Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
15 JULI 2020. - Koninklijk besluit inzake milieuvriendelijke scheepvaart(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 21-08-2020 en tekstbijwerking tot 15-02-2023)
Titre
15 JUILLET 2020. - ArrĂȘtĂ© royal relatif Ă  la navigation respectueuse de l'environnement(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 21-08-2020 et mise Ă  jour au 15-02-2023)
Documentinformatie
Numac: 2020042450
Datum: 2020-07-15
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2020042450
Date: 2020-07-15
Moniteur: Voir
Inhoud
TITEL 1. - ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK 1. - Definities TITEL 2. - SPECIFIEKE VERDRAGEN EN EU-REGELGEVI... HOOFDSTUK 1. - Aansprakelijkheid voor verontrei... Afdeling 1. - Certificatie Afdeling 2. - Internationale Olieverontreinigin... Afdeling 3. [1 - HNS-Fonds]1 Onderafdeling 1. [1 - Vóór de inwerkingtreding ... Onderafdeling 2. [1 - Na de inwerkingtreding va... Onderafdeling 3. [1 - Algemene bepalingen betre... HOOFDSTUK 2. - Ballastwater en sedimenten van s... HOOFDSTUK 3. - Scheepsrecycling TITEL 3. - HET MARPOL-VERDRAG HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 2. - Olie HOOFDSTUK 3. - Lozingen op zee Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - Indeling in categorieën van schad... Afdeling 3. - Operationele lozingen van residue... Afdeling 4. - Internationale code voor schepen ... HOOFDSTUK 4. - Zwavelgehalte van scheepsbrandst... HOOFDSTUK 5. - Broeikasgassen Afdeling 1. [1 - Algemeen.]1 Afdeling 2. [1 - Bereikte ontwerpindex voor ene... Afdeling 3. [1 - Bereikte index voor energie-ef... Afdeling 4. [1 - Vereiste EEDI.]1 Afdeling 5. [1 - Vereiste EEXI]1 Afdeling 6. [1 - Energie-efficiëntiemanagementp... Afdeling 7. [1 - Verzamelen en rapporteren van ... Afdeling 8. [1 - Operationele koolstofintensite... Onderafdeling 1. [1 - Bereikte jaarlijkse opera... Onderafdeling 2. [1 - Vereiste jaarlijkse opera... Onderafdeling 3. [1 - Operationele rating voor ... HOOFDSTUK 6. [1 - Stikstofoxiden (NOx) ]1 HOOFDSTUK 7. [1 - Afval van schepen]1 Afdeling 2. [1 - Voorschriften ter voorkoming v... HOOFDSTUK 8. [1 - Sanitair afval van schepen]1 HOOFDSTUK 9. [1 - Ozonafbrekende stoffen]1 HOOFDSTUK 10. [1 - Vluchtige organische stoffen... HOOFDSTUK 11. [1 - Verbranding aan boord]1 TITEL 4. - OVERIGE BEPALINGEN HOOFDSTUK 1. - Opheffingsbepalingen HOOFDSTUK 2. - Slotbepalingen BIJLAGE.
Inhoud
TITRE 1er. - DISPOSITIONS GENERALES CHAPITRE 1er. - Définitions TITRE 2. - CONVENTIONS SPECIFIQUES ET REGLEMENT... CHAPITRE 1er. - Responsabilité pour la pollutio... Section 1re. - Certification Section 2. - Fonds internationaux Pollution par... Section 3. [1 - Fonds HNS]1 Sous-section 1. [1 - Avant l'entrée en vigueur ... Sous-section 2. [1 - AprÚs l'entrée en vigueur ... Sous-section 3. [1 - Dispositions générales rel... CHAPITRE 2. - Eaux de ballast et sédiments des ... CHAPITRE 3. - Recyclage des navires TITRE 3. - LA CONVENTION MARPOL CHAPITRE 1er. - Dispositions générales CHAPITRE 2. - Hydrocarbures CHAPITRE 3. - Rejets en mer Section 1re. - Dispositions générales Section 2. - Classement en catégories des subst... Section 3. -Rejets en exploitation de résidus d... Section 4. - Recueil international de rÚgles ap... CHAPITRE 4. - Teneur en soufre de combustibles ... CHAPITRE 5. - Gaz à effet de serre Section 1er. [1 - Généralités.]1 Section 2. [1 - Indice nominal de rendement éne... Section 3. [1 - Indice de rendement énergétique... Section 4. [1 - EEDI requis.]1 Section 5. [1 - EEXI requis.]1 Section 6. [1 - Plan de gestion du rendement én... Section 7. [1 - Collecte et notification des do... Section 8. [1 - Intensité carbone opérationnell... Sous-section 1re. [1 - Indicateur d'intensité c... Sous-section 2. [1 - Indicateur d'intensité car... Sous-section 3. [1 - Notation de l'intensité ca... CHAPITRE 6. [1 Oxydes d'azote (NOx) ]1 CHAPITRE 7. [1 - Déchets des navires]1 Section 2. [1 - RÚgles relatives à la préventio... CHAPTIRE 8. [1 - Les eaux usées des navires]1 CHAPITRE 9. [1 - Substances appauvrissant la co... CHAPITRE 10. [1 - Composés organiques volatils ... CHAPITRE 11. [1 - Incinération à bord]1 TITRE 4. - AUTRES DISPOSITIONS CHAPITRE 1er. - Dispositions abrogatoires CHAPITRE 2. - Dispositions finales ANNEXE.
Tekst (181)
Texte (181)
TITEL 1. - ALGEMENE BEPALINGEN
TITRE 1er. - DISPOSITIONS GENERALES
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Artikel 1.1.1. Voor de toepassing van dit besluit betekent:
1° Directoraat: het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
2° Directeur-generaal: de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
3° Minister: de Minister bevoegd voor de maritieme mobiliteit;
4° Secretaris-generaal: de Secretaris-generaal van de IMO;
5° Comité: het comité voor de bescherming van het mariene milieu van de IMO;
6° Brutotonnenmaat: de brutotonnenmaat berekend in overeenstemming met de voorschriften inzake tonnenmaatmetingen vervat in Bijlage 1 van het Internationaal Verdrag van 1969 betreffende de meting van schepen, of elk opvolgend verdrag.
Article 1.1.1. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
1° Direction : la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports ;
2° Directeur général : le Directeur général de la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports ;
3° Ministre : le ministre qui a la mobilité maritime dans ses attributions ;
4° Secrétaire général : le Secrétaire général de l'OMI ;
5° Comité : le Comité de la protection du milieu marin de l'OMI ;
6° Jauge brute : la jauge brute calculée conformément aux rÚgles sur le jaugeage des navires énoncées à l'Annexe 1re de la Convention internationale de 1969 sur le jaugeage des navires, ou dans toute convention qui lui succéderait.
TITEL 2. - SPECIFIEKE VERDRAGEN EN EU-REGELGEVING INZAKE MILIEUVRIENDELIJKE SCHEEPVAART
TITRE 2. - CONVENTIONS SPECIFIQUES ET REGLEMENTATION UE EN MATIERE DE NAVIGATION RESPECTUEUSE DE L'ENVIRONNEMENT
HOOFDSTUK 1. - Aansprakelijkheid voor verontreiniging door zeeschepen
CHAPITRE 1er. - Responsabilité pour la pollution par les navires de mer
Afdeling 1. - Certificatie
Section 1re. - Certification
Art. 2.1.1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk betekent:
1° certificaat van verzekering: een CLC-certificaat, een BUNKER-certificaat, een WRC-certificaat of een PAL-certificaat.
2° aansprakelijkheidsverdragen: het CLC-Verdrag 1992, het BUNKER-Verdrag, het WRC-Verdrag en het PAL-Verdrag.
Art. 2.1.1. Pour l'application du présent chapitre, l'on entend par :
1° certificat d'assurance : un certificat CLC, un certificat BUNKER, un certificat WRC ou un certificat PAL.
2° conventions de responsabilité : la Convention CLC 1992, la Convention BUNKER, la Convention WRC et la Convention PAL.
Art.2_1.1.TOEKOMSTIG_RECHT.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk betekent:
1° certificaat van verzekering: een CLC-certificaat, een BUNKER-certificaat, een WRC-certificaat [1 , een HNS-certificaat]1 of een PAL-certificaat.
2° aansprakelijkheidsverdragen: het CLC-Verdrag 1992, het BUNKER-Verdrag, het WRC-Verdrag [1 , het HNS-Verdrag 2010,]1 en het PAL-Verdrag;
[1 3° geassocieerde persoon: iedere met een vennootschap verbonden vennootschap volgens de bepalingen van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.]1
Art.2_1.1.DROIT_FUTUR.
Pour l'application du présent chapitre, l'on entend par :
1° certificat d'assurance : un certificat CLC, un certificat BUNKER, un certificat WRC [1 , un certificat HNS,]1 ou un certificat PAL.
2° conventions de responsabilité : la Convention CLC 1992, la Convention BUNKER, la Convention WRC [1 , la Convention HNS 2010,]1 et la Convention PAL;
[1 3° personne associée : toute société liée à une société selon les dispositions de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations.]1
Art. 2.1.2. De certificaten van verzekering voor zeeschepen die de Belgische vlag voeren, worden uitgereikt door de Scheepvaartcontrole.
De Scheepvaartcontrole kan, indien deze het opportuun acht en onder de voorwaarden die de Scheepvaartcontrole stelt, certificaten van verzekering uitreiken voor zeeschepen die de vlag voeren van een andere Staat dan België die geen partij is bij de betrokken aansprakelijkheidsverdragen.
Art. 2.1.2. Les certificats d'assurance pour les navires de mer battant pavillon belge sont délivrés par le ContrÎle de la navigation.
Le ContrÎle de la navigation peut, s'il le juge opportun et aux conditions qu'il pose, délivrer des certificats d'assurance pour les navires de mer battant le pavillon d'un Etat autre que la Belgique qui n'est pas partie aux conventions de responsabilité concernées.
Art. 2.1.3. De aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat van verzekering bedoeld in artikel 2.1.2 wordt ingediend bij de Scheepvaartcontrole volgens de instructies van de Scheepvaartcontrole die wordt bekendgemaakt op de website van de Scheepvaartcontrole.
Art. 2.1.3. La demande d'obtention d'un certificat d'assurance visé à l'article 2.1.2 est introduite auprÚs du ContrÎle de la navigation selon les instructions du ContrÎle de la Navigation qui sont publiées sur son site web.
Art. 2.1.4. De aanvrager voegt bij de aanvraag een attest van de verzekeraar of andere persoon die de financiële zekerheid stelt, gericht aan de Scheepvaartcontrole, waaruit blijkt dat naargelang van het geval aan de voorwaarden van paragraaf 1 en 5 van artikel VII van het CLC-Verdrag 1992 of paragraaf 1 en 6 van artikel 7 van het BUNKER-Verdrag of paragraaf 1 en 6 van artikel 12 van het WRC-Verdrag of paragraaf 1 en 6 van artikel 4bis van het PAL-Verdrag is voldaan.
De Scheepvaartcontrole kan, onder de voorwaarden die deze daartoe stelt, een attest van de verzekeraar of andere persoon die de financiële zekerheid stelt in elektronische vorm aannemen. De Scheepvaartcontrole kan de uitreiking van een certificaat van verzekering weigeren of een door de Scheepvaartcontrole uitgereikt certificaat van verzekering intrekken indien op diens vraag geen origineel attest verstrekt wordt.
Art. 2.1.4. Le demandeur joint à la demande une attestation de l'assureur ou d'une autre personne dont émane la garantie financiÚre, adressée au ContrÎle de la Navigation, certifiant que les conditions des paragraphes 1er et 5 de l'article VII de la Convention CLC 1992, des paragraphe 1er et 6 de l'article 7 de la Convention Bunker, des paragraphes 1er et 6 de l'article 12 de la Convention WRC ou des paragraphes 1er et 6 de l'article 4bis de la Convention PAL, selon le cas, sont remplies.
Le ContrÎle de la navigation peut, aux conditions qu'il fixe à cette fin, accepter une attestation de l'assureur ou d'une autre personne dont émane la garantie financiÚre sous forme électronique. Le ContrÎle de la navigation peut refuser la délivrance d'un certificat d'assurance ou annuler un certificat d'assurance qu'il a délivré si une attestation originale n'est pas fournie à sa demande.
Art.2_1.4.TOEKOMSTIG_RECHT.
De aanvrager voegt bij de aanvraag een attest van de verzekeraar of andere persoon die de financiële zekerheid stelt, gericht aan de Scheepvaartcontrole, waaruit blijkt dat naargelang van het geval aan de voorwaarden van paragraaf 1 en 5 van artikel VII van het CLC-Verdrag 1992 of paragraaf 1 en 6 van artikel 7 van het BUNKER-Verdrag of paragraaf 1 en 6 van artikel 12 van het WRC-Verdrag [1 , van de paragrafen 1 en 5 van artikel 12 van het HNS-Verdrag 2010]1 of paragraaf 1 en 6 van artikel 4bis van het PAL-Verdrag is voldaan.
De Scheepvaartcontrole kan, onder de voorwaarden die deze daartoe stelt, een attest van de verzekeraar of andere persoon die de financiële zekerheid stelt in elektronische vorm aannemen. De Scheepvaartcontrole kan de uitreiking van een certificaat van verzekering weigeren of een door de Scheepvaartcontrole uitgereikt certificaat van verzekering intrekken indien op diens vraag geen origineel attest verstrekt wordt.
Art.2_1.4.DROIT_FUTUR.
Le demandeur joint à la demande une attestation de l'assureur ou d'une autre personne dont émane la garantie financiÚre, adressée au ContrÎle de la Navigation, certifiant que les conditions des paragraphes 1er et 5 de l'article VII de la Convention CLC 1992, des paragraphe 1er et 6 de l'article 7 de la Convention Bunker, des paragraphes 1er et 6 de l'article 12 de la Convention WRC [1 , des paragraphes 1 et 5 de l'article 12 de la Convention HNS 2010]1 ou des paragraphes 1er et 6 de l'article 4bis de la Convention PAL, selon le cas, sont remplies.
Le ContrÎle de la navigation peut, aux conditions qu'il fixe à cette fin, accepter une attestation de l'assureur ou d'une autre personne dont émane la garantie financiÚre sous forme électronique. Le ContrÎle de la navigation peut refuser la délivrance d'un certificat d'assurance ou annuler un certificat d'assurance qu'il a délivré si une attestation originale n'est pas fournie à sa demande.
Art. 2.1.5. Onder voorbehoud van de bevoegdheden van de Nationale Bank van België kan de Scheepvaartcontrole de uitreiking van een certificaat van verzekering weigeren of een door de Scheepvaartcontrole uitgereikt certificaat van verzekering intrekken indien deze van oordeel is dat er niet voldoende is aangetoond:
1° dat aan alle toepasselijke voorwaarden vastgesteld in de aansprakelijkheidsverdragen en hun uitvoeringsbepalingen is voldaan;
2° of dat de verzekering of financiële zekerheid effectief de aansprakelijkheid van de geregistreerde eigenaar dekt overeenkomstig de aansprakelijkheidsverdragen;
3° of dat de betrokken verzekeraar of andere persoon die de financiële zekerheid stelt naar behoren vergund is om de handelsactiviteit uit te oefenen verbonden aan het verstrekken van de door de aansprakelijkheidsverdragen voorgeschreven verzekering of financiële zekerheid;
4° of dat de betrokken verzekeraar of andere persoon die de financiële zekerheid stelt, betrouwbaar is en in staat is te voldoen aan de door de aansprakelijkheidsverdragen opgelegde verplichtingen.
De Scheepvaartcontrole kan alle bijkomende gegevens vragen met het oog op het onderzoek van de aanvraag. De bewijslast ligt bij de aanvrager van het certificaat van verzekering.
Art. 2.1.5. Sous réserve des compétences de la Banque Nationale de Belgique, le ContrÎle de la navigation peut refuser la délivrance d'un certificat d'assurance ou annuler un certificat d'assurance qu'il a délivré s'il estime qu'il n'est pas démontré à suffisance:
1° que toutes les conditions applicables déterminées dans les conventions de responsabilité et leurs dispositions d'exécution sont remplies ;
2° ou que l'assurance ou garantie financiÚre couvre effectivement la responsabilité du propriétaire enregistré conformément aux conventions de responsabilité ;
3° ou que l'assureur concerné ou une autre personne dont émane la garantie financiÚre est dûment autorisé à exercer l'activité commerciale liée à la fourniture de l'assurance ou de la garantie financiÚre prescrite par les conventions de responsabilité ;
4° ou que l'assureur concerné ou une autre personne dont émane la garantie financiÚre est fiable et en mesure de faire face aux obligations imposées par les conventions de responsabilité.
Le ContrÎle de la navigation peut demander toute information complémentaire pour examiner la demande. La charge de la preuve incombe au demandeur du certificat d'assurance.
Art. 2.1.6. Onverminderd de desbetreffende bepalingen van de aansprakelijkheidsverdragen worden de modellen van de certificaten van verzekering bedoeld in artikel 2.1.2 vastgesteld door de Scheepvaartcontrole.
Art. 2.1.6. Sans préjudice des dispositions y afférentes des conventions de responsabilité, les modÚles des certificats d'assurance visés à l'article 2.1.2 sont fixés par le ContrÎle de la navigation.
Art. 2.1.7. De certificaten van verzekering bedoeld in artikel 2.1.2 worden uitgereikt voor een duur waarvan de einddatum overeenkomt met de einddatum van de verzekering of financiële zekerheid, met een maximum van 1 jaar. In uitzonderlijke gevallen kan een certificaat van verzekering voor een duur van maximum 2 jaar worden uitgereikt.
Art. 2.1.7. Les certificats d'assurance visĂ©s Ă  l'article 2.1.2 sont dĂ©livrĂ©s pour une durĂ©e dont la date d'Ă©chĂ©ance correspond Ă  la date d'Ă©chĂ©ance de l'assurance ou garantie financiĂšre, avec un maximum de 1 an. Dans des cas exceptionnels, un certificat d'assurance peut ĂȘtre dĂ©livrĂ© pour une durĂ©e de 2 ans maximum.
Art. 2.1.8. De weigering om een certificaat van verzekering uit te reiken wordt betekend aan de aanvrager van het certificaat. De aanvrager of de op het betrokken certificaat te vermelden geregistreerde eigenaar kan een facultatief hoger beroep instellen tegen een weigering om een certificaat van verzekering uit te reiken, bij de Minister, binnen een termijn van 14 dagen na de datum van ontvangst van de betekening van de weigering om het gevraagde certificaat uit te reiken.
De intrekking van een certificaat van verzekering wordt betekend aan de op het betrokken certificaat vermelde geregistreerde eigenaar. De op het betrokken certificaat vermelde geregistreerde eigenaar kan een facultatief hoger beroep instellen tegen de intrekking van een certificaat van verzekering, bij de Minister, binnen een termijn van 14 dagen na de datum van ontvangst van de betekening van de intrekking van het certificaat.
Art. 2.1.8. Le refus de délivrer un certificat d'assurance est notifié au demandeur du certificat. Le demandeur ou le propriétaire enregistré à mentionner sur le certificat concerné peut introduire un recours facultatif contre un refus de délivrer un certificat d'assurance, auprÚs du ministre, dans un délai de 14 jours aprÚs la date de réception de la notification du refus de délivrer le certificat demandé.
L'annulation d'un certificat d'assurance est notifiée au propriétaire enregistré mentionné sur le certificat concerné. Le propriétaire enregistré mentionné sur le certificat concerné peut introduire un recours facultatif contre l'annulation d'un certificat d'assurance, auprÚs du ministre, dans un délai de 14 jours aprÚs la date de réception de la notification de l'annulation du certificat.
Art. 2.1.9. Het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer houdt de door aansprakelijkheidsverdragen bedoelde afschriften van de certificaten, uitgereikt op grond van artikel 2.1.2, en de op de certificaten betrekking hebbende attesten van de verzekeraar of andere persoon die de financiële zekerheid stelt, bij in een register van certificaten van verzekering of andere financiële zekerheid.
De Scheepvaartcontrole verstrekt aan iedere belanghebbende, op diens aanvraag, eensluidend verklaarde afschriften van de certificaten van verzekering uit het register bedoeld in het eerste lid en van de daarop betrekking hebbende attesten van de verzekeraar of andere persoon die de financiële zekerheid stelt of verstrekt desgevallend een getuigschrift van niet uitreiking.
Art. 2.1.9. La Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports tient les copies des certificats visées par les conventions de responsabilité et délivrées en vertu de l'article 2.1.2, et les attestations de l'assureur ou d'une autre personne dont émane la garantie financiÚre relatives aux certificats, dans un registre de certificats d'assurance ou d'autre garantie financiÚre.
Le ContrÎle de la Navigation fournit sur demande à tout intéressé des copies certifiées conformes des certificats d'assurance du registre visé à l'alinéa premier et des attestations de l'assureur ou d'une autre personne dont émane la garantie financiÚre qui s'y rapportent ou il délivre le cas échéant une attestation de non-délivrance.
Art. 2.1.10. De bevoegde overheid zoals bedoeld in hoofdstuk 6 van boek 2 van titel 7 van het Belgisch Scheepvaartwetboek is het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer of de bevoegde dienst van het bevoegde gewest.
Art. 2.1.10. L'autorité compétente telle que visée au Chapitre 6 du Livre 2 du Titre 7 du Code belge de la Navigation est la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports ou le service compétent de la région compétente.
Afdeling 2. - Internationale Olieverontreinigingsfondsen
Section 2. - Fonds internationaux Pollution par les hydrocarbures
Art. 2.1.11. [1 Voor de toepassing van deze afdeling, verstaat men onder "persoon die bijdragende olie ontvangt" elke natuurlijke of rechtspersoon die voor eigen rekening of voor rekening van een derde bijdragende olie ontvangt op het ogenblik dat die hoeveelheden, na vervoer over zee, in de haven of de terminalinstallatie van bestemming gelegen op het Belgische grondgebied worden ontscheept.]1
Art. 2.1.11. [1 Pour l'application de la prĂ©sente section, on entend par `personne qui reçoit des hydrocarbures donnant lieu Ă  contribution' toute personne physique ou morale qui reçoit, pour son propre compte ou pour le compte de tiers, des hydrocarbures donnant lieu Ă  contribution, au moment oĂč ceux-ci sont dĂ©barquĂ©s, aprĂšs avoir Ă©tĂ© transportĂ©s par mer, dans le port ou l'installation terminale de destination situĂ© sur le territoire belge.]1
Art. 2.1.12. Elke persoon die bijdragende olie ontvangt is verplicht ten laatste op 15 maart van elk kalenderjaar, de hoeveelheden bijdragende olie aan te geven die deze gedurende het voorgaande kalenderjaar ontvangen heeft wanneer die hoeveelheden meer dan 150.000 ton bedragen.
Een verklaring wordt eveneens voorgelegd door elke persoon die gedurende het betrokken kalenderjaar individueel een hoeveelheid bijdragende olie heeft ontvangen die niet meer dan 150 000 ton bedraagt, indien die persoon deel uitmaakt van een groep geassocieerde personen die gezamenlijk, in de loop van het betrokken kalenderjaar, op het Belgisch grondgebied hoeveelheden bijdragende olie ontvangen hebben die meer dan 150.000 ton bedragen.
De aangifte geschiedt door middel van een rapport waarvan het model beschreven staat in bijlage 1 bij dit besluit.
Art. 2.1.12. Toute personne qui reçoit des hydrocarbures donnant lieu à contribution est tenue de déclarer, au plus tard le 15 mars de chaque année civile, les quantités d'hydrocarbures donnant lieu à contribution qu'elle a reçues au cours de l'année civile précédente, lorsque ces quantités sont supérieures à 150 000 tonnes.
Une déclaration est également soumise par toute personne qui a reçu individuellement, pendant l'année civile considérée, une quantité d'hydrocarbures donnant lieu à contribution qui ne dépasse pas 150.000 tonnes, si elle fait partie d'un groupe de personnes associées qui conjointement ont reçu, au cours de l'année civile considérée, sur le territoire belge, des quantités d'hydrocarbures donnant lieu à contribution qui dépassent les 150 000 tonnes.
La dĂ©claration est effectuĂ©e au moyen d'un rapport dont le modĂšle figure en annexe 1reau prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 2.1.13. Het rapport bedoeld in artikel 2.1.12, derde lid, wordt afgeleverd door de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, Algemene Directie Energie, waaraan het behoorlijk ingevuld en ondertekend wordt terugbezorgd via een aangetekende zending.
Art. 2.1.13. Le rapport visé à l'article 2.1.12, alinéa 3, est délivré par le Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, Direction générale de l'Energie, auquel il est retourné, dûment complété et signé, par lettre recommandée à la poste.
Art. 2.1.14. Elke persoon die bijdragende olie ontvangt, is verplicht na ontvangst van een verzoek tot betaling vanwege de Administrateur van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en, desgevallend, vanwege de Administrateur van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds, de jaarlijkse bijdragen te betalen bedoeld in artikel 10 van het FUND-Verdrag van 1992 en van het FUND-Protocol van 2003.
Art. 2.1.14. Toute personne qui reçoit des hydrocarbures donnant lieu à contribution, est tenue, aprÚs réception d'une invitation à payer émanant de l'Administrateur du Fonds international Pollution par les hydrocarbures et, le cas échéant, de l'Administrateur du Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures, de payer les contributions annuelles visées aux articles 10 de la Convention FUND de 1992 et du Protocole FUND de 2003.
Art. 2.1.15. De ambtenaren van niveau A van de Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en van de Administratie der Douane en Accijnzen van de Federale Overheidsdienst Financiën zijn ermee belast te waken over de uitvoering van de opdrachten bepaald in artikel 4.2.4.2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek.
De ambtenaren vermeld in het eerste lid zijn bevoegd voor het opsporen en vaststellen van inbreuken op artikel 10 van het FUND-Verdrag van 1992 en van het FUND-Protocol van 2003 en op de artikelen 2.7.3.12, § 1, 2.7.3.13, 2.7.3.14 en 4.2.4.2, § 1, 3de lid, van het Belgisch Scheepvaartwetboek alsook op de bepalingen van dit hoofdstuk.
Art. 2.1.15. Les fonctionnaires de niveau A de la Direction générale de l'Energie du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie et de l'Administration des Douanes et Accises du Service public fédéral Finances sont chargés de veiller à l'exécution des missions prévues à l'article 4.2.4.2 du Code belge de la Navigation.
Les fonctionnaires mentionnés à l'alinéa 1er sont compétents pour rechercher et constater les infractions aux articles 10 de la Convention FUND de 1992 et du Protocole FUND de 2003 et aux articles 2.7.3.12, § 1er, 2.7.3.13, 2.7.3.14 et 4.2.4.2, § 1er, alinéa 3, du Code belge de la Navigation ainsi qu'aux dispositions du présent chapitre.
Afdeling 3. [1 - HNS-Fonds]1
Section 3. [1 - Fonds HNS]1
Onderafdeling 1. [1 - Vóór de inwerkingtreding van het HNS-Verdrag 2010]1
Sous-section 1. [1 - Avant l'entrée en vigueur de la Convention HNS 2010]1
Art.2.1.16. [1 Voor de toepassing van deze afdeling en vóór de inwerkingtreding van het HNS-Verdrag 2010, verstaat men onder "ontvanger" de rechtspersoon die de bijdragende lading ontvangt die wordt gelost in de havens en terminals van een Staat die Partij is.]1
Art.2.1.16. [1 Pour l'application de la présente section et avant l'entrée en vigueur de la Convention HNS 2010, l'on entend par " réceptionnaire " la personne morale qui reçoit effectivement la cargaison donnant lieu à contribution qui est déchargée dans les ports et terminaux d'un Etat Partie.]1
Onderafdeling 2. [1 - Na de inwerkingtreding van het HNS-Verdrag 2010]1
Sous-section 2. [1 - AprÚs l'entrée en vigueur de la Convention HNS 2010]1
Art.2.1.17. [1 Voor de toepassing van deze afdeling en na de inwerkingtreding van het HNS-Verdrag 2010, verstaat men onder "ontvanger" de rechtspersoon die feitelijk de bijdragende lading ontvangt die wordt gelost in de havens en terminals van een Staat die partij is, met dien verstande dat indien ten tijde van de ontvangst de persoon die de lading feitelijk ontvangt, optreedt als lasthebber voor een andere persoon, de lastgever wordt geacht de ontvanger te zijn, mits de lasthebber aan het HNS-Fonds de identiteit van de lastgever bekend maakt.
Voor de toepassing van de eerste lid, indien de zetel van de lastgever buiten het Belgische grondgebied is gevestigd, wordt deze persoon vertegenwoordigd door een rechtspersoon met een maatschappelijke zetel in België.
Als er geen wettelijke vertegenwoordiger in België is aangewezen, dan wordt de lasthebber vermoed de wettelijke vertegenwoordiger van de lastgever te zijn.]1

Art.2.1.17. [1 Pour l'application de la présente section et aprÚs l'entrée en vigueur de la Convention HNS 2010, l'on entend par " réceptionnaire " la personne morale qui reçoit effectivement la cargaison donnant lieu à contribution qui est déchargée dans les ports et terminaux d'un Etat Partie, étant entendu que, si au moment de la réception, la personne qui reçoit effectivement la cargaison agit en tant que mandataire pour le compte d'une autre personne, le mandant sera considéré comme étant le réceptionnaire, si le mandataire révÚle au Fonds HNS l'identité du mandant.
Pour l'application de l'alinéa 1er, si le siÚge du mandant est situé en dehors du territoire belge, cette personne est représentée par une personne morale dont le siÚge social se trouve en Belgique.
Si aucun reprĂ©sentant lĂ©gal n'est dĂ©signĂ© en Belgique, le mandataire est prĂ©sumĂ© ĂȘtre le reprĂ©sentant lĂ©gal du mandant.]1

Art.2.1.18. [1 § 1. Elke ontvanger is verplicht om na ontvangst van een betaaluitnodiging uitgaande van de Beheerder van het HNS-Fonds, de bijdragen bedoeld in de artikelen 16 tot 20 van het HNS-Verdrag 2010 te betalen.
§ 2. Alle bijdragen worden evenwel betaald door de persoon die, direct voorafgaand aan het lossen, de houder van de eigendomstitel op een LNG-lading gelost in een Belgische haven of terminal was, hierna de houder van de eigendomstitel genoemd, indien aan de onderstaande voorwaarden is voldaan:
1° de houder van de eigendomstitel op de lading met de ontvanger is overeengekomen dat de houder van de eigendomstitel deze bijdragen moet betalen; en
2° de ontvanger het Directoraat ervan in kennis heeft gesteld dat een dergelijke overeenkomst bestaat.
Indien de houder van een eigendomstitel geen bijdragen betaalt aan het HNS-Fonds dan is de ontvanger verplicht de bijdragen voor de ontvangen hoeveelheden aan het HNS-Fonds te storten.
§ 3. Indien de hoeveelheid van een bepaalde soort bijdragende lading die door de hoofdontvanger in een kalenderjaar op het grondgebied van de Belgische Staat is ontvangen, en de hoeveelheden van dezelfde soort lading die in datzelfde jaar door een of meer geassocieerde personen zijn ontvangen, de in de leden 16 tot 20 van het HNS-Verdrag 2010 genoemde grens overschrijdt, dan is de hoofdontvanger verplicht de berekende bijdragen te betalen voor de door hem werkelijk ontvangen hoeveelheid, ook al hebben deze hoeveelheden de desbetreffende grens niet overschreden.]1

Art.2.1.18. [1 § 1er. Tout réceptionnaire est tenu, aprÚs réception d'une invitation à payer émanant de l'Administrateur du Fonds HNS, de payer les contributions visées aux articles 16 à 20 de la Convention HNS 2010.
§ 2. Toutefois, toutes les contributions sont versées par la personne qui, immédiatement avant le déchargement, détenait le titre de propriété d'une cargaison de GNL déchargée dans un port ou un terminal belge, ci-aprÚs le détenteur du titre de propriété, si les conditions suivantes sont remplies :
1° le détenteur du titre de propriété a conclu un accord avec le réceptionnaire en vertu duquel le détenteur du titre de propriété doit verser ces contributions ; et
2° le réceptionnaire a informé la Direction de l'existence d'un tel accord.
Si le détenteur du titre de propriété ne paye pas les contributions au Fonds HNS, le réceptionnaire est tenu de verser les contributions au Fonds HNS pour les quantités reçues.
§ 3. Lorsque le montant total des quantitĂ©s d'un type donnĂ© de cargaison donnant lieu Ă  contribution qui ont Ă©tĂ© reçues sur le territoire belge au cours d'une annĂ©e civile par le rĂ©ceptionnaire principal, et des quantitĂ©s du mĂȘme type de cargaison qui y ont Ă©tĂ© reçues au cours de la mĂȘme annĂ©e par une ou plusieurs personnes associĂ©es dĂ©passe la limite spĂ©cifiĂ©e dans les articles 16 Ă  20 de la Convention HNS 2010, le rĂ©ceptionnaire principal est tenu de verser des contributions calculĂ©es en fonction des quantitĂ©s de cargaison effectivement reçues par lui, nonobstant le fait que ces quantitĂ©s ne dĂ©passent pas la limite pertinente.]1

Onderafdeling 3. [1 - Algemene bepalingen betreffende het HNS-Fonds]1
Sous-section 3. [1 - Dispositions générales relatives au Fonds HNS]1
Art.2.1.19. [1 § 1. Elke ontvanger geeft uiterlijk op 15 maart van elk kalenderjaar de hoeveelheden bijdragende ontvangen lading aan in de loop van het voorgaande kalanderjaar .
§ 2. De verplichting valt om de ontvangen hoeveelheden bijdragende lading aan te geven op de leden van het wettelijk bestuursorgaan.
§ 3. De verplichting tot aangifte geldt:
1° wanneer de ontvangen hoeveelheden olie meer dan 150.000 ton bedragen;
2° ongeacht welke hoeveelheid vloeibaar aardgas (CNG) is ontvangen;
3° wanneer de ontvangen hoeveelheden andere gevaarlijke en schadelijke stoffen meer dan 15.000 ton bedragen.
§ 4. Een aangifte wordt eveneens voorgelegd door elke persoon die gedurende het betrokken kalenderjaar individueel een hoeveelheid bijdragende lading heeft ontvangen die niet meer dan in het eerste lid vermelde hoeveelheden bedraagt, indien die persoon deel uitmaakt van een groep geassocieerde personen die gezamenlijk, in de loop van het betrokken kalenderjaar, op het Belgisch grondgebied hoeveelheden bijdragende lading ontvangen hebben die meer dan de in het eerste lid vermelde hoeveelheden bedragen.
§ 5. In zijn verklaring vermeldt de ontvanger de voor rekening van een andere persoon ontvangen hoeveelheden, alsmede de contactgegevens van die persoon.]1

Art.2.1.19. [1 § 1er. Tout réceptionnaire déclare, au plus tard le 15 mars de chaque année civile, les quantités de cargaison donnant lieu à contribution reçue au cours de l'année civile précédente.
§ 2. La responsabilité de déclarer les quantités reçues de cargaison donnant lieu à contribution incombe aux membres de l'organe légal d'administration.
§ 3. L'obligation de déclarer s'applique lorsque :
1° les quantités d'hydrocarbures reçues sont supérieures à 150 000 tonnes ;
2° quelque quantité de gaz naturel liquéfié (GNL) que ce soit est reçue ;
3° les quantités d'autres substances nocives et potentiellement dangereuses reçues sont supérieures à 15.000 tonnes.
§ 4. Une déclaration est également soumise par toute personne qui a reçu individuellement, pendant l'année civile considérée, une quantité de cargaison donnant lieu à contribution qui ne dépasse pas les quantités indiquées au premier alinéa, si elle fait partie d'un groupe de personnes associées qui conjointement ont reçu, au cours de l'année civile considérée, sur le territoire belge, des quantités de cargaison donnant lieu à contribution qui dépassent les quantités indiquées au premier alinéa.
§ 5. Dans sa déclaration, le réceptionnaire indique les quantités reçues pour le compte d'autrui, et indique également les données de contact de cette personne.]1

Art.2.1.20. [1 Het rapport bedoeld in artikel 2.1.19 wordt afgeleverd aan de Scheepvaartcontrole volgens de procedure die op haar webpagina is aangegeven.]1
Art.2.1.20. [1 Le rapport visé à l'article 2.1.19 est transmis au ContrÎle de la Navigation, selon la procédure indiquée sur son site internet.]1
Art.2.1.21. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 21van het HNS-Verdrag 2010 deelt het Directoraat aan de Beheerder van het HNS-FONDS de benaming en het adres mee van iedere persoon bedoeld in 2.7.3.30 van het Belgisch Scheepvaartwetboek, alsook de gegevens over de hoeveelheden bijdragende lading die deze persoon in de loop van het voorgaande kalenderjaar heeft ontvangen.
§ 2. Wanneer een persoon de in artikel 2.7.3.30 van het Belgisch Scheepvaartwetboek bedoelde verplichting niet of te laat nakomt, bepaalt het Directoraat de gegevens over de bijdragende ladinghoeveelheden voor deze persoon en het deelt deze aan de Beheerder van het HNS-Fonds mee.
§ 3. Bij aangetekende zending deelt het Directoraat aan iedere persoon de hem betreffende gegevens mee welke het Beheerder van het HNS-Fonds meedeelt. Al de voormelde mededelingen gebeuren gelijktijdig. Ingeval in de mededelingen wordt afgeweken van de aangifte die verricht is overeenkomstig artikel 2.3.7.30 van het Belgisch Scheepvaartwetboek of ingeval de mededelingen worden verricht overeenkomstig paragraaf 2, wordt daarvan in de mededeling aan de betrokken persoon melding gemaakt.
§ 4. De betrokken persoon kan aan het Directoraat zijn opmerkingen bij de mededelingen aan de Beheerder van het HNS-Fonds meedelen bij een aangetekende zending welke moet worden verzonden binnen tien dagen nadat die persoon van de mededelingen overeenkomstig het vorige lid op de hoogte werd gebracht. Nadat de betrokken persoon werd gehoord, kan het Directoraat de mededelingen wijzigen binnen dertig dagen nadat deze aan de Beheerder van het HNS-Fonds werden toegezonden. Na het verstrijken van voormelde termijn kan in de mededelingen geen enkele wijziging meer worden aangebracht.
§ 5. Het Directoraat brengt de betrokken persoon op de hoogte van het gevolg dat aan zijn opmerkingen is gegeven bij een aangetekende zending welke moet worden verzonden binnen veertig dagen nadat de mededelingen hem werden toegezonden.]1

Art.2.1.21. [1 § 1er. Conformément à l'article 21 de la Convention HNS 2010, la Direction communique à l'administrateur du Fonds HNS la dénomination et l'adresse de toute personne visée à l'article 2.7.3.30 du Code belge de la Navigation, ainsi que les indications sur les quantités de cargaison donnant lieu à contribution qui ont été reçues par cette personne au cours de l'année civile précédente.
§ 2. Lorsqu'une personne ne remplit pas ou remplit tardivement l'obligation visée à l'article 2.7.3.30 du Code belge de la Navigation, la Direction détermine les indications sur les quantités de cargaison donnant lieu à contribution relatives à cette personne et les communique à l'administrateur du Fonds HNS.
§ 3. La Direction informe, par envoi recommandé, toute personne des communications qui leur sont relatives et qu'il adresse à l'administrateur du Fonds HNS en vertu des paragraphes 1er et 2. Toutes les communications mentionnées ont lieu simultanément. Si dans ces communications, il est dérogé à la déclaration effectuée conformément à l'article 2.7.3.30 du Code belge de la Navigation ou si ces communications sont réalisées en application du paragraphe 2, il en est fait mention dans l'information adressée à la personne concernée.
§ 4. Sur ces communications adressĂ©es Ă  l'administrateur du Fonds HNS, la personne concernĂ©e peut prĂ©senter Ă  la Direction, ses observations, par envoi recommandĂ©, dans un dĂ©lai de dix jours aprĂšs en avoir Ă©tĂ© informĂ©e conformĂ©ment Ă  l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent. La Direction peut modifier ces communications dans un dĂ©lai de trente jours Ă  compter du jour oĂč celles-ci ont Ă©tĂ© envoyĂ©es Ă  l'administrateur du Fonds HNS, la personne concernĂ©e Ă©tant entendue au prĂ©alable dans ses observations. Ce dĂ©lai expirĂ©, aucune modification ne peut plus ĂȘtre apportĂ©e Ă  ces communications.
§ 5. La Direction informe la personne concernĂ©e de la suite rĂ©servĂ©e Ă  ses observations, par envoi recommandĂ©, dans un dĂ©lai de quarante jours prenant cours le jour oĂč les communications lui ont Ă©tĂ© envoyĂ©es.]1

HOOFDSTUK 2. - Ballastwater en sedimenten van schepen
CHAPITRE 2. - Eaux de ballast et sédiments des navires
Art. 2.2.1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, wordt verstaan onder:
1° Administratie van de vlaggenstaat: de bevoegde autoriteiten van de staat onder wiens vlag het schip gerechtigd is te varen; Wat betreft drijvende platforms bestemd voor de exploratie en exploitatie van de zeebodem en de ondergrond daarvan, grenzend aan de kust, waarover de kuststaat soevereine rechten uitoefent ten behoeve van de exploratie en exploitatie van zijn natuurlijke rijkdommen, met inbegrip van drijvende opslageenheden (FSU's) en drijvende productie-, opslag- en loseenheden (FPSO's), is de Administratie de regering van de betrokken kuststaat;
2° Ballastwater: water met daarin zwevende deeltjes dat aan boord genomen wordt teneinde de trim, helling, diepgang, stabiliteit van of krachten op het schip te beheersen;
3° Ballastwaterbeheer: de mechanische, fysische, chemische en biologische processen, hetzij afzonderlijk, hetzij gecombineerd, om de inname of lozing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen in het ballastwater en sedimenten te verwijderen, onschadelijk te maken of te vermijden;
4° BWM-certificaat: het internationaal certificaat inzake ballastwaterbeheer;
5° Schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen: aquatische organismen of ziektekiemen die, indien zij in de zee, waaronder mede begrepen riviermonden/estuaria, of in zoetwaterstromen komen, een bedreiging kunnen vormen voor het milieu, de gezondheid van de mens, goederen of hulpbronnen, de biologische diversiteit kunnen schaden of ten koste kunnen gaan van ander rechtmatig gebruik van deze gebieden;
6° Sedimenten: alle bezinksels uit het ballastwater van een schip;
7° Schip: een vaartuig, ongeacht het type, dat zich bevindt in een aquatische omgeving, met inbegrip van afzinkbare vaartuigen, vaartuigen in drijvende toestand, drijvende platforms, drijvende opslageenheden (FSU's) en drijvende productie-, opslag- en loseenheden (FPSO's);
8° BWM-Verdragspartij: Een staat die de in artikel 17, derde lid, van het BWM-Verdrag bedoelde akte heeft neergelegd bij de Secretaris-generaal.
9° Erkende organisatie: een organisatie die erkend is overeenkomstig Verordening (EG) nr. 391/2009 en gemachtigd is overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 juli 2020 inzake de handhaving van scheepvaartregelgeving;
Art. 2.2.1. Pour l'application du présent chapitre, sauf disposition expresse contraire, on entend par :
1° Administration de l'Etat du pavillon : les autorités compétentes de l'Etat sous le pavillon duquel le navire est autorisé à naviguer. Dans le cas des plates-formes flottantes affectées à l'exploration et à l'exploitation des fonds marins et de leur sous-sol adjacents aux cÎtes sur lesquelles l'Etat cÎtier exerce des droits souverains aux fins de l'exploration et de l'exploitation de ses ressources naturelles, y compris les unités flottantes de stockage (FSU) et les unités flottantes de production, de stockage et de déchargement (FPSO), l'Administration est le gouvernement de l'Etat cÎtier intéressé ;
2° Eaux de ballast : les eaux et les matiÚres en suspension prises à bord d'un navire pour contrÎler l'assiette, la gßte, le tirant d'eau, la stabilité ou les contraintes ;
3° Gestion des eaux de ballast : les processus mĂ©canique, physique, chimique et biologique utilisĂ©s, isolĂ©ment ou parallĂšlement, pour Ă©liminer ou rendre inoffensifs les organismes aquatiques nuisibles et les agents pathogĂšnes prĂ©sents dans les eaux de ballast et sĂ©diments, ou visant Ă  empĂȘcher qu'ils soient admis dans ces eaux et sĂ©diments ou rejetĂ©s avec ces eaux et sĂ©diments ;
4° Certificat BWM : le certificat international de gestion des eaux de ballast ;
5° Organismes aquatiques nuisibles et agents pathogĂšnes : les organismes aquatiques et les agents pathogĂšnes qui, s'ils sont introduits dans la mer, les estuaires ou les cours d'eau, peuvent mettre en danger l'environnement, la santĂ© humaine, les biens ou les ressources, porter atteinte Ă  la diversitĂ© biologique ou gĂȘner toute autre utilisation lĂ©gitime de ces milieux ;
6° Sédiments : toutes les matiÚres provenant de l'eau de ballast qui se sont déposées à l'intérieur d'un navire ;
7° Navire : un bùtiment de quelque type que ce soit exploité en milieu aquatique et englobe les engins submersibles, les engins flottants, les plates-formes flottantes, les unités flottantes de stockage (FSU) et les unités flottantes de production, de stockage et de déchargement (FPSO) ;
8° Partie à la Convention BWM : un Etat ayant déposé auprÚs du Secrétaire général l'acte visé à l'article 17, troisiÚme paragraphe de la Convention BWM ;
9° Organisme reconnu : un organisme qui a Ă©tĂ© reconnu conformĂ©ment au RĂšglement (CE) n° 391/2009 et autorisĂ© conformĂ©ment Ă  l'arrĂȘtĂ© royal du 14 juillet 2020 relatif au contrĂŽle du respect de la rĂ©glementation de la navigation ;
Art. 2.2.2. § 1. Dit hoofdstuk is, tenzij het uitdrukkelijk anders is bepaald, van toepassing op:
1° schepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren;
2° schepen die niet gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren, maar die varen onder Belgisch gezag.
§ 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
1° schepen die niet ontworpen of gebouwd zijn voor het vervoer, opnemen en lozen van ballastwater;
2° schepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren en die uitsluitend varen in de wateren onder de Belgische jurisdictie, tenzij de Scheepvaartcontrole bepaalt dat het lozen van ballastwater door die schepen ten koste gaat van of schade veroorzaakt aan het milieu, de gezondheid van de mens, de goederen of hulpbronnen op het Belgische grondgebied of dat van andere aangrenzende of andere Staten;
3° Schepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren en die uitsluitend varen in de wateren onder de jurisdictie van een andere BWM-Verdragspartij, op voorwaarde dat laatstbedoelde BWM-Verdragspartij een uitsluiting heeft gegeven.
4° Schepen die gerechtigd zijn de vlag van een andere BWM-Verdragspartij te voeren en die uitsluitend varen in wateren onder Belgische jurisdictie en ten behoeve waarvan de Scheepvaartcontrole een vrijstelling heeft gegeven. De Scheepvaartcontrole verleent geen enkele vrijstelling indien dit ten koste zou gaan van of schade zou veroorzaken aan het milieu, de gezondheid van de mens, goederen of hulpbronnen op haar grondgebied of op dat van aangrenzende of andere Staten. Indien de Scheepvaartcontrole geen vrijstelling verleent, stelt de Scheepvaartcontrole de administratie van de vlaggenstaat van het desbetreffende schip ervan in kennis dat het BWM-Verdrag van toepassing is op dat schip.
5° Schepen die uitsluitend varen in de wateren onder de jurisdictie van België en op volle zee, met uitzondering van schepen waarvoor geen vrijstelling is verleend uit hoofde van de bepaling onder 3°, tenzij de Scheepvaartcontrole bepaalt dat het lozen van ballastwater door die schepen ten koste zou gaan van of schade zou veroorzaken aan het milieu, de gezondheid van de mens, goederen of hulpbronnen op haar grondgebied of op dat van aangrenzende of andere Staten;
6° oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of worden geëxploiteerd door een Staat, en, die op het beschouwde tijdstip alleen voor niet-commerciële overheidsdiensten worden gebruikt. Deze schepen doen al het mogelijke om te opereren op een wijze die, voor zover redelijk en praktisch uitvoerbaar, verenigbaar is met dit hoofdstuk; en
7° permanent ballastwater in verzegelde tanks op schepen dat niet geloosd wordt.
§ 3. Ten aanzien van schepen van Staten die geen BWM-Verdragspartij zijn, past de Scheepvaartcontrole de vereisten van dit hoofdstuk toe teneinde te waarborgen dat dergelijke schepen niet gunstiger behandeld worden.
Art. 2.2.2. § 1er. Sauf disposition expresse contraire, le présent chapitre s'applique :
1° aux navires qui sont autorisés à battre le pavillon belge ;
2° aux navires qui ne sont pas autorisés à battre le pavillon belge, mais qui sont exploités sous l'autorité de la Belgique.
§ 2. Le présent chapitre ne s'applique pas :
1° aux navires qui ne sont pas conçus ou construits pour transporter, prendre et décharger des eaux de ballast ;
2° aux navires autorisés à battre le pavillon belge et qui sont exploités uniquement dans les eaux relevant de la juridiction belge, à moins que le ContrÎle de la navigation ne décide que le rejet d'eaux de ballast par de tels navires porterait atteinte ou nuirait à son environnement, à la santé humaine, aux biens ou aux ressources sur le territoire belge ou celui d'Etats adjacents ou d'autres Etats ;
3° aux navires autorisés à battre le pavillon belge et qui sont exploités uniquement dans les eaux relevant de la juridiction d'une autre Partie à la Convention BWM, à condition que cette exclusion soit autorisée par cette derniÚre Partie à la Convention BWM ;
4° aux navires autorisés à battre le pavillon d'une autre Partie à la Convention BWM et qui sont exploités uniquement dans les eaux relevant de la juridiction belge, à condition que cette exclusion soit autorisée par le ContrÎle de la navigation. Le ContrÎle de la navigation n'accorde aucune autorisation si cela risque de porter atteinte ou nuire à l'environnement, à la santé humaine, aux biens ou aux ressources sur son territoire ou sur celui d'Etats adjacents ou d'autres Etats. Si le ContrÎle de la navigation n'accorde pas d'autorisation, il doit notifier à l'Administration de l'Etat du pavillon du navire intéressé que la Convention BWM s'applique au navire en question.
5° aux navires qui sont exploités uniquement dans les eaux relevant de la juridiction de la Belgique et en haute mer, à l'exception de ceux auxquels une autorisation visée sous 3° n'a pas été accordée, à moins que le ContrÎle de la navigation ne décide que le rejet d'eaux de ballast par de tels navires porterait atteinte ou nuirait à l'environnement, à la santé humaine, aux biens ou aux ressources sur son territoire ou sur celui d'Etats adjacents ou d'autres Etats ;
6° aux navires de guerre, aux navires de guerre auxiliaires ou autres navires appartenant à un Etat ou exploités par lui et utilisés exclusivement, à l'époque considérée, pour un service public non commercial. Ces navires font tout ce qui est possible pour agir d'une maniÚre compatible avec le présent chapitre, pour autant que cela soit raisonnable et possible dans la pratique ; et
7° aux eaux de ballast permanentes dans des citernes scellées à bord des navires, qui ne font pas l'objet d'un rejet.
§ 3. Dans le cas des navires d'Etats non Parties à la Convention BWM, le ContrÎle de la navigation applique les prescriptions du présent chapitre pour que ces navires ne bénéficient pas d'un traitement plus favorable.
Art. 2.2.3. De Scheepvaartcontrole ziet erop toe dat schepen waarop dit hoofdstuk van toepassing is, voldoen aan de vereisten vervat in dit hoofdstuk met inbegrip van de toepasselijke normen en vereisten in de bijlage 2 van dit besluit. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, vormt een verwijzing naar dit hoofdstuk tevens een verwijzing naar de bijlage 2 bij dit besluit.
In overeenstemming met de omstandigheden en mogelijkheden en met de aan de gewesten toegekende bevoegdheden worden een nationaal beleid, nationale strategieën of programma's voor ballastwaterbeheer in de havens en wateren onder Belgische rechtsmacht die beantwoorden aan en bevorderlijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het BWM-Verdrag ontwikkeld.
Art. 2.2.3. Le ContrĂŽle de la navigation veille Ă  ce que les navires auxquels le prĂ©sent chapitre s'applique respectent les prescriptions du prĂ©sent chapitre, y compris les normes et prescriptions applicables de l'Annexe 2 au prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Sauf disposition expresse contraire, un renvoi au prĂ©sent chapitre constitue Ă©galement un renvoi Ă  l'annexe 2 au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Compte dûment tenu des conditions particuliÚres et des moyens disponibles, ainsi que des compétences attribuées aux régions, des politiques, stratégies ou programmes nationaux pour la gestion des eaux de ballast dans les ports et les eaux relevant de la juridiction belge, qui concordent avec les objectifs de la Convention BWM et en favorisent la réalisation, sont développés.
Art. 2.2.4. Schepen worden geschouwd en gecertificeerd in overeenstemming met de vereisten in de bijlage 2 bij dit besluit. Al het mogelijke dient in het werk te worden gesteld om te voorkomen dat een schip onnodig wordt opgehouden of vertraagd.
Art. 2.2.4. Les navires font l'objet de visites et sont certifiĂ©s conformĂ©ment aux rĂšgles de l'annexe 2 au prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Tous les efforts possibles doivent ĂȘtre dĂ©ployĂ©s pour Ă©viter qu'un navire soit inutilement retenu ou retardĂ©.
Art. 2.2.5. Iedere overheid, iedere openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een overtreding of een ernstig vermoeden van overtreding op de bepalingen van dit hoofdstuk, meldt dit onverwijld aan de Scheepvaartcontrole.
Indien de Scheepvaartcontrole in kennis wordt gesteld van een overtreding of een ernstig vermoeden van overtreding op de vereisten van het BWM-Verdrag van een schip onder vreemde vlag dan meldt deze de inbreuk aan de Administratie van de vlaggenstaat van het schip dat de inbreuk of vermeende inbreuk heeft gepleegd. De Scheepvaartcontrole verschaft aan de Administratie van de vlaggenstaat van het betrokken schip onder vreemde vlag de informatie en het bewijsmateriaal waarover ze beschikt die erop wijzen dat een overtreding heeft plaatsgevonden.
Indien de Scheepvaartcontrole in kennis wordt gesteld van een overtreding of een ernstig vermoeden van overtreding van een schip op de vereisten in het BWM-Verdrag of dit hoofdstuk, ongeacht de plaats waar de overtreding plaatsvindt, onderzoekt de Scheepvaartcontrole de zaak en kan zij om aanvullend bewijs over de vermeende overtreding verzoeken. De Scheepvaartcontrole stelt de BWM-Verdragspartij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd alsmede de IMO onverwijld in kennis van de getroffen maatregelen. Indien de Scheepvaartcontrole binnen 1 jaar na ontvangst van de informatie geen maatregelen heeft getroffen stelt zij de BWM-Verdragspartij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd daarvan in kennis.
Art. 2.2.5. Toute autorité, tout fonctionnaire ou officier public qui, dans l'exercice de ses fonctions, prend connaissance d'une infraction ou d'une présomption sérieuse d'infraction aux dispositions du présent chapitre en informe sans délai le ContrÎle de la navigation.
Si le ContrÎle de la navigation est informé d'une infraction ou d'une présomption sérieuse d'infraction aux prescriptions de la Convention BWM par un navire battant pavillon étranger, il signale cette infraction à l'Administration de l'Etat du pavillon du navire qui a commis l'infraction ou l'infraction alléguée. Le ContrÎle de la navigation fournit à l'Administration de l'Etat du pavillon du navire en question battant pavillon étranger les informations et les preuves dont il dispose et qui attestent qu'il y a eu infraction.
Si le ContrĂŽle de la navigation est informĂ© d'une infraction ou d'une prĂ©somption sĂ©rieuse d'infraction aux prescriptions de la Convention BWM ou du prĂ©sent chapitre par un navire, oĂč qu'elle soit commise, le ContrĂŽle de la navigation effectue une enquĂȘte et peut demander des preuves supplĂ©mentaires de l'infraction allĂ©guĂ©e. Le ContrĂŽle de la navigation informe sans dĂ©lai la Partie Ă  la Convention BWM qui a signalĂ© l'infraction allĂ©guĂ©e, ainsi que l'OMI, des mesures prises. Si le ContrĂŽle de la navigation n'a pris aucune mesure dans un dĂ©lai d'un an Ă  compter de la rĂ©ception des renseignements, il en informe la Partie Ă  la Convention BWM qui a signalĂ© l'infraction allĂ©guĂ©e.
Art. 2.2.6. De inspecties op schepen onder vreemde vlag op de naleving van het BWM-Verdrag worden verricht overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 14 juli 2020 inzake de handhaving van scheepvaartregelgeving.
Art. 2.2.6. Les inspections de navires battant pavillon Ă©tranger pour contrĂŽler le respect de la Convention BWM sont rĂ©alisĂ©es conformĂ©ment aux dispositions de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 juillet 2020 relatif au contrĂŽle du respect de la rĂ©glementation de la navigation.
HOOFDSTUK 3. - Scheepsrecycling
CHAPITRE 3. - Recyclage des navires
Art. 2.3.1. Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG.
Art. 2.3.1. Le présent chapitre exécute le RÚglement (UE) n° 1257/2013 du Parlement européen et du Conseil du 20 novembre 2013 relatif au recyclage des navires et modifiant le RÚglement (CE) n° 1013/2006 et la Directive 2009/16/CE.
Art. 2.3.2. De Scheepvaartcontrole wordt aangeduid als de administratie bedoeld in Verordening (EU) nr. 1257/2013.
Art. 2.3.2. Le ContrÎle de la navigation est désigné comme étant l'administration visée dans le RÚglement (UE) n° 1257/2013.
Art. 2.3.3. Een erkende organisatie zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, 10°, van Verordening (EU) nr. 1257/2013 kan door de Minister worden gemachtigd voor het uitvoeren van taken als erkende organisatie in Verordening (EU) nr. 1257/2013. De bepalingen van koninklijk besluit van 14 juli 2020 inzake de handhaving van scheepvaartregelgeving zijn van toepassing op deze machtiging.
Art. 2.3.3. Un organisme agréé tel que dĂ©terminĂ© Ă  l'article 3, paragraphe 1er, 10°, du RĂšglement (UE) n° 1257/2013 peut ĂȘtre habilitĂ© par le Ministre Ă  effectuer les tĂąches en tant qu' organisme agréé en vertu du RĂšglement (UE) n° 1257/2013. Les dispositions de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 juillet 2020 relatif au contrĂŽle du respect de la rĂ©glementation de la navigation s'appliquent Ă  cette habilitation.
Art. 2.3.4. De Scheepvaartcontrole kan de door de scheepseigenaar krachtens artikel 6, eerste lid, b), van Verordening (EU) nr. 1257/2013 verstrekte informatie en de bijzonderheden opgenomen in artikel 7, vierde lid, van Verordening (EU) nr. 1257/2013 doorsturen naar de bevoegde autoriteit zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, 11°, van Verordening (EU) nr. 1257/2013.
Art. 2.3.4. Le ContrÎle de la navigation peut envoyer à l'autorité compétente, en vertu de l'article 3, paragraphe 1er, 11°, du RÚglement (UE) n° 1257/2013, l'information communiquée par le propriétaire du navire en application de l'article 6, paragraphe 1er, point b), du RÚglement (UE) n° 1257/2013 ainsi que les éléments inclus dans l'article 7, paragraphe 4, du RÚglement (UE) n° 1257/2013.
Art. 2.3.5. De aanvraag van de certificaten in dit hoofdstuk verloopt volgens de instructies van het Directoraat en wordt bekendgemaakt op de website van het Directoraat.
Art. 2.3.5. La demande de certificats, dans le présent chapitre, se déroule selon les instructions de la Direction et est publiée sur le site web de la Direction.
Art. 2.3.6. De Scheepvaartcontrole is belast met de inspectie bedoeld in de artikelen 11 en 12 van de Verordening (EU) nr. 1257/2013.
Art. 2.3.6. Le ContrÎle de la navigation est chargé de l'inspection visée aux articles 11 et 12 du RÚglement (UE) n° 1257/2013.
Art. 2.3.7. Het Directoraat stelt een of meer contactpersonen aan die tot taak hebben natuurlijke of rechtspersonen die inlichtingen vragen, te informeren en te adviseren. Het Directoraat stelt de Europese Commissie in kennis van de aanwijzing van contactpersonen. Het Directoraat stelt de Europese Commissie onmiddellijk in kennis van elke verandering in die informatie.
Art. 2.3.7. La Direction désigne une ou plusieurs personnes de contact chargées d'informer ou de conseiller les personnes physiques ou morales qui demandent des renseignements. La Direction notifie à la Commission européenne la désignation des personnes de contact. La Direction notifie sans délai à la Commission européenne toute modification de ces informations.
Art. 2.3.8. De Scheepvaartcontrole zendt de Commissie een verslag toe overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1257/2013.
Art. 2.3.8. Le ContrÎle de la navigation adresse à la Commission européenne un rapport conformément à l'article 21 du RÚglement (UE) n° 1257/2013.
Art. 2.3.9. Het Directoraat kan in bilateraal of multilateraal verband samenwerken met andere lidstaten ten behoeve van de preventie en opsporing van mogelijke omzeiling van en inbreuken op deze verordening.
Het Directoraat wijst de personen aan die verantwoordelijk zijn voor de in het eerste lid bedoelde samenwerking.
Art. 2.3.9. La Direction peut coopérer avec d'autres Etats membres, bilatéralement ou multilatéralement, afin de faciliter la prévention et la détection des contournements et infractions potentiels à ce RÚglement.
La Direction désigne les personnes auxquelles est confiée la responsabilité de la coopération visée à l'alinéa 1er.
TITEL 3. - HET MARPOL-VERDRAG
TITRE 3. - LA CONVENTION MARPOL
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Art. 3.1.1. Voor de toepassing van deze Titel wordt onder "schip" verstaan een schip zoals gedefinieerd in artikel 2.5.3.1, 3° van het Belgisch Scheepvaartwetboek.
Art. 3.1.1. Pour l'application du présent Titre, on entend par " navire " tout navire tel que défini à l'article 2.5.3.1, 3° du Code belge de la Navigation.
Art. 3.1.2. De aanvraag van de certificaten in dit hoofdstuk verloopt volgens de instructies van het Directoraat die worden bekendgemaakt op de website van het Directoraat.
De aanvrager voegt bij de aanvraag alle nodige stukken waaruit blijkt dat aan de desbetreffende voorwaarden van het MARPOL-Verdrag is voldaan.
Art. 3.1.2. La demande de certificats, dans le présent chapitre, se déroule selon les instructions de la Direction, qui sont publiées sur le site web de la Direction.
Le demandeur joint à la demande tous les documents nécessaires démontrant qu'il est satisfait aux conditions de la Convention MARPOL en la matiÚre.
Art. 3.1.3. De weigering om een MARPOL-certificaat uit te reiken, verlengen of vernieuwen wordt betekend aan de aanvrager van het certificaat. De aanvrager of de op het betrokken certificaat te vermelden entiteit kan een facultatief hoger beroep instellen tegen een weigering om een MARPOL-certificaat uit te reiken, verlengen of vernieuwen bij de Minister, binnen een termijn van 14 dagen na de datum van ontvangst van de betekening van de weigering om het gevraagde certificaat uit te reiken, verlengen of vernieuwen.
De intrekking van een MARPOL-certificaat wordt betekend aan de op het betrokken certificaat vermelde entiteit. De op het betrokken certificaat vermelde entiteit kan een facultatief hoger beroep instellen tegen de intrekking van een MARPOL-certificaat, bij de Minister, binnen een termijn van 14 dagen na de datum van ontvangst van de betekening van de intrekking van het certificaat.
Art. 3.1.3. Le refus de délivrer, prolonger ou renouveler un certificat MARPOL est notifié au demandeur du certificat. Le demandeur ou l'entité à mentionner sur le certificat concerné peut introduire un recours facultatif contre un refus de délivrer, prolonger ou renouveler un certificat MARPOL auprÚs du Ministre dans un délai de 14 jours aprÚs la date de réception de la notification du refus de délivrer, prolonger ou renouveler le certificat demandé.
L'annulation d'un certificat MARPOL est notifiée à l'entité mentionnée sur le certificat concerné. L'entité mentionnée sur le certificat concerné peut introduire un recours facultatif contre l'annulation d'un certificat MARPOL auprÚs du Ministre dans un délai de 14 jours aprÚs la date de réception de la notification de l'annulation du certificat.
Art. 3.1.4. Onverminderd de desbetreffende bepalingen van het MARPOL-Verdrag worden de modellen van de MARPOL-certificaten vastgesteld door de Scheepvaartcontrole.
Art. 3.1.4. Sans préjudice des dispositions de la Convention MARPOL en la matiÚre, les modÚles des certificats MARPOL sont fixés par le ContrÎle de la navigation.
Art. 3.1.5. De MARPOL-certificaten zijn geldig overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het MARPOL-Verdrag en het Belgisch Scheepvaartwetboek.
Art. 3.1.5. Les certificats MARPOL sont valables conformément aux dispositions de la Convention MARPOL et du Code belge de la Navigation en la matiÚre.
Art. 3.1.6. Het verlenen van vrijstellingen, uitzonderingen en gelijkwaardigheden overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het MARPOL-Verdrag gebeurt door de Scheepvaartcontrole.
Art. 3.1.6. Les exemptions, exceptions et équivalences sont accordées par le ContrÎle de la navigation conformément aux dispositions de la Convention MARPOL en la matiÚre.
Art. 3.1.7. De Scheepvaartcontrole kan de afgifte van certificaten toevertrouwen aan erkende organisaties.
Art. 3.1.7. Le ContrÎle de la navigation peut confier la délivrance de certificats à des organismes agréés.
Art. 3.1.8. De MARPOL-certificaten moeten steeds aan boord van het schip zijn.
Art. 3.1.8. Les certificats MARPOL doivent toujours se trouver Ă  bord du navire.
HOOFDSTUK 2. - Olie
CHAPITRE 2. - Hydrocarbures
Art. 3.2.1. § 1. Wanneer een schip dat geen olietankschip is, is uitgerust met vrachtruimten die zijn gebouwd en worden gebruikt voor het vervoer van olie in bulk en waarvan de totale capaciteit gelijk is aan of groter dan 200 m3, dan gelden de voorschriften 16, 26.4, 29, 30, 31, 32, 34 en 36 van Bijlage I bij het MARPOL-Verdrag die van toepassing zijn op olietankschepen, ook voor de bouw en de exploitatie van deze ruimten; wanneer echter de totale capaciteit kleiner is dan 1000 m3, dan kan voorschrift 34.6 van Bijlage I bij het MARPOL-Verdrag worden toegepast in de plaats van de voorschriften 29, 31 en 32.
§ 2. Wanneer een olietankschip in een van zijn vrachtruimten een vracht vervoert die onderworpen is aan de bepalingen van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag, dan is het aangewezen om ook de relevante bepalingen van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag toe te passen.
§ 3. De voorschriften 29, 31 en 32 van Bijlage I bij het MARPOL-Verdrag zijn niet van toepassing op olietankschepen die asfalt of andere producten bedoeld in de bepalingen van Bijlage I bij het MARPOL-Verdrag vervoeren, die omwille van hun fysieke eigenschappen moeilijk scheidbaar zijn van water of moeilijk op doeltreffende wijze kunnen worden gecontroleerd; voor deze producten gebeurt de controle op de lozingen krachtens voorschrift 34 van Bijlage I bij het MARPOL-Verdrag door het aan boord houden van de residuen en de latere verwijdering van al het besmet waswater in ontvangstvoorzieningen.
§ 4. Onverminderd de bepalingen van paragraaf 5 van dit artikel, zijn de voorschriften 18.6 tot 18.8 van Bijlage I bij het MARPOL-Verdrag niet van toepassing op een olietankschip dat op 1 juni 1982 of vóór deze datum werd opgeleverd, zoals bepaald in voorschrift 1.28.3 van Bijlage I bij het MARPOL-Verdrag, dat enkel bijzondere reizen maakt tussen:
1° havens of terminals gelegen in een Verdragsstaat bij het MARPOL-Verdrag, of
2° havens of terminals van Verdragsstaten bij het MARPOL-Verdrag, wanneer:
a) de reis volledig binnen een bijzonder gebied plaatsvindt; of
b) de reis volledig binnen andere door de IMO vastgelegde grenzen plaatsvindt.
§ 5. De bepalingen van paragraaf 4 van dit artikel zijn enkel van toepassing wanneer de havens of terminals waarin de vracht tijdens dergelijke reizen wordt ingeladen, zijn uitgerust met voorzieningen die in staat zijn om alle ballast- en waswater uit tanks van olietankschepen die er gebruik van maken te ontvangen en te behandelen en wanneer aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
1° onder voorbehoud van de uitzonderingen bepaald in voorschrift 4 van Bijlage I bij het MARPOL-Verdrag wordt alle ballastwater, proper ballastwater inbegrepen, en al het waswater van de tanks aan boord bewaard en overgepompt in ontvangstvoorzieningen en de gepaste rubriek van deel II van het oliejournaal waarnaar wordt verwezen in voorschrift 36 van Bijlage I bij het MARPOL-Verdrag van een visum wordt voorzien door de bevoegde overheid van de Havenstaat;
2° de Overheid en de regeringen van de Havenstaten bedoeld in de paragrafen 4,1° en 2° van dit artikel zijn tot een akkoord gekomen over het gebruik van een olietankschip opgeleverd op 1 juni 1982 of vóór deze datum, zoals bepaald in voorschrift 1.28.3 van Bijlage I bij het MARPOL-Verdrag, voor een bijzondere reis;
3° de capaciteit van de ontvangstvoorzieningen bedoeld in de relevante bepalingen van Bijlage I bij het MARPOL-Verdrag in de bovenbedoelde havens of terminals, is voor de toepassing van dit artikel, goedgekeurd door de regeringen van de Verdragsstaten bij het MARPOL-Verdrag op wier grondgebied deze havens of terminals zijn gelegen; en
4° het Internationaal certificaat ter voorkoming van verontreiniging door olie bevat een vermelding dat het olietankschip enkel dergelijke bijzondere reizen maakt.
Art. 3.2.1. § 1. Lorsqu'un navire autre qu'un pĂ©trolier est Ă©quipĂ© d'espaces Ă  cargaison qui sont construits et utilisĂ©s pour le transport d'hydrocarbures en vrac et dont la capacitĂ© totale est Ă©gale ou supĂ©rieure Ă  200 m3, les prescriptions des rĂšgles 16, 26.4, 29, 30, 31, 32, 34 et 36 de l'Annexe I de la Convention MARPOL applicables aux pĂ©troliers s'appliquent aussi Ă  la construction et Ă  l'exploitation de ces espaces; toutefois, lorsque cette capacitĂ© totale est infĂ©rieure Ă  1000 m3, les prescriptions de la rĂšgle 34.6 de l'Annexe I de la Convention MARPOL peuvent ĂȘtre appliquĂ©es Ă  la place de celles des rĂšgles 29, 31 et 32.
§ 2. Lorsqu'un pétrolier transporte, dans un de ses espaces à cargaison, une cargaison soumise aux dispositions de l'Annexe II de la Convention MARPOL, il convient d'appliquer aussi les dispositions pertinentes de l'Annexe II de la Convention MARPOL.
§ 3. Les prescriptions des rÚgles 29, 31 et 32 de l'Annexe I de la Convention MARPOL ne s'appliquent pas aux pétroliers transportant de l'asphalte ou d'autres produits visés par les dispositions de l'Annexe I de la Convention MARPOL qui, en raison de leurs propriétés physiques, seraient difficiles à séparer de l'eau ou à surveiller de maniÚre efficace; dans le cas de ces produits, le contrÎle des rejets en vertu de la rÚgle 34 de l'Annexe I de la Convention MARPOL s'effectue par la conservation des résidus à bord et l'évacuation ultérieure de toutes les eaux de lavage contaminées dans des installations de réception.
§ 4. Sous réserve des dispositions du paragraphe 5 du présent article, les rÚgles 18.6 à 18.8 de l'Annexe I de la Convention MARPOL ne s'appliquent pas à un pétrolier livré le 1er juin 1982 ou avant cette date, tel que défini à la rÚgle 1.28.3 de l'Annexe I de la Convention MARPOL, qui effectue uniquement des voyages particuliers entre :
1° des ports ou terminaux situés dans un Etat Partie à la Convention MARPOL, ou
2° des ports ou terminaux d'Etats Parties à la Convention MARPOL lorsque :
a) le voyage est effectué entiÚrement à l'intérieur d'une zone spéciale; ou
b) le voyage est effectué entiÚrement à l'intérieur d'autres limites définies par l'OMI.
§ 5. Les dispositions du paragraphe 4 du présent article s'appliquent uniquement lorsque les ports ou terminaux dans lesquels la cargaison est chargée au cours de tels voyages sont équipés d'installations capables de recevoir et traiter toutes les eaux de ballast et de lavage des citernes provenant des pétroliers qui les utilisent et que toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° sous réserve des exceptions prévues à la rÚgle 4 de l'Annexe I de la Convention MARPOL, toutes les eaux de ballast, y compris les eaux de ballast propres, et tous les résidus de lavage des citernes sont conservés à bord et transférés dans les installations de réception et la rubrique appropriée de la partie II du registre des hydrocarbures, auquel il est fait référence à la rÚgle 36 de l'Annexe I de la Convention MARPOL, est visée par l'autorité de l'Etat du port compétente;
2° l'Autorité et les gouvernements des Etats du port visés aux paragraphes 4, 1° et 2° du présent article sont parvenus à un accord à propos de l'utilisation d'un pétrolier livré le 1er juin 1982 ou avant cette date, tel que défini à la rÚgle 1.28.3 de l'Annexe I de la Convention MARPOL, pour un voyage particulier;
3° la capacité des installations de réception visées par les dispositions pertinentes de l'Annexe I de la Convention MARPOL dans les ports ou terminaux susvisés, aux fins du présent article, est approuvée par les gouvernements des Etats Parties à la Convention MARPOL sur le territoire desquels ces ports ou terminaux sont situés; et
4° le Certificat international de prévention de la pollution par les hydrocarbures porte une mention indiquant que le pétrolier effectue uniquement de tels voyages particuliers.
Art. 3.2.2. Elke lozing van olie op zee door een schip is onderworpen aan de bepalingen van voorschrift 15 van Bijlage I bij het MARPOL-Verdrag.
Art. 3.2.2. Tous les rejets d'hydrocarbure en mer par un navire sont soumis aux dispositions de la rĂšgle 15 de l'Annexe I de la Convention MARPOL.
Art. 3.2.3. De schepen bedoeld in voorschrift 14.1 van Bijlage I bij het MARPOL-Verdrag moeten voldoen aan de bepalingen van voorschrift 14 van Bijlage I bij het MARPOL-Verdrag.
Art. 3.2.3. Les navires visés par la rÚgle 14.1 de l'Annexe I de la Convention MARPOL doivent respecter les dispositions de la rÚgle 14 de l'Annexe I de la Convention MARPOL.
Art. 3.2.4. Het oliejournaal moet conform het MARPOL-Verdrag zijn.
Art. 3.2.4. Le registre des hydrocarbures doit ĂȘtre conforme Ă  la Convention MARPOL.
HOOFDSTUK 3. - Lozingen op zee
CHAPITRE 3. - Rejets en mer
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 3.3.1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, verstaat men onder "elektronisch register" een door de Scheepvaartcontrole goedgekeurd(e) voorziening of systeem voor de Belgische schepen, die/dat in de plaats van een register op een papieren drager wordt gebruikt om alle gegevens over lozingen, overdrachten en andere operaties die krachtens dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd, elektronisch te registreren.
Art. 3.3.1. Pour l'application du prĂ©sent chapitre, l'on entend par " registre Ă©lectronique " un dispositif ou systĂšme approuvĂ© par le ContrĂŽle de la navigation, en ce qui concerne les navires belges, qui est utilisĂ© Ă  la place d'un registre sur support papier pour consigner sous forme Ă©lectronique les renseignements concernant les rejets, transferts et autres opĂ©rations qui doivent l'ĂȘtre en vertu du prĂ©sent chapitre.
Art. 3.3.2. § 1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, gelden de bepalingen van dit hoofdstuk voor alle gecertificeerde schepen die geschikt zijn voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
§ 2. Wanneer een vracht die is onderworpen aan de bepalingen van Bijlage I bij het MARPOL-Verdrag wordt vervoerd in een ladingtank van een NLS-tankschip, dan zijn tevens de relevante bepalingen van Bijlage I bij het MARPOL-Verdrag van toepassing.
Art. 3.3.2. § 1er. Sauf disposition expresse contraire, les dispositions du présent chapitre s'appliquent à tous les navires certifiés aptes à transporter des substances liquides nocives en vrac.
§ 2. Lorsqu'une cargaison soumise aux dispositions de l'Annexe I de la Convention MARPOL est transportée dans une citerne à cargaison de navire-citerne NLS, les dispositions pertinentes de l'Annexe I de la Convention MARPOL s'appliquent également.
Afdeling 2. - Indeling in categorieën van schadelijke vloeistoffen
Section 2. - Classement en catégories des substances liquides nocives
Art. 3.3.3. § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de schadelijke vloeistoffen ingedeeld in vier categorieën zoals volgt:
1° Categorie X - Schadelijke vloeistoffen die wanneer deze in zee worden geloosd bij reinigingsoperaties van tanks of bij ontballasten, erom bekend staan een ernstig risico te vormen voor de levende rijkdommen van de zee of voor de menselijke gezondheid en die dus een verbod op lozing ervan in het mariene milieu rechtvaardigen;
2° Categorie Y - Schadelijke vloeistoffen die wanneer deze in zee worden geloosd bij reinigingsoperaties van tanks of bij ontballasten, erom bekend staan een risico te vormen voor de levende rijkdommen van de zee of voor de menselijke gezondheid of die schade kunnen toebrengen aan de belevingswaarden of aan andere vormen van rechtmatig gebruik van de zee en derhalve een inperking van de kwaliteit en kwantiteit van lozingen in het mariene milieu rechtvaardigen;
3° Categorie Z - Schadelijke vloeistoffen die wanneer deze in zee worden geloosd bij reinigingsoperaties van tanks of bij ontballasten, erom bekend staan een laag risico te vormen voor de levende rijkdommen van de zee of voor de menselijke gezondheid en die dus minder rigoureuze beperkingen voor de kwaliteit en kwantiteit van de lozingen in het mariene milieu rechtvaardigen.
4° Overige substanties: Substanties aangeduid met de vermelding OS (Other substances) in de kolom van de vervuilingscategorieën van Hoofdstuk 18 van de Internationale Code inzake het vervoer van chemicaliën in bulk, die werden beoordeeld en waarvan werd vastgesteld dat ze niet behoren tot de categorieën X, Y, Z zoals bepaald in dit artikel omdat ze momenteel worden beschouwd als ongevaarlijk voor de levende rijkdommen van de zee, voor de menselijke gezondheid, voor de belevingswaarden of andere vormen van rechtmatig gebruik van de zee wanneer ze tijdens reinigingsoperaties van tanks of bij ontballasten in zee worden geloosd. De lozing van ruim- of ballastwater of andere residuen of mengsels die uitsluitend de als "overige substanties" aangemerkte stoffen bevatten, is aan geen enkele van de voorschriften van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag onderworpen.
§ 2. De te volgen richtlijnen voor de indeling in categorieën van schadelijke vloeistoffen staan in aanhangsel 1 van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag.
§ 3. Wanneer wordt overwogen om een vloeibare substantie in bulk te vervoeren welke niet in een in paragraaf 1 van dit artikel bepaalde categorie is ingedeeld, en wanneer een deel van dit vervoer op het Belgische grondgebied plaatsvindt of op een Belgisch schip, dan stelt de Scheepvaartcontrole in overleg met de andere bij het vervoer betrokken Verdragsstaten een voorlopige beoordeling op voor dit vervoer door zich te baseren op de richtlijnen vermeld in paragraaf 2 van dit artikel. Het vervoer mag niet plaatsvinden alvorens er over deze beoordeling een overeenkomst is bereikt. Wanneer het Directoraat de beoordeling heeft aangevraagd, dan stelt het de IMO zo spoedig mogelijk, en uiterlijk 30 dagen na de datum waarop deze overeenkomst is gesloten, in kennis van informatie over de inhoud en de voorlopige beoordeling.
Art. 3.3.3. § 1er. Aux fins des articles du présent chapitre, les substances liquides nocives sont réparties en quatre catégories, comme suit :
1° Catégorie X - Substances liquides nocives qui, si elles sont rejetées à la mer lors d'opérations de nettoyage des citernes ou de déballastage, sont réputées présenter un risque grave pour les ressources marines ou pour la santé humaine et justifient donc l'interdiction des rejets dans le milieu marin;
2° Catégorie Y - Substances liquides nocives qui, si elles sont rejetées à la mer lors d'opérations de nettoyage des citernes ou de déballastage, sont réputées présenter un risque pour les ressources marines ou pour la santé humaine ou causer un préjudice aux valeurs d'agrément ou à d'autres utilisations légitimes de la mer et justifient donc une limitation de la qualité et de la quantité des rejets dans le milieu marin;
3° Catégorie Z - Substances liquides nocives qui, si elles sont rejetées à la mer lors d'opérations de nettoyage des citernes ou de déballastage, sont réputées présenter un risque faible pour les ressources marines ou pour la santé humaine et justifient donc des restrictions moins rigoureuses de la qualité et de la quantité des rejets dans le milieu marin.
4° Autres substances : Les substances identifiées par la mention OS (autres substances) dans la colonne des catégories de pollution du chapitre 18 du Recueil international de rÚgles sur les transporteurs de produits chimiques, qui ont été évaluées et dont il a été constaté qu'elles ne relevaient pas des catégories X, Y ou Z telles que définies dans le présent article du fait qu'elles sont considérées, actuellement, comme ne présentant pas de danger pour les ressources marines, la santé humaine, les valeurs d'agrément ou d'autres utilisations légitimes de la mer lorsqu'elles sont rejetées à la mer au cours d'opérations de nettoyage des citernes ou de déballastage. Le rejet d'eaux de cale ou de ballast ou d'autres résidus ou mélanges contenant uniquement des substances désignées en tant qu'"Autres substances" n'est soumis à aucune des prescriptions de l'Annexe II de la Convention MARPOL.
§ 2. Les directives à suivre pour le classement en catégories des substances liquides nocives figurent à l'appendice 1 de l'Annexe II de la Convention MARPOL.
§ 3. Lorsqu'il est envisagé de transporter une substance liquide en vrac qui n'a pas été classée dans une catégorie définie au paragraphe 1er du présent article, et qu'une partie de ce transport concerne le territoire belge ou un navire belge, le ContrÎle de la navigation établit d'un commun accord avec les autres Etats Parties concernés par le transport une évaluation provisoire aux fins de ce transport, en se fondant sur les directives mentionnées au paragraphe 2 du présent article. Le transport ne doit pas avoir lieu avant qu'un accord soit intervenu sur cette évaluation. Lorsque l'évaluation a été initialisé par la Direction, celle-ci informe l'OMI dÚs que possible, et au plus tard 30 jours aprÚs la date à laquelle cet accord a été conclu, en lui communiquant des renseignements relatifs à la substance et à l'évaluation provisoire.
Afdeling 3. - Operationele lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen
Section 3. -Rejets en exploitation de résidus de substances liquides nocives
Art. 3.3.4. Behoudens de bepalingen van voorschrift 3 van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag moet de controle op de lozing van residuen van schadelijke vloeistoffen of ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, voldoen aan de onderstaande bepalingen:
1° Voor wat betreft de lozingen:
a) De lozing in zee van residuen van stoffen van categorie X, Y of Z of van voorlopig als zodanig beoordeelde stoffen, of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, is verboden, tenzij deze lozingen plaatsvinden in volledige overeenstemming met de van toepassing zijnde voorschriften voor de bedrijfsvoering zoals uiteengezet in dit hoofdstuk.
b) Voordat de tank conform de bepalingen van dit artikel wordt voorgewassen of geloosd, moet deze zoveel mogelijk worden geleegd volgens de in het Handboek voorgeschreven methoden.
c) Het vervoer van stoffen die niet in categorieën zijn ingedeeld, noch voorlopig als zodanig zijn beoordeeld, noch zijn beoordeeld op de in artikel 3.3.3 voorgeschreven wijze, of van ballastwater, van tankwaswater of van andere mengsels die residuen van dergelijke stoffen bevatten, alsmede de lozing in zee van dergelijke stoffen die het gevolg zijn van dit vervoer, is verboden.
2° Voor wat betreft de lozingsnormen:
a) Indien de bepalingen van dit artikel de lozing in zee toestaan van stoffen van categorie X, Y of Z of van voorlopig als zodanig beoordeelde stoffen, of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, dan zijn de onderstaande lozingsnormen van toepassing:
i) het schip vaart met een snelheid van ten minste 7 knopen voor schepen met eigen voortstuwing en ten minste 4 knopen voor andere schepen;
ii) de lozing gebeurt via de onder de waterlijn gelegen wateruitla(a)t(en), zonder dat het maximale debiet waarvoor de onderwateruitla(a)t(en) is (zijn) ontworpen, wordt overschreden; en
iii) de lozing gebeurt op een afstand van ten minste 12 zeemijl van het dichtstbijzijnde land en in water met een diepte van ten minste 25 meter.
b) Voor schepen die vóór 1 januari 2007 zijn gebouwd, is de lozing in zee van residuen van stoffen van categorie Z, of van voorlopig als zodanig beoordeelde stoffen, of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten onder de waterlijn, niet verplicht.
c) Voor stoffen van categorie Z kan de Scheepvaartcontrole vrijstelling verlenen van de voorschriften van 2°, a), iii), betreffende de afstand van ten minste 12 zeemijl tot het dichtstbijzijnde land voor schepen die uitsluitend reizen in de Belgische wateren uitvoeren. Bovendien kan de Scheepvaartcontrole vrijstelling verlenen van dezelfde voorschriften met betrekking tot de lozingsafstand van ten minste 12 zeemijl tot het dichtstbijzijnde land in het geval van een Belgisch schip dat reizen maakt in wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van een aangrenzende Staat vallen, indien er een schriftelijke vrijstellingsovereenkomst tussen België en de betrokken kuststaat is gesloten, op voorwaarde dat dit geen gevolgen heeft voor een derde partij. Informatie over een dergelijke overeenkomst moet door het directoraat binnen 30 dagen aan de IMO worden meegedeeld.
3° Met betrekking tot de ventilatie van ladingresiduen kunnen ventilatiemethoden die werden goedgekeurd door de Scheepvaartcontrole voor wat betreft Belgische schepen of door de vlag van het schip voor wat betreft vreemde schepen worden gebruikt om ladingresiduen uit een tank te verwijderen. Deze methoden moeten in overeenstemming zijn met aanhangsel 7 van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag. Water dat vervolgens in de tank wordt gebracht, wordt als schoon beschouwd en is niet onderworpen aan de in dit hoofdstuk bepaalde lozingsvoorschriften.
4° Op verzoek van de kapitein van het schip kan de Scheepvaartcontrole het schip vrijstellen van voorwas indien zij zich ervan heeft vergewist:
a) dat de geleegde tank bedoeld is om een identieke lading of een andere met de vorige lading verenigbare stof te ontvangen en dat de tank niet wordt gewassen of geballast vóór het laden; of
b) dat de geleegde tank niet op zee wordt gewassen noch geballast. De voorwas wordt conform de toepasselijke paragraaf van dit voorschrift in een andere haven uitgevoerd, mits schriftelijk wordt bevestigd dat er in die haven een voor dit doel geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is; of
c) dat de ladingresiduen worden verwijderd door middel van een door de Scheepvaartcontrole voor wat betreft Belgische schepen of door de vlag van het schip voor wat betreft vreemde schepen goedgekeurde ventilatiemethode conform aanhangsel 7 van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag.
5° Met betrekking tot het gebruik van reinigingsmiddelen of additieven zijn de onderstaande bepalingen van toepassing:
a) Wanneer voor het wassen van een tank een ander wasmiddel dan water wordt gebruikt, zoals minerale olie of een gechloreerd oplosmiddel, is de lozing van dit middel onderworpen aan de bepalingen van Bijlage I of Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag, die van toepassing zouden zijn indien dit middel als lading zou worden vervoerd. De tankwasmethoden die het gebruik van dergelijke middelen vereisen, moeten in het Handboek worden beschreven en worden goedgekeurd door de Scheepvaartcontrole voor wat betreft Belgische schepen of door de vlag van het schip voor wat betreft vreemde schepen.
b) Wanneer kleine hoeveelheden reinigingsadditieven (detergenten) aan water worden toegevoegd om het wassen van tanks te vergemakkelijken, mogen geen additieven worden gebruikt die bestanddelen van verontreinigingscategorie X bevatten, met uitzondering van bestanddelen die gemakkelijk biologisch afbreekbaar zijn en waarvan de totale concentratie in het reinigingsadditief minder dan 10 % bedraagt. Er worden geen extra beperkingen toegevoegd aan de beperkingen die van toepassing zijn op de betrokken tank als gevolg van de laatste vervoerde lading.
6° Met betrekking tot de lozing van residuen van categorie X zijn de onderstaande bepalingen van toepassing, onder voorbehoud van de bepalingen in 1° :
a) Een tank waaruit een stof van categorie X is gelost, dient te worden voorgewassen voordat het schip de loshaven verlaat. De bij de reiniging ontstane residuen moeten in een ontvangstvoorziening worden gelost totdat de concentratie van de stof in het in de ontvangstvoorziening geloosde effluent, zoals blijkt uit de analyse van de door de Scheepvaartcontrole genomen effluentmonsters, gelijk is aan of lager is dan 0,1 gewichtsprocent. Wanneer de vereiste concentratie is bereikt, moet ook nog het resterende tankwaswater in de ontvangstvoorziening worden geloosd en dit totdat de tank leeg is. Deze handelingen moeten op passende wijze in het vrachtregister worden vermeld en door de Scheepvaartcontrole van een visum worden voorzien.
b) Water dat nadien in de tank is gebracht, mag conform de in 2° van dit artikel genoemde lozingsnormen in zee worden geloosd.
c) Wanneer de Scheepvaartcontrole zich ervan heeft vergewist dat het onmogelijk is de concentratie van de stof in het effluent te meten zonder een buitensporige vertraging voor het schip te veroorzaken, dan kan zij een andere methode als gelijkwaardig aanvaarden om de in 6°, onder a), vermelde concentratie te verkrijgen, op voorwaarde dat:
i) de tank werd voorgewassen conform een door de Scheepvaartcontrole voor wat betreft Belgische schepen of door de vlag van het schip voor wat betreft vreemde schepen goedgekeurde methode conform aanhangsel 6 van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag; en
ii) dat de passende vermeldingen in het vrachtregister worden opgenomen en door de Scheepvaartcontrole van een visum werden voorzien.
7° a) Onder voorbehoud van de bepalingen in 1°, zijn de onderstaande bepalingen van toepassing:
i) De methoden voor de lozing van residuen van stoffen van categorie Y of Z moeten voldoen aan de in 2° van dit artikel bepaalde lozingsnormen.
(ii) Indien het lossen van een stof van categorie Y of Z niet conform het Handboek wordt uitgevoerd, moet er een voorwas worden uitgevoerd voordat het schip de loshaven verlaat, tenzij ten genoegen van de Scheepvaartcontrole andere maatregelen werden genomen om ladingresiduen van het schip te verwijderen opdat de in dit hoofdstuk vastgelegde hoeveelheden worden gehaald. Reinigingswater afkomstig van een dergelijke voorwasbeurt wordt geloosd in een ontvangstvoorziening in de loshaven of in een andere haven met een geschikte ontvangstvoorziening, mits schriftelijk wordt bevestigd dat er in die haven een voor dit doel geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is.
iii) Voor hoogviskeuze of stollende stoffen van categorie Y gelden de onderstaande bepalingen:
1) er moet een voorwasmethode conform aanhangsel 6 van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag worden toegepast;
2) het mengsel van residuen en water afkomstig van de voorwas moet in een ontvangstvoorziening worden geloosd totdat de tank leeg is; en
3) het water dat nadien in de tank is gebracht, mag conform de in 2° van dit artikel bepaalde lozingsnormen in zee worden geloosd.
iv) Voor stoffen van categorie Y die persistente drijvende stoffen zijn met een viscositeit van 50 mPa-s of meer bij 20°C en/of een smeltpunt van 0°C of meer, waarvoor de vermelding "16.2.7" in kolom O van hoofdstuk 17 van de IBC-code voorkomt, zijn de onderstaande bepalingen van toepassing vanaf 1 januari 2021 en in de gebieden die zijn vastgelegd in voorschrift 13, paragraaf 9, van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag:
1) een voorwasmethode conform de voorschriften van aanhangsel 6 van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag moet worden toegepast;
2) het mengsel van residuen en water afkomstig van de voorwas moet in een ontvangstvoorziening van de loshaven worden geloosd totdat de tank leeg is; en
3) het water dat nadien in de tank is gebracht, mag conform de in 2° van dit artikel bepaalde lozingsnormen in zee worden geloosd.
b) De voorschriften voor ballast- en ontballastingswerkzaamheden zijn als volgt:
i) Na het lossen en, indien nodig, na het voorwassen, kan een ladingtank worden geballast. De methoden voor de lozing van deze ballast worden uiteengezet in lid 2 van dit artikel.
ii) Ballast die in een ladingtank is gebracht en die op zodanige wijze is gewassen dat de ballast minder dan 1 ppm van de eerder vervoerde stof bevat, mag ongeacht de lozingssnelheid, de snelheid van het schip of de plaats van de lozingsopeningen in zee worden geloosd, mits het schip ten minste 12 mijl van het dichtstbijzijnde land is verwijderd en de waterdiepte niet minder dan 25 meter bedraagt. De vereiste zuiverheidsgraad wordt verkregen wanneer de tank is voorgewassen volgens de methode bepaald in aanhangsel 6 van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag en de tank vervolgens is onderworpen aan een volledige cyclus van de wasapparatuur in het geval van schepen die vóór 1 juli 1994 zijn gebouwd, of is gewassen met een hoeveelheid water die ten minste gelijk is aan de met k = 1,0 berekende hoeveelheid.
iii) De lozing in zee van schone of gescheiden ballast is niet onderworpen aan de voorschriften van dit hoofdstuk.
8° Met betrekking tot lozingen in het Antarctische gebied zijn de onderstaande bepalingen van toepassing:
a) Onder "Antarctisch gebied" verstaat men het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
b) In het Antarctische gebied is de lozing in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, verboden.
Art. 3.3.4. Sous rĂ©serve des dispositions de la rĂšgle 3 de l'Annexe II de la Convention MARPOL, le contrĂŽle des rejets de rĂ©sidus de substances liquides nocives ou des eaux de ballast, des eaux de nettoyage des citernes ou d'autres mĂ©langes contenant de telles substances doit ĂȘtre conforme aux dispositions suivantes :
1° en ce qui concerne les rejets :
a) Il est interdit de rejeter à la mer des résidus de substances relevant de la catégorie X, Y, ou Z ou de substances provisoirement évaluées comme telles, ou des eaux de ballast, des eaux de nettoyage des citernes ou d'autres mélanges contenant de telles substances, à moins que ces rejets ne soient effectués en pleine conformité avec les prescriptions applicables en matiÚre d'exploitation, énoncées dans le présent chapitre.
b) Avant de procĂ©der Ă  un prĂ©lavage ou Ă  un rejet conformĂ©ment aux dispositions du prĂ©sent article, la citerne concernĂ©e doit ĂȘtre vidĂ©e au maximum conformĂ©ment aux mĂ©thodes prescrites dans le Manuel.
c) Le transport de substances qui n'ont Ă©tĂ© ni classĂ©es en catĂ©gories, ni Ă©valuĂ©es provisoirement, ni Ă©valuĂ©es de la façon prĂ©vue Ă  l'article 3.3.3, ou d'eaux de ballast, d'eaux de nettoyage des citernes ou d'autres mĂ©langes contenant des rĂ©sidus de telles substances, est interdit, de mĂȘme que le rejet Ă  la mer de ces substances rĂ©sultant d'un tel transport.
2° en ce qui concerne les normes de rejets :
a) Lorsque les dispositions du présent article autorisent le rejet à la mer de substances relevant de la catégorie X, Y ou Z ou de substances provisoirement évaluées comme telles, ou d'eaux de ballast, d'eaux de nettoyage des citernes ou d'autres mélanges contenant de telles substances, les normes de rejet suivantes s'appliquent :
i) le navire fait route Ă  une vitesse d'au moins 7 noeuds pour les navires Ă  propulsion autonome et d'au moins 4 noeuds pour les autres navires;
ii) le rejet s'effectue sous la flottaison, par le ou les orifices de rejet immergés, sans dépasser le débit maximal pour lequel le ou les orifices de rejet immergés ont été conçus; et
iii) le rejet s'effectue Ă  une distance d'au moins 12 milles marins de la terre la plus proche et dans des eaux d'une profondeur d'au moins 25 mĂštres.
b) Dans le cas des navires construits avant le 1er janvier 2007, le rejet à la mer de résidus des substances relevant de la catégorie Z ou des substances provisoirement évaluées comme telles, ou d'eaux de ballast, d'eaux de nettoyage des citernes ou d'autres mélanges contenant de telles substances au-dessous de la flottaison n'est pas obligatoire.
c) Le ContrĂŽle de la navigation peut accorder, pour les substances relevant de la catĂ©gorie Z, une dĂ©rogation aux prescriptions du 2°, a) iii) concernant la distance d'au moins 12 milles marins de la terre la plus proche dans le cas des navires qui effectuent uniquement des voyages dans les eaux belges. En outre, le ContrĂŽle de la navigation peut accorder une dĂ©rogation aux mĂȘmes prescriptions concernant la distance de rejet d'au moins 12 milles marins de la terre la plus proche dans le cas d'un navire belge lorsqu'il effectue des voyages dans des eaux soumises Ă  la souverainetĂ© ou Ă  la juridiction d'un Etat adjacent si un accord de dĂ©rogation a Ă©tĂ© Ă©tabli par Ă©crit entre la Belgique et l'Etat cĂŽtier intĂ©ressĂ©, sous rĂ©serve qu'aucune tierce partie ne soit affectĂ©e. Des renseignements sur un tel accord doivent ĂȘtre communiquĂ©s par la Direction dans les 30 jours Ă  l'OMI.
3° En ce qui concerne la ventilation des rĂ©sidus de cargaison, des mĂ©thodes de ventilation approuvĂ©es par le ContrĂŽle de la navigation en ce qui concerne les navires belges ou le pavillon du navire en ce qui concerne les navires Ă©trangers peuvent ĂȘtre utilisĂ©es pour Ă©liminer les rĂ©sidus de cargaison d'une citerne. Ces mĂ©thodes doivent ĂȘtre conformes Ă  l'appendice 7 de l'Annexe II de la Convention MARPOL. L'eau introduite par la suite dans la citerne doit ĂȘtre considĂ©rĂ©e comme propre et n'est pas soumise aux prescriptions en matiĂšre de rejet prĂ©vues dans le prĂ©sent chapitre.
4° A la demande du capitaine du navire, le ContrÎle de la navigation peut exempter le navire du prélavage s'il s'est assuré :
a) que la citerne déchargée est destinée à recevoir un chargement identique ou une autre substance compatible avec la précédente et que la citerne ne sera ni lavée ni ballastée avant son chargement; ou
b) que la citerne déchargée ne sera ni lavée ni ballastée en mer. Le prélavage sera effectué, conformément au paragraphe applicable de la présente rÚgle, dans un autre port, sous réserve de confirmation par écrit qu'une installation de réception dans ce port est disponible et adéquate à cette fin; ou
c) que les résidus de cargaison seront éliminés par une méthode de ventilation approuvée par le ContrÎle de la navigation en ce qui concerne les navires belges ou le pavillon du navire en ce qui concerne les navires étrangers conformément à l'appendice 7 de l'Annexe II de la Convention MARPOL.
5° En ce qui concerne l'utilisation d'agents ou d'additifs de nettoyage, les dispositions suivantes sont d'application :
a) Lorsqu'un agent de lavage autre que de l'eau, comme par exemple une huile minĂ©rale ou un solvant chlorĂ©, est utilisĂ© au lieu d'eau pour laver une citerne, le rejet de cet agent doit ĂȘtre soumis aux dispositions de l'Annexe I ou l'Annexe II de la Convention MARPOL qui s'appliqueraient si cet agent Ă©tait transportĂ© en tant que cargaison. Les mĂ©thodes de lavage des citernes qui nĂ©cessitent l'emploi de tels agents doivent ĂȘtre Ă©noncĂ©es dans le Manuel et approuvĂ©es par le ContrĂŽle de la navigation en ce qui concerne les navires belges ou le pavillon du navire en ce qui concerne les navires Ă©trangers.
b) Lorsque de petites quantitĂ©s d'additifs de nettoyage (produits dĂ©tergents) sont ajoutĂ©es Ă  l'eau pour faciliter le lavage des citernes, aucun additif contenant des composants de la catĂ©gorie de pollution X ne doit ĂȘtre utilisĂ©, Ă  l'exception des composants qui sont facilement biodĂ©gradables et dont la concentration totale est infĂ©rieure Ă  10 % dans l'additif de nettoyage. Aucune restriction supplĂ©mentaire ne doit s'ajouter Ă  celles qui s'appliquent Ă  la citerne intĂ©ressĂ©e du fait de la derniĂšre cargaison transportĂ©e.
6° En ce qui concerne le rejet de résidus de la catégorie X, les dispositions ci-aprÚs s'appliquent sous réserve des dispositions du 1° :
a) Une citerne de laquelle une substance de la catĂ©gorie X a Ă©tĂ© dĂ©chargĂ©e doit subir un prĂ©lavage avant que le navire ne quitte le port de dĂ©chargement. Les rĂ©sidus rĂ©sultant du nettoyage doivent ĂȘtre dĂ©chargĂ©s dans une installation de rĂ©ception jusqu'Ă  ce que la concentration de la substance dans l'effluent rejetĂ© dans l'installation de rĂ©ception, telle que l'indique l'analyse des Ă©chantillons de l'effluent prĂ©levĂ©s par le ContrĂŽle de la navigation, soit Ă©gale ou infĂ©rieure Ă  0,1 % en poids. Quand la concentration requise est atteinte, le reste des eaux de lavage de la citerne doit continuer d'ĂȘtre rejetĂ© dans l'installation de rĂ©ception jusqu'Ă  ce que la citerne soit vide. Les mentions appropriĂ©es de ces opĂ©rations doivent ĂȘtre portĂ©es sur le registre de la cargaison et visĂ©es par le ContrĂŽle de la navigation.
b) L'eau introduite ultĂ©rieurement dans la citerne peut ĂȘtre rejetĂ©e Ă  la mer conformĂ©ment aux normes de rejet Ă©noncĂ©es au 2° du prĂ©sent article.
c) Lorsque le ContrÎle de la navigation s'est assuré qu'il est impossible de mesurer la concentration de la substance dans l'effluent sans causer de retard excessif au navire, il peut accepter une autre méthode à titre d'équivalent pour obtenir la concentration spécifiée au 6°, a), à condition que :
i) la citerne ait subi un prélavage conformément à une méthode approuvée par le ContrÎle de la navigation en ce qui concerne les navires belges ou le pavillon du navire en ce qui concerne les navires étrangers et conforme à l'appendice 6 de l'Annexe II de la Convention MARPOL ; et
ii) que les mentions appropriées soient portées sur le registre de la cargaison et visées par le ContrÎle de la navigation.
7° a) Sous réserve des dispositions du 1°, les dispositions ci-aprÚs s'appliquent :
i) Les méthodes de rejet des résidus de substances de la catégorie Y ou Z doivent permettre de satisfaire aux normes de rejet énoncées au 2° du présent article.
ii) Si le dĂ©chargement d'une substance de la catĂ©gorie Y ou Z n'est pas effectuĂ© conformĂ©ment au Manuel, un prĂ©lavage doit ĂȘtre effectuĂ© avant que le navire ne quitte le port de dĂ©chargement Ă  moins que d'autres mesures ne soient prises Ă  la satisfaction du ContrĂŽle de la navigation pour Ă©liminer les rĂ©sidus de la cargaison du navire de maniĂšre Ă  atteindre les quantitĂ©s spĂ©cifiĂ©es dans le prĂ©sent chapitre. Les eaux de nettoyage rĂ©sultant de ce prĂ©lavage doivent ĂȘtre rejetĂ©es dans une installation de rĂ©ception au port de dĂ©chargement ou dans un autre port pourvu d'une installation de rĂ©ception appropriĂ©e, sous rĂ©serve de confirmation par Ă©crit qu'une installation de rĂ©ception dans ce port est disponible et adĂ©quate Ă  cette fin.
iii) Pour les substances à viscosité élevée ou qui se solidifient de la catégorie Y, les dispositions suivantes s'appliquent :
1) une mĂ©thode de prĂ©lavage conforme Ă  l'appendice 6 de l'Annexe II de la Convention MARPOL doit ĂȘtre appliquĂ©e;
2) le mĂ©lange de rĂ©sidus et d'eau rĂ©sultant du prĂ©lavage doit ĂȘtre rejetĂ© dans une installation de rĂ©ception jusqu'Ă  ce que la citerne soit vide; et
3) l'eau introduite ultĂ©rieurement dans la citerne peut ĂȘtre rejetĂ©e Ă  la mer conformĂ©ment aux normes de rejet Ă©noncĂ©es au 2° du prĂ©sent article.
iv) Pour les substances relevant de la catégorie Y qui sont des substances flottantes persistantes dont la viscosité est égale ou supérieure à 50 mPa*s à 20 °C et/ou dont le point de fusion est égal ou supérieur à 0 °C, pour lesquelles la mention "16.2.7" figure dans la colonne O du chapitre 17 du Recueil IBC, les dispositions suivantes sont applicables à partir du 1er janvier 2021 et dans les zones définies au paragraphe 9 de la rÚgle 13 de l'Annexe II de la Convention MARPOL :
1) une mĂ©thode de prĂ©lavage conforme aux prescriptions de l'appendice 6 de l'Annexe II de la Convention MARPOL doit ĂȘtre appliquĂ©e;
2) le mĂ©lange de rĂ©sidus et d'eau rĂ©sultant du prĂ©lavage doit ĂȘtre rejetĂ© dans une installation de rĂ©ception du port de dĂ©chargement jusqu'Ă  ce que la citerne soit vide; et
3) l'eau introduite ultĂ©rieurement dans la citerne peut ĂȘtre rejetĂ©e Ă  la mer conformĂ©ment aux normes de rejet Ă©noncĂ©es dans le 2° du prĂ©sent article.
b) Les prescriptions relatives aux opérations de ballastage et déballastage sont les suivantes :
i) AprĂšs le dĂ©chargement et s'il y a lieu, aprĂšs un prĂ©lavage, une citerne Ă  cargaison peut ĂȘtre ballastĂ©e. Les mĂ©thodes de rejet de ce ballast sont Ă©noncĂ©es au 2° du prĂ©sent article.
ii) Le ballast introduit dans une citerne Ă  cargaison, qui a Ă©tĂ© lavĂ©e de telle façon que le ballast contient moins de 1 ppm de la substance transportĂ©e auparavant, peut ĂȘtre rejetĂ© Ă  la mer sans considĂ©ration du taux de rejet, de la vitesse du navire ou de l'emplacement des orifices de rejet, Ă  condition que le navire ne se trouve pas Ă  moins de 12 milles de la terre la plus proche et que la profondeur d'eau ne soit pas infĂ©rieure Ă  25 mĂštres. Le degrĂ© de propretĂ© requis est obtenu lorsqu'il a Ă©tĂ© procĂ©dĂ© Ă  un prĂ©lavage selon la mĂ©thode spĂ©cifiĂ©e Ă  l'appendice 6 de l'Annexe II de la Convention MARPOL et que la citerne a ensuite Ă©tĂ© soumise Ă  un cycle complet de l'appareil de lavage dans le cas des navires construits avant le 1er juillet 1994 ou a Ă©tĂ© lavĂ©e avec une quantitĂ© d'eau qui ne soit pas infĂ©rieure Ă  celle calculĂ©e avec k = 1,0.
iii) Le rejet à la mer de ballast propre ou séparé n'est pas soumis aux prescriptions du présent chapitre.
8° En ce qui concerne les rejets dans la zone Antarctique, les dispositions suivantes sont d'application :
a) Par `Zone de l'Antarctique', l'on entend la zone maritime située au sud du parallÚle 60° S.
b) Dans la zone de l'Antarctique, tout rejet à la mer de substances liquides nocives ou de mélanges contenant de telles substances est interdit.
Art. 3.3.5. § 1. Elk schip dat gecertificeerd is voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z, moet een Handleiding aan boord hebben. Voor Belgische schepen keurt de Scheepvaartcontrole het Handboek goed. Dit Handboek moet in overeenstemming zijn met aanhangsel 4 van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag.
§ 2. Het belangrijkste doel van het Handboek is om, voor de scheepsofficieren, de bepalingen en alle bedrijfsprocedures vast te stellen die moeten worden gebruikt voor het behandelen van de vracht, het schoonmaken van de tanks, het behandelen van de residuen en het ballasten of ontballasten van de ladingtanks, teneinde te voldoen aan de voorschriften van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag.
Art. 3.3.5. § 1er. Tout navire certifiĂ© apte Ă  transporter des substances de la catĂ©gorie X, Y ou Z doit avoir Ă  bord un Manuel. Pour les navires belges, le ContrĂŽle de la navigation approuve le Manuel. Ce Manuel doit ĂȘtre conforme au modĂšle normalisĂ© figurant Ă  l'appendice 4 de l'Annexe II de la Convention MARPOL.
§ 2. L'objet essentiel du Manuel est d'identifier, à l'intention des officiers du navire, les dispositifs et l'ensemble des procédures d'exploitation à utiliser pour la manutention de la cargaison, le nettoyage des citernes, la manutention des résidus et le ballastage ou le déballastage des citernes à cargaison, afin de satisfaire aux prescriptions de l'Annexe II de la Convention MARPOL.
Art. 3.3.6. § 1. Elk schip waarop dit hoofdstuk van toepassing is, moet een vrachtregister aan boord hebben. Dit register, ongeacht of het al dan niet deel uitmaakt van het voorgeschreven logboek, of dat het wel of niet een elektronisch register betreft dat door de Scheepvaartcontrole moet worden goedgekeurd rekening houdend met de door de IMO ontwikkelde richtsnoeren, moet in overeenstemming zijn met het model in aanhangsel 2 van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag.
§ 2. Elke in aanhangsel 2 van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag genoemde handeling moet na voltooiing ervan onmiddellijk in het vrachtregister worden vermeld.
§ 3. In geval van een accidentele lozing van een schadelijke vloeistof of een mengsel dat een dergelijke stof bevat of een lozing die valt onder de bepalingen van voorschrift 3 van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag, moeten de omstandigheden van en de redenen voor de lozing in het vrachtregister worden vermeld.
§ 4. Elke vermelding in het vrachtregister moet worden ondertekend door de voor de betrokken operatie verantwoordelijke officier of officieren en elke bladzijde of groep van elektronische vermeldingen moet door de kapitein worden ondertekend. De vermeldingen moeten overeenkomstig voorschrift 15 van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag worden aangebracht in het vrachtregister voor schepen die een internationaal certificaat ter voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk, of een certificaat als bedoeld in voorschrift 7 van Bijlage II bij het MARPOL-Verdrag bezitten. Indien de vermeldingen ook in een officiële landstaal van België zijn aangebracht, dan prevaleert deze taal in geval van geschil of onenigheid.
§ 5. Het vrachtregister moet worden bewaard op een plaats waar het gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie en het moet, met uitzondering van gesleepte schepen zonder bemanning, aan boord van het schip worden bewaard. Het moet gedurende een periode van drie jaar vanaf de laatste vermelding worden bewaard.
§ 6. De Scheepvaartcontrole kan het vrachtregister aan boord van elk schip waarop dit hoofdstuk van toepassing is, inspecteren terwijl dat schip zich in een van haar havens bevindt. Zij kan een afschrift van elke vermelding in dat register opvragen en eisen dat de kapitein van het schip de echtheid ervan bevestigt. Elk door de kapitein van het schip aldus voor eensluidend gewaarmerkt afschrift wordt in een gerechtelijke procedure beschouwd als een ontvankelijk bewijs van de in het vrachtregister vermelde feiten. De inspectie van het vrachtregister en het maken van de door de bevoegde autoriteit krachtens deze paragraaf voor eensluidend gewaarmerkte afschriften moeten zo snel mogelijk worden uitgevoerd en deze mogen geen buitensporige vertraging voor het schip veroorzaken.
Art. 3.3.6. § 1er. Tout navire auquel s'applique le prĂ©sent chapitre doit ĂȘtre muni d'un registre de la cargaison. Ce registre, qu'il fasse partie ou non du livre de bord rĂ©glementaire ou qu'il s'agisse ou non d'un registre Ă©lectronique qui doit ĂȘtre approuvĂ© par le ContrĂŽle de la navigation compte tenu des directives Ă©laborĂ©es par l'OMI, doit ĂȘtre conforme au modĂšle figurant Ă  l'appendice 2 de l'Annexe II de la Convention MARPOL.
§ 2. Une fois achevĂ©e, toute opĂ©ration spĂ©cifiĂ©e Ă  l'appendice 2 de l'Annexe II de la Convention MARPOL doit ĂȘtre rapidement consignĂ©e dans le registre de la cargaison.
§ 3. En cas de rejet accidentel de substance liquide nocive ou de tout mĂ©lange contenant une telle substance ou de rejet visĂ© par les dispositions de la rĂšgle 3 de l'Annexe II de la Convention MARPOL, les circonstances et les motifs du rejet doivent ĂȘtre consignĂ©s dans le registre de la cargaison.
§ 4. Chaque mention portĂ©e sur le registre de la cargaison doit ĂȘtre signĂ©e par l'officier ou les officiers responsables de l'opĂ©ration en question et chaque page ou groupe de mentions Ă©lectroniques doit ĂȘtre signĂ©e par le capitaine. Les mentions doivent ĂȘtre portĂ©es de maniĂšre conforme Ă  la rĂšgle 15 de l'Annexe II de la Convention MARPOL sur le registre de la cargaison pour les navires possĂ©dant un certificat international de prĂ©vention de la pollution pour le transport de substances liquides nocives en vrac ou un certificat visĂ© Ă  la rĂšgle 7 de l'Annexe II de la Convention MARPOL. Si les mentions sont aussi portĂ©es dans une langue officielle nationale de la Belgique, celle-ci doit prĂ©valoir en cas de diffĂ©rend ou de dĂ©saccord.
§ 5. Le registre de la cargaison doit ĂȘtre conservĂ© dans un endroit oĂč il soit aisĂ©ment accessible aux fins d'inspection et, sauf pour les navires remorquĂ©s sans Ă©quipage, doit se trouver Ă  bord du navire. Il doit ĂȘtre conservĂ© pendant une pĂ©riode de trois ans Ă  compter de la derniĂšre inscription.
§ 6. Le ContrĂŽle de la navigation peut inspecter le registre de la cargaison Ă  bord de tout navire auquel le prĂ©sent chapitre s'applique pendant que ce navire se trouve dans un de ses ports. Elle peut extraire une copie de toute mention portĂ©e sur ce registre et exiger que le capitaine du navire en certifie l'authenticitĂ©. Toute copie ainsi certifiĂ©e par le capitaine du navire doit ĂȘtre considĂ©rĂ©e, dans toute procĂ©dure judiciaire, comme une preuve recevable des faits mentionnĂ©s dans le registre de la cargaison. L'inspection du registre de la cargaison et l'Ă©tablissement de copies certifiĂ©es par l'autoritĂ© compĂ©tente en vertu du prĂ©sent paragraphe doivent ĂȘtre effectuĂ©s le plus rapidement possible et ne pas causer de retard excessif au navire.
Afdeling 4. - Internationale code voor schepen die in polaire wateren varen
Section 4. - Recueil international de rÚgles applicables aux navires exploités dans les eaux polaires
Art. 3.3.7. § 1. Deze afdeling is van toepassing op alle gecertificeerde schepen die geschikt zijn voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk en die in polaire wateren varen, zoals bepaald door het MARPOL-Verdrag.
§ 2. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, moet een schip als bedoeld in paragraaf 1 van dit artikel voldoen aan de milieubepalingen uit de inleiding en hoofdstuk 2 van deel II-A van de Zeevaartcode voor [1 de poolgebieden]1, zoals bepaald in het MARPOL-Verdrag, naast alle andere toepasselijke voorschriften van dit hoofdstuk.
§ 3. Hoofdstuk 2 van deel II-A van de Zeevaartcode voor [1 de poolgebieden]1 moet worden toegepast met inachtneming van de aanvullende aanbevelingen in deel II-B van de genoemde code.
Art. 3.3.7. § 1er. La présente section s'applique à tous les navires certifiés aptes à transporter des substances liquides nocives en vrac qui sont exploités dans les eaux polaires, telles que définies par la Convention MARPOL.
§ 2. Sauf disposition expresse contraire, tout navire visé au paragraphe 1 du présent article doit satisfaire aux dispositions relatives à l'environnement énoncées dans l'introduction et le chapitre 2 de la partie II-A du Recueil sur la navigation polaire, tel que défini par la Convention MARPOL, en plus de satisfaire à toutes autres prescriptions applicables du présent chapitre.
§ 3. Lechapitre 2 de la partie II-A du Recueil sur la navigation polaire est appliqué en tenant compte des recommandations additionnelles qui figurent dans la partie II-B dudit recueil.
HOOFDSTUK 4. - Zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen
CHAPITRE 4. - Teneur en soufre de combustibles marins
Art. 3.4.1. Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2016/802 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen.
Art. 3.4.1. Le présent chapitre prévoit la transposition partielle de la Directive (UE) 2016/802 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 concernant une réduction de la teneur en soufre de certains combustibles liquides.
Art. 3.4.2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° "scheepsbrandstof", een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof die bestemd is voor gebruik, of gebruikt wordt, aan boord van een schip, met inbegrip van de in ISO 8217 gedefinieerde brandstoffen;
Deze omvat uit aardolie verkregen vloeibare brandstof die gebruikt wordt aan boord van binnenschepen of pleziervaartuigen, zoals omschreven in Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines en Richtlijn 94/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot pleziervaartuigen, indien deze vaartuigen zich op zee bevinden;
2° "passagiersschip", een schip dat meer dan 12 passagiers vervoert, waarbij een passagier iedere persoon aan boord is met uitzondering van:
i) de kapitein en de bemanningsleden of andere personen die, in welke hoedanigheid dan ook, in dienst of tewerkgesteld zijn aan boord van een schip ten behoeve van dat schip; en
ii) kinderen beneden de leeftijd van één jaar;
3° "geregelde dienst", een reeks tochten van passagiersschepen ten behoeve van het verkeer tussen dezelfde twee of meer havens, of een reeks reizen van en naar dezelfde haven zonder tussenliggende aanloophavens die plaatsvinden:
i) volgens een gepubliceerde dienstregeling; of
ii) met een zodanige regelmaat of frequentie dat zij een herkenbare regelmatige reeks vormen;
4° "schip op zijn ligplaats", een schip dat veilig afgemeerd of voor anker ligt in een Belgische haven, tijdens het laden, lossen of het fungeren als hotel voor de bemanning (hotelling), met inbegrip van de tijd waarin het schip niet is betrokken bij goederenafhandeling;
5° "emissiereductiemethode": in een schip te installeren uitrustingsstukken, materialen, toestellen of apparaten, of andere procedures, alternatieve brandstoffen of nalevingsmethoden die worden gebruikt als een controleerbaar, kwantificeerbaar en handhaafbaar alternatief voor scheepsbrandstof met een laag zwavelgehalte die voldoet aan de vereisten gesteld in dit hoofdstuk;
6° "Douane": Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen van de Federale Overheidsdienst Financiën;
7° "FAPETRO": het Fonds voor de Analyse van Aardolieproducten;
Art. 3.4.2. Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
1° " combustible marin " : tout combustible liquide dĂ©rivĂ© du pĂ©trole utilisĂ© ou destinĂ© Ă  ĂȘtre utilisĂ© Ă  bord d'un navire, y compris les combustibles dĂ©finis par la norme ISO 8217 ;
Cette définition inclut tout combustible liquide dérivé du pétrole, utilisé à bord d'un bateau de navigation intérieure ou d'un bateau de plaisance, tel que défini par la Directive 97/68/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 1997 sur le rapprochement des législations des Etats membres relatives aux mesures contre les émissions de gaz et de particules polluants provenant des moteurs à combustion interne destinés aux engins mobiles non routiers et par la Directive 94/25/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 juin 1994 concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives des Etats membres relatives aux bateaux de plaisance, lorsque ces bateaux sont en mer ;
2° " navires à passagers " : les navires transportant plus de douze passagers, un passager étant toute personne autre que :
i) le capitaine et les membres d'équipage ou les autres personnes employées ou occupées en quelque qualité que ce soit à bord d'un navire pour les besoins de ce navire ; et
ii) les enfants de moins d'un an ;
3° " services rĂ©guliers " : une sĂ©rie de traversĂ©es effectuĂ©es par un navire Ă  passagers de maniĂšre Ă  assurer un trafic entre les mĂȘmes ports ou une sĂ©rie de voyages Ă  destination et en provenance du mĂȘme port sans escale :
i) suivant un horaire publié ; ou
ii) avec une régularité ou une fréquence assimilable à un horaire ;
4° " navires à quai " : les navires qui sont amarrés ou ancrés en sécurité dans un port belge lors des opérations de chargement et de déchargement ou d'une simple escale, y compris lorsqu'ils ne sont pas engagés dans des opérations de manutention des marchandises ;
5° " méthode de réduction des émissions " : toute installation ou tout matériel, dispositif ou appareil destinés à équiper un navire, ou toute autre procédure, tout combustible de substitution ou toute méthode de mise en conformité utilisés en remplacement de combustibles marins à faible teneur en soufre répondant aux exigences du présent chapitre qui soient vérifiables, quantifiables et applicables ;
6° " Douane " : l'Administration générale des Douanes et Accises du Service public fédéral Finances ;
7° " FAPETRO " : le Fonds d'analyse des produits pétroliers ;
Art. 3.4.3. De bij dit hoofdstuk vastgestelde beperking van het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen is niet van toepassing op:
1° brandstoffen die bestemd zijn voor onderzoek en testen;
2° brandstoffen die worden gebruikt door oorlogsschepen en andere vaartuigen die in militair verband worden gebruikt.
3° het gebruik van brandstoffen in een schip specifiek om de veiligheid van een schip zeker te stellen of om mensenlevens op zee te redden;
4° het gebruik van brandstoffen dat noodzakelijk is geworden ten gevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan, mits na het ontstaan van de schade alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om te hoge emissies te voorkomen of tot een minimum te beperken, en mits er zo spoedig mogelijk maatregelen worden genomen om de schade te herstellen; dit is niet van toepassing wanneer de eigenaar of kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken of roekeloos handelde;
5° brandstoffen die worden gebruikt aan boord van schepen die gebruikmaken van emissiereductiemethoden overeenkomstig de artikelen 3.4.8 en 3.4.9.
Art. 3.4.3. Les valeurs limites de la teneur en soufre fixées par le présent chapitre pour les combustibles marins ne s'appliquent pas aux :
1° combustibles destinĂ©s Ă  ĂȘtre utilisĂ©s Ă  des fins de recherche et d'essais ;
2° combustibles utilisés par les navires de guerre et autres navires affectés à des fins militaires.
3° utilisations de combustibles à bord d'un navire qui sont nécessaires pour assurer la sécurité d'un navire ou pour sauver des vies humaines en mer ;
4° utilisations de combustibles Ă  bord d'un navire rendues nĂ©cessaires par une avarie survenue Ă  ce navire ou Ă  son Ă©quipement, Ă  condition que toutes les prĂ©cautions raisonnables soient prises aprĂšs l'avarie pour empĂȘcher ou rĂ©duire les Ă©missions excĂ©dentaires et que des mesures soient adoptĂ©es dĂšs que possible pour rĂ©parer l'avarie ; cette disposition ne s'applique pas si le propriĂ©taire ou le capitaine a agi soit avec l'intention de provoquer un dommage, soit tĂ©mĂ©rairement ;
5° combustibles utilisés à bord de navires qui emploient des méthodes de réduction des émissions conformément aux articles 3.4.8 et 3.4.9.
Art. 3.4.4. § 1. Scheepsbrandstoffen mogen niet worden gebruikt op de Belgische binnenwateren, de Belgische zeewateren en in de Belgische exclusief economische zone indien het zwavelgehalte van die brandstoffen meer is dan 0,10 in massaprocent.
Dit geldt voor alle schepen van alle vlaggen, met inbegrip van schepen die hun reis buiten België zijn begonnen.
§ 2. Er mogen er geen scheepsbrandstoffen vervoerd worden om gebruikt te worden aan boord van het schip op de Belgische binnenwateren, de Belgische zeewateren en in de Belgische exclusief economische zone waarvan het zwavelgehalte meer is dan 0,50 massaprocent.
§ 3. Onverminderd het bepaalde in paragraaf 4, mogen passagiersschepen op geregelde diensten naar of vanuit een haven van een lidstaat van de Europese Unie, die de Belgische vlag voeren, tot 1 januari 2020 geen scheepsbrandstoffen gebruiken waarvan het zwavelgehalte van die scheepsbrandstoffen meer is dan 1,5 massaprocent.
§ 4. Schepen die de Belgische vlag voeren, mogen geen scheepsbrandstoffen gebruiken waarvan het zwavelgehalte meer bedraagt dan 0,10 massaprocent:
- in het Baltische zeegebied bedoeld in Bijlage VI bij het MARPOL-Verdrag;
- in het beheersgebied met SOx-emissie van de Noordzee;
- voor elk ander zeegebied, inclusief havens, dat door de IMO vervolgens overeenkomstig Bijlage VI bij het MARPOL-Verdrag als beheersgebied voor SOx-emissie wordt aangewezen, twaalf maanden na de inwerkingtreding van die aanwijzing.
§ 5. Schepen die de Belgische vlag voeren, mogen geen scheepsbrandstoffen gebruiken en aan boord hebben om te gebruiken aan boord van het schip waarvan het zwavelgehalte meer bedraagt dan 0,50 massaprocent in gebieden anders dan deze vermeld in paragraaf 4 van dit artikel.
§ 6. Indien de Scheepvaartcontrole vaststelt dat een schip niet voldoet aan de in dit hoofdstuk bepaalde normen voor scheepsbrandstoffen, kan de Scheepvaartcontrole het schip verplichten:
a) verslag te doen van de maatregelen die zijn genomen om aan de bepalingen te voldoen, alsmede;
b) aan te tonen dat gepoogd is scheepsbrandstof die voldoet aan dit hoofdstuk, in overeenstemming met het vaartplan, aan te kopen, en, ingeval die niet beschikbaar was waar gepland, gepoogd is alternatieve verkooppunten te vinden en dat er, ondanks alle pogingen scheepsbrandstof te verkrijgen die voldoet aan dit hoofdstuk, niet zulke scheepsbrandstof voor aankoop beschikbaar was.
Het schip wordt niet verplicht om van zijn voorgenomen reis af te wijken of zijn reis onnodig op te houden om aan dit hoofdstuk te voldoen.
Wanneer het schip de in het eerste lid bedoelde informatie verstrekt, houdt de Scheepvaartcontrole rekening met alle relevant omstandigheden en verstrekte bewijsdocumenten om de gepaste maatregelen te bepalen, waaronder het achterwege laten van controlemaatregelen.
Schepen die de Belgische vlag voeren die geen scheepsbrandstof kunnen kopen die voldoet aan dit hoofdstuk moeten dit melden aan de Scheepvaartcontrole. Schepen die op het Belgisch grondgebied geen scheepsbrandstof kunnen kopen die voldoet aan dit hoofdstuk moeten dit melden aan de Scheepvaartcontrole.
Ingeval een schip aantoont dat er geen scheepsbrandstoffen zijn die aan dit hoofdstuk voldoen, beschikbaar waren, stelt de Scheepvaartcontrole de Europese Commissie daarvan in kennis.
Art. 3.4.4. § 1er. Les combustibles marins ne peuvent pas ĂȘtre utilisĂ©s sur les eaux intĂ©rieures, les eaux maritimes belges et dans la zone Ă©conomique exclusive belge si la teneur en soufre de ces combustibles dĂ©passe 0,10 % en masse.
Cette disposition s'applique à tous les navires quel que soit leur pavillon, y compris aux navires dont le voyage a débuté en dehors de la Belgique.
§ 2. Les combustibles marins ne peuvent pas ĂȘtre transportĂ©s pour utilisation Ă  bord du navire sur les eaux intĂ©rieures, les eaux maritimes belges et dans la zone Ă©conomique exclusive belge si la teneur en soufre dĂ©passe 0,50 % en masse.
§ 3. Sans préjudice des dispositions du paragraphe 4, les navires à passagers assurant des services réguliers à destination ou en provenance de ports d'un Etat membre de l'Union européenne, battant le pavillon belge, ne peuvent pas utiliser des combustibles marins dont la teneur en soufre dépasse 1,5 % en masse jusqu'au 1er janvier 2020.
§ 4. Les navires battant le pavillon belge ne peuvent pas utiliser des combustibles marins dont la teneur en soufre dépasse 0,10 % en masse :
- dans la zone de la mer Baltique visée dans l'annexe VI de la Convention MARPOL ;
- dans la zone de contrÎle des émissions de SOx de la mer du Nord ;
- pour toutes les autres zones maritimes, y compris les ports, que l'OMI désigne ultérieurement comme étant des zones de contrÎle des émissions de SOx conformément à l'annexe VI de la Convention MARPOL, douze mois aprÚs l'entrée en vigueur de cette désignation.
§ 5. Les navires battant le pavillon belge ne peuvent pas utiliser et détenir à bord pour utilisation à bord du navire des combustibles marins dont la teneur en soufre dépasse 0,50 % en masse dans les zones autres que celles indiquées dans le paragraphe 4 du présent article.
§ 6. Si le ContrÎle de la navigation constate qu'un navire ne satisfait pas aux normes applicables aux combustibles marins définies dans le présent chapitre, le ContrÎle de la navigation est habilité à exiger que ce navire :
a) présente un compte rendu des mesures qu'il a prises dans le but de respecter les dispositions ; et
b) fournisse la preuve qu'il a cherché à acheter du combustible marin conforme au présent chapitre, compte tenu de son plan de voyage et que, si ce combustible n'était pas disponible à l'endroit prévu, il a essayé de trouver d'autres sources de combustible marin et que, malgré tous les efforts qu'il a faits pour se procurer du combustible marin conforme au présent chapitre, il n'y en avait pas à acheter.
Le navire n'est pas tenu de s'écarter de la route prévue ni de retarder indûment son voyage afin de satisfaire au présent chapitre.
Si un navire fournit les renseignements indiqués à l'alinéa 1er, le ContrÎle de la navigation prend en compte toutes les circonstances pertinentes et les piÚces justificatives présentées pour décider de la ligne d'action à adopter, y compris ne prendre aucune mesure de contrÎle.
Les navires battant le pavillon belge notifient au ContrĂŽle de la navigation dĂ©signĂ© Ă  cet effet les cas oĂč ils ne peuvent pas acheter de combustible marin conforme au prĂ©sent chapitre. Les navires notifient au ContrĂŽle de la navigation les cas oĂč ils ne peuvent pas acheter sur le territoire belge de combustible marin conforme au prĂ©sent chapitre.
Le ContrĂŽle de la navigation notifie Ă  la Commission europĂ©enne les cas oĂč un navire a prĂ©sentĂ© des piĂšces attestant qu'aucun combustible marin conforme au prĂ©sent chapitre n'Ă©tait disponible.
Art. 3.4.5. Voor schepen die de Belgische vlag voeren is het logboek bedoeld door voorschrift 14, 6, van Bijlage VI bij het MARPOL-Verdrag het scheepsdagboek bedoeld door artikel 2.5.3.7 van het Belgisch Scheepvaartwetboek.
Het scheepslogboek van schepen die de Belgische vlag voeren en van schepen die een Belgische haven binnenlopen moet correct zijn bijgehouden en er moeten ook de overschakelingen op andere brandstof in worden vermeld.
Art. 3.4.5. Pour les navires battant le pavillon belge, le journal de bord visé par la RÚgle 14, 6, de l'annexe VI de la Convention MARPOL est le registre de bord visé par l'article 2.5.3.7 du Code belge de la Navigation.
Les livres de bord des navires battant le pavillon belge et des navires accĂ©dant aux ports belges doivent ĂȘtre correctement tenus, avec indication des opĂ©rations de changement de combustible.
Art. 3.4.6. Schepen mogen op hun ligplaats in Belgische havens geen scheepsbrandstoffen gebruiken met een zwavelgehalte van meer dan 0,1 massaprocent. De bemanning wordt voldoende tijd gegeven om zo spoedig mogelijk na de aankomst op de ligplaats en zo laat mogelijk vóór het vertrek indien nodig om te schakelen van of op andere brandstoffen.
Alle tijdstippen waarop op een andere brandstof wordt omgeschakeld moeten in het scheepslogboek genoteerd worden.
Art. 3.4.6. Les navires à quai dans les ports belges ne peuvent pas utiliser des combustibles marins dont la teneur en soufre dépasse 0,1 % en masse. Il est laissé suffisamment de temps à l'équipage pour procéder à des changements de combustible dÚs que possible aprÚs l'arrivée à quai et le plus tard possible avant le départ.
L'heure Ă  laquelle a Ă©tĂ© effectuĂ©e toute opĂ©ration de changement de combustible doit ĂȘtre inscrite dans les livres de bord des navires.
Art. 3.4.7. Emissiereductiemethoden voor schepen die de Belgische vlag voeren worden goedgekeurd overeenkomstig richtlijn 2014/90/EU.
Emissiereductiemethoden voor schepen die de Belgische vlag voeren en die niet onder het eerste lid vallen worden goedgekeurd overeenkomstig de procedure van artikel 3, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de oprichting van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS).
Art. 3.4.7. Les méthodes de réduction des émissions pour les navires battant le pavillon belge sont approuvées conformément à la directive 2014/90/UE.
Les méthodes de réduction des émissions pour des navires battant le pavillon belge non couvertes par l'alinéa 1er sont approuvées conformément à la procédure visée à l'article 3, paragraphe 2, du RÚglement (CE) n° 2099/2002 du Parlement européen et du Conseil du 5 novembre 2002 instituant un comité pour la sécurité maritime et la prévention de la pollution par les navires (COSS).
Art. 3.4.8. De Scheepvaartcontrole kan zijn goedkeuring hechten aan proefnemingen met scheepsemissiereductiemethoden op schepen die onder de Belgische vlag varen, of in de zeegebieden die onder de Belgische jurisdictie vallen. Tijdens deze proefnemingen is het gebruik van scheepsbrandstoffen die voldoen aan de eisen van de artikels 3.4.4 en 3.4.6 niet verplicht, op voorwaarde dat:
- de Europese Commissie en elke betrokken havenstaat ten minste zes maanden vóór het begin van de proefnemingen daarvan schriftelijk in kennis zijn gesteld;
- alle betrokken schepen uitgerust zijn met fraudebestendige apparatuur voor de continue bewaking van de schoorsteenpijpemissies en deze gedurende de hele proefperiode gebruiken;
- alle betrokken schepen een emissieverlaging realiseren die tenminste gelijkwaardig is met die welke zou zijn bereikt met de in dit hoofdstuk vermelde grenswaarden voor het zwavelgehalte van brandstoffen;
- er adequate afvalbeheerssystemen voorhanden zijn voor de afvalstoffen die in de loop van de hele proefperiode door de emissiereductiemethode worden veroorzaakt;
- de effecten op het mariene milieu, en met name de ecosystemen van omsloten havens, havenbekkens en riviermondingen, gedurende de hele proefperiode worden geanalyseerd; en
- de volledige resultaten aan de Europese Commissie worden overgelegd en binnen zes maanden na het einde van de proefnemingen algemeen bekend worden gemaakt.
De looptijd van de vergunningen voor de proefnemingen mag niet meer dan achttien maanden bedragen.
Art. 3.4.8. Le ContrÎle de la navigation peut approuver des essais de méthodes de réduction des émissions à bord des navires battant le pavillon belge ou dans les zones maritimes relevant de la juridiction belge. Au cours de ces essais, l'utilisation de combustibles marins répondant aux exigences des articles 3.4.4 et 3.4.6 n'est pas obligatoire, à condition que :
- la Commission européenne et l'Etat du port concerné soient prévenus par écrit au moins six mois avant le début des essais ;
- tous les navires concernés installent des équipements inviolables pour la surveillance continue des émissions de gaz de cheminée et les utilisent tout au long de la période d'essai ;
- tous les navires concernés obtiennent des réductions des émissions qui soient au moins équivalentes à celles qui seraient obtenues en appliquant les valeurs limites de teneur en soufre des combustibles spécifiées dans le présent chapitre ;
- des systÚmes adéquats de gestion des déchets soient mis en place pour tous les déchets produits par les méthodes de réduction des émissions tout au long de la période d'essai ;
- il y ait une évaluation des incidences sur le milieu marin, en particulier les écosystÚmes dans les ports et estuaires clos, tout au long de la période d'essai ; et
- l'intégralité des résultats soient transmis à la Commission européenne et rendus publics dans un délai de six mois à compter de la fin des essais.
Les autorisations concernant les essais ne peuvent pas avoir une durée supérieure à dix-huit mois.
Art. 3.4.9. Als alternatief voor het gebruik van scheepsbrandstoffen die voldoen aan de artikelen 3.4.4 en 3.4.6 mogen schepen op de Belgische binnenwateren, de Belgische zeewateren en in de Belgische exclusief economische zone emissiereductiemethoden gebruiken, op voorwaarde dat deze schepen continu een reductie van zwaveldioxide-emissies realiseren die ten minste equivalent zijn met de reducties die zouden gerealiseerd worden door het gebruik van scheepsbrandstoffen die voldoen aan de artikelen 3.4.4 en 3.4.6. De equivalente emissiewaarden worden vastgesteld in overeenstemming met bijlage 3.
De in het eerste lid bedoelde emissiereductiemethoden moeten voldoen aan de criteria opgenomen in bijlage 4.
Art. 3.4.9. En remplacement de l'utilisation de combustibles marins remplissant les conditions prévues par les articles 3.4.4 et 3.4.6, les navires peuvent avoir recours aux méthodes de réduction des émissions sur les eaux intérieures, les eaux maritimes belges et dans la zone économique exclusive belge, à condition que ces navires réalisent en permanence des réductions des émissions de dioxyde de soufre au moins équivalentes à celles qu'ils auraient obtenues en utilisant des combustibles marins répondant aux exigences énoncées aux articles 3.4.4 et 3.4.6. Les valeurs d'émission équivalentes sont déterminées conformément à l'annexe 3.
Les méthodes de réduction des émissions visées à l'alinéa 1er répondent aux critÚres visés à l'annexe 4.
Art. 3.4.10. § 1. De Scheepvaartcontrole controleert of het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen voldoet aan de bepalingen van de artikelen 3.4.4, 3.4.6 en 3.4.14, derde lid.
§ 2. De Douane en FAPETRO kunnen eveneens controles uitvoeren overeenkomstig paragraaf 1. Zij bezorgen de resultaten van de analyse aan de Scheepvaartcontrole.
§ 3. Elk van de volgende wijzen van monsterneming, analyse en inspectie wordt gebruikt, naargelang van de omstandigheden:
- monsterneming en analyse van het zwavelgehalte van scheepsbrandstof voor verbranding aan boord in tanks, voor zover uitvoerbaar, en in verzegelde brandstofmonsters, bedoeld door artikel 3.4.14, aan boord van schepen;
- inspectie van het scheepslogboek en van de brandstofleveringsnota's bedoeld door artikel 3.4.14.
§ 4. Voldoende monsters worden genomen op gezette tijden en frequent genoeg, minstens zoals vastgelegd door de Europese commissie in de uitvoeringshandeling vastgesteld met betrekking tot artikel 6, 1ter, a) van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG zo dat zij representatief zijn voor de brandstof die door Belgische schepen of schepen op de Belgische binnenwateren, de Belgische zeewateren en de Belgische exclusief economische zone wordt gebruikt. De monsters worden zonder onnodige vertraging geanalyseerd.
Art. 3.4.10. § 1er. Le ContrÎle de la navigation vérifie si la teneur en soufre des combustibles marins est conforme aux dispositions des articles 3.4.4, 3.4.6 et 3.4.14, alinéa 3.
§ 2. La Douane et FAPETRO peuvent également effectuer des contrÎles conformément au paragraphe 1er. Ils transmettent les résultats des analyses au ContrÎle de la navigation.
§ 3. Chacune des méthodes suivantes d'échantillonnage, d'analyse et d'inspection est utilisée en tant que de besoin :
- Ă©chantillonnage et analyse de la teneur en soufre du combustible marin destinĂ© Ă  ĂȘtre utilisĂ© Ă  bord et contenu dans les citernes, lorsque cela est possible, et dans les Ă©chantillons de soute scellĂ©s, visĂ©s par l'article 3.4.14, Ă  bord des navires ;
- inspections du livre de bord des navires et des notes de livraison de soutes visées par l'article 3.4.14.
§ 4. Les prélÚvements sont effectués périodiquement avec une fréquence et en quantités appropriées, au moins comme stipulé par la Commission européenne dans l'acte d'exécution concernant l'article 6, 1ter, a) de la Directive 1999/32/CE du Conseil du 26 avril 1999 concernant une réduction de la teneur en soufre de certains combustibles liquides et modifiant la Directive 93/12/CEE, et selon des méthodes telles que les échantillons soient représentatifs du combustible utilisé par les navires belges et les navires sur les eaux intérieures, les eaux maritimes belges et dans la zone économique exclusive belge. Les échantillons sont analysés sans retard.
Art. 3.4.11. Op basis van de resultaten van de overeenkomstig artikel 3.4.10 verrichte monsterneming, analyse en inspectie dient de Scheepvaartcontrole uiterlijk op 30 juni van elk jaar bij de Europese Commissie een verslag in over de naleving van de in dit hoofdstuk vastgestelde zwavelnormen gedurende het voorgaande kalenderjaar.
Art. 3.4.11. Chaque année, le 30 juin au plus tard, sur la base des résultats de l'échantillonnage, de l'analyse et des inspections effectués conformément à l'article 3.4.10, le ContrÎle de la navigation présente à la Commission européenne un rapport concernant le respect des normes relatives au soufre énoncées dans le présent chapitre au cours de l'année civile précédente.
Art. 3.4.12. De referentiemethode voor de bepaling van het zwavelgehalte is ISO-methode 8754 (2003) of PrEN ISO 14596 (2007).
Om te bepalen of de scheepsbrandstof voldoet aan de zwavelgrenswaarden als voorgeschreven door de artikelen 3.4.4, 3.4.6 en 3.4.14, derde lid, wordt de brandstofcontroleprocedure vastgelegd in aanhangsel VI van Bijlage VI bij het MARPOL-Verdrag gebruikt.
Art. 3.4.12. La méthode de référence adoptée pour la détermination de la teneur en soufre est la méthode ISO 8754 (2003) ou PrEN ISO 14596 (2007).
Afin de déterminer si le combustible marin respecte les valeurs limites de teneur en soufre énoncées aux articles 3.4.4, 3.4.6 et 3.4.14, alinéa 3, la procédure de vérification du combustible établie à l'annexe VI, appendice VI, de la convention MARPOL est utilisée.
Art. 3.4.13. De daartoe aangestelde dienst van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie houdt een register bij van de leveranciers van scheepsbrandstoffen die aan boord van schepen wordt gebruikt.
De Minister bevoegd voor Economie regelt het beheer van het in het eerste lid bedoelde register.
Art. 3.4.13. Le service du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie désigné à cet effet tient un registre des fournisseurs de combustibles marins utilisés à bord des navires.
Le Ministre qui a l'Economie dans ses attributions rÚgle la gestion du registre visé à l'alinéa 1er.
Art. 3.4.14. De leveranciers die in België brandstofolie leveren die wordt gebruikt aan boord van schepen moeten de brandstofleveringsnota en het monster overleggen, bedoeld in voorschrift 18 van Bijlage VI bij het MARPOL-Verdrag, gewaarmerkt door de brandstofolieleverancier dat de brandstofolie voldoet aan de vereisten van de voorschriften 14 en 18 van Bijlage VI bij het MARPOL-Verdrag.
De in het eerste lid bedoelde leveranciers moeten een afschrift van de brandstofleveringsnota bewaren gedurende ten minste drie jaar voor inspectie en verificatie.
De leveranciers die in België brandstofolie leveren die wordt gebruikt aan boord van schepen zijn ervoor verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat de geleverde scheepsbrandstof geen hogere zwavelgrenswaarde heeft als vermeld in de brandstofleveringsnota.
De Scheepvaartcontrole informeert de autoriteiten van de vlaggenstaat over elk schip dat brandstofolie ontvangt die niet blijkt te voldoen aan de vereisten van voorschrift 14 of 18 van Bijlage VI bij het MARPOL-Verdrag.
De Scheepvaartcontrole informeert de IMO ter mededeling aan de Partijen bij het MARPOL-Verdrag over alle gevallen waarin brandstofolieleveranciers niet hebben voldaan aan de vereisten vermeld in voorschrift 14 of 18 van Bijlage VI bij het MARPOL-Verdrag.
De Scheepvaartcontrole, de Douane en het FAPETRO kunnen stalen nemen in de tanks van het schip, tijdens de levering van brandstofolie aan een schip en in de schepen of andere middelen die worden ingezet voor de levering van brandstofolie aan een schip.
Art. 3.4.14. Les fournisseurs qui fournissent en Belgique du fuel-oil utilisé à bord des navires doivent établir la note de livraison de soutes et fournissent un échantillon, visés à la rÚgle 18 de l'annexe VI de la Convention MARPOL, le fournisseur du fuel-oil attestant que le fuel-oil satisfait aux prescriptions des rÚgles 14 et 18 de l'annexe VI de la Convention MARPOL.
Les fournisseurs visés à l'alinéa 1er doivent conserver une copie de la note de livraison de soutes pendant trois ans au moins aux fins d'inspection et de vérification.
Les fournisseurs qui fournissent en Belgique du fuel-oil utilisé à bord des navires doivent veiller à ce que le combustible marin livré n'ait pas une valeur limite de teneur en soufre plus élevée que celle indiquée dans la note de livraison de soutes.
Le ContrĂŽle de la navigation informe les autoritĂ©s de l'Etat du pavillon de tout cas oĂč un navire a reçu du fuel-oil qui s'est avĂ©rĂ© ne pas satisfaire aux prescriptions de la rĂšgle 14 ou de la rĂšgle 18 de l'annexe VI de la Convention MARPOL.
Le ContrĂŽle de la navigation informe l'OMI, pour communication aux Parties Ă  la Convention MARPOL, de tous les cas oĂč des fournisseurs de fuel-oil n'ont pas satisfait aux prescriptions spĂ©cifiĂ©es dans la rĂšgle 14 ou la rĂšgle 18 de l'annexe VI de la Convention MARPOL.
Le ContrÎle de la navigation, la Douane et FAPETRO peuvent prélever des échantillons dans les citernes du navire, pendant la livraison de fuel-oil à un navire et dans les navires ou autres moyens utilisés pour la livraison de fuel-oil à un navire.
Art.3.4.15. [1 Voor de analyse van monsters van brandstof die gebruikt wordt en brandstof die aan boord is om te gebruiken aan boord van het schip wordt de verificatieprocedure zoals bedoeld in voorschrift 14 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag gevolgd om vast te stellen of de brandstof die gebruikt wordt of die aan boord is om gebruikt te worden aan boord van het schip voldoet aan de bepalingen van voorschrift 14.1 of voorschrift 14.4 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.
Het monster van de brandstof die gebruikt wordt en het monster van de brandstof die aan boord is om gebruikt te worden aan boord van het schip worden genomen rekening houdend met de richtsnoeren van de IMO.
Het monster wordt verzegeld door de Scheepvaartcontrole in overeenstemming met voorschrift 14.9 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.
Het schip heeft de mogelijkheid om een duplicaat van het monster bij te houden.]1

Art.3.4.15. [1 Pour l'analyse d'Ă©chantillons du combustible utilisĂ© et du combustible transportĂ© en vue d'ĂȘtre utilisĂ© Ă  bord du navire, la procĂ©dure de vĂ©rification visĂ©e Ă  la rĂšgle 14 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL est suivie afin de dĂ©terminer si le combustible utilisĂ© ou transportĂ© en vue d'ĂȘtre utilisĂ© Ă  bord du navire est conforme aux dispositions de la rĂšgle 14.1 ou de la rĂšgle 14.4 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.
L'Ă©chantillon du combustible utilisĂ© et l'Ă©chantillon du combustible transportĂ© en vue d'ĂȘtre utilisĂ© Ă  bord du navire sont prĂ©levĂ©s compte tenu des directives Ă©laborĂ©es par l'OMI.
L'échantillon est scellé par le ContrÎle de la navigation conformément à la rÚgle 14.9 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.
Le navire a la possibilité de conserver un double de l'échantillon.]1

Art.3.4.16. [1 § 1. Op elk schip dat onder voorschrift 5 en 6 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag valt, moeten bemonsteringspunt(en) gemonteerd of aangewezen worden om representatieve monsters van de brandstof die wordt gebruikt aan boord van het schip te nemen, rekening houdend met de richtlijnen van de IMO.
§ 2. Voor elk schip gebouwd voor 1 april 2022 worden het bemonsteringspunt of de bemonsteringspunten zoals bedoeld in paragraaf 1 niet later dan de eerste herschouwing zoals bedoeld in voorschrift 5.1.2 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag op of na 1 April 2023 gemonteerd of bestemd.
§ 3. De bepalingen van paragraaf 1 en 2 zijn niet van toepassing op een stookolieservicesysteem voor een brandstof met een laag vlampunt voor verbrandingsdoeleinden voor voortstuwing of exploitatie aan boord van een schip.
§ 4. De Scheepvaartcontrole gebruikt, zoals gepast, het bemonsteringspunt of de bemonsteringspunten die gemonteerd of bestemd zijn om een representatief staal of representatieve stalen te nemen van de brandstof die wordt gebruikt aan boord om te verifiëren dat de brandstof voldoet aan de bepalingen in dit hoofdstuk, in het bijzonder artikel 3.4.4. Het nemen van brandstofstalen door de Scheepvaartcontrole moet zo snel mogelijk worden uitgevoerd zonder dat het schip onnodige vertraging oploopt.]1

Art.3.4.16. [1 § 1er. Pour chaque navire visĂ© par les rĂšgles 5 et 6 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL, un ou plusieurs points d'Ă©chantillonnage doivent ĂȘtre installĂ©s ou dĂ©signĂ©s en vue de prĂ©lever des Ă©chantillons reprĂ©sentatifs du combustible utilisĂ© Ă  bord du navire, compte tenu des directives Ă©laborĂ©es par l'OMI.
§ 2. Pour chaque navire construit avant le 1er avril 2022, les points d'Ă©chantillonnage mentionnĂ©s au paragraphe 1er doivent ĂȘtre installĂ©s ou dĂ©signĂ©s au plus tard Ă  la date de la premiĂšre visite de renouvellement visĂ©e Ă  la rĂšgle 5.1.2 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL, qui intervient le 1er avril 2023 ou aprĂšs cette date
§ 3. Les prescriptions des paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent pas aux circuits de distribution du fuel-oil qui est un combustible Ă  faible point d'Ă©clair destinĂ© Ă  ĂȘtre utilisĂ© pour la propulsion ou l'exploitation du navire.
§ 4. Le ContrĂŽle de la navigation doit utiliser, selon qu'il convient, le ou les points d'Ă©chantillonnage installĂ©s ou dĂ©signĂ©s en vue de prĂ©lever un ou plusieurs Ă©chantillons reprĂ©sentatifs du combustible utilisĂ© Ă  bord pour vĂ©rifier que ce combustible satisfait aux prescriptions du prĂ©sent chapitre, notamment l'article 3.4.4. Le prĂ©lĂšvement d'Ă©chantillons de combustible par le ContrĂŽle de la navigation doit ĂȘtre effectuĂ© le plus rapidement possible et ne doit pas causer de retard excessif au navire.]1

Art.3.4.17. [1 De artikelen 3.4.15 en 3.4.16 zijn zowel van toepassing op Belgische schepen als vreemde schepen die zich in de Belgische maritieme zones bevinden.]1
Art.3.4.17. [1 Les articles 3.4.15 et 3.4.16 s'appliquent aussi bien aux navires belges qu'aux navires étrangers qui se trouvent dans les zones maritimes belges.]1
HOOFDSTUK 5. - Broeikasgassen
CHAPITRE 5. - Gaz Ă  effet de serre
Afdeling 1. [1 - Algemeen.]1
Section 1er. [1 - Généralités.]1
Art. 3.5.1. [1 § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen met een brutotonnenmaat van 400 of meer.
§ 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
1° Belgische schepen die uitsluitend varen in de wateren onder de Belgische jurisdictie.
2° schepen die niet mechanisch worden voortgestuwd en platformen, met inbegrip van drijvende opslageenheden (FSU's) en drijvende productie-, opslag- en loseenheden (FPSO's) en boorplatformen, ongeacht hun voortstuwing.
§ 3. De minister kan maatregelen nemen voor Belgische schepen zoals bedoeld in paragraaf 2, 1°.]1

Art. 3.5.1. [1 § 1er. Le présent chapitre s'applique aux navires d'une jauge brute égale ou supérieure à 400.
§ 2. Le présent chapitre ne s'applique pas :
1° aux navires belges effectuant uniquement des voyages dans les eaux relevant de la juridiction belge.
2° aux navires qui ne sont pas propulsés par des moyens mécaniques et aux plateformes, y compris les unités flottantes de stockage (FSU) et unités flottantes de production, de stockage et de déchargement (FPSO) et les installations de forage, quelle que soit leur propulsion.
§ 3. Le ministre peut déterminer les mesures pour les navires belges visé au paragraphe 2, 1°.]1

Art. 3.5.2. [1 De afdelingen 2, 3, 4 en 5 van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op schepen met niet-conventionele voortstuwing. De afdelingen 2 en 4 van dit hoofdstuk zijn wel van toepassing op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en LNG-tanker met conventionele of niet-conventionele voortstuwing, opgeleverd op of na 1 september 2019, zoals gedefinieerd in voorschrift 2.2.1 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag. Afdeling 3 en afdeling 5 zijn van toepassing op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en LNG-tankers met conventionele of niet-conventionele voortstuwing. De afdelingen 2, 3, 4, 5 en 8 van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op schepen van categorie A zoals gedefinieerd in de Polar Code.
§ 2. Indien de Scheepvaartcontrole de toepassing van voorschrift 19.4 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag toestaat, of de toepassing ervan schorst, intrekt of weigert voor een schip dat de Belgische vlag voert, communiceert de Scheepvaartcontrole dit onverwijld aan de IMO in overeenstemming met voorschrift 19.6 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.]1

Art. 3.5.2. [1 Les sections 2, 3, 4 et 5 du présent chapitre ne s'appliquent pas aux navires équipés de systÚmes de propulsion non classiques. Toutefois, les sections 2 et 4 du présent chapitre s'appliquent aux navires de croisiÚre équipés de systÚmes de propulsion non classiques et aux transporteurs de GNL équipés de systÚmes de propulsion classiques ou non classiques qui sont livrés le 1er septembre 2019 ou aprÚs cette date, tels qu'ils sont définis dans la rÚgle 2.2.1 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL. Les sections 3 et 5 s'appliquent aux navires de croisiÚre équipés de systÚmes de propulsion non classiques et aux transporteurs de GNL équipés de systÚmes de propulsion classiques ou non classiques. Les sections 2, 3, 4, 5 et 8 du présent chapitre ne s'appliquent pas aux navires de la catégorie A tels que définis dans le Recueil sur la navigation polaire.
§ 2. Si le ContrÎle de la navigation accepte que la rÚgle 19.4 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL soit appliquée, ou en suspend, en cesse ou en refuse l'application, à un navire battant pavillon belge, il doit immédiatement le communiquer à l'OMI conformément à la rÚgle 19.6 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.]1

Art.3.5.3. [1 Om het doel van voorschrift 20 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag te verwezenlijken, moet een schip waarop dit hoofdstuk op van toepassing is, voldoen aan de functionele vereisten van voorschrift 21 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag om zijn koolstofintensiteit te reduceren.]1
Art.3.5.3. [1 Pour atteindre l'objectif énoncé dans la rÚgle 20 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL, un navire auquel le présent chapitre s'applique doit satisfaire aux prescriptions fonctionnelles de la rÚgle 21 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL pour réduire son intensité carbone.]1
Afdeling 2. [1 - Bereikte ontwerpindex voor energie-efficiëntie (Bereikte EEDI).]1
Section 2. [1 - Indice nominal de rendement énergétique obtenu (EEDI obtenu).]1
Art.3.5.4. [1 Elk schip zoals bedoeld in voorschrift 22 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag moet voldoen aan de bereikte ontwerpindex voor energie-efficiëntie (Bereikte EEDI) in overeenstemming met voorschrift 22 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.]1
Art.3.5.4. [1 Chaque navire visé à la rÚgle 22 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL doit satisfaire à l'indice nominal de rendement énergétique obtenu (EEDI obtenu) conformément à la rÚgle 22 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.]1
Afdeling 3. [1 - Bereikte index voor energie-efficiëntie voor bestaande schepen (EEXI).]1
Section 3. [1 - Indice de rendement énergétique des navires existants obtenu (EEXI).]1
Art.3.5.5. [1 Elk schip zoals bedoeld in voorschrift 23 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag moet voldoen aan de bereikte index voor energie-efficiëntie voor bestaande schepen (EEXI) in overeenstemming met voorschrift 23 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.]1
Art.3.5.5. [1 Chaque navire visé à la rÚgle 23 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL doit satisfaire à l'indice de rendement énergétique des navires existants obtenu (EEXI) conformément à la rÚgle 23 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.]1
Afdeling 4. [1 - Vereiste EEDI.]1
Section 4. [1 - EEDI requis.]1
Art.3.5.6. [1 Elk schip zoals bedoeld in voorschrift 24 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag moet voldoen aan de vereiste ontwerpindex voor energie-efficiëntie (Vereiste EEDI) in overeenstemming met voorschrift 24 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.]1
Art.3.5.6. [1 Chaque navire visé à la rÚgle 24 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL doit satisfaire à l'indice nominal de rendement énergétique requis (EEDIrequis) conformément à la rÚgle 24 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.]1
Afdeling 5. [1 - Vereiste EEXI]1
Section 5. [1 - EEXI requis.]1
Art.3.5.7. [1 Elk schip zoals bedoeld in voorschrift 25 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag moet voldoen aan de vereiste index voor energie-efficiëntie (Vereiste EEXI) in overeenstemming met voorschrift 25 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.]1
Art.3.5.7. [1 Chaque navire visé à la rÚgle 25 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL doit satisfaire à l'indice de rendement énergétique requis (EEXIrequis) conformément à la rÚgle 25 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.]1
Afdeling 6. [1 - Energie-efficiëntiemanagementplan van het schip (SEEMP).]1
Section 6. [1 - Plan de gestion du rendement énergétique du navire (SEEMP).]1
Art.3.5.8. [1 § 1. Elk schip moet een energie-efficiëntiemanagementplan van het schip (SEEMP) aan boord hebben in overeenstemming met voorschrift 26 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.]1
Art.3.5.8. [1 § 1er. Chaque navire doit avoir à bord un plan de gestion du rendement énergétique du navire (SEEMP), conformément à la rÚgle 26 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.]1
Afdeling 7. [1 - Verzamelen en rapporteren van gegevens over het brandstofolieverbruik van schepen.]1
Section 7. [1 - Collecte et notification des données relatives à la consommation de combustible du navire]1
Art.3.5.9. [1 Elk schip met een brutotonnenmaat van 5.000 of meer moet de gegevens zoals gespecificeerd in Appendix IX van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag verzamelen, rapporteren en desgevallend overmaken in overeenstemming met de methodologie van het SEEMP en voorschrift 27 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.]1
Art.3.5.9. [1 Chaque navire d'une jauge brute égale ou supérieure à 5 000 doit recueillir, notifier et, le cas échéant, transférer les données spécifiées à l'Appendice IX de l'Annexe VI de la Convention MARPOL, conformément à la méthode décrite dans le SEEMP et à la rÚgle 27 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.]1
Art.3.5.10. [1 § 1. De gegevens worden geverifieerd in overeenstemming met de procedures van de Scheepvaartcontrole of de daartoe gemachtigde erkende organisatie in overeenstemming met voorschrift 27 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.
§ 2. De Scheepvaartcontrole of de daartoe gemachtigde erkende organisatie maakt de gerapporteerde gegevens zoals vermeld in Appendix IX van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag van schepen met een brutotonnenmaat van 5.000 of meer over aan de IMO in overeenstemming met voorschrift 27 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.]1

Art.3.5.10. [1 § 1er. Les données sont vérifiées conformément aux procédures établies par le ContrÎle de la navigation ou l'organisme agréé habilité à cet effet conformément à la rÚgle 27 de de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.
§ 2. Le ContrÎle de la navigation ou l'organisme agréé habilité à cet effet transmet à l'OMI les données indiquées à l'Appendice IX de l'Annexe VI de la Convention MARPOL qui lui ont été notifiées par les navires d'une jauge brute égale ou supérieure à 5 000, conformément à la rÚgle 27 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.]1

Afdeling 8. [1 - Operationele koolstofintensiteit.]1
Section 8. [1 - Intensité carbone opérationnelle.]1
Onderafdeling 1. [1 - Bereikte jaarlijkse operationele indicator voor koolstofintensiteit (bereikte jaarlijkse operationele CII)]1
Sous-section 1re. [1 - Indicateur d'intensité carbone (CII) opérationnel annuel obtenu]1
Art.3.5.11. [1 § 1. Na het einde van kalenderjaar 2023 en na het einde van elk volgend kalenderjaar moeten schepen zoals bedoeld in voorschrift 28.1 van Bijlage VI van het MARPOL-verdrag hun bereikte jaarlijkse operationele indicator voor koolstofintensiteit (bereikte jaarlijkse operationele CII) berekenen over een periode van 12 maanden vanaf 1 januari tot en met 31 december van het voorgaande kalenderjaar. Zij gebruiken hiervoor de gegevens verzameld in overeenstemming met afdeling 7 van dit besluit en voorschrift 27 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.
§ 2. Binnen de drie maanden na het einde van elk kalenderjaar rapporteert elk schip zoals bedoeld in paragraaf 1 aan de Scheepvaartcontrole of de daartoe gemachtigde erkende organisatie de bereikte jaarlijkse operationele CII in overeenstemming met voorschrift 28 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.
§ 3. In het geval een schip na 1 januari 2023 wordt overgedragen zoals bedoeld in voorschrift 27.4, 27.5 of 27.6 wordt de procedure voorzien in voorschrift 28.3 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag gevolgd.]1

Art.3.5.11. [1 § 1er. AprĂšs la fin de l'annĂ©e civile 2023 et aprĂšs la fin de chaque annĂ©e civile suivante, les navires visĂ©s Ă  la rĂšgle 28.1 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL doivent calculer l'indicateur d'intensitĂ© carbone (CII) opĂ©rationnel annuel obtenu sur une pĂ©riode de 12 mois allant du 1er janvier au 31 dĂ©cembre de l'annĂ©e civile prĂ©cĂ©dente, en utilisant les donnĂ©es recueillies conformĂ©ment Ă  la section 7 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et Ă  la rĂšgle 27 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.
§ 2. Dans les trois mois qui suivent la fin de chaque année civile, chaque navire visé au paragraphe 1er doit notifier au ContrÎle de la navigation ou à l'organisme agréé habilité à cet effet le CII opérationnel annuel obtenu, conformément à la rÚgle 28 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.
§ 3. En cas de transfert d'un navire visĂ© Ă  la rĂšgle 27.4, 27.5 ou 27.6 effectuĂ© aprĂšs le 1er janvier 2023, la procĂ©dure prĂ©vue Ă  la rĂšgle 28.3 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL doit ĂȘtre suivie.]1

Onderafdeling 2. [1 - Vereiste jaarlijkse operationele indicator voor koolstofintensiteit (vereiste jaarlijkse operationele CII).]1
Sous-section 2. [1 - Indicateur d'intensité carbone (CII) opérationnel annuel requis]1
Art.3.5.12. [1 Schepen zoals bedoeld in voorschrift 28.4 van Bijlage VI van het MARPOL-verdrag voldoen aan de vereiste jaarlijkse operationele indicator voor koolstofintensiteit (vereiste jaarlijkse operationele CII) in overeenstemming met voorschrift 28.4 van Bijlage VI van het MARPOL-verdrag.]1
Art.3.5.12. [1 Les navires visés à la rÚgle 28.4 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL doivent satisfaire à l'indicateur d'intensité carbone (CII) opérationnel annuel requis, conformément à la rÚgle 28.4 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.]1
Onderafdeling 3. [1 - Operationele rating voor koolstofintensiteit]1
Sous-section 3. [1 - Notation de l'intensité carbone opérationnelle]1
Art.3.5.13. [1 De bereikte jaarlijkse operationele CII wordt gedocumenteerd en geverifieerd door de Scheepvaartcontrole of de daartoe gemachtigde erkende organisatie ten opzichte van de vereiste jaarlijkse operationele CII om een rating te bepalen in overeenstemming met voorschrift 28.6 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.]1
Art.3.5.13. [1 Le CII opĂ©rationnel annuel obtenu doit ĂȘtre documentĂ© et vĂ©rifiĂ© par rapport au CII opĂ©rationnel annuel requis par le ContrĂŽle de la navigation ou l'organisme agréé habilitĂ© Ă  cet effet afin que soit dĂ©terminĂ©e une note conformĂ©ment Ă  la rĂšgle 28.6 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.]1
Art.3.5.14. [1 § 1. Een schip met rating D gedurende drie opeenvolgende jaren of met rating E, moet een plan van corrigerende maatregelen ontwikkelen om de vereiste jaarlijkse operationele CII te bereiken.
§ 2. Het SEEMP wordt herzien en overgemaakt aan de Scheepvaartcontrole of de daartoe gemachtigde erkende organisatie in overeenstemming met voorschrift 28.8 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.
§ 3. Een schip met rating D gedurende drie opeenvolgende jaren of met rating E, moet naar behoren de geplande corrigerende maatregelen uitvoeren in overeenstemming met het herziene SEEMP.]1

Art.3.5.14. [1 § 1er. Un navire ayant obtenu la note D pendant trois années consécutives ou ayant obtenu la note E doit élaborer un plan de mesures correctives pour parvenir au CII opérationnel annuel requis.
§ 2. Le SEEMP est révisé et soumis au ContrÎle de la navigation ou à l'organisme agréé habilité à cet effet conformément à la rÚgle 28.8 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.
§ 3. Un navire ayant obtenu la note D pendant trois années consécutives ou ayant obtenu la note E doit dûment mettre en oeuvre les mesures correctives prévues conformément au SEEMP révisé.]1

HOOFDSTUK 6. [1 - Stikstofoxiden (NOx) ]1
CHAPITRE 6. [1 Oxydes d'azote (NOx) ]1
Art. 3.6.1. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op:
1° elke scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW geïnstalleerd op een schip; en
2° elke scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die een belangrijke verbouwing zoals bedoeld in voorschrift 13.2.1 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag ondergaat op of na 1 januari 2000 behalve wanneer is aangetoond tot tevredenheid van de Scheepvaartcontrole dat zulke motor een identieke vervanging is van de motor die vervangen wordt en die anders niet onder punt 1° valt.
§ 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
1° een scheepsdieselmotor die uitsluitend bedoeld is om te gebruiken voor noodgevallen, of uitsluitend voor het aandrijven van een apparaat of uitrusting die uitsluitend bedoeld is voor noodgevallen op het schip waarop het is geïnstalleerd, of een scheepsdieselmotor die is geïnstalleerd in reddingsboten die uitsluitend zijn bedoeld voor noodgevallen; en
2° een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een Belgisch schip dat uitsluitend wordt ingezet op reizen binnen de Belgische wateren op voorwaarde dat zulke motor onder een alternatieve NOx controlemaatregel opgesteld door de Scheepvaartcontrole valt. ]1

Art. 3.6.1. [1 § 1. Ce chapitre s'applique :
1° à chaque moteur diesel marin d'une puissance de sortie supérieure à 130 kW installé à bord d'un navire ; et
2° à chaque moteur diesel marin d'une puissance de sortie supérieure à 130 kW qui subit une transformation importante telle que visée à la rÚgle 13.2.1 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL le 1er janvier 2000 ou aprÚs cette date, sauf s'il a été démontré à la satisfaction du ContrÎle de la navigation que ce moteur est identique à celui qu'il remplace et n'est pas visé par les dispositions du 1°.
§ 2. Le présent chapitre ne s'applique pas :
1° aux moteurs diesel marins destinĂ©s Ă  ĂȘtre utilisĂ©s uniquement en cas d'urgence ou uniquement pour faire fonctionner un dispositif ou un matĂ©riel destinĂ© Ă  ĂȘtre utilisĂ© uniquement en cas d'urgence Ă  bord du navire sur lequel il est installĂ©, ni aux moteurs diesel marins installĂ©s Ă  bord d'embarcations de sauvetage destinĂ©es Ă  ĂȘtre utilisĂ©es uniquement en cas d'urgence; ni
2° aux moteurs diesel marins installés à bord d'un navire belge qui effectue uniquement des voyages dans les eaux belges, sous réserve que le moteur en question fasse l'objet d'une autre mesure de contrÎle des NOx établie par le ContrÎle de la navigation. ]1

Art. 3.6.2. [1 Voor een belangrijke verbouwing zoals bedoeld in voorschrift 13.2.1 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag waarbij een vervanging van een scheepsdieselmotor met een niet-identieke scheepsdieselmotor werd vervangen, of de installatie van een bijkomende scheepsdieselmotor, zijn de normen van voorschrift 13 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag die in werking zijn op het moment van de vervanging of bijkomende installatie van de motor van toepassing. Uitsluitend in het geval van een vervangingsmotor, indien het niet mogelijk is voor zulke vervangingsmotor om aan de normen van voorschrift 13.5.1.1 (Tier III, indien van toepassing) van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag te voldoen, dan moet de vervangingsmotor voldoen aan voorschrift 13.4 (Tier II) van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag, rekening houdend met de door IMO opgestelde richtsnoeren.
§ 2. Een scheepsdieselmotor zoals bedoeld in voorschrift 13.2.1.1 of 13.2.1.3 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag moet voldoen aan de normen van voorschrift 13.2.3 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag. ]1

Art. 3.6.2. [1 § 1. Dans le cas d'une transformation importante telle que visée à la rÚgle 13.2.1 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL impliquant le remplacement d'un moteur diesel marin par un moteur diesel marin non identique ou l'installation d'un moteur diesel marin supplémentaire, les normes de la rÚgle 13 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL qui sont en vigueur au moment du remplacement du moteur ou de l'ajout d'un moteur s'appliquent. Uniquement dans le cas du remplacement d'un moteur, s'il n'est pas possible pour le moteur de remplacement de satisfaire aux normes énoncées à la rÚgle 13.5.1.1 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL (Niveau III, le cas échéant), ce moteur de remplacement doit satisfaire aux normes énoncées à la rÚgle 13.4 (Niveau II) de l'Annexe VI de la Convention MARPOL (niveau II), compte tenu des directives élaborées par l'OMI.
§ 2. Un moteur diesel marin telle que visé à la rÚgle 13.2.1.1 ou 13.2.1.3 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL doit satisfaire aux normes de la rÚgle 13.2.3 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL. ]1

Art. 3.6.3. [1 § 1. Het gebruik van dieselmotoren aan boord van schepen is verboden tenzij:
1° de emissienormen lager liggen dan deze vermeld in 13.7 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag voor schepen gebouwd voor 1 januari 2000;
2° de emissienormen lager liggen dan deze vermeld in voorschrift 13.3 (Tier I) van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag voor schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 en voor 1 januari 2011;
3° de emissienormen lager liggen dan deze vermeld in voorschrift 13.4 (Tier II) van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag voor schepen gebouwd op of na 1 januari 2011.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 moeten schepen die zich begeven in een emissiebeheersingsgebied zoals bedoeld in voorschrift 13.6 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag en gebouwd zijn op of na de datums vermeld in voorschrift 13.5.1.2 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag voldoen aan de bepalingen van voorschrift 13.5 (Tier III) van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.
§ 3. Onder "schip gebouwd" wordt verstaan een schip gebouwd zoals gedefinieerd in voorschrift 2 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag en waarbij de tijd tussen kiellegging en in de vaart komen van het schip niet langer dan vijf jaar mag bedragen.]1

Art. 3.6.3. [1 § 1. Il est interdit de faire fonctionner un moteur diesel marin installé à bord d'un navire sauf si :
1° les normes d'émissions sont inférieures à celles visées au 13.7 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL pour les navires construits avant le 1er janvier 2000.
2° les normes d'émissions sont inférieures à celles visées au 13.3 (Niveau I) de l'Annexe VI de la Convention MARPOL pour les navires construits le 1er janvier 2000 ou aprÚs cette date et avant le 1er janvier 2011 ;
3° les normes d'émissions sont inférieures à celles visées à la rÚgle 13.4 (Niveau II) de l'Annexe VI de la Convention MARPOL pour les navires construits le 1er janvier 2011 ou aprÚs cette date.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les navires entrant dans une zone de contrÎle des émissions visée à la rÚgle 13.6 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL et construits aux dates ou aprÚs les dates spécifiées à la rÚgle 13.5.1.2 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL doivent se conformer aux dispositions de la rÚgle 13.5 (Niveau III) de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.
§ 3. On entend par " navire construit " un navire construit tel que défini à la rÚgle 2 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL et pour lequel la période entre la pose de la quille et la mise en service ne dépasse pas cinq ans. ]1

Art. 3.6.4. [1 De NOx Technical Code 2008 wordt toegepast bij het certificeren, testen en bij meetprocedures voor de normen zoals bepaald in voorschrift 13 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag. ]1
Art. 3.6.4. [1 Le Code technique sur les NOx de 2008 est appliqué dans les procédures de certification, de mise à l'essai et de mesure pour les normes énoncées dans la rÚgle 13 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.]1
HOOFDSTUK 7. [1 - Afval van schepen]1
CHAPITRE 7. [1 - Déchets des navires]1
Art. 3.7.1.1. [1 Voor de toepassing van [2 deze afdeling]2 ter gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2019/883/EU inzake havenontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van schepen, tot wijziging van Richtlijn 2010/65/EU en tot intrekking van Richtlijn 2000/59/EG wordt verstaan onder:
1° "schip": elk zeegaand vaartuig, van eender welk type, dat in het mariene milieu opereert, waaronder vissersvaartuigen, pleziervaartuigen, draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, onderwatervaartuigen en drijvende vaartuigen;
2° "afval van schepen": al het afval, met inbegrip van ladingresiduen, dat tijdens de exploitatie van een schip of tijdens laad-, los- en schoonmaakactiviteiten ontstaat en binnen het toepassingsgebied van de Bijlagen I, II, IV, V en VI bij het MARPOL-Verdrag valt, evenals passief opgevist afval;
3° "passief opgevist afval": afval dat tijdens visserijactiviteiten in netten terechtkomt;
4° "ladingresiduen": de restanten van lading aan boord die na het laden en lossen op het dek of in ruimen of tanks achterblijven, met inbegrip van overschotten of restanten die het gevolg zijn van morsen bij het laden en lossen, in natte of droge toestand of meegevoerd in waswater, en exclusief ladingstof dat na vegen op het dek achterblijft of stof op de buitenoppervlakken van het schip;
5° "havenontvangstvoorziening": elke vaste, drijvende of mobiele voorziening die in staat is om als dienstverlening het afval van schepen in ontvangst te nemen;
6° vissersvaartuig", elk schip dat is uitgerust of met commercieel oogmerk wordt gebruikt voor het vangen van vis of andere levende mariene hulpbronnen;
7° "pleziervaartuig": elk schip met een romplengte van 2,5 meter of meer, ongeacht het type of de aandrijving, dat bestemd is voor sport- of recreatiedoeleinden en voor niet bedrijfs- of beroepsmatig doeleinden wordt gebruik;
8° "haven": een plaats of geografisch gebied met verbeteringswerken en voorzieningen die hoofdzakelijk zijn ontworpen om de ontvangst van schepen mogelijk te maken, met inbegrip van de ankerplaatsen binnen de jurisdictie van de haven;
9° "toereikende opslagcapaciteit": voldoende capaciteit om het afval aan boord op te slaan vanaf het ogenblik van vertrek tot de volgende aanloophaven, met inbegrip van het afval dat waarschijnlijk zal ontstaan tijdens de reis;
10° "GISIS": het Global Integrated Shipping Information System dat door de IMO is opgezet;
11° "Richtlijn": richtlijn 2019/883/EU inzake havenontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van schepen.]1

Art. 3.7.1.1. [1 Pour l'application [2 de la présente section]2 transposant partiellement la directive 2019/883/UE relative aux installations de réception portuaires pour le dépÎt des déchets des navires, modifiant la directive 2010/65/UE et abrogeant la directive 2000/59/CE, on entend par :
1° " navire " : un bĂątiment de mer de tout type, exploitĂ© en milieu marin, y compris les navires de pĂȘche, les bateaux de plaisance, les hydroptĂšres, les aĂ©roglisseurs, les engins submersibles et les engins flottants;
2° " dĂ©chets des navires " : tous les dĂ©chets, y compris les rĂ©sidus de cargaison, qui sont gĂ©nĂ©rĂ©s durant l'exploitation d'un navire ou pendant les opĂ©rations de chargement, de dĂ©chargement et de nettoyage, et qui relĂšvent des Annexes I, II, IV, V et VI de la Convention MARPOL, ainsi que les dĂ©chets pĂȘchĂ©s passivement;
3° " dĂ©chets pĂȘchĂ©s passivement " : les dĂ©chets collectĂ©s dans des filets au cours d'opĂ©rations de pĂȘche;
4° " résidus de cargaison " : les restes de cargaison à bord qui demeurent sur le pont, dans les cales ou dans des citernes aprÚs les opérations de chargement et de déchargement, y compris les excÚs ou les pertes de chargement et de déchargement, que ce soit à l'état sec ou humide, ou entraßnés par les eaux de lavage, à l'exclusion de la poussiÚre résiduelle sur le pont aprÚs balayage ou de la poussiÚre provenant des surfaces extérieures du navire;
5° " installation de réception portuaire " : toute installation fixe, flottante ou mobile pouvant assurer le service de réception des déchets des navires;
6° " navire de pĂȘche " : tout navire Ă©quipĂ© ou utilisĂ© Ă  des fins commerciales pour la capture de poissons ou d'autres ressources vivantes de la mer;
7° " bateau de plaisance " : un navire de tout type, dont la coque a une longueur égale ou supérieure à 2,5 m, quel que soit le moyen de propulsion, destiné à des fins sportives et de loisir, et à des fins non professionnelles;
8° " port " : un lieu ou une zone géographique comportant des aménagements et des équipements principalement conçus pour permettre la réception de navires, y compris une zone de mouillage relevant de la juridiction du port;
9° " capacitĂ© de stockage suffisante " : une capacitĂ© suffisante pour stocker les dĂ©chets Ă  bord Ă  compter du moment du dĂ©part jusqu'au port d'escale suivant, y compris les dĂ©chets susceptibles d'ĂȘtre gĂ©nĂ©rĂ©s au cours du voyage;
10° " GISIS " : le systÚme mondial intégré d'information sur les transports maritimes mis en place par l'OMI;
11° " Directive " : directive 2019/883/UE relative aux installations de réception portuaires pour le dépÎt des déchets des navires.]1

Art. 3.7.1.2. [1 [2 Deze afdeling]2 is van toepassing op alle schepen, ongeacht hun vlag, die een Belgische haven aandoen of daar in bedrijf zijn, met uitzondering van schepen die havendiensten verrichten in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) 2017/352, en met uitzondering van oorlogsschepen, marinehulpschepen en andere schepen in eigendom of onder beheer van een staat die, op dat moment, uitsluitend op niet-commerciële basis door de overheid worden gebruikt.]1
Art. 3.7.1.2. [1 [2 La présente section]2 s'applique ° à tous les navires, quel que soit leur pavillon, faisant escale dans un port belge ou y opérant, à l'exception des navires affectés à des services portuaires au sens de l'article 1er, alinéa 2, du rÚglement (UE) 2017/352, et à l'exception des navires de guerre et navires de guerre auxiliaires, ou des autres navires appartenant à un Etat ou exploités par un Etat tant que celui-ci les utilise exclusivement à des fins gouvernementales et non commerciales.]1
Art. 3.7.1.3. [1 § 1. Een Belgisch schip moet tekortkomingen van havenontvangstvoorziening melden aan de Scheepvaartcontrole.
De Scheepvaartcontrole meldt vermeende tekortkomingen van havenontvangstvoorzieningen aan de IMO en de autoriteiten van de havenstaat via de IMO formulieren en procedures.
§ 2. De afgifte en ontvangst van afvalstoffen aan boord van schepen moeten met voldoende veiligheidsmaatregelen worden uitgevoerd om zowel persoonlijke als milieurisico's in Belgische havens te voorkomen.]1

Art. 3.7.1.3. [1 § 1. Un navire belge doit notifier des défauts d'adéquation des installations de réception portuaires au ContrÎle de la navigation.
Le ContrÎle de la navigation notifie des défauts présumés d'adéquation des installations de réception portuaires à l'OMI ainsi qu'aux autorités de l'Etat du port via les formulaires et les procédures de l'OMI.
§ 2. Les opérations de dépÎt ou de réception des déchets à bord des navires s'accompagnent de mesures de sécurité suffisantes pour prévenir les risques pour les personnes et pour l'environnement dans les ports belge.]1

Art. 3.7.1.4. [1 § 1. De exploitant, agent of kapitein van een schip dat onder hoofdstuk I van het koninklijk besluit van 17 september 2005 tot omzetting van richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van richtlijn 93/75/EEG van de Raad valt en op weg is naar een Belgische haven, vult het formulier voor afvalvooraanmelding, dat door het bevoegde gewest is vastgesteld, waarheidsgetrouw en nauwkeurig in en deelt alle daarin vervatte mee aan de autoriteit of instantie die door het bevoegde gewest voor dat doel is aangewezen:
1° ten minste 24 uur vóór aankomst, indien de aanloophaven bekend is;
2° zodra de aanloophaven bekend is, indien die informatie minder dan 24 uur vóór aankomst beschikbaar is; of
3° uiterlijk bij vertrek uit de vorige haven, indien de duur van de reis minder dan 24 uur bedraagt.
De informatie van afvalvooraanmelding wordt elektronisch gemeld in het in artikel 13 van de Richtlijn bedoelde gedeelte van het informatie-,monitoring- en handhavingssysteem.
§ 2. De afvalvooraanmelding blijft ten minste tot de volgende aanloophaven beschikbaar aan boord, bij voorkeur in elektronische vorm, en wordt desgevraagd ter beschikking gesteld van de Scheepvaartcontrole.]1

Art. 3.7.1.4. [1 § 1er. L'exploitant, l'agent ou le capitaine d'un navire relevant du champ d'application du chapitre I de l'arrĂȘtĂ© royal du 17 septembre 2005 transposant la directive 2002/59/CE du Parlement europĂ©en et du Conseil du 27 juin 2002 relative Ă  la mise en place d'un systĂšme communautaire de suivi du trafic des navires et d'information et abrogeant la directive 93/75/CEE du Conseil et qui fait route vers un port belge, doit complĂ©ter fidĂšlement et exactement le formulaire de notification prĂ©alable des dĂ©chets arrĂȘtĂ© par la rĂ©gion compĂ©tente et notifier ces informations Ă  l'autoritĂ© ou Ă  l'organisme dĂ©signĂ© Ă  cet effet par la rĂ©gion compĂ©tente :
1° au moins vingt-quatre heures avant l'arrivée, si le port d'escale est connu;
2° dÚs que le port d'escale est connu, si ces informations sont disponibles moins de vingt-quatre heures avant l'arrivée; ou
3° au plus tard au moment oĂč le navire quitte le port prĂ©cĂ©dent, si la durĂ©e du voyage est infĂ©rieure Ă  vingt-quatre heures.
Les informations figurant sur la notification prĂ©alable des dĂ©chets sont communiquĂ©es par voie Ă©lectronique pour ĂȘtre consignĂ©es dans la partie du systĂšme d'information, de suivi et de contrĂŽle de l'application visĂ©e Ă  l'article 13 de la Directive.
§ 2. La notification préalable des déchets sont disponibles à bord, de préférence sous forme électronique, au moins jusqu'au port d'escale suivant, et sont mises à la disposition du ContrÎle de la navigation sur demande.]1

Art. 3.7.1.5. [1 § 1. De kapitein van een schip dat een Belgische haven aandoet, geeft alvorens die haven te verlaten al zijn aan boord meegevoerde afval af aan een havenontvangstvoorziening overeenkomstig de toepasselijke lozingsnormen van het MARPOL-Verdrag.
§ 2. Bij de afgifte vult de exploitant van de havenontvangstvoorziening of de autoriteit van de haven waar het afval werd afgegeven het afvalontvangstbewijs dat door het bevoegde gewest is vastgesteld waarheidsgetrouw en nauwkeurig in en zorgt hij er zonder onnodige vertraging voor dat aan de kapitein van het schip een afvalontvangstbewijs wordt verstrekt.
Dit geldt niet voor kleine havens met onbemande voorzieningen of veraf gelegen havens, mits de naam en locatie van die havens door de autoriteit of instantie die door het bevoegde gewest voor dat doel is aangewezen elektronisch werd gemeld in het in artikel 13 van de Richtlijn bedoelde gedeelte van het informatie-, monitoring- en handhavingssysteem.
§ 3. De exploitant, agent of kapitein van een schip dat onder hoofdstuk I van het koninklijk besluit van 17 september 2005 tot omzetting van richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van richtlijn 93/75/EEG van de Raad valt, moet de informatie van het afvalontvangstbewijs melden vóór vertrek of zodra het afvalontvangstbewijs is ontvangen, elektronisch in het in artikel 13 van deze Richtlijn bedoelde gedeelte van het informatie-, monitoring- en handhavingssysteem.
De informatie uit het afvalontvangstbewijs is gedurende ten minste twee jaar, in voorkomend geval samen met het passende oliejournaal, ladingjournaal, afvalstoffenjournaal of afvalbeheersplan, beschikbaar aan boord en wordt op verzoek ter beschikking gesteld aan de Scheepvaartcontrole.
Belgische schepen houden het afvalontvangstbewijs gedurende ten minste twee jaar, in voorkomend geval samen met het passende oliejournaal, ladingjournaal, afvalstoffenjournaal of afvalbeheersplan, beschikbaar aan boord en houden het ter beschikking op verzoek van de Scheepvaartcontrole.
§ 4. Onverminderd paragraaf 1 mag een schip doorvaren naar de volgende aanloophaven zonder zijn afval af te geven, indien:
1° uit in de afvalvooraanmelding en afvalontvangstbewijs verstrekte informatie blijkt dat er aan boord van het schip voldoende specifiek daarvoor bestemde opslagcapaciteit is voor alle afval dat zich al aan boord bevindt en het afval dat zal ontstaan tijdens de geplande reis van het schip naar de volgende aanloophaven;
2° uit de informatie aan boord van schepen die buiten het toepassingsgebied van het koninklijk besluit van 17 september 2005 tot omzetting van richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van richtlijn 93/75/EEG van de Raad vallen, blijkt dat er aan boord van het schip voldoende specifiek daarvoor bestemde opslagcapaciteit is voor alle afval dat zich al aan boord bevindt en het afval dat zal ontstaan tijdens de geplande reis van het schip naar de volgende aanloophaven; of
3° het schip minder dan 24 uur of in slechte weersomstandigheden voor anker gaat, tenzij de ankerplaats buiten het toepassingsgebied ten aanzien van havens valt.
De methoden die moeten worden gebruikt om de voldoende toegewezen capaciteit te berekenen zijn vastgelegd door de Europese Commissie in uitvoeringshandelingen vastgesteld overeenkomstig artikel 20, tweede lid, van de Richtlijn.
§ 5. De Scheepvaartcontrole verplicht een schip om al zijn afval vóór vertrek af te geven indien:
1° op basis van de beschikbare informatie, waaronder informatie die elektronisch beschikbaar is in het in artikel 13 bedoelde informatie-, monitoring- en handhavingssysteem of in Gisis is gemeld, niet kan worden vastgesteld of er in de volgende aanloophaven toereikende havenontvangstvoorzieningen beschikbaar zijn; of
2° de volgende aanloophaven niet bekend is.]1

Art. 3.7.1.5. [1 § 1er. Avant de quitter un port belge, le capitaine d'un navire faisant escale dans ce port dépose tous les déchets conservés à bord dans une installation de réception portuaire conformément aux normes relatives aux rejets pertinentes qui sont fixées dans la Convention MARPOL.
§ 2. Lors du dĂ©pĂŽt, l'exploitant de l'installation de rĂ©ception portuaire ou l'autoritĂ© du port oĂč les dĂ©chets ont Ă©tĂ© dĂ©posĂ©s remplit fidĂšlement et exactement le reçu de dĂ©pĂŽt des dĂ©chets arrĂȘtĂ© par la rĂ©gion compĂ©tente et il dĂ©livre et fournit sans retard indu le reçu de dĂ©pĂŽt des dĂ©chets au capitaine du navire.
Ceci ne s'applique pas aux petits ports équipés d'installations sans personnel ou situés dans des régions éloignées, pour autant que l'autorité ou à l'organisme désigné à cet effet par la région compétente ait déclaré le nom et le lieu de ces ports par voie électronique dans le systÚme d'information, de suivi et de contrÎle de l'application visée à l'article 13 de la Directive.
§ 3. L'exploitant, l'agent ou le capitaine d'un navire relevant du champ d'application du chapitre I de l'arrĂȘtĂ© royal du 17 septembre 2005 transposant la directive 2002/59/CE du Parlement europĂ©en et du Conseil du 27 juin 2002 relative Ă  la mise en place d'un systĂšme communautaire de suivi du trafic des navires et d'information et abrogeant la directive 93/75/CEE du Conseil, doit notifier, avant le dĂ©part ou dĂšs rĂ©ception du reçu de dĂ©pĂŽt des dĂ©chets, les informations figurant dans celui-ci par voie Ă©lectronique dans la partie du systĂšme d'information, de suivi et de contrĂŽle de l'application visĂ©e Ă  l'article 13 de la Directive.
Les informations figurant sur le reçu de dépÎt des déchets sont disponibles à bord pendant au moins deux ans, le cas échéant avec le registre des hydrocarbures, le registre de la cargaison, le registre des ordures ou le plan de gestion des ordures appropriés, et sont mises à la disposition du ContrÎle de la navigation sur demande.
Les navires belges conservent le reçu de dépÎt des déchets pendant au moins deux ans, le cas échéant avec le registre des hydrocarbures, le registre de la cargaison, le registre des ordures ou le plan de gestion des ordures appropriés, et le mettent à la disposition du ContrÎle de la navigation sur demande.
§ 4. Sans préjudice du paragraphe 1er, un navire peut continuer sa route jusqu'au port d'escale suivant sans déposer de déchets, si :
1° les informations fournies dans la notification préalable des déchets et le reçu de dépÎt des déchets montrent qu'il existe une capacité de stockage suffisante dédiée à bord du navire pour tous les déchets qui ont été et seront accumulés pendant le trajet prévu jusqu'au port d'escale suivant;
2° les informations disponibles Ă  bord des navires ne relevant pas du champ d'application de l'arrĂȘtĂ© royal du 17 septembre 2005 transposant la directive 2002/59/CE du Parlement europĂ©en et du Conseil du 27 juin 2002 relative Ă  la mise en place d'un systĂšme communautaire de suivi du trafic des navires et d'information et abrogeant la directive 93/75/CEE du Conseil montrent qu'il existe une capacitĂ© de stockage suffisante dĂ©diĂ©e Ă  bord du navire pour tous les dĂ©chets qui ont Ă©tĂ© et seront accumulĂ©s pendant le trajet prĂ©vu jusqu'au port d'escale suivant; ou
3° le navire est uniquement au mouillage pendant moins de vingt-quatre heures ou en cas de mauvaises conditions météorologiques, à moins qu'une telle zone de mouillage n'ait été exclue.
Les méthodes à utiliser pour calculer la capacité de stockage suffisante dédiée sont adoptées par la Commission européenne dans des actes d'exécution adoptés conformément à l'article 20, paragraphe 2, de la Directive.
§ 5. Le ContrÎle de la navigation exige du navire qu'il dépose tous ses déchets avant de repartir, si :
1° il ne peut ĂȘtre Ă©tabli, sur la base des informations consignĂ©es par voie Ă©lectronique dans la partie du systĂšme d'information, de suivi et de contrĂŽle de l'application visĂ©e Ă  l'article 13 ou dans le GISIS, que des installations de rĂ©ception portuaires adĂ©quates sont disponibles dans le port d'escale suivant; ou
2° le port d'escale suivant n'est pas connu.]1

Art. 3.7.1.6. [1 Een schip dat een Belgische haven aandoet kan enkel vrijgesteld zijn van de verplichtingen opgenomen in de artikelen 7.1.4. en 7.1.5. als het in het bezit is van een vrijstellingscertificaat afgegeven door de autoriteit of instantie die door het bevoegde gewest voor dat doel is aangewezen.
Niettegenstaande de verleende vrijstelling vaart een schip niet door naar de volgende aanloophaven indien er onvoldoende specifiek daarvoor bestemde opslagcapaciteit is voor al het afval dat zich al aan boord bevindt en het afval dat tijdens de geplande reis van het schip naar de volgende aanloophaven zal ontstaan.]1

Art. 3.7.1.6. [1 Un navire faisant escale dans un port belge ne peut ĂȘtre exemptĂ© des obligations Ă©noncĂ©es aux articles 7.1.4. et 7.1.5. que s'il est en possession d'un certificat d'exemption dĂ©livrĂ© par l'autoritĂ© ou l'organisme dĂ©signĂ© Ă  cet effet par la rĂ©gion compĂ©tente.
Nonobstant l'exemption accordée, un navire ne poursuit pas sa route jusqu'au port d'escale suivant s'il ne dispose pas d'une capacité de stockage suffisante dédiée pour tous les déchets qui ont été et les déchets qui seront accumulés pendant le trajet prévu du navire jusqu'au port d'escale suivant.]1

Art. 3.7.1.7. [1 De Scheepvaartcontrole kan elk schip inspecteren om na te gaan of het voldoet aan de bepalingen van dit besluit.]1
Art. 3.7.1.7. [1 Le ContrĂŽle de la navigation peut inspecter tout navire afin de vĂ©rifier qu'il satisfait aux dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.]1
Art. 3.7.1.8. [1 § 1. De Scheepvaartcontrole voert inspecties uit op schepen die Belgische havens aandoen bij ten minste 15 procent van het totale afzonderlijke schepen dat jaarlijks de Belgische havens aandoen.
Het totale aantal afzonderlijke schepen dat een Belgische haven aandoet, wordt berekend als het gemiddelde aantal afzonderlijke schepen over de drie voorgaande jaren, zoals gemeld via het in artikel 13 van de Richtlijn bedoelde informatie-, monitoring- en handhavingssysteem.
§ 2. De Scheepvaartcontrole voldoet aan paragraaf 1 door schepen te selecteren op basis van het risicogebaseerde selectiemechanisme zoals vastgelegd door de Europese Commissie in uitvoeringshandelingen vastgesteld overeenkomstig artikel 20, tweede lid, van de Richtlijn.
§ 3. Schepen die buiten het toepassingsgebied van richtlijn 2002/59/EG vallen kunnen door de Scheepvaartcontrole worden gecontroleerd, voor zover praktisch uitvoerbaar.
De Scheepvaartcontrole kan hiervoor het risicogebaseerde selectiemechanisme zoals vastgelegd door de Europese Commissie in uitvoeringshandelingen vastgesteld overeenkomstig artikel 20, tweede lid, van de Richtlijn voor hanteren.
§ 4. Wanneer de Scheepvaartcontrole niet tevreden is met de resultaten van de inspectie kan zij het schip verbieden om de haven te verlaten tot het zijn afval heeft afgegeven aan een havenontvangstvoorziening overeenkomstig artikel 7.1.5., zulk onverminderd de toepassing van andere sancties.]1

Art. 3.7.1.8. [1 § 1er. Le ContrÎle de la navigation procÚde à des inspections de navires faisant escale dans les ports belge, en ce qui concerne au moins 15 % du nombre total de navires distincts faisant escale dans les ports belge chaque année.
Le nombre total de navires distincts faisant escale dans un porte belge est calculé comme étant le nombre moyen de navires distincts des trois années précédentes, tel qu'il a été communiqué par le biais de la partie du systÚme d'information, de suivi et de contrÎle de l'application visée à l'article 13 de la Directive.
§ 2. Le ContrÎle de la navigation se conforme au paragraphe 1er en sélectionnant les navires sur la base d'un mécanisme de ciblage fondé sur les risques tel qu'établi par la Commission européenne dans des actes d'exécution adoptés conformément à l'article 20, paragraphe 2, de la Directive.
§ 3. Les navires qui ne relĂšvent pas du champ d'application de la directive 2002/59/CE peuvent, dans la mesure du possible, ĂȘtre contrĂŽlĂ©s par le ContrĂŽle de la navigation.
Le ContrÎle de la navigation peut utiliser le mécanisme de ciblage fondé sur les risques tel qu'établi par la Commission européenne dans des actes d'exécution adoptés conformément à l'article 20, paragraphe 2, de la Directive à cet effet.
§ 4. Si le ContrÎle de la navigation n'est pas satisfait des résultats de l'inspection, il peut interdire le navire de quitter le port avant d'avoir déposé ses déchets dans une installation de réception portuaire conformément à l'article 7.1.5., et ce sans préjudice de l'application d'autres sanctions.]1

Art. 3.7.1.9. [1 De Scheepvaartcontrole ziet erop toe dat de informatie over inspecties in het kader van dit besluit, met inbegrip van informatie over gevallen van niet-naleving en opgelegde uitvaarverboden, onverwijld wordt doorgestuurd naar de inspectiedatabank die ter beschikking gesteld wordt door de Europese Commissie zodra:
1° het inspectieverslag is voltooid;
2° het uitvaarverbod is opgeheven; of
3° een vrijstelling is toegekend.]1

Art. 3.7.1.9. [1 Le ContrĂŽle de la navigation veille Ă  ce que les informations relatives aux inspections effectuĂ©es au titre du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, notamment les informations relatives aux dĂ©fauts de conformitĂ© et aux ordres d'interdiction de dĂ©part, soient transfĂ©rĂ©es sans tarder vers la base de donnĂ©es des inspections mise Ă  disposition par la Commission europĂ©enne dĂšs :
1° que le rapport d'inspection a été établi;
2° que l'ordre d'interdiction de départ a été levé; ou
3° qu'une exemption a été accordée.]1

Afdeling 2. [1 - Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door afval van schepen.]1
Section 2. [1 - RÚgles relatives à la prévention de la pollution par les ordures des navires.]1
Art. 3.7.2.1. [1 Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder "elektronisch journaal", een door de Scheepvaartcontrole goedgekeurde voorziening of systeem voor de Belgische schepen, dat in de plaats van een journaal op een papieren drager wordt gebruikt om alle gegevens over lozingen, overdrachten en andere operaties die krachtens deze afdeling moeten worden aangetekend, elektronisch aan te tekenen.]1
Art. 3.7.2.1. [1 Pour l'application de la prĂ©sente section, l'on entend par " registre Ă©lectronique " un dispositif ou systĂšme approuvĂ© par le ContrĂŽle de la Navigation, en ce qui concerne les navires belges, qui est utilisĂ© Ă  la place d'un registre sur support papier pour consigner sous forme Ă©lectronique les renseignements concernant les rejets, transferts et autres opĂ©rations qui doivent l'ĂȘtre en vertu de la prĂ©sente section.]1
Art. 3.7.2.2. [1 Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing op alle Belgische schepen.]1
Art. 3.7.2.2. [1 Sauf dispositions expresses contraires, les dispositions de la présente section s'appliquent à tous les navires belges.]1
Art. 3.7.2.3. [1 § 1. De lozing in zee van alle afval is verboden, behoudens de gevallen voorzien in de bepalingen van de artikelen 3.7.2.4 tot en met 3.7.2.6 en van afdeling 5.2 van deel II-A van de Zeevaartcode voor het Noordpoolgebied, zoals bepaald in het MARPOL-Verdrag.
§ 2. Behoudens de gevallen voorzien in voorschrift 7 van Bijlage V bij het MARPOL-Verdrag, is de lozing in zee van alle plastic, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic afvalzakken en van verbrandingsovens afkomstige as van plastic producten verboden.
§ 3. Behoudens de gevallen voorzien in voorschrift 7 van Bijlage V bij het MARPOL-Verdrag is de lozing in zee van frituurolie verboden.]1

Art. 3.7.2.3. [1 § 1er. Est interdite l'évacuation dans la mer de toutes les ordures, sauf dans les cas prévus dans les dispositions des articles 3.7.2.4 à 3.7.2.6 et de la section 5.2 de la partie II-A du Recueil sur la navigation polaire, tel que défini par la Convention MARPOL.
§ 2. Sauf dans les cas prĂ©vus par la rĂšgle 7 de l'Annexe V de la Convention MARPOL, est interdite l'Ă©vacuation dans la mer de toutes les matiĂšres plastiques, y compris mais sans s'y limiter les cordages et les filets de pĂȘche synthĂ©tiques, les sacs Ă  ordures en matiĂšre plastique et les cendres de matiĂšres plastiques incinĂ©rĂ©es.
§ 3. Sauf dans les cas prévus par la rÚgle 7 de l'Annexe V de la Convention MARPOL, est interdite l'évacuation dans la mer de l'huile à friture.]1

Art. 3.7.2.4. [1 § 1. De lozing in zee van het onderstaande afval buiten bijzondere gebieden is uitsluitend toegestaan wanneer het schip onderweg is en zo ver als mogelijk van het dichtstbijzijnde land, maar in ieder geval niet minder dan:
1° 3 zeemijl van het dichtstbijzijnde land voor voedselresten die door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd. Deze afgebroken of gemalen voedselresten moeten een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee kunnen passeren;
2° 12 zeemijl van het dichtstbijzijnde land voor voedselresten die niet overeenkomstig het bovenstaande eerste lid zijn behandeld;
3° 12 zeemijl van het dichtstbijzijnde land voor ladingresiduen die niet met algemeen beschikbare losmethoden kunnen worden teruggewonnen. Deze ladingresiduen mogen geen stoffen bevatten die geclassificeerd zijn als schadelijk voor het mariene milieu, volgens de criteria vervat in aanhangsel I van Bijlage V bij het MARPOL-Verdrag.
4° Dierlijke kadavers moeten zo ver als mogelijk van het dichtstbijzijnde land worden geloosd, rekening houdend met de door de IMO opgestelde richtsnoeren.
§ 2. Reinigingsmiddelen of -additieven in waswater van de laadruimen, dekken en buitenoppervlakken mogen in zee worden geloosd, maar deze stoffen mogen niet schadelijk zijn voor het mariene milieu, rekening houdend met de door de IMO opgestelde richtsnoeren.
§ 3. Vaste bulklading, zoals bepaald in voorschrift VI/1-1.2 van het SOLAS-Verdrag, uitgezonderd graan, moet in overeenstemming met aanhangsel I van Bijlage V bij het MARPOL-Verdrag zijn geclassificeerd en de afzender moet aangeven of deze al dan niet schadelijk voor het mariene milieu zijn.
§ 4. Wanneer afval is vermengd met of verontreinigd door andere stoffen waarvan de lozing verboden of aan andere vereisten gebonden is, zijn de strengere vereisten van toepassing.]1

Art. 3.7.2.4. [1 § 1er. L'évacuation des ordures ci-aprÚs dans la mer hors des zones spéciales est autorisée uniquement lorsque le navire est en route et aussi loin que possible de la terre la plus proche, mais en aucun cas à moins de :
1° 3 milles marins de la terre la plus proche dans le cas des déchets alimentaires qui sont passés dans un broyeur ou un concasseur. Ces déchets alimentaires broyés ou concassés doivent pouvoir passer à travers un tamis dont les ouvertures ne dépassent pas 25 mm;
2° 12 milles marins de la terre la plus proche dans le cas des déchets alimentaires qui n'ont pas été traités de la maniÚre indiquée à l'alinéa 1er ci-dessus;
3° 12 milles marins de la terre la plus proche dans le cas des rĂ©sidus de cargaison qui ne peuvent pas ĂȘtre rĂ©cupĂ©rĂ©s complĂštement Ă  l'aide des mĂ©thodes couramment disponibles en vue de leur dĂ©chargement. Ces rĂ©sidus de cargaison ne doivent contenir aucune substance classĂ©e comme nuisible pour le milieu marin, selon les critĂšres Ă©noncĂ©s par l'appendice I de l'Annexe V de la Convention MARPOL.
4° En ce qui concerne les carcasses d'animaux, l'évacuation dans la mer doit se faire aussi loin que possible de la terre la plus proche compte tenu des directives élaborées par l'OMI.
§ 2. Les agents ou additifs de nettoyage prĂ©sents dans les eaux de lavage des cales Ă  cargaison, du pont et des surfaces extĂ©rieures peuvent ĂȘtre rejetĂ©s dans la mer mais ces substances ne doivent pas ĂȘtre nuisibles pour le milieu marin, compte tenu des directives Ă©laborĂ©es par l'OMI.
§ 3. Les cargaisons solides en vrac, telles que dĂ©finies Ă  la rĂšgle VI/1-1.2 de la Convention SOLAS, autres que les grains doivent ĂȘtre classĂ©es conformĂ©ment Ă  l'appendice I de l'Annexe V de la Convention MARPOL et l'expĂ©diteur doit dĂ©clarer si elles sont nuisibles ou non pour le milieu marin.
§ 4. Lorsque les ordures sont mélangées avec d'autres substances dont le rejet est interdit ou est soumis à des prescriptions différentes ou sont contaminées par de telles substances, les dispositions les plus rigoureuses s'appliquent.]1

Art. 3.7.2.5. [1 Het is verboden afval in de Belgische maritieme zones te lozen vanaf vaste of drijvende platforms alsmede vanaf alle andere schepen die zich naast of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden.]1
Art. 3.7.2.5. [1 L'évacuation dans les zones maritimes belges des ordures provenant des plates-formes fixes ou flottantes et de tous les autres navires se trouvant le long du bord ou à moins de 500 m de ces plates-formes est interdite.]1
Art. 3.7.2.6. [1 § 1. De lozing van het onderstaande afval in zee binnen bijzondere gebieden is uitsluitend toegestaan wanneer het schip onderweg is en op de volgende wijze:
1° De lozing in zee van voedselresten geschiedt zo ver mogelijk van het dichtstbijzijnde land, en in elk geval niet minder dan 12 zeemijl van het dichtstbijzijnde land of de dichtstbijzijnde ijsplaat. Voedselresten moeten worden afgebroken of gemalen en moeten een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee kunnen passeren. Voedselresten mogen niet door andere soorten afval verontreinigd zijn. De lozing van meegebrachte gevogelteproducten, waaronder pluimvee en delen daarvan, is niet toegestaan in het Antarctische gebied, tenzij deze door behandeling steriel zijn gemaakt.
2° De lozing van ladingresiduen die niet met algemeen beschikbare losmethoden kunnen worden teruggewonnen, is enkel toegestaan indien aan alle volgende vereisten wordt voldaan:
a) de in het waswater van de laadruimen aanwezige ladingresiduen bevatten geen stoffen die geclassificeerd zijn als schadelijk voor het mariene milieu volgens de criteria vervat in aanhangsel I van Bijlage V bij het MARPOL-Verdrag;
b) vaste bulklading, zoals bepaald in voorschrift VI/1-1.2 van het SOLAS-Verdrag, uitgezonderd graan, moet in overeenstemming met aanhangsel I van Bijlage V bij het MARPOL-Verdrag zijn geclassificeerd en de afzender moet aangeven of deze al dan niet schadelijk voor het mariene milieu zijn;
c) de in het waswater van de laadruimen aanwezige reinigingsmiddelen of -additieven bevatten geen stoffen die geclassificeerd zijn als schadelijk voor het mariene milieu, rekening houdend met de door de IMO opgestelde richtsnoeren;
d) zowel de haven van vertrek als de volgende haven van bestemming bevinden zich binnen het bijzonder gebied en het schip vaart tussen deze twee havens niet buiten dit gebied;
e) er zijn geen toereikende ontvangstvoorzieningen beschikbaar in deze havens, rekening houdend met de door de IMO opgestelde richtsnoeren; en
f) wanneer aan de vereisten van de leden a) tot en met e) van punt 2 is voldaan, moet het waswater van de laadruimen dat residuen bevat zo ver als mogelijk van het dichtstbijzijnde land of de dichtstbijzijnde ijsplaat en in ieder geval niet minder dan 12 zeemijl van het dichtstbijzijnde land of de dichtstbijzijnde ijsplaat worden geloosd.
§ 2. De in het waswater van dekken en buitenoppervlakken aanwezige reinigingsmiddelen of -additieven mogen in zee worden geloosd, maar uitsluitend indien deze stoffen niet schadelijk zijn voor het mariene milieu, rekening houdend met de door de IMO opgestelde richtsnoeren.
§ 3. Wat het Antarctische gebied betreft, ziet de Scheepvaartcontrole er, naast de voorschriften van paragraaf 1, op toe dat alle Belgische schepen, voordat deze het Antarctische gebied binnenvaren, over voldoende capaciteit aan boord beschikken voor het bewaren van alle afval tijdens hun verblijf in het gebied en dat deze schepen voorzieningen hebben getroffen om dit afval bij een ontvangstvoorziening af te geven nadat zij het gebied hebben verlaten.
§ 4. Wanneer afval is vermengd met of verontreinigd door andere stoffen waarvan de lozing verboden of aan andere vereisten gebonden is, zijn de strengere vereisten van toepassing.]1

Art. 3.7.2.6. [1 § 1er. A l'intérieur des zones spéciales, l'évacuation dans la mer des ordures ci-aprÚs est autorisée uniquement lorsque le navire est en route et dans les conditions ci-aprÚs :
1° Evacuation dans la mer des dĂ©chets alimentaires aussi loin que possible de la terre la plus proche, mais en aucun cas Ă  moins de 12 milles marins de la terre la plus proche ou de la plate-forme glaciaire la plus proche. Les dĂ©chets alimentaires doivent ĂȘtre broyĂ©s ou concassĂ©s et doivent pouvoir passer Ă  travers un tamis dont les ouvertures ne dĂ©passent pas 25 mm. Les dĂ©chets alimentaires ne doivent ĂȘtre contaminĂ©s par aucun autre type d'ordures. L'Ă©vacuation de produits avicoles introduits, y compris toute volaille ou partie de volaille, est interdite dans la zone de l'Antarctique, Ă  moins qu'ils n'aient Ă©tĂ© traitĂ©s pour les stĂ©riliser.
2° Evacuation de rĂ©sidus de cargaison qui ne peuvent pas ĂȘtre rĂ©cupĂ©rĂ©s au moyen des mĂ©thodes couramment disponibles en vue de leur dĂ©chargement, si toutes les conditions suivantes sont remplies :
a) les résidus de cargaison présents dans les eaux de lavage des cales ne contiennent pas de substance classée comme nuisible pour le milieu marin selon les critÚres énoncés dans l'appendice I de l'Annexe V de la Convention MARPOL;
b) Les cargaisons solides en vrac, telles que dĂ©finies Ă  la rĂšgle VI/1-1.2 de la Convention SOLAS, autres que les grains doivent ĂȘtre classĂ©es conformĂ©ment Ă  l'appendice I de l'Annexe V de la Convention MARPOL et l'expĂ©diteur doit dĂ©clarer si elles sont nuisibles ou non pour le milieu marin;
c) les agents ou additifs de nettoyage présents dans les eaux de lavage des cales ne contiennent pas de substance classée comme nuisible pour le milieu marin, compte tenu des directives élaborées par l'OMI;
d) le port de départ et le port suivant de destination se trouvent à l'intérieur de la zone spéciale et le navire ne sortira pas de cette zone entre ces deux ports;
e) aucune installation de réception adéquate n'est disponible dans ces ports, compte tenu des directives élaborées par l'OMI; et
f) si les conditions énoncées aux alinéas a) à e) du 2° ont été remplies, le rejet des eaux de lavage des cales à cargaison qui contiennent des résidus doit se faire aussi loin que possible de la terre la plus proche ou de la plate-forme glaciaire la plus proche mais en aucun cas à moins de 12 milles marins de la terre ou de la plate-forme glaciaire la plus proche.
§ 2. Les agents ou additifs de nettoyage prĂ©sents dans les eaux de lavage du pont et des surfaces extĂ©rieures peuvent ĂȘtre rejetĂ©s dans la mer mais uniquement si ces substances ne sont pas nuisibles pour le milieu marin, compte tenu des directives Ă©laborĂ©es par l'OMI.
§ 3. En ce qui concerne la zone de l'Antarctique, en plus des rÚgles du paragraphe 1er, le ContrÎle de la navigation veille à ce que tous les navires belges, avant d'entrer dans la zone de l'Antarctique, ont à bord une capacité suffisante pour conserver toutes les ordures pendant qu'ils opÚrent dans la zone et ont conclu des accords pour décharger ces ordures dans une installation de réception aprÚs leur départ de la zone.
§ 4. Lorsque les ordures sont mélangées avec d'autres substances dont le rejet est interdit ou est soumis à des prescriptions différentes ou sont contaminées par de telles substances, les dispositions les plus rigoureuses s'appliquent.]1

Art. 3.7.2.7. [1 § 1. Elk schip met een lengte over alles van 12 meter of meer en elk vast of drijvend platform moet affiches tonen die de bemanning en de passagiers informeren over de toepasselijke vereisten in de artikelen 3.7.2.3 tot en met 3.7.2.6 betreffende de lozing van afval.
Deze affiches moeten overeenkomstig voorschrift 10 van Bijlage V bij MARPOL-Verdrag worden opgesteld.
§ 2. Elk schip met een brutotonnenmaat van 100 of meer en elk schip dat gerechtigd is om 15 personen of meer te vervoeren alsmede vaste of drijvende platforms moeten een afvalbeheersplan hebben, dat de bemanning moet nakomen. Dit plan moet voorzien in schriftelijke procedures voor de verdichting, verzameling, opslag, verwerking en lozing van afval, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan worden tevens de persoon of personen aangewezen die belast zijn met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan moet in overeenstemming zijn met de door de IMO opgestelde richtsnoeren en moet in de werktaal van de bemanning zijn geschreven.
§ 3. Elk schip met een brutotonnenmaat van 400 of meer en elk schip dat gerechtigd is om 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of terminals op zee onder de jurisdictie van een andere Verdragsstaat bij het MARPOL-Verdrag en elk vast of drijvend platform moet van een afvalstoffenjournaal zijn voorzien. Dit journaal, ongeacht of het al dan niet deel uitmaakt van het voorgeschreven logboek, of dat het wel of niet een elektronisch journaal betreft dat door de Scheepvaartcontrole moet worden goedgekeurd rekening houdend met de door de IMO opgestelde richtsnoeren, moet in overeenstemming zijn met het model in aanhangsel II van Bijlage V bij het MARPOL-Verdrag:
1° Elke lozing in zee of in een havenontvangstvoorziening, of elke voltooide verbranding, moet onverwijld in het afvalstoffenjournaal worden aangetekend en de desbetreffende aantekening moet, met vermelding van de datum van de lozing of verbranding, door de verantwoordelijke officier worden ondertekend. Elke ingevulde bladzijde van het journaal moet door de kapitein van het schip worden ondertekend. De aantekeningen worden in overeenstemming met het MARPOL-Verdrag opgesteld. Indien de vermeldingen ook in een officiële landstaal van België zijn aangebracht, dan prevaleert deze taal in geval van geschil of onenigheid.
2° de aantekening voor elke lozing in zee in overeenstemming met de artikelen 3.7.2.4 tot en met 3.7.2.6 of met afdeling 5.2 van hoofdstuk 5 van deel II-A van de Zeevaartcode voor het Noordpoolgebied, zoals bepaald in het MARPOL-Verdrag, moet de datum en het tijdstip, de positie van het schip (breedte- en lengtegraad), de categorie van het afval en een schatting van de geloosde hoeveelheid (in kubieke meter) bevatten. Bij een lozing van ladingresiduen moet, naast het bovenstaande, de positie van het schip bij het begin en het einde van de lozing worden vermeld;
3° voor elke voltooide verbranding moet de datum en het tijdstip van de verbranding en de positie van het schip (breedte- en lengtegraad) bij het begin en het einde van de verbranding, de categorie van het verbrande afval en een schatting van de verbrande hoeveelheid voor elke categorie van afval, in kubieke meter, worden aangetekend;
4° voor elke lozing in een havenontvangstvoorziening of elke overdracht op een ander schip, moet de datum en het tijdstip van de lozing of overdracht, de naam van de haven, de voorziening of het schip, de categorie van het geloosde of overgedragen afval en de schatting van de geloosde of overgedragen hoeveelheid voor elke categorie van afval, in kubieke meter, worden aangetekend;
5° Het afvalstoffenjournaal moet aan boord van het schip of het vaste of drijvende platform worden bewaard op een plaats waar het gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie op elk redelijk tijdstip. Het moet, wat de Belgische schepen betreft, gedurende een periode van ten minste twee jaar na de laatste aantekening worden bewaard.
6° in geval van een lozing of accidenteel verlies als bedoeld in voorschrift 7 van Bijlage V bij het MARPOL-Verdrag, moet er een aantekening worden gemaakt in het afvalstoffenjournaal of, bij schepen met een brutotonnenmaat van minder dan 400, in het voorgeschreven logboek, met vermelding van de datum en het tijdstip van het voorval, de haven of positie waar het schip zich op dat moment bevond (breedte- en lengtegraad en waterdiepte indien bekend), de redenen voor de lozing of het verlies, de beschrijving van de geloosde of verloren voorwerpen, de categorie van het geloosde of verloren afval, de schatting van de hoeveelheid voor elke categorie, in kubieke meter, de redelijke voorzorgsmaatregelen die werden getroffen om een dergelijke lozing of een dergelijk accidenteel verlies te voorkomen of tot een minimum te beperken en algemene opmerkingen.
§ 4. De Scheepvaartcontrole kan ontheffing verlenen van de toepassing van de vereisten voor het afvalstoffenjournaal aan:
1° elk schip dat reizen van één (1) uur of korter maakt en dat gerechtigd is om 15 personen of meer te vervoeren; of
2° vaste of drijvende platforms.
§ 5. Het accidentele verlies of de lozing van vistuig door een Belgisch schip bedoeld in voorschriften 7.1.3 en 7.1.4 van Bijlage V bij het MARPOL-Verdrag moet aan de Scheepvaartcontrole worden gemeld en, indien het verlies of de lozing plaatsvindt in wateren onder de jurisdictie van een kuststaat, tevens aan deze kuststaat.]1

Art. 3.7.2.7. [1 § 1er. A bord de tout navire d'une longueur hors tout égale ou supérieure à 12 m et de toute plate-forme fixe ou flottante, il doit y avoir des affiches informant l'équipage et les passagers des prescriptions applicables des articles 3.7.2.3 à 3.7.2.6 relatifs à l'évacuation des ordures.
Ces affiches doivent ĂȘtre rĂ©digĂ©es conformĂ©ment Ă  la rĂšgle 10 de l'Annexe V Ă  la Convention MARPOL.
§ 2. Tout navire d'une jauge brute Ă©gale ou supĂ©rieure Ă  100 et tout navire autorisĂ© Ă  transporter 15 personnes ou davantage, ainsi que les plates-formes fixes ou flottantes, doivent avoir Ă  bord un plan de gestion des ordures que l'Ă©quipage doit suivre. Ce plan doit comprendre des mĂ©thodes Ă©crites de compactage, de ramassage, de stockage, de traitement et d'Ă©vacuation des ordures, y compris l'utilisation du matĂ©riel de bord. La ou les personnes chargĂ©es d'exĂ©cuter le plan doivent Ă©galement y ĂȘtre dĂ©signĂ©es. Un plan de ce type doit ĂȘtre Ă©tabli sur la base des directives Ă©tablies par l'OMI et ĂȘtre rĂ©digĂ© dans la langue de travail de l'Ă©quipage.
§ 3. Tout navire d'une jauge brute Ă©gale ou supĂ©rieure Ă  400 et tout navire autorisĂ© Ă  transporter 15 personnes ou davantage qui effectuent des voyages Ă  destination de ports ou de terminaux au large relevant de la juridiction d'un autre Etat Partie Ă  la Convention MARPOL et toute plate-forme fixe ou flottante doivent avoir un registre des ordures. Ce registre, qu'il fasse partie ou non du livre de bord rĂ©glementaire ou qu'il s'agisse ou non d'un registre Ă©lectronique qui doit ĂȘtre approuvĂ© par le ContrĂŽle de la navigation compte tenu des directives Ă©laborĂ©es par l'OMI, doit ĂȘtre conforme au modĂšle figurant Ă  l'appendice II de l'Annexe V de la Convention MARPOL :
1° Chaque opĂ©ration d'Ă©vacuation ou de rejet dans la mer ou dans une installation de rĂ©ception portuaire, ou chaque incinĂ©ration une fois achevĂ©e, doit ĂȘtre consignĂ©e rapidement dans le registre des ordures et la mention correspondante doit ĂȘtre signĂ©e, avec indication de la date de l'Ă©vacuation ou de l'incinĂ©ration, par l'officier responsable. Chaque page du registre remplie doit ĂȘtre signĂ©e par le capitaine du navire. Les mentions sont Ă©tablies conformĂ©ment Ă  la Convention MARPOL. Si les mentions sont aussi portĂ©es dans une langue officielle nationale de la Belgique, celle-ci doit prĂ©valoir en cas de diffĂ©rend ou de dĂ©saccord.
2° la mention portée pour chaque évacuation dans la mer conformément aux articles 3.7.2.4 à 3.7.2.6 ou à la section 5.2 du chapitre 5 de la partie II-A du Recueil sur la navigation polaire, tel que défini par la Convention MARPOL, doit comporter la date et l'heure, la position du navire (latitude et longitude), la catégorie des ordures et une estimation de la quantité (en mÚtres cubes) évacuée. En cas de rejet de résidus de cargaison, il faut indiquer, en plus de ce qui précÚde, la position du navire au début et à la fin du rejet;
3° pour chaque incinération achevée, il faut consigner la date et heure de l'opération et la position du navire (latitude et longitude) au début et à la fin de l'incinération, la catégorie des ordures incinérées et une estimation de la quantité incinérée pour chaque catégorie d'ordures, en mÚtres cubes;
4° pour chaque évacuation dans une installation de réception portuaire ou chaque transfert à bord d'un autre navire, il faut consigner la date et l'heure de l'évacuation ou du transfert, le nom du port, de l'installation ou du navire, la catégorie des ordures évacuées ou transférées et l'estimation de la quantité évacuée ou transférée pour chaque catégorie d'ordures, en mÚtres cubes;
5° Le registre des ordures doit ĂȘtre conservĂ© Ă  bord du navire ou de la plate-forme fixe ou flottante dans un endroit oĂč il soit aisĂ©ment accessible aux fins d'inspection Ă  tout moment raisonnable. En ce qui concerne les navires belges, il doit ĂȘtre conservĂ© au moins pendant une pĂ©riode de deux ans Ă  compter de la date de la derniĂšre inscription.
6° en cas de rejet ou de perte accidentelle visĂ© par la rĂšgle 7 de l'Annexe V de la Convention MARPOL, doit ĂȘtre portĂ©e, dans le registre des ordures, ou, dans le cas des navires d'une jauge brute infĂ©rieure Ă  400, dans le livre de bord rĂ©glementaire, une mention indiquant la date et l'heure de l'Ă©vĂ©nement, le port ou la position oĂč se trouvait le navire Ă  ce moment-lĂ  (latitude, longitude et profondeur d'eau si elle est connue), les motifs du rejet ou de la perte, la description des objets rejetĂ©s ou perdus, la catĂ©gorie des ordures rejetĂ©es ou perdues, l'estimation de la quantitĂ© pour chaque catĂ©gorie, en mĂštres cubes, les prĂ©cautions raisonnables qui ont Ă©tĂ© prises pour empĂȘcher ou rĂ©duire au minimum ce rejet ou cette perte accidentelle et des remarques gĂ©nĂ©rales.
§ 4. Le ContrÎle de la navigation peut dispenser de l'application des prescriptions relatives au registre des ordures :
1° tout navire effectuant des voyages d'une durée inférieure ou égale à une (1) heure qui est autorisé à transporter 15 personnes ou davantage; ou
2° les plates-formes fixes ou flottantes.
§ 5. La perte accidentelle ou le rejet d'apparaux de pĂȘche par un navire belge visĂ© par la rĂšgle 7.1.3 et 7.1.4 de l'Annexe V de la Convention MARPOL, qui constitue une menace grave pour le milieu marin ou la navigation doit ĂȘtre notifiĂ© au ContrĂŽle de la Navigation et, si la perte ou le rejet s'est produit dans les eaux relevant de la juridiction d'un Etat cĂŽtier, Ă©galement Ă  cet Etat cĂŽtier.]1

Art. 3.7.2.8. [1 § 1. Dit artikel is van toepassing op alle schepen waarop deze afdeling van toepassing is en die in polaire wateren varen.
§ 2. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, moet elk in paragraaf 1 bedoeld schip voldoen aan de milieubepalingen uit de inleiding en hoofdstuk 5 van deel II-A van de Zeevaartcode voor het de poolgebieden, zoals bepaald in het MARPOL-Verdrag, naast alle andere toepasselijke voorschriften van deze afdeling.
§ 3. Hoofdstuk 5 van deel II-A van de Zeevaartcode voor het Noordpoolgebied, zoals bepaald in het MARPOL-Verdrag, wordt toegepast met inachtneming van de aanvullende aanbevelingen in deel II-B van de genoemde code.]1

Art. 3.7.2.8. [1 § 1er. Le présent article s'applique à tous les navires auxquels s'applique la présente section qui sont exploités dans les eaux polaires.
§ 2. Sauf disposition expresse contraire, tout navire visé au paragraphe 1er doit satisfaire aux dispositions relatives à l'environnement énoncées dans l'introduction et le chapitre 5 de la partie II-A du Recueil sur la navigation polaire, tel que défini par la Convention MARPOL, en plus de satisfaire à toutes autres prescriptions applicables de la présente section.
§ 3. Le chapitre 5 de la partie II-A du Recueil sur la navigation polaire, tel que défini par la Convention MARPOL, est appliqué en tenant compte des recommandations additionnelles qui figurent dans la partie II-B dudit recueil.]1

HOOFDSTUK 8. [1 - Sanitair afval van schepen]1
CHAPTIRE 8. [1 - Les eaux usées des navires]1
Art. 3.8.1.1. [1 Bijlage IV bij het MARPOL-Verdrag is van toepassing op schepen die vallen onder het toepassingsgebied van Bijlage IV van het MARPOL-Verdrag.
De Scheepvaartcontrole wordt aangeduid als administratie bedoeld in Bijlage IV bij het MARPOL-Verdrag.]1

Art. 3.8.1.1. [1 L'Annexe IV de la Convention MARPOL s'applique aux navires relevant du champ d'application de l'Annexe IV de la Convention MARPOL.
Le ContrÎle de la navigation est désigné comme l'administration visée à l'Annexe IV de la Convention MARPOL.]1

Art. 3.8.1.2. [1 De Scheepvaartcontrole is belast met de inspectie bedoeld in voorschrift 14 van Bijlage IV bij het MARPOL-Verdrag.]1
Art. 3.8.1.2. [1 Le ContrÎle de la navigation est chargé de l'inspection visée à la rÚgle 14 de l'Annexe IV de la Convention MARPOL.]1
Art. 3.8.1.3. [1 Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op alle gecertificeerde schepen die in overeenstemming met Bijlage IV bij het MARPOL-Verdrag in polaire wateren varen, zoals bepaald door het MARPOL-Verdrag.
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, moet een schip als bedoeld in het eerste lid van dit artikel voldoen aan de milieubepalingen uit de inleiding en hoofdstuk 4 van deel II-A van de Zeevaartcode voor het [2 poolgebieden]2, zoals bepaald in het MARPOL-Verdrag, naast alle andere toepasselijke voorschriften van dit hoofdstuk.]1

Art. 3.8.1.3. [1 Le présent chapitre s'applique également à tous les navires certifiés qui, conformément à l'annexe IV de la Convention MARPOL, sont exploités dans les eaux polaires, telles que définies par la Convention MARPOL.
Sauf disposition contraire expresse, un navire visé à l'alinéa 1er du présent article se conforme aux dispositions environnementales énoncées dans l'introduction et au chapitre 4 de la partie II-A du recueil sur la navigation polaire, tel que défini par la Convention MARPOL, en plus de toute autre rÚgle applicable du présent chapitre.]1

HOOFDSTUK 9. [1 - Ozonafbrekende stoffen]1
CHAPITRE 9. [1 - Substances appauvrissant la couche d'ozone]1
Art.3.9.1. [1 Dit hoofdstuk is enkel van toepassing op Belgische schepen.]1
Art.3.9.1. [1 Le présent chapitre s'applique uniquement aux navires belges.]1
Art.3.9.2. [1 § 1. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten.
§ 2. Opzettelijke emissies van ozonafbrekende stoffen aan boord zoals bedoeld in voorschrift 12.2 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag en installaties die ozonafbrekende stoffen bevatten zoals bedoeld in voorschrift 12.3 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag, zijn verboden.
§ 3. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, worden behandeld in overeenstemming met de instructies van de Scheepvaartcontrole, rekening houdend met de richtlijnen ontwikkeld door IMO.]1

Art.3.9.2. [1 § 1er. Le présent chapitre ne s'applique pas au matériel scellé de façon permanente qui ne comporte pas de branchements pour la recharge de produit réfrigérant ni d'éléments amovibles contenant des substances qui appauvrissent la couche d'ozone.
§ 2. Les émissions délibérées de substances se trouvant à bord qui appauvrissent la couche d'ozone, visées à la rÚgle 12.2 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL, et les installations contenant des substances qui appauvrissent la couche d'ozone, visées à la rÚgle 12.3 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL, sont interdites.
§ 3. Les émissions dues à des fuites de substances qui appauvrissent la couche d'ozone, qu'elles soient délibérées ou non, sont traitées conformément aux instructions du ContrÎle de la navigation, compte tenu des directives élaborées par l'OMI.]1

Art.3.9.3. [1 De stoffen en uitrusting die de stoffen bevat zoals vermeld in voorschrift 12 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag worden afgeleverd in een daarvoor geschikte ontvangstvoorziening wanneer ze worden verwijderd van een schip.]1
Art.3.9.3. [1 Les substances visĂ©es par la rĂšgle 12 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL et le matĂ©riel contenant de telles substances, lorsqu'ils sont enlevĂ©s des navires, doivent ĂȘtre livrĂ©s Ă  des installations de rĂ©ception appropriĂ©es.]1
Art.3.9.4. [1 Elk schip waarop voorschrift 6.1 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag van toepassing is, houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat in overeenstemming met voorschrift 12 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag van toepassing is en dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat, houdt een register voor ozonafbrekende stoffen bij in overeenstemming met voorschrift 12 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.]1

Art.3.9.4. [1 Chaque navire soumis aux dispositions de la rÚgle 6.1 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL tient à jour une liste du matériel contenant des substances qui appauvrissent la couche d'ozone, conformément à la rÚgle 12 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.
Chaque navire soumis aux dispositions de la rÚgle 6.1 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL à bord duquel sont installés des dispositifs rechargeables contenant des substances qui appauvrissent la couche d'ozone tient à jour un registre des substances qui appauvrissent la couche d'ozone, conformément à la rÚgle 12 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.]1

HOOFDSTUK 10. [1 - Vluchtige organische stoffen (VOC)]1
CHAPITRE 10. [1 - Composés organiques volatils (COV)]1
Art.3.10.1. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op Belgische schepen en vreemde schepen die zich in de Belgische maritieme zones bevinden.]1
Art.3.10.1. [1 Le présent chapitre s'applique aux navires belges et aux navires étrangers qui se trouvent dans les zones maritimes belges.]1
Art.3.10.2. [1 § 1. In afwijking van artikel 3.10.1 van dit besluit, is dit artikel enkel van toepassing op Belgische schepen.
§ 2. Een tanker moet uitgerust zijn met een door de Scheepvaartcontrole goedgekeurd dampemissieopvangsysteem en gebruikt dit systeem tijdens het laden van daarvoor in aanmerking komende ladingen.
De Scheepvaartcontrole houdt rekening met de veiligheidsnormen ontwikkeld door IMO bij de goedkeuring van dampemissieopvangsystemen.]1

Art.3.10.2. [1 § 1er. Par dĂ©rogation Ă  l'article 3.10.1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, cet article ne s'applique uniquement aux navires belges.
§ 2. Un navire-citerne doit ĂȘtre pourvu d'un collecteur d'Ă©missions de vapeurs approuvĂ© par le ContrĂŽle de la navigation et doit utiliser ce systĂšme pendant le chargement des cargaisons pertinentes.
Le ContrÎle de la navigation tient compte des normes de sécurité élaborées par l'OMI pour l'approbation des collecteurs d'émissions de vapeurs.]1

Art.3.10.3. [1 Een Belgische haven of terminal waar dampemissieopvangsysteem in overeenstemming met voorschrift 15 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag geĂŻnstalleerd zijn, kan gedurende 3 jaar en 6 maanden na de inwerkingtreding van dit besluit bestaande tankers toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.]1
Art.3.10.3. [1 Un port ou terminal belge qui a mis en place des systĂšmes de contrĂŽle des Ă©missions de vapeurs conformĂ©ment Ă  la rĂšgle 15 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL peut accepter des navires-citernes qui ne sont pas pourvus de collecteurs de vapeurs pendant une pĂ©riode de trois ans et six mois aprĂšs l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.]1
Art.3.10.4. [1 § 1. In afwijking van artikel 3.10.1 van dit besluit, is dit artikel enkel van toepassing op Belgische schepen.
§ 2. Een tanker die ruwe olie vervoert, moet een door de Scheepvaartcontrole goedgekeurd VOC-beheersplan aan boord hebben en implementeren. Het VOC-beheersplan wordt opgesteld in overeenstemming met voorschrift 15.6 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.]1

Art.3.10.4. [1 § 1er. Par dĂ©rogation Ă  l'article 3.10.1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, cet article ne s'applique uniquement aux navires belges.
§ 2. Un navire-citerne transportant du pĂ©trole brut doit avoir Ă  bord et doit appliquer un plan de gestion des COV approuvĂ© par le ContrĂŽle de la navigation. Le plan de gestion des COV doit ĂȘtre Ă©tabli conformĂ©ment Ă  la rĂšgle 15.6 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.]1

Art.3.10.5. [1 Dit hoofdstuk is enkel ook van toepassing op gastankers wanneer het type laad- en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van vluchtige organische stoffen die geen methaan bevatten mogelijk maakt.]1
Art.3.10.5. [1 Le présent chapitre s'applique aussi aux transporteurs de gaz uniquement si le type de systÚmes de chargement et de confinement permet de conserver à bord en toute sécurité les composés organiques volatils ne contenant pas de méthane ou de les réacheminer en toute sécurité à terre.]1
Art.3.10.6. [1 De Scheepvaartcontrole geeft kennis aan de IMO in overeenstemming met voorschrift 15.2 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.]1
Art.3.10.6. [1 Le ContrÎle de la navigation soumet une notification à l'OMI conformément à la rÚgle 15.2 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.]1
HOOFDSTUK 11. [1 - Verbranding aan boord]1
CHAPITRE 11. [1 - Incinération à bord]1
Art.3.11.1. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op Belgische schepen en vreemde schepen die zich in de Belgische maritieme zones bevinden.]1
Art.3.11.1. [1 Le présent chapitre s'applique aux navires belges et aux navires étrangers qui se trouvent dans les zones maritimes belges.]1
Art.3.11.2. [1 Verbranding aan boord van schepen is enkel toegelaten in overeenstemming met voorschrift 16 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.]1
Art.3.11.2. [1 L'incinération à bord des navires n'est autorisée que conformément à la rÚgle 16 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.]1
Art.3.11.3. [1 Verbrandingsinstallaties geĂŻnstalleerd in overeenstemming met voorschrift 16 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag moeten voorzien zijn van een handleiding van de producent in overeenstemming met voorschrift 16 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.]1
Art.3.11.3. [1 Les incinĂ©rateurs installĂ©s conformĂ©ment Ă  la rĂšgle 16 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL doivent ĂȘtre assortis d'un manuel d'exploitation du fabricant conformĂ©ment Ă  la rĂšgle 16 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL.]1
Art.3.11.4. [1 De verantwoordelijken voor de bediening van een in overeenstemming met voorschrift 16 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag geĂŻnstalleerde verbrandingsinstallatie moeten getraind zijn in de uitvoering van de instructies uit de handleiding van de producent zoals voorzien in artikel 3.11.2 van dit besluit.]1
Art.3.11.4. [1 Le personnel responsable de l'exploitation d'un incinĂ©rateur installĂ© conformĂ©ment Ă  la rĂšgle 16 de l'Annexe VI de la Convention MARPOL doit recevoir la formation voulue pour pouvoir appliquer les instructions fournies dans le manuel d'exploitation du fabricant conformĂ©ment Ă  l'article 3.11.2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.]1
TITEL 4. - OVERIGE BEPALINGEN
TITRE 4. - AUTRES DISPOSITIONS
HOOFDSTUK 1. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions abrogatoires
Art. 4.1.1. Het koninklijk besluit van 29 november 1967 betreffende de verontreiniging van de zee door olie, wordt opgeheven.
Art. 4.1.1. L'arrĂȘtĂ© royal du 29 novembre 1967 relatif Ă  la pollution des eaux de la mer par les hydrocarbures est abrogĂ©.
Art. 4.1.2. De artikelen 2 tot en met 6 en de bijlage van het koninklijk besluit van 19 juli 1994 houdende uitvoering van de wet van 6 augustus 1993 houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, en houdende uitvoering van de Protocollen bij dit verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003, vervangen bij besluit van 22 mei 2006, worden opgeheven.
Art. 4.1.2. Les articles 2 Ă  6 et l'annexe de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 juillet 1994 relatif Ă  l'exĂ©cution de la loi du 6 aoĂ»t 1993 portant approbation et exĂ©cution de la Convention internationale portant crĂ©ation d'un Fonds international d'indemnisation pour les dommages dus Ă  la pollution par les hydrocarbures, faite Ă  Bruxelles le 18 dĂ©cembre 1971, et portant exĂ©cution des Protocoles de cette Convention, faits Ă  Londres le 27 novembre 1992 et le 16 mai 2003, remplacĂ©s par l'arrĂȘtĂ© du 22 mai 2006, sont abrogĂ©s.
Art. 4.1.3. Het koninklijk besluit van 27 april 2007 betreffende de voorkoming van luchtverontreiniging door schepen en de vermindering van het zwavelgehalte van sommige scheepsbrandstoffen, gewijzigd bij de besluiten van 19 december 2014 en 20 december 2019, wordt opgeheven.
Art. 4.1.3. L'arrĂȘtĂ© royal du 27 avril 2007 concernant la prĂ©vention de la pollution de l'atmosphĂšre par les navires et la rĂ©duction de la teneur en soufre de certains combustibles marins, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du 19 dĂ©cembre 2014 et 20 dĂ©cembre 2019, est abrogĂ©.
Art. 4.1.4. Het koninklijk besluit van 13 juni 2012 betreffende de aansprakelijkheid van vervoerders van passagiers over zee bij ongevallen, wordt opgeheven.
Art. 4.1.4. L'arrĂȘtĂ© royal du 13 juin 2012 relatif Ă  la responsabilitĂ© des transporteurs de passagers par mer en cas d'accident est abrogĂ©.
Art. 4.1.5. Het koninklijk besluit van 13 maart 2013 houdende uitvoering van verscheidene Internationale Verdragen inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor verontreiniging door schepen, wordt opgeheven.
Art. 4.1.5. L'arrĂȘtĂ© royal du 13 mars 2013 portant exĂ©cution de Conventions internationales diverses en matiĂšre de responsabilitĂ© civile pour la pollution par les navires est abrogĂ©.
Art. 4.1.6. Het koninklijk besluit van 15 februari 2016 tot uitvoering van de Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG, wordt opgeheven.
Art. 4.1.6. L'arrĂȘtĂ© royal du 15 fĂ©vrier 2016 portant exĂ©cution du RĂšglement (UE) n° 1257/2013 du Parlement europĂ©en et du Conseil du 20 novembre 2013 relatif au recyclage des navires et modifiant le RĂšglement (CE) n° 1013/2006 et la Directive 2009/16/CE est abrogĂ©.
Art. 4.1.7. Het koninklijk besluit van 11 augustus 2017 ter uitvoering van het Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen, gedaan te Londen op 13 februari 2004 en ter wijziging van het koninklijk besluit van 22 december 2010 betreffende havenstaatcontrole, gewijzigd bij het besluit van 25 oktober 2018, wordt opgeheven.
Art. 4.1.7. L'arrĂȘtĂ© royal du 11 aoĂ»t 2017 portant exĂ©cution de la Convention internationale pour le contrĂŽle et la gestion des eaux de ballast et sĂ©diments des navires, faite Ă  Londres le 13 fĂ©vrier 2004 et modifiant l'arrĂȘtĂ© royal du 22 dĂ©cembre 2010 relatif au contrĂŽle par l'Etat du port, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du 25 octobre 2018, est abrogĂ©.
HOOFDSTUK 2. - Slotbepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions finales
Art. 4.2.1. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2020.
Art. 4.2.1. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er septembre 2020.
Art. 4.2.2. De minister bevoegd voor maritieme mobiliteit, de minister bevoegd voor Douane en Financiën en de minister bevoegd voor FAPETRO zijn, ieder wat hen betreft belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 4.2.2. Le ministre qui a la MobilitĂ© maritime dans ses attributions, le ministre qui a la Douane et les Finances dans ses attributions et le ministre qui a FAPETRO dans ses attributions sont chargĂ©s, chacun pour ce qui le concerne, de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-08-2020, p. 63355)
Art. N. (NOTE : pas de version française, voir version néerlandaise)