Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
20 DECEMBER 2020. - Wet houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-2020 en tekstbijwerking tot 23-08-2023)
Titre
20 DECEMBRE 2020. - Loi portant des mesures de soutien temporaires en raison de la pandémie du COVID-19(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-2020 et mise à jour au 23-08-2023)
Documentinformatie
Numac: 2020044510
Datum: 2020-12-20
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2020044510
Date: 2020-12-20
Moniteur: Voir
Inhoud
TITEL I. - Algemene bepaling TITEL 2. - Diverse dringende fiscale bepalingen HOOFDSTUK 1. - Mondmaskers, hydroalcoholische g... HOOFDSTUK 2. - Verlenging van de geldigheidsduu... HOOFDSTUK 3. - Verlenging van de vrijstelling v... HOOFDSTUK 4. - Tijdelijke maatregelen voor de t... HOOFDSTUK 5. - Netto overuren bij de werkgevers... HOOFDSTUK 5/1. [1 - Netto overuren in de openba... HOOFDSTUK 6. - Bestaansmiddelen uit studentenar... HOOFDSTUK 7. - Consumptiecheques HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen betreffende de regis... HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van het Wetboek dive... TITEL 3. - Sociale bijstand HOOFDSTUK 1. - Wijziging van de wet van 26 mei ... HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Koninklijk bes... TITEL 4. - Sociale zaken HOOFDSTUK 1. - Verlenging van de toepassing van... HOOFDSTUK 2. - Tijdelijke uitbreiding van het t... HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 27 juni... HOOFDSTUK 4. - Toekenning van een aanvullende p... HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de wet van 4 novem... TITEL 5. - Werk HOOFDSTUK 1. - Compensatie van de werkgeverskos... HOOFDSTUK 2. - Bepalingen tot toekenning van ee... HOOFDSTUK 3. - Diverse arbeidsrechtelijke maatr... Afdeling 1. - Maatregelen tot vrijwaring van ee... Onderafdeling 1. - Begripsomschrijving Onderafdeling 2. - Mogelijkheid tot het afsluit... Onderafdeling 3. - Terbeschikkingstelling van w... Onderafdeling 4. - Tijdelijke tewerkstelling bi... Onderafdeling 5. - Verhoging van het aantal vri... Onderafdeling 6. - Opschorting van de voorwaard... Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 23 oktob... Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 4 august... Afdeling 4. - Inwerkingtreding en temporele toe... TITEL 6. - Mogelijkheid van verlenging van de m... TITEL 7. - Economie
Inhoud
TITRE 1er. - Disposition gĂ©nĂ©rale TITRE 2. - Diverses mesures fiscales urgentes CHAPITRE 1er. - Masques buccaux, gels hydroalco... CHAPITRE 2. - Prolongation de la durĂ©e de valid... CHAPITRE 3. - Prolongation de l'exonĂ©ration des... CHAPITRE 4. - Mesures temporaires pour l'applic... CHAPITRE 5. - Heures supplĂ©mentaires nettes che... CHAPITRE 5/1. [1 - Heures supplĂ©mentaires nette... CHAPITRE 6. - Ressources issues du travail Ă©tud... CHAPITRE 7. - ChĂšques consommation CHAPITRE 8. - Modifications relatives aux droit... CHAPITRE 9. - Modifications relatives du Code d... TITRE 3. - Aide sociale CHAPITRE 1er. - Modification de la loi du 26 ma... CHAPITRE 2. - Modification de l'arrĂȘtĂ© royal n°... TITRE 4. - Affaires sociales CHAPITRE 1er. - Prolongation de l'application d... CHAPITRE 2. - Extension temporaire du champ d'a... CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 27 juin... CHAPITRE 4. - Octroi d'une indemnitĂ© d'incapaci... CHAPITRE 5. - Modification de la loi du 4 novem... TITRE 5. - Emploi CHAPITRE 1er. - Compensation du coĂ»t pour les e... CHAPITRE 2. - Dispositions accordant une subven... CHAPITRE 3. - Diverses mesures sur le plan du d... Section 1re. - Mesures visant Ă  garantir la bon... Sous-section 1re. - DĂ©finition Sous-section 2. - PossibilitĂ© de conclure des c... Sous-section 3. - Mise Ă  disposition de travail... Sous-section 4. - Emploi temporaire auprĂšs d'em... Sous-section 5. - Augmentation du nombre d'heur... Sous-section 6. - Suspension de la condition de... Section 2. - Modification de la loi du 23 octob... Section 3. - Modification de la loi du 4 aoĂ»t 1... Section 4. - EntrĂ©e en vigueur et application d... TITRE 6. - PossibilitĂ© de prolongation des mesures TITRE 7. - Economie
Tekst (104)
Texte (104)
TITEL I. - Algemene bepaling
TITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi rÚgle une matiÚre visée à l'article 74 de la Constitution.
TITEL 2. - Diverse dringende fiscale bepalingen
TITRE 2. - Diverses mesures fiscales urgentes
HOOFDSTUK 1. - Mondmaskers, hydroalcoholische gels, COVID-19- vaccins en medisch hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek van deze ziekte
CHAPITRE 1er. - Masques buccaux, gels hydroalcooliques, vaccins contre la COVID-19 et dispositifs médicaux de diagnostic in vitro de cette maladie
Art. 2. Artikel 1ter van koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van goederen en diensten bij die tarieven, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 1 december 1995 en hersteld bij het koninklijk besluit van 5 mei 2020, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1ter. In afwijking van artikel 1, eerste lid, zijn vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 onderworpen aan het verlaagd tarief van 6 pct., de leveringen, de intracommunautaire verwervingen en de invoeren van de hiernavolgende beschermingsmiddelen :
  1° mondmaskers bedoeld onder de GN-codes 4818 90 10 00, 4818 90 90 00, 6307 90 98 10, 6307 90 98 91, 6307 90 98 99 en 9020 00 00 80;
  2° hydroalcoholische gels bedoeld onder de GN-codes 2207 20 00, 3808 94 10, 3808 94 20 en 3808 94 90.".
Art. 2. L'article 1erter de l'arrĂȘtĂ© royal n° 20 du 20 juillet 1970 fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutĂ©e et dĂ©terminant la rĂ©partition des biens et des services selon ces taux, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 1er dĂ©cembre 1995 et rĂ©tabli par l'arrĂȘtĂ© royal du 5 mai 2020, est remplacĂ© par ce qui suit:
  "Art. 1erter. Par dérogation à l'article 1er, alinéa 1er, à partir du 1er janvier 2021 et jusqu'au 31 mars 2021, sont soumises au taux réduit de 6 p.c., les livraisons, les acquisitions intracommunautaires et les importations des biens de protection suivants :
  1° les masques buccaux visés sous les codes NC 4818 90 10 00, 4818 90 90 00, 6307 90 98 10, 6307 90 98 91, 6307 90 98 99 et 9020 00 00 80;
  2° les gels hydroalcooliques visés sous les codes NC 2207 20 00, 3808 94 10, 3808 94 20 et 3808 94 90.".
Art. 3. In het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, wordt een artikel 1ter/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1ter/2. In afwijking van artikel 1, eerste lid, zijn vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022 onderworpen aan het verlaagd tarief van 0 pct., de leveringen, de intracommunautaire verwervingen en de invoeren van COVID-19-vaccins en medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek tegen deze ziekte, alsook de diensten die nauw samenhangen met dergelijke vaccins en hulpmiddelen.".
Art. 3. Dans l'arrĂȘtĂ© royal n° 20 du 20 juillet 1970 fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutĂ©e et dĂ©terminant la rĂ©partition des biens et des services selon ces taux, il est insĂ©rĂ© un article 1erter/2 rĂ©digĂ© comme suit :
  "Art. 1erter/2. Par dérogation à l'article 1er, alinéa 1er, à partir du 1er janvier 2021 et jusqu'au 31 décembre 2022, sont soumises au taux réduit de 0 p.c. les livraisons, acquisitions intracommunautaires et importations de vaccins contre le COVID-19 et de dispositifs médicaux de diagnostic in vitro de cette maladie, ainsi que les prestations de services étroitement liés à ces vaccins et dispositifs.".
Art. 4. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2021.
Art. 4. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2021.
HOOFDSTUK 2. - Verlenging van de geldigheidsduur van de maaltijdcheques, ecocheques en sport/cultuurcheques als gevolg van de COVID-19-pandemie
CHAPITRE 2. - Prolongation de la durée de validité des chÚques-repas, éco-chÚques et chÚques sport/culture suite à la pandémie du COVID-19
Art. 5. Voor de toepassing van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 25°, en 53, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 blijft aan de in artikel 38/1 van hetzelfde Wetboek vermelde voorwaarden voldaan wanneer :
  1° de in artikel 38/1, § 2, 4°, van hetzelfde Wetboek bedoelde geldigheidsduur voor de elektronische maaltijdcheques die tussen 1 maart 2020 en 30 juni 2020 inbegrepen en tussen 1 november 2020 en 31 maart 2021 inbegrepen verlopen, met 6 maanden wordt verlengd;
  2° de in artikel 38/1, § 3, 3°, van het voormelde Wetboek bedoelde geldigheidsduur van de sport- en cultuurcheques die op 30 september 2020 verlopen, wordt verlengd tot en met 30 september 2021;
  [1 2° /1 de in artikel 38/1, § 3, 3°, van het voormelde Wetboek bedoelde geldigheidsduur van de sport- en cultuurcheques die op 30 september 2021 verlopen, wordt verlengd tot 30 september 2022;]1
  3° de in artikel 38/1, § 4, 4°, van hetzelfde Wetboek bedoelde geldigheidsduur voor de ecocheques die tussen 1 maart 2020 en 30 juni 2020 inbegrepen en tussen 1 november 2020 en 31 maart 2021 inbegrepen verlopen, met 6 maanden wordt verlengd.
  De geldigheidsduur van de maaltijdcheques en ecocheques die verlopen in mei en juni 2020 die met 6 maand is verlengd, kan nogmaals met 6 maanden worden verlengd.
  [1 De geldigheidsduur van de sport- en cultuurcheques die verlopen op 30 september 2020 die tot 30 september 2021 is verlengd, wordt nogmaals verlengd tot 30 september 2022.]1
  [2 Artikel 38/1, § 2, tweede lid, en § 4, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is eveneens van toepassing op respectievelijk de maaltijdcheques en eco-cheques waarvan de geldigheidsduur overeenkomstig dit artikel is verlengd.]2
  De Koning kan de in het eerste lid, 1° en 3°, bedoelde periode van 6 maanden voor alle of een gedeelte van de in die bepalingen bedoelde cheques verlengen tot maximum 12 maanden. De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van het in uitvoering van de vorige zin genomen besluit. Dat besluit wordt geacht geen uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de 12 maanden na de datum van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
  
Art. 5. Pour l'application des articles 38, § 1er, alinĂ©a 1er, 25°, et 53, 14°, du Code des impĂŽts sur les revenus 1992, les conditions visĂ©es Ă  l'article 38/1 du mĂȘme Code restent remplies lorsque :
  1° la durĂ©e de validitĂ©, visĂ©e Ă  l'article 38/1, § 2, 4°, du mĂȘme Code, des chĂšques-repas Ă©lectroniques qui expirent entre le 1er mars 2020 et le 30 juin 2020 compris et entre le 1er novembre 2020 et le 31 mars 2021 compris, est prolongĂ©e de 6 mois;
  2° la durĂ©e de validitĂ©, visĂ©e Ă  l'article 38/1, § 3, 3°, du mĂȘme Code, des chĂšques sport et culture qui expirent le 30 septembre 2020, est prolongĂ©e jusqu'au 30 septembre 2021 inclus;
  [1 2° /1 la durée de validité visée à l'article 38/1, § 3, 3°, du Code précité pour les chÚques sport et culture qui expirent le 30 septembre 2021 est prolongée jusqu'au 30 septembre 2022 ;]1
  3° la durĂ©e de validitĂ©, visĂ©e Ă  l'article 38/1, § 4, 4°, du mĂȘme Code, des Ă©co-chĂšques qui expirent entre le 1er mars 2020 et le 30 juin 2020 compris et entre le 1er novembre 2020 et le 31 mars 2021 compris, est prolongĂ©e de 6 mois.
  La durĂ©e de validitĂ© des chĂšques-repas et des Ă©co-chĂšques expirant en mai et juin 2020, qui est prolongĂ©e de 6 mois, peut ĂȘtre Ă  nouveau prolongĂ©e de 6 mois.
  [1 La durée de validité des chÚques sport et culture qui expirent le 30 septembre 2020 qui a été prolongée jusqu'au 30 septembre 2021 est prolongée à nouveau jusqu'au 30 septembre 2022.]1
  [2 L'article 38/1, § 2, alinéa 2, et § 4, alinéa 2, du Code des impÎts sur les revenus 1992 est également applicable respectivement aux titres-repas et aux éco-chÚques dont la durée de validité a été prolongée conformément au présent article.]2
  Le Roi peut prolonger la pĂ©riode de 6 mois visĂ©e Ă  l'alinĂ©a 1er, 1° et 3°, de tout ou partie des chĂšques visĂ©s dans ces dispositions jusqu'Ă  maximum 12 mois. Le Roi saisira la Chambre des reprĂ©sentants immĂ©diatement si elle est rĂ©unie, sinon dĂšs l'ouverture de sa plus prochaine session, d'un projet de loi de confirmation de l'arrĂȘtĂ© pris en exĂ©cution de la phrase prĂ©cĂ©dente. Ledit arrĂȘtĂ© est censĂ© ne pas avoir produit ses effets s'il n'a pas Ă©tĂ© confirmĂ© par la loi dans les 12 mois de la date de sa publication au Moniteur belge.
  
Art.5/1.[1 Voor de toepassing van de artikelen 38, § 1, eerste lid, 25°, en 53, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 blijft aan de in artikel 38/1 van hetzelfde Wetboek bedoelde voorwaarden voldaan wanneer:
   1° maaltijdcheques waarvan de geldigheidsduur in 2020 [2 en 2021]2 is afgelopen en niet werd verlengd overeenkomstig artikel 5, worden heruitgegeven door de uitgever van de cheques ten belope van hetzelfde bedrag als van de in 2020 [2 en 2021]2 vervallen cheques met een geldigheidsduur van twaalf maanden vanaf het ogenblik dat de nieuwe maaltijdcheque op de maaltijdchequerekening wordt geplaatst;
   2° ecocheques waarvan de geldigheidsduur in 2020 [2 en 2021]2 is afgelopen en niet werd verlengd overeenkomstig artikel 5, worden heruitgegeven door de uitgever van de ecocheques ten belope van hetzelfde bedrag als van de in 2020 [2 en 2021]2 vervallen ecocheques met een geldigheidsduur van vierentwintig maanden vanaf de datum van hun terbeschikkingstelling aan de werknemer of bedrijfsleider indien het een papieren ecocheque betreft of vierentwintig maanden te rekenen vanaf het ogenblik dat de cheque op de ecochequerekening wordt geplaatst indien het elektronische ecocheque betreft.]1

  [3 Artikel 38/1, § 2, tweede lid, en § 4, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is eveneens van toepassing op respectievelijk de maaltijdcheques en eco-cheques die overeenkomstig het eerste lid zijn heruitgegeven.]3
  
Art. 5/1. [1 Pour l'application des articles 38, § 1er, alinĂ©a 1er, 25°, et 53, 14°, du Code des impĂŽts sur les revenus 1992, les conditions visĂ©es Ă  l'article 38/1 du mĂȘme Code restent remplies lorsque :
   1° des titres-repas, dont la durĂ©e de validitĂ© a expirĂ© en 2020 [2 et 2021]2 et n'a pas Ă©tĂ© prolongĂ©e conformĂ©ment Ă  l'article 5, sont réémis par l'Ă©metteur des titres pour un montant Ă©quivalent au montant des titres expirĂ©s en 2020 [2 et 2021]2 et avec une durĂ©e de validitĂ© de douze mois, Ă  compter du moment oĂč le nouveau titre-repas est placĂ© sur le compte titres-repas;
   2° des Ă©co-chĂšques, dont la durĂ©e de validitĂ© a expirĂ© en 2020 [2 et 2021]2 et n'a pas Ă©tĂ© prolongĂ©e conformĂ©ment Ă  l'article 5, sont réémis par l'Ă©metteur des Ă©co-chĂšques pour un montant Ă©quivalent au montant des Ă©co-chĂšques expirĂ©s en 2020 [2 et 2021]2 et avec une durĂ©e de validitĂ© de vingt-quatre mois, Ă  compter de la date de leur mise Ă  la disposition du travailleur ou du dirigeant d'entreprise dans le cas d'un Ă©co-chĂšque papier, ou de vingt-quatre mois Ă  compter du moment oĂč l'Ă©co-chĂšque Ă©lectronique est chargĂ© sur le compte Ă©co-chĂšques s'il s'agit d'un Ă©co-chĂšque Ă©lectronique.]1

  [3 L'article 38/1, § 2, alinéa 2, et § 4, alinéa 2, du Code des impÎts sur les revenus 1992 est également applicable respectivement aux titres-repas et aux éco-chÚques qui ont été réémis conformément à l'alinéa 1er.]3
  
Art. 6. [1 Artikel 5]1 heeft uitwerking met ingang van 1 maart 2020.
  [2 In afwijking van het eerste lid, heeft artikel 5, eerste lid, 2° /1 en derde lid, uitwerking met ingang van 30 september 2021.]2
  [1 Artikel 5/1 heeft uitwerking met ingang van 30 december 2020.]1
  
Art. 6. [1 L'article 5]1 produit ses effets le 1er mars 2020.
  [2 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'article 5, alinéa 1er, 2° /1 et alinéa 3, produit ses effets le 30 septembre 2021.]2
  [1 L'article 5/1 produit ses effets le 30 décembre 2020.]1
  
HOOFDSTUK 3. - Verlenging van de vrijstelling van vergoedingen in het kader van steunmaatregelen die worden getroffen door de gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten
CHAPITRE 3. - Prolongation de l'exonération des indemnités dans le cadre des mesures d'aide prises par les régions, les communautés, les provinces ou les communes
Art. 7. In artikel 6 van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "die door de gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten worden toegekend voor de economische gevolgen die belastingplichtigen ondervinden naar aanleiding van de toepassing van de ministeriële besluiten van 13 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, 18 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken en 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, of" en het woord "andere" opgeheven;
  2° in het tweede lid, derde streepje, worden de woorden "31 december 2020" vervangen door de woorden "31 maart 2021".
  3° het artikel wordt aangevuld met een lid luidende :
  "In afwijking van de artikelen 49, 183 en 235 van hetzelfde Wetboek, wordt het deel van de vergoedingen dat voorheen overeenkomstig het eerste lid definitief van inkomstenbelastingen werd vrijgesteld en dat wordt terugbetaald ten gunste van het betrokken gewest, de betrokken gemeenschap, provincie of gemeente, niet als een aftrekbare beroepskost aangemerkt.".
Art. 7. Dans l'article 6 de la loi du 29 mai 2020 portant diverses mesures fiscales urgentes en raison de la pandémie du COVID-19, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinĂ©a 1er, les mots "attribuĂ©es par les rĂ©gions, les communautĂ©s, les provinces ou les communes en faveur des contribuables victimes des consĂ©quences Ă©conomiques dues Ă  l'application des arrĂȘtĂ©s ministĂ©riels des 13 mars 2020 portant des mesures d'urgence pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19, 18 mars 2020 portant des mesures d'urgence pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19 et 23 mars 2020 portant des mesures d'urgence pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19, ou", et le mot "autre", sont abrogĂ©s;
  2° dans l'alinéa 2, troisiÚme tiret, les mots "31 décembre 2020" sont remplacés par les mots "31 mars 2021".
  3° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Par dĂ©rogation aux articles 49, 183 et 235 du mĂȘme Code, la partie des indemnitĂ©s qui a Ă©tĂ© antĂ©rieurement dĂ©finitivement exonĂ©rĂ©e de l'impĂŽt sur les revenus conformĂ©ment Ă  l'alinĂ©a 1er, et qui est remboursĂ©e au profit de la rĂ©gion, de la communautĂ©, de la province ou de la commune concernĂ©e, n'est pas considĂ©rĂ©e comme frais professionnel dĂ©ductible.".
Art. 8. Artikel 7 treedt in werking op de dag van haar publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Art. 8. L'article 7 entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
HOOFDSTUK 4. - Tijdelijke maatregelen voor de toepassing van het stelsel Tax Shelter voor Audiovisueel en voor Podium ter gevolge van de crisis door COVID-19 en de beperkende maatregelen die in dat verband werden opgelegd
CHAPITRE 4. - Mesures temporaires pour l'application du régime Tax Shelter pour l'Audiovisuel et les Arts de la scÚne suite à la crise du COVID-19 et aux mesures restrictives prises dans ce contexte
Art. 9. Voor de toepassing van de artikelen 194ter en 194ter/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, mag een raamovereenkomst gewijzigd worden om een ander in aanmerking komend werk dat erkend is in de zin van artikel 194ter, § 1, eerste lid, 4°, van hetzelfde Wetboek, of artikel 194ter/1, § 2, 1°, van hetzelfde Wetboek, aan te duiden, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  1° [2 het is:
   - ofwel de eerste en enige wijziging van de raamovereenkomst met het oog op de aanduiding van een ander in aanmerking komend werk en op voorwaarde dat het nieuw in aanmerking komend werk door dezelfde productievennootschap wordt uitgevoerd;
   - ofwel de tweede wijziging van de raamovereenkomst met het oog op de aanduiding van een ander in aanmerking komend werk, waarvoor de eerste wijziging ten laatste op 30 juni 2021 werd uitgevoerd en op voorwaarde dat het nieuw in aanmerking komend werk door dezelfde productievennootschap wordt uitgevoerd;
   - ofwel de derde wijziging van de raamovereenkomst met het oog op de aanduiding van een ander in aanmerking komend werk, waarvoor de eerste wijziging ten laatste op 31 januari 2021 en de tweede wijziging ten laatste op 30 juni 2021 werd uitgevoerd en op voorwaarde dat het nieuw in aanmerking komend werk door dezelfde productievennootschap wordt uitgevoerd;]2

  2° het avenant dat het in aanmerking komend werk wijzigt, moet binnen de 10 werkdagen na de ondertekening aangemeld worden bij de cel-Tax Shelter;
  3° bij deze aanmelding bij de cel-Tax Shelter moet door de in aanmerking komende productievennootschap een bijlage worden gevoegd waarin ze aantoont dat het oorspronkelijke werk niet of met minder Belgische productie- en exploitatie-uitgaven zal kunnen worden geproduceerd door de maatregelen die door de federale regering, een deelstaat, een provincie of een gemeente zijn genomen om COVID-19 te bestrijden;
  4° wanneer de Belgische productie- en exploitatie-uitgaven worden verminderd, moet de in aanmerking komende productievennootschap :
  - bij de bevoegde gemeenschap een aangepast budget van het oorspronkelijk werk indienen waaruit blijkt dat een bedrag dat minstens gelijk is aan het bedrag van de in het avenant verbonden sommen niet werd gebruikt;
  - bij de aanmelding bij de cel-Tax Shelter een kopie van het aangepaste budget van het oorspronkelijk werk toevoegen, evenals het bewijs van de overdracht van de som van de bankrekening van het oorspronkelijke werk dat is opgenomen in de raamovereenkomst naar de bankrekening van het werk dat is opgenomen in het avenant;
  5° wanneer het werk niet wordt geproduceerd, moet de in aanmerking komende productievennootschap bij de aanmelding bij de cel-Tax Shelter het bewijs toevoegen van de overdracht van de som van de bankrekening van het oorspronkelijke werk dat is opgenomen in de raamovereenkomst naar de bankrekening die dient om de uitgaven te betalen van het werk dat is opgenomen in het avenant;
  6° de in aanmerking komende productievennootschap moet, in het kader van de wijziging van het in aanmerking komend werk zoals bedoeld in de raamovereenkomst, er zich schriftelijk toe verbinden alle voorwaarden te respecteren van artikel 194ter, van hetzelfde Wetboek, wanneer het een audiovisueel werk betreft, en van de artikelen 194ter en 194ter/1, van hetzelfde Wetboek, wanneer het een podiumwerk betreft.
  
Art. 9. Pour l'application des articles 194ter et 194ter/1 du Code des impĂŽts sur les revenus 1992, une convention-cadre peut ĂȘtre modifiĂ©e pour dĂ©signer une autre oeuvre Ă©ligible reconnue au sens de l'article 194ter, § 1er, alinĂ©a 1er, 4°, du mĂȘme Code, ou de l'article 194ter/1, § 2, 1°, du mĂȘme Code, pour autant que les conditions suivantes soient remplies :
  1° [2 il s'agit:
   - soit de la premiĂšre et unique modification de la convention-cadre en vue de dĂ©signer une autre oeuvre Ă©ligible pour autant que la nouvelle oeuvre Ă©ligible soit rĂ©alisĂ©e par la mĂȘme sociĂ©tĂ© de production;
   - soit de la seconde modification de la convention-cadre en vue de dĂ©signer une autre oeuvre Ă©ligible, pour laquelle la premiĂšre modification a Ă©tĂ© rĂ©alisĂ©e au plus tard le 30 juin 2021 et pour autant que la nouvelle oeuvre Ă©ligible soit rĂ©alisĂ©e par la mĂȘme sociĂ©tĂ© de production;
   - soit de la troisiĂšme modification de la convention-cadre en vue de dĂ©signer une autre oeuvre Ă©ligible, pour laquelle la premiĂšre modification a Ă©tĂ© rĂ©alisĂ©e au plus tard le 31 janvier 2021 et la deuxiĂšme modification a Ă©tĂ© rĂ©alisĂ©e au plus tard le 30 juin 2021 pour autant que la nouvelle oeuvre Ă©ligible soit rĂ©alisĂ©e par la mĂȘme sociĂ©tĂ© de production;]2

  2° l'avenant qui modifie l'oeuvre Ă©ligible doit ĂȘtre notifiĂ© dans les 10 jours ouvrables de sa signature Ă  la cellule Tax Shelter;
  3° la sociĂ©tĂ© de production Ă©ligible doit joindre Ă  sa notification Ă  la cellule Tax Shelter, une annexe par laquelle elle dĂ©montre que l'oeuvre initialement reprise dans la convention-cadre ne pourra pas ĂȘtre produite ou aura finalement des dĂ©penses belges de production et d'exploitation moins Ă©levĂ©es pour des raisons liĂ©es aux mesures instaurĂ©es par le gouvernement fĂ©dĂ©ral, une entitĂ© fĂ©dĂ©rĂ©e, une province ou une commune dans le cadre de la lutte contre le COVID-19;
  4° en cas de réduction des dépenses belges de production et d'exploitation, la société de production éligible doit :
  - introduire auprÚs de la communauté concernée un budget adapté de l'oeuvre initiale duquel il ressort qu'un montant au moins équivalent au montant des sommes engagées reprises dans l'avenant n'a pas été utilisé;
  - joindre à la notification à la cellule Tax Shelter, une copie du budget adapté de l'oeuvre initiale, ainsi que la preuve du transfert de la somme du compte bancaire dédié à l'oeuvre visée initialement dans la convention cadre vers le compte bancaire de l'oeuvre reprise dans l'avenant;
  5° dans le cas oĂč l'oeuvre n'est pas produite, la sociĂ©tĂ© de production Ă©ligible doit joindre Ă  la notification Ă  la cellule Tax Shelter, la preuve du transfert de la somme du compte bancaire dĂ©diĂ© Ă  l'oeuvre visĂ©e initialement dans la convention cadre vers le compte bancaire destinĂ© Ă  payer les dĂ©penses de l'oeuvre reprise dans l'avenant en question;
  6° la sociĂ©tĂ© de production Ă©ligible doit s'engager par Ă©crit Ă  respecter, dans le cadre du changement de l'oeuvre Ă©ligible visĂ©e par la convention-cadre, toutes les conditions de l'article 194ter, du mĂȘme Code quand cela concerne une oeuvre audiovisuelle, et des articles 194ter et 194ter/1, du mĂȘme Code, quand cela concerne une oeuvre scĂ©nique.
  
Art. 10. In afwijking van artikel 194ter, § 2, van hetzelfde Wetboek, wordt de termijn waarbinnen de sommen moeten zijn gestort met drie maanden verlengd, voor zover :
  1° de in artikel 194ter, § 2, van hetzelfde Wetboek, bedoelde termijn van drie maanden eindigt na 12 maart 2020;
  2° de in aanmerking komende investeerder kan aantonen dat hij door de maatregelen die door de federale regering, een deelstaat, een provincie of een gemeente zijn genomen om COVID-19 te bestrijden, ofwel niet over de nodige liquiditeiten beschikte na afloop van de in artikel 194ter, § 2, van hetzelfde Wetboek, bedoelde termijn van drie maanden, ofwel zijn liquiditeiten heeft gebruikt voor de redding of de heropstart van zijn activiteit.
  Indien de in aanmerking komende investeerder op het einde van de overeenkomstig het eerste lid verlengde termijn van drie maanden nog steeds niet in staat is het volledige bedrag te storten waartoe hij zich in uitvoering van de raamovereenkomst verbonden heeft, mag de in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 5°, van hetzelfde Wetboek, bedoelde som aangepast worden in functie van de werkelijk gestorte bedragen, op voorwaarde dat :
  a) het avenant aan de raamovereenkomst dat voorziet in de vermindering van de in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 5°, van hetzelfde Wetboek, bedoelde som, binnen de 10 werkdagen volgend op het einde van de verlengde termijn naar de cel-Tax Shelter opgestuurd worden;
  b) de in aanmerking komende investeerder kan aantonen dat de maatregelen die de federale regering, een deelstaat, een provincie of een gemeente genomen heeft om COVID-19 te bestrijden, de reden zijn waarom hij er niet in geslaagd is binnen de verlengde termijn het volledige bedrag te storten waartoe hij zich oorspronkelijk verbonden had.
  In afwijking van de artikelen 194ter, § 7, zesde lid, 416, 444 en 445 van hetzelfde Wetboek, zal het als belastbare winst aanmerken van het geheel of een deel van de voorheen vrijgestelde reserve ten gevolge van het niet binnen de verlengde termijn storten van de som waartoe de in aanmerking komende investeerder zich oorspronkelijk verbonden had, geen aanleiding geven tot nalatigheidsinteresten, een belastingverhoging of een administratieve boete wanneer de investeerder binnen de 10 werkdagen volgend op het einde van de verlengde termijn de cel-Tax Shelter op de hoogte brengt dat hij geheel of gedeeltelijk niet meer deelneemt aan de oorspronkelijke voorziene financiering van het werk en daarbij aantoont dat dit het gevolg is van de financiële verliezen die hij heeft geleden naar aanleiding van de maatregelen die door de federale regering, een deelstaat, een provincie of een gemeente zijn genomen om COVID-19 te bestrijden.
Art. 10. Par dĂ©rogation Ă  l'article 194ter, § 2, du mĂȘme Code, le dĂ©lai durant lequel les sommes doivent ĂȘtre versĂ©es peut ĂȘtre prolongĂ© de trois mois, pour autant que :
  1° la date d'Ă©chĂ©ance du dĂ©lai de trois mois visĂ© Ă  l'article 194ter, § 2, du mĂȘme Code se situe aprĂšs le 12 mars 2020;
  2° l'investisseur Ă©ligible peut Ă©tablir que, suite aux mesures prises par le gouvernement fĂ©dĂ©ral, une entitĂ© fĂ©dĂ©rĂ©e, une province ou une commune dans le cadre de la lutte contre le COVID-19, soit il ne disposait pas des liquiditĂ©s nĂ©cessaires Ă  la date d'Ă©chĂ©ance du dĂ©lai de trois mois visĂ© Ă  l'article 194ter, § 2, du mĂȘme Code, soit il a affectĂ© ses liquiditĂ©s au sauvetage ou Ă  la relance de son activitĂ©.
  Si au terme du dĂ©lai prolongĂ© de trois mois conformĂ©ment Ă  l'alinĂ©a 1er, l'investisseur Ă©ligible n'est toujours pas en mesure de verser le montant total auquel il s'est engagĂ© dans la convention-cadre, la somme visĂ©e Ă  l'article 194ter, § 1er, alinĂ©a 1er, 5°, du mĂȘme Code peut ĂȘtre ajustĂ©e en fonction des montants effectivement versĂ©s, Ă  condition que :
  a) l'avenant Ă  la convention-cadre prĂ©voyant la rĂ©duction de la somme visĂ©e Ă  l'article 194ter, § 1er, alinĂ©a 1er, 5°, du mĂȘme Code soit transmis Ă  la cellule Tax Shelter dans les 10 jours ouvrables qui suivent celui de l'expiration du dĂ©lai prolongĂ©;
  b) l'investisseur éligible puisse démontrer que les mesures instaurées par le gouvernement fédéral, une entité fédérée, une province ou une commune dans le cadre de la lutte contre le COVID-19 sont la raison pour laquelle il n'a pas été en mesure, dans le délai prolongé, de verser le montant total pour lequel il s'était initialement engagé.
  Par dĂ©rogation aux articles 194ter, § 7, alinĂ©a 6, 416, 444 et 445 du mĂȘme Code, l'entiĂšretĂ© ou une partie des rĂ©serves exonĂ©rĂ©es qui, Ă  la suite du non-versement, dans le dĂ©lai prolongĂ©, du montant total pour lequel l'investisseur Ă©ligible s'Ă©tait initialement engagĂ©, sera considĂ©rĂ©e comme un bĂ©nĂ©fice imposable, ne donnera lieu ni Ă  des intĂ©rĂȘts de retard, ni Ă  un accroissement d'impĂŽt, ni Ă  une sanction administrative lorsque l'investisseur, dans les 10 jours ouvrables qui suivent la fin de ce dĂ©lai prolongĂ©, avertit la cellule Tax Shelter qu'il ne participe plus, en tout ou en partie, au financement de l'oeuvre prĂ©vu initialement et dĂ©montre en outre que cela est la consĂ©quence des pertes financiĂšres qu'il a subies Ă  la suite des mesures prises par le gouvernement fĂ©dĂ©ral, une entitĂ© fĂ©dĂ©rĂ©e, une province ou une commune pour lutter contre le COVID-19.
Art. 11. Voor de toepassing van artikel 194ter/1 van hetzelfde Wetboek, worden podiumwerken die als gevolg van een sluiting van de schouwspelzaal of voorstellingsruimte, ten laatste op 15 december 2020 door middel van een livestream worden vertoond, beschouwd als podiumwerken die publiekelijk zijn vertoond.
  Livestreams die na 15 december 2020 worden vertoond, komen enkel in aanmerking voor de uitzondering vermeld in het eerste lid, wanneer er een vooraf bepaalde prijs, al dan niet via een abonnementsformule, moet betaald worden om de vertoning te kunnen bekijken.
Art. 11. Pour l'application de l'article 194ter/1 du mĂȘme Code, les oeuvres scĂ©niques qui, suite Ă  la fermeture de la salle de spectacle ou du lieu de reprĂ©sentation, sont montrĂ©es au plus tard le 15 dĂ©cembre 2020 au moyen de live streaming, sont censĂ©es ĂȘtre des oeuvres scĂ©niques reprĂ©sentĂ©es en public.
  Les prĂ©sentations en live streaming qui sont proposĂ©es aprĂšs le 15 dĂ©cembre 2020 ne sont Ă©ligibles pour l'application de l'alinĂ©a 1er que lorsqu'un prix prĂ©dĂ©terminĂ©, que ce soit ou non au moyen d'une formule d'abonnement, doit ĂȘtre payĂ© pour visionner la prĂ©sentation.
Art. 12. Voor de toepassing van artikel 194ter/1, § 2, 1°, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek, worden de productie- en exploitatie-uitgaven die meer dan een maand na de premiÚre van het podiumwerk zijn gedaan, toch geacht uiterlijk 1 maand na de premiÚre van het podiumwerk te zijn gedaan, op voorwaarde dat :
  1° deze productie- en exploitatie-uitgaven gedaan zijn naar aanleiding van uitgestelde voorstellingen die oorspronkelijk binnen de maand na de PremiÚre waren geprogrammeerd;
  2° de in aanmerking komende productievennootschap kan aantonen dat het uitstel van die voorstellingen te wijten was aan de beslissing van de federale regering, een deelstaat, een provincie of een gemeente om de schouwspelzalen en de andere voorstellingsruimtes te sluiten;
  3° de in aanmerking komende productievennootschap het taxshelterattest voor het betrokken werk ten laatste zes maanden na het hernemen van de voorstellingen heeft aangevraagd.
Art. 12. Pour l'application de l'article 194ter/1, § 2, 1°, deuxiĂšme tiret, du mĂȘme Code, les dĂ©penses de production et d'exploitation qui sont rĂ©alisĂ©es plus d'un mois aprĂšs la premiĂšre de l'oeuvre scĂ©nique sont toutefois considĂ©rĂ©es comme Ă©tant rĂ©alisĂ©es dans le mois qui suit la premiĂšre de l'oeuvre scĂ©nique pour autant que :
  1° ces dépenses de production et d'exploitation soient réalisées dans le cadre de représentations reportées qui étaient initialement programmées dans le mois suivant la PremiÚre;
  2° la société de production éligible puisse démontrer que le report de ces représentations était dû à la décision du gouvernement fédéral, une entité fédérée, une province ou une commune de fermer les salles de spectacle et les aux autres lieux de représentation;
  3° la société de production éligible a demandé l'attestation Tax Shelter pour l'oeuvre concernée au plus tard six mois aprÚs la reprise des représentations.
Art. 13. In artikel 15, eerste en tweede lid, van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, worden de woorden "31 december 2020" telkens vervangen door de woorden "31 maart 2021".
Art. 13. Dans l'article 15, alinéas 1er et 2, de la loi du 29 mai 2020 portant diverses mesures fiscales urgentes en raison de la pandémie du COVID-19, les mots "31 décembre 2020" sont chaque fois remplacés par les mots "31 mars 2021".
Art. 14. [3 Artikel 9, 1°, is van toepassing op de raamovereenkomsten die ten laatste op 31 maart 2022 zijn ondertekend.]3
  [3 Artikel 10 is van toepassing op de raamovereenkomsten die ten laatste op 30 september 2021 zijn ondertekend.]3
  [1 Artikel 9, 2°, is van toepassing op de raamovereenkomsten die ten laatste op 31 januari 2021 zijn ondertekend.]1
  Artikel 11 is van toepassing zolang er beperkende maatregelen, genomen in het kader van de bestrijding van COVID-19 en die verband houden met de sluiting van de schouwspelzalen en andere voorstellingsruimtes of met het maximum aantal toegelaten toeschouwers, van kracht zijn, en dit tot [3 31 maart 2022]3.
  Artikel 12 is van toepassing op de raamovereenkomsten die vanaf 12 maart 2018 tot [3 31 maart 2022]3 zijn ondertekend en waarvoor het taxshelterattest nog niet is aangevraagd.
  
Art. 14. [3 L'article 9, 1°, est applicable aux conventions-cadres qui sont signées au plus tard le 31 mars 2022.]3
  [3 L'article 10 est applicable aux conventions-cadres qui sont signées au plus tard le 30 septembre 2021.]3
  [1 L'article 9, 2°, est applicable aux conventions-cadres qui sont signées au plus tard le 31 janvier 2021.]1
  L'article 11 est applicable aussi longtemps que des mesures restrictives, prises dans le cadre de la crise du COVID-19 et concernant la fermeture des salles de spectacles et autres lieux de représentation ou le nombre maximal de spectateurs admis, sont en vigueur, et ce, jusqu'au [3 31 mars 2022]3.
  L'article 12 est applicable aux conventions-cadre qui sont signées à partir du 12 mars 2018 jusqu'au [3 31 mars 2022]3 pour autant que l'attestation Tax Shelter n'ait pas encore été demandée.
  
HOOFDSTUK 5. - Netto overuren bij de werkgevers die tot de cruciale sectoren behoren
CHAPITRE 5. - Heures supplémentaires nettes chez les employeurs qui appartiennent aux secteurs cruciaux
Art. 15. In afwijking van de artikelen 31, tweede lid, 1°, en 32 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden vrijgesteld van inkomstenbelastingen :
  1° de bezoldigingen met betrekking tot 120 vrijwillige overuren die tijdens de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 overeenkomstig [1 de artikelen 51 en 52 van deze wet]1 worden gepresteerd bij de werkgevers die behoren tot de cruciale sectoren als bedoeld in [1 artikel 40, 6°, van deze wet]1 [3 en uiterlijk op 31 december 2022 worden betaald of toegekend]3;
  2° de bezoldigingen met betrekking tot 120 vrijwillige overuren die tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met [2 30 september 2021]2 overeenkomstig [1 de artikelen 51 en 52 van deze wet]1 worden gepresteerd bij de werkgevers die behoren tot de cruciale sectoren als bedoeld in [1 artikel 40, 6°, van deze wet]1 [3 en uiterlijk op 31 december 2023 worden betaald of toegekend]3.
  De in artikel 16, § 1, van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie en in het eerste lid, 1°, bedoelde vrijstellingen kunnen, samen genomen, slechts voor 120 vrijwillige overuren worden verleend.
  Wanneer de belastingplichtige in 2020 en/of 2021 bijkomende vrijwillige overuren heeft gepresteerd en niet alle bezoldigingen voor die in 2020, respectievelijk in 2021, gepresteerde overuren in hetzelfde belastbare tijdperk worden betaald of toegekend, wordt de vrijstelling eerst aangerekend op de bezoldigingen voor de bijkomende vrijwillige overuren die in het belastbare tijdperk verbonden met het inkomstenjaar 2020, respectievelijk 2021, worden betaald of toegekend, en, desgevallend, vervolgens op de bezoldigingen voor die overuren die in [3 elk van de twee volgende belastbare tijdperken]3 worden betaald of toegekend.
  Wanneer in een belastbaar tijdperk bezoldigingen worden betaald of toegekend voor meer dan het aantal voor dat belastbare tijdperk vrijstelbare bijkomende vrijwillige overuren, wordt de vrijstelling verhoudingsgewijs aangerekend op de bezoldigingen voor de in 2020, respectievelijk in 2021, gepresteerde bijkomende vrijwillige overuren.
  De belastingvermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag bedoeld in artikel 154bis van Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de vrijstelling van doorstorten van bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikel 2751 van hetzelfde Wetboek zijn niet van toepassing op het overwerk dat in aanmerking komt voor de in het eerste lid bedoelde vrijstelling.
  De in het eerste lid bedoelde bezoldigingen worden vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake personenbelasting van de genieter.
  
Art. 15. Par dérogation aux articles 31, alinéa 2, 1°, et 32 du Code des impÎts sur les revenus 1992, sont exonérées d'impÎts sur les revenus :
  1° les rémunérations relatives à 120 heures supplémentaires volontaires prestées pendant la période du 1er octobre 2020 jusqu'au 31 décembre 2020 inclus conformément [1 aux articles 51 et 52 de la présente loi]1 de la présente loi chez les employeurs qui appartiennent aux secteurs cruciaux visés [1 à l'article 40, 6°, de la présente loi]1 [3 et payées ou attribuées au plus tard le 31 décembre 2022]3;
  2° les rémunérations relatives à 120 heures supplémentaires volontaires prestées pendant la période du 1er janvier 2021 jusqu'au [2 30 septembre 2021]2 conformément [1 aux articles 51 et 52 de la présente loi]1 de la présente loi chez les employeurs qui appartiennent aux secteurs cruciaux visés [1 à l'article 40, 6°, de la présente loi]1 [3 et payées ou attribuées au plus tard le 31 décembre 2023]3.
  Les exonĂ©rations visĂ©es Ă  l'article 16, § 1er, de la loi du 29 mai 2020 portant diverses mesures fiscales urgentes en raison de la pandĂ©mie du COVID-19, et Ă  l'alinĂ©a 1er, 1°, ne peuvent ĂȘtre octroyĂ©es, ensemble, qu'Ă  120 heures supplĂ©mentaires volontaires.
  Lorsque le contribuable a prestĂ© des heures supplĂ©mentaires volontaires additionnelles en 2020 et/ou en 2021, et que toutes les rĂ©munĂ©rations pour ces heures prestĂ©es en 2020, ou respectivement en 2021 ne sont pas payĂ©es ou attribuĂ©es durant la mĂȘme pĂ©riode imposable, l'exonĂ©ration est d'abord imputĂ©e sur les rĂ©munĂ©rations pour les heures supplĂ©mentaires volontaires additionnelles payĂ©es ou attribuĂ©es durant la pĂ©riode imposable liĂ©e Ă  l'annĂ©e de revenus 2020, ou respectivement Ă  l'annĂ©e de revenus 2021, et ensuite, le cas Ă©chĂ©ant, sur les rĂ©munĂ©rations pour ces heures supplĂ©mentaires payĂ©es ou attribuĂ©es durant [3 chacune des deux pĂ©riodes imposables suivantes]3.
  Lorsque des rĂ©munĂ©rations sont payĂ©es ou attribuĂ©es durant une pĂ©riode imposable pour plus que le nombre d'heures supplĂ©mentaires volontaires additionnelles qui peuvent ĂȘtre exonĂ©rĂ©es pour cette pĂ©riode imposable, l'exonĂ©ration est imputĂ©e proportionnellement sur les rĂ©munĂ©rations pour les heures supplĂ©mentaires volontaires additionnelles prestĂ©es en 2020, ou respectivement en 2021.
  La rĂ©duction d'impĂŽt pour rĂ©munĂ©rations suite Ă  la prestation de travail supplĂ©mentaire donnant droit Ă  un sursalaire visĂ©e Ă  l'article 154bis du Code des impĂŽts sur les revenus 1992 et la dispense de versement de prĂ©compte professionnel visĂ©e Ă  l'article 2751 du mĂȘme Code ne sont pas applicables au travail supplĂ©mentaire qui entre en considĂ©ration pour l'exonĂ©ration visĂ©e Ă  l'alinĂ©a 1er.
  Les rémunérations visées à l'alinéa 1er sont mentionnées sur la note de calcul qui est jointe à l'avertissement-extrait de rÎle en matiÚre d'impÎt des personnes physiques du bénéficiaire.
  
Art.15/1. [1 Artikel 15 heeft uitwerking op de bezoldigingen die vanaf 1 oktober 2020 worden betaald of toegekend.]1
  
Art. 15/1. [1 L'article 15 produit ses effets sur les rémunérations payées ou attribuées à partir du 1er octobre 2020.]1
  
HOOFDSTUK 5/1. [1 - Netto overuren in de openbare sector]1
CHAPITRE 5/1. [1 - Heures supplémentaires nettes dans le secteur public]1
Art.15/2.[1 § 1. In afwijking van artikel 31, tweede lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden vrijgesteld van inkomstenbelastingen:
   1° de bezoldigingen die bij toepassing van artikel 8, § 3, tweede lid, van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de arbeidstijd in de openbare sector [2 uiterlijk op 31 december 2022 worden betaald of toegekend]2 met betrekking tot 120 overuren die tijdens de periode van 1 april 2020 tot 31 december 2020 worden gepresteerd, op voorwaarde dat de bezoldiging voor een overuur niet meer bedraagt dan de bezoldiging voor een normaal uur;
   2° de bezoldigingen die bij toepassing van artikel 8, § 3, tweede lid, van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de arbeidstijd in de openbare sector [2 uiterlijk op 31 december 2023 worden betaald of toegekend]2 met betrekking tot 120 overuren die tijdens de periode van 1 januari 2021 tot 30 juni 2021 worden gepresteerd, op voorwaarde dat de bezoldiging voor die overuren niet meer bedraagt dan de bezoldiging voor een normaal uur.
   De in artikel 16, § 1, van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, in artikel 15, eerste lid, 1°, van deze wet en in het eerste lid, 1°, bedoelde vrijstellingen kunnen, samengenomen, slechts voor 120 overuren worden verleend.
   De in artikel 15, eerste lid, 2°, van deze wet, de in artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 12 december 2021 tot uitvoering van het sociaal akkoord in het kader van de interprofessionele onderhandelingen voor de periode 2021-2022 en in het eerste lid, 2°, bedoelde vrijstellingen kunnen, samengenomen, slechts voor 120 overuren worden verleend.
   § 2. Wanneer de belastingplichtige in 2020 en/of 2021 overuren als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, heeft gepresteerd en niet alle bezoldigingen voor die in 2020, respectievelijk in 2021, gepresteerde overuren in hetzelfde belastbare tijdperk worden betaald of toegekend, wordt de vrijstelling eerst aangerekend op de bezoldigingen voor de overuren die in het belastbare tijdperk verbonden met het inkomstenjaar 2020, respectievelijk 2021, worden betaald of toegekend, en, desgevallend, vervolgens op de bezoldigingen voor die overuren die in [2 elk van de twee volgende belastbare tijdperken]2 worden betaald of toegekend.
   Wanneer in een belastbaar tijdperk bezoldigingen worden betaald of toegekend voor meer dan het aantal voor dat belastbare tijdperk vrijstelbare bijkomende vrijwillige overuren of overuren als bedoeld in paragraaf 1, wordt de vrijstelling verhoudingsgewijs aangerekend op de bezoldigingen voor de in 2020, respectievelijk in 2021, gepresteerde overuren.
   § 3. De in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde bezoldigingen worden vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake personenbelasting van de genieter.]1

  
Art. 15/2. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 31, alinéa 2, 1°, du Code des impÎts sur les revenus 1992, sont exonérées d'impÎts sur les revenus :
   1° les rémunérations [2 payées ou attribuées au plus tard le 31 décembre 2022]2 en application de l'article 8, § 3, alinéa 2, de la loi du 14 décembre 2001 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public et relatives à 120 heures supplémentaires volontaires prestées pendant la période du 1er avril 2020 au 31 décembre 2020, à condition que la rémunération pour une heure supplémentaire ne dépasse pas la rémunération pour une heure normale ;
   2° les rémunérations [2 payées ou attribuées au plus tard le 31 décembre 2023]2 en application de l'article 8, § 3, alinéa 2, de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public et relatives à 120 heures supplémentaires volontaires prestées pendant la période du 1er janvier 2021 au 30 juin 2021, à condition que la rémunération pour une heure supplémentaire ne dépasse pas la rémunération pour une heure normale.
   Les exonĂ©rations visĂ©es Ă  l'article 16, § 1er, de la loi du 29 mai 2020 portant diverses mesures fiscales urgentes en raison de la pandĂ©mie du COVID-19, Ă  l'article 15, alinĂ©a 1er, 1°, de la prĂ©sente loi, et Ă  l'alinĂ©a 1er, 1°, ne peuvent ĂȘtre octroyĂ©es, ensemble, qu'Ă  120 heures supplĂ©mentaires volontaires.
   Les exonĂ©rations visĂ©es Ă  l'article 15, alinĂ©a 1er, 2°, de la prĂ©sente loi, Ă  l'article 15, § 1er, alinĂ©a 1er, 1°, de la loi du 12 dĂ©cembre 2021 exĂ©cutant l'accord social dans le cadre des nĂ©gociations interprofessionnelles pour la pĂ©riode 2021-2022 et Ă  l'alinĂ©a 1er, 1°, ne peuvent ĂȘtre octroyĂ©es, ensemble, qu'Ă  120 heures supplĂ©mentaires volontaires.
   § 2. Lorsque le contribuable a prestĂ© des heures supplĂ©mentaires telles que visĂ©es au paragraphe 1er en 2020 et/ou en 2021, et que toutes les rĂ©munĂ©rations pour ces heures prestĂ©es en 2020, ou respectivement en 2021, ne sont pas payĂ©es ou attribuĂ©es durant la mĂȘme pĂ©riode imposable, l'exonĂ©ration est d'abord imputĂ©e sur les rĂ©munĂ©rations pour les heures supplĂ©mentaires payĂ©es ou attribuĂ©es durant la pĂ©riode imposable liĂ©e Ă  l'annĂ©e de revenus 2020, ou respectivement Ă  l'annĂ©e de revenus 2021, et ensuite, le cas Ă©chĂ©ant, sur les rĂ©munĂ©rations pour ces heures supplĂ©mentaires payĂ©es ou attribuĂ©es durant [2 chacune des deux pĂ©riodes imposables suivantes]2.
   Lorsque des rĂ©munĂ©rations sont payĂ©es ou attribuĂ©es durant une pĂ©riode imposable pour plus que le nombre d'heures supplĂ©mentaires volontaires additionnelles et d'heures supplĂ©mentaires visĂ©e au paragraphe 1er, qui peuvent ĂȘtre exonĂ©rĂ©es pour cette pĂ©riode imposable, l'exonĂ©ration est imputĂ©e proportionnellement sur les rĂ©munĂ©rations pour les heures supplĂ©mentaires prestĂ©es en 2020, ou respectivement en 2021.
   § 3. Les rémunérations visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, sont mentionnées sur la note de calcul qui est jointe à l'avertissement-extrait de rÎle en matiÚre d'impÎt des personnes physiques du bénéficiaire.]1

  
Art.15/3. [1 Het aantal overuren waarvoor een vrijstelling wordt verleend bij toepassing van artikel 15/2, § 1, eerste lid, van deze wet, wordt in mindering gebracht van het aantal overuren waarvoor bij toepassing van artikel 38, § 1, eerste lid, 30°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor het betrokken belastbare tijdperk een vrijstelling kan worden verleend.]1
  
Art. 15/3. [1 Le nombre d'heures supplĂ©mentaires pour lesquelles une exonĂ©ration est octroyĂ©e en application de l'article 15/2, § 1er, alinĂ©a 1er, de la prĂ©sente loi, est portĂ© en diminution du nombre d'heures supplĂ©mentaires pour lesquelles une exonĂ©ration peut ĂȘtre octroyĂ©e pour la pĂ©riode imposable concernĂ©e en application de l'article 38, § 1er, alinĂ©a 1er, 30°, du Code des impĂŽts sur les revenus 1992.]1
  
Art.15/4. [1 Artikel 15/2 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2020.
   Artikel 15/3 heeft uitwerking met ingang van aanslagjaar 2022.]1

  
Art. 15/4. [1 L'article 15/2 produit ses effets le 1er avril 2020.
   L'article 15/3 produit ses effets à partir de l'exercice d'imposition 2022.]1

  
HOOFDSTUK 6. - Bestaansmiddelen uit studentenarbeid
CHAPITRE 6. - Ressources issues du travail étudiant
Art. 16. Artikel 16, § 3, van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Het eerste lid is eveneens van toepassing op de bezoldigingen die worden verkregen door studenten zoals bedoeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten voor de in het vierde kwartaal van 2020 en in het eerste kwartaal van 2021 gepresteerde uren studentenarbeid die bij toepassing van artikel 10 van de wet van 4 november 2020 inzake verschillende sociale maatregelen ingevolge de COVID-19-pandemie, niet in aanmerking worden genomen voor het jaarlijkse contingent van 475 uren als bedoeld in artikel 17bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, op voorwaarde dat hun werkgevers hen hebben aangegeven overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.".
Art. 16. L'article 16, § 3, de la loi du 29 mai 2020 portant diverses mesures fiscales urgentes en raison de la pandémie du COVID-19, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "L'alinĂ©a 1er est Ă©galement applicable aux rĂ©munĂ©rations perçues par des Ă©tudiants visĂ©s au titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, pour les heures de travail Ă©tudiant prestĂ©es lors du quatriĂšme trimestre 2020 et du premier trimestre 2021, qui, en application de l'article 10 de la loi du 4 novembre 2020 portant diverses mesures sociales suite Ă  la pandĂ©mie de COVID-19, n'entrent pas en compte pour le contingent annuel de 475 heures visĂ© Ă  l'article 17bis de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, Ă  la condition que leurs employeurs les aient dĂ©clarĂ©es conformĂ©ment Ă  l'article 7 de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux.".
HOOFDSTUK 7. - Consumptiecheques
CHAPITRE 7. - ChĂšques consommation
Art. 17. In artikel 7 van de wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, worden de woorden "artikel 19quinquies, § 2," vervangen door de woorden "artikel 19quinquies, §§ 2 en 3,".
Art. 17. Dans l'article 7 de la loi du 15 juillet 2020 portant diverses mesures fiscales urgentes en raison de la pandémie du COVID-19, les mots "l'article 19quinquies, § 2," sont remplacés par les mots "l'article 19quinquies, §§ 2 et 3,".
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen betreffende de registratierechten
CHAPITRE 8. - Modifications relatives aux droits d'enregistrement
Art. 18. In afwijking van artikel 11, tweede lid, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zijn de notariële volmachten verleden van 1 januari 2021 tot 31 maart 2021 vrijgesteld van het registratierecht, wanneer de instrumenterende ambtenaar ervoor geen ereloon, vacaties of kosten vraagt en voor zover deze volmacht uitsluitend effect sorteert tot 31 maart 2021.
  In afwijking van artikel 23 van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie en van artikel 22 van de wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, blijft het voordeel van de vrijstelling behouden voor de volmachten verleden van 13 maart 2020 tot 31 december 2020 wanneer de volmacht ten laatste op 31 maart 2021 wordt gebruikt.
Art. 18. Par dérogation à l'article 11, alinéa 2, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothÚque et de greffe, les procurations notariées passées du 1er janvier 2021 au 31 mars 2021, sont exemptées de droit d'enregistrement, lorsque le fonctionnaire instrumentant ne réclame pas d'honoraire, de vacations ou de frais et pour autant que cette procuration n'ait d'effet que jusqu'au 31 mars 2021.
  Par dérogation à l'article 23 de la loi du 29 mai 2020 portant diverses mesures fiscales urgentes en raison de la pandémie du COVID-19 et à l'article 22 de la loi du 15 juillet 2020 portant diverses mesures fiscales urgentes en raison de la pandémie du COVID-19, le bénéfice de l'exemption est conservé pour les procurations passées du 13 mars 2020 au 31 décembre 2020 en cas d'usage de la procuration au plus tard le 31 mars 2021.
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van het Wetboek diverse rechten en taksen
CHAPITRE 9. - Modifications relatives du Code des droits et taxes divers
Art. 19. In afwijking van artikel 3 van het Wetboek diverse rechten en taksen, zijn de notariële volmachten verleden van 1 januari 2021 tot 31 maart 2021 vrijgesteld van het recht op geschriften wanneer de instrumenterende ambtenaar ervoor geen ereloon, vacaties of kosten vraagt en voor zover deze volmacht uitsluitend effect sorteert tot 31 maart 2021.
  In afwijking van artikel 26, 1°, van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie en van artikel 25 van de wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, blijft het voordeel van de vrijstelling behouden voor de volmachten verleden van 13 maart 2020 tot 31 december 2020 wanneer de volmacht ten laatste op 31 maart 2021 wordt gebruikt.
Art. 19. Par dérogation à l'article 3 du Code des droits et taxes divers, les procurations notariées passées du 1er janvier 2021 au 31 mars 2021, sont exemptées du droit d'écriture, lorsque le fonctionnaire instrumentant ne réclame pas d'honoraire, de vacations ou de frais et pour autant que cette procuration n'ait d'effet que jusqu'au 31 mars 2021.
  Par dérogation à l'article 26, 1°, de la loi du 29 mai 2020 portant diverses mesures fiscales urgentes en raison de la pandémie du COVID-19 et à l'article 25 de la loi du 15 juillet 2020 portant diverses mesures fiscales urgentes en raison de la pandémie du COVID-19, le bénéfice de l'exemption est conservé pour les procurations passées du 13 mars 2020 au 31 décembre 2020 en cas d'usage de la procuration au plus tard le 31 mars 2021.
TITEL 3. - Sociale bijstand
TITRE 3. - Aide sociale
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, met het oog op de verlenging van de tijdelijke verhoging van het terugbetalingspercentage van het leefloon door de Staat ten aanzien van de OCMW's in het kader van COVID-19
CHAPITRE 1er. - Modification de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, visant la prolongation de l'augmentation temporaire du taux de remboursement du revenu d'intégration par l'Etat vis-à-vis des CPAS dans le cadre du COVID-19
Art. 20. In artikel 43/4 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "aanvraag is ingediend tussen 1 juni en 31 december 2020" vervangen door de woorden "aanvraag is ingediend tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021";
  2° in het tweede lid worden de woorden "tussen 1 juni en 31 december 2020" vervangen door de woorden "tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021".
Art. 20. Dans l'article 43/4 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le premier alinéa, les mots "la demande a été introduite entre le 1er juin et le 31 décembre 2020" sont remplacés par les mots "la demande a été introduite entre le 1er juin 2020 et le 31 mars 2021";
  2° dans le deuxiÚme alinéa, les mots "entre le 1er juin et le 31 décembre 2020" sont remplacés par les mots "entre le 1er juin 2020 et le 31 mars 2021".
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Koninklijk besluit nr. 47 van 26 juni 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 3°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, met het oog op het toekennen van een tijdelijke premie aan de gerechtigden op bepaalde sociale bijstandsuitkeringen
CHAPITRE 2. - Modification de l'arrĂȘtĂ© royal n° 47 du 26 juin 2020 pris en exĂ©cution de l'article 5, § 1er, 3°, de la loi du 27 mars 2020 accordant des pouvoirs au Roi afin de prendre des mesures dans la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19 en vue de l'octroi d'une prime temporaire aux bĂ©nĂ©ficiaires de certaines allocations d'assistance sociale
Art. 21. In artikel 1, van het koninklijk besluit nr. 47 van 26 juni 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 3° van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemend in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, met het oog op het toekennen van een tijdelijke premie aan de gerechtigden op bepaalde sociale bijstandsuitkeringen, bekrachtigd bij de wet van 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, worden de woorden "zes opeenvolgende maanden" vervangen door de woorden "negen opeenvolgende maanden".
Art. 21. A l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal n° 47 du 26 juin 2020 pris en exĂ©cution de l'article 5, § 1er, 3° de la loi du 27 mars 2020 accordant des pouvoirs au Roi afin de prendre des mesures dans la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19 en vue de l'octroi d'une prime temporaire aux bĂ©nĂ©ficiaires de certaines allocations d'assistance sociale, confirmĂ© par la loi du 24 dĂ©cembre 2020 portant confirmation des arrĂȘtĂ©s royaux pris en application de la loi du 27 mars 2020 habilitant le Roi Ă  prendre des mesures de lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19, les mots "six mois consĂ©cutifs" sont remplacĂ©s par les mots "neufs mois consĂ©cutifs".
TITEL 4. - Sociale zaken
TITRE 4. - Affaires sociales
HOOFDSTUK 1. - Verlenging van de toepassing van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers
CHAPITRE 1er. - Prolongation de l'application de l'arrĂȘtĂ© royal n° 22 du 4 juin 2020 portant crĂ©ation d'un Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19
Art. 22. In artikel 30 van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 40 van 26 juni 2020, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "Dit besluit is van toepassing op sterfgevallen die zich voordoen in de periode tussen 10 maart 2020 en 1 april 2021.".
Art. 22. Dans l'article 30 de l'arrĂȘtĂ© royal n° 22 du 4 juin 2020 portant crĂ©ation d'un Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal n° 40 du 26 juin 2020, l'alinĂ©a 2 est remplacĂ© par ce qui suit :
  "Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© est applicable aux dĂ©cĂšs survenus dans le courant de la pĂ©riode comprise entre le 10 mars 2020 et le 1er avril 2021.".
Art. 23. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 september 2020.
Art. 23. Le présent chapitre produit ses effets le 1er septembre 2020.
HOOFDSTUK 2. - Tijdelijke uitbreiding van het toepassingsgebied van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers tot de organisaties die door de bevoegde overheid zijn erkend voor de bijstand aan en de zorg voor bejaarden en voor de opvang en de huisvesting van bejaarden in de private commerciële sector
CHAPITRE 2. - Extension temporaire du champ d'application de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires aux organisations agréées par l'autorité compétente pour l'aide et les soins aux personnes ùgées ainsi que pour l'accueil et l'hébergement des personnes ùgées du secteur privé commercial
Art. 24. § 1. De definitie van de term "organisatie" zoals vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers wordt uitgebreid tot de organisaties die niet als vereniging zonder winstoogmerk zijn opgericht en die door de bevoegde overheid zijn erkend voor de bijstand aan en de zorg voor bejaarden en voor de opvang en de huisvesting van bejaarden.
  § 2. De organisaties bedoeld in paragraaf 1 zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de voormelde wet van 3 juli 2005 voor de periodes waarin zij een werknemer die in tijdelijke werkloosheid wordt gesteld in de door hem uitgeoefende functie vervangen door een vrijwilliger.
Art. 24. § 1er. La définition du terme "organisation" telle que mentionnée à l'article 3, 3°, de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires est étendue aux organisations qui ne sont pas constituées sous la forme d'une association sans but lucratif et qui sont agréées par l'autorité compétente pour l'aide et les soins aux personnes ùgées ainsi que pour l'accueil et l'hébergement des personnes ùgées.
  § 2. Les organisations visées au paragraphe 1er sont exclues du champ d'application de la loi du 3 juillet 2005 précitée pour les périodes au cours desquelles elles remplacent un travailleur placé en chÎmage temporaire dans le poste qu'il occupe par un volontaire.
Art. 25. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 september 2020 en treedt buiten werking op 31 maart 2021.
Art. 25. Le prĂ©sent chapitre produit ses effets le 1er septembre 2020 et cesse d'ĂȘtre en vigueur le 31 mars 2021.
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders met het oog op de aanpassing van bepaalde regels die van toepassing zijn in de land- en tuinbouwsector
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs en vue d'adapter certaines rĂšgles applicables dans les secteurs de l'agriculture et de l'horticulture
Art. 26. In artikel 2/1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013 en gewijzigd bij de wet van 20 juli 2015 en het koninklijk besluit nr. 5 van 9 april 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in pararagraaf 1, derde lid, 1°, worden de woorden "of de champignonteelt" vervangen door de woorden ", de champignonteelt of de fruitteelt";
  b) paragraaf 1, derde lid, wordt aangevuld met de bepaling onder 6°, luidende :
  "6° wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn in de fruitteelt : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 100 dagen per kalenderjaar, met uitzondering van de werknemers die ressorteren onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid, wat de laatste 35 dagen van de 100 dagen betreft.";
  c) paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "In afwijking van het derde lid, worden de quota bedoeld in het derde lid voor het jaar 2021 aangepast als volgt : het maximum van 30 dagen wordt telkens 60 dagen en het maximum van 65 dagen wordt telkens 100 dagen.";
  d) paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Voor het jaar 2021 wordt het maximum van 65 dagen, bedoeld in het eerste lid, 100 dagen.";
  e) er wordt een paragraaf 2ter ingevoegd, luidende :
  " § 2ter. In afwijking van paragraaf 2, eerste lid, kan, wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn in de fruitteelt, de beperking van de onderwerping bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, verlengd worden met 35 extra dagen per handarbeider die geen uitzendarbeider is en dit voor 33 % van het aantal gelegenheidswerknemers die de betrokken werkgever in het jaar 2020 heeft aangegeven, voor zover gelijktijdig aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  1° de betrokken werkgever toont voor het jaar 2021 een tewerkstellingsvolume aan, uitgedrukt in voltijdse equivalent, dat minstens gelijk is aan het gemiddelde van de vier multifunctionele aangiften bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor het kalenderjaar 2019;
  2° de betrokken werkgever moet, uiterlijk op 15 april 2021, een schriftelijke aanvraag richten aan de voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf en aan het Waarborg- en Sociaal fonds voor het tuinbouwbedrijf. Deze aanvraag bevat een verklaring, die samen met de aanvraag moet worden ingediend opdat deze ontvankelijk zou zijn, en waarin de werkgever zich verbindt om :
  - de sociale wetgeving en de collectieve arbeidsovereenkomsten correct toe te passen;
  - geen gebruik te maken van detacheringsconstructies;
  - geen beroep te doen op schijnzelfstandigen;
  - niet aan sociale dumping te doen;
  - niet te werken met constructies van aannemings- of dienstverleningscontracten met Belgische of buitenlandse ondernemingen om de Belgische wetgeving betreffende de verboden terbeschikkingstelling te omzeilen.
  Het Waarborg- en Sociaal fonds voor het tuinbouwbedrijf stelt een modeldocument ter beschikking voor de schriftelijke aanvraag en de verklaring bedoeld in het eerste lid.
  In de gevallen bedoeld in het eerste lid beoordeelt een werkgroep "Fruitteelt", opgericht binnen het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, de aanvragen vóór 10 mei 2021 aan de hand van de DmfA- en de Dimona-aangiften.
  Het Waarborg- en Sociaal fonds voor het tuinbouwbedrijf berekent voor elke onderneming die de aanvraag indient, het aantal gelegenheidswerknemers tijdens het jaar 2020 en het aantal dat overeenkomt met 33 % daarvan voor het jaar 2021.
  De werkgroep "Fruitteelt" onderzoekt het dossier en formuleert een advies aan het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf dat de beslissing neemt. Deze beslissing geeft onder meer het aantal gelegenheidswerknemers weer dat in de fruitteelt is tewerkgesteld en waarop de werkgever een beroep kan doen tijdens het voor het jaar 2021 tot 100 dagen uitgebreide stelsel. Het Paritair Comité deelt deze beslissing mee aan de betrokken werkgever en bezorgt ze uiterlijk op 31 mei 2021 tevens aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en aan de minister die Sociale zaken onder zijn bevoegdheid heeft.
  f) paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Voor het jaar 2021 wordt, in afwijking van het eerst lid, de beperking tot 65 dagen verhoogd tot 100 dagen.";
  g) in paragraaf 4 worden de woorden "de land- of tuinbouwsector" vervangen door de woorden "dezelfde onderneming";
  h) paragraaf 4 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Voor de toepassing van deze paragraaf verstaat men onder dezelfde onderneming, het geheel van juridische entiteiten die worden bestuurd door dezelfde bestuurders en/ of beheerders of die behoren tot dezelfde technische bedrijfseenheid zoals bedoeld in de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven.";
  i) in het artikel worden de paragrafen 4/1 en 4/2 ingevoegd, luidende :
  " § 4/1. Voor de berekening van de 180 dagen, bedoeld in paragraaf 4, wordt geen rekening gehouden met een tewerkstelling in de onderneming tijdens genoemde periode, wanneer deze werd uitgevoerd in het kader van een contract voor bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk van maximaal zes opeenvolgende kalenderweken.
  § 4/2. In afwijking van paragraaf 4 is de 180-dagenregel niet van toepassing op de werknemer die als gelegenheidswerknemer in dezelfde onderneming wenst te werken nadat diens arbeidsovereenkomst op de wettelijke pensioenleeftijd werd beëindigd.".
Art. 26. Dans l'article 2/1 de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, insĂ©rĂ© par la loi du 26 dĂ©cembre 2013 et modifiĂ© par la loi du 20 juillet 2015 et l'arrĂȘtĂ© royal n° 5 du 9 avril 2020, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  a) dans le paragraphe 1er, alinéa 3, 1°, les mots "ou des champignons" sont remplacés par les mots ", des champignons ou de la culture de fruits";
  b) le paragraphe 1er, alinéa 3, est complété par un 6°, rédigé comme suit :
  "6° en ce qui concerne les travailleurs manuels occupés à la culture de fruits : le travailleur manuel occupé durant un maximum de 100 jours par année civile, à l'exclusion des travailleurs relevant de la Commission paritaire pour le travail intérimaire en ce qui concerne les 35 derniers jours des 100 jours.";
  c) le paragraphe 1er est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  "Par dérogation à l'alinéa 3, les contingents visés à l'alinéa 3 sont, pour l'année 2021, adaptés comme suit : le maximum de 30 jours devient chaque fois 60 jours et le maximum de 65 jours devient chaque fois 100 jours.";
  d) le paragraphe 2 est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  "Pour l'année 2021, le maximum de 65 jours visé au premier alinéa devient 100 jours.";
  e) il est inséré un paragraphe 2ter, rédigé comme suit :
  " § 2ter. Par dĂ©rogation au paragraphe 2, alinĂ©a 1er, en ce qui concerne les travailleurs manuels occupĂ©s dans le travail de la culture de fruits, la limitation Ă  l'assujettissement visĂ©e au paragraphe 1er, alinĂ©a 1er, peut ĂȘtre prolongĂ©e de 35 jours supplĂ©mentaires par travailleur manuel qui n'est pas un travailleur intĂ©rimaire, et ce pour 33 % du nombre de travailleurs occasionnels dĂ©clarĂ©s par l'employeur concernĂ© pour l'annĂ©e 2020, pour autant que les conditions suivantes soient rĂ©unies :
  1° l'employeur concerné atteste pour l'année 2021 un volume d'emploi, exprimé en équivalent temps plein, au moins équivalent par rapport à la moyenne des quatre déclarations multifonctionnelles introduites auprÚs de l'Office national de sécurité sociale pour l'année civile 2019;
  2° l'employeur concernĂ© introduit, au plus tard le 15 avril 2021, une demande Ă©crite auprĂšs du prĂ©sident de la commission paritaire pour les entreprises horticoles et auprĂšs du Fonds social et de garantie pour les entreprises horticoles. Cette demande contient une dĂ©claration qui doit ĂȘtre soumise avec la demande pour qu'elle soit recevable et dans laquelle l'employeur s'engage Ă  :
  - appliquer correctement la législation sociale et les conventions collectives de travail;
  - ne pas avoir recours à des constructions en matiÚre de détachement;
  - ne pas avoir recours à des faux indépendants;
  - ne pas pratiquer le dumping social;
  - ne pas effectuer des montages en matiÚre de contrat d'entreprise ou de services impliquant des entreprises belges ou étrangÚres dans le but de contourner la législation belge relative à l'interdiction de la mise à disposition de travailleurs.
  Le Fonds social et de garantie pour les entreprises horticoles met à disposition un document type pour la demande écrite et la déclaration visées à l'alinéa 1er.
  Dans les cas visés à l'alinéa 1er, un groupe de travail "Fructiculture", créé au sein de la Commission paritaire pour les entreprises horticoles, évalue les demandes avant le 10 mai 2021 à l'aide des déclarations DmfA et Dimona.
  Le Fonds social et de garantie pour les entreprises horticoles calcule pour chaque entreprise qui en fait la demande le nombre de travailleurs occasionnels durant l'année 2020 et le nombre de travailleurs occasionnels qui correspond à 33 % pour l'année 2021.
  Le groupe de travail "Fructiculture" examine le dossier et formule un avis à la Commission paritaire pour les entreprises horticoles qui prend la décision. Cette décision indique, entre autres, le nombre de travailleurs occasionnels occupés à la culture de fruits pour lequel l'employeur peut faire usage du régime élargi de 100 jours pour l'année 2021. La Commission paritaire communique cette décision à l'employeur concerné et la transmet au plus tard le 31 mai 2021 ainsi qu'à l'Office national de sécurité sociale et au ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions.
  f) le paragraphe 3 est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  "Pour l'année 2021, par dérogation à l'alinéa 1er, la limitation à 65 jours est augmentée à 100 jours.";
  g) dans le paragraphe 4 les mots "le secteur agricole ou horticole" sont remplacĂ©s par les mots "la mĂȘme entreprise";
  h) le paragraphe 4 est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  "Pour l'application du prĂ©sent paragraphe on entend par la mĂȘme entreprise, l'ensemble des entitĂ©s juridiques gĂ©rĂ©es par les mĂȘmes administrateurs et/ ou gĂ©rants ou qui relĂšvent de la mĂȘme unitĂ© technique d'exploitation telle que dĂ©finie dans la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'Ă©conomie.";
  i) dans l'article sont insérés les paragraphes 4/1 et 4/2 rédigés comme suit :
  " § 4/1. Pour le calcul des 180 jours visés au paragraphe 4 il n'est pas tenu compte d'une occupation au sein de l'entreprise durant ladite période dÚs lors que celle-ci a été effectuée dans le cadre d'un contrat à durée déterminée ou pour un travail nettement défini de maximum 6 semaines calendrier d'affilées.
  § 4/2. Par dĂ©rogation au paragraphe 4, lorsqu'il est mis fin au contrat de travail d'un travailleur Ă  l'Ăąge lĂ©gal de la pension et que celui-ci souhaite ensuite ĂȘtre occupĂ© en qualitĂ© de travailleur occasionnel dans la mĂȘme entreprise la rĂšgle des 180 jours ne s'applique pas.".
Art. 27. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2021 en treedt buiten werking op 31 december 2021.
Art. 27. Le prĂ©sent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2021 et cesse d'ĂȘtre en vigueur le 31 dĂ©cembre 2021.
HOOFDSTUK 4. - Toekenning van een aanvullende primaire ongeschiktheidsuitkering in de uitkeringsverzekering voor werknemers
CHAPITRE 4. - Octroi d'une indemnité d'incapacité primaire supplémentaire dans l'assurance indemnités des travailleurs salariés
Art. 28. Artikel 4 van de wet van 24 juni 2020 houdende toekenning van een tijdelijke aanvulling op de uitkeringen voor primaire arbeidsongeschiktheid, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
  " § 2. In afwijking van paragraaf 1 is het bedrag van de aanvullende primaire ongeschiktheidsuitkering bedoeld in artikel 3 voor de gerechtigde die aanspraak kan maken op het minimumbedrag bedoeld in artikel 87, zevende lid, van de gecoördineerde wet, gelijk aan het bedrag verkregen door de som van het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering gelijk aan 60 % van het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet en het bedrag van de aanvullende primaire ongeschiktheidsuitkering vastgesteld overeenkomstig paragraaf 1, te verminderen met het voormelde minimumbedrag.".
Art. 28. L'article 4 de la loi du 24 juin 2020 octroyant un complément temporaire aux indemnités d'incapacité primaire, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
  " § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le montant de l'indemnité d'incapacité primaire supplémentaire visée à l'article 3, est, pour le titulaire qui peut prétendre au montant minimum visé à l'article 87, alinéa 7, de la loi coordonnée, égal au montant obtenu en diminuant la somme du montant de l'indemnité d'incapacité primaire égal à 60 % de la rémunération perdue visée à l'article 87, alinéa 1er de la loi coordonnée et du montant de l'indemnité d'incapacité primaire supplémentaire fixé conformément au paragraphe 1er, avec le montant minimum susvisé.".
Art. 29. In artikel 5, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "vanaf de eerste dag van de zevende maand van primaire ongeschiktheid" opgeheven.
Art. 29. A l'article 5, alinĂ©a 1er, de la mĂȘme loi, les mots "Ă  partir du premier jour du septiĂšme mois de l'incapacitĂ© primaire" sont abrogĂ©s.
Art. 30. In dezelfde wet wordt een artikel 5/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 5/1. Indien de som van enerzijds het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering gelijk aan 60 % van het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet, in voorkomend geval verhoogd tot het minimumbedrag bedoeld in artikel 87, zevende lid, van de gecoördineerde wet, en anderzijds het overeenkomstig de artikelen 4 en 5 vastgestelde bedrag van de aanvullende primaire ongeschiktheidsuitkering het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet, in voorkomend geval aangepast overeenkomstig de regeling bedoeld in artikel 6, tweede lid, overschrijdt, wordt het bedrag van de aanvullende primaire ongeschiktheidsuitkering bedoeld in artikel 3 echter begrensd tot het verschil van enerzijds dit voormelde gederfde loon en anderzijds het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering gelijk aan 60 % van het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet, in voorkomend geval verhoogd tot het minimumbedrag bedoeld in artikel 87, zevende lid, van de gecoördineerde wet.".
Art. 30. Dans la mĂȘme loi, il est insĂ©rĂ© un article 5/1 rĂ©digĂ© comme suit :
  "Art. 5/1. Si la somme, d'une part, du montant de l'indemnité d'incapacité primaire égal à 60 % de la rémunération perdue visée à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée, le cas échéant porté au montant minimum visé à l'article 87, alinéa 7, de la loi coordonnée et, d'autre part, du montant de l'indemnité d'incapacité primaire supplémentaire, fixé conformément aux articles 4 et 5, dépasse la rémunération perdue visée à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée, le cas échéant adaptée conformément au régime visé à l'article 6, alinéa 2, le montant de l'indemnité d'incapacité primaire supplémentaire visée à l'article 3 est toutefois limité à la différence entre, d'une part, cette rémunération perdue précitée et, d'autre part, le montant de l'indemnité d'incapacité primaire égal à 60 % de la rémunération perdue visée à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée, le cas échéant porté au montant minimum visé à l'article 87, alinéa 7, de la loi coordonnée.".
Art. 31. Artikel 28 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2020.
  De artikelen 29 en 30 treden in werking op 1 januari 2021.
Art. 31. L'article 28 produit ses effets le 1er septembre 2020.
  Les articles 29 et 30 entrent en vigueur le 1er janvier 2021.
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de wet van 4 november 2020 inzake verschillende sociale maatregelen ingevolge de COVID-19-pandemie
CHAPITRE 5. - Modification de la loi du 4 novembre 2020 portant diverses mesures sociales suite à la pandémie de COVID-19
Art. 32. In artikel 10 van de wet van 4 november 2020 inzake verschillende sociale maatregelen ingevolge de COVID-19-pandemie, worden de woorden ", met inbegrip van de als uitzendkracht gepresteerde uren bij gebruikers die behoren tot de zorgsector en in het onderwijs," ingevoegd tussen de woorden "gepresteerde uren" en de woorden "niet in aanmerking genomen".
Art. 32. Dans l'article 10 de la loi du 4 novembre 2020 portant diverses mesures sociales suite à la pandémie de COVID-19, les mots ", y compris les heures prestées en tant qu'intérimaire chez des utilisateurs appartenant au secteur des soins et de l'enseignement," sont insérés entre les mots "de l'enseignement" et les mots "ne sont pas prises en compte".
Art. 33. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 13 november 2020.
Art. 33. Le présent chapitre produit ses effets le 13 novembre 2020.
TITEL 5. - Werk
TITRE 5. - Emploi
HOOFDSTUK 1. - Compensatie van de werkgeverskost van de tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het coronavirus voor de jaarlijkse vakantie voor de bedienden
CHAPITRE 1er. - Compensation du coût pour les employeurs du chÎmage temporaire pour cause de force majeure consécutif au coronavirus pour les vacances annuelles pour les employés
Art. 34. Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers die in het tweede kwartaal 2020 werknemers tewerkstellen bedoeld in titel III van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers.
Art. 34. Le prĂ©sent chapitre s'applique aux employeurs qui, au deuxiĂšme trimestre 2020, occupent des travailleurs visĂ©s au titre III de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1967 dĂ©terminant les modalitĂ©s gĂ©nĂ©rales d'exĂ©cution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariĂ©s.
Art. 35. § 1. Tijdens het tweede kwartaal 2021 heeft iedere werkgever bedoeld in artikel 34 recht op een compensatie ten bedrage van een percentage van een globaal bedrag van 93 582 741 euro ter compensatie van de kost van de gelijkstelling tot 31 december 2020 van de perioden van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht corona voor de jaarlijkse vakantie in het stelsel van de jaarlijkse vakantie van de bedienden. Dit percentage wordt berekend op basis van de gelijkgestelde dagen van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het coronavirus COVID-19 die zijn aangegeven in de multifunctionele kwartaalaangifte bedoeld in artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders van het tweede kwartaal 2020 voor de werknemers bedoeld in artikel 34.
  Deze compensatie wordt berekend en toegekend door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Hiertoe wordt een prestatiebreuk berekend per tewerkstelling in de multifunctionele kwartaalaangifte en, in voorkomend geval, worden de verschillende prestatiebreuken opgeteld tot een globale prestatiebreuk van de werknemer.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder tewerkstelling verstaan : de tewerkstelling bedoeld in artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002, betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen.
  De prestatiebreuk wordt als volgt berekend :
  1° voor de tewerkstelling die in de multifunctionele kwartaalaangifte uitsluitend in dagen wordt aangegeven : X/ (13 x D), waarbij :
  X = het aantal dagen in de multifunctionele kwartaalaangifte aangegeven onder de code voor gelijkgestelde prestaties van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het coronavirus COVID-19;
  D = het aantal dagen per week van het arbeidsstelsel;
  2° voor de tewerkstelling die in de multifunctionele kwartaalaangifte in dagen en uren wordt aangegeven : Z / (13 x U), waarbij :
  Z = het aantal uren in de multifunctionele kwartaalaangifte aangegeven onder de code voor gelijkgestelde prestaties van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het coronavirus COVID-19;
  U = het gemiddeld aantal uren per week van de referentiewerknemer.
  De prestatiebreuk wordt per tewerkstelling afgerond op twee cijfers na de komma, waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond.
  De globale prestatiebreuk van een werknemer in de multifunctionele kwartaalaangifte is hoogstens gelijk aan 1. In geval van overschrijding wordt het resultaat tot 1 herleid.
  § 2. Voor de toekenning van de compensatie aan iedere werkgever wordt een gemiddeld percentage berekend op basis van de globale prestatiebreuken van zijn werknemers in het tweede kwartaal 2020. Dit gemiddeld percentage wordt afgerond op twee cijfers na de komma, waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond.
  De werkgevers voor wie het gemiddeld percentage kleiner is dan 10 ontvangen geen compensatie.
  De werkgevers voor wie het gemiddeld percentage groter dan of gelijk is aan 10 en kleiner is dan 20 ontvangen een compensatie van 33 %.
  De werkgevers voor wie het gemiddeld percentage groter dan of gelijk is aan 20 en kleiner is dan 50 ontvangen een compensatie van 66 %.
  De werkgevers voor wie het gemiddeld percentage groter dan of gelijk is dan 50 ontvangen een compensatie van 100 %.
  § 3. De compensatie (C) van iedere werkgever wordt berekend als volgt :
  C = (A / T) * E, waarbij :
  A = per werkgever het resultaat van het compensatiepercentage zoals bepaald in paragraaf 2 vermenigvuldigd met de som van de globale prestatiebreuken bepaald in paragraaf 1, samengeteld voor het tweede, derde en vierde kwartaal 2020. Dit resultaat wordt afgerond op twee cijfers na de komma, waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond;
  T = de som van alle resultaten (A) van alle werkgevers bedoeld in artikel 34;
  E = het bedrag bedoeld in paragraaf 1, eerste lid.
  § 4. Voor de werkgever bedoeld in paragraaf 1 die in het tweede kwartaal 2021 nog steeds personeel tewerkstelt, brengt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het bedrag van de toegekende compensatie in mindering van de aan de voormelde Rijksdienst verschuldigde bedragen voor het kwartaal van aanwending. De werkgever kan het ongebruikte krediet overdragen naar de volgende kwartalen van 2021 voor zover er bijdragen verschuldigd zijn.
Art. 35. § 1er. Durant le deuxiĂšme trimestre 2021, chaque employeur visĂ© Ă  l'article 34 a droit Ă  une compensation Ă©gale Ă  un pourcentage d'un montant global de 93 582 741 euros destinĂ© Ă  compenser le coĂ»t de l'assimilation jusqu'au 31 dĂ©cembre 2020 des pĂ©riodes de chĂŽmage temporaire pour force majeure liĂ©es au coronavirus dans le rĂ©gime des vacances annuelles des employĂ©s. Ledit pourcentage est calculĂ© sur base des journĂ©es assimilĂ©es du chĂŽmage temporaire pour force majeure consĂ©cutif Ă  l'Ă©pidĂ©mie du coronavirus COVID-19 qui sont reprises dans la dĂ©claration multifonctionnelle trimestrielle visĂ©e Ă  l'article 21 de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs au deuxiĂšme trimestre 2020 pour les travailleurs visĂ©s Ă  l'article 34.
  Cette compensation est calculée et octroyée par l'Office national de sécurité sociale. Pour ce faire, une fraction de ces prestations assimilées est calculée par occupation dans la déclaration multifonctionnelle trimestrielle et, le cas échéant, les différentes fractions des prestations sont additionnées pour former une fraction des prestations globales de l'employé.
  Pour l'application du prĂ©sent chapitre, on entend par occupation : l'occupation visĂ©e Ă  l'article 2, 1°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 16 mai 2003 pris en exĂ©cution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002, visant Ă  harmoniser et Ă  simplifier les rĂ©gimes de rĂ©ductions de cotisations de sĂ©curitĂ© sociale.
  La fraction des prestations est calculée comme suit :
  1° pour l'occupation indiquĂ©e uniquement en jours dans la dĂ©claration multifonctionnelle trimestrielle : X / (13 x D), oĂč :
  X = le nombre de jours indiqué dans la déclaration multifonctionnelle trimestrielle sous le code de prestations assimilées du chÎmage temporaire pour force majeure consécutif à l'épidémie du coronavirus COVID-19;
  D = le nombre de jours par semaine du régime de travail;
  2° pour l'occupation indiquĂ©e en jours et heures dans la dĂ©claration multifonctionnelle trimestrielle : Z / (13 x U), oĂč :
  Z = le nombre d'heures indiqué dans la déclaration multifonctionnelle trimestrielle sous le code de prestations assimilées du chÎmage temporaire pour force majeure consécutif à l'épidémie du coronavirus COVID-19;
  U = le nombre d'heures moyen de travail par semaine de la personne de référence.
  La fraction des prestations est arrondie par occupation à deux décimales aprÚs la virgule, 0,005 étant arrondi vers le haut.
  La fraction globale des prestations d'un employé dans la déclaration multifonctionnelle trimestrielle est au plus égale à 1. En cas de dépassement, le résultat est ramené à 1.
  § 2. Pour l'octroi de la compensation Ă  chaque employeur un pourcentage moyen est calculĂ© sur la base des fractions globales de prestations de ses employĂ©s au cours du deuxiĂšme trimestre 2020. Ce pourcentage moyen est arrondi Ă  deux dĂ©cimales, oĂč 0,005 est arrondi vers le haut.
  Les employeurs pour lesquels le pourcentage moyen est inférieur à 10 ne reçoivent aucune compensation.
  Les employeurs pour lesquels le pourcentage moyen est supérieur ou égal à 10 et inférieur à 20 reçoivent une compensation de 33 %.
  Les employeurs pour lesquels le pourcentage moyen est supérieur ou égal à 20 et inférieur à 50 reçoivent une compensation de 66 %.
  Les employeurs dont le pourcentage moyen est supérieur ou égal à 50 reçoivent une compensation de 100 %.
  § 3. La compensation (C) de chaque employeur est calculée comme suit :
  C = (A / T) * E, oĂč :
  A = par employeur le rĂ©sultat du pourcentage de compensation tel que dĂ©terminĂ© dans le paragraphe 2 multipliĂ© par la somme des fractions de prestations globales, telles que dĂ©terminĂ©es au paragraphe 1er, totalisĂ©es des deuxiĂšme, troisiĂšme et quatriĂšme trimestres 2020. Ce rĂ©sultat est arrondi Ă  deux dĂ©cimales oĂč 0,005 est arrondi vers le haut;
  T = la somme de tous les résultats (A) de tous les employeurs visés à l'article 34;
  E = le montant visé au paragraphe 1er, alinéa 1er.
  § 4. Pour l'employeur visé au paragraphe 1er qui occupe toujours du personnel au deuxiÚme trimestre 2021, l'Office national de sécurité sociale déduit le montant attribué à titre de compensation des montants dus à l'Office précité pour le trimestre d'affectation. L'employeur peut reporter le crédit inutilisé sur les trimestres suivants de 2021 tant que des cotisations sont dues.
Art. 36. De Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Nationale Arbeidsraad, kan het bedrag bedoeld in artikel 35, § 1, eerste lid, aanpassen in functie van een herevaluatie van de globale enveloppe in het kader van de evolutie van de socio-economische crisis.
Art. 36. Le Roi, par arrĂȘtĂ© dĂ©libĂ©rĂ© en Conseil des ministres et aprĂšs avis du Conseil national du travail, peut adapter le montant visĂ© Ă  l'article 35, § 1er, alinĂ©a 1er, en fonction d'une réévaluation de l'enveloppe globale dans le contexte de l'Ă©volution de la crise socioĂ©conomique.
HOOFDSTUK 2. - Bepalingen tot toekenning van een toelage aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie voor het jaar 2021 ter compensatie van de kost van de gelijkstelling van de perioden van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht corona voor de jaarlijkse vakantie in het stelsel van de jaarlijkse vakantie van de arbeiders
CHAPITRE 2. - Dispositions accordant une subvention à l'Office national des vacances annuelles pour l'année 2021 à titre de compensation dans le coût de l'assimilation des périodes de chÎmage temporaire pour force majeure liées au coronavirus dans le régime des vacances annuelles des ouvriers
Art. 37. Een toelage die in de begroting van de FOD Sociale Zekerheid is opgenomen, wordt aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie toegekend voor het jaar 2021 ter compensatie van de kost van de gelijkstelling tot 31 december 2020 van de perioden van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht corona voor de jaarlijkse vakantie in het stelsel van de jaarlijkse vakantie van de arbeiders.
  Het bedrag van deze toelage wordt vastgesteld op 93 582 741 euro.
Art. 37. Une subvention inscrite au budget du SPF Sécurité sociale est accordée à l'Office national des vacances annuelles pour l'année 2021 afin de compenser le coût de l'assimilation jusqu'au 31 décembre 2020 des périodes de chÎmage temporaire pour force majeure liées au coronavirus dans le régime des vacances annuelles des ouvriers.
  Le montant de cette subvention est fixé à 93 582 741 euros.
Art. 38. Het in artikel 37 bedoelde bedrag wordt uiterlijk op 30 april 2021 aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie betaald.
Art. 38. Le montant visé à l'article 37 est versé à l'Office national des vacances annuelles au plus tard le 30 avril 2021.
Art. 39. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2021.
Art. 39. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2021.
HOOFDSTUK 3. - Diverse arbeidsrechtelijke maatregelen
CHAPITRE 3. - Diverses mesures sur le plan du droit du travail
Afdeling 1. - Maatregelen tot vrijwaring van een vlotte arbeidsorganisatie
Section 1re. - Mesures visant Ă  garantir la bonne organisation du travail
Onderafdeling 1. - Begripsomschrijving
Sous-section 1re. - Définition
Art. 40. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° de zorgsector : de private en openbare diensten voor zorg, opvang en bijstand voor personen, voor oudere personen, voor minderjarigen, voor mindervalide personen en voor kwetsbare personen, met inbegrip van slachtoffers van intrafamiliaal geweld. Voor de private sector behoren deze diensten of organisaties tot de volgende paritaire comités :
  318 Paritair Comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp;
  319 Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en -diensten;
  330 Paritair Comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten;
  331 Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector;
  332 Paritair Comité voor de Franstalige en Duitstalige welzijns- en gezondheidssector;
  322 Paritair Comité voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of -diensten leveren, voor zover de uitzendkracht wordt tewerkgesteld bij een gebruiker die ressorteert onder één van de hierboven vermelde paritaire comités;
  [1 Onder de openbare zorgsector wordt verstaan de openbare instellingen en diensten met als NACE-code 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 86903, 86904, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 87201, 87202, 87203, 87204, 87205, 87209, 87301, 87302, 87303, 87304, 87309, 87901, 87902, 87909, 88101, 88102, 88103, 88104, 88109, 88911, 88912, 88919, 88991, 88992, 88993, 88994, 88996 en 88999.]1
  [2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder de zorgsector eveneens verstaan: de private en openbare instellingen of diensten die belast zijn met de exploitatie van vaccinatiecentra in het kader van de strijd tegen het coronavirus COVID-19 en dit voor alle activiteiten die verband houden met de exploitatie van een vaccinatiecentrum.]2
  2° tijdelijk werkloze : de werkloze die uitkeringen geniet in toepassing van de artikelen 106 tot 108bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
  3° bruggepensioneerde : de werkloze die uitkeringen geniet in toepassing van het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen;
  4° werkloze met bedrijfstoeslag : de werkloze die uitkeringen geniet in toepassing van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag;
  5° de factor X : het aantal dagen, behalve de zondagen, in een bedoelde kalendermaand die gelegen zijn in de kalenderperiode gedekt door een tewerkstelling in de zorgsector of het onderwijs, zoals aangegeven in toepassing van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
  6° werkgevers die tot de cruciale sectoren behoren : de handelszaken, private en publieke bedrijven en diensten die personeel tewerkstellen en die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de vitale belangen van de Natie en de behoeften van de bevolking als bedoeld in het raam van de door de minister van Binnenlandse Zaken genomen dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, alsook de producenten, leveranciers, aannemers en onderaannemers van goederen, werken en diensten die essentieel zijn voor de activiteit van deze ondernemingen en deze diensten.
  [3 Voor de periode van 27 juni 2021 tot en met 30 juni 2021, wordt onder werkgevers die tot cruciale sectoren behoren verstaan: de handelszaken, private en publieke bedrijven en diensten die personeel tewerkstellen en die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de vitale belangen van de Natie en de behoeften van de bevolking zoals opgenomen in bijlage 1 van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, zoals in voege op 26 juni 2021, alsook de producenten, leveranciers, aannemers en onderaannemers van goederen, werken en diensten die essentieel zijn voor de activiteit van deze ondernemingen en deze diensten.]3
  
Art. 40. Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par :
  1° secteur des soins : les services de soins, d'accueil et d'assistance aux personnes, aux personnes ùgées, aux mineurs, aux personnes moins valides et aux personnes vulnérables dont les victimes de violences intra-familiales publics ou privés. Pour le secteur privé, ces services ou organisations appartiennent aux commissions paritaires suivantes :
  318 Commission paritaire pour les services des aides familiales et des aides seniors;
  319 Commission paritaire des établissements et services d'éducation et d'hébergement;
  330 Commission paritaire des établissements et des services de santé;
  331 Commission paritaire pour le secteur flamand de l'aide sociale et des soins de santé;
  332 Commission paritaire pour le secteur francophone et germanophone de l'aide sociale et des soins de santé;
  322 Commission paritaire pour le travail intérimaire et les entreprises agréées fournissant des travaux ou services de proximité, pour autant que le travailleur intérimaire soit occupé chez un utilisateur ressortissant à une des commissions paritaires susmentionnées;
  [1 Par le secteur des soins public, on entend les établissements ou services publics dont le code NACE est 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 86903, 86904, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 87201, 87202, 87203, 87204, 87205, 87209, 87301, 87302, 87303, 87304, 87309, 87901, 87902, 87909, 88101, 88102, 88103, 88104, 88109, 88911, 88912, 88919, 88991, 88992, 88993, 88994, 88996 et 88999.]1
  [2 Pour l'application du présent chapitre, on entend également par le secteur des soins: les établissements ou les services privés et publics qui sont chargés de l'exploitation des centres de vaccination dans le cadre de la lutte contre le coronavirus COVID-19 et ce pour toutes les activités qui sont liées à l'exploitation d'un centre de vaccination.]2
  2° chĂŽmeur temporaire : le chĂŽmeur qui bĂ©nĂ©ficie d'allocations en application des articles 106 Ă  108bis de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage;
  3° prĂ©pensionnĂ© : le chĂŽmeur qui bĂ©nĂ©ficie d'allocations en application de l'arrĂȘtĂ© royal du 7 dĂ©cembre 1992 relatif Ă  l'octroi d'allocations de chĂŽmage en cas de prĂ©pension conventionnelle;
  4° chĂŽmeur avec complĂ©ment d'entreprise : le chĂŽmeur qui bĂ©nĂ©fice d'allocations en application de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 2007 fixant le rĂ©gime de chĂŽmage avec complĂ©ment d'entreprise;
  5° le facteur X : le nombre de jours, Ă  l'exception des dimanches, dans un mois calendrier considĂ©rĂ©, qui sont situĂ©s dans la pĂ©riode calendrier couverte par une occupation dans les secteurs des soins ou l'enseignement, tel que dĂ©clarĂ© en application de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions ;
  6° employeurs qui appartiennent aux secteurs cruciaux : les commerces, entreprises et services privés et publics qui occupent du personnel et qui sont nécessaires à la protection des besoins vitaux de la Nation et des besoins de la population, comme mentionné dans le cadre des mesures d'urgence prises par le ministre de l'Intérieur pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19, ainsi que les producteurs, fournisseurs, entrepreneurs et sous-traitants de biens, travaux et services qui sont essentiels à l'activité de ces entreprises et de ces services.
  [3 Pour la pĂ©riode du 27 juin 2021 au 30 juin 2021 inclus, on entend par employeurs qui appartiennent aux secteurs cruciaux: les commerces, entreprises et services privĂ©s et publics qui occupent du personnel et qui sont nĂ©cessaires Ă  la protection des besoins vitaux de la Nation et des besoins de la population, repris Ă  l'annexe 1re de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 28 octobre 2020 portant des mesures d'urgence pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19, tel qu'en vigueur au 26 juin 2021, ainsi que les producteurs, fournisseurs, entrepreneurs et sous-traitants de biens, travaux et services qui sont essentiels Ă  l'activitĂ© de ces entreprises et de ces services.]3
  
Onderafdeling 2. - Mogelijkheid tot het afsluiten van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd voor werknemers die in tijdelijke werkloosheid verkeren
Sous-section 2. - Possibilité de conclure des contrats de travail à durée déterminée successifs pour des travailleurs se trouvant en chÎmage temporaire
Art. 41. Deze onderafdeling is van toepassing op de werkgevers uit de zorgsector en het onderwijs, alsook op de werkgevers die instellingen en centra exploiteren die belast zijn met contactopsporing om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken.
Art. 41. Cette sous-section s'applique aux employeurs du secteur des soins et de l'enseignement, ainsi qu'aux employeurs exploitant des établissements et des centres chargés de la recherche des contacts afin de limiter la propagation du coronavirus COVID-19.
Art. 42. In afwijking van artikel 10 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, heeft het sluiten van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd van minimaal 7 dagen door een werkgever die onder het toepassingsgebied van deze onderafdeling valt, niet het sluiten van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot gevolg, indien deze arbeidsovereenkomsten worden gesloten door werknemers die in tijdelijke werkloosheid verkeren. Deze arbeidsovereenkomsten moeten worden gesloten met een andere werkgever dan de werkgever waarbij de werknemer in tijdelijke werkloosheid verkeert.
  De werknemer heeft het recht deze arbeidsovereenkomsten zonder opzegging te beëindigen.
Art. 42. Par dĂ©rogation Ă  l'article 10 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, la conclusion de contrats de travail Ă  durĂ©e dĂ©terminĂ©e de minimum 7 jours successifs par un employeur qui tombe sous le champ d'application de cette sous-section, n'entraĂźne pas la conclusion d'un contrat de travail Ă  durĂ©e indĂ©terminĂ©e, pour autant que ces contrats de travail soient conclus par des travailleurs se trouvant en chĂŽmage temporaire. Ces contrats de travail doivent ĂȘtre conclus avec un employeur autre que celui oĂč le travailleur se trouve en chĂŽmage temporaire.
  Le travailleur a le droit de mettre fin à ces contrats de travail sans préavis.
Onderafdeling 3. - Terbeschikkingstelling van werknemers aan gebruikers uit de zorgsector en het onderwijs, of aan gebruikers die instellingen en centra exploiteren die belast zijn met contactopsporing om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken
Sous-section 3. - Mise à disposition de travailleurs auprÚs d'utilisateurs dans les secteurs des soins, l'enseignement ou d'utilisateurs qui exploitent des établissements et des centres chargés de la recherche des contacts afin de limiter la propagation du coronavirus COVID-19
Art. 43. Deze onderafdeling is van toepassing op de gebruikers, bedoeld bij artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, uit de zorgsector en het onderwijs, of die instellingen en centra exploiteren die belast zijn met contactopsporing om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken.
Art. 43. Cette sous-section s'applique aux utilisateurs, visés à l'article 31 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, du secteur des soins et de l'enseignement, ou qui exploitent des établissements et des centres chargés de la recherche des contacts afin de limiter la propagation du coronavirus COVID-19.
Art. 44. § 1. In afwijking van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kan een werkgever, naast zijn gewone activiteit, gedurende de geldigheidsduur van deze onderafdeling, zijn vaste werknemers ter beschikking stellen van een gebruiker die onder het toepassingsgebied van deze onderafdeling valt, teneinde het hoofd te kunnen bieden aan de gevolgen van de COVID-19-epidemie bij de gebruiker, op voorwaarde dat die vaste werknemers reeds vóór 1 oktober 2020 in dienst zijn getreden bij de werkgever.
  § 2. De voorwaarden en de duur van de terbeschikkingstelling moet worden vastgelegd in een geschrift ondertekend door de werkgever, de gebruiker en de werknemer.
  Dit geschrift moet worden opgesteld vóór het begin van de terbeschikkingstelling.
  § 3. De overeenkomst die de werknemer met zijn werkgever verbindt, blijft gelden tijdens de periode van het in § 1 bedoelde ter beschikking stellen; de gebruiker wordt echter hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale bijdragen, lonen, vergoedingen en voordelen die daaruit volgen. In geen geval mogen die lonen, vergoedingen en voordelen lager zijn dan die welke de werknemers ontvangen die dezelfde functies in de onderneming van de gebruiker uitoefenen.
  § 4. Gedurende de periode waarin de werknemer ter beschikking van de gebruiker wordt gesteld, is de gebruiker verantwoordelijk voor de toepassing van de bepalingen van de wetgeving inzake de reglementering en de bescherming van de arbeid, die gelden op de plaats van het werk zoals bedoeld bij artikel 19 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers.
Art. 44. § 1er. Par dérogation à l'article 31 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, un employeur peut, en dehors de son ou de ses activités normales, mettre ses travailleurs permanents à la disposition d'un utilisateur qui tombe sous le champ d'application de cette sous-section, pendant la durée de validité de la présente sous-section pour faire face aux conséquences de l'épidémie COVID-19 chez l'utilisateur, à condition que ces travailleurs permanents soient entrés en service auprÚs de l'employeur avant le 1er octobre 2020.
  § 2. Les conditions et la durĂ©e de la pĂ©riode de mise Ă  disposition doit ĂȘtre constatĂ©e par un Ă©crit signĂ© par l'employeur, l'utilisateur et le travailleur.
  Cet Ă©crit doit ĂȘtre rĂ©digĂ© avant le dĂ©but de la mise Ă  disposition.
  § 3. Le contrat liant le travailleur Ă  son employeur reste d'application pendant la pĂ©riode de mise Ă  disposition visĂ©e au § 1er; l'utilisateur devient toutefois solidairement responsable pour le paiement des cotisations sociales, des salaires, des indemnitĂ©s et des avantages qui en dĂ©coulent. En aucun cas, ces salaires, indemnitĂ©s et avantages ne peuvent ĂȘtre infĂ©rieurs Ă  ceux reçus par les travailleurs exerçant les mĂȘmes fonctions dans l'entreprise de l'utilisateur.
  § 4. Pendant la période au cours de laquelle le travailleur est mis à la disposition de l'utilisateur, celui-ci est responsable de l'application des dispositions de la législation en matiÚre de réglementation et de protection du travail, en vigueur sur le lieu de travail tel que visé à l'article 19 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs.
Onderafdeling 4. - Tijdelijke tewerkstelling bij werkgevers uit de zorgsector en het onderwijs en bij werkgevers die instellingen en centra exploiteren die belast zijn met contactopsporing om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken
Sous-section 4. - Emploi temporaire auprÚs d'employeurs du secteur des soins, de l'enseignement et auprÚs d'employeurs exploitant des établissements et des centres chargés de la recherche des contacts pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19
Art. 45. Deze onderafdeling is van toepassing op de werkgevers behorend de zorgsector en het onderwijs, alsook op de werkgevers die instellingen en centra exploiteren die belast zijn met contactopsporing om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken.
Art. 45. Cette sous-section s'applique aux employeurs du secteur des soins et de l'enseignement, ainsi qu'aux employeurs exploitant des établissements et des centres chargés de la recherche des contacts afin de limiter la propagation du coronavirus COVID-19.
Art. 46. Een werknemer, tewerkgesteld bij een werkgever, die onder het toepassingsgebied van deze onderafdeling valt, die zijn arbeidsprestaties onderbreekt of heeft verminderd in het kader van hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, kan met zijn werkgever overeenkomen om de betrokken onderbreking of vermindering van arbeidsprestaties tijdelijk te schorsen. Na afloop van de tijdelijke schorsing, wordt de oorspronkelijke onderbreking of vermindering van arbeidsprestaties onder de oorspronkelijke voorwaarden verdergezet voor de resterende duur.
  De tijdelijke schorsing van de onderbreking of vermindering van arbeidsprestaties is slechts mogelijk tot en met de datum van buitenwerkingtreding van deze onderafdeling.
  De werknemer deelt de schorsing van de onderbreking of vermindering van arbeidsprestaties schriftelijk aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Deze Rijksdienst kan voorzien in een modelformulier om deze mededeling te verrichten.
  Tijdens de periode van schorsing van de onderbreking of vermindering van arbeidsprestaties is er geen recht op uitkering.
Art. 46. Un travailleur, occupé par un employeur qui tombe sous le champ d'application de cette sous-section, qui interrompt ou qui a réduit ses prestations de travail dans le cadre du chapitre IV, section 5, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, peut convenir avec son employeur de suspendre temporairement l'interruption ou la réduction des prestations de travail. A l'issue de la suspension temporaire, l'interruption ou la réduction initiale des prestations de travail est poursuivie aux conditions initiales pour la durée restante.
  La suspension temporaire de l'interruption ou de la rĂ©duction des prestations de travail n'est possible que pendant la pĂ©riode courant jusqu'Ă  la date Ă  laquelle la prĂ©sente sous-section cesse d'ĂȘtre en vigueur.
  Le travailleur communique la suspension de l'interruption ou de la réduction des prestations de travail par écrit à l'Office National de l'Emploi. Cet Office peut prévoir un modÚle de formulaire visant à réaliser cette communication.
  Durant la période de suspension de l'interruption ou de la réduction des prestations de travail, il n'y a pas de droit aux allocations.
Art. 47. § 1. Een werknemer die zijn arbeidsprestaties onderbreekt of heeft verminderd in het kader van hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, kan, tijdens de duur van deze onderbreking of vermindering van arbeidsprestaties, tijdelijk tewerkgesteld worden bij een andere werkgever die onder het toepassingsgebied van deze onderafdeling valt.
  De arbeidsovereenkomst bij de andere werkgever wordt schriftelijk vastgesteld en bevat een einddatum die de dag van buitenwerkingtreding van deze onderafdeling niet overschrijdt.
  De werknemer brengt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening schriftelijk op de hoogte van elke nieuwe tewerkstelling. Deze Rijksdienst kan voorzien in een modelformulier om deze mededeling te verrichten.
  § 2. In afwijking van de bepalingen in diverse koninklijke besluiten in uitvoering van de voornoemde herstelwet van 22 januari 1985, behoudt de werknemer het recht op de onderbrekingsuitkering indien hij in toepassing van paragraaf 1 een nieuwe tewerkstelling aanvangt bij een andere werkgever die onder het toepassingsgebied van deze onderafdeling valt.
  Het bedrag van die onderbrekingsuitkering wordt evenwel met een kwart verminderd voor de duur van de arbeidsovereenkomst.
Art. 47. § 1er. Un travailleur qui interrompt ou qui a rĂ©duit ses prestations de travail dans le cadre du chapitre IV, section 5, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, peut, pendant la durĂ©e de cette interruption ou de cette rĂ©duction de prestations de travail, ĂȘtre occupĂ© temporairement auprĂšs d'un autre employeur qui tombe sous le champ d'application de cette sous-section.
  Le contrat de travail auprĂšs de l'autre employeur est Ă©tabli par Ă©crit et contient une date de fin qui ne dĂ©passe pas la date Ă  laquelle la prĂ©sente sous-section cesse d'ĂȘtre en vigueur.
  Le travailleur informe par écrit l'Office National de l'Emploi de chaque nouvelle occupation. Cet Office peut prévoir un modÚle de formulaire visant à réaliser cette communication.
  § 2. Par dĂ©rogation aux dispositions de divers arrĂȘtĂ©s royaux en exĂ©cution de la loi de redressement prĂ©citĂ©e du 22 janvier 1985, le travailleur conserve son droit aux allocations d'interruption s'il commence une nouvelle occupation auprĂšs d'un autre employeur qui tombe sous le champ d'application de cette sous-section.
  Toutefois, le montant de ces allocations d'interruption est réduit d'un quart pendant la durée du contrat de travail.
Art. 48. Wanneer een tijdelijk werkloze het werk tijdelijk hervat bij een andere werkgever die onder het toepassingsgebied van deze onderafdeling valt, wordt, in afwijking van de artikelen 44, 45, 46, en 106 tot 108bis, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, het aantal uitkeringen per kalendermaand verkregen in toepassing van artikel 106 tot 108bis, van hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991, verminderd met een vierde van de factor X.
  Wanneer de decimale breuk van het resultaat van de deling van X door 4 minder dan 0,25 bedraagt, wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond; wanneer die breuk gelijk is aan of meer bedraagt dan 0,25 zonder 0,75 te bereiken, wordt het resultaat naar 0,50 afgerond; wanneer die breuk gelijk is aan of meer bedraagt dan 0,75, wordt het resultaat naar de hogere eenheid afgerond.
  De regeling bedoeld in het eerste lid is slechts van toepassing op de tewerkstelling gelegen in de periode tot en met de datum van buitenwerkingtreding van dit artikel.
Art. 48. Quand un chĂŽmeur temporaire reprend temporairement le travail chez un autre employeur tombant sous le champ d'application de la prĂ©sente sous-section, le nombre d'allocations par mois calendrier reçues en application des articles 106 Ă  108bis de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage est, en dĂ©rogation des articles 44, 45, 46, et 106 Ă  108bis, du mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991, diminuĂ© d'un quart du facteur X.
  Lorsque la fraction décimale du résultat de la division de X par quatre est inférieure à 0,25, le résultat est arrondi à l'unité inférieure; lorsque cette fraction est égale ou supérieure à 0,25 sans atteindre 0,75, le résultat est arrondi à 0,50; lorsque cette fraction est égale ou supérieure à 0,75, le résultat est arrondi à l'unité supérieure.
  Le rĂ©gime visĂ© au premier alinĂ©a est uniquement d'application aux occupations situĂ©es pendant la pĂ©riode jusqu'Ă  la date Ă  laquelle le prĂ©sent article cesse d'ĂȘtre en vigueur.
Art. 49. § 1. Wanneer een bruggepensioneerde of een werkloze met bedrijfstoeslag het werk tijdelijk hervat bij een werkgever die onder het toepassingsgebied van deze onderafdeling valt, wordt, in afwijking van de artikelen 44, 45 en 46 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, het aantal uitkeringen per kalendermaand verminderd met een vierde van de factor X.
  Wanneer de decimale breuk van het resultaat van de deling van X door 4 minder dan 0,25 bedraagt, wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond; wanneer die breuk gelijk is aan of meer bedraagt dan 0,25 zonder 0,75 te bereiken, wordt het resultaat naar 0,50 afgerond; wanneer die breuk gelijk is aan of meer bedraagt dan 0,75, wordt het resultaat naar de hogere eenheid afgerond.
  De regeling bedoeld in het eerste lid is slechts van toepassing op de tewerkstelling gelegen in de periode tot en met de datum van buitenwerkingwerking van dit artikel.
  § 2. Paragraaf 1 is eveneens van toepassing als een bruggepensioneerde of een werkloze met bedrijfstoeslag het werk tijdelijk hervat in een sector of instelling die onder het toepassingsgebied van deze onderafdeling valt, bij de werkgever die de debiteur is van de aanvullende vergoeding in het kader van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag.
Art. 49. § 1er. Quand un prĂ©pensionnĂ© ou un chĂŽmeur avec complĂ©ment d'entreprise reprend temporairement le travail chez un employeur tombant sous le champ d'application de la prĂ©sente sous-section, le nombre d'allocations par mois calendrier est, en dĂ©rogation des articles 44, 45 et 46 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage, diminuĂ© d'un quart du facteur X.
  Lorsque la fraction décimale du résultat de la division de X par quatre est inférieure à 0,25, le résultat est arrondi à l'unité inférieure; lorsque cette fraction est égale ou supérieure à 0,25 sans atteindre 0,75, le résultat est arrondi à 0,50; lorsque cette fraction est égale ou supérieure à 0,75, le résultat est arrondi à l'unité supérieure.
  Le rĂ©gime visĂ© au premier alinĂ©a est uniquement d'application aux occupations situĂ©es pendant la pĂ©riode jusqu'Ă  la date Ă  laquelle le prĂ©sent article cesse d'ĂȘtre en vigueur.
  § 2. Le paragraphe 1er s'applique également si un prépensionné ou un chÎmeur avec complément d'entreprise, reprend temporairement le travail dans un secteur ou une institution qui tombe sous le champ d'application de cette sous-section, chez l'employeur qui est le débiteur de l'allocation complémentaire dans le cadre du régime de chÎmage avec complément d'entreprise.
Art. 50. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 29 maart 2010 tot uitvoering van het hoofdstuk 6 van Titel XI van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen, betreffende de socialezekerheidsbijdragen en de inhoudingen in het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, op aanvullende vergoedingen bij sommige socialezekerheidsuitkeringen en op invaliditeitsuitkeringen, wordt een tewerkstelling zoals bedoeld in artikel 49, § 2, in afwijking van artikel 3 van vermeld besluit van 29 maart 2010 beschouwd als een werkhervatting van het type 1 en niet van het type 2.
Art. 50. Pour l'application de l'arrĂȘtĂ© royal du 29 mars 2010 portant exĂ©cution du chapitre 6 du titre XI de la loi du 27 dĂ©cembre 2006 contenant des dispositions diverses, relatif aux cotisations et retenues de sĂ©curitĂ© sociale dans le rĂ©gime de chĂŽmage avec complĂ©ment d'entreprise, aux remboursements complĂ©mentaires de certaines allocations de sĂ©curitĂ© sociale et aux allocations d'invaliditĂ©, un emploi visĂ© Ă  l'article 49, § 2, est, par dĂ©rogation Ă  l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du 29 mars 2010 prĂ©citĂ©, considĂ©rĂ© comme une reprise d'emploi de type 1 et non de type 2.
Onderafdeling 5. - Verhoging van het aantal vrijwillige overuren bij de werkgevers die tot de cruciale sectoren behoren
Sous-section 5. - Augmentation du nombre d'heures supplémentaires volontaires chez les employeurs qui appartiennent aux secteurs cruciaux
Art. 51. Deze onderafdeling is van toepassing op de werkgevers die tot de cruciale sectoren behoren.
Art. 51. Cette sous-section s'applique aux employeurs qui appartiennent aux secteurs cruciaux.
Art. 52. § 1. De 100 uren bedoeld in artikel 25bis, § 1, eerste lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 worden voor de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 verhoogd tot 220 uren bij de werkgevers die tot de cruciale sectoren behoren. Deze bijkomende overuren voor de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 dienen te worden gepresteerd tijdens deze periode.
  De bijkomende uren die, in toepassing van artikel 2 van het bijzondere-machtenbesluit nr. 14 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 tot vrijwaring van een vlotte arbeidsorganisatie in de kritieke sectoren, werden gepresteerd tijdens de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2020, worden in mindering gebracht van de bijkomende overuren die in toepassing van het eerste lid kunnen worden gepresteerd tijdens de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020.
  § 2. De 100 uren bedoeld in artikel 25bis, § 1, eerste lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 worden [2 [3 voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021]3]2 verhoogd tot 220 uren bij de werkgevers die tot de cruciale sectoren behoren. Deze bijkomende overuren [2 [3 voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021]3]2 dienen te worden gepresteerd tijdens deze periode.
  § 3. De bijkomende overuren die met toepassing van artikel 25bis, § 1, eerste lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 tijdens de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 en [2 [3 tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021]3]2 worden gepresteerd bij de werkgevers die tot de cruciale sectoren behoren, worden niet aangerekend bij de berekening van het gemiddelde bedoeld in artikel 26bis, § 1, van dezelfde wet en worden niet in aanmerking genomen voor de naleving van de grens bedoeld bij artikel 26bis, § 1bis, van dezelfde wet.
  § 4. Het overloon bepaald bij artikel 29, § 1, van de arbeidswet van 16 maart 1971 is niet van toepassing op de bijkomende overuren die, tijdens de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 en [2 [3 tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021]3]2, met toepassing van de paragrafen 1 en 2 worden gepresteerd bij de werkgevers die tot de cruciale sectoren behoren.
  
Art. 52. § 1er. Les 100 heures visĂ©es Ă  l'article 25bis, § 1er, alinĂ©a 1er, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail sont portĂ©es Ă  220 heures, pour la pĂ©riode du 1er octobre 2020 au 31 dĂ©cembre 2020 inclus, chez les employeurs appartenant aux secteurs cruciaux. Ces heures supplĂ©mentaires additionnelles pour la pĂ©riode du 1er octobre 2020 au 31 dĂ©cembre 2020 inclus doivent ĂȘtre prestĂ©es durant cette pĂ©riode.
  Les heures additionnelles qui, en application de l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© de pouvoirs spĂ©ciaux n° 14 pris en exĂ©cution de l'article 5, § 1, 5°, de la loi du 27 mars 2020 accordant des pouvoirs au Roi afin de prendre des mesures dans la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19 visant Ă  garantir la bonne organisation du travail dans les secteurs critiques, ont Ă©tĂ© prestĂ©es durant la pĂ©riode du 1er avril 2020 au 30 juin 2020 inclus, sont dĂ©duites des heures supplĂ©mentaires additionnelles qui peuvent ĂȘtre prestĂ©es, en application de l'alinĂ©a 1er, durant la pĂ©riode du 1er octobre 2020 au 31 dĂ©cembre 2020 inclus.
  § 2. Les 100 heures visĂ©es Ă  l'article 25bis, § 1er, alinĂ©a 1er, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail sont portĂ©es Ă  220 heures, [2 [3 pour la pĂ©riode du 1er janvier 2021 au 30 juin 2021 inclus]3]2, chez les employeurs appartenant aux secteurs cruciaux. Ces heures supplĂ©mentaires additionnelles [2 [3 pour la pĂ©riode du 1er janvier 2021 au 30 juin 2021 inclus]3]2 doivent ĂȘtre prestĂ©es pendant cette pĂ©riode.
  § 3. Les heures supplĂ©mentaires additionnelles qui sont prestĂ©es, en application de l'article 25bis, § 1er, alinĂ©a 1er, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, durant la pĂ©riode du 1er octobre 2020 au 31 dĂ©cembre 2020 inclus et [2 [3 durant la pĂ©riode du 1er janvier 2021 au 30 juin 2021 inclus]3]2, chez les employeurs appartenant aux secteurs cruciaux, ne sont pas comptĂ©es dans le calcul de la moyenne prĂ©vue Ă  l'article 26bis, § 1er, de la mĂȘme loi et ne sont pas prises en compte pour le respect de la limite prĂ©vue Ă  l'article 26bis, § 1erbis, de la mĂȘme loi.
  § 4. Le sursalaire prévu à l'article 29, § 1er, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail n'est pas applicable aux heures supplémentaires additionnelles qui sont prestées, durant la période du 1er octobre 2020 au 31 décembre 2020 inclus et [2 [3 durant la période du 1er janvier 2021 au 30 juin 2021 inclus]3]2, en application des paragraphes 1er et 2, chez les employeurs appartenant aux secteurs cruciaux.
  
Onderafdeling 6. - Opschorting van de voorwaarde zoals bepaald in artikel 18, 3°, van het koninklijk besluit van 2 september 2018 houdende de uitvoering van de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden
Sous-section 6. - Suspension de la condition de l'article 18, 3°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 2 septembre 2018 portant exĂ©cution de la loi du 9 mai 2018 relative Ă  l'occupation de ressortissants Ă©trangers se trouvant dans une situation particuliĂšre de sĂ©jour
Art. 53. De voorwaarde zoals bepaald in artikel 18, 3°, van het koninklijk besluit van 2 september 2018 houdende de uitvoering van de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden, dat enkel de verzoekers die vier maanden na de indiening van hun verzoek om internationale bescherming nog geen betekening van de beslissing hebben gekregen van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen mogen werken, wordt opgeschort voor zover hun verzoek werd geregistreerd ten laatste op [1 30 juni 2021]1.
  [1 ...]1
  
Art. 53. La condition de l'article 18, 3°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 2 septembre 2018 portant exĂ©cution de la loi du 9 mai 2018 relative Ă  l'occupation de ressortissants Ă©trangers se trouvant dans une situation particuliĂšre de sĂ©jour, qui prĂ©voit que seuls les demandeurs qui, quatre mois aprĂšs avoir introduit une demande de protection internationale, n'ont pas reçu notification de la dĂ©cision du Commissaire gĂ©nĂ©ral aux RĂ©fugiĂ©s et aux Apatrides peuvent travailler, est temporairement suspendue dans la mesure oĂč leur demande a Ă©tĂ© enregistrĂ©e au plus tard le [1 30 juin 2021]1.
  [1 ...]1
  
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 23 oktober 2020 tot het openstellen van tijdelijke werkloosheid overmacht corona voor werknemers in geval van sluiting van de school, opvang of centrum voor opvang voor personen met een handicap van hun kind
Section 2. - Modification de la loi du 23 octobre 2020 étendant aux travailleurs salariés le bénéfice du régime du chÎmage temporaire pour force majeure corona en cas de fermeture de l'école, de la garderie ou du centre d'accueil pour personnes handicapées de leur enfant
Art. 54. Het opschrift van de wet van 23 oktober 2020 tot het openstellen van tijdelijke werkloosheid overmacht corona voor werknemers in geval van sluiting van de school, opvang of centrum voor opvang voor personen met een handicap van hun kind, wordt vervangen als volgt : "Wet tot het openstellen van tijdelijke werkloosheid overmacht corona voor werknemers in de gevallen waarin het onmogelijk is voor hun kind om naar het kinderdagverblijf, de school, of het centrum voor opvang voor personen met een handicap te gaan".
Art. 54. L'intitulĂ© de la loi du 23 octobre 2020 Ă©tendant aux travailleurs salariĂ©s le bĂ©nĂ©fice du rĂ©gime du chĂŽmage temporaire pour force majeure corona en cas de fermeture de l'Ă©cole, de la garderie ou du centre d'accueil pour personnes handicapĂ©es de leur enfant, est remplacĂ© par ce qui suit : "Loi Ă©tendant aux travailleurs salariĂ©s le bĂ©nĂ©fice du rĂ©gime du chĂŽmage temporaire pour force majeure corona dans les cas oĂč il est impossible pour leur enfant de frĂ©quenter la crĂšche, l'Ă©cole ou un centre d'accueil pour personnes handicapĂ©es".
Art. 55. In artikel 2 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, worden de bepalingen 1° en 2° vervangen als volgt :
  "1° wanneer een minderjarig kind dat met hem samenwoont hetzij niet naar zijn kinderdagverblijf kan gaan, hetzij niet naar school kan gaan, omdat het kinderdagverblijf, de klas of de school waarvan het deel uitmaakt wordt gesloten als gevolg van een maatregel om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 te beperken, of omdat het minderjarig kind verplicht afstandsonderwijs moet volgen of omdat het kind omwille van een andere reden in quarantaine of in isolatie moet om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 te beperken;
  2° wanneer hij een gehandicapt kind ten laste heeft, ongeacht de leeftijd van dat kind, en dat kind niet naar een centrum voor opvang van gehandicapte personen kan gaan, of de intramurale of extramurale dienstverlening of behandeling georganiseerd of erkend door de Gemeenschappen niet langer kan genieten, als gevolg van een maatregel om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 te beperken.";
  2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  "De werknemer heeft dit recht gedurende de gehele periode waarop het attest of de aanbeveling voorzien in de vierde lid betrekking heeft.";
  3° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
  "Wanneer de werknemer samenwoont met de andere ouder van het kind, kan dit recht voor éénzelfde periode slechts door één van hen worden uitgeoefend.";
  4° het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt vervangen als volgt :
  "De werknemer die gebruik maakt van dit recht dient zijn werkgever daarvan onmiddellijk op de hoogte te brengen. De werknemer dient onverwijld aan de werkgever een medisch certificaat tot bevestiging van quarantaine of isolatie van het kind, een aanbeveling tot quarantaine of isolatie afgegeven door de bevoegde instantie of een attest van het kinderdagverblijf, van de school of het centrum voor opvang van gehandicapte personen te overhandigen, dat de sluiting bevestigt van de betrokken instelling of de klas als gevolg van een maatregel om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 te beperken. In dit attest staat de periode vermeld waarin de sluiting van toepassing is.".
Art. 55. Dans l'article 2 de la mĂȘme loi, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa 1er, les 1° et 2 sont remplacés par ce qui suit :
  "1° lorsqu'un enfant mineur cohabitant avec lui ne peut pas frĂ©quenter sa crĂšche ou ne peut pas aller Ă  l'Ă©cole parce que la crĂšche, la classe ou l'Ă©cole Ă  laquelle il appartient est fermĂ©e en raison d'une mesure visant Ă  limiter la propagation du coronavirus SARS-CoV-2, ou parce que l'enfant mineur est obligĂ© Ă  suivre des cours Ă  distance ou parce que l'enfant doit ĂȘtre mis en quarantaine ou en isolement pour une autre raison afin de limiter la propagation du coronavirus SARS-CoV-2;
  2° lorsqu'il a un enfant handicapé à charge, quel que soit l'ùge de cet enfant, et que cet enfant ne peut pas se rendre dans un centre d'accueil pour personnes handicapées, ou ne peut plus bénéficier du service ou traitement intramural ou extramural organisé ou agréé par les Communautés, en raison d'une mesure visant à limiter la propagation du coronavirus SRAS-CoV-2.";
  2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Le travailleur maintient ce droit durant toute la période couverte par l'attestation ou la recommandation visées à l'alinéa 4.";
  3° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  "Lorsque le travailleur vit avec l'autre parent de l'enfant, ce droit ne peut ĂȘtre exercĂ© pour une mĂȘme pĂ©riode que par l'un d'eux.";
  4° l'alinéa 3 ancien, devenant l'alinéa 4, est remplacé par ce qui suit :
  "Le travailleur qui fait usage de ce droit doit en informer immédiatement son employeur. Le travailleur doit sans délai fournir à l'employeur un certificat médical confirmant la quarantaine ou l'isolement de l'enfant, une recommandation de mise en quarantaine ou en isolement de l'enfant délivrée par une instance compétente ou une attestation de la crÚche, de l'école ou du centre d'accueil pour personnes handicapées confirmant la fermeture de l'établissement concerné ou de la classe en raison d'une mesure visant à limiter la propagation du coronavirus SARS-CoV-2. Cette attestation mentionne la période durant laquelle la fermeture s'applique.".
Art. 56. In artikel 3 van dezelfde wet, worden de woorden "31 december 2020" vervangen door de woorden "31 maart 2021".
Art. 56. Dans l'article 3 de la mĂȘme loi, les mots "31 dĂ©cembre 2020" sont remplacĂ©s par les mots "31 mars 2021".
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk om specifieke maatregelen in geval van een pandemie mogelijk te maken
Section 3. - Modification de la loi du 4 aoĂ»t 1996 relative au bien-ĂȘtre des travailleurs lors de l'exĂ©cution de leur travail pour permettre des mesures spĂ©cifiques en cas de pandĂ©mie
Art. 57. Artikel 4, § 1, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, gewijzigd bij de wet van 7 april 1999, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "In geval van een epidemie of pandemie kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bijzondere preventiemaatregelen bepalen die van toepassing zijn in de ondernemingen en instellingen met het oog op de bescherming van het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.".
Art. 57. L'article 4, § 1er, de la loi du 4 aoĂ»t 1996 relative au bien-ĂȘtre des travailleurs lors de l'exĂ©cution de leur travail, modifiĂ©e par la loi du 7 avril 1999, est complĂ©tĂ© par un alinĂ©a, rĂ©digĂ© comme suit :
  "En cas d'Ă©pidĂ©mie ou de pandĂ©mie, le Roi peut, par arrĂȘtĂ© dĂ©libĂ©rĂ© en Conseil des ministres, dĂ©terminer des mesures de prĂ©vention spĂ©cifiques applicables dans les entreprises et les institutions en vue de protĂ©ger le bien-ĂȘtre des travailleurs lors de l'exĂ©cution de leur travail.".
Afdeling 4. - Inwerkingtreding en temporele toepassing
Section 4. - Entrée en vigueur et application dans le temps
Art. 58. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2020, met uitzondering van artikel 48 dat in werking treedt de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  [3 De artikelen 40 tot 53 treden buiten werking op 30 september 2021, met uitzondering van artikel 46 dat buiten werking treedt op 31 maart 2021 en artikel 52 dat buiten werking treedt op 30 juni 2021.]3
  
Art. 58. Le présent chapitre produit ses effets le 1er octobre 2020 à l'exception de l'article 48 qui entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
  [3 Les articles 40 Ă  53 cessent d'ĂȘtre en vigueur le 30 septembre 2021 Ă  l'exception de l'article 46 qui cesse d'ĂȘtre en vigueur le 31 mars 2021 et de l'article 52 qui cesse d'ĂȘtre en vigueur le 30 juin 2021.]3
  
TITEL 6. - Mogelijkheid van verlenging van de maatregelen
TITRE 6. - Possibilité de prolongation des mesures
Art. 59. De Koning kan voor elke termijn bepaald bij deze wet of bij de bepalingen die worden gewijzigd bij deze wet, met uitzondering van artikel 5 en dit artikel, de uiterste vervaldag van deze termijn verlengen met hoogstens drie maanden bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  De in het eerste lid bedoelde besluiten worden bij wet bekrachtigd binnen een termijn van één jaar vanaf de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
  De in het eerste lid bedoelde besluiten worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien ze niet worden bekrachtigd binnen de termijn bedoeld in het tweede lid.
Art. 59. Le Roi peut, pour chacun des dĂ©lais dĂ©terminĂ©s dans la prĂ©sente loi ou dans les dispositions modifiĂ©es par la prĂ©sente loi, Ă  l'exception de l'article 5 et du prĂ©sent article, reporter la date d'expiration de ce dĂ©lai de trois mois au maximum par arrĂȘtĂ© royal dĂ©libĂ©rĂ© en Conseil des ministres.
  Les arrĂȘtĂ©s visĂ©s Ă  l'alinĂ©a 1er sont confirmĂ©s par la loi dans un dĂ©lai d'un an Ă  partir de la date de leur publication au Moniteur belge.
  Les arrĂȘtĂ©s visĂ©s Ă  l'alinĂ©a 1er sont rĂ©putĂ©s n'avoir jamais produit leurs effets s'ils ne sont pas confirmĂ©s dans le dĂ©lai visĂ© Ă  l'alinĂ©a 2.
TITEL 7. - Economie
TITRE 7. - Economie
Art. 60. In Boek VII, hoofdstuk 2, afdeling 5, onderafdeling 2, van het Wetboek economisch recht, ingevoegd bij de wet van 22 april 2016, wordt een artikel VII.145/1 ingevoegd, luidende :
  "VII.145/1. § 1. Bij een hypothecair krediet met een onroerende bestemming kan de kredietnemer de kredietgever verzoeken tot de verlenging van de looptijd of de tijdelijke opschorting van betaling van kapitaalaflossingen en interest.
  De bepalingen van artikel VII.133 zijn niet van toepassing op het tijdelijke uitstel van betaling of verlenging van de looptijd.
  § 2. Om wijzigingen aan het contract van hypothecair krediet met onroerende bestemming te verzoeken zoals bedoeld in § 1, is voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden :
  1° De kredietnemer lijdt een inkomensverlies door de economische gevolgen van het coronavirus;
  2° De kredietnemer vraagt om die reden aan zijn of haar kredietgever een tijdelijk uitstel van betaling of verlenging van de looptijd van zijn lopende hypothecaire kredietovereenkomst;
  3° Het krediet dat het voorwerp uitmaakt van de aanvraag tot tijdelijk uitstel van betaling of verlenging van de looptijd vertoonde geen betalingsachterstand op 1 september 2020. Tevens mag het betrokken krediet op de datum van de aanvraag van het betalingsuitstel niet in de Centrale voor Kredieten aan Particulieren van de Nationale Bank van België zijn geregistreerd met een niet-geregulariseerde betalingsachterstand.
  § 3. De wijziging van de kredietovereenkomst die bestaat uit het uitstel van terugbetaling of verlenging van de looptijd hoeft niet in de kredietovereenkomst zelf te worden geformaliseerd, maar kan worden vastgesteld via een bijvoegsel op een duurzame drager dat het bewijs levert van de instemming van de partijen met de inhoud.
  De kredietgever zal in dit geval geen dossierkosten aanrekenen.
  § 4. Indien de kredietnemer zelf verzoekt om een of meerdere wijzigingen van zijn hypothecaire kredietvoorwaarden met een onroerende bestemming, kan worden afgeweken van de bepalingen van artikel VII.134, § 1, voor zover er een bewijs is tot instemming.
  Deze wijziging kan onder meer de tijdelijke opschorting van betaling inhouden of de verlenging van de looptijd van zijn contract.
  De kredietgever zal in beide voorafgaande gevallen geen dossierkosten aanrekenen.
  De kredietgever zal in deze omstandigheid niet moeten voldoen aan de bepalingen zoals opgenomen in artikel VII.134, § 1.
Art. 60. Dans le livre VII, chapitre 2, section 5, sous-section 2, du Code de droit économique, inséré par la loi du 22 avril 2016, il est inséré un article VII.145/1, rédigé comme suit :
  "VII.145/1. § 1er. Pour un crĂ©dit hypothĂ©caire avec une destination immobiliĂšre, le preneur de crĂ©dit peut demander au prĂȘteur la prolongation de la durĂ©e ou la suspension temporaire de paiement des amortissements de capital et d'intĂ©rĂȘt.
  Les dispositions de l'article VII.133 ne sont pas d'application au report temporaire de paiement ou à la prolongation de la durée.
  § 2. Pour demander les modifications au contrat de crédit hypothécaire à destination immobiliÚre visées au § 1er, les conditions cumulatives suivantes sont remplies :
  1° Le preneur de crédit subit une perte de revenus suite aux conséquences économiques du coronavirus;
  2° le preneur de crĂ©dit demande pour cette raison Ă  son prĂȘteur un report de paiement temporaire ou une prolongation de la durĂ©e de son contrat de crĂ©dit hypothĂ©caire en cours;
  3° le crédit qui fait l'objet de la demande de report de paiement temporaire ou de prolongation de la durée ne présentait aucun retard de paiement au 1er septembre 2020. En outre, le crédit en question ne peut pas avoir été enregistré avec un retard de paiement non régularisé dans la Centrale des crédits aux particuliers de la Banque nationale de Belgique à la date de la demande de report de paiement.
  § 3. La modification du contrat de crĂ©dit consistant en un report de remboursement ou en une prolongation de la durĂ©e ne doit pas ĂȘtre formalisĂ©e dans le contrat de crĂ©dit lui-mĂȘme, mais peut ĂȘtre dĂ©terminĂ©e par un avenant sur un support durable qui fournit la preuve de l'accord des parties sur le contenu.
  Dans ce cas, le prĂȘteur ne portera pas en compte des frais de dossier.
  § 4. Si le preneur de crĂ©dit demande lui-mĂȘme une ou plusieurs modifications de ses conditions de crĂ©dit hypothĂ©caire Ă  destination immobiliĂšre, il peut ĂȘtre dĂ©rogĂ© aux dispositions de l'article VII.134, § 1er, pour autant qu'il y ait preuve de consentement.
  Cette modification peut inclure la suspension temporaire de paiement ou la prolongation de la durée de son contrat.
  Le prĂȘteur ne portera en compte aucun frais de dossier dans l'un ou l'autre des cas ci-dessus.
  Dans cette situation, le prĂȘteur ne sera pas tenu de respecter les dispositions de l'article VII.134, § 1er.
Art. 61. Artikel VII.148, paragraaf 2, eerste lid van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een punt 7°, luidende :
  "7° de toekenning van een tijdelijk uitstel van betaling bedoeld in artikel VII.145/1 en de datum van die toekenning.".
Art. 61. L'article VII.148, paragraphe 2, alinĂ©a 1er, du mĂȘme Code est complĂ©tĂ© par un point 7° rĂ©digĂ© comme suit :
  "7° l'octroi d'un report de paiement temporaire visé à l'article VII.145/1 et la date de cet octroi.".
Art. 62. Deze titel treedt in werking op 1 januari 2021 en treedt buiten werking op 1 juli 2021.
Art. 62. Le prĂ©sent titre entre en vigueur le 1er janvier 2021 et cesse d'ĂȘtre en vigueur le 1er juillet 2021.