Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
20 DECEMBER 2020. - Wet houdende diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2020 en tekstbijwerking tot 30-06-2021)
Titre
20 DECEMBRE 2020. - Loi portant des dispositions diverses temporaires et structurelles en matière de justice dans le cadre de la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 24-12-2020 et mise à jour au 30-06-2021)
Documentinformatie
Numac: 2020016459
Datum: 2020-12-20
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2020016459
Date: 2020-12-20
Moniteur: Voir
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling HOOFDSTUK 2. - Eedaflegging bij schriftelijke v... HOOFDSTUK 3. - Tijdelijke verhoging van de inbe... HOOFDSTUK 4. - Bepaling betreffende de strafuit... HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 10 ap... HOOFDSTUK 6. - Gratis notariële volmachten tijd... HOOFDSTUK 7. - Aanpassingen aangaande het authe... HOOFDSTUK 8. - Verlenging van de termijnen in h... HOOFDSTUK 9. - De procedure van vereffening-ver... HOOFDSTUK 10. - Identificatie op afstand HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het Wetboek van... HOOFDSTUK 12. - Bepaling inzake de behandeling ... HOOFDSTUK 13. - Wijziging van de wet van 17 mei... HOOFDSTUK 14. - Wijziging van de wet van 5 mei ... HOOFDSTUK 15. - Tijdelijke versoepeling van de ... HOOFDSTUK 16. - Verlenging van de wettiging van... HOOFDSTUK 17. - Verlenging van de termijnen om ... HOOFDSTUK 18. - Verlenging van de termijnen voo... HOOFDSTUK 19. - Maatregelen met betrekking tot ... Afdeling 1. - Uitstel van de algemene vergaderi... Afdeling 2. - Tijdelijke versoepeling van de un... Afdeling 3. - Periode waarbinnen dit hoofdstuk ... HOOFDSTUK 20. - Wijzigingen met betrekking tot ... Afdeling 1. - Wijziging van het oud Burgerlijk ... Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 4 februa... HOOFDSTUK 21. - Maatregelen ter ondersteuning v... HOOFDSTUK 22. - Wijziging van het Gerechtelijk ... HOOFDSTUK 23. - Tijdelijke opschorting ten voor... HOOFDSTUK 24. - Tijdelijke inperking van bepaal... HOOFDSTUK 25. - Wijziging van de wet van 25 mei... HOOFDSTUK 26. - Wijzigingen van de inwerkingtre... Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 21 decem... Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 10 maart... HOOFDSTUK 27. - Wijziging van de wet van 5 mei ... HOOFDSTUK 28. - Inwerkingtreding
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Disposition générale CHAPITRE 2. - Prestation de serment par déclara... CHAPITRE 3. - Augmentation temporaire des seuil... CHAPITRE 4. - Disposition relative aux chambres... CHAPITRE 5. - Modifications de la loi du 10 avr... CHAPITRE 6. - Gratuité des procurations notarié... CHAPITRE 7. - Adaptations relatives au testamen... CHAPITRE 8. . - Prolongation des délais dans le... CHAPITRE 9. - La procédure de liquidation-partage CHAPITRE 10. - Identification à distance CHAPITRE 11. - Modifications du Code des sociét... CHAPITRE 12. - Disposition concernant le traite... CHAPITRE 13. - Modification de la loi du 17 mai... CHAPITRE 14. - Modification de la loi du 5 mai ... CHAPITRE 15. - Assouplissement temporaire des e... CHAPITRE 16. - Prolongation de la légitimation ... CHAPITRE 17. - Allongement des délais pour four... CHAPITRE 18. - Prolongation des délais endéans ... CHAPITRE 19. - Mesures à l'égard de l'assemblée... Section 1re. - Report des assemblées générales ... Section 2. - Assouplissement temporaire de l'ex... Section 3. - Période durant laquelle le présent... CHAPITRE 20. - Modifications à l'égard de l'ass... Section 1re. - Modification de l'ancien Code civil Section 2. - Modification de la loi du 4 févrie... CHAPITRE 21. - Mesures visant à soutenir la lut... CHAPITRE 22. - Modification du Code judiciaire CHAPITRE 23. - Sursis temporaire en faveur des ... CHAPITRE 24. - Restriction temporaire de certai... CHAPITRE 25. - Modification de la loi du 25 mai... CHAPITRE 26. - Modification de l'entrée en vigu... Section 1re. . - Modification de la loi du 21 d... Section 2. - Modification de la loi du 10 mars ... CHAPITRE 27. - Modification de la loi du 5 mai ... CHAPITRE 28. - Entrée en vigueur
Tekst (116)
Texte (116)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Eedaflegging bij schriftelijke verklaring
CHAPITRE 2. - Prestation de serment par déclaration écrite
Art. 2. Artikel 291 van het Gerechtelijk Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 juli 2017, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 291. Onverminderd artikel 289, eerste lid, en wanneer de installatie of de eedaflegging wegens buitengewone omstandigheden niet overeenkomstig de artikelen 288 en 289, tweede en derde lid, kan geschieden, wordt de bij het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed persoonlijk of schriftelijk afgelegd :
  a)door de voorzitters, de raadsheren, de eerste advocaten-generaal, de advocaten-generaal, de referendarissen, de hoofdgriffier, de griffiers en de personeelsleden van niveau A, van of bij het Hof van Cassatie in handen van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;
  b) door de federale procureur en de federale magistraten in handen van de voorzitter van het College van procureurs-generaal;
  c) door de andere in artikel 288 genoemde personen naargelang het geval in handen van de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof.
  Wanneer de eed schriftelijk wordt afgelegd, wordt hij gedateerd, ondertekend en, naargelang het geval, meegedeeld aan de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, het hof van beroep of het arbeidshof of aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal.".
Art. 2. L'article 291 du Code judiciaire, modifié en dernier lieu par la loi du 6 juillet 2017, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 291. Sans préjudice de l'article 289, alinéa 1er, et lorsque, par suite d'événements exceptionnels, la réception ou la prestation de serment ne peut être faite conformément aux articles 288 et 289, alinéas 2 et 3, le serment prescrit par le décret du 20 juillet 1831 est prêté en personne ou par écrit :
  a)par les présidents, les conseillers, les premiers avocats généraux, les avocats généraux, les référendaires, le greffier en chef, les greffiers et les membres du personnel de niveau A, de ou près la Cour de cassation, entre les mains du premier président de la Cour de cassation;
  b) par le procureur fédéral et les magistrats fédéraux, entre les mains du président du Collège des procureurs généraux;
  c) par les autres personnes visées à l'article 288, entre les mains, selon le cas, du premier président de la cour d'appel ou du premier président de la cour du travail.
  Lorsque la prestation de serment s'effectue par écrit, elle est datée, signée et, selon le cas, communiquée au premier président de la Cour de cassation, de la cour d'appel ou de la cour du travail ou au président du Collège des procureurs généraux.".
Art. 3. In artikel 291bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 februari 1997 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt tussen het eerste en het tweede lid, een lid ingevoegd, luidende :
  "Wanneer wegens buitengewone omstandigheden de in het eerste lid bedoelde eed niet persoonlijk kan worden afgelegd, wordt hij schriftelijk afgelegd en gedateerd en ondertekend meegedeeld aan de in het eerste lid bedoelde personen.".
Art. 3. Dans l'article 291bis du même Code, inséré par la loi du 17 février 1997 et modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2007, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
  "Lorsque, par suite d'événements exceptionnels, la prestation de serment visée à l'alinéa 1er ne peut être faite en personne, elle est effectuée par écrit et communiquée, datée et signée, aux personnes visées à l'alinéa 1er.".
Art. 4. De eedafleggingen bedoeld in de artikelen 429, 517, 555/14 en 555/15 van het Gerechtelijk Wetboek en in artikel 47 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt kunnen schriftelijk gebeuren.
  Ze worden gedateerd, ondertekend, en schriftelijk meegedeeld aan de instantie bedoeld in de in het eerste lid opgesomde artikelen.
  Voor de eedafleggingen bedoeld in de artikelen 555/14 en 555/15 van het Gerechtelijk Wetboek, geldt de handtekening op de schriftelijke eedaflegging ook als neerlegging van het specimen van de handtekening.
Art. 4. Les prestations de serment visées aux articles 429, 517, 555/14 et 555/15 du Code judiciaire et à l'article 47 de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat peuvent être réalisées par écrit.
  Elles sont datées, signées, et communiquées par écrit à l'instance visée aux articles énumérés dans l'alinéa 1er.
  En ce qui concerne les prestations de serment visées aux articles 555/14 et 555/15 du Code judiciaire, la signature sur le serment écrit est également considérée comme le dépôt du spécimen de signature.
Art. 5. Artikel 4 is van toepassing tot [2 30 september 2021]2.
  
Art. 5. L'article 4 s'applique jusqu'au [2 30 septembre 2021]2.
  
HOOFDSTUK 3. - Tijdelijke verhoging van de inbeslagnemingsdrempels bedoeld in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 3. - Augmentation temporaire des seuils d'insaisissabilité visés à l'article 1409 du Code judiciaire
Art. 6. De bedragen die worden vermeld in artikel 1409, § 1, eerste tot vierde lid, en § 1bis, eerste tot vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, aangepast bij het koninklijk besluit van 9 december 2019 tot uitvoering van artikel 1409, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, worden tijdelijk verhoogd als volgt :
  1° het bedrag van 27 000 frank, aangepast tot 1 138 euro, wordt verhoogd tot 1 366 euro;
  2° het bedrag van 29 000 frank, aangepast tot 1 222 euro, wordt verhoogd tot 1 467 euro;
  3° het bedrag van 32 000 frank, aangepast tot 1 349 euro, wordt verhoogd tot 1 619 euro;
  4° het bedrag van 35 000 frank, aangepast tot 1 475 euro, wordt verhoogd tot 1 770 euro;
  5° het bedrag van 50 euro, aangepast tot 70 euro, wordt verhoogd tot 84 euro.
Art. 6. Les montants mentionnés à l'article 1409, § 1er, alinéas 1er à 4 et § 1erbis, alinéas 1er à 4, du Code judiciaire, tels qu'adaptés par l'arrêté royal du 9 décembre 2019 portant exécution de l'article 1409, § 2, du Code judiciaire, sont temporairement augmentés comme suit :
  1° le montant de 27 000 francs, adapté à 1 138 euros, est porté à 1 366 euros;
  2° le montant de 29 000 francs, adapté à 1 222 euros, est porté à 1 467 euros;
  3° le montant de 32 000 francs, adapté à 1 349 euros, est porté à 1 619 euros;
  4° le montant de 35 000 francs, adapté à 1 475 euros, est porté à 1 770 euros;
  5° le montant de 50 euros, adapté à 70 euros, est porté à 84 euros.
Art. 7. Dit hoofdstuk is van toepassing tot [2 30 september 2021]2.
  
Art. 7. Le présent chapitre s'applique jusqu'au [2 30 septembre 2021]2.
  
HOOFDSTUK 4. - Bepaling betreffende de strafuitvoeringskamers
CHAPITRE 4. - Disposition relative aux chambres de l'application des peines
Art. 8. In afwijking van artikel 76, § 4, eerste lid, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen de strafuitvoeringskamers ten aanzien van de veroordeelden die in de gevangenis verblijven tot [1 30 juni 2021]1 ook zetelen in een rechtbank van eerste aanleg gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep.
  
Art. 8. Par dérogation à l'article 76, § 4, alinéa 1er, 1re phrase, du Code judiciaire, à l'égard des condamnés qui séjournent en prison, les chambres de l'application des peines peuvent également siéger dans un tribunal de première instance situé dans le ressort de la cour d'appel jusqu'au [1 30 juin 2021]1.
  
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken
CHAPITRE 5. - Modifications de la loi du 10 avril 2014 modifiant diverses dispositions en vue d'établir un registre national des experts judiciaires et établissant un registre national des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés
Art. 9. In artikel 28 van de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, vervangen bij de wet van 5 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "vijf jaar na deze datum" vervangen door de woorden "op 1 december 2022";
  2° in het derde en het vierde lid worden de woorden "30 november 2021" telkens vervangen door de woorden "30 november 2022".
Art. 9. A l'article 28 de la loi du 10 avril 2014 modifiant diverses dispositions en vue d'établir un registre national des experts judiciaires et établissant un registre national des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés, remplacé par la loi du 5 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er les mots "cinq ans après cette date" sont remplacés par les mots "le 1er décembre 2022";
  2° dans les alinéas 3 et 4 les mots "30 novembre 2021" sont chaque fois remplacés par les mots "30 novembre 2022".
Art. 10. In artikel 29 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 5 mei 2019, worden de volgende wijzingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "vijf jaar na deze datum" vervangen door de woorden "op 1 december 2022";
  2° in het derde en het vierde lid worden de woorden "30 november 2021" telkens vervangen door de woorden "30 november 2022".
Art. 10. A l'article 29 de la même loi, remplacé par la loi du 5 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er les mots "cinq ans après son entrée en vigueur" sont remplacés par les mots "le 1er décembre 2022";
  2° dans les alinéas 3 et 4 les mots "30 novembre 2021" sont chaque fois remplacés par les mots "30 novembre 2022".
HOOFDSTUK 6. - Gratis notariële volmachten tijdens de COVID-19-crisis
CHAPITRE 6. - Gratuité des procurations notariées durant la crise du COVID-19
Art. 11. In artikel 7, eerste lid, van de wet van 30 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie en het notariaat in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 juni 2020, worden de woorden "31 december 2020" telkens vervangen door de woorden "31 maart 2021".
Art. 11. Dans l'article 7, alinéa 1er, de la loi du 30 avril 2020 portant des dispositions diverses en matière de justice et de notariat dans le cadre de la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19, modifié par l'arrêté royal du 26 juin 2020, les mots "31 décembre 2020" sont chaque fois remplacés par les mots "31 mars 2021".
HOOFDSTUK 7. - Aanpassingen aangaande het authentiek testament
CHAPITRE 7. - Adaptations relatives au testament authentique
Art. 12. Artikel 971 van het oud Burgerlijk Wetboek, vervangen bij de wet van 16 december 1922, wordt tijdelijk gelezen als volgt :
  "Art. 971. Een testament bij openbare akte is het testament dat verleden wordt voor een notaris.".
Art. 12. L'article 971 de l'ancien Code Civil, remplacé par la loi du 16 décembre 1922, est temporairement lu comme suit :
  "Art. 971. Le testament par acte public est celui qui est reçu par un notaire.".
Art. 13. Artikel 972 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 16 december 1922, 6 mei 2009, 29 december 2010 en 31 juli 2020, wordt tijdelijk gelezen als volgt :
  "Art. 972. Wanneer het testament wordt verleden voor een notaris wordt het op papier opgemaakt overeenkomstig artikel 13 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt, volgens de door de testator uitgedrukte wil.
  Het testament moet aan de testator worden voorgelezen, die bevestigt dat dit zijn laatste wil is.
  Van een en ander wordt uitdrukkelijk melding gemaakt.".
Art. 13. L'article 972 du même Code, modifié par les lois des 16 décembre 1922, 6 mai 2009, 29 décembre 2010 et 31 juillet 2020 est temporairement lu comme suit :
  "Art. 972. Si le testament est reçu par un notaire, il est rédigé sur support papier conformément à l'article 13 de la loi du 16 mars 1803 contenant l'organisation du notariat, selon les volontés exprimées par le testateur.
  Il doit être donné lecture du testament au testateur, qui confirme que telles sont ses dernières volontés.
  Il est fait mention expresse du tout.".
Art. 14. In artikel 9, § 2, eerste lid, van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt, vervangen bij de wet van 4 mei 1999 en gewijzigd bij de wet van 6 juli 2017, worden de woorden ", 1° en 2° " tijdelijk opgeheven.
Art. 14. Dans l'article 9, § 2, alinéa 1er de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat, remplacé par la loi du 4 mai 1999 et modifié par la loi du 6 juillet 2017, les mots ", 1° et 2° " sont temporairement abrogés.
Art. 15. Artikel 10, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 4 mei 1999, wordt tijdelijk gelezen als volgt :
  "De notaris die alleen een akte verlijdt, moet worden bijgestaan door twee getuigen wanneer één van de partijen niet in staat is te ondertekenen of niet kan ondertekenen, blind of doofstom is.".
Art. 15. L'article 10, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 4 mai 1999, est temporairement lu comme suit :
  "Le notaire qui reçoit un acte seul doit être assisté de deux témoins lorsque l'une ou l'autre des parties ne peut ou ne sait signer, est aveugle ou sourde-muette.".
Art. 16. Dit hoofdstuk is van toepassing tot [2 30 september 2021]2.
  
Art. 16. Le présent chapitre s'applique jusqu'au [2 30 septembre 2021]2.
  
HOOFDSTUK 8. - Verlenging van de termijnen in het kader van de gerechtelijke verkopen en vrijwillige verkopen onder gerechtelijke vorm
CHAPITRE 8. . - Prolongation des délais dans le cadre des ventes judiciaires et amiables à forme judiciaire
Art. 17. De termijn van zes maanden bedoeld in artikel 1587, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op de verkoop in het kader van een beslag of een collectieve schuldenregeling, die verstrijkt vanaf 1 november 2020 tot [1 30 juni 2021]1 wordt van rechtswege verlengd met zes maanden.
  
Art. 17. Le délai de six mois visé à l'article 1587, alinéa 1er, du Code judiciaire applicable aux ventes dans le cadre d'une saisie ou d'un règlement collectif de dettes, qui expire à partir du 1er novembre 2020 jusqu'au [1 30 juin 2021]1 est prolongé de plein droit de six mois.
  
Art. 18. Indien de rechter, in het kader van de gerechtelijke verkopen en vrijwillige verkopen onder gerechtelijke vorm van onroerende goederen die niet vallen onder het toepassingsgebied van artikel 17 een termijn bepaald heeft waarbinnen deze verkoop dient plaats te vinden en die verstrijkt vanaf 1 november 2020 tot [1 30 juni 2021]1, wordt deze van rechtswege verlengd met zes maanden.
  
Art. 18. Dans le cadre des ventes judiciaires et amiables à forme judiciaire d'immeubles qui ne tombent pas sous le champ d'application de l'article 17, lorsque le juge a prévu un délai endéans lequel la vente doit avoir lieu et que ce délai expire à partir du 1er novembre 2020 jusqu'au [1 30 juin 2021]1, ce délai est prolongé de plein droit de six mois.
  
HOOFDSTUK 9. - De procedure van vereffening-verdeling
CHAPITRE 9. - La procédure de liquidation-partage
Art. 19. In afwijking van de artikelen 1214 tot 1224/1 van het Gerechtelijk Wetboek, kan vanaf 1 november 2020 tot [1 30 juni 2021]1 de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, desgevallend via videoconferentie, worden gehouden en voortgezet.
  
Art. 19. Par dérogation aux articles 1214 à 1224/1 du Code judiciaire, à partir du 1er novembre 2020 jusqu'au [1 30 juin 2021]1, les procédures de liquidation-partage peuvent être tenues et poursuivies, le cas échéant par vidéoconférence.
  
Art. 20. Indien na advies van de partijen de notaris van oordeel is dat de voortzetting van de procedure bedoeld in artikel 19 niet mogelijk is, brengt hij de partijen en hun raadslieden hiervan schriftelijk op de hoogte en preciseert hij de reden ervan.
  In dat geval kan elke termijn die in het kader van de procedure van vereffening-verdeling hetzij wettelijk, hetzij conventioneel is bepaald en die verstrijkt vanaf 1 november 2020 tot [1 30 juni 2021]1, door de notaris worden verlengd met maximaal vier maanden, na advies van de partijen.
  
Art. 20. Si le notaire estime, après avis des parties, que la poursuite de la procédure visée à l'article 19 n'est pas possible, il en informe les parties et leurs conseils par écrit et en précise le motif.
  Dans ce cas, tout délai prescrit dans le cadre de la procédure en liquidation-partage soit par la loi, soit conventionnellement, et qui expire à partir du 1er novembre 2020 jusqu'au [1 30 juin 2021]1, peut être prolongé de maximum quatre mois par le notaire, après avis des parties.
  
HOOFDSTUK 10. - Identificatie op afstand
CHAPITRE 10. - Identification à distance
Art. 21. In de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt wordt een artikel 18sexies ingevoegd, luidende :
  "Art. 18sexies. In geval van identificatie van de personen in de akte en de notaris aan de hand van een elektronisch identificatiemiddel, in de gevallen waar de wet de akte in gedematerialiseerde vorm toelaat, evenals bij waarmerking van de identiteit overeenkomstig artikel 1, vierde lid, is het gebruik van hun rijksregisternummer door de instrumenterende notaris en, in zijn hoedanigheid van beheerder van het hiertoe aangewende platform, door de Koninklijke Federatie van het Belgisch notariaat toegestaan.
  Indien het gebruikte elektronisch identificatiemiddel, dat moet beantwoorden aan de vereisten voorgeschreven door artikel 1 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/1502 van de Commissie van 8 september 2015 tot vaststelling van minimale technische specificaties en procedures betreffende het betrouwbaarheidsniveau voor elektronische identificatiemiddelen overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, geen foto bevat, is het de notaris en de Koninklijke Federatie van het Belgisch notariaat tevens toegestaan de foto op te halen in het Rijksregister met het oog op een correcte identificatie overeenkomstig de artikelen 1, vierde lid, en 11.
  De gegevens bedoeld in het eerste en het tweede lid, worden bewaard tot twintig jaar na de identificatie van de partijen door de notaris en worden vervolgens gewist.".
Art. 21. Dans la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat, il est inséré un article 18sexies rédigé comme suit :
  "Art. 18sexies. En cas d'identification des parties à l'acte et du notaire instrumentant à travers un moyen d'identification électronique, dans les cas où la loi autorise l'acte sous forme dématérialisée, ainsi qu'en cas de certification de l'identité conformément à l'article 1er, alinéa 4, l'utilisation de leur numéro national est autorisée par le notaire instrumentant et, en sa qualité de gestionnaire de la plateforme employée à cette fin, par la Fédération royale du notariat belge.
  Si le moyen d'identification électronique, qui doit répondre aux exigences prescrites par l'article 1 du règlement d'exécution (UE) 2015/1502 de la Commission du 8 septembre 2015 fixant les spécifications techniques et procédures minimales relatives aux niveaux de garantie des moyens d'identification électronique visés à l'article 8, alinéa 3, du Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE, ne comprend pas de photo, le notaire et la Fédération royale du notariat belge sont également autorisés à collecter la photo dans le Registre national en vue d'une identification correcte conformément aux articles 1er, alinéa 4, et 11.
  Les données visées aux alinéas 1er et 2, sont conservées jusqu'à vingt ans après l'identification des parties par le notaire et sont ensuite effacées.".
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen aangaande de deelname aan de algemene vergadering
CHAPITRE 11. - Modifications du Code des sociétés et des associations concernant la participation aux assemblées générales
Art. 22. In artikel 5 :85 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen worden de woorden "diegene die bij authentieke akte moeten worden verleden" vervangen door het woord "statutenwijzigingen".
Art. 22. Dans l'article 5 :85 du Code des sociétés et des associations, les mots "celles qui doivent être reçues dans un acte authentique" sont remplacés par les mots "la modification des statuts".
Art. 23. In artikel 5 :89 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "De statuten kunnen" vervangen door de woorden "Het bestuursorgaan kan";
  2° in paragraaf 1, tweede lid, eerste zin, worden de woorden ", op de bij of krachtens de statuten bepaalde wijze" opgeheven, en worden in de tweede zin de woorden "bij of krachtens de statuten" opgeheven;
  3° in paragraaf 1, derde lid, tweede zin, worden de woorden "De statuten kunnen bepalen dat het elektronische communicatiemiddel" vervangen door de woorden "Het elektronische communicatiemiddel moet" en wordt het woord "moet" opgeheven";
  4° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "statutaire of krachtens de statuten vastgestelde" opgeheven, en wordt het lid aangevuld met de volgende zin :
  "Als de vennootschap een vennootschapswebsite heeft als bedoeld in artikel 2 :31 worden die procedures voor diegene die het recht heeft aan de algemene vergadering deel te nemen toegankelijk gemaakt op de vennootschapswebsite.";
  5° in paragraaf 1 wordt het vijfde lid opgeheven;
  6° in paragraaf 1, zevende lid, worden de woorden ", het bestuursorgaan en, in voorkomend geval, de commissaris" opgeheven;
  7° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 23. A l'article 5 :89 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "Les statuts peuvent" sont remplacés par les mots "L'organe d'administration peut";
  2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, première phrase, les mots "de la manière définie par les statuts ou en vertu de ceux-ci" sont abrogés, et dans la deuxième phrase, les mots "par les statuts ou en vertu de ceux-ci" sont abrogés;
  3° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, deuxième phrase, les mots "Les statuts peuvent prévoir que le" sont remplacés par le mot "Le";
  4° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les mots "prévues par les statuts ou en vertu de ceux-ci" sont abrogés, et l'alinéa est complété par la phrase suivante :
  "Lorsque la société dispose d'un site internet visé à l'article 2 :31, ces procédures sont rendues accessibles sur le site internet de la société à ceux qui ont le droit de participer à l'assemblée générale.";
  5° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 5 est abrogé;
  6° au paragraphe 1er, alinéa 7, les mots ", l'organe d'administration et, le cas échéant, le commissaire" sont abrogés;
  7° le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 24. Artikel 5 :89, § 1, derde lid, tweede zin, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wordt tijdelijk gelezen als volgt :
  "Het elektronische communicatiemiddel moet de in het eerste lid bedoelde effectenhouders bovendien in staat stellen om deel te nemen aan de beraadslagingen en vragen te stellen, tenzij het bestuursorgaan in de oproeping tot de algemene vergadering motiveert waarom de vennootschap niet over dergelijk elektronisch communicatiemiddel beschikt.".
Art. 24. L'article 5 :89, § 1er, alinéa 3, deuxième phrase, du Code des sociétés et des associations est temporairement lu comme suit :
  "Le moyen de communication électronique doit en outre permettre aux titulaires de titres visés à l'alinéa 1er de participer aux délibérations et de poser des questions, à moins que l'organe d'administration ne motive dans la convocation à l'assemblée générale la raison pour laquelle la société ne dispose pas d'un tel moyen de communication électronique.".
Art. 25. In artikel 5 :113 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "De statuten kunnen" vervangen door de woorden "Het bestuursorgaan kan".
Art. 25. Dans l'article 5 :113 du même Code, les mots "Les statuts peuvent" sont remplacés par les mots "L'organe d'administration peut".
Art. 26. In artikel 6 :71 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "diegene die bij authentieke akte moeten worden verleden" vervangen door het woord "statutenwijzigingen".
Art. 26. Dans l'article 6 :71 du même Code, les mots "celles qui doivent être reçues dans un acte authentique" sont remplacés par les mots "la modification des statuts".
Art. 27. In artikel 6 :75 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "De statuten kunnen" vervangen door de woorden "Het bestuursorgaan kan";
  2° in paragraaf 1, tweede lid, eerste zin, worden de woorden ", op de bij of krachtens de statuten bepaalde wijze" opgeheven, en worden in de tweede zin de woorden "bij of krachtens de statuten" opgeheven;
  3° in paragraaf 1, derde lid, tweede zin, worden de woorden "De statuten kunnen bepalen dat het elektronische communicatiemiddel" vervangen door de woorden "Het elektronische communicatiemiddel moet" en wordt het woord "moet" opgeheven";
  4° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "statutaire of krachtens de statuten vastgestelde" opgeheven, en wordt het lid aangevuld met de volgende zin :
  "Als de vennootschap een vennootschapswebsite heeft als bedoeld in artikel 2 :31 worden die procedures voor diegene die het recht heeft aan de algemene vergadering deel te nemen toegankelijk gemaakt op de vennootschapswebsite.";
  5° in paragraaf 1 wordt het vijfde lid opgeheven;
  6° in paragraaf 1, zevende lid, worden de woorden ", het bestuursorgaan en, in voorkomend geval, de commissaris" opgeheven;
  7° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 27. A l'article 6 :75 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "Les statuts peuvent" sont remplacés par les mots "L'organe d'administration peut";
  2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, première phrase, les mots "de la manière définie par les statuts ou en vertu de ceux-ci" sont abrogés, et dans la deuxième phrase, les mots "par les statuts ou en vertu de ceux-ci" sont abrogés;
  3° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, deuxième phrase, les mots "Les statuts peuvent prévoir que le" sont remplacés par le mot "Le";
  4° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les mots "prévues par les statuts ou en vertu de ceux-ci" sont abrogés, et l'alinéa est complété par la phrase suivante :
  "Lorsque la société dispose d'un site internet tel que visé à l'article 2 :31, ces procédures sont rendues accessibles sur le site internet de la société à ceux qui ont le droit de participer à l'assemblée générale.";
  5° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 5 est abrogé;
  6° au paragraphe 1er, alinéa 7, les mots ", l'organe d'administration et, le cas échéant, le commissaire" sont abrogés;
  7° le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 28. Artikel 6 :75, § 1, derde lid, tweede zin, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wordt tijdelijk gelezen als volgt :
  "Het elektronische communicatiemiddel moet de aandeelhouders bovendien in staat stellen om deel te nemen aan de beraadslagingen en vragen te stellen, tenzij het bestuursorgaan in de oproeping tot de algemene vergadering motiveert waarom de vennootschap niet over dergelijk elektronisch communicatiemiddel beschikt.".
Art. 28. L'article 6 :75, § 1er, alinéa 3, deuxième phrase, du Code des sociétés et des associations est temporairement lu comme suit :
  "Le moyen de communication électronique doit en outre permettre aux actionnaires de participer aux délibérations et de poser des questions, à moins que l'organe d'administration ne motive dans la convocation à l'assemblée générale la raison pour laquelle la société ne dispose pas d'un tel moyen de communication électronique.".
Art. 29. In artikel 6 :98 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "De statuten kunnen" vervangen door de woorden "Het bestuursorgaan kan".
Art. 29. Dans l'article 6 :98 du même Code, les mots "Les statuts peuvent" sont remplacés par les mots "L'organe d'administration peut".
Art. 30. In artikel 7 :129, § 2, 4°, c), van hetzelfde Wetboek worden de woorden "in voorkomend geval, de bij of krachtens de statuten vastgestelde procedures en" vervangen door de woorden "de procedures en de", en worden de woorden ", in voorkomend geval," ingevoegd tussen de woorden "artikel 7 :137, en" en de woorden "om te stemmen".
Art. 30. Dans l'article 7 :129, § 2, 4°, c), du même Code, les mots "le cas échéant," sont abrogés, les mots "établis par ou en vertu des statuts," sont abrogés, et les mots ", le cas échéant," sont insérés entre les mots "l'article 7 :137, et" et les mots "de voter".
Art. 31. In artikel 7 :133 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "diegene die bij authentieke akte moeten worden verleden" vervangen door het woord "statutenwijzigingen".
Art. 31. Dans l'article 7 :133 du même Code, les mots "celles qui doivent être reçues par acte authentique" sont remplacés par les mots "la modification des statuts".
Art. 32. In artikel 7 :137 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "De statuten kunnen" vervangen door de woorden "De raad van bestuur, de enige bestuurder of de raad van toezicht kunnen";
  2° in paragraaf 1, tweede lid, eerste zin, worden de woorden ", op de bij of krachtens de statuten bepaalde wijze" opgeheven, en worden in de tweede zin de woorden "bij of krachtens de statuten" opgeheven;
  3° in paragraaf 1, derde lid, tweede zin, worden de woorden "De statuten kunnen bepalen dat het elektronische communicatiemiddel" vervangen door de woorden "Het elektronische communicatiemiddel moet" en wordt het woord "moet" opgeheven";
  4° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "statutaire of krachtens de statuten vastgestelde" opgeheven, en worden de woorden "In voorkomend geval kunnen die procedures voor eenieder toegankelijk worden" vervangen door de woorden "Als de vennootschap een vennootschapswebsite heeft als bedoeld in artikel 2 :31 worden die procedures voor diegene die het recht heeft aan de algemene vergadering deel te nemen, en bij een genoteerde vennootschap voor eenieder, toegankelijk";
  5° in paragraaf 1 wordt het vijfde lid opgeheven;
  6° in paragraaf 1, zevende lid, worden de woorden ", de bestuurders en de commissaris" opgeheven;
  7° in paragraaf 2 worden de woorden "de vennootschap toestaat dat op afstand aan de algemene vergadering wordt deelgenomen" vervangen door de woorden "op afstand aan de algemene vergadering wordt deelgenomen, in voorkomend geval wanneer de vennootschap dit toestaat";
  8° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 32. A l'article 7 :137 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "Les statuts" sont remplacés par les mots "Le conseil d'administration, l'administrateur unique ou le conseil de surveillance";
  2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, première phrase, les mots "de la manière définie par les statuts ou en vertu de ces derniers" sont abrogés, et dans la deuxième phrase, les mots "par les statuts ou en vertu de ces derniers" sont abrogés;
  3° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, deuxième phrase, les mots "Les statuts peuvent prévoir que le" sont remplacés par le mot "Le";
  4° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les mots "statutaires ou établies en vertu des statuts" sont abrogés, les mots "Le cas échéant" sont remplacés par les mots "Lorsque la société dispose d'un site internet visé à l'article 2 :31", et les mots "à tous" sont remplacés par les mots "à ceux qui ont le droit de participer à l'assemblée générale, et dans une société cotée à tous,";
  5° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 5 est abrogé;
  6° au paragraphe 1er, alinéa 7, les mots ", les administrateurs et le commissaire" sont abrogés;
  7° dans le paragraphe 2, les mots "lorsque la société permet la participation à distance à l'assemblée générale" sont remplacés par les mots "en cas de participation à distance à l'assemblée générale, le cas échéant, lorsque la société le permet";
  8° le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 33. Artikel 7 :137, § 1, derde lid, tweede zin, van hetzelfde Wetboek wordt tijdelijk gelezen als volgt :
  "Het elektronische communicatiemiddel moet de in het eerste lid bedoelde effectenhouders bovendien in staat stellen om deel te nemen aan de beraadslagingen en vragen te stellen, tenzij het bestuursorgaan in de oproeping tot de algemene vergadering motiveert waarom de vennootschap niet over dergelijk elektronisch communicatiemiddel beschikt.".
Art. 33. L'article 7 :137, § 1er, alinéa 3, deuxième phrase, du même Code est temporairement lu comme suit :
  "Le moyen de communication électronique doit en outre permettre aux titulaires de titres visés à l'alinéa 1er de participer aux délibérations et de poser des questions, à moins que l'organe d'administration ne motive dans la convocation à l'assemblée générale la raison pour laquelle la société ne dispose pas d'un tel moyen de communication électronique.".
Art. 34. In artikel 7 :167 van hetzelfde Wetboek worden de woorden " De statuten kunnen " vervangen door de woorden " Het bestuursorgaan kan".
Art. 34. Dans l'article 7 :167 du même Code, les mots "Les statuts peuvent" sont remplacés par les mots "L'organe d'administration peut".
Art. 35. In deel 3, boek 9, titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek wordt een onderafdeling 2/1 ingevoegd, luidende : "Schriftelijke algemene vergadering".
Art. 35. Dans la partie 3, livre 9, titre 2, chapitre 2, section 1re, du même Code, il est inséré une sous-section 2/1, intitulée "Assemblée générale écrite".
Art. 36. In onderafdeling 2/1, ingevoegd bij artikel 35, wordt een artikel 9 :14/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 9 :14/1. De leden kunnen eenparig en schriftelijk alle besluiten nemen die tot de bevoegdheid van de algemene vergadering behoren, met uitzondering van statutenwijzigingen. In dat geval dienen de formaliteiten van bijeenroeping niet te worden vervuld. De leden van het bestuursorgaan en, in voorkomend geval, de commissaris, mogen op hun verzoek van die besluiten kennis nemen.".
Art. 36. Dans la sous-section 2/1, insérée par l'article 35, il est inséré un article 9 :14/1, rédigé comme suit :
  "Art. 9 :14/1. Les membres peuvent, à l'unanimité et par écrit, prendre toutes les décisions qui relèvent des pouvoirs de l'assemblée générale, à l'exception de la modification des statuts. Dans ce cas, les formalités de convocation ne doivent pas être accomplies. Les membres de l'organe d'administration et, le cas échéant, le commissaire, peuvent, à leur demande, prendre connaissance de ces décisions.".
Art. 37. In deel 3, boek 9, titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 1, onderafdeling 3, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 9 :16/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 9 :16/1. § 1. Het bestuursorgaan kan de leden de mogelijkheid bieden om op afstand deel te nemen aan de algemene vergadering door middel van een door de VZW ter beschikking gesteld elektronisch communicatiemiddel. Wat de naleving van de voorwaarden inzake aanwezigheid en meerderheid betreft, worden de leden die op die manier aan de algemene vergadering deelnemen, geacht aanwezig te zijn op de plaats waar de algemene vergadering wordt gehouden.
  Voor de toepassing van het eerste lid moet de VZW de hoedanigheid en de identiteit van het in het eerste lid bedoelde lid kunnen controleren aan de hand van het gebruikte elektronische communicatiemiddel. Aan het gebruik van het elektronische communicatiemiddel kunnen bijkomende voorwaarden worden gesteld, met als enige doelstelling de veiligheid van het elektronische communicatiemiddel te waarborgen.
  Voor de toepassing van het eerste lid moet het elektronische communicatiemiddel de in het eerste lid bedoelde leden, onverminderd enige bij of krachtens de wet opgelegde beperking, ten minste in staat stellen om rechtstreeks, gelijktijdig en ononderbroken kennis te nemen van de besprekingen tijdens de vergadering en om hun stemrecht uit te oefenen met betrekking tot alle punten waarover de vergadering zich dient uit te spreken. Het elektronische communicatiemiddel moet de in het eerste lid bedoelde leden bovendien in staat stellen om deel te nemen aan de beraadslagingen en vragen te stellen.
  De oproeping tot de algemene vergadering omvat een heldere en nauwkeurige beschrijving van de procedures met betrekking tot de deelname op afstand. Als de VZW een verenigingswebsite heeft als bedoeld in artikel 2 :31 worden die procedures voor diegene die het recht heeft aan de algemene vergadering deel te nemen toegankelijk gemaakt op de verenigingswebsite.
  De notulen van de algemene vergadering vermelden de eventuele technische problemen en incidenten die de deelname langs elektronische weg aan de algemene vergadering of aan de stemming hebben belet of verstoord.
  De leden van het bureau van de algemene vergadering kunnen niet langs elektronische weg aan de algemene vergadering deelnemen.
  § 2. Onverminderd artikel 9 :15 kunnen de statuten ieder lid toestaan langs elektronische weg op afstand te stemmen vóór de algemene vergadering, volgens de statutair bepaalde modaliteiten.
  Als de VZW stemmen op afstand vóór de algemene vergadering langs elektronische weg toestaat, moet zij in staat zijn de hoedanigheid en de identiteit van het lid te controleren, op de bij of krachtens de statuten bepaalde wijze.".
Art. 37. Dans la partie 3, livre 9, titre 2, chapitre 2, section 1re, sous-section 3, du même Code, il est inséré un article 9 :16/1 rédigé comme suit :
  "Art. 9 :16/1. § 1er. L'organe d'administration peut prévoir la possibilité pour les membres de participer à distance à l'assemblée générale grâce à un moyen de communication électronique mis à disposition par l'ASBL. Pour ce qui concerne le respect des conditions de quorum et de majorité, les membres qui participent de cette manière à l'assemblée générale sont réputés présents à l'endroit où se tient l'assemblée générale.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, l'ASBL doit être en mesure de contrôler, par le moyen de communication électronique utilisé, la qualité et l'identité du membre visé à l'alinéa 1er. Des conditions supplémentaires peuvent être imposées pour l'utilisation du moyen de communication électronique, avec pour seul objectif la garantie de la sécurité du moyen de communication électronique.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, et sans préjudice de toute restriction imposée par ou en vertu de la loi, le moyen de communication électronique doit au moins permettre aux membres visés à l'alinéa 1er de prendre connaissance, de manière directe, simultanée et continue, des discussions au sein de l'assemblée et d'exercer leur droit de vote sur tous les points sur lesquels l'assemblée est appelée à se prononcer. Le moyen de communication électronique doit en outre permettre aux membres visés à l'alinéa 1er de participer aux délibérations et de poser des questions.
  La convocation à l'assemblée générale contient une description claire et précise des procédures relatives à la participation à distance. Lorsque l'ASBL dispose d'un site internet tel que visé à l'article 2 :31, ces procédures sont rendues accessibles sur le site internet de l'association à ceux qui ont le droit de participer à l'assemblée générale.
  Le procès-verbal de l'assemblée générale mentionne les éventuels problèmes et incidents techniques qui ont empêché ou perturbé la participation par voie électronique à l'assemblée générale ou au vote.
  Les membres du bureau de l'assemblée générale ne peuvent pas participer à l'assemblée générale par voie électronique.
  § 2. Sans préjudice de l'article 9 :15, les statuts peuvent autoriser tout membre à voter à distance avant l'assemblée générale sous forme électronique, selon les modalités qu'ils déterminent.
  Lorsque l'ASBL autorise le vote à distance avant l'assemblée générale sous forme électronique, elle doit être en mesure de contrôler la qualité et l'identité du membre, de la manière définie par les statuts ou en vertu de ceux-ci.".
Art. 38. Artikel 9 :16, § 1, derde lid, tweede zin, van hetzelfde Wetboek wordt tijdelijk gelezen als volgt :
  "Het elektronische communicatiemiddel moet de in het eerste lid bedoelde leden bovendien in staat stellen om deel te nemen aan de beraadslagingen en vragen te stellen, tenzij het bestuursorgaan in de oproeping tot de algemene vergadering motiveert waarom de VZW niet over dergelijk elektronisch communicatiemiddel beschikt.".
Art. 38. L'article 9 :16, § 1er, alinéa 3, deuxième phrase, du même Code est temporairement lu comme suit :
  "Le moyen de communication électronique doit en outre permettre aux membres visés à l'alinéa 1er de participer aux délibérations et de poser des questions, à moins que l'organe d'administration ne motive dans la convocation à l'assemblée générale la raison pour laquelle l'ASBL ne dispose pas d'un tel moyen de communication électronique.".
Art. 39. In deel 3, boek 10, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek wordt een onderafdeling 2/1 ingevoegd, luidende : "Schriftelijke algemene vergadering".
Art. 39. Dans la partie 3, livre 10, titre 2, chapitre 1er, section 1re, du même Code, il est inséré une sous-section 2/1, intitulé "Assemblée générale écrite".
Art. 40. In onderafdeling 2/1, ingevoegd bij artikel 39, wordt een artikel 10 :6/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 10 :6/1. De leden kunnen eenparig en schriftelijk alle besluiten nemen die tot de bevoegdheid van de algemene vergadering behoren, met uitzondering van statutenwijzigingen. In dat geval dienen de formaliteiten van bijeenroeping niet te worden vervuld. De leden van het bestuursorgaan en, in voorkomend geval, de commissaris, mogen op hun verzoek van die besluiten kennis nemen.".
Art. 40. Dans la sous-section 2/1, insérée par l'article 39, il est inséré un article 10 :6/1, rédigé comme suit :
  "Art. 10 :6/1. Les membres peuvent, à l'unanimité et par écrit, prendre toutes les décisions qui relèvent des pouvoirs de l'assemblée générale, à l'exception de la modification des statuts. Dans ce cas, les formalités de convocation ne doivent pas être accomplies. Les membres de l'organe d'administration et, le cas échéant, le commissaire, peuvent, à leur demande, prendre connaissance de ces décisions.".
Art. 41. In deel 3, boek 10, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 1, onderafdeling 3, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 10 :7/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 10 :7/1. § 1. Het bestuursorgaan kan de leden de mogelijkheid bieden om op afstand deel te nemen aan de algemene vergadering door middel van een door de IVZW ter beschikking gesteld elektronisch communicatiemiddel. Wat de naleving van de voorwaarden inzake aanwezigheid en meerderheid betreft, worden de leden die op die manier aan de algemene vergadering deelnemen, geacht aanwezig te zijn op de plaats waar de algemene vergadering wordt gehouden.
  Voor de toepassing van het eerste lid moet de IVZW de hoedanigheid en de identiteit van het in het eerste lid bedoelde lid kunnen controleren aan de hand van het gebruikte elektronische communicatiemiddel. Aan het gebruik van het elektronische communicatiemiddel kunnen bijkomende voorwaarden worden gesteld, met als enige doelstelling de veiligheid van het elektronische communicatiemiddel te waarborgen.
  Voor de toepassing van het eerste lid moet het elektronische communicatiemiddel de in het eerste lid bedoelde leden, onverminderd enige bij of krachtens de wet opgelegde beperking, ten minste in staat stellen om rechtstreeks, gelijktijdig en ononderbroken kennis te nemen van de besprekingen tijdens de vergadering en om hun stemrecht uit te oefenen met betrekking tot alle punten waarover de vergadering zich dient uit te spreken. Het elektronische communicatiemiddel moet de in het eerste lid bedoelde leden bovendien in staat stellen om deel te nemen aan de beraadslagingen en vragen te stellen.
  De oproeping tot de algemene vergadering omvat een heldere en nauwkeurige beschrijving van de procedures met betrekking tot de deelname op afstand. Als de IVZW een verenigingswebsite heeft als bedoeld in artikel 2 :31 worden die procedures voor diegene die het recht heeft aan de algemene vergadering deel te nemen toegankelijk gemaakt op de verenigingswebsite.
  De notulen van de algemene vergadering vermelden de eventuele technische problemen en incidenten die de deelname langs elektronische weg aan de algemene vergadering of aan de stemming hebben belet of verstoord.
  De leden van het bureau van de algemene vergadering kunnen niet langs elektronische weg aan de algemene vergadering deelnemen.
  § 2. De statuten kunnen ieder lid toestaan langs elektronische weg op afstand te stemmen vóór de algemene vergadering, volgens de statutair bepaalde modaliteiten.
  Als de IVZW stemmen op afstand vóór de algemene vergadering langs elektronische weg toestaat, moet zij in staat zijn de hoedanigheid en de identiteit van het lid te controleren, op de bij of krachtens de statuten bepaalde wijze.".
Art. 41. Dans la partie 3, livre 10, titre 2, chapitre 1er, section 1re, sous-section 3, du même Code, il est inséré un article 10 :7/1 rédigé comme suit :
  "Art. 10 :7/1. § 1er. L'organe d'administration peut prévoir la possibilité pour les membres de participer à distance à l'assemblée générale grâce à un moyen de communication électronique mis à disposition par l'AISBL. Pour ce qui concerne le respect des conditions de quorum et de majorité, les membres qui participent de cette manière à l'assemblée générale sont réputés présents à l'endroit où se tient l'assemblée générale.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, l'AISBL doit être en mesure de contrôler, par le moyen de communication électronique utilisé, la qualité et l'identité du membre visé à l'alinéa 1er. Des conditions supplémentaires peuvent être imposées pour l'utilisation du moyen de communication électronique, avec pour seul objectif la garantie de la sécurité du moyen de communication électronique.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, et sans préjudice de toute restriction imposée par ou en vertu de la loi, le moyen de communication électronique doit au moins permettre aux membres visés à l'alinéa 1er de prendre connaissance, de manière directe, simultanée et continue, des discussions au sein de l'assemblée et d'exercer leur droit de vote sur tous les points sur lesquels l'assemblée est appelée à se prononcer. Le moyen de communication électronique doit en outre permettre aux membres visés à l'alinéa 1er de participer aux délibérations et de poser des questions.
  La convocation à l'assemblée générale contient une description claire et précise des procédures relatives à la participation à distance. Lorsque l'AISBL dispose d'un site internet visé à l'article 2 :31, ces procédures sont rendues accessibles à ceux qui ont le droit de participer à l'assemblée générale sur le site internet de l'association.
  Le procès-verbal de l'assemblée générale mentionne les éventuels problèmes et incidents techniques qui ont empêché ou perturbé la participation par voie électronique à l'assemblée générale ou au vote.
  Les membres du bureau de l'assemblée générale ne peuvent pas participer à l'assemblée générale par voie électronique.
  § 2. Les statuts peuvent autoriser tout membre à voter à distance avant l'assemblée générale sous forme électronique, selon les modalités qu'ils déterminent.
  Lorsque l'AISBL autorise le vote à distance avant l'assemblée générale sous forme électronique, elle doit être en mesure de contrôler la qualité et l'identité du membre, de la manière définie par les statuts ou en vertu de ceux-ci.".
Art. 42. Artikel 10 :7, § 1, derde lid, tweede zin, van hetzelfde Wetboek wordt tijdelijk gelezen als volgt :
  "Het elektronische communicatiemiddel moet de in het eerste lid bedoelde leden bovendien in staat stellen om deel te nemen aan de beraadslagingen en vragen te stellen, tenzij het bestuursorgaan in de oproeping tot de algemene vergadering motiveert waarom de IVZW niet over dergelijk elektronisch communicatiemiddel beschikt.".
Art. 42. L'article 10 :7, § 1er, alinéa 3, deuxième phrase, du même Code, est temporairement lu comme suit :
  "Le moyen de communication électronique doit en outre permettre aux titulaires de titres visés à l'alinéa 1er de participer aux délibérations et de poser des questions, à moins que l'organe d'administration ne motive dans la convocation à l'assemblée générale la raison pour laquelle l'AISBL ne dispose pas d'un tel moyen de communication électronique.".
Art. 43. De artikelen 24, 28, 33, 38 en 42 zijn van toepassing tot 30 juni 2021.
Art. 43. Les articles 24, 28, 33, 38 et 42 s'appliquent jusqu'au 30 juin 2021.
HOOFDSTUK 12. - Bepaling inzake de behandeling van de hogere beroepen voor de kamer van inbeschuldigingstelling bedoeld in de artikelen 21bis, §§ 7 en 8, 28sexies, § 4, 28octies, § 4, 28novies, § 7, 61ter, §§ 5 en 6, 61quater, §§ 5 en 6, 61quinquies, §§ 4 en 5, en 61sexies, § 4, van het Wetboek van strafvordering
CHAPITRE 12. - Disposition concernant le traitement des recours devant la chambre des mises en accusation visés aux articles 21bis, §§ 7 et 8, 28sexies, § 4, 28octies, § 4, 28novies, § 7, 61ter, §§ 5 et 6, 61quater, §§ 5 et 6, 61quinquies, §§ 4 et 5, et 61sexies, § 4, du Code d'instruction criminelle
Art. 44. In afwijking van de artikelen 21bis, §§ 7 en 8, 28sexies, § 4, 28octies, § 4, 28novies, § 7, 61ter, §§ 5 en 6, 61quater, §§ 5 en 6, 61quinquies, §§ 4 en 5, en 61sexies, § 4, van het Wetboek van strafvordering, kan de kamer van inbeschuldigingstelling tot [2 30 september 2021]2, de zaak die voor haar is aangebracht, schriftelijk behandelen.
  Voor zover de procureur-generaal, de verzoeker en zijn advocaat schriftelijk opmerkingen overmaken aan de kamer van inbeschuldigingstelling, worden deze onverwijld, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, overgemaakt aan de andere partijen in de zaak, voor eventuele bijkomende schriftelijke opmerkingen, en dit voorafgaand aan de schriftelijke behandeling van de zaak.
  
Art. 44. Par dérogation aux articles 21bis, §§ 7 et 8, 28sexies, § 4, 28octies, § 4, 28novies, § 7, 61ter, §§ 5 et 6, 61quater, §§ 5 et 6, 61quinquies, §§ 4 et 5, et 61sexies, § 4, du Code d'instruction criminelle, la chambre des mises en accusation peut jusqu'au [2 30 septembre 2021]2, traiter par écrit l'affaire qui est portée devant elle.
  Pour autant que le procureur général, le requérant et son avocat transmettent des observations par écrit à la chambre des mises en accusation, celles-ci seront transmises sans délai aux autres parties à la cause par le moyen de communication écrit le plus rapide, pour remarques éventuelles complémentaires par écrit, et ceci avant le traitement par écrit de l'affaire.
  
HOOFDSTUK 13. - Wijziging van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten
CHAPITRE 13. - Modification de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine
Art. 45. In de gevallen bedoeld in de artikelen 53, 61, 63, 68, 75/2, 78, 79, 95/1, 95/6, 95/13, 95/16, 95/18, 95/19 en 95/23 en 95/30 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, hoort de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank tot [1 30 juni 2021]1, enkel de raadslieden van de veroordeelde, in voorkomend geval, van het slachtoffer, of het slachtoffer zelf, en het openbaar ministerie, behoudens andersluidende met redenen omklede beslissing. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. De directeur geeft een schriftelijk advies, dat eveneens een toelichting omvat van de voorwaarden gesteld in het belang van de slachtoffer indien hij deze heeft opgenomen in zijn advies opgesteld overeenkomstig artikel 31 van dezelfde wet.
  
Art. 45. Dans les cas visés par les articles 53, 61, 63, 68, 75/2, 78, 79, 95/1, 95/6,95/13, 95/16, 95/18, 95/19, 95/23 et 95/30 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines entend jusqu'au [1 30 juin 2021]1, uniquement les conseils du condamné, le cas échéant, de la victime ou la victime elle-même et le ministère public, sauf décision contraire motivée. Cette décision ne peut faire l'objet d'aucune voie de recours. Le directeur donne un avis écrit, qui contient également une explication des conditions formulées dans l'intérêt de la victime s'il les a reprises dans son avis rédigé conformément à l'article 31 de la même loi.
  
HOOFDSTUK 14. - Wijziging van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering
CHAPITRE 14. - Modification de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement
Art. 46. In de gevallen bedoeld in de artikelen 30, 46, 54, 58, § 4, 64 en 68 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering, hoort de kamer voor de bescherming van de maatschappij tot [1 30 juni 2021]1, enkel de advocaat van de geïnterneerde persoon en het openbaar ministerie, behoudens andersluidende gemotiveerde beslissing. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. De directeur of de verantwoordelijke van de zorg geeft een schriftelijk advies en licht eveneens, in voorkomend geval, schriftelijk de voorwaarden toe die hij in zijn advies heeft gesteld in het belang van het slachtoffer. In voorkomend geval kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij ook beslissen de advocaat van het slachtoffer of het slachtoffer zelf te horen.
Art. 46. Dans les cas visés aux articles 30, 46, 54, 58, § 4, 64 et 68 de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement, la chambre de protection sociale entend jusqu'au [1 30 juin 2021]1, uniquement l'avocat de la personne internée et le ministère public, sauf décision contraire motivée. Cette décision ne peut faire l'objet d'aucune voie de recours. Le directeur ou le responsable des soins donne un avis écrit et explique, le cas échéant, également par écrit les conditions qu'il a formulées dans son avis dans l'intérêt de la victime. Le cas échéant, la chambre de protection sociale peut décider d'entendre l'avocat de la victime, ou la victime elle-même.
(NOTE : par son arrêt n° 76/2021 du 20-05-2021 (2021-05-20/27, M.B. 23-06-2021, p. 64575), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
  
HOOFDSTUK 15. - Tijdelijke versoepeling van de vereisten voor de identificatie van de ondertekenaars van authentieke akten die een gerechtelijk ambt of een ambt bij het Grondwettelijk Hof uitoefenen
CHAPITRE 15. - Assouplissement temporaire des exigences pour l'identification des signataires d'actes authentiques qui exercent une fonction judiciaire ou une fonction auprès de la Cour constitutionnelle
Art. 47. De ondertekenaar van een authentieke akte in gedematerialiseerde vorm die een gerechtelijk ambt uitoefent als bedoeld in deel II, boek II, titel 1, van het Gerechtelijk Wetboek, die werd benoemd tot gerechtelijk stagiair overeenkomstig artikel 259octies, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, of die een ambt uitoefent als bedoeld in titel II, hoofdstuk 1 of 3 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, en die gebruik maakt van een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van de verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG, wordt, tot bewijs van het tegendeel, vermoed op het ogenblik van zijn handtekening te beschikken over de vereiste hoedanigheid om rechtsgeldig een authentieke akte op te maken.
  Artikel 8.15, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de ondertekenaar bedoeld in het eerste lid.
Art. 47. Le signataire d'un acte authentique sous forme dématérialisée qui exerce une fonction judiciaire visée à la deuxième partie, livre II, titre 1er, du Code judiciaire, qui a été nommé stagiaire judiciaire conformément à l'article 259octies, § 1er, alinéa 4, du même Code, ou qui exerce une fonction visée au titre II, chapitre 1er ou 3 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, et qui fait usage d'une signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12 du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE, est présumé, jusqu'à preuve du contraire, disposer de la qualité requise pour pouvoir valablement dresser cet acte au moment de sa signature.
  L'article 8.15, alinéa 4, du Code civil ne s'applique pas au signataire visé à l'alinéa 1er.
Art. 48. Dit hoofdstuk is van toepassing tot [2 30 september 2021]2.
  
Art. 48. Le présent chapitre s'applique jusqu'au [2 30 septembre 2021]2.
  
HOOFDSTUK 16. - Verlenging van de wettiging van de tijdelijke maatregelen betreffende de neerlegging van verzoekschriften
CHAPITRE 16. - Prolongation de la légitimation des mesures temporaires concernant le dépôt des requêtes
Art. 49. In artikel 4, derde lid, van de wet van 20 mei 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 juni 2020 en 13 september 2020, worden de woorden "31 december 2020" vervangen door de woorden "31 maart 2021".
Art. 49. Dans l'article 4, alinéa 3, de la loi du 20 mai 2020 portant des dispositions diverses en matière de justice dans le cadre de la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19, modifié par les arrêtés royaux du 15 juin 2020 et du 13 septembre 2020, les mots "31 décembre 2020" sont remplacés par les mots "31 mars 2021".
HOOFDSTUK 17. - Verlenging van de termijnen om bewijsstukken over te leggen in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand
CHAPITRE 17. - Allongement des délais pour fournir les pièces justificatives dans le cadre de l'aide juridique de deuxième ligne
Art. 50. Wanneer de in artikel 508/14, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijn van vijftien dagen afloopt tussen de datum van inwerkingtreding van deze wet en [3 30 september 2021]3, wordt die termijn verlengd op voorwaarde dat het bureau voor juridische bijstand oordeelt dat de aanvrager of de begunstigde wegens de COVID-19-crisis werd verhinderd de bewijsstukken binnen de gestelde termijn over te leggen. Deze periode kan in geen geval worden verlengd tot na [4 15 oktober 2021]4.
  
Art. 50. Lorsque le délai de quinze jours visé à l'article 508/14, alinéa 4, du Code judiciaire expire entre la date d'entrée en vigueur de la présente loi et le [3 30 septembre 2021]3, il peut être prolongé pour autant que le bureau d'aide juridique estime que le demandeur ou le bénéficiaire n'a pas pu produire les pièces justificatives dans le délai prescrit, en raison de la crise liée au COVID-19. En aucun cas, ce délai ne peut être prolongé au-delà du [4 15 octobre 2021]4.
  
Art. 51. Wanneer het bureau voor juridische bijstand oordeelt dat de vereiste bewijsstukken voor de toekenning van de juridische tweedelijnsbijstand in de periode tussen de datum van inwerkingtreding van deze wet en [2 30 september 2021]2 niet tijdig konden worden overgelegd wegens de COVID-19-crisis, wordt zulks gelijkgesteld met een spoedeisend geval als bedoeld in artikel 508/14, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. In dat geval zijn de in artikel 508/14, vierde lid, bedoelde procedure alsook de artikelen van dit hoofdstuk van toepassing.
  
Art. 51. L'impossibilité de fournir les pièces justificatives nécessaires pour l'octroi de l'aide juridique de deuxième ligne à temps pendant la période entre la date d'entrée en vigueur de la présente loi et le [2 30 septembre 2021]2 en raison de la crise liée au COVID-19, appréciée par le bureau d'aide juridique, est assimilée à l'urgence visée à l'article 508/14, alinéa 4, du Code judiciaire. Dans cette hypothèse, la procédure prévue à l'article 508/14, alinéa 4, s'applique ainsi que les articles du présent chapitre.
  
Art. 52. In afwijking van artikel 508/15 van het Gerechtelijk Wetboek doet het bureau voor juridische bijstand, tijdens de periode tussen de datum van inwerkingtreding van deze wet en [2 30 september 2021]2, uitspraak binnen een termijn van dertig dagen.
  
Art. 52. Par dérogation à l'article 508/15 du Code judiciaire, le Bureau d'aide juridique statue, pendant la période entre la date d'entrée en vigueur de la présente loi et le [2 30 septembre 2021]2, dans un délai de trente jours.
  
HOOFDSTUK 18. - Verlenging van de termijnen voor de procureur des Konings om advies uit te brengen in het kader van schijnsituaties en nationaliteitsverwerving
CHAPITRE 18. - Prolongation des délais endéans lesquels le procureur du Roi doit rendre un avis en matière de détournements d'institutions et d'acquisition de la nationalité
Art. 53. De termijnen van twee maanden bedoeld in de artikelen 167, tweede lid, 330/2, tweede lid, en 1476quater, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, de termijn van drie maanden bedoeld in artikel 71 van het Consulair Wetboek en de termijnen van vier maanden bedoeld in de artikelen 11bis, § 5, en 15, § 3, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, die aanvang nemen tijdens de periode van de datum van inwerkingtreding van deze wet tot [1 30 juni 2021]1, worden van rechtswege verlengd met twee maanden. De artikelen 52, eerste lid, 53 en 54 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
  De termijnen van twee maanden bedoeld in de artikelen 167, tweede lid, 330/2, tweede lid, en 1476quater, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, de termijn van drie maanden bedoeld in artikel 71 van het Consulair Wetboek en de termijn van vier maanden bedoeld in de artikelen 11bis, § 5 en 15, § 3, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, die verstrijken binnen de respectievelijk twee, drie en vier maanden te rekenen van de datum van inwerkingtreding van deze wet worden van rechtswege verlengd met een maand. De artikelen 52, eerste lid, 53 en 54 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
  De termijnen bedoeld in het eerste lid, die verstreken zijn vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet worden niet verlengd.
  Indien de toepassing van het eerste en het tweede lid leidt tot een verlenging van de oorspronkelijke termijn, zal elke bepaling die verwijst naar die termijn de duur van de verlenging in rekening brengen.
  De vraag tot overmaking van het dossier die plaats had moeten vinden binnen de termijn vermeld in de artikelen 11bis, § 7, eerste lid, en 15, § 5, eerste lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, wordt geacht op tijd te zijn gedaan als de belanghebbende een medisch attest voorlegt waaruit blijkt dat hij op doktersvoorschrift thuis moest blijven omwille van een vermoedelijke besmetting met COVID-19 of gehospitaliseerd was als gevolg daarvan.
  
Art. 53. Les délais de deux mois tels que visés aux articles 167, alinéa 2, 330/2, alinéa 2 et 1476quater, alinéa 2, de l'ancien Code civil, le délai de trois mois visé à l'article 71 du Code consulaire et les délais de quatre mois tels que visés aux articles 11bis, § 5, et 15, § 3, du Code de la nationalité belge, prenant cours durant la période s'étendant de la date d'entrée en vigueur de la présente loi jusqu'au [1 30 juin 2021]1, sont prolongés de plein droit de deux mois. Les articles 52, alinéa 1er, 53 et 54 du Code judiciaire s'appliquent.
  Les délais de deux mois tels que visés aux articles 167, alinéa 2, 330/2, alinéa 2, et 1476quater, alinéa 2 de l'ancien Code civil, le délai de trois mois visé à l'article 71 du Code consulaire et les délais de quatre mois tels que visés aux articles 11bis, § 5, et 15, § 3, du Code de la nationalité belge, qui expirent respectivement dans les deux, trois et quatre mois à compter de la date d'entrée en vigueur de la présente loi sont prolongés de plein droit d'un mois. Les articles 52, alinéa 1er, 53 et 54 du Code judiciaire s'appliquent.
  Les délais visés à l'alinéa 1er qui ont expiré avant la date d'entrée en vigueur de la présente loi ne sont pas prolongés.
  En cas d'application des deux premiers alinéas entraînant la prolongation du délai originel, toute disposition faisant référence audit délai prendra en compte la durée de la prolongation.
  La demande de transmission du dossier qui aurait dû être effectuée dans le délai visé aux articles 11bis, § 7, alinéa 1er, et 15, § 5, alinéa 1er, du Code de la nationalité belge, sera réputée avoir été faite à temps si le ou les déclarants présentent un certificat médical établissant qu'il a ou ont été maintenu(s) à domicile par un médecin pour suspicion de contamination ou pour contamination au COVID-19 ou hospitalisé(s) suite à cette contamination.
  
HOOFDSTUK 19. - Maatregelen met betrekking tot de algemene vergadering van mede-eigenaars
CHAPITRE 19. - Mesures à l'égard de l'assemblée générale des copropriétaires
Afdeling 1. - Uitstel van de algemene vergadering en gevolgen
Section 1re. - Report des assemblées générales et conséquences
Art. 54. Onder voorbehoud van het tweede lid, kunnen alle algemene vergaderingen van mede-eigenaars, zoals bedoeld in artikel 577-6 van het oud Burgerlijk Wetboek, waarvan de jaarlijkse periode van vijftien dagen vastgelegd in het reglement van interne orde valt in de in artikel 56 bedoelde periode, of die met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 4 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake mede-eigendom en het vennootschaps- en verenigingsrecht in het kader van de strijd tegen de COVID-19-pandemie waren uitgesteld en op datum van 1 oktober 2020 nog niet waren gehouden, door de syndicus worden uitgesteld naar de eerstvolgende in het reglement van interne orde vastgelegde periode van vijftien dagen waarin de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars dient plaats te vinden.
  De syndicus houdt niettemin een algemene vergadering wanneer een beslissing aangewezen is of op verzoek van één of meer mede-eigenaars die ten minste één vijfde van de aandelen van de gemeenschappelijke delen bezitten, overeenkomstig de in artikel 577-6, § 2, vastgestelde procedures. Indien die algemene vergadering omwille van omstandigheden redelijkerwijze niet fysiek of op afstand kan gehouden worden, kan toepassing gemaakt worden van artikel 55.
  In het geval van uitstel van de algemene vergadering, wordt de duur van de mandaten van de bij besluit van de algemene vergadering benoemde syndici, leden van de raden van mede-eigendom, en commissarissen van de rekeningen die aflopen in de in artikel 56 bedoelde periode, van rechtswege verlengd tot de eerstvolgende algemene vergadering die na deze periode wordt gehouden.
  In het geval van uitstel van de algemene vergadering, wordt, tijdens de in artikel 56 bedoelde periode, en tot de eerstvolgende algemene vergadering die na deze periode wordt gehouden, het contract tussen de syndicus en de vereniging van mede-eigenaars van rechtswege verlengd. De syndicus oefent zijn bevoegdheden uit overeenkomstig de beslissingen van de laatste algemene vergadering en in overeenstemming met de laatst goedgekeurde begroting.
  In het geval van uitstel van de algemene vergadering, wordt de geldigheidsduur van de door de algemene vergadering aan de raad van mede-eigendom verleende opdrachten en bevoegdheidsdelegaties verlengd tot de eerstvolgende algemene vergadering van mede-eigenaars.
Art. 54. Sous réserve de l'alinéa 2, toutes les assemblées générales de copropriétaires, telles que visées à l'article 577-6, de l'ancien Code civil, dont la période annuelle de quinze jours prévue par le règlement d'ordre intérieur tombe dans la période visée à l'article 56, ou qui ont été reportées en application de l'article 2 de l'arrêté royal n° 4 du 9 avril 2020 contenant diverses dispositions relatives à la copropriété et au droit des sociétés et associations dans le cadre de la lutte contre la pandémie de COVID-19 et n'ont pas encore eu lieu à la date du 1er octobre 2020, peuvent être reportées par le syndic à la prochaine période de quinze jours prévue par le règlement d'ordre intérieur au cours de laquelle doit se tenir l'assemblée générale de l'association des copropriétaires.
  Le syndic tient cependant une assemblée générale lorsqu'une décision est nécessaire ou sur requête d'un ou plusieurs copropriétaires qui possèdent au moins un cinquième des parts dans les parties communes, selon les modalités définies à l'article 577-6, § 2. Si cette assemblée générale ne peut raisonnablement être tenue physiquement ou à distance en raison des circonstances, l'article 55 peut être appliqué.
  En cas de report de l'assemblée générale, la durée des mandats des syndics, membres des conseils de copropriété et commissaires aux comptes nommés par décision de l'assemblée générale qui expirent durant la période visée à l'article 56 est prolongée de plein droit jusqu'à la première assemblée générale qui sera tenue après cette période.
  En cas de report de l'assemblée générale, durant la période visée à l'article 56, et jusqu'à la première assemblée générale qui sera tenue après cette période, le contrat entre le syndic et l'association des copropriétaires est prolongé de plein droit. Le syndic exerce ses compétences conformément aux décisions de la dernière assemblée générale et en conformité avec le dernier budget approuvé.
  En cas de report de l'assemblée générale, la durée de validité des missions et délégations de compétences confiées par l'assemblée générale au conseil de copropriété est prolongée jusqu'à la prochaine assemblée générale des copropriétaires.
Afdeling 2. - Tijdelijke versoepeling van de unanimiteitsvereiste
Section 2. - Assouplissement temporaire de l'exigence d'unanimité
Art. 55. De beslissing van een vereniging van mede-eigenaars die wordt genomen tijdens de periode bedoeld in artikel 56 volgens de procedure bedoeld in artikel 577-6, § 11, van het oud Burgerlijk Wetboek, kan rechtsgeldig worden genomen wanneer meer dan de helft van de leden van de vereniging van mede-eigenaars aan de stemming deelneemt en voor zover zij ten minste de helft van de aandelen in de gemeenschappelijke delen bezitten. De beslissingen van de vereniging van mede-eigenaars worden genomen bij de meerderheid die, voor elk agendapunt afzonderlijk, door de wet wordt vereist voor beslissingen van de algemene vergadering.
  De stembrieven die de syndicus met de post of elektronisch heeft ontvangen binnen drie weken of, in spoedeisende gevallen en voor zover dit in de oproeping is aangegeven, binnen acht dagen na de datum van de verzending van de oproeping, zijn geldig. Benevens de gegevens vermeld in artikel 577-6, § 10, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, notuleert de syndicus tevens de naam van de mede-eigenaars wier stembrieven in aanmerking zijn genomen.
Art. 55. La décision d'une association des copropriétaires qui est prise pendant la période visée à l'article 56 selon la procédure visée à l'article 577-6, § 11, de l'ancien Code civil, peut être valablement prise lorsque plus de la moitié des membres de l'association des copropriétaires participe au vote et à condition qu'ils possèdent au moins la moitié des quotes-parts dans les parties communes. Les décisions de l'association des copropriétaires sont prises à la majorité requise par la loi pour chaque point individuel de l'ordre du jour des décisions de l'assemblée générale des votes des copropriétaires.
  Les bulletins de vote reçus par le syndic par voie postale ou électronique dans les trois semaines ou, en cas d'urgence et pour autant que cela soit indiqué dans la convocation, dans les huit jours après la date d'envoi de la convocation sont valables. Outre les informations visées à l'article 577-6, § 10, alinéa 1er, de l'ancien Code civil, le syndic indique également dans le procès-verbal les noms des copropriétaires dont les bulletins de vote ont été pris en compte.
Afdeling 3. - Periode waarbinnen dit hoofdstuk van toepassing is
Section 3. - Période durant laquelle le présent chapitre s'applique
Art. 56. Dit hoofdstuk is van toepassing tot [1 [2 30 september 2021]2]1.
  
Art. 56. Le présent chapitre s'applique jusqu'au [1 [2 30 septembre 2021]2]1.
  
HOOFDSTUK 20. - Wijzigingen met betrekking tot de algemene vergadering van mede-eigenaars
CHAPITRE 20. - Modifications à l'égard de l'assemblée générale des copropriétaires
Afdeling 1. - Wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek
Section 1re. - Modification de l'ancien Code civil
Art. 57. In artikel 577-6, § 1, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, vervangen bij de wet van 2 juni 2010 en gewijzigd bij de wet van 18 juni 2018, worden de woorden "op fysieke wijze of, indien de bijeenroeping daarin voorziet, vanop afstand" ingevoegd tussen het woord "neemt" en het woord "deel".
Art. 57. Dans l'article 577-6, § 1er, alinéa 1er, de l'ancien Code civil, remplacé par la loi du 2 juin 2010 et modifié par la loi du 18 juin 2018, les mots ", physiquement ou si la convocation le prévoit, à distance," sont insérés entre le mot "participe" et les mots "à ses délibérations".
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 4 februari 2020 houdende boek 3 "Goederen" van het Burgerlijk Wetboek
Section 2. - Modification de la loi du 4 février 2020 portant le livre 3 "Les biens" du Code civil
Art. 58. In artikel 2 van de wet van 4 februari 2020 houdende boek 3 "Goederen" van het Burgerlijk Wetboek, in artikel 3.87, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, worden de woorden "op fysieke wijze of, indien de bijeenroeping daarin voorziet, vanop afstand" ingevoegd tussen het woord "neemt" en het woord "deel".
Art. 58. Dans l'article 2 de la loi du 4 février 2020 portant le livre 3 "Les biens" du Code civil, à l'article 3.87, § 1er, alinéa 1er, du Code civil, les mots ", physiquement ou si la convocation le prévoit, à distance," sont insérés entre le mot "participe" et les mots "à ses délibérations".
HOOFDSTUK 21. - Maatregelen ter ondersteuning van de bestrijding van de sanitaire crisis in de gevangenissen
CHAPITRE 21. - Mesures visant à soutenir la lutte contre la crise sanitaire dans les prisons
Art. 59. De in dit hoofdstuk gebruikte begrippen "de directeur", "de veroordeelde", "het slachtoffer" en "de minister" dienen begrepen te worden in de zin van artikel 2 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtpositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.
Art. 59. Les notions "le directeur", "le condamné", "la victime", et "le ministre" utilisées dans ce chapitre doivent être entendues au sens de l'article 2 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine.
Art. 60. § 1. De directeur kent een vervroegde invrijheidstelling "COVID-19" toe aan de veroordeelde die zijn straf geheel of gedeeltelijk in de gevangenis ondergaat en die zich in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling, vanaf zes maanden vóór het einde van het uitvoerbaar gedeelte van de vrijheidsstraf of van de vrijheidsstraffen waartoe hij is veroordeeld.
  In afwijking van het eerste lid, wordt de vervroegde invrijheidstelling "COVID-19" niet toegekend aan de veroordeelde wiens strafuitvoeringsmodaliteit tijdens de door artikel 69 bedoelde duur door de strafuitvoeringsrechtbank wordt herroepen.
  Indien de vervroegde invrijheidstelling niet wordt herroepen, loopt zij tot het bereiken van het strafeinde.
  § 2. De volgende veroordeelden zijn uitgesloten van de vervroegde invrijheidstelling :
  - de veroordeelden die één of meerdere vrijheidsbenemende straffen ondergaan waarvan het totaal meer dan tien jaar bedraagt;
  - de veroordeelden die één of meerdere gevangenisstraffen ondergaan voor de feiten bedoeld in boek II, titel Iter van het Strafwetboek;
  - de veroordeelden die één of meerdere gevangenisstraffen ondergaan voor de feiten bedoeld in de artikelen 371/1 tot 378bis van het Strafwetboek;
  - de veroordeelden die het voorwerp uitmaken van een veroordeling met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek;
  - de veroordeelden die geen recht hebben op verblijf en onder de regeling vallen van artikel 20/1 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten;
  - de veroordeelden die worden opgevolgd door het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse in het kader van de gemeenschappelijke gegevensbanken bedoeld in de artikelen 44/11/3bis tot 44/11/3quinquies van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
Art. 60. § 1er. Le directeur octroie la libération anticipée "COVID-19" au condamné qui subit sa peine entièrement ou en partie en prison et qui se trouve dans les conditions de temps pour l'octroi de la libération conditionnelle, à partir de six mois avant la fin de la partie exécutoire de la ou des peines privatives de liberté auxquelles il a été condamné.
  Par dérogation à l'alinéa premier, la libération anticipée "COVID-19" n'est pas octroyée au condamné dont la modalité d'exécution de la peine est révoquée par le tribunal de l'application des peines pendant la période visée à l'article 69.
  Si la libération anticipée n'est pas révoquée, elle court jusqu'à la fin de la peine.
  § 2. Les condamnés suivants sont exclus de la libération anticipée :
  - les condamnés qui subissent une ou plusieurs peine(s) privatives de liberté dont le total s'élève à plus de dix ans;
  - les condamnés qui subissent une ou plusieurs peine(s) d'emprisonnement pour des faits visés au livre II, titre Iter du Code pénal;
  - les condamnés qui subissent une ou plusieurs peine(s) d'emprisonnement pour des faits visés aux articles 371/1 à 378bis du Code pénal;
  - les condamnés qui font l'objet d'une condamnation avec une mise à disposition du tribunal de l'application des peines, conformément aux articles 34ter ou 34quater du Code pénal;
  - les condamnés qui n'ont pas de droit de séjour et qui sont soumis au régime prévu dans l'article 20/1 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine;
  - les condamnés qui sont suivis par l'Organe pour la coordination de l'analyse de la menace dans le cadre des banques de données communes visées aux articles 44/11/3bis à 44/11/3quinquies de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
Art. 61. § 1. De directeur neemt de beslissing tot toekenning van de vervroegde invrijheidstelling, na zich verzekerd te hebben van de haalbaarheid van de maatregel en de volgende criteria getoetst te hebben :
  - het hebben van onderdak;
  - het beschikken over voldoende middelen van bestaan.
  De procureur des Konings van het arrondissement waar de veroordeelde zijn woon- of verblijfplaats heeft en, indien de strafuitvoeringsrechtbank reeds gevat is, het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank, worden zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling en van de daaraan verbonden voorwaarden.
  Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling en van de daaraan verbonden voorwaarden.
  § 2. De veroordeelde is tijdens de proeftermijn onderworpen aan de volgende algemene voorwaarden :
  1° geen strafbare feiten plegen;
  2° de slachtoffers niet lastig vallen en zich onmiddellijk verwijderen van de plaats waar hij een slachtoffer ontmoet;
  3° de maatregelen opgelegd door de overheid in het kader van de strijd tegen de verspreiding van COVID-19 naleven.
  De proeftermijn is gelijk aan de duur van het nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen op het ogenblik van de vervroegde invrijheidstelling.
  In geval van herroeping van de vervroegde invrijheidstelling op grond van paragraaf 3, wordt de periode tijdens dewelke de veroordeelde in vervroegde invrijheidstelling was, afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen.
  § 3. De directeur kan de beslissing herroepen in volgende gevallen :
  - wanneer er ernstige aanwijzingen voorhanden zijn dat de veroordeelde het verbod op het plegen van strafbare feiten niet heeft nageleefd;
  - wanneer de veroordeelde de algemene voorwaarden vermeld in paragraaf 2, 2° en 3° niet naleeft.
  Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de beslissing tot herroeping.
  § 4. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt gedurende de proeftermijn, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de directeur.
  De directeur neemt een beslissing over de al dan niet herroeping van de vervroegde invrijheidstelling binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde en de procureur des Konings.
  Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de beslissing tot herroeping.
Art. 61. § 1. Le directeur octroie la libération anticipée après s'être assuré de la faisabilité de la mesure et après avoir fait les vérifications suivantes :
  - le condamné dispose d'un logement,
  - le condamné dispose de moyens d'existence suffisants.
  Le procureur du Roi de l'arrondissement où le condamné a son lieu de résidence ou de séjour et, si le tribunal de l'application des peines est déjà saisi, le ministère public près le tribunal de l'application des peines, sont informés le plus rapidement possible de l'octroi de la libération anticipée et des conditions qui y sont liées.
  La victime est informée le plus rapidement possible, et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide de l'octroi de la libération anticipée et des conditions qui y sont liées.
  § 2. Pendant le délai d'épreuve, le condamné est soumis aux conditions générales suivantes :
  1° ne pas commettre d'infraction;
  2° ne pas importuner les victimes et immédiatement quitter les lieux lorsqu'il rencontre une victime;
  3° se conformer aux mesures imposées par les autorités dans le cadre de la lutte contre la propagation du COVID-19.
  Le délai d'épreuve est égal à la durée de la peine restante à subir au moment de la libération anticipée.
  Si la libération anticipée est révoquée sur la base du paragraphe 3, la période au cours de laquelle le condamné était en libération anticipée est déduite de la partie restante des peines privatives de liberté au moment de l'octroi.
  § 3. Le directeur peut révoquer la décision dans les cas suivants :
  - lorsqu'il existe des indications sérieuses selon lesquelles le condamné n'a pas respecté l'interdiction de commettre des infractions;
  - lorsque le condamné ne respecte pas les conditions générales mentionnées au paragraphe 2, 2° et 3°.
  La victime est informée de la décision de révocation le plus rapidement possible et dans tous les cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide.
  § 4. Si le condamné met gravement en péril l'intégrité physique ou psychique de tiers pendant le délai d'épreuve, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve peut ordonner l'arrestation provisoire de celui-ci. Il communique immédiatement sa décision au directeur.
  Le directeur prend une décision sur la révocation ou non de la libération anticipée dans les sept jours qui suivent l'arrestation du condamné. Cette décision motivée est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné et au procureur du Roi.
  La victime est informée le plus rapidement possible, et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide de la décision de révocation.
Art. 62. De uitvoering van de beslissingen tot toekenning van een uitgaansvergunning, penitentiair verlof of beperkte detentie aan een veroordeelde op basis van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtpositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, met inbegrip van deze gestoeld op artikel 59 van dezelfde wet, en van de beslissingen tot toekenning van een uitgaansvergunning, verlof of beperkte detentie aan een geïnterneerde op basis van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering, voor zover deze uitgaansmodaliteit wordt uitgevoerd vanuit een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, a) of b), van dezelfde wet, wordt opgeschort tijdens de perioden vastgesteld door de minister met het oog op het beheer van de sanitaire crisis in de gevangenissen. De directeur kan op deze opschorting een uitzondering toestaan wanneer dringende en humanitaire omstandigheden dit rechtvaardigen of wanneer deze opschorting de reclassering ernstig in het gedrang brengt.
Art. 62. L'exécution des décisions d'octroi d'une permission de sortie, d'un congé pénitentiaire ou d'une détention limitée à un condamné sur la base de la loi du 17 mai 2006 relative au relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine y compris celles fondées sur l'article 59 de la même loi, et des décisions d'octroi d'une permission de sortie, d'un congé ou d'une détention limitée à un interné sur la base de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement, pour autant que cette modalité soit exécutée à partir d'une institution visée à l'article 3, 4°, a) ou b) de la même loi, est suspendue pendant les périodes fixées par le ministre en vue de gérer la crise sanitaire dans les prisons. Le directeur peut accorder une exception à cette suspension lorsque des circonstances urgentes et humanitaires le justifient ou lorsque la suspension met sérieusement en péril le plan de reclassement.
Art. 63. De onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" schorst de uitvoering van de straf voor een duur van twee maanden, die kan worden verlengd. Deze schorsing eindigt van rechtswege op de in artikel 69 bedoelde datum.
  De onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" wordt aan de veroordeelde toegekend met het doel de concentratie van de gevangenisbevolking te verminderen en derhalve de sanitaire crisis in de gevangenissen beter te kunnen beheren.
  De verjaring van de straf loopt niet tijdens de onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19".
Art. 63. L'interruption de l'exécution de la peine "COVID 19" suspend l'exécution de la peine pour une durée de deux mois, qui peut être prolongée. Cette suspension prend fin de plein droit à la date visée à l'article 69.
  L'interruption de l'exécution de la peine "COVID-19" est octroyée au condamné dans le but de réduire la concentration de la population carcérale et par conséquent de pouvoir mieux gérer la crise sanitaire dans les prisons.
  La prescription de la peine ne court pas pendant l'interruption de l'exécution de la peine "COVID-19".
Art. 64. De onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" kan op schriftelijk verzoek van de veroordeelde worden toegekend door de directeur aan de veroordeelde die zijn straf geheel of gedeeltelijk in de gevangenis ondergaat en die voldoet aan de volgende criteria :
  1° de veroordeelde heeft minstens drie goed verlopen penitentiaire verloven van zesendertig uur bedoeld in artikel 6 of artikel 59 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtpositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten genoten of voert zijn straf uit onder de modaliteit van beperkte detentie bedoeld in artikel 21 van dezelfde wet mits hij in dat kader reeds genoot van drie goed verlopen penitentiaire verloven;
  2° er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens de onderbreking van de strafuitvoering ernstige strafbare feiten zou plegen, op het risico dat hij de slachtoffers zou lastig vallen of op het risico dat hij zich niet zal houden aan de maatregelen opgelegd door de overheid in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19;
  3° de veroordeelde beschikt over een opvangadres en zijn opvangmilieu gaat akkoord om hem op te vangen;
  4° de veroordeelde beschikt over voldoende middelen van bestaan zodat hij voor de duur van de onderbreking van de strafuitvoering niet in een gevaarsituatie wordt geplaatst;
  De volgende veroordeelden zijn uitgesloten van de onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" :
  - de veroordeelden die één of meerdere vrijheidsbenemende straffen ondergaan waarvan het totaal meer dan 10 jaar bedraagt;
  - de veroordeelden die één of meerdere gevangenisstraffen ondergaan voor de feiten bedoeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek;
  - de veroordeelden die één of meerdere gevangenisstraffen ondergaan voor de feiten bedoeld in de artikelen 371/1 tot 378bis van het Strafwetboek;
  - de veroordeelden die het voorwerp uitmaken van een veroordeling met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek;
  - de veroordeelden die worden opgevolgd door het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse in het kader van de gemeenschappelijke gegevensbanken bedoeld in de artikelen 44/11/3bis tot 44/11/3quinquies van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
  Indien de directeur de onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" niet toekent aan de veroordeelde die er op grond van de in het eerste en het tweede lid bedoelde voorwaarden voor in aanmerking komt, neemt hij een met redenen omklede beslissing tot weigering en deelt deze mee aan de veroordeelde.
Art. 64. L'interruption de l'exécution de la peine "COVID-19" peut être octroyée par le directeur, à la demande écrite du condamné, au condamné qui subit sa peine entièrement ou en partie en prison et qui répond aux critères suivants :
  1° le condamné a déjà bénéficié d'au moins trois congés pénitentiaires de trente-six heures tels que visés à l'article 6 ou à l'article 59 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine qui se sont bien déroulés, ou il exécute sa peine sous forme de détention limitée telle que visée à l'article 21 de la même loi pourvu qu'il ait déjà bénéficié dans ce cadre de trois congés pénitentiaires qui se sont bien déroulés;
  2° il n'existe pas, dans le chef du condamné, de contre-indications; ces contre-indications portent sur le risque que le condamné se soustraie à l'exécution de sa peine, sur le risque qu'il commette des infractions graves pendant l'interruption de l'exécution de la peine, sur le risque qu'il importune les victimes ou sur le risque qu'il ne se conforme pas aux mesures imposées par les autorités dans le cadre de la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19;
  3° le condamné dispose d'une adresse d'accueil et son milieu d'accueil est d'accord de l'héberger;
  4° le condamné dispose de moyens d'existence suffisants pour ne pas se trouver dans une situation de danger pendant la durée de l'interruption de l'exécution de la peine.
  Les condamnés suivants sont exclus de l'interruption de l'exécution de la peine "COVID-19" :
  - les condamnés qui subissent une ou plusieurs peine(s) privatives de liberté dont le total s'élève à plus de 10 ans;
  - les condamnés qui subissent une ou plusieurs peine(s) d'emprisonnement pour des faits visés au livre II, titre Ierter, du Code pénal;
  - les condamnés qui subissent une ou plusieurs peine(s) d'emprisonnement pour des faits visés aux articles 371/1 à 378bis du Code pénal;
  - les condamnés qui font l'objet d'une condamnation avec une mise à la disposition du tribunal de l'application des peines, conformément aux articles 34ter ou 34quater du Code pénal;
  - les condamnés qui sont suivis par l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace dans le cadre des banques de données communes visées dans les articles 44/11/3bis à 44/11/3quinquies de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
  Si le directeur n'octroie pas l'interruption de l'exécution de la peine "COVID-19" au condamné qui répond aux conditions visées aux alinéas 1er et 2, il prend une décision motivée de refus et la communique au condamné.
Art. 65. De beslissing tot toekenning van de onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" wordt zo snel mogelijk, en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, meegedeeld aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" plaatsvindt en, indien de strafuitvoeringsrechtbank reeds gevat is, aan het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank.
  Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de toekenning van de onderbreking van de strafuitvoering.
Art. 65. La décision d'octroi de l'interruption de l'exécution de la peine "COVID-19" est communiquée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide au procureur du Roi de l'arrondissement où a lieu l'interruption de l'exécution de la peine "COVID-19" et, si le tribunal de l'application des peines est déjà saisi, au ministère public près le tribunal de l'application des peines.
  La victime est informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide de l'octroi de l'interruption de l'exécution de la peine.
Art. 66. § 1. De beslissing tot toekenning van de onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" wordt uitvoerbaar op de door de directeur bepaalde datum, uiterlijk veertien dagen na de beslissing tot toekenning.
  § 2. Indien de minister oordeelt dat dit noodzakelijk blijft om het doel vermeld in artikel 63, tweede lid, te bereiken, kan de directeur, mits akkoord van de veroordeelde, de beslissing tot toekenning van de onderbreking van de strafuitvoering verlengen voor een periode van maximaal twee maanden, na onderzoek van de criteria vermeld in artikel 64, eerste lid, 2° en 3°. In het dossier van de veroordeelde wordt schriftelijk melding gemaakt van de datum en de wijze waarop de veroordeelde zijn akkoord gaf met de verlenging.
  In geval van verlenging wordt de veroordeelde daarvan door de directeur in kennis gesteld.
  Artikel 65 is op overeenkomstige wijze van toepassing op de beslissing tot verlenging.
Art. 66. § 1er. La décision d'octroi de l'interruption de l'exécution de la peine "COVID-19" est exécutoire à la date déterminée par le directeur et au plus tard quatorze jours après la décision d'octroi.
  § 2. Si le ministre juge que cela reste nécessaire pour atteindre le but visé à l'article 63, alinéa 2, le directeur peut, à condition que le condamné soit d'accord, prolonger la décision d'octroi de l'interruption de l'exécution de la peine pour une période de maximum deux mois, après avoir examiné les critères visés à l'article 64, alinéa 1er, 2° et 3°. La date et le moyen par lequel l'accord du condamné est donné sont consignés par écrit dans le dossier du condamné.
  En cas de prolongation, le condamné en est informé par le directeur.
  L'article 65 s'applique par analogie à la décision de prolongation.
Art. 67. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de directeur.
  De directeur neemt een beslissing over de herroeping van de onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde en de procureur des Konings.
  Het slachtoffer wordt van de beslissing zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld.
Art. 67. Si le condamné met gravement en péril l'intégrité physique ou psychique de tiers, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve peut ordonner l'arrestation provisoire de celui-ci. Il communique immédiatement sa décision au directeur.
  Le directeur prend une décision sur la révocation de l'interruption de l'exécution de la peine "COVID-19" dans les sept jours qui suivent l'arrestation du condamné. Cette décision motivée est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné et au procureur du Roi.
  La victime est informée le plus rapidement possible de la décision, et dans tous les cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide.
Art. 68. Behalve in het in artikel 67 bedoelde geval, neemt de onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" van rechtswege een einde in geval de veroordeelde opnieuw wordt opgesloten.
  Teneinde opnieuw de onderbreking van de strafuit-voering "COVID-19" te verkrijgen, moet de directeur een nieuwe beslissing tot toekenning nemen overeenkomstig artikel 64.
Art. 68. Sauf dans le cas visé à l'article 67, l'interruption de l'exécution de la peine "COVID-19" prend automatiquement fin si le condamné est de nouveau incarcéré.
  Pour que le condamné puisse obtenir une nouvelle interruption de l'exécution de la peine "COVID-19", le directeur doit prendre une nouvelle décision d'octroi conformément à l'article 64.
Art. 69. [1 § 1. De artikelen 59 tot en met 62 zijn van toepassing tot 30 september 2021.
   § 2. De artikelen 63 tot en met 68 zijn van toepassing tot 15 oktober 2021.]1

  
Art. 69. [1 § 1. Les articles 59 à 62 s'appliquent jusqu'au 30 septembre 2021.
   § 2. Les articles 63 à 68 s'appliquent jusqu'au 15 octobre 2021.]1

  
HOOFDSTUK 22. - Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 22. - Modification du Code judiciaire
Art. 70. Artikel 555/11, § 4, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, wordt aangevuld met de volgende zinnen :
  "Daardoor geldt de verrichte vertaling als een gelegaliseerde vertaling voor het gebruik ervan binnen het Koninkrijk. Voor het gebruik ervan in het buitenland moet de vertaling vervolgens worden gelegaliseerd door de Federale Overheidsdienst Justitie op basis van de stempel en de opname in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken en vervolgens door de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op basis van de handtekening die erop werd geplaatst door de Federale Overheidsdienst Justitie. De legalisatie bevestigt slechts de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van de vertaling heeft gehandeld en, in voorkomend geval, de geldigheid van de stempel geplaatst op het document. De Koning bepaalt de nadere regels waaronder de legalisatie gebeurt.".
Art. 70. L'article 555/11, § 4, alinéa 3, du Code judiciaire, inséré par la loi du 5 mai 2019, est complété par les phrases suivantes :
  "En conséquence, la traduction effectuée vaut comme une traduction légalisée pour son utilisation au sein du Royaume. Pour son utilisation à l'étranger, la traduction doit ensuite être légalisée par le Service Public Fédéral Justice sur la base du cachet et de l'inscription au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés, puis par le Service Public Fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement sur la base de la signature qui y a été apposée par le Service Public Fédéral Justice. La légalisation ne fait que confirmer l'authenticité de la signature, la qualité en laquelle le signataire de la traduction a agi et, le cas échéant, la validité du cachet apposé sur le document. Le Roi détermine les modalités selon lesquelles la légalisation est effectuée.".
HOOFDSTUK 23. - Tijdelijke opschorting ten voordele van ondernemingen die onder de toepassing vallen van het ministerieel besluit van 1 november 2020 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken van uitvoeringsmaatregelen en andere maatregelen
CHAPITRE 23. - Sursis temporaire en faveur des entreprises relevant de l'arrêté ministériel du 1er novembre 2020 modifiant l'arrêté ministériel du 28 octobre 2020 portant des mesures d'urgence pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19 des mesures d'exécution et autres mesures
Art. 71. Alle ondernemingen die vallen onder het toepassingsgebied van Boek XX van het Wetboek van economisch recht en het voorwerp uitmaken van sluitingsmaatregelen op grond van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 1 november 2020, en waarvan de continuïteit bedreigd is door de verspreiding van de COVID-19-epidemie of -pandemie en haar gevolgen, en die niet in staking van betaling waren op 18 maart 2020, genieten van een tijdelijke opschorting vanaf de dag van de inwerkingtreding van deze wet tot en met 31 januari 2021, zoals hierna bepaald :
  - behoudens op onroerende goederen, kan geen bewarend of uitvoerend beslag worden gelegd, en geen enkel middel van tenuitvoerlegging worden aangewend of voortgezet op de goederen van de onderneming, voor alle schulden van de onderneming, met inbegrip van de schulden opgenomen in een reorganisatieplan zoals bedoeld in artikel XX.82 van hetzelfde Wetboek gehomologeerd voor of na de inwerkingtreding van deze wet; deze bepaling is niet van toepassing op het bewarend beslag op zeeschepen en binnenschepen;
  - de onderneming kan niet op dagvaarding failliet verklaard worden of, indien deze een rechtspersoon is, gerechtelijk worden ontbonden, tenzij op initiatief van het openbaar ministerie of van de in toepassing van artikel XX.32 van hetzelfde Wetboek door de voorzitter van de ondernemingsrechtbank aangestelde voorlopige bewindvoerder of met de toestemming van de schuldenaar; evenmin kan op grond van artikel XX.84, § 2, 1°, van hetzelfde Wetboek de overdracht onder gerechtelijk gezag van het geheel of een deel van haar activiteiten worden bevolen;
  - de betalingstermijnen opgenomen in een reorganisatieplan zoals bedoeld in artikel XX.82 van hetzelfde Wetboek gehomologeerd voor of na de inwerkingtreding van deze wet, worden verlengd met een duur gelijk aan die van de opschorting bedoeld in deze wet, desgevallend met verlenging van de maximumtermijn van vijf jaar voor de uitvoering van het plan in afwijking van artikel XX.76 van hetzelfde Wetboek en van de maximumtermijn bedoeld in artikel XX.74 van hetzelfde Wetboek;
  - overeenkomsten gesloten voor de inwerkingtreding van deze wet kunnen niet eenzijdig of gerechtelijk worden ontbonden wegens een wanbetaling van een geldschuld opeisbaar onder de overeenkomst; deze bepaling is niet van toepassing op arbeidsovereenkomsten.
  Elke belanghebbende partij kan bij dagvaarding de voorzitter van de bevoegde ondernemingsrechtbank verzoeken te beslissen dat een onderneming niet valt onder het toepassingsgebied van de in het eerste lid bedoelde opschorting of deze opschorting geheel of gedeeltelijk op te heffen bij een bijzonder met redenen omklede beslissing. De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding. De voorzitter doet uitspraak bij voorrang boven alle andere zaken. De voorzitter houdt daarbij onder meer rekening met de vraag of ten gevolge van de COVID-19-epidemie of -pandemie de omzet of activiteit van de schuldenaar sterk is gedaald, of er volledig of deels beroep is gedaan op economische werkloosheid en of de overheid bevel heeft gegeven tot sluiting van de onderneming van de schuldenaar, alsook met de belangen van de verzoeker.
  Deze bepaling doet geen afbreuk aan de verplichting opeisbare schulden te betalen, noch aan de gemeenrechtelijke contractuele sancties zoals ondermeer de exceptie van niet-uitvoering, de schuldvergelijking en het retentierecht. Zij laat de toepassing van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten onverlet. Zij raakt evenmin aan de verplichtingen van de werkgevers.
Art. 71. Toutes les entreprises relevant du champ d'application du Livre XX du Code de droit économique et qui font l'objet de mesures de fermeture en application de l'arrêté ministériel du 28 octobre 2020, portant des mesures d'urgence pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19, modifié par l'arrêté ministériel du 1er novembre 2020, et dont la continuité est menacée par l'épidémie ou la pandémie de COVID-19 et ses suites et qui n'étaient pas en état de cessation de paiement à la date du 18 mars 2020, bénéficient d'un sursis temporaire à partir de l'entrée en vigueur de la présente loi jusqu'au 31 janvier 2021 inclus, comme précisé ci-après :
  - sauf sur les biens immobiliers, aucune saisie conservatoire ou exécutoire ne peut être pratiquée et aucune voie d'exécution ne peut être poursuivie ou exécutée sur les biens de l'entreprise, pour toutes les dettes de l'entreprise y compris les dettes reprises dans un plan de réorganisation tel que prévu à l'article XX.82 du même Code homologué avant ou après l'entrée en vigueur de la présente loi; cette disposition n'est pas applicable à la saisie conservatoire sur les navires et bateaux;
  - l'entreprise ne peut être déclarée en faillite sur citation, ou s'il s'agit d'une personne morale, ne peut être dissoute judiciairement, sauf sur initiative du ministère public ou de l'administrateur provisoire qui a été désigné par le président du tribunal de l'entreprise en application de l'article XX.32 du même Code, ou avec le consentement du débiteur; le transfert sous autorité de justice de tout ou partie de ses activités ne peut pas non plus être ordonné sur la base de l'article XX.84, § 2, 1°, du même Code;
  - les délais de paiement repris dans un plan de réorganisation tel que prévu à l'article XX.82 du même Code et homologué avant ou après l'entrée en vigueur de la présente loi sont prolongés d'une durée égale à celle du sursis prévu dans la présente loi, le cas échéant avec une prolongation du délai maximal de cinq ans pour l'exécution du plan, en dérogation à l'article XX.76 du même Code et du délai maximal visé à l'article XX.74 du même Code;
  - les contrats conclus avant l'entrée en vigueur de la présente loi ne peuvent être résolus unilatéralement ou par voie judiciaire en raison d'un défaut de paiement d'une dette d'argent exigible sous le contrat; cette disposition n'est pas applicable aux contrats de travail.
  Toute partie intéressée peut demander par citation au président du tribunal de l'entreprise compétent de décider qu'une entreprise ne tombe pas dans le champ d'application du sursis visé à l'alinéa 1er ou de lever en tout ou partie ce sursis par une décision spécialement motivée. Cette demande est introduite et instruite selon les formes du référé. Le président rend sa décision toutes affaires cessantes. Pour ce faire, le président tient compte, entre autres, du fait que, à la suite de l'épidémie ou la pandémie de COVID-19, le chiffre d'affaires ou l'activité du débiteur a fortement diminué, qu'il y a eu recours total ou partiel au chômage économique, et que l'autorité publique a ordonné la fermeture de l'entreprise du débiteur, ainsi que des intérêts du requérant.
  Cette disposition ne déroge pas à l'obligation de paiement des dettes exigibles, ni aux sanctions contractuelles de droit commun telles que, entre autres, l'exception d'inexécution, la compensation et le droit de rétention. Elle n'affecte pas l'application de la loi du 15 décembre 2004 relative aux sûretés financières et portant des dispositions fiscales diverses en matière de conventions constitutives de sûreté réelle et de prêts portant sur des instruments financiers. Elle n'affecte pas non plus les obligations des employeurs.
Art. 72. De verplichting bedoeld in artikel XX.102 van hetzelfde Wetboek voor de schuldenaar om aangifte van faillissement te doen, wordt voor de ondernemingen die het voorwerp uitmaken van sluitingsmaatregelen op grond van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 1 november 2020, opgeschort gedurende de termijn van opschorting bedoeld in artikel 71 indien de faillissementsvoorwaarden het gevolg zijn van de COVID-19-epidemie of -pandemie en haar gevolgen. Hierbij wordt geen afbreuk gedaan aan de mogelijkheid voor de schuldenaar om aangifte van faillissement te doen.
Art. 72. L'obligation visée à l'article XX.102 du même Code pour le débiteur de faire aveu de faillite pour les entreprises qui font l'objet de mesures de fermeture en application de l'arrêté ministériel du 28 octobre 2020, portant des mesures d'urgence pour limiter la propagation du coronavirus COVID-19, modifié par l'arrêté ministériel du 1er novembre 2020, est suspendue pendant la durée du sursis visé à l'article 71, si les conditions de la faillite sont la conséquence de l'épidémie ou la pandémie de COVID-19 et ses suites. Cette disposition ne déroge pas à la possibilité pour le débiteur de faire aveu de faillite.
Art. 73. De artikelen 8.22 van het Burgerlijk Wetboek en XX.112 van het WER zijn niet toepasselijk op nieuwe kredieten tijdens de duur van de opschorting verstrekt aan de ondernemingen bedoeld in artikel 71 noch op de voor deze kredieten gestelde zekerheden of andere handelingen verricht ter uitvoering ervan.
  De verstrekkers van de in het eerste lid bedoelde nieuwe kredieten kunnen niet aansprakelijk worden gesteld enkel en alleen omdat de nieuwe kredieten de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de activa of van de activiteiten van de schuldenaar niet daadwerkelijk mogelijk hebben gemaakt.
Art. 73. Les articles 8.22 du Code civil et XX.112 du Code de droit économique ne sont applicables ni aux nouveaux crédits accordés pendant la durée du sursis aux entreprises visées à l'article 71 ni aux sûretés établies ou autres actes accomplis en exécution de ces nouveaux crédits.
  La responsabilité des dispensateurs de nouveaux crédits visés à l'alinéa 1er ne peut être poursuivie pour la seule raison que le nouveau crédit n'a pas effectivement permis de préserver la continuité de tout ou partie des actifs ou des activités du débiteur.
HOOFDSTUK 24. - Tijdelijke inperking van bepaalde beslagen tegen particulieren
CHAPITRE 24. - Restriction temporaire de certaines saisies à l'encontre des particuliers
Art. 74. Alle natuurlijke personen die geen onderneming zijn in de zin van artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht, genieten van een tijdelijke opschorting zoals hierna bepaald :
  1° behoudens op onroerende goederen andere dan diegene waar de schuldenaar zijn woonplaats heeft, kan tegen hen geen uitvoerend beslag worden gelegd;
  2° behoudens op onroerende goederen andere dan diegene waar de schuldenaar zijn woonplaats heeft, worden de uitvoerende beslagen die ten opzichte van hen reeds werden gelegd voor de inwerkingtreding van deze wet, geschorst;
  3° tegen hen kan geen bewarend en uitvoerend beslag onder derden dat de betaling van een geldsom tot voorwerp heeft worden gelegd;
  4° tegen hen kan geen overdracht van loon zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers worden uitgevoerd.
  Het eerste lid is niet van toepassing :
  1° op de gevallen bedoeld in artikel 1412, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
  2° op alle andere gevallen, wanneer de schuldenaar instemt met het beslag of de voortzetting van de gedwongen tenuitvoerlegging;
  3° in het kader van de invordering van elke veroordeling in strafzaken tot een geldboete, tot een verbeurdverklaring van een geldsom die een schuldvordering tot stand brengt die invorderbaar is op het vermogen van een veroordeelde, tot de gerechtskosten of tot een bijdrage, evenals van elke andere verbintenis tot betaling van een som in strafzaken;
  4° in het kader van de invordering van alle sommen verschuldigd uit hoofde van belastingen, voorheffingen, taksen, rechten, verhogingen, administratieve en fiscale geldboeten, nalatigheidsinteresten en bijbehoren, ingevolge een fiscale of sociale fraude;
  5° op de kennisgevingen bedoeld in de artikelen 434 en 435 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, 93quater en 93quinquies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, en 36 en 37 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen of gelijkaardige regionale regelgeving, in het kader van het opstellen van akten die de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed tot voorwerp hebben.
Art. 74. Toutes les personnes physiques qui ne sont pas des entreprises au sens de l'article I.1, alinéa 1er, 1°, du Code de droit économique, bénéficient d'un sursis temporaire tel que défini ci-après :
  1° hormis sur les biens immobiliers autres que ceux où le débiteur a son domicile, aucune saisie-exécution ne peut être pratiquée à leur encontre;
  2° hormis sur les biens immobiliers autres que ceux où le débiteur à son domicile, les saisies-exécutions déjà en cours à leur encontre avant l'entrée en vigueur de la présente loi sont suspendues;
  3° elles ne peuvent faire l'objet d'aucune saisie-arrêt conservatoire ni d'aucune saisie-arrêt-exécution ayant pour objet le paiement d'une somme d'argent;
  4° elles ne peuvent faire l'objet d'aucune cession de rémunération visée au chapitre VI de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
  L'alinéa 1er ne s'applique pas :
  1° dans les cas visés à l'article 1412, alinéa 1er, du Code judiciaire;
  2° dans tous les autres cas, lorsque le débiteur marque son accord sur la saisie ou la poursuite de l'exécution forcée;
  3° dans le cadre du recouvrement de toute condamnation en matière répressive à une amende, à une confiscation d'une somme d'argent qui comporte la création d'une créance recouvrable sur le patrimoine du condamné, à des frais de justice ou à une contribution, ainsi que de toute autre obligation à payer une somme en matière répressive;
  4° dans le cadre du recouvrement de toutes sommes dues à titre d'impôts, précomptes, taxes, droits, accroissements, amendes administratives et fiscales, intérêts de retard et accessoires, à la suite d'une fraude fiscale ou sociale;
  5° aux notifications visées aux articles 434 et 435 du Code des impôts sur les revenus 1992, 93quater et 93quinquies du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, et 36 et 37 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales ou aux réglementations régionales correspondantes, dans le cadre de l'établissement des actes ayant pour objet l'aliénation ou l'affectation hypothécaire d'un bien susceptible d'hypothèque.
Art. 75. Dit hoofdstuk is van toepassing tot 31 januari 2021.
Art. 75. Le présent chapitre s'applique jusqu'au 31 janvier 2021.
HOOFDSTUK 25. - Wijziging van de wet van 25 mei 2018 tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde
CHAPITRE 25. - Modification de la loi du 25 mai 2018 visant à réduire et redistribuer la charge de travail au sein de l'ordre judiciaire
Art. 76. In artikel 82, vierde lid, van de wet van 25 mei 2018 tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde, ingevoegd bij de wet van 11 december 2019, wordt het woord "januari" vervangen door het woord "maart".
Art. 76. Dans l'article 82, alinéa 4, de la loi du 25 mai 2018 visant à réduire et redistribuer la charge de travail au sein de l'ordre judiciaire, inséré par la loi du 11 décembre 2019, le mot "janvier" est remplacé par le mot "mars".
HOOFDSTUK 26. - Wijzigingen van de inwerkingtreding van bepaalde wetten inzake de bescherming van meerderjarige onbekwamen
CHAPITRE 26. - Modification de l'entrée en vigueur de certaines lois relatives à la protection des personnes incapables majeures
Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie
Section 1re. . - Modification de la loi du 21 décembre 2018 portant des dispositions diverses en matière de justice
Art. 77. In artikel 98, tweede lid, van de wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie, gewijzigd bij de wet van 11 december 2019, worden de woorden "een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 1 januari 2021" vervangen door de woorden "1 juni 2021".".
Art. 77. Dans l'article 98, alinéa 2, de la loi du 21 décembre 2018 portant des dispositions diverses en matière de justice, modifié par la loi du 11 décembre 2019, les mots "à une date à déterminer par le Roi et au plus tard le 1er janvier 2021" sont remplacés par les mots "le 1er juin 2021".
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 10 maart 2019 tot tenuitvoerlegging van het Verdrag van s'-Gravenhage van 13 januari 2000 inzake de internationale bescherming van volwassenen
Section 2. - Modification de la loi du 10 mars 2019 de mise en oeuvre de la Convention de La Haye du 13 janvier 2000 sur la protection internationale des adultes
Art. 78. Artikel 28 van de wet van 10 maart 2019 tot tenuitvoerlegging van het Verdrag van `s-Gravenhage van 13 januari 2000 inzake de internationale bescherming van volwassenen, gewijzigd bij de wet van 11 december 2019, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 28. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2021, met uitzondering van artikel 12 dat in werking treedt op 1 juni 2021.".
Art. 78. L'article 28 de la loi du 10 mars 2019 de mise en oeuvre de la Convention de La Haye du 13 janvier 2000 sur la protection internationale des adultes, modifié par la loi du 11 décembre 2019, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 28. La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 2021, à l'exception de l'article 12 qui entre en vigueur le 1er juin 2021.".
HOOFDSTUK 27. - Wijziging van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank
CHAPITRE 27. - Modification de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d'informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés
Art. 79. In artikel 53 van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank, gewijzigd bij de wet van 11 december 2019, worden de woorden "1 januari 2021" vervangen door de woorden "1 januari 2022".
Art. 79. Dans l'article 53 de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d'informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés, modifié par la loi du 11 décembre 2019, les mots "1er janvier 2021" sont remplacés par les mots "1er janvier 2022".
HOOFDSTUK 28. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 28. - Entrée en vigueur
Art. 80. Behoudens de hoofdstukken en de artikelen bedoeld in het tweede tot het zevende lid, treedt deze wet in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  Hoofdstuk 2 treedt in werking op 1 januari 2021.
  De hoofdstukken 8 en 9 hebben uitwerking met ingang van 1 november 2020.
  Hoofdstuk 19 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2020.
  De artikelen 60 en 61 hebben uitwerking met ingang van 26 november 2020.
  Artikel 62 heeft uitwerking met ingang van 2 november 2020.
  De artikelen 63 tot 68 hebben uitwerking met ingang van 1 december 2020.
Art. 80. A l'exception des chapitres et articles visés aux alinéas 2 à 7, la présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
  Le chapitre 2 entre en vigueur le 1er janvier 2021.
  Les chapitres 8 et 9 produisent leurs effets à partir du 1er novembre 2020.
  Le chapitre 19 produit ses effets à partir du 1er octobre 2020.
  Les articles 60 et 61 produisent leurs effets à partir du 26 novembre 2020.
  L'article 62 produit ses effets à partir du 2 novembre 2020.
  Les articles 63 à 68 produisent leurs effets à partir du 1er décembre 2020.
Art. 81. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum bedoeld in de artikelen 5, 7, 8, 11, 16 tot 20, 44 tot 46, 48 tot 53, 54, 56, 69, 71 en 75 aanpassen teneinde rekening te houden met de duurtijd van de maatregelen genomen met het oog op de strijd tegen de COVID-19-pandemie.
Art. 81. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, adapter la date prévue aux articles 5, 7, 8, 11, 16 à 20, 44 à 46, 48 à 53, 54, 56, 69, 71 et 75 afin de tenir compte de la durée des mesures adoptés en vue de lutter contre la pandémie COVID-19.