Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
20 DECEMBER 2020. - Programmawet(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-2020 en tekstbijwerking tot 29-12-2023)
Titre
20 DECEMBRE 2020. - Loi-programme(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-2020 et mise à jour au 29-12-2023)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL I. - Algemene bepaling
TITEL 2. - Financiën
HOOFDSTUK 1. - Inkomstenbelastingen
Afdeling 1. - Indexering van fiscale uitgaven
Afdeling 2. - Investeringsaftrek
Afdeling 3. - Gezinsfiscaliteit
Afdeling 4. - Vrijstelling van doorstorting van...
HOOFDSTUK 2. - Belasting over toegevoegde waard...
HOOFDSTUK 3. - Accijnzen
HOOFDSTUK 4. - Overdracht van het saldo van de ...
HOOFDSTUK 5. - Bekrachtiging van koninklijk bes...
TITEL 3. - Volksgezondheid
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet betreffen...
Afdeling 1. - Aanpassing van de begrotingsdoels...
Afdeling 2. - Referentieterugbetalingssysteem
Afdeling 3. - Goedkoop voorschrijven
Afdeling 4. - Heffingen op de omzet
Afdeling 5. - Bijdrage op marketing
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet 27 april 20...
Enige afdeling. - Oude geneesmiddelen
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 30 juli...
Enige afdeling. - Oude geneesmiddelen
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 20 ju...
HOOFDSTUK 5. - Voorafname op de compenserende h...
HOOFDSTUK 6. - Bekrachtiging van de koninklijke...
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
TITEL 4. - Sociale zaken
HOOFDSTUK 1. - Financiering van de sociale zeke...
Afdeling 1. - Alternatieve financiering - Afwij...
Onderafdeling 1. - Financieringsbron van het ex...
Onderafdeling 2. - Forfaitaire bedragen voor he...
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 18 apr...
Onderafdeling 1. - Integratie van de Rijkstoela...
Onderafdeling 2. - De evenwichtsdotatie
Afdeling 3. - Financiering van inschakelingsver...
Afdeling 4. - Diverse bepalingen
Afdeling 5. - Inwerkingtreding
HOOFDSTUK 2. - Bestuursovereenkomsten
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet betreffende...
HOOFDSTUK 4. - Heruitgave van de in 2020 verval...
TITEL 5. - Zelfstandigen
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het koninklijk bes...
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 22 dece...
TITEL 6. - Werk
ENIG HOOFDSTUK. - Optrekking van het geboorteve...
TITEL 7. - Sociaal tarief
HOOFDSTUK 1. - Bekrachtiging van de koninklijke...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 29 ap...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 12 ap...
TITEL 8. - Pensioenen
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van de wet van 22 maar...
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 18 maar...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 7 mei...
TITEL 9. - Beleid en ondersteuning
ENIG HOOFDSTUK. - Budgettaire investeringsfonds...
TITEL 10. - Wijziging van de wet van 21 maart 1...
TITEL 11. - Deelname van België aan de algemene...
BIJLAGEN.
Inhoud
TITRE Ier. - Disposition générale
TITRE 2. - Finances
CHAPITRE 1er. - Impôts sur les revenus
Section 1re. - Indexation de dépenses fiscales
Section 2. - Déduction pour investissement
Section 3. - Fiscalité familiale
Section 4. - Dispense de versement de précompte...
CHAPITRE 2. - Taxe sur la valeur ajoutée Démoli...
CHAPITRE 3. - Accises
CHAPITRE 4. - Transmission au point de contact ...
CHAPITRE 5. - Confirmation d'arrêtés royaux
TITRE 3. - Santé publique
CHAPITRE 1er. - Modifications de la loi relativ...
Section 1re. - Adaptation de l'objectif budgétaire
Section 2. - Système de remboursement de référence
Section 3. - Prescriptions bon marché
Section 4. - Cotisations sur le chiffre d'affaires
Section 5. - Contribution sur le marketing
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 27 avri...
Section unique. - Vieux médicaments
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 30 juil...
Section unique. - Vieux médicaments
CHAPITRE 4. - Modifications de la loi du 20 jui...
CHAPITRE 5. - Prélèvement sur la cotisation ind...
CHAPITRE 6. - Confirmation des arrêtés royaux d...
CHAPITRE 7. - Dispositions finales
TITRE 4. - Affaires sociales
CHAPITRE 1er. - Financement de la sécurité sociale
Section 1re. - Financement alternatif - Dérogat...
Sous-section 1re. - Source de financement du mo...
Sous-section 2. - Montants forfaitaires pour l'...
Section 2. - Modifications de la loi du 18 avri...
Sous-section 1re. - Intégration des subventions...
Sous-section 2. - La dotation d'équilibre
Section 3. - Financement des indemnités de recl...
Section 4. - Dispositions diverses
Section 5. - Entrée en vigueur
CHAPITRE 2. - Contrats d'administration
CHAPITRE 3. - Modification de la loi relative à...
CHAPITRE 4. - Réédition des titres-repas et des...
TITRE 5. - Indépendants
CHAPITRE 1er. - Modification de l'arrêté royal ...
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 22 déce...
TITRE 6. - Travail
CHAPITRE UNIQUE. - Extension du congé de naissance
TITRE 7. - Tarif social
CHAPITRE 1er. - Confirmation des arrêtés royaux...
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 29 avr...
CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 12 avr...
TITRE 8. - Pensions
CHAPITRE 1er. - Modification de la loi du 22 ma...
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 18 mars...
CHAPITRE 3. - Modifications à la loi du 7 mai 2...
TITRE 9. - Stratégie et appui
CHAPITRE UNIQUE. - Fonds budgétaire d'investiss...
TITRE 10. - Modification de la loi du 21 mars 1...
TITRE 11. - Participation de la Belgique à l'au...
ANNEXES.
Tekst (155)
Texte (155)
TITEL I. - Algemene bepaling
TITRE Ier. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
TITEL 2. - Financiën
TITRE 2. - Finances
HOOFDSTUK 1. - Inkomstenbelastingen
CHAPITRE 1er. - Impôts sur les revenus
Afdeling 1. - Indexering van fiscale uitgaven
Section 1re. - Indexation de dépenses fiscales
Art. 2. In artikel 178, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wet van 30 maart 1994, het koninklijk besluit van 20 december 1996 en de wetten van 21 juni 2002, 19 december 2014, 26 december 2015, 11 maart 2018, 23 maart 2019 en 22 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in het tweede lid worden in de inleidende zin de woorden "14549, 147, 151 tot 152, 154 en 243, tweede lid, "vervangen door de woorden "en 14549, ";
b) in het tweede lid worden in de bepaling onder 2° de woorden "en volgende" vervangen door de woorden "en 2020";
c) in het tweede lid worden van de bepaling onder 2° de woorden "met de coëfficiënt die wordt verkregen" ingevoegd tussen de woorden "en 2020", zoals vervangen door de bepaling onder b), en de woorden "door het gemiddelde van de indexcijfers";
d) in het tweede lid wordt in de Franse tekst van de bepaling onder 2° het woord "multiplié" vervangen door het woord "multipliée";
e) het tweede lid wordt aangevuld met bepalingen onder 3° en 4°, luidende:
"3° voor de aanslagjaren 2021 tot 2024 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2018, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991 en met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012;
4° voor de aanslagjaren 2025 en volgende met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met achtereenvolgens de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991, de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012 en de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2022 en 2018. ";
f) de paragraaf wordt aangevuld met twee leden, luidende:
"In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt wat de in de artikelen 147, 151 tot 152 en 154 vermelde bedragen betreft, de aanpassing verwezenlijkt:
1° voor de aanslagjaren 2015 tot 2018 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2012, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991;
2° voor de aanslagjaren 2019 en volgende met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991 en met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012.
In afwijking van het tweede lid, 3°, worden de in artikel 1458, § 1, tweede lid en derde lid, vermelde bedragen voor het aanslagjaar 2021 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk overeenkomstig het derde lid, 2°. De aldus geïndexeerde bedragen gelden eveneens voor de aanslagjaren 2022 tot 2024.".
a) in het tweede lid worden in de inleidende zin de woorden "14549, 147, 151 tot 152, 154 en 243, tweede lid, "vervangen door de woorden "en 14549, ";
b) in het tweede lid worden in de bepaling onder 2° de woorden "en volgende" vervangen door de woorden "en 2020";
c) in het tweede lid worden van de bepaling onder 2° de woorden "met de coëfficiënt die wordt verkregen" ingevoegd tussen de woorden "en 2020", zoals vervangen door de bepaling onder b), en de woorden "door het gemiddelde van de indexcijfers";
d) in het tweede lid wordt in de Franse tekst van de bepaling onder 2° het woord "multiplié" vervangen door het woord "multipliée";
e) het tweede lid wordt aangevuld met bepalingen onder 3° en 4°, luidende:
"3° voor de aanslagjaren 2021 tot 2024 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2018, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991 en met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012;
4° voor de aanslagjaren 2025 en volgende met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met achtereenvolgens de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991, de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012 en de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2022 en 2018. ";
f) de paragraaf wordt aangevuld met twee leden, luidende:
"In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt wat de in de artikelen 147, 151 tot 152 en 154 vermelde bedragen betreft, de aanpassing verwezenlijkt:
1° voor de aanslagjaren 2015 tot 2018 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2012, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991;
2° voor de aanslagjaren 2019 en volgende met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1997 en 1991 en met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 2016 en 2012.
In afwijking van het tweede lid, 3°, worden de in artikel 1458, § 1, tweede lid en derde lid, vermelde bedragen voor het aanslagjaar 2021 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk overeenkomstig het derde lid, 2°. De aldus geïndexeerde bedragen gelden eveneens voor de aanslagjaren 2022 tot 2024.".
Art. 2. A l'article 178, § 3, du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 28 décembre 1992 et modifié par la loi du 30 mars 1994, l'arrêté royal du 20 décembre 1996 et les lois des 21 juin 2002, 19 décembre 2014, 26 décembre 2015, 11 mars 2018, 23 mars 2019 et 22 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées:
a) dans la phrase liminaire de l'alinéa 2, les mots "14549, 147, 151 à 152, 154 et 243, alinéa 2" sont remplacés par les mots "et 14549";
b) dans l'alinéa 2, 2°, les mots "et suivants" sont remplacés par les mots "et 2020";
c) dans la version néerlandaise de l'alinéa 2, 2°, les mots "met de coëfficiënt die wordt verkregen" sont insérés entre les mots "en 2020", tels que remplacés par le b), et les mots "door het gemiddelde van de indexcijfers";
d) dans l'alinéa 2, 2°, le mot "multiplié" est remplacé par le mot "multipliée";
e) l'alinéa 2 est complété par un 3° et un 4°, rédigés comme suit:
"3° pour les exercices d'imposition 2021 à 2024 au moyen du coefficient qui est obtenu en divisant la moyenne des indices des prix de l'année 2018 par la moyenne des indices des prix de l'année 1988 multipliée par le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 1997 et 1991 et par le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 2016 et 2012;
4° pour les exercices d'imposition 2025 et suivants au moyen du coefficient qui est obtenu en divisant la moyenne des indices des prix de l'année qui précède celle des revenus par la moyenne des indices des prix de l'année 1988 multipliée par successivement le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 1997 et 1991, le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 2016 et 2012 et le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 2022 et 2018.";
f) le paragraphe est complété par deux alinéas rédigés comme suit:
"Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, l'adaptation est réalisée en ce qui concerne les montants visés aux articles 147, 151 à 152 et 154:
1° pour les exercices d'imposition 2015 à 2018 au moyen du coefficient qui est obtenu en divisant la moyenne des indices des prix de l'année 2012 par la moyenne des indices des prix de l'année 1988 multipliée par le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 1997 et 1991;
2° pour les exercices d'imposition 2019 et suivants au moyen du coefficient qui est obtenu en divisant la moyenne des indices des prix de l'année qui précède celle des revenus par la moyenne des indices des prix de l'année 1988 multipliée par le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 1997 et 1991 et par le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 2016 et 2012.
Par dérogation à l'alinéa 2, 3°, les montants mentionnés à l'article 1458, § 1er, alinéas 2 et 3, sont adaptés pour l'exercice d'imposition 2021 à l'indice des prix à la consommation du Royaume conformément à l'alinéa 3, 2°. Les montants ainsi indexés s'appliquent également pour les exercices d'imposition 2022 à 2024.".
a) dans la phrase liminaire de l'alinéa 2, les mots "14549, 147, 151 à 152, 154 et 243, alinéa 2" sont remplacés par les mots "et 14549";
b) dans l'alinéa 2, 2°, les mots "et suivants" sont remplacés par les mots "et 2020";
c) dans la version néerlandaise de l'alinéa 2, 2°, les mots "met de coëfficiënt die wordt verkregen" sont insérés entre les mots "en 2020", tels que remplacés par le b), et les mots "door het gemiddelde van de indexcijfers";
d) dans l'alinéa 2, 2°, le mot "multiplié" est remplacé par le mot "multipliée";
e) l'alinéa 2 est complété par un 3° et un 4°, rédigés comme suit:
"3° pour les exercices d'imposition 2021 à 2024 au moyen du coefficient qui est obtenu en divisant la moyenne des indices des prix de l'année 2018 par la moyenne des indices des prix de l'année 1988 multipliée par le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 1997 et 1991 et par le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 2016 et 2012;
4° pour les exercices d'imposition 2025 et suivants au moyen du coefficient qui est obtenu en divisant la moyenne des indices des prix de l'année qui précède celle des revenus par la moyenne des indices des prix de l'année 1988 multipliée par successivement le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 1997 et 1991, le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 2016 et 2012 et le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 2022 et 2018.";
f) le paragraphe est complété par deux alinéas rédigés comme suit:
"Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, l'adaptation est réalisée en ce qui concerne les montants visés aux articles 147, 151 à 152 et 154:
1° pour les exercices d'imposition 2015 à 2018 au moyen du coefficient qui est obtenu en divisant la moyenne des indices des prix de l'année 2012 par la moyenne des indices des prix de l'année 1988 multipliée par le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 1997 et 1991;
2° pour les exercices d'imposition 2019 et suivants au moyen du coefficient qui est obtenu en divisant la moyenne des indices des prix de l'année qui précède celle des revenus par la moyenne des indices des prix de l'année 1988 multipliée par le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 1997 et 1991 et par le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 2016 et 2012.
Par dérogation à l'alinéa 2, 3°, les montants mentionnés à l'article 1458, § 1er, alinéas 2 et 3, sont adaptés pour l'exercice d'imposition 2021 à l'indice des prix à la consommation du Royaume conformément à l'alinéa 3, 2°. Les montants ainsi indexés s'appliquent également pour les exercices d'imposition 2022 à 2024.".
Art. 3. Artikel 2 treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2021.
Art. 3. L'article 2 entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge et est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2021.
Afdeling 2. - Investeringsaftrek
Section 2. - Déduction pour investissement
Art. 4. In artikel 69, § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 juli 2020, worden de woorden "31 december 2020" vervangen door de woorden "31 december 2022".
Art. 4. Dans l'article 69, § 1er, alinéa 1er, 1°, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 15 juillet 2020, les mots "31 décembre 2020" sont remplacés par les mots "31 décembre 2022".
Art. 5. In artikel 201, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "31 december 2020" vervangen door de woorden "31 december 2022";
2° in het vijfde lid wordt de woorden "in 2019" vervangen door de woorden "van 1 januari 2019 tot 31 december 2021".
1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "31 december 2020" vervangen door de woorden "31 december 2022";
2° in het vijfde lid wordt de woorden "in 2019" vervangen door de woorden "van 1 januari 2019 tot 31 december 2021".
Art. 5. A l'article 201, § 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 15 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er, 1°, les mots "31 décembre 2020" sont remplacés par les mots "31 décembre 2022";
2° dans l'alinéa 5, les mots "en 2019" sont remplacés par les mots "du 1er janvier 2019 au 31 décembre 2021".
1° dans l'alinéa 1er, 1°, les mots "31 décembre 2020" sont remplacés par les mots "31 décembre 2022";
2° dans l'alinéa 5, les mots "en 2019" sont remplacés par les mots "du 1er janvier 2019 au 31 décembre 2021".
Art. 6. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2021.
Art. 6. La présente section entre en vigueur le 1er janvier 2021.
Afdeling 3. - Gezinsfiscaliteit
Section 3. - Fiscalité familiale
Art. 7. In artikel 132 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden in de bepaling onder 7° de woorden "en zorgbehoevend is" ingevoegd na de woorden "die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt";
2° in het eerste lid wordt in de bepaling onder 7° het bedrag "1 740 EUR" vervangen door het bedrag "2 610 EUR";
3° in het tweede lid worden de woorden "het eerste lid" vervangen door de woorden "het eerste lid, 1° tot 6° en 8°, ";
4° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Voor de toepassing van het eerste lid, 7°, wordt als zorgbehoevend aangemerkt, de persoon voor wie de graad van zelfredzaamheid op ten minste 9 punten werd vastgesteld krachtens het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming. De zorgbehoevendheid wordt vastgesteld door de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid, Medex of de adviserend geneesheer bij het ziekenfonds of een gelijkwaardige instelling of persoon uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.".
1° in het eerste lid worden in de bepaling onder 7° de woorden "en zorgbehoevend is" ingevoegd na de woorden "die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt";
2° in het eerste lid wordt in de bepaling onder 7° het bedrag "1 740 EUR" vervangen door het bedrag "2 610 EUR";
3° in het tweede lid worden de woorden "het eerste lid" vervangen door de woorden "het eerste lid, 1° tot 6° en 8°, ";
4° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Voor de toepassing van het eerste lid, 7°, wordt als zorgbehoevend aangemerkt, de persoon voor wie de graad van zelfredzaamheid op ten minste 9 punten werd vastgesteld krachtens het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming. De zorgbehoevendheid wordt vastgesteld door de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid, Medex of de adviserend geneesheer bij het ziekenfonds of een gelijkwaardige instelling of persoon uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.".
Art. 7. A l'article 132 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées:
1° à l'alinéa 1er, 7°, les mots "qui est dans une situation de dépendance" sont insérés avant les mots "et qui a atteint l'âge de 65 ans";
2° à l'alinéa 1er, 7°, le montant "1 740 EUR" est remplacé par le montant "2 610 EUR";
3° à l'alinéa 2, les mots "l'alinéa 1er" sont remplacés par les mots `l'alinéa 1er, 1° à 6° et 8°, ";
4° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Pour l'application de l'alinéa 1er, 7°, est considérée comme étant en situation de dépendance la personne pour laquelle le degré d'autonomie est évalué à au moins 9 points conformément à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration. La situation de dépendance est constatée par la Direction générale Personnes handicapées du SPF Sécurité sociale, Medex ou le médecin-conseil auprès de la mutualité, ou une institution ou personne similaire d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen.".
1° à l'alinéa 1er, 7°, les mots "qui est dans une situation de dépendance" sont insérés avant les mots "et qui a atteint l'âge de 65 ans";
2° à l'alinéa 1er, 7°, le montant "1 740 EUR" est remplacé par le montant "2 610 EUR";
3° à l'alinéa 2, les mots "l'alinéa 1er" sont remplacés par les mots `l'alinéa 1er, 1° à 6° et 8°, ";
4° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Pour l'application de l'alinéa 1er, 7°, est considérée comme étant en situation de dépendance la personne pour laquelle le degré d'autonomie est évalué à au moins 9 points conformément à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration. La situation de dépendance est constatée par la Direction générale Personnes handicapées du SPF Sécurité sociale, Medex ou le médecin-conseil auprès de la mutualité, ou une institution ou personne similaire d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen.".
Art. 8. In artikel 14535 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 december 2012 en gewijzigd bij de wetten van 8 mei 2014, 18 december 2015 en 26 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid worden in de bepaling onder 1° de woorden "twaalf jaar" vervangen door de woorden "veertien jaar";
"2° in het tweede lid, wordt in de bepaling onder 3°, a, de inleidende zin aangevuld met de woorden "of waaraan een kwaliteitslabel werd toegekend";
3° in het tweede lid, wordt de bepaling onder 3° aangevuld met een bepaling onder d), luidende:
"d) ofwel aan organisaties gevestigd in de Europese Economische Ruimte die thuisopvang voor zieke kinderen door professionele oppassers organiseren of aan zelfstandige oppassers die een ziek kind oppassen in het kader van hun beroepsactiviteit die ze uitoefenen in de Europese Economische Ruimte.";
4° het tweede lid wordt aangevuld met een bepaling onder 4°, luidende:
"4° de uitgaven worden gerechtvaardigd door het attest dat de in 3° bedoelde instanties en die gevestigd zijn op het Belgische grondgebied verplicht zijn af te leveren aan de belastingplichtige die ze heeft gedaan. Het model van dit attest wordt bepaald door de Koning.";
5° in het derde lid worden de woorden "achttien jaar" vervangen door de woorden "éénentwintig jaar";
6° het zesde lid wordt als volgt vervangen:
"Het maximumbedrag van de voor de vermindering in aanmerking te nemen uitgaven bedraagt 7,85 euro per oppasdag en per kind.";
7° in het zesde lid, zoals vervangen door de bepaling onder 5°, wordt het bedrag "7,85 euro" vervangen door het bedrag "8,20 euro";
8° in het elfde lid worden in de bepaling onder b) de woorden "en openbare besturen" vervangen door de woorden ", openbare besturen en organisaties".
9° het elfde lid wordt opgeheven;
10° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De Koning wijzigt desgevallend het in het zesde lid vermelde bedrag zodat het na toepassing van artikel 178 gelijk is aan 13,70 euro voor aanslagjaar 2022. Onverminderd de toepassing van artikel 178, blijft het aldus gewijzigde bedrag van toepassing voor de aanslagjaren 2023 en volgende.".
1° in het tweede lid worden in de bepaling onder 1° de woorden "twaalf jaar" vervangen door de woorden "veertien jaar";
"2° in het tweede lid, wordt in de bepaling onder 3°, a, de inleidende zin aangevuld met de woorden "of waaraan een kwaliteitslabel werd toegekend";
3° in het tweede lid, wordt de bepaling onder 3° aangevuld met een bepaling onder d), luidende:
"d) ofwel aan organisaties gevestigd in de Europese Economische Ruimte die thuisopvang voor zieke kinderen door professionele oppassers organiseren of aan zelfstandige oppassers die een ziek kind oppassen in het kader van hun beroepsactiviteit die ze uitoefenen in de Europese Economische Ruimte.";
4° het tweede lid wordt aangevuld met een bepaling onder 4°, luidende:
"4° de uitgaven worden gerechtvaardigd door het attest dat de in 3° bedoelde instanties en die gevestigd zijn op het Belgische grondgebied verplicht zijn af te leveren aan de belastingplichtige die ze heeft gedaan. Het model van dit attest wordt bepaald door de Koning.";
5° in het derde lid worden de woorden "achttien jaar" vervangen door de woorden "éénentwintig jaar";
6° het zesde lid wordt als volgt vervangen:
"Het maximumbedrag van de voor de vermindering in aanmerking te nemen uitgaven bedraagt 7,85 euro per oppasdag en per kind.";
7° in het zesde lid, zoals vervangen door de bepaling onder 5°, wordt het bedrag "7,85 euro" vervangen door het bedrag "8,20 euro";
8° in het elfde lid worden in de bepaling onder b) de woorden "en openbare besturen" vervangen door de woorden ", openbare besturen en organisaties".
9° het elfde lid wordt opgeheven;
10° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De Koning wijzigt desgevallend het in het zesde lid vermelde bedrag zodat het na toepassing van artikel 178 gelijk is aan 13,70 euro voor aanslagjaar 2022. Onverminderd de toepassing van artikel 178, blijft het aldus gewijzigde bedrag van toepassing voor de aanslagjaren 2023 en volgende.".
Art. 8. A l'article 14535 du même Code, inséré par la loi du 13 décembre 2012 et modifié par les lois des 8 mai 2014, 18 décembre 2015 et 26 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° à l'alinéa 2, 1°, les mots "douze ans" sont remplacés par les mots "quatorze ans";
"2° à l'alinéa 2, 3°, a, dans la phrase liminaire, les mots "qui sont" sont insérés entre les mots "milieux d'accueil" et le mot "autorisés" et les mots "ou auxquels un label de qualité a été accordé" sont insérés après le mot "contrôlés";
3° l'alinéa 2, 3°, est complété par un point d) rédigé comme suit:
"d) soit à des organisations établies dans l'Espace économique européen qui organisent une garde à domicile pour des enfants malades par des gardiens professionnels, ou à des gardiens indépendants qui gardent un enfant malade dans le cadre de leur activité professionnelle qu'ils exercent au sein de l'Espace économique européen.";
4° l'alinéa 2 est complété par un 4° rédigé comme suit:
"4° les dépenses sont justifiées par l'attestation que les organismes visés au 3° et qui sont établis sur le territoire belge sont tenus de délivrer au contribuable qui les a effectuées. Le modèle de cette attestation est déterminé par le Roi.";
5° à l'alinéa 3, les mots "dix-huit ans" sont remplacés par les mots "vingt et un ans";
6° l'alinéa 6 est remplacé par ce qui suit:
"Le montant maximum des dépenses à prendre en considération pour la réduction s'élève à 7,85 euros par jour de garde et par enfant.";
7° à l'alinéa 6, tel que remplacé par le 5°, le montant "7,85 euros" est remplacé par le montant "8,20 euros";
8° à l'alinéa 11, b), les mots "et des pouvoirs publics" sont remplacés par les mots ", pouvoirs publics et organisations".
9° l'alinéa 11 est abrogé;
10° l'article est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Le Roi modifie, le cas échéant, le montant visé à l'alinéa 6, de telle sorte qu'il soit égal, après application de l'article 178, à 13,70 euros pour l'exercice d'imposition 2022. Sans préjudice de l'application de l'article 178, le montant ainsi modifié est applicable pour les exercices d'imposition 2023 et suivants.".
1° à l'alinéa 2, 1°, les mots "douze ans" sont remplacés par les mots "quatorze ans";
"2° à l'alinéa 2, 3°, a, dans la phrase liminaire, les mots "qui sont" sont insérés entre les mots "milieux d'accueil" et le mot "autorisés" et les mots "ou auxquels un label de qualité a été accordé" sont insérés après le mot "contrôlés";
3° l'alinéa 2, 3°, est complété par un point d) rédigé comme suit:
"d) soit à des organisations établies dans l'Espace économique européen qui organisent une garde à domicile pour des enfants malades par des gardiens professionnels, ou à des gardiens indépendants qui gardent un enfant malade dans le cadre de leur activité professionnelle qu'ils exercent au sein de l'Espace économique européen.";
4° l'alinéa 2 est complété par un 4° rédigé comme suit:
"4° les dépenses sont justifiées par l'attestation que les organismes visés au 3° et qui sont établis sur le territoire belge sont tenus de délivrer au contribuable qui les a effectuées. Le modèle de cette attestation est déterminé par le Roi.";
5° à l'alinéa 3, les mots "dix-huit ans" sont remplacés par les mots "vingt et un ans";
6° l'alinéa 6 est remplacé par ce qui suit:
"Le montant maximum des dépenses à prendre en considération pour la réduction s'élève à 7,85 euros par jour de garde et par enfant.";
7° à l'alinéa 6, tel que remplacé par le 5°, le montant "7,85 euros" est remplacé par le montant "8,20 euros";
8° à l'alinéa 11, b), les mots "et des pouvoirs publics" sont remplacés par les mots ", pouvoirs publics et organisations".
9° l'alinéa 11 est abrogé;
10° l'article est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Le Roi modifie, le cas échéant, le montant visé à l'alinéa 6, de telle sorte qu'il soit égal, après application de l'article 178, à 13,70 euros pour l'exercice d'imposition 2022. Sans préjudice de l'application de l'article 178, le montant ainsi modifié est applicable pour les exercices d'imposition 2023 et suivants.".
Art. 9. In artikel 178, § 2, derde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 30 maart 1994, de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en de wetten van 27 maart 2009, 25 december 2017, 23 maart 2019, 22 april 2019 en 28 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen de woorden "66bis, derde lid," en de woorden "en van de in artikel 147" worden de woorden "14535, zesde lid," ingevoegd;
2° voor de zin die begint met de woorden "Het in artikel 21, eerste lid, 14°, " wordt een zin ingevoegd, luidende:
"Het in artikel 14535, zesde lid, vermelde bedrag wordt afgerond tot op het hogere of lagere veelvoud van 10 cent naargelang het cijfer van de honderdsten al dan niet 5 bereikt.".
1° tussen de woorden "66bis, derde lid," en de woorden "en van de in artikel 147" worden de woorden "14535, zesde lid," ingevoegd;
2° voor de zin die begint met de woorden "Het in artikel 21, eerste lid, 14°, " wordt een zin ingevoegd, luidende:
"Het in artikel 14535, zesde lid, vermelde bedrag wordt afgerond tot op het hogere of lagere veelvoud van 10 cent naargelang het cijfer van de honderdsten al dan niet 5 bereikt.".
Art. 9. A l'article 178, § 2, alinéa 3, du même Code, modifié par la loi du 30 mars 1994, les arrêtés royaux des 20 juillet 2000 et 13 juillet 2001 et les lois des 27 mars 2009, 25 décembre 2017, 23 mars 2019, 22 avril 2019 et 28 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots "14535, alinéa 6," sont insérés entre les mots "66bis, alinéa 3," et les mots "et les montants des réductions visés à l'article 147";
2° avant la phrase qui commence par les mots "Le montant visé à l'article 21, alinéa 1er, 14°, ", une phrase est insérée, rédigée comme suit:
"Le montant visé à l'article 14535, alinéa 6, est arrondi au multiple de 10 cents supérieur ou inférieur, selon que le chiffre des centimes atteint 5 ou non.".
1° les mots "14535, alinéa 6," sont insérés entre les mots "66bis, alinéa 3," et les mots "et les montants des réductions visés à l'article 147";
2° avant la phrase qui commence par les mots "Le montant visé à l'article 21, alinéa 1er, 14°, ", une phrase est insérée, rédigée comme suit:
"Le montant visé à l'article 14535, alinéa 6, est arrondi au multiple de 10 cents supérieur ou inférieur, selon que le chiffre des centimes atteint 5 ou non.".
Art. 10. In titel VII, hoofdstuk III, afdeling II, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 323/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 323/2. § 1. Wanneer een instantie als bedoeld in artikel 14535, tweede lid, 3°, een attest aflevert met het oog op het bekomen van de belastingvermindering voor kinderoppas, deelt zij de administratie jaarlijks elektronisch de gegevens mee die daarop betrekking hebben.
§ 2. De instanties bedoeld in artikel 14535, tweede lid, 3°, zijn vrijgesteld van de jaarlijks e verplichting om de elektronische mededeling bedoeld in paragraaf 1 te voldoen zolang zij niet beschikken over de nodige geïnformatiseerde middelen om aan deze verplichting te voldoen.
§ 3. De in paragraaf 1 vermelde mededeling geschiedt binnen de termijn en in de vorm die door de Koning wordt bepaald.
De Koning bepaalt eveneens de gegevens die moeten worden meegedeeld.
§ 4. Met als enig doel paragraaf 1 toe te passen, hebben de betrokken instanties de toelating om het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen te verzamelen, te verwerken en mee te delen.
Wanneer het voormeld identificatienummer reeds voor andere doeleinden in het bezit is van de betrokken instanties, mag het gebruikt worden voor de toepassing van de paragraaf 1.".
"Art. 323/2. § 1. Wanneer een instantie als bedoeld in artikel 14535, tweede lid, 3°, een attest aflevert met het oog op het bekomen van de belastingvermindering voor kinderoppas, deelt zij de administratie jaarlijks elektronisch de gegevens mee die daarop betrekking hebben.
§ 2. De instanties bedoeld in artikel 14535, tweede lid, 3°, zijn vrijgesteld van de jaarlijks e verplichting om de elektronische mededeling bedoeld in paragraaf 1 te voldoen zolang zij niet beschikken over de nodige geïnformatiseerde middelen om aan deze verplichting te voldoen.
§ 3. De in paragraaf 1 vermelde mededeling geschiedt binnen de termijn en in de vorm die door de Koning wordt bepaald.
De Koning bepaalt eveneens de gegevens die moeten worden meegedeeld.
§ 4. Met als enig doel paragraaf 1 toe te passen, hebben de betrokken instanties de toelating om het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen te verzamelen, te verwerken en mee te delen.
Wanneer het voormeld identificatienummer reeds voor andere doeleinden in het bezit is van de betrokken instanties, mag het gebruikt worden voor de toepassing van de paragraaf 1.".
Art. 10. Dans le titre VII, chapitre III, section II, du même Code, il est inséré un article 323/2, rédigé comme suit:
"Art. 323/2. § 1er. Lorsqu'un organisme visé à l'article 14535, alinéa 2, 3°, délivre une attestation en vue de l'obtention d'une réduction d'impôt pour garde d'enfant, il communique annuellement à l'administration par voie électronique les données qui y sont relatives.
§ 2. Les organismes visés à l'article 14535, alinéa 2, 3°, sont dispensés de remplir l'obligation annuelle de communication électronique prévue au paragraphe 1er aussi longtemps qu'ils ne disposent pas des moyens informatiques nécessaires pour remplir cette obligation.
§ 3. La communication mentionnée au paragraphe 1er doit être faite dans les délais et les formes déterminés par le Roi.
Le Roi détermine également les données qui doivent être communiquées.
§ 4. Dans le seul but d'appliquer le paragraphe 1er, les organismes visés ont l'autorisation de collecter, de traiter et de communiquer le numéro d'identification au Registre national des personnes physiques.
Lorsque le numéro d'identification précité est déjà en possession des organismes visés pour d'autres finalités, celui-ci peut être utilisé en vue de l'application du paragraphe 1er.".
"Art. 323/2. § 1er. Lorsqu'un organisme visé à l'article 14535, alinéa 2, 3°, délivre une attestation en vue de l'obtention d'une réduction d'impôt pour garde d'enfant, il communique annuellement à l'administration par voie électronique les données qui y sont relatives.
§ 2. Les organismes visés à l'article 14535, alinéa 2, 3°, sont dispensés de remplir l'obligation annuelle de communication électronique prévue au paragraphe 1er aussi longtemps qu'ils ne disposent pas des moyens informatiques nécessaires pour remplir cette obligation.
§ 3. La communication mentionnée au paragraphe 1er doit être faite dans les délais et les formes déterminés par le Roi.
Le Roi détermine également les données qui doivent être communiquées.
§ 4. Dans le seul but d'appliquer le paragraphe 1er, les organismes visés ont l'autorisation de collecter, de traiter et de communiquer le numéro d'identification au Registre national des personnes physiques.
Lorsque le numéro d'identification précité est déjà en possession des organismes visés pour d'autres finalités, celui-ci peut être utilisé en vue de l'application du paragraphe 1er.".
Art. 11. In titel X van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 546 ingevoegd, luidende:
"Art. 546. Artikel 132, eerste lid, 7°, en tweede lid, zoals ze bestonden vooraleer ze werden gewijzigd bij de wet van 20 december 2020 blijven van toepassing voor de aanslagjaren 2022 tot 2025 voor de persoon die voor het aanslagjaar 2021 bij toepassing van het voormelde artikel 132, eerste lid, 7°, ten laste was van de belastingplichtige.
Dit artikel is niet van toepassing wanneer de toeslag op de belastingvrije som die voor de vermelde persoon kan worden toegekend lager is dan de toeslag op de belastingvrije som die bij toepassing van artikel 132, eerste lid, 7°, en tweede lid, zoals gewijzigd bij de wet van 20 december 2020, kan worden toegekend".
"Art. 546. Artikel 132, eerste lid, 7°, en tweede lid, zoals ze bestonden vooraleer ze werden gewijzigd bij de wet van 20 december 2020 blijven van toepassing voor de aanslagjaren 2022 tot 2025 voor de persoon die voor het aanslagjaar 2021 bij toepassing van het voormelde artikel 132, eerste lid, 7°, ten laste was van de belastingplichtige.
Dit artikel is niet van toepassing wanneer de toeslag op de belastingvrije som die voor de vermelde persoon kan worden toegekend lager is dan de toeslag op de belastingvrije som die bij toepassing van artikel 132, eerste lid, 7°, en tweede lid, zoals gewijzigd bij de wet van 20 december 2020, kan worden toegekend".
Art. 11. Dans le titre X du même Code, un article 546 est inséré, rédigé comme suit:
"Art. 546. L'article 132, alinéa 1er, 7°, et alinéa 2, tels qu'ils existaient avant d'être modifiés par la loi du 20 décembre 2020, restent applicables pour les exercices d'imposition 2022 à 2025 pour la personne qui était à charge du contribuable pour l'exercice d'imposition 2021 en application de l'article 132, alinéa 1er, 7°, précité.
Le présent article n'est pas applicable lorsque le supplément de la quotité du revenu exemptée d'impôt qui peut être octroyé à la personne visée est moins élevé que le supplément de la quotité du revenu exemptée d'impôt qui peut être octroyé en application de l'article 132, alinéa 1er, 7°, et alinéa 2, tels que modifiés par la loi du 20 décembre 2020".
"Art. 546. L'article 132, alinéa 1er, 7°, et alinéa 2, tels qu'ils existaient avant d'être modifiés par la loi du 20 décembre 2020, restent applicables pour les exercices d'imposition 2022 à 2025 pour la personne qui était à charge du contribuable pour l'exercice d'imposition 2021 en application de l'article 132, alinéa 1er, 7°, précité.
Le présent article n'est pas applicable lorsque le supplément de la quotité du revenu exemptée d'impôt qui peut être octroyé à la personne visée est moins élevé que le supplément de la quotité du revenu exemptée d'impôt qui peut être octroyé en application de l'article 132, alinéa 1er, 7°, et alinéa 2, tels que modifiés par la loi du 20 décembre 2020".
Art. 12. De artikelen 8, 1°, 3°, 5°, 6° et 8°, en 9 treden in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2021.
De artikelen 8, 4° en 9°, en 10 treden in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad en zijn van toepassing op de uitgaven voor kinderoppas die worden gedaan vanaf 1 januari 2021.
De artikelen 7, 8, 2°, 7° en 10°, en 11 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2022.
De artikelen 8, 4° en 9°, en 10 treden in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad en zijn van toepassing op de uitgaven voor kinderoppas die worden gedaan vanaf 1 januari 2021.
De artikelen 7, 8, 2°, 7° en 10°, en 11 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2022.
Art. 12. Les articles 8, 1°, 3°, 5°, 6° et 8°, et 9 entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge et sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2021.
Les articles 8, 4° et 9°, et 10 entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge et sont applicables aux dépenses pour garde d'enfant faites à partir du 1er janvier 2021.
Les articles 7, 8, 2°, 7° et 10°, et 11 sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2022.
Les articles 8, 4° et 9°, et 10 entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge et sont applicables aux dépenses pour garde d'enfant faites à partir du 1er janvier 2021.
Les articles 7, 8, 2°, 7° et 10°, et 11 sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2022.
Afdeling 4. - Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de opleiding van werknemers
Section 4. - Dispense de versement de précompte professionnel pour la formation des travailleurs
Art. 13. In titel VI, hoofdstuk 1, afdeling IV, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 27512 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 27512. § 1. De in het tweede lid bedoelde werkgevers die bij toepassing van artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing, worden ervan vrijgesteld een deel van de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de in paragraaf 4 bedoelde belastbare bezoldigingen van de in paragraaf 2 bedoelde werknemers in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden.
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op werkgevers onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
§ 2. Voor de toepassing van de in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling, komen enkel de werknemers in aanmerking die ten minste 6 maanden bij de werkgever zijn tewerkgesteld en die een opleiding hebben gevolgd zoals in omschreven in paragraaf 3, met een minimale duurtijd van 10 dagen gedurende een ononderbroken periode van 30 kalenderdagen.
De in het eerste lid bedoelde minimale duurtijd van 10 dagen is van toepassing op de werknemer die voltijds wordt tewerkgesteld volgens de op de betrokken onderneming toepasselijke wetgeving. Deze minimale duurtijd wordt verminderd naar verhouding tot de op de betrokken werknemer van toepassing zijnde arbeidsregeling.
Wanneer de werkgever een onderneming is waarin ploegenarbeid of nachtarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie betaalt of toekent en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, WIB 92 schuldenaar is van de bedrijfsvoorheffing op die premie, wordt de minimale duurtijd van 10 dagen gedurende een ononderbroken periode van 30 kalenderdagen bedoeld in het eerste en het tweede lid vervangen door een minimale duurtijd van 10 dagen gedurende een ononderbroken periode van 60 kalenderdagen voor de werknemer die begunstigde is van de voormelde premie tijdens de voormelde ononderbroken periode van 60 dagen.
Wanneer de werkgever wordt aangemerkt als kleine vennootschap op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of een natuurlijke persoon is die op overeenkomstige wijze beantwoordt aan de criteria van het voormelde artikel 1:24, §§ 1 tot 6, wordt de minimale duurtijd van 10 dagen gedurende een ononderbroken periode van 30 kalenderdagen bedoeld in het eerste en het tweede lid vervangen door een minimale duurtijd van 5 dagen gedurende een ononderbroken periode van 75 kalenderdagen.
Het aantal ononderbroken periodes van 30 kalenderdagen, 60 kalenderdagen of 75 kalenderdagen bedoeld in deze paragraaf waarin een in aanmerking komende opleiding is gevolgd, wordt beperkt tot tien periodes voor eenzelfde werknemer bij eenzelfde werkgever.
De periode van 30 kalenderdagen, de periode van 60 kalenderdagen of de periode van 75 kalenderdagen wordt niet onderbroken door de gebeurtenissen die de uitvoering van de arbeidsovereenkomst schorsen. Ze wordt verlengd met zoveel dagen als de schorsing duurt.
§ 3. Om in aanmerking te komen, moet de in paragraaf 2 bedoelde opleiding:
- beantwoorden aan de in artikel 9 van de wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk, vermelde definities;
- niet verplicht zijn gesteld door een wettelijke of reglementaire bepaling of door een collectieve arbeidsovereenkomst;
- een beroepskost zijn in hoofde van de werkgever.
Voor de berekening van de duurtijd van de opleiding, wordt één dag opleiding geacht overeen te komen met 7,6 uren opleiding.
De informele opleidingen in de zin van artikel 9 van de wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk mogen niet meer dan 10 pct. van de minimale duur van 10 dagen gedurende een ononderbroken periode van 30 kalenderdagen of 60 kalenderdagen uitmaken, of 20 pct. van de minimale duur van 5 dagen gedurende een ononderbroken periode van 75 kalenderdagen.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling wordt berekend met inachtneming van al de belastbare bezoldigingen van de kalendermaand waarin de opleiding is beëindigd.
De in het eerste lid bedoelde belastbare bezoldigingen zijn de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers, met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie, de achterstallige bezoldigingen en van de inkomsten die niet aan de bedrijfsvoorheffing worden onderworpen of bij verdrag zijn vrijgesteld. Voor de toepassing van deze paragraaf, worden deze bezoldigingen slechts in aanmerking genomen ten belope van 3 500 euro belastbaar per werknemer. Dit bedrag is van toepassing op de werknemer die voltijds wordt tewerkgesteld volgens de op de betrokken onderneming toepasselijke wetgeving. Het wordt verminderd naar verhouding tot de op de betrokken werknemer van toepassing zijnde arbeidsregeling. Het wordt niet geïndexeerd overeenkomstig artikel 178.
Voor de toepassing van dit artikel wordt de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de in artikel 2 bedoelde grens geacht een evenredig deel uit te maken van de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de totale bezoldiging van de betrokken werknemer.
§ 5. De niet te storten bedrijfsvoorheffing bedraagt 11,75 pct. van het totaal van de in paragraaf 4 bedoelde bezoldigingen van alle in paragraaf 2 bedoelde werknemers samen.
§ 6. De Koning bepaalt de nadere regels en modaliteiten in verband met de wijze waarop bij de indiening van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing het bewijs wordt geleverd dat aan de in paragrafen 2 tot 4 vermelden voorwaarden voldaan is.".
"Art. 27512. § 1. De in het tweede lid bedoelde werkgevers die bij toepassing van artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing, worden ervan vrijgesteld een deel van de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de in paragraaf 4 bedoelde belastbare bezoldigingen van de in paragraaf 2 bedoelde werknemers in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden.
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op werkgevers onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
§ 2. Voor de toepassing van de in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling, komen enkel de werknemers in aanmerking die ten minste 6 maanden bij de werkgever zijn tewerkgesteld en die een opleiding hebben gevolgd zoals in omschreven in paragraaf 3, met een minimale duurtijd van 10 dagen gedurende een ononderbroken periode van 30 kalenderdagen.
De in het eerste lid bedoelde minimale duurtijd van 10 dagen is van toepassing op de werknemer die voltijds wordt tewerkgesteld volgens de op de betrokken onderneming toepasselijke wetgeving. Deze minimale duurtijd wordt verminderd naar verhouding tot de op de betrokken werknemer van toepassing zijnde arbeidsregeling.
Wanneer de werkgever een onderneming is waarin ploegenarbeid of nachtarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie betaalt of toekent en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, WIB 92 schuldenaar is van de bedrijfsvoorheffing op die premie, wordt de minimale duurtijd van 10 dagen gedurende een ononderbroken periode van 30 kalenderdagen bedoeld in het eerste en het tweede lid vervangen door een minimale duurtijd van 10 dagen gedurende een ononderbroken periode van 60 kalenderdagen voor de werknemer die begunstigde is van de voormelde premie tijdens de voormelde ononderbroken periode van 60 dagen.
Wanneer de werkgever wordt aangemerkt als kleine vennootschap op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of een natuurlijke persoon is die op overeenkomstige wijze beantwoordt aan de criteria van het voormelde artikel 1:24, §§ 1 tot 6, wordt de minimale duurtijd van 10 dagen gedurende een ononderbroken periode van 30 kalenderdagen bedoeld in het eerste en het tweede lid vervangen door een minimale duurtijd van 5 dagen gedurende een ononderbroken periode van 75 kalenderdagen.
Het aantal ononderbroken periodes van 30 kalenderdagen, 60 kalenderdagen of 75 kalenderdagen bedoeld in deze paragraaf waarin een in aanmerking komende opleiding is gevolgd, wordt beperkt tot tien periodes voor eenzelfde werknemer bij eenzelfde werkgever.
De periode van 30 kalenderdagen, de periode van 60 kalenderdagen of de periode van 75 kalenderdagen wordt niet onderbroken door de gebeurtenissen die de uitvoering van de arbeidsovereenkomst schorsen. Ze wordt verlengd met zoveel dagen als de schorsing duurt.
§ 3. Om in aanmerking te komen, moet de in paragraaf 2 bedoelde opleiding:
- beantwoorden aan de in artikel 9 van de wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk, vermelde definities;
- niet verplicht zijn gesteld door een wettelijke of reglementaire bepaling of door een collectieve arbeidsovereenkomst;
- een beroepskost zijn in hoofde van de werkgever.
Voor de berekening van de duurtijd van de opleiding, wordt één dag opleiding geacht overeen te komen met 7,6 uren opleiding.
De informele opleidingen in de zin van artikel 9 van de wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk mogen niet meer dan 10 pct. van de minimale duur van 10 dagen gedurende een ononderbroken periode van 30 kalenderdagen of 60 kalenderdagen uitmaken, of 20 pct. van de minimale duur van 5 dagen gedurende een ononderbroken periode van 75 kalenderdagen.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling wordt berekend met inachtneming van al de belastbare bezoldigingen van de kalendermaand waarin de opleiding is beëindigd.
De in het eerste lid bedoelde belastbare bezoldigingen zijn de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers, met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie, de achterstallige bezoldigingen en van de inkomsten die niet aan de bedrijfsvoorheffing worden onderworpen of bij verdrag zijn vrijgesteld. Voor de toepassing van deze paragraaf, worden deze bezoldigingen slechts in aanmerking genomen ten belope van 3 500 euro belastbaar per werknemer. Dit bedrag is van toepassing op de werknemer die voltijds wordt tewerkgesteld volgens de op de betrokken onderneming toepasselijke wetgeving. Het wordt verminderd naar verhouding tot de op de betrokken werknemer van toepassing zijnde arbeidsregeling. Het wordt niet geïndexeerd overeenkomstig artikel 178.
Voor de toepassing van dit artikel wordt de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de in artikel 2 bedoelde grens geacht een evenredig deel uit te maken van de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de totale bezoldiging van de betrokken werknemer.
§ 5. De niet te storten bedrijfsvoorheffing bedraagt 11,75 pct. van het totaal van de in paragraaf 4 bedoelde bezoldigingen van alle in paragraaf 2 bedoelde werknemers samen.
§ 6. De Koning bepaalt de nadere regels en modaliteiten in verband met de wijze waarop bij de indiening van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing het bewijs wordt geleverd dat aan de in paragrafen 2 tot 4 vermelden voorwaarden voldaan is.".
Art. 13. Dans le titre VI, chapitre 1er, section IV, du même Code, un article 27512 est inséré, rédigé comme suit:
"Art. 27512. § 1er. Les employeurs visés à l'alinéa 2 qui sont redevables du précompte professionnel en application de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont dispensés de verser au Trésor une partie du précompte professionnel qui est dû sur les rémunérations imposables visées au paragraphe 4 des travailleurs visés au paragraphe 2, à condition de retenir la totalité dudit précompte sur ces rémunérations.
Les dispositions du présent article s'appliquent aux employeurs soumis à la loi du 5 décembre 1968 relative aux conventions collectives de travail et aux commissions paritaires.
§ 2. Pour l'application de la dispense visée au paragraphe 1er, sont seuls pris en considération les travailleurs engagés auprès de l'employeur depuis au moins 6 mois, et qui ont suivi une formation telle que définie au paragraphe 3, d'une durée minimale de 10 jours durant une période ininterrompue de 30 jours calendaires.
La durée minimale de 10 jours visée à l'alinéa 1er s'applique au travailleur engagé à temps plein selon la réglementation applicable à l'entreprise concernée. Cette durée minimale est réduite proportionnellement au régime de travail applicable au travailleur concerné.
Lorsque l'employeur est une entreprise où s'effectue un travail en équipe ou un travail de nuit, qui paie ou attribue une prime d'équipe et qui est redevable du précompte professionnel sur cette prime en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, CIR 92, la durée minimale de 10 jours durant une période ininterrompue de 30 jours calendaires visée aux alinéas 1er et 2 est remplacée par une durée minimale de 10 jours durant une période ininterrompue de 60 jours calendaires pour le travailleur qui bénéficie de ladite prime durant cette période ininterrompue de 60 jours.
Lorsque l'employeur est considéré comme une petite société au sens de l'article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des associations ou est une personne physique qui satisfait mutatis mutandis aux critères dudit article 1:24, §§ 1er à 6, la durée minimale de 10 jours durant une période ininterrompue de 30 jours calendaires visée aux alinéas 1er et 2 est remplacée par une durée minimale de 5 jours durant une période ininterrompue de 75 jours calendaires.
Le nombre de périodes ininterrompues de 30 jours calendaires, 60 jours calendaires ou de 75 jours calendaires visées au présent paragraphe au cours desquelles une formation éligible a été suivie est limité à dix périodes pour un même travailleur auprès d'un même employeur.
Les évènements qui suspendent le contrat de travail n'interrompent pas la période de 30 jours calendaires, de 60 jours calendaires ou de 75 jours calendaires, mais la prolongent d'autant de jours que dure la suspension.
§ 3. Pour être éligible, la formation visée au paragraphe 2 doit:
- répondre aux définitions mentionnées à l'article 9 de la loi du 5 mars 2017 concernant le travail faisable et maniable;
- ne pas avoir été rendue obligatoire par une disposition légale, réglementaire ou par une convention collective de travail;
- constituer un frais professionnel dans le chef de l'employeur.
Pour le calcul de la durée de la formation, une journée de formation est censée correspondre à 7,6 heures de de formation.
Les formations informelles au sens de l'article 9 de la loi du 5 mars 2017 concernant le travail faisable et maniable ne peuvent représenter plus de 10 p.c. de la durée minimale de 10 jours durant une période ininterrompue de 30 jours calendaires ou 60 jours calendaires, ou 20 p.c. de la durée minimale de 5 jours durant une période ininterrompue de 75 jours calendaires.
§ 4. La dispense visée au paragraphe 1er est calculée en tenant compte de l'ensemble des rémunérations imposables du mois civil au cours duquel la formation s'est achevée.
Les rémunérations imposables visées à l'alinéa 1er sont les rémunérations imposables des travailleurs déterminées conformément à l'article 31, alinéa 2, 1° et 2°, à l'exclusion du pécule de vacances, de la prime de fin d'année, des arriérés de rémunérations, et des revenus non soumis au précompte professionnel ou exonérés par convention. Pour l'application du présent paragraphe, ces rémunérations ne sont prises en considération qu'à concurrence de 3 500 euros imposables par travailleur. Ce montant s'applique au travailleur engagé à temps plein selon la réglementation applicable à l'entreprise concernée. Il est réduit proportionnellement au régime de travail applicable au travailleur concerné. Il n'est pas indexé conformément à l'article 178.
Pour l'application du présent article, le précompte professionnel dû sur la limite visée à l'alinéa 2 est censé être une part proportionnelle du précompte dû sur la rémunération totale du travailleur concerné.
§ 5. Le précompte professionnel qui ne doit pas être versé est égal à 11,75 p.c. de l'ensemble des rémunérations visées au paragraphe 4 de l'ensemble des travailleurs visés au paragraphe 2.
§ 6. Le Roi détermine les règles et modalités afférentes à la manière d'apporter la preuve, lors du dépôt de la déclaration au précompte professionnel, que les conditions mentionnées aux paragraphes 2 à 4 sont remplies.".
"Art. 27512. § 1er. Les employeurs visés à l'alinéa 2 qui sont redevables du précompte professionnel en application de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont dispensés de verser au Trésor une partie du précompte professionnel qui est dû sur les rémunérations imposables visées au paragraphe 4 des travailleurs visés au paragraphe 2, à condition de retenir la totalité dudit précompte sur ces rémunérations.
Les dispositions du présent article s'appliquent aux employeurs soumis à la loi du 5 décembre 1968 relative aux conventions collectives de travail et aux commissions paritaires.
§ 2. Pour l'application de la dispense visée au paragraphe 1er, sont seuls pris en considération les travailleurs engagés auprès de l'employeur depuis au moins 6 mois, et qui ont suivi une formation telle que définie au paragraphe 3, d'une durée minimale de 10 jours durant une période ininterrompue de 30 jours calendaires.
La durée minimale de 10 jours visée à l'alinéa 1er s'applique au travailleur engagé à temps plein selon la réglementation applicable à l'entreprise concernée. Cette durée minimale est réduite proportionnellement au régime de travail applicable au travailleur concerné.
Lorsque l'employeur est une entreprise où s'effectue un travail en équipe ou un travail de nuit, qui paie ou attribue une prime d'équipe et qui est redevable du précompte professionnel sur cette prime en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, CIR 92, la durée minimale de 10 jours durant une période ininterrompue de 30 jours calendaires visée aux alinéas 1er et 2 est remplacée par une durée minimale de 10 jours durant une période ininterrompue de 60 jours calendaires pour le travailleur qui bénéficie de ladite prime durant cette période ininterrompue de 60 jours.
Lorsque l'employeur est considéré comme une petite société au sens de l'article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des associations ou est une personne physique qui satisfait mutatis mutandis aux critères dudit article 1:24, §§ 1er à 6, la durée minimale de 10 jours durant une période ininterrompue de 30 jours calendaires visée aux alinéas 1er et 2 est remplacée par une durée minimale de 5 jours durant une période ininterrompue de 75 jours calendaires.
Le nombre de périodes ininterrompues de 30 jours calendaires, 60 jours calendaires ou de 75 jours calendaires visées au présent paragraphe au cours desquelles une formation éligible a été suivie est limité à dix périodes pour un même travailleur auprès d'un même employeur.
Les évènements qui suspendent le contrat de travail n'interrompent pas la période de 30 jours calendaires, de 60 jours calendaires ou de 75 jours calendaires, mais la prolongent d'autant de jours que dure la suspension.
§ 3. Pour être éligible, la formation visée au paragraphe 2 doit:
- répondre aux définitions mentionnées à l'article 9 de la loi du 5 mars 2017 concernant le travail faisable et maniable;
- ne pas avoir été rendue obligatoire par une disposition légale, réglementaire ou par une convention collective de travail;
- constituer un frais professionnel dans le chef de l'employeur.
Pour le calcul de la durée de la formation, une journée de formation est censée correspondre à 7,6 heures de de formation.
Les formations informelles au sens de l'article 9 de la loi du 5 mars 2017 concernant le travail faisable et maniable ne peuvent représenter plus de 10 p.c. de la durée minimale de 10 jours durant une période ininterrompue de 30 jours calendaires ou 60 jours calendaires, ou 20 p.c. de la durée minimale de 5 jours durant une période ininterrompue de 75 jours calendaires.
§ 4. La dispense visée au paragraphe 1er est calculée en tenant compte de l'ensemble des rémunérations imposables du mois civil au cours duquel la formation s'est achevée.
Les rémunérations imposables visées à l'alinéa 1er sont les rémunérations imposables des travailleurs déterminées conformément à l'article 31, alinéa 2, 1° et 2°, à l'exclusion du pécule de vacances, de la prime de fin d'année, des arriérés de rémunérations, et des revenus non soumis au précompte professionnel ou exonérés par convention. Pour l'application du présent paragraphe, ces rémunérations ne sont prises en considération qu'à concurrence de 3 500 euros imposables par travailleur. Ce montant s'applique au travailleur engagé à temps plein selon la réglementation applicable à l'entreprise concernée. Il est réduit proportionnellement au régime de travail applicable au travailleur concerné. Il n'est pas indexé conformément à l'article 178.
Pour l'application du présent article, le précompte professionnel dû sur la limite visée à l'alinéa 2 est censé être une part proportionnelle du précompte dû sur la rémunération totale du travailleur concerné.
§ 5. Le précompte professionnel qui ne doit pas être versé est égal à 11,75 p.c. de l'ensemble des rémunérations visées au paragraphe 4 de l'ensemble des travailleurs visés au paragraphe 2.
§ 6. Le Roi détermine les règles et modalités afférentes à la manière d'apporter la preuve, lors du dépôt de la déclaration au précompte professionnel, que les conditions mentionnées aux paragraphes 2 à 4 sont remplies.".
Art. 14. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2021.
Art. 14. La présente section entre en vigueur le 1er janvier 2021.
HOOFDSTUK 2. - Belasting over toegevoegde waarde Afbraak en heropbouw van gebouwen op het hele Belgische grondgebied
CHAPITRE 2. - Taxe sur la valeur ajoutée Démolition et reconstruction de bâtiments sur l'ensemble du territoire belge
Art. 15. Artikel 1quater van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 10 februari 2009, wordt vervangen als volgt:
"Artikel 1quater. § 1. Het verlaagd tarief van 6 pct. is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, van tabel A van de bijlage bij dit besluit, die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor bewoning door de bouwheer-natuurlijke persoon en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw, waarvoor de belasting opeisbaar is geworden overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek tussen 1 januari 2021 en 31 december 2022.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat, na de uitvoering van de werken:
a) op het ogenblik van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming, als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt gebruikt door de bouwheer-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben;
b) een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 200 m2;
2° de bouwheer-natuurlijke persoon:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt dat het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten bedoeld is om als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten te worden gebruikt door de bouwheer-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben en een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 200 m2, en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en);
b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijk niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, a), wordt om te bepalen of de woning de enige woning is die de bouwheer-natuurlijke persoon zelf betrekt, geen rekening gehouden met:
- andere woningen waarvan hij, ingevolge erfenis, mede-eigenaar, naakte eigenaar of vruchtgebruiker is;
- een andere woning die hij bewoont als eigen woning waar hij zijn domicilie heeft gevestigd en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning bedoeld in het tweede lid, 1°, a), is verkocht.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de handelingen van afbraak en heropbouw in één van de grote steden bedoeld in de rubriek XXXVII, tweede lid, 2°, van tabel A van de bijlage bij dit besluit.
§ 2. Het verlaagd tarief van 6 pct. is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, van tabel A van de bijlage bij dit besluit, die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor langdurige verhuur in het kader van het sociaal beleid en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw, waarvoor de belasting opeisbaar is geworden overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek tussen 1 januari 2021 en 31 december 2022.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat, na de uitvoering van de werken, door de bouwheer als woning wordt verhuurd aan een sociaal verhuurkantoor of dat als woning wordt verhuurd in het kader van een door de bouwheer aan een sociaal verhuurkantoor toegekend beheersmandaat;
2° de bouwheer:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt dat het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten bedoeld is om gedurende een periode van ten minste vijftien jaar aan of door bemiddeling van een sociaal verhuurkantoor te verhuren als woning en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en);
b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning.
§ 3. Het verlaagd tarief van 6 pct. is van toepassing op de levering van woningen en het bijhorend terrein, alsook op de vestiging, overdracht of wederoverdracht van de zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek, op een woning en het bijhorend terrein, die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld, door de belastingplichtige die de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw heeft uitgevoerd van een woning gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw, wanneer de op die handelingen verschuldigde belasting opeisbaar is geworden overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Wetboek tussen 1 januari 2021 en 31 december 2022.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handeling bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op een woning die, na de levering:
a) hetzij op het tijdstip van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt gebruikt door de verkrijger-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben en een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 200 m2;
b) hetzij door de verkrijger aan een sociaal verhuurkantoor wordt verhuurd of wordt verhuurd in het kader van een door de verkrijger aan een sociaal verhuurkantoor toegekend beheersmandaat;
2° de leverancier:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Wetboek, of, in geval van een verkoop op plan, vóór het tijdstip waarop het belastbaar feit zich voordoet overeenkomstig artikel 16, § 1, eerste lid, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring, medeondertekend door de verkrijger van het gebouw, vermeldt dat het gebouw dat de leverancier heeft laten afbreken en heroprichten en het voorwerp uitmaakt van een handeling bedoeld in het eerste lid, bedoeld is om hetzij, als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten te worden gebruikt door de verkrijger-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben waarbij die woning een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 200 m2, hetzij om door de verkrijger aan een sociaalverhuurkantoor te worden verhuurd of te worden verhuurd in het kader van een aan een sociaal verhuurkantoor toegekend beheersmandaat, en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en) met betrekking tot de afbraak van het gebouw en de heropbouw van de woning;
- het compromis of de authentieke akte met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde handeling;
b) overhandigt een afschrift van de in de bepaling onder a) bedoelde verklaring aan zijn medecontractant(en);
3° de door de leverancier van de goederen uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart alsook de overeenkomsten of de authentieke akten met betrekking tot de handelingen bedoeld in het eerste lid, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de medeondertekening van de verkrijger van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de leverancier van de goederen van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, a), wordt om te bepalen of de woning de enige woning is die de verkrijger-natuurlijke persoon zelf betrekt, geen rekening gehouden met:
- andere woningen waarvan hij, ingevolge erfenis, mede-eigenaar, naakte eigenaar of vruchtgebruiker is;
- een andere woning die hij betrekt als eigen woning waar hij zijn domicilie heeft gevestigd en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar van ingebruikneming of inbezitneming van de woning bedoeld in het tweede lid, 1°, a), is verkocht.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op het gedeelte van de prijs van de levering dat betrekking heeft op zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties.
§ 4. De voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a), blijven vervuld gedurende een periode die ten vroegste eindigt op:
1° wat de afbraak van een gebouw en heropbouw van een woning betreft, 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning door de bouwheer-natuurlijke persoon;
2° wat de levering van een woning en het bijhorend terrein en de vestiging, overdracht en wederoverdracht van zakelijke rechten op een woning en het bijhorend terrein die niet zijn vrijgesteld van de belasting overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek, betreft, 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning door de verkrijger-natuurlijke persoon.
Indien zich tijdens de voormelde periode wijzigingen voordoen waardoor de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a), niet meer vervuld zijn:
1° maakt de bouwheer-natuurlijke persoon of de verkrijger-natuurlijke persoon daar melding van in een verklaring die hij toestuurt aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, binnen de termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de wijzigingen aanvangen;
2° stort de bouwheer-natuurlijke persoon of de verkrijger-natuurlijke persoon, binnen de termijn bedoeld in 1°, het belastingvoordeel dat hij heeft genoten terug aan de Staat voor het jaar waarin de wijziging zich voordoet en voor de nog te lopen jaren tot beloop van een vijfde per jaar.
De in het tweede lid, 2°, bedoelde terugstorting wordt niet uitgevoerd in geval van overlijden van de bouwheer-natuurlijke persoon of van de verkrijger-natuurlijke persoon of bij elk behoorlijk verantwoord geval van overmacht dat hem definitief verhindert nog te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a).
§ 5. De voorwaarden bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, b), blijven vervuld gedurende een periode die ten vroegste eindigt op 31 december van het vijftiende jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming van de woning. Deze minimumverhuurtermijn wordt, al naargelang het geval, vastgelegd in de met het sociaal verhuurkantoor afgesloten verhuurovereenkomst of overeenkomst inzake het beheersmandaat.
Indien zich tijdens de voormelde periode wijzigingen voordoen waardoor de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 2, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, b), niet meer vervuld zijn:
1° maakt de bouwheer of de verkrijger daar melding van in een verklaring die hij toestuurt aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, binnen de termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de wijzigingen aanvangen;
2° stort de bouwheer of de verkrijger, binnen de termijn bedoeld in 1°, het belastingvoordeel dat hij heeft genoten terug aan de Staat voor het jaar waarin de wijziging zich voordoet en voor de nog te lopen jaren tot beloop van een vijftiende per jaar.
De in het tweede lid, 2°, bedoelde terugstorting wordt niet uitgevoerd bij elk behoorlijk verantwoord geval van overmacht dat de bouwheer of de verkrijger definitief verhindert nog te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 2, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, b).
§ 6. Voor handelingen van afbraak en heropbouw bedoeld in de paragrafen 1 en 2, waarvoor overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek belasting opeisbaar is geworden vóór 1 januari 2021, is het verlaagd tarief van 6 pct. overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 van toepassing op de handelingen waarvoor de belasting opeisbaar is vanaf die datum, op voorwaarde dat de verklaring bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, a), en paragraaf 2, tweede lid, 2°, a), uiterlijk op 31 maart 2021 wordt ingediend.
§ 7. Voor handelingen van afbraak en heropbouw bedoeld in paragrafen 1 en 2, waarvoor de aanvraag voor een omgevingsvergunning met betrekking tot de bedoelde handelingen vanaf 1 juli 2022 bij de bevoegde instantie werd ingediend, is de toepassing van het verlaagd tarief van 6 pct. beperkt tot 25 pct. van het totale bedrag van de in de aanvraag voor de omgevingsvergunning vermelde werken die het verlaagd tarief van 6 pct. kunnen genieten overeenkomstig de paragrafen 1 en 2, behoudens tegenbewijs door de belastingplichtige dat het vóór 31 december 2022 gefactureerde bedrag overeenstemt met vóór die datum daadwerkelijk voltooide handelingen van afbraak en wederopbouw.
§ 8. Voor de toepassing van dit artikel, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een eengezinswoning bepaald door de oppervlakten van alle woonvertrekken samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkanten van de opgaande muren.
Voor de toepassing van dit artikel, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een appartement bepaald door de oppervlakten van alle privatieve in het tweede lid bedoelde woonvertrekken van het appartement samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkant van de gemeenschappelijke muren. De oppervlakte van gemeenschappelijke delen of ruimten, met inbegrip van plat dak, centrale hal, trappen en de buitenzijde wordt niet in aanmerking genomen.
Voor de toepassing van dit artikel, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een wooneenheid die deel uitmaakt van een geïntegreerd vastgoedproject van gemeenschappelijk wonen bepaald door de oppervlakten van alle woonvertrekken van die wooneenheid samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkant van de gemeenschappelijke muren. De oppervlakte van de woonvertrekken voor gemeenschappelijk gebruik door de bewoners van de verschillende wooneenheden van het project, wordt ten aanzien van elke individuele wooneenheid van het project slechts in aanmerking genomen in evenredigheid met aan het aantal wooneenheden van het project.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden als woonvertrekken beschouwd, de keukens, de woonkamers, de eetkamers, de slaapkamers, de bewoonbare zolder- en kelderruimten, de bureaus en alle andere voor huisvesting bedoelde ruimtes. Worden gelijkgesteld met woonvertrekken, alle voor de uitoefening van een economische activiteit gebruikte ruimtes.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de oppervlakte van de woonvertrekken bedoeld in het vierde lid maar in aanmerking genomen op voorwaarde dat die vertrekken een minimumoppervlakte hebben van 4 m2 en een minimumhoogte boven de vloer van 2 meter.
De Koning kan deze paragraaf wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.".
"Artikel 1quater. § 1. Het verlaagd tarief van 6 pct. is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, van tabel A van de bijlage bij dit besluit, die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor bewoning door de bouwheer-natuurlijke persoon en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw, waarvoor de belasting opeisbaar is geworden overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek tussen 1 januari 2021 en 31 december 2022.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat, na de uitvoering van de werken:
a) op het ogenblik van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming, als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt gebruikt door de bouwheer-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben;
b) een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 200 m2;
2° de bouwheer-natuurlijke persoon:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt dat het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten bedoeld is om als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten te worden gebruikt door de bouwheer-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben en een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 200 m2, en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en);
b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijk niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, a), wordt om te bepalen of de woning de enige woning is die de bouwheer-natuurlijke persoon zelf betrekt, geen rekening gehouden met:
- andere woningen waarvan hij, ingevolge erfenis, mede-eigenaar, naakte eigenaar of vruchtgebruiker is;
- een andere woning die hij bewoont als eigen woning waar hij zijn domicilie heeft gevestigd en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning bedoeld in het tweede lid, 1°, a), is verkocht.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de handelingen van afbraak en heropbouw in één van de grote steden bedoeld in de rubriek XXXVII, tweede lid, 2°, van tabel A van de bijlage bij dit besluit.
§ 2. Het verlaagd tarief van 6 pct. is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, van tabel A van de bijlage bij dit besluit, die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor langdurige verhuur in het kader van het sociaal beleid en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw, waarvoor de belasting opeisbaar is geworden overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek tussen 1 januari 2021 en 31 december 2022.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat, na de uitvoering van de werken, door de bouwheer als woning wordt verhuurd aan een sociaal verhuurkantoor of dat als woning wordt verhuurd in het kader van een door de bouwheer aan een sociaal verhuurkantoor toegekend beheersmandaat;
2° de bouwheer:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt dat het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten bedoeld is om gedurende een periode van ten minste vijftien jaar aan of door bemiddeling van een sociaal verhuurkantoor te verhuren als woning en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en);
b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning.
§ 3. Het verlaagd tarief van 6 pct. is van toepassing op de levering van woningen en het bijhorend terrein, alsook op de vestiging, overdracht of wederoverdracht van de zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek, op een woning en het bijhorend terrein, die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld, door de belastingplichtige die de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw heeft uitgevoerd van een woning gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw, wanneer de op die handelingen verschuldigde belasting opeisbaar is geworden overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Wetboek tussen 1 januari 2021 en 31 december 2022.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handeling bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op een woning die, na de levering:
a) hetzij op het tijdstip van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt gebruikt door de verkrijger-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben en een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 200 m2;
b) hetzij door de verkrijger aan een sociaal verhuurkantoor wordt verhuurd of wordt verhuurd in het kader van een door de verkrijger aan een sociaal verhuurkantoor toegekend beheersmandaat;
2° de leverancier:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Wetboek, of, in geval van een verkoop op plan, vóór het tijdstip waarop het belastbaar feit zich voordoet overeenkomstig artikel 16, § 1, eerste lid, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring, medeondertekend door de verkrijger van het gebouw, vermeldt dat het gebouw dat de leverancier heeft laten afbreken en heroprichten en het voorwerp uitmaakt van een handeling bedoeld in het eerste lid, bedoeld is om hetzij, als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten te worden gebruikt door de verkrijger-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben waarbij die woning een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 200 m2, hetzij om door de verkrijger aan een sociaalverhuurkantoor te worden verhuurd of te worden verhuurd in het kader van een aan een sociaal verhuurkantoor toegekend beheersmandaat, en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en) met betrekking tot de afbraak van het gebouw en de heropbouw van de woning;
- het compromis of de authentieke akte met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde handeling;
b) overhandigt een afschrift van de in de bepaling onder a) bedoelde verklaring aan zijn medecontractant(en);
3° de door de leverancier van de goederen uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart alsook de overeenkomsten of de authentieke akten met betrekking tot de handelingen bedoeld in het eerste lid, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de medeondertekening van de verkrijger van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de leverancier van de goederen van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, a), wordt om te bepalen of de woning de enige woning is die de verkrijger-natuurlijke persoon zelf betrekt, geen rekening gehouden met:
- andere woningen waarvan hij, ingevolge erfenis, mede-eigenaar, naakte eigenaar of vruchtgebruiker is;
- een andere woning die hij betrekt als eigen woning waar hij zijn domicilie heeft gevestigd en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar van ingebruikneming of inbezitneming van de woning bedoeld in het tweede lid, 1°, a), is verkocht.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op het gedeelte van de prijs van de levering dat betrekking heeft op zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties.
§ 4. De voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a), blijven vervuld gedurende een periode die ten vroegste eindigt op:
1° wat de afbraak van een gebouw en heropbouw van een woning betreft, 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning door de bouwheer-natuurlijke persoon;
2° wat de levering van een woning en het bijhorend terrein en de vestiging, overdracht en wederoverdracht van zakelijke rechten op een woning en het bijhorend terrein die niet zijn vrijgesteld van de belasting overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek, betreft, 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning door de verkrijger-natuurlijke persoon.
Indien zich tijdens de voormelde periode wijzigingen voordoen waardoor de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a), niet meer vervuld zijn:
1° maakt de bouwheer-natuurlijke persoon of de verkrijger-natuurlijke persoon daar melding van in een verklaring die hij toestuurt aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, binnen de termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de wijzigingen aanvangen;
2° stort de bouwheer-natuurlijke persoon of de verkrijger-natuurlijke persoon, binnen de termijn bedoeld in 1°, het belastingvoordeel dat hij heeft genoten terug aan de Staat voor het jaar waarin de wijziging zich voordoet en voor de nog te lopen jaren tot beloop van een vijfde per jaar.
De in het tweede lid, 2°, bedoelde terugstorting wordt niet uitgevoerd in geval van overlijden van de bouwheer-natuurlijke persoon of van de verkrijger-natuurlijke persoon of bij elk behoorlijk verantwoord geval van overmacht dat hem definitief verhindert nog te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a).
§ 5. De voorwaarden bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, b), blijven vervuld gedurende een periode die ten vroegste eindigt op 31 december van het vijftiende jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming van de woning. Deze minimumverhuurtermijn wordt, al naargelang het geval, vastgelegd in de met het sociaal verhuurkantoor afgesloten verhuurovereenkomst of overeenkomst inzake het beheersmandaat.
Indien zich tijdens de voormelde periode wijzigingen voordoen waardoor de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 2, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, b), niet meer vervuld zijn:
1° maakt de bouwheer of de verkrijger daar melding van in een verklaring die hij toestuurt aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, binnen de termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de wijzigingen aanvangen;
2° stort de bouwheer of de verkrijger, binnen de termijn bedoeld in 1°, het belastingvoordeel dat hij heeft genoten terug aan de Staat voor het jaar waarin de wijziging zich voordoet en voor de nog te lopen jaren tot beloop van een vijftiende per jaar.
De in het tweede lid, 2°, bedoelde terugstorting wordt niet uitgevoerd bij elk behoorlijk verantwoord geval van overmacht dat de bouwheer of de verkrijger definitief verhindert nog te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 2, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, b).
§ 6. Voor handelingen van afbraak en heropbouw bedoeld in de paragrafen 1 en 2, waarvoor overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek belasting opeisbaar is geworden vóór 1 januari 2021, is het verlaagd tarief van 6 pct. overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 van toepassing op de handelingen waarvoor de belasting opeisbaar is vanaf die datum, op voorwaarde dat de verklaring bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, a), en paragraaf 2, tweede lid, 2°, a), uiterlijk op 31 maart 2021 wordt ingediend.
§ 7. Voor handelingen van afbraak en heropbouw bedoeld in paragrafen 1 en 2, waarvoor de aanvraag voor een omgevingsvergunning met betrekking tot de bedoelde handelingen vanaf 1 juli 2022 bij de bevoegde instantie werd ingediend, is de toepassing van het verlaagd tarief van 6 pct. beperkt tot 25 pct. van het totale bedrag van de in de aanvraag voor de omgevingsvergunning vermelde werken die het verlaagd tarief van 6 pct. kunnen genieten overeenkomstig de paragrafen 1 en 2, behoudens tegenbewijs door de belastingplichtige dat het vóór 31 december 2022 gefactureerde bedrag overeenstemt met vóór die datum daadwerkelijk voltooide handelingen van afbraak en wederopbouw.
§ 8. Voor de toepassing van dit artikel, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een eengezinswoning bepaald door de oppervlakten van alle woonvertrekken samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkanten van de opgaande muren.
Voor de toepassing van dit artikel, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een appartement bepaald door de oppervlakten van alle privatieve in het tweede lid bedoelde woonvertrekken van het appartement samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkant van de gemeenschappelijke muren. De oppervlakte van gemeenschappelijke delen of ruimten, met inbegrip van plat dak, centrale hal, trappen en de buitenzijde wordt niet in aanmerking genomen.
Voor de toepassing van dit artikel, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een wooneenheid die deel uitmaakt van een geïntegreerd vastgoedproject van gemeenschappelijk wonen bepaald door de oppervlakten van alle woonvertrekken van die wooneenheid samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkant van de gemeenschappelijke muren. De oppervlakte van de woonvertrekken voor gemeenschappelijk gebruik door de bewoners van de verschillende wooneenheden van het project, wordt ten aanzien van elke individuele wooneenheid van het project slechts in aanmerking genomen in evenredigheid met aan het aantal wooneenheden van het project.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden als woonvertrekken beschouwd, de keukens, de woonkamers, de eetkamers, de slaapkamers, de bewoonbare zolder- en kelderruimten, de bureaus en alle andere voor huisvesting bedoelde ruimtes. Worden gelijkgesteld met woonvertrekken, alle voor de uitoefening van een economische activiteit gebruikte ruimtes.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de oppervlakte van de woonvertrekken bedoeld in het vierde lid maar in aanmerking genomen op voorwaarde dat die vertrekken een minimumoppervlakte hebben van 4 m2 en een minimumhoogte boven de vloer van 2 meter.
De Koning kan deze paragraaf wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.".
Art. 15. L'article 1erquater de l'arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970 fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux, inséré par l'arrêté royal du 10 février 2009, est remplacé par ce qui suit:
"Article 1erquater. § 1er. Le taux réduit de 6 p.c. s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, du tableau A de l'annexe au présent arrêté, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné au logement du maître d'ouvrage-personne physique et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment, pour lesquels la taxe est devenue exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code entre le 1er janvier 2021 et le 31 décembre 2022.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux:
a) est utilisé, au moment de la première occupation ou de la première utilisation, comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par le maître d'ouvrage-personne physique qui y aura son domicile sans délai;
b) a une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2;
2° le maître d'ouvrage-personne physique:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne que le bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire est destiné à être utilisé comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par le maître d'ouvrage-personne physique qui y aura son domicile sans délai et aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise;
b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a);
3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation;
4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
Pour l'application de l'alinéa 2, 1°, a), il n'est pas tenu compte, pour déterminer si le bâtiment d'habitation est l'habitation unique du maître d'ouvrage-personne physique:
- des autres habitations dont il est, en vertu d'une succession, copropriétaire, nu-propriétaire ou usufruitier;
- d'une autre habitation qu'il occupe comme habitation propre où il a établi son domicile et qui a été vendue au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle de la première occupation ou de la première utilisation de l'habitation visée à l'alinéa 2, 1°, a).
Le taux réduit n'est pas applicable:
1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture;
2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires;
3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation.
Le présent paragraphe n'est pas applicable aux opérations de démolition et de reconstruction réalisées dans une des grandes villes visées à la rubrique XXXVII, alinéa 2, 2°, du tableau A de l'annexe au présent arrêté.
§ 2. Le taux réduit de 6 p.c. s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, du tableau A de l'annexe au présent arrêté, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné à une location de longue durée dans le cadre de la politique sociale et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment, pour lesquels la taxe est devenue exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code entre le 1er janvier 2021 et le 31 décembre 2022.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux, est donné en location par le maître d'ouvrage en tant que bâtiment d'habitation à une agence immobilière sociale ou qui est donné en location en tant que bâtiment d'habitation dans le cadre d'un mandat de gestion accordé à une agence immobilière sociale par le maître d'ouvrage;
2° le maître d'ouvrage:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne que le bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire est destiné à être donné en location en tant que bâtiment d'habitation à une ou par l'intermédiation d'une agence immobilière sociale pendant une période de quinze années, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise;
b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a);
3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation;
4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
Le taux réduit n'est pas applicable:
1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture;
2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires;
3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation.
§ 3. Le taux réduit de 6 p.c. s'applique aux livraisons de bâtiments d'habitation et le sol y attenant, ainsi qu'aux constitutions, cessions ou rétrocessions de droits réels au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, du Code, portant sur un bâtiment d'habitation et le sol y attenant, qui ne sont pas exemptées de la taxe conformément à l'article 44, § 3, 1°, du Code, par l'assujetti qui a procédé à la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment, lorsque la taxe due sur ces opérations est devenue exigible conformément à l'article 17, § 1er, du Code entre le 1er janvier 2021 et le 31 décembre 2022.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° l'opération visée à l'alinéa 1er est relative à un bâtiment d'habitation qui après la livraison:
a) soit au moment de la première utilisation ou de la première occupation est utilisé, comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par l'acquéreur-personne physique qui y aura son domicile sans délai et a une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2;
b) soit est donné en location par l'acquéreur à une agence immobilière sociale ou est donné en location dans le cadre d'un mandat de gestion accordé à une agence immobilière sociale par l'acquéreur;
2° le fournisseur:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément à l'article 17, § 1er, du Code, ou, en cas d'une vente sur plan, avant le moment où intervient le fait générateur de la taxe conformément à l'article 16, § 1er, alinéa 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration, contresignée par l'acquéreur du bâtiment, mentionne que le bâtiment que le fournisseur a fait démolir et reconstruire et qui fait l'objet d'une opération visée à l'alinéa 1er, est destiné soit à être utilisé, soit comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions par l'acquéreur-personne physique, qui y aura son domicile sans délai et que cette habitation aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2, soit à être donné en location par l'acquéreur à une agence immobilière sociale ou à être donné en location dans le cadre d'un mandat de gestion accordé à une agence immobilière sociale, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise relatifs à la démolition du bâtiment et la reconstruction du bâtiment d'habitation;
- du compromis ou de l'acte authentique portant sur l'opération visée à l'alinéa 1er;
b) produit à son (ses) cocontractant(s) une copie de la déclaration visée au a);
3° les factures émises par le fournisseur de biens et les doubles qu'il conserve ainsi que les conventions ou actes authentiques relatifs aux opérations visées à l'alinéa 1er, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant de l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la contresignature de l'acquéreur sur la déclaration visée au 2, 2°, a), décharge la responsabilité du fournisseur de biens pour la détermination du taux.
Pour l'application de l'alinéa 2, 1°, a), il n'est pas tenu compte, pour déterminer si le bâtiment d'habitation est l'habitation unique de l'acquéreur-personne physique:
- des autres habitations dont il est, en vertu d'une succession, copropriétaire, nu-propriétaire ou usufruitier;
- d'une autre habitation qu'il occupe comme habitation propre où il a établi son domicile et qui a été vendue au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle de la première mise en service ou de la première occupation de l'habitation visée à l'alinéa 2, 1°, a).
Le taux réduit n'est pas applicable à la partie du prix relative aux piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires.
§ 4. Les conditions visées aux paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et paragraphe 3, alinéa 2, 1°, restent réunies pendant une période qui prend fin au plus tôt:
1° en ce qui concerne la démolition d'un bâtiment et la reconstruction d'un bâtiment d'habitation, le 31 décembre de la cinquième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation du bâtiment d'habitation par le maître d'ouvrage-personne physique;
2° en ce qui concerne la livraison d'un bâtiment d'habitation et le sol y attenant et la constitution, cession, rétrocession de droits réels portant sur un bâtiment d'habitation et le sol y attenant qui ne sont pas exemptées de la taxe par l'article 44, § 3, 1°, du Code, le 31 décembre de la cinquième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation du bâtiment d'habitation par l'acquéreur-personne physique.
Si, durant la période susvisée, des modifications interviennent telles que les conditions respectivement visées aux paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a), ne sont plus remplies, le maître d'ouvrage-personne physique ou l'acquéreur-personne physique:
1° en fait mention dans une déclaration qu'il envoie à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué, dans le délai de trois mois à compter de la date du début des modifications;
2° reverse à l'Etat, dans le délai visé au 1°, le montant de l'avantage fiscal dont il a bénéficié pour l'année au cours de laquelle intervient ce changement et les années restant à courir, à concurrence d'un cinquième par année.
Le versement visé à l'alinéa 2, 2°, n'est pas opéré en cas de décès du maître d'ouvrage-personne physique ou de l'acquéreur-personne physique ou pour tout cas de force majeure dûment justifié qui l'empêche définitivement de remplir les conditions visées respectivement au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a).
§ 5. Les conditions visées au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b), restent réunies pendant une période qui prend fin au plus tôt le 31 décembre de la quinzième année suivant l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation. Cette période de location minimale est fixée, selon le cas, dans la convention de location ou la convention relative au mandat de gestion, conclue avec l'agence immobilière sociale.
Si, durant la période susvisée, des modifications interviennent telles que les conditions respectivement visées au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b), ne sont plus remplies, le maître d'ouvrage ou l'acquéreur:
1° en fait mention dans une déclaration qu'il envoie à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué, dans le délai de trois mois à compter de la date du début des modifications;
2° reverse, dans le délai visé au 1°, à l'Etat le montant de l'avantage fiscal dont il a bénéficié pour l'année au cours de laquelle intervient ce changement et les années restant à courir, à concurrence d'un quinzième par année.
Le versement visé à l'alinéa 2, 2°, n'est pas opéré pour tout cas de force majeure dûment justifié qui empêche le maître d'ouvrage ou l'acquéreur définitivement de remplir les conditions visées respectivement au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b).
§ 6. En ce qui concerne les opérations de démolition et de reconstruction visées aux paragraphes 1er et 2, pour lesquelles des taxes sont devenues exigibles conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code avant le 1er janvier 2021, le taux réduit de 6 p.c. est applicable, conformément aux paragraphes 1er et 2, aux opérations pour lesquelles la taxe est exigible à partir de cette date à condition que la déclaration visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, a), et au paragraphe 2, alinéa 2, 2°, a), soit introduite au plus tard le 31 mars 2021.
§ 7. En ce qui concerne les opérations de démolition et de reconstruction visées aux paragraphes 1er et 2 pour lesquelles la demande du permis d'urbanisme concernant les opérations visées a été introduite auprès de l'autorité compétente à partir du 1er juillet 2022, l'application du taux réduit de 6 p.c. est limitée à concurrence de 25 p.c. du montant total des travaux qui peuvent bénéficier du taux réduit de 6 p.c. conformément aux paragraphes 1er et 2, prévus dans la demande du permis d'urbanisme, sous réserve de la preuve contraire apportée par l'assujetti que le montant facturé avant le 31 décembre 2022 correspond à des opérations de démolition et de reconstruction effectivement achevées avant cette date.
§ 8. Pour l'application de cet article, la superficie totale habitable d'une maison unifamiliale est déterminée en additionnant les superficies de toutes les pièces d'habitation, mesurée à partir de et jusqu'aux côtés intérieurs des murs en élévation.
Pour l'application de cet article, la superficie totale habitable d'un appartement est déterminée en additionnant les superficies de chaque partie plane de l'appartement, calculée à partir de et jusqu'au côté intérieur des murs mitoyens. La superficie des parties ou espaces communs, en ce compris le toit plat, le vestibule central, les cages d'escaliers et la façade externe, n'est pas prise en considération.
Pour l'application de cet article, la superficie totale habitable d'une habitation qui fait partie d'un projet immobilier intégré d'habitat groupé est déterminée en additionnant les superficies de toutes les pièces d'habitation de cette habitation, mesurées à partir de et jusqu'aux côtés intérieurs des murs mitoyens. La superficie des pièces d'habitation utilisées en commun par les habitants des différentes habitations du projet, est prise en considération par rapport à chaque habitation individuelle du projet en proportion du nombre d'habitations dans le projet.
Pour l'application de ce paragraphe, sont considérées comme pièces d'habitation, les cuisines, les salles de séjour, les salles à manger, les chambres à coucher, les mansardes et sous-sols habitables, les bureaux et autres espaces destinés à l'habitation. Sont assimilées à des pièces d'habitation tous les espaces utilisés à l'exercice d'une activité économique.
Pour l'application de ce paragraphe, la superficie des pièces d'habitations visées à l'alinéa 4 n'est prise en compte qu'à la condition que ces pièces aient une superficie minimum de 4 m2 et une hauteur minimum de 2 mètres au-dessus du plancher.
Le Roi peut modifier, compléter, remplacer ou abroger ce paragraphe.".
"Article 1erquater. § 1er. Le taux réduit de 6 p.c. s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, du tableau A de l'annexe au présent arrêté, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné au logement du maître d'ouvrage-personne physique et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment, pour lesquels la taxe est devenue exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code entre le 1er janvier 2021 et le 31 décembre 2022.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux:
a) est utilisé, au moment de la première occupation ou de la première utilisation, comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par le maître d'ouvrage-personne physique qui y aura son domicile sans délai;
b) a une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2;
2° le maître d'ouvrage-personne physique:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne que le bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire est destiné à être utilisé comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par le maître d'ouvrage-personne physique qui y aura son domicile sans délai et aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise;
b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a);
3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation;
4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
Pour l'application de l'alinéa 2, 1°, a), il n'est pas tenu compte, pour déterminer si le bâtiment d'habitation est l'habitation unique du maître d'ouvrage-personne physique:
- des autres habitations dont il est, en vertu d'une succession, copropriétaire, nu-propriétaire ou usufruitier;
- d'une autre habitation qu'il occupe comme habitation propre où il a établi son domicile et qui a été vendue au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle de la première occupation ou de la première utilisation de l'habitation visée à l'alinéa 2, 1°, a).
Le taux réduit n'est pas applicable:
1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture;
2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires;
3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation.
Le présent paragraphe n'est pas applicable aux opérations de démolition et de reconstruction réalisées dans une des grandes villes visées à la rubrique XXXVII, alinéa 2, 2°, du tableau A de l'annexe au présent arrêté.
§ 2. Le taux réduit de 6 p.c. s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, du tableau A de l'annexe au présent arrêté, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné à une location de longue durée dans le cadre de la politique sociale et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment, pour lesquels la taxe est devenue exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code entre le 1er janvier 2021 et le 31 décembre 2022.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux, est donné en location par le maître d'ouvrage en tant que bâtiment d'habitation à une agence immobilière sociale ou qui est donné en location en tant que bâtiment d'habitation dans le cadre d'un mandat de gestion accordé à une agence immobilière sociale par le maître d'ouvrage;
2° le maître d'ouvrage:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne que le bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire est destiné à être donné en location en tant que bâtiment d'habitation à une ou par l'intermédiation d'une agence immobilière sociale pendant une période de quinze années, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise;
b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a);
3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation;
4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
Le taux réduit n'est pas applicable:
1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture;
2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires;
3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation.
§ 3. Le taux réduit de 6 p.c. s'applique aux livraisons de bâtiments d'habitation et le sol y attenant, ainsi qu'aux constitutions, cessions ou rétrocessions de droits réels au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, du Code, portant sur un bâtiment d'habitation et le sol y attenant, qui ne sont pas exemptées de la taxe conformément à l'article 44, § 3, 1°, du Code, par l'assujetti qui a procédé à la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment, lorsque la taxe due sur ces opérations est devenue exigible conformément à l'article 17, § 1er, du Code entre le 1er janvier 2021 et le 31 décembre 2022.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° l'opération visée à l'alinéa 1er est relative à un bâtiment d'habitation qui après la livraison:
a) soit au moment de la première utilisation ou de la première occupation est utilisé, comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par l'acquéreur-personne physique qui y aura son domicile sans délai et a une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2;
b) soit est donné en location par l'acquéreur à une agence immobilière sociale ou est donné en location dans le cadre d'un mandat de gestion accordé à une agence immobilière sociale par l'acquéreur;
2° le fournisseur:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément à l'article 17, § 1er, du Code, ou, en cas d'une vente sur plan, avant le moment où intervient le fait générateur de la taxe conformément à l'article 16, § 1er, alinéa 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration, contresignée par l'acquéreur du bâtiment, mentionne que le bâtiment que le fournisseur a fait démolir et reconstruire et qui fait l'objet d'une opération visée à l'alinéa 1er, est destiné soit à être utilisé, soit comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions par l'acquéreur-personne physique, qui y aura son domicile sans délai et que cette habitation aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2, soit à être donné en location par l'acquéreur à une agence immobilière sociale ou à être donné en location dans le cadre d'un mandat de gestion accordé à une agence immobilière sociale, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise relatifs à la démolition du bâtiment et la reconstruction du bâtiment d'habitation;
- du compromis ou de l'acte authentique portant sur l'opération visée à l'alinéa 1er;
b) produit à son (ses) cocontractant(s) une copie de la déclaration visée au a);
3° les factures émises par le fournisseur de biens et les doubles qu'il conserve ainsi que les conventions ou actes authentiques relatifs aux opérations visées à l'alinéa 1er, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant de l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la contresignature de l'acquéreur sur la déclaration visée au 2, 2°, a), décharge la responsabilité du fournisseur de biens pour la détermination du taux.
Pour l'application de l'alinéa 2, 1°, a), il n'est pas tenu compte, pour déterminer si le bâtiment d'habitation est l'habitation unique de l'acquéreur-personne physique:
- des autres habitations dont il est, en vertu d'une succession, copropriétaire, nu-propriétaire ou usufruitier;
- d'une autre habitation qu'il occupe comme habitation propre où il a établi son domicile et qui a été vendue au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle de la première mise en service ou de la première occupation de l'habitation visée à l'alinéa 2, 1°, a).
Le taux réduit n'est pas applicable à la partie du prix relative aux piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires.
§ 4. Les conditions visées aux paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et paragraphe 3, alinéa 2, 1°, restent réunies pendant une période qui prend fin au plus tôt:
1° en ce qui concerne la démolition d'un bâtiment et la reconstruction d'un bâtiment d'habitation, le 31 décembre de la cinquième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation du bâtiment d'habitation par le maître d'ouvrage-personne physique;
2° en ce qui concerne la livraison d'un bâtiment d'habitation et le sol y attenant et la constitution, cession, rétrocession de droits réels portant sur un bâtiment d'habitation et le sol y attenant qui ne sont pas exemptées de la taxe par l'article 44, § 3, 1°, du Code, le 31 décembre de la cinquième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation du bâtiment d'habitation par l'acquéreur-personne physique.
Si, durant la période susvisée, des modifications interviennent telles que les conditions respectivement visées aux paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a), ne sont plus remplies, le maître d'ouvrage-personne physique ou l'acquéreur-personne physique:
1° en fait mention dans une déclaration qu'il envoie à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué, dans le délai de trois mois à compter de la date du début des modifications;
2° reverse à l'Etat, dans le délai visé au 1°, le montant de l'avantage fiscal dont il a bénéficié pour l'année au cours de laquelle intervient ce changement et les années restant à courir, à concurrence d'un cinquième par année.
Le versement visé à l'alinéa 2, 2°, n'est pas opéré en cas de décès du maître d'ouvrage-personne physique ou de l'acquéreur-personne physique ou pour tout cas de force majeure dûment justifié qui l'empêche définitivement de remplir les conditions visées respectivement au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a).
§ 5. Les conditions visées au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b), restent réunies pendant une période qui prend fin au plus tôt le 31 décembre de la quinzième année suivant l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation. Cette période de location minimale est fixée, selon le cas, dans la convention de location ou la convention relative au mandat de gestion, conclue avec l'agence immobilière sociale.
Si, durant la période susvisée, des modifications interviennent telles que les conditions respectivement visées au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b), ne sont plus remplies, le maître d'ouvrage ou l'acquéreur:
1° en fait mention dans une déclaration qu'il envoie à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué, dans le délai de trois mois à compter de la date du début des modifications;
2° reverse, dans le délai visé au 1°, à l'Etat le montant de l'avantage fiscal dont il a bénéficié pour l'année au cours de laquelle intervient ce changement et les années restant à courir, à concurrence d'un quinzième par année.
Le versement visé à l'alinéa 2, 2°, n'est pas opéré pour tout cas de force majeure dûment justifié qui empêche le maître d'ouvrage ou l'acquéreur définitivement de remplir les conditions visées respectivement au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b).
§ 6. En ce qui concerne les opérations de démolition et de reconstruction visées aux paragraphes 1er et 2, pour lesquelles des taxes sont devenues exigibles conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code avant le 1er janvier 2021, le taux réduit de 6 p.c. est applicable, conformément aux paragraphes 1er et 2, aux opérations pour lesquelles la taxe est exigible à partir de cette date à condition que la déclaration visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, a), et au paragraphe 2, alinéa 2, 2°, a), soit introduite au plus tard le 31 mars 2021.
§ 7. En ce qui concerne les opérations de démolition et de reconstruction visées aux paragraphes 1er et 2 pour lesquelles la demande du permis d'urbanisme concernant les opérations visées a été introduite auprès de l'autorité compétente à partir du 1er juillet 2022, l'application du taux réduit de 6 p.c. est limitée à concurrence de 25 p.c. du montant total des travaux qui peuvent bénéficier du taux réduit de 6 p.c. conformément aux paragraphes 1er et 2, prévus dans la demande du permis d'urbanisme, sous réserve de la preuve contraire apportée par l'assujetti que le montant facturé avant le 31 décembre 2022 correspond à des opérations de démolition et de reconstruction effectivement achevées avant cette date.
§ 8. Pour l'application de cet article, la superficie totale habitable d'une maison unifamiliale est déterminée en additionnant les superficies de toutes les pièces d'habitation, mesurée à partir de et jusqu'aux côtés intérieurs des murs en élévation.
Pour l'application de cet article, la superficie totale habitable d'un appartement est déterminée en additionnant les superficies de chaque partie plane de l'appartement, calculée à partir de et jusqu'au côté intérieur des murs mitoyens. La superficie des parties ou espaces communs, en ce compris le toit plat, le vestibule central, les cages d'escaliers et la façade externe, n'est pas prise en considération.
Pour l'application de cet article, la superficie totale habitable d'une habitation qui fait partie d'un projet immobilier intégré d'habitat groupé est déterminée en additionnant les superficies de toutes les pièces d'habitation de cette habitation, mesurées à partir de et jusqu'aux côtés intérieurs des murs mitoyens. La superficie des pièces d'habitation utilisées en commun par les habitants des différentes habitations du projet, est prise en considération par rapport à chaque habitation individuelle du projet en proportion du nombre d'habitations dans le projet.
Pour l'application de ce paragraphe, sont considérées comme pièces d'habitation, les cuisines, les salles de séjour, les salles à manger, les chambres à coucher, les mansardes et sous-sols habitables, les bureaux et autres espaces destinés à l'habitation. Sont assimilées à des pièces d'habitation tous les espaces utilisés à l'exercice d'une activité économique.
Pour l'application de ce paragraphe, la superficie des pièces d'habitations visées à l'alinéa 4 n'est prise en compte qu'à la condition que ces pièces aient une superficie minimum de 4 m2 et une hauteur minimum de 2 mètres au-dessus du plancher.
Le Roi peut modifier, compléter, remplacer ou abroger ce paragraphe.".
HOOFDSTUK 3. - Accijnzen
CHAPITRE 3. - Accises
Art. 16. In artikel 3 van de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak, laatstelijk gewijzigd bij artikel 135 van de programmawet van 25 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Naast de in § 1, 2° en 3°, bepaalde ad valorem accijns en ad valorem bijzondere accijns worden sigaretten en rooktabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak die hier te lande tot verbruik werden uitgeslagen, onderworpen aan een specifieke accijns en een specifieke bijzondere accijns, die als volgt zijn vastgesteld:
a) voor sigaretten:
- accijns: 6,8914 euro per 1 000 stuks;
- bijzondere accijns: 74,5777 euro per 1 000 stuks;
b) voor rooktabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak:
- accijns: 0,0000 euro per kilogram;
- bijzondere accijns: 63,3083 euro per kilogram.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
" § 3. Voor de sigaretten mag het totaal van de accijnzen en van de bijzondere accijnzen, geheven overeenkomstig § 1, 2°, en § 2, a), in geen geval minder bedragen dan honderdvijf percent van het totaal van deze accijnzen van toepassing op de gewogen gemiddelde prijs.";
3° paragraaf 4, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
" § 4. Voor de rooktabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak mag het totaal van de accijnzen en van de bijzondere accijnzen, geheven overeenkomstig § 1, 3°, en § 2, b), in geen geval minder bedragen dan honderdvijf percent van het totaal van deze accijnzen van toepassing op de gewogen gemiddelde prijs.".
1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Naast de in § 1, 2° en 3°, bepaalde ad valorem accijns en ad valorem bijzondere accijns worden sigaretten en rooktabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak die hier te lande tot verbruik werden uitgeslagen, onderworpen aan een specifieke accijns en een specifieke bijzondere accijns, die als volgt zijn vastgesteld:
a) voor sigaretten:
- accijns: 6,8914 euro per 1 000 stuks;
- bijzondere accijns: 74,5777 euro per 1 000 stuks;
b) voor rooktabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak:
- accijns: 0,0000 euro per kilogram;
- bijzondere accijns: 63,3083 euro per kilogram.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
" § 3. Voor de sigaretten mag het totaal van de accijnzen en van de bijzondere accijnzen, geheven overeenkomstig § 1, 2°, en § 2, a), in geen geval minder bedragen dan honderdvijf percent van het totaal van deze accijnzen van toepassing op de gewogen gemiddelde prijs.";
3° paragraaf 4, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
" § 4. Voor de rooktabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak mag het totaal van de accijnzen en van de bijzondere accijnzen, geheven overeenkomstig § 1, 3°, en § 2, b), in geen geval minder bedragen dan honderdvijf percent van het totaal van deze accijnzen van toepassing op de gewogen gemiddelde prijs.".
Art. 16. A l'article 3 de la loi du 3 avril 1997 relative au régime fiscal des tabacs manufacturés, modifié en dernier lieu par l'article 135 de la loi-programme du 25 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Outre le droit d'accise ad valorem et le droit d'accise spécial ad valorem prévus au § 1er, 2° et 3°, les cigarettes ainsi que le tabac à fumer fine coupe destiné à rouler les cigarettes et autres tabacs à fumer, mis à la consommation dans le pays sont soumis à un droit d'accise spécifique et à un droit d'accise spécial spécifique fixés comme suit:
a) pour les cigarettes:
- droit d'accise: 6,8914 euros par 1 000 pièces;
- droit d'accise spécial: 74,5777 euros par 1 000 pièces;
b) pour le tabac à fumer fine coupe destiné à rouler les cigarettes et les autres tabacs à fumer:
- droit d'accise: 0,0000 euro par kilogramme;
- droit d'accise spécial: 63,3083 euros par kilogramme.";
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit:
" § 3. Pour les cigarettes, le total des droits d'accise et des droits d'accise spéciaux perçus conformément au § 1er, 2°, et au § 2, a), ne peut en aucun cas être inférieur à cent cinq pourcent du total de ces accises appliquées au prix moyen pondéré.";
3° le paragraphe 4, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit:
" § 4. Pour le tabac à fumer fine coupe destiné à rouler les cigarettes et les autres tabacs à fumer, le total des droits d'accise et des droits d'accise spéciaux perçus conformément au § 1er, 3°, et au § 2, b), ne peut en aucun cas être inférieur à cent cinq pourcent du total de ces accises appliquées au prix moyen pondéré.".
1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Outre le droit d'accise ad valorem et le droit d'accise spécial ad valorem prévus au § 1er, 2° et 3°, les cigarettes ainsi que le tabac à fumer fine coupe destiné à rouler les cigarettes et autres tabacs à fumer, mis à la consommation dans le pays sont soumis à un droit d'accise spécifique et à un droit d'accise spécial spécifique fixés comme suit:
a) pour les cigarettes:
- droit d'accise: 6,8914 euros par 1 000 pièces;
- droit d'accise spécial: 74,5777 euros par 1 000 pièces;
b) pour le tabac à fumer fine coupe destiné à rouler les cigarettes et les autres tabacs à fumer:
- droit d'accise: 0,0000 euro par kilogramme;
- droit d'accise spécial: 63,3083 euros par kilogramme.";
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit:
" § 3. Pour les cigarettes, le total des droits d'accise et des droits d'accise spéciaux perçus conformément au § 1er, 2°, et au § 2, a), ne peut en aucun cas être inférieur à cent cinq pourcent du total de ces accises appliquées au prix moyen pondéré.";
3° le paragraphe 4, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit:
" § 4. Pour le tabac à fumer fine coupe destiné à rouler les cigarettes et les autres tabacs à fumer, le total des droits d'accise et des droits d'accise spéciaux perçus conformément au § 1er, 3°, et au § 2, b), ne peut en aucun cas être inférieur à cent cinq pourcent du total de ces accises appliquées au prix moyen pondéré.".
Art. 17. Artikel 16 treedt in werking op 1 januari 2021.
Art. 17. L'article 16 entre en vigueur le 1er janvier 2021.
HOOFDSTUK 4. - Overdracht van het saldo van de bank- en betaalrekeningen, en financiële contracten naar het centraal aanspreekpunt
CHAPITRE 4. - Transmission au point de contact central du solde des comptes bancaires et de paiement, et des contrats financiers
Art. 18. Artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt vervangen als volgt:
" § 3. Elke bank-, wissel-, krediet- en spaarinstelling is ertoe gehouden aan het Centraal Aanspreekpunt dat door de Nationale Bank van België wordt gehouden overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een Centraal Aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest, de gegevens mee te delen die bedoeld zijn in artikel 4 van voormelde wet en die betrekking hebben op bank- en betaalrekeningen in de zin van artikel 2, 7°, van dezelfde wet en op financiële contracten in de zin van artikel 2, 10°, van dezelfde wet.
Artikel 5 van voormelde wet van 8 juli 2018 is van toepassing op die gegevens.
Deze verplichting geldt enkel voor zover de mededeling van dezelfde gegevens niet reeds is opgelegd door de voornoemde wet van 8 juli 2018.".
" § 3. Elke bank-, wissel-, krediet- en spaarinstelling is ertoe gehouden aan het Centraal Aanspreekpunt dat door de Nationale Bank van België wordt gehouden overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een Centraal Aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest, de gegevens mee te delen die bedoeld zijn in artikel 4 van voormelde wet en die betrekking hebben op bank- en betaalrekeningen in de zin van artikel 2, 7°, van dezelfde wet en op financiële contracten in de zin van artikel 2, 10°, van dezelfde wet.
Artikel 5 van voormelde wet van 8 juli 2018 is van toepassing op die gegevens.
Deze verplichting geldt enkel voor zover de mededeling van dezelfde gegevens niet reeds is opgelegd door de voornoemde wet van 8 juli 2018.".
Art. 18. L'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, est remplacé par ce qui suit:
" § 3. Tout établissement de banque, de change, de crédit et d'épargne est tenu de communiquer au Point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un Point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès du fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt, les données visées à l'article 4 de cette loi qui se rapportent aux comptes bancaires et de paiement au sens de l'article 2, 7°, de la même loi et aux contrats financiers au sens de l'article 2, 10°, de la même loi.
L'article 5 de la loi précitée du 8 juillet 2018 s'applique à ces données.
Cette obligation ne s'applique que lorsque la communication de ces données n'est pas déjà rendue obligatoire par la loi précitée du 8 juillet 2018.".
" § 3. Tout établissement de banque, de change, de crédit et d'épargne est tenu de communiquer au Point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un Point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès du fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt, les données visées à l'article 4 de cette loi qui se rapportent aux comptes bancaires et de paiement au sens de l'article 2, 7°, de la même loi et aux contrats financiers au sens de l'article 2, 10°, de la même loi.
L'article 5 de la loi précitée du 8 juillet 2018 s'applique à ces données.
Cette obligation ne s'applique que lorsque la communication de ces données n'est pas déjà rendue obligatoire par la loi précitée du 8 juillet 2018.".
Art. 19. Artikel 62bis, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016 en gewijzigd bij de wet van 8 juli 2018, wordt vervangen als volgt:
"De ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde met ten minste de graad van adviseur-generaal hebben de machtiging om, wanneer de administratie over een of meer aanwijzingen van belastingontduiking beschikt, de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beschikbare gegevens over een schuldenaar op te vragen bij het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België.".
"De ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde met ten minste de graad van adviseur-generaal hebben de machtiging om, wanneer de administratie over een of meer aanwijzingen van belastingontduiking beschikt, de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beschikbare gegevens over een schuldenaar op te vragen bij het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België.".
Art. 19. L'article 62bis, alinéa 2, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, inséré par la loi du 1er juillet 2016 et modifié par la loi du 8 juillet 2018, est remplacé par ce qui suit:
"Les agents de l'administration en charge de la taxe sur la valeur ajoutée avec le grade de conseiller général au moins ont l'autorisation de demander, lorsque l'administration dispose d'un ou de plusieurs indices de fraude fiscale, les données disponibles visées à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, relatives à un redevable au point de contact central de la Banque Nationale de Belgique.".
"Les agents de l'administration en charge de la taxe sur la valeur ajoutée avec le grade de conseiller général au moins ont l'autorisation de demander, lorsque l'administration dispose d'un ou de plusieurs indices de fraude fiscale, les données disponibles visées à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, relatives à un redevable au point de contact central de la Banque Nationale de Belgique.".
Art. 20. In artikel 4 van de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een Centraal Aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1) het eerste lid, 1°, wordt vervangen als volgt:
"1° de opening of de afsluiting van elke bank- of betaalrekening waarvan de cliënt houder of medehouder is, de toekenning of de intrekking van een volmacht aan een of meerdere volmachtdager(s) op deze bank- of betaalrekening en de identiteit van deze volmachtdrager(s), alsook het periodieke saldo van deze bank- of betaalrekening, samen met de datum ervan en met het nummer van deze bank- of betaalrekening;";
2) in het eerste lid, 3°, worden de woorden "alsook het in euro uitgedrukte, periodieke geglobaliseerde bedrag waarop het geheel van de verschillende met deze cliënt gesloten financiële contracten, zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, 3°, b) en 4, eerste lid, 3°, c), slaat," ingevoegd tussen de woorden "de cliënt" en het woord "samen";
3) er wordt een zesde lid ingevoegd, luidende:
"De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bovendien:
- de periodiciteit van de vaststelling door de informatieplichtige van het saldo van de bank- en betaalrekeningen en van het geglobaliseerde bedrag van de financiële contracten met het oog op de mededeling ervan krachtens het eerste lid, 1° en 3° ;
- het minimumbedrag waaronder de in het vorige streepje bedoelde saldi en bedragen niet door de informatieplichtige aan het CAP moeten worden meegedeeld.".
1) het eerste lid, 1°, wordt vervangen als volgt:
"1° de opening of de afsluiting van elke bank- of betaalrekening waarvan de cliënt houder of medehouder is, de toekenning of de intrekking van een volmacht aan een of meerdere volmachtdager(s) op deze bank- of betaalrekening en de identiteit van deze volmachtdrager(s), alsook het periodieke saldo van deze bank- of betaalrekening, samen met de datum ervan en met het nummer van deze bank- of betaalrekening;";
2) in het eerste lid, 3°, worden de woorden "alsook het in euro uitgedrukte, periodieke geglobaliseerde bedrag waarop het geheel van de verschillende met deze cliënt gesloten financiële contracten, zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, 3°, b) en 4, eerste lid, 3°, c), slaat," ingevoegd tussen de woorden "de cliënt" en het woord "samen";
3) er wordt een zesde lid ingevoegd, luidende:
"De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bovendien:
- de periodiciteit van de vaststelling door de informatieplichtige van het saldo van de bank- en betaalrekeningen en van het geglobaliseerde bedrag van de financiële contracten met het oog op de mededeling ervan krachtens het eerste lid, 1° en 3° ;
- het minimumbedrag waaronder de in het vorige streepje bedoelde saldi en bedragen niet door de informatieplichtige aan het CAP moeten worden meegedeeld.".
Art. 20. A l'article 4 de la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès du fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt, les modifications suivantes sont apportées:
1) l'alinéa 1er, 1°, est remplacé par ce qui suit:
"1° l'ouverture ou la fermeture de chaque compte bancaire ou de paiement dont le client est titulaire ou co-titulaire, l'octroi ou la révocation d'une procuration à un ou plusieurs mandataires sur ce compte bancaire ou de paiement et l'identité de ce ou ces mandataire(s), de même que le solde périodique de ce compte bancaire ou de paiement, ainsi que sa date et le numéro de ce compte bancaire ou de paiement;";
2) dans l'alinéa 1er, 3°, les mots "de même que le montant globalisé périodique, exprimé en euros, sur lequel porte l'ensemble des différents contrats financiers visés à l'article 4, alinéa 1er, 3°, b), et 4, alinéa 1er, 3°, c), conclus avec ce client," sont insérés entre les mots "le client" et le mot "ainsi";
3) il est inséré un alinéa 6, rédigé comme suit:
"Le Roi détermine en outre, par arrêté délibéré en Conseil des ministres:
- la périodicité suivant laquelle le solde des comptes bancaires et de paiement et le montant globalisé des contrats financiers doivent être arrêtés par le redevable d'information en vue de leur communication conformément à l'alinéa 1er, 1° et 3° ;
- le montant minimum en dessous duquel le solde et le montant visés au tiret précédent ne doivent pas être communiqués au PCC par le redevable d'information.".
1) l'alinéa 1er, 1°, est remplacé par ce qui suit:
"1° l'ouverture ou la fermeture de chaque compte bancaire ou de paiement dont le client est titulaire ou co-titulaire, l'octroi ou la révocation d'une procuration à un ou plusieurs mandataires sur ce compte bancaire ou de paiement et l'identité de ce ou ces mandataire(s), de même que le solde périodique de ce compte bancaire ou de paiement, ainsi que sa date et le numéro de ce compte bancaire ou de paiement;";
2) dans l'alinéa 1er, 3°, les mots "de même que le montant globalisé périodique, exprimé en euros, sur lequel porte l'ensemble des différents contrats financiers visés à l'article 4, alinéa 1er, 3°, b), et 4, alinéa 1er, 3°, c), conclus avec ce client," sont insérés entre les mots "le client" et le mot "ainsi";
3) il est inséré un alinéa 6, rédigé comme suit:
"Le Roi détermine en outre, par arrêté délibéré en Conseil des ministres:
- la périodicité suivant laquelle le solde des comptes bancaires et de paiement et le montant globalisé des contrats financiers doivent être arrêtés par le redevable d'information en vue de leur communication conformément à l'alinéa 1er, 1° et 3° ;
- le montant minimum en dessous duquel le solde et le montant visés au tiret précédent ne doivent pas être communiqués au PCC par le redevable d'information.".
Art. 21. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 31 december 2020.
Art. 21. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 31 décembre 2020.
Art. 22. De eerste mededeling door de informatieplichtigen van de saldo's van de banken betaalrekeningen, alsook van de geglobaliseerde bedragen van de financiële contracten voor de jaren 2020 en 2021 moet ten laatste gedaan worden op 31 januari 2022.
Op verzoek van de Nationale Bank van België kan de Koning deze termijn met maximum 6 maanden inkorten of verlengen.
Op verzoek van de Nationale Bank van België kan de Koning deze termijn met maximum 6 maanden inkorten of verlengen.
Art. 22. La première communication par les redevables d'information des soldes des comptes bancaires et de paiement, ainsi que des montants globalisés des contrats financiers pour les années 2020 et 2021 devra être effectuée au plus tard le 31 janvier 2022.
A la demande de la Banque nationale de Belgique, le Roi peut raccourcir ou prolonger cette échéance de 6 mois maximum.
A la demande de la Banque nationale de Belgique, le Roi peut raccourcir ou prolonger cette échéance de 6 mois maximum.
HOOFDSTUK 5. - Bekrachtiging van koninklijk besluiten
CHAPITRE 5. - Confirmation d'arrêtés royaux
Art. 23. Worden bekrachtigd met ingang van de dag van hun respectieve inwerkingtreding:
1° het koninklijk besluit van 6 juni 2019 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92;
2° het koninklijk besluit van 11 december 2019 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing;
3° het koninklijk besluit van 18 mei 2020 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing op bezoldigingen voor studentenarbeid;
4° het koninklijk besluit van 9 juli 2020 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing op de wettelijke uitkeringen voor primaire arbeidsongeschiktheid van werknemers;
5° het koninklijk besluit van 27 september 2020 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing op de wettelijke uitkeringen voor primaire arbeidsongeschiktheid van zelfstandigen.
1° het koninklijk besluit van 6 juni 2019 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92;
2° het koninklijk besluit van 11 december 2019 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing;
3° het koninklijk besluit van 18 mei 2020 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing op bezoldigingen voor studentenarbeid;
4° het koninklijk besluit van 9 juli 2020 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing op de wettelijke uitkeringen voor primaire arbeidsongeschiktheid van werknemers;
5° het koninklijk besluit van 27 september 2020 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing op de wettelijke uitkeringen voor primaire arbeidsongeschiktheid van zelfstandigen.
Art. 23. Sont confirmés avec effet à la date de leur entrée en vigueur respective:
1° l'arrêté royal du 6 juin 2019 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92;
2° l'arrêté royal du 11 décembre 2019 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92;
3° l'arrêté royal du 18 mai 2020 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92, en matière de précompte professionnel sur les rémunérations pour le travail étudiant ;
4° l'arrêté royal du 9 juillet 2020 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92, en matière du précompte professionnel sur les allocations légales pour incapacité primaire des travailleurs salariés;
5° l'arrêté royal du 27 septembre 2020 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92, en matière du précompte professionnel sur les allocations légales pour incapacité primaire des travailleurs indépendants.
1° l'arrêté royal du 6 juin 2019 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92;
2° l'arrêté royal du 11 décembre 2019 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92;
3° l'arrêté royal du 18 mai 2020 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92, en matière de précompte professionnel sur les rémunérations pour le travail étudiant ;
4° l'arrêté royal du 9 juillet 2020 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92, en matière du précompte professionnel sur les allocations légales pour incapacité primaire des travailleurs salariés;
5° l'arrêté royal du 27 septembre 2020 modifiant l'annexe III de l'AR/CIR 92, en matière du précompte professionnel sur les allocations légales pour incapacité primaire des travailleurs indépendants.
TITEL 3. - Volksgezondheid
TITRE 3. - Santé publique
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994
CHAPITRE 1er. - Modifications de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994
Afdeling 1. - Aanpassing van de begrotingsdoelstelling
Section 1re. - Adaptation de l'objectif budgétaire
Art. 24. In artikel 40, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 25 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het vierde en het vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
"Voor het jaar 2021 wordt de globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling vastgesteld op 30 073 560 duizend euro. Vanaf 2022 stemt het bedrag van de globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling overeen met het bedrag van de globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling van het vorige jaar, vermeerderd met een reële groeinorm van 2,5 pct. en vermeerderd met het bedrag dat overeenstemt met de meerkosten in het begrotingsjaar van de indexering van de lonen, verzekeringstegemoetkomingen, tarieven en prijzen bepaald bij of krachtens deze gecoördineerde wet. Voor het jaar 2022 wordt het bedrag van de globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling bijkomend verhoogd met 250 000 duizend euro. Deze bijkomende verhoging maakt integraal deel uit van de globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling voor het jaar 2022.";
2° in het vroegere vijfde lid, dat het zesde lid wordt, worden de woorden "tot en met 2021" ingevoegd tussen de woorden "Vanaf 2018" en de woorden "wordt het bedrag";
3° tussen het vroegere vijfde lid, dat het zesde lid wordt, en het vroegere zesde lid, dat het zevende lid wordt, wordt een lid ingevoegd luidende:
"Vanaf het jaar 2022 wordt bij de opmaak van de globale begrotingsdoelstelling voor dat jaar het bedrag van de globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling van het vorige jaar eerst verminderd met het bedrag van de geraamde inkomsten in toepassing van de compensatieregels bedoeld in artikel 35bis, § 7, en artikel 35septies/2, § 7, zoals opgenomen in die globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling van dat vorige jaar en wordt, na toepassing van de reële groeinorm en de toevoeging van het bedrag dat overeenstemt met de meerkosten in het begrotingjaar van de indexering, een verhoging toegepast met het bedrag van de geraamde inkomsten in toepassing van de compensatieregels bedoeld in artikel 35bis, § 7, en artikel 35septies/2, § 7, zoals opgenomen in de globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling van het jaar waarop de globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling betrekking heeft.".
1° tussen het vierde en het vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
"Voor het jaar 2021 wordt de globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling vastgesteld op 30 073 560 duizend euro. Vanaf 2022 stemt het bedrag van de globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling overeen met het bedrag van de globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling van het vorige jaar, vermeerderd met een reële groeinorm van 2,5 pct. en vermeerderd met het bedrag dat overeenstemt met de meerkosten in het begrotingsjaar van de indexering van de lonen, verzekeringstegemoetkomingen, tarieven en prijzen bepaald bij of krachtens deze gecoördineerde wet. Voor het jaar 2022 wordt het bedrag van de globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling bijkomend verhoogd met 250 000 duizend euro. Deze bijkomende verhoging maakt integraal deel uit van de globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling voor het jaar 2022.";
2° in het vroegere vijfde lid, dat het zesde lid wordt, worden de woorden "tot en met 2021" ingevoegd tussen de woorden "Vanaf 2018" en de woorden "wordt het bedrag";
3° tussen het vroegere vijfde lid, dat het zesde lid wordt, en het vroegere zesde lid, dat het zevende lid wordt, wordt een lid ingevoegd luidende:
"Vanaf het jaar 2022 wordt bij de opmaak van de globale begrotingsdoelstelling voor dat jaar het bedrag van de globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling van het vorige jaar eerst verminderd met het bedrag van de geraamde inkomsten in toepassing van de compensatieregels bedoeld in artikel 35bis, § 7, en artikel 35septies/2, § 7, zoals opgenomen in die globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling van dat vorige jaar en wordt, na toepassing van de reële groeinorm en de toevoeging van het bedrag dat overeenstemt met de meerkosten in het begrotingjaar van de indexering, een verhoging toegepast met het bedrag van de geraamde inkomsten in toepassing van de compensatieregels bedoeld in artikel 35bis, § 7, en artikel 35septies/2, § 7, zoals opgenomen in de globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling van het jaar waarop de globale jaarlijks e begrotingsdoelstelling betrekking heeft.".
Art. 24. A l'article 40, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, modifié en dernier lieu par la loi du 25 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 4 et 5:
"Pour l'année 2021, l'objectif budgétaire annuel global est fixé à 30 073 560 milliers euros. A partir de 2022, le montant de l'objectif budgétaire annuel global correspond au montant de l'objectif budgétaire annuel global de l'année précédente, majoré d'une norme de croissance réelle de 2,5 p.c., ainsi que du montant qui correspond au surcoût dans l'année budgétaire de l'indexation des salaires, des interventions de l'assurance, des tarifs et des prix tels que prévus par ou en vertu de la présente loi coordonnée. Pour l'année 2022, le montant de l'objectif budgétaire annuel global est augmenté de 250 000 milliers euros supplémentaire. Cette augmentation complémentaire fait partie intégrante de l'objectif budgétaire annuel global pour l'année 2022.";
2° dans l'ancien alinéa 5 qui devient l'alinéa 6, les mots "et jusqu'à et y compris 2021" sont insérés entre les mots "A partir de 2018" et les mots ", le montant";
3° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l'ancien alinéa 5 qui devient l'alinéa 6 et l'ancien alinéa 6 qui devient l'alinéa 7:
"A partir de l'année 2022, lors de la fixation de l'objectif budgétaire global pour cette année, le montant de l'objectif budgétaire annuel global de l'année précédente est d'abord réduit du montant des recettes estimées en application des règles de compensation visées à l'article 35bis, § 7, et à l'article 35septies/2, § 7, tel que repris dans cet objectif budgétaire annuel global de l'année précédente et, après application de la norme de croissance réelle et addition du montant correspondant aux coûts supplémentaires de l'indexation de l'année budgétaire, une augmentation est appliquée correspondant au montant des recettes estimées en application des règles de compensation visées à l'article 35bis, § 7, et à l'article 35septies/2, § 7, tel que repris dans l'objectif budgétaire annuel de l'année sur laquelle porte l'objectif budgétaire annuel.".
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 4 et 5:
"Pour l'année 2021, l'objectif budgétaire annuel global est fixé à 30 073 560 milliers euros. A partir de 2022, le montant de l'objectif budgétaire annuel global correspond au montant de l'objectif budgétaire annuel global de l'année précédente, majoré d'une norme de croissance réelle de 2,5 p.c., ainsi que du montant qui correspond au surcoût dans l'année budgétaire de l'indexation des salaires, des interventions de l'assurance, des tarifs et des prix tels que prévus par ou en vertu de la présente loi coordonnée. Pour l'année 2022, le montant de l'objectif budgétaire annuel global est augmenté de 250 000 milliers euros supplémentaire. Cette augmentation complémentaire fait partie intégrante de l'objectif budgétaire annuel global pour l'année 2022.";
2° dans l'ancien alinéa 5 qui devient l'alinéa 6, les mots "et jusqu'à et y compris 2021" sont insérés entre les mots "A partir de 2018" et les mots ", le montant";
3° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l'ancien alinéa 5 qui devient l'alinéa 6 et l'ancien alinéa 6 qui devient l'alinéa 7:
"A partir de l'année 2022, lors de la fixation de l'objectif budgétaire global pour cette année, le montant de l'objectif budgétaire annuel global de l'année précédente est d'abord réduit du montant des recettes estimées en application des règles de compensation visées à l'article 35bis, § 7, et à l'article 35septies/2, § 7, tel que repris dans cet objectif budgétaire annuel global de l'année précédente et, après application de la norme de croissance réelle et addition du montant correspondant aux coûts supplémentaires de l'indexation de l'année budgétaire, une augmentation est appliquée correspondant au montant des recettes estimées en application des règles de compensation visées à l'article 35bis, § 7, et à l'article 35septies/2, § 7, tel que repris dans l'objectif budgétaire annuel de l'année sur laquelle porte l'objectif budgétaire annuel.".
Afdeling 2. - Referentieterugbetalingssysteem
Section 2. - Système de remboursement de référence
Art. 25. In artikel 35ter van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Een nieuwe vergoedingsbasis wordt van rechtswege vastgesteld respectievelijk op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van elk jaar voor de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), wanneer op 1 november, 1 februari, 1 mei of 1 augustus die eraan vooraf gaat een farmaceutische specialiteit bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2), die hetzelfde werkzaam bestanddeel bevat, ingeschreven is op de lijst bedoeld in artikel 35bis en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis, en wanneer de vergoedingsbasis van die laatste op het ogenblik van haar aanneming ten minste 16 pct lager ligt of lag ten opzichte van de vergoedingsbasis van de genoemde specialiteiten.
Een nieuwe vergoedingsbasis wordt eveneens van rechtswege vastgesteld respectievelijk op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van elk jaar voor de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, b) of c), 1), waarvan het of de voornaamste werkzame bestanddelen verschillende zouten, esters, ethers, isomeren, mengsels van isomeren, complexen of derivaten zijn van het of de voornaamste werkzame bestanddelen van de specialiteiten bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1) en 2).
Een nieuwe vergoedingsbasis wordt eveneens van rechtswege vastgesteld respectievelijk op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van elk jaar voor de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), waarvan het of de werkzame bestanddelen als complex beschouwd worden.
Een werkzaam bestanddeel wordt als complex beschouwd als het gaat over een niet-biologisch werkzaam bestanddeel met een chemische structuur die kan variëren, binnen hetzelfde lot of tussen verschillende loten onderling, van een specialiteit die dit werkzaam bestanddeel bevat.
De bepalingen van het eerste, het tweede, het derde lid en § 1bis, eerste lid, kunnen niet op een zelfde specialiteit worden toegepast.
De in het eerste en het tweede lid bedoelde nieuwe vergoedingsbasis wordt berekend op basis van een theoretische prijs buiten bedrijf, die als volgt wordt berekend: de geldende prijs buiten bedrijf wordt verlaagd met 51,52 pct. voor de specialiteiten waarvoor de verzekeringstegemoetkoming 100 pct. van de vergoedingsbasis bedraagt en met 43,64 pct. voor de andere specialiteiten. en vervolgens verhoogd met de marges voor de verdeling in het groot zoals toegekend door de minister bevoegd voor Economische Zaken en de marges voor de terhandstelling zoals toegekend door de ministers bevoegd voor Sociale Zaken en Economische Zaken en van toepassing op de farmaceutische specialiteiten afgeleverd in een voor het publiek opengestelde apotheek, enerzijds, of afgeleverd door een ziekenhuisapotheek, anderzijds, het honorarium, bedoeld in artikel 35octies, § 2, tweede lid, alsook met de geldende btw-voet.
De in het derde lid bedoelde nieuwe vergoedingsbasis wordt berekend op basis van een theoretische prijs buiten bedrijf, die als volgt wordt berekend: de geldende prijs buiten bedrijf wordt verlaagd met 27,82 pct. voor de specialiteiten waarvoor de verzekeringstegemoetkoming 100 pct. van de vergoedingsbasis bedraagt en met 23,37 pct. voor de andere specialiteiten, en vervolgens verhoogd met de marges voor de verdeling in het groot zoals toegekend door de minister bevoegd voor Economische Zaken en de marges voor de terhandstelling zoals toegekend door de ministers bevoegd voor Sociale Zaken en Economische Zaken en van toepassing op de farmaceutische specialiteiten afgeleverd in een voor het publiek opengestelde apotheek, enerzijds, of afgeleverd door een ziekenhuisapotheek, anderzijds, het honorarium, bedoeld in artikel 35octies, § 2, tweede lid, alsook met de geldende btw-voet.";
2° een paragraaf 1bis wordt ingevoegd, luidende:
" § 1bis. Een nieuwe vergoedingsbasis wordt eveneens van rechtswege vastgesteld respectievelijk op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van elk jaar voor de in artikel 34, eerste lid, 5°, b) of c), 1), bedoelde specialiteiten met meer dan een werkzaam bestanddeel, waarvan minstens een van de werkzame bestanddelen hetzelfde werkzaam bestanddeel is van een in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), bedoelde specialiteit waarvoor de bepalingen van paragraaf 1, eerste, tweede of derde lid, toegepast worden.
De in het eerste lid bedoelde nieuwe vergoedingsbasis wordt berekend conform de bepalingen van artikel 35bis, § 2bis, en volgens de door de Koning vastgestelde regels.
De nadere regels om aan te geven dat de in het eerste en het tweede lid bedoelde verminderingen toegepast werden, worden vastgesteld door de Koning.";
3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "op basis van paragraaf 1" vervangen door de woorden "op basis van § 1 of § 1bis,";
4° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 15, luidende:
" § 15. Op 1 april 2021 wordt de vergoedingsbasis van de in artikel 34, eerste lid, 5°, b), bedoelde specialiteiten met meer dan een werkzaam bestanddeel, waarvan minstens een van de werkzame bestanddelen hetzelfde werkzaam bestanddeel is van een in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), bedoelde specialiteit waarvoor de bepalingen van § 1bis, eerste of tweede lid, toegepast werden vóór 1 april 2021, van rechtswege verminderd conform de bepalingen van § 1bis, tweede lid.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Een nieuwe vergoedingsbasis wordt van rechtswege vastgesteld respectievelijk op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van elk jaar voor de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), wanneer op 1 november, 1 februari, 1 mei of 1 augustus die eraan vooraf gaat een farmaceutische specialiteit bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2), die hetzelfde werkzaam bestanddeel bevat, ingeschreven is op de lijst bedoeld in artikel 35bis en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis, en wanneer de vergoedingsbasis van die laatste op het ogenblik van haar aanneming ten minste 16 pct lager ligt of lag ten opzichte van de vergoedingsbasis van de genoemde specialiteiten.
Een nieuwe vergoedingsbasis wordt eveneens van rechtswege vastgesteld respectievelijk op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van elk jaar voor de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, b) of c), 1), waarvan het of de voornaamste werkzame bestanddelen verschillende zouten, esters, ethers, isomeren, mengsels van isomeren, complexen of derivaten zijn van het of de voornaamste werkzame bestanddelen van de specialiteiten bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1) en 2).
Een nieuwe vergoedingsbasis wordt eveneens van rechtswege vastgesteld respectievelijk op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van elk jaar voor de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), waarvan het of de werkzame bestanddelen als complex beschouwd worden.
Een werkzaam bestanddeel wordt als complex beschouwd als het gaat over een niet-biologisch werkzaam bestanddeel met een chemische structuur die kan variëren, binnen hetzelfde lot of tussen verschillende loten onderling, van een specialiteit die dit werkzaam bestanddeel bevat.
De bepalingen van het eerste, het tweede, het derde lid en § 1bis, eerste lid, kunnen niet op een zelfde specialiteit worden toegepast.
De in het eerste en het tweede lid bedoelde nieuwe vergoedingsbasis wordt berekend op basis van een theoretische prijs buiten bedrijf, die als volgt wordt berekend: de geldende prijs buiten bedrijf wordt verlaagd met 51,52 pct. voor de specialiteiten waarvoor de verzekeringstegemoetkoming 100 pct. van de vergoedingsbasis bedraagt en met 43,64 pct. voor de andere specialiteiten. en vervolgens verhoogd met de marges voor de verdeling in het groot zoals toegekend door de minister bevoegd voor Economische Zaken en de marges voor de terhandstelling zoals toegekend door de ministers bevoegd voor Sociale Zaken en Economische Zaken en van toepassing op de farmaceutische specialiteiten afgeleverd in een voor het publiek opengestelde apotheek, enerzijds, of afgeleverd door een ziekenhuisapotheek, anderzijds, het honorarium, bedoeld in artikel 35octies, § 2, tweede lid, alsook met de geldende btw-voet.
De in het derde lid bedoelde nieuwe vergoedingsbasis wordt berekend op basis van een theoretische prijs buiten bedrijf, die als volgt wordt berekend: de geldende prijs buiten bedrijf wordt verlaagd met 27,82 pct. voor de specialiteiten waarvoor de verzekeringstegemoetkoming 100 pct. van de vergoedingsbasis bedraagt en met 23,37 pct. voor de andere specialiteiten, en vervolgens verhoogd met de marges voor de verdeling in het groot zoals toegekend door de minister bevoegd voor Economische Zaken en de marges voor de terhandstelling zoals toegekend door de ministers bevoegd voor Sociale Zaken en Economische Zaken en van toepassing op de farmaceutische specialiteiten afgeleverd in een voor het publiek opengestelde apotheek, enerzijds, of afgeleverd door een ziekenhuisapotheek, anderzijds, het honorarium, bedoeld in artikel 35octies, § 2, tweede lid, alsook met de geldende btw-voet.";
2° een paragraaf 1bis wordt ingevoegd, luidende:
" § 1bis. Een nieuwe vergoedingsbasis wordt eveneens van rechtswege vastgesteld respectievelijk op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van elk jaar voor de in artikel 34, eerste lid, 5°, b) of c), 1), bedoelde specialiteiten met meer dan een werkzaam bestanddeel, waarvan minstens een van de werkzame bestanddelen hetzelfde werkzaam bestanddeel is van een in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), bedoelde specialiteit waarvoor de bepalingen van paragraaf 1, eerste, tweede of derde lid, toegepast worden.
De in het eerste lid bedoelde nieuwe vergoedingsbasis wordt berekend conform de bepalingen van artikel 35bis, § 2bis, en volgens de door de Koning vastgestelde regels.
De nadere regels om aan te geven dat de in het eerste en het tweede lid bedoelde verminderingen toegepast werden, worden vastgesteld door de Koning.";
3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "op basis van paragraaf 1" vervangen door de woorden "op basis van § 1 of § 1bis,";
4° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 15, luidende:
" § 15. Op 1 april 2021 wordt de vergoedingsbasis van de in artikel 34, eerste lid, 5°, b), bedoelde specialiteiten met meer dan een werkzaam bestanddeel, waarvan minstens een van de werkzame bestanddelen hetzelfde werkzaam bestanddeel is van een in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), bedoelde specialiteit waarvoor de bepalingen van § 1bis, eerste of tweede lid, toegepast werden vóór 1 april 2021, van rechtswege verminderd conform de bepalingen van § 1bis, tweede lid.".
Art. 25. A l'article 35ter de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 4 mai 2020, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Une nouvelle base de remboursement est fixée de plein droit respectivement au 1er janvier, au 1er avril, au 1er juillet et au 1er octobre de chaque année pour les spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), lorsqu'au 1er novembre, 1er février, 1er mai ou 1er août qui précède, une spécialité pharmaceutique visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), contenant le même principe actif, est inscrite sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis, et que la base de remboursement de cette dernière est ou était, au moment de son admission, inférieure d'au moins 16 p.c. par rapport à celle desdites spécialités.
Une nouvelle base de remboursement est fixée de plein droit respectivement au 1er janvier, au 1er avril, au 1er juillet et au 1er octobre de chaque année pour les spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) ou c), 1), dont la ou les principales substances actives sont différents sels, esters, éthers, isomères, mélanges d'isomères, complexes ou dérivés de la ou des principales substances actives des spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1) et 2).
Une nouvelle base de remboursement est également fixée de plein droit respectivement au 1er janvier, au 1er avril, au 1er juillet et au 1er octobre de chaque année pour les spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), dont le ou les principes actifs sont considérés comme complexes.
Un principe actif est considéré comme complexe s'il s'agit d'un principe actif non-biologique ayant une structure chimique qui peut varier, que ce soit au sein d'un même lot ou entre des lots différents d'une spécialité contenant ce principe actif.
Les dispositions des alinéas 1er, 2, 3 et § 1erbis, alinéa 1er, ne peuvent pas être appliquées à une même spécialité.
La nouvelle base de remboursement visée aux alinéas 1er et 2 est calculée sur la base d'un prix théorique ex-usine, calculé comme suit: le prix actuel ex-usine est réduit de 51,52 p.c. pour les spécialités pour lesquelles l'intervention de l'assurance représente 100 p.c. de la base de remboursement et de 43,64 p.c. pour les autres spécialités et majoré ensuite des marges pour la distribution en gros telles qu'elles sont accordées par le ministre qui a les Affaires économiques dans ses attributions et des marges pour la délivrance telles qu'elles sont accordées par les ministres qui ont les Affaires sociales et les Affaires économiques dans leurs attributions et qui sont d'application aux spécialités pharmaceutiques délivrées dans des officines ouvertes au public, d'une part, et pour celles délivrées dans une pharmacie hospitalière, d'autre part, de l'honoraire visé à l'article 35octies, § 2, alinéa 2, ainsi que du taux actuel de la T.V.A.
La nouvelle base de remboursement visée à l'alinéa 3 est calculée sur la base d'un prix théorique ex-usine, calculé comme suit: le prix actuel ex-usine est réduit de 27,82 p.c. pour les spécialités pour lesquelles l'intervention de l'assurance représente 100 p.c. de la base de remboursement et de 23,37 p.c. pour les autres spécialités et majoré ensuite des marges pour la distribution en gros telles qu'elles sont accordées par le ministre qui a les Affaires économiques dans ses attributions et des marges pour la délivrance telles qu'elles sont accordées par les ministres qui ont les Affaires sociales et les Affaires économiques dans leurs attributions et qui sont d'application aux spécialités pharmaceutiques délivrées dans des officines ouvertes au public, d'une part, et pour celles délivrées dans une pharmacie hospitalière, d'autre part, de l'honoraire visé à l'article 35octies, § 2, alinéa 2, ainsi que du taux actuel de la T.V.A.";
2° il est inséré un paragraphe 1erbis, rédigé comme suit:
" § 1erbis. Une nouvelle base de remboursement est également fixée de plein droit respectivement au 1er janvier, au 1er avril, au 1er juillet et au 1er octobre de chaque année pour les spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) ou c), 1), ayant plus qu'un principe actif, dont au moins un principe actif est le même principe actif d'une spécialité, visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1) pour laquelle les dispositions du paragraphe 1er, alinéa 1er, 2 ou 3, sont appliquées.
La nouvelle base de remboursement visée à l'alinéa 1er est calculée conformément aux dispositions de l'article 35bis, § 2bis, et selon les règles fixées par le Roi.
Les modalités suivant lesquelles il est indiqué que les diminutions visées aux alinéas 1er et 2 ont été appliquées, sont fixées par le Roi.";
3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "sur la base du paragraphe 1er" sont remplacés par les mots "sur la base du § 1er ou § 1erbis";
4° l'article est complété par un paragraphe 15, rédigé comme suit:
" § 15. Au 1er avril 2021, la base de remboursement des spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b), ayant plus qu'un principe actif, dont au moins un principe actif est le même principe actif d'une spécialité, visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1) pour laquelle les dispositions du § 1erbis, alinéa 1er ou 2, ont été appliquées avant le 1er avril 2021, est diminuée de plein droit conformément aux dispositions du § 1erbis, alinéa 2.".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Une nouvelle base de remboursement est fixée de plein droit respectivement au 1er janvier, au 1er avril, au 1er juillet et au 1er octobre de chaque année pour les spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), lorsqu'au 1er novembre, 1er février, 1er mai ou 1er août qui précède, une spécialité pharmaceutique visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), contenant le même principe actif, est inscrite sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis, et que la base de remboursement de cette dernière est ou était, au moment de son admission, inférieure d'au moins 16 p.c. par rapport à celle desdites spécialités.
Une nouvelle base de remboursement est fixée de plein droit respectivement au 1er janvier, au 1er avril, au 1er juillet et au 1er octobre de chaque année pour les spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) ou c), 1), dont la ou les principales substances actives sont différents sels, esters, éthers, isomères, mélanges d'isomères, complexes ou dérivés de la ou des principales substances actives des spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1) et 2).
Une nouvelle base de remboursement est également fixée de plein droit respectivement au 1er janvier, au 1er avril, au 1er juillet et au 1er octobre de chaque année pour les spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), dont le ou les principes actifs sont considérés comme complexes.
Un principe actif est considéré comme complexe s'il s'agit d'un principe actif non-biologique ayant une structure chimique qui peut varier, que ce soit au sein d'un même lot ou entre des lots différents d'une spécialité contenant ce principe actif.
Les dispositions des alinéas 1er, 2, 3 et § 1erbis, alinéa 1er, ne peuvent pas être appliquées à une même spécialité.
La nouvelle base de remboursement visée aux alinéas 1er et 2 est calculée sur la base d'un prix théorique ex-usine, calculé comme suit: le prix actuel ex-usine est réduit de 51,52 p.c. pour les spécialités pour lesquelles l'intervention de l'assurance représente 100 p.c. de la base de remboursement et de 43,64 p.c. pour les autres spécialités et majoré ensuite des marges pour la distribution en gros telles qu'elles sont accordées par le ministre qui a les Affaires économiques dans ses attributions et des marges pour la délivrance telles qu'elles sont accordées par les ministres qui ont les Affaires sociales et les Affaires économiques dans leurs attributions et qui sont d'application aux spécialités pharmaceutiques délivrées dans des officines ouvertes au public, d'une part, et pour celles délivrées dans une pharmacie hospitalière, d'autre part, de l'honoraire visé à l'article 35octies, § 2, alinéa 2, ainsi que du taux actuel de la T.V.A.
La nouvelle base de remboursement visée à l'alinéa 3 est calculée sur la base d'un prix théorique ex-usine, calculé comme suit: le prix actuel ex-usine est réduit de 27,82 p.c. pour les spécialités pour lesquelles l'intervention de l'assurance représente 100 p.c. de la base de remboursement et de 23,37 p.c. pour les autres spécialités et majoré ensuite des marges pour la distribution en gros telles qu'elles sont accordées par le ministre qui a les Affaires économiques dans ses attributions et des marges pour la délivrance telles qu'elles sont accordées par les ministres qui ont les Affaires sociales et les Affaires économiques dans leurs attributions et qui sont d'application aux spécialités pharmaceutiques délivrées dans des officines ouvertes au public, d'une part, et pour celles délivrées dans une pharmacie hospitalière, d'autre part, de l'honoraire visé à l'article 35octies, § 2, alinéa 2, ainsi que du taux actuel de la T.V.A.";
2° il est inséré un paragraphe 1erbis, rédigé comme suit:
" § 1erbis. Une nouvelle base de remboursement est également fixée de plein droit respectivement au 1er janvier, au 1er avril, au 1er juillet et au 1er octobre de chaque année pour les spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) ou c), 1), ayant plus qu'un principe actif, dont au moins un principe actif est le même principe actif d'une spécialité, visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1) pour laquelle les dispositions du paragraphe 1er, alinéa 1er, 2 ou 3, sont appliquées.
La nouvelle base de remboursement visée à l'alinéa 1er est calculée conformément aux dispositions de l'article 35bis, § 2bis, et selon les règles fixées par le Roi.
Les modalités suivant lesquelles il est indiqué que les diminutions visées aux alinéas 1er et 2 ont été appliquées, sont fixées par le Roi.";
3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "sur la base du paragraphe 1er" sont remplacés par les mots "sur la base du § 1er ou § 1erbis";
4° l'article est complété par un paragraphe 15, rédigé comme suit:
" § 15. Au 1er avril 2021, la base de remboursement des spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b), ayant plus qu'un principe actif, dont au moins un principe actif est le même principe actif d'une spécialité, visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1) pour laquelle les dispositions du § 1erbis, alinéa 1er ou 2, ont été appliquées avant le 1er avril 2021, est diminuée de plein droit conformément aux dispositions du § 1erbis, alinéa 2.".
Afdeling 3. - Goedkoop voorschrijven
Section 3. - Prescriptions bon marché
Art. 26. In artikel 73 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, derde lid, 1°, tweede lid, worden de woorden "met dien verstande dat indien de groep van de goedkoopste specialiteiten niet minstens drie verschillende specialiteiten bevat, ook de specialiteiten, die niet onbeschikbaar zijn in de zin van artikel 72bis, § 1bis, waarvan de vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) de op één na laagste of de op twee na laagste is, in rekening worden genomen, op voorwaarde dat deze vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) niet meer dan 10 procent hoger is dan de laagste" opgeheven;
2° de woorden "Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen" worden telkens vervangen door de woorden "Nationale commissie artsen-ziekenfondsen";
3° het woord "geneesheren" wordt telkens vervangen door het woord "artsen";
4° in paragraaf 2, negende lid, 1°, tweede lid, worden de woorden "met dien verstande dat indien de groep van de goedkoopste specialiteiten niet minstens drie verschillende specialiteiten bevat, ook de specialiteiten, die niet onbeschikbaar zijn in de zin van artikel 72bis, § 1bis, waarvan de vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) de op één na laagste of de op twee na laagste is, in rekening worden genomen, op voorwaarde dat deze vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) niet meer dan 10 procent hoger is dan de laagste" opgeheven;
5° in paragraaf 2/1, derde lid, 1°, tweede lid, worden de woorden "met dien verstande dat indien de groep van de goedkoopste specialiteiten niet minstens drie verschillende specialiteiten bevat, ook de specialiteiten, die niet onbeschikbaar zijn in de zin van artikel 72bis, § 1bis, waarvan de vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) de op één na laagste of de op twee na laagste is, in rekening worden genomen, op voorwaarde dat deze vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) niet meer dan 10 procent hoger is dan de laagste" opgeheven;
6° in paragraaf 2/1, negende lid, 1°, tweede lid, worden de woorden "met dien verstande dat indien de groep van de goedkoopste specialiteiten niet minstens drie verschillende specialiteiten bevat, ook de specialiteiten, die niet onbeschikbaar zijn in de zin van artikel 72bis, § 1bis, waarvan de vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) de op één na laagste of de op twee na laagste is, in rekening worden genomen, op voorwaarde dat deze vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) niet meer dan 10 procent hoger is dan de laagste" opgeheven;
7° in paragraaf 2/2, derde lid, 1°, tweede lid, worden de woorden "met dien verstande dat indien de groep van de goedkoopste specialiteiten niet minstens drie verschillende specialiteiten bevat, ook de specialiteiten, die niet onbeschikbaar zijn in de zin van artikel 72bis, § 1bis, waarvan de vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) de op één na laagste of de op twee na laagste is, in rekening worden genomen, op voorwaarde dat deze vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) niet meer dan 10 procent hoger is dan de laagste" opgeheven;
8° in paragraaf 2/2, vijfde lid, 1°, tweede lid, worden de woorden "met dien verstande dat indien de groep van de goedkoopste specialiteiten niet minstens drie verschillende specialiteiten bevat, ook de specialiteiten, die niet onbeschikbaar zijn in de zin van artikel 72bis, § 1bis, waarvan de vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) de op één na laagste of de op twee na laagste is, in rekening worden genomen, op voorwaarde dat deze vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) niet meer dan 10 procent hoger is dan de laagste" opgeheven.
1° in paragraaf 2, derde lid, 1°, tweede lid, worden de woorden "met dien verstande dat indien de groep van de goedkoopste specialiteiten niet minstens drie verschillende specialiteiten bevat, ook de specialiteiten, die niet onbeschikbaar zijn in de zin van artikel 72bis, § 1bis, waarvan de vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) de op één na laagste of de op twee na laagste is, in rekening worden genomen, op voorwaarde dat deze vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) niet meer dan 10 procent hoger is dan de laagste" opgeheven;
2° de woorden "Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen" worden telkens vervangen door de woorden "Nationale commissie artsen-ziekenfondsen";
3° het woord "geneesheren" wordt telkens vervangen door het woord "artsen";
4° in paragraaf 2, negende lid, 1°, tweede lid, worden de woorden "met dien verstande dat indien de groep van de goedkoopste specialiteiten niet minstens drie verschillende specialiteiten bevat, ook de specialiteiten, die niet onbeschikbaar zijn in de zin van artikel 72bis, § 1bis, waarvan de vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) de op één na laagste of de op twee na laagste is, in rekening worden genomen, op voorwaarde dat deze vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) niet meer dan 10 procent hoger is dan de laagste" opgeheven;
5° in paragraaf 2/1, derde lid, 1°, tweede lid, worden de woorden "met dien verstande dat indien de groep van de goedkoopste specialiteiten niet minstens drie verschillende specialiteiten bevat, ook de specialiteiten, die niet onbeschikbaar zijn in de zin van artikel 72bis, § 1bis, waarvan de vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) de op één na laagste of de op twee na laagste is, in rekening worden genomen, op voorwaarde dat deze vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) niet meer dan 10 procent hoger is dan de laagste" opgeheven;
6° in paragraaf 2/1, negende lid, 1°, tweede lid, worden de woorden "met dien verstande dat indien de groep van de goedkoopste specialiteiten niet minstens drie verschillende specialiteiten bevat, ook de specialiteiten, die niet onbeschikbaar zijn in de zin van artikel 72bis, § 1bis, waarvan de vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) de op één na laagste of de op twee na laagste is, in rekening worden genomen, op voorwaarde dat deze vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) niet meer dan 10 procent hoger is dan de laagste" opgeheven;
7° in paragraaf 2/2, derde lid, 1°, tweede lid, worden de woorden "met dien verstande dat indien de groep van de goedkoopste specialiteiten niet minstens drie verschillende specialiteiten bevat, ook de specialiteiten, die niet onbeschikbaar zijn in de zin van artikel 72bis, § 1bis, waarvan de vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) de op één na laagste of de op twee na laagste is, in rekening worden genomen, op voorwaarde dat deze vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) niet meer dan 10 procent hoger is dan de laagste" opgeheven;
8° in paragraaf 2/2, vijfde lid, 1°, tweede lid, worden de woorden "met dien verstande dat indien de groep van de goedkoopste specialiteiten niet minstens drie verschillende specialiteiten bevat, ook de specialiteiten, die niet onbeschikbaar zijn in de zin van artikel 72bis, § 1bis, waarvan de vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) de op één na laagste of de op twee na laagste is, in rekening worden genomen, op voorwaarde dat deze vergoedingsbasis per gebruikseenheid (afgerond op twee cijfers na de komma) niet meer dan 10 procent hoger is dan de laagste" opgeheven.
Art. 26. A l'article 73, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 4 mai 2020, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2, alinéa 3, 1°, alinéa 2, les mots "étant entendu que si le groupe des spécialités les moins chères ne comporte pas au moins trois spécialités différentes, les spécialités qui ne sont pas indisponibles au sens de l'article 72bis, § 1erbis, dont la base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) est la pénultième ou l'antépénultième sont aussi prises en considération, à condition que cette base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) ne soit pas supérieure de plus de dix pourcents que la plus basse" sont abrogés;
2° dans le texte néerlandais, les mots "Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen" sont chaque fois remplacés par les mots "Nationale commissie artsen-ziekenfondsen";
3° dans le texte néerlandais, le mot "geneesheren" est chaque fois remplacé par le mot "artsen";
4° dans le paragraphe 2, alinéa 9, 1°, alinéa 2, les mots "étant entendu que si le groupe des spécialités les moins chères ne comporte pas au moins trois spécialités différentes, les spécialités qui ne sont pas indisponibles au sens de l'article 72bis, § 1erbis, dont la base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) est la pénultième ou l'antépénultième sont aussi prises en considération, à condition que cette base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) ne soit pas supérieure de plus de dix pourcents que la plus basse" sont abrogés;
5° dans le paragraphe 2/1, alinéa 3, 1°, alinéa 2, les mots "étant entendu que si le groupe des spécialités les moins chères ne comporte pas au moins trois spécialités différentes, les spécialités qui ne sont pas indisponibles au sens de l'article 72bis, § 1erbis, dont la base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) est la pénultième ou l'antépénultième sont aussi prises en considération, à condition que cette base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) ne soit pas supérieure de plus de dix pourcents que la plus basse" sont abrogés;
6° dans le paragraphe 2/1, alinéa 9, 1°, alinéa 2, les mots "étant entendu que si le groupe des spécialités les moins chères ne comporte pas au moins trois spécialités différentes, les spécialités qui ne sont pas indisponibles au sens de l'article 72bis, § 1erbis, dont la base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) est la pénultième ou l'antépénultième sont aussi prises en considération, à condition que cette base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) ne soit pas supérieure de plus de dix pourcents que la plus basse" sont abrogés;
7° dans le paragraphe 2/2, alinéa 3, 1°, alinéa 2, les mots "étant entendu que si le groupe des spécialités les moins chères ne comporte pas au moins trois spécialités différentes, les spécialités qui ne sont pas indisponibles au sens de l'article 72bis, § 1erbis, dont la base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) est la pénultième ou l'antépénultième sont aussi prises en considération, à condition que cette base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) ne soit pas supérieure de plus de dix pourcents que la plus basse" sont abrogés;
8° dans le paragraphe 2/2, alinéa 5, 1°, alinéa 2, les mots "étant entendu que si le groupe des spécialités les moins chères ne comporte pas au moins trois spécialités différentes, les spécialités qui ne sont pas indisponibles au sens de l'article 72bis, § 1erbis, dont la base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) est la pénultième ou l'antépénultième sont aussi prises en considération, à condition que cette base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) ne soit pas supérieure de plus de dix pourcents que la plus basse" sont abrogés.
1° dans le paragraphe 2, alinéa 3, 1°, alinéa 2, les mots "étant entendu que si le groupe des spécialités les moins chères ne comporte pas au moins trois spécialités différentes, les spécialités qui ne sont pas indisponibles au sens de l'article 72bis, § 1erbis, dont la base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) est la pénultième ou l'antépénultième sont aussi prises en considération, à condition que cette base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) ne soit pas supérieure de plus de dix pourcents que la plus basse" sont abrogés;
2° dans le texte néerlandais, les mots "Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen" sont chaque fois remplacés par les mots "Nationale commissie artsen-ziekenfondsen";
3° dans le texte néerlandais, le mot "geneesheren" est chaque fois remplacé par le mot "artsen";
4° dans le paragraphe 2, alinéa 9, 1°, alinéa 2, les mots "étant entendu que si le groupe des spécialités les moins chères ne comporte pas au moins trois spécialités différentes, les spécialités qui ne sont pas indisponibles au sens de l'article 72bis, § 1erbis, dont la base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) est la pénultième ou l'antépénultième sont aussi prises en considération, à condition que cette base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) ne soit pas supérieure de plus de dix pourcents que la plus basse" sont abrogés;
5° dans le paragraphe 2/1, alinéa 3, 1°, alinéa 2, les mots "étant entendu que si le groupe des spécialités les moins chères ne comporte pas au moins trois spécialités différentes, les spécialités qui ne sont pas indisponibles au sens de l'article 72bis, § 1erbis, dont la base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) est la pénultième ou l'antépénultième sont aussi prises en considération, à condition que cette base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) ne soit pas supérieure de plus de dix pourcents que la plus basse" sont abrogés;
6° dans le paragraphe 2/1, alinéa 9, 1°, alinéa 2, les mots "étant entendu que si le groupe des spécialités les moins chères ne comporte pas au moins trois spécialités différentes, les spécialités qui ne sont pas indisponibles au sens de l'article 72bis, § 1erbis, dont la base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) est la pénultième ou l'antépénultième sont aussi prises en considération, à condition que cette base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) ne soit pas supérieure de plus de dix pourcents que la plus basse" sont abrogés;
7° dans le paragraphe 2/2, alinéa 3, 1°, alinéa 2, les mots "étant entendu que si le groupe des spécialités les moins chères ne comporte pas au moins trois spécialités différentes, les spécialités qui ne sont pas indisponibles au sens de l'article 72bis, § 1erbis, dont la base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) est la pénultième ou l'antépénultième sont aussi prises en considération, à condition que cette base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) ne soit pas supérieure de plus de dix pourcents que la plus basse" sont abrogés;
8° dans le paragraphe 2/2, alinéa 5, 1°, alinéa 2, les mots "étant entendu que si le groupe des spécialités les moins chères ne comporte pas au moins trois spécialités différentes, les spécialités qui ne sont pas indisponibles au sens de l'article 72bis, § 1erbis, dont la base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) est la pénultième ou l'antépénultième sont aussi prises en considération, à condition que cette base de remboursement par unité d'utilisation (arrondie à deux décimales) ne soit pas supérieure de plus de dix pourcents que la plus basse" sont abrogés.
Afdeling 4. - Heffingen op de omzet
Section 4. - Cotisations sur le chiffre d'affaires
Art. 27. In artikel 191, eerste lid, 15°, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 februari 1998 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 april 2019, wordt de eerste zin van het achtste lid vervangen als volgt:
"De voornoemde verklaringen dienen gedagtekend, ondertekend en waar en echt verklaard te worden en zo te worden ingediend bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering via de interactieve toepassing, ontwikkeld door het Instituut en beschikbaar gesteld aan de aanvragers op zijn website, of bij ontstentenis daarvan bij een ter post aangetekende zending.".
"De voornoemde verklaringen dienen gedagtekend, ondertekend en waar en echt verklaard te worden en zo te worden ingediend bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering via de interactieve toepassing, ontwikkeld door het Instituut en beschikbaar gesteld aan de aanvragers op zijn website, of bij ontstentenis daarvan bij een ter post aangetekende zending.".
Art. 27. A l'article 191, alinéa 1er, 15°, de la même loi, remplacé par la loi du 22 février 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 7 avril 2019, la première phrase de l'alinéa 8 est remplacée comme suit:
"Les déclarations susvisées doivent être datées, signées, certifiées sincères et exactes, et doivent ainsi être introduites au Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité par l'outil interactif développé par l'Institut et mis à disposition auprès des demandeurs sur son site web, ou à défaut par envoi recommandé.".
"Les déclarations susvisées doivent être datées, signées, certifiées sincères et exactes, et doivent ainsi être introduites au Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité par l'outil interactif développé par l'Institut et mis à disposition auprès des demandeurs sur son site web, ou à défaut par envoi recommandé.".
Art. 28. In artikel 191, eerste lid, 15° novies, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2021 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 6,73 pct. van de omzet die in 2021 is verwezenlijkt.";
2° de eerste zin van het vijfde lid wordt vervangen als volgt:
"De voornoemde verklaringen dienen gedagtekend, ondertekend en waar en echt verklaard te worden en zo te worden ingediend bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering via de interactieve toepassing, ontwikkeld door het Instituut en beschikbaar gesteld aan de aanvragers op zijn website, of bij ontstentenis daarvan bij een aangetekende zending.";
3° in het vijfde lid, laatste zin, wordt het woord "en" vervangen door de vermelding "," en wordt de zin aangevuld als volgt:
"en vóór 1 mei 2022 voor de omzet die in 2021 is verwezenlijkt.";
4° in het zevende lid, eerste zin, wordt het woord "en" vervangen door de vermelding "," en worden de woorden "en de heffing op de omzet 2021" ingevoegd tussen de woorden "omzet 2020" en de woorden "worden via";
5° het achtste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2021 dienen het in het vorige lid bedoelde voorschot en saldo respectievelijk gestort te worden vóór 1 juni 2021 en 1 juni 2022 op rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding van respectievelijk "voorschot heffing omzet 2021 "en "saldo heffing omzet 2021".";
6° het tiende lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2021 wordt het voornoemde voorschot bepaald op 6,73 pct. van de omzet die in het jaar 2020 is verwezenlijkt.";
7° het zeventiende lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"De ontvangsten die voortvloeien uit de heffing op de omzet 2021 zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2021.".
1° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2021 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 6,73 pct. van de omzet die in 2021 is verwezenlijkt.";
2° de eerste zin van het vijfde lid wordt vervangen als volgt:
"De voornoemde verklaringen dienen gedagtekend, ondertekend en waar en echt verklaard te worden en zo te worden ingediend bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering via de interactieve toepassing, ontwikkeld door het Instituut en beschikbaar gesteld aan de aanvragers op zijn website, of bij ontstentenis daarvan bij een aangetekende zending.";
3° in het vijfde lid, laatste zin, wordt het woord "en" vervangen door de vermelding "," en wordt de zin aangevuld als volgt:
"en vóór 1 mei 2022 voor de omzet die in 2021 is verwezenlijkt.";
4° in het zevende lid, eerste zin, wordt het woord "en" vervangen door de vermelding "," en worden de woorden "en de heffing op de omzet 2021" ingevoegd tussen de woorden "omzet 2020" en de woorden "worden via";
5° het achtste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2021 dienen het in het vorige lid bedoelde voorschot en saldo respectievelijk gestort te worden vóór 1 juni 2021 en 1 juni 2022 op rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding van respectievelijk "voorschot heffing omzet 2021 "en "saldo heffing omzet 2021".";
6° het tiende lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2021 wordt het voornoemde voorschot bepaald op 6,73 pct. van de omzet die in het jaar 2020 is verwezenlijkt.";
7° het zeventiende lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"De ontvangsten die voortvloeien uit de heffing op de omzet 2021 zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2021.".
Art. 28. A l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 20 décembre 2019, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2021, le montant de cette cotisation est fixé à 6,73 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2021.";
2° la première phrase de l'alinéa 5 est remplacée comme suit:
"Les déclarations susvisées doivent être datées, signées, certifiées sincères et exactes, et doivent ainsi être introduites au Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité par l'outil interactif développé par l'Institut et mis à disposition auprès des demandeurs sur son site web, ou à défaut par envoi recommandé.";
3° à l'alinéa 5, dernière phrase, le mot "et" est remplacé par la mention "," et la phrase est complétée comme suit:
"et avant le 1er mai 2022 pour le chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2021.";
4° à l'alinéa 7, dans la première phrase, le mot "et" est remplacé par la mention "," et les mots "et la cotisation sur le chiffre d'affaires 2021" sont insérés entre les mots "chiffre d'affaires 2020" et les mots "sont versées";
5° l'alinéa 8 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2021, l'avance et le solde visés au précédent alinéa doivent être versés respectivement avant le 1er juin 2021 et le 1er juin 2022 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en indiquant respectivement la mention "avance cotisation chiffre d'affaires 2021" et "solde cotisation chiffre d'affaires 2021".";
6° l'alinéa 10 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2021 l'avance précitée est fixée à 6,73 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé dans l'année 2020.";
7° l'alinéa 17 est complété par la phrase suivante:
"Les recettes qui résultent de la cotisation sur le chiffre d'affaires 2021 seront inscrites dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé de l'exercice 2021.".
1° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2021, le montant de cette cotisation est fixé à 6,73 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2021.";
2° la première phrase de l'alinéa 5 est remplacée comme suit:
"Les déclarations susvisées doivent être datées, signées, certifiées sincères et exactes, et doivent ainsi être introduites au Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité par l'outil interactif développé par l'Institut et mis à disposition auprès des demandeurs sur son site web, ou à défaut par envoi recommandé.";
3° à l'alinéa 5, dernière phrase, le mot "et" est remplacé par la mention "," et la phrase est complétée comme suit:
"et avant le 1er mai 2022 pour le chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2021.";
4° à l'alinéa 7, dans la première phrase, le mot "et" est remplacé par la mention "," et les mots "et la cotisation sur le chiffre d'affaires 2021" sont insérés entre les mots "chiffre d'affaires 2020" et les mots "sont versées";
5° l'alinéa 8 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2021, l'avance et le solde visés au précédent alinéa doivent être versés respectivement avant le 1er juin 2021 et le 1er juin 2022 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en indiquant respectivement la mention "avance cotisation chiffre d'affaires 2021" et "solde cotisation chiffre d'affaires 2021".";
6° l'alinéa 10 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2021 l'avance précitée est fixée à 6,73 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé dans l'année 2020.";
7° l'alinéa 17 est complété par la phrase suivante:
"Les recettes qui résultent de la cotisation sur le chiffre d'affaires 2021 seront inscrites dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé de l'exercice 2021.".
Art. 29. In artikel 191, eerste lid, 15° duodecies, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 23 december 2009 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2019, wordt het vijfde lid aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2021 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2021 is verwezenlijkt en het ermee samenhangende voorschot wordt vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2020 is verwezenlijkt.".
"Voor 2021 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2021 is verwezenlijkt en het ermee samenhangende voorschot wordt vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2020 is verwezenlijkt.".
Art. 29. A l'article 191, alinéa 1er, 15° duodecies, de la même loi, inséré par la loi du 23 décembre 2009 et modifié en dernier lieu par la loi du 20 décembre 2019, l'alinéa 5 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2021, le montant de cette cotisation est fixé à 1 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2021 et l'avance concernée est fixée à 1 p.c. du chiffre d'affaires réalisé en 2020.".
"Pour 2021, le montant de cette cotisation est fixé à 1 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2021 et l'avance concernée est fixée à 1 p.c. du chiffre d'affaires réalisé en 2020.".
Art. 30. In artikel 191, eerste lid, 15° terdecies, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 juni 2013 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2019, wordt het vijfde lid aangevuld als volgt:
"Voor het jaar 2021 worden de percentages van deze weesheffing vastgesteld op 0 pct. voor het deel van de omzet van 0 tot en met 1,5 miljoen euro, op 3 pct. voor het deel van de omzet van 1,5 tot en met 3 miljoen euro en op 5 pct. voor het deel van de omzet groter dan 3 miljoen euro. De percentages, die op de verschillende omzetniveaus toegepast worden om het voorschot 2021 vast te stellen, zijn gelijk aan de percentages die vastgesteld worden voor de weesheffing 2021.".
"Voor het jaar 2021 worden de percentages van deze weesheffing vastgesteld op 0 pct. voor het deel van de omzet van 0 tot en met 1,5 miljoen euro, op 3 pct. voor het deel van de omzet van 1,5 tot en met 3 miljoen euro en op 5 pct. voor het deel van de omzet groter dan 3 miljoen euro. De percentages, die op de verschillende omzetniveaus toegepast worden om het voorschot 2021 vast te stellen, zijn gelijk aan de percentages die vastgesteld worden voor de weesheffing 2021.".
Art. 30. A l'article 191, alinéa 1er, 15° terdecies, de la même loi, inséré par la loi du 28 juin 2013 et modifié en dernier lieu par la loi du 20 décembre 2019, l'alinéa 5 est complété comme suit:
"Pour l'année 2021, les pourcentages de cette cotisation orpheline s'élèvent à 0 % pour la tranche du chiffre d'affaires allant de 0 à 1,5 millions d'euros, 3 % pour la tranche du chiffre d'affaires allant de 1,5 à 3 millions d'euros et à 5 % pour la tranche du chiffre d'affaires qui est supérieure à 3 millions d'euros. Les pourcentages, appliqués aux différents paliers pour constituer l'avance 2021 sont identiques à ceux fixés pour la cotisation orpheline 2021.".
"Pour l'année 2021, les pourcentages de cette cotisation orpheline s'élèvent à 0 % pour la tranche du chiffre d'affaires allant de 0 à 1,5 millions d'euros, 3 % pour la tranche du chiffre d'affaires allant de 1,5 à 3 millions d'euros et à 5 % pour la tranche du chiffre d'affaires qui est supérieure à 3 millions d'euros. Les pourcentages, appliqués aux différents paliers pour constituer l'avance 2021 sont identiques à ceux fixés pour la cotisation orpheline 2021.".
Afdeling 5. - Bijdrage op marketing
Section 5. - Contribution sur le marketing
Art. 31. In artikel 191, eerste lid, 31°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2012 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2021 wordt de compensatoire bijdrage gehandhaafd.";
2° in het tweede lid worden de woorden "en verwezenlijkt in 2020, voor het jaar 2020" vervangen door de woorden "verwezenlijkt in 2020, voor het jaar 2020, en verwezenlijkt in 2021, voor het jaar 2021";
3° het derde lid wordt aangevuld als volgt:
"Het voorschot 2021, vastgesteld op 0,13 pct. van het in 2020 verwezenlijkte omzetcijfer, wordt vóór 1 juni 2021 gestort op rekening van het Rijkinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding van "Voorschot compensatoire bijdrage 2021" en het saldo wordt vóór 1 juni 2022 gestort op dezelfde rekening met de vermelding "Saldo compensatoire bijdrage 2021".";
4° in het vijfde lid wordt het woord "en" opgeheven en wordt de zin aangevuld als volgt:
", en in het boekjaar 2021, voor de bijdrage 2021.".
1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2021 wordt de compensatoire bijdrage gehandhaafd.";
2° in het tweede lid worden de woorden "en verwezenlijkt in 2020, voor het jaar 2020" vervangen door de woorden "verwezenlijkt in 2020, voor het jaar 2020, en verwezenlijkt in 2021, voor het jaar 2021";
3° het derde lid wordt aangevuld als volgt:
"Het voorschot 2021, vastgesteld op 0,13 pct. van het in 2020 verwezenlijkte omzetcijfer, wordt vóór 1 juni 2021 gestort op rekening van het Rijkinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding van "Voorschot compensatoire bijdrage 2021" en het saldo wordt vóór 1 juni 2022 gestort op dezelfde rekening met de vermelding "Saldo compensatoire bijdrage 2021".";
4° in het vijfde lid wordt het woord "en" opgeheven en wordt de zin aangevuld als volgt:
", en in het boekjaar 2021, voor de bijdrage 2021.".
Art. 31. A l'article 191, alinéa 1er, 31°, de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2012 et modifié en dernier lieu par la loi du 20 décembre 2019, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante:
"Pour 2021, la contribution compensatoire est maintenue.";
2° à alinéa 2, les mots "et réalisé en 2020, pour l'année 2020" sont remplacés par les mots "réalisé en 2020, pour l'année 2020, et réalisé en 2021, pour l'année 2021";
3° l'alinéa 3 est complété comme suit:
"L'acompte 2021, fixé à 0,13 % du chiffre d'affaires réalisé en 2020, est versé avant le 1er juin 2021 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention "Acompte contribution compensatoire 2021" et le solde est versé avant le 1er juin 2022 sur ce même compte avec la mention "Solde contribution compensatoire 2021".";
4° à l'alinéa 5, le mot "et" est supprimé et la phrase est complétée comme suit:
", et pour l'année comptable 2021, pour ce qui concerne la contribution 2021.".
1° l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante:
"Pour 2021, la contribution compensatoire est maintenue.";
2° à alinéa 2, les mots "et réalisé en 2020, pour l'année 2020" sont remplacés par les mots "réalisé en 2020, pour l'année 2020, et réalisé en 2021, pour l'année 2021";
3° l'alinéa 3 est complété comme suit:
"L'acompte 2021, fixé à 0,13 % du chiffre d'affaires réalisé en 2020, est versé avant le 1er juin 2021 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention "Acompte contribution compensatoire 2021" et le solde est versé avant le 1er juin 2022 sur ce même compte avec la mention "Solde contribution compensatoire 2021".";
4° à l'alinéa 5, le mot "et" est supprimé et la phrase est complétée comme suit:
", et pour l'année comptable 2021, pour ce qui concerne la contribution 2021.".
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 27 avril 2005 relative à la maîtrise du budget des soins de santé et portant diverses dispositions en matière de santé
Enige afdeling. - Oude geneesmiddelen
Section unique. - Vieux médicaments
Art. 32. In artikel 69 van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het negenenzestigste lid en het zeventigste lid, worden tweeëntwintig leden ingevoegd, luidende:
"Op 1 april 2021 worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, waarvan, in de loop van het voorafgaande trimester, elk werkzaam bestanddeel voorkomt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, verminderd met:
- 19,75 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer minder dan 1,5 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 25,44 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 1,5 miljoen euro en minder dan 10 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 26,15 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 10 miljoen euro en minder dan 20 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 26,85 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 20 miljoen euro en minder dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 28,27 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 30 miljoen euro en minder dan 40 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 29,69 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 40 miljoen euro en minder dan 50 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 31,12 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 50 miljoen euro en minder dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 32,54 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 60 miljoen euro en minder dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 33,97 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII, voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Het gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in voorgaand lid, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verminderd met 17 %.
Op 1 juli 2021 en op 1 oktober 2021 worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, waarvan, in de loop van het voorafgaande trimester, elk werkzaam bestanddeel voorkomt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, verminderd met:
- 19,75 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer minder dan 1,5 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
- 25,44 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 1,5 miljoen euro en minder dan 10 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
- 26,15 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 10 miljoen euro en minder dan 20 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
- 26,85 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 20 miljoen euro en minder dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
- 28,27 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 30 miljoen euro en minder dan 40 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
- 29,69 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 40 miljoen euro en minder dan 50 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
- 31,12 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 50 miljoen euro en minder dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
- 32,54 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 60 miljoen euro en minder dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
- 33,97 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII, voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Het gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in voorgaand lid, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verminderd met 17 %.
Vanaf 1 januari 2022 worden, telkens op 1 januari en op 1 april van jaar "t", de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, waarvan, in de loop van het voorafgaande trimester, elk werkzaam bestanddeel voorkomt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, verminderd met:
- 19,75 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer minder dan 1,5 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 25,44 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 1,5 miljoen euro en minder dan 10 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 26,15 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 10 miljoen euro en minder dan 20 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 26,85 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 20 miljoen euro en minder dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 28,27 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 30 miljoen euro en minder dan 40 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 29,69 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 40 miljoen euro en minder dan 50 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 31,12 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 50 miljoen euro en minder dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 32,54 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 60 miljoen euro en minder dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 33,97 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII, voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Het gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in voorgaand lid, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verminderd met 17 %.
Vanaf 2022 worden, telkens op 1 juli en op 1 oktober van jaar "t", de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, waarvan, in de loop van het voorafgaande trimester, elk werkzaam bestanddeel voorkomt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, verminderd met:
- 19,75 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer minder dan 1,5 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 25,44 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 1,5 miljoen euro en minder dan 10 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 26,15 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 10 miljoen euro en minder dan 20 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 26,85 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 20 miljoen euro en minder dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 28,27 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 30 miljoen euro en minder dan 40 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 29,69 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 40 miljoen euro en minder dan 50 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 31,12 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 50 miljoen euro en minder dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 32,54 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 60 miljoen euro en minder dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 33,97 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII, voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Het gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in voorgaand lid, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verminderd met 17 %.
Op 1 april 2021 en vervolgens telkens op 1 januari, op 1 april, op 1 juli en op 1 oktober, worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, waarvoor overeenkomstig de bepalingen van artikel 35ter of 35quater van dezelfde wet, een nieuwe prijs en vergoedingsbasis vastgesteld wordt, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII en met uitzondering van de specialiteiten waarvoor artikel 35ter, § 1bis, § 2 of § 2bis, van dezelfde wet van toepassing is, verminderd volgens de bepalingen van het zeventigste, eenenzeventigste, tweeënzeventigste, drieenzeventigste, vierenzeventigste, vijfenzeventigste, zesenzeventigste of zevenenzeventigste lid van dit artikel, voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Op 1 april 2021 en vervolgens telkens op 1 januari, op 1 april, op 1 juli en op 1 oktober, worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de biologische geneesmiddelen, zoals gedefinieerd door de Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, waarvoor een nieuwe prijs en vergoedingsbasis vastgesteld wordt, volgens de bepalingen van het zeventigste, eenenzeventigste, tweeënzeventigste, drieënzeventigste, vierenzeventigste, vijfenzeventigste, zesenzeventigste of zevenenzeventigste lid van dit artikel, ook verminderd volgens de bepalingen van artikel 30, § 2, derde lid, van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen.
Op 1 april 2021, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII, worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, waarvan de prijs en vergoedingsbasis voor 1 april 2021 verminderd werden overeenkomstig de bepalingen van het tweede, zesde (b), elfde, zestiende, zeventiende, vierentwintigste, vijfentwintigste, achtentwintigste, negenentwintigste, dertigste, eenendertigste, tweeëndertigste, drieëndertigste, vierendertigste, vijfendertigste, negenenveertigste, vijftigste, eenenvijftigste, tweeënvijftigste, drieënvijftigste, vierenvijftigste, negenenvijtigste en zestigste lid, verminderd met:
- 2,38 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 1,5 miljoen euro en minder dan 10 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 2,70 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 10 miljoen euro en minder dan 20 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 3,01 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 20 miljoen euro en minder dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 3,66 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 30 miljoen euro en minder dan 40 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 4,32 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 40 miljoen euro en minder dan 50 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 5,01 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 50 miljoen euro en minder dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 5,71 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 60 miljoen euro en minder dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 6,44 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019.
Het gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in voorgaand lid, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verminderd met 17 %.
Op 1 april 2021, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII, worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, waarvoor een nieuwe prijs en vergoedingsbasis vastgelegd werd voor 1 april 2021, overeenkomstig de bepalingen van artikel 35ter of 35quater van dezelfde wet, en van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, verminderd met:
- 2,38 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 1,5 miljoen euro en minder dan 10 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 2,70 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 10 miljoen euro en minder dan 20 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 3,01 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 20 miljoen euro en minder dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 3,66 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 30 miljoen euro en minder dan 40 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 4,32 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 40 miljoen euro en minder dan 50 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 5,01 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 50 miljoen euro en minder dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 5,71 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 60 miljoen euro en minder dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 6,44 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019.
Het gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in voorgaand lid, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verminderd met 17 %.
De bepalingen van de zeventigste, eenenzeventigste, tweeënzeventigste, drieenzeventigste, vierenzeventigste, vijfenzeventigste, zesenzeventigste, zevenenzeventigste, tachtigste en eenentachtigste lid van dit artikel worden ook toegepast op de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, met hetzelfde werkzaam bestanddeel, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, na 1 maart 2021, op het ogenblik van hun inschrijving in de voornoemde lijst, voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Op 1 april 2021, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII, worden de prijzen en vergoedingsbasissen van biologische geneesmiddelen, zoals gedefinieerd door de Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en farmaceutische specialiteiten, vergund overeenkomstig het artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen die hetzelfde of dezelfde werkzame bestanddelen bevat, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, waarvoor een nieuwe prijs en vergoedingsbasis vastgelegd werd voor 1 april 2021, overeenkomstig de bepalingen van artikel 30, § 3, derde en vierde lid van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen, verminderd met:
- 2,38 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 1,5 miljoen euro en minder dan 10 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 2,70 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 10 miljoen euro en minder dan 20 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 3,01 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 20 miljoen euro en minder dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 3,66 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 30 miljoen euro en minder dan 40 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 4,32 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 40 miljoen euro en minder dan 50 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 5,01 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 50 miljoen euro en minder dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 5,71 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 60 miljoen euro en minder dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 6,44 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019.
Het gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in voorgaand lid, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verminderd met 17 %.
De verlagingen bedoeld in de tachtigste en eenentachtigste leden zijn niet van toepassing op de biologische geneesmiddelen, zoals gedefinieerd door de Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik waarvan, op 1 april 2021, elk werkzaam bestanddeel verschijnt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was:
1° en waarvan de aanvrager heeft aangetoond dat de prijs en de vergoedingsbasis (niveau buiten bedrijf), berekend per eenheid, per vorm en per sterkte van het werkzaam bestanddeel (of combinatie van werkzame bestanddelen), van toepassing op 1 maart 2021, reeds lager of gelijk zijn aan de laagste buiten bedrijf prijs voor dezelfde farmaceutische specialiteit, van toepassing op 1 maart 2021, berekend per eenheid, per vorm en per sterkte van het werkzame bestanddeel (of combinatie van werkzame bestanddelen) binnen het geheel van de Europese landen vermeld in artikel 72bis, § 1, 8°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994,
2° en waarvoor er op de Belgische markt geen vergoedbare farmaceutische specialiteiten bestaan, vergund overeenkomstig het artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen of vergoedbare biologische geneesmiddelen die in wezen dezelfde biologische stof zijn als de referentie - biologische geneesmiddelen.
Indien ten gevolge van een vermindering in uitvoering van het tachtigste lid en eenentachtigste lid, de buiten bedrijf prijs berekend per eenheid, per vorm en per sterkte van het werkzaam bestanddeel (of combinatie van werkzame bestanddelen), lager wordt dan de laagste buiten bedrijf prijs van het geheel van de prijzen vermeld in het vorige lid, wordt de daling begrensd tot deze laagste prijs.
De bepalingen van de tachtigste en eenentachtigste leden en van de tweeëntachtigste en drieëntachtigste leden mogen niet toegepast worden op eenzelfde specialiteit.
De bepalingen van de tachtigste en eenentachtigste leden en van de vijfentachtigste en zesentachtigste leden mogen niet toegepast worden op eenzelfde specialiteit.
Voor de specialiteiten bedoeld in het tachtigste, eenentachtigste, tweeëntachtigste, drieëntachtigste, vijfentachtigste of zesentachtigste lid kunnen de aanvragers kiezen om, op 1 april 2021, de specialiteit van rechtswege en zonder rekening te houden met de procedures bepaald in artikel 35bis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, te schrappen uit de lijst van vergoedbare specialiteiten.";
2° het vroegere drieënzeventigste lid wordt vervangen als volgt:
"Een uitzondering op de toepassing van het derde, zesde, tiende, veertiende, vijftiende, tweeëntwintigste, drieëntwintigste, negenenveertigste, vijftigste, eenenvijftigste, tweeënvijftigste, drieënvijftigste, vierenvijftigste, zeventigste, eenenzeventigste, tweeënzeventigste, drieenzeventigste, vierenzeventigste, vijfenzeventigste, zesenzeventigste, of zevenenzeventigste lid wordt eveneens verleend aan de farmaceutische specialiteiten die in de loop van de vijf jaar voorafgaand aan de eerste dag van het semester tijdens hetwelk de twaalf jaar, bedoeld in de hiervoor vermelde leden, werden bereikt, werden toegelaten tot terugbetaling als klasse 1, overeenkomstig artikel 35bis, § 2, van de voormelde gecoördineerde wet.";
3° het vroegere vierenzeventigste lid wordt vervangen als volgt:
"De uitzondering op de toepassing van het derde, zesde, tiende, veertiende, vijftiende, tweeëntwintigste, drieëntwintigste, negenenveertigste, vijftigste, eenenvijftigste, tweeënvijftigste, drieënvijftigste, vierenvijftigste, zeventigste, eenenzeventigste, tweeënzeventigste, drieenzeventigste, vierenzeventigste, vijfenzeventigste, zesenzeventigste, of zevenenzeventigste lid wordt toegekend, wat betreft het voorgaande lid, tot de toelating tot terugbetaling van een specialiteit die hetzelfde actief bestanddeel bevat, dezelfde toedieningsvorm heeft en een vergoedingsbasis die, op het ogenblik van zijn opname, ten minste 16 pct. lager is of was ten opzichte van de vergoedingsbasis van de specialiteit die van deze uitzondering geniet, of tot een beslissing genomen in het kader van een individuele herziening die vaststelt dat de specialiteit die van deze uitzondering geniet geen aangetoonde therapeutische meerwaarde heeft ten opzichte van de bestaande therapeutische alternatieven, en maximum voor een duur van 6 jaar.";
4° het vroegere negenenzeventigste lid wordt vervangen als volgt:
"Een uitzondering op de toepassing van het tiende, elfde, twaalfde, dertiende, veertiende, vijftiende, zestiende, zeventiende, tweeëntwintigste, drieëntwintigste, vierentwintigste, vijfentwintigste, achtentwintigste, negenentwintigste, dertigste, eenendertigste, tweeëndertigste, drieëndertigste, vierendertigste, vijfendertigste, negenenveertigste, vijftigste, eenenvijftigste, tweeënvijftigste, drieënvijftigste, vierenvijftigste, zeventigste, eenenzeventigste, tweeenzeventigste, drieenzeventigste, vierenzeventigste, vijfenzeventigste, zesenzeventigste, of zevenenzeventigste lid wordt eveneens verleend aan de in artikel 34, eerste lid, 5°, e), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bedoelde medische zuurstof.".
1° tussen het negenenzestigste lid en het zeventigste lid, worden tweeëntwintig leden ingevoegd, luidende:
"Op 1 april 2021 worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, waarvan, in de loop van het voorafgaande trimester, elk werkzaam bestanddeel voorkomt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, verminderd met:
- 19,75 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer minder dan 1,5 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 25,44 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 1,5 miljoen euro en minder dan 10 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 26,15 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 10 miljoen euro en minder dan 20 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 26,85 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 20 miljoen euro en minder dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 28,27 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 30 miljoen euro en minder dan 40 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 29,69 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 40 miljoen euro en minder dan 50 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 31,12 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 50 miljoen euro en minder dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 32,54 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 60 miljoen euro en minder dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 33,97 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII, voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Het gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in voorgaand lid, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verminderd met 17 %.
Op 1 juli 2021 en op 1 oktober 2021 worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, waarvan, in de loop van het voorafgaande trimester, elk werkzaam bestanddeel voorkomt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, verminderd met:
- 19,75 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer minder dan 1,5 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
- 25,44 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 1,5 miljoen euro en minder dan 10 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
- 26,15 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 10 miljoen euro en minder dan 20 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
- 26,85 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 20 miljoen euro en minder dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
- 28,27 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 30 miljoen euro en minder dan 40 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
- 29,69 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 40 miljoen euro en minder dan 50 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
- 31,12 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 50 miljoen euro en minder dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
- 32,54 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 60 miljoen euro en minder dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
- 33,97 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2020,
met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII, voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Het gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in voorgaand lid, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verminderd met 17 %.
Vanaf 1 januari 2022 worden, telkens op 1 januari en op 1 april van jaar "t", de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, waarvan, in de loop van het voorafgaande trimester, elk werkzaam bestanddeel voorkomt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, verminderd met:
- 19,75 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer minder dan 1,5 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 25,44 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 1,5 miljoen euro en minder dan 10 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 26,15 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 10 miljoen euro en minder dan 20 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 26,85 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 20 miljoen euro en minder dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 28,27 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 30 miljoen euro en minder dan 40 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 29,69 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 40 miljoen euro en minder dan 50 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 31,12 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 50 miljoen euro en minder dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 32,54 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 60 miljoen euro en minder dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 33,97 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII, voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Het gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in voorgaand lid, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verminderd met 17 %.
Vanaf 2022 worden, telkens op 1 juli en op 1 oktober van jaar "t", de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, waarvan, in de loop van het voorafgaande trimester, elk werkzaam bestanddeel voorkomt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, verminderd met:
- 19,75 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer minder dan 1,5 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 25,44 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 1,5 miljoen euro en minder dan 10 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 26,15 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 10 miljoen euro en minder dan 20 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 26,85 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 20 miljoen euro en minder dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 28,27 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 30 miljoen euro en minder dan 40 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 29,69 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 40 miljoen euro en minder dan 50 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 31,12 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 50 miljoen euro en minder dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 32,54 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 60 miljoen euro en minder dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 33,97 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII, voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Het gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in voorgaand lid, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verminderd met 17 %.
Op 1 april 2021 en vervolgens telkens op 1 januari, op 1 april, op 1 juli en op 1 oktober, worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, waarvoor overeenkomstig de bepalingen van artikel 35ter of 35quater van dezelfde wet, een nieuwe prijs en vergoedingsbasis vastgesteld wordt, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII en met uitzondering van de specialiteiten waarvoor artikel 35ter, § 1bis, § 2 of § 2bis, van dezelfde wet van toepassing is, verminderd volgens de bepalingen van het zeventigste, eenenzeventigste, tweeënzeventigste, drieenzeventigste, vierenzeventigste, vijfenzeventigste, zesenzeventigste of zevenenzeventigste lid van dit artikel, voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Op 1 april 2021 en vervolgens telkens op 1 januari, op 1 april, op 1 juli en op 1 oktober, worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de biologische geneesmiddelen, zoals gedefinieerd door de Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, waarvoor een nieuwe prijs en vergoedingsbasis vastgesteld wordt, volgens de bepalingen van het zeventigste, eenenzeventigste, tweeënzeventigste, drieënzeventigste, vierenzeventigste, vijfenzeventigste, zesenzeventigste of zevenenzeventigste lid van dit artikel, ook verminderd volgens de bepalingen van artikel 30, § 2, derde lid, van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen.
Op 1 april 2021, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII, worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, waarvan de prijs en vergoedingsbasis voor 1 april 2021 verminderd werden overeenkomstig de bepalingen van het tweede, zesde (b), elfde, zestiende, zeventiende, vierentwintigste, vijfentwintigste, achtentwintigste, negenentwintigste, dertigste, eenendertigste, tweeëndertigste, drieëndertigste, vierendertigste, vijfendertigste, negenenveertigste, vijftigste, eenenvijftigste, tweeënvijftigste, drieënvijftigste, vierenvijftigste, negenenvijtigste en zestigste lid, verminderd met:
- 2,38 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 1,5 miljoen euro en minder dan 10 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 2,70 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 10 miljoen euro en minder dan 20 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 3,01 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 20 miljoen euro en minder dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 3,66 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 30 miljoen euro en minder dan 40 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 4,32 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 40 miljoen euro en minder dan 50 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 5,01 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 50 miljoen euro en minder dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 5,71 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 60 miljoen euro en minder dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 6,44 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019.
Het gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in voorgaand lid, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verminderd met 17 %.
Op 1 april 2021, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII, worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, waarvoor een nieuwe prijs en vergoedingsbasis vastgelegd werd voor 1 april 2021, overeenkomstig de bepalingen van artikel 35ter of 35quater van dezelfde wet, en van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, verminderd met:
- 2,38 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 1,5 miljoen euro en minder dan 10 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 2,70 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 10 miljoen euro en minder dan 20 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 3,01 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 20 miljoen euro en minder dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 3,66 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 30 miljoen euro en minder dan 40 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 4,32 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 40 miljoen euro en minder dan 50 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 5,01 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 50 miljoen euro en minder dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 5,71 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 60 miljoen euro en minder dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 6,44 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019.
Het gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in voorgaand lid, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verminderd met 17 %.
De bepalingen van de zeventigste, eenenzeventigste, tweeënzeventigste, drieenzeventigste, vierenzeventigste, vijfenzeventigste, zesenzeventigste, zevenenzeventigste, tachtigste en eenentachtigste lid van dit artikel worden ook toegepast op de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, met hetzelfde werkzaam bestanddeel, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, na 1 maart 2021, op het ogenblik van hun inschrijving in de voornoemde lijst, voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Op 1 april 2021, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroepen I.10.1, I.10.2, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 en XXII, worden de prijzen en vergoedingsbasissen van biologische geneesmiddelen, zoals gedefinieerd door de Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en farmaceutische specialiteiten, vergund overeenkomstig het artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen die hetzelfde of dezelfde werkzame bestanddelen bevat, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, waarvoor een nieuwe prijs en vergoedingsbasis vastgelegd werd voor 1 april 2021, overeenkomstig de bepalingen van artikel 30, § 3, derde en vierde lid van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen, verminderd met:
- 2,38 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 1,5 miljoen euro en minder dan 10 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 2,70 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 10 miljoen euro en minder dan 20 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 3,01 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 20 miljoen euro en minder dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 3,66 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 30 miljoen euro en minder dan 40 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 4,32 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 40 miljoen euro en minder dan 50 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 5,01 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 50 miljoen euro en minder dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 5,71 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 60 miljoen euro en minder dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019,
- 6,44 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel (of de combinatie van werkzame bestanddelen) een gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of meer dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2019.
Het gecorrigeerd jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in voorgaand lid, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verminderd met 17 %.
De verlagingen bedoeld in de tachtigste en eenentachtigste leden zijn niet van toepassing op de biologische geneesmiddelen, zoals gedefinieerd door de Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik waarvan, op 1 april 2021, elk werkzaam bestanddeel verschijnt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was:
1° en waarvan de aanvrager heeft aangetoond dat de prijs en de vergoedingsbasis (niveau buiten bedrijf), berekend per eenheid, per vorm en per sterkte van het werkzaam bestanddeel (of combinatie van werkzame bestanddelen), van toepassing op 1 maart 2021, reeds lager of gelijk zijn aan de laagste buiten bedrijf prijs voor dezelfde farmaceutische specialiteit, van toepassing op 1 maart 2021, berekend per eenheid, per vorm en per sterkte van het werkzame bestanddeel (of combinatie van werkzame bestanddelen) binnen het geheel van de Europese landen vermeld in artikel 72bis, § 1, 8°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994,
2° en waarvoor er op de Belgische markt geen vergoedbare farmaceutische specialiteiten bestaan, vergund overeenkomstig het artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen of vergoedbare biologische geneesmiddelen die in wezen dezelfde biologische stof zijn als de referentie - biologische geneesmiddelen.
Indien ten gevolge van een vermindering in uitvoering van het tachtigste lid en eenentachtigste lid, de buiten bedrijf prijs berekend per eenheid, per vorm en per sterkte van het werkzaam bestanddeel (of combinatie van werkzame bestanddelen), lager wordt dan de laagste buiten bedrijf prijs van het geheel van de prijzen vermeld in het vorige lid, wordt de daling begrensd tot deze laagste prijs.
De bepalingen van de tachtigste en eenentachtigste leden en van de tweeëntachtigste en drieëntachtigste leden mogen niet toegepast worden op eenzelfde specialiteit.
De bepalingen van de tachtigste en eenentachtigste leden en van de vijfentachtigste en zesentachtigste leden mogen niet toegepast worden op eenzelfde specialiteit.
Voor de specialiteiten bedoeld in het tachtigste, eenentachtigste, tweeëntachtigste, drieëntachtigste, vijfentachtigste of zesentachtigste lid kunnen de aanvragers kiezen om, op 1 april 2021, de specialiteit van rechtswege en zonder rekening te houden met de procedures bepaald in artikel 35bis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, te schrappen uit de lijst van vergoedbare specialiteiten.";
2° het vroegere drieënzeventigste lid wordt vervangen als volgt:
"Een uitzondering op de toepassing van het derde, zesde, tiende, veertiende, vijftiende, tweeëntwintigste, drieëntwintigste, negenenveertigste, vijftigste, eenenvijftigste, tweeënvijftigste, drieënvijftigste, vierenvijftigste, zeventigste, eenenzeventigste, tweeënzeventigste, drieenzeventigste, vierenzeventigste, vijfenzeventigste, zesenzeventigste, of zevenenzeventigste lid wordt eveneens verleend aan de farmaceutische specialiteiten die in de loop van de vijf jaar voorafgaand aan de eerste dag van het semester tijdens hetwelk de twaalf jaar, bedoeld in de hiervoor vermelde leden, werden bereikt, werden toegelaten tot terugbetaling als klasse 1, overeenkomstig artikel 35bis, § 2, van de voormelde gecoördineerde wet.";
3° het vroegere vierenzeventigste lid wordt vervangen als volgt:
"De uitzondering op de toepassing van het derde, zesde, tiende, veertiende, vijftiende, tweeëntwintigste, drieëntwintigste, negenenveertigste, vijftigste, eenenvijftigste, tweeënvijftigste, drieënvijftigste, vierenvijftigste, zeventigste, eenenzeventigste, tweeënzeventigste, drieenzeventigste, vierenzeventigste, vijfenzeventigste, zesenzeventigste, of zevenenzeventigste lid wordt toegekend, wat betreft het voorgaande lid, tot de toelating tot terugbetaling van een specialiteit die hetzelfde actief bestanddeel bevat, dezelfde toedieningsvorm heeft en een vergoedingsbasis die, op het ogenblik van zijn opname, ten minste 16 pct. lager is of was ten opzichte van de vergoedingsbasis van de specialiteit die van deze uitzondering geniet, of tot een beslissing genomen in het kader van een individuele herziening die vaststelt dat de specialiteit die van deze uitzondering geniet geen aangetoonde therapeutische meerwaarde heeft ten opzichte van de bestaande therapeutische alternatieven, en maximum voor een duur van 6 jaar.";
4° het vroegere negenenzeventigste lid wordt vervangen als volgt:
"Een uitzondering op de toepassing van het tiende, elfde, twaalfde, dertiende, veertiende, vijftiende, zestiende, zeventiende, tweeëntwintigste, drieëntwintigste, vierentwintigste, vijfentwintigste, achtentwintigste, negenentwintigste, dertigste, eenendertigste, tweeëndertigste, drieëndertigste, vierendertigste, vijfendertigste, negenenveertigste, vijftigste, eenenvijftigste, tweeënvijftigste, drieënvijftigste, vierenvijftigste, zeventigste, eenenzeventigste, tweeenzeventigste, drieenzeventigste, vierenzeventigste, vijfenzeventigste, zesenzeventigste, of zevenenzeventigste lid wordt eveneens verleend aan de in artikel 34, eerste lid, 5°, e), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bedoelde medische zuurstof.".
Art. 32. Dans l'article 69 de la loi du 27 avril 2005 relative à la maîtrise du budget des soins de santé et portant diverses dispositions en matière de santé, modifié en dernier lieu par la loi du 4 mai 2020, les modifications suivantes sont apportées:
1° 22 alinéas sont insérés entre les alinéas 69 et 70, rédigés comme suit:
"Au 1er avril 2021, les prix et les bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, dont, dans le courant du trimestre précédent, chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans, sont diminués de:
- 19,75 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé inférieur à 1,5 millions d'euros en 2019,
- 25,44 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 1,5 millions d'euros et inférieur à 10 millions d'euros en 2019,
- 26,15 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 10 millions d'euros et inférieur à 20 millions d'euros en 2019,
- 26,85 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 20 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros en 2019,
- 28,27 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 30 millions d'euros et inférieur à 40 millions d'euros en 2019,
- 29,69 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 40 millions d'euros et inférieur à 50 millions d'euros en 2019,
- 31,12 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 50 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros en 2019,
- 32,54 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 60 millions d'euros et inférieur à 70 millions d'euros en 2019,
- 33,97 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 70 millions d'euros en 2019,
à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 et XXII, pour autant que les dispositions du présent article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Le chiffre d'affaires annuel corrigé dont mention à l'alinéa précédent, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, diminué de 17 %.
Au 1er juillet 2021 et au 1er octobre 2021, les prix et les bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, dont, dans le courant du trimestre précédent, chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans, sont diminués de:
- 19,75 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé inférieur à 1,5 millions d'euros en 2020,
- 25,44 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 1,5 millions d'euros et inférieur à 10 millions d'euros en 2020,
- 26,15 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 10 millions d'euros et inférieur à 20 millions d'euros en 2020,
- 26,85 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 20 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros en 2020,
- 28,27 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 30 millions d'euros et inférieur à 40 millions d'euros en 2020,
- 29,69 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 40 millions d'euros et inférieur à 50 millions d'euros en 2020,
- 31,12 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 50 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros en 2020,
- 32,54 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 60 millions d'euros et inférieur à 70 millions d'euros en 2020,
- 33,97 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 70 millions d'euros en 2020,
à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 et XXII, pour autant que les dispositions du présent article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Le chiffre d'affaires annuel corrigé dont mention à l'alinéa précédent, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, diminué de 17 %.
A partir du 1er janvier 2022, à chaque 1er janvier et 1er avril de l'année "t", les prix et les bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, dont, dans le courant du trimestre précédent, chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans, sont diminués de:
- 19,75 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé inférieur à 1,5 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 25,44 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 1,5 millions d'euros et inférieur à 10 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 26,15 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 10 millions d'euros et inférieur à 20 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 26,85 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 20 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 28,27 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 30 millions d'euros et inférieur à 40 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 29,69 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 40 millions d'euros et inférieur à 50 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 31,12 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 50 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 32,54 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 60 millions d'euros et inférieur à 70 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 33,97 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 70 millions d'euros pendant l'année "t-2",
à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 et XXII, pour autant que les dispositions du présent article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Le chiffre d'affaires annuel corrigé dont mention à l'alinéa précédent, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, diminué de 17 %.
A partir de 2022, à chaque 1er juillet et 1er octobre de l'année "t", les prix et les bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, dont, dans le courant du trimestre précédent, chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans, sont diminués de:
- 19,75 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé inférieur à 1,5 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 25,44 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 1,5 millions d'euros et inférieur à 10 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 26,15 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 10 millions d'euros et inférieur à 20 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 26,85 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 20 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 28,27 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 30 millions d'euros et inférieur à 40 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 29,69 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 40 millions d'euros et inférieur à 50 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 31,12 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 50 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 32,54 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 60 millions d'euros et inférieur à 70 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 33,97 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 70 millions d'euros pendant l'année "t-1",
à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 et XXII, pour autant que les dispositions du présent article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Le chiffre d'affaires annuel corrigé dont mention à l'alinéa précédent, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, diminué de 17 %.
Au 1er avril 2021, et ensuite chaque 1er janvier, 1er avril, 1er juillet et 1er octobre, les prix et bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, pour lesquelles un nouveau prix et une nouvelle base de remboursement sont fixés, conformément aux dispositions de l'article 35ter ou 35quater de la même loi, à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 et XXII et à l'exception des spécialités pour lesquelles l'article 35ter, § 1erbis, § 2 ou § 2bis, de la même loi, est d'application, sont diminués conformément aux dispositions des alinéas 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76 ou 77 du présent article, pour autant que les dispositions du présent article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Au 1er avril 2021 et ensuite à chaque 1er janvier, 1er avril, 1er juillet et 1er octobre, les prix et bases de remboursement des médicaments biologiques, tels qu'ils sont définis par la Directive 2001/83/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 novembre 2001 instituant un code communautaire relatif aux médicaments à usage humain, pour lesquels un nouveau prix et une nouvelle base de remboursement ont été fixés, conformément aux alinéas 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76 ou 77, du présent article, sont également diminués conformément aux dispositions de l'article 30, § 2, alinéa 3, de la loi du 30 juillet 2013 portant des dispositions diverses.
Au 1er avril 2021, à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 et XXII, les prix et les bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, dont le prix et la base de remboursement ont été diminués conformément aux dispositions des alinéas 2, 6 b), 11, 16, 17, 24, 25, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 59 ou 60 avant le 1er avril 2021, sont diminués de:
- 2,38 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 1,5 millions d'euros et inférieur à 10 millions d'euros en 2019,
- 2,70 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 10 millions d'euros et inférieur à 20 millions d'euros en 2019,
- 3,01 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 20 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros en 2019,
- 3,66 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 30 millions d'euros et inférieur à 40 millions d'euros en 2019,
- 4,32 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 40 millions d'euros et inférieur à 50 millions d'euros en 2019,
- 5,01 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 50 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros en 2019,
- 5,71 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 60 millions d'euros et inférieur à 70 millions d'euros en 2019,
- 6,44 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 70 millions d'euros en 2019.
Le chiffre d'affaires annuel corrigé dont mention à l'alinéa précédent, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, diminué de 17 %.
Au 1er avril 2021, à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 et XXII, les prix et bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, pour lesquelles un nouveau prix et une nouvelle base de remboursement ont été ou sont fixés avant le 1er avril 2021, conformément aux dispositions de l'article 35ter ou 35quater, et des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, sont diminués de:
- 2,38 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 1,5 millions d'euros et inférieur à 10 millions d'euros en 2019,
- 2,70 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 10 millions d'euros et inférieur à 20 millions d'euros en 2019,
- 3,01 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 20 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros en 2019,
- 3,66 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 30 millions d'euros et inférieur à 40 millions d'euros en 2019,
- 4,32 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 40 millions d'euros et inférieur à 50 millions d'euros en 2019,
- 5,01 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 50 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros en 2019,
- 5,71 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 60 millions d'euros et inférieur à 70 millions d'euros en 2019,
- 6,44 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 70 millions d'euros en 2019.
Le chiffre d'affaires annuel corrigé dont mention à l'alinéa précédent, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, diminué de 17 %.
Les dispositions des alinéas 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 80 et 81, du présent article, sont également appliquées aux spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, contenant le même principe actif, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, après le 1er mars 2021, au moment de leur inscription sur ladite liste, pour autant que les dispositions dudit article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Au 1er avril 2021, à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 et XXII, les prix et bases de remboursement des médicaments biologiques, tels qu'ils sont définis par la Directive 2001/83/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 novembre 2001 instituant un code communautaire relatif aux médicaments à usage humain et les spécialités pharmaceutiques autorisées conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant le même principe actif ou les mêmes principes actifs, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, pour lesquelles un nouveau prix et une nouvelle base de remboursement ont été fixés avant le 1er avril 2021, conformément aux dispositions de l'article 30, § 3, alinéas 3 et 4, de la loi du 30 juillet 2013 portant des dispositions diverses, sont diminués de:
- 2,38 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 1,5 millions d'euros et inférieur à 10 millions d'euros en 2019,
- 2,70 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 10 millions d'euros et inférieur à 20 millions d'euros en 2019,
- 3,01 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 20 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros en 2019,
- 3,66 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 30 millions d'euros et inférieur à 40 millions d'euros en 2019,
- 4,32 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 40 millions d'euros et inférieur à 50 millions d'euros en 2019,
- 5,01 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 50 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros en 2019,
- 5,71 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 60 millions d'euros et inférieur à 70 millions d'euros en 2019,
- 6,44 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 70 millions d'euros en 2019.
Le chiffre d'affaires annuel corrigé dont mention à l'alinéa précédent, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, diminué de 17 %.
Les réductions visées aux alinéas 80 et 81 ne s'appliquent pas aux médicaments biologiques, tels qu'ils sont définis par la Directive 2001/83/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 novembre 2001 instituant un code communautaire relatif aux médicaments à usage humain dont, au 1er avril 2021, chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans:
1° et pour lesquelles le demandeur a démontré que le prix et la base de remboursement (niveau ex usine) calculé par unité, par forme et par dosage du principe actif (ou combinaison de principes actifs) qui sont d'application au 1er mars 2021, sont déjà inférieurs ou égaux au prix ex usine le plus bas pour la même spécialité pharmaceutique, calculé par unité, par forme et par dosage du principe actif (ou combinaison de principes actifs), qui est d'application au 1er mars 2021 dans l'ensemble des pays européens mentionnés à l'article 72bis, § 1er, 8°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994,
2° et pour lesquelles il n'existe pas pour le marché belge de spécialité pharmaceutique remboursable autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments ou de médicament biologique remboursable qui soient essentiellement la même substance biologique que le médicament biologique de référence.
Si suite à une diminution en exécution de l'alinéa 80 et de l'alinéa 81, le prix ex usine, calculé par unité, par forme et par dosage du principe actif (ou combinaison de principes actifs), devient inférieur au prix ex usine le plus bas de l'ensemble des prix mentionnés à l'alinéa précédent, la diminution est limité à ce prix plancher.
Les dispositions des alinéas 80 et 81 et des alinéas 82 et 83 ne peuvent pas être appliquées à une même spécialité.
Les dispositions des alinéas 80 et 81 et des alinéas 85 et 86 ne peuvent pas être appliquées à une même spécialité.
Pour les spécialités concernées par l'application des dispositions des alinéas 80, 81, 82, 83, 85 ou 86, les demandeurs peuvent opter pour supprimer de plein droit la spécialité de la liste des spécialités remboursables au 1er avril 2021 et sans tenir compte des procédures fixées dans l'article 35bis de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994.";
2° l'ancien alinéa 73 est remplacé par ce qui suit:
"Une exception à l'application des alinéas 3, 6, 10, 14, 15, 22, 23, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76 ou 77 est par ailleurs accordée aux spécialités pharmaceutiques qui, au cours des cinq années qui ont précédé le 1er jour du semestre au cours duquel les douze ans visés aux alinéas précédemment cités ont été atteints, ont été admises au remboursement en tant que classe 1, conformément à l'article 35bis, § 2, de la loi coordonnée susvisée.";
3° l'ancien alinéa 74 est remplacé par ce qui suit:
"L'exception à l'application des alinéas 3, 6, 10, 14, 15, 22, 23, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76 ou 77 est octroyée, en ce qui concerne l'alinéa précèdent, jusqu'à l'admission au remboursement d'une spécialité qui contient le même principe actif, a la même forme d'administration et a une base de remboursement qui est ou était, au moment de son admission, inférieure d'au moins 16 p.c. par rapport à la base de remboursement de la spécialité qui bénéficie de la présente exception, ou jusqu'à une décision prise dans la cadre d'une révision individuelle qui établit que la spécialité qui bénéficie de la présente exception n'a pas une plus-value thérapeutique démontrée par rapport aux alternatives thérapeutiques existantes, et au maximum pour une durée de 6 ans.";
4° l'ancien alinéa 79 est remplacé par ce qui suit:
"Une exception à l'application des alinéas 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 22, 23, 24, 25, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76 ou 77 est également accordée à l'oxygène médical visé à l'article 34, alinéa 1er, 5°, e), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.".
1° 22 alinéas sont insérés entre les alinéas 69 et 70, rédigés comme suit:
"Au 1er avril 2021, les prix et les bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, dont, dans le courant du trimestre précédent, chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans, sont diminués de:
- 19,75 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé inférieur à 1,5 millions d'euros en 2019,
- 25,44 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 1,5 millions d'euros et inférieur à 10 millions d'euros en 2019,
- 26,15 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 10 millions d'euros et inférieur à 20 millions d'euros en 2019,
- 26,85 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 20 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros en 2019,
- 28,27 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 30 millions d'euros et inférieur à 40 millions d'euros en 2019,
- 29,69 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 40 millions d'euros et inférieur à 50 millions d'euros en 2019,
- 31,12 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 50 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros en 2019,
- 32,54 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 60 millions d'euros et inférieur à 70 millions d'euros en 2019,
- 33,97 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 70 millions d'euros en 2019,
à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 et XXII, pour autant que les dispositions du présent article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Le chiffre d'affaires annuel corrigé dont mention à l'alinéa précédent, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, diminué de 17 %.
Au 1er juillet 2021 et au 1er octobre 2021, les prix et les bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, dont, dans le courant du trimestre précédent, chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans, sont diminués de:
- 19,75 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé inférieur à 1,5 millions d'euros en 2020,
- 25,44 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 1,5 millions d'euros et inférieur à 10 millions d'euros en 2020,
- 26,15 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 10 millions d'euros et inférieur à 20 millions d'euros en 2020,
- 26,85 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 20 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros en 2020,
- 28,27 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 30 millions d'euros et inférieur à 40 millions d'euros en 2020,
- 29,69 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 40 millions d'euros et inférieur à 50 millions d'euros en 2020,
- 31,12 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 50 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros en 2020,
- 32,54 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 60 millions d'euros et inférieur à 70 millions d'euros en 2020,
- 33,97 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 70 millions d'euros en 2020,
à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 et XXII, pour autant que les dispositions du présent article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Le chiffre d'affaires annuel corrigé dont mention à l'alinéa précédent, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, diminué de 17 %.
A partir du 1er janvier 2022, à chaque 1er janvier et 1er avril de l'année "t", les prix et les bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, dont, dans le courant du trimestre précédent, chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans, sont diminués de:
- 19,75 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé inférieur à 1,5 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 25,44 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 1,5 millions d'euros et inférieur à 10 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 26,15 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 10 millions d'euros et inférieur à 20 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 26,85 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 20 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 28,27 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 30 millions d'euros et inférieur à 40 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 29,69 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 40 millions d'euros et inférieur à 50 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 31,12 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 50 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 32,54 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 60 millions d'euros et inférieur à 70 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 33,97 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 70 millions d'euros pendant l'année "t-2",
à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 et XXII, pour autant que les dispositions du présent article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Le chiffre d'affaires annuel corrigé dont mention à l'alinéa précédent, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, diminué de 17 %.
A partir de 2022, à chaque 1er juillet et 1er octobre de l'année "t", les prix et les bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, dont, dans le courant du trimestre précédent, chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans, sont diminués de:
- 19,75 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé inférieur à 1,5 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 25,44 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 1,5 millions d'euros et inférieur à 10 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 26,15 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 10 millions d'euros et inférieur à 20 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 26,85 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 20 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 28,27 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 30 millions d'euros et inférieur à 40 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 29,69 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 40 millions d'euros et inférieur à 50 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 31,12 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 50 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 32,54 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 60 millions d'euros et inférieur à 70 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 33,97 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires annuel corrigé égal à ou supérieur à 70 millions d'euros pendant l'année "t-1",
à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 et XXII, pour autant que les dispositions du présent article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Le chiffre d'affaires annuel corrigé dont mention à l'alinéa précédent, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, diminué de 17 %.
Au 1er avril 2021, et ensuite chaque 1er janvier, 1er avril, 1er juillet et 1er octobre, les prix et bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, pour lesquelles un nouveau prix et une nouvelle base de remboursement sont fixés, conformément aux dispositions de l'article 35ter ou 35quater de la même loi, à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 et XXII et à l'exception des spécialités pour lesquelles l'article 35ter, § 1erbis, § 2 ou § 2bis, de la même loi, est d'application, sont diminués conformément aux dispositions des alinéas 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76 ou 77 du présent article, pour autant que les dispositions du présent article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Au 1er avril 2021 et ensuite à chaque 1er janvier, 1er avril, 1er juillet et 1er octobre, les prix et bases de remboursement des médicaments biologiques, tels qu'ils sont définis par la Directive 2001/83/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 novembre 2001 instituant un code communautaire relatif aux médicaments à usage humain, pour lesquels un nouveau prix et une nouvelle base de remboursement ont été fixés, conformément aux alinéas 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76 ou 77, du présent article, sont également diminués conformément aux dispositions de l'article 30, § 2, alinéa 3, de la loi du 30 juillet 2013 portant des dispositions diverses.
Au 1er avril 2021, à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 et XXII, les prix et les bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, dont le prix et la base de remboursement ont été diminués conformément aux dispositions des alinéas 2, 6 b), 11, 16, 17, 24, 25, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 59 ou 60 avant le 1er avril 2021, sont diminués de:
- 2,38 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 1,5 millions d'euros et inférieur à 10 millions d'euros en 2019,
- 2,70 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 10 millions d'euros et inférieur à 20 millions d'euros en 2019,
- 3,01 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 20 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros en 2019,
- 3,66 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 30 millions d'euros et inférieur à 40 millions d'euros en 2019,
- 4,32 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 40 millions d'euros et inférieur à 50 millions d'euros en 2019,
- 5,01 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 50 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros en 2019,
- 5,71 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 60 millions d'euros et inférieur à 70 millions d'euros en 2019,
- 6,44 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 70 millions d'euros en 2019.
Le chiffre d'affaires annuel corrigé dont mention à l'alinéa précédent, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, diminué de 17 %.
Au 1er avril 2021, à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.6.3, V.6.4, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 et XXII, les prix et bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, pour lesquelles un nouveau prix et une nouvelle base de remboursement ont été ou sont fixés avant le 1er avril 2021, conformément aux dispositions de l'article 35ter ou 35quater, et des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, sont diminués de:
- 2,38 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 1,5 millions d'euros et inférieur à 10 millions d'euros en 2019,
- 2,70 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 10 millions d'euros et inférieur à 20 millions d'euros en 2019,
- 3,01 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 20 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros en 2019,
- 3,66 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 30 millions d'euros et inférieur à 40 millions d'euros en 2019,
- 4,32 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 40 millions d'euros et inférieur à 50 millions d'euros en 2019,
- 5,01 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 50 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros en 2019,
- 5,71 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 60 millions d'euros et inférieur à 70 millions d'euros en 2019,
- 6,44 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 70 millions d'euros en 2019.
Le chiffre d'affaires annuel corrigé dont mention à l'alinéa précédent, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, diminué de 17 %.
Les dispositions des alinéas 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 80 et 81, du présent article, sont également appliquées aux spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, contenant le même principe actif, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la même loi, après le 1er mars 2021, au moment de leur inscription sur ladite liste, pour autant que les dispositions dudit article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Au 1er avril 2021, à l'exception des spécialités reprises dans les groupes de remboursement I.10.1, I.10.2, V.8.1, V.8.7, VII.9, VII.10 et XXII, les prix et bases de remboursement des médicaments biologiques, tels qu'ils sont définis par la Directive 2001/83/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 novembre 2001 instituant un code communautaire relatif aux médicaments à usage humain et les spécialités pharmaceutiques autorisées conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant le même principe actif ou les mêmes principes actifs, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, pour lesquelles un nouveau prix et une nouvelle base de remboursement ont été fixés avant le 1er avril 2021, conformément aux dispositions de l'article 30, § 3, alinéas 3 et 4, de la loi du 30 juillet 2013 portant des dispositions diverses, sont diminués de:
- 2,38 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 1,5 millions d'euros et inférieur à 10 millions d'euros en 2019,
- 2,70 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 10 millions d'euros et inférieur à 20 millions d'euros en 2019,
- 3,01 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 20 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros en 2019,
- 3,66 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 30 millions d'euros et inférieur à 40 millions d'euros en 2019,
- 4,32 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 40 millions d'euros et inférieur à 50 millions d'euros en 2019,
- 5,01 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 50 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros en 2019,
- 5,71 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 60 millions d'euros et inférieur à 70 millions d'euros en 2019,
- 6,44 % si ledit principe actif (ou la combinaison de principes actifs) a généré un chiffre d'affaires corrigé annuel égal à ou supérieur à 70 millions d'euros en 2019.
Le chiffre d'affaires annuel corrigé dont mention à l'alinéa précédent, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, diminué de 17 %.
Les réductions visées aux alinéas 80 et 81 ne s'appliquent pas aux médicaments biologiques, tels qu'ils sont définis par la Directive 2001/83/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 novembre 2001 instituant un code communautaire relatif aux médicaments à usage humain dont, au 1er avril 2021, chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans:
1° et pour lesquelles le demandeur a démontré que le prix et la base de remboursement (niveau ex usine) calculé par unité, par forme et par dosage du principe actif (ou combinaison de principes actifs) qui sont d'application au 1er mars 2021, sont déjà inférieurs ou égaux au prix ex usine le plus bas pour la même spécialité pharmaceutique, calculé par unité, par forme et par dosage du principe actif (ou combinaison de principes actifs), qui est d'application au 1er mars 2021 dans l'ensemble des pays européens mentionnés à l'article 72bis, § 1er, 8°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994,
2° et pour lesquelles il n'existe pas pour le marché belge de spécialité pharmaceutique remboursable autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments ou de médicament biologique remboursable qui soient essentiellement la même substance biologique que le médicament biologique de référence.
Si suite à une diminution en exécution de l'alinéa 80 et de l'alinéa 81, le prix ex usine, calculé par unité, par forme et par dosage du principe actif (ou combinaison de principes actifs), devient inférieur au prix ex usine le plus bas de l'ensemble des prix mentionnés à l'alinéa précédent, la diminution est limité à ce prix plancher.
Les dispositions des alinéas 80 et 81 et des alinéas 82 et 83 ne peuvent pas être appliquées à une même spécialité.
Les dispositions des alinéas 80 et 81 et des alinéas 85 et 86 ne peuvent pas être appliquées à une même spécialité.
Pour les spécialités concernées par l'application des dispositions des alinéas 80, 81, 82, 83, 85 ou 86, les demandeurs peuvent opter pour supprimer de plein droit la spécialité de la liste des spécialités remboursables au 1er avril 2021 et sans tenir compte des procédures fixées dans l'article 35bis de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994.";
2° l'ancien alinéa 73 est remplacé par ce qui suit:
"Une exception à l'application des alinéas 3, 6, 10, 14, 15, 22, 23, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76 ou 77 est par ailleurs accordée aux spécialités pharmaceutiques qui, au cours des cinq années qui ont précédé le 1er jour du semestre au cours duquel les douze ans visés aux alinéas précédemment cités ont été atteints, ont été admises au remboursement en tant que classe 1, conformément à l'article 35bis, § 2, de la loi coordonnée susvisée.";
3° l'ancien alinéa 74 est remplacé par ce qui suit:
"L'exception à l'application des alinéas 3, 6, 10, 14, 15, 22, 23, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76 ou 77 est octroyée, en ce qui concerne l'alinéa précèdent, jusqu'à l'admission au remboursement d'une spécialité qui contient le même principe actif, a la même forme d'administration et a une base de remboursement qui est ou était, au moment de son admission, inférieure d'au moins 16 p.c. par rapport à la base de remboursement de la spécialité qui bénéficie de la présente exception, ou jusqu'à une décision prise dans la cadre d'une révision individuelle qui établit que la spécialité qui bénéficie de la présente exception n'a pas une plus-value thérapeutique démontrée par rapport aux alternatives thérapeutiques existantes, et au maximum pour une durée de 6 ans.";
4° l'ancien alinéa 79 est remplacé par ce qui suit:
"Une exception à l'application des alinéas 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 22, 23, 24, 25, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76 ou 77 est également accordée à l'oxygène médical visé à l'article 34, alinéa 1er, 5°, e), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 30 juillet 2013 portant des dispositions diverses
Enige afdeling. - Oude geneesmiddelen
Section unique. - Vieux médicaments
Art. 33. In artikel 30 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de Franse tekst van paragraaf 3, zevende lid, worden de woorden "Au 1er juillet 2020 et au 1er octobre" vervangen door de woorden "Au 1er juillet 2020 et au 1er octobre 2020";
2° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Op 1 april 2021, 1 juli 2021 en op 1 oktober 2021 en vervolgens telkens op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van elk jaar, worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de biologische geneesmiddelen, zoals gedefinieerd door de richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de farmaceutische specialiteiten, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die hetzelfde werkzaam bestanddeel of dezelfde werkzame bestanddelen bevatten, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 35bis, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, waarvoor overeenkomstig de bepalingen van het zesde lid een nieuwe prijs en vergoedingsbasis vastgesteld wordt, gelijktijdig verminderd volgens de bepalingen van het zeventigste, eenenzeventigste, tweeënzeventigste, drieënzeventigste, vierenzeventigste, vijfenzeventigste, zesenzeventigste en zevenenzeventigste lid van artikel 69 van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.".
1° in de Franse tekst van paragraaf 3, zevende lid, worden de woorden "Au 1er juillet 2020 et au 1er octobre" vervangen door de woorden "Au 1er juillet 2020 et au 1er octobre 2020";
2° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Op 1 april 2021, 1 juli 2021 en op 1 oktober 2021 en vervolgens telkens op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van elk jaar, worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de biologische geneesmiddelen, zoals gedefinieerd door de richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de farmaceutische specialiteiten, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die hetzelfde werkzaam bestanddeel of dezelfde werkzame bestanddelen bevatten, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, V en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 35bis, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, waarvoor overeenkomstig de bepalingen van het zesde lid een nieuwe prijs en vergoedingsbasis vastgesteld wordt, gelijktijdig verminderd volgens de bepalingen van het zeventigste, eenenzeventigste, tweeënzeventigste, drieënzeventigste, vierenzeventigste, vijfenzeventigste, zesenzeventigste en zevenenzeventigste lid van artikel 69 van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.".
Art. 33. A l'article 30 de la loi du 30 juillet 2013 portant des dispositions diverses, modifié en dernier lieu par la loi du 4 mai 2020, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 3, alinéa 7, les mots "Au 1er juillet 2020 et au 1er octobre" sont remplacés par les mots "Au 1er juillet 2020 et au 1er octobre 2020";
2° le paragraphe 3 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Au 1er avril 2021, au 1er juillet 2021 et au 1er octobre 2021 et ensuite, chaque 1er janvier, 1er avril, 1er juillet et 1er octobre de chaque année, les prix et bases de remboursement des médicaments biologiques, tels qu'ils sont définis par la directive 2001/83/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 novembre 2001 instituant un code communautaire relatif aux médicaments à usage humain et les spécialités pharmaceutiques autorisées conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant le même principe actif ou les mêmes principes actifs, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de l'article 35bis, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, pour lesquelles un nouveau prix et une nouvelle base de remboursement sont fixés, conformément aux dispositions de l'alinéa 6, sont diminués simultanément conformément aux dispositions des alinéas 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76 et 77 de l'article 69 de la loi relative à la maîtrise du budget des soins de santé et portant diverses dispositions en matière de santé, coordonnée le 27 avril 2005, pour autant que les dispositions dudit article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.".
1° dans le paragraphe 3, alinéa 7, les mots "Au 1er juillet 2020 et au 1er octobre" sont remplacés par les mots "Au 1er juillet 2020 et au 1er octobre 2020";
2° le paragraphe 3 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Au 1er avril 2021, au 1er juillet 2021 et au 1er octobre 2021 et ensuite, chaque 1er janvier, 1er avril, 1er juillet et 1er octobre de chaque année, les prix et bases de remboursement des médicaments biologiques, tels qu'ils sont définis par la directive 2001/83/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 novembre 2001 instituant un code communautaire relatif aux médicaments à usage humain et les spécialités pharmaceutiques autorisées conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant le même principe actif ou les mêmes principes actifs, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, V et VIII de l'article 35bis, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, pour lesquelles un nouveau prix et une nouvelle base de remboursement sont fixés, conformément aux dispositions de l'alinéa 6, sont diminués simultanément conformément aux dispositions des alinéas 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76 et 77 de l'article 69 de la loi relative à la maîtrise du budget des soins de santé et portant diverses dispositions en matière de santé, coordonnée le 27 avril 2005, pour autant que les dispositions dudit article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
CHAPITRE 4. - Modifications de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'agence fédérale des médicaments et des produits de santé
Art. 34. Artikel 14/19 van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
" § 2. In afwijking van paragraaf 1, worden de in dit artikel bedoelde bedragen van rechtswege geïndexeerd voor het resterende deel van het jaar waarin de corresponderende bijdrage, heffing of retributie voor het eerst verschuldigd is:
1° nadat de bijdrage, heffing of retributie werd ingevoerd of gewijzigd bij de wet;
2° nadat het bedrag aangepast werd krachtens artikel 14/16.
Het Agentschap maakt de geïndexeerde bedragen bekend in het Belgisch Staatsblad binnen een termijn van één maand die aanvangt de dag dat de aanpassing, wijziging of invoering bedoeld in het eerste lid, van kracht wordt.".
" § 2. In afwijking van paragraaf 1, worden de in dit artikel bedoelde bedragen van rechtswege geïndexeerd voor het resterende deel van het jaar waarin de corresponderende bijdrage, heffing of retributie voor het eerst verschuldigd is:
1° nadat de bijdrage, heffing of retributie werd ingevoerd of gewijzigd bij de wet;
2° nadat het bedrag aangepast werd krachtens artikel 14/16.
Het Agentschap maakt de geïndexeerde bedragen bekend in het Belgisch Staatsblad binnen een termijn van één maand die aanvangt de dag dat de aanpassing, wijziging of invoering bedoeld in het eerste lid, van kracht wordt.".
Art. 34. L'article 14/19 de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit:
" § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les montants visés au présent article sont indexés de plein droit pour le reste de l'année au cours de laquelle la contribution, redevance ou la rétribution correspondante est due pour la première fois:
1° après que la contribution, redevance ou la rétribution a été introduite ou modifiée par la loi;
2° après que le montant a été adapté en vertu de l'article 14/16.
L'Agence publie les montants indexés au Moniteur belge dans un délai d'un mois à compter du jour où l'adaptation, la modification ou l'introduction visée au premier alinéa entre en vigueur.".
" § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les montants visés au présent article sont indexés de plein droit pour le reste de l'année au cours de laquelle la contribution, redevance ou la rétribution correspondante est due pour la première fois:
1° après que la contribution, redevance ou la rétribution a été introduite ou modifiée par la loi;
2° après que le montant a été adapté en vertu de l'article 14/16.
L'Agence publie les montants indexés au Moniteur belge dans un délai d'un mois à compter du jour où l'adaptation, la modification ou l'introduction visée au premier alinéa entre en vigueur.".
Art. 35. In bijlage V van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, ingevoegd bij de wet van 11 maart 2018 en gewijzigd bij de wet van 7 april 2019, worden in de tweede tabel, in de derde kolom van de tweede rij, de woorden "2 300 EUR/dag per inspecteur" vervangen door de woorden "3 162,00 EUR/dag ter plaatse per inspecteur".
Art. 35. A l'annexe V de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé, insérée par la loi du 11 mars 2018 et modifiée par la loi du 7 avril 2019, dans le deuxième tableau, dans la troisième colonne de la deuxième ligne, les mots "2 300 EUR/jour et par inspecteur" sont remplacés par les mots "3 162,00 EUR/jour sur place et par inspecteur".
Art. 36. In bijlage VII van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 maart 2018 en vervangen bij de wet van 7 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in Titel 1 worden in de Franse tekst de woorden "Montant si invalidation ou retrait par le demandeur lors de la validation" telkens vervangen door de woorden "Montant en cas d'irrecevabilité ou de retrait par le demandeur lors du contrôle de la recevabilité";
2° in Titel 1, Hoofdstuk 11, wordt het opschrift van Deel 1 aangevuld met de woorden "met betrekking tot geneesmiddelen";
3° in Titel 1, Hoofdstuk 11, worden de woorden "Bedrag bij weigering van validatie van de aanvraag door FAGG" vervangen door de woorden "Bedrag bij onontvankelijkheid of intrekking door de aanvrager tijdens het ontvankelijkheidsonderzoek";
4° de bepaling onder VII.1.13.1 wordt opgeheven;
5° de eerste kolom van de bepaling onder VII.1.16.2 wordt vervangen als volgt:
"Verificatie van het dossier, ingediend als aanvraag tot inschrijving van een natuurlijke persoon op de lijst van bevoegde personen (QP), evenals het daaropvolgende beheer van het dossier zoals het toekennen van een [afwijking om deze toe te laten de functie van bevoegde persoon uit te oefenen voor verschillende GMP bedrijven, bij toepassing of krachtens artikel 12bis van de wet op de geneesmiddelen (25 maart 1964).";
6° de bepaling onder VII.1.17.5 wordt opgeheven;
7° de bepaling onder VII.1.17.6 wordt opgeheven;
8° onder Titel 8 wordt onder het punt 1°, de eerste zin, die aanvangt met de woorden "Een herinspectie is" en eindigt met de woorden "zijn vastgesteld." vervangen als volgt:
"Een herinspectie is een inspectie die wordt uitgevoerd door een daartoe aangesteld inspecteur. Het betreft een bijkomende inspectie die nodig is nadat bij een vorige inspectie één of meerdere inbreuken op de wetgeving en/of tekortkoming(en) ten aanzien van de geldende reglementering en/of norm(en) zijn vastgesteld en die bovendien noodzakelijk is omdat één of meerdere tekortkomingen die werden vastgesteld onvoldoende werd(en) opgelost door de enkele indiening, door de geïnspecteerde partij, van een preventief en correctief actieplan overeenkomstig de reglementering en/of de norm.";
9° onder Titel 8 wordt onder het punt 1°, de tweede zin, die aanvangt met de woorden "De herinspectie is noodzakelijk" en eindigt met de woorden "onvoldoende werd(en) opgelost." vervangen als volgt:
"Afhankelijk van de aard van de vastgestelde inbreuk(en)/tekortkoming(en) en de impact voor de volksgezondheid zal de herinspectie betrekking hebben op de gehele initiële inspectie of een deel daarvan.";
10° in de derde kolom van de bepaling onder VII.8.1.1 worden de woorden "EUR 9 779,36 per herinspectie" vervangen door de woorden "EUR 3162,00 per dag ter plaatse per inspecteur";
11° in de derde kolom van de bepaling onder VII.8.1.2 worden de woorden "EUR 2 124,84 per herinspectie" vervangen door de woorden "EUR 2 412,00 per dag ter plaatse per inspecteur";
12° in de derde kolom van de bepaling onder VII.8.1.3 worden de woorden "EUR 4 572,86 per herinspectie" vervangen door de woorden "EUR 3 162,00 per dag ter plaatse per inspecteur";
13° in de derde kolom van de bepaling onder VII.8.1.4 worden de woorden "EUR 1 007,33 per herinspectie" vervangen door de woorden "EUR 1 612,00 EUR per dag ter plaatse per inspecteur";
14° in de derde kolom van de bepaling onder VII.8.1.5 worden de woorden "EUR 1 495,18 per herinspectie" vervangen door de woorden "EUR 2 412,00 per dag ter plaatse per inspecteur";
15° in de derde kolom van de bepaling onder VII.8.1.6 worden de woorden "EUR 1 160,01 per herinspectie" vervangen door de woorden "EUR 1 612,00 per dag ter plaatse per herinspecteur";
16° in de derde kolom van de bepaling onder VII.8.1.7 worden de woorden "EUR 1 983,03 per herinspectie vervangen door de woorden "EUR 1 612,00 per dag ter plaatse per inspecteur";
17° in de derde kolom van de bepaling onder VII.8.1.8 worden de woorden "EUR 3 634,96 per herinspectie" vervangen door de woorden "EUR 2 412,00 per dag ter plaatse per inspecteur";
18° de bepaling onder VII.8.1.9 wordt opgeheven;
19° de Titel 8 wordt aangevuld met de rijen gevoegd als bijlage II van deze wet;
20° een Titel 10 wordt ingevoegd, luidende: "Retributies voor de toepassing van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten";
21° in Titel 10, ingevoegd door de bepaling onder 20°, wordt een hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende "Aanvraag advies bij FAGG";
22° in Titel 10, Hoofdstuk 1, ingevoegd door de bepaling onder 21°, wordt een Deel 1 ingevoegd, luidende "Aanvraag van een wetenschappelijk, technisch of reglementair advies met betrekking tot gezondheidsproducten of combinatieproducten van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen";
23° in Titel 10, Hoofdstuk 1, Deel 1, ingevoegd door de bepaling onder 22°, wordt een tabel ingevoegd, zoals opgenomen in bijlage I bij deze wet.
1° in Titel 1 worden in de Franse tekst de woorden "Montant si invalidation ou retrait par le demandeur lors de la validation" telkens vervangen door de woorden "Montant en cas d'irrecevabilité ou de retrait par le demandeur lors du contrôle de la recevabilité";
2° in Titel 1, Hoofdstuk 11, wordt het opschrift van Deel 1 aangevuld met de woorden "met betrekking tot geneesmiddelen";
3° in Titel 1, Hoofdstuk 11, worden de woorden "Bedrag bij weigering van validatie van de aanvraag door FAGG" vervangen door de woorden "Bedrag bij onontvankelijkheid of intrekking door de aanvrager tijdens het ontvankelijkheidsonderzoek";
4° de bepaling onder VII.1.13.1 wordt opgeheven;
5° de eerste kolom van de bepaling onder VII.1.16.2 wordt vervangen als volgt:
"Verificatie van het dossier, ingediend als aanvraag tot inschrijving van een natuurlijke persoon op de lijst van bevoegde personen (QP), evenals het daaropvolgende beheer van het dossier zoals het toekennen van een [afwijking om deze toe te laten de functie van bevoegde persoon uit te oefenen voor verschillende GMP bedrijven, bij toepassing of krachtens artikel 12bis van de wet op de geneesmiddelen (25 maart 1964).";
6° de bepaling onder VII.1.17.5 wordt opgeheven;
7° de bepaling onder VII.1.17.6 wordt opgeheven;
8° onder Titel 8 wordt onder het punt 1°, de eerste zin, die aanvangt met de woorden "Een herinspectie is" en eindigt met de woorden "zijn vastgesteld." vervangen als volgt:
"Een herinspectie is een inspectie die wordt uitgevoerd door een daartoe aangesteld inspecteur. Het betreft een bijkomende inspectie die nodig is nadat bij een vorige inspectie één of meerdere inbreuken op de wetgeving en/of tekortkoming(en) ten aanzien van de geldende reglementering en/of norm(en) zijn vastgesteld en die bovendien noodzakelijk is omdat één of meerdere tekortkomingen die werden vastgesteld onvoldoende werd(en) opgelost door de enkele indiening, door de geïnspecteerde partij, van een preventief en correctief actieplan overeenkomstig de reglementering en/of de norm.";
9° onder Titel 8 wordt onder het punt 1°, de tweede zin, die aanvangt met de woorden "De herinspectie is noodzakelijk" en eindigt met de woorden "onvoldoende werd(en) opgelost." vervangen als volgt:
"Afhankelijk van de aard van de vastgestelde inbreuk(en)/tekortkoming(en) en de impact voor de volksgezondheid zal de herinspectie betrekking hebben op de gehele initiële inspectie of een deel daarvan.";
10° in de derde kolom van de bepaling onder VII.8.1.1 worden de woorden "EUR 9 779,36 per herinspectie" vervangen door de woorden "EUR 3162,00 per dag ter plaatse per inspecteur";
11° in de derde kolom van de bepaling onder VII.8.1.2 worden de woorden "EUR 2 124,84 per herinspectie" vervangen door de woorden "EUR 2 412,00 per dag ter plaatse per inspecteur";
12° in de derde kolom van de bepaling onder VII.8.1.3 worden de woorden "EUR 4 572,86 per herinspectie" vervangen door de woorden "EUR 3 162,00 per dag ter plaatse per inspecteur";
13° in de derde kolom van de bepaling onder VII.8.1.4 worden de woorden "EUR 1 007,33 per herinspectie" vervangen door de woorden "EUR 1 612,00 EUR per dag ter plaatse per inspecteur";
14° in de derde kolom van de bepaling onder VII.8.1.5 worden de woorden "EUR 1 495,18 per herinspectie" vervangen door de woorden "EUR 2 412,00 per dag ter plaatse per inspecteur";
15° in de derde kolom van de bepaling onder VII.8.1.6 worden de woorden "EUR 1 160,01 per herinspectie" vervangen door de woorden "EUR 1 612,00 per dag ter plaatse per herinspecteur";
16° in de derde kolom van de bepaling onder VII.8.1.7 worden de woorden "EUR 1 983,03 per herinspectie vervangen door de woorden "EUR 1 612,00 per dag ter plaatse per inspecteur";
17° in de derde kolom van de bepaling onder VII.8.1.8 worden de woorden "EUR 3 634,96 per herinspectie" vervangen door de woorden "EUR 2 412,00 per dag ter plaatse per inspecteur";
18° de bepaling onder VII.8.1.9 wordt opgeheven;
19° de Titel 8 wordt aangevuld met de rijen gevoegd als bijlage II van deze wet;
20° een Titel 10 wordt ingevoegd, luidende: "Retributies voor de toepassing van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten";
21° in Titel 10, ingevoegd door de bepaling onder 20°, wordt een hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende "Aanvraag advies bij FAGG";
22° in Titel 10, Hoofdstuk 1, ingevoegd door de bepaling onder 21°, wordt een Deel 1 ingevoegd, luidende "Aanvraag van een wetenschappelijk, technisch of reglementair advies met betrekking tot gezondheidsproducten of combinatieproducten van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen";
23° in Titel 10, Hoofdstuk 1, Deel 1, ingevoegd door de bepaling onder 22°, wordt een tabel ingevoegd, zoals opgenomen in bijlage I bij deze wet.
Art. 36. A l'annexe VII de la même loi, insérée par la loi du 11 mars 2018 et remplacée par la loi du 7 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées:
1° au Titre 1er, les mots "Montant si invalidation ou retrait par le demandeur lors de la validation" sont remplacés à chaque fois par les mots "Montant en cas d'irrecevabilité ou de retrait par le demandeur lors du contrôle de la recevabilité";
2° au Titre 1er, Chapitre 11, l'intitulé de la Section 1re est complété par les mots "concernant des médicaments";
3° au Titre 1er, Chapitre 11, les mots "Montant si refus de validation de la demande par l'AFMPS" sont remplacés par les mots "Montant en cas d'irrecevabilité ou de retrait par le demandeur lors du contrôle de la recevabilité";
4° la disposition sous VII.1.13.1 est abrogée;
5° la première colonne de la disposition sous VII.1.16.2 est remplacée comme suit:
"Vérification du dossier soumis en tant que demande d'enregistrement d'une personne physique sur la liste des personnes autorisées (QP), ainsi que la gestion ultérieure du dossier telle que l'octroi d'une dérogation pour lui permettre de d'exercer la fonction de personne autorisée pour différentes sociétés BPF, sur demande ou conformément à l'article 12bis de la loi sur les médicaments (25 mars 1964).";
6° la disposition sous VII.1.17.5 est abrogée;
7° la disposition sous VII.1.17.6 est abrogée;
8° au Titre 8, au point 1°, la première phrase commençant par les mots "La réinspection est" et finissant par les mots "à la norme en vigueur." est remplacée par la phrase suivante:
"La réinspection est une inspection effectuée par un inspecteur dûment nommé. Il s'agit d'une inspection supplémentaire rendue nécessaire suite à la constatation, lors d'une inspection précédente, d'une ou plusieurs infraction(s) à la législation et/ou déficience(s) par rapport à la réglementation et/ou la norme en vigueur et qui est de plus nécessaire suite à l'insuffisance de la résolution d'une ou plusieurs déficience(s) constatée(s) par le seul dépôt, par l'inspecté, d'un plan d'actions préventives et correctives conformément à la réglementation et/ou la norme.";
9° au Titre 8, au point 1 °, la deuxième phrase commençant par les mots "La réinspection est rendue" et finissant par les mots "à la norme." est remplacée par la phrase suivante:
"Selon la nature de la ou des infraction(s)/déficience(s) constatée(s) et de l'impact en terme de santé publique, la réinspection portera sur tout ou partie de l'inspection initiale.";
10° dans la troisième colonne de la disposition sous VII.8.1.1, les mots "9 779,36 EUR par réinspection" sont remplacés par les mots "3 162,00 EUR par jour sur place par inspecteur";
11° dans la troisième colonne de la disposition sous VII.8.1.2, les mots "2 124,84 EUR par réinspection" sont remplacés par les mots "2 412,00 EUR par jour sur place par inspecteur";
12° dans la troisième colonne de la disposition sous VII.8.1.3, les mots "4 572,86 EUR par réinspection" sont remplacés par les mots "3 162,00 EUR par jour sur place par inspecteur";
13° dans la troisième colonne de la disposition sous VII.8.1.4, les mots "1 007,33 EUR par réinspection" sont remplacés par les mots "1 612,00 EUR par jour sur place par inspecteur";
14° dans la troisième colonne de la disposition sous VII.8.1.5, les mots "1 495,18 EUR par réinspection" sont remplacés par les mots "2 412,00 EUR par jour sur place par inspecteur";
15° dans la troisième colonne de la disposition sous VII.8.1.6, les mots "1 160,01 EUR par réinspection" sont remplacés par les mots "1 612,00 EUR par jour sur place et par réinspecteur";
16° dans la troisième colonne de la disposition sous VII.8.1.7, les mots "1 983,03 EUR par réinspection sont remplacés par les mots"1 612,00 EUR par jour sur place par inspecteur";
17° dans la troisième colonne de la disposition sous VII.8.1.8, les mots "3 634,96 EUR par réinspection" sont remplacés par les mots "2 412,00 EUR par jour sur place par inspecteur";
18° la disposition sous VII.8.1.9 est supprimée;
19° le Titre 8 est complété par les lignes ajoutées à l'annexe II de la présente loi ;
20° un Titre 10 est inséré, intitulé: "Redevances pour l'application de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé";
21° au Titre 10, inséré par le 20°, un chapitre 1er est inséré, intitulé: "Demandes d'avis à l'AFMPS";
22° au Titre 10, Chapitre 1er, inséré par le 21°, une section 1 est insérée, intitulée: "Demandes d'avis scientifique, technique ou régulatoire concernant des produits de santé ou des produits combinant des dispositifs médicaux et des médicaments";
23° au Titre 10, Chapitre 1er, Section 1re, inséré par le 22°, un tableau est inséré, ajouté en tant qu'annexe Ier à la présente loi.
1° au Titre 1er, les mots "Montant si invalidation ou retrait par le demandeur lors de la validation" sont remplacés à chaque fois par les mots "Montant en cas d'irrecevabilité ou de retrait par le demandeur lors du contrôle de la recevabilité";
2° au Titre 1er, Chapitre 11, l'intitulé de la Section 1re est complété par les mots "concernant des médicaments";
3° au Titre 1er, Chapitre 11, les mots "Montant si refus de validation de la demande par l'AFMPS" sont remplacés par les mots "Montant en cas d'irrecevabilité ou de retrait par le demandeur lors du contrôle de la recevabilité";
4° la disposition sous VII.1.13.1 est abrogée;
5° la première colonne de la disposition sous VII.1.16.2 est remplacée comme suit:
"Vérification du dossier soumis en tant que demande d'enregistrement d'une personne physique sur la liste des personnes autorisées (QP), ainsi que la gestion ultérieure du dossier telle que l'octroi d'une dérogation pour lui permettre de d'exercer la fonction de personne autorisée pour différentes sociétés BPF, sur demande ou conformément à l'article 12bis de la loi sur les médicaments (25 mars 1964).";
6° la disposition sous VII.1.17.5 est abrogée;
7° la disposition sous VII.1.17.6 est abrogée;
8° au Titre 8, au point 1°, la première phrase commençant par les mots "La réinspection est" et finissant par les mots "à la norme en vigueur." est remplacée par la phrase suivante:
"La réinspection est une inspection effectuée par un inspecteur dûment nommé. Il s'agit d'une inspection supplémentaire rendue nécessaire suite à la constatation, lors d'une inspection précédente, d'une ou plusieurs infraction(s) à la législation et/ou déficience(s) par rapport à la réglementation et/ou la norme en vigueur et qui est de plus nécessaire suite à l'insuffisance de la résolution d'une ou plusieurs déficience(s) constatée(s) par le seul dépôt, par l'inspecté, d'un plan d'actions préventives et correctives conformément à la réglementation et/ou la norme.";
9° au Titre 8, au point 1 °, la deuxième phrase commençant par les mots "La réinspection est rendue" et finissant par les mots "à la norme." est remplacée par la phrase suivante:
"Selon la nature de la ou des infraction(s)/déficience(s) constatée(s) et de l'impact en terme de santé publique, la réinspection portera sur tout ou partie de l'inspection initiale.";
10° dans la troisième colonne de la disposition sous VII.8.1.1, les mots "9 779,36 EUR par réinspection" sont remplacés par les mots "3 162,00 EUR par jour sur place par inspecteur";
11° dans la troisième colonne de la disposition sous VII.8.1.2, les mots "2 124,84 EUR par réinspection" sont remplacés par les mots "2 412,00 EUR par jour sur place par inspecteur";
12° dans la troisième colonne de la disposition sous VII.8.1.3, les mots "4 572,86 EUR par réinspection" sont remplacés par les mots "3 162,00 EUR par jour sur place par inspecteur";
13° dans la troisième colonne de la disposition sous VII.8.1.4, les mots "1 007,33 EUR par réinspection" sont remplacés par les mots "1 612,00 EUR par jour sur place par inspecteur";
14° dans la troisième colonne de la disposition sous VII.8.1.5, les mots "1 495,18 EUR par réinspection" sont remplacés par les mots "2 412,00 EUR par jour sur place par inspecteur";
15° dans la troisième colonne de la disposition sous VII.8.1.6, les mots "1 160,01 EUR par réinspection" sont remplacés par les mots "1 612,00 EUR par jour sur place et par réinspecteur";
16° dans la troisième colonne de la disposition sous VII.8.1.7, les mots "1 983,03 EUR par réinspection sont remplacés par les mots"1 612,00 EUR par jour sur place par inspecteur";
17° dans la troisième colonne de la disposition sous VII.8.1.8, les mots "3 634,96 EUR par réinspection" sont remplacés par les mots "2 412,00 EUR par jour sur place par inspecteur";
18° la disposition sous VII.8.1.9 est supprimée;
19° le Titre 8 est complété par les lignes ajoutées à l'annexe II de la présente loi ;
20° un Titre 10 est inséré, intitulé: "Redevances pour l'application de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé";
21° au Titre 10, inséré par le 20°, un chapitre 1er est inséré, intitulé: "Demandes d'avis à l'AFMPS";
22° au Titre 10, Chapitre 1er, inséré par le 21°, une section 1 est insérée, intitulée: "Demandes d'avis scientifique, technique ou régulatoire concernant des produits de santé ou des produits combinant des dispositifs médicaux et des médicaments";
23° au Titre 10, Chapitre 1er, Section 1re, inséré par le 22°, un tableau est inséré, ajouté en tant qu'annexe Ier à la présente loi.
HOOFDSTUK 5. - Voorafname op de compenserende heffing
CHAPITRE 5. - Prélèvement sur la cotisation indemnitaire
Art. 37. Ten uitzonderlijke titel en enkel voor het jaar 2021 is de heffing bedoeld in artikel 191, eerste lid, 15° quaterdecies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verschuldigd, zelfs in geval de overschrijding van het globaal budget nul is.
Het bedrag van het voorschot, bedoeld in artikel 191, eerste lid, 15° quaterdecies, achtste lid, van dezelfde wet is gelijk aan het bedrag van de overschrijding, verhoogd met 100 miljoen euro.
Het bedrag van het saldo, bedoeld in artikel 191, eerste lid, 15° quaterdecies, achtste lid, van dezelfde wet zal gelijk zijn aan het bedrag van de overschrijding van het globaal budget zoals het vastgesteld en geplafonneerd wordt overeenkomstig de bepalingen van hetzelfde artikel 191, eerste lid, 15° quaterdecies van dezelfde wet.
Het bedrag van het voorschot, bedoeld in artikel 191, eerste lid, 15° quaterdecies, achtste lid, van dezelfde wet is gelijk aan het bedrag van de overschrijding, verhoogd met 100 miljoen euro.
Het bedrag van het saldo, bedoeld in artikel 191, eerste lid, 15° quaterdecies, achtste lid, van dezelfde wet zal gelijk zijn aan het bedrag van de overschrijding van het globaal budget zoals het vastgesteld en geplafonneerd wordt overeenkomstig de bepalingen van hetzelfde artikel 191, eerste lid, 15° quaterdecies van dezelfde wet.
Art. 37. A titre exceptionnel et uniquement pour l'année 2021, la cotisation visée à l'article 191, alinéa 1er, 15° quaterdecies de la loi relative à l'assure obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, décrite est d'application même en cas de dépassement budgétaire nul.
Le montant de l'acompte, visé à l'article 191, alinéa 1er, 15° quaterdecies, alinéa 8, de la même loi est équivalent au montant du dépassement, augmenté de 100 millions d'euros.
Le montant du décompte, visé à l'article 191, alinéa 1er, 15° quaterdecies, alinéa 8, de la même loi sera équivalent au montant du dépassement budgétaire tel que fixé et plafonné conformément aux dispositions de ce même article 191, alinéa 1er, 15° quaterdecies de la même loi.
Le montant de l'acompte, visé à l'article 191, alinéa 1er, 15° quaterdecies, alinéa 8, de la même loi est équivalent au montant du dépassement, augmenté de 100 millions d'euros.
Le montant du décompte, visé à l'article 191, alinéa 1er, 15° quaterdecies, alinéa 8, de la même loi sera équivalent au montant du dépassement budgétaire tel que fixé et plafonné conformément aux dispositions de ce même article 191, alinéa 1er, 15° quaterdecies de la même loi.
HOOFDSTUK 6. - Bekrachtiging van de koninklijke besluiten van 25 december 2017, 27 februari 2019 en 17 mei 2019 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 november 2011 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten
CHAPITRE 6. - Confirmation des arrêtés royaux des 25 décembre 2017, 27 février 2019 et 17 mai 2019 modifiant l'arrêté royal du 13 novembre 2011 fixant les rétributions et cotisations dues au fonds budgétaire des matières premières et des produits
Art. 38. Worden bekrachtigd:
1° het koninklijk besluit van 25 december 2017 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 november 2011 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten;
2° het koninklijk besluit van 27 februari 2019 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 november 2011 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten;
3° het koninklijk besluit van 17 mei 2019 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 november 2011 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten.
1° het koninklijk besluit van 25 december 2017 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 november 2011 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten;
2° het koninklijk besluit van 27 februari 2019 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 november 2011 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten;
3° het koninklijk besluit van 17 mei 2019 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 november 2011 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten.
Art. 38. Sont confirmés :
1° l'arrêté royal du 25 décembre 2017 modifiant l'arrêté royal du 13 novembre 2011 fixant les rétributions et cotisations dues au Fonds budgétaire des matières premières et des produits;
2° l'arrêté royal du 27 février 2019 modifiant l'arrêté royal du 13 novembre 2011 fixant les rétributions et cotisations dues au Fonds budgétaire des matières premières et des produits;
3° l'arrêté royal du 17 mai 2019 modifiant l'arrêté royal du 13 novembre 2011 fixant les rétributions et cotisations dues au Fonds budgétaire des matières premières et des produits.
1° l'arrêté royal du 25 décembre 2017 modifiant l'arrêté royal du 13 novembre 2011 fixant les rétributions et cotisations dues au Fonds budgétaire des matières premières et des produits;
2° l'arrêté royal du 27 février 2019 modifiant l'arrêté royal du 13 novembre 2011 fixant les rétributions et cotisations dues au Fonds budgétaire des matières premières et des produits;
3° l'arrêté royal du 17 mai 2019 modifiant l'arrêté royal du 13 novembre 2011 fixant les rétributions et cotisations dues au Fonds budgétaire des matières premières et des produits.
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions finales
Art. 39. De artikelen 25, 26, 32 en 33 treden in werking op 1 april 2021.
Art. 39. Les articles 25, 26, 32 et 33 entrent en vigueur le 1er avril 2021.
Art. 40. Artikel 38, 1°, heeft uitwerking met ingang van 18 januari 2019, artikel 38, 2°, heeft uitwerking met ingang van 22 april 2020 en artikel 38, 3°, heeft uitwerking met ingang van 5 juni 2020.
Art. 40. L'article 38, 1°, produit ses effets le 18 janvier 2019, l'article 38, 2°, produit ses effets le 22 avril 2020 et l'article 38, 3°, produit ses effets le 5 juin 2020.
TITEL 4. - Sociale zaken
TITRE 4. - Affaires sociales
HOOFDSTUK 1. - Financiering van de sociale zekerheid
CHAPITRE 1er. - Financement de la sécurité sociale
Afdeling 1. - Alternatieve financiering - Afwijkingen op de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid
Section 1re. - Financement alternatif - Dérogations à la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale
Onderafdeling 1. - Financieringsbron van het extra bedrag voor de gezondheidszorg in geval van onvoldoende btw-inkomsten in 2020
Sous-section 1re. - Source de financement du montant complémentaire destiné aux soins de santé en cas d'insuffisance des recettes de T.V.A. en 2020
Art. 41. In afwijking van artikel 20, § 1, van de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid, wordt het in dit artikel bedoelde bijkomende bedrag voor het jaar 2020 voorafgenomen van de opbrengst van de bedrijfsvoorheffing.
Art. 41. Par dérogation à l'article 20, § 1er, de la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale, le montant complémentaire visé dans cet article est prélevé, pour l'année 2020, sur les recettes du précompte professionnel.
Onderafdeling 2. - Forfaitaire bedragen voor het jaar 2021
Sous-section 2. - Montants forfaitaires pour l'année 2021
Art. 42. In afwijking van artikel 6 van dezelfde wet, worden de bedragen van de alternatieve financiering voor het stelsel voor werknemers voor het jaar 2021 vastgesteld op 6 721 357 duizend euro, afgenomen van het nettobedrag van de geïnde btw en 3 290 804 duizend euro afgenomen op het nettobedrag van de geïnde roerende voorheffing.
De betaling van deze bedragen vindt plaats in maandelijkse schijven, waarvan de bedragen kunnen variëren naar gelang van de inning van de ontvangsten.
De betaling van deze bedragen vindt plaats in maandelijkse schijven, waarvan de bedragen kunnen variëren naar gelang van de inning van de ontvangsten.
Art. 42. Par dérogation à l'article 6 de la même loi, les montants du financement alternatif pour le régime des travailleurs salariés pour l'année 2021, sont fixés à 6 721 357 milliers d'euros prélevés sur le montant net encaissé de la T.V.A. et 3 290 804 milliers d'euros prélevés sur le montant net encaissé du précompte mobilier.
Le versement de ces montants est réalisé en tranches mensuelles, dont les montants peuvent être différents en fonction de l'encaissement des recettes.
Le versement de ces montants est réalisé en tranches mensuelles, dont les montants peuvent être différents en fonction de l'encaissement des recettes.
Art. 43. In afwijking van artikel 13 van dezelfde wet, worden de bedragen van de alternatieve financiering voor het stelsel van de zelfstandigen voor het jaar 2021 vastgesteld op 1 459 169 duizend euro, voorafgenomen van het nettobedrag van de geïnde btw en 693 952 duizend euro voorafgenomen van het nettobedrag van de geïnde roerende voorheffing.
De betaling van deze bedragen vindt plaats in maandelijkse schijven, waarvan de bedragen kunnen variëren naar gelang van de inning van de ontvangsten.
De betaling van deze bedragen vindt plaats in maandelijkse schijven, waarvan de bedragen kunnen variëren naar gelang van de inning van de ontvangsten.
Art. 43. Par dérogation à l'article 13 de la même loi, les montants du financement alternatif pour le régime des travailleurs indépendants pour l'année 2021, sont fixés à 1 459 169 milliers d'euros prélevés sur le montant net encaissé de la T.V.A. et 693 952 milliers d'euros prélevés sur le montant net encaissé du précompte mobilier.
Le versement de ces montants est réalisé en tranches mensuelles, dont les montants peuvent être différents en fonction de l'encaissement des recettes.
Le versement de ces montants est réalisé en tranches mensuelles, dont les montants peuvent être différents en fonction de l'encaissement des recettes.
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid
Section 2. - Modifications de la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale
Onderafdeling 1. - Integratie van de Rijkstoelagen voor het stelsel van de zeelieden in de globale Rijkstoelage aan het RSZ-Globaal beheer
Sous-section 1re. - Intégration des subventions de l'Etat pour le régime des marins dans la subvention globale de l'Etat à l'ONSS-Gestion globale
Art. 44. In artikel 21 van dezelfde wet worden de paragrafen 1 en 2 vervangen als volgt:
" § 1 Het totaal van de jaarlijkse Rijkstoelagen ten gunste van de verschillende stelsels en takken van sociale zekerheid voor werknemers, bedoeld in artikel 21, § 2, 1° tot 9°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, wordt forfaitair vastgesteld op 1 926 594 duizend euro. Dit bedrag is gekoppeld aan de gemiddelde gezondheidsindex 105,49 (basis 2013 = 100) van het jaar 2017.
§ 2. Het in de 1eerste paragraaf bedoelde bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het gemiddelde gezondheidsindexcijfer van het begrotingsjaar waarin de toelagen worden toegekend.".
" § 1 Het totaal van de jaarlijkse Rijkstoelagen ten gunste van de verschillende stelsels en takken van sociale zekerheid voor werknemers, bedoeld in artikel 21, § 2, 1° tot 9°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, wordt forfaitair vastgesteld op 1 926 594 duizend euro. Dit bedrag is gekoppeld aan de gemiddelde gezondheidsindex 105,49 (basis 2013 = 100) van het jaar 2017.
§ 2. Het in de 1eerste paragraaf bedoelde bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het gemiddelde gezondheidsindexcijfer van het begrotingsjaar waarin de toelagen worden toegekend.".
Art. 44. Dans l'article 21 de la même loi, les paragraphes 1er et 2 sont remplacés par ce qui suit:
" § 1er. L'ensemble des subventions annuelles de l'Etat au profit des différents régimes et branches de la sécurité sociale des travailleurs salariés, tels que visés à l'article 21, § 2, 1° à 9°, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, est fixé forfaitairement à 1 926 594 milliers d'euros. Ce montant est rattaché à l'indice-santé moyen 105,49 (base 2013 = 100) de l'année 2017.
§ 2. Le montant visé au premier paragraphe est adapté annuellement à l'indice-santé moyen de l'année budgétaire au cours de laquelle les subventions sont allouées.".
" § 1er. L'ensemble des subventions annuelles de l'Etat au profit des différents régimes et branches de la sécurité sociale des travailleurs salariés, tels que visés à l'article 21, § 2, 1° à 9°, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, est fixé forfaitairement à 1 926 594 milliers d'euros. Ce montant est rattaché à l'indice-santé moyen 105,49 (base 2013 = 100) de l'année 2017.
§ 2. Le montant visé au premier paragraphe est adapté annuellement à l'indice-santé moyen de l'année budgétaire au cours de laquelle les subventions sont allouées.".
Onderafdeling 2. - De evenwichtsdotatie
Sous-section 2. - La dotation d'équilibre
Art. 45. In artikel 23 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "Vanaf 1 januari 2017 tot einde 2020" vervangen door de woorden "Vanaf 1 januari 2017";
2° paragraaf 6 wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "Vanaf 1 januari 2017 tot einde 2020" vervangen door de woorden "Vanaf 1 januari 2017";
2° paragraaf 6 wordt opgeheven.
Art. 45. A l'article 23 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "A partir du 1er janvier 2017 jusqu'à fin 2020," sont remplacés par les mots "A partir du 1er janvier 2017";
2° le paragraphe 6 est abrogé.
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "A partir du 1er janvier 2017 jusqu'à fin 2020," sont remplacés par les mots "A partir du 1er janvier 2017";
2° le paragraphe 6 est abrogé.
Art. 46. In artikel 24 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "Vanaf 1 januari 2017 tot einde 2020" vervangen door de woorden "Vanaf 1 januari 2017";
2° paragraaf 6 wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "Vanaf 1 januari 2017 tot einde 2020" vervangen door de woorden "Vanaf 1 januari 2017";
2° paragraaf 6 wordt opgeheven.
Art. 46. A l'article 24, de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "A partir du 1er janvier 2017 jusqu'à fin 2020," sont remplacés par les mots "A partir du 1er janvier 2017";
2° le paragraphe 6 est abrogé.
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "A partir du 1er janvier 2017 jusqu'à fin 2020," sont remplacés par les mots "A partir du 1er janvier 2017";
2° le paragraphe 6 est abrogé.
Afdeling 3. - Financiering van inschakelingsvergoedingen
Section 3. - Financement des indemnités de reclassement
Art. 47. Artikel 38 van de programmawet van 20 juli 2006, gewijzigd bij artikel 34 van de wet van 26 december 2015, wordt opgeheven.
Art. 47. L'article 38 de la loi-programme du 20 juillet 2006, modifié par l'article 34 de la loi du 26 décembre 2015, est abrogé.
Art. 48. Artikel 21, § 2, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, laatstelijk gewijzigd bij artikel 14 van het koninklijk besluit van 6 september 2018, wordt aangevuld met de bepaling onder 10°, luidende:
"10° de terugbetaling van inschakelingsvergoedingen, zoals bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, z), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.".
"10° de terugbetaling van inschakelingsvergoedingen, zoals bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, z), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.".
Art. 48. L'article 21, § 2, du loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié en dernier lieu par l'article 14 de l'arrêté royal du 6 septembre 2018, est complété par le 10° rédigé comme suit:
"10° le remboursement des indemnités de reclassement, visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, z), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.".
"10° le remboursement des indemnités de reclassement, visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, z), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.".
Afdeling 4. - Diverse bepalingen
Section 4. - Dispositions diverses
Art. 49. In artikel 26 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, laatstelijk gewijzigd door de wet van 18 april 2017, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 49. Dans l'article 26 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié en dernier lieu par la loi du 18 avril 2017, l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 50. Artikel 76 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936 houdende wijziging en samenordening van de statuten der Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden, laatstelijk gewijzigd door het koninklijk besluit van 5 mei 1988, wordt opgeheven.
Art. 50. L'article 76 de l'arrêté royal du 24 octobre 1936 modifiant et coordonnant les statuts de la Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 5 mai 1988, est abrogé.
Afdeling 5. - Inwerkingtreding
Section 5. - Entrée en vigueur
Art. 51. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2021, met uitzondering van artikel 41 van afdeling 1 dat uitwerking heeft op 1 januari 2020.
Art. 51. Ce chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2021 à l'exception de l'article 41 de la section 1re qui entre en vigueur le 1er janvier 2020.
HOOFDSTUK 2. - Bestuursovereenkomsten
CHAPITRE 2. - Contrats d'administration
Art. 52. Artikel 8 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, gewijzigd bij de wet van 6 mei 2009, wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende:
" § 6. In afwijking van § 1 wordt de vijfde bestuursovereenkomst gesloten voor een duur van zes jaar.
In afwijking van § 1 wordt de derde bestuursovereenkomst van het eHealth-platform gesloten voor een duur van zes jaar.".
" § 6. In afwijking van § 1 wordt de vijfde bestuursovereenkomst gesloten voor een duur van zes jaar.
In afwijking van § 1 wordt de derde bestuursovereenkomst van het eHealth-platform gesloten voor een duur van zes jaar.".
Art. 52. L'article 8 de l'arrêté royal du 3 avril 1997 portant des mesures en vue de la responsabilisation des institutions publiques de sécurité sociale, en application de l'article 47 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, modifié par la loi du 6 mai 2009, est complété par un paragraphe 6, rédigé comme suit:
" § 6. Par dérogation au § 1er, le cinquième contrat d'administration est conclu pour une durée de six ans.
Par dérogation au § 1er, le troisième contrat d'administration de la plate-forme eHealth est conclu pour une durée de six ans.".
" § 6. Par dérogation au § 1er, le cinquième contrat d'administration est conclu pour une durée de six ans.
Par dérogation au § 1er, le troisième contrat d'administration de la plate-forme eHealth est conclu pour une durée de six ans.".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994
CHAPITRE 3. - Modification de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994
Art. 53. Artikel 93ter van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006, wordt opgeheven.
Art. 53. L'article 93ter de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inséré par la loi du 27 décembre 2006, est abrogé.
Art. 54. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2021.
Art. 54. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2021.
HOOFDSTUK 4. - Heruitgave van de in 2020 vervallen maaltijd- en ecocheques
CHAPITRE 4. - Réédition des titres-repas et des éco-chèques qui ont expiré en 2020
Art. 55. Artikel 19bis, § 2, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders besluit, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"In afwijking van het eerste en tweede lid worden de elektronische maaltijdcheques waarvan de geldigheidsduur in 2020 is afgelopen, heruitgegeven voor zover zij niet werden verlengd zoals bepaald in het vorige lid. De uitgever van de elektronische maaltijdcheques geeft opnieuw een cheque uit ten belope van hetzelfde bedrag als van de in 2020 vervallen maaltijdcheque aan de werknemer zonder bijkomende kosten voor de werknemer of zijn werkgever. Deze cheque heeft opnieuw een geldigheidsduur van twaalf maanden, te rekenen vanaf het ogenblik dat de nieuwe maaltijdcheque op de maaltijdchequerekening wordt geplaatst.".
"In afwijking van het eerste en tweede lid worden de elektronische maaltijdcheques waarvan de geldigheidsduur in 2020 is afgelopen, heruitgegeven voor zover zij niet werden verlengd zoals bepaald in het vorige lid. De uitgever van de elektronische maaltijdcheques geeft opnieuw een cheque uit ten belope van hetzelfde bedrag als van de in 2020 vervallen maaltijdcheque aan de werknemer zonder bijkomende kosten voor de werknemer of zijn werkgever. Deze cheque heeft opnieuw een geldigheidsduur van twaalf maanden, te rekenen vanaf het ogenblik dat de nieuwe maaltijdcheque op de maaltijdchequerekening wordt geplaatst.".
Art. 55. L'article 19bis, § 2, 4°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Par dérogation aux alinéas 1er et 2, les titres-repas électroniques dont la durée de validité a expiré en 2020 sont réédités pour autant que leur durée de validité n'ait pas été prolongée en application de l'alinéa précédent. L'éditeur de titres-repas électroniques octroie de nouveau au travailleur un titre-repas d'un montant équivalant au montant des titres-repas qui ont expiré en 2020, sans frais supplémentaires pour le travailleur ou pour son employeur. Ce titre a de nouveau une durée de validité de douze mois, à compter du moment où le nouveau titre-repas est placé sur le compte titres-repas.".
"Par dérogation aux alinéas 1er et 2, les titres-repas électroniques dont la durée de validité a expiré en 2020 sont réédités pour autant que leur durée de validité n'ait pas été prolongée en application de l'alinéa précédent. L'éditeur de titres-repas électroniques octroie de nouveau au travailleur un titre-repas d'un montant équivalant au montant des titres-repas qui ont expiré en 2020, sans frais supplémentaires pour le travailleur ou pour son employeur. Ce titre a de nouveau une durée de validité de douze mois, à compter du moment où le nouveau titre-repas est placé sur le compte titres-repas.".
Art. 56. Artikel 19quater, § 2, 4°, van hetzelfde besluit, wordt aangevuld met een vijfde, luidende:
"In afwijking van de vorige leden worden de papieren en elektronische ecocheques waarvan de geldigheidsduur in 2020 is afgelopen, heruitgegeven voor zover zij niet werden verlengd zoals bepaald in het vorige lid. De uitgever van de papieren en elektronische ecocheques geeft opnieuw een cheque uit ten belope van hetzelfde bedrag als van de in 2020 vervallen ecocheque aan de werknemer zonder bijkomende kosten voor de werknemer of zijn werkgever. Deze cheque heeft opnieuw een geldigheidsduur van 24 maanden, vanaf de datum van zijn terbeschikkingstelling aan de werknemer indien het een papieren ecocheque betreft of 24 maanden te rekenen vanaf het ogenblik dat de cheque op de ecochequerekening wordt geplaatst indien het elektronische ecocheque betreft.".
"In afwijking van de vorige leden worden de papieren en elektronische ecocheques waarvan de geldigheidsduur in 2020 is afgelopen, heruitgegeven voor zover zij niet werden verlengd zoals bepaald in het vorige lid. De uitgever van de papieren en elektronische ecocheques geeft opnieuw een cheque uit ten belope van hetzelfde bedrag als van de in 2020 vervallen ecocheque aan de werknemer zonder bijkomende kosten voor de werknemer of zijn werkgever. Deze cheque heeft opnieuw een geldigheidsduur van 24 maanden, vanaf de datum van zijn terbeschikkingstelling aan de werknemer indien het een papieren ecocheque betreft of 24 maanden te rekenen vanaf het ogenblik dat de cheque op de ecochequerekening wordt geplaatst indien het elektronische ecocheque betreft.".
Art. 56. L'article 19quater, § 2, 4°, du même arrêté, est complété par l'alinéa suivant:
"Par dérogation aux alinéas précédents, les éco-chèques sur support papier et sous forme électronique dont la validité a expiré en 2020 sont réémis, pour autant qu'ils n'aient pas été prolongés comme prévu à l'alinéa précédent. L'éditeur des éco-chèques sur support papier et sous forme électronique réoctroie au travailleur un chèque du même montant que l'éco-chèque expiré en 2020, sans frais supplémentaires pour le travailleur ni pour son employeur. Ce chèque a à nouveau une durée de validité de 24 mois à compter de la date de sa mise à disposition du travailleur dans le cas d'un éco-chèque papier, ou de 24 mois à compter du moment où l'éco-chèque électronique est chargé sur le compte éco-chèques s'il s'agit d'un éco-chèque électronique.".
"Par dérogation aux alinéas précédents, les éco-chèques sur support papier et sous forme électronique dont la validité a expiré en 2020 sont réémis, pour autant qu'ils n'aient pas été prolongés comme prévu à l'alinéa précédent. L'éditeur des éco-chèques sur support papier et sous forme électronique réoctroie au travailleur un chèque du même montant que l'éco-chèque expiré en 2020, sans frais supplémentaires pour le travailleur ni pour son employeur. Ce chèque a à nouveau une durée de validité de 24 mois à compter de la date de sa mise à disposition du travailleur dans le cas d'un éco-chèque papier, ou de 24 mois à compter du moment où l'éco-chèque électronique est chargé sur le compte éco-chèques s'il s'agit d'un éco-chèque électronique.".
Art. 57. Dit hoofdstuk treedt in werking op de dag van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Art. 57. Le présent chapitre entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
TITEL 5. - Zelfstandigen
TITRE 5. - Indépendants
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen
CHAPITRE 1er. - Modification de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants
Art. 58. In artikel 18bis, § 5, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ingevoegd bij de wet van 7 april 2019, wordt het vierde lid vervangen als volgt:
"Het bedrag van de vaderschaps- en geboorte-uitkering wordt vastgesteld in functie van een periode van onderbreking van maximaal tien dagen die kunnen worden opgesplitst in halve dagen. In dat geval omvat de totale duur van de onderbreking maximum twintig halve dagen. De periode van onderbreking wordt opgetrokken als volgt:
1° tot maximaal vijftien volledige dagen (of maximaal dertig halve dagen) voor de geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2021;
2° tot maximaal twintig volledige dagen (of maximaal veertig halve dagen) voor de geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2023.".
"Het bedrag van de vaderschaps- en geboorte-uitkering wordt vastgesteld in functie van een periode van onderbreking van maximaal tien dagen die kunnen worden opgesplitst in halve dagen. In dat geval omvat de totale duur van de onderbreking maximum twintig halve dagen. De periode van onderbreking wordt opgetrokken als volgt:
1° tot maximaal vijftien volledige dagen (of maximaal dertig halve dagen) voor de geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2021;
2° tot maximaal twintig volledige dagen (of maximaal veertig halve dagen) voor de geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2023.".
Art. 58. Dans l'article 18bis, § 5, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, inséré par la loi du 7 avril 2019, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit:
"Le montant de l'allocation de paternité et de naissance est fixé en fonction d'une période d'interruption de maximum dix jours qui peuvent être fractionnés en demi-jours. Dans ce cas, la durée totale de l'interruption comprend au maximum vingt demi-jours. La période d'interruption est allongée de la manière suivante:
1° jusqu'à un maximum de quinze jours complets (ou maximum trente demi-jours) pour les naissances qui ont lieu à partir du 1er janvier 2021;
2° jusqu'à un maximum de vingt jours complets (ou maximum quarante demi-jours) pour les naissances qui ont lieu à partir du 1er janvier 2023.".
"Le montant de l'allocation de paternité et de naissance est fixé en fonction d'une période d'interruption de maximum dix jours qui peuvent être fractionnés en demi-jours. Dans ce cas, la durée totale de l'interruption comprend au maximum vingt demi-jours. La période d'interruption est allongée de la manière suivante:
1° jusqu'à un maximum de quinze jours complets (ou maximum trente demi-jours) pour les naissances qui ont lieu à partir du 1er janvier 2021;
2° jusqu'à un maximum de vingt jours complets (ou maximum quarante demi-jours) pour les naissances qui ont lieu à partir du 1er janvier 2023.".
Art. 59. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2021.
Art. 59. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2021.
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants
Art. 60. Artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen wordt vervangen als volgt:
" § 1. Het maandelijks bedrag van de financiële uitkering bedraagt 1 291,69 euro.
De begunstigde kan echter aanspraak maken op het bedrag van 1 614,10 euro, op voorwaarde dat hij de hoedanigheid heeft van "gerechtigde met gezinslast" in de zin van artikel 225 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
De hoedanigheid van "gerechtigde met gezinslast" wordt bewezen aan de hand van een attest van de verzekeringsinstelling.
Zolang het sociaal verzekeringsfonds niet over het vereiste attest beschikt, kan er slechts aanspraak gemaakt worden op het maandelijks bedrag bedoeld in het eerste lid. Wanneer op grond van het vereiste attest blijkt dat de begunstigde dient te worden beschouwd als een "gerechtigde met gezinslast", dient het sociaal verzekeringsfonds de vereiste regularisatie uit te voeren.
Dit bedrag is gekoppeld aan de spilindex 147,31 (basis 1996 = 100).".
" § 1. Het maandelijks bedrag van de financiële uitkering bedraagt 1 291,69 euro.
De begunstigde kan echter aanspraak maken op het bedrag van 1 614,10 euro, op voorwaarde dat hij de hoedanigheid heeft van "gerechtigde met gezinslast" in de zin van artikel 225 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
De hoedanigheid van "gerechtigde met gezinslast" wordt bewezen aan de hand van een attest van de verzekeringsinstelling.
Zolang het sociaal verzekeringsfonds niet over het vereiste attest beschikt, kan er slechts aanspraak gemaakt worden op het maandelijks bedrag bedoeld in het eerste lid. Wanneer op grond van het vereiste attest blijkt dat de begunstigde dient te worden beschouwd als een "gerechtigde met gezinslast", dient het sociaal verzekeringsfonds de vereiste regularisatie uit te voeren.
Dit bedrag is gekoppeld aan de spilindex 147,31 (basis 1996 = 100).".
Art. 60. L'article 10, § 1er, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Le montant mensuel de la prestation financière s'élève à 1 291,69 euros.
Cependant, le bénéficiaire peut prétendre au montant de 1 614,10 euros à condition qu'il ait la qualité de "titulaire avec charge de famille" au sens de l'article 225 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
La qualité de "titulaire avec charge de famille" est démontrée à l'aide d'une attestation de l'organisme assureur.
Tant que la caisse d'assurances sociales ne dispose pas de l'attestation nécessaire, il ne peut être prétendu qu'au montant mensuel visé dans l'alinéa 1er. Lorsque sur la base de l'attestation requise, il s'avère que le bénéficiaire doit être considéré comme "titulaire avec charge de famille", la caisse d'assurances sociales doit procéder à la régularisation nécessaire.
Ce montant est rattaché à l'indice-pivot 147,31 (base 1996 = 100).".
" § 1er. Le montant mensuel de la prestation financière s'élève à 1 291,69 euros.
Cependant, le bénéficiaire peut prétendre au montant de 1 614,10 euros à condition qu'il ait la qualité de "titulaire avec charge de famille" au sens de l'article 225 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
La qualité de "titulaire avec charge de famille" est démontrée à l'aide d'une attestation de l'organisme assureur.
Tant que la caisse d'assurances sociales ne dispose pas de l'attestation nécessaire, il ne peut être prétendu qu'au montant mensuel visé dans l'alinéa 1er. Lorsque sur la base de l'attestation requise, il s'avère que le bénéficiaire doit être considéré comme "titulaire avec charge de famille", la caisse d'assurances sociales doit procéder à la régularisation nécessaire.
Ce montant est rattaché à l'indice-pivot 147,31 (base 1996 = 100).".
Art. 61. Artikel 17 van dezelfde wet wordt aangevuld met een bepaling onder 8° toegevoegd, luidende:
"8° het bedrag van de financiële uitkering zoals bedoeld in artikel 10, § 1, verhogen.".
"8° het bedrag van de financiële uitkering zoals bedoeld in artikel 10, § 1, verhogen.".
Art. 61. L'article 17 de la même loi est complété par le 8° rédigé comme suit:
"8° augmenter le montant de la prestation financière tel que visé à l'article 10, § 1er".
"8° augmenter le montant de la prestation financière tel que visé à l'article 10, § 1er".
Art. 62. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2021.
Art. 62. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2021.
TITEL 6. - Werk
TITRE 6. - Travail
ENIG HOOFDSTUK. - Optrekking van het geboorteverlof
CHAPITRE UNIQUE. - Extension du congé de naissance
Art. 63. Artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 2008 en 13 april 2011, wordt gewijzigd als volgt:
1° tussen het eerste en het tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt een lid ingevoegd, luidende:
"Het recht op tien dagen verlof, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt als volgt opgetrokken:
1° tot vijftien dagen voor de geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2021;
2° tot twintig dagen voor de geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2023.";
2° in het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden "vorige lid" vervangen door de woorden "eerste lid";
3° in het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "tweede lid" vervangen door de woorden "derde lid";
4° in het vroegere vijfde lid, dat het zesde lid wordt, worden de woorden "tweede lid" vervangen door de woorden "derde lid";
5° in het vroegere zesde lid, dat het zevende lid wordt, worden de woorden "tweede lid" vervangen door de woorden "derde lid";
6° in het laatste lid worden de woorden "en de bijkomende dagen als bedoeld in het tweede lid, 1° en 2°, " ingevoegd tussen de woorden "zeven dagen" en de woorden "geniet de werknemer".
1° tussen het eerste en het tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt een lid ingevoegd, luidende:
"Het recht op tien dagen verlof, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt als volgt opgetrokken:
1° tot vijftien dagen voor de geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2021;
2° tot twintig dagen voor de geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2023.";
2° in het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden "vorige lid" vervangen door de woorden "eerste lid";
3° in het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "tweede lid" vervangen door de woorden "derde lid";
4° in het vroegere vijfde lid, dat het zesde lid wordt, worden de woorden "tweede lid" vervangen door de woorden "derde lid";
5° in het vroegere zesde lid, dat het zevende lid wordt, worden de woorden "tweede lid" vervangen door de woorden "derde lid";
6° in het laatste lid worden de woorden "en de bijkomende dagen als bedoeld in het tweede lid, 1° en 2°, " ingevoegd tussen de woorden "zeven dagen" en de woorden "geniet de werknemer".
Art. 63. L'article 30, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, inséré par la loi du 10 août 2001 et modifié par les lois du 22 décembre 2008 et du 13 avril 2011, est modifié comme suit:
1° entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit:
"Le droit à dix jours de congé, tel que visé à l'alinéa 1er, est étendu comme suit:
1° à quinze jours pour les naissances qui ont lieu à partir du 1er janvier 2021;
2° à vingt jours pour les naissances qui ont lieu à partir du 1er janvier 2023.
2° dans l'ancien alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, les mots "alinéa précédent" sont remplacés par les mots "alinéa 1er";
3° dans l'ancien alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, les mots "alinéa 2" sont remplacés par les mots "alinéa 3";
4° dans l'ancien alinéa 5, qui devient l'alinéa 6, les mots "alinéa 2" sont remplacés par les mots "alinéa 3";
5° dans l'ancien alinéa 6, qui devient l'alinéa 7, les mots "alinéa 2" sont remplacés par les mots "alinéa 3";
6° dans le dernier alinéa les mots "et pendant les jours supplémentaires visés à l'alinéa 2, 1° et 2° " sont inserés entre les mots "sept jours suivants" et les mots ", le travailleur bénéficie".
1° entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit:
"Le droit à dix jours de congé, tel que visé à l'alinéa 1er, est étendu comme suit:
1° à quinze jours pour les naissances qui ont lieu à partir du 1er janvier 2021;
2° à vingt jours pour les naissances qui ont lieu à partir du 1er janvier 2023.
2° dans l'ancien alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, les mots "alinéa précédent" sont remplacés par les mots "alinéa 1er";
3° dans l'ancien alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, les mots "alinéa 2" sont remplacés par les mots "alinéa 3";
4° dans l'ancien alinéa 5, qui devient l'alinéa 6, les mots "alinéa 2" sont remplacés par les mots "alinéa 3";
5° dans l'ancien alinéa 6, qui devient l'alinéa 7, les mots "alinéa 2" sont remplacés par les mots "alinéa 3";
6° dans le dernier alinéa les mots "et pendant les jours supplémentaires visés à l'alinéa 2, 1° et 2° " sont inserés entre les mots "sept jours suivants" et les mots ", le travailleur bénéficie".
Art. 64. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2021.
Art. 64. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2021.
TITEL 7. - Sociaal tarief
TITRE 7. - Tarif social
HOOFDSTUK 1. - Bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen krachtens de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen
CHAPITRE 1er. - Confirmation des arrêtés royaux pris en vertu de la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité et de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations
Art. 65. Het koninklijk besluit van 20 december 2019 tot vaststelling van de bedragen voor 2020 van de fondsen die bestemd zijn voor de financiering van de werkelijke kostprijs ingevolge de toepassing van maximumprijzen voor de levering van elektriciteit en aardgas aan beschermde residentiële afnemers wordt bekrachtigd met ingang van 1 januari 2020.
Art. 65. L'arrêté royal du 20 décembre 2019 déterminant les montants pour 2020 des fonds destinés au financement du coût réel résultant de l'application de prix maximaux pour la fourniture d'électricité et de gaz naturel aux clients protégés résidentiels est confirmé avec effet au 1er janvier 2020.
Art. 66. Dit hoofdstuk treedt in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Art. 66. Le présent chapitre entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité
Art. 67. In artikel 20, § 2/1, tweede lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, ingevoegd bij de wet van 2 mei 2019, worden de woorden "of aangevuld" ingevoegd tussen de woorden "door de Koning gewijzigd" en het woord "worden"."
Art. 67. Dans l'article 20, § 2/1, alinéa 2, de la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité, inséré par la loi du 2 mai 2019, les mots "ou complétée" sont insérés entre les mots "modifiée" et "par le Roi".
Art. 68. In artikel 21bis, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, vierde lid, 5°, worden de woorden "zoals bepaald in artikel 20, § 2" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 20, § 2/1, eerste lid, 1° tot 5°, van deze wet en in artikel 4/1 van de programmawet van 27 april 2007";
2° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende:
" § 1/1. De financiering van de reële nettokosten die voortvloeien uit de toepassing van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan de andere door de Koning overeenkomstig artikel 20, § 2/1, tweede lid, aangewezen beschermde residentiële afnemers, komt ten laste van de staatsbegroting, die de daartoe voorziene middelen toekent aan het fonds bedoeld in artikel 21ter, § 1, eerste lid, 5°, door middel van een herverdelingsbesluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.".
1° in paragraaf 1, vierde lid, 5°, worden de woorden "zoals bepaald in artikel 20, § 2" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 20, § 2/1, eerste lid, 1° tot 5°, van deze wet en in artikel 4/1 van de programmawet van 27 april 2007";
2° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende:
" § 1/1. De financiering van de reële nettokosten die voortvloeien uit de toepassing van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan de andere door de Koning overeenkomstig artikel 20, § 2/1, tweede lid, aangewezen beschermde residentiële afnemers, komt ten laste van de staatsbegroting, die de daartoe voorziene middelen toekent aan het fonds bedoeld in artikel 21ter, § 1, eerste lid, 5°, door middel van een herverdelingsbesluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.".
Art. 68. A l'article 21bis de la même loi, inséré par la loi du 20 juillet 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 18 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, 5°, les mots "tel que déterminé à l'article 20, § 2" sont remplacés par les mots "visés à l'article 20, § 2/1, alinéa 1er, 1° à 5°, de la présente loi et à l'article 4/1 de la loi-programme du 27 avril 2007";
2° un paragraphe 1er/1 est inséré, rédigé comme suit:
" § 1er/1. Le financement du coût net réel résultant de l'application des prix maximaux pour la fourniture d'électricité aux autres clients protégés résidentiels désignés par le Roi conformément à l'article 20, § 2/1, alinéa 2, est supporté par le budget de l'Etat qui affecte par arrêté de répartition délibéré en Conseil des ministres les moyens prévus à cet effet au fonds visé à l'article 21ter, § 1er, alinéa 1er, 5°. ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, 5°, les mots "tel que déterminé à l'article 20, § 2" sont remplacés par les mots "visés à l'article 20, § 2/1, alinéa 1er, 1° à 5°, de la présente loi et à l'article 4/1 de la loi-programme du 27 avril 2007";
2° un paragraphe 1er/1 est inséré, rédigé comme suit:
" § 1er/1. Le financement du coût net réel résultant de l'application des prix maximaux pour la fourniture d'électricité aux autres clients protégés résidentiels désignés par le Roi conformément à l'article 20, § 2/1, alinéa 2, est supporté par le budget de l'Etat qui affecte par arrêté de répartition délibéré en Conseil des ministres les moyens prévus à cet effet au fonds visé à l'article 21ter, § 1er, alinéa 1er, 5°. ".
Art. 69. In artikel 21ter, § 1, eerste lid, 5°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005, worden de woorden "artikel 21bis, § 1er, eerste lid, 5° " vervangen door de woorden "artikel 20, § 2/1".
Art. 69. Dans l'article 21ter, § 1er, alinéa 1er, 5°, de la même loi, inséré par la loi du 20 juillet 2005, les mots "l'article 21bis, § 1er, alinéa 1er, 5° " sont remplacés par les mots "l'article 20, § 2/1".
Art. 70. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk.
Art. 70. Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur du présent chapitre.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 67; 68; 69 fixée au 01-02-2021 par AR 2021-01-28/03, art. 1)
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen
CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations
Art. 71. In artikel 15/10, § 2/2, derde lid van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, ingevoegd bij de wet van 2 mei 2019, worden de woorden "of aangevuld" ingevoegd tussen de woorden "door de Koning gewijzigd" en het woord "worden".
Art. 71. Dans l'article 15/10, § 2/2, alinéa 3, de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, inséré par la loi du 2 mai 2019, les mots "ou complétée" sont insérés entre les mots "modifiée" et "par le Roi".
Art. 72. In artikel 15/11 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 29 april 1999 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1bis, zevende lid, 3°, worden de woorden "zoals bepaald in artikel 15/10, § 2" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 15/10, § 2/2, eerste lid, 1° tem 5° en tweede lid, van deze wet en in artikel 4/1 van de programmawet van 27 april 2007";
2° een paragraaf 1bis/1 wordt ingevoegd, luidende:
" § 1bis/1. De financiering van de werkelijke nettokosten die voortvloeien uit de toepassing van de maximumprijzen voor de levering van gas aan de andere door de Koning, overeenkomstig artikel 15/10, § 2/2, derde lid, aangewezen beschermde residentiële afnemers, komt ten laste van de staatsbegroting, die de daartoe voorziene middelen toekent aan het fonds bedoeld in paragraaf 1ter, 3°, door middel van een herverdelingsbesluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad.";
3° in paragraaf 1ter, 3°, worden de woorden " § 1bis, zevende lid, 3° " vervangen door de woorden "artikel 15/10, § 2/2".
1° in paragraaf 1bis, zevende lid, 3°, worden de woorden "zoals bepaald in artikel 15/10, § 2" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 15/10, § 2/2, eerste lid, 1° tem 5° en tweede lid, van deze wet en in artikel 4/1 van de programmawet van 27 april 2007";
2° een paragraaf 1bis/1 wordt ingevoegd, luidende:
" § 1bis/1. De financiering van de werkelijke nettokosten die voortvloeien uit de toepassing van de maximumprijzen voor de levering van gas aan de andere door de Koning, overeenkomstig artikel 15/10, § 2/2, derde lid, aangewezen beschermde residentiële afnemers, komt ten laste van de staatsbegroting, die de daartoe voorziene middelen toekent aan het fonds bedoeld in paragraaf 1ter, 3°, door middel van een herverdelingsbesluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad.";
3° in paragraaf 1ter, 3°, worden de woorden " § 1bis, zevende lid, 3° " vervangen door de woorden "artikel 15/10, § 2/2".
Art. 72. A l'article 15/11 de la même loi, inséré par la loi du 29 avril 1999 et modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1erbis, alinéa 7, 3°, les mots "tel que déterminé à l'article 15/10, § 2" sont remplacés par les mots "visés à l'article 15/10, § 2/2, alinéa 1er, 1° à 5° et alinéa 2, la présente loi et à l'article 4/1 de la loi-programme du 27 avril 2007";
2° un paragraphe 1er bis/1 est inséré rédigé comme suit:
" § 1erbis/1. Le financement du coût net réel résultant de l'application des prix maximaux pour la fourniture de gaz aux autres clients protégés résidentiels désignés par le Roi conformément à l'article 15/10, § 2/2, alinéa 3, est supporté par le budget de l'Etat qui affecte par arrêté de répartition délibéré en Conseil des ministres les moyens prévus à cet effet au fonds visé à paragraphe 1erter, 3°. ";
3° dans le paragraphe 1erter, 3°, les mots " § 1erbis, alinéa 7, 3° " sont remplacés par les mots "l'article 15/10, § 2/2".
1° dans le paragraphe 1erbis, alinéa 7, 3°, les mots "tel que déterminé à l'article 15/10, § 2" sont remplacés par les mots "visés à l'article 15/10, § 2/2, alinéa 1er, 1° à 5° et alinéa 2, la présente loi et à l'article 4/1 de la loi-programme du 27 avril 2007";
2° un paragraphe 1er bis/1 est inséré rédigé comme suit:
" § 1erbis/1. Le financement du coût net réel résultant de l'application des prix maximaux pour la fourniture de gaz aux autres clients protégés résidentiels désignés par le Roi conformément à l'article 15/10, § 2/2, alinéa 3, est supporté par le budget de l'Etat qui affecte par arrêté de répartition délibéré en Conseil des ministres les moyens prévus à cet effet au fonds visé à paragraphe 1erter, 3°. ";
3° dans le paragraphe 1erter, 3°, les mots " § 1erbis, alinéa 7, 3° " sont remplacés par les mots "l'article 15/10, § 2/2".
Art. 73. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk.
Art. 73. Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur du présent chapitre.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 71 et 72 fixée au 01-02-2021 par AR 2021-01-28/03, art. 1)
TITEL 8. - Pensioenen
TITRE 8. - Pensions
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen
CHAPITRE 1er. - Modification de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées
Art. 74. Artikel 18 van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen, laatst gewijzigd bij de wet van 26 mei 2019, wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende:
" § 7. In afwijking van de paragrafen 1 en 2 en onverminderd de paragrafen 3 tot 6, wordt het betaalde bedrag van het gewaarborgd inkomen:
1° met ingang van 1 januari 2021 vermenigvuldigd met 1,0258;
2° met ingang van 1 januari 2022 vermenigvuldigd met 1,0523;
3° met ingang van 1 januari 2023 vermenigvuldigd met 1,0794;
4° met ingang van 1 januari 2024 vermenigvuldigd met 1,1075.".
" § 7. In afwijking van de paragrafen 1 en 2 en onverminderd de paragrafen 3 tot 6, wordt het betaalde bedrag van het gewaarborgd inkomen:
1° met ingang van 1 januari 2021 vermenigvuldigd met 1,0258;
2° met ingang van 1 januari 2022 vermenigvuldigd met 1,0523;
3° met ingang van 1 januari 2023 vermenigvuldigd met 1,0794;
4° met ingang van 1 januari 2024 vermenigvuldigd met 1,1075.".
Art. 74. L'article 18 de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées, modifié en dernier lieu par la loi du 26 mai 2019, est complété par un paragraphe 7 rédigé comme suit:
" § 7. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2 et sans préjudice des paragraphes 3 à 6, le montant du revenu garanti payé:
1° est multiplié par 1,0258 avec effet au 1er janvier 2021;
2° est multiplié par 1,0523 avec effet au 1er janvier 2022;
3° est multiplié par 1,0794 avec effet au 1er janvier 2023;
4° est multiplié par 1,1075 avec effet au 1er janvier 2024.".
" § 7. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2 et sans préjudice des paragraphes 3 à 6, le montant du revenu garanti payé:
1° est multiplié par 1,0258 avec effet au 1er janvier 2021;
2° est multiplié par 1,0523 avec effet au 1er janvier 2022;
3° est multiplié par 1,0794 avec effet au 1er janvier 2023;
4° est multiplié par 1,1075 avec effet au 1er janvier 2024.".
Art. 75. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2021.
Art. 75. Ce chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2021.
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 18 maart 2016 tot wijziging van de benaming van de Rijksdienst voor Pensioenen in Federale Pensioendienst, tot integratie van de bevoegdheden en het personeel van de Pensioendienst voor de Overheidssector, van een deel van de bevoegdheden en van het personeel van de Directie-generaal Oorlogsslachtoffers, van de opdrachten "Pensioenen" van de lokale en provinciale sectoren van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels en van HR Rail en tot overname van de gemeenschappelijke sociale dienst van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 18 mars 2016 portant modification de la dénomination de l'Office national des pensions en Service fédéral des Pensions, portant intégration des attributions et du personnel du Service des Pensions du Secteur Public, des missions "pensions" des secteurs locaux et provinciaux de l'Office des régimes particuliers de sécurité sociale et de HR Rail et portant reprise du Service social collectif de l'Office des régimes particuliers de sécurité sociale
Art. 76. Artikel 30 van de wet van 18 maart 2016 tot wijziging van de benaming van de Rijksdienst voor Pensioenen in Federale Pensioendienst, tot integratie van de bevoegdheden en het personeel van de Pensioendienst voor de Overheidssector, van een deel van de bevoegdheden en van het personeel van de Directie-generaal Oorlogsslachtoffers, van de opdrachten "Pensioenen" van de lokale en provinciale sectoren van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels en van HR Rail en tot overname van de gemeenschappelijke sociale dienst van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels wordt opgeheven.
Art. 76. L'article 30 de la loi du 18 mars 2016 portant modification de la dénomination de l'Office national des Pensions en Service fédéral des Pensions, portant intégration des attributions et du personnel du Service des Pensions du Secteur Public, des missions "Pensions" des secteurs locaux et provinciaux de l'Office des régimes particuliers de sécurité sociale, de HR Rail et portant reprise du Service social collectif de l'Office des régimes particuliers de sécurité sociale, est abrogé.
Art. 77. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2021.
Art. 77. Ce chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2021.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 7 mei 2020 houdende uitzonderlijke maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie inzake pensioenen, aanvullende pensioenen en andere aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid
CHAPITRE 3. - Modifications à la loi du 7 mai 2020 portant des mesures exceptionnelles dans le cadre de la pandémie covid-19 en matière de pensions, pension complémentaire et autres avantages complémentaires en matière de sécurité sociale
Art. 78. De datum van 30 juni 2020 bedoeld in artikel 9, § 5, lid 2, van de wet van 7 mei 2020 houdende uitzonderlijke maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie inzake pensioenen, aanvullende pensioenen en andere aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, wordt vervangen door 30 september 2020.
Art. 78. La date du 30 juin 2020 visée à l'article 9, § 5, alinéa 2, de la loi du 7 mai 2020 portant des mesures exceptionnelles dans le cadre de la pandémie COVID-19 en matière de pensions, pension complémentaire et autres avantages complémentaires en matière de sécurité sociale est remplacée par le 30 septembre 2020.
Art. 79. In artikel 10 van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 1, lid 1, worden de woorden "in artikel 9" vervangen door de woorden "in dit hoofdstuk";
2° in § 1, lid 2, worden de woorden "van artikel 9" telkens vervangen door "van dit hoofdstuk".
1° in § 1, lid 1, worden de woorden "in artikel 9" vervangen door de woorden "in dit hoofdstuk";
2° in § 1, lid 2, worden de woorden "van artikel 9" telkens vervangen door "van dit hoofdstuk".
Art. 79. A l'article 10 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° au § 1er, alinéa 1er, les mots "à l'article 9" sont remplacés par "au présent chapitre";
2° au § 1er, alinéa 2, les mots "de l'article 9" sont remplacés par "du présent chapitre".
1° au § 1er, alinéa 1er, les mots "à l'article 9" sont remplacés par "au présent chapitre";
2° au § 1er, alinéa 2, les mots "de l'article 9" sont remplacés par "du présent chapitre".
Art. 80. In artikel 11 van diezelfde wet worden de woorden "van artikel 9" telkens vervangen door "van dit hoofdstuk".
Art. 80. A l'article 11 de la même loi, les mots "de l'article 9" sont chaque fois remplacés par "du présent chapitre".
Art. 81. Artikel 12 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 81. L'article 12 de la même loi est abrogé.
Art. 82. In dezelfde wet wordt een hoofdstuk 4 ingevoegd na artikel 13, met als titel "Hoofdstuk 4 - Verlenging van de uitzonderlijke maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie inzake pensioenen, aanvullende pensioenen en andere aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid".
Art. 82. Dans la même loi, il est inséré un chapitre 4 après l'article 13, intitulé "Chapitre 4 - Prolongation des mesures exceptionnelles dans le cadre de la pandémie COVID-19 en matière de pension complémentaire et autres avantages complémentaires en matière de sécurité sociale".
Art. 83. In hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 82, wordt een artikel 14 ingevoegd, luidende:
"Art. 14. In afwijking van artikel 13 worden de bepalingen bedoeld in hoofdstuk 3 verlengd onder dezelfde voorwaarden tot 31 maart 2021.
Alle termijnen die in hoofdstuk 3 zijn vastgesteld tot 30 september 2020, worden verlengd tot 31 maart 2021.".
"Art. 14. In afwijking van artikel 13 worden de bepalingen bedoeld in hoofdstuk 3 verlengd onder dezelfde voorwaarden tot 31 maart 2021.
Alle termijnen die in hoofdstuk 3 zijn vastgesteld tot 30 september 2020, worden verlengd tot 31 maart 2021.".
Art. 83. Dans le chapitre 4, inséré par l'article 82, il est inséré un article 14 rédigé comme suit:
"Art. 14. En dérogation à l'article 13, les dispositions visées au chapitre 3 sont prolongées aux mêmes conditions jusqu'au 31 mars 2021.
Tous les délais prévus au chapitre 3 jusqu'au 30 septembre 2020 sont prolongés jusqu'au 31 mars 2021.".
"Art. 14. En dérogation à l'article 13, les dispositions visées au chapitre 3 sont prolongées aux mêmes conditions jusqu'au 31 mars 2021.
Tous les délais prévus au chapitre 3 jusqu'au 30 septembre 2020 sont prolongés jusqu'au 31 mars 2021.".
Art. 84. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 15 ingevoegd, luidende:
"Art. 15. De pensioeninstelling, de verzekeringsonderneming of de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening brengt de inrichters, werkgevers of rechtspersonen op sectoraal niveau die, op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, de toezegging niet hebben geschorst in overeenstemming met artikel 9, § 5, op duidelijke en begrijpelijke wijze op de hoogte van de in artikel 16, § 1 bedoelde mogelijkheid en van de verplichting van de inrichter, de werkgever of de rechtspersoon op sectoraal niveau die er gebruik van zou maken, om de betrokken aangeslotenen te informeren in overeenstemming met artikel 16, § 2.".
"Art. 15. De pensioeninstelling, de verzekeringsonderneming of de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening brengt de inrichters, werkgevers of rechtspersonen op sectoraal niveau die, op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, de toezegging niet hebben geschorst in overeenstemming met artikel 9, § 5, op duidelijke en begrijpelijke wijze op de hoogte van de in artikel 16, § 1 bedoelde mogelijkheid en van de verplichting van de inrichter, de werkgever of de rechtspersoon op sectoraal niveau die er gebruik van zou maken, om de betrokken aangeslotenen te informeren in overeenstemming met artikel 16, § 2.".
Art. 84. Dans le même chapitre, il est inséré un article 15 rédigé comme suit:
"Art. 15. L'organisme de pension, l'entreprise d'assurance ou l'institution de retraite professionnelle informe les organisateurs, employeurs ou personnes morales au niveau sectoriel qui, au moment de l'entrée en vigueur du présent chapitre, n'ont pas suspendu l'engagement conformément à l'article 9, § 5, de manière claire et compréhensible, de la possibilité visée à l'article 16, § 1er et de l'obligation de l'organisateur, de l'employeur ou de la personne morale au niveau sectoriel qui en ferait usage, d'en informer les affiliés concernés conformément à l'article 16, § 2.".
"Art. 15. L'organisme de pension, l'entreprise d'assurance ou l'institution de retraite professionnelle informe les organisateurs, employeurs ou personnes morales au niveau sectoriel qui, au moment de l'entrée en vigueur du présent chapitre, n'ont pas suspendu l'engagement conformément à l'article 9, § 5, de manière claire et compréhensible, de la possibilité visée à l'article 16, § 1er et de l'obligation de l'organisateur, de l'employeur ou de la personne morale au niveau sectoriel qui en ferait usage, d'en informer les affiliés concernés conformément à l'article 16, § 2.".
Art. 85. In hetzelfde hoofdstuk 4 wordt een artikel 16 ingevoegd, luidende:
"Art. 16. § 1. De inrichter, de werkgever of de rechtspersoon op sectoraal niveau die, ondanks een of meer situaties van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht of wegens economische redenen in het kader van de crisis van het coronavirus COVID-19 voor 30 september 2020, geen gebruik heeft gemaakt voor 30 september 2020 van de in artikel 9, § 5, bedoelde mogelijkheid tot schorsing, beschikt over een nieuwe termijn van 30 dagen na de ontvangst van de in artikel 15 bedoelde mededeling om de pensioeninstelling, de verzekeringsonderneming of de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening op de hoogte te brengen van zijn eventuele beslissing tot schorsing van de toezegging zoals die resulteert uit het pensioenreglement, uit de pensioenovereenkomst, uit het reglement of uit de overeenkomst.
Deze beslissing tot schorsing zal enkel van toepassing zijn voor de periode van tijdelijke werkloosheid van de betrokken aangeslotenen wegens overmacht of wegens economische redenen in het kader van de crisis van het coronavirus COVID-19 die zich voordoet na 30 september 2020.
Als de inrichter van een pensioentoezegging beslist om deze te schorsen in overeenstemming met lid 1, blijft de overlijdensdekking niettegenstaande lid 1 echter behouden tot 31 maart 2021, zoals ze bestond op de dag voor de situatie van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht of wegens economische redenen in het kader van de crisis van het coronavirus COVID-19, voor zover de aangeslotene in tijdelijke werkloosheid is wegens overmacht of wegens economische redenen in het kader van de crisis van het coronavirus COVID-19 tot die datum. In voorkomend geval kan de inrichter een uitstel van betaling van bijdragen genieten onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in hoofdstuk 3.
§ 2. De inrichter, werkgever of rechtspersoon op sectoraal niveau die gebruik maakt van de in § 1 bedoelde mogelijkheid, brengt de betrokken aangeslotenen via om het even welk communicatiemiddel naar zijn keuze op de hoogte van zijn beslissing om de toezegging te schorsen in overeenstemming met § 1 en van de gevolgen van deze beslissing voor de dekkingen bij leven en bij overlijden van de aangeslotene.
§ 3. De artikelen 10 en 11 zijn van toepassing in het kader van dit artikel.".
"Art. 16. § 1. De inrichter, de werkgever of de rechtspersoon op sectoraal niveau die, ondanks een of meer situaties van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht of wegens economische redenen in het kader van de crisis van het coronavirus COVID-19 voor 30 september 2020, geen gebruik heeft gemaakt voor 30 september 2020 van de in artikel 9, § 5, bedoelde mogelijkheid tot schorsing, beschikt over een nieuwe termijn van 30 dagen na de ontvangst van de in artikel 15 bedoelde mededeling om de pensioeninstelling, de verzekeringsonderneming of de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening op de hoogte te brengen van zijn eventuele beslissing tot schorsing van de toezegging zoals die resulteert uit het pensioenreglement, uit de pensioenovereenkomst, uit het reglement of uit de overeenkomst.
Deze beslissing tot schorsing zal enkel van toepassing zijn voor de periode van tijdelijke werkloosheid van de betrokken aangeslotenen wegens overmacht of wegens economische redenen in het kader van de crisis van het coronavirus COVID-19 die zich voordoet na 30 september 2020.
Als de inrichter van een pensioentoezegging beslist om deze te schorsen in overeenstemming met lid 1, blijft de overlijdensdekking niettegenstaande lid 1 echter behouden tot 31 maart 2021, zoals ze bestond op de dag voor de situatie van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht of wegens economische redenen in het kader van de crisis van het coronavirus COVID-19, voor zover de aangeslotene in tijdelijke werkloosheid is wegens overmacht of wegens economische redenen in het kader van de crisis van het coronavirus COVID-19 tot die datum. In voorkomend geval kan de inrichter een uitstel van betaling van bijdragen genieten onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in hoofdstuk 3.
§ 2. De inrichter, werkgever of rechtspersoon op sectoraal niveau die gebruik maakt van de in § 1 bedoelde mogelijkheid, brengt de betrokken aangeslotenen via om het even welk communicatiemiddel naar zijn keuze op de hoogte van zijn beslissing om de toezegging te schorsen in overeenstemming met § 1 en van de gevolgen van deze beslissing voor de dekkingen bij leven en bij overlijden van de aangeslotene.
§ 3. De artikelen 10 en 11 zijn van toepassing in het kader van dit artikel.".
Art. 85. Dans le même chapitre, il est inséré un article 16 rédigé comme suit:
"Art. 16. § 1er. L'organisateur, l'employeur ou la personne morale au niveau sectoriel qui, malgré une ou plusieurs situations de chômage temporaire pour cause de force majeure ou pour raisons économiques dans le cadre de la crise du coronavirus COVID-19 avant le 30 septembre 2020, n'a pas fait usage avant le 30 septembre 2020 de la possibilité de suspension visée à l'article 9, § 5, dispose d'un nouveau délai de 30 jours suivant la réception de la communication visée à l'article 15, pour informer l'organisme de pension, l'entreprise d'assurance ou l'institution de retraite professionnelle de sa décision éventuelle de suspendre l'engagement tel qu'il résulte du règlement de pension, de la convention de pension, du règlement ou de la convention.
Cette décision de suspension sera uniquement applicable pour la période de chômage temporaire des affiliés concernés pour cause de force majeure ou pour raisons économiques dans le cadre de la crise du coronavirus COVID-19 qui s'écoule après le 30 septembre 2020.
Si l'organisateur d'un engagement de pension décide de le suspendre conformément à l'alinéa 1er, la couverture décès est néanmoins, nonobstant l'alinéa 1er, maintenue jusqu'au 31 mars 2021 telle qu'elle existait à la veille de la situation de chômage temporaire pour cause de force majeure ou pour raisons économiques dans le cadre de la crise du coronavirus COVID-19, pour autant que l'affilié soit en chômage temporaire pour cause de force majeure ou pour raisons économiques dans le cadre de la crise coronavirus COVID-19 jusqu'à cette date. Le cas échéant, l'organisateur peut bénéficier du report de paiement des contributions aux mêmes conditions qu'au chapitre 3.
§ 2. L'organisateur, l'employeur ou la personne morale au niveau sectoriel qui fait usage de la possibilité visée au § 1er, informe, par tout moyen de communication de son choix, les affiliés concernés, de sa décision de suspendre l'engagement conformément au § 1er et des conséquences de cette décision sur les couvertures en cas de vie et en cas de décès de l'affilié.
§ 3. Les articles 10 et 11 s'appliquent dans le cadre du présent article.".
"Art. 16. § 1er. L'organisateur, l'employeur ou la personne morale au niveau sectoriel qui, malgré une ou plusieurs situations de chômage temporaire pour cause de force majeure ou pour raisons économiques dans le cadre de la crise du coronavirus COVID-19 avant le 30 septembre 2020, n'a pas fait usage avant le 30 septembre 2020 de la possibilité de suspension visée à l'article 9, § 5, dispose d'un nouveau délai de 30 jours suivant la réception de la communication visée à l'article 15, pour informer l'organisme de pension, l'entreprise d'assurance ou l'institution de retraite professionnelle de sa décision éventuelle de suspendre l'engagement tel qu'il résulte du règlement de pension, de la convention de pension, du règlement ou de la convention.
Cette décision de suspension sera uniquement applicable pour la période de chômage temporaire des affiliés concernés pour cause de force majeure ou pour raisons économiques dans le cadre de la crise du coronavirus COVID-19 qui s'écoule après le 30 septembre 2020.
Si l'organisateur d'un engagement de pension décide de le suspendre conformément à l'alinéa 1er, la couverture décès est néanmoins, nonobstant l'alinéa 1er, maintenue jusqu'au 31 mars 2021 telle qu'elle existait à la veille de la situation de chômage temporaire pour cause de force majeure ou pour raisons économiques dans le cadre de la crise du coronavirus COVID-19, pour autant que l'affilié soit en chômage temporaire pour cause de force majeure ou pour raisons économiques dans le cadre de la crise coronavirus COVID-19 jusqu'à cette date. Le cas échéant, l'organisateur peut bénéficier du report de paiement des contributions aux mêmes conditions qu'au chapitre 3.
§ 2. L'organisateur, l'employeur ou la personne morale au niveau sectoriel qui fait usage de la possibilité visée au § 1er, informe, par tout moyen de communication de son choix, les affiliés concernés, de sa décision de suspendre l'engagement conformément au § 1er et des conséquences de cette décision sur les couvertures en cas de vie et en cas de décès de l'affilié.
§ 3. Les articles 10 et 11 s'appliquent dans le cadre du présent article.".
Art. 86. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 17 ingevoegd, luidende:
"Art. 17. Wat betreft de inrichters, werkgevers of rechtspersonen op sectoraal niveau bij wie de eerste situatie van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht of wegens economische redenen in het kader van de crisis van het coronavirus COVID-19 optreedt na 30 september 2020, kan de mededeling van hun eventuele beslissing tot weigering in het kader van artikel 9, § 5, ook, onverminderd de mogelijkheden bedoeld in artikel 9, § 5, plaatsvinden binnen 30 dagen na de ontvangst van de in artikel 15 bedoelde mededeling.".
"Art. 17. Wat betreft de inrichters, werkgevers of rechtspersonen op sectoraal niveau bij wie de eerste situatie van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht of wegens economische redenen in het kader van de crisis van het coronavirus COVID-19 optreedt na 30 september 2020, kan de mededeling van hun eventuele beslissing tot weigering in het kader van artikel 9, § 5, ook, onverminderd de mogelijkheden bedoeld in artikel 9, § 5, plaatsvinden binnen 30 dagen na de ontvangst van de in artikel 15 bedoelde mededeling.".
Art. 86. Dans le même chapitre, il est inséré un article 17 rédigé comme suit:
"Art. 17. Pour les organisateurs, employeurs ou personnes morales au niveau sectoriel au sein desquels la première situation de chômage temporaire pour cause de force majeure ou pour raisons économiques dans le cadre de la crise du coronavirus COVID-19 intervient après le 30 septembre 2020, la communication de sa décision de refus éventuel dans le cadre de l'article 9, § 5, peut également, sans préjudice des possibilités visées à l'article 9, § 5, intervenir dans les 30 jours qui suivent la réception de la communication visée à l'article 15.".
"Art. 17. Pour les organisateurs, employeurs ou personnes morales au niveau sectoriel au sein desquels la première situation de chômage temporaire pour cause de force majeure ou pour raisons économiques dans le cadre de la crise du coronavirus COVID-19 intervient après le 30 septembre 2020, la communication de sa décision de refus éventuel dans le cadre de l'article 9, § 5, peut également, sans préjudice des possibilités visées à l'article 9, § 5, intervenir dans les 30 jours qui suivent la réception de la communication visée à l'article 15.".
Art. 87. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 18 ingevoegd dat luidt als volgt:
"Art. 18. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2020, met uitzondering van artikel 14, eerste lid, dat uitwerking heeft met ingang van 30 september 2020.".
"Art. 18. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2020, met uitzondering van artikel 14, eerste lid, dat uitwerking heeft met ingang van 30 september 2020.".
Art. 87. Dans le même chapitre, il est inséré un article 18 rédigé comme suit:
"Art. 18. Le présent chapitre produit ses effets le 1er octobre 2020, à l'exception de l'article 14, alinéa 1er, qui produit ses effets le 30 septembre 2020.".
"Art. 18. Le présent chapitre produit ses effets le 1er octobre 2020, à l'exception de l'article 14, alinéa 1er, qui produit ses effets le 30 septembre 2020.".
Art. 88. In diezelfde wet wordt een hoofdstuk 5 ingevoegd na artikel 18, met als titel "Hoofdstuk 5 - Controle".
Art. 88. Dans la même loi, il est inséré un chapitre 5 après l'article 18, intitulé "Chapitre 5 - Contrôle".
Art. 89. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 88, wordt een artikel 19 ingevoegd, luidende:
"Art. 19. De controle op de naleving van de bepalingen van hoofdstuk 3 en van hoofdstuk 4 en van hun uitvoeringsbesluiten wordt toevertrouwd aan de FSMA.".
"Art. 19. De controle op de naleving van de bepalingen van hoofdstuk 3 en van hoofdstuk 4 en van hun uitvoeringsbesluiten wordt toevertrouwd aan de FSMA.".
Art. 89. Dans le chapitre 5, inséré par l'article 88, il est inséré un article 19 rédigé comme suit:
"Art. 19. Le contrôle du respect des dispositions du chapitre 3 et du chapitre 4 et de leurs arrêtés d'exécution est confié à la FSMA.".
"Art. 19. Le contrôle du respect des dispositions du chapitre 3 et du chapitre 4 et de leurs arrêtés d'exécution est confié à la FSMA.".
Art. 90. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 30 september 2020, met uitzondering van artikel 78, dat uitwerking heeft met ingang van 30 juni 2020.
Art. 90. Le présent chapitre produit ses effets le 30 septembre 2020, à l'exception de l'article 78 qui produit ses effets le 30 juin 2020.
TITEL 9. - Beleid en ondersteuning
TITRE 9. - Stratégie et appui
ENIG HOOFDSTUK. - Budgettaire investeringsfonds van de federale overheid: Het klimaat, transitie en relance fonds
CHAPITRE UNIQUE. - Fonds budgétaire d'investissements de l'autorité fédérale: le fonds climat, transition et relance
Art. 91. § 1. Er wordt een budgettaire investeringsfonds van de federale overheid opgericht dat een begrotingsfonds vormt in de zin van artikel 62 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat.
Het fonds mag beschikken over een vastleggingsmachtiging, waarvan het bedrag jaarlijks wordt vastgesteld in de algemene uitgavenbegroting.
§ 2. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, wordt de rubriek 06 - Beleid en Ondersteuning aangevuld als volgt:
"Benaming van het organiek begrotingsfonds:
06-1 Het klimaat, transitie en relance fonds
Aard van de toegewezen ontvangsten:
- Opbrengsten afkomstig van de Europese Unie
- Opbrengsten voortvloeiend uit de terugbetaling van de ongebruikte middelen die toegekend werden in het kader van dit fonds.
Aard van de gemachtigde uitgaven:
Investeringen in het kader van het federale investeringsplan.".
Het fonds mag beschikken over een vastleggingsmachtiging, waarvan het bedrag jaarlijks wordt vastgesteld in de algemene uitgavenbegroting.
§ 2. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, wordt de rubriek 06 - Beleid en Ondersteuning aangevuld als volgt:
"Benaming van het organiek begrotingsfonds:
06-1 Het klimaat, transitie en relance fonds
Aard van de toegewezen ontvangsten:
- Opbrengsten afkomstig van de Europese Unie
- Opbrengsten voortvloeiend uit de terugbetaling van de ongebruikte middelen die toegekend werden in het kader van dit fonds.
Aard van de gemachtigde uitgaven:
Investeringen in het kader van het federale investeringsplan.".
Art. 91. § 1er. Un fonds budgétaire d'investissements de l'autorité fédérale est créé. Il constitue un fonds budgétaire au sens de l'article 62 de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral.
Le fonds peut disposer d'une autorisation d'engagement dont le montant est fixé annuellement dans le budget général des dépenses.
§ 2. Dans le tableau joint à la loi du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, la rubrique 06 - Stratégie et Appui est complétée comme suit:
"Dénomination du fonds budgétaire organique:
06-1 Le fonds climat, transition et relance
Nature des recettes affectées:
- Recettes provenant de l'Union européenne
- Recettes issues des remboursements des soldes non utilisés des moyens octroyés dans le cadre du présent fonds.
Nature des dépenses autorisées:
Investissements dans le cadre du plan fédéral d'investissements.".
Le fonds peut disposer d'une autorisation d'engagement dont le montant est fixé annuellement dans le budget général des dépenses.
§ 2. Dans le tableau joint à la loi du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, la rubrique 06 - Stratégie et Appui est complétée comme suit:
"Dénomination du fonds budgétaire organique:
06-1 Le fonds climat, transition et relance
Nature des recettes affectées:
- Recettes provenant de l'Union européenne
- Recettes issues des remboursements des soldes non utilisés des moyens octroyés dans le cadre du présent fonds.
Nature des dépenses autorisées:
Investissements dans le cadre du plan fédéral d'investissements.".
TITEL 10. - Wijziging van de wet van 21 maart 1991 houdende hervorming van sommige economische overheidsbedrijven
TITRE 10. - Modification de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques
Art. 92. In artikel 141quinquies van de wet van 21 maart 1991 houdende hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, worden de woorden "31 december 2020" vervangen door de woorden "31 december 2021".
Art. 92. Dans l'article 141quinquies de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, les mots "31 décembre 2020" sont remplacés par les mots "31 décembre 2021".
TITEL 11. - Deelname van België aan de algemene en selectieve verhoging van het kapitaal van de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling
TITRE 11. - Participation de la Belgique à l'augmentation générale et sélective du capital de la Banque internationale pour la Reconstruction et le Développement
Art. 93. België schrijft in op 3 596 nieuwe aandelen van elk 120 635 USD in het maatschappelijk kapitaal van de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling overeenkomstig resolutie 663 van 1 oktober 2018 van de Raad van Gouverneurs van de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling over de algemene kapitaalverhoging 2018.
Art. 93. La Belgique souscrit 3 596 actions nouvelles valant chacune 120 635 USD du capital social de la Banque internationale pour la Reconstruction et le Développement, en vertu de la résolution 663 du 1er octobre 2018 du Conseil des Gouverneurs de la Banque internationale pour la Reconstruction et le Développement sur l'augmentation générale de capital 2018.
Art. 94. België schrijft in op 2 272 nieuwe aandelen van elk 120 635 USD in het maatschappelijk kapitaal van de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling overeenkomstig de resolutie 664 van 1 oktober 2018 van de Raad van Gouverneurs van de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling over de selectieve kapitaalverhoging 2018.
Art. 94. La Belgique souscrit 2 272 actions nouvelles valant chacune 120 635 USD du capital social de la Banque internationale pour la Reconstruction et le Développement, en vertu de la résolution 664 du 1er octobre 2018 du Conseil des Gouverneurs de la Banque internationale pour la Reconstruction et le Développement sur l'augmentation sélective de capital 2018.
Art. 95. [1 Een bedrag van 103.205.655 (honderd en drie miljoen tweehonderdenvijfduizend zeshonderdvijfenvijftig) USD wordt verrekend ten laste van de vastleggingskredieten van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2020, sectie 14 - FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking organisatieafdeling 54, activiteitenprogramma 33, basisallocatie 84.23.06.
Dit bedrag zal in 2020 worden vastgelegd en in 5 schijven uitbetaald gedurende de volgende begrotingsjaren:
2020: 20.641.131 USD
2021: 0
2022: 20.641.131 USD
2023: 20.641.131 USD
2024: 41.282.262 USD.]1
Dit bedrag zal in 2020 worden vastgelegd en in 5 schijven uitbetaald gedurende de volgende begrotingsjaren:
2020: 20.641.131 USD
2021: 0
2022: 20.641.131 USD
2023: 20.641.131 USD
2024: 41.282.262 USD.]1
Art. 95. [1 Un montant de 103.205.655 (cent trois millions deux cent cinq mille six cent cinquante-cinq) USD est imputé à charge des crédits d'engagements sur le budget général des dépenses pour l'année budgétaire 2020, section 14 - SPF Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement division organique 54, programme d'activités 33, allocation de base 84.23.06.
Ce montant sera engagé en 2020 et payé en 5 tranches durant les années budgétaires suivantes:
2020: 20.641.131 USD
2021: 0
2022: 20.641.131 USD
2023: 20.641.131 USD
2024: 41.282.262 USD.]1
Ce montant sera engagé en 2020 et payé en 5 tranches durant les années budgétaires suivantes:
2020: 20.641.131 USD
2021: 0
2022: 20.641.131 USD
2023: 20.641.131 USD
2024: 41.282.262 USD.]1
Wijzigingen
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I bij de programmawet van 20 december 2020
Art. N1. Annexe Ier à la loi-programme du 20 décembre 2020
| Retributieplichtig feit | Retributieplichtige | Bedrag | Bedrag bij onontvankelijkheid of intrekking door de aanvrager tijdens het ontvankelijkheids-onderzoek |
| VII.10.1.1.1 D436 - Aanvraag type 1 voor een advies zoals bedoeld in art. 4/2, met betrekking tot een gezondheidsproduct of een combinatieproduct van medische hulpmiddelen en geneesmiddelen of menselijk lichaamsmateriaal | De aanvrager | 4.510 euro | 0 euro |
| VII.10.1.1.2. D437 - Aanvraag type 2 voor een advies zoals bedoeld in art. 4/2, met betrekking tot een gezondheidsproduct of een combinatieproduct van medische hulpmiddelen en geneesmiddelen of menselijk lichaamsmateriaal | De aanvrager | 15.333 euro | 0 euro |
| VII.10.1.1.3. D438 - Aanvraag type 3 voor een advies zoals bedoeld in art. 4/2, met betrekking tot een gezondheidsproduct of een combinatieproduct van medische hulpmiddelen en geneesmiddelen of menselijk lichaamsmateriaal | De aanvrager | 20.984 euro | 0 euro |
| VII.10.1.1.4. D439 - Aanvraag voor een advies zoals bedoeld in art. 4/2, met betrekking tot een product waarvan de kwalificatie en, indien van toepassing, de klassificatie onduidelijk is, en waarvan de aanvrager verzoekt om de kwalificatie als geneesmiddel, gezondheidsproduct, of combinatieproduct van medische hulpmiddelen en geneesmiddelen of menselijk lichaamsmateriaal, en/of de klassificatie, te onderzoeken ("borderline" producten) | De aanvrager | 15.115 euro | 0 euro |
| VII.10.1.1.5 D440 - Aanvraag van een wetenschappelijk advies als bedoeld in bijlage IX, punt 5.2, onder b); punt 5.3.1.onder a) of punt 5.4., onder b), van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen of aanvraag van een advies zoals bedoeld in bijlage IX, punt 5.2, onder c) van de verordening 2017/746 | De aanvrager | 40.317 euro | 0 euro |
| VII.10.1.1.6. D442 - Aanvraag van een wetenschappelijk advies als bedoeld in bijlage IX, punt 5.2, onder f) of punt 5.3.1.onder d), van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen of aanvraag van een advies als bedoeld in bijlage IX, punt 5.2, onder f), van de verordening 2017/746 | De aanvrager | 17.627 euro | 0 euro |
D436 - Aanvraag type 1 voor een advies zoals bedoeld in art. 4/2, met betrekking tot een gezondheidsproduct of een combinatieproduct van medische hulpmiddelen en geneesmiddelen of menselijk lichaamsmateriaal De aanvrager 4.510 euro 0 euro VII.10.1.1.2.
D437 - Aanvraag type 2 voor een advies zoals bedoeld in art. 4/2, met betrekking tot een gezondheidsproduct of een combinatieproduct van medische hulpmiddelen en geneesmiddelen of menselijk lichaamsmateriaal De aanvrager 15.333 euro 0 euro VII.10.1.1.3.
D438 - Aanvraag type 3 voor een advies zoals bedoeld in art. 4/2, met betrekking tot een gezondheidsproduct of een combinatieproduct van medische hulpmiddelen en geneesmiddelen of menselijk lichaamsmateriaal De aanvrager 20.984 euro 0 euro VII.10.1.1.4.
D439 - Aanvraag voor een advies zoals bedoeld in art. 4/2, met betrekking tot een product waarvan de kwalificatie en, indien van toepassing, de klassificatie onduidelijk is, en waarvan de aanvrager verzoekt om de kwalificatie als geneesmiddel, gezondheidsproduct, of combinatieproduct van medische hulpmiddelen en geneesmiddelen of menselijk lichaamsmateriaal, en/of de klassificatie, te onderzoeken ("borderline" producten) De aanvrager 15.115 euro 0 euro VII.10.1.1.5
D440 - Aanvraag van een wetenschappelijk advies als bedoeld in bijlage IX, punt 5.2, onder b); punt 5.3.1.onder a) of punt 5.4., onder b), van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen of aanvraag van een advies zoals bedoeld in bijlage IX, punt 5.2, onder c) van de verordening 2017/746 De aanvrager 40.317 euro 0 euro VII.10.1.1.6.
D442 - Aanvraag van een wetenschappelijk advies als bedoeld in bijlage IX, punt 5.2, onder f) of punt 5.3.1.onder d), van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen of aanvraag van een advies als bedoeld in bijlage IX, punt 5.2, onder f), van de verordening 2017/746 De aanvrager 17.627 euro 0 euro
| Fait générateur | Redevable | Montant | Montant en cas d'irrecevabilité ou de retrait par le demandeur lors du contrôle de la recevabilité |
| VII.10.1.1.1 D436 - Demande d'avis de type 1 visée à l'article 4/2, concernant un produit de santé ou un produit combiné de dispositifs médicaux et de médicaments ou de matériel corporel humain | Le demandeur | 4.510 euros | 0 euro |
| VII.10.1.1.2. D437 - Demande d'avis de type 2 visée à l'article 4/2, concernant un produit de santé ou un produit combiné de dispositifs médicaux et de médicaments ou de matériel corporel humain | Le demandeur | 15.333 euros | 0 euro |
| VII.10.1.1.3. D438 - Demande d'avis de type 3 visée à l'article 4/2, concernant un produit de santé ou un produit combiné de dispositifs médicaux et de médicaments ou de matériel corporel humain | Le demandeur | 20.984 euros | 0 euro |
| VII.10.1.1.4. D439 - Demande d'avis, visée à l'article 4/2, concernant un produit dont la qualification et, le cas échéant, la classification ne sont pas claires et pour lequel le demandeur demande à examiner sa qualification en tant que médicament, produit de santé ou produit combiné de dispositifs médicaux et de médicaments ou de matériel corporel humain, et/ou sa classification (produits "borderline") | Le demandeur | 15.115 euros | 0 euro |
| VII.10.1.1.5 D440 - Demande d'avis scientifique, visée à l'annexe IX, point 5.2, le b); point 5.3.1., le a) ou point 5.4., le b), du règlement (UE) 2017/745 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux ou la demande visée à l'annexe IX, point 5.2, le c) du règlement (UE) 2017/746 | Le demandeur | 40.317 euros | 0 euro |
| VII.10.1.1.6. D442 - Demande d'avis scientifique, visée à l'annexe IX, point 5.2, le f) ou point 5.3.1., le d), du règlement (UE) 2017/745 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux ou la demande visée à l'annexe IX, point 5.2, le f) du règlement (UE) 2017/746 | Le demandeur | 17.627 euros | 0 euro |
D436 - Demande d'avis de type 1 visée à l'article 4/2, concernant un produit de santé ou un produit combiné de dispositifs médicaux et de médicaments ou de matériel corporel humain Le demandeur 4.510 euros 0 euro VII.10.1.1.2.
D437 - Demande d'avis de type 2 visée à l'article 4/2, concernant un produit de santé ou un produit combiné de dispositifs médicaux et de médicaments ou de matériel corporel humain Le demandeur 15.333 euros 0 euro VII.10.1.1.3.
D438 - Demande d'avis de type 3 visée à l'article 4/2, concernant un produit de santé ou un produit combiné de dispositifs médicaux et de médicaments ou de matériel corporel humain Le demandeur 20.984 euros 0 euro VII.10.1.1.4.
D439 - Demande d'avis, visée à l'article 4/2, concernant un produit dont la qualification et, le cas échéant, la classification ne sont pas claires et pour lequel le demandeur demande à examiner sa qualification en tant que médicament, produit de santé ou produit combiné de dispositifs médicaux et de médicaments ou de matériel corporel humain, et/ou sa classification (produits "borderline") Le demandeur 15.115 euros 0 euro VII.10.1.1.5
D440 - Demande d'avis scientifique, visée à l'annexe IX, point 5.2, le b); point 5.3.1., le a) ou point 5.4., le b), du règlement (UE) 2017/745 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux ou la demande visée à l'annexe IX, point 5.2, le c) du règlement (UE) 2017/746 Le demandeur 40.317 euros 0 euro VII.10.1.1.6.
D442 - Demande d'avis scientifique, visée à l'annexe IX, point 5.2, le f) ou point 5.3.1., le d), du règlement (UE) 2017/745 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2017 relatif aux dispositifs médicaux ou la demande visée à l'annexe IX, point 5.2, le f) du règlement (UE) 2017/746 Le demandeur 17.627 euros 0 euro
Art. N2. Bijlage II bij de programmawet van 20 december 2020
Art. N2. Annexe II à la loi-programme du 20 décembre 2020
| VII.8.1.9 - Herinspectie Goede Praktijken b het vervaardigen van geneesmiddelen (Good Manufacturing Practices) | De geherinspecteerde | EUR 3.162,00 per dag ter plaatse per inspecteur |
| VII.8.1.10 - Herinspectie Goede Distributiepraktijken voor geneesmiddelen (Good Distribution Practices) | De geherinspecteerde | EUR 2.412,00 per dag ter plaatse per inspecteur |
| VII.8.1.11 - Herinspectie Goede Klinische Praktijken Medische Hulpmiddelen (Good Clinical Practices Medical Devices) | De geherinspecteerde | EUR 3.162,00 per dag ter plaatse per inspecteur |
| VII.8.1.12 - Herinspectie EU Vertegenwoordiger Medische Hulpmiddelen (EU Representative) | De geherinspecteerde | EUR 2.412,00 per dag ter plaatse per inspecteur |
| VII.8.1.13 - Herinspectie Herverpakking Omlabeling Medische Hulpmiddelen (Repack Relabel) | De geherinspecteerde | EUR 2.412,00 per dag ter plaatse per inspecteur |
| VII.8.1.14 - Herinspectie In-Huisproductie Medische Hulpmiddelen (In-House) | De geherinspecteerde | EUR 3.162,00 per dag ter plaatse per inspecteur |
| VII.8.1.15 - Herinspectie Invoer Medische Hulpmiddelen (Import) | De geherinspecteerde | EUR 2.412,00 per dag ter plaatse per inspecteur |
| VII.8.1.16 - Herinspectie Technische aanbieder van thuiszorgdiensten (Service and Technical Home Assistant) | De geherinspecteerde | EUR 2.412,00 per dag ter plaatse per inspecteur |
| VII.8.1.17 - Herinspectie Goede Klinische Praktijken Geneesmiddel (Good Clinical Practices Medicinal Product) | De geherinspecteerde | EUR 3.162,00 per dag ter plaatse per inspecteur |
| VII.8.1.18 - Herinspectie Geneesmiddelenbewaking Humaan (Pharmacovigilance Human) | De geherinspecteerde | EUR 3.162,00 per dag ter plaatse per inspecteur |
| VII.8.1.19 - Herinspectie Geneesmiddelenbewaking Veterinair (Pharmacovigilance Veterinary) | De geherinspecteerde | EUR 3.162,00 per dag ter plaatse per inspecteur |
| VII.8.1.20 - Herinspectie Approved Laboratory | De geherinspecteerde | EUR 3.162,00 per dag ter plaatse per inspecteur |
| VII.8.1.9 - Réinspection Bonnes Pratiques de Fabrication des médicaments (Good Manufacturing Practices) | Le réinspecté | EUR 3.162,00 par jour sur place par inspecteur |
| VII.8.1.10 - Réinspection Bonnes Pratiques de Distribution des médicaments (Good Distribution Practices) | Le réinspecté | EUR 2.412,00 par jour sur place par inspecteur |
| VII.8.1.11 - Réinspection Bonnes Pratiques Cliniques Dispositifs Médicaux (Good Clinical Practices Medical Devices) | Le réinspecté | EUR 3.162,00 par jour sur place par inspecteur |
| VII.8.1.12 - Réinspection EU Représentant Dispositifs Médicaux (EU Representative) | Le réinspecté | EUR 2.412,00 par jour sur place par inspecteur |
| VII.8.1.13 - Réinspection Reconditionnement Re-étiquetage Dispositifs Médicaux (Repack Relabel) | Le réinspecté | EUR 2.412,00 par jour sur place par inspecteur |
| VII.8.1.14 - Réinspection Fabrication interne Dispositifs Médicaux (In-House) | Le réinspecté | EUR 3.162,00 par jour sur place par inspecteur |
| VII.8.1.15 - Réinspection Importation Dispositifs Médicaux (Import) | Le réinspecté | EUR 2.412,00 par jour sur place par inspecteur |
| VII.8.1.16 - Réinspection Prestataire technique de services de soins à domicile (Service and Technical Home Assistant) | Le réinspecté | EUR 2.412,00 par jour sur place par inspecteur |
| VII.8.1.17 - Réinspection Good Clinical Practices Medicinal Product (Good Clinical Practices Medicinal Product) | Le réinspecté | EUR 3.162,00 par jour sur place par inspecteur |
| VII.8.1.18 - Réinspection Pharmacovigilance Humain (Pharmacovigilance Human) | Le réinspecté | EUR 3.162,00 par jour sur place par inspecteur |
| VII.8.1.19 - Réinspection Pharmacovigilance Vétérinaire (Pharmacovigilance Veterinary) | Le réinspecté | EUR 3.162,00 par jour sur place par inspecteur |
| VII.8.1.20 - Réinspection Approved Laboratory | Le réinspecté | EUR 3.162,00 par jour sur place par inspecteur |