Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
24 NOVEMBER 2020. - Wet met het oog op steunmaatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-11-2020 en tekstbijwerking tot 31-12-2021)
Titre
24 NOVEMBRE 2020. - Loi visant des mesures de soutien dans le cadre de la pandemie de COVID-19(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-11-2020 et mise à jour au 31-12-2021)
Documentinformatie
Numac: 2020043771
Datum: 2020-11-24
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2020043771
Date: 2020-11-24
Moniteur: Voir
Tekst (22)
Texte (22)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1ER. - Disposition introductive
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Betalingstermijnen voor de bijdragen verschuldigd voor het derde en vierde kwartaal 2020
CHAPITRE 2. - Délais de paiement pour les cotisations dues pour le troisième et le quatrième trimestre 2020
Art. 2. De werkgevers en de personen die hiermee worden gelijkgesteld bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die ernstige economische moeilijkheden ondervinden ingevolge het coronavirus COVID-19 kunnen, vóór iedere gerechtelijke vervolging en elk ander voorafgaandelijk minnelijk afbetalingsplan, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om minnelijke afbetalingstermijnen verzoeken voor de door de werkgever aangegeven bijdragen voor het derde en vierde kwartaal 2020 en voor de tot 28 februari 2021 vervallen rechtzettingen van bijdragen, met uitzondering van de door voormelde Rijksdienst ambtshalve vastgestelde bijdragen met betrekking tot het derde en vierde kwartaal 2020 in toepassing van artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, waarbij de bijdrageopslagen, eventuele forfaitaire vergoedingen, voorschotten en de verwijlintresten niet worden aangerekend wanneer en voor zover de vastgelegde betalingsmodaliteiten strikt worden nageleefd.
De minnelijke afbetalingstermijnen bedoeld in het vorige lid worden toegestaan volgens de voorwaarden en nadere regelen vastgelegd krachtens artikel 40bis van voornoemde wet van 27 juni 1969.
Art. 2. Les employeurs et les personnes qui y sont assimilées visées à l'article 1er, § 1er, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-royal du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, qui sont confrontés à de graves difficultés économiques en raison du coronavirus COVID-19 peuvent, avant toutes poursuites judiciaires et tout autre plan de paiement amiable préalable, demander à l'Office national de sécurité sociale des termes et délais amiables pour les cotisations déclarées aux 3e et 4e trimestres 2020, ainsi que pour les rectifications de cotisations échues jusqu'au 28 février 2021, à l'exception des montants de cotisations établis d'office par l'Office précité portant sur les troisième et quatrième trimestre 2020 en application de l'article 22 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, auquel cas les majorations de cotisations, éventuelles indemnités forfaitaires, provisions et les intérêts de retard ne seront comptabilisés que lorsque et dans la mesure où les modalités de paiement définies ne sont pas strictement respectées.
Les termes et délais à l'amiable visés à l'alinéa précédent sont accordés dans les conditions et selon les modalités fixées en application de l'article 40bis de la loi précitée du 27 juin 1969.
Art. 3. De vaste vergoeding wegens het niet-nakomen van de verplichtingen inzake betaling van voorschotten bedoeld in artikel 54bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders is niet van toepassing voor het derde en het vierde kwartaal 2020.
Art. 3. L'indemnité forfaitaire due en raison du non-respect des obligations de paiement des provisions visée à l'article 54bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs n'est pas applicable pour le troisième et le quatrième trimestre 2020.
Art. 4. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2020.
Art. 4. Le présent chapitre produit ses effets le 1er juillet 2020.
HOOFDSTUK 3. - Provisie CORONA voor de sector HORECA
CHAPITRE 3. - Provision CORONA au secteur HORECA
Art. 5. In uitvoering van de artikelen 121 tot 124 van de wet van 22 mei 2003 houdende de organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat wordt een éénmalige subsidie van 167 000 000 euro toegekend, ten laste van de begroting van de interdepartementale provisie (inbegrepen Corona), via een specifiek basisallocatie van de FOD WASO: 235120313201 aan het Waarborg- en Sociaal Fonds voor de hotel-, restaurant-, café en aanverwante bedrijven.
Art. 5. En exécution des articles 121 à 124 de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral, est octroyée une subvention unique de 167 000 000 euros au Fonds social et de garantie pour les hôtels, restaurants, cafés et entreprises assimilées à charge du budget de la provision interdépartementale (dont Corona), via une allocation de base spécifique inscrite au budget du SPF Emploi: 235120313201.
Art. 6. Deze subsidie is uitsluitend bestemd om het gebrek aan betaling te compenseren van de bijdrage voor de financiering van de eindejaarspremie 2020 van de werknemers die ressorteren onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf, ten gevolge van de sluiting van de inrichtingen die behoren tot de horecasector opgelegd door de ministeriele besluiten houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken.
Deze subsidie kan enkel worden aangewend voor de betaling van dit gedeelte van de eindejaarspremies van de werknemers dat betrekking heeft op de dagen van tijdelijke werkloosheid die gelijkgesteld zijn met effectieve aanwezigheid, zoals voorzien in artikel 9.9 van de Collectieve arbeidsovereenkomst van 27 juli 2010, gesloten in het Paritair Comité voor het hotelbedrijf, tot wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten tot toekenning van een eindejaarspremie.
Art. 6. Cette subvention est exclusivement destinée à compenser le défaut de paiement de la contribution destinée au financement des primes de fin d'année 2020 des travailleurs relevant de la Commission Paritaire de l'industrie hôtelière, suite à la fermeture des établissements relevant du secteur Horeca ordonnée par les arrêtés ministériels portant des mesures d'urgence pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19.
Cette subvention ne peut être utilisée que pour le paiement de cette partie des primes de fin d'année des travailleurs qui concerne les jours de chômage temporaire qui sont assimilés à une présence effective, comme prévu dans l'article 9.9 de la Convention collective de travail du 27 juillet 2010, conclue au sein de la Commission Paritaire de l'industrie hôtelière, portant modification et coordination de conventions collectives de travail octroyant une prime de fin d'année.
Art. 7. Deze subsidie mag niet worden gebruikt voor uitgaven in verband met personeelskosten, werkingskosten en investeringen.
Art. 7. Ce subside ne peut pas être utilisé pour les dépenses relatives aux frais de personnel, aux frais de fonctionnement et investissement.
Art. 8. § 1. Uiterlijk binnen de drie maanden die volgen op de datum van betaling van de eindejaarspremie 2020 zoals vastgelegd in de statuten van het Waarborg- en Sociaal Fonds voor de hotel-, restaurant-, café en aanverwante bedrijven, bezorgt het beheersorgaan van dit Fonds aan de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, een verslag over de wijze waarop de subsidie werd besteed overeenkomstig artikel 121, derde lid, van de wet van 22 mei 2003 houdende de organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat.
§ 2. Onverminderd artikel 13 van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid en het koninklijk besluit van 15 januari 1999 betreffende de boekhouding en de jaarrekening met betrekking tot de Fondsen voor bestaanszekerheid, bevat het in de eerste paragraaf vermelde verslag een afrekening van de kosten met de nodige verantwoordingsstukken.
Art. 8. § 1er. Au plus tard dans les trois mois qui suivent la date de versement de la prime de fin d'année 2020 telle que fixée dans les statuts du Fonds social et de garantie pour les hôtels, restaurants, cafés et entreprises assimilées, l'organe de gestion dudit Fonds, transmet à la Direction générale Relations collectives de travail du SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, un rapport sur la manière dont la subvention a été affectée conformément à l'article 121, alinéa 3, de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral.
§ 2. Sans préjudice de l'article 13 de la loi du 7 janvier 1958 concernant les Fonds de sécurité d'existence et de l'arrêté royal du 15 janvier 1999 relatif à la comptabilité et au compte annuel des Fonds de sécurité d'existence, le rapport mentionné dans le paragraphe 1er contient un décompte des dépenses accompagné des pièces justificatives nécessaires.
Art. 9. § 1. De totale toelage kan maximaal nooit meer bedragen dan het bedrag voorzien in artikel 5.
§ 2. [1 In afwijking van artikel 123 van de wet van 22 mei 2003 blijft het ongebruikte saldo van de in 2020 toegekende subsidie ter beschikking van het Waarborg- en Sociaal Fonds voor de hotel-, restaurant-, café en aanverwante bedrijven voor de in dit hoofdstuk bedoelde uitgaven 2021.]1
Art. 9. § 1er. La subvention totale ne peut jamais dépasser le montant prévu à l'article 5.
§ 2. [1 Par dérogation à l'article 123 de la loi du 22 mai 2003, le solde non-utilisé de la subvention octroyée en 2020 est laissé à disposition du Fonds social et de garantie pour les hôtels, restaurants, cafés et entreprises assimilées pour les dépenses 2021 visé par le présent chapitre.]1
Art. 10. De subsidie wordt toegekend voor het jaar 2020.
Art. 10. La subvention est octroyée pour l'année 2020.
HOOFDSTUK 4. - Hoofdstuk tot wijziging van wet van 23 maart 2020 tot wijziging de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen
CHAPITRE 4. - Chapitre modifiant la loi du 23 mars 2020 modifiant la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants et introduisant des mesures temporaires dans le cadre du COVID-19 en faveur des travailleurs indépendants
Art. 11. In de wet van 23 maart 2020 tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 41 van 26 juni 2020 wordt een artikel 4quater ingevoegd, luidende:
"Art. 4quater. § 1. In afwijking van artikel 4bis, § 2, kunnen aanspraak maken op het dubbele van de het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandige:
- de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, zoals bedoeld in artikel 3, die gedwongen worden hun activiteiten gedeeltelijk of volledig te onderbreken en voor zover hun activiteiten rechtstreeks behoren tot de activiteiten zoals bedoeld in het ministerieel besluit van 18 oktober 2020 en elk ander later ministerieel besluit houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, voor de kalendermaand waarin de periode van onderbreking van hun zelfstandige activiteit gelegen is;
- de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, zoals bedoeld in artikel 3, wiens activiteiten afhankelijk zijn van de activiteiten rechtstreeks bedoeld in het ministerieel besluit van 18 oktober 2020 en elk ander later ministerieel besluit houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, die hun activiteiten volledig onderbreken gedurende de periode van gedwongen onderbreking bedoeld door bovengenoemd ministerieel besluit, voor de kalendermaand waarin de periode van daadwerkelijke onderbreking van hun zelfstandige activiteit gelegen is.
§ 2. In afwijking van artikel 4bis, § 3 wordt voor de zelfstandigen en helpers zoals bedoeld in artikel 3, § 2, van deze wet, het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10 § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, toegekend en dit voor zover ze voldoen aan de overige voorwaarden van de eerste paragraaf.
§ 3. De zelfstandigen en helpers bedoeld in de tweede paragraaf kunnen het aldaar bedoelde maandelijkse bedrag slechts cumuleren met een of meerdere andere vervangingsinkomens voor zover de som van het maandelijks bedrag bedoeld in de tweede paragraaf en de andere vervangingsinkomens per maand niet meer bedraagt dan 1 614,10 euro. Ingeval van overschrijding wordt het maandelijks bedrag bedoeld in de tweede paragraaf verminderd ten belope van deze overschrijding.
§ 4. De gerechtigden op primaire ongeschiktheids- of invaliditeitsuitkeringen die een activiteit als zelfstandige met de toelating van de adviserend arts van hun verzekeringsinstelling uitoefenen, al naargelang het geval, met toepassing van artikel 100, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 of de artikelen 23 of 23bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, en die, onder de voorwaarden bepaald in de eerste en tweede paragrafen, hun toegelaten activiteit moeten onderbreken, kunnen op geen enkel bedrag aan overbruggingsrecht voor deze onderbreking van activiteit aanspraak maken.".
Art. 11. Dans la loi du 23 mars 2020 modifiant la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants et introduisant des mesures temporaires dans le cadre COVID-19 en faveur des travailleurs indépendants, modifiée en dernier lieu par l'arrêté royal n° 41 du 26 juin 2020, il est inséré un article 4quater, rédigé comme suit:
"Art. 4quater. § 1er. Par dérogation à l'article 4bis, § 2, peuvent prétendre au double du montant mensuel intégral visé à l'article 10, § 1er, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants:
- les travailleurs indépendants, les aidants et les conjoints aidants, visés à l'article 3, qui sont forcés d'interrompre totalement ou partiellement leurs activités indépendantes et pour autant que leurs activités soient visées directement par l'arrêté ministériel du 18 octobre 2020 et par tout autre arrêté ministériel ultérieur portant des mesures d'urgence pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19, pour le mois civil au cours duquel se situe la période d'interruption de leur activité indépendante;
- les travailleurs indépendants, les aidants et les conjoints aidants, visés à l'article 3, dont les activités sont dépendantes des activités visées directement par l'arrêté ministériel du 18 octobre 2020 et par tout autre arrêté ministériel ultérieur portant des mesures d'urgence pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19, et qui interrompent totalement leurs activités pendant la durée d'interruption forcée visée par l'arrêté ministériel précité, pour le mois civil au cours duquel se situe l'interruption effective de leur activité indépendante.
§ 2. Par dérogation à l'article 4bis, § 3, pour les travailleurs indépendants et les aidants visés à l'article 3, § 2, de la présente loi, la totalité du montant mensuel visé à l'article 10, § 1er, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants est accordée, pour autant qu'ils remplissent les autres conditions du paragraphe 1er.
§ 3. Les travailleurs indépendants et les aidants visés au paragraphe 2 peuvent seulement cumuler le montant mensuel y visé avec un ou plusieurs autres revenus de remplacement, pour autant que la somme du montant mensuel visé au paragraphe 2 et des autres revenus de remplacement ne dépasse pas 1 614,10 euros sur une base mensuelle. En cas de dépassement, le montant mensuel visé au paragraphe 2 sera réduit à concurrence de ce dépassement.
§ 4. Les bénéficiaires d'indemnités d'incapacité primaire ou d'invalidité qui exercent une activité de travailleur indépendant autorisée par le médecin-conseil de leur organisme assureur, selon le cas, en application de l'article 100, § 2, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ou des articles 23 ou 23bis de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants, et qui doivent, dans les conditions prévues aux paragraphes 1er et 2, interrompre leur activité autorisée, ne peuvent prétendre à aucun montant de droit passerelle pour cette interruption d'activité.".
Art. 12. In artikel 5 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 41 van 26 juni 2020, worden de paragrafen 1 en 2 vervangen als volgt:
" § 1. Voor de toepassing van de artikelen 4, 4bis, 4ter en 4quater en in afwijking van artikel 7, § 3, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, wordt er geen rekening gehouden met de financiële uitkeringen die de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenote bedoeld in artikel 3 reeds in het verleden heeft genoten krachtens het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en zijn uitvoeringsbesluiten en krachtens de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en haar uitvoeringsbesluit.
Bovendien zal de financiële uitkering die overeenkomstig de artikelen 4, 4bis, 4ter en 4quater wordt toegekend, niet in rekening worden gebracht bij het bepalen van de maximale duur van het overbruggingsrecht in toepassing van artikel 7, § 3, van de voormelde wet van 22 december 2016.
§ 2. Voor de toepassing van de artikelen 4, 4bis, 4ter en 4quater zijn de voorwaarden bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, niet van toepassing op de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten bedoeld in artikel 3.".
Art. 12. Dans l'article 5 de la même loi, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal n° 41 du 26 juin 2020, les paragraphes 1er et 2 sont remplacés par ce qui suit:
" § 1er. Pour l'application des articles 4, 4bis, 4ter et 4quater et par dérogation à l'article 7, § 3, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants, il n'est pas tenu compte des prestations financières que le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant visé à l'article 3 a déjà perçues dans le passé en vertu de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants et de ses arrêtés d'exécution et en vertu de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit de passerelle en faveur des travailleurs indépendants et de son arrêté d'exécution.
En outre, la prestation financière octroyée conformément aux articles 4, 4bis, 4ter et 4quater ne sera pas prise en compte lors de la détermination de la durée maximale du droit passerelle en application de l'article 7, § 3, de la loi précitée du 22 décembre 2016.
§ 2. Pour l'application des articles 4, 4bis, 4ter et 4quater, les conditions visées à l'article 5, § 1er, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants ne s'appliquent pas aux travailleurs indépendants, aux aidants et aux conjoints aidants visés à l'article 3.".
Art. 13. In artikel 6 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 augustus 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) paragraaf 1 wordt aangevuld met een bepaling onder 7°, luidende:
"7° Artikel 4quater is van toepassing op alle gedwongen onderbrekingen overeenkomstig artikel 4, 3°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, die plaatsvinden naar aanleiding van COVID-19 en zich situeren in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 30 november 2020.";
b) in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de periode van de toepassing van de maatregelen bedoeld in de artikelen 3, 4bis, 4ter, 4quater en 5, verlengen tot uiterlijk 31 december 2020.".
Art. 13. Dans l'article 6 de la même loi, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 22 août 2020, les modifications suivantes sont apportées:
a) le paragraphe 1er est complété par un 7° rédigé comme suit:
"7° L'article 4quater s'applique à toutes les interruptions forcées conformément à l'article 4, 3°, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants, qui se produisent en raison du COVID-19 et qui ont lieu pendant la période du 1er octobre 2020 au 30 novembre 2020 inclus.";
b) dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, prolonger la période d'application des mesures visées aux articles 3, 4, 4bis, 4ter, 4quater et 5, au plus tard jusqu'au 31 décembre 2020.".
Art. 14. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 14. Le présent chapitre entre en vigueur au jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
HOOFDSTUK 5. - Toekenning van een premie aan bepaalde categorieën van werkgevers voor de betaling van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verschuldigde bedragen voor het derde kwartaal 2020
CHAPITRE 5. - Octroi d'une prime à certaines catégories d'employeurs en vue du paiement à l'Office national de sécurité sociale des montants dus pour le troisième trimestre 2020
Art. 15. § 1. Er wordt een premie verleend volgens de modaliteiten bepaald in artikel 16 aan de werkgevers en de personen die hiermee worden gelijkgesteld bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wanneer en voor zover zij onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, en zij op het einde van het derde kwartaal 2020 nog steeds actief zijn en:
1° kwalificeren als inrichtingen die behoren tot de horecasector alsook andere eet- en drankgelegenheden die sedert 19 oktober 2020 gesloten zijn op grond van de ministeriële besluiten houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken die genomen zijn door de minister van Binnenlandse Zaken, met uitzondering van eet- en drankgelegenheden en grootkeukens bestemd voor verblijf-, school-, leef- en werkgemeenschappen;
2° behoren tot de culturele, feestelijke, sportieve, recreatieve en evenementensector en waarvan de (onderdelen van) inrichtingen sedert 29 oktober 2020 of 2 november 2020 gesloten zijn voor het publiek op grond van de ministeriële besluiten houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken die genomen zijn door de minister van Binnenlandse Zaken;
3° kwalificeren als ondernemingen en verenigingen die goederen aanbieden aan consumenten die sedert 2 november 2020 gesloten zijn voor het publiek op grond van de ministeriële besluiten houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken die genomen zijn door de minister van Binnenlandse Zaken;
4° kwalificeren als onderdelen van ondernemingen en verenigingen die diensten aanbieden aan consumenten die sedert 2 november 2020 gesloten zijn voor het publiek op grond van de ministeriële besluiten houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken die genomen zijn door de minister van Binnenlandse Zaken;
5° de vakantieparken, bungalowparken en campings die sedert 3 november 2020 gesloten zijn voor het publiek op grond van de ministeriële besluiten houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken die genomen zijn door de minister van Binnenlandse Zaken alsook de reisbureaus, reisorganisaties, toeristische informatiediensten, overige reserveringsactiviteiten.
§ 2. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, nadere regels inzake de premie bedoeld in dit hoofdstuk bepalen.
§ 3. De Koning kan, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het toepassingsgebied van dit hoofdstuk uitbreiden en afwijkende berekenings- en toekenningsvoorwaarden van de premie bepalen.
Art. 15. § 1er. Une prime est octroyée conformément aux modalités déterminées à l'article 16 aux employeurs et aux personnes assimilées aux employeurs, visées à l'article 1er, § 1er, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs à condition - et pour autant - qu'ils ressortissent du champ d'application de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires et qu'ils sont toujours actifs à la fin du troisième trimestre 2020 et qui:
1° sont considérés comme des établissements relevant du secteur de l'horeca ainsi que les autres établissements de restauration et débits de boissons qui sont fermés depuis le 19 octobre 2020 en vertu des arrêtés ministériels portant des mesures d'urgence pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19 pris par le ministre de l'Intérieur, à l'exception des établissements de restauration et débits de boissons et des cuisines de collectivité destinés aux communautés résidentielles, scolaires, de vie et de travail;
2° relèvent des secteurs culturel, festif, sportif, récréatif et évènementiel et dont les (parties des) établissements sont fermés pour le public depuis le 29 octobre 20 ou le 2 novembre 2020 en vertu des arrêtés ministériels portant des mesures d'urgence pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19 pris par le ministre de l'Intérieur;
3° sont considérés comme entreprises et associations offrant des biens aux consommateurs qui sont fermées au public depuis le 2 novembre 2020 en vertu des arrêtés ministériels portant des mesures d'urgence pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19 pris par le ministre de l'Intérieur;
4° sont considérés comme des parties d'entreprises et associations offrant des services aux consommateurs qui sont fermées depuis le 2 novembre 2020 en vertu des arrêtés ministériels portant des mesures d'urgence pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19 pris par le ministre de l'Intérieur;
5° les villages de vacances, les parcs de bungalows et les campings qui sont fermés au public depuis le 3 novembre 2020 en vertu des arrêtés ministériels portant des mesures d'urgence pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19 pris par le ministre de l'Intérieur ainsi que les agences de voyages, les voyagistes, les services d'information touristiques et les autres services de réservation.
§ 2. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, fixer des règles complémentaires en ce qui concerne la prime visée dans le présent chapitre.
§ 3. Le Roi peut, dans les conditions qu'Il détermine étendre le champ d'application du présent chapitre par arrêté délibéré en Conseil des ministres et déterminer des conditions dérogatoires de calcul et d'octroi de la prime.
Art. 16. § 1. De premie bedoeld in artikel 15 wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid berekend en toegekend in twee fasen.
§ 2. In de eerste fase berekent de voormelde Rijksdienst een premie waarvan het bedrag overeenkomt met het voor het eerste kwartaal 2020 verschuldigde bedrag van de globale bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, 1°, 2° of 3° en artikel 38, § 3bis, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers - waarbij geen rekening wordt gehouden met de loonmatigingsbijdrage bedoeld in artikel 38, § 3bis, eerste lid, van dezelfde wet, die niet werd berekend op de werkgeversbijdragen bedoeld in voornoemd artikel 38, § 3, 1°, 2° of 3° en § 3bis, eerste en tweede lid van dezelfde wet - verminderd met de verminderingen van werkgeversbijdragen en vermeerderd met de voor het eerste kwartaal 2020 door de werkgever verschuldigde solidariteitsbijdrage op studentenarbeid bedoeld in artikel 1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een solidariteitsbijdrage op de tewerkstelling van studenten die niet onderworpen zijn aan het stelsel van sociale zekerheid van de werknemers, met toepassing van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie.
Het bedrag van deze premie wordt eerst ambtshalve aangewend ter betaling van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verschuldigde bedragen die betrekking hebben op het derde kwartaal 2020 en vervolgens, in voorkomend geval, op de overige aan de voormelde Rijksdienst verschuldigde bedragen en dit met aanwending op de oudste schuld overeenkomstig artikel 25, van de voormelde wet van 27 juni 1969. Indien er na toerekening een saldo overblijft, kan de werkgever om de uitbetaling ervan verzoeken. Wanneer de werkgever niet om uitbetaling verzoekt, zal het saldo aangewend worden voor de eerstvolgende nog te vervallen bedragen verschuldigd aan de voormelde Rijksdienst.
§ 3. In de tweede fase berekent de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een premie waarvan het bedrag overeenstemt met het voor het derde kwartaal 2020 verschuldigde bedrag van de globale bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, 1°, 2° of 3° en artikel 38, § 3bis, van de voormelde wet van 29 juni 1981 - waarbij geen rekening wordt gehouden met de loonmatigingsbijdrage bedoeld in artikel 38, § 3bis, eerste lid, van dezelfde wet, die niet werd berekend op de werkgeversbijdragen bedoeld in voornoemd artikel 38, § 3, 1°, 2° of 3° en § 3bis, eerste en tweede lid van dezelfde wet, verminderd met de verminderingen van werkgeversbijdragen en vermeerderd met de voor het derde kwartaal 2020 door de werkgever verschuldigde solidariteitsbijdrage op studentenarbeid bedoeld in artikel 1, van het voormelde koninklijk besluit van 23 december 1996.
§ 4. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid vergelijkt vervolgens de overeenkomstig paragraaf 3 berekende premie met de overeenkomstig paragraaf 2 berekende premie.
Wanneer het bedrag van de overeenkomstig paragraaf 3 berekende premie lager is dan het bedrag van de overeenkomstig paragraaf 2 berekende premie, dan blijft de overeenkomstig paragraaf 2 berekende premie die in de eerste fase werd toegekend, verworven.
Wanneer het bedrag van de overeenkomstig paragraaf 3 berekende premie hoger is dan de overeenkomstig paragraaf 2 berekende premie, dan wordt aan de werkgever een bijkomende premie ten belope van het verschil toegekend. Het bedrag van deze premie wordt eerst ambtshalve aangewend ter betaling van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verschuldigde bedragen die betrekking hebben op het derde kwartaal 2020 en vervolgens, in voorkomend geval, op de overige aan de voormelde Rijksdienst verschuldigde bedragen en dit met aanwending op de oudste schuld overeenkomstig artikel 25 van de voormelde wet van 27 juni 1969. Indien er na toerekening een saldo overblijft, kan de werkgever om de uitbetaling ervan verzoeken. Wanneer de werkgever niet om uitbetaling verzoekt, zal het saldo aangewend worden voor de eerstvolgende nog te vervallen bedragen verschuldigd aan de voormelde Rijksdienst.
Art. 16. § 1er. La prime visée à l'article 15 est calculée et octroyée par l'Office national de sécurité sociale en deux phases.
§ 2. Dans la première phase, l'Office national précité calcule une prime dont le montant correspond au montant dû de la cotisation globale pour le premier trimestre 2020 visées à l'article 38, § 3, 1°, 2° ou 3°, et l'article § 3bis, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, - où il n'est pas tenu compte de la cotisation de modération salariale visée à l'article 38, § 3 bis, alinéa 1er, de la même loi, qui n'a pas été calculée sur la base des cotisations patronales visées à l'article 38 précité, § 3, 1°, 2° ou 3° et § 3bis, alinéas 1er et 2, de cette même loi - diminué des réductions de cotisations patronales et augmenté de la cotisation de solidarité due par l'employeur pour le premier trimestre 2020 sur le travail étudiant visé à l'article 1er, de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant des mesures en vue de l'instauration d'une cotisation de solidarité pour l'occupation d'étudiants non assujettis au régime de la sécurité sociale des travailleurs salariés, en application de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne.
Le montant de cette prime est d'abord utilisé d'office pour payer les montants relatifs au troisième trimestre 2020 dus à l'Office national de sécurité sociale et ensuite, le cas échéant, les autres montants dus à l'Office national précité et ce avec imputation sur la dette la plus ancienne conformément à l'article 25, de la loi du 27 juin 1969 précitée. Si après l'affectation il reste un solde, l'employeur peut en demander le versement. Si l'employeur n'en demande pas le versement, le solde sera imputé sur les premiers montants dus venant ensuite à échéance à l'Office national précité.
§ 3. Dans la deuxième phase, l'Office national de sécurité sociale calcule une prime dont le montant correspond au montant dû de la cotisation globale pour le troisième trimestre 2020 visées à l'article 38, § 3, 1°, 2° ou 3°, et l'article 38, § 3bis, de la loi précitée du 29 juin 1981, où il n'est pas tenu compte de la cotisation de modération salariale visée à l'article 38, § 3bis, alinéa 1er, de la même loi, qui n'a pas été calculée sur la base des cotisations patronales visées à l'article 38 précité, § 3, 1°, 2° ou 3°, et 8°, et § 3bis, alinéas 1er et 2, de cette même loi, diminué des réductions de cotisations patronales et augmenté de la cotisation de solidarité due par l'employeur pour le premier trimestre 2020 sur le travail étudiant visé à l'article 1er, de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 précité.
§ 4. L'Office national de sécurité sociale compare ensuite la prime calculée conformément au paragraphe 3 avec la prime calculée conformément au paragraphe 2.
Lorsque le montant de la prime calculé conformément au paragraphe 3 est inférieur au montant de la prime calculé conformément au paragraphe 2, la prime calculée conformément au paragraphe 2 octroyée lors de la première phase reste acquise.
Si le montant de la prime calculé conformément au paragraphe 3 est supérieur à la prime calculée conformément au paragraphe 2, l'employeur se verra attribuer une prime supplémentaire correspondant au montant de la différence. Le montant de cette prime est d'abord utilisé d'office pour payer les montants relatifs au troisième trimestre 2020 dus à l'Office national de sécurité sociale et ensuite, le cas échéant, les autres montants dus à l'Office national précité et ce avec imputation sur la dette la plus ancienne conformément à l'article 25 de la loi du 27 juin 1969 précitée. Si après l'affectation il reste un solde, l'employeur peut en demander le versement. Si l'employeur n'en demande pas le versement, le solde sera imputé sur les premiers montants venant ensuite à échéance dus à l'Office national précité.
Art. 17. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 15 november 2020.
Art. 17. Le présent chapitre produit ses effets le 15 novembre 2020.