999: het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
15 JUNI 2021. - Besluit van de minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast met het Tewerkstellingsbeleid, houdende de delegatie van bevoegdheden aan ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel in het kader van de economische migratie
Titre
15 JUIN 2021. - ArrĂȘtĂ© du Ministre du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale, en charge de la politique de l'emploi, relatif aux dĂ©lĂ©gations de compĂ©tences aux fonctionnaires du Service public rĂ©gional de Bruxelles dans le cadre de la migration Ă©conomique
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (8)
Texte (8)
Article 1er. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
  1° Ministre : le Ministre du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale compétent pour la politique de l'emploi, telle que définie à l'article 6, § 1er, IX, de la loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980;
  2° agent : l'agent de rang A, au sens de l'article 16, 1° de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pĂ©cuniaire des agents des services publics rĂ©gionaux de Bruxelles;
  3° Administration : la Direction de la Migration Ă©conomique au sein de Bruxelles Ă©conomie et emploi du Service public rĂ©gional de Bruxelles, au sens de l'article 2 de l'ArrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 19 mars 2015 rĂ©glant le changement d'appellation du MinistĂšre de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale;
  4° accord de coopération : l'Accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers;
  5° loi du 19 février 1965 : la loi du 19 février 1965 relative à l'exercice, par les étrangers, des activités professionnelles indépendantes;
  6° loi du 30 avril 1999 : la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers;
  7° arrĂȘtĂ© royal du 2 aoĂ»t 1985 : l'arrĂȘtĂ© royal du 2 aoĂ»t 1985 portant exĂ©cution de la loi du 19 fĂ©vrier 1965 relative Ă l'exercice, par les Ă©trangers, des activitĂ©s professionnelles indĂ©pendantes;
  8° arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1999 : l'ArrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1999 portant exĂ©cution de la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers;
  1° Ministre : le Ministre du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale compétent pour la politique de l'emploi, telle que définie à l'article 6, § 1er, IX, de la loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980;
  2° agent : l'agent de rang A, au sens de l'article 16, 1° de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pĂ©cuniaire des agents des services publics rĂ©gionaux de Bruxelles;
  3° Administration : la Direction de la Migration Ă©conomique au sein de Bruxelles Ă©conomie et emploi du Service public rĂ©gional de Bruxelles, au sens de l'article 2 de l'ArrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 19 mars 2015 rĂ©glant le changement d'appellation du MinistĂšre de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale;
  4° accord de coopération : l'Accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers;
  5° loi du 19 février 1965 : la loi du 19 février 1965 relative à l'exercice, par les étrangers, des activités professionnelles indépendantes;
  6° loi du 30 avril 1999 : la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers;
  7° arrĂȘtĂ© royal du 2 aoĂ»t 1985 : l'arrĂȘtĂ© royal du 2 aoĂ»t 1985 portant exĂ©cution de la loi du 19 fĂ©vrier 1965 relative Ă l'exercice, par les Ă©trangers, des activitĂ©s professionnelles indĂ©pendantes;
  8° arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1999 : l'ArrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1999 portant exĂ©cution de la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers;
Afdeling I. - Delegatie van bevoegdheden inzake de tewerkstelling van bezoldigde buitenlandse arbeidskrachten
Section I. - Délégation de compétences en matiÚre d'occupation des travailleurs étrangers salariés
Art. 2. § 1 De volgende bevoegdheden worden gedelegeerd aan de personeelsleden van het Bestuur:
  1° de bevoegdheid om te oordelen over de volledigheid en ontvankelijkheid van de aanvraag, in toepassing van artikel 19 van het Samenwerkingsakkoord;
  2° de bevoegdheid om de toelating tot arbeid zoals bedoeld in Afdeling 3 van Hoofdstuk IV van het Samenwerkingsakkoord af te leveren of te weigeren, alsook de bevoegdheid om deze toelating te hernieuwen of te wijzigen, en om te weigeren deze toelating te hernieuwen of te wijzigen;
  3° naast de in het Samenwerkingsakkoord beoogde toelatingen, de bevoegdheid om de toelating tot arbeid en de arbeidsvergunning af te leveren of te weigeren, alsook de bevoegdheid om de toelating tot arbeid en de arbeidsvergunning te wijzigen of te hernieuwen, of te weigeren ze te wijzigen of te hernieuwen, zoals bepaald door het koninklijk besluit van 9 juni 1999;
  4° de bevoegdheid om de toelating tot arbeid stop te zetten, in de zin van het artikel 36, § 1 van het Samenwerkingsakkoord en het artikel 35 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999;
  5° de bevoegdheid om bijzondere voorwaarden te bepalen bij de toekenning van een toelating tot arbeid, in de zin van artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999;
  6° de bevoegdheid om het beroep, zoals beoogd in de artikelen 9 en 10 van de wet van 30 april 1999, niet-ontvankelijk te verklaren, als het beroep niet voldoet aan de voorwaarden die zijn bepaald in voornoemde artikelen.
  § 2. Alle gedelegeerde bevoegdheden in § 1 betreffen de delegatie van bevoegdheden inzake de behandeling en briefwisseling, zoals bepaald in de betrokken wetgeving of zoals vereist wegens de naleving van de principes van goed bestuur, met inbegrip van de verlenging van de termijn voor de verwerking van de aanvragen in toepassing van het artikel 25, § 3 van het Samenwerkingsakkoord.
  1° de bevoegdheid om te oordelen over de volledigheid en ontvankelijkheid van de aanvraag, in toepassing van artikel 19 van het Samenwerkingsakkoord;
  2° de bevoegdheid om de toelating tot arbeid zoals bedoeld in Afdeling 3 van Hoofdstuk IV van het Samenwerkingsakkoord af te leveren of te weigeren, alsook de bevoegdheid om deze toelating te hernieuwen of te wijzigen, en om te weigeren deze toelating te hernieuwen of te wijzigen;
  3° naast de in het Samenwerkingsakkoord beoogde toelatingen, de bevoegdheid om de toelating tot arbeid en de arbeidsvergunning af te leveren of te weigeren, alsook de bevoegdheid om de toelating tot arbeid en de arbeidsvergunning te wijzigen of te hernieuwen, of te weigeren ze te wijzigen of te hernieuwen, zoals bepaald door het koninklijk besluit van 9 juni 1999;
  4° de bevoegdheid om de toelating tot arbeid stop te zetten, in de zin van het artikel 36, § 1 van het Samenwerkingsakkoord en het artikel 35 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999;
  5° de bevoegdheid om bijzondere voorwaarden te bepalen bij de toekenning van een toelating tot arbeid, in de zin van artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999;
  6° de bevoegdheid om het beroep, zoals beoogd in de artikelen 9 en 10 van de wet van 30 april 1999, niet-ontvankelijk te verklaren, als het beroep niet voldoet aan de voorwaarden die zijn bepaald in voornoemde artikelen.
  § 2. Alle gedelegeerde bevoegdheden in § 1 betreffen de delegatie van bevoegdheden inzake de behandeling en briefwisseling, zoals bepaald in de betrokken wetgeving of zoals vereist wegens de naleving van de principes van goed bestuur, met inbegrip van de verlenging van de termijn voor de verwerking van de aanvragen in toepassing van het artikel 25, § 3 van het Samenwerkingsakkoord.
Art. 2. § 1er Les compétences suivantes sont déléguées aux agents de l'Administration :
  1° la compétence de statuer sur le caractÚre complet et recevable de la demande, en application de l'article 19 de l'accord de coopération;
  2° la compétence de délivrer ou de refuser de délivrer l'autorisation de travail visée à la Section 3 du Chapitre IV de l'accord de coopération, ainsi que la compétence de renouveler ou de modifier ladite autorisation, et de refuser de la renouveler ou de la modifier;
  3° en dehors des autorisations visĂ©es dans l'accord de coopĂ©ration, la compĂ©tence de dĂ©livrer ou de refuser les autorisations de travail et d'occupation, ainsi que la compĂ©tence de modifier, de renouveler, ou de refuser de modifier ou de renouveler, les autorisations de travail et d'occupation, prĂ©vues par l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1999;
  4° la compĂ©tence de mettre fin Ă l'autorisation de travail, au sens de l'article 36, § 1er de l'accord de coopĂ©ration et de l'article 35 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1999 ;
  5° la compĂ©tence de fixer des conditions spĂ©ciales, lors de l'octroi d'une autorisation de travail, au sens de l'article 6 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1999;
  6° la compĂ©tence de dĂ©clarer irrecevable le recours visĂ© aux articles 9 et 10 de la loi du 30 avril 1999, lorsque celui-ci ne respecte pas les conditions fixĂ©es par ces mĂȘmes articles.
  § 2. Toutes les compétences déléguées au § 1er comprennent la délégation des compétences d'instruction et de correspondance prévues par les législations concernées ou requises par le respect des principes de bonne administration, en ce compris celle de proroger le délai de traitement de la demande en application de l'article 25, § 3 de l'accord de coopération.
  1° la compétence de statuer sur le caractÚre complet et recevable de la demande, en application de l'article 19 de l'accord de coopération;
  2° la compétence de délivrer ou de refuser de délivrer l'autorisation de travail visée à la Section 3 du Chapitre IV de l'accord de coopération, ainsi que la compétence de renouveler ou de modifier ladite autorisation, et de refuser de la renouveler ou de la modifier;
  3° en dehors des autorisations visĂ©es dans l'accord de coopĂ©ration, la compĂ©tence de dĂ©livrer ou de refuser les autorisations de travail et d'occupation, ainsi que la compĂ©tence de modifier, de renouveler, ou de refuser de modifier ou de renouveler, les autorisations de travail et d'occupation, prĂ©vues par l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1999;
  4° la compĂ©tence de mettre fin Ă l'autorisation de travail, au sens de l'article 36, § 1er de l'accord de coopĂ©ration et de l'article 35 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1999 ;
  5° la compĂ©tence de fixer des conditions spĂ©ciales, lors de l'octroi d'une autorisation de travail, au sens de l'article 6 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1999;
  6° la compĂ©tence de dĂ©clarer irrecevable le recours visĂ© aux articles 9 et 10 de la loi du 30 avril 1999, lorsque celui-ci ne respecte pas les conditions fixĂ©es par ces mĂȘmes articles.
  § 2. Toutes les compétences déléguées au § 1er comprennent la délégation des compétences d'instruction et de correspondance prévues par les législations concernées ou requises par le respect des principes de bonne administration, en ce compris celle de proroger le délai de traitement de la demande en application de l'article 25, § 3 de l'accord de coopération.
Afdeling II. - Delegatie van bevoegdheden inzake beroepskaarten voor buitenlandse zelfstandige arbeidskrachten
Section II. - Délégation de compétences en matiÚre de cartes professionnelles concernant les travailleurs étrangers indépendants
Art. 3. § 1 De bevoegdheden voorbehouden aan de gemachtigde ambtenaar in de wet van 19 februari 1965 worden gedelegeerd aan de personeelsleden van het Bestuur.
  § 2 Alle gedelegeerde bevoegdheden in § 1 betreffen de delegatie van bevoegdheden inzake de behandeling en briefwisseling, zoals bepaald in de betrokken wetgeving of zoals vereist wegens de naleving van de principes van goed bestuur.
  § 2 Alle gedelegeerde bevoegdheden in § 1 betreffen de delegatie van bevoegdheden inzake de behandeling en briefwisseling, zoals bepaald in de betrokken wetgeving of zoals vereist wegens de naleving van de principes van goed bestuur.
Art. 3. § 1er Les compétences dévolues au " fonctionnaire délégué " dans la loi du 19 février 1965 sont déléguées aux agents de l'Administration.
  § 2 Toutes les compétences déléguées au § 1er comprennent la délégation des compétences d'instruction et de correspondance prévues par les législations concernées ou requises par le respect des principes de bonne administration.
  § 2 Toutes les compétences déléguées au § 1er comprennent la délégation des compétences d'instruction et de correspondance prévues par les législations concernées ou requises par le respect des principes de bonne administration.
Art. 4. De personeelsleden van het Bestuur zijn gemachtigd om de beroepskaarten te ondertekenen, in toepassing van het artikel 8, 1ste lid van het koninklijk besluit van 2 augustus 1985.
Art. 4. Les agents de l'Administration sont autorisĂ©s Ă signer les cartes professionnelles en application de l'article 8, alinĂ©a 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 2 aoĂ»t 1985.
Afdeling III. - Opheffingsbepalingen
Section III. - Dispositions abrogatoires
Art. 5. Worden opgeheven:
  1° het ministerieel besluit van 9 mei 2009 houdende delegatie van bepaalde bevoegdheden inzake de toepassing van de normen betreffende de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten aan ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  2° het ministerieel besluit van 7 mei 2015 houdende delegatie van bepaalde bevoegdheden inzake de toepassing van de normen betreffende de tewerkstelling van buitenlandse zelfstandige arbeidskrachten aan ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;
  3° het besluit van de adjunct-secretaris-generaal van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 2 februari 2012 houdende delegatie van bepaalde bevoegdheden inzake de toepassing van de normen betreffende de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten aan de directeur-generaal van het bestuur Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  4° het besluit van de directeur-generaal van Brussel Economie en Werkgelegenheid van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel van 11 juli 2016 houdende delegatie van bepaalde bevoegdheden betreffende de tewerkstelling van buitenlandse zelfstandige arbeidskrachten aan ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;
  5° het besluit van de directeur-generaal van Brussel Economie en Werkgelegenheid van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel van 11 juli 2016 houdende delegatie van bepaalde bevoegdheden betreffende de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten aan ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  1° het ministerieel besluit van 9 mei 2009 houdende delegatie van bepaalde bevoegdheden inzake de toepassing van de normen betreffende de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten aan ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  2° het ministerieel besluit van 7 mei 2015 houdende delegatie van bepaalde bevoegdheden inzake de toepassing van de normen betreffende de tewerkstelling van buitenlandse zelfstandige arbeidskrachten aan ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;
  3° het besluit van de adjunct-secretaris-generaal van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 2 februari 2012 houdende delegatie van bepaalde bevoegdheden inzake de toepassing van de normen betreffende de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten aan de directeur-generaal van het bestuur Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  4° het besluit van de directeur-generaal van Brussel Economie en Werkgelegenheid van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel van 11 juli 2016 houdende delegatie van bepaalde bevoegdheden betreffende de tewerkstelling van buitenlandse zelfstandige arbeidskrachten aan ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;
  5° het besluit van de directeur-generaal van Brussel Economie en Werkgelegenheid van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel van 11 juli 2016 houdende delegatie van bepaalde bevoegdheden betreffende de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten aan ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
Art. 5. Sont abrogés :
  1° l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 9 mai 2007 portant dĂ©lĂ©gation de certaines compĂ©tences relatives Ă l'application des normes concernant l'occupation des travailleurs Ă©trangers aux fonctionnaires du MinistĂšre de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale;
  2° l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 7 mai 2015 portant dĂ©lĂ©gation de certaines compĂ©tences relatives Ă l'application des normes concernant l'occupation des travailleurs indĂ©pendants Ă©trangers aux fonctionnaires du Service public rĂ©gional de Bruxelles;
  3° l'arrĂȘtĂ© du SecrĂ©taire gĂ©nĂ©ral adjoint du MinistĂšre de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 2 fĂ©vrier 2012 portant dĂ©lĂ©gation de certaines compĂ©tences relatives Ă l'application des normes concernant l'occupation des travailleurs Ă©trangers au directeur gĂ©nĂ©ral de l'administration de l'Ă©conomie et de l'emploi auprĂšs du ministĂšre de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale;
  4° l'arrĂȘtĂ© du Directeur gĂ©nĂ©ral de Bruxelles Ă©conomie et emploi du Service public rĂ©gional de Bruxelles du 11 juillet 2016 portant dĂ©lĂ©gations de certaines compĂ©tences concernant l'occupation des travailleurs indĂ©pendants Ă©trangers aux fonctionnaires du Service public rĂ©gional de Bruxelles;
  5° l'arrĂȘtĂ© du Directeur gĂ©nĂ©ral de Bruxelles Ă©conomie et emploi du Service public rĂ©gional de Bruxelles du 11 juillet 2016 portant dĂ©lĂ©gations de certaines compĂ©tences concernant l'occupation des travailleurs Ă©trangers aux fonctionnaires ministĂšre de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale;
  1° l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 9 mai 2007 portant dĂ©lĂ©gation de certaines compĂ©tences relatives Ă l'application des normes concernant l'occupation des travailleurs Ă©trangers aux fonctionnaires du MinistĂšre de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale;
  2° l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 7 mai 2015 portant dĂ©lĂ©gation de certaines compĂ©tences relatives Ă l'application des normes concernant l'occupation des travailleurs indĂ©pendants Ă©trangers aux fonctionnaires du Service public rĂ©gional de Bruxelles;
  3° l'arrĂȘtĂ© du SecrĂ©taire gĂ©nĂ©ral adjoint du MinistĂšre de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 2 fĂ©vrier 2012 portant dĂ©lĂ©gation de certaines compĂ©tences relatives Ă l'application des normes concernant l'occupation des travailleurs Ă©trangers au directeur gĂ©nĂ©ral de l'administration de l'Ă©conomie et de l'emploi auprĂšs du ministĂšre de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale;
  4° l'arrĂȘtĂ© du Directeur gĂ©nĂ©ral de Bruxelles Ă©conomie et emploi du Service public rĂ©gional de Bruxelles du 11 juillet 2016 portant dĂ©lĂ©gations de certaines compĂ©tences concernant l'occupation des travailleurs indĂ©pendants Ă©trangers aux fonctionnaires du Service public rĂ©gional de Bruxelles;
  5° l'arrĂȘtĂ© du Directeur gĂ©nĂ©ral de Bruxelles Ă©conomie et emploi du Service public rĂ©gional de Bruxelles du 11 juillet 2016 portant dĂ©lĂ©gations de certaines compĂ©tences concernant l'occupation des travailleurs Ă©trangers aux fonctionnaires ministĂšre de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale;