Art. 1.1.1.1. Bronnen van scheepvaartrecht
§ 1. In dit wetboek en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de op grond ervan genomen uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° "Aanvaringsbevoegdheidsverdrag (Burgerlijke Zaken) 1952" : het Internationaal Verdrag tot het brengen van eenheid in sommige bepalingen betreffende de bevoegdheid in burgerlijke zaken op het stuk van aanvaring, opgemaakt te Brussel op 10 mei 1952 en goedgekeurd bij de wet van 24 maart 1961;
2° "Aanvaringsbevoegdheidsverdrag (Strafzaken) 1952" : het Internationaal Verdrag tot het brengen van eenheid in sommige bepalingen betreffende de bevoegdheid in strafzaken op het stuk van aanvaring en andere scheepvaartvoorvallen, opgemaakt te Brussel op 10 mei 1952 en goedgekeurd bij de wet van 24 maart 1961;
3° "Aanvaringsverdrag 1910" : het Internationaal Verdrag tot vaststelling van enige éénvormige regelen inzake aanvaring, opgemaakt te Brussel op 23 september 1910 en goedgekeurd bij de wet van 14 september 1911;
4° "Aanvaringsverdrag 1960" : het Verdrag tot vaststelling van enige eenvormige regelen inzake aanvaring in de binnenvaart, opgemaakt te Genève op 15 maart 1960;
5° "ADN-Verdrag" : het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren, opgemaakt te Genève op 26 mei 2000 en waarmee ingestemd bij de wet van 25 februari 2013;
6° "AFS-Verdrag" : het Internationaal Verdrag van 2001 betreffende de controle op schadelijke aangroeiwerende systemen op schepen, opgemaakt te Londen op 5 oktober 2001 en waarmee ingestemd bij de wet van 16 februari 2009;
7° "Avarij-Grosse Regels IVR" : de aldus genoemde bepalingen vastgesteld door de Koning op grond van artikel [1 3.7.1.4, § 2]1;
8° "Bergingsverdrag 1989" : het Internationaal Verdrag inzake de hulpverlening, opgemaakt te Londen op 28 april 1989 en waarmee ingestemd bij de wet van 13 mei 2003;
9° "BUNKER-Verdrag" : het Internationaal Verdrag van 2001 inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie, opgemaakt te Londen op 23 maart 2001 en waarmee ingestemd bij de wet van 12 juli 2009;
10° "BWM-Verdrag" : het Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen, opgemaakt te Londen op 13 februari 2004 en waarmee ingestemd bij de wet van 14 april 2013;
11° "CDNI-Verdrag" : het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, met de Bijlagen 1 en 2, en met de Aanhangsels, I, II, III, IV en V, opgemaakt te Straatsburg op 9 september 1996 en waarmee ingestemd bij de wet van 19 juni 2008;
12° "CLC-Verdrag 1992" : het Internationaal Verdrag inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor olieverontreinigingsschade, en de Bijlage, opgemaakt te Brussel op 29 november 1969, goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1976 en gewijzigd door het Protocol van Londen van 27 november 1992, waarmee ingestemd bij de wet van wet van 10 augustus 1998;
13° "CLNI-Verdrag 2012" : het Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012), opgemaakt te Straatsburg op 27 september 2012;
14° "CMNI-Verdrag " : het Verdrag van Boedapest inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren (CMNI), opgemaakt te Boedapest op 22 juni 2001 en waarmee ingestemd bij de wet van 29 juni 2008;
15° "COLREG-Verdrag" : het Verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, bijgevoegd Reglement, en zijn Bijlagen, opgemaakt te Londen op 20 oktober 1972 en goedgekeurd bij de wet van 24 november 1975;
16° "CSC-Verdrag" : de Internationale Overeenkomst voor veilige containers en de Bijlagen, opgemaakt te Genève op 2 december 1972 en goedgekeurd bij de wet van 20 augustus 1981;
17° "EMSA-Verordening" : de Verordening (EG) Nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid;
18° "FUND-Verdrag 1992" : het Internationaal Verdrag van Brussel van 1971 tot oprichting van een Internationaal Fonds voor vergoeding van olieverontreinigingsschade, zoals gewijzigd door het Protocol van Londen van 1992, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en waarmee ingestemd bij de wet van 10 augustus 1998;
19° "FUND-Protocol 2003" : het Protocol van Londen van 2003 bij het FUND-Verdrag 1992, opgemaakt te Londen op 16 mei 2003 en waarmee ingestemd bij de wet van 6 oktober 2005;
20° "HNS-Verdrag 2010" : het Internationaal Verdrag van 1996 inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen, met Bijlagen, opgemaakt te Londen op 3 mei 1996 en gewijzigd door het Protocol van Londen van 2010, opgemaakt te Londen op 30 april 2010;
21° "IMO-Code voor onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee" : de Code voor onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee, goedgekeurd door de IMO bij Resolutie A.849(20) van 27 november 1997;
22° "IMO-Code voor internationale standaarden en aanbevolen praktijken voor een veiligheidsonderzoek naar ongevallen en incidenten op zee" : de Code van internationale standaarden en aanbevolen praktijken voor een veiligheidsonderzoek naar ongevallen en incidenten op zee, goedgekeurd door de IMO bij Resolutie MSC.255(84) van 16 mei 2008;
23° "IMO-Richtsnoeren betreffende de billijke behandeling van zeelieden bij ongevallen op zee" : de Richtsnoeren betreffende de billijke behandeling van zeelieden bij ongevallen op zee, goedgekeurd door de IMO bij Resolutie LEG.3(91) van 27 april 2006;
24° "IMO-Verdrag" : het Verdrag nopens de oprichting van een Internationale Maritieme Consultatieve Organisatie, en de Bijlagen, opgemaakt te Genève op 6 maart 1948 en goedgekeurd bij de wet van 26 juni 1951;
25° "INTERVENTION-Verdrag" : het Internationaal Verdrag inzake optreden in volle zee bij ongevallen die verontreiniging door olie kunnen veroorzaken, opgemaakt te Brussel op 29 november 1969 en goedgekeurd bij de wet van 29 juli 1971;
26° "INTERVENTION-Protocol" : het Protocol inzake betreffende de maatregelen in volle zee in geval van verontreiniging door stoffen andere dan oliën, opgemaakt te Londen op 2 november 1973 en goedgekeurd bij de wet van 6 augustus 1982;
27° "ISM-Code" : de Internationale Beheerscode voor de veilige exploitatie van schepen en ter voorkoming van verontreiniging (ISM-Code), bedoeld in hoofdstuk IX van de Bijlage bij het SOLAS-Verdrag en goedgekeurd door de IMO bij Resolutie A.741(18) van 4 november 1993;
28° "ISPS-Code" : de Internationale Code voor de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten bedoeld in hoofdstuk XI-2 van de Bijlage bij het SOLAS-Verdrag;
29° [3 Havenbeveiligingsrichtlijn]3 : Richtlijn 2005/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende het verhogen van de veiligheid van havens;
30° "ISPS-Verordening" : de Verordening (EG) Nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten;
31° "LC-Verdrag" : het Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zeeën ten gevolge van het storten van afvalstoffen, opgemaakt te Londen op 13 november 1972 en goedgekeurd bij de wet van 20 december 1984;
32° "LC-Protocol" : het Protocol van 1996 bij het LC-Verdrag, opgemaakt te Londen op 7 november 1996 en goedgekeurd bij de wet van 21 juni 2004;
33° "LL-Verdrag" : het Internationaal Verdrag van 1966 betreffende de uitwatering van schepen, opgemaakt te Londen op 5 april 1966 en goedgekeurd bij de wet van 27 december 1968;
34° "LL-Protocol 1988" : het Protocol van 1988 aangaande het LL-Verdrag, opgemaakt te Londen op 11 november 1988 en goedgekeurd bij de wet van 15 februari 2007;
35° "LLMC-Verdrag" : het Verdrag van Londen van 19 november 1976 betreffende de beperking van de aansprakelijkheid inzake zeevorderingen, opgemaakt te Londen op 19 november 1976, goedgekeurd bij de wet van 11 april 1989 en gewijzigd door het Protocol van Londen van 2 mei 1996 tot wijziging van het Verdrag van 1976 inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, waarmee ingestemd bij de wet van 10 september 2009;
36° "MARPOL-Verdrag" : het Internationaal Verdrag van 1973 ter voorkoming van verontreiniging door schepen, opgemaakt te Londen op 2 november 1973 en goedgekeurd bij de wet van 17 januari 1984;
37° "MARPOL-Protocol 1978" : het Protocol van 1978 bij het MARPOL-Verdrag, opgemaakt te Londen op 17 februari 1978 en goedgekeurd bij de wet van 17 januari 1984;
38° "MARPOL-Protocol 1997" : het Protocol van 1997 bij het MARPOL-Verdrag zoals gewijzigd door het MARPOL-Protocol 1978, opgemaakt te Londen op 26 september 1997 en goedgekeurd bij de wet van 15 juni 2004;
39° "MAS-Richtsnoeren" : de Richtsnoeren betreffende maritieme hulpdiensten, goedgekeurd door de IMO bij Resolutie A.950(23) van 26 februari 2004;
40° "MLC-Verdrag" : het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006, aangenomen te Genève op 23 februari 2006 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar 94ste zitting en waarmee ingestemd bij de wet van 17 augustus 2013;
41° "NUCLEAR-Overeenkomst" : de Overeenkomst inzake de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van het zeevervoer van nucleaire stoffen, opgemaakt te Brussel op 17 december 1971 en goedgekeurd bij de wet van 11 april 1989;
42° "PAL-Verdrag" : het Verdrag van Athene van 2002 betreffende het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, opgemaakt te Londen op 1 november 2002 en waarmee ingestemd bij de wet van 26 november 2012;
43° "PAL-Protocol" : het Protocol van 2002 bij het PAL-Verdrag, opgemaakt te Londen op 1 november 2002 en waarmee ingestemd bij de wet van 26 november 2012;
44° "PAL-Richtsnoeren" : de Richtsnoeren van de IMO voor de uitvoering van het PAL-Verdrag, gevoegd bij IMO-Omzendbrief nr. 2758 van 20 november 2006;
45° "PAL-Verordening" : de Verordening (EG) Nr. 392/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de aansprakelijkheid van vervoerders van passagiers over zee bij ongevallen;
46° "Passagiersrechtenverordening" : de Verordening (EU) Nr. 1177/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van verordening (EG) Nr. 2006/2004;
47° "PoR-Richtsnoeren" : de Richtsnoeren betreffende toevluchtsoorden voor hulpbehoevende schepen, goedgekeurd door de IMO bij Resolutie A.949(23) van 5 maart 2004;
48° "Regels van Den Haag en Visby" : het Internationaal Verdrag tot het vaststellen van enige eenvormige regelen inzake cognossementen en het Protocol van ondertekening, opgemaakt te Brussel op 25 augustus 1924 en goedgekeurd bij de wet van 20 november 1928, en gewijzigd door het Protocol opgemaakt te Brussel op 23 februari 1968 en goedgekeurd bij de wet van 28 augustus 1978, en door het Protocol ondertekend te Brussel op 21 december 1979 en goedgekeurd bij de wet van 17 augustus 1983;
49° "Regels van York en Antwerpen" : de aldus genoemde bepalingen vastgesteld door de Koning op grond van artikel [1 2.7.1.4, § 2]1;
50° "Samenwerkingsakkoord Kustwacht" : het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Vlaamse Gewest van 8 juli 2005 betreffende de oprichting van en de samenwerking in een structuur Kustwacht en waarmee ingestemd bij de wet van 4 april 2006;
51° "SAR-Verdrag" : het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee en de Bijlage, opgemaakt te Hamburg op 27 april 1979 en goedgekeurd bij de wet van 20 december 1984;
52° "Scheepsbeslagverdrag 1952" : het Internationaal Verdrag tot het brengen van eenheid in sommige bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen, opgemaakt te Brussel op 10 mei 1952 en goedgekeurd bij de wet van 24 maart 1961;
53° "SFV-Verdrag" : het Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen en de Bijlage, opgemaakt te Torremolinos op 2 april 1977 en goedgekeurd bij de wet van 16 augustus 1982 en gewijzigd door het Protocol opgemaakt te Torremolinos op 2 april 1993 en de Overeenkomst opgemaakt te Kaapstad op 11 oktober 2012 en waarmee ingestemd bij de wet van 21 december 2017;
54° "SOLAS-Verdrag" : het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee, opgemaakt te Londen op 1 november 1974 en goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1979;
55° "SOLAS-Protocol 1978" : het Protocol van 1978 bij het SOLAS-Verdrag, opgemaakt te Londen op 17 februari 1978 en goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1979;
56° "SOLAS-Protocol 1988" : het Protocol van 1988 bij het SOLAS-Verdrag zoals gewijzigd door het SOLAS-Protocol 1978, opgemaakt te Londen op 11 november 1988 en goedgekeurd bij de wet van 15 februari 2007;
57° "SRC-Verdrag" : het Internationaal Verdrag van Hongkong voor het veilig en milieuvriendelijk recyclen van schepen, opgemaakt te Hongkong op 15 mei 2009 en waarmee ingestemd bij de wet van 2 juli 2013;
58° "SRC-Verordening" : de Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG;
59° "Staatsschepenverdrag 1926" : het Internationaal Verdrag tot het vaststellen van enige eenvormige regelen betreffende de immuniteiten van Staatsschepen, opgemaakt te Brussel op 10 april 1926 en goedgekeurd bij de wet van 20 november 1928;
60° "Staatsschepenprotocol 1934" : het Additioneel Protocol bij het Staatsschepenverdrag 1926, opgemaakt te Brussel op 24 mei 1934;
61° "STCW-Verdrag" : het Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, brevettering en wachtdienst, opgemaakt te Londen op 7 juli 1978 en goedgekeurd bij de wet van 16 augustus 1982;
62° "STCW-F-Verdrag" : het Internationaal Verdrag van 1995 betreffende de normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van personeel van vissersvaartuigen, opgemaakt te Londen op 7 juli 1995 en waarmee ingestemd bij de wet van 21 december 2017;
63° "TMC-Verdrag" : het Internationaal Verdrag van 1969 betreffende de meting van schepen, en de Bijlagen, opgemaakt te Londen op 23 juni 1969 en goedgekeurd bij de wet van 7 april 1975;
64° "VN-Zeerechtverdrag" : het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, opgemaakt te Montego Bay op 10 december 1982 en waarmee ingestemd bij de wet van 18 juni 1998;
65° "WRC-Verdrag" : het Internationaal Verdrag van Nairobi inzake de verwijdering van wrakken, opgemaakt te Nairobi op 18 mei 2007 en waarmee ingestemd bij de wet van 8 januari 2017;
[1 66° "Dubbelwand-Verordening" : de Verordening (EU) nr. 530/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 betreffende het versneld invoeren van de vereisten inzake een dubbelwandige uitvoering of een gelijkwaardig ontwerp voor enkelwandige olietankschepen;]1
[2 67° MRV-Verordening: Verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie van kooldioxide-emissies door maritiem vervoer en tot wijziging van richtlijn 2009/16/EG;]2
[3 68° "Deel A van de ISPS-Code": deel A van de ISPS-Code bestaande uit de preambule en dwingende voorschriften opgenomen in bijlage II van de ISPS-Verordening;
69° "Deel B van de ISPS-Code": deel B van de ISPS-Code bestaande uit de aanbevelingen opgenomen in bijlage III van de ISPS-Verordening;
70° "AVG": Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.]3
[4 71° BBNJ-Overeenkomst: de Overeenkomst in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, inzake het behoud en het duurzame gebruik van de mariene biologische diversiteit van gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht, gedaan te New York op 19 juni 2023 en waarmee ingestemd werd bij de wet van 25 december 2024.]4
De verwijzingen in dit wetboek naar de in het eerste lid bedoelde internationale akten hebben mede betrekking op de latere wijzigingen ervan die voor België bindend zijn en in werking zijn getreden.
§ 2. In dit wetboek wordt verstaan onder :
1° "gebruik" : een regel die in de betrokken bedrijfstak of op de betrokken plaats algemene of nagenoeg algemene toepassing heeft gevonden;
2° "algemene scheepvaartrechtelijke beginselen" : op internationaal gebied weerspiegelde beginselen die ten grondslag liggen aan de scheepvaartrechtelijke ordening;
[2 3° internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart: de bronnen van een scheepvaartrecht opgenomen in paragraaf 1, bepalingen 6°, 9°, 10°, 12°, 15°, 16°, 18° ; 19°, 20°, 27°, 28°, 30°, 31°, 32°, 33°, 34°, 35°, 36°, 37°, 38°, 40°, 41°, 42°, 43°, 45°, 46°, 51°, 52°, 53°, 54°, 55°, 56°, 57°, 58°, 61°, 62°, 63°, 65°, 66° en 67.]2
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
8 MEI 2019. - Belgisch Scheepvaartwetboek(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-08-2019 en tekstbijwerking tot 05-08-2025)
Titre
8 MAI 2019. - Code belge de la Navigation(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-08-2019 et mise à jour au 05-08-2025)
Documentinformatie
Numac: 2019A12565
Datum: 2019-05-08
Info du document
Numac: 2019A12565
Date: 2019-05-08
Inhoud
BOEK 1. - ALGEMENE BEPALINGEN
TITEL 1. - ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK 1. - Begrippen
HOOFDSTUK 2. - Bronnen
HOOFDSTUK 3. - Bekendmakingen
Titel 2. - Het Belgisch Scheepsregister
BOEK 2. - ZEEVAART
Titel 1. - Algemene Bepalingen
Titel 2. - ZEESCHEPEN
HOOFDSTUK 1. - Registratie en openbaarheid
Afdeling 1. - Registratie van zeeschepen
Afdeling 2. - Openbaarheid van rechten
HOOFDSTUK 2. - Meting
HOOFDSTUK 3. - Veiligheid
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Zeeschepen
Onderafdeling 1. - Veiligheidseisen
Onderafdeling 2. - Certificaten
HOOFDSTUK 4. - Zaakstatuut
HOOFDSTUK 5. - Scheepszekerheidsrechten
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Scheepsvoorrangsrechten
Afdeling 3. - Scheepsvoorrechten
Afdeling 4. - Scheepsretentierechten
Afdeling 5. - Scheepshypotheken
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Onderafdeling 2. - Openbaarheid
HOOFDSTUK 6. - Scheepsbeslag
Afdeling 1. - Bewarend scheepsbeslag
Onderafdeling 1. - Bewarend beslag op zeeschepen
Onderafdeling 2. - Bewarend beslag op goederen ...
Afdeling 2. - Uitvoerend scheepsbeslag
HOOFDSTUK 7. - Overheidsschepen
Afdeling 1. - Belgische overheidsschepen
Afdeling 2. - Vreemde overheidsschepen
Titel 3. - REDERS
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 1. - Scheepsmede-eigendom
Afdeling 2. - Aansprakelijkheid van scheepseige...
Afdeling 3. - Scheepsagenten
HOOFDSTUK 2. - Zeevaart
Afdeling 1. - Verplichte verzekeringen
Onderafdeling 1. - Maritieme vorderingen
Onderafdeling 2. - Verontreiniging en wrakken
Onderafdeling 3. - Passagiersvervoer
Afdeling 2. - Beperking van aansprakelijkheid
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Onderafdeling 2. - Het recht op beperking
Onderafdeling 3. - Aansprakelijkheidsgrenzen
Onderafdeling 4. - Beperkingsprocedure zonder f...
Onderafdeling 5. - Beperkingsprocedure met fond...
Titel 4. - OPVARENDEN
HOOFDSTUK 1. - Schepelingen
HOOFDSTUK 2. - Gezagvoerders
HOOFDSTUK 3. - Maritieme veiligheidsagenten
HOOFDSTUK 4. - Verstekelingen
HOOFDSTUK 5. - Scheepvaartvergrijpen
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Verbodsbepalingen
Titel 5. - ZEE EN HAVENS
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 2. [1 - Beveiliging]1
Afdeling 1. [1 - Algemene Bepalingen]1
Afdeling 2.
Onderafdeling 1.
Afdeling 2. [1 - Autoriteiten ]1
Onderafdeling 2. [1 - Nationale Autoriteit voor...
Onderafdeling 2. [1 - Lokale Comités voor Marit...
Onderafdeling 3.
Onderafdeling 3. [1 - PSO]1
Afdeling 3.
Onderafdeling 1.
Onderafdeling 4. [1 - Gemeenschappelijke voorsc...
Onderafdeling 2.
Afdeling 3. [1 - Havenbeveiliging]1
Onderafdeling 1. [1 - Havenbeveiligingsbeoordel...
Onderafdeling 3.
Onderafdeling 2. [1 - Havenbeveiligingsplan]1
Afdeling 4.
Onderafdeling 3. [1 - Beveiligingsniveau]1
Afdeling 5.
Afdeling 4. [1 - Beveiliging van havenfacilitei...
Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Onderafdeling 2. [1 - Beveiligingsbeoordeling v...
Onderafdeling 3. [1 - Beveiligingsplan van een ...
Onderafdeling 4. [1 - Andere regelingen]1
Onderafdeling 5. [1 - Beveiligingsstandaarden]1
Afdeling 4/1. [1 - Beveiliging van terminals ge...
Afdeling 4/2. [1 - Beveiliging van de vestiging...
Afdeling 5. [1 - Beveiliging van vreemde schepen]1
Afdeling 6. [1 - Beveiliging van Belgische Sche...
Onderafdeling 1. [1 - Beveiligingsniveaus]1
Onderafdeling 2. [1 - Beveiligingspersoneel van...
Onderafdeling 3. [1 - Verplichtingen van de red...
Onderafdeling 4. [1 - Vorming en oefeningen]1
Afdeling 7. [1 - Beveiliging van de Noordzee]1
Afdeling 8. [1 - Erkende beveiligingsorganisati...
Onderafdeling 1. [1 - Erkende beveiligingsorgan...
Onderafdeling 2. [1 - Goedgekeurde opleidingsin...
Afdeling 9. [1 - ISPS-platform]1
Afdeling 10. [1 - Gegevensbescherming]1
Onderafdeling 1. [1 - Camerabeelden]1
Onderafdeling 2. [1 - Biometrische gegevens]1
Onderafdeling 3. [1 - Verwerking van persoonsge...
Afdeling 11. [1 - Veiligheidsverificaties]1
Afdeling 12. [1 - Integriteitsbeleid]1
Afdeling 13. [1 - Meldingsplatform]1
HOOFDSTUK 3. - Voorkoming van verontreiniging d...
HOOFDSTUK 4. [1 - Bijzondere regelingen voor de...
Afdeling 1. [1 - Cameragebruik]1
Afdeling 2. [1 - Bijzonder strafregister]1
Titel 6. - BEVRACHTING EN VERVOER
HOOFDSTUK 1. - Bevrachting
Afdeling 1. - Rompbevrachting
Afdeling 2. - Tijdbevrachting
Afdeling 3. - Reisbevrachting
HOOFDSTUK 4. - Andere bevrachtingen
HOOFDSTUK 2. - Vervoer
Afdeling 1. - Goederenvervoer
Onderafdeling 1. - Regels van Den Haag en Visby
Onderafdeling 2. [1 - Bijzondere bepalingen]1
Afdeling 2. - Passagiersvervoer
Onderafdeling 1. - PAL-Verdrag
Onderafdeling 2. - Bijzondere bepalingen
TITEL 7. - SCHEEPVAARTVOORVALLEN
HOOFDSTUK 1. - Averij
HOOFDSTUK 2. - Aanvaring
HOOFDSTUK 3. - Verontreiniging
Afdeling 1. - CLC-Verdrag 1992
Afdeling 2. - FUND-Verdrag
Afdeling 3. - BUNKER-Verdrag
Afdeling 4. - Nucleaire schade
Afdeling 5. [1 - Het HNS-Verdrag 2010]1
HOOFDSTUK 4. - Toevluchtsoorden
HOOFDSTUK 5. - Berging
HOOFDSTUK 6. - Wrakverwijdering
Afdeling 1. - Territoriale zee
Afdeling 2. - Exclusieve economische zone
HOOFDSTUK 7. - Onderzoeken
HOOFDSTUK 8. [1 - Ongevallen]1
BOEK 3. - BINNENVAART
Titel 1. - Algemene Bepalingen
TITEL 2. - BINNENSCHEPEN
HOOFDSTUK 1. - Teboekstelling en openbaarheid
Afdeling 1. - Teboekstelling van binnenschepen
Afdeling 2. - Openbaarheid van rechten
HOOFDSTUK 2. - Zaakstatuut
HOOFDSTUK 3. - Scheepszekerheidsrechten
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Scheepsvoorrangsrechten
Afdeling 3. [1 - Scheepsvoorrechten]1
Afdeling 4. - Scheepsretentierechten
Afdeling 5. - Scheepshypotheken
HOOFDSTUK 4. - Scheepsbeslag
Afdeling 1. - Bewarend beslag
Onderafdeling 1. - Bewarend beslag op binnensch...
Afdeling 2. - Bewarend beslag op goederen aan b...
HOOFDSTUK 2. - Uitvoerend scheepsbeslag
Titel 3. - Exploitanten
HOOFDSTUK 1. - Algemene Bepalingen
Afdeling 1. - Scheepsmede-eigendom
Afdeling 2. - Aansprakelijkheid van de exploitant
HOOFDSTUK 2. - Toegang tot het vervoer
HOOFDSTUK 3. - Beperking van Aansprakelijkheid
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Het recht op beperking
Afdeling 3. - Aansprakelijkheidsgrenzen
Afdeling 4. - Beperkingsprocedure zonder fondsv...
Afdeling 5. - Beperkingsprocedure met fondsvorming
HOOFDSTUK 4. - Maritieme vorderingen voor estua...
Titel 4. - Opvarenden (voorbehouden)
Titel 5. - Zee en havens
Titel 6. [1 - Bevrachting en vervoer]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Algemene bepalingen]1
HOOFDSTUK 2. [1 - Bevrachtingsovereenkomsten]1
Afdeling 1. [1 - Rompbevrachting en scheepshuur...
Onderafdeling 1. [1 - Rompbevrachting]1
Onderafdeling 2. [1 - Scheepshuurkoop]1
Afdeling 2. [1 - Tijd- en reisbevrachting]1
Onderafdeling 1. [1 - Tijdbevrachting]1
Onderafdeling 2. [1 - Reisbevrachting]1
Afdeling 3. [1 - Ligovereenkomst en overeenkoms...
Onderafdeling 1. [1 - Ligovereenkomst]1
Onderafdeling 2. [1 - Overeenkomst om te liggen...
HOOFDSTUK 3. [1 - Vervoerovereenkomsten]1
Afdeling 1. [1 - Goederenvervoer]1
Onderafdeling 1. [1 Algemene bepalingen]1
Onderafdeling 2. [1 - Rechten en verplichtingen...
Onderafdeling 3. [1 - Vervoersdocumenten]1
Onderafdeling 4. [1 - Het recht om over de goed...
Onderafdeling 5. [1 - Aansprakelijkheid van de ...
Onderafdeling 6. [1 - Termijn voor het instelle...
Onderafdeling 7. [1 - Beperking van de contract...
Onderafdeling 8. [1 - Bijzondere bepalingen]1
Onderafdeling 9. [1 - Zekerheidsrechten van de ...
HOOFDSTUK 4. [1 - Overeenkomsten tot meenemen o...
Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Afdeling 2. [1 - Bijzondere bepalingen met betr...
Afdeling 3. [1 - Bijzondere bepalingen met betr...
TITEL 7. - Scheepvaartvoorvallen
HOOFDSTUK 1. - Averij
HOOFDSTUK 2. - Aanvaring
BOEK 4. - HANDHAVING
Titel 1. - Sancties
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 1. - Sanctiematen
Afdeling 2. - Strafrechtelijke sanctionering
Afdeling 3. - Administratieve sanctionering
HOOFDSTUK 2. - Sanctionering van de inbreuken
Afdeling 1. - Internationale verdragen en akten
Afdeling 2. - Zeevaart
Onderafdeling 1. - Schepen
Onderafdeling 2. - Reders
Onderafdeling 3. - Opvarenden
Onderafdeling 4. - Zee en havens
Onderafdeling 5. - Bevrachting en vervoer
Onderafdeling 6. - Scheepvaartvoorvallen
Afdeling 3. - Binnenvaart
Afdeling 4. - Handhaving
Afdeling 5. [1 - Pleziervaart]1
Titel 2. - Vaststelling van inbreuken
HOOFDSTUK 1. - De Scheepvaartcontrole
Afdeling 1. - Inrichting en algemene bevoegdheden
Afdeling 2. - Processen-verbaal
Afdeling 2/1. [1 - Het elektronisch proces verb...
Afdeling 3. - Bijzondere bevoegdheden
Onderafdeling 1. - Schepen
Onderafdeling 2. - Reders
Afdeling 3. - Marien milieu
Onderafdeling 4. - Scheepsrecycling
Onderafdeling 5. [1 - Cel Maritieme Beveiliging]1
HOOFDSTUK 2. - De Scheepvaartpolitie
HOOFDSTUK 3. - Gezagvoerders
HOOFDSTUK 4. - Andere overheden
Titel 3. - Vervolging van inbreuken
HOOFDSTUK 1. - Beslissing tot vervolging
HOOFDSTUK 2. - Administratieve vervolging
HOOFDSTUK 3. - Bijzondere bepalingen
Afdeling 1. - Zeevaartmisdrijven
Afdeling 2. - Zee en havens
TITEL 4. - De Handhavingsinstantie voor Passagi...
Titel 5. - Internationale misdrijven
HOOFDSTUK 1. - Criminaliteit op zee in het buit...
HOOFDSTUK 2. - Piraterij
TITEL 6. [1 - Bijzondere bepalingen voor de Noo...
HOOFDSTUK 1. [1 - Cameragebruik]1
HOOFDSTUK 2. [1 - Andere detectiemiddelen]1
TITEL 7. [1 - Gegevensbescherming en gegevensui...
HOOFDSTUK 1. [1 - DG Scheepvaart]1
Afdeling 1. [1 - Handhaving]1
Afdeling 2. [1 - Meldplatform]1
HOOFDSTUK 2. [1 - Het MIK+]1
BOEK 5. [1 - PLEZIERVAART]1
TITEL 1. [1 - ALGEMENE BEPALINGEN]1
TITEL 2. [1 - PLEZIERVAARTUIGEN]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Inschrijving en openbaarheid]1
Afdeling 1. [1 - Inschrijving van de pleziervaa...
Art. 5.2.1.3. [1 Registratiebrief
Art. 5.2.1.4. [1 Uitvoeringsbesluiten
Art. 5.2.1.5. [1 Zakelijke rechten
Afdeling 2. [1 - Openbaarheid van rechten]1
Art. 5.2.1.6. [1 Afwijkende bedingen
Art. 5.2.1.7. [1 Toepassingsgebied
HOOFDSTUK 2. [1 - Veiligheid]1
Afdeling 1. [1 - Technische vereisten]1
Art. 5.2.2.1. [1 Veiligheidsvereisten
Art. 5.2.2.2. [1 Verbod tot afvaart
Art. 5.2.2.3. [1 Uitvoeringsbesluiten
Afdeling 2. [1 - Vaarbevoegdheidsbewijzen]1
Art. 5.2.2.4. [1 Verplichtingen
Art. 5.2.2.5. [1 Commissie voor de Pleziervaart
Art. 5.2.2.6. [1 Uitvoeringsbesluiten
HOOFDSTUK 3. [1 - Zaakstatuut]1
Art. 5.2.3.1. [1 Toepasselijk Recht
HOOFDSTUK 4. [1 - Scheepszekerheidsrechten]1
Art. 5.2.4.1. [1 Toepasselijk recht
Art. 5.2.4.2. [1 Bevoegde rechtbank
HOOFDSTUK 5. [1 - Scheepsbeslag]1
Art. 5.2.5.1. [1 Toepasselijk recht
TITEL 3. [1 - EIGENAARS]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Algemene Bepalingen]1
Afdeling 1. [1 - Scheepsmede-eigendom]1
Art. 5.3.1.1. [1 Toepasselijk recht
Afdeling 2. [1 - Aansprakelijkheid van scheepse...
Art. 5.3.1.2. [1 Verzekering burgerlijke aanspr...
HOOFDSTUK 2. [1 - Zeevaart]1
Art. 5.3.2.1. [1 Verplichte verzekeringen
Art. 5.3.2.2. [1 Beperking van aansprakelijkheid
TITEL 4. [1 - ZEE EN HAVENS]1
Art. 5.4.1.1. [1 Voorkoming van verontreiniging...
TITEL 5. [1 - SCHEEPVAARTVOORVALLEN]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Wrakverwijdering]1
Art. 5.5.1.1. [1 Toepasselijk recht
HOOFDSTUK 2. [1 - Activiteiten]1
Art. 5.5.2.1. [1 Toelatingen
Art. 5.5.2.2. [1 Uitvoeringsbesluiten
Inhoud
LIVRE 1er. - DISPOSITIONS GENERALES
TITRE 1er. - DISPOSITIONS GENERALES
CHAPITRE 1er. - Notions
CHAPITRE 2. - Sources
CHAPITRE 3. - Publications
TITRE 2. - Le Registre naval belge
LIVRE 2. - NAVIGATION DE MER
TITRE 1er. . - Dispositions générales
TITRE 2. - NAVIRES DE MER
CHAPITRE 1er. - Enregistrement et publicité
Section 1ère. - Enregistrement des navires de mer
Section 2. - Publicité des droits
CHAPITRE 2. - Jaugeage
CHAPITRE 3. - Sécurité
Section 1. - Dispositions générales
Section 2. - Navires de mer
Sous-Section 1ère. - Exigences de sécurité
Sous-section 2. - Certificats
CHAPITRE 4. - Statut réel
CHAPITRE 5. - Sûretés sur navires
Section 1ère. - Dispositions générales
Section 2. - Droits de priorité sur navires
Section 3. - Privilèges sur navires
Section 4. - Droits de rétention sur navires
Section 5. - Hypothèques sur navires
Sous-section 1ère. - Dispositions générales
Sous-section 2. - Publicité
CHAPITRE 6. - Saisie sur navire
Section 1ère. - Saisie conservatoire sur navire
Sous-section 1ère. - Saisie conservatoire sur n...
Sous-section 2. - Saisie conservatoire sur les ...
Section 2. - Saisie-exécution sur navire
CHAPITRE 7. - Navires publics
Section 1ère. - Navires publics belges
Section 2. - Navires publics étrangers
TITRE 3. - ARMATEURS
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Section 1ère. . - Copropriété quirataire
Section 2. - Responsabilité des propriétaires d...
Section 3. - Agents maritimes
CHAPITRE 2. - Navigation maritime
Section 1ère. - Assurances obligatoires
Sous-Section 1ère. - Créances maritimes
Sous-Section 2. - Pollution et épaves
Sous-Section 3. - Transport de passagers
Section 2. - Limitation de responsabilité
Sous-Section 1ère. - Dispositions générales
Sous-Section 2. - Le droit à la limitation
Sous-Section 3. - Limites de la responsabilité
Sous-Section 4. - Procédure de limitation sans ...
Sous-Section 5. - Procédure de limitation avec ...
TITRE 4. - PERSONNES EMBARQUEES
CHAPITRE 1er. - Hommes d'équipage
CHAPITRE 2. - Commandants
CHAPITRE 3. - Agents de sécurité maritime
CHAPITRE 4. - Passagers clandestins
CHAPITRE 5. - Infractions maritimes
Section 1ère. - Dispositions générales
Section 2. - Interdictions
TITRE 5. - MER ET PORTS
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
CHAPITRE 2. [1 - Sûreté]1
Section 1ère. [1 - Dispositions générales]1
Section 2.
Sous-Section 1ère.
Section 2. [1 - Autorités]1
Sous-section 1re. [1 - Autorité Nationale de Sû...
Sous-Section 2. [1 - Comités locaux pour la Sûr...
Sous-Section 3.
Sous-section 3. [1 - PSO]1
Section 3.
Sous-Section 1ère.
Sous-section 4. [1 - Règles communes]1
Sous-Section 2.
Section 3. [1 - Sûreté portuaire]1
Sous-section 1re. [1 - Evaluation de la sûreté ...
Sous-Section 3.
Sous-section 2. [1 - Plan de sûreté portuaire]1
Section 4.
Sous-section 3. [1 - Niveau de sûreté]1
Section 5.
Section 4. [1 - Sûreté des installations portua...
Sous-section 1re. [1 - Dispositions générales]1
Sous-section 2. [1 - Evaluation de la sûreté de...
Sous-section 3. [1 - Plan de sûreté d'une insta...
Sous-section 4. [1 - Autres mesures]1
Sous-section 5. [1 - Normes de sûreté]1
Section 4/1. [1 - Sûreté des terminaux intérieu...
Section 4/2. [1 - Sûreté des unités d'établisse...
Section 5. [1 - Sûreté des navires étrangers]1
Section 6. [1 - Sûreté des navires belges]1
Sous-section 1re. [1 - Niveau de sûreté]1
Sous-section 2. [1 - Personnel de sûreté de l'a...
Sous-section 3. [1 - Obligations de l'armateur]1
Sous-section 4. [1 - Formation et exercices]1
Section 7. [1 - Sûreté de la mer du Nord]1
Section 8. [1 - Organismes de sûreté et organis...
Sous-section 1re. [1 - Organisme de sûreté reco...
Sous-section 2. [1 - Approbation de l'organisme...
Section 9. [1 - Plateforme ISPS]1
Section 10. [1 - Protection des données]1
Sous-section 1re. [1 - Images de caméra]1
Sous-section 2. [1 - Données biométriques]1
Sous-section 3. [1 - Traitement des données à c...
Section 11. [1 - Vérifications de sécurité]1
Section 12. [1 - Politique d'intégrité]1
Section 13. [1 - Plateforme de signalement]1
CHAPITRE 3. - La prévention de la pollution par...
CHAPITRE 4. [1 - Régimes particuliers pour les ...
Section 1re. [1 - Utilisation de caméras]1
Section 2. [1 - Casier judiciaire spécial]1
TITRE 6. - AFFRETEMENT ET TRANSPORT
CHAPITRE 1er. - Affrètement
Section 1ère. - Affrètement coque nue
Section 2. - Affrètement à temps
Section 3. - Affrètement au voyage
CHAPITRE 4. - Autres affrètements
CHAPITRE 2. - Transport
Section 1ère. - Transport de marchandises
Sous-Section 1ère. . - Règles de La Haye et de ...
Sous-section 2. [1 - Dispositions spéciales]1
Section 2. - Transport de passagers
Sous-Section 1ère. - Convention PAL
Sous-Section 2. - Dispositions spéciales
TITRE 7. - EVENEMENTS DE NAVIGATION
CHAPITRE 1er. - Avarie
CHAPITRE 2. - Abordage
CHAPITRE 3. - Pollution
Section 1ère. - Convention CLC 1992
Section 2. - Convention FUND
Section 3. - Convention BUNKER
Section 4. - Dommage nucléaire
Section 5. [1 - La Convention HNS 2010]1
CHAPITRE 4. - Lieux de refuge
CHAPITRE 5. - Assistance
CHAPITRE 6. - Enlèvement des épaves
Section 1ère. - Mer territoriale
Section 2. - Zone économique exclusive
CHAPITRE 7. - Enquêtes
CHAPITRE 8. [1 - Accidents]1
LIVRE 3. - NAVIGATION INTERIEURE
TITRE 1er. . - DISPOSITIONS GENERALES
TITRE 2. - BATEAU DE NAVIGATION INTERIEURE
CHAPITRE 1er. - Immatriculation et publicité
Section 1ère. - Immatriculation des bateaux de ...
Section 2. - Publicité des droits
CHAPITRE 2. - Statut réel
CHAPITRE 3. - Sûretés sur navires
Section 1ère. - Dispostions générales
Section 2. - Droits de priorité sur navires
Section 3. [1 - Privilèges sur navires]1
Section 4. - Droits de rétention sur navires
Section 5. - Hypothèques sur navires
CHAPITRE 4. - Saisie sur navire
Section 1ère. - Saisie conservatoire
Sous-Section 1ère. - Saisie conservatoire sur b...
Section 2. - Saisie conservatoire sur les biens...
CHAPITRE 2. - Saisie-exécution sur navire
TITRE 3. - Exploitants
CHAPITRE 1er. . - Dispositions générales
Section 1ère. - Copropriété quirataire
Section 2. - Responsabilité de l'exploitant
CHAPITRE 2. - Accès au transport
CHAPITRE 3. - Limitation de responsablité
Section 1ère. - Dispositions générales
Section 2. - Le droit à la limitation
Section 3. - Limites de la responsabilité
Section 4. - Procédure de limitation sans const...
Section 5. - Procédure de limitation avec const...
CHAPITRE 4. - Créances maritimes pour les navir...
TITRE 4. - Personnes embarquées (réservé)
TITRE 5. - La mer et les ports
TITRE 6. [1 - Affrètement et transport]1
CHAPITRE 1er. [1 - Dispositions générales]1
CHAPITRE 2. [1 - Contrats d'affrètement]1
Section 1re. [1 - Affrètement coque nue et loca...
Sous-section 1re. [1 - Affrètement coque nue]1
Sous-section 2. [1 - Location-vente de navires]1
Section 2. [1 - Affrètement à temps et au voyage]1
Sous-section 1re. [1 - Affrètement à temps]1
Sous-section 2. [1 - Affrètement au voyage]1
Section 3. [1 - Contrat de séjour et contrat en...
Sous-section 1re. [1 - Contrat de séjour]1
Sous-section 2. [1 - Contrat en séjour et/ou na...
CHAPITRE 3. [1 - Contrats de transport]1
Section 1re. [1 - Transport de marchandises]1
Sous-section 1ère. [1 - Dispositions générales]1
Sous-section 2. [1 - Droits et obligations des ...
Sous-section 3. [1 - Documents de transport]1
Sous-section 4. [1 - Droit de disposer des marc...
Sous-section 5. [1 - Responsabilité du transpor...
Sous-section 6. [1 - Délais de réclamation]1
Sous-section 7. [1 - Limites de la liberté cont...
Sous-section 8. [1 - Dispositions particulières]1
Sous-section 9. [1 - Sûretés du transporteur]1
CHAPITRE 4. [1 - Contrats d'emport ou de remorq...
Section 1re. [1 - Dispositions générales]1
Section 2. [1 - Dispositions particulières rela...
Section 3. [1 - Dispositions particulières rela...
TITRE 7. - EVENEMENTS DE NAVIGATION
CHAPITRE 1er. - Avarie
CHAPITRE 2. - Abordage
LIVRE 4. - MISE EN APPLICATION
TITRE 1. - Sanctions
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Section 1ère. - Degrés de sanction
Section 2. - Sanctions pénales
Section 3. - Sanctions administratives
CHAPITRE 2. - Sanctions des infractions
Section 1ère. - Conventions et actes internatio...
Section 2. - Navigation maritime
Sous-Section 1ère. - Navires
Sous-Section 2. - Armateurs
Sous-Section 3. - Personnes embarquées
Sous-Section 4. - Mer et ports
Sous-Section 5. - Affrètement et transport
Sous-Section 6. - Evénements de navigation
Section 3. - Navigation intérieure
Section 4. - Mise en application
Section 5. [1 - Navigation de plaisance]1
TITRE 2. - Constatation des infractions
CHAPITRE 1er. - Le Contrôle de la navigation
Section 1ère. - Organisation et compétences gén...
Section 2. - Procès-verbaux
Section 2/1. [1 - Le procès-verbal électronique]1
Section 3. - Compétences particulières
Sous-Section 1. - Navires
Sous-Section 2. - Armateurs
Sous-Section 3. - Milieu marin
Sous-Section 4. - Recyclage des navires
Sous-section 5. [1 - Cellule de la Sûreté marit...
CHAPITRE 2. - La Police de la navigation
CHAPITRE 3. - Commandants
CHAPITRE 4. - Autres autorités
TITRE 3. - Poursuites des infractions
CHAPITRE 1er. - Décision de poursuivre
CHAPITRE 2. - Poursuites administratives
CHAPITRE 3. - Dispositions particulières
Section 1ère. - Délits maritimes
Section 2. - Mer et ports
TITRE 4. - L'Organisme chargé de l'application ...
TITRE 5. - Délits internationaux
CHAPITRE 1er. - La criminalité maritime à l'étr...
CHAPITRE 2. - La piraterie
TITRE 6. [1 - Dispositions particulières pour l...
Chapitre 1er. [1 - Utilisation de caméras]1
CHAPITRE 2. [1 - Autres moyens de détection]1
TITRE 7. [1 - Protection des données et échange...
CHAPITRE 1er. [1 - DG Navigation]1
Section 1re. [1 - Mise en application]1
Section 2. [1 - Plateforme de signalement]1
CHAPITRE 2. [1 - Le MIK+]1
LIVRE 5. [1 - NAVIGATION DE PLAISANCE]1
TITRE 1er. [1 - DISPOSITIONS GENERALES]1
TITRE 2. [1 - NAVIRES DE PLAISANCE]1
CHAPITRE 1er. [1 - Inscription et publicité]1
Section 1re. [1 - Inscription des navires de pl...
Section 2. [1 - Publicité des droits]1
CHAPITRE 2. [1 - Sécurité]1
Section 1re. [1 - Exigences techniques]1
Art. 5.2.2.3. [1 Arrêtés d'exécution
Section 2. [1 - Brevets d'aptitude pour la cond...
Art. 5.2.2.4. [1 Obligations
Art. 5.2.2.5. [1 Commission pour la Navigation ...
Art. 5.2.2.6. [1 Arrêtés d'exécution
CHAPITRE 3. [1 - Statut réel]1
Art. 5.2.3.1. [1 Droit applicable
CHAPITRE 4. [1 - Sûretés sur navires]1
Art. 5.2.4.1. [1 Droit applicable
Art. 5.2.4.2. [1 Tribunal compétent
CHAPITRE 5. [1 - Saisie sur navire]1
Art. 5.2.5.1. [1 Droit applicable
TITRE 3. [1 - PROPRIETAIRES]1
CHAPITRE 1er. [1 - Dispositions générales]1
Section 1re. [1 - Copropriété quirataire]1
Art. 5.3.1.1. [1 Droit applicable
Section 2. [1 - Responsabilité des propriétaire...
Art. 5.3.1.2. [1 Assurance responsabilité civile
CHAPITRE 2. [1 - Navigation maritime]1
Art. 5.3.2.1. [1 Assurances obligatoires
Art. 5.3.2.2. [1 Limitation de responsabilité
TITRE 4. [1 - MER ET PORTS]1
Art. 5.4.1.1. [1 Prévention de la pollution par...
TITRE 5. [1 - EVENEMENTS DE NAVIGATION]1
CHAPITRE 1er. [1 - Enlèvement des épaves]1
Art. 5.5.1.1. [1 Droit applicable
CHAPITRE 2. [1 - Activités]1
Art. 5.5.2.1. [1 Autorisations
Art. 5.5.2.2. [1 Arrêtés d'exécution
Tekst (1564)
Texte (1564)
BOEK 1. - ALGEMENE BEPALINGEN
LIVRE 1er. - DISPOSITIONS GENERALES
TITEL 1. - ALGEMENE BEPALINGEN
TITRE 1er. - DISPOSITIONS GENERALES
HOOFDSTUK 1. - Begrippen
CHAPITRE 1er. - Notions
Art. 1.1.1.1. Sources de droit de la navigation
§ 1er. Dans le présent code et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés pris en vue de son exécution, l'on entend par :
1° " la Convention sur la compétence civile en matière d'abordage 1952 " : la Convention internationale pour l'unification de certaines règles relatives à la compétence civile en matière d'abordage, faite à Bruxelles le 10 mai 1952 et approuvée par la loi du 24 mars 1961;
2° " la Convention sur la compétence pénale en matière d'abordage 1952 " : la Convention internationale pour l'unification de certaines règles relatives à la compétence pénale en matière d'abordage et autres événements de navigation, faite à Bruxelles le 10 mai 1952 et approuvée par la loi du 24 mars 1961;
3° " la Convention sur les Abordages 1910 " : la Convention internationale pour l'unification de certaines règles en matière d'abordage, faite à Bruxelles le 23 septembre 1910 et approuvée par la loi du 14 septembre 1911;
4° " la Convention sur les Abordages 1960 " : la Convention relative à l'unification de certaines règles en matière d'abordage en navigation intérieure, faite à Genève le 15 mars 1960;
5° " l'Accord ADN " : l'Accord européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par voies de navigation intérieures, fait à Genève le 26 mai 2000 et auquel la loi du 25 février 2013 a porté assentiment;
6° " la Convention AFS " : la Convention internationale de 2001 sur le contrôle des systèmes antisalissure nuisibles sur les navires, faite à Londres le 5 octobre 2001 et à laquelle la loi du 16 février 2009 a porté assentiment;
7° " les Règles d'avarie commune IVR " : les dispositions ainsi dénommées fixées par le Roi sur la base de l'article [1 3.7.1.4, § 2]1;
8° " la Convention sur l'assistance 1989 " : la Convention internationale sur l'Assistance, faite à Londres le 28 avril 1989 et à laquelle la loi du 13 mai 2003 a porté assentiment;
9° " la Convention BUNKER " : la Convention internationale de 2001 sur la responsabilité civile pour les dommages dus à la pollution par les hydrocarbures de soute, faite à Londres le 23 mars 2001 et à laquelle la loi du 12 juillet 2009 a porté assentiment;
10° " la Convention BWM " : la Convention internationale pour le contrôle et la gestion des eaux de ballast et sédiments des navires, faite à Londres le 13 février 2004 et à laquelle la loi du 14 avril 2013 a porté assentiment;
11° " la Convention CDNI " : la Convention relative à la collecte, au dépôt et à la réception des déchets survenant en navigation rhénane et intérieure, aux Annexes 1 et 2, et aux Appendices I, II, III, IV et V, faite à Strasbourg le 9 septembre 1996 et à laquelle la loi du 19 juin 2008 a porté assentiment;
12° " la Convention CLC 1992 " : la Convention internationale sur la responsabilité civile pour les dommages dus à la pollution par les hydrocarbures, avec Annexes, faite à Bruxelles le 29 novembre 1969, approuvée par la loi du 20 juillet 1976 et modifiée par le Protocole de Londres du 27 novembre 1992, à laquelle la loi du 10 août 1998 a porté assentiment;
13° " la Convention CLNI 2012 " : la Convention de Strasbourg de 2012 sur la limitation de la responsabilité en navigation intérieure (CLNI 2012), faite à Strasbourg le 27 septembre 2012;
14° " la Convention CMNI " : la Convention de Budapest relative au contrat de transport de marchandises en navigation intérieure (CMNI), faite à Budapest le 22 juin 2001 et à laquelle la loi du 29 juin 2008 a porté assentiment;
15° " la Convention COLREG " : la Convention sur le règlement international de 1972 pour prévenir les abordages en mer, Règlement y annexé et ses Annexes, faits à Londres le 20 octobre 1972 et approuvés par la loi du 24 novembre 1975;
16° " la Convention CSC " : la Convention internationale sur la sécurité des conteneurs, avec Annexes, faite à Genève le 2 décembre 1972 et approuvée par la loi du 20 août 1981;
17° " le Règlement EMSA " : le Règlement (CE) n° 1406/2002 du Parlement européen et du Conseil du 27 juin 2002 instituant une Agence européenne pour la sécurité maritime;
18° " la Convention FUND 1992 " : la Convention internationale de Bruxelles de 1971 portant création d'un Fonds international d'indemnisation pour les dommages dus à la pollution par les hydrocarbures, telle que modifiée par le Protocole de Londres de 1992, fait à Londres le 27 novembre 1992 et auquel la loi du 10 août 1998 a porté assentiment;
19° " le Protocole FUND 2003 " : le Protocole de Londres de 2003 à la Convention FUND 1992, fait à Londres le 16 mai 2003 et auquel la loi du 6 octobre 2005 a porté assentiment;
20° " la Convention HNS 2010 " : la Convention internationale de 1996 sur la responsabilité et l'indemnisation pour les dommages liés au transport par mer de substances nocives et potentiellement dangereuses, avec Annexes, faite à Londres le 3 mai 1996 et modifiée par le Protocole de Londres de 2010, fait à Londres le 30 avril 2010;
21° " le Code de l'OMI pour la conduite des enquêtes sur les accidents et les incidents de mer " : le Code pour la conduite des enquêtes sur les accidents et les incidents de mer, approuvé par l'OMI par la Résolution A.849(20) du 27 novembre 1997;
22° " le Code de l'OMI de normes internationales et pratiques recommandées applicables à une enquête de sécurité sur un accident de mer ou un incident de mer " : le Code de normes internationales et pratiques recommandées applicables à une enquête de sécurité sur un accident de mer ou un incident de mer, approuvé par l'OMI par la Résolution MSC.255(84) du 16 mai 2008;
23° " les Directives de l'OMI sur le traitement équitable des gens de mer en cas d'accident de mer " : les Directives sur le traitement équitable des gens de mer en cas d'accident de mer, approuvées par l'OMI par la Résolution LEG.3(91) du 27 avril 2006;
24° " la Convention de l'OMI " : la Convention portant création de l'Organisation maritime consultative internationale, avec Annexes, faite à Genève le 6 mars 1948 et approuvée par la loi du 26 juin 1951;
25° " la Convention INTERVENTION " : la Convention internationale sur l'intervention en haute mer en cas d'accident pouvant entraîner une pollution par les hydrocarbures, faite à Bruxelles le 29 novembre 1969 et approuvée par la loi du 29 juillet 1971;
26° " le Protocole INTERVENTION " : le Protocole sur l'intervention en haute mer en cas de pollution par des substances autres que les hydrocarbures, fait à Londres le 2 novembre 1973 et approuvé par la loi du 6 août 1982;
27° " le Code ISM " : le Code international de gestion pour la sécurité de l'exploitation des navires et la prévention de la pollution (Code ISM), visé au chapitre IX de l'Annexe à la Convention SOLAS et approuvé par l'OMI par la Résolution A.741(18) du 4 novembre 1993;
28° " le Code ISPS " : le Code international pour la sûreté des navires et des installations portuaires, visé au chapitre XI-2 de l'Annexe à la Convention SOLAS;
29° [3 " la Directive sur la sûreté portuaire "]3 : la Directive 2005/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 26 octobre 2005 relative à l'amélioration de la sûreté des ports;
30° " le Règlement ISPS " : le Règlement (CE) n° 725/2004 du Parlement européen et du Conseil du 31 mars 2004 relatif à l'amélioration de la sûreté des navires et des installations portuaires;
31° " la Convention LC " : la Convention sur la prévention de la pollution des mers résultant de l'immersion de déchets, faite à Londres le 13 novembre 1972 et approuvée par la loi du 20 décembre 1984;
32° " le Protocole LC " : le Protocole de 1996 à la Convention LC, fait à Londres le 7 novembre 1996 et approuvé par la loi du 21 juin 2004;
33° " la Convention LL " : la Convention internationale de 1966 sur les lignes de charge, faite à Londres le 5 avril 1966 et approuvée par la loi du 27 décembre 1968;
34° " le Protocole LL 1988 " : le Protocole de 1988 relatif à la Convention LL, fait à Londres le 11 novembre 1988 et approuvé par la loi du 15 février 2007;
35° " la Convention LLMC " : la Convention de Londres de 1976 sur la limitation de la responsabilité en matière de créances maritimes, faite à Londres le 19 novembre 1976, approuvée par la loi du 11 avril 1989 et modifiée par le Protocole de Londres du 2 mai 1996 modifiant la Convention de 1976 sur la limitation de la responsabilité en matière de créances maritimes, à laquelle la loi du 10 septembre 2009 a porté assentiment;
36° " la Convention MARPOL " : la Convention internationale de 1973 pour la prévention de la pollution par les navires, faite à Londres le 2 novembre 1973 et approuvée par la loi du 17 janvier 1984;
37° " le Protocole MARPOL 1978 " : le Protocole de 1978 à la Convention MARPOL, fait à Londres le 17 février 1978 et approuvé par la loi du 17 janvier 1984;
38° " le Protocole MARPOL 1997 " : le Protocole de 1997 à la Convention MARPOL telle que modifiée par le Protocole MARPOL 1978, fait à Londres le 26 septembre 1997 et approuvé par la loi du 15 juin 2004;
39° " les Directives MAS " : les Directives relatives aux services d'assistance maritime, approuvés par l'OMI par la Résolution A.950(23) du 26 février 2004;
40° " la Convention MLC " : la Convention du travail maritime, 2006, adoptée à Genève le 23 février 2006 par la Conférence internationale du Travail lors de sa 94e session, et à laquelle la loi du 17 août 2013 a porté assentiment;
41° " la Convention NUCLEAR " : la Convention relative à la responsabilité civile dans le domaine du transport maritime de matières nucléaires, faite à Bruxelles le 17 décembre 1971 et approuvée par la loi du 11 avril 1989;
42° la " Convention PAL " : la Convention d'Athènes de 2002 relative au transport par mer de passagers et de leurs bagages, faite à Londres le 1er novembre 2002 et à laquelle la loi du 26 novembre 2012 a porté assentiment;
43° " le Protocole PAL " : le Protocole de 2002 à la Convention PAL, fait à Londres le 1er novembre 2002 et auquel la loi du 26 novembre 2012 a porté assentiment;
44° " les Lignes directrices PAL " : les Directives de l'OMI pour l'exécution de la Convention PAL, jointe à la lettre circulaire n° 2758 de l'OMI du 20 novembre 2006;
45° " le Règlement PAL " : le Règlement (CE) n° 392/2009 du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 relatif à la responsabilité des transporteurs de passagers par mer en cas d'accident;
46° " le Règlement concernant les droits des passagers " : le Règlement (UE) n° 1177/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 concernant les droits des passagers voyageant par mer ou par voie de navigation intérieure et modifiant le règlement (CE) n° 2006/2004;
47° " les Directives PoR " : les Directives sur les lieux de refuge pour les navires ayant besoin d'assistance, approuvées par l'OMI par la Résolution A.949(23) du 5 mars 2004;
48° " les Règles de La Haye et Visby " : la Convention internationale pour l'unification de certaines règles en matière de connaissement et le Protocole de signature, conclus à Bruxelles le 25 août 1924 et approuvés par la loi du 20 novembre 1928, et modifiés par le Protocole fait à Bruxelles le 23 février 1968 et approuvé par la loi du 28 août 1978, et par le Protocole signé à Bruxelles le 21 décembre 1979 et approuvé par la loi du 17 août 1983;
49° " les Règles d'York et d'Anvers " : les dispositions ainsi dénommées fixées par le Roi sur la base de l'article [1 2.7.1.4, § 2]1;
50° " Accord de coopération Garde côtière " : l'accord de coopération entre l'Etat fédéral et la Région flamande du 8 juillet 2005 concernant la création d'une structure de Garde côtière et la coopération au sein de celle-ci et auquel la loi du 4 avril 2006 a porté assentiment;
51° " la Convention SAR " : la Convention internationale sur la recherche et le sauvetage maritime, avec Annexe, faite à Hambourg le 27 avril 1979 et approuvée par la loi du 20 décembre 1984;
52° " la Convention sur la saisie des navires 1952 " : la Convention internationale pour l'unification de certaines règles sur la saisie conservatoire des navires de mer, faite à Bruxelles le 10 mai 1952 et approuvée par la loi du 24 mars 1961;
53° " la Convention SFV " : la Convention internationale de Torremolinos sur la sécurité des navires de pêche, avec Annexe, faite à Torremolinos le 2 avril 1977 et approuvée par la loi du 16 août 1982, et modifiée par le Protocole fait à Torremolinos le 2 avril 1993 et l'Accord fait au Cap le 11 octobre 2012 et auquel la loi du 21 décembre 2017 a porté assentiment;
54° " la Convention SOLAS " : la Convention internationale de 1974 pour la sauvegarde de la vie humaine en mer, faite à Londres le 1er novembre 1974 et approuvée par la loi du 10 août 1979;
55° " le Protocole SOLAS 1978 " : le Protocole de 1978 à la Convention SOLAS, fait à Londres le 17 février 1978 et approuvé par la loi du 10 août 1979;
56° " le Protocole SOLAS 1988 " : le Protocole de 1988 à la Convention SOLAS tel que modifié par le Protocole SOLAS 1978, fait à Londres le 11 novembre 1988 et approuvé par la loi du 15 février 2007;
57° " la Convention SRC " : la Convention internationale de Hong Kong pour le recyclage sûr et écologiquement rationnel des navires, faite à Hong Kong le 15 mai 2009 et à laquelle la loi du 2 juillet 2013 a porté assentiment;
58° " le Règlement SRC " : le Règlement (UE) n° 1257/2013 du Parlement européen et du Conseil du 20 novembre 2013 relatif au recyclage des navires et modifiant le Règlement (CE) n° 1013/2006 et la Directive 2009/16/CE;
59° " la Convention sur les navires d'Etat 1926 " : la Convention internationale pour l'unification de certaines règles concernant les immunités de navires d'Etat, faite à Bruxelles le 10 avril 1926 et approuvée par la loi du 20 novembre 1928;
60° " le Protocole sur les navires d'Etat 1934 " : le Protocole additionnel à la Convention sur les navires d'Etat 1926, fait à Bruxelles le 24 mai 1934;
61° " la Convention STCW " : la Convention internationale sur les normes de formation des gens de mer, de délivrance des brevets et de veille, faite à Londres le 7 juillet 1978 et approuvée par la loi du 16 août 1982;
62° " la Convention STCW-F " : la Convention internationale de 1995 sur les normes de formation du personnel des navires de pêche, de délivrance des brevets et de veille, faite à Londres le 7 juillet 1995 et à laquelle la loi du 21 décembre 2017 a porté assentiment;
63° " la Convention TMC " : la Convention internationale de 1969 sur le jaugeage des navires, avec Annexes, faite à Londres le 23 juin 1969 et approuvée par la loi du 7 avril 1975;
64° " la Convention des NU sur le droit de la mer " : la Convention des Nations Unies sur le droit de la mer, faite à Montego Bay le 10 décembre 1982 et à laquelle la loi du 18 juin 1998 a porté assentiment;
65° " la Convention WRC " : la Convention internationale de Nairobi sur l'enlèvement des épaves, faite à Nairobi le 18 mai 2007 et à laquelle la loi du 8 janvier 2017 a porté assentiment;
[1 66° " Règlement double coque " : le Règlement (UE) n° 530/2012 du Parlement européen et du Conseil du 13 juin 2012 relatif à l'introduction accélérée des prescriptions en matière de double coque ou de normes de conception équivalentes pour les pétroliers à simple coque;]1
[2 67° le Règlement MRV: le Règlement (EU) 2015/757 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2015 concernant la surveillance, la déclaration et la vérification des émissions de dioxyde de carbone du secteur du transport maritime et modifiant la directive 2009/16/CE;]2
[3 68° " Partie A du Code ISPS " : la partie A du Code ISPS constituée du préambule et des dispositions obligatoires figurant à l'annexe II du Règlement ISPS ;
69° " Partie B du Code ISPS " : la partie B du Code ISPS constituée des recommandations figurant à l'annexe III du Règlement ISPS ;
70° " RGPD " : le Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE;]3
[4 71° Accord BBNJ : l'Accord se rapportant à la Convention des Nations Unies sur le droit de la mer et portant sur la conservation et l'utilisation durable de la diversité biologique marine des zones ne relevant pas de la juridiction nationale, fait à New York le 19 juin 2023 et auquel il a été donné assentiment par la loi du 25 décembre 2024.]4
Les renvois dans le présent code aux actes internationaux visés au premier alinéa ont également trait à leurs modifications ultérieures qui sont contraignantes pour la Belgique et qui sont entrées en vigueur.
§ 2. Dans le présent code, l'on entend par :
1° " usage " : une règle qui a trouvé une application générale ou quasi générale dans la branche d'activité concernée ou à l'endroit concerné;
2° " principes généraux du droit de la navigation " : les principes, reflétés au niveau international, qui sont à la base de l'ordre du droit de la navigation;
[2 3° les traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation: les sources de droit de la navigation reprises au paragraphe 1er, 6°, 9°, 10°, 12°, 15°, 16°, 18° ; 19°, 20°, 27°, 28°, 30°, 31°, 32°, 33°, 34°, 35°, 36°, 37°, 38°, 40°, 41°, 42°, 43°, 45°, 46°, 51°, 52°, 53°, 54°, 55°, 56°, 57°, 58°, 61°, 62°, 63°, 65°, 66° et 67°.]2
§ 1er. Dans le présent code et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés pris en vue de son exécution, l'on entend par :
1° " la Convention sur la compétence civile en matière d'abordage 1952 " : la Convention internationale pour l'unification de certaines règles relatives à la compétence civile en matière d'abordage, faite à Bruxelles le 10 mai 1952 et approuvée par la loi du 24 mars 1961;
2° " la Convention sur la compétence pénale en matière d'abordage 1952 " : la Convention internationale pour l'unification de certaines règles relatives à la compétence pénale en matière d'abordage et autres événements de navigation, faite à Bruxelles le 10 mai 1952 et approuvée par la loi du 24 mars 1961;
3° " la Convention sur les Abordages 1910 " : la Convention internationale pour l'unification de certaines règles en matière d'abordage, faite à Bruxelles le 23 septembre 1910 et approuvée par la loi du 14 septembre 1911;
4° " la Convention sur les Abordages 1960 " : la Convention relative à l'unification de certaines règles en matière d'abordage en navigation intérieure, faite à Genève le 15 mars 1960;
5° " l'Accord ADN " : l'Accord européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par voies de navigation intérieures, fait à Genève le 26 mai 2000 et auquel la loi du 25 février 2013 a porté assentiment;
6° " la Convention AFS " : la Convention internationale de 2001 sur le contrôle des systèmes antisalissure nuisibles sur les navires, faite à Londres le 5 octobre 2001 et à laquelle la loi du 16 février 2009 a porté assentiment;
7° " les Règles d'avarie commune IVR " : les dispositions ainsi dénommées fixées par le Roi sur la base de l'article [1 3.7.1.4, § 2]1;
8° " la Convention sur l'assistance 1989 " : la Convention internationale sur l'Assistance, faite à Londres le 28 avril 1989 et à laquelle la loi du 13 mai 2003 a porté assentiment;
9° " la Convention BUNKER " : la Convention internationale de 2001 sur la responsabilité civile pour les dommages dus à la pollution par les hydrocarbures de soute, faite à Londres le 23 mars 2001 et à laquelle la loi du 12 juillet 2009 a porté assentiment;
10° " la Convention BWM " : la Convention internationale pour le contrôle et la gestion des eaux de ballast et sédiments des navires, faite à Londres le 13 février 2004 et à laquelle la loi du 14 avril 2013 a porté assentiment;
11° " la Convention CDNI " : la Convention relative à la collecte, au dépôt et à la réception des déchets survenant en navigation rhénane et intérieure, aux Annexes 1 et 2, et aux Appendices I, II, III, IV et V, faite à Strasbourg le 9 septembre 1996 et à laquelle la loi du 19 juin 2008 a porté assentiment;
12° " la Convention CLC 1992 " : la Convention internationale sur la responsabilité civile pour les dommages dus à la pollution par les hydrocarbures, avec Annexes, faite à Bruxelles le 29 novembre 1969, approuvée par la loi du 20 juillet 1976 et modifiée par le Protocole de Londres du 27 novembre 1992, à laquelle la loi du 10 août 1998 a porté assentiment;
13° " la Convention CLNI 2012 " : la Convention de Strasbourg de 2012 sur la limitation de la responsabilité en navigation intérieure (CLNI 2012), faite à Strasbourg le 27 septembre 2012;
14° " la Convention CMNI " : la Convention de Budapest relative au contrat de transport de marchandises en navigation intérieure (CMNI), faite à Budapest le 22 juin 2001 et à laquelle la loi du 29 juin 2008 a porté assentiment;
15° " la Convention COLREG " : la Convention sur le règlement international de 1972 pour prévenir les abordages en mer, Règlement y annexé et ses Annexes, faits à Londres le 20 octobre 1972 et approuvés par la loi du 24 novembre 1975;
16° " la Convention CSC " : la Convention internationale sur la sécurité des conteneurs, avec Annexes, faite à Genève le 2 décembre 1972 et approuvée par la loi du 20 août 1981;
17° " le Règlement EMSA " : le Règlement (CE) n° 1406/2002 du Parlement européen et du Conseil du 27 juin 2002 instituant une Agence européenne pour la sécurité maritime;
18° " la Convention FUND 1992 " : la Convention internationale de Bruxelles de 1971 portant création d'un Fonds international d'indemnisation pour les dommages dus à la pollution par les hydrocarbures, telle que modifiée par le Protocole de Londres de 1992, fait à Londres le 27 novembre 1992 et auquel la loi du 10 août 1998 a porté assentiment;
19° " le Protocole FUND 2003 " : le Protocole de Londres de 2003 à la Convention FUND 1992, fait à Londres le 16 mai 2003 et auquel la loi du 6 octobre 2005 a porté assentiment;
20° " la Convention HNS 2010 " : la Convention internationale de 1996 sur la responsabilité et l'indemnisation pour les dommages liés au transport par mer de substances nocives et potentiellement dangereuses, avec Annexes, faite à Londres le 3 mai 1996 et modifiée par le Protocole de Londres de 2010, fait à Londres le 30 avril 2010;
21° " le Code de l'OMI pour la conduite des enquêtes sur les accidents et les incidents de mer " : le Code pour la conduite des enquêtes sur les accidents et les incidents de mer, approuvé par l'OMI par la Résolution A.849(20) du 27 novembre 1997;
22° " le Code de l'OMI de normes internationales et pratiques recommandées applicables à une enquête de sécurité sur un accident de mer ou un incident de mer " : le Code de normes internationales et pratiques recommandées applicables à une enquête de sécurité sur un accident de mer ou un incident de mer, approuvé par l'OMI par la Résolution MSC.255(84) du 16 mai 2008;
23° " les Directives de l'OMI sur le traitement équitable des gens de mer en cas d'accident de mer " : les Directives sur le traitement équitable des gens de mer en cas d'accident de mer, approuvées par l'OMI par la Résolution LEG.3(91) du 27 avril 2006;
24° " la Convention de l'OMI " : la Convention portant création de l'Organisation maritime consultative internationale, avec Annexes, faite à Genève le 6 mars 1948 et approuvée par la loi du 26 juin 1951;
25° " la Convention INTERVENTION " : la Convention internationale sur l'intervention en haute mer en cas d'accident pouvant entraîner une pollution par les hydrocarbures, faite à Bruxelles le 29 novembre 1969 et approuvée par la loi du 29 juillet 1971;
26° " le Protocole INTERVENTION " : le Protocole sur l'intervention en haute mer en cas de pollution par des substances autres que les hydrocarbures, fait à Londres le 2 novembre 1973 et approuvé par la loi du 6 août 1982;
27° " le Code ISM " : le Code international de gestion pour la sécurité de l'exploitation des navires et la prévention de la pollution (Code ISM), visé au chapitre IX de l'Annexe à la Convention SOLAS et approuvé par l'OMI par la Résolution A.741(18) du 4 novembre 1993;
28° " le Code ISPS " : le Code international pour la sûreté des navires et des installations portuaires, visé au chapitre XI-2 de l'Annexe à la Convention SOLAS;
29° [3 " la Directive sur la sûreté portuaire "]3 : la Directive 2005/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 26 octobre 2005 relative à l'amélioration de la sûreté des ports;
30° " le Règlement ISPS " : le Règlement (CE) n° 725/2004 du Parlement européen et du Conseil du 31 mars 2004 relatif à l'amélioration de la sûreté des navires et des installations portuaires;
31° " la Convention LC " : la Convention sur la prévention de la pollution des mers résultant de l'immersion de déchets, faite à Londres le 13 novembre 1972 et approuvée par la loi du 20 décembre 1984;
32° " le Protocole LC " : le Protocole de 1996 à la Convention LC, fait à Londres le 7 novembre 1996 et approuvé par la loi du 21 juin 2004;
33° " la Convention LL " : la Convention internationale de 1966 sur les lignes de charge, faite à Londres le 5 avril 1966 et approuvée par la loi du 27 décembre 1968;
34° " le Protocole LL 1988 " : le Protocole de 1988 relatif à la Convention LL, fait à Londres le 11 novembre 1988 et approuvé par la loi du 15 février 2007;
35° " la Convention LLMC " : la Convention de Londres de 1976 sur la limitation de la responsabilité en matière de créances maritimes, faite à Londres le 19 novembre 1976, approuvée par la loi du 11 avril 1989 et modifiée par le Protocole de Londres du 2 mai 1996 modifiant la Convention de 1976 sur la limitation de la responsabilité en matière de créances maritimes, à laquelle la loi du 10 septembre 2009 a porté assentiment;
36° " la Convention MARPOL " : la Convention internationale de 1973 pour la prévention de la pollution par les navires, faite à Londres le 2 novembre 1973 et approuvée par la loi du 17 janvier 1984;
37° " le Protocole MARPOL 1978 " : le Protocole de 1978 à la Convention MARPOL, fait à Londres le 17 février 1978 et approuvé par la loi du 17 janvier 1984;
38° " le Protocole MARPOL 1997 " : le Protocole de 1997 à la Convention MARPOL telle que modifiée par le Protocole MARPOL 1978, fait à Londres le 26 septembre 1997 et approuvé par la loi du 15 juin 2004;
39° " les Directives MAS " : les Directives relatives aux services d'assistance maritime, approuvés par l'OMI par la Résolution A.950(23) du 26 février 2004;
40° " la Convention MLC " : la Convention du travail maritime, 2006, adoptée à Genève le 23 février 2006 par la Conférence internationale du Travail lors de sa 94e session, et à laquelle la loi du 17 août 2013 a porté assentiment;
41° " la Convention NUCLEAR " : la Convention relative à la responsabilité civile dans le domaine du transport maritime de matières nucléaires, faite à Bruxelles le 17 décembre 1971 et approuvée par la loi du 11 avril 1989;
42° la " Convention PAL " : la Convention d'Athènes de 2002 relative au transport par mer de passagers et de leurs bagages, faite à Londres le 1er novembre 2002 et à laquelle la loi du 26 novembre 2012 a porté assentiment;
43° " le Protocole PAL " : le Protocole de 2002 à la Convention PAL, fait à Londres le 1er novembre 2002 et auquel la loi du 26 novembre 2012 a porté assentiment;
44° " les Lignes directrices PAL " : les Directives de l'OMI pour l'exécution de la Convention PAL, jointe à la lettre circulaire n° 2758 de l'OMI du 20 novembre 2006;
45° " le Règlement PAL " : le Règlement (CE) n° 392/2009 du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 relatif à la responsabilité des transporteurs de passagers par mer en cas d'accident;
46° " le Règlement concernant les droits des passagers " : le Règlement (UE) n° 1177/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 concernant les droits des passagers voyageant par mer ou par voie de navigation intérieure et modifiant le règlement (CE) n° 2006/2004;
47° " les Directives PoR " : les Directives sur les lieux de refuge pour les navires ayant besoin d'assistance, approuvées par l'OMI par la Résolution A.949(23) du 5 mars 2004;
48° " les Règles de La Haye et Visby " : la Convention internationale pour l'unification de certaines règles en matière de connaissement et le Protocole de signature, conclus à Bruxelles le 25 août 1924 et approuvés par la loi du 20 novembre 1928, et modifiés par le Protocole fait à Bruxelles le 23 février 1968 et approuvé par la loi du 28 août 1978, et par le Protocole signé à Bruxelles le 21 décembre 1979 et approuvé par la loi du 17 août 1983;
49° " les Règles d'York et d'Anvers " : les dispositions ainsi dénommées fixées par le Roi sur la base de l'article [1 2.7.1.4, § 2]1;
50° " Accord de coopération Garde côtière " : l'accord de coopération entre l'Etat fédéral et la Région flamande du 8 juillet 2005 concernant la création d'une structure de Garde côtière et la coopération au sein de celle-ci et auquel la loi du 4 avril 2006 a porté assentiment;
51° " la Convention SAR " : la Convention internationale sur la recherche et le sauvetage maritime, avec Annexe, faite à Hambourg le 27 avril 1979 et approuvée par la loi du 20 décembre 1984;
52° " la Convention sur la saisie des navires 1952 " : la Convention internationale pour l'unification de certaines règles sur la saisie conservatoire des navires de mer, faite à Bruxelles le 10 mai 1952 et approuvée par la loi du 24 mars 1961;
53° " la Convention SFV " : la Convention internationale de Torremolinos sur la sécurité des navires de pêche, avec Annexe, faite à Torremolinos le 2 avril 1977 et approuvée par la loi du 16 août 1982, et modifiée par le Protocole fait à Torremolinos le 2 avril 1993 et l'Accord fait au Cap le 11 octobre 2012 et auquel la loi du 21 décembre 2017 a porté assentiment;
54° " la Convention SOLAS " : la Convention internationale de 1974 pour la sauvegarde de la vie humaine en mer, faite à Londres le 1er novembre 1974 et approuvée par la loi du 10 août 1979;
55° " le Protocole SOLAS 1978 " : le Protocole de 1978 à la Convention SOLAS, fait à Londres le 17 février 1978 et approuvé par la loi du 10 août 1979;
56° " le Protocole SOLAS 1988 " : le Protocole de 1988 à la Convention SOLAS tel que modifié par le Protocole SOLAS 1978, fait à Londres le 11 novembre 1988 et approuvé par la loi du 15 février 2007;
57° " la Convention SRC " : la Convention internationale de Hong Kong pour le recyclage sûr et écologiquement rationnel des navires, faite à Hong Kong le 15 mai 2009 et à laquelle la loi du 2 juillet 2013 a porté assentiment;
58° " le Règlement SRC " : le Règlement (UE) n° 1257/2013 du Parlement européen et du Conseil du 20 novembre 2013 relatif au recyclage des navires et modifiant le Règlement (CE) n° 1013/2006 et la Directive 2009/16/CE;
59° " la Convention sur les navires d'Etat 1926 " : la Convention internationale pour l'unification de certaines règles concernant les immunités de navires d'Etat, faite à Bruxelles le 10 avril 1926 et approuvée par la loi du 20 novembre 1928;
60° " le Protocole sur les navires d'Etat 1934 " : le Protocole additionnel à la Convention sur les navires d'Etat 1926, fait à Bruxelles le 24 mai 1934;
61° " la Convention STCW " : la Convention internationale sur les normes de formation des gens de mer, de délivrance des brevets et de veille, faite à Londres le 7 juillet 1978 et approuvée par la loi du 16 août 1982;
62° " la Convention STCW-F " : la Convention internationale de 1995 sur les normes de formation du personnel des navires de pêche, de délivrance des brevets et de veille, faite à Londres le 7 juillet 1995 et à laquelle la loi du 21 décembre 2017 a porté assentiment;
63° " la Convention TMC " : la Convention internationale de 1969 sur le jaugeage des navires, avec Annexes, faite à Londres le 23 juin 1969 et approuvée par la loi du 7 avril 1975;
64° " la Convention des NU sur le droit de la mer " : la Convention des Nations Unies sur le droit de la mer, faite à Montego Bay le 10 décembre 1982 et à laquelle la loi du 18 juin 1998 a porté assentiment;
65° " la Convention WRC " : la Convention internationale de Nairobi sur l'enlèvement des épaves, faite à Nairobi le 18 mai 2007 et à laquelle la loi du 8 janvier 2017 a porté assentiment;
[1 66° " Règlement double coque " : le Règlement (UE) n° 530/2012 du Parlement européen et du Conseil du 13 juin 2012 relatif à l'introduction accélérée des prescriptions en matière de double coque ou de normes de conception équivalentes pour les pétroliers à simple coque;]1
[2 67° le Règlement MRV: le Règlement (EU) 2015/757 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2015 concernant la surveillance, la déclaration et la vérification des émissions de dioxyde de carbone du secteur du transport maritime et modifiant la directive 2009/16/CE;]2
[3 68° " Partie A du Code ISPS " : la partie A du Code ISPS constituée du préambule et des dispositions obligatoires figurant à l'annexe II du Règlement ISPS ;
69° " Partie B du Code ISPS " : la partie B du Code ISPS constituée des recommandations figurant à l'annexe III du Règlement ISPS ;
70° " RGPD " : le Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE;]3
[4 71° Accord BBNJ : l'Accord se rapportant à la Convention des Nations Unies sur le droit de la mer et portant sur la conservation et l'utilisation durable de la diversité biologique marine des zones ne relevant pas de la juridiction nationale, fait à New York le 19 juin 2023 et auquel il a été donné assentiment par la loi du 25 décembre 2024.]4
Les renvois dans le présent code aux actes internationaux visés au premier alinéa ont également trait à leurs modifications ultérieures qui sont contraignantes pour la Belgique et qui sont entrées en vigueur.
§ 2. Dans le présent code, l'on entend par :
1° " usage " : une règle qui a trouvé une application générale ou quasi générale dans la branche d'activité concernée ou à l'endroit concerné;
2° " principes généraux du droit de la navigation " : les principes, reflétés au niveau international, qui sont à la base de l'ordre du droit de la navigation;
[2 3° les traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation: les sources de droit de la navigation reprises au paragraphe 1er, 6°, 9°, 10°, 12°, 15°, 16°, 18° ; 19°, 20°, 27°, 28°, 30°, 31°, 32°, 33°, 34°, 35°, 36°, 37°, 38°, 40°, 41°, 42°, 43°, 45°, 46°, 51°, 52°, 53°, 54°, 55°, 56°, 57°, 58°, 61°, 62°, 63°, 65°, 66° et 67°.]2
Art. 1.1.1.2. Overheden
In dit wetboek wordt verstaan onder :
1° "IMO" : de Internationale Maritieme Organisatie, opgericht krachtens het IMO-Verdrag;
2° "de bevoegde overheid" : het onderdeel van de federale overheid dat bevoegd is voor de door of krachtens dit wetboek geregelde aangelegenheden en dat daartoe door de Koning wordt aangeduid;
3° "het Belgisch Scheepsregister" : de centrale dienst van het directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer die in het bijzonder belast is met de registratie van zeeschepen en de teboekstelling van binnenschepen en met de openbaarmaking van rechten op schepen;
4° "de Scheepvaartcontrole" : het onderdeel van de federale overheid dat in het bijzonder belast is met de in dit wetboek vastgestelde uitvoerings- en handhavingsopdrachten en dat daartoe door de Koning wordt aangeduid;
5° "de scheepvaartcontroleurs" : de personeelsleden van de Scheepvaartcontrole;
6° "de Scheepvaartpolitie" : de met de politie te water belaste overheid van de federale politie;
7° MIK : het Maritiem Informatiekruispunt bedoeld in artikel 3, 7°, van het Samenwerkingsakkoord Kustwacht;
[1 8° "NCCN": het Nationaal Crisiscentrum van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
9° "OCAD": het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, opgericht door de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging;
10° "NAMB": de Nationale Autoriteit voor Maritieme Beveiliging, zoals bedoeld in artikel 2.5.2.5;
11° "LCMB": een Lokaal Comité voor Maritieme Beveiliging, zoals bedoeld in artikel 2.5.2.8;
12° "Cel Maritieme Beveiliging": de afdeling van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer die belast wordt met de taken bedoeld in artikel 4.2.1.44;]1
[2 13° MIK+: het Maritiem Informatiekruispunt aangevuld met de Dienst Marien Milieu van de FOD Volksgezondheid, Leefmilieu en Veiligheid van de Voedselketen, en het Belgisch Mathematisch model voor de Noordzee.]2
In dit wetboek wordt verstaan onder :
1° "IMO" : de Internationale Maritieme Organisatie, opgericht krachtens het IMO-Verdrag;
2° "de bevoegde overheid" : het onderdeel van de federale overheid dat bevoegd is voor de door of krachtens dit wetboek geregelde aangelegenheden en dat daartoe door de Koning wordt aangeduid;
3° "het Belgisch Scheepsregister" : de centrale dienst van het directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer die in het bijzonder belast is met de registratie van zeeschepen en de teboekstelling van binnenschepen en met de openbaarmaking van rechten op schepen;
4° "de Scheepvaartcontrole" : het onderdeel van de federale overheid dat in het bijzonder belast is met de in dit wetboek vastgestelde uitvoerings- en handhavingsopdrachten en dat daartoe door de Koning wordt aangeduid;
5° "de scheepvaartcontroleurs" : de personeelsleden van de Scheepvaartcontrole;
6° "de Scheepvaartpolitie" : de met de politie te water belaste overheid van de federale politie;
7° MIK : het Maritiem Informatiekruispunt bedoeld in artikel 3, 7°, van het Samenwerkingsakkoord Kustwacht;
[1 8° "NCCN": het Nationaal Crisiscentrum van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
9° "OCAD": het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, opgericht door de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging;
10° "NAMB": de Nationale Autoriteit voor Maritieme Beveiliging, zoals bedoeld in artikel 2.5.2.5;
11° "LCMB": een Lokaal Comité voor Maritieme Beveiliging, zoals bedoeld in artikel 2.5.2.8;
12° "Cel Maritieme Beveiliging": de afdeling van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer die belast wordt met de taken bedoeld in artikel 4.2.1.44;]1
[2 13° MIK+: het Maritiem Informatiekruispunt aangevuld met de Dienst Marien Milieu van de FOD Volksgezondheid, Leefmilieu en Veiligheid van de Voedselketen, en het Belgisch Mathematisch model voor de Noordzee.]2
Art. 1.1.1.2. Autorités
Dans le présent code, l'on entend par :
1° " OMI " : l'Organisation maritime internationale, créée en vertu de la Convention de l'OMI;
2° " l'autorité compétente " : la partie de l'autorité fédérale compétente pour les matières réglementées par le présent code ou en vertu de celui-ci et désignée à cette fin par le Roi;
3° " le Registre naval belge " : le service central de la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports qui est chargé en particulier de l'enregistrement des navires et de l'immatriculation des bateaux de navigation intérieure ainsi que de la publication de droits sur les navires;
4° " Contrôle de la navigation " : la partie de l'autorité fédérale chargée en particulier des tâches d'exécution et d'application fixées dans le présent code, et désignée en à cette fin par le Roi;
5° " les contrôleurs de la navigation " : les membres du personnel du Contrôle de la navigation;
6° " la Police de la navigation " : l'autorité de la police fédérale chargée de la police des eaux;
7° " MIK ": le Carrefour d'Information Maritime visé à l'article 3, 7°, de l'Accord de coopération Garde côtière;
[1 8° " NCCN " : le Centre national de crise du Service public fédéral Intérieur ;
9° " OCAM " : l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace, créé par la loi du 10 juillet 2006 relative à l'analyse de la menace ;
10° " ANSM " : l'Autorité Nationale de Sûreté Maritime, telle que visée à l'article 2.5.2.5 ;
11° " CLSM " : un Comité local de la Sûreté maritime, tel que visé à l'article 2.5.2.8 ;
12° " Cellule de la Sûreté maritime " : la division de la Direction générale de la Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports qui est chargée des tâches visées à l'article 4.2.1.44;]1
[2 13° MIK+: le Carrefour d'information maritime complété par le Service Milieu marin du SPF Santé publique, Environnement et Sécurité de la Chaîne alimentaire et le Modèle mathématique belge de la mer du Nord.]2
Dans le présent code, l'on entend par :
1° " OMI " : l'Organisation maritime internationale, créée en vertu de la Convention de l'OMI;
2° " l'autorité compétente " : la partie de l'autorité fédérale compétente pour les matières réglementées par le présent code ou en vertu de celui-ci et désignée à cette fin par le Roi;
3° " le Registre naval belge " : le service central de la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports qui est chargé en particulier de l'enregistrement des navires et de l'immatriculation des bateaux de navigation intérieure ainsi que de la publication de droits sur les navires;
4° " Contrôle de la navigation " : la partie de l'autorité fédérale chargée en particulier des tâches d'exécution et d'application fixées dans le présent code, et désignée en à cette fin par le Roi;
5° " les contrôleurs de la navigation " : les membres du personnel du Contrôle de la navigation;
6° " la Police de la navigation " : l'autorité de la police fédérale chargée de la police des eaux;
7° " MIK ": le Carrefour d'Information Maritime visé à l'article 3, 7°, de l'Accord de coopération Garde côtière;
[1 8° " NCCN " : le Centre national de crise du Service public fédéral Intérieur ;
9° " OCAM " : l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace, créé par la loi du 10 juillet 2006 relative à l'analyse de la menace ;
10° " ANSM " : l'Autorité Nationale de Sûreté Maritime, telle que visée à l'article 2.5.2.5 ;
11° " CLSM " : un Comité local de la Sûreté maritime, tel que visé à l'article 2.5.2.8 ;
12° " Cellule de la Sûreté maritime " : la division de la Direction générale de la Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports qui est chargée des tâches visées à l'article 4.2.1.44;]1
[2 13° MIK+: le Carrefour d'information maritime complété par le Service Milieu marin du SPF Santé publique, Environnement et Sécurité de la Chaîne alimentaire et le Modèle mathématique belge de la mer du Nord.]2
Art. 1.1.1.3. Schepen
§ 1. In dit wetboek wordt verstaan onder :
1° "schip" : elk tuig, met of zonder eigen beweegkracht, met of zonder waterverplaatsing, dat drijft of heeft gedreven en dat wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van verkeer te water, met inbegrip van luchtkussenvaartuigen doch met uitsluiting van vaste tuigen, watervliegtuigen en amfibievoertuigen;
2° "verkeer te water" : elke, zelfs stationaire vorm van deelname aan het verkeer in, onder of over openbare wateren;
3° "luchtkussenvaartuigen" : elk schip dat wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van verkeer te water met behulp van een luchtkussen dat in stand wordt gehouden tussen het toestel en het oppervlak van het water of de aarde;
4° "vast tuig" : elk tuig dat zijn geschiktheid als middel van verkeer te water heeft verloren doordat het blijvend met het land of de bodem is verbonden;
5° "watervliegtuig" : elk tuig dat in de dampkring kan worden gehouden ten gevolge van krachten die de lucht erop uitoefent en slechts gebruikt wordt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van verkeer te water in verband met het opstijgen, landen, taxiën of stationeren, met uitzondering van luchtkussenvaartuigen;
6° "amfibievoertuig" : elk tuig dat gebruikt wordt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van verkeer te water en ook deelneemt of geschikt is om deel te nemen aan het wegverkeer;
7° "zeeschip" : elk schip dat beschikt of dient te beschikken over een certificaat van registratie, een veiligheidscertificaat of enige andere officiële akte waaruit blijkt dat het schip geschikt is om te worden gebruikt op de zeewateren, alsook elk schip dat blijkens zijn constructie bestemd is om op de zeewateren te worden gebruikt, met uitzondering van binnenschepen; de inschrijving van het schip in een register van zeeschepen geldt als een vermoeden dat het schip een zeeschip is;
8° "zeewateren", voor de toepassing van het bepaalde onder 7° : alle wateren aan de zeezijde van de basislijn van waar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten;
9° "binnenschip" : een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren, met inbegrip van een estuair schip; de teboekstelling van het schip in een register van binnenschepen geldt als vermoeden dat het schip een binnenschip is;
10° "estuair schip" : een binnenschip dat overeenkomstig een Belgische reglementering beschikt over een certificaat waaruit blijkt dat het voldoet aan de specifieke veiligheidseisen om te varen op de binnenwateren en daarenboven gerechtigd is om te varen in een beperkt vaargebied tussen de Zeeschelde en de havens van de Belgische kust, of tussen deze laatste havens;
11° "pleziervaartuig" : elk schip dat, al dan niet voor bedrijfs- of beroepsmatige doeleinden, aan pleziervaart doet of ervoor bestemd is, met uitsluiting van de schepen gebruikt voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers [4 en schepen die bestemd of gewoonlijk gebruikt worden voor bedrijfs- of beroepsmatige visserij]4;
12° "scheepsbestanddeel" : al hetgeen onderdeel van een schip uitmaakt, in het bijzonder :
a) de romp, de opbouw, de masten, het roer en de overige stuurinrichting;
b) de bijzaken die zodanig met een schip worden verbonden dat zij daarvan niet kunnen worden afgescheiden zonder dat aan hen of aan het schip beschadiging van betekenis wordt toegebracht;
c) de blijvend ingebouwde voortbewegingswerktuigen, ladingbehandelingstuigen en -inrichtingen en andere werktuigen;
13° "scheepstoebehoren" : de zich aan boord bevindende, voor het normale gebruik van het schip nodige of nuttige verbruiksgoederen, alsook de zaken, met uitsluiting van scheepsbestanddelen, die aan boord zijn gebracht om het schip duurzaam te dienen, in het bijzonder wanneer :
a) hun aanwezigheid aan boord is opgelegd door of krachtens de wet; of
b) zij door hun vorm als zodanig zijn te herkennen; of
c) zij nodig of nuttig zijn voor het normale gebruik van het schip;
14° "aan boord" : op of in het schip of zijn vaste of niet vaste middelen tot verbinding met de wal;
15° "Belgisch schip" en "Belgisch zeeschip" : een schip respectievelijk zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren;
16° "vreemd schip" en "vreemd zeeschip" : een schip respectievelijk zeeschip dat gerechtigd is een andere dan de Belgische vlag te voeren;
17° "Belgisch overheidsschip" : een schip waarvan de scheepseigenaar, de reder of de scheepsgebruiker een Belgische publiekrechtelijke rechtspersoon is;
18° "Belgisch gezagsschip" : een schip dat door een Belgische publiekrechtelijke rechtspersoon [2 ...]2 wordt gebruikt voor staatshoofdelijke, militaire, justitiële of politionele activiteiten, brandweer, beveiliging, de redding van mensenlevens [2 , de voorkoming of de bestrijding van milieuverontreiniging, het wetenschappelijk onderzoek waarbij het ministerie van Landsverdediging betrokken is of voor de door de wet toegekende taken]2;
19° "vreemd overheidsschip" : een schip dat toebehoort aan of wordt geëxploiteerd of bevracht door een vreemde Staat;
20° "vreemd gezagsschip" : een oorlogsschip, staatsjacht, toezichtschip, hospitaalschip, hulpschip, bevoorradingsschip en elk ander schip dat eigendom is van of geëxploiteerd of bevracht wordt door een vreemde Staat en dat ten tijde van het ontstaan van de schuldvordering of het beslag uitsluitend wordt gebruikt voor een regeringsdienst zonder handelsdoeleinden;
21° "scheepszekerheidsrechten" : de in hoofdstuk 5 van titel 2 van boek 2 en de in hoofdstuk 3 van titel 2 van boek 3 geregelde scheepsvoorrangsrechten, scheepsvoorrechten, scheepsretentierechten en scheepshypotheken;
22° " Belgisch oorlogsschip " : een Belgisch gezagsschip dat beantwoordt aan de definitie van artikel 29 van het VN-Zeerechtverdrag;
[1 23° offshore industriële activiteiten : de bouw, het onderhoud, de exploitatie of reparatie van offshore installaties bedoeld voor onder meer, maar niet exclusief, de exploratie, de productie van fossiele of hernieuwbare energie, de aquacultuur, de exploitatie van onderwatermijnen of soortgelijke activiteiten;]1
[3 24° "pleziervaartuig voor bedrijfs- of beroepsgebruik": elk pleziervaartuig dat wordt gebruikt bij de uitoefening van een economische activiteit, met of zonder winstoogmerk, door een onderneming of een natuurlijk persoon, ongeacht de plaats waar deze activiteit wordt uitgeoefend, evenals elk pleziervaartuig dat wordt geregistreerd door een verhuurbedrijf;
25° "verhuurbedrijf": een rechtspersoon die in zijn statuten het verhuur van pleziervaartuigen heeft opgenomen;]3
[4 26° vissersvaartuig: een zeeschip dat bestemd of gewoonlijk bedrijfs- of beroepsmatige gebruikt wordt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee.]4
§ 2. De begripsomschrijvingen bedoeld in paragraaf 1, 12° en 13° gelden eveneens ten aanzien van schepen in aanbouw.
§ 3. De Koning kan :
1° zaken die overeenkomstig paragraaf 1 niet zijn te beschouwen als schepen, voor de toepassing van bepalingen van dit wetboek of zijn uitvoeringsbesluiten als schepen aanmerken;
2° schepen die overeenkomstig paragraaf 1 niet zijn te beschouwen als zeeschepen, voor de toepassing van bepalingen van dit wetboek of zijn uitvoeringsbesluiten als zeeschepen aanmerken;
3° schepen die overeenkomstig paragraaf 1 niet zijn te beschouwen als binnenschepen, voor de toepassing van bepalingen van dit wetboek of zijn uitvoeringsbesluiten als binnenschepen aanmerken;
4° bepalingen van dit wetboek of zijn uitvoeringsbesluiten voor bepaalde schepen, zeeschepen of binnenschepen buiten toepassing verklaren;
5° de scheepsbestanddelen en scheepstoebehoren van alle of bepaalde schepen, zeeschepen, binnenschepen of schepen in aanbouw met het oog op de toepassing van bijzondere bepalingen nader of, waar noodzakelijk afwijkend omschrijven.
§ 1. In dit wetboek wordt verstaan onder :
1° "schip" : elk tuig, met of zonder eigen beweegkracht, met of zonder waterverplaatsing, dat drijft of heeft gedreven en dat wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van verkeer te water, met inbegrip van luchtkussenvaartuigen doch met uitsluiting van vaste tuigen, watervliegtuigen en amfibievoertuigen;
2° "verkeer te water" : elke, zelfs stationaire vorm van deelname aan het verkeer in, onder of over openbare wateren;
3° "luchtkussenvaartuigen" : elk schip dat wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van verkeer te water met behulp van een luchtkussen dat in stand wordt gehouden tussen het toestel en het oppervlak van het water of de aarde;
4° "vast tuig" : elk tuig dat zijn geschiktheid als middel van verkeer te water heeft verloren doordat het blijvend met het land of de bodem is verbonden;
5° "watervliegtuig" : elk tuig dat in de dampkring kan worden gehouden ten gevolge van krachten die de lucht erop uitoefent en slechts gebruikt wordt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van verkeer te water in verband met het opstijgen, landen, taxiën of stationeren, met uitzondering van luchtkussenvaartuigen;
6° "amfibievoertuig" : elk tuig dat gebruikt wordt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van verkeer te water en ook deelneemt of geschikt is om deel te nemen aan het wegverkeer;
7° "zeeschip" : elk schip dat beschikt of dient te beschikken over een certificaat van registratie, een veiligheidscertificaat of enige andere officiële akte waaruit blijkt dat het schip geschikt is om te worden gebruikt op de zeewateren, alsook elk schip dat blijkens zijn constructie bestemd is om op de zeewateren te worden gebruikt, met uitzondering van binnenschepen; de inschrijving van het schip in een register van zeeschepen geldt als een vermoeden dat het schip een zeeschip is;
8° "zeewateren", voor de toepassing van het bepaalde onder 7° : alle wateren aan de zeezijde van de basislijn van waar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten;
9° "binnenschip" : een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren, met inbegrip van een estuair schip; de teboekstelling van het schip in een register van binnenschepen geldt als vermoeden dat het schip een binnenschip is;
10° "estuair schip" : een binnenschip dat overeenkomstig een Belgische reglementering beschikt over een certificaat waaruit blijkt dat het voldoet aan de specifieke veiligheidseisen om te varen op de binnenwateren en daarenboven gerechtigd is om te varen in een beperkt vaargebied tussen de Zeeschelde en de havens van de Belgische kust, of tussen deze laatste havens;
11° "pleziervaartuig" : elk schip dat, al dan niet voor bedrijfs- of beroepsmatige doeleinden, aan pleziervaart doet of ervoor bestemd is, met uitsluiting van de schepen gebruikt voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers [4 en schepen die bestemd of gewoonlijk gebruikt worden voor bedrijfs- of beroepsmatige visserij]4;
12° "scheepsbestanddeel" : al hetgeen onderdeel van een schip uitmaakt, in het bijzonder :
a) de romp, de opbouw, de masten, het roer en de overige stuurinrichting;
b) de bijzaken die zodanig met een schip worden verbonden dat zij daarvan niet kunnen worden afgescheiden zonder dat aan hen of aan het schip beschadiging van betekenis wordt toegebracht;
c) de blijvend ingebouwde voortbewegingswerktuigen, ladingbehandelingstuigen en -inrichtingen en andere werktuigen;
13° "scheepstoebehoren" : de zich aan boord bevindende, voor het normale gebruik van het schip nodige of nuttige verbruiksgoederen, alsook de zaken, met uitsluiting van scheepsbestanddelen, die aan boord zijn gebracht om het schip duurzaam te dienen, in het bijzonder wanneer :
a) hun aanwezigheid aan boord is opgelegd door of krachtens de wet; of
b) zij door hun vorm als zodanig zijn te herkennen; of
c) zij nodig of nuttig zijn voor het normale gebruik van het schip;
14° "aan boord" : op of in het schip of zijn vaste of niet vaste middelen tot verbinding met de wal;
15° "Belgisch schip" en "Belgisch zeeschip" : een schip respectievelijk zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren;
16° "vreemd schip" en "vreemd zeeschip" : een schip respectievelijk zeeschip dat gerechtigd is een andere dan de Belgische vlag te voeren;
17° "Belgisch overheidsschip" : een schip waarvan de scheepseigenaar, de reder of de scheepsgebruiker een Belgische publiekrechtelijke rechtspersoon is;
18° "Belgisch gezagsschip" : een schip dat door een Belgische publiekrechtelijke rechtspersoon [2 ...]2 wordt gebruikt voor staatshoofdelijke, militaire, justitiële of politionele activiteiten, brandweer, beveiliging, de redding van mensenlevens [2 , de voorkoming of de bestrijding van milieuverontreiniging, het wetenschappelijk onderzoek waarbij het ministerie van Landsverdediging betrokken is of voor de door de wet toegekende taken]2;
19° "vreemd overheidsschip" : een schip dat toebehoort aan of wordt geëxploiteerd of bevracht door een vreemde Staat;
20° "vreemd gezagsschip" : een oorlogsschip, staatsjacht, toezichtschip, hospitaalschip, hulpschip, bevoorradingsschip en elk ander schip dat eigendom is van of geëxploiteerd of bevracht wordt door een vreemde Staat en dat ten tijde van het ontstaan van de schuldvordering of het beslag uitsluitend wordt gebruikt voor een regeringsdienst zonder handelsdoeleinden;
21° "scheepszekerheidsrechten" : de in hoofdstuk 5 van titel 2 van boek 2 en de in hoofdstuk 3 van titel 2 van boek 3 geregelde scheepsvoorrangsrechten, scheepsvoorrechten, scheepsretentierechten en scheepshypotheken;
22° " Belgisch oorlogsschip " : een Belgisch gezagsschip dat beantwoordt aan de definitie van artikel 29 van het VN-Zeerechtverdrag;
[1 23° offshore industriële activiteiten : de bouw, het onderhoud, de exploitatie of reparatie van offshore installaties bedoeld voor onder meer, maar niet exclusief, de exploratie, de productie van fossiele of hernieuwbare energie, de aquacultuur, de exploitatie van onderwatermijnen of soortgelijke activiteiten;]1
[3 24° "pleziervaartuig voor bedrijfs- of beroepsgebruik": elk pleziervaartuig dat wordt gebruikt bij de uitoefening van een economische activiteit, met of zonder winstoogmerk, door een onderneming of een natuurlijk persoon, ongeacht de plaats waar deze activiteit wordt uitgeoefend, evenals elk pleziervaartuig dat wordt geregistreerd door een verhuurbedrijf;
25° "verhuurbedrijf": een rechtspersoon die in zijn statuten het verhuur van pleziervaartuigen heeft opgenomen;]3
[4 26° vissersvaartuig: een zeeschip dat bestemd of gewoonlijk bedrijfs- of beroepsmatige gebruikt wordt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee.]4
§ 2. De begripsomschrijvingen bedoeld in paragraaf 1, 12° en 13° gelden eveneens ten aanzien van schepen in aanbouw.
§ 3. De Koning kan :
1° zaken die overeenkomstig paragraaf 1 niet zijn te beschouwen als schepen, voor de toepassing van bepalingen van dit wetboek of zijn uitvoeringsbesluiten als schepen aanmerken;
2° schepen die overeenkomstig paragraaf 1 niet zijn te beschouwen als zeeschepen, voor de toepassing van bepalingen van dit wetboek of zijn uitvoeringsbesluiten als zeeschepen aanmerken;
3° schepen die overeenkomstig paragraaf 1 niet zijn te beschouwen als binnenschepen, voor de toepassing van bepalingen van dit wetboek of zijn uitvoeringsbesluiten als binnenschepen aanmerken;
4° bepalingen van dit wetboek of zijn uitvoeringsbesluiten voor bepaalde schepen, zeeschepen of binnenschepen buiten toepassing verklaren;
5° de scheepsbestanddelen en scheepstoebehoren van alle of bepaalde schepen, zeeschepen, binnenschepen of schepen in aanbouw met het oog op de toepassing van bijzondere bepalingen nader of, waar noodzakelijk afwijkend omschrijven.
Art. 1.1.1.3. Navires
§ 1er. Dans le présent code, l'on entend par :
1° " navire " : tout engin, animé ou non par une force motrice propre, avec ou sans déplacement d'eau, qui flotte ou a flotté et qui est utilisé ou apte à être utilisé comme moyen de circulation sur l'eau, en ce compris les aéroglisseurs mais à l'exclusion des engins fixes, des hydravions et des véhicules amphibies;
2° " circulation sur l'eau " : toute forme de participation, même à l'arrêt, à la circulation dans, sous ou sur les eaux publiques;
3° " aéroglisseur " : tout navire utilisé ou apte à être utilisé comme moyen de circulation sur l'eau à l'aide d'un coussin d'air maintenu entre l'engin et la surface de l'eau ou de la terre;
4° " engin fixe " : tout engin qui a perdu son aptitude à circuler sur l'eau en raison de sa fixation permanente à la terre ou au sol;
5° " hydravion " : tout engin qui peut se soutenir dans l'atmosphère grâce à des réactions de l'air et qui n'est utilisé ou n'est apte à être utilisé comme moyen de circulation sur l'eau qu'en rapport avec son décollage, son atterrissage, sa circulation à la surface ou son stationnement, à l'exception des aéroglisseurs;
6° " véhicule amphibie " : tout engin qui est utilisé ou apte à être utilisé comme moyen de circulation sur l'eau et qui participe également ou est également apte à participer à la circulation routière;
7° " navire de mer " : tout navire qui dispose ou doit disposer d'un certificat d'enregistrement, d'un certificat de sécurité ou de tout autre acte officiel dont il ressort qu'il est apte à être utilisé dans les eaux maritimes, ainsi que tout navire qui, eu égard à sa construction, est destiné à être utilisé dans les eaux maritimes à l'exception des bateaux de navigation intérieure; l'inscription du navire dans un registre de navires de mer est considérée comme étant une présomption que le navire est un navire de mer;
8° " eaux maritimes " : pour l'application des dispositions du point 7 : toutes les eaux situées du côté de la mer de la ligne de base à partir de laquelle la largeur de la mer territoriale est mesurée;
9° " bateau de navigation intérieure " : un navire qui est exclusivement ou principalement destiné à la navigation sur les eaux intérieures, y compris un navire estuaire; l'enregistrement du navire dans un registre de bateaux de navigation intérieure est considérée comme étant une présomption que le navire est un bateau de navigation intérieure;
10° " navire estuaire " : un bateau de navigation intérieure qui, conformément à une réglementation belge, dispose d'un certificat attestant qu'il répond aux exigences spécifiques en matière de sécurité pour naviguer sur les voies de navigation intérieures et qui a en outre le droit de naviguer dans une zone de navigation restreinte entre l'Escaut et les ports du littoral belge, ou entre ces derniers ports;
11° " navire de plaisance " : tout navire qui, utilisé ou non à des fins professionnelles, fait ou est destiné à faire de la navigation de plaisance, à l'exclusion des navires utilisés pour le transport de plus de douze passagers [4 et des navires destinés ou norma-lement utilisés à des fins professionnelles pour la pêche]4;
12° " éléments du navire " : tout ce qui fait partie du navire, en particulier :
a) la coque, la superstructure, les mâts, le gouvernail et tout ce qui sert à sa conduite;
b) les autres choses attachées au navire de manière telle qu'elles ne peuvent en être séparées sans leur ou lui occasionner de dommages significatifs;
c) les outils de propulsion, les engins et outillages destinés à la manutention des marchandises et tous les autres instruments attachés à perpétuelle demeure;
13° " accessoires du navire " : les biens de consommation se trouvant à bord qui sont nécessaires ou utiles pour l'utilisation normale du navire, ainsi que les choses, à l'exclusion des éléments du navire, mises à bord en vue d'y être utilisées durablement, en particulier lorsque :
a) leur présence à bord est imposée par ou en vertu de la loi; ou
b) ils peuvent être reconnus comme tels en raison de leur forme; ou
c) ils sont nécessaires ou utiles pour l'utilisation normale du navire;
14° " à bord " : sur ou dans le navire, ou ses moyens de communication fixes ou mobiles avec la terre;
15° " navire belge " et " navire de mer belge " : respectivement, un navire et un navire de mer autorisé à battre pavillon belge;
16° " navire étranger " et " navire de mer étranger " : respectivement, un navire et navire de mer autorisé à battre pavillon d'un autre Etat que la Belgique;
17° " navire public belge " : un navire dont le propriétaire, l'armateur ou l'utilisateur est une personne morale de droit public belge;
18° " navire de souveraineté belge " : un navire utilisé [2 ...]2 par une personne morale de droit public belge pour le chef de l'Etat, à des fins militaires, de justice ou de police, de lutte contre l'incendie, de sécurité, de sauvetage de vies humaines [2 , de prévention ou de lutte contre la pollution environnementale, de recherche scientifique à laquelle participe le ministère de la Défense ou pour les tâches assignées par la loi]2;
19° " navire public étranger " : un navire appartenant à un Etat étranger ou exploité ou affrété par lui;
20° " navire de souveraineté étranger " : un navire de guerre, yacht d'Etat, navire de surveillance, bateau-hôpital, navire auxiliaire, navire de ravitaillement et autre navire appartenant à un Etat étranger ou exploité ou affrété par lui qui, au moment de la naissance de la créance ou de la saisie, est exclusivement affecté à un service gouvernemental et non commercial;
21° " sûretés sur navires " : les droits de priorité sur navires, les privilèges sur navires, les droits de rétention sur navires et les hypothèques sur navires régis par le chapitre 5 du titre 2 du livre 2 et par le chapitre 3 du titre 2 du livre 3;
22° " navire de guerre belge " : un navire souveraineté belge répondant à la definition de l'article 29 de la Convention des NU sur le droit de la mer;
[1 23° activités industrielles offshore : la construction, l'entretien, l'exploitation ou la réparation d'installations au large pouvant servir notamment, mais pas exclusivement, à l'exploration, à la production d'énergie fossile ou d'énergie renouvelable, à l'aquaculture, à l'exploitation minière sous-marine ou activités similaires;]1
[3 24° " navire de plaisance utilisé à des fins professionnelles " : tout navire de plaisance qui est utilisé lors de l'exercice d'une activité économique, avec ou sans but lucratif, par une entreprise ou une personne physique, indépendamment du lieu où cette activité est exercée, ainsi que tout navire de plaisance qui est enregistré par une entreprise de location ;
25° " entreprise de location " : une personne morale ayant inclus la location de navires de plaisance dans ses statuts;]3
[4 26° navire de pêche: un navire de mer destiné ou normalement utilisé à des fins profes-sionnelles pour la capture de poissons ou d'autres ressources vivantes de la mer.]4
§ 2. Les définitions visées au paragraphe 1er, 12° et 13°, valent également vis-à-vis des navires en construction.
§ 3. Le Roi peut :
1° pour l'application des dispositions du présent code ou de ses arrêtés d'exécution, considérer comme navires des choses qui conformément au paragraprhe 1er ne constituent pas des navires;
2° pour l'application des dispositions du présent code ou de ses arrêtés d'exécution, considérer comme navires de mer des navires qui, conformément au paragraphe 1er, ne constituent pas des navires de mer;
3° pour l'application des dispositions du présent code ou de ses arrêtés d'exécution, considérer comme bateaux de navigation intérieure des navires qui, conformément au paragraphe 1er, ne constituent pas des bateaux de navigation intérieure;
4° soustraire certains navires, navires de mer ou bateaux de navigation intérieure à l'application de dispositions du présent code ou de ses arrêtés d'exécution;
5° définir les éléments et les accessoires de tous les navires, navires de mer, bateaux de navigation intérieure ou navires en construction, ou de certains d'entre eux, de manière plus précise, en vue de l'application de dispositions particulières ou, si nécessaire, de manière dérogatoire.
§ 1er. Dans le présent code, l'on entend par :
1° " navire " : tout engin, animé ou non par une force motrice propre, avec ou sans déplacement d'eau, qui flotte ou a flotté et qui est utilisé ou apte à être utilisé comme moyen de circulation sur l'eau, en ce compris les aéroglisseurs mais à l'exclusion des engins fixes, des hydravions et des véhicules amphibies;
2° " circulation sur l'eau " : toute forme de participation, même à l'arrêt, à la circulation dans, sous ou sur les eaux publiques;
3° " aéroglisseur " : tout navire utilisé ou apte à être utilisé comme moyen de circulation sur l'eau à l'aide d'un coussin d'air maintenu entre l'engin et la surface de l'eau ou de la terre;
4° " engin fixe " : tout engin qui a perdu son aptitude à circuler sur l'eau en raison de sa fixation permanente à la terre ou au sol;
5° " hydravion " : tout engin qui peut se soutenir dans l'atmosphère grâce à des réactions de l'air et qui n'est utilisé ou n'est apte à être utilisé comme moyen de circulation sur l'eau qu'en rapport avec son décollage, son atterrissage, sa circulation à la surface ou son stationnement, à l'exception des aéroglisseurs;
6° " véhicule amphibie " : tout engin qui est utilisé ou apte à être utilisé comme moyen de circulation sur l'eau et qui participe également ou est également apte à participer à la circulation routière;
7° " navire de mer " : tout navire qui dispose ou doit disposer d'un certificat d'enregistrement, d'un certificat de sécurité ou de tout autre acte officiel dont il ressort qu'il est apte à être utilisé dans les eaux maritimes, ainsi que tout navire qui, eu égard à sa construction, est destiné à être utilisé dans les eaux maritimes à l'exception des bateaux de navigation intérieure; l'inscription du navire dans un registre de navires de mer est considérée comme étant une présomption que le navire est un navire de mer;
8° " eaux maritimes " : pour l'application des dispositions du point 7 : toutes les eaux situées du côté de la mer de la ligne de base à partir de laquelle la largeur de la mer territoriale est mesurée;
9° " bateau de navigation intérieure " : un navire qui est exclusivement ou principalement destiné à la navigation sur les eaux intérieures, y compris un navire estuaire; l'enregistrement du navire dans un registre de bateaux de navigation intérieure est considérée comme étant une présomption que le navire est un bateau de navigation intérieure;
10° " navire estuaire " : un bateau de navigation intérieure qui, conformément à une réglementation belge, dispose d'un certificat attestant qu'il répond aux exigences spécifiques en matière de sécurité pour naviguer sur les voies de navigation intérieures et qui a en outre le droit de naviguer dans une zone de navigation restreinte entre l'Escaut et les ports du littoral belge, ou entre ces derniers ports;
11° " navire de plaisance " : tout navire qui, utilisé ou non à des fins professionnelles, fait ou est destiné à faire de la navigation de plaisance, à l'exclusion des navires utilisés pour le transport de plus de douze passagers [4 et des navires destinés ou norma-lement utilisés à des fins professionnelles pour la pêche]4;
12° " éléments du navire " : tout ce qui fait partie du navire, en particulier :
a) la coque, la superstructure, les mâts, le gouvernail et tout ce qui sert à sa conduite;
b) les autres choses attachées au navire de manière telle qu'elles ne peuvent en être séparées sans leur ou lui occasionner de dommages significatifs;
c) les outils de propulsion, les engins et outillages destinés à la manutention des marchandises et tous les autres instruments attachés à perpétuelle demeure;
13° " accessoires du navire " : les biens de consommation se trouvant à bord qui sont nécessaires ou utiles pour l'utilisation normale du navire, ainsi que les choses, à l'exclusion des éléments du navire, mises à bord en vue d'y être utilisées durablement, en particulier lorsque :
a) leur présence à bord est imposée par ou en vertu de la loi; ou
b) ils peuvent être reconnus comme tels en raison de leur forme; ou
c) ils sont nécessaires ou utiles pour l'utilisation normale du navire;
14° " à bord " : sur ou dans le navire, ou ses moyens de communication fixes ou mobiles avec la terre;
15° " navire belge " et " navire de mer belge " : respectivement, un navire et un navire de mer autorisé à battre pavillon belge;
16° " navire étranger " et " navire de mer étranger " : respectivement, un navire et navire de mer autorisé à battre pavillon d'un autre Etat que la Belgique;
17° " navire public belge " : un navire dont le propriétaire, l'armateur ou l'utilisateur est une personne morale de droit public belge;
18° " navire de souveraineté belge " : un navire utilisé [2 ...]2 par une personne morale de droit public belge pour le chef de l'Etat, à des fins militaires, de justice ou de police, de lutte contre l'incendie, de sécurité, de sauvetage de vies humaines [2 , de prévention ou de lutte contre la pollution environnementale, de recherche scientifique à laquelle participe le ministère de la Défense ou pour les tâches assignées par la loi]2;
19° " navire public étranger " : un navire appartenant à un Etat étranger ou exploité ou affrété par lui;
20° " navire de souveraineté étranger " : un navire de guerre, yacht d'Etat, navire de surveillance, bateau-hôpital, navire auxiliaire, navire de ravitaillement et autre navire appartenant à un Etat étranger ou exploité ou affrété par lui qui, au moment de la naissance de la créance ou de la saisie, est exclusivement affecté à un service gouvernemental et non commercial;
21° " sûretés sur navires " : les droits de priorité sur navires, les privilèges sur navires, les droits de rétention sur navires et les hypothèques sur navires régis par le chapitre 5 du titre 2 du livre 2 et par le chapitre 3 du titre 2 du livre 3;
22° " navire de guerre belge " : un navire souveraineté belge répondant à la definition de l'article 29 de la Convention des NU sur le droit de la mer;
[1 23° activités industrielles offshore : la construction, l'entretien, l'exploitation ou la réparation d'installations au large pouvant servir notamment, mais pas exclusivement, à l'exploration, à la production d'énergie fossile ou d'énergie renouvelable, à l'aquaculture, à l'exploitation minière sous-marine ou activités similaires;]1
[3 24° " navire de plaisance utilisé à des fins professionnelles " : tout navire de plaisance qui est utilisé lors de l'exercice d'une activité économique, avec ou sans but lucratif, par une entreprise ou une personne physique, indépendamment du lieu où cette activité est exercée, ainsi que tout navire de plaisance qui est enregistré par une entreprise de location ;
25° " entreprise de location " : une personne morale ayant inclus la location de navires de plaisance dans ses statuts;]3
[4 26° navire de pêche: un navire de mer destiné ou normalement utilisé à des fins profes-sionnelles pour la capture de poissons ou d'autres ressources vivantes de la mer.]4
§ 2. Les définitions visées au paragraphe 1er, 12° et 13°, valent également vis-à-vis des navires en construction.
§ 3. Le Roi peut :
1° pour l'application des dispositions du présent code ou de ses arrêtés d'exécution, considérer comme navires des choses qui conformément au paragraprhe 1er ne constituent pas des navires;
2° pour l'application des dispositions du présent code ou de ses arrêtés d'exécution, considérer comme navires de mer des navires qui, conformément au paragraphe 1er, ne constituent pas des navires de mer;
3° pour l'application des dispositions du présent code ou de ses arrêtés d'exécution, considérer comme bateaux de navigation intérieure des navires qui, conformément au paragraphe 1er, ne constituent pas des bateaux de navigation intérieure;
4° soustraire certains navires, navires de mer ou bateaux de navigation intérieure à l'application de dispositions du présent code ou de ses arrêtés d'exécution;
5° définir les éléments et les accessoires de tous les navires, navires de mer, bateaux de navigation intérieure ou navires en construction, ou de certains d'entre eux, de manière plus précise, en vue de l'application de dispositions particulières ou, si nécessaire, de manière dérogatoire.
Art. 1.1.1.4. Wateren
In dit wetboek wordt verstaan onder :
1° "openbare wateren" : alle wateren die overeenkomstig de toepasselijke reglementen voor het openbaar verkeer openstaan, ongeacht of zij behoren tot een maritiem rechtsgebied of tot de binnenwateren;
2° "Belgische wateren" : de Belgische maritieme zones en de Belgische binnenwateren;
3° " Belgische maritieme zones" :
a) de territoriale zee zoals zeewaarts afgebakend bij de wet van 6 oktober 1987 tot bepaling van de breedte van de territoriale zee van België en zoals zijwaarts afgebakend door :
- de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek inzake de afbakening van de territoriale zee, ondertekend te Brussel op 8 oktober 1990, goedgekeurd bij de wet van 17 februari 1993;
- het Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de zijwaartse afbakening van de territoriale zee, ondertekend te Brussel op 18 december 1996, goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1998;
b) de exclusieve economische zone zoals ingesteld en afgebakend bij de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee; en
c) het continentaal plat zoals ingesteld en afgebakend bij de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en de exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat;
4° "Belgische binnenwateren van maritieme aard" : de van het Belgisch grondgebied deel uitmakende openbare wateren die ook voor zeeschepen toegankelijk zijn;
5° "Belgische binnenwateren" : de van het Belgisch grondgebied deel uitmakende openbare wateren die voor de scheepvaart bestemd zijn of gebruikt worden;
[1 6° EEZ: de Belgisch exclusieve economische zone zoals bepaald en afgebakend bij de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee.]1
In dit wetboek wordt verstaan onder :
1° "openbare wateren" : alle wateren die overeenkomstig de toepasselijke reglementen voor het openbaar verkeer openstaan, ongeacht of zij behoren tot een maritiem rechtsgebied of tot de binnenwateren;
2° "Belgische wateren" : de Belgische maritieme zones en de Belgische binnenwateren;
3° " Belgische maritieme zones" :
a) de territoriale zee zoals zeewaarts afgebakend bij de wet van 6 oktober 1987 tot bepaling van de breedte van de territoriale zee van België en zoals zijwaarts afgebakend door :
- de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek inzake de afbakening van de territoriale zee, ondertekend te Brussel op 8 oktober 1990, goedgekeurd bij de wet van 17 februari 1993;
- het Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de zijwaartse afbakening van de territoriale zee, ondertekend te Brussel op 18 december 1996, goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1998;
b) de exclusieve economische zone zoals ingesteld en afgebakend bij de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee; en
c) het continentaal plat zoals ingesteld en afgebakend bij de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en de exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat;
4° "Belgische binnenwateren van maritieme aard" : de van het Belgisch grondgebied deel uitmakende openbare wateren die ook voor zeeschepen toegankelijk zijn;
5° "Belgische binnenwateren" : de van het Belgisch grondgebied deel uitmakende openbare wateren die voor de scheepvaart bestemd zijn of gebruikt worden;
[1 6° EEZ: de Belgisch exclusieve economische zone zoals bepaald en afgebakend bij de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee.]1
Art. 1.1.1.4. Eaux
Dans le présent code, l'on entend par :
1° " eaux publiques " : toutes les eaux qui, conformément aux règlements applicables, sont ouvertes à la circulation publique, indépendamment du fait qu'elles appartiennent à un espace maritime ou aux eaux intérieures;
2° " eaux belges " : les zones maritimes belges et les eaux intérieures belges;
3° " zones maritimes belges " :
a) la mer territoriale comme définie par la loi du 6 octobre 1987 fixant la largeur de la mer territoriale de la Belgique et dont la limite latérale a été fixée par :
- l'Accord entre le gouvernement du Royaume de Belgique et le gouvernement de la République française relatif à la délimitation de la mer territoriale, signé à Bruxelles le 8 octobre 1990, approuvé par la loi du 17 février 1993;
- l'Accord entre le Royaume de Belgique et le Royaume des Pays-Bas relatif à la délimitation de la mer territoriale, signé à Bruxelles le 18 décembre 1996, approuvé par la loi du 10 août 1998;
b) la zone économique exclusive telle que définie et délimitée par la loi du 22 avril 1999 concernant la zone économique exclusive de la Belgique en mer du Nord;
c) le plateau continental tel que défini et délimité par la loi du 13 juin 1969 sur l'exploration et l'exploitation des ressources non vivantes de la mer territoriale et du plateau continental;
4° " les eaux intérieures belges de nature maritime belge " : les eaux publiques appartenant au territoire belge qui sont également accessibles pour les navires de mer;
5° " eaux intérieures belges " : les eaux publiques qui font partie du territoire belge et qui sont destinées à ou utilisées pour la navigation et ne faisant pas partie des eaux maritimes belges;
[1 6° ZEE : la zone économique exclusive belge telle que définie et délimitée par la loi du 22 avril 1999 concernant la zone économique exclusive de la Belgique en mer du Nord.]1
Dans le présent code, l'on entend par :
1° " eaux publiques " : toutes les eaux qui, conformément aux règlements applicables, sont ouvertes à la circulation publique, indépendamment du fait qu'elles appartiennent à un espace maritime ou aux eaux intérieures;
2° " eaux belges " : les zones maritimes belges et les eaux intérieures belges;
3° " zones maritimes belges " :
a) la mer territoriale comme définie par la loi du 6 octobre 1987 fixant la largeur de la mer territoriale de la Belgique et dont la limite latérale a été fixée par :
- l'Accord entre le gouvernement du Royaume de Belgique et le gouvernement de la République française relatif à la délimitation de la mer territoriale, signé à Bruxelles le 8 octobre 1990, approuvé par la loi du 17 février 1993;
- l'Accord entre le Royaume de Belgique et le Royaume des Pays-Bas relatif à la délimitation de la mer territoriale, signé à Bruxelles le 18 décembre 1996, approuvé par la loi du 10 août 1998;
b) la zone économique exclusive telle que définie et délimitée par la loi du 22 avril 1999 concernant la zone économique exclusive de la Belgique en mer du Nord;
c) le plateau continental tel que défini et délimité par la loi du 13 juin 1969 sur l'exploration et l'exploitation des ressources non vivantes de la mer territoriale et du plateau continental;
4° " les eaux intérieures belges de nature maritime belge " : les eaux publiques appartenant au territoire belge qui sont également accessibles pour les navires de mer;
5° " eaux intérieures belges " : les eaux publiques qui font partie du territoire belge et qui sont destinées à ou utilisées pour la navigation et ne faisant pas partie des eaux maritimes belges;
[1 6° ZEE : la zone économique exclusive belge telle que définie et délimitée par la loi du 22 avril 1999 concernant la zone économique exclusive de la Belgique en mer du Nord.]1
Wijzigingen
Art. 1.1.1.5. Averij
In dit wetboek wordt verstaan onder :
1° "averij" : alle buitengewone kosten ten dienste van het schip en de goederen, gezamenlijk of afzonderlijk gemaakt, en alle schade aan het schip of aan de goederen overkomen;
2° "averij-grosse" : de schade en kosten die als averij-grosse worden beschouwd overeenkomstig, naargelang het geval, de Regels van York en Antwerpen, de Avarij-Grosse Regels IVR of de bepalingen die deze regels vervangen;
3° "bijzondere averij" : alle averij die geen averij-grosse is.
In dit wetboek wordt verstaan onder :
1° "averij" : alle buitengewone kosten ten dienste van het schip en de goederen, gezamenlijk of afzonderlijk gemaakt, en alle schade aan het schip of aan de goederen overkomen;
2° "averij-grosse" : de schade en kosten die als averij-grosse worden beschouwd overeenkomstig, naargelang het geval, de Regels van York en Antwerpen, de Avarij-Grosse Regels IVR of de bepalingen die deze regels vervangen;
3° "bijzondere averij" : alle averij die geen averij-grosse is.
Art. 1.1.1.5. Avarie
Dans le présent code, l'on entend par :
1° " avarie " : toutes les dépenses extraordinaires faites pour le navire et les marchandises, conjointement ou séparément, et tous les dommages qui arrivent au navire ou aux marchandises;
2° " avarie commune " : les dommages et dépenses qui sont considérés comme des avaries communes conformément, selon le cas, aux Règles d'York et d'Anvers, aux Règles d'avarie commune IVR ou aux dispositions qui remplacent ces règles;
3° " avarie particulière " : toute avarie qui n'est pas une avarie commune.
Dans le présent code, l'on entend par :
1° " avarie " : toutes les dépenses extraordinaires faites pour le navire et les marchandises, conjointement ou séparément, et tous les dommages qui arrivent au navire ou aux marchandises;
2° " avarie commune " : les dommages et dépenses qui sont considérés comme des avaries communes conformément, selon le cas, aux Règles d'York et d'Anvers, aux Règles d'avarie commune IVR ou aux dispositions qui remplacent ces règles;
3° " avarie particulière " : toute avarie qui n'est pas une avarie commune.
Art. 1.1.1.6. Registratie
§ 1. In dit wetboek wordt verstaan onder :
1° "scheepsregisters" : het zeeschepenregister, het rompbevrachtingsregister, het binnenschepenregister, het repertorium van de niet-geregistreerde en niet-teboekgestelde schepen en het register van neerlegging;
2° "registratie" en "registreren" : de inschrijving respectievelijk het inschrijven van een zeeschip onder een speciaal nummer in het zeeschepenregister;
3° "certificaat van registratie" : het document waaruit blijkt dat het erin vermelde zeeschip het recht heeft de Belgische vlag te voeren;
4° "register van oorsprong" : het register van de Staat waar het zeeschip als voorwerp van eigendom, alsook zijn eigenaar in zijn hoedanigheid van eigenaar, werden ingeschreven.
5° "rompbevrachtingsregister" : het register van de Staat waar het zeeschip als voorwerp van een rompbevrachtingsovereenkomst staat ingeschreven op naam van de rompbevrachter of zijn gemachtigde;
6° "registratie van de rompbevrachting" en "registreren van de rompbevrachting" : de inschrijving respectievelijk het inschrijven van een zeeschip op naam van zijn rompbevrachter of zijn lasthebber in het rompbevrachtingsregister van een andere Staat dan die van het register van oorsprong;
7° "teboekstelling" en "teboekstellen" : de inschrijving respectievelijk het inschrijven van een binnenschip onder een speciaal nummer in het binnenschepenregister.
§ 2. In alle wetten en besluiten waarin de woorden "teboekstelling" en "register van teboekstelling" of "scheepsregister" worden gebruikt in verband met zeeschepen, moeten die woorden begrepen worden in de betekenis van "registratie" respectievelijk "zeeschepenregister" zoals bepaald in dit boek.
§ 1. In dit wetboek wordt verstaan onder :
1° "scheepsregisters" : het zeeschepenregister, het rompbevrachtingsregister, het binnenschepenregister, het repertorium van de niet-geregistreerde en niet-teboekgestelde schepen en het register van neerlegging;
2° "registratie" en "registreren" : de inschrijving respectievelijk het inschrijven van een zeeschip onder een speciaal nummer in het zeeschepenregister;
3° "certificaat van registratie" : het document waaruit blijkt dat het erin vermelde zeeschip het recht heeft de Belgische vlag te voeren;
4° "register van oorsprong" : het register van de Staat waar het zeeschip als voorwerp van eigendom, alsook zijn eigenaar in zijn hoedanigheid van eigenaar, werden ingeschreven.
5° "rompbevrachtingsregister" : het register van de Staat waar het zeeschip als voorwerp van een rompbevrachtingsovereenkomst staat ingeschreven op naam van de rompbevrachter of zijn gemachtigde;
6° "registratie van de rompbevrachting" en "registreren van de rompbevrachting" : de inschrijving respectievelijk het inschrijven van een zeeschip op naam van zijn rompbevrachter of zijn lasthebber in het rompbevrachtingsregister van een andere Staat dan die van het register van oorsprong;
7° "teboekstelling" en "teboekstellen" : de inschrijving respectievelijk het inschrijven van een binnenschip onder een speciaal nummer in het binnenschepenregister.
§ 2. In alle wetten en besluiten waarin de woorden "teboekstelling" en "register van teboekstelling" of "scheepsregister" worden gebruikt in verband met zeeschepen, moeten die woorden begrepen worden in de betekenis van "registratie" respectievelijk "zeeschepenregister" zoals bepaald in dit boek.
Art. 1.1.1.6. L'enregistrement
§ 1er. Dans le présent code, l'on entend par :
1° " registres navals " : le registre des navires de mer, le registre des affrètements à coque nue, le registre des bateaux de navigation intérieure, le répertoire des navires non enregistrés et non immatriculés, et le registre de dépôts;
2° " enregistrement " et " enregistrer " : respectivement, l'inscription et l'opération d'inscrire un navire de mer sous un numéro spécial dans le registre des navires de mer;
3° " certificat d'enregistrement " : le document faisant apparaître pour le navire de mer y mentionné le droit de battre pavillon belge;
4° " registre d'origine " : le registre de l'Etat dans lequel le navire de mer est inscrit comme objet de propriété ainsi que son propriétaire en qualité de propriétaire;
5° " registre des affrètements coque nue " : le registre de l'Etat où le navire de mer est inscrit comme objet d'un contrat d'affrètement coque nue au nom de l'affréteur coque nue ou son délégué;
6° " enregistrement de l'affrètement coque nue " et " enregistrer l'affrètement coque nue " : l'inscription et l'opération d'inscrire un navire de mer au nom de son affréteur coque nue ou son mandataire dans le registre des affrètements coque nue d'un autre Etat que celui du registre d'origine;
7° " immatriculation " et " immatriculer " : l'inscription et l'opération d'inscrire un bateau de navigation intérieure sous un numéro spécial dans le registre des bateaux de navigation intérieure;
§ 2. Dans toutes les lois et les arrêtés dans lesquels les termes " immatriculation ", " registre d'immatriculation " ou " registre naval " sont utilisés en lien avec les navires de mer, ces termes doivent être compris au sens de respectivement " enregistrement " et " registre des navires de mer ", tel que déterminé dans ce livre.
§ 1er. Dans le présent code, l'on entend par :
1° " registres navals " : le registre des navires de mer, le registre des affrètements à coque nue, le registre des bateaux de navigation intérieure, le répertoire des navires non enregistrés et non immatriculés, et le registre de dépôts;
2° " enregistrement " et " enregistrer " : respectivement, l'inscription et l'opération d'inscrire un navire de mer sous un numéro spécial dans le registre des navires de mer;
3° " certificat d'enregistrement " : le document faisant apparaître pour le navire de mer y mentionné le droit de battre pavillon belge;
4° " registre d'origine " : le registre de l'Etat dans lequel le navire de mer est inscrit comme objet de propriété ainsi que son propriétaire en qualité de propriétaire;
5° " registre des affrètements coque nue " : le registre de l'Etat où le navire de mer est inscrit comme objet d'un contrat d'affrètement coque nue au nom de l'affréteur coque nue ou son délégué;
6° " enregistrement de l'affrètement coque nue " et " enregistrer l'affrètement coque nue " : l'inscription et l'opération d'inscrire un navire de mer au nom de son affréteur coque nue ou son mandataire dans le registre des affrètements coque nue d'un autre Etat que celui du registre d'origine;
7° " immatriculation " et " immatriculer " : l'inscription et l'opération d'inscrire un bateau de navigation intérieure sous un numéro spécial dans le registre des bateaux de navigation intérieure;
§ 2. Dans toutes les lois et les arrêtés dans lesquels les termes " immatriculation ", " registre d'immatriculation " ou " registre naval " sont utilisés en lien avec les navires de mer, ces termes doivent être compris au sens de respectivement " enregistrement " et " registre des navires de mer ", tel que déterminé dans ce livre.
HOOFDSTUK 2. - Bronnen
CHAPITRE 2. - Sources
Art. 1.1.2.1. Bekendmaking van akten van de IMO
§ 1. In afwijking van artikel 8 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, worden de technische codes, richtsnoeren en standaarden die door de IMO zijn aangenomen en waarnaar de maritieme verdragen van de IMO verwijzen, bekendgemaakt door middel van een bericht in het Belgisch Staatsblad in het Nederlands en het Frans dat melding maakt van de aanneming door de IMO van de betrokken akte, zonder dat de tekst ervan wordt weergegeven.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder "maritieme verdragen van de IMO" verstaan : het AFS-Verdrag, het BWM-Verdrag, het CSC-Verdrag, het LL-Verdrag, het LL-Protocol 1988, het MARPOL-Verdrag, het MARPOL-Protocol 1978, het MARPOL-Protocol 1997, het PAL-Verdrag, het SFV-Verdrag, het SOLAS-Verdrag, het SOLAS-Protocol 1978, het SOLAS-Protocol 1988, het SRC-Verdrag, het STCW-Verdrag, het STCW-F-Verdrag en het TMC-Verdrag.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde technische codes, richtsnoeren en standaarden worden terbeschikking gesteld op de website van het Belgisch Scheepsregister. De berichten in het Belgisch Staatsblad vermelden het webadres waar de integrale tekst beschikbaar is.
§ 1. In afwijking van artikel 8 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, worden de technische codes, richtsnoeren en standaarden die door de IMO zijn aangenomen en waarnaar de maritieme verdragen van de IMO verwijzen, bekendgemaakt door middel van een bericht in het Belgisch Staatsblad in het Nederlands en het Frans dat melding maakt van de aanneming door de IMO van de betrokken akte, zonder dat de tekst ervan wordt weergegeven.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder "maritieme verdragen van de IMO" verstaan : het AFS-Verdrag, het BWM-Verdrag, het CSC-Verdrag, het LL-Verdrag, het LL-Protocol 1988, het MARPOL-Verdrag, het MARPOL-Protocol 1978, het MARPOL-Protocol 1997, het PAL-Verdrag, het SFV-Verdrag, het SOLAS-Verdrag, het SOLAS-Protocol 1978, het SOLAS-Protocol 1988, het SRC-Verdrag, het STCW-Verdrag, het STCW-F-Verdrag en het TMC-Verdrag.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde technische codes, richtsnoeren en standaarden worden terbeschikking gesteld op de website van het Belgisch Scheepsregister. De berichten in het Belgisch Staatsblad vermelden het webadres waar de integrale tekst beschikbaar is.
Art. 1.1.2.1. Publication des actes de l'OMI
§ 1er. Par dérogation à l'article 8 de la loi du 31 mai 1961 relative à l'emploi des langues en matière législative, à la présentation, à la publication et à l'entrée en vigueur des textes légaux et réglementaires, les codes techniques, directives et normes qui ont été adoptés par l'OMI et auxquels renvoient les conventions maritimes de l'OMI sont publiés au moyen d'un communiqué au Moniteur belge en français et en néerlandais qui fait mention de l'adoption par l'OMI de l'acte concerné, sans que le texte de celui-ci soit reproduit.
Pour l'application du premier alinéa, l'on entend par " conventions maritimes de l'OMI " : la Convention AFS, la Convention BWM, la Convention CSC, la Convention LL, le Protocole LL 1988, la Convention MARPOL, le Protocole MARPOL 1978, le Protocole MARPOL 1997, la Convention PAL, la Convention SFV, la Convention SOLAS, le Protocole SOLAS 1978, le Protocole SOLAS 1988, la Convention SRC, la Convention STCW, la Convention STCW-F et la Convention TMC.
§ 2. Les codes techniques, directives et normes visés au paragraphe 1er seront mis à disposition sur le site web du Registre naval belge. Les communiqués au Moniteur Belge mentionnent l'adresse du site web où le texte intégral est disponible.
§ 1er. Par dérogation à l'article 8 de la loi du 31 mai 1961 relative à l'emploi des langues en matière législative, à la présentation, à la publication et à l'entrée en vigueur des textes légaux et réglementaires, les codes techniques, directives et normes qui ont été adoptés par l'OMI et auxquels renvoient les conventions maritimes de l'OMI sont publiés au moyen d'un communiqué au Moniteur belge en français et en néerlandais qui fait mention de l'adoption par l'OMI de l'acte concerné, sans que le texte de celui-ci soit reproduit.
Pour l'application du premier alinéa, l'on entend par " conventions maritimes de l'OMI " : la Convention AFS, la Convention BWM, la Convention CSC, la Convention LL, le Protocole LL 1988, la Convention MARPOL, le Protocole MARPOL 1978, le Protocole MARPOL 1997, la Convention PAL, la Convention SFV, la Convention SOLAS, le Protocole SOLAS 1978, le Protocole SOLAS 1988, la Convention SRC, la Convention STCW, la Convention STCW-F et la Convention TMC.
§ 2. Les codes techniques, directives et normes visés au paragraphe 1er seront mis à disposition sur le site web du Registre naval belge. Les communiqués au Moniteur Belge mentionnent l'adresse du site web où le texte intégral est disponible.
Art. 1.1.2.2. Bekendmaking van wijzigingen van internationale verdragen en akten
§ 1. In afwijking van artikel 8 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, worden de volgende wijzigingen van verdragen en van de technische codes, richtsnoeren en standaarden waarnaar die verdragen verwijzen, bekendgemaakt door middel van een bericht in het Belgisch Staatsblad in het Nederlands en het Frans dat melding maakt van de aanneming van de wijziging en de inwerkingtreding van de wijziging ten aanzien van België, zonder dat de tekst van de betrokken wijziging wordt weergegeven :
1° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel 20 van het ADN-Verdrag;
2° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel 16 van AFS-Verdrag;
3° de wijzigingen aan de bijlage van het BWM-Verdrag aangenomen op grond van artikel 19 van dat verdrag;
4° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel 19 van het CDNI-Verdrag;
5° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel 9 en artikel 10 van het CSC-Verdrag;
6° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel 29 van het LL-Verdrag;
7° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel VI van het LL-Protocol 1988;
8° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel 16 van het MARPOL-Verdrag, het MARPOL-Protocol 1978 en het MARPOL-Protocol 1997, die naar dat artikel verwijzen;
9° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel 23 van het PAL-Verdrag;
10° de wijzingen aan de bijlage bij het SFV-Verdrag aangenomen op grond van artikel 11 van het Protocol van 1993 bij dat verdrag;
11° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel VIII van het SOLAS-Verdrag, het SOLAS-Protocol 1978 en het SOLAS-Protocol 1988, die naar dat artikel verwijzen;
12° de wijzingen aan de bijlage van het SRC-Verdrag aangenomen op grond van artikel 18 van dat verdrag;
13° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel XII van het STCW-Verdrag;
14° de wijzingen aangenomen op grond van het artikel 10 van STCW-F-Verdrag;
15° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel 18 van het TMC-Verdrag;
[1 16° de wijzigingen aan de bijlagen van de BBNJ-Overeenkomst aangenomen op grond van artikel 74.3 van die Overeenkomst.]1
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde wijzigingen worden terbeschikking gesteld op de website van het Belgisch Scheepsregister. De berichten in het Belgisch Staatsblad vermelden het webadres waar de integrale tekst beschikbaar is.
§ 1. In afwijking van artikel 8 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, worden de volgende wijzigingen van verdragen en van de technische codes, richtsnoeren en standaarden waarnaar die verdragen verwijzen, bekendgemaakt door middel van een bericht in het Belgisch Staatsblad in het Nederlands en het Frans dat melding maakt van de aanneming van de wijziging en de inwerkingtreding van de wijziging ten aanzien van België, zonder dat de tekst van de betrokken wijziging wordt weergegeven :
1° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel 20 van het ADN-Verdrag;
2° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel 16 van AFS-Verdrag;
3° de wijzigingen aan de bijlage van het BWM-Verdrag aangenomen op grond van artikel 19 van dat verdrag;
4° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel 19 van het CDNI-Verdrag;
5° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel 9 en artikel 10 van het CSC-Verdrag;
6° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel 29 van het LL-Verdrag;
7° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel VI van het LL-Protocol 1988;
8° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel 16 van het MARPOL-Verdrag, het MARPOL-Protocol 1978 en het MARPOL-Protocol 1997, die naar dat artikel verwijzen;
9° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel 23 van het PAL-Verdrag;
10° de wijzingen aan de bijlage bij het SFV-Verdrag aangenomen op grond van artikel 11 van het Protocol van 1993 bij dat verdrag;
11° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel VIII van het SOLAS-Verdrag, het SOLAS-Protocol 1978 en het SOLAS-Protocol 1988, die naar dat artikel verwijzen;
12° de wijzingen aan de bijlage van het SRC-Verdrag aangenomen op grond van artikel 18 van dat verdrag;
13° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel XII van het STCW-Verdrag;
14° de wijzingen aangenomen op grond van het artikel 10 van STCW-F-Verdrag;
15° de wijzigingen aangenomen op grond van artikel 18 van het TMC-Verdrag;
[1 16° de wijzigingen aan de bijlagen van de BBNJ-Overeenkomst aangenomen op grond van artikel 74.3 van die Overeenkomst.]1
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde wijzigingen worden terbeschikking gesteld op de website van het Belgisch Scheepsregister. De berichten in het Belgisch Staatsblad vermelden het webadres waar de integrale tekst beschikbaar is.
Art. 1.1.2.2. Publication des modifications aux conventions et actes internationaux
§ 1er. Par dérogation à l'article 8 de la loi du 31 mai 1961 relative à l'emploi des langues en matière législative, à la présentation, à la publication et à l'entrée en vigueur des textes légaux et réglementaires, les modifications suivantes des conventions et des codes techniques, directives et normes auxquels renvoient ces conventions sont publiées au moyen d'un communiqué au Moniteur belge en français et en néerlandais qui fait mention de l'adoption de la modification et de l'entrée en vigueur de la modification à l'égard de la Belgique, sans que le texte de la modification concernée soit reproduit :
1° les modifications adoptées sur la base de l'article 20 de l'Accord ADN;
2° les modifications adoptées sur la base de l'article 16 de la Convention AFS;
3° les modifications à l'annexe de la Convention BWM adoptées sur la base de l'article 19 de cette Convention;
4° les modifications adoptées sur la base de l'article 19 de la Convention CDNI;
5° les modifications adoptées sur la base des articles 9 et 10 de la Convention CSC;
6° les modifications adoptées sur la base de l'article 29 de la Convention LL;
7° les modifications adoptées sur la base de l'article VI du Protocole LL 1988;
8° les modifications adoptées sur la base de l'article 16 de la Convention MARPOL, du Protocole MARPOL 1978 et du Protocole MARPOL 1997, qui renvoient à cet article;
9° les modifications adoptées sur la base de l'article 23 de la Convention PAL;
10° les modifications à l'annexe à la Convention SFV adoptées sur la base de l'article 11 du Protocole de 1993 à cette Convention;
11° les modifications adoptées sur la base de l'article VIII de la Convention SOLAS, du Protocole SOLAS 1978 et du Protocole SOLAS 1988, qui renvoient à cet article;
12° les modifications à l'annexe de la Convention SRC adoptées sur la base de l'article 18 de cette Convention;
13° les modifications adoptées sur la base de l'article XII de la Convention STCW;
14° les modifications adoptées sur la base de l'article 10 de la Convention STCW-F;
15° les modifications adoptées sur la base de l'article 18 de la Convention TMC;
[1 16° les modifications aux annexes de l'Accord BBNJ adoptées sur la base de l'article 74.3 de cet Accord.]1
§ 2. Les modifications visées au paragraphe 1er seront mises à disposition sur le site web du Registre navel belge. Les communiqués au Moniteur Belge mentionnent l'adresse du site web où le texte intégral est disponible.
§ 1er. Par dérogation à l'article 8 de la loi du 31 mai 1961 relative à l'emploi des langues en matière législative, à la présentation, à la publication et à l'entrée en vigueur des textes légaux et réglementaires, les modifications suivantes des conventions et des codes techniques, directives et normes auxquels renvoient ces conventions sont publiées au moyen d'un communiqué au Moniteur belge en français et en néerlandais qui fait mention de l'adoption de la modification et de l'entrée en vigueur de la modification à l'égard de la Belgique, sans que le texte de la modification concernée soit reproduit :
1° les modifications adoptées sur la base de l'article 20 de l'Accord ADN;
2° les modifications adoptées sur la base de l'article 16 de la Convention AFS;
3° les modifications à l'annexe de la Convention BWM adoptées sur la base de l'article 19 de cette Convention;
4° les modifications adoptées sur la base de l'article 19 de la Convention CDNI;
5° les modifications adoptées sur la base des articles 9 et 10 de la Convention CSC;
6° les modifications adoptées sur la base de l'article 29 de la Convention LL;
7° les modifications adoptées sur la base de l'article VI du Protocole LL 1988;
8° les modifications adoptées sur la base de l'article 16 de la Convention MARPOL, du Protocole MARPOL 1978 et du Protocole MARPOL 1997, qui renvoient à cet article;
9° les modifications adoptées sur la base de l'article 23 de la Convention PAL;
10° les modifications à l'annexe à la Convention SFV adoptées sur la base de l'article 11 du Protocole de 1993 à cette Convention;
11° les modifications adoptées sur la base de l'article VIII de la Convention SOLAS, du Protocole SOLAS 1978 et du Protocole SOLAS 1988, qui renvoient à cet article;
12° les modifications à l'annexe de la Convention SRC adoptées sur la base de l'article 18 de cette Convention;
13° les modifications adoptées sur la base de l'article XII de la Convention STCW;
14° les modifications adoptées sur la base de l'article 10 de la Convention STCW-F;
15° les modifications adoptées sur la base de l'article 18 de la Convention TMC;
[1 16° les modifications aux annexes de l'Accord BBNJ adoptées sur la base de l'article 74.3 de cet Accord.]1
§ 2. Les modifications visées au paragraphe 1er seront mises à disposition sur le site web du Registre navel belge. Les communiqués au Moniteur Belge mentionnent l'adresse du site web où le texte intégral est disponible.
Wijzigingen
Art. 1.1.2.3. Uitvoering van internationale verdragen en akten
§ 1. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, inzake vervoer over zee of de waterweg, alle maatregelen treffen welke vereist zijn ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens de verdragen vastgestelde internationale akten.
§ 2. De ter uitvoering van paragraaf 1 genomen koninklijke besluiten kunnen de wijziging en de opheffing van wetsbepalingen inhouden.
§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de verplichtingen die voortvloeien uit de verordeningen en de richtlijnen die uitgevaardigd zijn in toepassing van artikel 103 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
§ 1. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, inzake vervoer over zee of de waterweg, alle maatregelen treffen welke vereist zijn ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens de verdragen vastgestelde internationale akten.
§ 2. De ter uitvoering van paragraaf 1 genomen koninklijke besluiten kunnen de wijziging en de opheffing van wetsbepalingen inhouden.
§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de verplichtingen die voortvloeien uit de verordeningen en de richtlijnen die uitgevaardigd zijn in toepassing van artikel 103 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Art. 1.1.2.3. Exécution des conventions et actes internationaux
§ 1er. Le Roi peut, par arrêté, délibérer en Conseil des Ministres, en matière de transport par mer ou via les voies navigables, prendre toutes les mesures requises en vue de l'exécution des obligations qui découlent des conventions internationales et des actes internationaux fixés en vertu des conventions.
§ 2. Les arrêtés royaux pris en exécution du paragraphe 1er peuvent comprendre la modification et l'abrogation de dispositions légales.
§ 3. Le paragraphe 1er ne s'applique pas aux obligations qui découlent des règlements et des directives arrêtés en application de l'article 103 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne.
§ 1er. Le Roi peut, par arrêté, délibérer en Conseil des Ministres, en matière de transport par mer ou via les voies navigables, prendre toutes les mesures requises en vue de l'exécution des obligations qui découlent des conventions internationales et des actes internationaux fixés en vertu des conventions.
§ 2. Les arrêtés royaux pris en exécution du paragraphe 1er peuvent comprendre la modification et l'abrogation de dispositions légales.
§ 3. Le paragraphe 1er ne s'applique pas aux obligations qui découlent des règlements et des directives arrêtés en application de l'article 103 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne.
Art. 1.1.2.4. Gebruiken en algemene scheepvaartrechtelijke beginselen
§ 1. De gebruiken en de algemene scheepvaartrechtelijke beginselen zijn bijzondere bronnen van scheepvaartrecht.
§ 2. De gebruiken vullen de overeenkomst aan en dragen bij tot haar uitlegging. Zij kunnen afwijken van de wet, tenzij deze van dwingend recht of openbare orde is.
§ 1. De gebruiken en de algemene scheepvaartrechtelijke beginselen zijn bijzondere bronnen van scheepvaartrecht.
§ 2. De gebruiken vullen de overeenkomst aan en dragen bij tot haar uitlegging. Zij kunnen afwijken van de wet, tenzij deze van dwingend recht of openbare orde is.
Art. 1.1.2.4. Usages et principes généraux du droit de la navigation
§ 1er. Les usages et principes généraux du droit de la navigation sont des sources particulières du droit de la navigation.
§ 2. Les usages complètent le contrat et contribuent à son interprétation. Ils peuvent déroger à la loi, sauf si celle-ci est de droit impératif ou d'ordre public.
§ 1er. Les usages et principes généraux du droit de la navigation sont des sources particulières du droit de la navigation.
§ 2. Les usages complètent le contrat et contribuent à son interprétation. Ils peuvent déroger à la loi, sauf si celle-ci est de droit impératif ou d'ordre public.
HOOFDSTUK 3. - Bekendmakingen
CHAPITRE 3. - Publications
Art. 1.1.3.1. Website van het Belgisch Scheepsregister
§ 1. Telkens dit wetboek een bekendmaking op de website van het Belgisch Scheepsregister voorschrijft, vermeldt die website de datum van de betrokken bekendmaking.
§ 2. Het Belgisch Scheepsregister houdt een bijzonder register van de op grond van dit wetboek verrichte bekendmakingen bij, dat ter inzage is van alle belanghebbenden.
§ 1. Telkens dit wetboek een bekendmaking op de website van het Belgisch Scheepsregister voorschrijft, vermeldt die website de datum van de betrokken bekendmaking.
§ 2. Het Belgisch Scheepsregister houdt een bijzonder register van de op grond van dit wetboek verrichte bekendmakingen bij, dat ter inzage is van alle belanghebbenden.
Art. 1.1.3.1. Site web du Registre naval belge
§ 1er. Chaque fois que ce code prévoit une publication sur le site web du Registre naval belge, ce site web mentionne la date de la publication concernée.
§ 2. Le Registre naval belge tient un registre spécial des publications faites en vertu de ce code, qui peut être consulté par toutes les parties intéressées.
§ 1er. Chaque fois que ce code prévoit une publication sur le site web du Registre naval belge, ce site web mentionne la date de la publication concernée.
§ 2. Le Registre naval belge tient un registre spécial des publications faites en vertu de ce code, qui peut être consulté par toutes les parties intéressées.
Art. 1.1.3.2. Uitvoeringsbesluiten
De Koning kan de bekendmakingen op de website van het Belgisch Scheepsregister en de andere door dit wetboek bedoelde bekendmakingen nader regelen.
De Koning kan de bekendmakingen op de website van het Belgisch Scheepsregister en de andere door dit wetboek bedoelde bekendmakingen nader regelen.
Art. 1.1.3.2. Arrêtés d'exécution
Le Roi peut réglementer plus précisément les publications sur le site web du Registre naval belge et les autres publications visées par ce code.
Le Roi peut réglementer plus précisément les publications sur le site web du Registre naval belge et les autres publications visées par ce code.
Art. 1.1.3.3. Andere bekendmakingsvormen
De door of krachtens dit wetboek bepaalde bekendmakingsvereisten staan niet in de weg aan bijkomende bekendmakingen in binnen- of buitenland, welke evenwel geen nadere rechtsgevolgen teweegbrengen.
De door of krachtens dit wetboek bepaalde bekendmakingsvereisten staan niet in de weg aan bijkomende bekendmakingen in binnen- of buitenland, welke evenwel geen nadere rechtsgevolgen teweegbrengen.
Art. 1.1.3.3. Autres formes de publications
Les exigences en matière de publication prévues par le présent code ou en vertu de celui-ci n'empêchent pas les publications supplémentaires dans le pays ou à l'étranger, qui n'entraînent cependant pas d'effets juridiques supplémentaires.
Les exigences en matière de publication prévues par le présent code ou en vertu de celui-ci n'empêchent pas les publications supplémentaires dans le pays ou à l'étranger, qui n'entraînent cependant pas d'effets juridiques supplémentaires.
Art. 1.1.3.4. Retributies
Voor de bekendmakingen op de website van het Belgisch Scheepsregister kan een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan.
Voor de bekendmakingen op de website van het Belgisch Scheepsregister kan een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan.
Art. 1.1.3.4. Redevances
Pour les publications sur le site web du Registre naval belge, une redevance peut être prélevée, dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevable à l'Etat.
Le Roi détermine le tarif des redevances et les autres règles afférentes à leur application et à leur perception.
Pour les publications sur le site web du Registre naval belge, une redevance peut être prélevée, dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevable à l'Etat.
Le Roi détermine le tarif des redevances et les autres règles afférentes à leur application et à leur perception.
Titel 2. - Het Belgisch Scheepsregister
TITRE 2. - Le Registre naval belge
Art. 1.2.1.1. Taken van het Belgisch Scheepsregister
Het Belgisch Scheepsregister heeft als taken :
1° de registratie van zeeschepen, de registratie van rompbevrachtingen, de teboekstelling van binnenschepen en het met een en ander verband houdende beheer van de scheepsregisters overeenkomstig deze titel;
2° de openbaarmaking van akten, vonnissen, eisen en andere stukken betreffende schepen en het desbetreffende beheer, overeenkomstig afdeling 2 van hoofdstuk 1 van titel 2 van boek 2 en afdeling 2 van hoofdstuk 1 van titel 2 van boek 3.
De Koning kan het beheer van de scheepsregisters en de inrichting en de werking van het Belgisch Scheepsregister nader regelen.
Het Belgisch Scheepsregister heeft als taken :
1° de registratie van zeeschepen, de registratie van rompbevrachtingen, de teboekstelling van binnenschepen en het met een en ander verband houdende beheer van de scheepsregisters overeenkomstig deze titel;
2° de openbaarmaking van akten, vonnissen, eisen en andere stukken betreffende schepen en het desbetreffende beheer, overeenkomstig afdeling 2 van hoofdstuk 1 van titel 2 van boek 2 en afdeling 2 van hoofdstuk 1 van titel 2 van boek 3.
De Koning kan het beheer van de scheepsregisters en de inrichting en de werking van het Belgisch Scheepsregister nader regelen.
Art. 1.2.1.1. Tâches du Registre naval belge
Le Registre naval belge a pour tâches :
1° l'enregistrement des navires de mer, l'enregistrement des affrètements coque nue, l'immatriculation des bateaux de navigation intérieure et la gestion concernant des registres navals entretenant un lien quelconque conformément au présent titre;
2° la publication d'actes, de jugements, de demandes et d'autres pièces concernant des navires et la gestion y relative, conformément de la section 2 du chapitre 1er du titre 2 du livre 2 et de la section 2 du chapitre 1er du titre 2 du livre 3.
Le Roi peut fixer les modalités de gestion des registres navals ainsi que l'organisation et le fonctionnement du Registre naval belge.
Le Registre naval belge a pour tâches :
1° l'enregistrement des navires de mer, l'enregistrement des affrètements coque nue, l'immatriculation des bateaux de navigation intérieure et la gestion concernant des registres navals entretenant un lien quelconque conformément au présent titre;
2° la publication d'actes, de jugements, de demandes et d'autres pièces concernant des navires et la gestion y relative, conformément de la section 2 du chapitre 1er du titre 2 du livre 2 et de la section 2 du chapitre 1er du titre 2 du livre 3.
Le Roi peut fixer les modalités de gestion des registres navals ainsi que l'organisation et le fonctionnement du Registre naval belge.
Art. 1.2.1.2. Register van neerlegging
In het register van neerlegging [1 worden]1 in de volgorde van de uit een doorlopende nummering blijkende aanbiedingen, vastgesteld :
1° de neerlegging van stukken aangeboden ter registratie of wijziging van de registratie van zeeschepen dan wel ter teboekstelling of wijziging van de teboekstelling van binnenschepen;
2° de neerlegging van akten, vonnissen, eisen en exploten overeenkomstig de hoofdstukken 1, 5 en 6 van titel 2 van boek 2 en de hoofdstukken 1, 3 en 4 van titel 2 van boek 3.
Het register wordt elke dag afgesloten.
[1 Indien op dezelfde dag verscheidene aan de regel van de openbaarheid onderworpen titels op het Belgisch Scheepsregister zijn aangeboden, wordt de voorrang bepaald naar het volgnummer waaronder het Belgisch Scheepsregister de overhandiging heeft vermeld in het register van neerlegging dat wordt toegekend op basis van het tijdstip van aanbieding, voor zover dit kan worden vastgesteld.]1
[1 ...]1
In het register van neerlegging [1 worden]1 in de volgorde van de uit een doorlopende nummering blijkende aanbiedingen, vastgesteld :
1° de neerlegging van stukken aangeboden ter registratie of wijziging van de registratie van zeeschepen dan wel ter teboekstelling of wijziging van de teboekstelling van binnenschepen;
2° de neerlegging van akten, vonnissen, eisen en exploten overeenkomstig de hoofdstukken 1, 5 en 6 van titel 2 van boek 2 en de hoofdstukken 1, 3 en 4 van titel 2 van boek 3.
Het register wordt elke dag afgesloten.
[1 Indien op dezelfde dag verscheidene aan de regel van de openbaarheid onderworpen titels op het Belgisch Scheepsregister zijn aangeboden, wordt de voorrang bepaald naar het volgnummer waaronder het Belgisch Scheepsregister de overhandiging heeft vermeld in het register van neerlegging dat wordt toegekend op basis van het tijdstip van aanbieding, voor zover dit kan worden vastgesteld.]1
[1 ...]1
Art. 1.2.1.2. Registre de dépôts
Dans le registre de dépôts sont [1 constatés]1 par ordre de numérotation consécutive des remises :
1° le dépôt de pièces remises en vue de l'enregistrement ou de la modification de l'enregistrement de navires de mer ou en vue de l'immatriculation ou de la modification de l'immatriculation de bateaux de navigation intérieure;
2° le dépôt d'actes, de jugements, de demandes et d'exploits conformément aux chapitres 1er, 5 et 6 du titre 2 du livre 2 et aux titres 1er, 3 et 4 du titre 2 du livre 3.
Le registre est arrêté chaque jour.
[1 Si plusieurs titres soumis à la publicité ont été présentés le même jour au Registre naval belge, la préférence se détermine d'après le numéro d'ordre sous lequel la remise des titres aura été mentionnée par le Registre naval belge au registre de dépôts, qui est attribué sur la base du moment de leur remise, pour autant qu'elle puisse être constatée.]1
[1 ...]1
Dans le registre de dépôts sont [1 constatés]1 par ordre de numérotation consécutive des remises :
1° le dépôt de pièces remises en vue de l'enregistrement ou de la modification de l'enregistrement de navires de mer ou en vue de l'immatriculation ou de la modification de l'immatriculation de bateaux de navigation intérieure;
2° le dépôt d'actes, de jugements, de demandes et d'exploits conformément aux chapitres 1er, 5 et 6 du titre 2 du livre 2 et aux titres 1er, 3 et 4 du titre 2 du livre 3.
Le registre est arrêté chaque jour.
[1 Si plusieurs titres soumis à la publicité ont été présentés le même jour au Registre naval belge, la préférence se détermine d'après le numéro d'ordre sous lequel la remise des titres aura été mentionnée par le Registre naval belge au registre de dépôts, qui est attribué sur la base du moment de leur remise, pour autant qu'elle puisse être constatée.]1
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. 1.2.1.3. Getuigschriften
Op grond van de scheepsregisters en de stukken die het bewaart, verstrekt het Belgisch Scheepsregister op aanvraag getuigschriften, afschriften en gegevens betreffende de aangelegenheden die aan zijn zorg zijn toevertrouwd. Het Belgisch Scheepsregister houdt van die getuigschriften, afschriften en gegevens een register bij.
Op grond van de scheepsregisters en de stukken die het bewaart, verstrekt het Belgisch Scheepsregister op aanvraag getuigschriften, afschriften en gegevens betreffende de aangelegenheden die aan zijn zorg zijn toevertrouwd. Het Belgisch Scheepsregister houdt van die getuigschriften, afschriften en gegevens een register bij.
Art. 1.2.1.3. Certificats
Sur la base des registres navals et des pièces qu'ils conservent, le Registre naval belge délivre sur demande des certificats, copies et indications concernant les matières qui ont été confiées à ses soins. Le Registre naval belge tient un registre de ces certificats, copies et indications.
Sur la base des registres navals et des pièces qu'ils conservent, le Registre naval belge délivre sur demande des certificats, copies et indications concernant les matières qui ont été confiées à ses soins. Le Registre naval belge tient un registre de ces certificats, copies et indications.
Art. 1.2.1.4. Elektronische procedures
De Koning kan :
1° de toegang via elektronische weg tot de scheepsregisters regelen;
2° de elektronische indiening en neerlegging van akten en andere stukken bij het Belgisch Scheepsregister regelen;
3° de elektronische aflevering door het Belgisch Scheepsregister van de in artikel 1.2.1.3 bedoelde getuigschriften, afschriften en gegevens regelen.
De Koning kan :
1° de toegang via elektronische weg tot de scheepsregisters regelen;
2° de elektronische indiening en neerlegging van akten en andere stukken bij het Belgisch Scheepsregister regelen;
3° de elektronische aflevering door het Belgisch Scheepsregister van de in artikel 1.2.1.3 bedoelde getuigschriften, afschriften en gegevens regelen.
Art. 1.2.1.4. Procédures électroniques
Le Roi peut :
1° fixer l'accès électronique aux registres navals;
2° fixer l'enregistrement et le dépôt électroniques d'actes et autres pièces auprès du Registre naval belge;
3° fixer la délivrance électronique par le Registre belge naval belge des certificats, copies et indications visés à l'article 1.2.1.3.
Le Roi peut :
1° fixer l'accès électronique aux registres navals;
2° fixer l'enregistrement et le dépôt électroniques d'actes et autres pièces auprès du Registre naval belge;
3° fixer la délivrance électronique par le Registre belge naval belge des certificats, copies et indications visés à l'article 1.2.1.3.
Art. 1.2.1.5. Retributies
Voor de vervulling van formaliteiten, de aflevering van getuigschriften, afschriften en gegevens en andere door het Belgisch Scheepsregister verstrekte diensten kan een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan.
Voor de vervulling van formaliteiten, de aflevering van getuigschriften, afschriften en gegevens en andere door het Belgisch Scheepsregister verstrekte diensten kan een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan.
Art. 1.2.1.5. Redevances
Pour l'accomplissement de formalités, la délivrance de certificats, copies et indications et autres services délivrés par le Registre naval belge, une redevance peut être prélevée dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevable à l'Etat.
Le Roi détermine le tarif des redevances et les autres règles afférentes à leur application et à leur perception.
Pour l'accomplissement de formalités, la délivrance de certificats, copies et indications et autres services délivrés par le Registre naval belge, une redevance peut être prélevée dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevable à l'Etat.
Le Roi détermine le tarif des redevances et les autres règles afférentes à leur application et à leur perception.
BOEK 2. - ZEEVAART
LIVRE 2. - NAVIGATION DE MER
Titel 1. - Algemene Bepalingen
TITRE 1er. . - Dispositions générales
Art. 2.1.1.1. Toepassingsgebied
De bepalingen van dit boek zijn van toepassing op zeeschepen en het vervoer via zeeschepen.
De bepalingen van dit boek zijn van toepassing op zeeschepen en het vervoer via zeeschepen.
Art. 2.1.1.1. Champ d'application
Les dispositions du présent livre sont applicables sur les navires de mer et le transport par les navires de mer.
Les dispositions du présent livre sont applicables sur les navires de mer et le transport par les navires de mer.
Art. 2.1.1.2. Reders
In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° "scheepseigenaar" : de persoon of de personen die eigenaar zijn van het schip;
2° "reder" : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het rederschap uitoefent;
3° "rederschap" : het bezit van het schip dat gepaard gaat met de overwegende zeggenschap over het beheer, het gebruik en de exploitatie ervan;
4° "scheepsgebruiker" : elke houder van een zakelijk of persoonlijk recht dat gedurende een bepaalde tijd recht geeft op het gebruik van een schip of een deel van een schip, met uitzondering van reders, reisbevrachters en partijen bij en rechthebbenden onder een vervoerovereenkomst;
5° "scheepsmede-eigendom" : de eigendom van een schip dat onverdeeld toebehoort aan verscheidene personen die elk één of meer scheepsaandelen bezitten;
6° "scheepsmede-eigenaar" : elke eigenaar van een schip in scheepsmede-eigendom;
7° "scheepsaandeel" : elk kleinste deel van de scheepsmede-eigendom dat een scheepsmede-eigenaar toebehoort;
8° "scheepsagent" : de natuurlijke persoon of rechtspersoon gemandateerd om in België de reder te vertegenwoordigen.
In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° "scheepseigenaar" : de persoon of de personen die eigenaar zijn van het schip;
2° "reder" : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het rederschap uitoefent;
3° "rederschap" : het bezit van het schip dat gepaard gaat met de overwegende zeggenschap over het beheer, het gebruik en de exploitatie ervan;
4° "scheepsgebruiker" : elke houder van een zakelijk of persoonlijk recht dat gedurende een bepaalde tijd recht geeft op het gebruik van een schip of een deel van een schip, met uitzondering van reders, reisbevrachters en partijen bij en rechthebbenden onder een vervoerovereenkomst;
5° "scheepsmede-eigendom" : de eigendom van een schip dat onverdeeld toebehoort aan verscheidene personen die elk één of meer scheepsaandelen bezitten;
6° "scheepsmede-eigenaar" : elke eigenaar van een schip in scheepsmede-eigendom;
7° "scheepsaandeel" : elk kleinste deel van de scheepsmede-eigendom dat een scheepsmede-eigenaar toebehoort;
8° "scheepsagent" : de natuurlijke persoon of rechtspersoon gemandateerd om in België de reder te vertegenwoordigen.
Art. 2.1.1.2. Armateurs
Dans le présent livre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférentes, l'on entend par :
1° " propriétaire de navire " : la personne ou les personnes qui sont propriétaires du navire;
2° " armateur " : la personne physique ou morale qui exerce la gestion nautique;
3° " gestion nautique " : la possession du navire qui va de pair avec la direction prépondérante sur la gestion, l'usage et l'exploitation de ce navire;
4° " utilisateur du navire " : tout détenteur d'un droit réel ou personnel qui, pendant un certain temps, donne droit à l'usage d'un navire ou d'une partie d'un navire, à l'exception des armateurs, des affréteurs au voyage et des parties impliquées dans ou ayants droit sous un contrat de transport;
5° " copropriété quirataire " : la propriété d'un navire qui appartient de façon indivise à diverses personnes qui possèdent chacune une ou plusieurs quirats;
6° " copropriétaire quirataire " : tout propriétaire d'un navire en copropriété quirataire;
7° " quirat " : la plus petite part d'une copropriété quirataire appartenant à un copropriétaire quirataire.
8° agent maritime " : la personne physique ou morale mandatée pour représenter l'armateur en Belgique.
Dans le présent livre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférentes, l'on entend par :
1° " propriétaire de navire " : la personne ou les personnes qui sont propriétaires du navire;
2° " armateur " : la personne physique ou morale qui exerce la gestion nautique;
3° " gestion nautique " : la possession du navire qui va de pair avec la direction prépondérante sur la gestion, l'usage et l'exploitation de ce navire;
4° " utilisateur du navire " : tout détenteur d'un droit réel ou personnel qui, pendant un certain temps, donne droit à l'usage d'un navire ou d'une partie d'un navire, à l'exception des armateurs, des affréteurs au voyage et des parties impliquées dans ou ayants droit sous un contrat de transport;
5° " copropriété quirataire " : la propriété d'un navire qui appartient de façon indivise à diverses personnes qui possèdent chacune une ou plusieurs quirats;
6° " copropriétaire quirataire " : tout propriétaire d'un navire en copropriété quirataire;
7° " quirat " : la plus petite part d'une copropriété quirataire appartenant à un copropriétaire quirataire.
8° agent maritime " : la personne physique ou morale mandatée pour représenter l'armateur en Belgique.
Art. 2.1.1.3. Opvarenden
In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° "gezagvoerder" : elke persoon aan wie het bevel over het zeeschip is toevertrouwd of die dit bevel feitelijk en rechtmatig voert;
2° "kapitein" : de gezagvoerder van een zeeschip, met uitzondering van een zeeschip bestemd of gewoonlijk gebruikt voor [2 ...]2 niet bedrijfs- of beroepsmatige pleziervaart;
3° "schepeling" : elke persoon die, hetzij ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst, hetzij als zelfstandige, hetzij in enige andere hoedanigheid, werkzaamheden verricht aan boord van een zeeschip;
4° "bemanningslid" : elke schepeling verbonden door een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst;
5° "arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst" : de arbeidsovereenkomst waarbij een werknemer zich ertoe verbindt om arbeid te verrichten aan boord en in dienst van een scheepseigenaar of reder;
6° "bemanning" : alle bemanningsleden;
7° "verstekeling" : elke persoon die zich zonder toelating van de gezagvoerder aan boord van een zeeschip bevindt;
8° "passagier" : elke persoon die zich aan boord van een zeeschip bevindt zonder schepeling of verstekeling te zijn;
9° "opvarende" : elke schepeling, elke passagier en elke verstekeling;
[1 10° industrieel personeel: alle personen die worden vervoerd of gehuisvest aan boord van vaartuigen met het doel om offshore industriële activiteiten uit te voeren aan boord van andere vaartuigen en/of andere offshore installaties en die voldoen aan de criteria bepaald in artikel 2.1.3.16, § 2.]1
§ 2. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit :
1° bepalingen van dit boek of zijn uitvoeringsbesluiten voor aangeduide bijzondere gezagvoerders, kapiteins, schepelingen, bemanningsleden, arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst, verstekelingen, passagiers of opvarenden buiten toepassing verklaren;
2° de begrippen gezagvoerder, kapitein, schepeling, bemanningslid, bemanning, arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst, verstekeling, passagier of opvarende nader of, waar noodzakelijk met het oog op de toepassing van aangeduide bepalingen, afwijkend omschrijven.
In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° "gezagvoerder" : elke persoon aan wie het bevel over het zeeschip is toevertrouwd of die dit bevel feitelijk en rechtmatig voert;
2° "kapitein" : de gezagvoerder van een zeeschip, met uitzondering van een zeeschip bestemd of gewoonlijk gebruikt voor [2 ...]2 niet bedrijfs- of beroepsmatige pleziervaart;
3° "schepeling" : elke persoon die, hetzij ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst, hetzij als zelfstandige, hetzij in enige andere hoedanigheid, werkzaamheden verricht aan boord van een zeeschip;
4° "bemanningslid" : elke schepeling verbonden door een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst;
5° "arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst" : de arbeidsovereenkomst waarbij een werknemer zich ertoe verbindt om arbeid te verrichten aan boord en in dienst van een scheepseigenaar of reder;
6° "bemanning" : alle bemanningsleden;
7° "verstekeling" : elke persoon die zich zonder toelating van de gezagvoerder aan boord van een zeeschip bevindt;
8° "passagier" : elke persoon die zich aan boord van een zeeschip bevindt zonder schepeling of verstekeling te zijn;
9° "opvarende" : elke schepeling, elke passagier en elke verstekeling;
[1 10° industrieel personeel: alle personen die worden vervoerd of gehuisvest aan boord van vaartuigen met het doel om offshore industriële activiteiten uit te voeren aan boord van andere vaartuigen en/of andere offshore installaties en die voldoen aan de criteria bepaald in artikel 2.1.3.16, § 2.]1
§ 2. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit :
1° bepalingen van dit boek of zijn uitvoeringsbesluiten voor aangeduide bijzondere gezagvoerders, kapiteins, schepelingen, bemanningsleden, arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst, verstekelingen, passagiers of opvarenden buiten toepassing verklaren;
2° de begrippen gezagvoerder, kapitein, schepeling, bemanningslid, bemanning, arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst, verstekeling, passagier of opvarende nader of, waar noodzakelijk met het oog op de toepassing van aangeduide bepalingen, afwijkend omschrijven.
Art. 2.1.1.3. Personnes embarquées
Dans le présent livre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférentes, l'on entend par :
1° " commandant " : toute personne à qui le commandement du navire de mer a été confié ou qui exerce en fait et de façon légitime ce commandement;
2° " capitaine " : le commandant d'un navire de mer, à l'exception d'un navire de mer destiné ou normalement utilisé pour [2 ...]2 la navigation de plaisance non commerciale ou non professionnelle;
3° " homme d'équipage " : toute personne qui, soit en vue de l'exécution d'un contrat d'engagement maritime, soit en tant qu'indépendant, soit en une autre qualité, effectue des activités à bord d'un navire;
4° " membre d'équipage " : tout homme d'équipage lié par un contrat d'engagement maritime;
5° " contrat d'engagement maritime " : le contrat de travail par lequel un travailleur s'engage à effectuer du travail à bord et au service d'un propriétaire de navire ou armateur;
6° " équipage " : l'ensemble des membres d'équipage;
7° " passager clandestin " : toute personne qui se trouve sans autorisation du commandant à bord d'un navire;
8° " passager " : toute personne qui se trouve à bord d'un navire sans être homme d'équipage ou passager clandestin;
9° " personne embarquée " : tout homme d'équipage, tout passager et tout passager clandestin;
[1 10° membres du personnel industriel : toutes les personnes qui sont transportées ou logées à bord de navires aux fins d'effectuer des activités industrielles offshore à bord d'autres navires et/ou d'autres installations au large et qui satisfont aux critères prévus à l'article 2.1.3.16, § 2.]1
§ 2. Le Roi peut par arrêté délibéré en Conseil des Ministres :
1° déclarer inapplicables les dispositions du présentlivre ou de ses arrêtés d'exécution pour des commandants, capitaines, hommes d'équipage, membres d'équipage, contrat d'engagement maritime, passagers clandestins, passagers ou personnes embarquées particuliers désignés;
2° définir de manière plus précise ou, le cas échéant, de manière dérogatoire les notions de commandant, capitaine, homme d'équipage, membre d'équipage, équipage, contrat d'engagement maritime, passager clandestin, passager ou personne embarquée.
Dans le présent livre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférentes, l'on entend par :
1° " commandant " : toute personne à qui le commandement du navire de mer a été confié ou qui exerce en fait et de façon légitime ce commandement;
2° " capitaine " : le commandant d'un navire de mer, à l'exception d'un navire de mer destiné ou normalement utilisé pour [2 ...]2 la navigation de plaisance non commerciale ou non professionnelle;
3° " homme d'équipage " : toute personne qui, soit en vue de l'exécution d'un contrat d'engagement maritime, soit en tant qu'indépendant, soit en une autre qualité, effectue des activités à bord d'un navire;
4° " membre d'équipage " : tout homme d'équipage lié par un contrat d'engagement maritime;
5° " contrat d'engagement maritime " : le contrat de travail par lequel un travailleur s'engage à effectuer du travail à bord et au service d'un propriétaire de navire ou armateur;
6° " équipage " : l'ensemble des membres d'équipage;
7° " passager clandestin " : toute personne qui se trouve sans autorisation du commandant à bord d'un navire;
8° " passager " : toute personne qui se trouve à bord d'un navire sans être homme d'équipage ou passager clandestin;
9° " personne embarquée " : tout homme d'équipage, tout passager et tout passager clandestin;
[1 10° membres du personnel industriel : toutes les personnes qui sont transportées ou logées à bord de navires aux fins d'effectuer des activités industrielles offshore à bord d'autres navires et/ou d'autres installations au large et qui satisfont aux critères prévus à l'article 2.1.3.16, § 2.]1
§ 2. Le Roi peut par arrêté délibéré en Conseil des Ministres :
1° déclarer inapplicables les dispositions du présentlivre ou de ses arrêtés d'exécution pour des commandants, capitaines, hommes d'équipage, membres d'équipage, contrat d'engagement maritime, passagers clandestins, passagers ou personnes embarquées particuliers désignés;
2° définir de manière plus précise ou, le cas échéant, de manière dérogatoire les notions de commandant, capitaine, homme d'équipage, membre d'équipage, équipage, contrat d'engagement maritime, passager clandestin, passager ou personne embarquée.
Art. 2.1.1.4. Bevrachtingen
In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° "bevrachtingsovereenkomst" : de overeenkomst waarbij een partij, vervrachter genoemd, een zeeschip of een deel ervan tegen vergoeding ter beschikking stelt van een bevrachter;
2° "rompbevrachtingsovereenkomst" : de bevrachtingsovereenkomst waarbij de vervrachter het gehele zeeschip zonder bemanning ter beschikking stelt van de bevrachter, en aan deze het rederschap overdraagt;
3° "tijdbevrachtingsovereenkomst" : de bevrachtingsovereenkomst waarbij de vervrachter het gehele zeeschip met bemanning gedurende een bepaalde tijd ter beschikking van de bevrachter stelt;
4° "reisbevrachtingsovereenkomst" : de bevrachtingsovereenkomst waarbij de vervrachter zich ertoe verbindt om met het zeeschip een bepaalde reis uit te voeren.
In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° "bevrachtingsovereenkomst" : de overeenkomst waarbij een partij, vervrachter genoemd, een zeeschip of een deel ervan tegen vergoeding ter beschikking stelt van een bevrachter;
2° "rompbevrachtingsovereenkomst" : de bevrachtingsovereenkomst waarbij de vervrachter het gehele zeeschip zonder bemanning ter beschikking stelt van de bevrachter, en aan deze het rederschap overdraagt;
3° "tijdbevrachtingsovereenkomst" : de bevrachtingsovereenkomst waarbij de vervrachter het gehele zeeschip met bemanning gedurende een bepaalde tijd ter beschikking van de bevrachter stelt;
4° "reisbevrachtingsovereenkomst" : de bevrachtingsovereenkomst waarbij de vervrachter zich ertoe verbindt om met het zeeschip een bepaalde reis uit te voeren.
Art. 2.1.1.4. Affrètements
Dans le présent livre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférentes, l'on entend par :
1° " contrat d'affrètement " : le contrat par lequel une partie, dénommée fréteur, met à disposition d'un affréteur un navire ou une partie de celui-ci moyennant rémunération;
2° " contrat d'affrètement coque nue " : le contrat d'affrètement par lequel le fréteur met à disposition de l'affréteur l'ensemble du navire sans équipage, et lui cède la gestion nautique;
3° " contrat d'affrètement à temps " : le contrat d'affrètement par lequel le fréteur met à disposition de l'affréteur l'ensemble du navire avec équipage pendant une durée déterminée;
4° " contrat d'affrètement au voyage " : le contrat d'affrètement par lequel le fréteur s'engage à exécuter un certain voyage avec le navire.
Dans le présent livre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférentes, l'on entend par :
1° " contrat d'affrètement " : le contrat par lequel une partie, dénommée fréteur, met à disposition d'un affréteur un navire ou une partie de celui-ci moyennant rémunération;
2° " contrat d'affrètement coque nue " : le contrat d'affrètement par lequel le fréteur met à disposition de l'affréteur l'ensemble du navire sans équipage, et lui cède la gestion nautique;
3° " contrat d'affrètement à temps " : le contrat d'affrètement par lequel le fréteur met à disposition de l'affréteur l'ensemble du navire avec équipage pendant une durée déterminée;
4° " contrat d'affrètement au voyage " : le contrat d'affrètement par lequel le fréteur s'engage à exécuter un certain voyage avec le navire.
Titel 2. - ZEESCHEPEN
TITRE 2. - NAVIRES DE MER
HOOFDSTUK 1. - Registratie en openbaarheid
CHAPITRE 1er. - Enregistrement et publicité
Afdeling 1. - Registratie van zeeschepen
Section 1ère. - Enregistrement des navires de mer
Art. 2.2.1.1. Begrippen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een amfibievoertuig, in afwijking van artikel 1.1.1.3, § 1, beschouwd als een schip.
Met het oog op de toepassing van dit hoofdstuk wordt een schip in aanbouw of in verbouwing als schip beschouwd zodra de bouwovereenkomst respectievelijk de verbouwingsovereenkomst is ondertekend.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een amfibievoertuig, in afwijking van artikel 1.1.1.3, § 1, beschouwd als een schip.
Met het oog op de toepassing van dit hoofdstuk wordt een schip in aanbouw of in verbouwing als schip beschouwd zodra de bouwovereenkomst respectievelijk de verbouwingsovereenkomst is ondertekend.
Art. 2.2.1.1. Notions
Pour l'application du présent chapitre, un véhicule amphibie, par dérogation à l'article 1.1.1.3, § 1er, est considéré comme un navire.
En vue de l'application du présent chapitre, un navire en construction ou en transformation est considéré comme un navire dès la signature du contrat de construction ou de transformation.
Pour l'application du présent chapitre, un véhicule amphibie, par dérogation à l'article 1.1.1.3, § 1er, est considéré comme un navire.
En vue de l'application du présent chapitre, un navire en construction ou en transformation est considéré comme un navire dès la signature du contrat de construction ou de transformation.
Art. 2.2.1.2. Belgische vlag
§ 1. Geen schip mag de Belgische vlag voeren tenzij het in het Belgisch zeeschepenregister geregistreerd is.
De doorhaling van de registratie brengt van rechtswege het verval van het recht de Belgische vlag te voeren met zich.
§ 2. Behoudens de uitzonderingen door of krachtens deze titel bepaald, zijn in het Belgisch zeeschepenregister geregistreerde zeeschepen verplicht de Belgische vlag te voeren.
§ 1. Geen schip mag de Belgische vlag voeren tenzij het in het Belgisch zeeschepenregister geregistreerd is.
De doorhaling van de registratie brengt van rechtswege het verval van het recht de Belgische vlag te voeren met zich.
§ 2. Behoudens de uitzonderingen door of krachtens deze titel bepaald, zijn in het Belgisch zeeschepenregister geregistreerde zeeschepen verplicht de Belgische vlag te voeren.
Art. 2.2.1.2. Pavillon belge
§ 1er. Aucun navire ne peut battre pavillon belge à moins d'être enregistré dans le registre belge des navires de mer.
La radiation de l'enregistrement entraîne de plein droit la déchéance du droit de battre pavillon belge.
§ 2. Sous réserve des exceptions établies par le présent titre ou en vertu de celui-ci, les navires de mer inscrits dans le registre belge des navires de mer sont tenus de battre pavillon belge.
§ 1er. Aucun navire ne peut battre pavillon belge à moins d'être enregistré dans le registre belge des navires de mer.
La radiation de l'enregistrement entraîne de plein droit la déchéance du droit de battre pavillon belge.
§ 2. Sous réserve des exceptions établies par le présent titre ou en vertu de celui-ci, les navires de mer inscrits dans le registre belge des navires de mer sont tenus de battre pavillon belge.
Art. 2.2.1.3. Certificaat van registratie
§ 1. De gezagvoerder van een zeeschip dat verplicht is de Belgische vlag te voeren, moet te allen tijde het recht op deze vlag kunnen bewijzen door het voorleggen van een certificaat van registratie.
§ 2. Het certificaat van registratie wordt uitgereikt door het Belgisch Scheepsregister.
Het is onbeperkt geldig en kan enkel worden ingetrokken in de gevallen voorzien in paragraaf 4, 1°.
§ 3. Het is verboden de Belgische vlag te voeren zonder in het bezit te zijn van een certificaat van registratie. Een schip dat een certificaat van registratie heeft is verplicht de Belgische vlag te voeren. Het certificaat van registratie moet aan boord worden gehouden en op elk verzoek van de bevoegde overheden worden vertoond.
§ 4. De Koning bepaalt :
1° de gevallen waarin het certificaat van registratie vervalt of ambtshalve kan worden ingetrokken;
2° de verplichtingen verbonden aan het bezit van het certificaat van registratie;
3° de retributie verschuldigd voor het afleveren van het certificaat van registratie;
4° de vorm en de afgifte van het certificaat van registratie.
§ 1. De gezagvoerder van een zeeschip dat verplicht is de Belgische vlag te voeren, moet te allen tijde het recht op deze vlag kunnen bewijzen door het voorleggen van een certificaat van registratie.
§ 2. Het certificaat van registratie wordt uitgereikt door het Belgisch Scheepsregister.
Het is onbeperkt geldig en kan enkel worden ingetrokken in de gevallen voorzien in paragraaf 4, 1°.
§ 3. Het is verboden de Belgische vlag te voeren zonder in het bezit te zijn van een certificaat van registratie. Een schip dat een certificaat van registratie heeft is verplicht de Belgische vlag te voeren. Het certificaat van registratie moet aan boord worden gehouden en op elk verzoek van de bevoegde overheden worden vertoond.
§ 4. De Koning bepaalt :
1° de gevallen waarin het certificaat van registratie vervalt of ambtshalve kan worden ingetrokken;
2° de verplichtingen verbonden aan het bezit van het certificaat van registratie;
3° de retributie verschuldigd voor het afleveren van het certificaat van registratie;
4° de vorm en de afgifte van het certificaat van registratie.
Art. 2.2.1.3. Certificat d'enregistrement
§ 1er. Le commandant d'un navire de mer qui est tenu de battre pavillon belge doit à tout moment être en mesure de prouver le droit à ce pavillon par la présentation d'un certificat d'enregistrement.
§ 2. Le certificat d'enregistrement est délivré par le Registre naval belge.
Il est valable de manière illimitée et peut uniquement être retiré dans les cas prévus au paragraphe 4, 1°.
§ 3. Il est interdit de battre pavillon belge sans être en possession d'un certificat d'enregistrement. Un navire détenteur d'un certificat d'enregistrement est tenu de battre pavillon belge. Le certificat d'enregistrement doit être conservé à bord et produit à toute réquisition des autorités compétentes.
§ 4. Le Roi détermine :
1° les cas dans lesquels le certificat d'enregistrement cesse d'être valable ou peut être retiré d'office;
2° les obligations liées à la possession du certificat d'enregistrement;
3° la redevance due pour la délivrance du certificat d'enregistrement;
4° la forme et la déliverance du certificat d'enregistrement.
§ 1er. Le commandant d'un navire de mer qui est tenu de battre pavillon belge doit à tout moment être en mesure de prouver le droit à ce pavillon par la présentation d'un certificat d'enregistrement.
§ 2. Le certificat d'enregistrement est délivré par le Registre naval belge.
Il est valable de manière illimitée et peut uniquement être retiré dans les cas prévus au paragraphe 4, 1°.
§ 3. Il est interdit de battre pavillon belge sans être en possession d'un certificat d'enregistrement. Un navire détenteur d'un certificat d'enregistrement est tenu de battre pavillon belge. Le certificat d'enregistrement doit être conservé à bord et produit à toute réquisition des autorités compétentes.
§ 4. Le Roi détermine :
1° les cas dans lesquels le certificat d'enregistrement cesse d'être valable ou peut être retiré d'office;
2° les obligations liées à la possession du certificat d'enregistrement;
3° la redevance due pour la délivrance du certificat d'enregistrement;
4° la forme et la déliverance du certificat d'enregistrement.
Art. 2.2.1.4. Registratie
De Koning :
1° bepaalt welke zeeschepen moeten of mogen geregistreerd worden alsook de voorwaarden waaraan het zeeschip, zijn eigenaar, zijn reder of zijn exploitant daartoe vooraf moeten voldoen waarbij in het bijzonder vereisten inzake de nationaliteit, de woon- of verblijfplaats of de vestiging van de hoofdinrichting, alsook inzake de samenstelling van het maatschappelijk kapitaal of van de organen van verenigingen of vennootschappen kunnen worden opgelegd;
2° stelt de vorm en de inhoud vast van de aanvraag die bij het Belgisch Scheepsregister met het oog op de registratie moet worden gedaan;
3° duidt aan welke documenten bij de aanvraag moeten worden gevoegd of waarvan de voorlegging bij het onderzoek daarvan kan worden geëist;
4° wijst de personen aan die gehouden zijn of gemachtigd worden om de aanvraag in te dienen;
5° bepaalt de termijn waarbinnen de aanvraag moet gebeuren;
6° bepaalt welke documenten in het register moeten worden ingeschreven en welke doorhalingen moeten worden verricht.
De Koning :
1° bepaalt welke zeeschepen moeten of mogen geregistreerd worden alsook de voorwaarden waaraan het zeeschip, zijn eigenaar, zijn reder of zijn exploitant daartoe vooraf moeten voldoen waarbij in het bijzonder vereisten inzake de nationaliteit, de woon- of verblijfplaats of de vestiging van de hoofdinrichting, alsook inzake de samenstelling van het maatschappelijk kapitaal of van de organen van verenigingen of vennootschappen kunnen worden opgelegd;
2° stelt de vorm en de inhoud vast van de aanvraag die bij het Belgisch Scheepsregister met het oog op de registratie moet worden gedaan;
3° duidt aan welke documenten bij de aanvraag moeten worden gevoegd of waarvan de voorlegging bij het onderzoek daarvan kan worden geëist;
4° wijst de personen aan die gehouden zijn of gemachtigd worden om de aanvraag in te dienen;
5° bepaalt de termijn waarbinnen de aanvraag moet gebeuren;
6° bepaalt welke documenten in het register moeten worden ingeschreven en welke doorhalingen moeten worden verricht.
Art. 2.2.1.4. Enregistrement
Le Roi :
1° détermine les navires de mer qui doivent ou peuvent être enregistrés ainsi que les conditions auxquelles les navires de mer, leur propriétaire, leur armateur ou leur armateur-gérant doivent préalablement satisfaire à cet effet; dans ce contexte, des conditions de nationalité, de domicile, de résidence ou d'établissement du siège principal, ainsi que de composition du capital social ou des organes des associations ou sociétés peuvent en particulier être prescrites;
2° fixe la forme et la teneur de la demande à déposer auprès du Registre naval belge en vue de l'enregistrement;
3° indique les documents qui doivent être annexés à la demande ou dont la production peut être exigée à l'occasion de l'examen de celle-ci;
4° désigne les personnes qui sont tenues ou habilitées à déposer la demande;
5° détermine le délai dans lequel la demande doit avoir lieu;
6° détermine les documents à inscrire au registre et les radiations à effectuer.
Le Roi :
1° détermine les navires de mer qui doivent ou peuvent être enregistrés ainsi que les conditions auxquelles les navires de mer, leur propriétaire, leur armateur ou leur armateur-gérant doivent préalablement satisfaire à cet effet; dans ce contexte, des conditions de nationalité, de domicile, de résidence ou d'établissement du siège principal, ainsi que de composition du capital social ou des organes des associations ou sociétés peuvent en particulier être prescrites;
2° fixe la forme et la teneur de la demande à déposer auprès du Registre naval belge en vue de l'enregistrement;
3° indique les documents qui doivent être annexés à la demande ou dont la production peut être exigée à l'occasion de l'examen de celle-ci;
4° désigne les personnes qui sont tenues ou habilitées à déposer la demande;
5° détermine le délai dans lequel la demande doit avoir lieu;
6° détermine les documents à inscrire au registre et les radiations à effectuer.
Art. 2.2.1.5. Wijzigingen
De Koning bepaalt de wijzigingen die bij het Belgisch Scheepsregister moeten worden aangemeld alsook de modaliteiten en de termijn van indiening van de betreffende wijzigende aanmelding.
De Koning bepaalt de wijzigingen die bij het Belgisch Scheepsregister moeten worden aangemeld alsook de modaliteiten en de termijn van indiening van de betreffende wijzigende aanmelding.
Art. 2.2.1.5. Modifications
Le Roi détermine les modifications qui doivent être portées à la connaissance du Registre naval belge, ainsi que les modalités et le délai d'introduction de l'annonce modificative concernée.
Le Roi détermine les modifications qui doivent être portées à la connaissance du Registre naval belge, ainsi que les modalités et le délai d'introduction de l'annonce modificative concernée.
Art. 2.2.1.6. Doorhaling
§ 1. De registratie wordt doorgehaald :
1° op verzoek van degene die in het register als eigenaar vermeld staat;
2° op aangifte van de eigenaar of ambtshalve :
a) ingeval het zeeschip is vergaan, is gesloopt of blijvend ongeschikt is om te drijven;
b) ingeval van het zeeschip geen tijding werd ontvangen gedurende zes maanden te rekenen van de dag van het laatste uitvaren of van de dag waarop de laatste berichten werden ontvangen, zonder dat dit aan een algemene storing in de berichtgeving kan worden geweten;
c) ingeval het zeeschip of de eigenaar, de reder of de exploitant ervan niet meer voldoet aan de door de Koning bepaalde voorwaarden om geregistreerd te kunnen worden.
§ 2. Het Belgisch Scheepsregister gaat slechts tot doorhaling over na te hebben onderzocht of aan de wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan.
§ 3. Niettegenstaande de doorhaling blijven de inschrijvingen betreffende de zakelijke rechten waarmee het zeeschip is bezwaard bestaan en kunnen zij naderhand worden doorgehaald, verminderd of hernieuwd.
§ 4. Geen registratie mag worden doorgehaald dan dertig dagen na de dag waarop alle bij het Belgisch Scheepsregister ingeschreven schuldeisers en alle derden die er een exploot van beslag lieten inschrijven, door het Belgisch Scheepsregister op de hoogte zijn gebracht op de wijze door de Koning bepaald.
Deze termijn geldt niet voor de doorhaling op verzoek of aangifte van de eigenaar, als deze daarbij de schriftelijke toestemming van de voormelde schuldeisers en derden voegt.
§ 5. [1 ...]1
§ 1. De registratie wordt doorgehaald :
1° op verzoek van degene die in het register als eigenaar vermeld staat;
2° op aangifte van de eigenaar of ambtshalve :
a) ingeval het zeeschip is vergaan, is gesloopt of blijvend ongeschikt is om te drijven;
b) ingeval van het zeeschip geen tijding werd ontvangen gedurende zes maanden te rekenen van de dag van het laatste uitvaren of van de dag waarop de laatste berichten werden ontvangen, zonder dat dit aan een algemene storing in de berichtgeving kan worden geweten;
c) ingeval het zeeschip of de eigenaar, de reder of de exploitant ervan niet meer voldoet aan de door de Koning bepaalde voorwaarden om geregistreerd te kunnen worden.
§ 2. Het Belgisch Scheepsregister gaat slechts tot doorhaling over na te hebben onderzocht of aan de wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan.
§ 3. Niettegenstaande de doorhaling blijven de inschrijvingen betreffende de zakelijke rechten waarmee het zeeschip is bezwaard bestaan en kunnen zij naderhand worden doorgehaald, verminderd of hernieuwd.
§ 4. Geen registratie mag worden doorgehaald dan dertig dagen na de dag waarop alle bij het Belgisch Scheepsregister ingeschreven schuldeisers en alle derden die er een exploot van beslag lieten inschrijven, door het Belgisch Scheepsregister op de hoogte zijn gebracht op de wijze door de Koning bepaald.
Deze termijn geldt niet voor de doorhaling op verzoek of aangifte van de eigenaar, als deze daarbij de schriftelijke toestemming van de voormelde schuldeisers en derden voegt.
§ 5. [1 ...]1
Art. 2.2.1.6. Radiation
§ 1er. L'enregistrement est radié :
1° à la demande du propriétaire mentionné comme tel dans le registre;
2° sur déclaration du propriétaire ou d'office :
a) dans le cas où le navire de mer est naufragé, démoli ou définitivement inapte à flotter;
b) dans le cas où l'on est sans nouvelles du navire de mer pendant six mois à partir du dernier appareillage ou à compter du jour de la réception des dernières nouvelles, sans que ceci puisse être imputé à une perturbation générale de l'information;
c) dans le cas où le navire de mer, son propriétaire, son armateur ou son exploitant ne répond plus aux conditions déterminées par le Roi pour pouvoir être enregistré.
§ 2. Le Registre naval belge ne procède à la radiation qu'après avoir examiné s'il a été satisfait aux conditions légales à cet effet.
§ 3. Toutefois, la radiation de l'enregistrement laisse subsister les inscriptions relatives aux droits réels qui grèvent le navire de mer et n'empêche pas la radiation, la réduction ou le renouvellement ultérieur de ces inscriptions.
§ 4. Aucune radiation de l'enregistrement ne peut être effectuée que trente jours après le jour où tous les créanciers inscrits au Registre naval belge et tous les tiers qui y ont fait inscrire un exploit de saisie ont été avisés par le Registre naval belge conformément aux modalités arrêtées par le Roi.
Ce délai n'est pas applicable en cas de radiation à la demande ou sur déclaration du propriétaire, si celui-ci produit en même temps l'accord écrit des créanciers et des tiers susvisés.
§ 5. [1 ...]1
§ 1er. L'enregistrement est radié :
1° à la demande du propriétaire mentionné comme tel dans le registre;
2° sur déclaration du propriétaire ou d'office :
a) dans le cas où le navire de mer est naufragé, démoli ou définitivement inapte à flotter;
b) dans le cas où l'on est sans nouvelles du navire de mer pendant six mois à partir du dernier appareillage ou à compter du jour de la réception des dernières nouvelles, sans que ceci puisse être imputé à une perturbation générale de l'information;
c) dans le cas où le navire de mer, son propriétaire, son armateur ou son exploitant ne répond plus aux conditions déterminées par le Roi pour pouvoir être enregistré.
§ 2. Le Registre naval belge ne procède à la radiation qu'après avoir examiné s'il a été satisfait aux conditions légales à cet effet.
§ 3. Toutefois, la radiation de l'enregistrement laisse subsister les inscriptions relatives aux droits réels qui grèvent le navire de mer et n'empêche pas la radiation, la réduction ou le renouvellement ultérieur de ces inscriptions.
§ 4. Aucune radiation de l'enregistrement ne peut être effectuée que trente jours après le jour où tous les créanciers inscrits au Registre naval belge et tous les tiers qui y ont fait inscrire un exploit de saisie ont été avisés par le Registre naval belge conformément aux modalités arrêtées par le Roi.
Ce délai n'est pas applicable en cas de radiation à la demande ou sur déclaration du propriétaire, si celui-ci produit en même temps l'accord écrit des créanciers et des tiers susvisés.
§ 5. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 2.2.1.7. Thuishaven
§ 1. De keuze van de naam van een zeeschip in de registratieaanvraag en elke wijziging daarvan, moeten aan het Belgisch Scheepsregister ter goedkeuring worden voorgelegd. De thuishaven moet in België gelegen zijn.
§ 2. De gezagvoerder moet erover waken dat de naam en de thuishaven altijd met duidelijke en goed zichtbare letters op het achterschip vermeld staan.
§ 1. De keuze van de naam van een zeeschip in de registratieaanvraag en elke wijziging daarvan, moeten aan het Belgisch Scheepsregister ter goedkeuring worden voorgelegd. De thuishaven moet in België gelegen zijn.
§ 2. De gezagvoerder moet erover waken dat de naam en de thuishaven altijd met duidelijke en goed zichtbare letters op het achterschip vermeld staan.
Art. 2.2.1.7. Port d'attache
§ 1er. Le choix du nom d'un navire de mer dans la demande d'enregistrement ainsi que toute modification de ce choix sont soumis à l'approbation du Registre naval belge.Le port d'attache doit se situer en Belgique.
§ 2. Le commandant doit veiller à ce que soient toujours inscrits sur la poupe, en lettres apparentes et distinctes, le nom du navire et celui de son port d'attache.
§ 1er. Le choix du nom d'un navire de mer dans la demande d'enregistrement ainsi que toute modification de ce choix sont soumis à l'approbation du Registre naval belge.Le port d'attache doit se situer en Belgique.
§ 2. Le commandant doit veiller à ce que soient toujours inscrits sur la poupe, en lettres apparentes et distinctes, le nom du navire et celui de son port d'attache.
Art. 2.2.1.8. Nationaliteit van de gezagvoerder
Het bevel over een geregistreerd zeeschip mag alleen worden opgedragen aan een persoon met de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte. De Koning wijst de overheid aan die van deze verplichting kan ontslaan en bepaalt de voorwaarden die ter zake moeten worden vervuld.
Het bevel over een geregistreerd zeeschip mag alleen worden opgedragen aan een persoon met de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte. De Koning wijst de overheid aan die van deze verplichting kan ontslaan en bepaalt de voorwaarden die ter zake moeten worden vervuld.
Art. 2.2.1.8. Nationalité du commandant
Le commandement d'un navire de mer enregistré ne peut être attribué qu'à une personne de nationalité d'un Etat membre de l'Espace économique européen. Le Roi désigne l'autorité qui peut dispenser de cette obligation et fixe les conditions à remplir à cet effet.
Le commandement d'un navire de mer enregistré ne peut être attribué qu'à une personne de nationalité d'un Etat membre de l'Espace économique européen. Le Roi désigne l'autorité qui peut dispenser de cette obligation et fixe les conditions à remplir à cet effet.
Art. 2.2.1.9. Inschrijving in een buitenlands rompbevrachtingsregister
§ 1. Een geregistreerd zeeschip mag slechts in een buitenlands rompbevrachtingsregister worden ingeschreven als het Belgisch Scheepsregister daarin heeft toegestemd overeenkomstig paragraaf 5.
Op verzoek van degene die de toestemming verkrijgt, schrijft het Belgisch Scheepsregister zulks in het [1 zeeschepenregister]1 in en maakt het van die inschrijving melding op het document waarbij de toestemming werd verleend.
Door de vervulling van voornoemde formaliteiten wordt het recht de Belgische vlag te voeren geschorst voor de duur van de rompbevrachting die tot toestemming aanleiding heeft gegeven.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde toestemming kan door het Belgisch Scheepsregister worden ingetrokken zodra een internationaal conflict dreigt of is uitgebroken.
§ 3. Door de ontbinding van de rompbevrachtingsovereenkomst, wat daar ook de oorzaak van is, herleeft de verplichting de Belgische vlag te voeren.
§ 4. Na de inschrijving van de in paragraaf 1 bedoelde toestemming blijven de inschrijvingen bedoeld in de artikel en 2.2.1.12 en 2.2.1.13 bestaan. Nieuwe inschrijvingen dienen te geschieden in het zeeschepenregister.
§ 5. De toestemming bedoeld in paragraaf 1 wordt niet verleend tenzij de volgende voorwaarden zijn vervuld :
1° de rompbevrachtingsovereenkomst vermeldt dat :
a) de rompbevrachter de huur van het betrokken zeeschip niet mag overdragen en het schip niet door middel van een nieuwe rompbevrachting mag ondervervrachten, dan nadat het Belgisch Scheepsregister en de hypothecaire schuldeisers daarin uitdrukkelijk en voorafgaand hebben toegestemd;
b) het zeeschip niet mag worden geregistreerd in een andere Staat dan die van het betrokken buitenlands rompbevrachtingsregister;
c) de rompbevrachter de naam van het zeeschip niet mag wijzigen en het ook niet onder een andere naam in het rompbevrachtingsregister mag laten registreren [2 , dan nadat het Belgisch Scheepsregister en de hypothecaire schuldeisers daarin uitdrukkelijk en voorafgaand hebben toegestemd]2;
2° de aanvraag tot toestemming gaat vergezeld van een schriftelijke verklaring van elke ingeschreven hypothecaire schuldeiser waarbij hij uitdrukkelijk met de rompbevrachting die het voorwerp uitmaakt van de bevrachtingsovereenkomst instemt;
3° de wetgeving van de Staat waar de rompbevrachting wordt geregistreerd, voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) de eigendom van het zeeschip en de hypotheken die het bezwaren, alsook hun rangregeling en de uitvoeringsmaatregelen, blijven uitsluitend beheerst door de wet van het register van oorsprong;
b) de eigendom en de eigenaar van het betrokken zeeschip zijn en blijven geregistreerd in het register van oorsprong;
c) inschrijvingen die het zeeschip bezwaren kunnen enkel worden genomen in het register van oorsprong;
d) het register waar de rompbevrachting wordt geregistreerd, verwijst naar het register van oorsprong;
e) tijdens de rompbevrachting moet het zeeschip de vlag voeren van de Staat waar de rompbevrachting is geregistreerd en moet het een document aan boord hebben dat het recht op die vlag bewijst en dat werd afgeleverd door of namens de overheid van die Staat;
f) de ontbinding van de rompbevrachtingsovereenkomst, welke ook de oorzaak daarvan zij, stelt van rechtswege een einde aan de registratie van de rompbevrachting;
4° de bewijslast met betrekking tot het vervullen van de onder 3° vermelde voorwaarden rust op de aanvrager van de toestemming. Het Belgisch Scheepsregister kan de aanvrager geheel of gedeeltelijk van deze bewijslast ontslaan.
§ 1. Een geregistreerd zeeschip mag slechts in een buitenlands rompbevrachtingsregister worden ingeschreven als het Belgisch Scheepsregister daarin heeft toegestemd overeenkomstig paragraaf 5.
Op verzoek van degene die de toestemming verkrijgt, schrijft het Belgisch Scheepsregister zulks in het [1 zeeschepenregister]1 in en maakt het van die inschrijving melding op het document waarbij de toestemming werd verleend.
Door de vervulling van voornoemde formaliteiten wordt het recht de Belgische vlag te voeren geschorst voor de duur van de rompbevrachting die tot toestemming aanleiding heeft gegeven.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde toestemming kan door het Belgisch Scheepsregister worden ingetrokken zodra een internationaal conflict dreigt of is uitgebroken.
§ 3. Door de ontbinding van de rompbevrachtingsovereenkomst, wat daar ook de oorzaak van is, herleeft de verplichting de Belgische vlag te voeren.
§ 4. Na de inschrijving van de in paragraaf 1 bedoelde toestemming blijven de inschrijvingen bedoeld in de artikel en 2.2.1.12 en 2.2.1.13 bestaan. Nieuwe inschrijvingen dienen te geschieden in het zeeschepenregister.
§ 5. De toestemming bedoeld in paragraaf 1 wordt niet verleend tenzij de volgende voorwaarden zijn vervuld :
1° de rompbevrachtingsovereenkomst vermeldt dat :
a) de rompbevrachter de huur van het betrokken zeeschip niet mag overdragen en het schip niet door middel van een nieuwe rompbevrachting mag ondervervrachten, dan nadat het Belgisch Scheepsregister en de hypothecaire schuldeisers daarin uitdrukkelijk en voorafgaand hebben toegestemd;
b) het zeeschip niet mag worden geregistreerd in een andere Staat dan die van het betrokken buitenlands rompbevrachtingsregister;
c) de rompbevrachter de naam van het zeeschip niet mag wijzigen en het ook niet onder een andere naam in het rompbevrachtingsregister mag laten registreren [2 , dan nadat het Belgisch Scheepsregister en de hypothecaire schuldeisers daarin uitdrukkelijk en voorafgaand hebben toegestemd]2;
2° de aanvraag tot toestemming gaat vergezeld van een schriftelijke verklaring van elke ingeschreven hypothecaire schuldeiser waarbij hij uitdrukkelijk met de rompbevrachting die het voorwerp uitmaakt van de bevrachtingsovereenkomst instemt;
3° de wetgeving van de Staat waar de rompbevrachting wordt geregistreerd, voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) de eigendom van het zeeschip en de hypotheken die het bezwaren, alsook hun rangregeling en de uitvoeringsmaatregelen, blijven uitsluitend beheerst door de wet van het register van oorsprong;
b) de eigendom en de eigenaar van het betrokken zeeschip zijn en blijven geregistreerd in het register van oorsprong;
c) inschrijvingen die het zeeschip bezwaren kunnen enkel worden genomen in het register van oorsprong;
d) het register waar de rompbevrachting wordt geregistreerd, verwijst naar het register van oorsprong;
e) tijdens de rompbevrachting moet het zeeschip de vlag voeren van de Staat waar de rompbevrachting is geregistreerd en moet het een document aan boord hebben dat het recht op die vlag bewijst en dat werd afgeleverd door of namens de overheid van die Staat;
f) de ontbinding van de rompbevrachtingsovereenkomst, welke ook de oorzaak daarvan zij, stelt van rechtswege een einde aan de registratie van de rompbevrachting;
4° de bewijslast met betrekking tot het vervullen van de onder 3° vermelde voorwaarden rust op de aanvrager van de toestemming. Het Belgisch Scheepsregister kan de aanvrager geheel of gedeeltelijk van deze bewijslast ontslaan.
Art. 2.2.1.9. Inscription dans un registre des affrètements coque nue étranger
§ 1er. Un navire de mer enregistré ne peut être inscrit dans un registre des affrètements coque nue étranger que si le Registre naval belge l'y autorise conformément au paragraphe 5.
A la requête du bénéficiaire de l'autorisation, le Registre naval belge inscrit cette dernière dans le registre des navires de mer et fait mention de ladite inscription sur le document accordant l'autorisation.
Par l'accomplissement des formalités précitées, le droit de battre pavillon belge est suspendu pour la durée de l'affrètement coque nue qui a donné lieu à l'autorisation.
§ 2. Lorsqu'un conflit international menace ou est déclenché, l'autorisation visée au paragraphe 1er pourra être retirée par le Registre naval belge.
§ 3. La résiliation du contrat d'affrètement coque nue, quelle qu'en soit la raison, fait renaître l'obligation de battre pavillon belge.
§ 4. Après l'inscription de l'autorisation visée au paragraphe 1er, les inscriptions visées aux articles 2.2.1.12 et 2.2.1.13 subsistent. Les nouvelles inscriptions doivent se faire dans le registre des navires de mer.
§ 5. L'autorisation visée au paragraphe 1er n'est donnée que si les conditions suivantes sont remplies :
1° le contrat d'affrètement coque nue mentionne que :
a) l'affréteur coque nue ne peut céder le bail ni sous-affréter le navire de mer concerné par un nouvel affrètement coque nue qu'après que le Registre naval belge et les créanciers hypothécaires l'y ont autorisé expressément et au préalable;
b) le navire de mer ne peut pas être enregistré dans un autre Etat que celui du registre des affrètements coque nue étranger concerné;
c) [1 l'affréteur coque nue ne peut modifier le nom du navire de mer ni inscrire celui-ci sous un autre nom dans le registre des affrètements coque nue qu'après que le Registre naval belge et les créanciers hypothécaires l'y ont autorisé expressément et au préalable]1
2° la demande d'autorisation est assortie d'une déclaration écrite de chaque créancier hypothécaire inscrit prouvant qu'il marque expressément son consentement sur l'affrètement coque nue qui fait l'objet du contrat d'affrètement coque nue;
3° la législation de l'Etat d'enregistrement de l'affrètement coque nue satisfait aux conditions suivantes :
a) le droit de propriété du navire de mer et les hypothèques qui le grèvent, ainsi que leur rang et les mesures d'exécution, restent exclusivement régis par la loi du registre d'origine;
b) le titre de propriété et le propriétaire du navire de mer concerné sont et restent enregistrés dans le registre d'origine;
c) le registre d'origine peut uniquement comporter des inscriptions susceptibles de grever le navire de mer;
d) le registre où l'affrètement coque nue est enregistré se réfère au registre d'origine;
e) pendant la durée de l'affrètement coque nue, le navire de mer doit arborer le pavillon de l'Etat d'enregistrement de l'affrètement coque nue et doit avoir à bord un document prouvant le droit de battre ce pavillon, délivré par ou au nom de l'autorité de cet Etat;
f) la résiliation du contrat des affrètements coque nue, pour quelque raison que ce soit, met fin de plein droit à l'enregistrement de l'affrètement coque nue;
4° la charge de la preuve du respect des conditions énoncées au point 3° appartient à celui qui demande l'autorisation. Le Registre naval belge peut dispenser le demandeur de tout ou partie de cette charge.
§ 1er. Un navire de mer enregistré ne peut être inscrit dans un registre des affrètements coque nue étranger que si le Registre naval belge l'y autorise conformément au paragraphe 5.
A la requête du bénéficiaire de l'autorisation, le Registre naval belge inscrit cette dernière dans le registre des navires de mer et fait mention de ladite inscription sur le document accordant l'autorisation.
Par l'accomplissement des formalités précitées, le droit de battre pavillon belge est suspendu pour la durée de l'affrètement coque nue qui a donné lieu à l'autorisation.
§ 2. Lorsqu'un conflit international menace ou est déclenché, l'autorisation visée au paragraphe 1er pourra être retirée par le Registre naval belge.
§ 3. La résiliation du contrat d'affrètement coque nue, quelle qu'en soit la raison, fait renaître l'obligation de battre pavillon belge.
§ 4. Après l'inscription de l'autorisation visée au paragraphe 1er, les inscriptions visées aux articles 2.2.1.12 et 2.2.1.13 subsistent. Les nouvelles inscriptions doivent se faire dans le registre des navires de mer.
§ 5. L'autorisation visée au paragraphe 1er n'est donnée que si les conditions suivantes sont remplies :
1° le contrat d'affrètement coque nue mentionne que :
a) l'affréteur coque nue ne peut céder le bail ni sous-affréter le navire de mer concerné par un nouvel affrètement coque nue qu'après que le Registre naval belge et les créanciers hypothécaires l'y ont autorisé expressément et au préalable;
b) le navire de mer ne peut pas être enregistré dans un autre Etat que celui du registre des affrètements coque nue étranger concerné;
c) [1 l'affréteur coque nue ne peut modifier le nom du navire de mer ni inscrire celui-ci sous un autre nom dans le registre des affrètements coque nue qu'après que le Registre naval belge et les créanciers hypothécaires l'y ont autorisé expressément et au préalable]1
2° la demande d'autorisation est assortie d'une déclaration écrite de chaque créancier hypothécaire inscrit prouvant qu'il marque expressément son consentement sur l'affrètement coque nue qui fait l'objet du contrat d'affrètement coque nue;
3° la législation de l'Etat d'enregistrement de l'affrètement coque nue satisfait aux conditions suivantes :
a) le droit de propriété du navire de mer et les hypothèques qui le grèvent, ainsi que leur rang et les mesures d'exécution, restent exclusivement régis par la loi du registre d'origine;
b) le titre de propriété et le propriétaire du navire de mer concerné sont et restent enregistrés dans le registre d'origine;
c) le registre d'origine peut uniquement comporter des inscriptions susceptibles de grever le navire de mer;
d) le registre où l'affrètement coque nue est enregistré se réfère au registre d'origine;
e) pendant la durée de l'affrètement coque nue, le navire de mer doit arborer le pavillon de l'Etat d'enregistrement de l'affrètement coque nue et doit avoir à bord un document prouvant le droit de battre ce pavillon, délivré par ou au nom de l'autorité de cet Etat;
f) la résiliation du contrat des affrètements coque nue, pour quelque raison que ce soit, met fin de plein droit à l'enregistrement de l'affrètement coque nue;
4° la charge de la preuve du respect des conditions énoncées au point 3° appartient à celui qui demande l'autorisation. Le Registre naval belge peut dispenser le demandeur de tout ou partie de cette charge.
Wijzigingen
Art. 2.2.1.10. Inschrijving in het Belgisch rompbevrachtingsregister
§ 1. Een zeeschip dat in een buitenlands register van oorsprong is ingeschreven, kan op naam van de rompbevrachter worden ingeschreven in het Belgische rompbevrachtingsregister.
De Koning stelt de voorwaarden vast waaraan deze inschrijving is onderworpen. De bewijslast met betrekking tot de vervulling van deze voorwaarden rust op de aanvrager van de toestemming.
§ 2. Enkel door de inschrijving in het rompbevrachtingsregister verwerft het betrokken zeeschip voor de duur van de rompbevrachting het recht de Belgische vlag te voeren. Dit recht vervalt door de ontbinding of door het verstrijken van de termijn van de rompbevrachting. De artikel en 2.2.1.2, § 2, 2.2.1.3, 2.2.1.7 en 2.2.1.8 zijn tijdens de rompbevrachting op het betrokken zeeschip van overeenkomstige toepassing.
§ 3. In het rompbevrachtingsregister kunnen geen lasten worden ingeschreven die het zeeschip bezwaren. De eigendom van het zeeschip en de lasten die deze bezwaren, blijven geregeld door de wet van de Staat van het register van oorsprong. Het Belgisch rompbevrachtingsregister verwijst desbetreffend naar het register van oorsprong.
§ 1. Een zeeschip dat in een buitenlands register van oorsprong is ingeschreven, kan op naam van de rompbevrachter worden ingeschreven in het Belgische rompbevrachtingsregister.
De Koning stelt de voorwaarden vast waaraan deze inschrijving is onderworpen. De bewijslast met betrekking tot de vervulling van deze voorwaarden rust op de aanvrager van de toestemming.
§ 2. Enkel door de inschrijving in het rompbevrachtingsregister verwerft het betrokken zeeschip voor de duur van de rompbevrachting het recht de Belgische vlag te voeren. Dit recht vervalt door de ontbinding of door het verstrijken van de termijn van de rompbevrachting. De artikel en 2.2.1.2, § 2, 2.2.1.3, 2.2.1.7 en 2.2.1.8 zijn tijdens de rompbevrachting op het betrokken zeeschip van overeenkomstige toepassing.
§ 3. In het rompbevrachtingsregister kunnen geen lasten worden ingeschreven die het zeeschip bezwaren. De eigendom van het zeeschip en de lasten die deze bezwaren, blijven geregeld door de wet van de Staat van het register van oorsprong. Het Belgisch rompbevrachtingsregister verwijst desbetreffend naar het register van oorsprong.
Art. 2.2.1.10. Inscription dans le registre des affrètements coque nue belge
§ 1er. Un navire de mer inscrit dans un registre d'origine étranger peut être inscrit dans le registre des affrètements coque nue belge au nom de l'affréteur coque nue.
Le Roi fixe les conditions auxquelles l'autorisation est subordonnée. La charge de la preuve du respect de ces conditions appartient à celui qui demande l'autorisation.
§ 2. Seule l'inscription au registre des affrètements coque nue accorde au navire de mer concerné le droit de battre pavillon belge pour la durée de l'affrètement coque nue. Ce droit cesse par la résiliation ou l'écoulement du délai de l'affrètement coque nue. Les articles 2.2.1.2, § 2, 2.2.1.3, 2.2.1.7 et 2.2.1.8 s'appliquent par analogie pendant l'affrètement coque nue sur le navire de mer concerné.
§ 3. Le registre des affrètements coque nue ne peut comporter aucune inscription susceptible de grever le navire de mer. Le droit de propriété du navire de mer et les charges grevant ce droit demeurent régis par la loi de l'Etat du registre d'origine. Le registre des affrètements coque nue belge se réfère au registre d'origine.
§ 1er. Un navire de mer inscrit dans un registre d'origine étranger peut être inscrit dans le registre des affrètements coque nue belge au nom de l'affréteur coque nue.
Le Roi fixe les conditions auxquelles l'autorisation est subordonnée. La charge de la preuve du respect de ces conditions appartient à celui qui demande l'autorisation.
§ 2. Seule l'inscription au registre des affrètements coque nue accorde au navire de mer concerné le droit de battre pavillon belge pour la durée de l'affrètement coque nue. Ce droit cesse par la résiliation ou l'écoulement du délai de l'affrètement coque nue. Les articles 2.2.1.2, § 2, 2.2.1.3, 2.2.1.7 et 2.2.1.8 s'appliquent par analogie pendant l'affrètement coque nue sur le navire de mer concerné.
§ 3. Le registre des affrètements coque nue ne peut comporter aucune inscription susceptible de grever le navire de mer. Le droit de propriété du navire de mer et les charges grevant ce droit demeurent régis par la loi de l'Etat du registre d'origine. Le registre des affrètements coque nue belge se réfère au registre d'origine.
Art. 2.2.1.10 /1. [1 Bijzondere registers voor bepaalde zeeschepen
De Koning kan bepalen dat nader aangeduide zeeschepen moeten of mogen worden geregistreerd in een of meer bijzondere registers. Daarbij kan de Koning:
1° de voorwaarden bepalen waaraan het zeeschip, zijn eigenaar, zijn reder of zijn exploitant daartoe vooraf moeten voldoen;
2° de overmaking van gegevens en de vorm van de daartoe opgemaakte registers regelen, evenals de wijze waarop het register of de registers worden beheerd.]1
De Koning kan bepalen dat nader aangeduide zeeschepen moeten of mogen worden geregistreerd in een of meer bijzondere registers. Daarbij kan de Koning:
1° de voorwaarden bepalen waaraan het zeeschip, zijn eigenaar, zijn reder of zijn exploitant daartoe vooraf moeten voldoen;
2° de overmaking van gegevens en de vorm van de daartoe opgemaakte registers regelen, evenals de wijze waarop het register of de registers worden beheerd.]1
Art. 2.2.1.10 /1. [1 Registres particuliers pour certains navires de mer
Le Roi peut déterminer que des navires de mer spécifiés doivent ou peuvent être enregistrés dans un ou plusieurs registres spéciaux. A cet égard, le Roi peut :
1° déterminer les conditions auxquelles le navire de mer, son propriétaire, son armateur ou son exploitant doivent se conformer au préalable;
2° réglementer la présentation de données et la forme des registres créés à cet effet, ainsi que la manière dont le ou les registres sont gérés.]1
Le Roi peut déterminer que des navires de mer spécifiés doivent ou peuvent être enregistrés dans un ou plusieurs registres spéciaux. A cet égard, le Roi peut :
1° déterminer les conditions auxquelles le navire de mer, son propriétaire, son armateur ou son exploitant doivent se conformer au préalable;
2° réglementer la présentation de données et la forme des registres créés à cet effet, ainsi que la manière dont le ou les registres sont gérés.]1
Afdeling 2. - Openbaarheid van rechten
Section 2. - Publicité des droits
Art. 2.2.1.11. Afwijkende bedingen
Bedingen die afwijken van deze afdeling zijn nietig.
Bedingen die afwijken van deze afdeling zijn nietig.
Art. 2.2.1.11. Clauses dérogatoires
Les clauses qui dérogent à la présente section sont nulles.
Les clauses qui dérogent à la présente section sont nulles.
Art. 2.2.1.12. Inschrijving van akten en vonnissen
§ 1. Akten en vonnissen die bewijs opleveren van de vestiging, overdracht, aanwijzing of tenietdoening van zakelijke rechten op een schip, een schip in aanbouw, een schip in verbouwing of scheepstoebehoren, van scheepshypotheken of van de benoeming of het ontslag van een quiratair scheepsbeheerder worden ingeschreven in het zeeschepenregister.
§ 2. Vóór hun inschrijving kunnen de in paragraaf 1 bedoelde akten en vonnissen niet aan derden worden tegengesteld.
Het vorige lid geldt onder voorbehoud van artikel 69 van titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek.
§ 1. Akten en vonnissen die bewijs opleveren van de vestiging, overdracht, aanwijzing of tenietdoening van zakelijke rechten op een schip, een schip in aanbouw, een schip in verbouwing of scheepstoebehoren, van scheepshypotheken of van de benoeming of het ontslag van een quiratair scheepsbeheerder worden ingeschreven in het zeeschepenregister.
§ 2. Vóór hun inschrijving kunnen de in paragraaf 1 bedoelde akten en vonnissen niet aan derden worden tegengesteld.
Het vorige lid geldt onder voorbehoud van artikel 69 van titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 2.2.1.12. Inscription des actes et jugements
§ 1er. Les actes et jugements faisant preuve d'une constitution, translation, déclaration ou extinction de droits réels sur un navire, sur un navire en construction, sur un navire en transformation ou sur des accessoires d'un navire, d'hypothèques sur navires ou de nomination ou licenciement d'un armateur-gérant quirataire, sont inscrits dans le registre des navires de mer.
§ 2. Les actes et jugements visés dans le paragraphe 1er ne peuvent pas être opposés aux tiers avant leur inscription.
L'alinéa précédent s'applique sous réserve de l'article 69 du titre XVII du livre III du Code civil.
§ 1er. Les actes et jugements faisant preuve d'une constitution, translation, déclaration ou extinction de droits réels sur un navire, sur un navire en construction, sur un navire en transformation ou sur des accessoires d'un navire, d'hypothèques sur navires ou de nomination ou licenciement d'un armateur-gérant quirataire, sont inscrits dans le registre des navires de mer.
§ 2. Les actes et jugements visés dans le paragraphe 1er ne peuvent pas être opposés aux tiers avant leur inscription.
L'alinéa précédent s'applique sous réserve de l'article 69 du titre XVII du livre III du Code civil.
Art. 2.2.1.13. Inschrijving van eisen
De eisen tot het doen vaststellen van het bestaan van in artikel 2.2.1.12 bedoelde rechten of tot ontbinding, herroeping of nietigverklaring van een rechtshandeling vervat in een in dat artikel bedoelde akte, en de op dergelijke eisen gewezen vonnissen, worden eveneens in het zeeschepenregister ingeschreven.
De in het eerste lid bedoelde eisen zijn slechts ontvankelijk nadat zij ingeschreven zijn. De onontvankelijkheid moet door de rechter ambtshalve worden opgeworpen en kan in elke stand van het geding worden voorgedragen.
Op straffe van schadevergoeding mag de griffier geen expeditie van het vonnis afgeven voordat is gebleken dat het vonnis ingeschreven is.
De eisen tot het doen vaststellen van het bestaan van in artikel 2.2.1.12 bedoelde rechten of tot ontbinding, herroeping of nietigverklaring van een rechtshandeling vervat in een in dat artikel bedoelde akte, en de op dergelijke eisen gewezen vonnissen, worden eveneens in het zeeschepenregister ingeschreven.
De in het eerste lid bedoelde eisen zijn slechts ontvankelijk nadat zij ingeschreven zijn. De onontvankelijkheid moet door de rechter ambtshalve worden opgeworpen en kan in elke stand van het geding worden voorgedragen.
Op straffe van schadevergoeding mag de griffier geen expeditie van het vonnis afgeven voordat is gebleken dat het vonnis ingeschreven is.
Art. 2.2.1.13. Inscription des demandes
Sont également inscrites dans le registre des navires de mer les demandes tendant à faire constater l'existence de droits visés à l'article 2.2.1.12 ou à faire déclarer la résolution, la révocation ou l'annulation d'un acte juridique contenu dans un acte visé à cet article et les jugements rendus sur ces demandes.
Les demandes visées à l'alinéa 1er ne sont recevables que si elles ont été inscrites. L'irrecevabilité doit être soulevée d'office par le juge et elle peut être proposée en tout état de cause.
Les greffiers ne peuvent, sous peine de dommages-intérêts, délivrer aucune expédition du jugement avant qu'il leur ait été justifié que le jugement a été inscrit.
Sont également inscrites dans le registre des navires de mer les demandes tendant à faire constater l'existence de droits visés à l'article 2.2.1.12 ou à faire déclarer la résolution, la révocation ou l'annulation d'un acte juridique contenu dans un acte visé à cet article et les jugements rendus sur ces demandes.
Les demandes visées à l'alinéa 1er ne sont recevables que si elles ont été inscrites. L'irrecevabilité doit être soulevée d'office par le juge et elle peut être proposée en tout état de cause.
Les greffiers ne peuvent, sous peine de dommages-intérêts, délivrer aucune expédition du jugement avant qu'il leur ait été justifié que le jugement a été inscrit.
Art. 2.2.1.14. Voor inschrijving vatbare akten
Zowel onderhandse als authentieke akten worden tot inschrijving toegelaten, op voorwaarde dat :
1° zij voldoen aan de voorschriften vastgesteld overeenkomstig artikel 2.2.1.15;
2° zij werden geregistreerd overeenkomstig het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten;
3° het desbetreffende zeeschip in België is geregistreerd.
Zowel onderhandse als authentieke akten worden tot inschrijving toegelaten, op voorwaarde dat :
1° zij voldoen aan de voorschriften vastgesteld overeenkomstig artikel 2.2.1.15;
2° zij werden geregistreerd overeenkomstig het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten;
3° het desbetreffende zeeschip in België is geregistreerd.
Art. 2.2.1.14. Actes susceptibles d'inscription
Tant les actes sous signature privé que les actes authentiques sont admis à l'inscription, à condition :
1° qu'ils répondent aux prescriptions fixées conformément à l'article 2.2.1.15;
2° qu'ils aient été enregistrés conformément au Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe;
3° que le navire soit enregistré en Belgique.
Tant les actes sous signature privé que les actes authentiques sont admis à l'inscription, à condition :
1° qu'ils répondent aux prescriptions fixées conformément à l'article 2.2.1.15;
2° qu'ils aient été enregistrés conformément au Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe;
3° que le navire soit enregistré en Belgique.
Art. 2.2.1.15. In akten verplichte vermeldingen
De Koning kan voorschrijven welke vermeldingen betreffende het schip, de partijen en andere gegevens in de akten moeten worden opgenomen en op welke wijze dat moet gebeuren, opdat zij voor inschrijving in aanmerking komen.
Het Belgisch Scheepsregister kan de inschrijving weigeren van akten die niet aan die voorschriften voldoen.
De Koning kan voorschrijven welke vermeldingen betreffende het schip, de partijen en andere gegevens in de akten moeten worden opgenomen en op welke wijze dat moet gebeuren, opdat zij voor inschrijving in aanmerking komen.
Het Belgisch Scheepsregister kan de inschrijving weigeren van akten die niet aan die voorschriften voldoen.
Art. 2.2.1.15. Mentions devant figurer obligatoirement dans les actes
Le Roi peut prescrire quelles sont les mentions relatives au navire et aux parties, et quelles sont les autres données qui doivent figurer dans les actes et de quelle façon ces mentions et données doivent être reprises pour que ces actes soient susceptibles d'inscription.
Le Registre naval belge peut refuser l'inscription d'actes qui ne répondent pas à ces prescriptions.
Le Roi peut prescrire quelles sont les mentions relatives au navire et aux parties, et quelles sont les autres données qui doivent figurer dans les actes et de quelle façon ces mentions et données doivent être reprises pour que ces actes soient susceptibles d'inscription.
Le Registre naval belge peut refuser l'inscription d'actes qui ne répondent pas à ces prescriptions.
Art. 2.2.1.16. Notariële akten betreffende erfopvolging
De overgang van de in artikel 2.2.1.12 bedoelde rechten ingevolge erfopvolging wordt in het zeeschepenregister ingeschreven op zicht van een notariële akte waaruit blijkt wie de erfopvolgers zijn.
De in het eerste lid bedoelde inschrijving heeft geen gevolg betreffende de tegenstelbaarheid aan derden.
De overgang van de in artikel 2.2.1.12 bedoelde rechten ingevolge erfopvolging wordt in het zeeschepenregister ingeschreven op zicht van een notariële akte waaruit blijkt wie de erfopvolgers zijn.
De in het eerste lid bedoelde inschrijving heeft geen gevolg betreffende de tegenstelbaarheid aan derden.
Art. 2.2.1.16. Actes notariés relatifs aux successions
La transmission par décès des droits visés à l'article 2.2.1.12 est inscrite dans le registre des navires de mer au vu d'un acte notarié attestant qui sont les successeurs.
L'inscription visée au premier alinéa n'a pas d'effets en matière d'opposabilité aux tiers.
La transmission par décès des droits visés à l'article 2.2.1.12 est inscrite dans le registre des navires de mer au vu d'un acte notarié attestant qui sont les successeurs.
L'inscription visée au premier alinéa n'a pas d'effets en matière d'opposabilité aux tiers.
Art. 2.2.1.17. Overlegging van akten met het oog op inschrijving
§ 1. Met het oog op de inschrijving bedoeld in artikel 2.2.1.12 wordt aan het Belgisch Scheepsregister de akte zelf overgelegd indien het een onderhandse akte is, of een expeditie indien het een authentieke akte is.
§ 2. Van een onderhandse akte worden twee originelen overgelegd.
Indien slechts één origineel beschikbaar is, kan naast dit origineel een afschrift ervan worden overgelegd dat door het Belgisch scheepsregister wordt nagekeken op zijn echtheid.
§ 3. Van een authentieke akte worden een expeditie en een door de instrumenterende ambtenaar ondertekend afschrift overhandigd.
§ 4. De Koning kan bepalen dat akten kunnen of moeten worden overgelegd in elektronische vorm. Hij bepaalt de desbetreffende vorm- en procedurevoorschriften.
§ 1. Met het oog op de inschrijving bedoeld in artikel 2.2.1.12 wordt aan het Belgisch Scheepsregister de akte zelf overgelegd indien het een onderhandse akte is, of een expeditie indien het een authentieke akte is.
§ 2. Van een onderhandse akte worden twee originelen overgelegd.
Indien slechts één origineel beschikbaar is, kan naast dit origineel een afschrift ervan worden overgelegd dat door het Belgisch scheepsregister wordt nagekeken op zijn echtheid.
§ 3. Van een authentieke akte worden een expeditie en een door de instrumenterende ambtenaar ondertekend afschrift overhandigd.
§ 4. De Koning kan bepalen dat akten kunnen of moeten worden overgelegd in elektronische vorm. Hij bepaalt de desbetreffende vorm- en procedurevoorschriften.
Art. 2.2.1.17. Présentation des actes aux fins d'inscription
§ 1er. En vue de l'inscription visée à l'article 2.2.1.12, il est présenté au Registre naval belge soit l'acte même si l'acte est sous signature privé soit une expédition de l'acte si l'acte est authentique.
§ 2. Si l'acte est sous signature privé, il est présenté en deux originaux.
Si un seul original est disponible, il peut être produit, outre cet original, une copie dont la véracité est vérifiée par le Registre naval belge.
§ 3. Si l'acte est authentique, une expédition et une copie signée par le fonctionnaire instrumentant sont présentées.
§ 4. Le Roi peut déterminer que les actes peuvent ou doivent être présentés sous forme électronique. Il prescrit les formes et la procédure y afférentes.
§ 1er. En vue de l'inscription visée à l'article 2.2.1.12, il est présenté au Registre naval belge soit l'acte même si l'acte est sous signature privé soit une expédition de l'acte si l'acte est authentique.
§ 2. Si l'acte est sous signature privé, il est présenté en deux originaux.
Si un seul original est disponible, il peut être produit, outre cet original, une copie dont la véracité est vérifiée par le Registre naval belge.
§ 3. Si l'acte est authentique, une expédition et une copie signée par le fonctionnaire instrumentant sont présentées.
§ 4. Le Roi peut déterminer que les actes peuvent ou doivent être présentés sous forme électronique. Il prescrit les formes et la procédure y afférentes.
Art. 2.2.1.18. Ontvangstbewijzen en tijdstip van inschrijving
Het Belgisch Scheepsregister verstrekt aan wie de inschrijving van een akte, vonnis, borderel of ander document aanvraagt, op diens verzoek een ontvangstbewijs van de aanbieding van die akte, dat vonnis, dat borderel of dat document. Dit ontvangstbewijs vermeldt het volgnummer waaronder de akte, het vonnis, het borderel of het document werd neergelegd in het register van neerlegging.
Het Belgisch Scheepsregister mag de inschrijvingen in het daartoe bestemde scheepsregister niet doen dan op de dag en in de volgorde van de aanbiedingen, zoals bepaald overeenkomstig artikel 1.2.1.2.
Het Belgisch Scheepsregister verstrekt aan wie de inschrijving van een akte, vonnis, borderel of ander document aanvraagt, op diens verzoek een ontvangstbewijs van de aanbieding van die akte, dat vonnis, dat borderel of dat document. Dit ontvangstbewijs vermeldt het volgnummer waaronder de akte, het vonnis, het borderel of het document werd neergelegd in het register van neerlegging.
Het Belgisch Scheepsregister mag de inschrijvingen in het daartoe bestemde scheepsregister niet doen dan op de dag en in de volgorde van de aanbiedingen, zoals bepaald overeenkomstig artikel 1.2.1.2.
Art. 2.2.1.18. Récépissés et date de l'inscription
Le Registre naval belge donne à la personne qui requiert l'inscription d'un acte, jugement, bordereau ou autre document, un récépissé de la remise de cet acte, jugement, bordereau ou document. Ce récépissé mentionne le numéro d'ordre sous lequel l'acte, le jugement, le bordereau ou document a été déposé dans le registre de dépôts.
Le Registre naval belge ne pourra opérer les inscriptions dans le registre naval à ce destiné qu'à la date et dans l'ordre des remises, tel que déterminé conformément à l'article 1.2.1.2.
Le Registre naval belge donne à la personne qui requiert l'inscription d'un acte, jugement, bordereau ou autre document, un récépissé de la remise de cet acte, jugement, bordereau ou document. Ce récépissé mentionne le numéro d'ordre sous lequel l'acte, le jugement, le bordereau ou document a été déposé dans le registre de dépôts.
Le Registre naval belge ne pourra opérer les inscriptions dans le registre naval à ce destiné qu'à la date et dans l'ordre des remises, tel que déterminé conformément à l'article 1.2.1.2.
Art. 2.2.1.19. Vermeldingen bij de inschrijving
Het Belgisch Scheepsregister vermeldt bij de inschrijving :
1° de datum van de akte;
2° de vorm van de akte en, indien het een authentieke akte is, de vermelding van welke openbare ambtenaar of rechtbank zij uitgaat;
3° de naam en de voornamen van de partijen alsook;
a) wat betreft natuurlijke personen van Belgische nationaliteit, hun rijksregisternummer;
b) wat betreft natuurlijke personen van vreemde nationaliteit, hun woonplaats;
c) wat betreft rechtspersonen naar Belgisch recht, het ondernemingsnummer;
d) wat betreft rechtspersonen naar vreemd recht, het adres van hun zetel;
4° de aard en hoofdbestanddelen van de verrichting.
Het Belgisch Scheepsregister vermeldt bij de inschrijving :
1° de datum van de akte;
2° de vorm van de akte en, indien het een authentieke akte is, de vermelding van welke openbare ambtenaar of rechtbank zij uitgaat;
3° de naam en de voornamen van de partijen alsook;
a) wat betreft natuurlijke personen van Belgische nationaliteit, hun rijksregisternummer;
b) wat betreft natuurlijke personen van vreemde nationaliteit, hun woonplaats;
c) wat betreft rechtspersonen naar Belgisch recht, het ondernemingsnummer;
d) wat betreft rechtspersonen naar vreemd recht, het adres van hun zetel;
4° de aard en hoofdbestanddelen van de verrichting.
Art. 2.2.1.19. Mentions lors de l'inscription
Le Registre naval belge mentionne, lors de l'inscription :
1° la date de l'acte;
2° la forme de l'acte et, s'il est authentique, la désignation de l'officier public ou du tribunal dont il émane;
3° les nom et prénoms des parties ainsi que;
a) en ce qui concerne les personnes physiques de nationalité belge, le numéro de registre national de celles-ci;
b) en ce qui concerne les personnes physiques de nationalité étrangère, le domicile de celles-ci;
c) en ce qui concerne les personnes morales de droit belge, le numéro d'entreprise de celles-ci;
d) en ce qui concerne les personnes morales droit étranger, l'adresse du siège de celles-ci;
4° la nature et les éléments principaux de l'opération.
Le Registre naval belge mentionne, lors de l'inscription :
1° la date de l'acte;
2° la forme de l'acte et, s'il est authentique, la désignation de l'officier public ou du tribunal dont il émane;
3° les nom et prénoms des parties ainsi que;
a) en ce qui concerne les personnes physiques de nationalité belge, le numéro de registre national de celles-ci;
b) en ce qui concerne les personnes physiques de nationalité étrangère, le domicile de celles-ci;
c) en ce qui concerne les personnes morales de droit belge, le numéro d'entreprise de celles-ci;
d) en ce qui concerne les personnes morales droit étranger, l'adresse du siège de celles-ci;
4° la nature et les éléments principaux de l'opération.
Art. 2.2.1.20. Teruggave van akten na inschrijving
Na de inschrijving geeft het Belgisch Scheepsregister aan de aanvrager de expeditie van de authentieke akte of een origineel van de onderhandse akte terug, naargelang het geval. Onderaan op het stuk bevestigt het de inschrijving te hebben verricht en vermeldt het datum en nummer ervan.
Het ondertekend afschrift van de authentieke akte, hetzij, naargelang het geval, een origineel van de onderhandse akte of het afschrift ervan bedoeld in artikel 2.2.1.17, § 2, blijft bij het Belgisch Scheepsregister berusten.
Na de inschrijving geeft het Belgisch Scheepsregister aan de aanvrager de expeditie van de authentieke akte of een origineel van de onderhandse akte terug, naargelang het geval. Onderaan op het stuk bevestigt het de inschrijving te hebben verricht en vermeldt het datum en nummer ervan.
Het ondertekend afschrift van de authentieke akte, hetzij, naargelang het geval, een origineel van de onderhandse akte of het afschrift ervan bedoeld in artikel 2.2.1.17, § 2, blijft bij het Belgisch Scheepsregister berusten.
Art. 2.2.1.20. Restitution des actes après l'inscription
Après l'inscription, le Registre naval belge remet au requérant, selon le cas, l'expédition de l'acte authentique ou un original de l'acte sous signature privé. Il certifie au pied de l'acte avoir fait l'inscription, dont il indique la date et le numéro.
Selon le cas, la copie signée de l'acte authentique, un original ou la copie de l'acte sous signature privé visée à l'article 2.2.1.17, § 2, reste déposé au Registre naval belge.
Après l'inscription, le Registre naval belge remet au requérant, selon le cas, l'expédition de l'acte authentique ou un original de l'acte sous signature privé. Il certifie au pied de l'acte avoir fait l'inscription, dont il indique la date et le numéro.
Selon le cas, la copie signée de l'acte authentique, un original ou la copie de l'acte sous signature privé visée à l'article 2.2.1.17, § 2, reste déposé au Registre naval belge.
Art. 2.2.1.21. Overlegging van processtukken met het oog op inschrijving
Met het oog op de inschrijving bedoeld in artikel 2.2.1.13 worden aan het Belgisch Scheepsregister overgelegd :
1° indien het een eis in rechte betreft, het gerechtsdeurwaardersexploot en een door de gerechtsdeurwaarder ondertekend afschrift;
2° indien het een vonnis betreft, twee door de griffier afgeleverde afschriften.
De Koning kan bepalen dat documenten kunnen of moeten worden overgelegd in elektronische vorm. Hij bepaalt de desbetreffende vorm- en procedurevoorschriften.
Met het oog op de inschrijving bedoeld in artikel 2.2.1.13 worden aan het Belgisch Scheepsregister overgelegd :
1° indien het een eis in rechte betreft, het gerechtsdeurwaardersexploot en een door de gerechtsdeurwaarder ondertekend afschrift;
2° indien het een vonnis betreft, twee door de griffier afgeleverde afschriften.
De Koning kan bepalen dat documenten kunnen of moeten worden overgelegd in elektronische vorm. Hij bepaalt de desbetreffende vorm- en procedurevoorschriften.
Art. 2.2.1.21. Présentation des pièces de procédure aux fins d'inscription
L'inscription visée à l'article 2.2.1.13 est faite sur présentation au Registre naval belge :
1° s'il s'agit d'une demande en justice, de l'exploit de l'huissier de justice et d'une copie signée par l'huissier de justice;
2° s'il s'agit d'un jugement, de deux copies délivrées par le greffier.
Le Roi peut déterminer que ces documents peuvent ou doivent être présentés sous forme électronique. Il prescrit les formes et la procédure y afférentes.
L'inscription visée à l'article 2.2.1.13 est faite sur présentation au Registre naval belge :
1° s'il s'agit d'une demande en justice, de l'exploit de l'huissier de justice et d'une copie signée par l'huissier de justice;
2° s'il s'agit d'un jugement, de deux copies délivrées par le greffier.
Le Roi peut déterminer que ces documents peuvent ou doivent être présentés sous forme électronique. Il prescrit les formes et la procédure y afférentes.
Art. 2.2.1.22. Neerlegging van processtukken betreffende niet geregistreerde of teboekgestelde schepen
Ingeval het schip waarop de eis tot ontbinding, tot herroeping of tot vernietiging betrekking heeft niet in België geregistreerd is, beperkt het Belgisch Scheepsregister zich tot de neerlegging van het exploot of het afschrift van het vonnis in het register van neerlegging. Het Belgisch Scheepsregister gaat alsnog tot de inschrijving over zodra het schip is geregistreerd.
Ingeval het schip waarop de eis tot ontbinding, tot herroeping of tot vernietiging betrekking heeft niet in België geregistreerd is, beperkt het Belgisch Scheepsregister zich tot de neerlegging van het exploot of het afschrift van het vonnis in het register van neerlegging. Het Belgisch Scheepsregister gaat alsnog tot de inschrijving over zodra het schip is geregistreerd.
Art. 2.2.1.22. Dépôt des pièces de procédure relatives aux navires non enregistrés et non immatriculés
Si le navire auquel se rapporte la demande de résolution, de révocation ou d'annulation n'est pas enregistré en Belgique, le Registre naval belge se borne à constater la remise de l'exploit ou de la copie du jugement au registre de dépôts. Le Registre naval belge procède à l'inscription dès le moment où le navire est enregistré.
Si le navire auquel se rapporte la demande de résolution, de révocation ou d'annulation n'est pas enregistré en Belgique, le Registre naval belge se borne à constater la remise de l'exploit ou de la copie du jugement au registre de dépôts. Le Registre naval belge procède à l'inscription dès le moment où le navire est enregistré.
Art. 2.2.1.23. Teruggave van processtukken na inschrijving
Het Belgisch Scheepsregister geeft aan de verzoeker het exploot respectievelijk een afschrift van het vonnis, waarop hij de verklaring aanbrengt dat de inschrijving gedaan is, terug.
Het Belgisch Scheepsregister geeft aan de verzoeker het exploot respectievelijk een afschrift van het vonnis, waarop hij de verklaring aanbrengt dat de inschrijving gedaan is, terug.
Art. 2.2.1.23. Restitution des pièces de procédure après inscription
Le Registre naval belge remet au requérant l'exploit ou la copie du jugement, sur lequel il certifie que l'inscription a été faite.
Le Registre naval belge remet au requérant l'exploit ou la copie du jugement, sur lequel il certifie que l'inscription a été faite.
Art. 2.2.1.24. Onderlinge rang van op dezelfde dag aanboden titels
Indien op dezelfde dag verscheidene aan openbaarmaking onderworpen titels op het Belgisch Scheepsregister ter inschrijving worden aangeboden, wordt hun onderlinge rang bepaald door het volgnummer waaronder het Belgisch Scheepsregister de overhandiging heeft vermeld in het register van neerlegging.
Indien op dezelfde dag verscheidene aan openbaarmaking onderworpen titels op het Belgisch Scheepsregister ter inschrijving worden aangeboden, wordt hun onderlinge rang bepaald door het volgnummer waaronder het Belgisch Scheepsregister de overhandiging heeft vermeld in het register van neerlegging.
Art. 2.2.1.24. Rang de titres présentés le même jour
Si plusieurs titres soumis à la publicité sont présentés le même jour au Registre naval belge aux fins d'inscription, le rang que ces titres ont entre eux se détermine d'après le numéro d'ordre sous lequel le Registre naval belge a mentionné la remise des titres au registre de dépôts.
Si plusieurs titres soumis à la publicité sont présentés le même jour au Registre naval belge aux fins d'inscription, le rang que ces titres ont entre eux se détermine d'après le numéro d'ordre sous lequel le Registre naval belge a mentionné la remise des titres au registre de dépôts.
Art. 2.2.1.25. Nietigheid van inschrijvingen
Verzuim van een of meer van de in deze titel voorgeschreven formaliteiten, heeft alleen dan nietigheid van de inschrijving tot gevolg, wanneer daaruit nadeel voor derden ontstaat.
Verzuim van een of meer van de in deze titel voorgeschreven formaliteiten, heeft alleen dan nietigheid van de inschrijving tot gevolg, wanneer daaruit nadeel voor derden ontstaat.
Art. 2.2.1.25. Nullité des inscriptions
L'omission de l'une ou de plusieurs des formalités prescrites par le présent titre n'entraîne pas la nullité de l'inscription, à moins qu'il n'en soit résulté un préjudice pour les tiers.
L'omission de l'une ou de plusieurs des formalités prescrites par le présent titre n'entraîne pas la nullité de l'inscription, à moins qu'il n'en soit résulté un préjudice pour les tiers.
Art. 2.2.1.26. Aansprakelijkheid
§ 1. De Belgische Staat is aansprakelijk voor de schade die wordt veroorzaakt door :
1° de weigering of het verzuim van het Belgisch Scheepsregister tot een gevorderde inschrijving of neerlegging over te gaan, en de daarbij opgelopen vertraging;
2° het niet vermelden door het Belgisch Scheepsregister in een getuigschrift van een of meer inschrijvingen betreffende rechten op schepen;
3° de weigering van het Belgisch Scheepsregister een getuigschrift af te geven, en de daarbij opgelopen vertraging.
De Belgische Staat is van de in het vorige lid bedoelde aansprakelijkheid ontheven ingeval de weigering, het verzuim, de vertraging of het ontbreken van de vermelding te wijten is aan de ontoereikendheid van de aan het Scheepsregister overlegde of aangeboden akten of stukken.
§ 2. Op aanvraag van de verzoeker wordt door een gerechtsdeurwaarder dadelijk proces-verbaal van de in paragraaf 1, 1° en 3° bedoelde weigering of vertraging opgemaakt.
§ 1. De Belgische Staat is aansprakelijk voor de schade die wordt veroorzaakt door :
1° de weigering of het verzuim van het Belgisch Scheepsregister tot een gevorderde inschrijving of neerlegging over te gaan, en de daarbij opgelopen vertraging;
2° het niet vermelden door het Belgisch Scheepsregister in een getuigschrift van een of meer inschrijvingen betreffende rechten op schepen;
3° de weigering van het Belgisch Scheepsregister een getuigschrift af te geven, en de daarbij opgelopen vertraging.
De Belgische Staat is van de in het vorige lid bedoelde aansprakelijkheid ontheven ingeval de weigering, het verzuim, de vertraging of het ontbreken van de vermelding te wijten is aan de ontoereikendheid van de aan het Scheepsregister overlegde of aangeboden akten of stukken.
§ 2. Op aanvraag van de verzoeker wordt door een gerechtsdeurwaarder dadelijk proces-verbaal van de in paragraaf 1, 1° en 3° bedoelde weigering of vertraging opgemaakt.
Art. 2.2.1.26. Responsabilité
§ 1er. L'Etat belge est responsable du préjudice résultant :
1° du fait que le Registre naval belge refuse ou omette de procéder aux inscriptions ou aux dépôts requis, et du retard ainsi engendré;
2° du fait que le Registre naval belge ne mentionne pas, dans les certificats, une ou plusieurs inscriptions relatives à des droits sur navires;
3° du fait que le Registre naval belge refuse de délivrer un certificat, et du retard ainsi engendré.
L'Etat belge est déchargé de la responsabilité visée à l'alinéa précédent dans le cas où le refus, le défaut, le retard ou la non-mention découle de l'insuffisance des actes ou pièces produits ou remis au Registre naval.
§ 2. Des procès-verbaux des refus ou retards visés au paragraphe 1er, 1° et 3°, seront, à la diligence des requérants, dressés sur-le-champ par un huissier de justice.
§ 1er. L'Etat belge est responsable du préjudice résultant :
1° du fait que le Registre naval belge refuse ou omette de procéder aux inscriptions ou aux dépôts requis, et du retard ainsi engendré;
2° du fait que le Registre naval belge ne mentionne pas, dans les certificats, une ou plusieurs inscriptions relatives à des droits sur navires;
3° du fait que le Registre naval belge refuse de délivrer un certificat, et du retard ainsi engendré.
L'Etat belge est déchargé de la responsabilité visée à l'alinéa précédent dans le cas où le refus, le défaut, le retard ou la non-mention découle de l'insuffisance des actes ou pièces produits ou remis au Registre naval.
§ 2. Des procès-verbaux des refus ou retards visés au paragraphe 1er, 1° et 3°, seront, à la diligence des requérants, dressés sur-le-champ par un huissier de justice.
Art. 2.2.1.27. Niet in getuigschriften vermelde schuldeisers
In geval van zuivering blijft het schip, waarvoor het Belgisch Scheepsregister in zijn getuigschriften een of meer ingeschreven rechten van scheepshypotheek onvermeld mocht hebben gelaten, hiervan ontheven in de handen van de nieuwe bezitter, mits de aanvraag van het getuigschrift duidelijk [1 de schuldenaar aanwijst ten laste van wie]1 de inschrijvingen zijn genomen.
Deze bepaling geldt onverminderd het recht van de niet in het getuigschrift vermelde schuldeisers om te bekwamer tijd de veiling te vorderen en om zich te doen plaatsen in de rang die hun toekomt, zolang de prijs door de verkrijger niet is betaald of zolang de onder de schuldeisers geopende rangregeling niet is gesloten.
In geval van zuivering blijft het schip, waarvoor het Belgisch Scheepsregister in zijn getuigschriften een of meer ingeschreven rechten van scheepshypotheek onvermeld mocht hebben gelaten, hiervan ontheven in de handen van de nieuwe bezitter, mits de aanvraag van het getuigschrift duidelijk [1 de schuldenaar aanwijst ten laste van wie]1 de inschrijvingen zijn genomen.
Deze bepaling geldt onverminderd het recht van de niet in het getuigschrift vermelde schuldeisers om te bekwamer tijd de veiling te vorderen en om zich te doen plaatsen in de rang die hun toekomt, zolang de prijs door de verkrijger niet is betaald of zolang de onder de schuldeisers geopende rangregeling niet is gesloten.
Art. 2.2.1.27. Créanciers omis dans les certificats
En cas de purge, le navire à l'égard duquel le Registre naval belge aurait omis, dans ses certificats, un ou plusieurs droits d'hypothèque sur navires inscrits, en demeure affranchi dans les mains du nouveau possesseur, pourvu que la demande du certificat indique clairement [1 le débiteur à charge duquel]1 les inscriptions ont été prises.
Néanmoins, cette disposition ne préjudicie pas au droit des créanciers omis de requérir la surenchère dans le délai utile, et de se faire colloquer suivant l'ordre qui leur appartient, tant que le prix n'a pas été payé par l'acquéreur ou tant que l'ordre ouvert entre les créanciers n'est pas devenu définitif.
En cas de purge, le navire à l'égard duquel le Registre naval belge aurait omis, dans ses certificats, un ou plusieurs droits d'hypothèque sur navires inscrits, en demeure affranchi dans les mains du nouveau possesseur, pourvu que la demande du certificat indique clairement [1 le débiteur à charge duquel]1 les inscriptions ont été prises.
Néanmoins, cette disposition ne préjudicie pas au droit des créanciers omis de requérir la surenchère dans le délai utile, et de se faire colloquer suivant l'ordre qui leur appartient, tant que le prix n'a pas été payé par l'acquéreur ou tant que l'ordre ouvert entre les créanciers n'est pas devenu définitif.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 2. - Meting
CHAPITRE 2. - Jaugeage
Art. 2.2.2.1. Begrippen
§ 1. In deze titel, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, wordt verstaan onder :
1° "Verdragsluitende Staat" : een Staat die gebonden is door het TMC-Verdrag;
2° "internationale meetbrief " : de meetbrief bedoeld in de artikel en 7 en 9 van het TMC-Verdrag;
3° "nationale meetbrief" : de meetbrief uitgereikt uitsluitend op grond van deze titel;
4° "lengte" : 96 procent van de totale lengte van de lastlijn op 85 procent van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de bovenzijde van de kielplaat, dan wel de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot aan de hartlijn van de roerkoning op deze lastlijn gemeten, indien deze laatste lengte groter is; bij zeeschepen die met stuurlast zijn ontworpen moet de lastlijn waarop deze lengte wordt gemeten, evenwijdig aan de constructiewaterlijn worden genomen;
5° "brutotonnenmaat" : de maat van de totale inhoud van een zeeschip;
6° "nettotonnenmaat" : de maat van de nuttige capaciteit van een zeeschip;
7° "internationale reis" : een zeereis van een land waarop het TMC-Verdrag van toepassing is, naar een buiten dat land gelegen haven of omgekeerd; te dien einde wordt elk gebied voor welk internationale betrekkingen een Verdragsluitende Staat verantwoordelijk is of waarover de Organisatie van de Verenigde Naties als gezagsorgaan het beheer uitoefent, als een afzonderlijk land beschouwd.
§ 2. In alle wetten en besluiten waarin zonder nadere bepaling de woorden "ton", "tonnenmaat" of "tonnage" worden gebruikt in verband met zeeschepen, moeten die woorden begrepen worden in de betekenis van brutoton, brutotonnenmaat respectievelijk brutotonnage.
§ 1. In deze titel, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, wordt verstaan onder :
1° "Verdragsluitende Staat" : een Staat die gebonden is door het TMC-Verdrag;
2° "internationale meetbrief " : de meetbrief bedoeld in de artikel en 7 en 9 van het TMC-Verdrag;
3° "nationale meetbrief" : de meetbrief uitgereikt uitsluitend op grond van deze titel;
4° "lengte" : 96 procent van de totale lengte van de lastlijn op 85 procent van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de bovenzijde van de kielplaat, dan wel de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot aan de hartlijn van de roerkoning op deze lastlijn gemeten, indien deze laatste lengte groter is; bij zeeschepen die met stuurlast zijn ontworpen moet de lastlijn waarop deze lengte wordt gemeten, evenwijdig aan de constructiewaterlijn worden genomen;
5° "brutotonnenmaat" : de maat van de totale inhoud van een zeeschip;
6° "nettotonnenmaat" : de maat van de nuttige capaciteit van een zeeschip;
7° "internationale reis" : een zeereis van een land waarop het TMC-Verdrag van toepassing is, naar een buiten dat land gelegen haven of omgekeerd; te dien einde wordt elk gebied voor welk internationale betrekkingen een Verdragsluitende Staat verantwoordelijk is of waarover de Organisatie van de Verenigde Naties als gezagsorgaan het beheer uitoefent, als een afzonderlijk land beschouwd.
§ 2. In alle wetten en besluiten waarin zonder nadere bepaling de woorden "ton", "tonnenmaat" of "tonnage" worden gebruikt in verband met zeeschepen, moeten die woorden begrepen worden in de betekenis van brutoton, brutotonnenmaat respectievelijk brutotonnage.
Art. 2.2.2.1. Notions
§ 1er. Dans le présent chapitre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférents, [1 l'on entend par]1 :
1° " Etat Partie à la Convention " : un Etat qui est lié par la Convention TMC;
2° " certificat international de jaugeage " : le certificat de jaugeage visé aux articles 7 et 9 de la Convention TMC;
3° " certificat national de jaugeage " : le certificat de jaugeage délivré exclusivement en vertu de ce titre;
4° " longueur " : 96 pour cent de la longueur totale à la flottaison située à une distance du dessus de quille égale à 85 pour cent du creux minimum sur quille, ou la distance entre la face avant de l'étrave et l'axe de la mèche du gouvernail à cette flottaison, si cette valeur est supérieure; dans les navires de mer conçus pour naviguer avec une quille inclinée, la flottaison à laquelle la longueur est mesurée doit être parallèle à la flottaison en charge prévue;
5° " jauge brute " : les dimensions hors tout d'un navire de mer;
6° " jauge nette " : la capacité d'utilisation d'un navire de mer;
7° " voyage international " : un voyage par mer, entre un pays auquel s'applique la Convention TMC et un port situé en dehors de ce pays, ou inversement; à cet égard, tout territoire dont les relations internationales sont assurées par un Etat contractant ou dont l'Organisation des Nations Unies assure l'administration est considéré comme un pays distinct.
§ 2. Dans toutes les lois et dans tous les arrêtés dans lesquels les termes " tonnes ", " jauge " ou " tonnage " sont utilisés sans plus de précision en lien avec des navires de mer, ces termes doivent être compris respectivement au sens de tonnes brutes, jauge brute et tonnage brut.
§ 1er. Dans le présent chapitre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférents, [1 l'on entend par]1 :
1° " Etat Partie à la Convention " : un Etat qui est lié par la Convention TMC;
2° " certificat international de jaugeage " : le certificat de jaugeage visé aux articles 7 et 9 de la Convention TMC;
3° " certificat national de jaugeage " : le certificat de jaugeage délivré exclusivement en vertu de ce titre;
4° " longueur " : 96 pour cent de la longueur totale à la flottaison située à une distance du dessus de quille égale à 85 pour cent du creux minimum sur quille, ou la distance entre la face avant de l'étrave et l'axe de la mèche du gouvernail à cette flottaison, si cette valeur est supérieure; dans les navires de mer conçus pour naviguer avec une quille inclinée, la flottaison à laquelle la longueur est mesurée doit être parallèle à la flottaison en charge prévue;
5° " jauge brute " : les dimensions hors tout d'un navire de mer;
6° " jauge nette " : la capacité d'utilisation d'un navire de mer;
7° " voyage international " : un voyage par mer, entre un pays auquel s'applique la Convention TMC et un port situé en dehors de ce pays, ou inversement; à cet égard, tout territoire dont les relations internationales sont assurées par un Etat contractant ou dont l'Organisation des Nations Unies assure l'administration est considéré comme un pays distinct.
§ 2. Dans toutes les lois et dans tous les arrêtés dans lesquels les termes " tonnes ", " jauge " ou " tonnage " sont utilisés sans plus de précision en lien avec des navires de mer, ces termes doivent être compris respectivement au sens de tonnes brutes, jauge brute et tonnage brut.
Wijzigingen
Art. 2.2.2.2. Materiële toepassing
§ 1. Deze titel en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 zijn van toepassing op zeeschepen die worden ingezet of bestemd zijn voor bedrijfs- of beroepsmatige doeleinden.
§ 2. De Koning kan dit hoofdstuk en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 geheel of gedeeltelijk van toepassing verklaren op andere schepen dan de in paragraaf 1 bedoelde zeeschepen.
§ 1. Deze titel en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 zijn van toepassing op zeeschepen die worden ingezet of bestemd zijn voor bedrijfs- of beroepsmatige doeleinden.
§ 2. De Koning kan dit hoofdstuk en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 geheel of gedeeltelijk van toepassing verklaren op andere schepen dan de in paragraaf 1 bedoelde zeeschepen.
Art. 2.2.2.2. Application matérielle
§ 1er. Le présent chapitre et les dispositions du livre 4 qui y ont trait s'appliquent aux navires de mer qui sont mis en oeuvre ou destinés à des fins professionnelles.
§ 2. Le Roi peut déclarer applicables le présent chapitre et les dispositions du livre 4 qui y ont trait en tout ou en partie à d'autres navires que les navires de mer visés au paragraphe 1er.
§ 1er. Le présent chapitre et les dispositions du livre 4 qui y ont trait s'appliquent aux navires de mer qui sont mis en oeuvre ou destinés à des fins professionnelles.
§ 2. Le Roi peut déclarer applicables le présent chapitre et les dispositions du livre 4 qui y ont trait en tout ou en partie à d'autres navires que les navires de mer visés au paragraphe 1er.
Art. 2.2.2.3. Verplichting een meetbrief aan boord te hebben
Een Belgisch zeeschip moet voorzien zijn van :
1° een internationale meetbrief, ingeval het een lengte heeft van 24 meter of meer, en internationale reizen maakt; hetzij
2° een nationale meetbrief, ingeval het een lengte heeft van minder dan 24 meter of ingeval het geen internationale reizen maakt.
Een Belgisch zeeschip moet voorzien zijn van :
1° een internationale meetbrief, ingeval het een lengte heeft van 24 meter of meer, en internationale reizen maakt; hetzij
2° een nationale meetbrief, ingeval het een lengte heeft van minder dan 24 meter of ingeval het geen internationale reizen maakt.
Art. 2.2.2.3. Obligation d'avoir un certificat de jaugeage à bord
Un navire de mer belge doit être pourvu :
1° d'un certificat international de jaugeage, dans le cas où il présente une longueur égale ou supérieure à 24 mètres et fait des voyages internationaux; soit
2° d'un certificat national de jaugeage, dans le cas où il présente une longueur inférieure à 24 mètres ou ne fait pas de voyages internationaux.
Un navire de mer belge doit être pourvu :
1° d'un certificat international de jaugeage, dans le cas où il présente une longueur égale ou supérieure à 24 mètres et fait des voyages internationaux; soit
2° d'un certificat national de jaugeage, dans le cas où il présente une longueur inférieure à 24 mètres ou ne fait pas de voyages internationaux.
Art. 2.2.2.4. Uitreiking van meetbrieven
Een meetbrief wordt op schriftelijke aanvraag van de scheepseigenaar of zijn lasthebber uitgereikt door de Scheepvaartcontrole tegen betaling van een retributie.
De Scheepvaartcontrole kan evenwel de bevoegde overheid van een andere Verdragsluitende Staat verzoeken de bruto- en nettotonnenmaat van het zeeschip vast te stellen overeenkomstig het TMC-Verdrag en ten behoeve van dat zeeschip een internationale meetbrief af te geven. De daaraan verbonden kosten zijn ten laste van de scheepseigenaar of zijn lasthebber.
Een meetbrief wordt op schriftelijke aanvraag van de scheepseigenaar of zijn lasthebber uitgereikt door de Scheepvaartcontrole tegen betaling van een retributie.
De Scheepvaartcontrole kan evenwel de bevoegde overheid van een andere Verdragsluitende Staat verzoeken de bruto- en nettotonnenmaat van het zeeschip vast te stellen overeenkomstig het TMC-Verdrag en ten behoeve van dat zeeschip een internationale meetbrief af te geven. De daaraan verbonden kosten zijn ten laste van de scheepseigenaar of zijn lasthebber.
Art. 2.2.2.4. Délivrance de certificats de jaugeage
Un certificat de jaugeage est délivré à la demande écrite du propriétaire du navire ou de son mandataire, par le Contrôle de la navigation contre le paiement d'une redevance.
Le Contrôle de la navigation peut néanmoins demander à l'autorité compétente d'un autre Etat Partie de déterminer les jauges brute et nette du navire de mer conformément à la Convention TMC et de délivrer un certificat international de jaugeage à l'usage de ce navire de mer. Les frais afférents à ce jaugeage sont à la charge du propriétaire du navire ou de son mandataire.
Un certificat de jaugeage est délivré à la demande écrite du propriétaire du navire ou de son mandataire, par le Contrôle de la navigation contre le paiement d'une redevance.
Le Contrôle de la navigation peut néanmoins demander à l'autorité compétente d'un autre Etat Partie de déterminer les jauges brute et nette du navire de mer conformément à la Convention TMC et de délivrer un certificat international de jaugeage à l'usage de ce navire de mer. Les frais afférents à ce jaugeage sont à la charge du propriétaire du navire ou de son mandataire.
Art. 2.2.2.5. Kennisgeving van wijzigingen
De scheepseigenaar of zijn lasthebber moet de Scheepvaartcontrole schriftelijk kennis geven van elke wijziging van de inrichting, de bouw of de kenmerken van het zeeschip waardoor de brutotonnenmaat of de nettotonnenmaat kan veranderen.
De scheepseigenaar of zijn lasthebber moet de Scheepvaartcontrole schriftelijk kennis geven van elke wijziging van de inrichting, de bouw of de kenmerken van het zeeschip waardoor de brutotonnenmaat of de nettotonnenmaat kan veranderen.
Art. 2.2.2.5. Notification de modifications
Le propriétaire du navire ou son mandataire doit informer par écrit le Contrôle de la navigation de toute modification de l'aménagement, de la construction ou des caractéristiques du navire de mer, qui est de nature à changer la jauge brute ou la jauge nette.
Le propriétaire du navire ou son mandataire doit informer par écrit le Contrôle de la navigation de toute modification de l'aménagement, de la construction ou des caractéristiques du navire de mer, qui est de nature à changer la jauge brute ou la jauge nette.
Art. 2.2.2.6. Einde van de geldigheid van meetbrieven
§ 1. Een internationale meetbrief verliest zijn geldigheid en wordt door de Scheepvaartcontrole ingetrokken wanneer zodanige wijzigingen hebben plaatsgevonden in de inrichting, de bouw, de capaciteit, het benutten van de ruimten, het totale aantal passagiers dat het zeeschip volgens zijn certificaat van deugdelijkheid voor passagiersschepen mag vervoeren, het vastgestelde vrijboord of de toegestane diepgang, dat daaruit noodzakelijkerwijze een vermeerdering van de bruto- of nettotonnenmaat voortvloeit.
§ 2. Een door de Scheepvaartcontrole ten behoeve van een Belgisch zeeschip uitgereikte internationale meetbrief verliest zijn geldigheid ingeval het zeeschip onder de vlag van een andere Staat wordt gebracht.
Ingeval het zeeschip onder de vlag van een andere Verdragsluitende Staat wordt gebracht, blijft de internationale meetbrief evenwel van kracht voor een periode van ten hoogste drie maanden ofwel tot het tijdstip waarop die andere Staat een andere internationale meetbrief ter vervanging uitreikt, naargelang welke tijdstip eerder valt.
De Scheepvaartcontrole doet zo spoedig mogelijk nadat het zeeschip de vlag van de andere Staat is gaan voeren, aan die andere Staat een afschrift toekomen van de op het tijdstip van de verandering van de vlag door het zeeschip gevoerde meetbrief, alsook een afschrift van de hierop betrekking hebbende berekening van de tonnenmaten.
§ 3. Een nationale meetbrief verliest zijn geldigheid en wordt door de Scheepvaartcontrole ingetrokken ingeval zodanige wijzigingen hebben plaatsgevonden aan het zeeschip dat daaruit noodzakelijkerwijze een vermeerdering van de brutotonnenmaat of de nettotonnenmaat voortvloeit of ingeval het zeeschip onder de vlag van een andere Staat wordt gebracht.
§ 4. De paragrafen 2 en 3 zijn niet van toepassing op de zeeschepen waarvoor het recht de Belgische vlag te voeren werd geschorst overeenkomstig artikel 2.2.1.9, § 1.
§ 1. Een internationale meetbrief verliest zijn geldigheid en wordt door de Scheepvaartcontrole ingetrokken wanneer zodanige wijzigingen hebben plaatsgevonden in de inrichting, de bouw, de capaciteit, het benutten van de ruimten, het totale aantal passagiers dat het zeeschip volgens zijn certificaat van deugdelijkheid voor passagiersschepen mag vervoeren, het vastgestelde vrijboord of de toegestane diepgang, dat daaruit noodzakelijkerwijze een vermeerdering van de bruto- of nettotonnenmaat voortvloeit.
§ 2. Een door de Scheepvaartcontrole ten behoeve van een Belgisch zeeschip uitgereikte internationale meetbrief verliest zijn geldigheid ingeval het zeeschip onder de vlag van een andere Staat wordt gebracht.
Ingeval het zeeschip onder de vlag van een andere Verdragsluitende Staat wordt gebracht, blijft de internationale meetbrief evenwel van kracht voor een periode van ten hoogste drie maanden ofwel tot het tijdstip waarop die andere Staat een andere internationale meetbrief ter vervanging uitreikt, naargelang welke tijdstip eerder valt.
De Scheepvaartcontrole doet zo spoedig mogelijk nadat het zeeschip de vlag van de andere Staat is gaan voeren, aan die andere Staat een afschrift toekomen van de op het tijdstip van de verandering van de vlag door het zeeschip gevoerde meetbrief, alsook een afschrift van de hierop betrekking hebbende berekening van de tonnenmaten.
§ 3. Een nationale meetbrief verliest zijn geldigheid en wordt door de Scheepvaartcontrole ingetrokken ingeval zodanige wijzigingen hebben plaatsgevonden aan het zeeschip dat daaruit noodzakelijkerwijze een vermeerdering van de brutotonnenmaat of de nettotonnenmaat voortvloeit of ingeval het zeeschip onder de vlag van een andere Staat wordt gebracht.
§ 4. De paragrafen 2 en 3 zijn niet van toepassing op de zeeschepen waarvoor het recht de Belgische vlag te voeren werd geschorst overeenkomstig artikel 2.2.1.9, § 1.
Art. 2.2.2.6. Fin de la validité des certificats de jaugeage
§ 1er. Un certificat international de jaugeage cesse d'être valable et est retiré par le Contrôle de la navigation si l'aménagement, la construction, la capacité, l'utilisation des espaces, le nombre total de passagers que le navire de mer est autorisé à transporter selon les indications de son certificat de navigabilité pour navire à passagers, le franc-bord réglementaire ou le tirant d'eau autorisé du navire ont subi des modifications de nature à nécessiter une augmentation de la jauge brute ou de la jauge nette.
§ 2. Un certificat international de jaugeage délivré par le Contrôle de la navigation à un navire de mer belge cesse d'être valable dans le cas où le navire de mer passe sous le pavillon d'un autre Etat.
Dans le cas où un navire de mer passe sous le pavillon d'un autre Etat Partie, le certificat international de jaugeage demeure toutefois valable pendant une période ne dépassant pas trois mois ou jusqu'à la date à laquelle cet autre Etat délivre en remplacement un autre certificat international de jaugeage en fonction de la date plus rapprochée.
Le Contrôle de la navigation adresse à cet autre Etat, dès que possible après le changement de nationalité copie du certificat dont le navire de mer est pourvu à la date du changement, ainsi qu'un copie des calculs des jauges correspondants.
§ 3. Un certificat national de jaugeage cesse d'être valable et est retiré par le Contrôle de la navigation dans le cas où le navire a subi des modifications de nature à nécessiter une augmentation de la jauge brute ou de la jauge nette, ou dans le cas où le navire passe sous le pavillon d'un autre Etat.
§ 4. Les paragraphes 2 et 3 ne sont pas applicables aux navires de mer dont le droit de battre pavillon belge est suspendu conformément à l'article 2.2.1.9, § 1er.
§ 1er. Un certificat international de jaugeage cesse d'être valable et est retiré par le Contrôle de la navigation si l'aménagement, la construction, la capacité, l'utilisation des espaces, le nombre total de passagers que le navire de mer est autorisé à transporter selon les indications de son certificat de navigabilité pour navire à passagers, le franc-bord réglementaire ou le tirant d'eau autorisé du navire ont subi des modifications de nature à nécessiter une augmentation de la jauge brute ou de la jauge nette.
§ 2. Un certificat international de jaugeage délivré par le Contrôle de la navigation à un navire de mer belge cesse d'être valable dans le cas où le navire de mer passe sous le pavillon d'un autre Etat.
Dans le cas où un navire de mer passe sous le pavillon d'un autre Etat Partie, le certificat international de jaugeage demeure toutefois valable pendant une période ne dépassant pas trois mois ou jusqu'à la date à laquelle cet autre Etat délivre en remplacement un autre certificat international de jaugeage en fonction de la date plus rapprochée.
Le Contrôle de la navigation adresse à cet autre Etat, dès que possible après le changement de nationalité copie du certificat dont le navire de mer est pourvu à la date du changement, ainsi qu'un copie des calculs des jauges correspondants.
§ 3. Un certificat national de jaugeage cesse d'être valable et est retiré par le Contrôle de la navigation dans le cas où le navire a subi des modifications de nature à nécessiter une augmentation de la jauge brute ou de la jauge nette, ou dans le cas où le navire passe sous le pavillon d'un autre Etat.
§ 4. Les paragraphes 2 et 3 ne sont pas applicables aux navires de mer dont le droit de battre pavillon belge est suspendu conformément à l'article 2.2.1.9, § 1er.
Art. 2.2.2.7. Meetbrief van ingevlagde schepen
§ 1. De internationale meetbrief van een zeeschip dat onder Belgische vlag wordt gebracht blijft van kracht voor een periode van ten hoogste drie maanden ofwel tot op het tijdstip waarop de Scheepvaartcontrole een internationale meetbrief ter vervanging uitreikt, naargelang welk tijdstip eerder valt.
§ 2. Een zeeschip waarvoor geen internationale meetbrief is uitgereikt en dat onder Belgische vlag wordt gebracht, wordt door de Scheepvaartcontrole opnieuw gemeten teneinde de bruto- en nettotonnenmaat vast te stellen.
De Scheepvaartcontrole reikt naargelang het in artikel 2.2.2.4 vermelde onderscheid een internationale meetbrief dan wel een nationale meetbrief uit.
§ 3. De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing op de in een andere Staat geregistreerde zeeschepen die in het rompbevrachtingsregister werden ingeschreven overeenkomstig artikel 2.2.1.9.
§ 1. De internationale meetbrief van een zeeschip dat onder Belgische vlag wordt gebracht blijft van kracht voor een periode van ten hoogste drie maanden ofwel tot op het tijdstip waarop de Scheepvaartcontrole een internationale meetbrief ter vervanging uitreikt, naargelang welk tijdstip eerder valt.
§ 2. Een zeeschip waarvoor geen internationale meetbrief is uitgereikt en dat onder Belgische vlag wordt gebracht, wordt door de Scheepvaartcontrole opnieuw gemeten teneinde de bruto- en nettotonnenmaat vast te stellen.
De Scheepvaartcontrole reikt naargelang het in artikel 2.2.2.4 vermelde onderscheid een internationale meetbrief dan wel een nationale meetbrief uit.
§ 3. De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing op de in een andere Staat geregistreerde zeeschepen die in het rompbevrachtingsregister werden ingeschreven overeenkomstig artikel 2.2.1.9.
Art. 2.2.2.7. Certificat de jaugeage de navires passés sous pavillon
§ 1er. Le certificat international de jaugeage d'un navire de mer qui passe sous pavillon belge demeure valable pendant une période ne dépassant pas trois mois ou jusqu'à la date à laquelle le Contrôle de la navigation délivre en remplacement un certificat international de jaugeage, en fonction de la date plus rapprochée.
§ 2. Un navire de mer pour lequel aucun certificat international de jaugeage n'a été délivré et qui passe sous pavillon belge est rejaugé par le Contrôle de la navigation pour déterminer les jauges brute et nette.
Le Contrôle de la navigation délivre un certificat international de jaugeage ou un certificat national de jaugeage selon la distinction mentionnée à l'article 2.2.2.4.
§ 3. Les paragraphes 1er et 2 ne sont pas applicables aux navires de mer enregistrés dans un autre Etat qui ont été inscrits au registre des affrètements coque nue, conformément à l'article 2.2.1.9.
§ 1er. Le certificat international de jaugeage d'un navire de mer qui passe sous pavillon belge demeure valable pendant une période ne dépassant pas trois mois ou jusqu'à la date à laquelle le Contrôle de la navigation délivre en remplacement un certificat international de jaugeage, en fonction de la date plus rapprochée.
§ 2. Un navire de mer pour lequel aucun certificat international de jaugeage n'a été délivré et qui passe sous pavillon belge est rejaugé par le Contrôle de la navigation pour déterminer les jauges brute et nette.
Le Contrôle de la navigation délivre un certificat international de jaugeage ou un certificat national de jaugeage selon la distinction mentionnée à l'article 2.2.2.4.
§ 3. Les paragraphes 1er et 2 ne sont pas applicables aux navires de mer enregistrés dans un autre Etat qui ont été inscrits au registre des affrètements coque nue, conformément à l'article 2.2.1.9.
Art. 2.2.2.8. Uitreiking van een meetbrief op verzoek van een buitenlandse overheid
De Scheepvaartcontrole mag ingaan op het verzoek van een bevoegde overheid van een andere Verdragsluitende Staat om een internationale meetbrief uit te reiken ten behoeve van een zeeschip dat de vlag van die Staat voert of zal voeren, en daartoe tegen betaling van de kosten de bruto- en nettotonnenmaat van het zeeschip vast te stellen.
De Scheepvaartcontrole mag ingaan op het verzoek van een bevoegde overheid van een andere Verdragsluitende Staat om een internationale meetbrief uit te reiken ten behoeve van een zeeschip dat de vlag van die Staat voert of zal voeren, en daartoe tegen betaling van de kosten de bruto- en nettotonnenmaat van het zeeschip vast te stellen.
Art. 2.2.2.8. Délivrance d'un certificat de jaugeage à la demande d'une autorité étrangère
Le Contrôle de la navigation est autorisé à donner suite à la demande d'une autorité compétente d'un autre Etat Partie, de délivrer un certificat international de jaugeage à l'usage d'un navire de mer qui bat ou qui battra pavillon de cet Etat, et de déterminer à cet effet les jauges brute et nette du navire contre le paiement des frais.
Le Contrôle de la navigation est autorisé à donner suite à la demande d'une autorité compétente d'un autre Etat Partie, de délivrer un certificat international de jaugeage à l'usage d'un navire de mer qui bat ou qui battra pavillon de cet Etat, et de déterminer à cet effet les jauges brute et nette du navire contre le paiement des frais.
Art. 2.2.2.9. Vertoning van de meetbrief
Op het eerste verzoek van de bevoegde Belgische overheid moet de gezagvoerder van een Belgisch of vreemd zeeschip, of zijn lasthebber, gelijk waar in Belgische wateren, een geldige meetbrief vertonen.
Als geldige meetbrief wordt beschouwd :
1° de internationale meetbrief;
2° de nationale meetbrief;
3° elke andere door de Scheepvaartcontrole aanvaarde meetbrief.
Op het eerste verzoek van de bevoegde Belgische overheid moet de gezagvoerder van een Belgisch of vreemd zeeschip, of zijn lasthebber, gelijk waar in Belgische wateren, een geldige meetbrief vertonen.
Als geldige meetbrief wordt beschouwd :
1° de internationale meetbrief;
2° de nationale meetbrief;
3° elke andere door de Scheepvaartcontrole aanvaarde meetbrief.
Art. 2.2.2.9. Exhibition du certificat de jaugeage
A la première demande de l'autorité belge compétente, le commandant d'un navire de mer belge ou étranger, ou son mandataire, doit, à quelque endroit que ce soit dans les eaux belges, exhiber un certificat de jaugeage valable.
Est considéré comme un certificat de jaugeage valable :
1° le certificat international de jaugeage;
2° le certificat national de jaugeage;
3° tout autre certificat de jaugeage admis par le Contrôle de la navigation.
A la première demande de l'autorité belge compétente, le commandant d'un navire de mer belge ou étranger, ou son mandataire, doit, à quelque endroit que ce soit dans les eaux belges, exhiber un certificat de jaugeage valable.
Est considéré comme un certificat de jaugeage valable :
1° le certificat international de jaugeage;
2° le certificat national de jaugeage;
3° tout autre certificat de jaugeage admis par le Contrôle de la navigation.
Art. 2.2.2.10. Vaststelling van de tonnenmaat bij gebrek aan een meetbrief
Op vordering van de Scheepvaartcontrole wordt de bruto- en nettotonnenmaat vastgesteld van elk Belgisch of vreemd zeeschip dat niet is voorzien van een geldige meetbrief als bedoeld in artikel 2.2.2.9, tweede lid. De daaraan verbonden kosten zijn ten laste van de scheepseigenaar of zijn lasthebber.
Op vordering van de Scheepvaartcontrole wordt de bruto- en nettotonnenmaat vastgesteld van elk Belgisch of vreemd zeeschip dat niet is voorzien van een geldige meetbrief als bedoeld in artikel 2.2.2.9, tweede lid. De daaraan verbonden kosten zijn ten laste van de scheepseigenaar of zijn lasthebber.
Art. 2.2.2.10. Détermination des jauges à défaut d'un certificat de jaugeage
A la requête du Contrôle de la navigation, il est procédé à la détermination des jauges brute et nette de tout navire de mer belge ou étranger qui n'est pas pourvu d'un certificat de jaugeage valable tel que visé à l'article 2.2.2.9, alinéa 2. Les frais afférents à ce jaugeage sont à la charge du propriétaire du navire ou de son mandataire.
A la requête du Contrôle de la navigation, il est procédé à la détermination des jauges brute et nette de tout navire de mer belge ou étranger qui n'est pas pourvu d'un certificat de jaugeage valable tel que visé à l'article 2.2.2.9, alinéa 2. Les frais afférents à ce jaugeage sont à la charge du propriétaire du navire ou de son mandataire.
Art. 2.2.2.11. Suez- en Panamameetbrieven
§ 1. Op verzoek van de scheepseigenaar of zijn lasthebber kan de Scheepvaartcontrole tegen betaling van een retributie een bijzondere meetbrief uitreiken voor de vaart door het Suez- of Panamakanaal.
Met het oog op de uitreiking van de in het eerste lid bedoelde bijzondere meetbrief worden de tonnenmaten door de Scheepvaartcontrole vastgesteld overeenkomstig de metingsvoorschriften voor het betrokken kanaal.
De meetbrief moet vermelden overeenkomstig welke bepalingen de tonnenmaten van het zeeschip waarvoor de meetbrief is uitgereikt, zijn vastgesteld.
§ 2. Artikel 2.2.2.5 is van toepassing ingeval het zeeschip van een in paragraaf 1 bedoelde bijzondere meetbrief is voorzien.
§ 1. Op verzoek van de scheepseigenaar of zijn lasthebber kan de Scheepvaartcontrole tegen betaling van een retributie een bijzondere meetbrief uitreiken voor de vaart door het Suez- of Panamakanaal.
Met het oog op de uitreiking van de in het eerste lid bedoelde bijzondere meetbrief worden de tonnenmaten door de Scheepvaartcontrole vastgesteld overeenkomstig de metingsvoorschriften voor het betrokken kanaal.
De meetbrief moet vermelden overeenkomstig welke bepalingen de tonnenmaten van het zeeschip waarvoor de meetbrief is uitgereikt, zijn vastgesteld.
§ 2. Artikel 2.2.2.5 is van toepassing ingeval het zeeschip van een in paragraaf 1 bedoelde bijzondere meetbrief is voorzien.
Art. 2.2.2.11. Certificats de jaugeage Suez et Panama
§ 1er. A la demande du propriétaire du navire ou de son mandataire, le Contrôle de la navigation peut délivrer un certificat de jaugeage spécial pour la navigation dans le canal de Suez ou de Panama, et ce, contre paiement d'une redevance.
En vue de la délivrance du certificat de jaugeage spécial visé à l'alinéa 1er, les jauges sont déterminées par le Contrôle de la navigation conformément aux prescriptions de jaugeage régissant les canaux concernés.
Le certificat de jaugeage doit mentionner conformément à quelles dispositions les jauges du navire de mer, au profit duquel le certificat de jaugeage a été délivré, ont été déterminées.
§ 2. L'article 2.2.2.5 est applicable dans le cas où le navire de mer est pourvu d'un certificat de jaugeage spécial visé au paragraphe 1er.
§ 1er. A la demande du propriétaire du navire ou de son mandataire, le Contrôle de la navigation peut délivrer un certificat de jaugeage spécial pour la navigation dans le canal de Suez ou de Panama, et ce, contre paiement d'une redevance.
En vue de la délivrance du certificat de jaugeage spécial visé à l'alinéa 1er, les jauges sont déterminées par le Contrôle de la navigation conformément aux prescriptions de jaugeage régissant les canaux concernés.
Le certificat de jaugeage doit mentionner conformément à quelles dispositions les jauges du navire de mer, au profit duquel le certificat de jaugeage a été délivré, ont été déterminées.
§ 2. L'article 2.2.2.5 est applicable dans le cas où le navire de mer est pourvu d'un certificat de jaugeage spécial visé au paragraphe 1er.
Art. 2.2.2.12. Verzoek om een corrigerende meting
Ingeval de aanvrager van een meetbrief meent dat de daarin vermelde bruto- of nettotonnenmaat niet juist is, kan hij de Scheepvaartcontrole binnen de veertien dagen na uitreiking van de meetbrief schriftelijk om een nieuwe meting verzoeken.
Voor die tweede meting wijst de Scheepvaartcontrole een personeelslid aan dat niet aan de eerste meting heeft deelgenomen.
Ingeval de metingen van elkaar verschillen is voor de nieuwe meting geen retributie verschuldigd.
Ingeval de aanvrager van een meetbrief meent dat de daarin vermelde bruto- of nettotonnenmaat niet juist is, kan hij de Scheepvaartcontrole binnen de veertien dagen na uitreiking van de meetbrief schriftelijk om een nieuwe meting verzoeken.
Voor die tweede meting wijst de Scheepvaartcontrole een personeelslid aan dat niet aan de eerste meting heeft deelgenomen.
Ingeval de metingen van elkaar verschillen is voor de nieuwe meting geen retributie verschuldigd.
Art. 2.2.2.12. Demande de jaugeage correctif
Dans le cas où le demandeur d'un certificat de jaugeage estime que les jauges brute ou nette mentionnées dans le certificat de jaugeage ne sont pas correctement déterminées, il peut demander par écrit au Contrôle de la navigation dans les quatorze jours de la délivrance du certificat qu'il soit procédé à un nouveau jaugeage.
Pour procéder à ce second jaugeage, le Contrôle de la navigation désigne un membre du personnel qui n'a pas participé au premier.
En cas de différence entre les jaugeages, aucune redevance pour le nouveau jaugeage n'est due.
Dans le cas où le demandeur d'un certificat de jaugeage estime que les jauges brute ou nette mentionnées dans le certificat de jaugeage ne sont pas correctement déterminées, il peut demander par écrit au Contrôle de la navigation dans les quatorze jours de la délivrance du certificat qu'il soit procédé à un nouveau jaugeage.
Pour procéder à ce second jaugeage, le Contrôle de la navigation désigne un membre du personnel qui n'a pas participé au premier.
En cas de différence entre les jaugeages, aucune redevance pour le nouveau jaugeage n'est due.
Art. 2.2.2.13. Retributies
§ 1. Voor de vaststelling van de bruto- en nettotonnenmaat, de uitreiking van een meetbrief, de vervulling van formaliteiten en andere door de Scheepvaartcontrole in verband met de scheepsmeting verstrekte diensten kan :
1° een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat;
2° de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde worden verplicht aan de Staat de gemaakte onkosten terug te betalen.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan, alsook de nadere regels voor de terugbetaling van de gemaakte onkosten.
§ 2. Behalve in het geval van een nieuwe meting als bedoeld in artikel 2.2.2.12, derde lid, wordt geen meetbrief uitgereikt dan op overlegging van het bewijs van betaling van de retributie of van terugbetaling van de kosten.
§ 1. Voor de vaststelling van de bruto- en nettotonnenmaat, de uitreiking van een meetbrief, de vervulling van formaliteiten en andere door de Scheepvaartcontrole in verband met de scheepsmeting verstrekte diensten kan :
1° een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat;
2° de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde worden verplicht aan de Staat de gemaakte onkosten terug te betalen.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan, alsook de nadere regels voor de terugbetaling van de gemaakte onkosten.
§ 2. Behalve in het geval van een nieuwe meting als bedoeld in artikel 2.2.2.12, derde lid, wordt geen meetbrief uitgereikt dan op overlegging van het bewijs van betaling van de retributie of van terugbetaling van de kosten.
Art. 2.2.2.13. Redevances
§ 1er. Pour la détermination des jauges brute et nette, la délivrance du certificat de jaugeage, l'accomplissement des formalités et d'autres services délivrés par le Contrôle de la navigation en lien avec le jaugeage des navires :
1° une redevance peut être prélevée, dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevable à l'Etat;
2° le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire peuvent être tenus de rembourser à l'Etat les frais engendrés.
Le Roi détermine le tarif des redevances et les autres règles afférentes à leur application et à leur perception, ainsi que les modalités de remboursement des frais engendrés.
§ 2. Sauf dans le cas d'un nouveau jaugeage, tel que visé à l'article 2.2.2.12, alinéa 3, il n'est délivré de certificat de jaugeage que sur la production de la preuve du paiement de la redevance ou du remboursement des frais.
§ 1er. Pour la détermination des jauges brute et nette, la délivrance du certificat de jaugeage, l'accomplissement des formalités et d'autres services délivrés par le Contrôle de la navigation en lien avec le jaugeage des navires :
1° une redevance peut être prélevée, dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevable à l'Etat;
2° le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire peuvent être tenus de rembourser à l'Etat les frais engendrés.
Le Roi détermine le tarif des redevances et les autres règles afférentes à leur application et à leur perception, ainsi que les modalités de remboursement des frais engendrés.
§ 2. Sauf dans le cas d'un nouveau jaugeage, tel que visé à l'article 2.2.2.12, alinéa 3, il n'est délivré de certificat de jaugeage que sur la production de la preuve du paiement de la redevance ou du remboursement des frais.
Art. 2.2.2.14. Uitvoeringsbesluiten
De Koning bepaalt :
1° de nadere regels voor het vaststellen van de bruto- en nettotonnenmaat met het oog op de uitreiking van de internationale meetbrief en van de nationale meetbrief;
2° de inhoud, het model en de geldigheidsduur van de internationale meetbrief en de nationale meetbrief;
3° de nadere regels in verband met de aanvraag, de uitreiking en de intrekking van de meetbrieven;
4° welke bepalingen van deze titel niet van toepassing zijn op bepaalde types van schepen.
De Koning bepaalt :
1° de nadere regels voor het vaststellen van de bruto- en nettotonnenmaat met het oog op de uitreiking van de internationale meetbrief en van de nationale meetbrief;
2° de inhoud, het model en de geldigheidsduur van de internationale meetbrief en de nationale meetbrief;
3° de nadere regels in verband met de aanvraag, de uitreiking en de intrekking van de meetbrieven;
4° welke bepalingen van deze titel niet van toepassing zijn op bepaalde types van schepen.
Art. 2.2.2.14. Arrêtés d'exécution
Le Roi détermine :
1° les modalités de détermination des jauges brute et nette pour la délivrance du certificat international de jaugeage et du certificat national de jaugeage;
2° la teneur, le modèle et la durée de validité du certificat international de jaugeage et du certificat national de jaugeage;
3° les modalités de la demande, de la délivrance et du retrait des certificats de jaugeage;
4° les dispositions du présent titre qui ne s'appliquent pas à certains types de navires.
Le Roi détermine :
1° les modalités de détermination des jauges brute et nette pour la délivrance du certificat international de jaugeage et du certificat national de jaugeage;
2° la teneur, le modèle et la durée de validité du certificat international de jaugeage et du certificat national de jaugeage;
3° les modalités de la demande, de la délivrance et du retrait des certificats de jaugeage;
4° les dispositions du présent titre qui ne s'appliquent pas à certains types de navires.
HOOFDSTUK 3. - Veiligheid
CHAPITRE 3. - Sécurité
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1. - Dispositions générales
Art. 2.2.3.1. Begrippen
§ 1. In dit hoofdstuk, in de daarop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, wordt onder "erkende organisatie" verstaan, een organisatie die is erkend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties.
§ 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 worden de reder, de scheepsgebruiker, de scheepshuurder, de scheepsexploitant en hij die het schip in bezit heeft met de scheepseigenaar gelijkgesteld.
§ 3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop betrekking hebbende bepalingen van deel 4 wordt een amfibievoertuig, in afwijking van artikel 1.1.1.3, § 1, beschouwd als een schip.
§ 1. In dit hoofdstuk, in de daarop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, wordt onder "erkende organisatie" verstaan, een organisatie die is erkend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties.
§ 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 worden de reder, de scheepsgebruiker, de scheepshuurder, de scheepsexploitant en hij die het schip in bezit heeft met de scheepseigenaar gelijkgesteld.
§ 3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop betrekking hebbende bepalingen van deel 4 wordt een amfibievoertuig, in afwijking van artikel 1.1.1.3, § 1, beschouwd als een schip.
Art. 2.2.3.1. Notions
§ 1er. Dans le présent chapitre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférentes, l'on entend par " organisme agréé ", une organisme agréé conformément au Règlement (CE) n° 391/2009 du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 établissant des règles et normes communes concernant les organismes habilités à effectuer l'inspection et la visite des navires.
§ 2. Pour l'application du présent chapitre et des dispositions du livre 4 [1 qui]1 y ont trait, l'armateur, l'utilisateur du navire, le locataire du navire, l'exploitant du navire et celui qui a en possession le navire [1 , sont assimilés]1 au propriétaire du navire.
§ 3. Pour l'application du présent chapitre et des dispositions du livre 4 qui y ont trait, un véhicule amphibie, par dérogation à l'article 1.1.1.3, § 1er, est considéré comme un navire.
§ 1er. Dans le présent chapitre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférentes, l'on entend par " organisme agréé ", une organisme agréé conformément au Règlement (CE) n° 391/2009 du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 établissant des règles et normes communes concernant les organismes habilités à effectuer l'inspection et la visite des navires.
§ 2. Pour l'application du présent chapitre et des dispositions du livre 4 [1 qui]1 y ont trait, l'armateur, l'utilisateur du navire, le locataire du navire, l'exploitant du navire et celui qui a en possession le navire [1 , sont assimilés]1 au propriétaire du navire.
§ 3. Pour l'application du présent chapitre et des dispositions du livre 4 qui y ont trait, un véhicule amphibie, par dérogation à l'article 1.1.1.3, § 1er, est considéré comme un navire.
Wijzigingen
Art. 2.2.3.2. Materiële toepassing
Dit hoofdstuk en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 zijn van toepassing op zeeschepen die worden ingezet of bestemd zijn voor bedrijfs- of beroepsmatige doeleinden.
Dit hoofdstuk en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 zijn van toepassing op zeeschepen die worden ingezet of bestemd zijn voor bedrijfs- of beroepsmatige doeleinden.
Art. 2.2.3.2. Application matérielle
Le présent chapitre et les dispositions du livre 4 qui y ont trait s'appliquent aux navires de mer qui sont mis en oeuvre ou destinés à des fins commerciales ou professionnelles.
Le présent chapitre et les dispositions du livre 4 qui y ont trait s'appliquent aux navires de mer qui sont mis en oeuvre ou destinés à des fins commerciales ou professionnelles.
Art. 2.2.3.3. Andere regelgeving
Dit hoofdstuk [1 ...]1 geldt onverminderd van de wet van 20 augustus 1981 houdende goedkeuring van de Internationale Overeenkomst voor veilige containers, en van de Bijlagen, opgemaakt te Genève op 2 december 1972.
Dit hoofdstuk [1 ...]1 geldt onverminderd van de wet van 20 augustus 1981 houdende goedkeuring van de Internationale Overeenkomst voor veilige containers, en van de Bijlagen, opgemaakt te Genève op 2 december 1972.
Art. 2.2.3.3. Autre réglementation
Le présent chapitre s'applique sans préjudice de la loi du 20 août 1981 portant approbation de la Convention internationale sur la sécurité des conteneurs, et des Annexes, faites à Genève le 2 décembre 1972.
Le présent chapitre s'applique sans préjudice de la loi du 20 août 1981 portant approbation de la Convention internationale sur la sécurité des conteneurs, et des Annexes, faites à Genève le 2 décembre 1972.
Art. 2.2.3.4. Behandeling van schepen van niet-Verdragstaten
Ingeval een zeeschip de vlag van een Staat voert die geen partij is bijhet CSC-Verdrag, het LL-Verdrag, het LL-Protocol 1988, het MLC-Verdrag, het SFV-Verdrag, het SOLAS-Verdrag, het SOLAS-Protocol 1978 of het SOLAS-Protocol 1988, ziet de Scheepvaartcontrole erop toe dat het geen gunstiger behandeling krijgt dan een schip dat vaart onder de vlag van een Staat die wel partij is bij het betrokken verdrag.
Ingeval een zeeschip de vlag van een Staat voert die geen partij is bijhet CSC-Verdrag, het LL-Verdrag, het LL-Protocol 1988, het MLC-Verdrag, het SFV-Verdrag, het SOLAS-Verdrag, het SOLAS-Protocol 1978 of het SOLAS-Protocol 1988, ziet de Scheepvaartcontrole erop toe dat het geen gunstiger behandeling krijgt dan een schip dat vaart onder de vlag van een Staat die wel partij is bij het betrokken verdrag.
Art. 2.2.3.4. Traitement des navires d'Etats non contractants
Lorsqu'un navire de mer battant pavillon d'un Etat non partie de la Convention CSC, de la Convention LL, du Protocole LL 1988, de la Convention MLC, de la Convention SFV, de la Convention SOLAS, du Protocole SOLAS 1978 ou du Protocole SOLAS 1988, le Contrôle de la navigation veille à ce qu'il n'obtienne pas de traitement de faveur par rapport à un navire battant pavillon d'un Etat partie à la convention concernée.
Lorsqu'un navire de mer battant pavillon d'un Etat non partie de la Convention CSC, de la Convention LL, du Protocole LL 1988, de la Convention MLC, de la Convention SFV, de la Convention SOLAS, du Protocole SOLAS 1978 ou du Protocole SOLAS 1988, le Contrôle de la navigation veille à ce qu'il n'obtienne pas de traitement de faveur par rapport à un navire battant pavillon d'un Etat partie à la convention concernée.
Art. 2.2.3.5. Retributies
Voor de schouwing van een schip, de uitreiking van een certificaat of een toelating tot afvaart, de vervulling van formaliteiten en andere door de Scheepvaartcontrole in verband met de scheepsveiligheid verstrekte diensten, kan een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan.
Voor de schouwing van een schip, de uitreiking van een certificaat of een toelating tot afvaart, de vervulling van formaliteiten en andere door de Scheepvaartcontrole in verband met de scheepsveiligheid verstrekte diensten, kan een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan.
Art. 2.2.3.5. Redevances
Pour la visite d'un navire, la délivrance d'un certificat ou une autorisation de départ, l'accomplissement des formalités et autres services fournis par le Contrôle de la navigation en lien avec la sécurité des navires, une redevance peut être prélevée dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevable à l'Etat.
Le Roi détermine le tarif des redevances et les autres règles afférentes à leur application et à leur perception.
Pour la visite d'un navire, la délivrance d'un certificat ou une autorisation de départ, l'accomplissement des formalités et autres services fournis par le Contrôle de la navigation en lien avec la sécurité des navires, une redevance peut être prélevée dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevable à l'Etat.
Le Roi détermine le tarif des redevances et les autres règles afférentes à leur application et à leur perception.
Afdeling 2. - Zeeschepen
Section 2. - Navires de mer
Onderafdeling 1. - Veiligheidseisen
Sous-Section 1ère. - Exigences de sécurité
Art. 2.2.3.6. Algemene veiligheids- en certificaatplicht
§ 1. Geen Belgisch of vreemd zeeschip mag vanuit een Belgische haven zee kiezen of in de Belgische wateren varen en geen zeeschip mag in het buitenland onder Belgische vlag zee kiezen, als het niet in staat van veiligheid is.
§ 2. Onder voorbehoud van de artikel en 2.2.3.7 en 2.2.3.8 mag geen zeeschip onder Belgische vlag varen indien het niet voorzien is van een in artikel 2.2.3.10 of 2.2.3.11 bedoeld geldig certificaat en van de in artikel 2.2.3.14, 1° bedoelde geldige certificaten.
§ 1. Geen Belgisch of vreemd zeeschip mag vanuit een Belgische haven zee kiezen of in de Belgische wateren varen en geen zeeschip mag in het buitenland onder Belgische vlag zee kiezen, als het niet in staat van veiligheid is.
§ 2. Onder voorbehoud van de artikel en 2.2.3.7 en 2.2.3.8 mag geen zeeschip onder Belgische vlag varen indien het niet voorzien is van een in artikel 2.2.3.10 of 2.2.3.11 bedoeld geldig certificaat en van de in artikel 2.2.3.14, 1° bedoelde geldige certificaten.
Art. 2.2.3.6. Obligation générale en matière de sécurité et de certificat
§ 1er. Aucun navire de mer belge ou étranger ne peut prendre la mer à partir d'un port belge ou naviguer dans les eaux belges et aucun navire de mer ne peut prendre la mer à l'étranger sous pavillon belge sans être en état de sécurité.
§ 2. Sous réserve des articles 2.2.3.7 et 2.2.3.8, aucun navire de mer n'est autorisé à battre pavillon belge s'il n'est pourvu du certificat en cours de validité visé à l'article 2.2.3.10 ou 2.2.3.11, ainsi que des certificats en cours de validité visés à l'article 2.2.3.14, 1°.
§ 1er. Aucun navire de mer belge ou étranger ne peut prendre la mer à partir d'un port belge ou naviguer dans les eaux belges et aucun navire de mer ne peut prendre la mer à l'étranger sous pavillon belge sans être en état de sécurité.
§ 2. Sous réserve des articles 2.2.3.7 et 2.2.3.8, aucun navire de mer n'est autorisé à battre pavillon belge s'il n'est pourvu du certificat en cours de validité visé à l'article 2.2.3.10 ou 2.2.3.11, ainsi que des certificats en cours de validité visés à l'article 2.2.3.14, 1°.
Art. 2.2.3.7. Bijzondere regeling voor bepaalde kustvaarders
Belgische zeeschepen die uitsluitend in een beperkt vaargebied langs een kust varen moeten voorzien zijn van een certificaat van deugdelijkheid voor beperkte vaart langs de kust, dat alleen voor het daarop vermeld gebied geldig is.
Het certificaat wordt uitgereikt door de scheepvaartcontroleurs en de geldigheidsduur ervan wordt desgevallend door hen verlengd overeenkomstig artikel 2.2.3.10, § 3.
Onverminderd artikel 2.2.3.9, stelt de Koning de voorwaarden vast waaronder de scheepvaartcontroleurs de grenzen van een beperkt vaargebied bepalen.
Belgische zeeschepen die uitsluitend in een beperkt vaargebied langs een kust varen moeten voorzien zijn van een certificaat van deugdelijkheid voor beperkte vaart langs de kust, dat alleen voor het daarop vermeld gebied geldig is.
Het certificaat wordt uitgereikt door de scheepvaartcontroleurs en de geldigheidsduur ervan wordt desgevallend door hen verlengd overeenkomstig artikel 2.2.3.10, § 3.
Onverminderd artikel 2.2.3.9, stelt de Koning de voorwaarden vast waaronder de scheepvaartcontroleurs de grenzen van een beperkt vaargebied bepalen.
Art. 2.2.3.7. Régime spécial pour certains navires côtiers
Les navires de mer belges naviguant exclusivement dans une zone de navigation restreinte le long d'une côte doivent être munis d'un certificat de navigabilité pour navigation restreinte côtière qui n'est valable que pour la zone qui y est indiquée.
Le certificat est délivré et la durée de sa validité est prolongée, le cas échéant, conformément à l'article 2.2.3.10, § 3, par les contrôleurs de la navigation.
Sans préjudice de l'article 2.2.3.9, le Roi fixe les conditions dans lesquelles les contrôleurs de la navigation déterminent les limites d'une zone de navigation restreinte.
Les navires de mer belges naviguant exclusivement dans une zone de navigation restreinte le long d'une côte doivent être munis d'un certificat de navigabilité pour navigation restreinte côtière qui n'est valable que pour la zone qui y est indiquée.
Le certificat est délivré et la durée de sa validité est prolongée, le cas échéant, conformément à l'article 2.2.3.10, § 3, par les contrôleurs de la navigation.
Sans préjudice de l'article 2.2.3.9, le Roi fixe les conditions dans lesquelles les contrôleurs de la navigation déterminent les limites d'une zone de navigation restreinte.
Art. 2.2.3.8. Bijzondere regeling voor bijzondere reizen
Zeeschepen die een bijzondere reis ondernemen moeten voorzien zijn van een toelating tot afvaart die wordt verstrekt voor de duur en onder de voorwaarden bepaald door de scheepvaartcontroleurs.
De toelating tot afvaart wordt alleen verstrekt als de bijzondere reis geen gevaar oplevert voor de veiligheid van de bemanning, de passagiers, de lading of het marien milieu.
In het buitenland wordt de toelating tot afvaart alleen verleend op gunstig verslag van door de scheepvaartcontroleurs aangeduide deskundigen van een erkende organisatie.
De schepen welke de toelating tot afvaart aan boord hebben, moeten niet van een certificaat van deugdelijkheid voorzien zijn.
Zeeschepen die een bijzondere reis ondernemen moeten voorzien zijn van een toelating tot afvaart die wordt verstrekt voor de duur en onder de voorwaarden bepaald door de scheepvaartcontroleurs.
De toelating tot afvaart wordt alleen verstrekt als de bijzondere reis geen gevaar oplevert voor de veiligheid van de bemanning, de passagiers, de lading of het marien milieu.
In het buitenland wordt de toelating tot afvaart alleen verleend op gunstig verslag van door de scheepvaartcontroleurs aangeduide deskundigen van een erkende organisatie.
De schepen welke de toelating tot afvaart aan boord hebben, moeten niet van een certificaat van deugdelijkheid voorzien zijn.
Art. 2.2.3.8. Régime spécial pour les voyages spéciaux
Les navires de mer qui entreprennent un voyage spécial doivent être munis d'une autorisation de départ fournie pour la durée et aux conditions fixées par les contrôleurs de la navigation.
L'autorisation de départ n'est fournie que si le voyage spécial ne présente aucun danger pour la sécurité de l'équipage, des passagers ou de la cargaison ou pour l'environnement marin.
A l'étranger, l'autorisation de départ n'est donnée que sur rapport favorable d'experts d'un organisme agréé désignés par les contrôleurs de la navigation.
Les navires ayant à bord une autorisation de départ ne doivent pas être munis d'un certificat de navigabilité.
Les navires de mer qui entreprennent un voyage spécial doivent être munis d'une autorisation de départ fournie pour la durée et aux conditions fixées par les contrôleurs de la navigation.
L'autorisation de départ n'est fournie que si le voyage spécial ne présente aucun danger pour la sécurité de l'équipage, des passagers ou de la cargaison ou pour l'environnement marin.
A l'étranger, l'autorisation de départ n'est donnée que sur rapport favorable d'experts d'un organisme agréé désignés par les contrôleurs de la navigation.
Les navires ayant à bord une autorisation de départ ne doivent pas être munis d'un certificat de navigabilité.
Art. 2.2.3.9. Uitvoeringsbesluiten
De Koning bepaalt :
1° met inachtneming van de dienst en de vaart waartoe het zeeschip is bestemd, de voorwaarden waaraan het zeeschip moet voldoen om in staat van veiligheid te zijn, in het bijzonder de voorschriften betreffende :
a) de bouw en de staat van onderhoud;
b) de reddingsmiddelen;
c) zeil en treil, de uitrustingsvoorwerpen en de reserveonderdelen, met inbegrip van de middelen tegen brand en de wisselstukken;
d) de zeevaartinstrumenten, de seintoestellen en de telecommunicatiemiddelen;
e) de voortstuwingsmachines, waaronder de motoren en de noodaggregaten, alsook de mechanische en de elektrische toestellen en de stoomketels;
f) de lichamelijke geschiktheid, de brevetten, vergunningen en andere soortgelijke attesten, welke kunnen vereist worden van de kapitein en van de bemanning, het aantal bemanningsleden, alsook de samenstelling van de bemanning;
g) het aantal passagiers die vervoerd mogen worden;
h) de bewoonbaarheid van de inrichtingen, de hygiëne en de gezondheidsvoorwaarden;
i) de diepgangschalen en de vrijboordmerken;
j) de stabiliteit, het stuwen, het ballasten en de belasting van de scheepsstructuur;
k) het laad- en losgerei;
2° de voorwaarden waaronder de scheepvaartcontroleurs, in bijzondere gevallen, ontheffing kunnen verlenen van de toepassing van een of meer bepalingen van de uitvoeringsbesluiten;
3° de mate waarin de zeeschepen moeten voldoen aan de krachtens het 1° vastgestelde voorschriften, alsook de bevoegdheden welke de scheepvaartcontroleurs ter zake hebben;
4° de verplichtingen van de gezagvoerders en andere opvarenden alsook van de scheepseigenaars in verband met de veiligheid van zeeschepen;
5° de voorwaarden waaronder de organisaties kunnen worden erkend en gemachtigd tot het uitvoeren van gehele of gedeeltelijke inspecties en controles van Belgische zeeschepen in verband met certificaten met betrekking tot de veiligheid van de scheepvaart en het voorkomen van verontreiniging door zeeschepen en, in voorkomend geval, tot het uitreiken en vernieuwen van die certificaten;
6° bijzondere regels voor onbemande schepen.
De Koning bepaalt :
1° met inachtneming van de dienst en de vaart waartoe het zeeschip is bestemd, de voorwaarden waaraan het zeeschip moet voldoen om in staat van veiligheid te zijn, in het bijzonder de voorschriften betreffende :
a) de bouw en de staat van onderhoud;
b) de reddingsmiddelen;
c) zeil en treil, de uitrustingsvoorwerpen en de reserveonderdelen, met inbegrip van de middelen tegen brand en de wisselstukken;
d) de zeevaartinstrumenten, de seintoestellen en de telecommunicatiemiddelen;
e) de voortstuwingsmachines, waaronder de motoren en de noodaggregaten, alsook de mechanische en de elektrische toestellen en de stoomketels;
f) de lichamelijke geschiktheid, de brevetten, vergunningen en andere soortgelijke attesten, welke kunnen vereist worden van de kapitein en van de bemanning, het aantal bemanningsleden, alsook de samenstelling van de bemanning;
g) het aantal passagiers die vervoerd mogen worden;
h) de bewoonbaarheid van de inrichtingen, de hygiëne en de gezondheidsvoorwaarden;
i) de diepgangschalen en de vrijboordmerken;
j) de stabiliteit, het stuwen, het ballasten en de belasting van de scheepsstructuur;
k) het laad- en losgerei;
2° de voorwaarden waaronder de scheepvaartcontroleurs, in bijzondere gevallen, ontheffing kunnen verlenen van de toepassing van een of meer bepalingen van de uitvoeringsbesluiten;
3° de mate waarin de zeeschepen moeten voldoen aan de krachtens het 1° vastgestelde voorschriften, alsook de bevoegdheden welke de scheepvaartcontroleurs ter zake hebben;
4° de verplichtingen van de gezagvoerders en andere opvarenden alsook van de scheepseigenaars in verband met de veiligheid van zeeschepen;
5° de voorwaarden waaronder de organisaties kunnen worden erkend en gemachtigd tot het uitvoeren van gehele of gedeeltelijke inspecties en controles van Belgische zeeschepen in verband met certificaten met betrekking tot de veiligheid van de scheepvaart en het voorkomen van verontreiniging door zeeschepen en, in voorkomend geval, tot het uitreiken en vernieuwen van die certificaten;
6° bijzondere regels voor onbemande schepen.
Art. 2.2.3.9. Arrêtés d'exécution
Le Roi détermine :
1° en fonction du service et de la navigation auxquels un navire de mer est destiné, les conditions dans lesquelles un navire de mer doit se trouver pour être en état de sécurité, en particulier les prescriptions relatives :
a) à la construction et l'état d'entretien;
b) aux moyens de sauvetage;
c) aux agrès et apparaux, aux objets d'armement, aux pièces détachées, y compris les moyens contre l'incendie et les pièces de rechange;
d) aux instruments nautiques, aux appareils de signalisation et aux moyens de télécommunication;
e) aux machines de propulsion, dont les moteurs et les groupes électrogènes de secours, de même qu'aux appareils mécaniques et électriques et aux chaudières;
f) à l'aptitude physique, aux brevets, permis et autres attestations de même nature, qui peuvent être exigés du capitaine et de l'équipage, au nombre de membres d'équipage, ainsi qu'à la composition de l'équipage;
g) au nombre de passagers qui peuvent être transportés;
h) à l'habitabilité des aménagements, à l'hygiène et à la salubrité;
i) aux échelles de tirant d'eau et aux marques de franc-bord;
j) à la stabilité, à l'arrimage, au lestage et à la sollicitation de la structure du navire;
k) aux engins de levage;
2° les conditions dans lesquelles les contrôleurs de la navigation peuvent, dans des cas particuliers, accorder une dispense d'une ou de plusieurs dispositions des arrêtés d'exécution;
3° la mesure dans laquelle les navires de mer doivent satisfaire aux dispositions établies en vertu du 1°, ainsi que les attributions des contrôleurs de la navigation;
4° les obligations des commandants et autres personnes embarquées ainsi que des propriétaires de navire, relatives à la sécurité des navires de mer;
5° les conditions auxquelles les organismes peuvent être agréés et mandatées à effectuer, en tout ou en partie, les inspections et visites des navires de mer belges afférentes à des certificats concernant la sécurité de la navigation et la prévention de la pollution par les navires de mer et, le cas échéant, à délivrer ou à renouveler ces certificats;
6° des règles spéciales pour des navires sans équipage.
Le Roi détermine :
1° en fonction du service et de la navigation auxquels un navire de mer est destiné, les conditions dans lesquelles un navire de mer doit se trouver pour être en état de sécurité, en particulier les prescriptions relatives :
a) à la construction et l'état d'entretien;
b) aux moyens de sauvetage;
c) aux agrès et apparaux, aux objets d'armement, aux pièces détachées, y compris les moyens contre l'incendie et les pièces de rechange;
d) aux instruments nautiques, aux appareils de signalisation et aux moyens de télécommunication;
e) aux machines de propulsion, dont les moteurs et les groupes électrogènes de secours, de même qu'aux appareils mécaniques et électriques et aux chaudières;
f) à l'aptitude physique, aux brevets, permis et autres attestations de même nature, qui peuvent être exigés du capitaine et de l'équipage, au nombre de membres d'équipage, ainsi qu'à la composition de l'équipage;
g) au nombre de passagers qui peuvent être transportés;
h) à l'habitabilité des aménagements, à l'hygiène et à la salubrité;
i) aux échelles de tirant d'eau et aux marques de franc-bord;
j) à la stabilité, à l'arrimage, au lestage et à la sollicitation de la structure du navire;
k) aux engins de levage;
2° les conditions dans lesquelles les contrôleurs de la navigation peuvent, dans des cas particuliers, accorder une dispense d'une ou de plusieurs dispositions des arrêtés d'exécution;
3° la mesure dans laquelle les navires de mer doivent satisfaire aux dispositions établies en vertu du 1°, ainsi que les attributions des contrôleurs de la navigation;
4° les obligations des commandants et autres personnes embarquées ainsi que des propriétaires de navire, relatives à la sécurité des navires de mer;
5° les conditions auxquelles les organismes peuvent être agréés et mandatées à effectuer, en tout ou en partie, les inspections et visites des navires de mer belges afférentes à des certificats concernant la sécurité de la navigation et la prévention de la pollution par les navires de mer et, le cas échéant, à délivrer ou à renouveler ces certificats;
6° des règles spéciales pour des navires sans équipage.
Onderafdeling 2. - Certificaten
Sous-section 2. - Certificats
Art. 2.2.3.10. Certificaat van deugdelijkheid
§ 1. Het certificaat van deugdelijkheid wordt uitgereikt door de Scheepvaartcontrole.
Het certificaat stelt vast, tot het tegenbewijs is geleverd, dat het zeeschip in al zijn delen beantwoordt aan de voorschriften van deze titel en van de besluiten genomen ter uitvoering ervan.
§ 2. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder het certificaat van deugdelijkheid wordt aangevraagd en uitgereikt, alsook de inhoud en de geldigheidsduur ervan.
§ 3. De geldigheid van het certificaat van deugdelijkheid mag door de scheepvaartcontroleurs eenmaal voor ten hoogste een maand worden verlengd. Deze verlenging mag niet worden hernieuwd.
De scheepvaartcontroleur maakt van de verlenging melding op het certificaat.
§ 4. Het certificaat van deugdelijkheid verliest van rechtswege zijn geldigheid ingeval een of meer overeenkomstig artikel 2.2.3.14 vereiste internationale certificaten, om welke reden ook, niet meer geldig is of zijn.
§ 1. Het certificaat van deugdelijkheid wordt uitgereikt door de Scheepvaartcontrole.
Het certificaat stelt vast, tot het tegenbewijs is geleverd, dat het zeeschip in al zijn delen beantwoordt aan de voorschriften van deze titel en van de besluiten genomen ter uitvoering ervan.
§ 2. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder het certificaat van deugdelijkheid wordt aangevraagd en uitgereikt, alsook de inhoud en de geldigheidsduur ervan.
§ 3. De geldigheid van het certificaat van deugdelijkheid mag door de scheepvaartcontroleurs eenmaal voor ten hoogste een maand worden verlengd. Deze verlenging mag niet worden hernieuwd.
De scheepvaartcontroleur maakt van de verlenging melding op het certificaat.
§ 4. Het certificaat van deugdelijkheid verliest van rechtswege zijn geldigheid ingeval een of meer overeenkomstig artikel 2.2.3.14 vereiste internationale certificaten, om welke reden ook, niet meer geldig is of zijn.
Art. 2.2.3.10. Certificat de navigabilité
§ 1er. Le certificat de navigabilité est délivré par le Contrôle de la navigation.
Le certificat atteste, jusqu'à preuve du contraire, que le navire répond dans toutes ses parties aux prescriptions de ce titre et des arrêtés pris en exécution de celui-ci.
§ 2. Le Roi fixe les conditions dans lesquelles le certificat de navigabilité est demandé et délivré, ainsi que la teneur et la durée de la validité de celui-ci.
§ 3. La validité du certificat de navigabilité peut faire l'objet d'une seule prolongation par les contrôleurs de la navigation, d'une durée maximale d'un mois. Elle n'est pas renouvelable.
Le contrôleur de la navigation fait mention de la prolongation sur le certificat.
§ 4. Le certificat de navigabilité perd de plein droit sa validité dans le cas où un ou plusieurs des certificats internationaux requis conformément à l'article 2.2.3.14 cessent d'être valables pour quelque raison que ce soit.
§ 1er. Le certificat de navigabilité est délivré par le Contrôle de la navigation.
Le certificat atteste, jusqu'à preuve du contraire, que le navire répond dans toutes ses parties aux prescriptions de ce titre et des arrêtés pris en exécution de celui-ci.
§ 2. Le Roi fixe les conditions dans lesquelles le certificat de navigabilité est demandé et délivré, ainsi que la teneur et la durée de la validité de celui-ci.
§ 3. La validité du certificat de navigabilité peut faire l'objet d'une seule prolongation par les contrôleurs de la navigation, d'une durée maximale d'un mois. Elle n'est pas renouvelable.
Le contrôleur de la navigation fait mention de la prolongation sur le certificat.
§ 4. Le certificat de navigabilité perd de plein droit sa validité dans le cas où un ou plusieurs des certificats internationaux requis conformément à l'article 2.2.3.14 cessent d'être valables pour quelque raison que ce soit.
Art. 2.2.3.11. Voorlopig certificaat van deugdelijkheid
§ 1. Wanneer een zeeschip in het buitenland onder Belgische vlag wordt gebracht en de Scheepvaartcontrole niet voor een certificaat van deugdelijkheid kan zorgen, moet het zeeschip voorzien zijn van een voorlopig certificaat van deugdelijkheid.
Dit certificaat wordt door de Scheepvaartcontrole uitgereikt op gunstig verslag van een erkende organisatie.
Het voorlopig certificaat kan evenwel zonder de tussenkomst van een erkende organisatie worden uitgereikt indien de gezagvoerder of een andere vertegenwoordiger van de scheepseigenaar geldige vreemde nationale of internationale certificaten overlegt waaruit blijkt dat voldaan is aan alle punten welke door het certificaat van deugdelijkheid zijn gedekt.
§ 2. Wanneer een Belgisch zeeschip zich in het buitenland bevindt en zijn certificaat van deugdelijkheid vóór de vervaldatum, welke in voorkomend geval overeenkomstig artikel 2.2.3.10, § 3 is uitgesteld, niet kan worden vernieuwd, moet het worden voorzien van een voorlopig certificaat van deugdelijkheid dat door de Scheepvaartcontrole wordt uitgereikt op gunstig verslag van een erkende organisatie.
§ 3. De geldigheid van het voorlopig certificaat van deugdelijkheid verstrijkt in elk geval bij aankomst van het zeeschip in een Belgische haven of, voor de zeeschepen bedoeld in artikel 2.2.3.12, bij aankomst van het zeeschip in de haven welke het meestal aanloopt, ingeval het daar aankomt voordat het een Belgische haven bereikt.
§ 1. Wanneer een zeeschip in het buitenland onder Belgische vlag wordt gebracht en de Scheepvaartcontrole niet voor een certificaat van deugdelijkheid kan zorgen, moet het zeeschip voorzien zijn van een voorlopig certificaat van deugdelijkheid.
Dit certificaat wordt door de Scheepvaartcontrole uitgereikt op gunstig verslag van een erkende organisatie.
Het voorlopig certificaat kan evenwel zonder de tussenkomst van een erkende organisatie worden uitgereikt indien de gezagvoerder of een andere vertegenwoordiger van de scheepseigenaar geldige vreemde nationale of internationale certificaten overlegt waaruit blijkt dat voldaan is aan alle punten welke door het certificaat van deugdelijkheid zijn gedekt.
§ 2. Wanneer een Belgisch zeeschip zich in het buitenland bevindt en zijn certificaat van deugdelijkheid vóór de vervaldatum, welke in voorkomend geval overeenkomstig artikel 2.2.3.10, § 3 is uitgesteld, niet kan worden vernieuwd, moet het worden voorzien van een voorlopig certificaat van deugdelijkheid dat door de Scheepvaartcontrole wordt uitgereikt op gunstig verslag van een erkende organisatie.
§ 3. De geldigheid van het voorlopig certificaat van deugdelijkheid verstrijkt in elk geval bij aankomst van het zeeschip in een Belgische haven of, voor de zeeschepen bedoeld in artikel 2.2.3.12, bij aankomst van het zeeschip in de haven welke het meestal aanloopt, ingeval het daar aankomt voordat het een Belgische haven bereikt.
Art. 2.2.3.11. Certificat provisoire de navigabilité
§ 1er. Lorsqu'un navire de mer est mis sous pavillon belge à l'étranger et que le Contrôle de la navigation est dans l'impossibilité de délivrer un certificat de navigabilité, le navire de mer doit être muni d'un certificat provisoire de navigabilité.
Ce certificat est délivré par le Contrôle de la navigation sur rapport favorable d'une organisation agréé.
Le certificat provisoire peut toutefois être délivré sans intervention d'un organisme agréé si le commandant ou un autre représentant du propriétaire du navire produit des certificats étrangers en cours de validité, nationaux ou internationaux, attestant qu'il a été satisfait à tous les points couverts par le certificat de navigabilité.
§ 2. Lorsqu'un navire de mer belge se trouve à l'étranger dans l'impossibilité de faire renouveler son certificat de navigabilité avant la date d'expiration, le cas échéant prorogée conformément à l'article 2.2.3.10, § 3, il doit être pourvu d'un certificat provisoire de navigabilité délivré par le Contrôle de la navigation sur rapport favorable d'un organisme agréé.
§ 3. La validité du certificat provisoire de navigabilité expire en tout cas à l'arrivée du navire de mer dans un port belge ou, pour les navires de mer visés à l'article 2.2.3.12, à l'arrivée du navire de mer dans le port où celui-ci relâche le plus fréquemment dans le cas où il y arrive avant d'atteindre un port belge.
§ 1er. Lorsqu'un navire de mer est mis sous pavillon belge à l'étranger et que le Contrôle de la navigation est dans l'impossibilité de délivrer un certificat de navigabilité, le navire de mer doit être muni d'un certificat provisoire de navigabilité.
Ce certificat est délivré par le Contrôle de la navigation sur rapport favorable d'une organisation agréé.
Le certificat provisoire peut toutefois être délivré sans intervention d'un organisme agréé si le commandant ou un autre représentant du propriétaire du navire produit des certificats étrangers en cours de validité, nationaux ou internationaux, attestant qu'il a été satisfait à tous les points couverts par le certificat de navigabilité.
§ 2. Lorsqu'un navire de mer belge se trouve à l'étranger dans l'impossibilité de faire renouveler son certificat de navigabilité avant la date d'expiration, le cas échéant prorogée conformément à l'article 2.2.3.10, § 3, il doit être pourvu d'un certificat provisoire de navigabilité délivré par le Contrôle de la navigation sur rapport favorable d'un organisme agréé.
§ 3. La validité du certificat provisoire de navigabilité expire en tout cas à l'arrivée du navire de mer dans un port belge ou, pour les navires de mer visés à l'article 2.2.3.12, à l'arrivée du navire de mer dans le port où celui-ci relâche le plus fréquemment dans le cas où il y arrive avant d'atteindre un port belge.
Art. 2.2.3.12. Belgische schepen die nooit of uitzonderlijk een Belgische haven aanlopen
§ 1. Het certificaat van deugdelijkheid van een Belgisch zeeschip dat nooit of alleen bij uitzondering een Belgische haven aanloopt, kan door de Scheepvaartcontrole worden uitgereikt overeenkomstig artikel 2.2.3.11, § 1, tweede lid.
Ingeval het zeeschip zich niet in een Belgische haven bevindt en het in de onmogelijkheid verkeert zijn certificaat van deugdelijkheid binnen de voorgeschreven termijn te vernieuwen, is artikel 2.2.3.11, § 2 van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Ingeval een Belgisch zeeschip dat nooit of alleen bij uitzondering een Belgische haven aanloopt, niet aan de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden kan voldoen, wordt de procedure voor het bekomen van het certificaat van deugdelijkheid geregeld door de scheepvaartcontroleurs. De scheepvaartcontroleurs kunnen hiertoe zich naar het schip begeven. Onverminderd de retributie verschuldigd overeenkomstig artikel 2.2.3.5 worden de onkosten waaronder verblijfs- en reiskosten vergoed door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde.
§ 3. Artikel 2.2.3.11, § 3 is op de uitreiking van in dit artikel bedoelde certificaten van overeenkomstige toepassing.
§ 1. Het certificaat van deugdelijkheid van een Belgisch zeeschip dat nooit of alleen bij uitzondering een Belgische haven aanloopt, kan door de Scheepvaartcontrole worden uitgereikt overeenkomstig artikel 2.2.3.11, § 1, tweede lid.
Ingeval het zeeschip zich niet in een Belgische haven bevindt en het in de onmogelijkheid verkeert zijn certificaat van deugdelijkheid binnen de voorgeschreven termijn te vernieuwen, is artikel 2.2.3.11, § 2 van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Ingeval een Belgisch zeeschip dat nooit of alleen bij uitzondering een Belgische haven aanloopt, niet aan de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden kan voldoen, wordt de procedure voor het bekomen van het certificaat van deugdelijkheid geregeld door de scheepvaartcontroleurs. De scheepvaartcontroleurs kunnen hiertoe zich naar het schip begeven. Onverminderd de retributie verschuldigd overeenkomstig artikel 2.2.3.5 worden de onkosten waaronder verblijfs- en reiskosten vergoed door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde.
§ 3. Artikel 2.2.3.11, § 3 is op de uitreiking van in dit artikel bedoelde certificaten van overeenkomstige toepassing.
Art. 2.2.3.12. Navires de mer belges ne rejoignant jamais ou qu'exceptionnellement un port belge
§ 1er. Le certificat de navigabilité d'un navire de mer belge ne rejoignant jamais ou qu'exceptionnellement un port belge peut être délivré par le Contrôle de la navigation conformément à l'article 2.2.3.11, § 1er, deuxième alinéa.
Dans le cas où le navire de mer ne se trouve pas dans un port belge et se trouve dans l'impossibilité de faire renouveler son certificat de navigabilité endéans le délai prescrit, il sera fait application de l'article 2.2.3.11, § 2 par analogie.
§ 2. Dans le cas où un navire de mer belge qui ne rejoint jamais ou qui ne rejoint qu'exceptionnellement un port belge ne peut pas satisfaire aux conditions visées au paragraphe 1er, les contrôleurs de la navigation déterminent la procédure pour l'obtention du certificat de navigabilité. Les contrôleurs de la navigation peuvent se rendre au navire à cet effet. Sans préjudice de la redevance redevable conformément à l'article 2.2.3.5, les frais - dont frais de séjour et de déplacement - sont indemnisés par le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire.
§ 3. L'article 2.2.3.11, § 3, est applicable par analogie à la délivrance des certificats visés au présent article.
§ 1er. Le certificat de navigabilité d'un navire de mer belge ne rejoignant jamais ou qu'exceptionnellement un port belge peut être délivré par le Contrôle de la navigation conformément à l'article 2.2.3.11, § 1er, deuxième alinéa.
Dans le cas où le navire de mer ne se trouve pas dans un port belge et se trouve dans l'impossibilité de faire renouveler son certificat de navigabilité endéans le délai prescrit, il sera fait application de l'article 2.2.3.11, § 2 par analogie.
§ 2. Dans le cas où un navire de mer belge qui ne rejoint jamais ou qui ne rejoint qu'exceptionnellement un port belge ne peut pas satisfaire aux conditions visées au paragraphe 1er, les contrôleurs de la navigation déterminent la procédure pour l'obtention du certificat de navigabilité. Les contrôleurs de la navigation peuvent se rendre au navire à cet effet. Sans préjudice de la redevance redevable conformément à l'article 2.2.3.5, les frais - dont frais de séjour et de déplacement - sont indemnisés par le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire.
§ 3. L'article 2.2.3.11, § 3, est applicable par analogie à la délivrance des certificats visés au présent article.
Art. 2.2.3.13. Gevolgen van schadegevallen en veranderingen
§ 1. Ingeval een Belgisch zeeschip zware schade heeft opgelopen of zijn bouw aanzienlijke veranderingen heeft ondergaan, is het certificaat van deugdelijkheid van rechtswege geschorst en kan het niet opnieuw geldig gemaakt worden dan door de scheepvaartcontroleurs.
Ingeval het zeeschip zich [1 niet in België]1 bevindt, wijst de gezagvoerder of een andere vertegenwoordiger van de scheepseigenaar een erkende organisatie aan.
§ 2. Buiten de gevallen bedoeld in paragraaf 1, ingeval een Belgisch zeeschip schade heeft opgelopen, bij een voorval waardoor het vermoeden rijst dat schade aan het zeeschip ontstaan is en dit zeeschip daarna een haven aanloopt, of ingeval schade is ontstaan of het vermoeden daarvan rijst tijdens het verblijf in een haven, mag de reis niet worden voortgezet, voordat de gezagvoerder met de scheepvaartcontroleurs in verbinding is getreden om over de schade verslag uit te brengen en hun richtlijnen te ontvangen. Ingeval de scheepvaartcontroleurs oordelen dat de schade niet onmiddellijk behoeft te worden hersteld, geven ze aan de gezagvoerder een schriftelijke verklaring af naar luid waarvan de reis zonder bezwaar kan worden voortgezet onder de daarin vastgestelde voorwaarden.
In het buitenland treedt de gezagvoerder in verbinding met de Scheepvaartcontrole of, zo dit onmogelijk is, met een vertegenwoordiger van een erkende organisatie. De scheepvaartcontroleurs dan wel de vertegenwoordiger van de erkende organisatie geeft een schriftelijke verklaring af, inhoudende dat de herstelling naar behoren is geschied of dat de reis zonder bezwaar kan worden voortgezet onder de daarin vastgestelde voorwaarden. De scheepvaartcontroleurs kunnen zich hiervoor naar het schip begeven. Onverminderd de retributie verschuldigd overeenkomstig artikel 2.2.3.5 worden de onkosten waaronder verblijfs- en reiskosten vergoed door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde.
Ingeval de in het vorige lid bedoelde personen in het buitenland niet beschikbaar zijn, mag de gezagvoerder onder zijn verantwoordelijkheid de reis voortzetten, onder verplichting de feiten te vermelden in het scheepsdagboek.
§ 3. Een afschrift van de verslagen en verklaringen van de deskundigen moet onmiddellijk worden gezonden aan de scheepvaartcontroleurs.
§ 1. Ingeval een Belgisch zeeschip zware schade heeft opgelopen of zijn bouw aanzienlijke veranderingen heeft ondergaan, is het certificaat van deugdelijkheid van rechtswege geschorst en kan het niet opnieuw geldig gemaakt worden dan door de scheepvaartcontroleurs.
Ingeval het zeeschip zich [1 niet in België]1 bevindt, wijst de gezagvoerder of een andere vertegenwoordiger van de scheepseigenaar een erkende organisatie aan.
§ 2. Buiten de gevallen bedoeld in paragraaf 1, ingeval een Belgisch zeeschip schade heeft opgelopen, bij een voorval waardoor het vermoeden rijst dat schade aan het zeeschip ontstaan is en dit zeeschip daarna een haven aanloopt, of ingeval schade is ontstaan of het vermoeden daarvan rijst tijdens het verblijf in een haven, mag de reis niet worden voortgezet, voordat de gezagvoerder met de scheepvaartcontroleurs in verbinding is getreden om over de schade verslag uit te brengen en hun richtlijnen te ontvangen. Ingeval de scheepvaartcontroleurs oordelen dat de schade niet onmiddellijk behoeft te worden hersteld, geven ze aan de gezagvoerder een schriftelijke verklaring af naar luid waarvan de reis zonder bezwaar kan worden voortgezet onder de daarin vastgestelde voorwaarden.
In het buitenland treedt de gezagvoerder in verbinding met de Scheepvaartcontrole of, zo dit onmogelijk is, met een vertegenwoordiger van een erkende organisatie. De scheepvaartcontroleurs dan wel de vertegenwoordiger van de erkende organisatie geeft een schriftelijke verklaring af, inhoudende dat de herstelling naar behoren is geschied of dat de reis zonder bezwaar kan worden voortgezet onder de daarin vastgestelde voorwaarden. De scheepvaartcontroleurs kunnen zich hiervoor naar het schip begeven. Onverminderd de retributie verschuldigd overeenkomstig artikel 2.2.3.5 worden de onkosten waaronder verblijfs- en reiskosten vergoed door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde.
Ingeval de in het vorige lid bedoelde personen in het buitenland niet beschikbaar zijn, mag de gezagvoerder onder zijn verantwoordelijkheid de reis voortzetten, onder verplichting de feiten te vermelden in het scheepsdagboek.
§ 3. Een afschrift van de verslagen en verklaringen van de deskundigen moet onmiddellijk worden gezonden aan de scheepvaartcontroleurs.
Art. 2.2.3.13. Conséquences d'avaries et de modifications
§ 1er. Dans le cas où un navire de mer belge a subi une avarie grave ou que sa structure a subi des modifications importantes, le certificat de navigabilité est suspendu de plein droit et ne peut être revalidé que par les contrôleurs de la navigation.
Dans le cas où le navire de mer [1 ne se trouve pas en Belgique]1, le commandant ou un autre représentant du propriétaire du navire désigne un organisme agréé.
§ 2. En dehors des cas visés au paragraphe 1er, dans le cas où un navire de mer belge a subi une avarie, ou en cas d'incident qui fait présumer qu'une avarie peut lui être survenue, et que ce navire de mer est ensuite entré dans un port ou dans le cas où une avarie est survenue ou que la présomption d'une avarie est née pendant le séjour dans un port, le voyage ne peut pas être poursuivi, avant que le commandant ne soit entré en contact avec les contrôleurs de la navigation pour émettre un rapport sur l'avarie et recevoir leurs instructions. Dans le cas où les contrôleurs de la navigation sont d'avis que l'avarie ne doit pas être réparée immédiatement, ils délivrent au commandant une déclaration écrite fixant les conditions dans lesquelles le voyage peut être poursuivi sans inconvénient.
A l'étranger, le commandant entre en contact avec le Contrôle de la navigation ou, si ceci n'est pas possible, avec un représentant d'un organisme agréé. Les contrôleurs de la navigation ou le représentant de l'organisme agréé délivre une déclaration écrite certifiant que la réparation a été convenablement exécutée ou que le voyage peut être poursuivi sans inconvénient dans les conditions mentionnées dans cette déclaration. Les contrôleurs de la navigation peuvent se rendre au navire à cet effet. Sans préjudice de la redevance due conformément à l'article 2.2.3.5, les frais - dont frais de séjour et de déplacement - sont indemnisés par le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire.
Dans le cas où, à l'étranger, les personnes visées à l'alinéa précédent ne sont pas disponibles, le commandant peut poursuivre le voyage sous sa propre responsabilité et sous l'obligation de consigner les faits au journal de bord.
§ 3. Une copie des rapports et déclarations des experts doit être envoyée sans délai aux contrôleurs de la navigation.
§ 1er. Dans le cas où un navire de mer belge a subi une avarie grave ou que sa structure a subi des modifications importantes, le certificat de navigabilité est suspendu de plein droit et ne peut être revalidé que par les contrôleurs de la navigation.
Dans le cas où le navire de mer [1 ne se trouve pas en Belgique]1, le commandant ou un autre représentant du propriétaire du navire désigne un organisme agréé.
§ 2. En dehors des cas visés au paragraphe 1er, dans le cas où un navire de mer belge a subi une avarie, ou en cas d'incident qui fait présumer qu'une avarie peut lui être survenue, et que ce navire de mer est ensuite entré dans un port ou dans le cas où une avarie est survenue ou que la présomption d'une avarie est née pendant le séjour dans un port, le voyage ne peut pas être poursuivi, avant que le commandant ne soit entré en contact avec les contrôleurs de la navigation pour émettre un rapport sur l'avarie et recevoir leurs instructions. Dans le cas où les contrôleurs de la navigation sont d'avis que l'avarie ne doit pas être réparée immédiatement, ils délivrent au commandant une déclaration écrite fixant les conditions dans lesquelles le voyage peut être poursuivi sans inconvénient.
A l'étranger, le commandant entre en contact avec le Contrôle de la navigation ou, si ceci n'est pas possible, avec un représentant d'un organisme agréé. Les contrôleurs de la navigation ou le représentant de l'organisme agréé délivre une déclaration écrite certifiant que la réparation a été convenablement exécutée ou que le voyage peut être poursuivi sans inconvénient dans les conditions mentionnées dans cette déclaration. Les contrôleurs de la navigation peuvent se rendre au navire à cet effet. Sans préjudice de la redevance due conformément à l'article 2.2.3.5, les frais - dont frais de séjour et de déplacement - sont indemnisés par le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire.
Dans le cas où, à l'étranger, les personnes visées à l'alinéa précédent ne sont pas disponibles, le commandant peut poursuivre le voyage sous sa propre responsabilité et sous l'obligation de consigner les faits au journal de bord.
§ 3. Une copie des rapports et déclarations des experts doit être envoyée sans délai aux contrôleurs de la navigation.
Wijzigingen
Art. 2.2.3.14. Uitvoeringsbesluiten
De Koning bepaalt :
1° de internationale certificaten waarvan elk Belgisch zeeschip moet voorzien zijn naargelang van de categorie waarin het bij het betrokken besluit is gerangschikt en overeenkomstig de daarin gestelde regels en voorwaarden;
2° de voorwaarden waaronder internationale certificaten aan vreemde zeeschepen worden uitgereikt overeenkomstig de internationale verdragen waarbij België partij is;
3° de inhoud en de geldigheidsduur van de onder 1° en 2° bedoelde certificaten.
De Koning bepaalt :
1° de internationale certificaten waarvan elk Belgisch zeeschip moet voorzien zijn naargelang van de categorie waarin het bij het betrokken besluit is gerangschikt en overeenkomstig de daarin gestelde regels en voorwaarden;
2° de voorwaarden waaronder internationale certificaten aan vreemde zeeschepen worden uitgereikt overeenkomstig de internationale verdragen waarbij België partij is;
3° de inhoud en de geldigheidsduur van de onder 1° en 2° bedoelde certificaten.
Art. 2.2.3.14. Arrêtés d'exécution
Le Roi détermine :
1° les certificats internationaux dont chaque navire de mer belge doit être pourvu, suivant la catégorie dans laquelle il est rangé par l'arrêté concerné et conformément aux règles et conditions qui y sont prévues;
2° les conditions dans lesquelles les certificats internationaux sont délivrés aux navires de mer étrangers conformément aux conventions internationales auxquelles la Belgique est partie;
3° la teneur et la durée de validité des certificats visés aux 1° et 2°.
Le Roi détermine :
1° les certificats internationaux dont chaque navire de mer belge doit être pourvu, suivant la catégorie dans laquelle il est rangé par l'arrêté concerné et conformément aux règles et conditions qui y sont prévues;
2° les conditions dans lesquelles les certificats internationaux sont délivrés aux navires de mer étrangers conformément aux conventions internationales auxquelles la Belgique est partie;
3° la teneur et la durée de validité des certificats visés aux 1° et 2°.
Art. 2.2.3.15. Deskundigen en classificatie
§ 1. Elk zeeschip dat is ingeschreven in een register van een erkende organisatie en dat er in de hoogste klasse van zijn categorie is ondergebracht, is ontslagen van de door de Scheepvaartcontrole of door de deskundige of deskundigen te verrichten vaststellingen betreffende de punten waarover door die organisatie toezicht is uitgeoefend.
Dezelfde vrijstelling kan worden verleend wanneer certificaten worden uitgereikt door een bevoegde vreemde openbare dienst.
De scheepvaartcontroleurs kunnen evenwel nazien of de voorwaarden bepaald voor het bekomen van het classificatiecertificaat of van andere certificaten zijn vervuld en, zo nodig, nadere vaststellingen gelasten.
§ 2. De Koning machtigt de erkende organisatie om de taken in dit hoofdstuk uit te voeren en duidt de bevoegde buitenlandse openbare diensten aan waarvan de certificaten kunnen worden aanvaard, en bepaalt onder welke voorwaarden dit zal geschieden.
§ 1. Elk zeeschip dat is ingeschreven in een register van een erkende organisatie en dat er in de hoogste klasse van zijn categorie is ondergebracht, is ontslagen van de door de Scheepvaartcontrole of door de deskundige of deskundigen te verrichten vaststellingen betreffende de punten waarover door die organisatie toezicht is uitgeoefend.
Dezelfde vrijstelling kan worden verleend wanneer certificaten worden uitgereikt door een bevoegde vreemde openbare dienst.
De scheepvaartcontroleurs kunnen evenwel nazien of de voorwaarden bepaald voor het bekomen van het classificatiecertificaat of van andere certificaten zijn vervuld en, zo nodig, nadere vaststellingen gelasten.
§ 2. De Koning machtigt de erkende organisatie om de taken in dit hoofdstuk uit te voeren en duidt de bevoegde buitenlandse openbare diensten aan waarvan de certificaten kunnen worden aanvaard, en bepaalt onder welke voorwaarden dit zal geschieden.
Art. 2.2.3.15. Experts et classification
§ 1er. Tout navire de mer inscrit au registre d'un organisme agréé et qui y est rangé dans la plus haute classe de sa catégorie est dispensé des constatations à effectuer par le Contrôle de la navigation ou par l'expert ou les experts sur les points qui ont fait l'objet de la surveillance dudit organisme.
La même dispense peut être accordée quand les certificats sont délivrés par un service public compétent étranger.
Les contrôleurs de la navigation peuvent toutefois vérifier si les conditions déterminées pour l'obtention du certificat de classification ou d'autres certificats ont été observées et, au besoin, imposer des constatations complémentaires.
§ 2. Le Roi autorise l'organisme agréé à exécuter les tâches dans le présent chapitre et désigne quels sont les services publics étrangers compétents dont les certificats peuvent être acceptés, et détermine les conditions dans lesquelles ils peuvent l'être.
§ 1er. Tout navire de mer inscrit au registre d'un organisme agréé et qui y est rangé dans la plus haute classe de sa catégorie est dispensé des constatations à effectuer par le Contrôle de la navigation ou par l'expert ou les experts sur les points qui ont fait l'objet de la surveillance dudit organisme.
La même dispense peut être accordée quand les certificats sont délivrés par un service public compétent étranger.
Les contrôleurs de la navigation peuvent toutefois vérifier si les conditions déterminées pour l'obtention du certificat de classification ou d'autres certificats ont été observées et, au besoin, imposer des constatations complémentaires.
§ 2. Le Roi autorise l'organisme agréé à exécuter les tâches dans le présent chapitre et désigne quels sont les services publics étrangers compétents dont les certificats peuvent être acceptés, et détermine les conditions dans lesquelles ils peuvent l'être.
Art. 2.2.3.16. [1 § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk of zijn uitvoeringsbesluiten wordt industrieel personeel dat voldoet aan de voorwaarden van paragraaf 2 niet beschouwd als passagier.
" § 2. Al het industrieel personeel moet:
1. ten minste 16 jaar zijn ;
2. vóór het inschepen, een aangepaste veiligheidsopleiding volgen die voldoet aan de norm vastgesteld in paragraaf 2.1 van sectie A-VI/1 van de STCW-Code;
3. aan boord van het vaartuig een vertrouwdheidsopleiding krijgen die, zonder zich te beperken tot, de lay-out van het vaartuig en de behandeling van het veiligheidsmateriaal omvat; de gebruikte norm is deze vastgesteld in paragraaf 1 van sectie A-VI/1 van de STCW-Code;
4. zich vertrouwd maken specifieke procedures, zoals bijvoorbeeld de procedures voor het aan en van boord gaan op zee;
5. meegeteld worden voor de reddingsmiddelen;
6. uitgerust worden met persoonlijke reddingsvest en uitrusting geschikt voor de veiligheidsrisico's waaraan ze blootgesteld worden aan boord van het vaartuig en voor het aan boord of van boord gaan op zee;
7. voldoen aan de medische normen vastgesteld in sectie A-I/9 van de STCW-Code die van toepassing zijn op werktuigkundigen.]1
" § 2. Al het industrieel personeel moet:
1. ten minste 16 jaar zijn ;
2. vóór het inschepen, een aangepaste veiligheidsopleiding volgen die voldoet aan de norm vastgesteld in paragraaf 2.1 van sectie A-VI/1 van de STCW-Code;
3. aan boord van het vaartuig een vertrouwdheidsopleiding krijgen die, zonder zich te beperken tot, de lay-out van het vaartuig en de behandeling van het veiligheidsmateriaal omvat; de gebruikte norm is deze vastgesteld in paragraaf 1 van sectie A-VI/1 van de STCW-Code;
4. zich vertrouwd maken specifieke procedures, zoals bijvoorbeeld de procedures voor het aan en van boord gaan op zee;
5. meegeteld worden voor de reddingsmiddelen;
6. uitgerust worden met persoonlijke reddingsvest en uitrusting geschikt voor de veiligheidsrisico's waaraan ze blootgesteld worden aan boord van het vaartuig en voor het aan boord of van boord gaan op zee;
7. voldoen aan de medische normen vastgesteld in sectie A-I/9 van de STCW-Code die van toepassing zijn op werktuigkundigen.]1
Art. 2.2.3.16. [1 § 1er. Pour l'application du présent chapitre ou de ses arrêtés d'exécution, les membres du personnel industriel qui remplissent les conditions du paragraphe 2, ne sont pas considérés comme étant des passagers.
§ 2. Tous les membres du personnel industriel doivent :
1. avoir au moins 16 ans ;
2. avant l'embarquement, recevoir une formation appropriée en matière de sécurité qui satisfait à la norme fixée au paragraphe 2.1 de la section A-VI/1 du Code STCW ;
3. recevoir à bord du navire une formation de familiarisation spécifique en matière de sécurité qui inclut, sans toutefois s'y limiter, l'agencement du navire et la manutention du matériel du sécurité, selon qu'il convient ; la norme utilisée est celle fixée au paragraphe 1er de la section A-VI/1 du Code STCW ;
4. être familiarisés avec des procédures spécifiques, par exemple les procédures de transfert à bord du navire et hors du navire lorsqu'il est en mer;
5. être pris en compte dans le matériel de sauvetage ;
6. porter des vêtements et un équipement de protection individuelle adaptés aux risques pour la sécurité auxquels ils seront exposés à la fois lorsqu'ils seront à bord du navire et lorsqu'ils seront transférés en mer ;
7. satisfaire aux normes médicales qui sont fixées dans la section A-I/9 du Code STCW applicable aux mécaniciens.]1
§ 2. Tous les membres du personnel industriel doivent :
1. avoir au moins 16 ans ;
2. avant l'embarquement, recevoir une formation appropriée en matière de sécurité qui satisfait à la norme fixée au paragraphe 2.1 de la section A-VI/1 du Code STCW ;
3. recevoir à bord du navire une formation de familiarisation spécifique en matière de sécurité qui inclut, sans toutefois s'y limiter, l'agencement du navire et la manutention du matériel du sécurité, selon qu'il convient ; la norme utilisée est celle fixée au paragraphe 1er de la section A-VI/1 du Code STCW ;
4. être familiarisés avec des procédures spécifiques, par exemple les procédures de transfert à bord du navire et hors du navire lorsqu'il est en mer;
5. être pris en compte dans le matériel de sauvetage ;
6. porter des vêtements et un équipement de protection individuelle adaptés aux risques pour la sécurité auxquels ils seront exposés à la fois lorsqu'ils seront à bord du navire et lorsqu'ils seront transférés en mer ;
7. satisfaire aux normes médicales qui sont fixées dans la section A-I/9 du Code STCW applicable aux mécaniciens.]1
HOOFDSTUK 4. - Zaakstatuut
CHAPITRE 4. - Statut réel
Art. 2.2.4.1. Internationale toepassing
§ 1. De rechten op een zeeschip worden beheerst door :
1° het recht van de Staat van het register van oorsprong van het in een rompbevrachtingsregister ingeschreven schip;
2° bij gebreke van rompbevrachtingsregistratie, het recht van de Staat waar het zeeschip geregistreerd of teboekgesteld is;
3° bij gebreke van registratie of teboekstelling, het recht van de Staat waar de thuishaven van het zeeschip gelegen is;
4° bij gebreke van een thuishaven, het recht van de Staat waar het zeeschip gewoonlijk wordt gebruikt of, indien die Staat niet kan worden vastgesteld, het recht van de Staat waar het zeeschip zich bevindt.
§ 2. De rechten op een zeeschip in aanbouw of in verbouwing worden beheerst door het recht van de Staat waar het zeeschip is geregistreerd of teboekgesteld en, bij gebreke van registratie of teboekstelling, door het recht van de Staat waar het schip wordt gebouwd of verbouwd.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een zeeschip in aanbouw of in verbouwing als zeeschip beschouwd zodra de bouwovereenkomst respectievelijk de verbouwingsovereenkomst is ondertekend.
§ 3. Het in het vorige paragrafen bedoelde recht is het recht dat geldt op het ogenblik waarop de rechten op het schip wordt ingeroepen.
De verwerving en het verlies van rechten op een schip worden evenwel beheerst door het recht dat geldt op het ogenblik waarop de handelingen of feiten die worden ingeroepen als grond van verwerving of verlies van die rechten zich voordoen.
§ 4. Het in de vorige paragrafen bedoelde recht bepaalt in het bijzonder :
1° of het zeeschip roerend of onroerend is;
2° wat een bestanddeel en een toebehoren van het zeeschip is;
3° welke rechten op een zeeschip kunnen rusten en welke de aard en de inhoud van die rechten zijn;
4° op welke wijze die rechten ontstaan, wijzigen, overgaan en tenietgaan en welke hun onderlinge verhouding is;
5° de titularissen van die rechten;
6° de beschikbaarheid van die rechten;
7° de openbaarmaking en de tegenstelbaarheid van die rechten.
§ 5. De paragrafen 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op rechten op zeeschepen in aanbouw of in verbouwing.
§ 1. De rechten op een zeeschip worden beheerst door :
1° het recht van de Staat van het register van oorsprong van het in een rompbevrachtingsregister ingeschreven schip;
2° bij gebreke van rompbevrachtingsregistratie, het recht van de Staat waar het zeeschip geregistreerd of teboekgesteld is;
3° bij gebreke van registratie of teboekstelling, het recht van de Staat waar de thuishaven van het zeeschip gelegen is;
4° bij gebreke van een thuishaven, het recht van de Staat waar het zeeschip gewoonlijk wordt gebruikt of, indien die Staat niet kan worden vastgesteld, het recht van de Staat waar het zeeschip zich bevindt.
§ 2. De rechten op een zeeschip in aanbouw of in verbouwing worden beheerst door het recht van de Staat waar het zeeschip is geregistreerd of teboekgesteld en, bij gebreke van registratie of teboekstelling, door het recht van de Staat waar het schip wordt gebouwd of verbouwd.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een zeeschip in aanbouw of in verbouwing als zeeschip beschouwd zodra de bouwovereenkomst respectievelijk de verbouwingsovereenkomst is ondertekend.
§ 3. Het in het vorige paragrafen bedoelde recht is het recht dat geldt op het ogenblik waarop de rechten op het schip wordt ingeroepen.
De verwerving en het verlies van rechten op een schip worden evenwel beheerst door het recht dat geldt op het ogenblik waarop de handelingen of feiten die worden ingeroepen als grond van verwerving of verlies van die rechten zich voordoen.
§ 4. Het in de vorige paragrafen bedoelde recht bepaalt in het bijzonder :
1° of het zeeschip roerend of onroerend is;
2° wat een bestanddeel en een toebehoren van het zeeschip is;
3° welke rechten op een zeeschip kunnen rusten en welke de aard en de inhoud van die rechten zijn;
4° op welke wijze die rechten ontstaan, wijzigen, overgaan en tenietgaan en welke hun onderlinge verhouding is;
5° de titularissen van die rechten;
6° de beschikbaarheid van die rechten;
7° de openbaarmaking en de tegenstelbaarheid van die rechten.
§ 5. De paragrafen 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op rechten op zeeschepen in aanbouw of in verbouwing.
Art. 2.2.4.1. Application internationale
§ 1er. Les droits sur un navire de mer sont régis par :
1° le droit de l'Etat du registre d'origine du navire inscrit dans un registre d'affrètements coque nue;
2° faute d'inscription dans un registre d'affrètements coque nue, le droit de l'Etat où le navire de mer est enregistré ou immatriculé;
3° faute d'enregistrement ou d'immatriculation, le droit de l'Etat du port d'attache du navire de mer;
4° faute de port d'attache, le droit de l'Etat où le navire de mer est habituellement utilisé ou, si cet Etat ne peut pas être déterminé, le droit de l'Etat où le navire de mer se trouve.
§ 2. Les droits sur un navire de mer en construction ou en transformation sont régis par le droit de l'Etat où le navire est enregistré ou immatriculé et, faute d'enregistrement ou d'immatriculation, par le droit de l'Etat où le navire de merest, respectivement, construit ou transformé.
En vue de l'application du présent article, un navire de mer en construction ou en transformation est considéré comme un navire de mer dès la signature du contrat, respectivement, de construction ou de transformation.
§ 3. Le droit visé aux paragraphes précédents est le droit en vigueur au moment où les droits sur le navire sont invoqués.
Toutefois, l'acquisition et la perte de droits sur un navire sont régies par le droit en vigueur au moment de la survenance des actes ou des faits invoqués pour fonder l'acquisition ou la perte de ces droits.
§ 4. Le droit visé aux paragraphes précédents détermine en particulier :
1° le caractère mobilier ou immobilier du navire de mer;
2° ce qui constitue un élément du navire ou un accessoire du navire de mer;
3° quels droits peuvent exister sur un navire de mer, et quelle est la nature et quel est le contenu de ces droits;
4° de quelle façon ces droits naissent, changent, se transmettent et s'éteignent, et quel est leur rapport réciproque;
5° les titulaires de ces droits;
6° la disponibilité de ces droits;
7° la publication et l'opposabilité de ces droits;
§ 5. Les paragraphes 3 et 4 s'appliquent également aux droits sur les navires de mer en construction ou en transformation.
§ 1er. Les droits sur un navire de mer sont régis par :
1° le droit de l'Etat du registre d'origine du navire inscrit dans un registre d'affrètements coque nue;
2° faute d'inscription dans un registre d'affrètements coque nue, le droit de l'Etat où le navire de mer est enregistré ou immatriculé;
3° faute d'enregistrement ou d'immatriculation, le droit de l'Etat du port d'attache du navire de mer;
4° faute de port d'attache, le droit de l'Etat où le navire de mer est habituellement utilisé ou, si cet Etat ne peut pas être déterminé, le droit de l'Etat où le navire de mer se trouve.
§ 2. Les droits sur un navire de mer en construction ou en transformation sont régis par le droit de l'Etat où le navire est enregistré ou immatriculé et, faute d'enregistrement ou d'immatriculation, par le droit de l'Etat où le navire de merest, respectivement, construit ou transformé.
En vue de l'application du présent article, un navire de mer en construction ou en transformation est considéré comme un navire de mer dès la signature du contrat, respectivement, de construction ou de transformation.
§ 3. Le droit visé aux paragraphes précédents est le droit en vigueur au moment où les droits sur le navire sont invoqués.
Toutefois, l'acquisition et la perte de droits sur un navire sont régies par le droit en vigueur au moment de la survenance des actes ou des faits invoqués pour fonder l'acquisition ou la perte de ces droits.
§ 4. Le droit visé aux paragraphes précédents détermine en particulier :
1° le caractère mobilier ou immobilier du navire de mer;
2° ce qui constitue un élément du navire ou un accessoire du navire de mer;
3° quels droits peuvent exister sur un navire de mer, et quelle est la nature et quel est le contenu de ces droits;
4° de quelle façon ces droits naissent, changent, se transmettent et s'éteignent, et quel est leur rapport réciproque;
5° les titulaires de ces droits;
6° la disponibilité de ces droits;
7° la publication et l'opposabilité de ces droits;
§ 5. Les paragraphes 3 et 4 s'appliquent également aux droits sur les navires de mer en construction ou en transformation.
Art. 2.2.4.2. Andere regelgeving
Zijn niet van toepassing op schepen :
1° [1 ...]1
2° artikel 87 en 89 van het Wetboek van internationaal privaatrecht.
Zijn niet van toepassing op schepen :
1° [1 ...]1
2° artikel 87 en 89 van het Wetboek van internationaal privaatrecht.
Art. 2.2.4.2. Autre réglementation
Ne s'appliquent pas aux navires :
1° [1 ...]1
2° les articles 87 et 89 du Code de droit international privé.
Ne s'appliquent pas aux navires :
1° [1 ...]1
2° les articles 87 et 89 du Code de droit international privé.
Wijzigingen
Art. 2.2.4.3. Afwijkende bedingen
Bedingen die afwijken van deze titel zijn nietig.
Bedingen die afwijken van deze titel zijn nietig.
Art. 2.2.4.3. Clauses dérogatoires
Les clauses qui dérogent au présent titre sont nulles.
Les clauses qui dérogent au présent titre sont nulles.
Art. 2.2.4.4. Roerend goed
Zeeschepen zijn roerende goederen.
Zij worden alleen onroerend door incorporatie wanneer zij daardoor een vast tuig worden.
Zij worden niet onroerend door bestemming.
Zeeschepen zijn roerende goederen.
Zij worden alleen onroerend door incorporatie wanneer zij daardoor een vast tuig worden.
Zij worden niet onroerend door bestemming.
Art. 2.2.4.4. Bien meuble
Les navires de mer sont meubles.
Ils ne deviennent immeubles par incorporation que s'ils deviennent des engins fixes par suite de cette incorporation.
Ils ne deviennent pas immeubles par destination.
Les navires de mer sont meubles.
Ils ne deviennent immeubles par incorporation que s'ils deviennent des engins fixes par suite de cette incorporation.
Ils ne deviennent pas immeubles par destination.
Art. 2.2.4.5. Verkrijging van eigendom
§ 1. De eigendom van een zeeschip wordt verkregen :
1° behoudens de afwijkingen bepaald in de paragrafen 2 en 3, overeenkomstig het landrecht;
2° door abandonnement, [2 ...]2 verbeurdverklaring en op andere wijzen, overeenkomstig bijzondere wetten.
§ 2. Een geregistreerd schip kan niet het voorwerp uitmaken van een handgift.
§ 3. Met betrekking tot een geregistreerd zeeschip geldt het bezit niet als titel.
De bezitter van een niet geregistreerd zeeschip verkrijgt slechts rechten op dat schip door dertigjarige verjaring [1 overeenkomstig de artikelen 3.26 en 3.27 van het Burgerlijk Wetboek]1.
§ 1. De eigendom van een zeeschip wordt verkregen :
1° behoudens de afwijkingen bepaald in de paragrafen 2 en 3, overeenkomstig het landrecht;
2° door abandonnement, [2 ...]2 verbeurdverklaring en op andere wijzen, overeenkomstig bijzondere wetten.
§ 2. Een geregistreerd schip kan niet het voorwerp uitmaken van een handgift.
§ 3. Met betrekking tot een geregistreerd zeeschip geldt het bezit niet als titel.
De bezitter van een niet geregistreerd zeeschip verkrijgt slechts rechten op dat schip door dertigjarige verjaring [1 overeenkomstig de artikelen 3.26 en 3.27 van het Burgerlijk Wetboek]1.
Art. 2.2.4.5. Manières dont on acquiert la propriété
§ 1er. La propriété d'un navire de mer s'acquiert :
1° exception faite des dérogations des paragraphes 2 et 3, par les manières du droit terrestre;
2° par délaissement, [2 ...]2 confiscation et par d'autres manières conformément à des lois spéciales.
§ 2. Un navire enregistré ne peut faire l'objet d'un don manuel.
§ 3. En matière de navires de mer enregistrés, la possession ne vaut pas titre.
Le possesseur d'un navire de mer non enregistré n'acquiert des droits sur ce navire que par prescription trentenaire [1 conformément aux articles 3.26 et 3.27 du Code civil]1.
§ 1er. La propriété d'un navire de mer s'acquiert :
1° exception faite des dérogations des paragraphes 2 et 3, par les manières du droit terrestre;
2° par délaissement, [2 ...]2 confiscation et par d'autres manières conformément à des lois spéciales.
§ 2. Un navire enregistré ne peut faire l'objet d'un don manuel.
§ 3. En matière de navires de mer enregistrés, la possession ne vaut pas titre.
Le possesseur d'un navire de mer non enregistré n'acquiert des droits sur ce navire que par prescription trentenaire [1 conformément aux articles 3.26 et 3.27 du Code civil]1.
Art. 2.2.4.6. Bewijs van eigendom
Onverminderd andere bepalingen betreffende het bewijs en betreffende de tegenstelbaarheid van in een scheepsregister ingeschreven akten en vonnissen, kan de rechter uit de ter uitvoering van de bepalingen betreffende de registratie van zeeschepen in een scheepsregister opgenomen vermeldingen en uit door een overheid uitgereikte documenten betreffende een zeeschip in alle gevallen feitelijke vermoedens omtrent de eigendom van dat zeeschip afleiden.
Onverminderd andere bepalingen betreffende het bewijs en betreffende de tegenstelbaarheid van in een scheepsregister ingeschreven akten en vonnissen, kan de rechter uit de ter uitvoering van de bepalingen betreffende de registratie van zeeschepen in een scheepsregister opgenomen vermeldingen en uit door een overheid uitgereikte documenten betreffende een zeeschip in alle gevallen feitelijke vermoedens omtrent de eigendom van dat zeeschip afleiden.
Art. 2.2.4.6. Preuve de la propriété
Sans préjudice d'autres dispositions relatives à la preuve et à l'opposabilité des actes et jugements inscrits dans un registre naval, le juge peut dans tous les cas déduire des mentions reprises en exécution des dispositions relatives à l'enregistrement des navires de mer dans un registre naval ainsi que des documents délivrés par des autorités relativement à un navire de mer des présomptions de fait concernant la propriété du navire de mer.
Sans préjudice d'autres dispositions relatives à la preuve et à l'opposabilité des actes et jugements inscrits dans un registre naval, le juge peut dans tous les cas déduire des mentions reprises en exécution des dispositions relatives à l'enregistrement des navires de mer dans un registre naval ainsi que des documents délivrés par des autorités relativement à un navire de mer des présomptions de fait concernant la propriété du navire de mer.
Art. 2.2.4.7. Andere rechten op schepen
§ 1. Op zeeschepen kunnen alle beperkte zakelijke rechten worden gevestigd die naar landrecht kunnen worden gevestigd op roerende goederen.
Bovendien kan op schepen een recht van bewoning worden gevestigd.
§ 2. Artikel 2.2.4.6 is op de bewijsvoering met betrekking tot beperkte zakelijke rechten op schepen, persoonlijke rechten op schepen en het rederschap van overeenkomstige toepassing.
§ 1. Op zeeschepen kunnen alle beperkte zakelijke rechten worden gevestigd die naar landrecht kunnen worden gevestigd op roerende goederen.
Bovendien kan op schepen een recht van bewoning worden gevestigd.
§ 2. Artikel 2.2.4.6 is op de bewijsvoering met betrekking tot beperkte zakelijke rechten op schepen, persoonlijke rechten op schepen en het rederschap van overeenkomstige toepassing.
Art. 2.2.4.7. Autres droits sur les navires
§ 1er. Tous les droits réels limités qui peuvent être constitués en droit terrestre sur des meubles peuvent être constitués sur des navires de mer.
En outre, il peut être constitué un droit d'habitation sur des navires.
§ 2. L'article 2.2.4.6 s'applique par analogie à l'administration de la preuve relative aux droits réels limités sur des navires, aux droits personnels sur des navires et à la gestion nautique.
§ 1er. Tous les droits réels limités qui peuvent être constitués en droit terrestre sur des meubles peuvent être constitués sur des navires de mer.
En outre, il peut être constitué un droit d'habitation sur des navires.
§ 2. L'article 2.2.4.6 s'applique par analogie à l'administration de la preuve relative aux droits réels limités sur des navires, aux droits personnels sur des navires et à la gestion nautique.
Art. 2.2.4.8. Rechten op scheepsbestanddelen en scheepstoebehoren
De rechten op een zeeschip strekken zich uit tot de scheepsbestanddelen en, behoudens afwijkend beding, tot het scheepstoebehoren.
De rechten op een zeeschip strekken zich uit tot de scheepsbestanddelen en, behoudens afwijkend beding, tot het scheepstoebehoren.
Art. 2.2.4.8. Droits sur éléments et accessoires des navires
Les droits sur un navire de mer s'étendent aux éléments du navire et, à moins de convention contraire, aux accessoires du navire.
Les droits sur un navire de mer s'étendent aux éléments du navire et, à moins de convention contraire, aux accessoires du navire.
HOOFDSTUK 5. - Scheepszekerheidsrechten
CHAPITRE 5. - Sûretés sur navires
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1ère. - Dispositions générales
Art. 2.2.5.1. Internationale toepassing
§ 1. Voorrangsrechten, voorrechten, hypotheken, scheepsverbanden en inschrijfbare of anderszins registreerbare lasten van dezelfde aard op een zeeschip of een zeeschip in aanbouw worden beheerst door het recht van de Staat waar het zeeschip respectievelijk het zeeschip in aanbouw is geregistreerd.
In geval van inschrijving in een rompbevrachtingsregister, blijft het recht van de Staat van het register van oorsprong gelden.
Het in de vorige leden bedoelde recht is het recht dat geldt op het ogenblik waarop de rechten op het zeeschip wordt ingeroepen. De verwerving en het verlies van rechten op een zeeschip worden evenwel beheerst door het recht dat geldt op het ogenblik waarop de handelingen of feiten die worden ingeroepen als grond van verwerving of verlies van die rechten zich voordoen.
Het in de vorige leden bedoelde recht regelt in het bijzonder :
1° welke van de in het eerste lid bedoelde zekerheidsrechten op een zeeschip of een zeeschip in aanbouw of in verbouwing kunnen rusten en welke de aard en de inhoud van die rechten zijn;
2° op welke wijze die zekerheidsrechten ontstaan, wijzigen, overgaan en tenietgaan en welke hun onderlinge verhouding is;
3° de titularissen van die zekerheidsrechten;
4° de openbaarmaking en de tegenstelbaarheid van die zekerheidsrechten;
5° onverminderd van paragraaf 2, hun onderlinge rang.
§ 2. De tegenstelbaarheid aan derden van scheepsretentierechten wordt beheerst door het recht van de Staat op het grondgebied waarvan het zeeschip of het zeeschip in aanbouw of in verbouwing zich bevindt op het ogenblik waarop dat recht wordt uitgeoefend.
§ 3. De rechtspleging ter zake van de uitoefening van scheepszekerheidsrechten wordt beheerst door het recht van de Staat voor de rechtbank waarvan zij wordt gevoerd.
§ 4. Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een zeeschip in aanbouw of in verbouwing als zeeschip beschouwd zodra de bouwovereenkomst respectievelijk de verbouwingsovereenkomst is ondertekend.
§ 1. Voorrangsrechten, voorrechten, hypotheken, scheepsverbanden en inschrijfbare of anderszins registreerbare lasten van dezelfde aard op een zeeschip of een zeeschip in aanbouw worden beheerst door het recht van de Staat waar het zeeschip respectievelijk het zeeschip in aanbouw is geregistreerd.
In geval van inschrijving in een rompbevrachtingsregister, blijft het recht van de Staat van het register van oorsprong gelden.
Het in de vorige leden bedoelde recht is het recht dat geldt op het ogenblik waarop de rechten op het zeeschip wordt ingeroepen. De verwerving en het verlies van rechten op een zeeschip worden evenwel beheerst door het recht dat geldt op het ogenblik waarop de handelingen of feiten die worden ingeroepen als grond van verwerving of verlies van die rechten zich voordoen.
Het in de vorige leden bedoelde recht regelt in het bijzonder :
1° welke van de in het eerste lid bedoelde zekerheidsrechten op een zeeschip of een zeeschip in aanbouw of in verbouwing kunnen rusten en welke de aard en de inhoud van die rechten zijn;
2° op welke wijze die zekerheidsrechten ontstaan, wijzigen, overgaan en tenietgaan en welke hun onderlinge verhouding is;
3° de titularissen van die zekerheidsrechten;
4° de openbaarmaking en de tegenstelbaarheid van die zekerheidsrechten;
5° onverminderd van paragraaf 2, hun onderlinge rang.
§ 2. De tegenstelbaarheid aan derden van scheepsretentierechten wordt beheerst door het recht van de Staat op het grondgebied waarvan het zeeschip of het zeeschip in aanbouw of in verbouwing zich bevindt op het ogenblik waarop dat recht wordt uitgeoefend.
§ 3. De rechtspleging ter zake van de uitoefening van scheepszekerheidsrechten wordt beheerst door het recht van de Staat voor de rechtbank waarvan zij wordt gevoerd.
§ 4. Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een zeeschip in aanbouw of in verbouwing als zeeschip beschouwd zodra de bouwovereenkomst respectievelijk de verbouwingsovereenkomst is ondertekend.
Art. 2.2.5.1. Application internationale
§ 1er. Les droits de priorité, privilèges, hypothèques, mortgages et charges de même nature, inscriptibles ou enregistrables d'une autre manière sur un navire de mer ou sur un navire de mer en construction sont régis par le droit de l'Etat où, respectivement, le navire de mer ou le navire de mer en construction a été enregistré.
En cas d'inscription dans un registre d'affrètement coque nue, le droit de l'Etat du registre d'origine continue de s'appliquer.
Le droit visé aux alinéas précédents est le droit applicable lorsque les droits sur le navire de mer sont invoqués. Toutefois, l'acquisition et la perte de droits sur un navire de mer sont régies par le droit qui s'applique au moment de la survenance des actes ou des faits invoqués pour fonder l'acquisition ou la perte de ces droits.
Le droit visé aux alinéas précédents règle notamment :
1° les sûretés visées à l'alinéa 1er qui peuvent grever un navire de mer, un navire de mer en construction ou un navire de mer en transformation, ainsi que la nature et le contenu de ces sûretés;
2° la manière dont ces sûretés s'établissent, se modifient, se transmettent et s'éteignent, et leurs rapports mutuels;
3° les titulaires de ces sûretés;
4° la publicité et l'opposabilité de ces sûretés;
5° leurs rangs respectifs, sans préjudice du paragraphe 2.
§ 2. L'opposabilité aux tiers des droits de rétention sur navires est régie par le droit de l'Etat sur le territoire duquel le navire de mer, le navire de mer en construction ou le navire de mer en transformation se trouve lorsque ces droits sont invoqués.
§ 3. La procédure relative à l'exercice des sûretés sur navires est régie par le droit de l'Etat du tribunal devant lequel elle est menée.
§ 4. En vue de l'application du présent article, un navire de mer en construction ou en transformation est considéré comme un navire de mer dès la signature du contrat de construction ou de transformation.
§ 1er. Les droits de priorité, privilèges, hypothèques, mortgages et charges de même nature, inscriptibles ou enregistrables d'une autre manière sur un navire de mer ou sur un navire de mer en construction sont régis par le droit de l'Etat où, respectivement, le navire de mer ou le navire de mer en construction a été enregistré.
En cas d'inscription dans un registre d'affrètement coque nue, le droit de l'Etat du registre d'origine continue de s'appliquer.
Le droit visé aux alinéas précédents est le droit applicable lorsque les droits sur le navire de mer sont invoqués. Toutefois, l'acquisition et la perte de droits sur un navire de mer sont régies par le droit qui s'applique au moment de la survenance des actes ou des faits invoqués pour fonder l'acquisition ou la perte de ces droits.
Le droit visé aux alinéas précédents règle notamment :
1° les sûretés visées à l'alinéa 1er qui peuvent grever un navire de mer, un navire de mer en construction ou un navire de mer en transformation, ainsi que la nature et le contenu de ces sûretés;
2° la manière dont ces sûretés s'établissent, se modifient, se transmettent et s'éteignent, et leurs rapports mutuels;
3° les titulaires de ces sûretés;
4° la publicité et l'opposabilité de ces sûretés;
5° leurs rangs respectifs, sans préjudice du paragraphe 2.
§ 2. L'opposabilité aux tiers des droits de rétention sur navires est régie par le droit de l'Etat sur le territoire duquel le navire de mer, le navire de mer en construction ou le navire de mer en transformation se trouve lorsque ces droits sont invoqués.
§ 3. La procédure relative à l'exercice des sûretés sur navires est régie par le droit de l'Etat du tribunal devant lequel elle est menée.
§ 4. En vue de l'application du présent article, un navire de mer en construction ou en transformation est considéré comme un navire de mer dès la signature du contrat de construction ou de transformation.
Art. 2.2.5.2. Uitlegging
De scheepsvoorrangsrechten, scheepsvoorrechten en scheepsretentierechten worden uitgelegd in beperkende zin.
De scheepsvoorrangsrechten, scheepsvoorrechten en scheepsretentierechten worden uitgelegd in beperkende zin.
Art. 2.2.5.2. Interprétation
Les droits de priorité sur navires, les privilèges sur navires et les droits de rétention sur navires sont interprétés de manière restrictive.
Les droits de priorité sur navires, les privilèges sur navires et les droits de rétention sur navires sont interprétés de manière restrictive.
Art. 2.2.5.3. Andere regelgeving
§ 1. Dit hoofdstuk geldt onverminderd :
1° Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking);
2° artikel 119 van het Wetboek van internationaal privaatrecht.
§ 2. Behoudens uitdrukkelijke afwijking is de Hypotheekwet niet van toepassing op scheepszekerheidsrechten.
§ 1. Dit hoofdstuk geldt onverminderd :
1° Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking);
2° artikel 119 van het Wetboek van internationaal privaatrecht.
§ 2. Behoudens uitdrukkelijke afwijking is de Hypotheekwet niet van toepassing op scheepszekerheidsrechten.
Art. 2.2.5.3. Autre réglementation
§ 1er. Le présent chapitre s'applique sans préjudice :
1° du Règlement (UE) 2015/848 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 relatif aux procédures d'insolvabilité (refonte);
2° de l'article 119 du Code de droit international privé.
§ 2. Sauf dérogation expresse, la loi hypothécaire ne s'applique pas aux sûretés sur navires.
§ 1er. Le présent chapitre s'applique sans préjudice :
1° du Règlement (UE) 2015/848 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 relatif aux procédures d'insolvabilité (refonte);
2° de l'article 119 du Code de droit international privé.
§ 2. Sauf dérogation expresse, la loi hypothécaire ne s'applique pas aux sûretés sur navires.
Art. 2.2.5.4. Afwijkende bedingen
Behoudens uitdrukkelijke uitzondering, zijn bedingen die van dit hoofdstuk afwijken nietig.
Behoudens uitdrukkelijke uitzondering, zijn bedingen die van dit hoofdstuk afwijken nietig.
Art. 2.2.5.4. Clauses dérogatoires
Sauf exception expresse, les clauses qui dérogent au présent chapitre sont nulles.
Sauf exception expresse, les clauses qui dérogent au présent chapitre sont nulles.
Art. 2.2.5.5. Soorten zekerheden op schepen
§ 1. Onverminderd een beding van eigendomsvoorbehoud, vloeit voorrang tussen de schuldeisers van een zeeschip of een zeeschip in aanbouw of in verbouwing uitsluitend voort uit scheepszekerheidsrechten of uit een pandrecht bedoeld in paragraaf 2.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een zeeschip in aanbouw of in verbouwing als zeeschip beschouwd zodra de bouwovereenkomst respectievelijk de verbouwingsovereenkomst is ondertekend.
§ 2. Uitsluitend een niet-geregistreerd zeeschip kan het voorwerp zijn van een pandrecht in de zin van titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek.
§ 1. Onverminderd een beding van eigendomsvoorbehoud, vloeit voorrang tussen de schuldeisers van een zeeschip of een zeeschip in aanbouw of in verbouwing uitsluitend voort uit scheepszekerheidsrechten of uit een pandrecht bedoeld in paragraaf 2.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een zeeschip in aanbouw of in verbouwing als zeeschip beschouwd zodra de bouwovereenkomst respectievelijk de verbouwingsovereenkomst is ondertekend.
§ 2. Uitsluitend een niet-geregistreerd zeeschip kan het voorwerp zijn van een pandrecht in de zin van titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 2.2.5.5. Types de sûretés sur navires
§ 1er. Sans préjudice d'une clause de réserve de propriété, les droits de priorité entre les créanciers d'un navire de mer, un navire de mer en construction ou un navire de mer en transformation résultent exclusivement de sûretés sur navires ou d'un gage visé au paragraphe 2.
En vue de l'application du présent article, un navire de mer en construction ou en transformation est considéré comme un navire de mer dès la signature du contrat de construction ou de transformation.
§ 2. Seul un navire non enregistré peut faire l'objet d'un gage au sens du titre XVII du livre III du Code civil.
§ 1er. Sans préjudice d'une clause de réserve de propriété, les droits de priorité entre les créanciers d'un navire de mer, un navire de mer en construction ou un navire de mer en transformation résultent exclusivement de sûretés sur navires ou d'un gage visé au paragraphe 2.
En vue de l'application du présent article, un navire de mer en construction ou en transformation est considéré comme un navire de mer dès la signature du contrat de construction ou de transformation.
§ 2. Seul un navire non enregistré peut faire l'objet d'un gage au sens du titre XVII du livre III du Code civil.
Art. 2.2.5.6. Ontstaan en bewijs van scheepsvoorrangsrechten en scheepsvoorrechten
Scheepsvoorrangsrechten en scheepsvoorrechten ontstaan uit de wet en zijn verbonden aan de aard van de schuldvordering. Zij zijn aan geen formaliteit en aan geen bijzonder bewijsvoorschrift onderworpen.
Scheepsvoorrangsrechten en scheepsvoorrechten ontstaan uit de wet en zijn verbonden aan de aard van de schuldvordering. Zij zijn aan geen formaliteit en aan geen bijzonder bewijsvoorschrift onderworpen.
Art. 2.2.5.6. Naissance et preuve des droits de priorité sur navires et des privilèges sur navires
Les droits de priorité sur navires et les privilèges sur navires résultent de la loi et sont attachés à la qualité de la créance. Ils ne sont soumis à aucune formalité ni à aucune condition spéciale de preuve.
Les droits de priorité sur navires et les privilèges sur navires résultent de la loi et sont attachés à la qualité de la créance. Ils ne sont soumis à aucune formalité ni à aucune condition spéciale de preuve.
Art. 2.2.5.7. Hoedanigheid van de schuldenaar
Scheepsvoorrangsrechten en scheepsvoorrechten ontstaan wanneer de schuldenaar hetzij eigenaar, hetzij mede-eigenaar, hetzij reder van het zeeschip of het zeeschip in aanbouw of in verbouwing, hetzij werkgever van het betrokken bemanningslid is.
Indien de schuldenaar evenwel buiten het bezit van het zeeschip is gesteld door een onrechtmatige daad en de schuldeiser of zijn rechtsopvolger niet te goeder trouw is, kan geen scheepsvoorrangsrecht of scheepsvoorrecht worden uitgeoefend.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een zeeschip in aanbouw of in verbouwing als zeeschip beschouwd zodra de bouwovereenkomst respectievelijk de verbouwingsovereenkomst is ondertekend.
Scheepsvoorrangsrechten en scheepsvoorrechten ontstaan wanneer de schuldenaar hetzij eigenaar, hetzij mede-eigenaar, hetzij reder van het zeeschip of het zeeschip in aanbouw of in verbouwing, hetzij werkgever van het betrokken bemanningslid is.
Indien de schuldenaar evenwel buiten het bezit van het zeeschip is gesteld door een onrechtmatige daad en de schuldeiser of zijn rechtsopvolger niet te goeder trouw is, kan geen scheepsvoorrangsrecht of scheepsvoorrecht worden uitgeoefend.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een zeeschip in aanbouw of in verbouwing als zeeschip beschouwd zodra de bouwovereenkomst respectievelijk de verbouwingsovereenkomst is ondertekend.
Art. 2.2.5.7. Qualité du débiteur
Les droits de priorité sur navires et les privilèges sur navires s'établissent lorsque le débiteur est soit propriétaire, soit copropriétaire, soit armateur du navire de mer, du navire de mer en construction ou du navire de mer en transformation, soit employeur du membre d'équipage concerné.
Toutefois, lorsque le débiteur s'est trouvé désaisi du navire de mer par un acte illicite et que le créancier ou son successeur n'est pas de bonne foi, aucun droit de priorité sur navire ou privilège sur navire ne peut être exercé.
En vue de l'application du présent article, un navire de mer en construction ou en transformation est considéré comme un navire de mer dès la signature du contrat de construction ou de transformation.
Les droits de priorité sur navires et les privilèges sur navires s'établissent lorsque le débiteur est soit propriétaire, soit copropriétaire, soit armateur du navire de mer, du navire de mer en construction ou du navire de mer en transformation, soit employeur du membre d'équipage concerné.
Toutefois, lorsque le débiteur s'est trouvé désaisi du navire de mer par un acte illicite et que le créancier ou son successeur n'est pas de bonne foi, aucun droit de priorité sur navire ou privilège sur navire ne peut être exercé.
En vue de l'application du présent article, un navire de mer en construction ou en transformation est considéré comme un navire de mer dès la signature du contrat de construction ou de transformation.
Art. 2.2.5.8. Overdracht en subrogatie
De overdracht van een schuldvordering waaraan een scheepsvoorrangsrecht of een scheepsvoorrecht is verbonden of de subrogatie in de rechten van de houder van een dergelijke vordering heeft de overdracht van het scheepsvoorrangsrecht respectievelijk het scheepsvoorrecht tot gevolg.
De overdracht van een schuldvordering waaraan een scheepsvoorrangsrecht of een scheepsvoorrecht is verbonden of de subrogatie in de rechten van de houder van een dergelijke vordering heeft de overdracht van het scheepsvoorrangsrecht respectievelijk het scheepsvoorrecht tot gevolg.
Art. 2.2.5.8. Cession et subrogation
La cession d'une créance assortie d'un droit de priorité sur navire ou d'un privilège sur navire, ou la subrogation dans les droits du titulaire d'une telle créance, entraîne la cession du droit de priorité sur navire ou du privilège sur navire.
La cession d'une créance assortie d'un droit de priorité sur navire ou d'un privilège sur navire, ou la subrogation dans les droits du titulaire d'une telle créance, entraîne la cession du droit de priorité sur navire ou du privilège sur navire.
Art. 2.2.5.9. Volgrecht
§ 1. De scheepszekerheidsrechten volgen het zeeschip, ook in geval van verandering van eigendom, registratie of vlag.
§ 2. Indien de derde-bezitter de bevoorrechte en hypothecaire schulden niet betaalt binnen de betalings- en uitsteltermijnen aan de schuldenaar verleend of de hierna te bepalen formaliteiten om zijn eigendom te zuiveren niet vervult, heeft elke schuldeiser het recht om het bezwaarde zeeschip te doen verkopen.
§ 1. De scheepszekerheidsrechten volgen het zeeschip, ook in geval van verandering van eigendom, registratie of vlag.
§ 2. Indien de derde-bezitter de bevoorrechte en hypothecaire schulden niet betaalt binnen de betalings- en uitsteltermijnen aan de schuldenaar verleend of de hierna te bepalen formaliteiten om zijn eigendom te zuiveren niet vervult, heeft elke schuldeiser het recht om het bezwaarde zeeschip te doen verkopen.
Art. 2.2.5.9. Droit de suite
§ 1er. Les sûretés sur navires suivent le navire de mer, nonobstant tout changement de propriété, d'enregistrement ou de pavillon.
§ 2. Faute par le tiers détenteur de payer les dettes privilégiées et hypothécaires dans les termes et délais accordés au débiteur, ou de remplir les formalités qui seront établies ci-après pour purger sa propriété, chaque créancier a le droit de faire vendre le navire de mer grevé.
§ 1er. Les sûretés sur navires suivent le navire de mer, nonobstant tout changement de propriété, d'enregistrement ou de pavillon.
§ 2. Faute par le tiers détenteur de payer les dettes privilégiées et hypothécaires dans les termes et délais accordés au débiteur, ou de remplir les formalités qui seront établies ci-après pour purger sa propriété, chaque créancier a le droit de faire vendre le navire de mer grevé.
Art. 2.2.5.10. Oorzaken van tenietgaan van scheepsvoorrechten en scheepshypotheken
De scheepsvoorrechten en de scheepshypotheken gaan teniet :
1° door het tenietgaan van de hoofdverbintenis;
2° door afstand door de schuldeiser;
3° door de gedwongen verkoop van het zeeschip;
4° door de vrijwillige vervreemding van het zeeschip, gevolgd door de vervulling van de formaliteiten en voorwaarden bedoeld in de artikel en 2.2.5.19 respectievelijk 2.2.5.44.
De scheepsvoorrechten en de scheepshypotheken gaan teniet :
1° door het tenietgaan van de hoofdverbintenis;
2° door afstand door de schuldeiser;
3° door de gedwongen verkoop van het zeeschip;
4° door de vrijwillige vervreemding van het zeeschip, gevolgd door de vervulling van de formaliteiten en voorwaarden bedoeld in de artikel en 2.2.5.19 respectievelijk 2.2.5.44.
Art. 2.2.5.10. Causes d'extinction de privilèges sur navires et d'hypothèques sur navires
Les privilèges sur navires et les hypothèques sur navires s'éteignent :
1° par l'extinction de l'obligation principale;
2° par la renonciation du créancier;
3° par la vente forcée du navire de mer;
4° par l'aliénation volontaire du navire de mer, suivie de l'accomplissement des formalités et conditions visées aux articles 2.2.5.19 et 2.2.5.44.
Les privilèges sur navires et les hypothèques sur navires s'éteignent :
1° par l'extinction de l'obligation principale;
2° par la renonciation du créancier;
3° par la vente forcée du navire de mer;
4° par l'aliénation volontaire du navire de mer, suivie de l'accomplissement des formalités et conditions visées aux articles 2.2.5.19 et 2.2.5.44.
Afdeling 2. - Scheepsvoorrangsrechten
Section 2. - Droits de priorité sur navires
Art. 2.2.5.11. Kosten waarvoor een scheepsvoorrangsrecht geldt
§ 1. In geval van uitvoerend beslag op een zeeschip worden de aan de overheid verschuldigde gerechtskosten en de in de laatste haven gemaakte kosten van bewaking en behoud, evenals de desgevallend door de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever aangewezen aan de overheid verschuldigde kosten, uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere vorderingen, op voorwaarde dat deze gerechtskosten en kosten :
1° werden gemaakt vanaf het bevel tot betaling, tenzij in geval van omzetting van een bewarend beslag, in welk geval de kosten vanaf dat laatste beslag in aanmerking komen;
2° betrekking hadden op het in beslag genomen zeeschip;
3° werden gemaakt in het gemeenschappelijk belang van de schuldeisers; en
4° noodzakelijk waren met het oog op de verkoop, de rangregeling en de verdeling van de opbrengst.
§ 2. Onder de in de eerste paragraaf bedoelde kosten kunnen onder meer vallen :
1° de kosten van het eerste bewarend beslag op het betrokken zeeschip;
2° de kosten van een gerechtelijk sekwester;
3° de kosten van berging, onderhoud en herstelling van het betrokken zeeschip;
4° de kosten van de levering van verbruiksgoederen met het oog op het verblijf in de haven;
5° de bedragen die aan de gezagvoerder en de bemanningsleden verschuldigd zijn in verband met hun werkzaamheden aan boord van het betrokken zeeschip in de haven, met inbegrip van de aan deze personen verschuldigde terugbetalingen van in deze paragraaf bedoelde kosten en van repatriëringskosten;
6° de kosten van het in de haven aan boord plaatsen van personen ter vervanging van de kapitein of de bemanning en teneinde het zeeschip te bewaken of manoeuvres uit te voeren;
7° de verzekeringspremies voor de periode van het verblijf in de haven tot aan de gedwongen verkoop.
§ 3. Onder de in de eerste paragraaf bedoelde kosten vallen in geen geval :
1° de kosten van een opgeheven bewarend beslag;
2° de kosten van een bewarend beslag gelegd na het eerste bewarend beslag;
3° de kosten om een uitvoerbare titel te bekomen;
4° de kosten in verband met scheepstoebehoren dat zich niet meer aan boord bevindt, tenzij wanneer deze werden gemaakt in het raam van onderhoud of herstelling van het zeeschip;
5° de kosten gemaakt met het oog op het gebruik van het zeeschip na de gedwongen verkoop;
6° de verzekeringspremies voor de periode na de gedwongen verkoop.
§ 1. In geval van uitvoerend beslag op een zeeschip worden de aan de overheid verschuldigde gerechtskosten en de in de laatste haven gemaakte kosten van bewaking en behoud, evenals de desgevallend door de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever aangewezen aan de overheid verschuldigde kosten, uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere vorderingen, op voorwaarde dat deze gerechtskosten en kosten :
1° werden gemaakt vanaf het bevel tot betaling, tenzij in geval van omzetting van een bewarend beslag, in welk geval de kosten vanaf dat laatste beslag in aanmerking komen;
2° betrekking hadden op het in beslag genomen zeeschip;
3° werden gemaakt in het gemeenschappelijk belang van de schuldeisers; en
4° noodzakelijk waren met het oog op de verkoop, de rangregeling en de verdeling van de opbrengst.
§ 2. Onder de in de eerste paragraaf bedoelde kosten kunnen onder meer vallen :
1° de kosten van het eerste bewarend beslag op het betrokken zeeschip;
2° de kosten van een gerechtelijk sekwester;
3° de kosten van berging, onderhoud en herstelling van het betrokken zeeschip;
4° de kosten van de levering van verbruiksgoederen met het oog op het verblijf in de haven;
5° de bedragen die aan de gezagvoerder en de bemanningsleden verschuldigd zijn in verband met hun werkzaamheden aan boord van het betrokken zeeschip in de haven, met inbegrip van de aan deze personen verschuldigde terugbetalingen van in deze paragraaf bedoelde kosten en van repatriëringskosten;
6° de kosten van het in de haven aan boord plaatsen van personen ter vervanging van de kapitein of de bemanning en teneinde het zeeschip te bewaken of manoeuvres uit te voeren;
7° de verzekeringspremies voor de periode van het verblijf in de haven tot aan de gedwongen verkoop.
§ 3. Onder de in de eerste paragraaf bedoelde kosten vallen in geen geval :
1° de kosten van een opgeheven bewarend beslag;
2° de kosten van een bewarend beslag gelegd na het eerste bewarend beslag;
3° de kosten om een uitvoerbare titel te bekomen;
4° de kosten in verband met scheepstoebehoren dat zich niet meer aan boord bevindt, tenzij wanneer deze werden gemaakt in het raam van onderhoud of herstelling van het zeeschip;
5° de kosten gemaakt met het oog op het gebruik van het zeeschip na de gedwongen verkoop;
6° de verzekeringspremies voor de periode na de gedwongen verkoop.
Art. 2.2.5.11. Frais visés par un droit de priorité sur navire
§ 1er. En cas de saisie-exécution sur navire de mer, les frais de justice dus à l'autorité et les frais de garde et de conservation exposés dans le dernier port, ainsi que les éventuels frais dus à une autorité indiqués le cas échéant par le législateur régional ou communautaire compétent sont réglés sur le produit de la vente par préférence à toute autre créance, pourvu que ces frais de justice et ces frais :
1° aient été exposés à partir du commandement de payer, sauf en cas de transformation de saisie conservatoire, auquel cas les frais exposés à partir de cette dernière saisie seront pris en compte;
2° aient été liés au navire de mer saisi;
3° aient été exposés dans l'intérêt commun des créanciers; et
4° aient été nécessaires en vue de la vente, de la détermination du rang et du partage du produit de la vente.
§ 2. Peuvent notamment être visés par les frais au premier paragraphe :
1° les frais de la première saisie conservatoire sur le navire de mer concerné;
2° les frais de séquestre judiciaire;
3° les frais d'assistance, d'entretien et de réparation du navire de mer concerné;
4° les frais de livraison des biens de consommation en vue du séjour dans le port;
5° les sommes dues au commandant et aux membres de l'équipage, liées à leurs activités à bord du navire de mer concerné dans le port, en ce compris les remboursements dus à ces personnes des frais visés au présent paragraphe et des frais de rapatriement;
6° les frais de placement à bord, dans le port, de personnes en remplacement du capitaine ou de l'équipage et en vue de la garde du navire de mer ou de l'exécution de manoeuvres;
7° les primes d'assurance pour la période du séjour dans le port jusqu'à la vente forcée.
§ 3. Ne sont en aucun cas visés par les frais au premier alinéa :
1° les frais de saisie conservatoire levée;
2° les frais de saisie conservatoire pratiquée après la première saisie conservatoire;
3° les frais exposés en vue de l'obtention d'un titre exécutoire;
4° les frais relatifs aux accessoires du navire ne se trouvant plus à bord, sauf lorsqu'ils ont été exposés dans le cadre de l'entretien ou de la réparation du navire de mer;
5° les frais exposés en vue de l'usage du navire de mer après la vente forcée;
6° les primes d'assurance pour la période après la vente forcée.
§ 1er. En cas de saisie-exécution sur navire de mer, les frais de justice dus à l'autorité et les frais de garde et de conservation exposés dans le dernier port, ainsi que les éventuels frais dus à une autorité indiqués le cas échéant par le législateur régional ou communautaire compétent sont réglés sur le produit de la vente par préférence à toute autre créance, pourvu que ces frais de justice et ces frais :
1° aient été exposés à partir du commandement de payer, sauf en cas de transformation de saisie conservatoire, auquel cas les frais exposés à partir de cette dernière saisie seront pris en compte;
2° aient été liés au navire de mer saisi;
3° aient été exposés dans l'intérêt commun des créanciers; et
4° aient été nécessaires en vue de la vente, de la détermination du rang et du partage du produit de la vente.
§ 2. Peuvent notamment être visés par les frais au premier paragraphe :
1° les frais de la première saisie conservatoire sur le navire de mer concerné;
2° les frais de séquestre judiciaire;
3° les frais d'assistance, d'entretien et de réparation du navire de mer concerné;
4° les frais de livraison des biens de consommation en vue du séjour dans le port;
5° les sommes dues au commandant et aux membres de l'équipage, liées à leurs activités à bord du navire de mer concerné dans le port, en ce compris les remboursements dus à ces personnes des frais visés au présent paragraphe et des frais de rapatriement;
6° les frais de placement à bord, dans le port, de personnes en remplacement du capitaine ou de l'équipage et en vue de la garde du navire de mer ou de l'exécution de manoeuvres;
7° les primes d'assurance pour la période du séjour dans le port jusqu'à la vente forcée.
§ 3. Ne sont en aucun cas visés par les frais au premier alinéa :
1° les frais de saisie conservatoire levée;
2° les frais de saisie conservatoire pratiquée après la première saisie conservatoire;
3° les frais exposés en vue de l'obtention d'un titre exécutoire;
4° les frais relatifs aux accessoires du navire ne se trouvant plus à bord, sauf lorsqu'ils ont été exposés dans le cadre de l'entretien ou de la réparation du navire de mer;
5° les frais exposés en vue de l'usage du navire de mer après la vente forcée;
6° les primes d'assurance pour la période après la vente forcée.
Art. 2.2.5.12. Onderlinge rang
De vorderingen waarvoor een scheepsvoorrangsrecht geldt staan in rang gelijk en worden pondspondsgewijs betaald.
De vorderingen waarvoor een scheepsvoorrangsrecht geldt staan in rang gelijk en worden pondspondsgewijs betaald.
Art. 2.2.5.12. Rang
Les créances visées par le droit de priorité sur navire sont de rang égal et payées au marc le franc.
Les créances visées par le droit de priorité sur navire sont de rang égal et payées au marc le franc.
Afdeling 3. - Scheepsvoorrechten
Section 3. - Privilèges sur navires
Art. 2.2.5.13. Begrip
In deze afdeling wordt onder "reis" verstaan elke verplaatsing van een schip tussen twee havens.
In deze afdeling wordt onder "reis" verstaan elke verplaatsing van een schip tussen twee havens.
Art. 2.2.5.13. Notion
Dans la présente section, l'on entend par " voyage " tout déplacement d'un navire entre deux ports.
Dans la présente section, l'on entend par " voyage " tout déplacement d'un navire entre deux ports.
Art. 2.2.5.14. Vorderingen waarvoor een scheepsvoorrecht geldt
§ 1. Onder voorbehoud van de door de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever ingestelde scheepsvoorrechten, zijn uitsluitend de volgende vorderingen bevoorrecht op het zeeschip en, behoudens afwijkend beding als bedoeld in artikel 2.2.4.8, op het scheepstoebehoren :
1° de vorderingen van de gezagvoerder en de bemanningsleden die voortspruiten uit een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst en die verband houden met arbeid aan boord van het betrokken zeeschip, inbegrepen deze ter vergoeding van overlijden of letselschade, voor de terugbetaling van kosten en voor repatriëringskosten;
2° de tijdens de laatste reis ontstane vorderingen tot betaling van :
a) bergloon; en
b) de bijdrage van het zeeschip in averij-grosse;
3° de vorderingen tot vergoeding van :
a) schade veroorzaakt door aanvaring of andere scheepvaartongevallen;
b) overlijden of letselschade van de passagiers;
c) [1 ...]1
4° de onkosten gemaakt door de federale overheid met betrekking tot de inspecties van het zeeschip en de administratieve geldboetes opgelegd overeenkomstig dit wetboek verschuldigd voor met het zeeschip gepleegde inbreuken;
5° de sociale zekerheidsbijdragen op grond van een tewerkstelling van een zeevarende op een zeeschip verschuldigd aan de inningsinstelling van deze bijdragen, alsmede de bijdragen waarvan deze laatste de inning verzekert;
[2 6° de kosten gemaakt op basis van artikel 61/1 of artikel 63/1 van de wet van 13 juni 2014 tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006.]2
§ 2. De in de eerste paragraaf bedoelde vorderingen zijn alleen bevoorrecht in hoofdsom.
§ 1. Onder voorbehoud van de door de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever ingestelde scheepsvoorrechten, zijn uitsluitend de volgende vorderingen bevoorrecht op het zeeschip en, behoudens afwijkend beding als bedoeld in artikel 2.2.4.8, op het scheepstoebehoren :
1° de vorderingen van de gezagvoerder en de bemanningsleden die voortspruiten uit een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst en die verband houden met arbeid aan boord van het betrokken zeeschip, inbegrepen deze ter vergoeding van overlijden of letselschade, voor de terugbetaling van kosten en voor repatriëringskosten;
2° de tijdens de laatste reis ontstane vorderingen tot betaling van :
a) bergloon; en
b) de bijdrage van het zeeschip in averij-grosse;
3° de vorderingen tot vergoeding van :
a) schade veroorzaakt door aanvaring of andere scheepvaartongevallen;
b) overlijden of letselschade van de passagiers;
c) [1 ...]1
4° de onkosten gemaakt door de federale overheid met betrekking tot de inspecties van het zeeschip en de administratieve geldboetes opgelegd overeenkomstig dit wetboek verschuldigd voor met het zeeschip gepleegde inbreuken;
5° de sociale zekerheidsbijdragen op grond van een tewerkstelling van een zeevarende op een zeeschip verschuldigd aan de inningsinstelling van deze bijdragen, alsmede de bijdragen waarvan deze laatste de inning verzekert;
[2 6° de kosten gemaakt op basis van artikel 61/1 of artikel 63/1 van de wet van 13 juni 2014 tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006.]2
§ 2. De in de eerste paragraaf bedoelde vorderingen zijn alleen bevoorrecht in hoofdsom.
Art. 2.2.5.14. Créances visées par un privilège sur navire
§ 1er. Sous réserve des privilèges sur navires instaurés par le législateur régional ou communautaire compétent, sont exclusivement privilégiées sur le navire de mer et, sauf clause dérogatoire telle que visée à l'article 2.2.4.8, sur les accessoires du navire les créances suivantes :
1° les créances du commandant et des membres de l'équipage résultant d'un contrat d'engagement maritime, en rapport avec l'emploi à bord du navire de mer concerné, en ce compris celles destinées à indemniser un décès ou des lésions corporelles, celles destinées à rembourser des frais et celles issues de frais de rapatriement;
2° les créances nées au cours du dernier voyage pour le paiement de :
a) la rémunération du chef d'assistance; et
b) la contribution du navire de mer en avarie commune;
3° les créances indemnisant :
a) le dommage causé par un abordage ou un autre accident de la navigation;
b) le décès ou les lésions corporelles des passagers;
c) [1 ...]1
4° les frais exposés par les autorités fédérales en lien avec les inspections du navire de mer et les amendes administratives imposées conformément au présent code dues pour des infractions commises avec le navire de mer.
5° les cotisations de sécurité sociale dues sur base d'un emploi d'un marin sur un navire de mer à l'organisme percepteur de ces cotisations, ainsi que les cotisations dont ce dernier assure la perception;
[2 6° les frais exposés sur la base de l'article 61/1 ou de l'article 63/1 de la loi du 13 juin 2014 d'exécution et de contrôle de l'application de la Convention du travail maritime 2006.]2
§ 2. Les créances visées au paragraphe 1er sont uniquement privilégiées en principal.
§ 1er. Sous réserve des privilèges sur navires instaurés par le législateur régional ou communautaire compétent, sont exclusivement privilégiées sur le navire de mer et, sauf clause dérogatoire telle que visée à l'article 2.2.4.8, sur les accessoires du navire les créances suivantes :
1° les créances du commandant et des membres de l'équipage résultant d'un contrat d'engagement maritime, en rapport avec l'emploi à bord du navire de mer concerné, en ce compris celles destinées à indemniser un décès ou des lésions corporelles, celles destinées à rembourser des frais et celles issues de frais de rapatriement;
2° les créances nées au cours du dernier voyage pour le paiement de :
a) la rémunération du chef d'assistance; et
b) la contribution du navire de mer en avarie commune;
3° les créances indemnisant :
a) le dommage causé par un abordage ou un autre accident de la navigation;
b) le décès ou les lésions corporelles des passagers;
c) [1 ...]1
4° les frais exposés par les autorités fédérales en lien avec les inspections du navire de mer et les amendes administratives imposées conformément au présent code dues pour des infractions commises avec le navire de mer.
5° les cotisations de sécurité sociale dues sur base d'un emploi d'un marin sur un navire de mer à l'organisme percepteur de ces cotisations, ainsi que les cotisations dont ce dernier assure la perception;
[2 6° les frais exposés sur la base de l'article 61/1 ou de l'article 63/1 de la loi du 13 juin 2014 d'exécution et de contrôle de l'application de la Convention du travail maritime 2006.]2
§ 2. Les créances visées au paragraphe 1er sont uniquement privilégiées en principal.
Art. 2.2.5.15. Uitsluiting van voorrechten voor bepaalde soorten schade
In afwijking van artikel 2.2.5.14 is geen scheepsvoorrecht verbonden aan de vorderingen die betrekking hebben op :
1° schade in verband met het vervoer over zee van olie, bunkerolie of andere gevaarlijke of schadelijke stoffen waarvoor aan de schuldeiser een vergoeding verschuldigd is op grond van een internationaal verdrag of een nationale wet waardoor een objectieve aansprakelijkheid wordt ingevoerd alsmede een verplichte verzekering of een andere zekerheid;
2° schade als gevolg van de radioactieve eigenschappen of een combinatie van radioactieve eigenschappen met toxische, explosieve of andere gevaarlijke eigenschappen van hetzij nucleaire brandstof, hetzij radioactieve producten of afval.
In afwijking van artikel 2.2.5.14 is geen scheepsvoorrecht verbonden aan de vorderingen die betrekking hebben op :
1° schade in verband met het vervoer over zee van olie, bunkerolie of andere gevaarlijke of schadelijke stoffen waarvoor aan de schuldeiser een vergoeding verschuldigd is op grond van een internationaal verdrag of een nationale wet waardoor een objectieve aansprakelijkheid wordt ingevoerd alsmede een verplichte verzekering of een andere zekerheid;
2° schade als gevolg van de radioactieve eigenschappen of een combinatie van radioactieve eigenschappen met toxische, explosieve of andere gevaarlijke eigenschappen van hetzij nucleaire brandstof, hetzij radioactieve producten of afval.
Art. 2.2.5.15. Exclusion des privilèges pour certains types de dommages
Par dérogation à l'article 2.2.5.14, aucun privilège n'est lié aux créances qui proviennent ou résultent :
1° d'un dommage découlant du transport maritime d'hydrocarbures, d'hydrocarbures de soute ou autres substances dangereuses ou nocives, pour lesquels des indemnités sont payables aux créanciers en application de conventions internationales ou de lois nationales qui prévoient un régime de responsabilité objective et une assurance obligatoire ou une autre sûreté;
2° d'un dommage provenant des propriétés radioactives ou d'une combinaison de propriétés radioactives avec des propriétés toxiques, explosives ou autres propriétés dangereuses d'un combustible nucléaire ou de produits ou déchets radioactifs.
Par dérogation à l'article 2.2.5.14, aucun privilège n'est lié aux créances qui proviennent ou résultent :
1° d'un dommage découlant du transport maritime d'hydrocarbures, d'hydrocarbures de soute ou autres substances dangereuses ou nocives, pour lesquels des indemnités sont payables aux créanciers en application de conventions internationales ou de lois nationales qui prévoient un régime de responsabilité objective et une assurance obligatoire ou une autre sûreté;
2° d'un dommage provenant des propriétés radioactives ou d'une combinaison de propriétés radioactives avec des propriétés toxiques, explosives ou autres propriétés dangereuses d'un combustible nucléaire ou de produits ou déchets radioactifs.
Art. 2.2.5.16. Rang boven scheepshypotheken
De scheepsvoorrechten gaan altijd boven scheepshypotheken, erkende scheepsverbanden en inschrijfbare of anderszins registreerbare lasten van dezelfde aard en een pandrecht bedoeld in artikel 2.2.5.5, § 2.
De scheepsvoorrechten gaan altijd boven scheepshypotheken, erkende scheepsverbanden en inschrijfbare of anderszins registreerbare lasten van dezelfde aard en een pandrecht bedoeld in artikel 2.2.5.5, § 2.
Art. 2.2.5.16. Rang primant les hypothèques sur navires
Les privilèges sur navires priment toujours les hypothèques sur navires, les mortgages reconnus et les charges de même nature, inscriptibles ou enregistrables d'une autre manière, ainsi que le gage visé à l'article 2.2.5.5, § 2.
Les privilèges sur navires priment toujours les hypothèques sur navires, les mortgages reconnus et les charges de même nature, inscriptibles ou enregistrables d'une autre manière, ainsi que le gage visé à l'article 2.2.5.5, § 2.
Art. 2.2.5.17. Onderlinge rang
§ 1. De bevoorrechte schuldeisers worden gerangschikt en betaald volgens de door de volgende paragrafen bepaalde rang van hun schuldvordering.
§ 2. Bevoorrechte schuldvorderingen van de laatste reis hebben voorrang boven die van de voorgaande reizen.
Schuldvorderingen uit een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst aangegaan voor verscheidene reizen, staan met de schuldvorderingen van de laatste reis evenwel in rang gelijk.
§ 3. Schuldvorderingen die overeenkomstig paragraaf 2 dezelfde rang genieten, nemen onderling rang in naar de volgorde waarin zij in artikel 2.2.5.14 zijn vermeld.
De schuldvorderingen vermeld onder eenzelfde nummer staan in rang gelijk.
In afwijking van het vorige lid, worden schuldvorderingen bedoeld in artikel 2.2.5.14, § 1, 2° in die categorie bij voorrang betaald in omgekeerde volgorde van de tijdstippen waarop zij ontstaan zijn. Schuldvorderingen die betrekking hebben op eenzelfde voorval, worden geacht gelijktijdig te zijn ontstaan.
Voor de toepassing van deze paragraaf, en behoudens andersluidende regeling door de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever :
1° gaan de vorderingen met betrekking tot belastingen, sociaal zekerheidsbijdragen, retributies of soortgelijke door de overheid of de Europese Unie opgelegde heffingen of vergoedingen waaraan de wet of de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever desgevallend een scheepsvoorrecht heeft verbonden maar waaraan geen scheepsvoorrangsrecht is verbonden, voor op alle andere scheepsvoorrechten; en
2° worden de vorderingen tot vergoeding van schade waaraan de wet of de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever desgevallend een scheepsvoorrecht heeft verbonden, gelijkgesteld met de in artikel 2.2.5.14, § 1, 3° bedoelde vorderingen.
§ 4. Indien de opbrengst ontoereikend is, worden de in rang gelijkstaande vorderingen betaald naar evenredigheid.
§ 1. De bevoorrechte schuldeisers worden gerangschikt en betaald volgens de door de volgende paragrafen bepaalde rang van hun schuldvordering.
§ 2. Bevoorrechte schuldvorderingen van de laatste reis hebben voorrang boven die van de voorgaande reizen.
Schuldvorderingen uit een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst aangegaan voor verscheidene reizen, staan met de schuldvorderingen van de laatste reis evenwel in rang gelijk.
§ 3. Schuldvorderingen die overeenkomstig paragraaf 2 dezelfde rang genieten, nemen onderling rang in naar de volgorde waarin zij in artikel 2.2.5.14 zijn vermeld.
De schuldvorderingen vermeld onder eenzelfde nummer staan in rang gelijk.
In afwijking van het vorige lid, worden schuldvorderingen bedoeld in artikel 2.2.5.14, § 1, 2° in die categorie bij voorrang betaald in omgekeerde volgorde van de tijdstippen waarop zij ontstaan zijn. Schuldvorderingen die betrekking hebben op eenzelfde voorval, worden geacht gelijktijdig te zijn ontstaan.
Voor de toepassing van deze paragraaf, en behoudens andersluidende regeling door de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever :
1° gaan de vorderingen met betrekking tot belastingen, sociaal zekerheidsbijdragen, retributies of soortgelijke door de overheid of de Europese Unie opgelegde heffingen of vergoedingen waaraan de wet of de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever desgevallend een scheepsvoorrecht heeft verbonden maar waaraan geen scheepsvoorrangsrecht is verbonden, voor op alle andere scheepsvoorrechten; en
2° worden de vorderingen tot vergoeding van schade waaraan de wet of de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever desgevallend een scheepsvoorrecht heeft verbonden, gelijkgesteld met de in artikel 2.2.5.14, § 1, 3° bedoelde vorderingen.
§ 4. Indien de opbrengst ontoereikend is, worden de in rang gelijkstaande vorderingen betaald naar evenredigheid.
Art. 2.2.5.17. Rang
§ 1er. Les créanciers privilégiés prennent rang et sont payés conformément au rang de leur créance déterminé dans les paragraphes suivants.
§ 2. Les créances privilégiées du dernier voyage sont préférées à celles des voyages précédents.
Toutefois, les créances résultant d'un contrat d'engagement maritime portant sur plusieurs voyages viennent au même rang avec les créances du dernier voyage.
§ 3. Les créances qui bénéficient du même rang en vertu du paragraphe 2 prennent rang entre elles dans l'ordre où elles sont mentionnées à l'article 2.2.5.14.
Les créances reprises sous un même numéro viennent en concurrence.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les créances visées à l'article 2.2.5.14, § 1er, 2°, dans cette catégorie, sont remboursées par préférence dans l'ordre inverse des dates où elles sont nées. Les créances se rattachant à un même événement sont réputées nées en même temps.
Pour l'application du présent paragraphe, et sauf régime contraire instauré par le législateur régional ou communautaire compétent :
1° les créances se rattachant aux impositions, aux cotisations de sécurité sociale, aux redevances ou aux perceptions ou indemnités de même nature imposées par les pouvoirs publics ou l'Union européen auxquelles la loi ou le législateur régional ou communautaire compétent a lié, le cas échéant, un privilège sur navire, mais auxquelles aucun droit de priorité sur navire n'est lié, priment tous les autres privilèges sur navires; et
2° les demandes d'indemnisation de dommage auxquelles la loi ou le législateur régional ou communautaire compétent a, le cas échéant, lié un privilège sur navire, sont assimilées aux créances visées à l'article 2.2.5.14, § 1er, 3°.
§ 4. En cas d'insuffisance du prix, les créances qui viennent au même rang sont payées au marc le franc.
§ 1er. Les créanciers privilégiés prennent rang et sont payés conformément au rang de leur créance déterminé dans les paragraphes suivants.
§ 2. Les créances privilégiées du dernier voyage sont préférées à celles des voyages précédents.
Toutefois, les créances résultant d'un contrat d'engagement maritime portant sur plusieurs voyages viennent au même rang avec les créances du dernier voyage.
§ 3. Les créances qui bénéficient du même rang en vertu du paragraphe 2 prennent rang entre elles dans l'ordre où elles sont mentionnées à l'article 2.2.5.14.
Les créances reprises sous un même numéro viennent en concurrence.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les créances visées à l'article 2.2.5.14, § 1er, 2°, dans cette catégorie, sont remboursées par préférence dans l'ordre inverse des dates où elles sont nées. Les créances se rattachant à un même événement sont réputées nées en même temps.
Pour l'application du présent paragraphe, et sauf régime contraire instauré par le législateur régional ou communautaire compétent :
1° les créances se rattachant aux impositions, aux cotisations de sécurité sociale, aux redevances ou aux perceptions ou indemnités de même nature imposées par les pouvoirs publics ou l'Union européen auxquelles la loi ou le législateur régional ou communautaire compétent a lié, le cas échéant, un privilège sur navire, mais auxquelles aucun droit de priorité sur navire n'est lié, priment tous les autres privilèges sur navires; et
2° les demandes d'indemnisation de dommage auxquelles la loi ou le législateur régional ou communautaire compétent a, le cas échéant, lié un privilège sur navire, sont assimilées aux créances visées à l'article 2.2.5.14, § 1er, 3°.
§ 4. En cas d'insuffisance du prix, les créances qui viennent au même rang sont payées au marc le franc.
Art. 2.2.5.18. Oorzaken van tenietgaan
Behalve in de gevallen bedoeld in artikel 2.2.5.10, gaan de scheepsvoorrechten teniet :
1° door het verloop van een vervaltermijn van één jaar;
2° ten aanzien van de betrokken schuldeisers en de betrokken, daadwerkelijk voor beperking van aansprakelijkheid vatbare vorderingen, door de vorming van een beperkingsfonds als bedoeld in de artikel en 2.3.2.47.
Behalve in de gevallen bedoeld in artikel 2.2.5.10, gaan de scheepsvoorrechten teniet :
1° door het verloop van een vervaltermijn van één jaar;
2° ten aanzien van de betrokken schuldeisers en de betrokken, daadwerkelijk voor beperking van aansprakelijkheid vatbare vorderingen, door de vorming van een beperkingsfonds als bedoeld in de artikel en 2.3.2.47.
Art. 2.2.5.18. Causes d'extinction
Sauf dans les cas visés à l'article 2.2.5.10, les privilèges sur navires s'éteignent :
1° à l'expiration du délai de déchéance d'un an;
2° par la constitution du fonds de limitation tel que visé à l'article 2.3.2.47 à l'égard des créanciers concernés et des créances concernées qui sont effectivement soumises à la limitation de responsabilité.
Sauf dans les cas visés à l'article 2.2.5.10, les privilèges sur navires s'éteignent :
1° à l'expiration du délai de déchéance d'un an;
2° par la constitution du fonds de limitation tel que visé à l'article 2.3.2.47 à l'égard des créanciers concernés et des créances concernées qui sont effectivement soumises à la limitation de responsabilité.
Art. 2.2.5.19. Tenietgaan door vrijwillige vervreemding
De scheepsvoorrechten gaan teniet door vrijwillige vervreemding, mits :
1° de akte van vervreemding wordt ingeschreven overeenkomstig artikel 2.2.1.12;
2° de vervreemding tweemaal en met een tussentijd van ten minste acht dagen wordt bekendgemaakt :
a) in het Belgisch Staatsblad;
b) op de website van het Belgisch Scheepsregister;
c) op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze;
3° de schuldeiser binnen een maand na de inschrijving of na de laatste bekendmaking geen verzet betekent aan de vroegere of aan de nieuwe eigenaar.
Het recht van voorrang van de schuldeiser blijft echter bestaan op de koopprijs, zolang deze niet is betaald of verdeeld.
De scheepsvoorrechten gaan teniet door vrijwillige vervreemding, mits :
1° de akte van vervreemding wordt ingeschreven overeenkomstig artikel 2.2.1.12;
2° de vervreemding tweemaal en met een tussentijd van ten minste acht dagen wordt bekendgemaakt :
a) in het Belgisch Staatsblad;
b) op de website van het Belgisch Scheepsregister;
c) op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze;
3° de schuldeiser binnen een maand na de inschrijving of na de laatste bekendmaking geen verzet betekent aan de vroegere of aan de nieuwe eigenaar.
Het recht van voorrang van de schuldeiser blijft echter bestaan op de koopprijs, zolang deze niet is betaald of verdeeld.
Art. 2.2.5.19. Extinction par aliénation volontaire
Les privilèges sur navires s'éteignent par l'aliénation volontaire, dans les conditions suivantes :
1° que l'acte d'aliénation soit inscrit conformément à l'article 2.2.1.12;
2° que l'aliénation soit publiée à deux reprises et à au moins huit jours d'intervalle :
a) au Moniteur Belge;
b) sur le site web du Registre naval belge;
c) le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi;
3° qu'aucune opposition ne soit notifiée par le créancier, tant à l'ancien qu'au nouveau propriétaire, dans le mois de l'inscription ou de la dernière publication.
Néanmoins, le droit de priorité du créancier subsiste sur le prix de vente, tant que celui-ci n'a pas été payé ou distribué.
Les privilèges sur navires s'éteignent par l'aliénation volontaire, dans les conditions suivantes :
1° que l'acte d'aliénation soit inscrit conformément à l'article 2.2.1.12;
2° que l'aliénation soit publiée à deux reprises et à au moins huit jours d'intervalle :
a) au Moniteur Belge;
b) sur le site web du Registre naval belge;
c) le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi;
3° qu'aucune opposition ne soit notifiée par le créancier, tant à l'ancien qu'au nouveau propriétaire, dans le mois de l'inscription ou de la dernière publication.
Néanmoins, le droit de priorité du créancier subsiste sur le prix de vente, tant que celui-ci n'a pas été payé ou distribué.
Art. 2.2.5.20. Tenietgaan door verval
§ 1. De in artikel 2.2.5.18, 1°, bedoelde vervaltermijn loopt :
1° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 2.2.5.14, eerste lid, 1°, van de dag waarop de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst is beëindigd of, in het geval van overlijden of letselschade, van de dag van het overlijden respectievelijk van het ontstaan van het letsel;
2° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 2.2.5.14, § 1, 2°, a), van de dag waarop de verrichtingen beëindigd zijn;
3° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 2.2.5.14, § 1, 2°, b), van de dag waarop de bijdrage opeisbaar is;
4° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 2.2.5.14, § 1, 3°, a), van de dag waarop de schade veroorzaakt is;
5° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 2.2.5.14, § 1, 3°, b), van de dag van het overlijden respectievelijk van het ontstaan van het letsel;
6° [1 ...]1
7° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 2.2.5.14, § 1, 4°, van de dag waarop de bevoorrechte schuldvordering is ontstaan of, met betrekking tot een administratieve boete, van de dag waarop tegen de beslissing van de sanctionerende overheid geen beroep meer kan worden aangetekend of van de dag waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan;
8° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 2.2.5.14, § 1, 5°, van de dag waarop bijdragen verschuldigd werden aan de inningsinstelling van deze bijdragen;
9° met betrekking tot de door de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever ingestelde scheepsvoorrechten, behoudens andersluidende regeling, van de dag waarop de bevoorrechte schuldvordering is ontstaan.
§ 2. Het verloop van de in artikel 2.2.5.18, 1° bedoelde vervaltermijn doet het scheepsvoorrecht niet teniet indien :
1° door een bevoorrechte schuldeiser voor de afloop ervan een bewarend beslag op het schip wordt gelegd dat wordt gehandhaafd en leidt tot de gedwongen verkoop; of
2° voor de afloop ervan op het schip uitvoerend beslag wordt gelegd; of
3° bewarend of uitvoerend beslag op het schip wordt verhinderd door de wet, in welk geval de vervaltermijn gedurende de verhindering niet loopt.
§ 1. De in artikel 2.2.5.18, 1°, bedoelde vervaltermijn loopt :
1° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 2.2.5.14, eerste lid, 1°, van de dag waarop de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst is beëindigd of, in het geval van overlijden of letselschade, van de dag van het overlijden respectievelijk van het ontstaan van het letsel;
2° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 2.2.5.14, § 1, 2°, a), van de dag waarop de verrichtingen beëindigd zijn;
3° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 2.2.5.14, § 1, 2°, b), van de dag waarop de bijdrage opeisbaar is;
4° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 2.2.5.14, § 1, 3°, a), van de dag waarop de schade veroorzaakt is;
5° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 2.2.5.14, § 1, 3°, b), van de dag van het overlijden respectievelijk van het ontstaan van het letsel;
6° [1 ...]1
7° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 2.2.5.14, § 1, 4°, van de dag waarop de bevoorrechte schuldvordering is ontstaan of, met betrekking tot een administratieve boete, van de dag waarop tegen de beslissing van de sanctionerende overheid geen beroep meer kan worden aangetekend of van de dag waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan;
8° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 2.2.5.14, § 1, 5°, van de dag waarop bijdragen verschuldigd werden aan de inningsinstelling van deze bijdragen;
9° met betrekking tot de door de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever ingestelde scheepsvoorrechten, behoudens andersluidende regeling, van de dag waarop de bevoorrechte schuldvordering is ontstaan.
§ 2. Het verloop van de in artikel 2.2.5.18, 1° bedoelde vervaltermijn doet het scheepsvoorrecht niet teniet indien :
1° door een bevoorrechte schuldeiser voor de afloop ervan een bewarend beslag op het schip wordt gelegd dat wordt gehandhaafd en leidt tot de gedwongen verkoop; of
2° voor de afloop ervan op het schip uitvoerend beslag wordt gelegd; of
3° bewarend of uitvoerend beslag op het schip wordt verhinderd door de wet, in welk geval de vervaltermijn gedurende de verhindering niet loopt.
Art. 2.2.5.20. Extinction par déchéance
§ 1er. Le délai d'extinction visé à l'article 2.2.5.18, 1°, court :
1° pour le privilège sur navire visé à l'article 2.2.5.14, § 1er, 1°, à partir du jour de la terminaison du contrat d'engagement maritime ou, en cas de décès ou de lésions corporelles, à partir du jour du décès ou de la naissance des lésions;
2° pour le privilège sur navire visé à l'article 2.2.5.14, § 1er, 2°, a), à partir du jour où les opérations sont terminées;
3° pour le privilège sur navire visé à l'article 2.2.5.14, § 1er, 2°, b), à partir du jour où la contribution devient exigible;
4° pour le privilège sur navire visé à l'article 2.2.5.14, § 1er, 3°, a), à partir du jour où le dommage a été causé;
5° pour le privilège sur navire visé à l'article 2.2.5.14, § 1er, 3°, b), à partir du jour du décès ou de la naissance des lésions;
6° [1 ...]1
7° pour le privilège sur navire visé à l'article 2.2.5.14, § 1er, 4°, à partir du jour de la naissance de la créance privilégiée ou en ce qui concerne une amende administrative, à compter du jour auquelil n'est plus possible de faire appel de la décision de l'autorité de sanction ou à compter de la date du passage en force de chose jugée de la décision judiciaire;
8° pour le privilège sur navire visé à l'article 2.2.5.14, § 1er, 5°, à partir du jour où les cotisations sont dues à l'organisme percepteur de ces cotisations;
9° pour le privilège sur navire introduit par le législateur régional ou communautaire compétent, sauf régime contraire, à partir du jour de la naissance de la créance privilégiée.
§ 2. L'expiration du délai visé à l'article 2.2.5.18, 1°, n'éteint pas le privilège sur navire si :
1° avant l'expiration, le créancier privilégié pratique une saisie conservatoire sur le navire, maintenue et conduisant à une vente forcée; ou
2° avant l'expiration, le navire fait l'objet d'une saisie-exécution; ou
3° l'exercice d'une saisie conservatoire ou d'une saisie-exécution sur le navire est interdit par la loi, auquel cas le délai d'extinction ne court pas tant que l'interdiction perdure.
§ 1er. Le délai d'extinction visé à l'article 2.2.5.18, 1°, court :
1° pour le privilège sur navire visé à l'article 2.2.5.14, § 1er, 1°, à partir du jour de la terminaison du contrat d'engagement maritime ou, en cas de décès ou de lésions corporelles, à partir du jour du décès ou de la naissance des lésions;
2° pour le privilège sur navire visé à l'article 2.2.5.14, § 1er, 2°, a), à partir du jour où les opérations sont terminées;
3° pour le privilège sur navire visé à l'article 2.2.5.14, § 1er, 2°, b), à partir du jour où la contribution devient exigible;
4° pour le privilège sur navire visé à l'article 2.2.5.14, § 1er, 3°, a), à partir du jour où le dommage a été causé;
5° pour le privilège sur navire visé à l'article 2.2.5.14, § 1er, 3°, b), à partir du jour du décès ou de la naissance des lésions;
6° [1 ...]1
7° pour le privilège sur navire visé à l'article 2.2.5.14, § 1er, 4°, à partir du jour de la naissance de la créance privilégiée ou en ce qui concerne une amende administrative, à compter du jour auquelil n'est plus possible de faire appel de la décision de l'autorité de sanction ou à compter de la date du passage en force de chose jugée de la décision judiciaire;
8° pour le privilège sur navire visé à l'article 2.2.5.14, § 1er, 5°, à partir du jour où les cotisations sont dues à l'organisme percepteur de ces cotisations;
9° pour le privilège sur navire introduit par le législateur régional ou communautaire compétent, sauf régime contraire, à partir du jour de la naissance de la créance privilégiée.
§ 2. L'expiration du délai visé à l'article 2.2.5.18, 1°, n'éteint pas le privilège sur navire si :
1° avant l'expiration, le créancier privilégié pratique une saisie conservatoire sur le navire, maintenue et conduisant à une vente forcée; ou
2° avant l'expiration, le navire fait l'objet d'une saisie-exécution; ou
3° l'exercice d'une saisie conservatoire ou d'une saisie-exécution sur le navire est interdit par la loi, auquel cas le délai d'extinction ne court pas tant que l'interdiction perdure.
Wijzigingen
Afdeling 4. - Scheepsretentierechten
Section 4. - Droits de rétention sur navires
Art. 2.2.5.21. Andere regelgeving
HOOFDSTUK III van titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek is niet op het in artikel 2.2.5.22 bedoelde scheepsretentierecht van toepassing.
HOOFDSTUK III van titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek is niet op het in artikel 2.2.5.22 bedoelde scheepsretentierecht van toepassing.
Art. 2.2.5.21. Autre réglementation
Le chapitre III du titre XVII du livre III du Code civil ne s'applique pas au droit de rétention sur navire visé à l'article 2.2.5.22.
Le chapitre III du titre XVII du livre III du Code civil ne s'applique pas au droit de rétention sur navire visé à l'article 2.2.5.22.
Art. 2.2.5.22. Scheepsretentierecht van de scheepswerf
§ 1. Behoudens afwijkend beding beschikt de met de bouw, uitrusting, ombouw of herstelling van een schip belaste scheepswerf over een scheepsretentierecht.
§ 2. Het scheepsretentierecht geeft de scheepswerf het recht om de afgifte van het zeeschip dat hij in zijn bezit heeft en waarop zijn schuldvordering betrekking heeft op te schorten totdat deze vordering is voldaan.
§ 3. In geval van gedwongen verkoop van het zeeschip na beslag, moet de scheepswerf het zeeschip aan de koper afgeven.
De scheepswerf die zijn scheepsretentierecht liet inschrijven, heeft evenwel recht op betaling van zijn vordering uit de opbrengst van de verkoop, nadat de schuldeisers met een scheepsvoorrangsrecht, een scheepsvoorrecht en de scheepshypotheekhouders zijn betaald.
Is het zeeschip waarop het scheepsretentierecht betrekking heeft, niet in België geregistreerd, dan beperkt het Belgisch Scheepsregister zich tot de neerlegging van de betrokken akte in het register van neerlegging. Het Belgisch Scheepsregister gaat alsnog tot de inschrijving van het scheepsretentierecht over zodra het zeeschip is geregistreerd. In afwachting daarvan heeft de neerlegging het in het tweede lid bedoelde gevolg. Vanaf de neerlegging heeft de scheepswerf bovendien voorrang op de nadien geregistreerde pandhouders in de zin van titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek.
§ 4. Het scheepsretentierecht gaat teniet wanneer het zeeschip, anders dan ten gevolge van gedwongen verkoop, ophoudt zich in het bezit van de scheepswerf te bevinden.
§ 1. Behoudens afwijkend beding beschikt de met de bouw, uitrusting, ombouw of herstelling van een schip belaste scheepswerf over een scheepsretentierecht.
§ 2. Het scheepsretentierecht geeft de scheepswerf het recht om de afgifte van het zeeschip dat hij in zijn bezit heeft en waarop zijn schuldvordering betrekking heeft op te schorten totdat deze vordering is voldaan.
§ 3. In geval van gedwongen verkoop van het zeeschip na beslag, moet de scheepswerf het zeeschip aan de koper afgeven.
De scheepswerf die zijn scheepsretentierecht liet inschrijven, heeft evenwel recht op betaling van zijn vordering uit de opbrengst van de verkoop, nadat de schuldeisers met een scheepsvoorrangsrecht, een scheepsvoorrecht en de scheepshypotheekhouders zijn betaald.
Is het zeeschip waarop het scheepsretentierecht betrekking heeft, niet in België geregistreerd, dan beperkt het Belgisch Scheepsregister zich tot de neerlegging van de betrokken akte in het register van neerlegging. Het Belgisch Scheepsregister gaat alsnog tot de inschrijving van het scheepsretentierecht over zodra het zeeschip is geregistreerd. In afwachting daarvan heeft de neerlegging het in het tweede lid bedoelde gevolg. Vanaf de neerlegging heeft de scheepswerf bovendien voorrang op de nadien geregistreerde pandhouders in de zin van titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek.
§ 4. Het scheepsretentierecht gaat teniet wanneer het zeeschip, anders dan ten gevolge van gedwongen verkoop, ophoudt zich in het bezit van de scheepswerf te bevinden.
Art. 2.2.5.22. Droit de rétention du chantier naval
§ 1er. Sauf disposition dérogatoire, le chantier naval chargé de la construction, de l'équipement, de la transformation ou de la réparation d'un navire dispose d'un droit de rétention sur le navire.
§ 2. Le droit de rétention sur navire octroie au chantier naval le droit de suspendre la délivrance du navire de mer qu'il a en sa possession et auquel sa créance se rapporte, jusqu'à ce que sa créance soit réglée.
§ 3. En cas de vente forcée du navire de mer après saisie, le chantier naval doit délivrer le navire de mer à l'acquéreur.
Le chantier naval qui a fait inscrire son droit de rétention a toutefois le droit au paiement de sa créance sur le produit de la vente, après le règlement des créanciers qui disposent d'un droit de priorité sur navire, d'un privilège sur navire et les créanciers hypothécaires.
Si le navire de mer auquel le droit de rétention se rapporte n'a pas été enregistré en Belgique, le Registre naval belge se limite alors au dépôt de l'acte concerné dans le registre de dépôts. Le Registre naval belge procède à l'inscription du droit de rétention dès l'enregistrement du navire de mer. Dans l'attente, le dépôt entraîne la conséquence visée à l'alinéa 2. A compter du dépôt, le chantier naval a en outre priorité sur les créanciers enregistrés ultérieurement au sens du titre XVII du livre III du Code civil.
§ 4. Le droit de rétention sur navire de mer s'éteint lorsque le navire, autrement qu'à la suite d'une vente forcée, cesse d'être en la possession du chantier naval.
§ 1er. Sauf disposition dérogatoire, le chantier naval chargé de la construction, de l'équipement, de la transformation ou de la réparation d'un navire dispose d'un droit de rétention sur le navire.
§ 2. Le droit de rétention sur navire octroie au chantier naval le droit de suspendre la délivrance du navire de mer qu'il a en sa possession et auquel sa créance se rapporte, jusqu'à ce que sa créance soit réglée.
§ 3. En cas de vente forcée du navire de mer après saisie, le chantier naval doit délivrer le navire de mer à l'acquéreur.
Le chantier naval qui a fait inscrire son droit de rétention a toutefois le droit au paiement de sa créance sur le produit de la vente, après le règlement des créanciers qui disposent d'un droit de priorité sur navire, d'un privilège sur navire et les créanciers hypothécaires.
Si le navire de mer auquel le droit de rétention se rapporte n'a pas été enregistré en Belgique, le Registre naval belge se limite alors au dépôt de l'acte concerné dans le registre de dépôts. Le Registre naval belge procède à l'inscription du droit de rétention dès l'enregistrement du navire de mer. Dans l'attente, le dépôt entraîne la conséquence visée à l'alinéa 2. A compter du dépôt, le chantier naval a en outre priorité sur les créanciers enregistrés ultérieurement au sens du titre XVII du livre III du Code civil.
§ 4. Le droit de rétention sur navire de mer s'éteint lorsque le navire, autrement qu'à la suite d'une vente forcée, cesse d'être en la possession du chantier naval.
Art. 2.2.5.23. Andere retentierechten
Andere retentierechten dan dit bedoeld in artikel 2.2.5.22 kunnen niet aan derden worden tegengesteld.
Andere retentierechten dan dit bedoeld in artikel 2.2.5.22 kunnen niet aan derden worden tegengesteld.
Art. 2.2.5.23. Autres droits de rétention
Aucun autre droit de rétention que celui visé à l'article 2.2.5.22 n'est opposable aux tiers.
Aucun autre droit de rétention que celui visé à l'article 2.2.5.22 n'est opposable aux tiers.
Afdeling 5. - Scheepshypotheken
Section 5. - Hypothèques sur navires
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1ère. - Dispositions générales
Art. 2.2.5.24. Andere regelgeving
Deze afdeling geldt onverminderd :
1° afdeling 5 van hoofdstuk 3 van de Hypotheekwet;
2° het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen;
3° hoofdstuk 2 van titel 4 van boek VII van het Wetboek van economisch recht,
voor zover zij op door een scheepshypotheek gewaarborgde kredieten van toepassing zijn.
Deze afdeling geldt onverminderd :
1° afdeling 5 van hoofdstuk 3 van de Hypotheekwet;
2° het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen;
3° hoofdstuk 2 van titel 4 van boek VII van het Wetboek van economisch recht,
voor zover zij op door een scheepshypotheek gewaarborgde kredieten van toepassing zijn.
Art. 2.2.5.24. Autre réglementation
La présenté section s'applique sans préjudice :
1° de la section 5 du chapitre 3 de la loi hypothécaire;
2° de l'arrêté royal n° 225 du 7 janvier 1936 réglementant les prêts hypothécaires et organisant le contrôle des entreprises de prêts hypothécaires;
3° du chapitre 2 du titre 4 du livre VII du Code de droit économique,
pour autant que ces législations portent sur les crédits garantis par une hypothèque sur navire.
La présenté section s'applique sans préjudice :
1° de la section 5 du chapitre 3 de la loi hypothécaire;
2° de l'arrêté royal n° 225 du 7 janvier 1936 réglementant les prêts hypothécaires et organisant le contrôle des entreprises de prêts hypothécaires;
3° du chapitre 2 du titre 4 du livre VII du Code de droit économique,
pour autant que ces législations portent sur les crédits garantis par une hypothèque sur navire.
Art. 2.2.5.25. Voor scheepshypotheek vatbare goederen
Schepen, schepen in aanbouw en schepen in verbouwing kunnen worden bezwaard met een scheepshypotheek.
Schepen, schepen in aanbouw en schepen in verbouwing kunnen worden bezwaard met een scheepshypotheek.
Art. 2.2.5.25. Biens susceptibles d'hypothèque sur navire
Les navires, les navires en construction et les navires en transformation peuvent être grevés d'une hypothèque sur navire.
Les navires, les navires en construction et les navires en transformation peuvent être grevés d'une hypothèque sur navire.
Art. 2.2.5.26. Vestigen van de scheepshypotheek
Een scheepshypotheek kan worden gevestigd bij overeenkomst tussen de partijen en in de andere gevallen door de wet bepaald.
Een scheepshypotheek kan worden gevestigd bij overeenkomst tussen de partijen en in de andere gevallen door de wet bepaald.
Art. 2.2.5.26. Constitution de l'hypothèque sur navire
Une hypothèque sur navire peut être constituée par la convention des parties et dans les autres cas établis par la loi.
Une hypothèque sur navire peut être constituée par la convention des parties et dans les autres cas établis par la loi.
Art. 2.2.5.27. Bekwaamheid van de scheepshypotheekgever
§ 1. Op straffe van volstrekte nietigheid kan een scheepshypotheek alleen worden gevestigd door degene die bekwaam is om het schip, het schip in aanbouw of het schip in verbouwing te vervreemden.
§ 2. Schepen van minderjarigen en van onbekwaamverklaarden kunnen niet anders met scheepshypotheek bezwaard worden dan wegens de oorzaken en met inachtneming van de vormen die bij de wet bepaald zijn.
§ 1. Op straffe van volstrekte nietigheid kan een scheepshypotheek alleen worden gevestigd door degene die bekwaam is om het schip, het schip in aanbouw of het schip in verbouwing te vervreemden.
§ 2. Schepen van minderjarigen en van onbekwaamverklaarden kunnen niet anders met scheepshypotheek bezwaard worden dan wegens de oorzaken en met inachtneming van de vormen die bij de wet bepaald zijn.
Art. 2.2.5.27. Capacité de l'affectant hypothécaire sur navire
§ 1er. A peine de nullité absolue, une hypothèque sur navire ne peut être constituée que par une personne qui a la capacité d'aliéner le navire, le navire en construction ou le navire en transformation.
§ 2. Les navires des mineurs et des interdits ne peuvent être hypothéqués que pour les causes et dans les formes établies par la loi.
§ 1er. A peine de nullité absolue, une hypothèque sur navire ne peut être constituée que par une personne qui a la capacité d'aliéner le navire, le navire en construction ou le navire en transformation.
§ 2. Les navires des mineurs et des interdits ne peuvent être hypothéqués que pour les causes et dans les formes établies par la loi.
Art. 2.2.5.28. Vestiging door de gezagvoerder of een lasthebber
Een scheepshypotheek kan slechts worden gevestigd door de gezagvoerder of een lasthebber wanneer deze daartoe over een uitdrukkelijke lastgeving beschikt.
Een scheepshypotheek kan slechts worden gevestigd door de gezagvoerder of een lasthebber wanneer deze daartoe over een uitdrukkelijke lastgeving beschikt.
Art. 2.2.5.28. Constitution par le commandant ou un mandataire
Une hypothèque sur navire ne peut être constituée que par le commandant ou un mandataire lorsqu'il dispose d'un mandat exprès l'en chargeant.
Une hypothèque sur navire ne peut être constituée que par le commandant ou un mandataire lorsqu'il dispose d'un mandat exprès l'en chargeant.
Art. 2.2.5.29. Vorm
De scheepshypotheek kan worden gevestigd bij authentieke of bij onderhandse akte.
De scheepshypotheek kan worden gevestigd bij authentieke of bij onderhandse akte.
Art. 2.2.5.29. Forme
L'hypothèque sur navire peut être constituée par acte authentique ou par acte sous signature privée.
L'hypothèque sur navire peut être constituée par acte authentique ou par acte sous signature privée.
Art. 2.2.5.30. Woonstkeuze
De akte van scheepshypotheekvestiging bevat keuze van woonplaats door de schuldeiser op een adres in België.
Bij gebreke van keuze van woonplaats mogen alle betekeningen en kennisgevingen betreffende de inschrijving gedaan worden aan het in de akte vermelde adres van de schuldeiser of, bij gebrek aan adres in België, aan de procureur des Konings te Brussel.
De schuldeiser of zijn vertegenwoordigers kunnen de gekozen woonplaats wijzigen of schrappen door een verklaring in onderhandse of authentieke vorm, die zij in het zeeschepenregister of het binnenschepenregister kunnen laten inschrijven.
De akte van scheepshypotheekvestiging bevat keuze van woonplaats door de schuldeiser op een adres in België.
Bij gebreke van keuze van woonplaats mogen alle betekeningen en kennisgevingen betreffende de inschrijving gedaan worden aan het in de akte vermelde adres van de schuldeiser of, bij gebrek aan adres in België, aan de procureur des Konings te Brussel.
De schuldeiser of zijn vertegenwoordigers kunnen de gekozen woonplaats wijzigen of schrappen door een verklaring in onderhandse of authentieke vorm, die zij in het zeeschepenregister of het binnenschepenregister kunnen laten inschrijven.
Art. 2.2.5.30. Election de domicile
L'acte de constitution d'hypothèque contient élection de domicile par le créancier à une adresse en Belgique.
A défaut d'élection de domicile, toutes significations et notifications relatives à l'inscription pourront être faites à l'adresse du créancier mentionnée dans l'acte ou, à défaut d'une adresse en Belgique, au procureur du Roi de Bruxelles.
Il est loisible au créancier ou à ses représentants de changer ou de supprimer le domicile élu au moyen d'une déclaration sous signature privée ou sous forme authentique, qu'ils peuvent faire inscrire au registre des navires de mer ou au registre des bateaux de navigation intérieure.
L'acte de constitution d'hypothèque contient élection de domicile par le créancier à une adresse en Belgique.
A défaut d'élection de domicile, toutes significations et notifications relatives à l'inscription pourront être faites à l'adresse du créancier mentionnée dans l'acte ou, à défaut d'une adresse en Belgique, au procureur du Roi de Bruxelles.
Il est loisible au créancier ou à ses représentants de changer ou de supprimer le domicile élu au moyen d'une déclaration sous signature privée ou sous forme authentique, qu'ils peuvent faire inscrire au registre des navires de mer ou au registre des bateaux de navigation intérieure.
Art. 2.2.5.31. Scheepshypotheek op schepen in aanbouw
Een scheepshypotheek kan worden gevestigd op een schip in aanbouw zodra de scheepsbouwovereenkomst ondertekend is en, ingeval de scheepsbouwer voor eigen rekening bouwt, zodra het schip geregistreerd of teboekgesteld is.
Een scheepshypotheek kan worden gevestigd op een schip in aanbouw zodra de scheepsbouwovereenkomst ondertekend is en, ingeval de scheepsbouwer voor eigen rekening bouwt, zodra het schip geregistreerd of teboekgesteld is.
Art. 2.2.5.31. Hypothèque sur un navire en construction
Une hypothèque peut être constituée sur un navire en construction dès que le contrat de construction a été signé et, lorsque le constructeur construit pour son propre compte, dès que le navire a été enregistré ou immatriculé.
Une hypothèque peut être constituée sur un navire en construction dès que le contrat de construction a été signé et, lorsque le constructeur construit pour son propre compte, dès que le navire a été enregistré ou immatriculé.
Art. 2.2.5.32. Voorwaardelijke of vernietigbare scheepshypotheek
§ 1. Wanneer het recht van de scheepshypotheekgever op het schip onderworpen is aan een opschortende of ontbindende voorwaarde, of wanneer dit recht vatbaar is voor vernietiging, is de scheepshypotheek onderworpen aan dezelfde voorwaarde of vatbaar voor dezelfde vernietiging, naargelang het geval.
§ 2. In afwijking van artikel 2.2.5.27, § 1, kan de opdrachtgever bij een scheepsbouwovereenkomst die nog geen eigendomsrecht op het schip heeft verworven, een hypotheek vestigen onder opschortende voorwaarde dat hij dit recht verwerft.
§ 1. Wanneer het recht van de scheepshypotheekgever op het schip onderworpen is aan een opschortende of ontbindende voorwaarde, of wanneer dit recht vatbaar is voor vernietiging, is de scheepshypotheek onderworpen aan dezelfde voorwaarde of vatbaar voor dezelfde vernietiging, naargelang het geval.
§ 2. In afwijking van artikel 2.2.5.27, § 1, kan de opdrachtgever bij een scheepsbouwovereenkomst die nog geen eigendomsrecht op het schip heeft verworven, een hypotheek vestigen onder opschortende voorwaarde dat hij dit recht verwerft.
Art. 2.2.5.32. Hypothèque sur navire conditionnelle ou annulable
§ 1er. Lorsque le droit de l'affectant hypothécaire sur le navire est soumis à une condition suspensive ou résolutoire, ou lorsque ce droit est susceptible d'annulation, l'hypothèque sur navire est soumise à la même condition ou est susceptible de la même annulation, selon le cas.
§ 2. Par dérogation à l'article 2.2.5.27, § 1er, le maître de l'ouvrage au contrat de construction qui n'a pas encore obtenu le droit de propriété peut constituer une hypothèque sous la condition suspensive de l'obtention de ce droit.
§ 1er. Lorsque le droit de l'affectant hypothécaire sur le navire est soumis à une condition suspensive ou résolutoire, ou lorsque ce droit est susceptible d'annulation, l'hypothèque sur navire est soumise à la même condition ou est susceptible de la même annulation, selon le cas.
§ 2. Par dérogation à l'article 2.2.5.27, § 1er, le maître de l'ouvrage au contrat de construction qui n'a pas encore obtenu le droit de propriété peut constituer une hypothèque sous la condition suspensive de l'obtention de ce droit.
Art. 2.2.5.33. Afbakening van de scheepshypotheek
Op straffe van volstrekte nietigheid, moet de scheepshypotheek worden verleend op één of meer duidelijk aangewezen schepen en voor een bepaald bedrag.
Onverminderd artikel 2.2.1.27 kan de aanwijzing van het schip of de schepen gebeuren aan de hand van alle nuttige gegevens, waaronder deze betreffende de registratie of de teboekstelling.
Op straffe van volstrekte nietigheid, moet de scheepshypotheek worden verleend op één of meer duidelijk aangewezen schepen en voor een bepaald bedrag.
Onverminderd artikel 2.2.1.27 kan de aanwijzing van het schip of de schepen gebeuren aan de hand van alle nuttige gegevens, waaronder deze betreffende de registratie of de teboekstelling.
Art. 2.2.5.33. Délimitation de l'hypothèque sur navire
A peine de nullité absolue, l'hypothèque doit être constituée sur un ou plusieurs navires spécialement désignés et pour une somme déterminée.
Sans préjudice de l'article 2.2.1.27, la désignation du navire ou des navires peut s'effectuer au moyen de tout élément utile, dont ceux relatifs à l'enregistrement ou à l'immatriculation.
A peine de nullité absolue, l'hypothèque doit être constituée sur un ou plusieurs navires spécialement désignés et pour une somme déterminée.
Sans préjudice de l'article 2.2.1.27, la désignation du navire ou des navires peut s'effectuer au moyen de tout élément utile, dont ceux relatifs à l'enregistrement ou à l'immatriculation.
Art. 2.2.5.34. Ondeelbaarheid van de scheepshypotheek
Een scheepshypotheek kan worden gevestigd op meer dan één schip.
Behoudens afwijkend beding is de scheepshypotheek ondeelbaar en blijft zij voor het geheel bestaan op al de bezwaarde schepen en op ieder gedeelte ervan.
Een scheepshypotheek kan worden gevestigd op meer dan één schip.
Behoudens afwijkend beding is de scheepshypotheek ondeelbaar en blijft zij voor het geheel bestaan op al de bezwaarde schepen en op ieder gedeelte ervan.
Art. 2.2.5.34. Indivisibilité des hypothèques sur navires
Une hypothèque peut être constituée sur plus d'un navire.
Sauf disposition dérogatoire, l'hypothèque est indivisible et subsiste en entier sur tous les navires grevés et sur chaque portion de ces navires.
Une hypothèque peut être constituée sur plus d'un navire.
Sauf disposition dérogatoire, l'hypothèque est indivisible et subsiste en entier sur tous les navires grevés et sur chaque portion de ces navires.
Art. 2.2.5.35. [1 Scheepsbestanddelen en scheepstoebehoren]1
De op een schip, een schip in aanbouw of een schip in verbouwing gevestigde scheepshypotheek strekt zich uit tot :
1° de scheepsbestanddelen;
2° behoudens afwijkend beding als bedoeld in artikel 2.2.4.8 [1 en het scheepstoebehoren]1.
De op een schip, een schip in aanbouw of een schip in verbouwing gevestigde scheepshypotheek strekt zich uit tot :
1° de scheepsbestanddelen;
2° behoudens afwijkend beding als bedoeld in artikel 2.2.4.8 [1 en het scheepstoebehoren]1.
Art. 2.2.5.35. [1 Eléments du navire et accessoires du navire]1
L'hypothèque constituée sur un navire, sur un navire en construction ou sur un navire en transformation s'étend :
1° aux éléments du navire;
2° sauf disposition dérogatoire telle que visée à l'article 2.2.4.8 [1 et aux accessoires du navire]1.
L'hypothèque constituée sur un navire, sur un navire en construction ou sur un navire en transformation s'étend :
1° aux éléments du navire;
2° sauf disposition dérogatoire telle que visée à l'article 2.2.4.8 [1 et aux accessoires du navire]1.
Wijzigingen
Art. 2.2.5.36. Individualisering van scheepsbouwmaterialen
Behoudens afwijkend beding, strekt de scheepshypotheek op een schip in aanbouw of in verbouwing zich uit tot op de werf aanwezige en met het oog op de verwerking, inbouw in of plaatsing aan boord van het betrokken schip geïdentificeerde materialen, scheepsbestanddelen, scheepstoebehoren en andere zaken die eigendom zijn van de scheepseigenaar.
Behoudens afwijkend beding, strekt de scheepshypotheek op een schip in aanbouw of in verbouwing zich uit tot op de werf aanwezige en met het oog op de verwerking, inbouw in of plaatsing aan boord van het betrokken schip geïdentificeerde materialen, scheepsbestanddelen, scheepstoebehoren en andere zaken die eigendom zijn van de scheepseigenaar.
Art. 2.2.5.36. Individualisation des matériaux de construction du navire
Sauf clause dérogatoire, l'hypothèque sur le navire en construction ou en transformation s'étend aux matériaux, éléments du navire, accessoires du navire et autres choses qui sont la propriété du propriétaire du navire, identifiés et présents sur le chantier en vue de leur traitement, de leur incorporation ou de leur placement sur le navire concerné.
Sauf clause dérogatoire, l'hypothèque sur le navire en construction ou en transformation s'étend aux matériaux, éléments du navire, accessoires du navire et autres choses qui sont la propriété du propriétaire du navire, identifiés et présents sur le chantier en vue de leur traitement, de leur incorporation ou de leur placement sur le navire concerné.
Art. 2.2.5.37. Zaakvervanging
§ 1. Wanneer het schip averij heeft opgelopen doch de vergoeding niet wordt aangewend voor de herstelling ervan en de zekerheid dientengevolge ontoereikend is geworden, wordt de vordering van de hypothecaire schuldeiser eisbaar, en kan hij zijn rechten eveneens op die vergoeding uitoefenen.
§ 2. Wanneer het schip verloren is gegaan of onzeewaardig is geworden, wordt de vordering van de hypothecaire schuldeiser eisbaar, en kan hij zijn rechten eveneens op de geredde voorwerpen of op de opbrengst ervan uitoefenen.
§ 3. Indien hij bewijst dat de averij, het verlies of de onzeewaardigheid is ontstaan buiten zijn persoonlijke schuld, heeft de schuldenaar het recht om, in plaats van betaling van de vordering, een gelijkwaardige scheepshypotheek te doen vestigen op een ander schip of een andere gelijkwaardige zekerheid te verschaffen.
§ 4. De voorgaande paragrafen gelden behoudens afwijkend beding en onder voorbehoud van de bepalingen betreffende het ruimen van wrakken.
§ 1. Wanneer het schip averij heeft opgelopen doch de vergoeding niet wordt aangewend voor de herstelling ervan en de zekerheid dientengevolge ontoereikend is geworden, wordt de vordering van de hypothecaire schuldeiser eisbaar, en kan hij zijn rechten eveneens op die vergoeding uitoefenen.
§ 2. Wanneer het schip verloren is gegaan of onzeewaardig is geworden, wordt de vordering van de hypothecaire schuldeiser eisbaar, en kan hij zijn rechten eveneens op de geredde voorwerpen of op de opbrengst ervan uitoefenen.
§ 3. Indien hij bewijst dat de averij, het verlies of de onzeewaardigheid is ontstaan buiten zijn persoonlijke schuld, heeft de schuldenaar het recht om, in plaats van betaling van de vordering, een gelijkwaardige scheepshypotheek te doen vestigen op een ander schip of een andere gelijkwaardige zekerheid te verschaffen.
§ 4. De voorgaande paragrafen gelden behoudens afwijkend beding en onder voorbehoud van de bepalingen betreffende het ruimen van wrakken.
Art. 2.2.5.37. Subrogation réelle
§ 1er. Lorsque le navire a subi une avarie mais que l'indemnité n'est pas employée à la réparation du navire et que la sûreté ne suffit donc pas, la créance du créancier hypothécaire devient exigible, et il peut également exercer ses droits sur l'indemnité.
§ 2. En cas de perte du navire ou d'innavigabilité, la créance du créancier hypothécaire devient exigible, et il peut également exercer ses droits sur les choses sauvées ou leur produit.
§ 3. Lorsque le débiteur apporte la preuve que l'avarie, la perte ou l'innavigabilité est née en dehors de sa faute personnelle, il a le droit de constituer une hypothèque équivalente sur un autre navire ou de fournir une autre sûreté équivalente en remplacement du paiement de la créance.
§ 4. Les paragraphes précédents s'appliquent sauf stipulations contraires et sous réserve des dispositions relatives à l'enlèvement d'épaves.
§ 1er. Lorsque le navire a subi une avarie mais que l'indemnité n'est pas employée à la réparation du navire et que la sûreté ne suffit donc pas, la créance du créancier hypothécaire devient exigible, et il peut également exercer ses droits sur l'indemnité.
§ 2. En cas de perte du navire ou d'innavigabilité, la créance du créancier hypothécaire devient exigible, et il peut également exercer ses droits sur les choses sauvées ou leur produit.
§ 3. Lorsque le débiteur apporte la preuve que l'avarie, la perte ou l'innavigabilité est née en dehors de sa faute personnelle, il a le droit de constituer une hypothèque équivalente sur un autre navire ou de fournir une autre sûreté équivalente en remplacement du paiement de la créance.
§ 4. Les paragraphes précédents s'appliquent sauf stipulations contraires et sous réserve des dispositions relatives à l'enlèvement d'épaves.
Art. 2.2.5.38. Scheepshypotheek tot zekerheid van een kredietopening
§ 1. De scheepshypotheek verleend tot zekerheid van een geopend krediet is geldig. Haar rang wordt bepaald naar de dagtekening van haar inschrijving, ongeacht de tijdstippen waarop de door de kredietgever aangegane verbintenissen worden uitgevoerd, welke uitvoering kan worden bewezen door alle wettelijke middelen.
§ 2. De kredietgever behoudt tegenover derden het recht om over de scheepshypotheek te beschikken, zelfs indien verbintenissen op het krediet toe te rekenen, vertegenwoordigd zijn door verhandelbare titels. Nochtans kan de houder van deze titels door een verzet de gevolgen schorsen van akten van opheffing of andere, die aan zijn recht nadeel zouden toebrengen.
Het verzet moet betekend worden aan het Belgisch Scheepsregister en aan de kredietgever en het moet keuze van woonplaats bevatten binnen België.
Het verzet wordt door het Belgisch Scheepsregister ingeschreven en van deze inschrijving wordt melding gemaakt onderaan op het origineel van het exploot. Het verzet heeft slechts gevolg gedurende twee jaar, indien het niet vernieuwd wordt kan de opheffing ervan worden verleend bij een eenvoudig exploot.
§ 1. De scheepshypotheek verleend tot zekerheid van een geopend krediet is geldig. Haar rang wordt bepaald naar de dagtekening van haar inschrijving, ongeacht de tijdstippen waarop de door de kredietgever aangegane verbintenissen worden uitgevoerd, welke uitvoering kan worden bewezen door alle wettelijke middelen.
§ 2. De kredietgever behoudt tegenover derden het recht om over de scheepshypotheek te beschikken, zelfs indien verbintenissen op het krediet toe te rekenen, vertegenwoordigd zijn door verhandelbare titels. Nochtans kan de houder van deze titels door een verzet de gevolgen schorsen van akten van opheffing of andere, die aan zijn recht nadeel zouden toebrengen.
Het verzet moet betekend worden aan het Belgisch Scheepsregister en aan de kredietgever en het moet keuze van woonplaats bevatten binnen België.
Het verzet wordt door het Belgisch Scheepsregister ingeschreven en van deze inschrijving wordt melding gemaakt onderaan op het origineel van het exploot. Het verzet heeft slechts gevolg gedurende twee jaar, indien het niet vernieuwd wordt kan de opheffing ervan worden verleend bij een eenvoudig exploot.
Art. 2.2.5.38. Hypothèque sur navire pour sûreté de l'ouverture d'un crédit
§ 1er. L'hypothèque consentie pour sûreté d'un crédit ouvert est valable. Elle prend rang à la date de son inscription, sans égard aux époques de l'exécution des engagements pris par le créditeur, laquelle pourra être établie par tous les moyens légaux.
§ 2. Le créditeur conserve vis-à-vis des tiers le droit de disposer de l'hypothèque, même si des obligations imputables sur le crédit sont représentées par des titres négociables. Toutefois, le porteur de ces titres peut, par une opposition, suspendre les effets des actes de mainlevée ou autres qui porteraient atteinte à son droit.
L'opposition doit être signifiée au Registre naval belge et au créditeur, et doit contenir une élection de domicile au sein de la Belgique.
Le Registre naval belge inscrira cette opposition et mention de cette inscription sera faite au bas de l'original de l'exploit. L'opposition n'aura effet que pendant deux ans, si elle n'est renouvelée : il pourra en être donné mainlevée par simple exploit.
§ 1er. L'hypothèque consentie pour sûreté d'un crédit ouvert est valable. Elle prend rang à la date de son inscription, sans égard aux époques de l'exécution des engagements pris par le créditeur, laquelle pourra être établie par tous les moyens légaux.
§ 2. Le créditeur conserve vis-à-vis des tiers le droit de disposer de l'hypothèque, même si des obligations imputables sur le crédit sont représentées par des titres négociables. Toutefois, le porteur de ces titres peut, par une opposition, suspendre les effets des actes de mainlevée ou autres qui porteraient atteinte à son droit.
L'opposition doit être signifiée au Registre naval belge et au créditeur, et doit contenir une élection de domicile au sein de la Belgique.
Le Registre naval belge inscrira cette opposition et mention de cette inscription sera faite au bas de l'original de l'exploit. L'opposition n'aura effet que pendant deux ans, si elle n'est renouvelée : il pourra en être donné mainlevée par simple exploit.
Art. 2.2.5.39. Scheepshypotheek tot zekerheid van toekomstige schuldvorderingen
Een scheepshypotheek mag worden verleend tot zekerheid van toekomstige schuldvorderingen indien deze op het ogenblik van de vestiging ervan bepaald of bepaalbaar zijn. Haar rang wordt bepaald naar de dagtekening van haar inschrijving, ongeacht de tijdstippen waarop de gewaarborgde schuldvorderingen ontstaan.
Een scheepshypotheek mag worden verleend tot zekerheid van toekomstige schuldvorderingen indien deze op het ogenblik van de vestiging ervan bepaald of bepaalbaar zijn. Haar rang wordt bepaald naar de dagtekening van haar inschrijving, ongeacht de tijdstippen waarop de gewaarborgde schuldvorderingen ontstaan.
Art. 2.2.5.39. Hypothèque sur navire pour sûreté de créances futures
Une hypothèque peut être constituée pour sûreté de créances futures à la condition qu'au moment de la constitution de l'hypothèque, les créances garanties soient déterminées ou déterminables. Son rang est fixé au jour de son inscription, sans égard aux époques auxquelles les créances garanties prennent naissance.
Une hypothèque peut être constituée pour sûreté de créances futures à la condition qu'au moment de la constitution de l'hypothèque, les créances garanties soient déterminées ou déterminables. Son rang est fixé au jour de son inscription, sans égard aux époques auxquelles les créances garanties prennent naissance.
Art. 2.2.5.40. Opzegbaarheid van bepaalde scheepshypotheken
Indien een scheepshypotheek wordt gevestigd tot zekerheid van toekomstige schuldvorderingen die over een onbepaalde duur kunnen ontstaan of tot zekerheid van schuldvorderingen uit hoofde van een overeenkomst van onbepaalde duur, kan de persoon tegen wie de scheepshypotheek wordt ingeschreven of de derde-bezitter van het schip de scheepshypotheek steeds opzeggen met een opzegging van minstens drie maanden en maximum zes maanden, welke aan de schuldeiser wordt gericht bij aangetekende zending met ontvangstmelding. De opzeggingstermijn gaat in op de dag van de ontvangstmelding.
Inzake toekomstige schuldvorderingen heeft de opzegging tot gevolg dat de scheepshypotheek enkel nog strekt tot zekerheid van gewaarborgde schuldvorderingen die bestaan bij het verstrijken van de opzeggingstermijn. Inzake overeenkomsten van onbepaalde duur, blijven slechts die schuldvorderingen door de scheepshypotheek gewaarborgd welke bij het verstrijken van de opzeggingstermijn tengevolge van de uitvoering van de overeenkomst bestaan.
Wie de scheepshypotheek opzegt, kan eisen dat de schuldeiser hem schriftelijk de inventaris meedeelt van de schuldvorderingen die nog gewaarborgd zijn op het einde van de opzeggingstermijn.
Indien een scheepshypotheek wordt gevestigd tot zekerheid van toekomstige schuldvorderingen die over een onbepaalde duur kunnen ontstaan of tot zekerheid van schuldvorderingen uit hoofde van een overeenkomst van onbepaalde duur, kan de persoon tegen wie de scheepshypotheek wordt ingeschreven of de derde-bezitter van het schip de scheepshypotheek steeds opzeggen met een opzegging van minstens drie maanden en maximum zes maanden, welke aan de schuldeiser wordt gericht bij aangetekende zending met ontvangstmelding. De opzeggingstermijn gaat in op de dag van de ontvangstmelding.
Inzake toekomstige schuldvorderingen heeft de opzegging tot gevolg dat de scheepshypotheek enkel nog strekt tot zekerheid van gewaarborgde schuldvorderingen die bestaan bij het verstrijken van de opzeggingstermijn. Inzake overeenkomsten van onbepaalde duur, blijven slechts die schuldvorderingen door de scheepshypotheek gewaarborgd welke bij het verstrijken van de opzeggingstermijn tengevolge van de uitvoering van de overeenkomst bestaan.
Wie de scheepshypotheek opzegt, kan eisen dat de schuldeiser hem schriftelijk de inventaris meedeelt van de schuldvorderingen die nog gewaarborgd zijn op het einde van de opzeggingstermijn.
Art. 2.2.5.40. Révocabilité de certaines hypothèques sur navires
Si une hypothèque est constituée pour sûreté de créances futures pouvant naître pendant une durée indéterminée ou pour sûreté de créances découlant d'un contrat à durée indéterminée, la personne contre laquelle une telle hypothèque est inscrite ou le tiers détenteur du navire affecté de l'hypothèque peut à tout moment résilier l'hypothèque, moyennant un préavis d'au moins trois mois et de maximum six mois, lequel préavis est adressé au créancier par envoi recommandé avec accusé de réception. Le délai de préavis prend cours à la date de l'accusé de réception.
Quant aux créances futures, la résiliation a pour conséquence que l'hypothèque sur navire ne garantit plus que les créances garanties qui existent à l'expiration du délai de préavis. Quant aux contrats à durée indéterminée, restent garanties par l'hypothèque sur navire les seules créances issues de l'exécution de ces contrats qui existent à l'expiration du délai de préavis.
Celui qui résilie l'hypothèque sur navire peut exiger que le créancier lui notifie par écrit l'inventaire des créances encore garanties au terme du délai de préavis.
Si une hypothèque est constituée pour sûreté de créances futures pouvant naître pendant une durée indéterminée ou pour sûreté de créances découlant d'un contrat à durée indéterminée, la personne contre laquelle une telle hypothèque est inscrite ou le tiers détenteur du navire affecté de l'hypothèque peut à tout moment résilier l'hypothèque, moyennant un préavis d'au moins trois mois et de maximum six mois, lequel préavis est adressé au créancier par envoi recommandé avec accusé de réception. Le délai de préavis prend cours à la date de l'accusé de réception.
Quant aux créances futures, la résiliation a pour conséquence que l'hypothèque sur navire ne garantit plus que les créances garanties qui existent à l'expiration du délai de préavis. Quant aux contrats à durée indéterminée, restent garanties par l'hypothèque sur navire les seules créances issues de l'exécution de ces contrats qui existent à l'expiration du délai de préavis.
Celui qui résilie l'hypothèque sur navire peut exiger que le créancier lui notifie par écrit l'inventaire des créances encore garanties au terme du délai de préavis.
Art. 2.2.5.41. Gewaarborgde interest
De scheepshypotheek die is ingeschreven voor een kapitaal dat interesten opbrengt, waarborgt ten hoogste drie jaar interest in dezelfde rang als de hoofdsom.
De scheepshypotheek die is ingeschreven voor een kapitaal dat interesten opbrengt, waarborgt ten hoogste drie jaar interest in dezelfde rang als de hoofdsom.
Art. 2.2.5.41. Intérêt garanti
L'hypothèque sur navire qui a été inscrite pour un capital générant des intérêts garantit, au même rang que le principal, trois années d'intérêts au plus.
L'hypothèque sur navire qui a été inscrite pour un capital générant des intérêts garantit, au même rang que le principal, trois années d'intérêts au plus.
Art. 2.2.5.42. Onderlinge rang
Tussen de hypothecaire schuldeisers onderling wordt de rang bepaald door de dag van de inschrijving en, indien de scheepshypotheken op dezelfde dag zijn ingeschreven, door het volgnummer van de inschrijving.
Tussen de hypothecaire schuldeisers onderling wordt de rang bepaald door de dag van de inschrijving en, indien de scheepshypotheken op dezelfde dag zijn ingeschreven, door het volgnummer van de inschrijving.
Art. 2.2.5.42. Rang
Entre les créanciers hypothécaires, le rang est déterminé par le jour de l'inscription et, si les hypothèques sur navires sont inscrits le même jour, par le numéro d'ordre de l'inscription.
Entre les créanciers hypothécaires, le rang est déterminé par le jour de l'inscription et, si les hypothèques sur navires sont inscrits le même jour, par le numéro d'ordre de l'inscription.
Art. 2.2.5.43. Inbezitstelling van het schip
§ 1. In de hypotheekakte kan worden bedongen dat, bij niet-nakoming van de jegens hem aangegane verbintenissen, de hypothecaire schuldeiser gerechtigd is zich het bezit van het schip te doen toewijzen indien hij de eerste ingeschrevene is en indien dit recht door de inschrijving openbaar is gemaakt.
§ 2. De schuldeiser wordt in het bezit van het schip gesteld bij beschikking, op verzoekschrift overeenkomstig artikel 1025 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek verleend door de ondernemingsrechtbank die rechtsmacht heeft over het arrondissement waarin de thuishaven van het schip is gelegen.
De inbezitstelling wordt steeds, binnen een termijn van tien dagen, voorafgegaan door een bevel tot betaling.
Dit bevel bevat :
1° de opgave van de titel krachtens welke het gedaan wordt en een volledig afschrift van die titel, tenzij de betekening ervan aan de schuldeiser reeds is gedaan in de loop van de drie jaar die aan de beschikking voorafgaan of wanneer het een authentieke of een onderhandse akte betreft waarbij een scheepshypotheek wordt gevestigd;
2° de opgave van dag, maand en jaar;
3° de naam, het beroep en de woonplaats van de vervolgende partij;
4° de keuze van woonplaats in België, waaraan elke betekening, zelfs van een aanbod van gerede betaling, vervolgens geldig wordt gedaan;
5° de naam en de woonplaats van de gerechtsdeurwaarder en de opgave van het adres van zijn kantoor;
6° de naam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de schuldenaar;
7° de opgave van het verschuldigd bedrag en de vermelding dat, bij gebreke van betaling, zal worden overgegaan tot de inbezitstelling van het schip, waarvan tevens de naam, de soort, de tonnenmaat en de aard van zijn beweegkracht wordt opgegeven;
8° de vermelding van de persoon aan wie afschrift van het exploot wordt afgegeven.
Over het verzoekschrift kan eerst uitspraak worden gedaan vijftien dagen na de betekening ervan aan de eigenaar, met aanmaning om zijn bezwaren, zo er bestaan, binnen die tijd aan de rechtbank mede te delen.
De beschikking is slechts voor tenuitvoerlegging vatbaar nadat zij aan de eigenaar is betekend.
§ 3. Tegen de beschikking bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, kan voor de ondernemingsrechtbank verzet worden gedaan.
Het verzet wordt aan de vervolgende partij betekend.
Tegen het op dat verzet gewezen vonnis kan binnen vijftien dagen na de betekening beroep worden ingesteld.
§ 4. De beschikking bedoeld in paragraaf 2, eerste lid en het vonnis bedoeld in paragraaf 3, derde lid, zijn uitvoerbaar niettegenstaande verzet.
De rechtbank kan de uitvoering van het vonnis afhankelijk maken van de stelling van een zekerheid die hij bepaalt en waarvan hij, zo daartoe grond bestaat, de modaliteiten vaststelt.
§ 5. Heeft de eigenaar zijn woonplaats niet binnen België, of heeft hij er zijn woonplaats niet gekozen, dan worden de andere dan de in paragraaf 2 vermelde betekeningen gedaan aan de griffie van de ondernemingsrechtbank.
De in dit artikel gestelde termijnen worden niet verlengd naargelang van de afstanden.
§ 6. De uitoefening door de schuldeiser van de door de vorige paragrafen toegekende rechten wordt niet geschorst door het overlijden of het faillissement van de schuldenaar of van de scheepshypotheekgever of door een hem betreffende gerechtelijke reorganisatie.
§ 7. De beschikking, het vonnis of het arrest wordt betekend aan al de ingeschreven schuldeisers, ter woonplaats door hen in de inschrijving gekozen, alsmede tweemaal en met een tussentijd van ten minste acht dagen bij uittreksel bekendgemaakt :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
§ 8. Het beschikkend gedeelte van de beschikking, het vonnis of het arrest wordt betekend aan de gekende gezagvoerder.
Bevindt het schip zich in een vreemd land, dan mag van dat beschikkend gedeelte aan de gezagvoerder kennis worden gegeven via het MIK.
§ 9. De schuldeiser die in het bezit van het schip is gesteld moet de door de kapitein als vertegenwoordiger van de scheepseigenaar of de reder zonder bedrog aangegane verbintenissen eerbiedigen.
Hij is aansprakelijk voor zijn beheer.
§ 10. Gedurende een jaar te rekenen van de aan de ingeschreven schuldeisers gedane betekening of van de laatste bekendmaking, mogen de schuldenaar, de eigenaar en elke ingeschreven of van een uitvoerbare titel voorziene schuldeiser de in bezit van het schip gestelde schuldeiser verzoeken tot de verkoop van het schip over te gaan op de wijze voorgeschreven bij de artikel en 2.2.6.38, 2.2.6.39 en 2.2.6.40.
Op aanvraag van elke belanghebbende, de schuldenaar, de eigenaar, de ingeschreven schuldeisers en, in voorkomend geval, de van een uitvoerbare titel voorziene schuldeisers, die de verkoop hebben gevorderd, behoorlijk opgeroepen, kan de beslagrechter evenwel gelasten dat, zelfs in het buitenland, tot de verkoop zal worden overgegaan door een scheepsmakelaar.
In dat geval bepaalt hij de voorwaarden waaronder de verkoop zal geschieden.
§ 1. In de hypotheekakte kan worden bedongen dat, bij niet-nakoming van de jegens hem aangegane verbintenissen, de hypothecaire schuldeiser gerechtigd is zich het bezit van het schip te doen toewijzen indien hij de eerste ingeschrevene is en indien dit recht door de inschrijving openbaar is gemaakt.
§ 2. De schuldeiser wordt in het bezit van het schip gesteld bij beschikking, op verzoekschrift overeenkomstig artikel 1025 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek verleend door de ondernemingsrechtbank die rechtsmacht heeft over het arrondissement waarin de thuishaven van het schip is gelegen.
De inbezitstelling wordt steeds, binnen een termijn van tien dagen, voorafgegaan door een bevel tot betaling.
Dit bevel bevat :
1° de opgave van de titel krachtens welke het gedaan wordt en een volledig afschrift van die titel, tenzij de betekening ervan aan de schuldeiser reeds is gedaan in de loop van de drie jaar die aan de beschikking voorafgaan of wanneer het een authentieke of een onderhandse akte betreft waarbij een scheepshypotheek wordt gevestigd;
2° de opgave van dag, maand en jaar;
3° de naam, het beroep en de woonplaats van de vervolgende partij;
4° de keuze van woonplaats in België, waaraan elke betekening, zelfs van een aanbod van gerede betaling, vervolgens geldig wordt gedaan;
5° de naam en de woonplaats van de gerechtsdeurwaarder en de opgave van het adres van zijn kantoor;
6° de naam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de schuldenaar;
7° de opgave van het verschuldigd bedrag en de vermelding dat, bij gebreke van betaling, zal worden overgegaan tot de inbezitstelling van het schip, waarvan tevens de naam, de soort, de tonnenmaat en de aard van zijn beweegkracht wordt opgegeven;
8° de vermelding van de persoon aan wie afschrift van het exploot wordt afgegeven.
Over het verzoekschrift kan eerst uitspraak worden gedaan vijftien dagen na de betekening ervan aan de eigenaar, met aanmaning om zijn bezwaren, zo er bestaan, binnen die tijd aan de rechtbank mede te delen.
De beschikking is slechts voor tenuitvoerlegging vatbaar nadat zij aan de eigenaar is betekend.
§ 3. Tegen de beschikking bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, kan voor de ondernemingsrechtbank verzet worden gedaan.
Het verzet wordt aan de vervolgende partij betekend.
Tegen het op dat verzet gewezen vonnis kan binnen vijftien dagen na de betekening beroep worden ingesteld.
§ 4. De beschikking bedoeld in paragraaf 2, eerste lid en het vonnis bedoeld in paragraaf 3, derde lid, zijn uitvoerbaar niettegenstaande verzet.
De rechtbank kan de uitvoering van het vonnis afhankelijk maken van de stelling van een zekerheid die hij bepaalt en waarvan hij, zo daartoe grond bestaat, de modaliteiten vaststelt.
§ 5. Heeft de eigenaar zijn woonplaats niet binnen België, of heeft hij er zijn woonplaats niet gekozen, dan worden de andere dan de in paragraaf 2 vermelde betekeningen gedaan aan de griffie van de ondernemingsrechtbank.
De in dit artikel gestelde termijnen worden niet verlengd naargelang van de afstanden.
§ 6. De uitoefening door de schuldeiser van de door de vorige paragrafen toegekende rechten wordt niet geschorst door het overlijden of het faillissement van de schuldenaar of van de scheepshypotheekgever of door een hem betreffende gerechtelijke reorganisatie.
§ 7. De beschikking, het vonnis of het arrest wordt betekend aan al de ingeschreven schuldeisers, ter woonplaats door hen in de inschrijving gekozen, alsmede tweemaal en met een tussentijd van ten minste acht dagen bij uittreksel bekendgemaakt :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
§ 8. Het beschikkend gedeelte van de beschikking, het vonnis of het arrest wordt betekend aan de gekende gezagvoerder.
Bevindt het schip zich in een vreemd land, dan mag van dat beschikkend gedeelte aan de gezagvoerder kennis worden gegeven via het MIK.
§ 9. De schuldeiser die in het bezit van het schip is gesteld moet de door de kapitein als vertegenwoordiger van de scheepseigenaar of de reder zonder bedrog aangegane verbintenissen eerbiedigen.
Hij is aansprakelijk voor zijn beheer.
§ 10. Gedurende een jaar te rekenen van de aan de ingeschreven schuldeisers gedane betekening of van de laatste bekendmaking, mogen de schuldenaar, de eigenaar en elke ingeschreven of van een uitvoerbare titel voorziene schuldeiser de in bezit van het schip gestelde schuldeiser verzoeken tot de verkoop van het schip over te gaan op de wijze voorgeschreven bij de artikel en 2.2.6.38, 2.2.6.39 en 2.2.6.40.
Op aanvraag van elke belanghebbende, de schuldenaar, de eigenaar, de ingeschreven schuldeisers en, in voorkomend geval, de van een uitvoerbare titel voorziene schuldeisers, die de verkoop hebben gevorderd, behoorlijk opgeroepen, kan de beslagrechter evenwel gelasten dat, zelfs in het buitenland, tot de verkoop zal worden overgegaan door een scheepsmakelaar.
In dat geval bepaalt hij de voorwaarden waaronder de verkoop zal geschieden.
Art. 2.2.5.43. Envoi en possession du navire
§ 1er. Il est permis de stipuler dans l'acte hypothécaire que si les engagements pris envers lui ne sont pas respectés, le créancier hypothécaire aura le droit de se faire envoyer en possession du navire s'il est le premier inscrit et si ce droit a été publié par l'inscription.
§ 2. Le créancier est envoyé en possession du navire par ordonnance rendue sur requête conformément à l'article 1025 et suivants du Code judiciaire par le tribunal de l'entreprise ayant pouvoir de juridiction sur l'arrondissement dans lequel est situé le port d'attache du navire.
L'envoi en possession est toujours précédé, dans un délai de dix jours, par un commandement de payer.
Ce commandement contient :
1° l'indication du titre en vertu duquel il est fait et la copie entière de ce titre, à moins que sa signification au créancier ait déjà été effectuée dans les trois ans précédant le commandement, ou lorsqu'il s'agit d'un acte authentique ou d'un acte sous signature privé établissant une hypothèque sur navire;
2° la date du jour, mois et an;
3° le nom, profession et domicile de la partie poursuivante;
4° l'élection de domicile en Belgique, à laquelle toute signification, même d'offres réelles de paiement, pourra ensuite être faite valablement;
5° le nom et le domicile de l'huissier de justice et l'indication de l'adresse de son étude;
6° le nom et le domicile ou, à défaut de domicile, la résidence du débiteur;
7° l'indication de la somme due et la mention que faute de paiement, il sera procédé à l'envoi en possession du navire, dont l'on indiquera également le nom, l'espèce, le tonnage et le mode de puissance motrice;
8° la mention de la personne à laquelle copie de l'exploit est remise.
Il ne peut être statué sur la requête que quinze jours après sa signification au propriétaire, avec invitation de communiquer dans ce délai ses observations, s'il y échet, au tribunal.
L'ordonnance n'est exécutoire qu'après avoir été signifiée au propriétaire.
§ 3. L'ordonnance visée au paragraphe 2, alinéa 1er, peut être frappée d'opposition devant le tribunal de l'entreprise.
L'opposition est signifiée à la partie poursuivante.
Le jugement rendu sur cette opposition peut être frappé d'appel dans les quinze jours de la signification.
§ 4. L'ordonnance visée au paragraphe 2, alinéa 1er, et le jugement visé au paragraphe 3, alinéa 3, sont exécutoires nonobstant opposition.
Le tribunal peut subordonner l'exécution du jugement à la constitution d'une sûreté qu'il détermine et dont il fixe, s'il y a lieu, les modalités.
§ 5. Si le propriétaire n'est pas domicilié en Belgique, ou s'il n'y a pas fait élection de domicile, les significations, sauf celles mentionnées au paragraphe 2, seront faites au greffe du tribunal de l'entreprise.
Les délais fixés dans le présent article ne sont pas augmentés à raison des distances.
§ 6. L'exercice par le créancier des droits accordés en vertu des paragraphes précédents n'est pas suspendu par le décès ou la faillite du débiteur ou de l'affectant hypothécaire sur navire ou par une réorganisation judiciaire le concernant.
§ 7. L'ordonnance, le jugement ou l'arrêt est signifié à tous les créanciers inscrits, au domicile qu'ils ont élu dans l'inscription, et est également publié à deux reprises par extrait et à huit jours d'intervalle au moins :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
§ 8. Le dispositif de l'ordonnance, le jugement ou l'arrêt est signifié au commandant connu.
Si le navire se trouve en pays étranger, ce dispositif peut être notifié au commandant par l'intermédiaire du MIK.
§ 9. Le créancier envoyé en possession du navire doit respecter les engagements contractés sans fraude par le capitaine en tant que représentant du propriétaire du navire ou par l'armateur.
Il est responsable de sa gestion.
§ 10. Pendant un an à dater de la signification faite aux créanciers inscrits ou de la dernière publication, le débiteur, le propriétaire et tout créancier inscrit ou muni d'un titre exécutoire peuvent requérir le créancier envoyé en possession du navire de faire procéder à la vente du navire dans les formes prescrites par les articles 2.2.6.38, 2.2.6.39 et 2.2.6.40.
Le juge des saisies peut néanmoins, à la demande de tout intéressé, le débiteur dûment appelé ainsi que le propriétaire, les créanciers inscrits et, le cas échéant, les créanciers munis d'un titre exécutoire qui ont requis la vente, ordonner qu'il sera procédé à la vente, même à l'étranger, par un courtier maritime.
Il détermine, dans ce cas, les conditions auxquelles la vente aura lieu.
§ 1er. Il est permis de stipuler dans l'acte hypothécaire que si les engagements pris envers lui ne sont pas respectés, le créancier hypothécaire aura le droit de se faire envoyer en possession du navire s'il est le premier inscrit et si ce droit a été publié par l'inscription.
§ 2. Le créancier est envoyé en possession du navire par ordonnance rendue sur requête conformément à l'article 1025 et suivants du Code judiciaire par le tribunal de l'entreprise ayant pouvoir de juridiction sur l'arrondissement dans lequel est situé le port d'attache du navire.
L'envoi en possession est toujours précédé, dans un délai de dix jours, par un commandement de payer.
Ce commandement contient :
1° l'indication du titre en vertu duquel il est fait et la copie entière de ce titre, à moins que sa signification au créancier ait déjà été effectuée dans les trois ans précédant le commandement, ou lorsqu'il s'agit d'un acte authentique ou d'un acte sous signature privé établissant une hypothèque sur navire;
2° la date du jour, mois et an;
3° le nom, profession et domicile de la partie poursuivante;
4° l'élection de domicile en Belgique, à laquelle toute signification, même d'offres réelles de paiement, pourra ensuite être faite valablement;
5° le nom et le domicile de l'huissier de justice et l'indication de l'adresse de son étude;
6° le nom et le domicile ou, à défaut de domicile, la résidence du débiteur;
7° l'indication de la somme due et la mention que faute de paiement, il sera procédé à l'envoi en possession du navire, dont l'on indiquera également le nom, l'espèce, le tonnage et le mode de puissance motrice;
8° la mention de la personne à laquelle copie de l'exploit est remise.
Il ne peut être statué sur la requête que quinze jours après sa signification au propriétaire, avec invitation de communiquer dans ce délai ses observations, s'il y échet, au tribunal.
L'ordonnance n'est exécutoire qu'après avoir été signifiée au propriétaire.
§ 3. L'ordonnance visée au paragraphe 2, alinéa 1er, peut être frappée d'opposition devant le tribunal de l'entreprise.
L'opposition est signifiée à la partie poursuivante.
Le jugement rendu sur cette opposition peut être frappé d'appel dans les quinze jours de la signification.
§ 4. L'ordonnance visée au paragraphe 2, alinéa 1er, et le jugement visé au paragraphe 3, alinéa 3, sont exécutoires nonobstant opposition.
Le tribunal peut subordonner l'exécution du jugement à la constitution d'une sûreté qu'il détermine et dont il fixe, s'il y a lieu, les modalités.
§ 5. Si le propriétaire n'est pas domicilié en Belgique, ou s'il n'y a pas fait élection de domicile, les significations, sauf celles mentionnées au paragraphe 2, seront faites au greffe du tribunal de l'entreprise.
Les délais fixés dans le présent article ne sont pas augmentés à raison des distances.
§ 6. L'exercice par le créancier des droits accordés en vertu des paragraphes précédents n'est pas suspendu par le décès ou la faillite du débiteur ou de l'affectant hypothécaire sur navire ou par une réorganisation judiciaire le concernant.
§ 7. L'ordonnance, le jugement ou l'arrêt est signifié à tous les créanciers inscrits, au domicile qu'ils ont élu dans l'inscription, et est également publié à deux reprises par extrait et à huit jours d'intervalle au moins :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
§ 8. Le dispositif de l'ordonnance, le jugement ou l'arrêt est signifié au commandant connu.
Si le navire se trouve en pays étranger, ce dispositif peut être notifié au commandant par l'intermédiaire du MIK.
§ 9. Le créancier envoyé en possession du navire doit respecter les engagements contractés sans fraude par le capitaine en tant que représentant du propriétaire du navire ou par l'armateur.
Il est responsable de sa gestion.
§ 10. Pendant un an à dater de la signification faite aux créanciers inscrits ou de la dernière publication, le débiteur, le propriétaire et tout créancier inscrit ou muni d'un titre exécutoire peuvent requérir le créancier envoyé en possession du navire de faire procéder à la vente du navire dans les formes prescrites par les articles 2.2.6.38, 2.2.6.39 et 2.2.6.40.
Le juge des saisies peut néanmoins, à la demande de tout intéressé, le débiteur dûment appelé ainsi que le propriétaire, les créanciers inscrits et, le cas échéant, les créanciers munis d'un titre exécutoire qui ont requis la vente, ordonner qu'il sera procédé à la vente, même à l'étranger, par un courtier maritime.
Il détermine, dans ce cas, les conditions auxquelles la vente aura lieu.
Art. 2.2.5.44. Zuivering na vrijwillige vervreemding
§ 1. De scheepshypotheek gaat teniet door vrijwillige vervreemding van het schip, het schip in aanbouw of het schip in verbouwing, mits de nieuwe eigenaar, binnen zes maanden na de inschrijving van zijn titel of, in geval van vervolging in de loop van die zes maanden, binnen vijftien dagen na de betekening van het bevel dat aan de beslaglegging voorafgaat, aan alle ingeschreven schuldeisers, aan de door hen bij de inschrijving gekozen woonplaats, betekent :
1° een uittreksel uit zijn titel bevattende de dagtekening en de aard van de akten, de aanwijzing van de partijen, de naam, de soort en de tonnenmaat van het schip, de prijs en de lasten die van de prijs deel uitmaken, dan wel de waardering van de zaak, indien deze geschonken is of overgedragen anders dan door verkoop;
2° de opgave van de datum van inschrijving van zijn titel;
3° een tabel in drie kolommen, waarvan de eerste de dagtekening van de inschrijvingen bevat, de tweede de naam van de schuldeisers en de derde het bedrag van de ingeschreven schuldvorderingen.
Ingeval de titel van de nieuwe eigenaar naast een met hypotheek bezwaard schip andere onroerende of roerende goederen, desgevallend schepen omvat, dan zal, indien daartoe reden bestaat, de prijs van ieder schip waarop bijzondere en afzonderlijke inschrijvingen zijn genomen, in de kennisgeving worden opgegeven bij vergelijkende waardering naar evenredigheid van de totale in de titel vermelde prijs.
§ 2. De nieuwe eigenaar verklaart in de akte van kennisgeving dat hij de hypothecaire schulden en lasten zal voldoen ten belope van de prijs of van de opgegeven waarde, zonder enige aftrek ten voordele van de verkoper of van wie ook.
Behoudens afwijkend beding in de titels van schuldvordering, heeft hij het genot van elke tijdsbepaling en van elk uitstel van betaling, aan de oorspronkelijke schuldenaar verleend, en hij neemt de termijnen in acht die tegen de laatstgenoemde zijn bedongen.
De niet vervallen schuldvorderingen die slechts voor een gedeelte batig zijn gerangschikt, zijn onmiddellijk opeisbaar, ten belope van dit gedeelte ten aanzien van de nieuwe eigenaar, en voor het geheel ten aanzien van de schuldenaar.
§ 3. Indien een van de ingeschreven schuldeisers een rechtsvordering tot ontbinding bezit en ze wil instellen, moet hij zulks op straffe van verval verklaren ter griffie van de rechtbank voor welke de rangregeling moet worden vervolgd.
De verklaring moet binnen vijftien dagen na de kennisgeving worden gedaan en binnen tien dagen worden gevolgd door het instellen van de eis tot ontbinding.
Te rekenen van de dag waarop de schuldeiser verklaart dat hij de rechtsvordering tot ontbinding wil instellen, is de zuivering geschorst; zij kan pas worden hervat nadat de schuldeiser afstand heeft gedaan van de rechtsvordering tot ontbinding, of nadat deze vordering is afgewezen.
§ 4. Binnen vijftien dagen na de kennisgeving, gedaan op verzoek van de nieuwe eigenaar, kan iedere ingeschreven schuldeiser vorderen dat het schip in openbare veiling verkocht wordt, op voorwaarde :
1° dat deze vordering door een gerechtsdeurwaarder aan de nieuwe eigenaar wordt betekend, uiterlijk binnen veertig dagen na de kennisgeving gedaan ten verzoeke van de laatstgenoemde;
2° dat zij een bod bevat waarbij de verzoeker of een door hem aangewezen persoon de prijs verhoogt met vijf procent boven de prijs die in de overeenkomst was bedongen of door de nieuwe eigenaar was opgegeven; dit bod slaat op de hoofdprijs en de lasten, zonder enige aftrek ten nadele van de ingeschreven schuldeisers; de kosten van de eerste overeenkomst moeten niet in aanmerking worden genomen;
3° dat dezelfde betekening binnen dezelfde termijn gedaan wordt aan de vorige eigenaar en aan de hoofdschuldenaar;
4° dat het origineel en de afschriften van deze exploten worden ondertekend door de verzoekende schuldeiser of door zijn gemachtigde, voorzien van een uitdrukkelijke volmacht, die in dit geval verplicht is afschrift van zijn volmacht te geven; zij moeten in voorkomend geval ook ondertekend worden door de opbieder;
5° dat de verzoeker aanbiedt persoonlijke of hypothecaire borg te stellen ten belope van vijfentwintig procent van de prijs en van de lasten, ofwel, wanneer hij een gelijk bedrag in consignatie gegeven heeft, dat hij afschrift betekent van het bewijs van consignatie;
6° dat de betekening dagvaarding inhoudt om met het oog op de aanneming van die borg binnen drie dagen te verschijnen voor de rechter van de plaats waar het schip ligt en, wanneer het in de vaart is, vóór de rechter van de thuishaven.
De opbieder kan in geen geval worden verplicht om in zijn hoger bod andere goederen te begrijpen dan het schip dat voor zijn schuldvordering met hypotheek bezwaard is. Behoudens het verhaal van de nieuwe eigenaar op zijn rechtsvoorgangers, tot vergoeding van de schade die hij ingevolge de verdeling van door hem verkregen goederen of door de splitsing van bedrijven mocht lijden.
§ 5. In de rechtspleging tot aanneming van de borg wordt geen vonnis tot voeging gewezen en worden de niet-verschenen partijen niet opnieuw gedagvaard.
Wordt de borg verworpen, dan wordt het opbod van onwaarde verklaard en blijft de koper verbonden, ten ware andere schuldeisers een opbod hadden gedaan.
Wordt de borg aangenomen, dan wijst het vonnis de ministeriële ambtenaar aan die belast is met de verkoop, en bepaalt het de dag waarop deze zal geschieden. Daartoe wordt overgegaan volgens de eerste voorwaarden of volgens een nieuw lastenkohier, in gemeen overleg opgemaakt door de opbieder en de belanghebbende partijen.
§ 6. Wanneer overeenkomstig de voorgaande paragrafen een hoger bod is betekend, heeft iedere ingeschreven schuldeiser het recht zich in de plaats van de vervolgende partij te doen stellen, overeenkomstig artikel 1609 van het Gerechtelijk Wetboek, ingeval de opbieder of de nieuwe eigenaar geen gevolg aan de rechtspleging geeft binnen een maand nadat het hoger bod is gedaan.
De artikel en 1610 en 1611 van het voornoemde wetboek zijn mede op het hoger bod van toepassing.
§ 7. Ten minste tien dagen vóór de toewijzing wordt een aankondiging van de herveiling bekendgemaakt :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
De in het vorige lid bedoelde aankondiging vermeldt :
1° de datum en de aard van de akte van vervreemding waarop het hoger bod is gedaan, en, in voorkomend geval, de naam van de notaris voor wie ze werd verleden;
2° de in de akte vermelde prijs of de waardering;
3° het bedrag van het hoger bod;
4° de namen, het beroep, de woonplaats van de vorige eigenaar en van de opbieder;
5° de naam van het schip alsmede de aard van de voortstuwing ervan en in voorkomend geval het vermogen van de voortstuwingsmiddelen, de materialen van de romp, het bouwjaar, de afmetingen en de tonnenmaat;
6° de ligplaats;
7° de dag, het uur en de plaats van de toewijzing.
Een aankondiging met dezelfde gegevens kan worden aangeplakt op de meest in het oog vallende of andere geschikte plaatsen aan boord of aan wal.
§ 8. De door de paragrafen 4 en 7 voorgeschreven formaliteiten moeten in acht worden genomen op straffe van nietigheid.
Op straffe van verval moeten de middelen van nietigheid worden voorgedragen overeenkomstig artikel 1331, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Artikel 1331, vijfde lid, is van toepassing.
§ 9. De opbieder wordt, zelfs in geval van indeplaatsstelling bij de vervolging, koper verklaard, indien zich geen andere bieder aanmeldt op de dag voor de toewijzing bepaald.
Artikel 2.2.6.46 van dit wetboek en de artikel en 1585, 1586, 1589, 1590, 1591 en 1595 van het Gerechtelijk Wetboek zijn op het hoger bod van toepassing.
§ 10. Diegene aan wie het schip wordt toegewezen, is gehouden de toewijzingsprijs te voldoen en bovendien de verkrijger of de begiftigde die het bezit verloren heeft, te vergoeden voor de wettig gemaakte kosten van zijn overeenkomst, voor die van de inschrijving in het betrokken scheepsregister, voor die van de kennisgeving en voor die welke door hem zijn gemaakt om de herverkoop te bekomen.
§ 11. De schuldeiser die de veiling heeft gevorderd en van zijn vordering afstand doet, kan, zelfs indien hij het bedrag van het bod betaalt, de openbare veiling niet beletten, tenzij al de overige hypothecaire schuldeisers daarin uitdrukkelijk toestemmen, of tenzij dezen, na door een deurwaarder te zijn aangemaand om binnen vijftien dagen de veiling te vervolgen, aan die aanmaning geen gevolg geven. In dit geval behoort het bedrag van het bod aan de schuldeisers, volgens de rang van hun schuldvorderingen.
§ 12. Indien het schip na herveiling wordt toegewezen aan de in paragraaf 1 bedoelde nieuwe eigenaar, kan deze het bedrag dat de bij zijn titel bedongen prijs te boven gaat, en de interest van dat bedrag te rekenen van de dag van elke betaling, op de verkoper verhalen als naar recht.
§ 13. Onder voorbehoud van artikel 2.2.6.46 is toewijzing ten gevolge van een hoger bod bij vrijwillige vervreemding niet vatbaar voor enig ander hoger bod.
De eisen tot nietigverklaring moeten, op straffe van verval, worden ingesteld binnen vijftien dagen na de verkoop.
§ 14. Indien de schuldeisers geen veiling hebben gevorderd overeenkomstig paragraaf 4, blijft de waarde van het schip onherroepelijk bepaald op de prijs die in de overeenkomst was bedongen of door de nieuwe eigenaar was opgegeven.
De inschrijvingen die niet in batige rang komen ten opzichte van de prijs, worden doorgehaald voor het gedeelte dat de prijs te boven gaat, ingevolge de minnelijke of gerechtelijke rangregeling, opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 2.2.5.51 is op die inschrijvingen van toepassing.
De nieuwe eigenaar bevrijdt zich van de scheepsvoorrechten en scheepshypotheken, hetzij door aan de batig gerangschikte schuldeisers het bedrag te betalen van de opeisbare schuldvorderingen of van de schuldvorderingen die hij vrij is te voldoen, hetzij door de prijs ten belope van de schuldvorderingen in consignatie te geven.
De nieuwe eigenaar blijft onderworpen aan de batig gerangschikte scheepsvoorrechten en scheepshypotheken, voor de niet opeisbare schuldvorderingen waarvan geen bevrijding is ingetreden.
§ 1. De scheepshypotheek gaat teniet door vrijwillige vervreemding van het schip, het schip in aanbouw of het schip in verbouwing, mits de nieuwe eigenaar, binnen zes maanden na de inschrijving van zijn titel of, in geval van vervolging in de loop van die zes maanden, binnen vijftien dagen na de betekening van het bevel dat aan de beslaglegging voorafgaat, aan alle ingeschreven schuldeisers, aan de door hen bij de inschrijving gekozen woonplaats, betekent :
1° een uittreksel uit zijn titel bevattende de dagtekening en de aard van de akten, de aanwijzing van de partijen, de naam, de soort en de tonnenmaat van het schip, de prijs en de lasten die van de prijs deel uitmaken, dan wel de waardering van de zaak, indien deze geschonken is of overgedragen anders dan door verkoop;
2° de opgave van de datum van inschrijving van zijn titel;
3° een tabel in drie kolommen, waarvan de eerste de dagtekening van de inschrijvingen bevat, de tweede de naam van de schuldeisers en de derde het bedrag van de ingeschreven schuldvorderingen.
Ingeval de titel van de nieuwe eigenaar naast een met hypotheek bezwaard schip andere onroerende of roerende goederen, desgevallend schepen omvat, dan zal, indien daartoe reden bestaat, de prijs van ieder schip waarop bijzondere en afzonderlijke inschrijvingen zijn genomen, in de kennisgeving worden opgegeven bij vergelijkende waardering naar evenredigheid van de totale in de titel vermelde prijs.
§ 2. De nieuwe eigenaar verklaart in de akte van kennisgeving dat hij de hypothecaire schulden en lasten zal voldoen ten belope van de prijs of van de opgegeven waarde, zonder enige aftrek ten voordele van de verkoper of van wie ook.
Behoudens afwijkend beding in de titels van schuldvordering, heeft hij het genot van elke tijdsbepaling en van elk uitstel van betaling, aan de oorspronkelijke schuldenaar verleend, en hij neemt de termijnen in acht die tegen de laatstgenoemde zijn bedongen.
De niet vervallen schuldvorderingen die slechts voor een gedeelte batig zijn gerangschikt, zijn onmiddellijk opeisbaar, ten belope van dit gedeelte ten aanzien van de nieuwe eigenaar, en voor het geheel ten aanzien van de schuldenaar.
§ 3. Indien een van de ingeschreven schuldeisers een rechtsvordering tot ontbinding bezit en ze wil instellen, moet hij zulks op straffe van verval verklaren ter griffie van de rechtbank voor welke de rangregeling moet worden vervolgd.
De verklaring moet binnen vijftien dagen na de kennisgeving worden gedaan en binnen tien dagen worden gevolgd door het instellen van de eis tot ontbinding.
Te rekenen van de dag waarop de schuldeiser verklaart dat hij de rechtsvordering tot ontbinding wil instellen, is de zuivering geschorst; zij kan pas worden hervat nadat de schuldeiser afstand heeft gedaan van de rechtsvordering tot ontbinding, of nadat deze vordering is afgewezen.
§ 4. Binnen vijftien dagen na de kennisgeving, gedaan op verzoek van de nieuwe eigenaar, kan iedere ingeschreven schuldeiser vorderen dat het schip in openbare veiling verkocht wordt, op voorwaarde :
1° dat deze vordering door een gerechtsdeurwaarder aan de nieuwe eigenaar wordt betekend, uiterlijk binnen veertig dagen na de kennisgeving gedaan ten verzoeke van de laatstgenoemde;
2° dat zij een bod bevat waarbij de verzoeker of een door hem aangewezen persoon de prijs verhoogt met vijf procent boven de prijs die in de overeenkomst was bedongen of door de nieuwe eigenaar was opgegeven; dit bod slaat op de hoofdprijs en de lasten, zonder enige aftrek ten nadele van de ingeschreven schuldeisers; de kosten van de eerste overeenkomst moeten niet in aanmerking worden genomen;
3° dat dezelfde betekening binnen dezelfde termijn gedaan wordt aan de vorige eigenaar en aan de hoofdschuldenaar;
4° dat het origineel en de afschriften van deze exploten worden ondertekend door de verzoekende schuldeiser of door zijn gemachtigde, voorzien van een uitdrukkelijke volmacht, die in dit geval verplicht is afschrift van zijn volmacht te geven; zij moeten in voorkomend geval ook ondertekend worden door de opbieder;
5° dat de verzoeker aanbiedt persoonlijke of hypothecaire borg te stellen ten belope van vijfentwintig procent van de prijs en van de lasten, ofwel, wanneer hij een gelijk bedrag in consignatie gegeven heeft, dat hij afschrift betekent van het bewijs van consignatie;
6° dat de betekening dagvaarding inhoudt om met het oog op de aanneming van die borg binnen drie dagen te verschijnen voor de rechter van de plaats waar het schip ligt en, wanneer het in de vaart is, vóór de rechter van de thuishaven.
De opbieder kan in geen geval worden verplicht om in zijn hoger bod andere goederen te begrijpen dan het schip dat voor zijn schuldvordering met hypotheek bezwaard is. Behoudens het verhaal van de nieuwe eigenaar op zijn rechtsvoorgangers, tot vergoeding van de schade die hij ingevolge de verdeling van door hem verkregen goederen of door de splitsing van bedrijven mocht lijden.
§ 5. In de rechtspleging tot aanneming van de borg wordt geen vonnis tot voeging gewezen en worden de niet-verschenen partijen niet opnieuw gedagvaard.
Wordt de borg verworpen, dan wordt het opbod van onwaarde verklaard en blijft de koper verbonden, ten ware andere schuldeisers een opbod hadden gedaan.
Wordt de borg aangenomen, dan wijst het vonnis de ministeriële ambtenaar aan die belast is met de verkoop, en bepaalt het de dag waarop deze zal geschieden. Daartoe wordt overgegaan volgens de eerste voorwaarden of volgens een nieuw lastenkohier, in gemeen overleg opgemaakt door de opbieder en de belanghebbende partijen.
§ 6. Wanneer overeenkomstig de voorgaande paragrafen een hoger bod is betekend, heeft iedere ingeschreven schuldeiser het recht zich in de plaats van de vervolgende partij te doen stellen, overeenkomstig artikel 1609 van het Gerechtelijk Wetboek, ingeval de opbieder of de nieuwe eigenaar geen gevolg aan de rechtspleging geeft binnen een maand nadat het hoger bod is gedaan.
De artikel en 1610 en 1611 van het voornoemde wetboek zijn mede op het hoger bod van toepassing.
§ 7. Ten minste tien dagen vóór de toewijzing wordt een aankondiging van de herveiling bekendgemaakt :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
De in het vorige lid bedoelde aankondiging vermeldt :
1° de datum en de aard van de akte van vervreemding waarop het hoger bod is gedaan, en, in voorkomend geval, de naam van de notaris voor wie ze werd verleden;
2° de in de akte vermelde prijs of de waardering;
3° het bedrag van het hoger bod;
4° de namen, het beroep, de woonplaats van de vorige eigenaar en van de opbieder;
5° de naam van het schip alsmede de aard van de voortstuwing ervan en in voorkomend geval het vermogen van de voortstuwingsmiddelen, de materialen van de romp, het bouwjaar, de afmetingen en de tonnenmaat;
6° de ligplaats;
7° de dag, het uur en de plaats van de toewijzing.
Een aankondiging met dezelfde gegevens kan worden aangeplakt op de meest in het oog vallende of andere geschikte plaatsen aan boord of aan wal.
§ 8. De door de paragrafen 4 en 7 voorgeschreven formaliteiten moeten in acht worden genomen op straffe van nietigheid.
Op straffe van verval moeten de middelen van nietigheid worden voorgedragen overeenkomstig artikel 1331, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Artikel 1331, vijfde lid, is van toepassing.
§ 9. De opbieder wordt, zelfs in geval van indeplaatsstelling bij de vervolging, koper verklaard, indien zich geen andere bieder aanmeldt op de dag voor de toewijzing bepaald.
Artikel 2.2.6.46 van dit wetboek en de artikel en 1585, 1586, 1589, 1590, 1591 en 1595 van het Gerechtelijk Wetboek zijn op het hoger bod van toepassing.
§ 10. Diegene aan wie het schip wordt toegewezen, is gehouden de toewijzingsprijs te voldoen en bovendien de verkrijger of de begiftigde die het bezit verloren heeft, te vergoeden voor de wettig gemaakte kosten van zijn overeenkomst, voor die van de inschrijving in het betrokken scheepsregister, voor die van de kennisgeving en voor die welke door hem zijn gemaakt om de herverkoop te bekomen.
§ 11. De schuldeiser die de veiling heeft gevorderd en van zijn vordering afstand doet, kan, zelfs indien hij het bedrag van het bod betaalt, de openbare veiling niet beletten, tenzij al de overige hypothecaire schuldeisers daarin uitdrukkelijk toestemmen, of tenzij dezen, na door een deurwaarder te zijn aangemaand om binnen vijftien dagen de veiling te vervolgen, aan die aanmaning geen gevolg geven. In dit geval behoort het bedrag van het bod aan de schuldeisers, volgens de rang van hun schuldvorderingen.
§ 12. Indien het schip na herveiling wordt toegewezen aan de in paragraaf 1 bedoelde nieuwe eigenaar, kan deze het bedrag dat de bij zijn titel bedongen prijs te boven gaat, en de interest van dat bedrag te rekenen van de dag van elke betaling, op de verkoper verhalen als naar recht.
§ 13. Onder voorbehoud van artikel 2.2.6.46 is toewijzing ten gevolge van een hoger bod bij vrijwillige vervreemding niet vatbaar voor enig ander hoger bod.
De eisen tot nietigverklaring moeten, op straffe van verval, worden ingesteld binnen vijftien dagen na de verkoop.
§ 14. Indien de schuldeisers geen veiling hebben gevorderd overeenkomstig paragraaf 4, blijft de waarde van het schip onherroepelijk bepaald op de prijs die in de overeenkomst was bedongen of door de nieuwe eigenaar was opgegeven.
De inschrijvingen die niet in batige rang komen ten opzichte van de prijs, worden doorgehaald voor het gedeelte dat de prijs te boven gaat, ingevolge de minnelijke of gerechtelijke rangregeling, opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 2.2.5.51 is op die inschrijvingen van toepassing.
De nieuwe eigenaar bevrijdt zich van de scheepsvoorrechten en scheepshypotheken, hetzij door aan de batig gerangschikte schuldeisers het bedrag te betalen van de opeisbare schuldvorderingen of van de schuldvorderingen die hij vrij is te voldoen, hetzij door de prijs ten belope van de schuldvorderingen in consignatie te geven.
De nieuwe eigenaar blijft onderworpen aan de batig gerangschikte scheepsvoorrechten en scheepshypotheken, voor de niet opeisbare schuldvorderingen waarvan geen bevrijding is ingetreden.
Art. 2.2.5.44. Purge sur aliénation volontaire
§ 1er. L'hypothèque sur navire s'éteint par l'aliénation volontaire du navire, du navire en construction ou du navire en transformation sous la condition que, dans les six mois de l'inscription de son titre ou, en cas de poursuites endéans ces six mois, dans le délai de quinze jours à compter de la signification du commandement préalable à la saisie, le nouveau propriétaire notifie à tous les créanciers inscrits, aux domiciles élus par eux dans les inscriptions :
1° un extrait de son titre contenant la date et la nature des actes, la désignation des parties, le nom, l'espèce et le tonnage du navire, le prix et les charges faisant partie du prix, ou l'évaluation de la chose si elle a été donnée ou cédée à tout autre titre que celui de vente;
2° l'indication de la date de l'inscription de son titre;
3° un tableau sur trois colonnes, dont la première contiendra la date des inscriptions, la deuxième le nom des créanciers et la troisième le montant des créances inscrites.
Dans le cas où le titre du nouveau propriétaire comprendrait, en plus d'un navire hypothéqué, d'autres immeubles ou meubles, le cas échéant des navires, le prix de chaque navire frappé d'inscriptions particulières et distinctes sera déclaré dans la notification par ventilation, s'il y a lieu, du prix total exprimé dans le titre.
§ 2. Le nouveau propriétaire déclare dans l'acte de notification qu'il acquittera les dettes et charges hypothécaires jusqu'à concurrence du prix ou de la valeur déclarée, sans déduction aucune au profit du vendeur ou de quiconque.
Sauf clause dérogatoire dans les titres de créances, il jouit des termes et délais accordés au débiteur originaire et il observe ceux stipulés contre ce dernier.
Les créances non échues qui ne viennent que pour partie en ordre utile sont immédiatement exigibles vis-à-vis du nouveau propriétaire, jusqu'à cette concurrence, et pour le tout à l'égard du débiteur.
§ 3. Si parmi les créanciers inscrits se trouve un créancier ayant l'action résolutoire et qu'il entend exercer cette action, il est tenu, à peine de déchéance, de le déclarer au greffe du tribunal devant lequel l'ordre doit être poursuivi.
La déclaration doit être faite dans les quinze jours de la notification et être suivie, dans les dix jours, de la demande de résolution.
A partir du jour où le créancier a déclaré vouloir exercer l'action résolutoire, la purge est suspendue; elle ne peut être reprise qu'après la renonciation du créancier à l'action résolutoire ou après le rejet de cette action.
§ 4. Dans les quinze jours de la notification faite à la requête du nouveau propriétaire, tout créancier inscrit peut requérir la mise du navire aux enchères et adjudications publiques, à la charge :
1° que cette réquisition sera signifiée par un huissier de justice au nouveau propriétaire, dans les quarante jours au plus tard de la notification faite à la requête de ce dernier;
2° qu'elle contiendra soumission du requérant, ou d'une personne désignée par lui, de porter le prix à cinq pour cent en dessus de celui stipulé dans le contrat, ou déclaré par le nouveau propriétaire; cette enchère portera le prix principal et les charges, sans aucune déduction préjudiciable aux créanciers inscrits; elle ne devra point porter sur les frais du premier contrat;
3° que la même signification sera faite dans le même délai, au précédent propriétaire et au débiteur principal;
4° que l'original et les copies de ces exploits seront signés par le créancier requérant ou par son fondé de procuration expresse, lequel, en ce cas, est tenu de donner copie de sa procuration; ils devront aussi être signés, le cas échéant, par le surenchérisseur;
5° que le requérant offrira de donner caution personnelle ou hypothécaire jusqu'à concurrence de vingt-cinq pour cent du prix et des charges; ou, qu'ayant consigné une somme équivalente, il notifiera copie du certificat de consignation;
6° que la signification contiendra citation, pour la réception de cette caution, à comparaître dans les trois jours devant le juge du lieu où se trouve le navire, et s'il est en cours de voyage, devant le juge du port d'attache.
Le surenchérisseur ne pourra en aucun cas être contraint d'étendre sa surenchère à d'autres biens que le navire hypothéqué pour sa créance. Sauf le recours du nouveau propriétaire contre ses prédécesseurs pour l'indemnité du dommage qu'il éprouverait, soit de la division des objets de son acquisition, soit de celles des exploitations.
§ 5. Dans la procédure de réception de la caution, il n'est pas pris jugement de jonction et les défaillants ne sont pas réassignés.
Si la caution est rejetée, la surenchère est déclarée nulle et l'acquéreur maintenu, à moins qu'il n'ait été fait de surenchère par d'autres créanciers.
Si la caution est reçue, le jugement désigne l'officier ministériel chargé de procéder à la vente, et en fixe la date. Il y est procédé d'après les conditions primitives ou d'après un nouveau cahier des charges arrêté de commun accord entre le surenchérisseur et les parties intéressées.
§ 6. Lorsqu'une surenchère a été notifiée dans les termes des paragraphes qui précèdent, chacun des créanciers inscrits a le droit de se faire subroger à la poursuite, conformément à l'article 1609 du Code judiciaire, si le surenchérisseur ou le nouveau propriétaire ne donne pas suite à la procédure dans le mois de la surenchère.
Les articles 1610 et 1611 du code précité sont également applicables au cas de surenchère.
§ 7. Dix jours au moins avant l'adjudication, l'annonce de la revente est publiée :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
L'annonce visée dans le précédent alinéa mentionne :
1° la date et la nature de l'acte d'aliénation sur lequel la surenchère a été faite, et, le cas échéant, le nom du notaire qui l'a reçu;
2° le prix énoncé dans l'acte ou l'évaluation;
3° le montant de la surenchère;
4° les noms, profession et domicile du précédent propriétaire et du surenchérisseur;
5° le nom du navire ainsi que son mode de puissance motrice et, le cas échéant, la puissance des moyens de propulsion, les matériaux de sa coque, l'année de sa construction, ses dimensions et son tonnage;
6° le lieu où il est amarré;
7° l'indication du jour, heure et lieu de l'adjudication.
Une annonce reprenant les mêmes données peut être affichée aux endroits les plus visibles ou à d'autres endroits adéquats à bord ou à quai.
§ 8. Les formalités prescrites par les paragraphes 4 et 7 doivent être observées à peine de nullité.
A peine de déchéance, les moyens de nullité doivent être proposés conformément à l'article 1331, alinéa 4, du Code judiciaire.
L'article 1331, alinéa 5, est applicable.
§ 9. Le surenchérisseur, même en cas de subrogation à la poursuite, est déclaré adjudicataire si, au jour fixé pour l'adjudication, il ne se présente pas d'autre enchérisseur.
L'article 2.2.6.46 du présent code et les articles 1585, 1586, 1589, 1590, 1591 et 1595 du Code judiciaire sont applicables à la surenchère.
§ 10. L'adjudicataire du navire est tenu, au-delà du prix de son adjudication, de restituer à l'acquéreur ou au donataire dépossédé les frais et loyaux coûts de son contrat, ceux de l'inscription dans le registre naval concerné, ceux de notification et ceux faits par lui pour parvenir à la revente.
§ 11. Le désistement du créancier requérant la mise aux enchères ne peut, même quand le créancier paierait le montant de la soumission, empêcher l'adjudication publique, si ce n'est du consentement exprès de tous les autres créanciers hypothécaires, ou si ces derniers, sommés par huissier de justice de poursuivre l'adjudication dans la quinzaine, n'y donnent point suite. En ce cas, l'import de la soumission est acquis aux créanciers, dans l'ordre de leurs créances.
§ 12. Si le navire est adjugé après revente au nouveau propriétaire visé au paragraphe 1er, celui-ci aura recours tel que de droit contre le vendeur, pour le remboursement de ce qui excède le prix stipulé par son titre, et pour l'intérêt de cet excédent, à compter du jour de chaque paiement.
§ 13. Sous réserve de l'article 2.2.6.46, l'adjudication par suite de surenchère sur aliénation volontaire ne peut être frappée d'aucune autre surenchère.
Les demandes en nullité devront être formées, à peine de déchéance, dans la quinzaine de la vente.
§ 14. A défaut, par les créanciers, d'avoir requis la mise aux enchères conformément au paragraphe 4, la valeur du navire demeure définitivement fixée au prix stipulé dans le contrat, ou déclaré par le nouveau propriétaire.
Les inscriptions qui ne viennent pas en ordre utile sur le prix seront radiées pour la partie qui l'excédera, par suite de l'ordre amiable ou judiciaire dressé conformément aux dispositions du Code judiciaire. L'article 2.2.5.51 est applicable aux inscriptions.
Le nouveau propriétaire se libérera des privilèges sur navires et hypothèques sur navires, soit en payant aux créanciers en ordre utile l'import des créances exigibles ou de celles qu'il lui est facultatif d'acquitter, soit en consignant le prix jusqu'à concurrence de ses créances.
Il reste soumis aux privilèges sur navires et hypothèques sur navires venant en ordre utile, à raison des créances non exigibles dont la libération n'a pas été réalisée.
§ 1er. L'hypothèque sur navire s'éteint par l'aliénation volontaire du navire, du navire en construction ou du navire en transformation sous la condition que, dans les six mois de l'inscription de son titre ou, en cas de poursuites endéans ces six mois, dans le délai de quinze jours à compter de la signification du commandement préalable à la saisie, le nouveau propriétaire notifie à tous les créanciers inscrits, aux domiciles élus par eux dans les inscriptions :
1° un extrait de son titre contenant la date et la nature des actes, la désignation des parties, le nom, l'espèce et le tonnage du navire, le prix et les charges faisant partie du prix, ou l'évaluation de la chose si elle a été donnée ou cédée à tout autre titre que celui de vente;
2° l'indication de la date de l'inscription de son titre;
3° un tableau sur trois colonnes, dont la première contiendra la date des inscriptions, la deuxième le nom des créanciers et la troisième le montant des créances inscrites.
Dans le cas où le titre du nouveau propriétaire comprendrait, en plus d'un navire hypothéqué, d'autres immeubles ou meubles, le cas échéant des navires, le prix de chaque navire frappé d'inscriptions particulières et distinctes sera déclaré dans la notification par ventilation, s'il y a lieu, du prix total exprimé dans le titre.
§ 2. Le nouveau propriétaire déclare dans l'acte de notification qu'il acquittera les dettes et charges hypothécaires jusqu'à concurrence du prix ou de la valeur déclarée, sans déduction aucune au profit du vendeur ou de quiconque.
Sauf clause dérogatoire dans les titres de créances, il jouit des termes et délais accordés au débiteur originaire et il observe ceux stipulés contre ce dernier.
Les créances non échues qui ne viennent que pour partie en ordre utile sont immédiatement exigibles vis-à-vis du nouveau propriétaire, jusqu'à cette concurrence, et pour le tout à l'égard du débiteur.
§ 3. Si parmi les créanciers inscrits se trouve un créancier ayant l'action résolutoire et qu'il entend exercer cette action, il est tenu, à peine de déchéance, de le déclarer au greffe du tribunal devant lequel l'ordre doit être poursuivi.
La déclaration doit être faite dans les quinze jours de la notification et être suivie, dans les dix jours, de la demande de résolution.
A partir du jour où le créancier a déclaré vouloir exercer l'action résolutoire, la purge est suspendue; elle ne peut être reprise qu'après la renonciation du créancier à l'action résolutoire ou après le rejet de cette action.
§ 4. Dans les quinze jours de la notification faite à la requête du nouveau propriétaire, tout créancier inscrit peut requérir la mise du navire aux enchères et adjudications publiques, à la charge :
1° que cette réquisition sera signifiée par un huissier de justice au nouveau propriétaire, dans les quarante jours au plus tard de la notification faite à la requête de ce dernier;
2° qu'elle contiendra soumission du requérant, ou d'une personne désignée par lui, de porter le prix à cinq pour cent en dessus de celui stipulé dans le contrat, ou déclaré par le nouveau propriétaire; cette enchère portera le prix principal et les charges, sans aucune déduction préjudiciable aux créanciers inscrits; elle ne devra point porter sur les frais du premier contrat;
3° que la même signification sera faite dans le même délai, au précédent propriétaire et au débiteur principal;
4° que l'original et les copies de ces exploits seront signés par le créancier requérant ou par son fondé de procuration expresse, lequel, en ce cas, est tenu de donner copie de sa procuration; ils devront aussi être signés, le cas échéant, par le surenchérisseur;
5° que le requérant offrira de donner caution personnelle ou hypothécaire jusqu'à concurrence de vingt-cinq pour cent du prix et des charges; ou, qu'ayant consigné une somme équivalente, il notifiera copie du certificat de consignation;
6° que la signification contiendra citation, pour la réception de cette caution, à comparaître dans les trois jours devant le juge du lieu où se trouve le navire, et s'il est en cours de voyage, devant le juge du port d'attache.
Le surenchérisseur ne pourra en aucun cas être contraint d'étendre sa surenchère à d'autres biens que le navire hypothéqué pour sa créance. Sauf le recours du nouveau propriétaire contre ses prédécesseurs pour l'indemnité du dommage qu'il éprouverait, soit de la division des objets de son acquisition, soit de celles des exploitations.
§ 5. Dans la procédure de réception de la caution, il n'est pas pris jugement de jonction et les défaillants ne sont pas réassignés.
Si la caution est rejetée, la surenchère est déclarée nulle et l'acquéreur maintenu, à moins qu'il n'ait été fait de surenchère par d'autres créanciers.
Si la caution est reçue, le jugement désigne l'officier ministériel chargé de procéder à la vente, et en fixe la date. Il y est procédé d'après les conditions primitives ou d'après un nouveau cahier des charges arrêté de commun accord entre le surenchérisseur et les parties intéressées.
§ 6. Lorsqu'une surenchère a été notifiée dans les termes des paragraphes qui précèdent, chacun des créanciers inscrits a le droit de se faire subroger à la poursuite, conformément à l'article 1609 du Code judiciaire, si le surenchérisseur ou le nouveau propriétaire ne donne pas suite à la procédure dans le mois de la surenchère.
Les articles 1610 et 1611 du code précité sont également applicables au cas de surenchère.
§ 7. Dix jours au moins avant l'adjudication, l'annonce de la revente est publiée :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
L'annonce visée dans le précédent alinéa mentionne :
1° la date et la nature de l'acte d'aliénation sur lequel la surenchère a été faite, et, le cas échéant, le nom du notaire qui l'a reçu;
2° le prix énoncé dans l'acte ou l'évaluation;
3° le montant de la surenchère;
4° les noms, profession et domicile du précédent propriétaire et du surenchérisseur;
5° le nom du navire ainsi que son mode de puissance motrice et, le cas échéant, la puissance des moyens de propulsion, les matériaux de sa coque, l'année de sa construction, ses dimensions et son tonnage;
6° le lieu où il est amarré;
7° l'indication du jour, heure et lieu de l'adjudication.
Une annonce reprenant les mêmes données peut être affichée aux endroits les plus visibles ou à d'autres endroits adéquats à bord ou à quai.
§ 8. Les formalités prescrites par les paragraphes 4 et 7 doivent être observées à peine de nullité.
A peine de déchéance, les moyens de nullité doivent être proposés conformément à l'article 1331, alinéa 4, du Code judiciaire.
L'article 1331, alinéa 5, est applicable.
§ 9. Le surenchérisseur, même en cas de subrogation à la poursuite, est déclaré adjudicataire si, au jour fixé pour l'adjudication, il ne se présente pas d'autre enchérisseur.
L'article 2.2.6.46 du présent code et les articles 1585, 1586, 1589, 1590, 1591 et 1595 du Code judiciaire sont applicables à la surenchère.
§ 10. L'adjudicataire du navire est tenu, au-delà du prix de son adjudication, de restituer à l'acquéreur ou au donataire dépossédé les frais et loyaux coûts de son contrat, ceux de l'inscription dans le registre naval concerné, ceux de notification et ceux faits par lui pour parvenir à la revente.
§ 11. Le désistement du créancier requérant la mise aux enchères ne peut, même quand le créancier paierait le montant de la soumission, empêcher l'adjudication publique, si ce n'est du consentement exprès de tous les autres créanciers hypothécaires, ou si ces derniers, sommés par huissier de justice de poursuivre l'adjudication dans la quinzaine, n'y donnent point suite. En ce cas, l'import de la soumission est acquis aux créanciers, dans l'ordre de leurs créances.
§ 12. Si le navire est adjugé après revente au nouveau propriétaire visé au paragraphe 1er, celui-ci aura recours tel que de droit contre le vendeur, pour le remboursement de ce qui excède le prix stipulé par son titre, et pour l'intérêt de cet excédent, à compter du jour de chaque paiement.
§ 13. Sous réserve de l'article 2.2.6.46, l'adjudication par suite de surenchère sur aliénation volontaire ne peut être frappée d'aucune autre surenchère.
Les demandes en nullité devront être formées, à peine de déchéance, dans la quinzaine de la vente.
§ 14. A défaut, par les créanciers, d'avoir requis la mise aux enchères conformément au paragraphe 4, la valeur du navire demeure définitivement fixée au prix stipulé dans le contrat, ou déclaré par le nouveau propriétaire.
Les inscriptions qui ne viennent pas en ordre utile sur le prix seront radiées pour la partie qui l'excédera, par suite de l'ordre amiable ou judiciaire dressé conformément aux dispositions du Code judiciaire. L'article 2.2.5.51 est applicable aux inscriptions.
Le nouveau propriétaire se libérera des privilèges sur navires et hypothèques sur navires, soit en payant aux créanciers en ordre utile l'import des créances exigibles ou de celles qu'il lui est facultatif d'acquitter, soit en consignant le prix jusqu'à concurrence de ses créances.
Il reste soumis aux privilèges sur navires et hypothèques sur navires venant en ordre utile, à raison des créances non exigibles dont la libération n'a pas été réalisée.
Art. 2.2.5.45. Erkenning van vreemde hypotheken en gelijkgestelde rechten
Naar vreemd recht gevestigde hypotheken, scheepsverbanden en inschrijfbare of anderszins registreerbare lasten van dezelfde aard op schepen worden erkend en zijn uitvoerbaar op voorwaarde dat :
1° dergelijke hypotheken, scheepsverbanden en lasten werden gevestigd en openbaar gemaakt in overeenstemming met het recht van het land waarin het schip geregistreerd of teboekgesteld is;
2° het register en alle in overeenstemming met het onder 1° bedoelde recht verplicht neer te leggen stukken door het publiek kunnen worden geraadpleegd, en dat uittreksels uit het register en afschriften van de stukken kunnen worden verkregen;
3° hetzij het register, hetzij de stukken bedoeld onder 2°, ten minste vermelden :
a) de naam en het adres van de persoon ten gunste van wie de hypotheek, het scheepsverband of de andere last werd gevestigd dan wel de vestiging ervan aan drager;
b) het maximaal gewaarborgde bedrag, indien zulks wordt voorgeschreven door het recht bedoeld onder 1° of indien dit bedrag is vermeld in het stuk waardoor de hypotheek, het scheepsverband of de andere last werd gevestigd;
c) de datum en de andere gegevens die, overeenkomstig het recht bedoeld onder 1°, de rang bepalen ten opzichte van andere hypotheken, scheepsverbanden en lasten.
Naar vreemd recht gevestigde hypotheken, scheepsverbanden en inschrijfbare of anderszins registreerbare lasten van dezelfde aard op schepen worden erkend en zijn uitvoerbaar op voorwaarde dat :
1° dergelijke hypotheken, scheepsverbanden en lasten werden gevestigd en openbaar gemaakt in overeenstemming met het recht van het land waarin het schip geregistreerd of teboekgesteld is;
2° het register en alle in overeenstemming met het onder 1° bedoelde recht verplicht neer te leggen stukken door het publiek kunnen worden geraadpleegd, en dat uittreksels uit het register en afschriften van de stukken kunnen worden verkregen;
3° hetzij het register, hetzij de stukken bedoeld onder 2°, ten minste vermelden :
a) de naam en het adres van de persoon ten gunste van wie de hypotheek, het scheepsverband of de andere last werd gevestigd dan wel de vestiging ervan aan drager;
b) het maximaal gewaarborgde bedrag, indien zulks wordt voorgeschreven door het recht bedoeld onder 1° of indien dit bedrag is vermeld in het stuk waardoor de hypotheek, het scheepsverband of de andere last werd gevestigd;
c) de datum en de andere gegevens die, overeenkomstig het recht bedoeld onder 1°, de rang bepalen ten opzichte van andere hypotheken, scheepsverbanden en lasten.
Art. 2.2.5.45. Reconnaissance d'hypothèques étrangères et de droits assimilés
Les hypothèques, mortgages et charges de même nature, inscriptibles ou enregistrables d'une autre manière, constitués sur des navires en vertu d'un droit étranger, sont reconnus et exécutoires à condition :
1° que ces hypothèques, mortgages et charges aient été constitués et publiés conformément au droit du pays où le navire a été enregistré ou immatriculé;
2° que le registre et tous les actes qui doivent obligatoirement être déposés conformément au droit visé au 1° soient accessibles au public et que la délivrance d'extraits du registre et de copies des actes puissent être obtenues;
3° que, soit le registre, soit les actes visés sous 2°, indiquent à tous le moins :
a) le nom et l'adresse de la personne en faveur de laquelle l'hypothèque, le mortgage ou l'autre charge a été constitué ou le fait que la sûreté a été constituée au porteur;
b) le montant maximal garanti, si cela est prescrit par le droit visé sous 1° ou si ce montant a été indiqué dans l'acte en vertu duquel a été constitué hypothèque, le mortgage ou l'autre charge;
c) la date et les autres données qui, conformément au droit visé sous 1°, en déterminent le rang par rapport aux autres hypothèques, mortgages et charges.
Les hypothèques, mortgages et charges de même nature, inscriptibles ou enregistrables d'une autre manière, constitués sur des navires en vertu d'un droit étranger, sont reconnus et exécutoires à condition :
1° que ces hypothèques, mortgages et charges aient été constitués et publiés conformément au droit du pays où le navire a été enregistré ou immatriculé;
2° que le registre et tous les actes qui doivent obligatoirement être déposés conformément au droit visé au 1° soient accessibles au public et que la délivrance d'extraits du registre et de copies des actes puissent être obtenues;
3° que, soit le registre, soit les actes visés sous 2°, indiquent à tous le moins :
a) le nom et l'adresse de la personne en faveur de laquelle l'hypothèque, le mortgage ou l'autre charge a été constitué ou le fait que la sûreté a été constituée au porteur;
b) le montant maximal garanti, si cela est prescrit par le droit visé sous 1° ou si ce montant a été indiqué dans l'acte en vertu duquel a été constitué hypothèque, le mortgage ou l'autre charge;
c) la date et les autres données qui, conformément au droit visé sous 1°, en déterminent le rang par rapport aux autres hypothèques, mortgages et charges.
Onderafdeling 2. - Openbaarheid
Sous-section 2. - Publicité
Art. 2.2.5.46. Tijdstip van inschrijving
De scheepshypotheek kan worden ingeschreven zolang zij bestaat.
Zij kan echter niet meer worden ingeschreven :
1° bij overlijden van de schuldenaar, later dan drie maanden na het openvallen van de erfenis;
2° na inschrijving van de akte van vervreemding;
3° na faillissement van de schuldenaar;
4° na doorhaling van de registratie of de teboekstelling.
Het gevolg van de inschrijvingen genomen vóór de opening van een faillissement wordt geregeld door de bijzondere wetten op het faillissement.
De scheepshypotheek kan worden ingeschreven zolang zij bestaat.
Zij kan echter niet meer worden ingeschreven :
1° bij overlijden van de schuldenaar, later dan drie maanden na het openvallen van de erfenis;
2° na inschrijving van de akte van vervreemding;
3° na faillissement van de schuldenaar;
4° na doorhaling van de registratie of de teboekstelling.
Het gevolg van de inschrijvingen genomen vóór de opening van een faillissement wordt geregeld door de bijzondere wetten op het faillissement.
Art. 2.2.5.46. Moment de l'inscription
L'hypothèque sur navire peut être inscrite tant qu'elle existe.
Elle ne peut plus être inscrite :
1° en cas de décès du débiteur, passé trois mois à compter de l'ouverture de la succession;
2° après l'inscription de l'acte d'aliénation;
3° après la faillite du débiteur;
4° après la radiation de l'enregistrement ou de l'immatriculation.
L'effet des inscriptions prises avant l'ouverture d'une faillite est régi par les lois particulières sur la faillite.
L'hypothèque sur navire peut être inscrite tant qu'elle existe.
Elle ne peut plus être inscrite :
1° en cas de décès du débiteur, passé trois mois à compter de l'ouverture de la succession;
2° après l'inscription de l'acte d'aliénation;
3° après la faillite du débiteur;
4° après la radiation de l'enregistrement ou de l'immatriculation.
L'effet des inscriptions prises avant l'ouverture d'une faillite est régi par les lois particulières sur la faillite.
Art. 2.2.5.47. Vermeldingen bij de inschrijving
Behalve hetgeen in artikel 2.2.1.19 is voorgeschreven, vermeldt het Belgisch Scheepsregister, in voorkomend geval :
1° de voet en de vervaldag van de interest, alsook de termijn van terugbetaling van de hoofdsom;
2° [1 ...]1
3° het beding van inbezitstelling van het schip;
4° de keuze van woonplaats.
Behalve hetgeen in artikel 2.2.1.19 is voorgeschreven, vermeldt het Belgisch Scheepsregister, in voorkomend geval :
1° de voet en de vervaldag van de interest, alsook de termijn van terugbetaling van de hoofdsom;
2° [1 ...]1
3° het beding van inbezitstelling van het schip;
4° de keuze van woonplaats.
Art. 2.2.5.47. Mentions lors de l'inscription
Hormis les énonciations prescrites à l'article 2.2.1.19, le Registre naval belge mentionne, le cas échéant :
1° le taux et l'échéance de l'intérêt ainsi que le terme du remboursement du principal;
2° [1 ...]1
3° la clause d'envoi en possession du navire;
4° l'élection de domicile.
Hormis les énonciations prescrites à l'article 2.2.1.19, le Registre naval belge mentionne, le cas échéant :
1° le taux et l'échéance de l'intérêt ainsi que le terme du remboursement du principal;
2° [1 ...]1
3° la clause d'envoi en possession du navire;
4° l'élection de domicile.
Wijzigingen
Art. 2.2.5.48. Geldigheidsduur van de inschrijving
De inschrijving van de scheepshypotheek houdt op van kracht te zijn indien zij niet is hernieuwd voor het verloop van vijftien jaar te rekenen van de dag waarop zij is geschied.
De inschrijving wordt hernieuwd na indiening bij het Belgisch Scheepsregister van twee door de schuldeiser ondertekende borderellen waarin de te hernieuwen inschrijving nauwkeurig wordt aangewezen; anders geldt zij enkel als eerste inschrijving.
Een hernieuwing van de inschrijving na het verstrijken van de in het eerste lid bepaalde termijn geldt eveneens als eerste inschrijving.
De inschrijving van de scheepshypotheek houdt op van kracht te zijn indien zij niet is hernieuwd voor het verloop van vijftien jaar te rekenen van de dag waarop zij is geschied.
De inschrijving wordt hernieuwd na indiening bij het Belgisch Scheepsregister van twee door de schuldeiser ondertekende borderellen waarin de te hernieuwen inschrijving nauwkeurig wordt aangewezen; anders geldt zij enkel als eerste inschrijving.
Een hernieuwing van de inschrijving na het verstrijken van de in het eerste lid bepaalde termijn geldt eveneens als eerste inschrijving.
Art. 2.2.5.48. Durée de validité de l'inscription
L'effet de l'inscription de l'hypothèque sur navire cesse si elle n'a pas été renouvelée avant l'expiration de quinze ans à compter du jour de sa constitution.
L'inscription est renouvelée sur la présentation, au Registre naval belge, de deux bordereaux signés par le créancier et contenant l'indication précise de l'inscription à renouveler; sinon, elle ne vaudra que comme inscription première.
Un renouvellement de l'inscription après l'expiration du délai fixé à l'alinéa 1er vaudra également comme inscription première.
L'effet de l'inscription de l'hypothèque sur navire cesse si elle n'a pas été renouvelée avant l'expiration de quinze ans à compter du jour de sa constitution.
L'inscription est renouvelée sur la présentation, au Registre naval belge, de deux bordereaux signés par le créancier et contenant l'indication précise de l'inscription à renouveler; sinon, elle ne vaudra que comme inscription première.
Un renouvellement de l'inscription après l'expiration du délai fixé à l'alinéa 1er vaudra également comme inscription première.
Art. 2.2.5.49. Overdracht van scheepshypotheekrechten
Wanneer een scheepshypotheekrecht wordt overgedragen bij een onderhandse akte, moet de titel van scheepshypotheekvestiging, voorzien van de vermelding van de inschrijving, aan het Belgisch Scheepsregister worden voorgelegd. Het Belgisch Scheepsregister maakt op de onderhandse akte melding van de overdracht.
Hetzelfde geldt voor overdracht bij een authentieke akte, verleden krachtens een onderhandse lastgeving of in het buitenland opgemaakt in de vorm bij de buitenlandse wet voorgeschreven.
Wanneer een scheepshypotheekrecht wordt overgedragen bij een onderhandse akte, moet de titel van scheepshypotheekvestiging, voorzien van de vermelding van de inschrijving, aan het Belgisch Scheepsregister worden voorgelegd. Het Belgisch Scheepsregister maakt op de onderhandse akte melding van de overdracht.
Hetzelfde geldt voor overdracht bij een authentieke akte, verleden krachtens een onderhandse lastgeving of in het buitenland opgemaakt in de vorm bij de buitenlandse wet voorgeschreven.
Art. 2.2.5.49. Cession de droits d'hypothèque sur navires
Lorsque l'acte emportant cession d'un droit d'hypothèque sur navires est sous signature privé, le titre constitutif de l'hypothèque sur navires, portant la mention de l'inscription, doit être présenté au Registre naval belge. Le Registre naval belge fait mention de la cession sur l'acte sous signature privé.
Il en est de même lorsque l'acte est authentique, s'il a été passé en vertu d'un mandat sous signature privé ou s'il a été fait à l'étranger dans les formes prescrites par la loi étrangère.
Lorsque l'acte emportant cession d'un droit d'hypothèque sur navires est sous signature privé, le titre constitutif de l'hypothèque sur navires, portant la mention de l'inscription, doit être présenté au Registre naval belge. Le Registre naval belge fait mention de la cession sur l'acte sous signature privé.
Il en est de même lorsque l'acte est authentique, s'il a été passé en vertu d'un mandat sous signature privé ou s'il a été fait à l'étranger dans les formes prescrites par la loi étrangère.
Art. 2.2.5.50. Doorhaling en vermindering van de inschrijvingen
De inschrijvingen worden doorgehaald of verminderd krachtens een akte waarbij de begunstigde van de hypotheek opheffing verleent en toestemt in de doorhaling of vermindering, krachtens een vonnis dat in laatste aanleg is gewezen of in kracht van gewijsde is gegaan, of krachtens een vonnis dat uitvoerbaar is verklaard niettegenstaande verzet.
De doorhaling of de vermindering door het Belgisch Scheepsregister gebeurt op overlegging, hetzij van een expeditie van de [1 authentieke akte van opheffing waarin de instrumenterende ambtenaar eenzijdig bevestigt dat de schuldeiser zijn toestemming heeft verleend met deze doorhaling of vermindering]1, hetzij van de akte in brevet en van een ondertekend afschrift, hetzij van twee originelen van de onderhandse akte, hetzij van een door de griffier afgeleverd afschrift van het vonnis, naargelang het geval.
Een woordelijk uittreksel uit de authentieke akte is voldoende, wanneer de notaris daarin verklaart dat de akte geen voorwaarde of voorbehoud bevat.
Is de akte van opheffing onderhands, dan wordt alleen tot gehele of gedeeltelijke doorhaling overgegaan op voorlegging van de akte van hypotheekvestiging, die is voorzien van de vermelding van de inschrijving. Het Belgisch Scheepsregister maakt er melding op van de gehele of gedeeltelijke doorhaling van de inschrijving.
De akte van hypotheekvestiging moet eveneens worden voorgelegd wanneer het een authentieke akte van opheffing betreft, die werd verleden krachtens een onderhandse lastgeving of die in het buitenland werd opgemaakt in de door de toepasselijke vreemde wet voorgeschreven vorm.
De akte van opheffing of het vonnis wordt ingeschreven in het betrokken scheepsregister.
De inschrijvingen worden doorgehaald of verminderd krachtens een akte waarbij de begunstigde van de hypotheek opheffing verleent en toestemt in de doorhaling of vermindering, krachtens een vonnis dat in laatste aanleg is gewezen of in kracht van gewijsde is gegaan, of krachtens een vonnis dat uitvoerbaar is verklaard niettegenstaande verzet.
De doorhaling of de vermindering door het Belgisch Scheepsregister gebeurt op overlegging, hetzij van een expeditie van de [1 authentieke akte van opheffing waarin de instrumenterende ambtenaar eenzijdig bevestigt dat de schuldeiser zijn toestemming heeft verleend met deze doorhaling of vermindering]1, hetzij van de akte in brevet en van een ondertekend afschrift, hetzij van twee originelen van de onderhandse akte, hetzij van een door de griffier afgeleverd afschrift van het vonnis, naargelang het geval.
Een woordelijk uittreksel uit de authentieke akte is voldoende, wanneer de notaris daarin verklaart dat de akte geen voorwaarde of voorbehoud bevat.
Is de akte van opheffing onderhands, dan wordt alleen tot gehele of gedeeltelijke doorhaling overgegaan op voorlegging van de akte van hypotheekvestiging, die is voorzien van de vermelding van de inschrijving. Het Belgisch Scheepsregister maakt er melding op van de gehele of gedeeltelijke doorhaling van de inschrijving.
De akte van hypotheekvestiging moet eveneens worden voorgelegd wanneer het een authentieke akte van opheffing betreft, die werd verleden krachtens een onderhandse lastgeving of die in het buitenland werd opgemaakt in de door de toepasselijke vreemde wet voorgeschreven vorm.
De akte van opheffing of het vonnis wordt ingeschreven in het betrokken scheepsregister.
Art. 2.2.5.50. Radiation et réduction des inscriptions
Les inscriptions sont radiées ou réduites en vertu d'un acte par lequel le bénéficiaire de l'hypothèque accorde la mainlevée et consent à la radiation ou à la réduction, en vertu d'un jugement en dernier ressort ou passé en force de chose jugée, ou en vertu d'un jugement déclaré exécutoire nonobstant opposition.
La radiation ou la réduction est opérée par le Registre naval belge, soit sur le dépôt d'une expédition de [1 l'acte authentique de mainlevée dans lequel le fonctionnaire instrumentant certifie unilatéralement que le créancier a marqué son accord à cette radiation ou réduction]1, soit sur le dépôt de l'acte en brevet et d'une copie signée, soit sur le dépôt des deux originaux de l'acte sous signature privé, soit sur le dépôt d'une copie du jugement délivrée par le greffier, selon le cas.
Un extrait littéral de l'acte authentique suffit, lorsqu'il y est déclaré par le notaire que l'acte ne contient pas de condition ou de réserve.
Si l'acte de mainlevée est sous seing privé, la radiation totale ou partielle n'est opérée que sur la représentation de l'acte constitutif d'hypothèque, portant la mention de l'inscription. Le Registre naval belge y fait mention de la radiation totale ou partielle de l'inscription.
La représentation du titre constitutif est également requise lorsque l'acte de mainlevée est authentique, s'il a été passé en vertu d'un mandat sous signature privé ou s'il a été fait à l'étranger dans les formes prescrites par la loi étrangère.
L'acte de mainlevée ou le jugement est inscrit dans le registre naval concerné.
Les inscriptions sont radiées ou réduites en vertu d'un acte par lequel le bénéficiaire de l'hypothèque accorde la mainlevée et consent à la radiation ou à la réduction, en vertu d'un jugement en dernier ressort ou passé en force de chose jugée, ou en vertu d'un jugement déclaré exécutoire nonobstant opposition.
La radiation ou la réduction est opérée par le Registre naval belge, soit sur le dépôt d'une expédition de [1 l'acte authentique de mainlevée dans lequel le fonctionnaire instrumentant certifie unilatéralement que le créancier a marqué son accord à cette radiation ou réduction]1, soit sur le dépôt de l'acte en brevet et d'une copie signée, soit sur le dépôt des deux originaux de l'acte sous signature privé, soit sur le dépôt d'une copie du jugement délivrée par le greffier, selon le cas.
Un extrait littéral de l'acte authentique suffit, lorsqu'il y est déclaré par le notaire que l'acte ne contient pas de condition ou de réserve.
Si l'acte de mainlevée est sous seing privé, la radiation totale ou partielle n'est opérée que sur la représentation de l'acte constitutif d'hypothèque, portant la mention de l'inscription. Le Registre naval belge y fait mention de la radiation totale ou partielle de l'inscription.
La représentation du titre constitutif est également requise lorsque l'acte de mainlevée est authentique, s'il a été passé en vertu d'un mandat sous signature privé ou s'il a été fait à l'étranger dans les formes prescrites par la loi étrangère.
L'acte de mainlevée ou le jugement est inscrit dans le registre naval concerné.
Wijzigingen
Art. 2.2.5.51. Ambtshalve doorhaling na gedwongen verkoop
In geval van gedwongen verkoop van een schip, kunnen alle bezwarende inschrijvingen betreffende het schip ambtshalve door het Belgisch Scheepsregister worden doorgehaald op voorlegging van een getuigschrift van de Belgische gerechtsdeurwaarder die tot de gedwongen verkoop van het schip is overgegaan.
In dit getuigschrift bevestigt de gerechtsdeurwaarder dat het schip gedwongen werd verkocht voor vrij en onbelast en dat de koper de prijs heeft betaald aan de schuldeisers of, bij gebreke van dergelijke betaling, dat hij een betaling heeft verricht die hem bevrijdt voor het geheel van de sommen waartoe hij gehouden is.
Het getuigschrift wordt ingeschreven in het betrokken scheepsregister.
Is het schip niet in België geregistreerd of teboekgesteld, dan beperkt het Belgisch Scheepsregister zich tot de neerlegging van het getuigschrift in het register van neerlegging.
In geval van gedwongen verkoop van een schip, kunnen alle bezwarende inschrijvingen betreffende het schip ambtshalve door het Belgisch Scheepsregister worden doorgehaald op voorlegging van een getuigschrift van de Belgische gerechtsdeurwaarder die tot de gedwongen verkoop van het schip is overgegaan.
In dit getuigschrift bevestigt de gerechtsdeurwaarder dat het schip gedwongen werd verkocht voor vrij en onbelast en dat de koper de prijs heeft betaald aan de schuldeisers of, bij gebreke van dergelijke betaling, dat hij een betaling heeft verricht die hem bevrijdt voor het geheel van de sommen waartoe hij gehouden is.
Het getuigschrift wordt ingeschreven in het betrokken scheepsregister.
Is het schip niet in België geregistreerd of teboekgesteld, dan beperkt het Belgisch Scheepsregister zich tot de neerlegging van het getuigschrift in het register van neerlegging.
Art. 2.2.5.51. Radiation d'office après vente forcée
En cas de la vente forcée d'un navire, toutes les inscriptions grevant le navire peuvent être radiées d'office par le Registre naval belge sur présentation d'un certificat délivré par l'huissier de justice belge qui a procédé à la vente forcée du navire.
Par ce certificat, l'huissier de justice atteste que le navire a été adjugé pour quitte et libre de toutes charges et que l'acquéreur a payé le prix aux créanciers ou, à défaut de paiement, qu'il a effectué un versement libératoire de l'entièreté des sommes dont il est tenu.
Le certificat est inscrit dans le registre naval concerné.
Si le navire n'a pas été enregistré ou immatriculé en Belgique, le Registre naval belge se limite au dépôt du certificat concerné dans le registre de dépôts.
En cas de la vente forcée d'un navire, toutes les inscriptions grevant le navire peuvent être radiées d'office par le Registre naval belge sur présentation d'un certificat délivré par l'huissier de justice belge qui a procédé à la vente forcée du navire.
Par ce certificat, l'huissier de justice atteste que le navire a été adjugé pour quitte et libre de toutes charges et que l'acquéreur a payé le prix aux créanciers ou, à défaut de paiement, qu'il a effectué un versement libératoire de l'entièreté des sommes dont il est tenu.
Le certificat est inscrit dans le registre naval concerné.
Si le navire n'a pas été enregistré ou immatriculé en Belgique, le Registre naval belge se limite au dépôt du certificat concerné dans le registre de dépôts.
Art. 2.2.5.52. Rechterlijke bevoegdheid inzake eisen tot doorhaling of vermindering
Behoudens afwijkend beding, wordt de eis tot doorhaling of vermindering van de inschrijving van een scheepshypotheek, als hoofdvordering ingesteld, gebracht voor de ondernemingsrechtbank van het arrondissement waar het schip zijn thuishaven heeft.
Bij ontstentenis van een thuishaven is de rechtbank te Antwerpen bevoegd voor zeeschepen.
Behoudens afwijkend beding, wordt de eis tot doorhaling of vermindering van de inschrijving van een scheepshypotheek, als hoofdvordering ingesteld, gebracht voor de ondernemingsrechtbank van het arrondissement waar het schip zijn thuishaven heeft.
Bij ontstentenis van een thuishaven is de rechtbank te Antwerpen bevoegd voor zeeschepen.
Art. 2.2.5.52. Compétence judiciaire en matière de demandes en radiation ou réduction
Sauf clause dérogatoire, la demande en radiation ou en réduction de l'inscription d'une hypothèque sur navire, par action principale, sera portée devant le tribunal de l'entreprise de l'arrondissement où le navire a son port d'attache.
A défaut de port d'attache, le tribunal d'Anvers sera compétent pour les navires de mer.
Sauf clause dérogatoire, la demande en radiation ou en réduction de l'inscription d'une hypothèque sur navire, par action principale, sera portée devant le tribunal de l'entreprise de l'arrondissement où le navire a son port d'attache.
A défaut de port d'attache, le tribunal d'Anvers sera compétent pour les navires de mer.
Art. 2.2.5.53. Rechtsvorderingen tegen de schuldeisers
De rechtsvorderingen tegen de schuldeisers, waartoe de inschrijvingen aanleiding kunnen geven, worden ingesteld door dagvaarding aan hun persoon, of aan de laatste in het scheepsregister vermelde gekozen woonplaats, en zulks niettegenstaande het overlijden, hetzij van de schuldeisers, hetzij van hen bij wie zij woonplaats hebben gekozen.
De rechtsvorderingen tegen de schuldeisers, waartoe de inschrijvingen aanleiding kunnen geven, worden ingesteld door dagvaarding aan hun persoon, of aan de laatste in het scheepsregister vermelde gekozen woonplaats, en zulks niettegenstaande het overlijden, hetzij van de schuldeisers, hetzij van hen bij wie zij woonplaats hebben gekozen.
Art. 2.2.5.53. Actions contre les créanciers
Les actions auxquelles les inscriptions peuvent donner lieu contre les créanciers seront intentées par exploit fait à leur personne, ou au dernier des domiciles élus sur le registre naval, et ce, nonobstant le décès, soit des créanciers, soit de ceux chez lesquels ils auront fait élection de domicile.
Les actions auxquelles les inscriptions peuvent donner lieu contre les créanciers seront intentées par exploit fait à leur personne, ou au dernier des domiciles élus sur le registre naval, et ce, nonobstant le décès, soit des créanciers, soit de ceux chez lesquels ils auront fait élection de domicile.
Art. 2.2.5.54. Doorhaling op bevel van de rechtbank
De rechtbank beveelt de doorhaling wanneer de inschrijving gedaan is zonder gegrond te zijn op de wet of op een titel, of wanneer zij geschied is krachtens een titel die hetzij onregelmatig, hetzij vervallen of gekweten was, of wanneer de scheepshypotheek op wettelijke wijze is tenietgegaan.
De rechtbank beveelt de doorhaling wanneer de inschrijving gedaan is zonder gegrond te zijn op de wet of op een titel, of wanneer zij geschied is krachtens een titel die hetzij onregelmatig, hetzij vervallen of gekweten was, of wanneer de scheepshypotheek op wettelijke wijze is tenietgegaan.
Art. 2.2.5.54. Radiation sur ordre du tribunal
La radiation doit être ordonnée par le tribunal lorsque l'inscription a été faite sans être fondée ni sur la loi ni sur un titre, ou lorsqu'elle a été faite en vertu d'un titre, soit irrégulier, soit éteint ou soldé, ou lorsque l'hypothèque sur navire s'est effacée par les voies légales.
La radiation doit être ordonnée par le tribunal lorsque l'inscription a été faite sans être fondée ni sur la loi ni sur un titre, ou lorsqu'elle a été faite en vertu d'un titre, soit irrégulier, soit éteint ou soldé, ou lorsque l'hypothèque sur navire s'est effacée par les voies légales.
HOOFDSTUK 6. - Scheepsbeslag
CHAPITRE 6. - Saisie sur navire
Afdeling 1. - Bewarend scheepsbeslag
Section 1ère. - Saisie conservatoire sur navire
Onderafdeling 1. - Bewarend beslag op zeeschepen
Sous-section 1ère. - Saisie conservatoire sur navires de mer
Art. 2.2.6.1. Begrippen
In deze onderafdeling wordt verstaan onder :
1° "zeevordering" : een aanspraak gemaakt op grond van één van de volgende oorzaken :
a) schade door een schip veroorzaakt door aanvaring of anderszins;
b) verlies van mensenlevens of lichamelijk letsel, veroorzaakt door een schip of in verband met de exploitatie van een schip;
c) berging;
d) overeenkomsten betreffende het gebruik of de huur van een schip onder een charterpartij of anderszins;
e) overeenkomsten betreffende goederenvervoer per schip onder een charterpartij, een cognossement of anderszins;
f) verlies van of schade aan per schip vervoerde goederen en reisgoed;
g) averij-grosse;
h) bodemerij;
i) sleepdiensten;
j) loodsdiensten;
k) leveringen, waar ook, van goederen of materiaal aan een schip voor het beheer of het onderhoud ervan;
l) bouw, herstelling of uitrusting van een schip of dokkosten;
m) lonen van kapiteins, officieren of bemanningsleden;
n) uitgaven van de kapitein en van afzenders, bevrachters of agenten, verricht voor rekening van het schip of de eigenaar ervan;
o) geschillen over de eigendom van een schip;
p) geschillen tussen scheepsmede-eigenaars over de eigendom, het bezit, de exploitatie of de exploitatie-opbrengsten van een schip;
q) scheepshypotheek en scheepsverband;
[1 r) administratieve geldboetes overeenkomstig dit wetboek of de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes in toepassing van inbreuken op de scheepvaartwetten;]1
[2 s) een financiële zekerheid overeenkomstig artikel 2.7.8.4;]2
[3 t) de kosten gemaakt op basis van artikel 61/1 of artikel 63/1 van de wet van 13 juni 2014 tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006;]3
2° "persoon" : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, iedere personen- of kapitaalsvennootschap, alsmede de Staten en de openbare besturen en instellingen;
3° "eiser" : een persoon die te zijnen gunste het bestaan van een zeevordering aanvoert.
In deze onderafdeling wordt verstaan onder :
1° "zeevordering" : een aanspraak gemaakt op grond van één van de volgende oorzaken :
a) schade door een schip veroorzaakt door aanvaring of anderszins;
b) verlies van mensenlevens of lichamelijk letsel, veroorzaakt door een schip of in verband met de exploitatie van een schip;
c) berging;
d) overeenkomsten betreffende het gebruik of de huur van een schip onder een charterpartij of anderszins;
e) overeenkomsten betreffende goederenvervoer per schip onder een charterpartij, een cognossement of anderszins;
f) verlies van of schade aan per schip vervoerde goederen en reisgoed;
g) averij-grosse;
h) bodemerij;
i) sleepdiensten;
j) loodsdiensten;
k) leveringen, waar ook, van goederen of materiaal aan een schip voor het beheer of het onderhoud ervan;
l) bouw, herstelling of uitrusting van een schip of dokkosten;
m) lonen van kapiteins, officieren of bemanningsleden;
n) uitgaven van de kapitein en van afzenders, bevrachters of agenten, verricht voor rekening van het schip of de eigenaar ervan;
o) geschillen over de eigendom van een schip;
p) geschillen tussen scheepsmede-eigenaars over de eigendom, het bezit, de exploitatie of de exploitatie-opbrengsten van een schip;
q) scheepshypotheek en scheepsverband;
[1 r) administratieve geldboetes overeenkomstig dit wetboek of de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes in toepassing van inbreuken op de scheepvaartwetten;]1
[2 s) een financiële zekerheid overeenkomstig artikel 2.7.8.4;]2
[3 t) de kosten gemaakt op basis van artikel 61/1 of artikel 63/1 van de wet van 13 juni 2014 tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006;]3
2° "persoon" : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, iedere personen- of kapitaalsvennootschap, alsmede de Staten en de openbare besturen en instellingen;
3° "eiser" : een persoon die te zijnen gunste het bestaan van een zeevordering aanvoert.
Art. 2.2.6.1. Notions
Dans la présente sous-section, l'on entend par :
1° " créance maritime " : une allégation ayant l'une des causes suivantes :
a) dommages causés par un navire soit par abordage, soit autrement;
b) pertes de vies humaines ou dommages corporels causés par un navire ou provenant de l'exploitation d'un navire;
c) assistance et sauvetage;
d) contrats relatifs à l'utilisation ou la location d'un navire par charte-partie ou autrement;
e) contrats relatifs au transport des marchandises par un navire en vertu d'une charte-partie, d'un connaissement ou autrement;
f) pertes ou dommages aux marchandises et bagages transportés par un navire;
g) avarie commune;
h) prêt à la grosse;
i) remorquage;
j) pilotage;
k) fournitures, quel qu'en soit le lieu, de produits ou de matériel faites à un navire en vue de son exploitation ou de son entretien;
l) construction, réparations ou équipement d'un navire ou frais de cale;
m) salaires des capitaines, officiers ou hommes d'équipage;
n) débours du capitaine et des chargeurs, affréteurs ou agents, effectués pour le compte du navire ou de son propriétaire;
o) la propriété contestée d'un navire;
p) la copropriété contestée d'un navire ou sa possession, ou son exploitation, ou les droits aux produits d'exploitation d'un navire en copropriété;
q) toute hypothèque maritime et tout mortgage;
[1 r) les amendes administratives imposées conformément au présent code ou la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation ;]1
[2 s) une garantie financière conformément à l'article 2.7.8.4;]2
[3 t) les frais exposés sur la base de l'article 61/1 ou de l'article 63/1 de la loi du 13 juin 2014 d'exécution et de contrôle de l'application de la Convention du travail maritime 2006;]3
2° " personne " : toute personne physique ou morale, société de personnes ou de capitaux ainsi que les Etats, les administrations et établissements publics;
3° " demandeur " : une personne, invoquant à son profit, l'existence d'une créance maritime.
Dans la présente sous-section, l'on entend par :
1° " créance maritime " : une allégation ayant l'une des causes suivantes :
a) dommages causés par un navire soit par abordage, soit autrement;
b) pertes de vies humaines ou dommages corporels causés par un navire ou provenant de l'exploitation d'un navire;
c) assistance et sauvetage;
d) contrats relatifs à l'utilisation ou la location d'un navire par charte-partie ou autrement;
e) contrats relatifs au transport des marchandises par un navire en vertu d'une charte-partie, d'un connaissement ou autrement;
f) pertes ou dommages aux marchandises et bagages transportés par un navire;
g) avarie commune;
h) prêt à la grosse;
i) remorquage;
j) pilotage;
k) fournitures, quel qu'en soit le lieu, de produits ou de matériel faites à un navire en vue de son exploitation ou de son entretien;
l) construction, réparations ou équipement d'un navire ou frais de cale;
m) salaires des capitaines, officiers ou hommes d'équipage;
n) débours du capitaine et des chargeurs, affréteurs ou agents, effectués pour le compte du navire ou de son propriétaire;
o) la propriété contestée d'un navire;
p) la copropriété contestée d'un navire ou sa possession, ou son exploitation, ou les droits aux produits d'exploitation d'un navire en copropriété;
q) toute hypothèque maritime et tout mortgage;
[1 r) les amendes administratives imposées conformément au présent code ou la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation ;]1
[2 s) une garantie financière conformément à l'article 2.7.8.4;]2
[3 t) les frais exposés sur la base de l'article 61/1 ou de l'article 63/1 de la loi du 13 juin 2014 d'exécution et de contrôle de l'application de la Convention du travail maritime 2006;]3
2° " personne " : toute personne physique ou morale, société de personnes ou de capitaux ainsi que les Etats, les administrations et établissements publics;
3° " demandeur " : une personne, invoquant à son profit, l'existence d'une créance maritime.
Art. 2.2.6.2. Internationale en materiële toepassing
§ 1. Deze onderafdeling is van toepassing op het bewarend beslag op een Belgisch zeeschip, door een persoon die zijn woonplaats of hoofdzetel in België heeft.
§ 2. Op het bewarend beslag bedoeld in artikel 2.2.6.3, § 1 zijn de volgende bepalingen van deze afdeling mede van toepassing :
1° artikel 2.2.6.2, § 4;
2° artikel 2.2.6.3, § 2 tot 5;
3° artikel 2.2.6.6;
4° artikel 2.2.6.7;
5° artikel 2.2.6.8;
6° artikel 2.2.6.9;
7° artikel 2.2.6.10;
8° artikel 2.2.6.11;
9° artikel 2.2.6.12;
10° artikel 2.2.6.13;
11° artikel 2.2.6.14;
12° artikel 2.2.6.15;
13° artikel 2.2.6.16;
14° artikel 2.2.6.17;
15° artikel 2.2.6.18;
16° artikel 2.2.6.19;
17° artikel 2.2.6.21, § 1, tweede en derde lid.
§ 3. In het bijzonder is de Belgische wet van toepassing op de procedureregels betreffende het scheepsbeslag, het verkrijgen van de in artikel 2.2.6.4 bedoelde machtiging en alle andere incidenten die zich naar aanleiding van een beslag kunnen voordoen.
§ 4. Deze afdeling is niet van toepassing op het uitvoerend beslag op een zeeschip.
§ 1. Deze onderafdeling is van toepassing op het bewarend beslag op een Belgisch zeeschip, door een persoon die zijn woonplaats of hoofdzetel in België heeft.
§ 2. Op het bewarend beslag bedoeld in artikel 2.2.6.3, § 1 zijn de volgende bepalingen van deze afdeling mede van toepassing :
1° artikel 2.2.6.2, § 4;
2° artikel 2.2.6.3, § 2 tot 5;
3° artikel 2.2.6.6;
4° artikel 2.2.6.7;
5° artikel 2.2.6.8;
6° artikel 2.2.6.9;
7° artikel 2.2.6.10;
8° artikel 2.2.6.11;
9° artikel 2.2.6.12;
10° artikel 2.2.6.13;
11° artikel 2.2.6.14;
12° artikel 2.2.6.15;
13° artikel 2.2.6.16;
14° artikel 2.2.6.17;
15° artikel 2.2.6.18;
16° artikel 2.2.6.19;
17° artikel 2.2.6.21, § 1, tweede en derde lid.
§ 3. In het bijzonder is de Belgische wet van toepassing op de procedureregels betreffende het scheepsbeslag, het verkrijgen van de in artikel 2.2.6.4 bedoelde machtiging en alle andere incidenten die zich naar aanleiding van een beslag kunnen voordoen.
§ 4. Deze afdeling is niet van toepassing op het uitvoerend beslag op een zeeschip.
Art. 2.2.6.2. Application internationale et matérielle
§ 1er. La présente sous-section est applicable à toute saisie conservatoire sur un navire de mer belge, par une personne qui a son domicile ou son siège en Belgique.
§ 2. S'appliquent également à la saisie conservatoire sur navire visée à l'article 2.2.6.3, § 1er, les dispositions suivantes de cette section :
1° article 2.2.6.2, § 4;
2° article 2.2.6.3, § 2 à 5;
3° article 2.2.6.6;
4° article 2.2.6.7;
5° article 2.2.6.8;
6° article 2.2.6.9;
7° article 2.2.6.10;
8° article 2.2.6.11;
9° article 2.2.6.12;
10° article 2.2.6.13;
11° article 2.2.6.14;
12° article 2.2.6.15;
13° article 2.2.6.16;
14° article 2.2.6.17;
15° article 2.2.6.18;
16° article 2.2.6.19;
17° article 2.2.6.21, § 1er, alinéas 2 et 3.
§ 3. En particulier, la loi belge s'applique aux règles de procédure relatives à la saisie d'un navire, à l'obtention de l'autorisation visée à l'article 2.2.6.4 et à tous autres incidents de procédure qu'une saisie peut soulever.
§ 4. La présente section n'est pas applicable à la saisie-exécution sur un navire de mer.
§ 1er. La présente sous-section est applicable à toute saisie conservatoire sur un navire de mer belge, par une personne qui a son domicile ou son siège en Belgique.
§ 2. S'appliquent également à la saisie conservatoire sur navire visée à l'article 2.2.6.3, § 1er, les dispositions suivantes de cette section :
1° article 2.2.6.2, § 4;
2° article 2.2.6.3, § 2 à 5;
3° article 2.2.6.6;
4° article 2.2.6.7;
5° article 2.2.6.8;
6° article 2.2.6.9;
7° article 2.2.6.10;
8° article 2.2.6.11;
9° article 2.2.6.12;
10° article 2.2.6.13;
11° article 2.2.6.14;
12° article 2.2.6.15;
13° article 2.2.6.16;
14° article 2.2.6.17;
15° article 2.2.6.18;
16° article 2.2.6.19;
17° article 2.2.6.21, § 1er, alinéas 2 et 3.
§ 3. En particulier, la loi belge s'applique aux règles de procédure relatives à la saisie d'un navire, à l'obtention de l'autorisation visée à l'article 2.2.6.4 et à tous autres incidents de procédure qu'une saisie peut soulever.
§ 4. La présente section n'est pas applicable à la saisie-exécution sur un navire de mer.
Art. 2.2.6.3. Andere regelgeving
§ 1. De rechtstreeks werkende bepalingen van het Scheepsbeslagverdrag 1952 zijn van toepassing op voorvallen die vallen binnen het in artikel 8(1) of 8(2) van dat verdrag omschreven toepassingsgebied.
§ 2. De artikel en 1413, 1414 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing op het door het Scheepsbeslagverdrag 1952 of deze onderafdeling geregelde beslag van toepassing.
§ 3. De artikel en 516 en 633 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de territoriale bevoegdheid van de gerechtsdeurwaarder respectievelijk beslagrechter ter zake van het in deze afdeling geregelde beslag.
§ 4. Deze onderafdeling geldt onverminderd artikel 28 van het VN-Zeerechtverdrag.
§ 5. Deze onderafdeling geldt onverminderd artikel 507 het het Strafwetboek.
§ 6. Deze afdeling geldt onverminderd de rechten en bevoegdheden van de overheden om een schip in beslag te nemen, aan te houden of anderszins te beletten zee te kiezen, welke worden geregeld door publiekrechtelijke bepalingen.
§ 1. De rechtstreeks werkende bepalingen van het Scheepsbeslagverdrag 1952 zijn van toepassing op voorvallen die vallen binnen het in artikel 8(1) of 8(2) van dat verdrag omschreven toepassingsgebied.
§ 2. De artikel en 1413, 1414 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing op het door het Scheepsbeslagverdrag 1952 of deze onderafdeling geregelde beslag van toepassing.
§ 3. De artikel en 516 en 633 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de territoriale bevoegdheid van de gerechtsdeurwaarder respectievelijk beslagrechter ter zake van het in deze afdeling geregelde beslag.
§ 4. Deze onderafdeling geldt onverminderd artikel 28 van het VN-Zeerechtverdrag.
§ 5. Deze onderafdeling geldt onverminderd artikel 507 het het Strafwetboek.
§ 6. Deze afdeling geldt onverminderd de rechten en bevoegdheden van de overheden om een schip in beslag te nemen, aan te houden of anderszins te beletten zee te kiezen, welke worden geregeld door publiekrechtelijke bepalingen.
Art. 2.2.6.3. Autre réglementation
§ 1er. Les dispositions directement applicables de la Convention sur la saisie des navires 1952 s'appliquent aux événements de mer qui relèvent du champ d'application décrit à l'article 8(1) ou 8(2) de cette convention.
§ 2. Les articles 1413, 1414 et 1415 du Code judiciaire ne s'appliquent pas à la saisie régie par la Convention sur la saisie des navires 1952 ou à la présente sous-section.
§ 3. Les articles 516 et 633 du Code judiciaire sont s'applique à la compétence territoriale de l'huissier de justice ou du juge des saisies en matière de saisie régie par la présente section.
§ 4. La présente sous-section s'applique sans préjudice de l'article 28 de la Convention des NU sur le droit de la mer.
§ 5. La présente sous-section s'applique sans préjudice de l'article 507 du Code pénal.
§ 6. La présente section s'applique sans préjudice des droits et pouvoirs des autorités, de saisir, détenir ou autrement empêcher un navire de prendre la mer, qui sont régis par des dispositions de droit public.
§ 1er. Les dispositions directement applicables de la Convention sur la saisie des navires 1952 s'appliquent aux événements de mer qui relèvent du champ d'application décrit à l'article 8(1) ou 8(2) de cette convention.
§ 2. Les articles 1413, 1414 et 1415 du Code judiciaire ne s'appliquent pas à la saisie régie par la Convention sur la saisie des navires 1952 ou à la présente sous-section.
§ 3. Les articles 516 et 633 du Code judiciaire sont s'applique à la compétence territoriale de l'huissier de justice ou du juge des saisies en matière de saisie régie par la présente section.
§ 4. La présente sous-section s'applique sans préjudice de l'article 28 de la Convention des NU sur le droit de la mer.
§ 5. La présente sous-section s'applique sans préjudice de l'article 507 du Code pénal.
§ 6. La présente section s'applique sans préjudice des droits et pouvoirs des autorités, de saisir, détenir ou autrement empêcher un navire de prendre la mer, qui sont régis par des dispositions de droit public.
Art. 2.2.6.4. Grondvereisten
Op een zeeschip kan uitsluitend bewarend beslag worden gelegd met machtiging van de rechter en ter verzekering van een zeevordering, of verzekering van een andere vordering vastgesteld door de wet.
Op een zeeschip kan uitsluitend bewarend beslag worden gelegd met machtiging van de rechter en ter verzekering van een zeevordering, of verzekering van een andere vordering vastgesteld door de wet.
Art. 2.2.6.4. Exigences de base
Une saisie conservatoire peut exclusivement être pratiquée sur un navire de mer avec l'autorisation du juge et pour garantie d'une créance maritime, ou pour garantir une autre créance déterminée par la loi.
Une saisie conservatoire peut exclusivement être pratiquée sur un navire de mer avec l'autorisation du juge et pour garantie d'une créance maritime, ou pour garantir une autre créance déterminée par la loi.
Art. 2.2.6.5. Voor beslag vatbare schepen
§ 1. Onverminderd paragraaf 4 mag het beslag worden gelegd hetzij op het schip waarop de zeevordering betrekking heeft, hetzij op enig ander schip dat toebehoort aan degene die op het tijdstip van het ontstaan van de zeevordering eigenaar was van het schip waarop deze zeevordering betrekking heeft, zelfs wanneer het beslagen schip gereed is om uit te varen; ter zake van een zeevordering bedoeld onder o), p), q) van artikel 2.2.6.1, 1° mag evenwel op geen ander schip beslag worden gelegd dan op dat, waarop de vordering betrekking heeft.
§ 2. Schepen worden geacht dezelfde eigenaar te hebben wanneer alle scheepsaandelen toebehoren aan dezelfde persoon of personen.
§ 3. Voor dezelfde vordering kan door dezelfde eiser slechts eenmaal beslag op een schip worden gelegd, en slechts eenmaal een borgtocht of andere zekerheid worden gesteld; indien op een schip beslag is gelegd of een borgtocht of een zekerheid is gesteld, hetzij om opheffing van het beslag te verkrijgen, hetzij om beslaglegging te voorkomen, zal een volgend beslag op het schip of op ieder ander schip van dezelfde eigenaar door dezelfde schuldeiser voor dezelfde zeevordering worden opgeheven, en zal het schip door de rechter worden vrijgegeven, tenzij de eiser ten genoegen van de rechtbank bewijst dat de borgtocht of de zekerheid onherroepelijk was opgeheven voordat het volgend beslag is gelegd of dat er een andere geldige reden is om het beslag te handhaven.
§ 4. Wanneer, in geval van een bevrachting van een schip met overgave van rederschap, alleen de bevrachter ter zake van een op dat schip betrekking hebbende zeevordering aansprakelijk is, kan de eiser, met inachtneming van deze afdeling, beslag leggen op dat schip of op ieder ander schip dat aan de bevrachter toebehoort, maar ter zake van die zeevordering mag geen beslag worden gelegd op enig ander schip dat toebehoort aan de eigenaar.
Het vorige lid is eveneens van toepassing op alle gevallen, waarin een ander persoon dan de eigenaar voor een zeevordering aansprakelijk is.
§ 1. Onverminderd paragraaf 4 mag het beslag worden gelegd hetzij op het schip waarop de zeevordering betrekking heeft, hetzij op enig ander schip dat toebehoort aan degene die op het tijdstip van het ontstaan van de zeevordering eigenaar was van het schip waarop deze zeevordering betrekking heeft, zelfs wanneer het beslagen schip gereed is om uit te varen; ter zake van een zeevordering bedoeld onder o), p), q) van artikel 2.2.6.1, 1° mag evenwel op geen ander schip beslag worden gelegd dan op dat, waarop de vordering betrekking heeft.
§ 2. Schepen worden geacht dezelfde eigenaar te hebben wanneer alle scheepsaandelen toebehoren aan dezelfde persoon of personen.
§ 3. Voor dezelfde vordering kan door dezelfde eiser slechts eenmaal beslag op een schip worden gelegd, en slechts eenmaal een borgtocht of andere zekerheid worden gesteld; indien op een schip beslag is gelegd of een borgtocht of een zekerheid is gesteld, hetzij om opheffing van het beslag te verkrijgen, hetzij om beslaglegging te voorkomen, zal een volgend beslag op het schip of op ieder ander schip van dezelfde eigenaar door dezelfde schuldeiser voor dezelfde zeevordering worden opgeheven, en zal het schip door de rechter worden vrijgegeven, tenzij de eiser ten genoegen van de rechtbank bewijst dat de borgtocht of de zekerheid onherroepelijk was opgeheven voordat het volgend beslag is gelegd of dat er een andere geldige reden is om het beslag te handhaven.
§ 4. Wanneer, in geval van een bevrachting van een schip met overgave van rederschap, alleen de bevrachter ter zake van een op dat schip betrekking hebbende zeevordering aansprakelijk is, kan de eiser, met inachtneming van deze afdeling, beslag leggen op dat schip of op ieder ander schip dat aan de bevrachter toebehoort, maar ter zake van die zeevordering mag geen beslag worden gelegd op enig ander schip dat toebehoort aan de eigenaar.
Het vorige lid is eveneens van toepassing op alle gevallen, waarin een ander persoon dan de eigenaar voor een zeevordering aansprakelijk is.
Art. 2.2.6.5. Navires saisissables
§ 1er. Sans préjudice des dispositions du paragraphe 4, tout demandeur peut saisir soit le navire auquel la créance se rapporte, soit tout autre navire appartenant à celui qui était, au moment où est née la créance maritime, propriétaire du navire auquel cette créance se rapporte, alors même que le navire saisi est prêt à faire voile, mais aucun navire ne pourra être saisi pour une créance maritime prévue aux alinéas o), p) ou q) de l'article 2.2.6.1, 1°, à l'exception du navire même que concerne la réclamation.
§ 2. Des navires seront réputés avoir le même propriétaire lorsque toutes les parts de propriété appartiendront à une même ou aux mêmes personnes.
§ 3. Un navire ne peut être saisi et caution ou garantie ne sera donnée, plus d'une fois pour la même créance et par le même demandeur; et si un navire est saisi et une caution ou une garantie a été donnée, soit pour obtenir la mainlevée de la saisie, soit pour éviter celle-ci, toute saisie ultérieure de ce navire, ou de n'importe quel autre navire, appartenant au même propriétaire, par le demandeur et pour la même créance maritime, sera levée et le navire sera libéré par le juge, à moins que le demandeur ne prouve, à la satisfaction du tribunal que la garantie ou la caution a été définitivement libérée avant que la saisie subséquente n'ait été pratiquée ou qu'il n'y ait une autre raison valable pour la maintenir.
§ 4. Dans le cas d'un affrètement d'un navire avec remise de la gestion nautique, lorsque l'affréteur répond, seul, d'une créance maritime relative à ce navire, le demandeur peut saisir ce navire ou tel autre appartenant à l'affréteur, en observant les dispositions de la présente section, mais nul autre navire appartenant au propriétaire ne peut être saisi en vertu de cette créance maritime.
L'alinéa qui précède s'applique également à tous les cas où une personne autre que le propriétaire est tenue d'une créance maritime.
§ 1er. Sans préjudice des dispositions du paragraphe 4, tout demandeur peut saisir soit le navire auquel la créance se rapporte, soit tout autre navire appartenant à celui qui était, au moment où est née la créance maritime, propriétaire du navire auquel cette créance se rapporte, alors même que le navire saisi est prêt à faire voile, mais aucun navire ne pourra être saisi pour une créance maritime prévue aux alinéas o), p) ou q) de l'article 2.2.6.1, 1°, à l'exception du navire même que concerne la réclamation.
§ 2. Des navires seront réputés avoir le même propriétaire lorsque toutes les parts de propriété appartiendront à une même ou aux mêmes personnes.
§ 3. Un navire ne peut être saisi et caution ou garantie ne sera donnée, plus d'une fois pour la même créance et par le même demandeur; et si un navire est saisi et une caution ou une garantie a été donnée, soit pour obtenir la mainlevée de la saisie, soit pour éviter celle-ci, toute saisie ultérieure de ce navire, ou de n'importe quel autre navire, appartenant au même propriétaire, par le demandeur et pour la même créance maritime, sera levée et le navire sera libéré par le juge, à moins que le demandeur ne prouve, à la satisfaction du tribunal que la garantie ou la caution a été définitivement libérée avant que la saisie subséquente n'ait été pratiquée ou qu'il n'y ait une autre raison valable pour la maintenir.
§ 4. Dans le cas d'un affrètement d'un navire avec remise de la gestion nautique, lorsque l'affréteur répond, seul, d'une créance maritime relative à ce navire, le demandeur peut saisir ce navire ou tel autre appartenant à l'affréteur, en observant les dispositions de la présente section, mais nul autre navire appartenant au propriétaire ne peut être saisi en vertu de cette créance maritime.
L'alinéa qui précède s'applique également à tous les cas où une personne autre que le propriétaire est tenue d'une créance maritime.
Art. 2.2.6.6. Tegenborgstelling
Het beslag wordt als niet bestaande beschouwd indien de beslaglegger binnen de bepaalde termijn niet de zekerheden stelt die de rechter voor het verlenen van de machtiging tot het leggen van bewarend beslag kan eisen.
Het beslag wordt als niet bestaande beschouwd indien de beslaglegger binnen de bepaalde termijn niet de zekerheden stelt die de rechter voor het verlenen van de machtiging tot het leggen van bewarend beslag kan eisen.
Art. 2.2.6.6. Contre-caution
La saisie est non avenue si le saisissant ne produit dans le délai fixé les garanties auxquelles le juge peut subordonner l'autorisation de pratiquer une saisie conservatoire qu'il accorde.
La saisie est non avenue si le saisissant ne produit dans le délai fixé les garanties auxquelles le juge peut subordonner l'autorisation de pratiquer une saisie conservatoire qu'il accorde.
Art. 2.2.6.7. Beslagexploot
Het beslagexploot bevat, behalve de vermeldingen voorgeschreven in artikel 1389 van het Gerechtelijk Wetboek :
1° een afschrift van de uitspraak op grond waarvan beslag wordt gelegd;
2° een beknopte beschrijving van het in beslag genomen schip;
3° het uur van de betekening.
De Koning kan nader bepalen welke gegevens in verband met de beschrijving van het schip in het exploot moeten worden vermeld.
Het beslagexploot bevat, behalve de vermeldingen voorgeschreven in artikel 1389 van het Gerechtelijk Wetboek :
1° een afschrift van de uitspraak op grond waarvan beslag wordt gelegd;
2° een beknopte beschrijving van het in beslag genomen schip;
3° het uur van de betekening.
De Koning kan nader bepalen welke gegevens in verband met de beschrijving van het schip in het exploot moeten worden vermeld.
Art. 2.2.6.7. Exploit de saisie
L'exploit de saisie contient, outre les mentions prévues à l'article 1389 du Code judiciaire :
1° une copie de la décision qui a autorisé à pratiquer la saisie;
2° une description sommaire du navire saisi;
3° l'heure de la signification.
Le Roi peut spécifier quelles données relatives à la description du navire doivent être mentionnées dans l'exploit.
L'exploit de saisie contient, outre les mentions prévues à l'article 1389 du Code judiciaire :
1° une copie de la décision qui a autorisé à pratiquer la saisie;
2° une description sommaire du navire saisi;
3° l'heure de la signification.
Le Roi peut spécifier quelles données relatives à la description du navire doivent être mentionnées dans l'exploit.
Art. 2.2.6.8. Betekening en aanzegging
§ 1. Een afschrift van het beslagexploot wordt terstond aan boord van het schip betekend aan de gezagvoerder of, bij diens afwezigheid, aan de hoogst in rang aan boord aanwezige officier. Zo de betekening niet op die wijze kan geschieden, bestaat de betekening in de terhandstelling van het afschrift aan de Procureur des Konings in wiens rechtsgebied het schip zich bevindt.
De betekening geldt als verbod tot afvaart van het schip. Een schip waarop beslag is gelegd kan evenwel binnen dezelfde haven of waterweg worden verplaatst op bevel van de bevoegde haven- of waterwegbesturen of hun bevoegde personeelsleden. Dit bevel moet worden bezorgd aan de rechter die de machtiging bedoeld in artikel 2.2.6.4 heeft gegeven.
Het beslagexploot kan worden aangeplakt op de meest in het oog vallende of andere geschikte plaatsen aan boord of aan wal.
§ 2. De vorige paragraaf verhindert niet dat het beslagexploot bovendien wordt betekend aan de scheepseigenaar, de reder, de scheepsgebruiker, de bewaker bedoeld in artikel 2.2.6.10, de scheepsagent of de schuldenaar.
§ 3. Het beslag wordt aangezegd :
1° naar keuze van de beslaglegger, aan de Scheepvaartpolitie of de Scheepvaartcontrole;
2° aan de bevoegde haven- of waterwegbesturen of hun bevoegde personeelsleden.
De in het vorige lid bedoelde aanzegging vermeldt dat zij geldt als aanmaning de afvaart van het in beslag genomen schip te beletten.
§ 1. Een afschrift van het beslagexploot wordt terstond aan boord van het schip betekend aan de gezagvoerder of, bij diens afwezigheid, aan de hoogst in rang aan boord aanwezige officier. Zo de betekening niet op die wijze kan geschieden, bestaat de betekening in de terhandstelling van het afschrift aan de Procureur des Konings in wiens rechtsgebied het schip zich bevindt.
De betekening geldt als verbod tot afvaart van het schip. Een schip waarop beslag is gelegd kan evenwel binnen dezelfde haven of waterweg worden verplaatst op bevel van de bevoegde haven- of waterwegbesturen of hun bevoegde personeelsleden. Dit bevel moet worden bezorgd aan de rechter die de machtiging bedoeld in artikel 2.2.6.4 heeft gegeven.
Het beslagexploot kan worden aangeplakt op de meest in het oog vallende of andere geschikte plaatsen aan boord of aan wal.
§ 2. De vorige paragraaf verhindert niet dat het beslagexploot bovendien wordt betekend aan de scheepseigenaar, de reder, de scheepsgebruiker, de bewaker bedoeld in artikel 2.2.6.10, de scheepsagent of de schuldenaar.
§ 3. Het beslag wordt aangezegd :
1° naar keuze van de beslaglegger, aan de Scheepvaartpolitie of de Scheepvaartcontrole;
2° aan de bevoegde haven- of waterwegbesturen of hun bevoegde personeelsleden.
De in het vorige lid bedoelde aanzegging vermeldt dat zij geldt als aanmaning de afvaart van het in beslag genomen schip te beletten.
Art. 2.2.6.8. Signification et dénonciation
§ 1er. Une copie de l'exploit de saisie est signifiée sur-le-champ à bord du navire au commandant ou, en son absence, à l'officier le plus haut placé présent à bord. Si la signification ne peut être effectuée de cette façon, la signification consiste en la remise de la copie au procureur du Roi dans le ressort duquel se trouve le navire.
La signification tient lieu d'interdiction de prendre la mer pour le navire. Un navire saisi peut être déplacé au sein du même port sur ordre des autorités portuaires ou des voies navigables compétentes ou de leur personnel compétent. Cet ordre doit être remis au juge qui a donné l'autorisation visée à l'article 2.2.6.4.
L'exploit de saisie peut être affichée aux endroits les plus visibles ou à d'autres endroits adéquats à bord ou à quai.
§ 2. Le paragraphe précédent n'empêche pas de signifier par ailleurs l'exploit de saisie au propriétaire du navire, à l'armateur, à l'utilisateur du navire, au surveillant visé à l'article 2.2.6.10, à l'agent maritime ou au débiteur.
§ 3. La saisie est dénoncée
1° au choix du saisissant, à la Police de la navigation ou au Contrôle de la navigation;
2° à l'autorité portuaire ou des eaux navigables compétente ou à leur personnel compétent.
La dénonciation visée à l'alinéa précédent indique qu'elle sert de sommation pour retenir le navire saisi.
§ 1er. Une copie de l'exploit de saisie est signifiée sur-le-champ à bord du navire au commandant ou, en son absence, à l'officier le plus haut placé présent à bord. Si la signification ne peut être effectuée de cette façon, la signification consiste en la remise de la copie au procureur du Roi dans le ressort duquel se trouve le navire.
La signification tient lieu d'interdiction de prendre la mer pour le navire. Un navire saisi peut être déplacé au sein du même port sur ordre des autorités portuaires ou des voies navigables compétentes ou de leur personnel compétent. Cet ordre doit être remis au juge qui a donné l'autorisation visée à l'article 2.2.6.4.
L'exploit de saisie peut être affichée aux endroits les plus visibles ou à d'autres endroits adéquats à bord ou à quai.
§ 2. Le paragraphe précédent n'empêche pas de signifier par ailleurs l'exploit de saisie au propriétaire du navire, à l'armateur, à l'utilisateur du navire, au surveillant visé à l'article 2.2.6.10, à l'agent maritime ou au débiteur.
§ 3. La saisie est dénoncée
1° au choix du saisissant, à la Police de la navigation ou au Contrôle de la navigation;
2° à l'autorité portuaire ou des eaux navigables compétente ou à leur personnel compétent.
La dénonciation visée à l'alinéa précédent indique qu'elle sert de sommation pour retenir le navire saisi.
Art. 2.2.6.9. Scheepsdocumenten
Onverminderd artikel 2.2.4.8, slaat de machtiging tot inbeslagneming van rechtswege op de scheepsdocumenten zonder welke het schip niet mag afvaren.
De in eerste lid bedoelde documenten worden door de gerechtsdeurwaarder bewaard tot de opheffing van het bewarend beslag of de tenuitvoerlegging.
De Koning kan een lijst van de in het eerste lid bedoelde scheepsdocumenten vaststellen.
Onverminderd artikel 2.2.4.8, slaat de machtiging tot inbeslagneming van rechtswege op de scheepsdocumenten zonder welke het schip niet mag afvaren.
De in eerste lid bedoelde documenten worden door de gerechtsdeurwaarder bewaard tot de opheffing van het bewarend beslag of de tenuitvoerlegging.
De Koning kan een lijst van de in het eerste lid bedoelde scheepsdocumenten vaststellen.
Art. 2.2.6.9. Documents de bord
Sans préjudice de l'article 2.2.4.8, l'autorisation de saisir s'étend de plein droit aux documents de bord sans lesquels le navire ne peut prendre la mer.
Les documents visés au premier alinéa sont conservés par l'huissier de justice jusqu'à la mainlevée de la saisie conservatoire ou jusqu'à l'exécution.
Le Roi peut établir une liste des documents de bord visés au premier alinéa.
Sans préjudice de l'article 2.2.4.8, l'autorisation de saisir s'étend de plein droit aux documents de bord sans lesquels le navire ne peut prendre la mer.
Les documents visés au premier alinéa sont conservés par l'huissier de justice jusqu'à la mainlevée de la saisie conservatoire ou jusqu'à l'exécution.
Le Roi peut établir une liste des documents de bord visés au premier alinéa.
Art. 2.2.6.10. Bewaking
De gerechtsdeurwaarder kan in elke stand van het geding een bewaker van het in beslag genomen schip aanstellen.
De gerechtsdeurwaarder kan in elke stand van het geding een bewaker van het in beslag genomen schip aanstellen.
Art. 2.2.6.10. Surveillance
L'huissier de justice peut, en tout état de cause, préposer un surveillant à la garde du navire saisi.
L'huissier de justice peut, en tout état de cause, préposer un surveillant à la garde du navire saisi.
Art. 2.2.6.11. Inschrijving
Het beslagexploot wordt binnen vijftien dagen ingeschreven in een door het Belgisch Scheepsregister gehouden scheepsregister.
De inschrijving gebeurt op overlegging aan het Belgisch Scheepsregister van het beslagexploot en van een door de gerechtsdeurwaarder ondertekend afschrift van dit exploot.
Is het schip waarop beslag werd gelegd niet in België geregistreerd of teboekgesteld, dan beperkt het Belgisch Scheepsregister zich tot de neerlegging van het exploot in het register van neerlegging. Het Belgisch Scheepsregister gaat alsnog tot de inschrijving van het beslag over zodra het schip is geregistreerd of teboekgesteld.
Het beslagexploot wordt binnen vijftien dagen ingeschreven in een door het Belgisch Scheepsregister gehouden scheepsregister.
De inschrijving gebeurt op overlegging aan het Belgisch Scheepsregister van het beslagexploot en van een door de gerechtsdeurwaarder ondertekend afschrift van dit exploot.
Is het schip waarop beslag werd gelegd niet in België geregistreerd of teboekgesteld, dan beperkt het Belgisch Scheepsregister zich tot de neerlegging van het exploot in het register van neerlegging. Het Belgisch Scheepsregister gaat alsnog tot de inschrijving van het beslag over zodra het schip is geregistreerd of teboekgesteld.
Art. 2.2.6.11. Inscription
L'exploit de saisie est inscrit, dans les quinze jours, au registre naval tenu par le Registre naval belge.
L'inscription est faite sur la présentation au Registre naval belge de l'exploit de saisie et d'une copie, signée par l'huissier de justice, de cet exploit.
Si le navire saisi n'a pas été enregistré ou immatriculé en Belgique, le Registre naval belge se limite au dépôt de l'exploit dans le registre de dépôts. Le Registre naval belge procède à l'inscription de la saisie dès l'enregistrement ou l'immatriculation du navire.
L'exploit de saisie est inscrit, dans les quinze jours, au registre naval tenu par le Registre naval belge.
L'inscription est faite sur la présentation au Registre naval belge de l'exploit de saisie et d'une copie, signée par l'huissier de justice, de cet exploit.
Si le navire saisi n'a pas été enregistré ou immatriculé en Belgique, le Registre naval belge se limite au dépôt de l'exploit dans le registre de dépôts. Le Registre naval belge procède à l'inscription de la saisie dès l'enregistrement ou l'immatriculation du navire.
Art. 2.2.6.12. Nieuw beslag op hetzelfde schip
Een reeds ter inschrijving aangeboden of ingeschreven bewarend beslag verhindert niet dat een nieuw beslag op hetzelfde schip wordt toegestaan.
Dit nieuwe beslag wordt ingeschreven overeenkomstig artikel 2.2.6.11.
Een reeds ter inschrijving aangeboden of ingeschreven bewarend beslag verhindert niet dat een nieuw beslag op hetzelfde schip wordt toegestaan.
Dit nieuwe beslag wordt ingeschreven overeenkomstig artikel 2.2.6.11.
Art. 2.2.6.12. Nouvelle saisie sur le même navire
Une saisie conservatoire déjà présentée à l'inscription ou inscrite ne fait pas obstacle à ce qu'une nouvelle saisie soit autorisée sur le même navire.
Cette nouvelle saisie est inscrite conformément à l'article 2.2.6.11.
Une saisie conservatoire déjà présentée à l'inscription ou inscrite ne fait pas obstacle à ce qu'une nouvelle saisie soit autorisée sur le même navire.
Cette nouvelle saisie est inscrite conformément à l'article 2.2.6.11.
Art. 2.2.6.13. Geldigheidsduur
§ 1. Buiten het geval van schorsing bedoeld in paragraaf 2, geldt het beslag gedurende drie jaar te rekenen van de datum van de beschikking waarbij de machtiging tot beslag bedoeld in artikel 2.2.6.4 is verleend.
Bij het verstrijken van deze termijn :
1° houdt het beslag van rechtswege op gevolg te hebben;
2° wordt van het beslag op een in België geregistreerd of teboekgesteld schip geen melding meer gemaakt in de getuigschriften die het Belgisch Scheepsregister verstrekt, tenzij de inschrijving is hernieuwd.
§ 2. De vordering over de zaak zelf schorst de in paragraaf 1 bepaalde termijn tot de dag waarop de eindbeslissing gewezen is op de vordering over de zaak zelf van de rechter niet meer vatbaar is voor gewone rechtsmiddelen.
Deze schorsing heeft evenwel slechts plaats wanneer de vordering over de zaak zelf, voor het verstrijken van de geldigheidstermijn van het beslag, door het Belgisch Scheepsregister in het betrokken register ingeschreven is. Deze schorsing loopt ten einde bij het verloop van drie jaar te rekenen van de inschrijving van de vordering, tenzij, vóór het verstrijken van die termijn, de inschrijving hernieuwd is voor een nieuwe termijn van drie jaar.
De hernieuwing geschiedt op voorlegging aan het Belgisch Scheepsregister van een verzoekschrift in twee exemplaren, houdende nauwkeurige aanduiding van de te hernieuwen inschrijving en van de oorzaak van de schorsing van de geldigheidsduur van het beslag.
Elke eindbeslissing die niet meer vatbaar is voor de gewone rechtsmiddelen en gewezen is op de vordering over de zaak zelf, wordt op verzoek van de meest gerede partij ingeschreven na de inschrijving van de vordering.
§ 1. Buiten het geval van schorsing bedoeld in paragraaf 2, geldt het beslag gedurende drie jaar te rekenen van de datum van de beschikking waarbij de machtiging tot beslag bedoeld in artikel 2.2.6.4 is verleend.
Bij het verstrijken van deze termijn :
1° houdt het beslag van rechtswege op gevolg te hebben;
2° wordt van het beslag op een in België geregistreerd of teboekgesteld schip geen melding meer gemaakt in de getuigschriften die het Belgisch Scheepsregister verstrekt, tenzij de inschrijving is hernieuwd.
§ 2. De vordering over de zaak zelf schorst de in paragraaf 1 bepaalde termijn tot de dag waarop de eindbeslissing gewezen is op de vordering over de zaak zelf van de rechter niet meer vatbaar is voor gewone rechtsmiddelen.
Deze schorsing heeft evenwel slechts plaats wanneer de vordering over de zaak zelf, voor het verstrijken van de geldigheidstermijn van het beslag, door het Belgisch Scheepsregister in het betrokken register ingeschreven is. Deze schorsing loopt ten einde bij het verloop van drie jaar te rekenen van de inschrijving van de vordering, tenzij, vóór het verstrijken van die termijn, de inschrijving hernieuwd is voor een nieuwe termijn van drie jaar.
De hernieuwing geschiedt op voorlegging aan het Belgisch Scheepsregister van een verzoekschrift in twee exemplaren, houdende nauwkeurige aanduiding van de te hernieuwen inschrijving en van de oorzaak van de schorsing van de geldigheidsduur van het beslag.
Elke eindbeslissing die niet meer vatbaar is voor de gewone rechtsmiddelen en gewezen is op de vordering over de zaak zelf, wordt op verzoek van de meest gerede partij ingeschreven na de inschrijving van de vordering.
Art. 2.2.6.13. Durée de validité
§ 1er. Sauf le cas de suspension prévu au paragraphe 2, la saisie vaut pendant trois années prenant cours à la date de l'ordonnance par laquelle l'autorisation de saisie visée à l'article 2.2.6.4 est accordée.
A l'expiration de ce délai :
1° la saisie cesse de plein droit de produire ses effets;
2° il n'est plus fait mention de la saisie sur un navire enregistré ou immatriculé en Belgique dans les certificats délivrés par le Registre naval belge, à moins que l'inscription n'ait été renouvelée.
§ 2. La demande au fond suspend jusqu'au jour où la décision définitive rendue sur la demande au fond du juge ne sera plus susceptible de recours ordinaires, les délais stipulés au paragraphe 1er.
Cette suspension n'a lieu que si la demande au fond a été inscrite, avant l'expiration du délai de validité de la saisie, par le Registre naval belge dans le registre concerné. Cette suspension prend fin à l'expiration d'un délai de trois ans à compter de l'inscription de la demande, à moins qu'avant l'expiration de ce délai, ladite inscription n'ait été renouvelée pour un nouveau terme de trois ans.
Le renouvellement a lieu sur présentation au Registre naval belge d'une requête, en double exemplaire, contenant l'indication précise de l'inscription à renouveler et de la cause de la suspension du délai de validité de la saisie.
Toute décision définitive, qui n'est plus susceptible de recours ordinaires, rendue sur la demande au fond est inscrite, à la requête de la partie la plus diligente, à la suite de l'inscription de cette demande.
§ 1er. Sauf le cas de suspension prévu au paragraphe 2, la saisie vaut pendant trois années prenant cours à la date de l'ordonnance par laquelle l'autorisation de saisie visée à l'article 2.2.6.4 est accordée.
A l'expiration de ce délai :
1° la saisie cesse de plein droit de produire ses effets;
2° il n'est plus fait mention de la saisie sur un navire enregistré ou immatriculé en Belgique dans les certificats délivrés par le Registre naval belge, à moins que l'inscription n'ait été renouvelée.
§ 2. La demande au fond suspend jusqu'au jour où la décision définitive rendue sur la demande au fond du juge ne sera plus susceptible de recours ordinaires, les délais stipulés au paragraphe 1er.
Cette suspension n'a lieu que si la demande au fond a été inscrite, avant l'expiration du délai de validité de la saisie, par le Registre naval belge dans le registre concerné. Cette suspension prend fin à l'expiration d'un délai de trois ans à compter de l'inscription de la demande, à moins qu'avant l'expiration de ce délai, ladite inscription n'ait été renouvelée pour un nouveau terme de trois ans.
Le renouvellement a lieu sur présentation au Registre naval belge d'une requête, en double exemplaire, contenant l'indication précise de l'inscription à renouveler et de la cause de la suspension du délai de validité de la saisie.
Toute décision définitive, qui n'est plus susceptible de recours ordinaires, rendue sur la demande au fond est inscrite, à la requête de la partie la plus diligente, à la suite de l'inscription de cette demande.
Art. 2.2.6.14. Verzoek tot hernieuwing
De schuldeiser die bewijst dat er gegronde redenen zijn om het beslag te handhaven, kan gemachtigd worden om het te hernieuwen.
De hernieuwing wordt gevraagd bij een met redenen omkleed verzoekschrift dat wordt ondertekend door een advocaat of gerechtsdeurwaarder.
Het verzoekschrift wordt, op straffe van verval, ten minste vijftien dagen vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het beslag, door een advocaat of gerechtsdeurwaarder ingediend bij de rechter die het beslag heeft toegestaan.
Op dit verzoekschrift wordt beschikt binnen de in artikel 1418 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn.
De beschikking die hernieuwing weigert, is niet vatbaar voor hoger beroep.
De schuldeiser die bewijst dat er gegronde redenen zijn om het beslag te handhaven, kan gemachtigd worden om het te hernieuwen.
De hernieuwing wordt gevraagd bij een met redenen omkleed verzoekschrift dat wordt ondertekend door een advocaat of gerechtsdeurwaarder.
Het verzoekschrift wordt, op straffe van verval, ten minste vijftien dagen vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het beslag, door een advocaat of gerechtsdeurwaarder ingediend bij de rechter die het beslag heeft toegestaan.
Op dit verzoekschrift wordt beschikt binnen de in artikel 1418 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn.
De beschikking die hernieuwing weigert, is niet vatbaar voor hoger beroep.
Art. 2.2.6.14. Demande de renouvellement
Le créancier qui établit qu'il existe des raisons fondées pour que la saisie soit maintenue, peut obtenir l'autorisation de la renouveler.
Le renouvellement est demandé par requête motivée, signée par un avocat ou un huissier de justice.
La requête est présentée par un avocat ou un huissier de justice au juge qui a autorisé la saisie, à peine de déchéance quinze jours au moins avant l'expiration du délai de validité de la saisie,.
Il est statué sur cette requête dans le délai prévu à l'article 1418 du Code judiciaire.
L'ordonnance qui refuse le renouvellement n'est pas susceptible d'appel.
Le créancier qui établit qu'il existe des raisons fondées pour que la saisie soit maintenue, peut obtenir l'autorisation de la renouveler.
Le renouvellement est demandé par requête motivée, signée par un avocat ou un huissier de justice.
La requête est présentée par un avocat ou un huissier de justice au juge qui a autorisé la saisie, à peine de déchéance quinze jours au moins avant l'expiration du délai de validité de la saisie,.
Il est statué sur cette requête dans le délai prévu à l'article 1418 du Code judiciaire.
L'ordonnance qui refuse le renouvellement n'est pas susceptible d'appel.
Art. 2.2.6.15. Beschikking tot hernieuwing
De beschikking waarbij de hernieuwing van het bewarend beslag wordt toegestaan, bevat de nauwkeurige opgave van het te hernieuwen bewarend beslag.
De rechter die de hernieuwing toestaat, bepaalt de duur ervan. De termijn gaat in op de dag waarop de inschrijving in het scheepsregister hernieuwd wordt.
De beschikking waarbij de hernieuwing van het bewarend beslag wordt toegestaan, bevat de nauwkeurige opgave van het te hernieuwen bewarend beslag.
De rechter die de hernieuwing toestaat, bepaalt de duur ervan. De termijn gaat in op de dag waarop de inschrijving in het scheepsregister hernieuwd wordt.
Art. 2.2.6.15. Ordonnance de renouvellement
L'ordonnance autorisant le renouvellement de la saisie conservatoire contient l'indication précise de la saisie conservatoire à renouveler.
La durée du renouvellement est déterminée par le juge qui l'autorise. Ce délai prend cours le jour du renouvellement de l'inscription dans le registre naval.
L'ordonnance autorisant le renouvellement de la saisie conservatoire contient l'indication précise de la saisie conservatoire à renouveler.
La durée du renouvellement est déterminée par le juge qui l'autorise. Ce délai prend cours le jour du renouvellement de l'inscription dans le registre naval.
Art. 2.2.6.16. Betekening en aanzegging van de beschikking tot hernieuwing
De beschikking waarbij de hernieuwing van het beslag wordt toegestaan, wordt betekend en aangezegd overeenkomstig artikel 2.2.6.8.
Zij wordt als niet bestaande beschouwd, indien de hernieuwing van de inschrijving niet gedaan is vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het bestaande beslag.
De hernieuwing van de inschrijving gebeurt op overlegging aan het Belgisch Scheepsregister van een verzoekschrift in twee exemplaren, dat de te hernieuwen inschrijving nauwkeurig bepaalt en waarbij een door de gerechtsdeurwaarder ondertekend afschrift van het exploot van betekening en van de beschikking wordt gevoegd.
De beschikking waarbij de hernieuwing van het beslag wordt toegestaan, wordt betekend en aangezegd overeenkomstig artikel 2.2.6.8.
Zij wordt als niet bestaande beschouwd, indien de hernieuwing van de inschrijving niet gedaan is vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het bestaande beslag.
De hernieuwing van de inschrijving gebeurt op overlegging aan het Belgisch Scheepsregister van een verzoekschrift in twee exemplaren, dat de te hernieuwen inschrijving nauwkeurig bepaalt en waarbij een door de gerechtsdeurwaarder ondertekend afschrift van het exploot van betekening en van de beschikking wordt gevoegd.
Art. 2.2.6.16. Signification et dénonciation de l'ordonnance de renouvellement
L'ordonnance autorisant le renouvellement de la saisie est signifiée et dénoncée conformément à l'article 2.2.6.8.
Elle est réputée non avenue si le renouvellement de l'inscription n'a pas été fait avant l'expiration de la durée de validité de la saisie existante
Le renouvellement de l'inscription a lieu sur présentation au Registre naval belge d'une requête en double exemplaire contenant l'indication précise de l'inscription à renouveler, accompagnée d'une copie de l'exploit de signification et de l'ordonnance, signée par l'huissier de justice.
L'ordonnance autorisant le renouvellement de la saisie est signifiée et dénoncée conformément à l'article 2.2.6.8.
Elle est réputée non avenue si le renouvellement de l'inscription n'a pas été fait avant l'expiration de la durée de validité de la saisie existante
Le renouvellement de l'inscription a lieu sur présentation au Registre naval belge d'une requête en double exemplaire contenant l'indication précise de l'inscription à renouveler, accompagnée d'une copie de l'exploit de signification et de l'ordonnance, signée par l'huissier de justice.
Art. 2.2.6.17. Inschrijving van vervreemdings- of hypotheekakten
Een in een scheepsregister ingeschreven of behoorlijk ter inschrijving aangeboden beslag verhindert niet dat vervreemdings- of hypotheekakten later worden ingeschreven, ongeacht hun datum; die akten kunnen echter tegen de beslagleggende schuldeisers niet worden ingeroepen, zolang de inschrijving van het beslagexploot niet vervallen is.
Een in een scheepsregister ingeschreven of behoorlijk ter inschrijving aangeboden beslag verhindert niet dat vervreemdings- of hypotheekakten later worden ingeschreven, ongeacht hun datum; die akten kunnen echter tegen de beslagleggende schuldeisers niet worden ingeroepen, zolang de inschrijving van het beslagexploot niet vervallen is.
Art. 2.2.6.17. Inscription d'actes d'aliénation ou d'hypothèque
Une saisie inscrite ou dûment présentée à l'inscription dans un registre naval ne fait pas obstacle à l'inscription ultérieure d'actes d'aliénation ou d'hypothèque, quelle que soit leur date; toutefois, ces actes ne sont pas opposables aux créanciers saisissants tant que l'inscription de l'exploit de saisie n'est pas périmée.
Une saisie inscrite ou dûment présentée à l'inscription dans un registre naval ne fait pas obstacle à l'inscription ultérieure d'actes d'aliénation ou d'hypothèque, quelle que soit leur date; toutefois, ces actes ne sont pas opposables aux créanciers saisissants tant que l'inscription de l'exploit de saisie n'est pas périmée.
Art. 2.2.6.18. Vervreemding na inschrijving
De vervreemding die plaats heeft nadat het scheepsbeslag is ingeschreven in een scheepsregister, of behoorlijk ter inschrijving is aangeboden, kan worden uitgevoerd indien de verkrijger, vóór de dag bepaald voor de toewijzing, het vereiste geld in consignatie heeft gegeven tot betaling van kapitaal en toebehoren van de opeisbare bedragen verschuldigd aan de hypothecaire schuldeisers die ingeschreven zijn, de bevoorrechte schuldeisers die verzet doen en de schuldeisers van wie het beslag is ingeschreven.
Onverminderd van de artikel en 2.2.5.19 en 2.2.5.44, § 1, mogen alle belanghebbenden evenwel overeenkomen dat het in consignatie te geven bedrag gelijk zal zijn aan de prijs die voor de verkrijging betaald is.
In onderlinge overeenstemming tussen alle partijen kunnen de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen in bewaring worden gegeven bij een door hen gekozen financiële instelling. Indien partijen het niet over de te kiezen financiële instelling eens raken wordt het bedrag in bewaring gegeven bij de Deposito- en Consignatiekas.
Indien de aldus gestorte gelden geleend zijn, hebben de uitleners slechts hypotheek na de hypothecaire schuldeisers die ingeschreven zijn, de bevoorrechte schuldeisers die verzet doen en de schuldeisers van wie het beslag is ingeschreven.
De vervreemding die plaats heeft nadat het scheepsbeslag is ingeschreven in een scheepsregister, of behoorlijk ter inschrijving is aangeboden, kan worden uitgevoerd indien de verkrijger, vóór de dag bepaald voor de toewijzing, het vereiste geld in consignatie heeft gegeven tot betaling van kapitaal en toebehoren van de opeisbare bedragen verschuldigd aan de hypothecaire schuldeisers die ingeschreven zijn, de bevoorrechte schuldeisers die verzet doen en de schuldeisers van wie het beslag is ingeschreven.
Onverminderd van de artikel en 2.2.5.19 en 2.2.5.44, § 1, mogen alle belanghebbenden evenwel overeenkomen dat het in consignatie te geven bedrag gelijk zal zijn aan de prijs die voor de verkrijging betaald is.
In onderlinge overeenstemming tussen alle partijen kunnen de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen in bewaring worden gegeven bij een door hen gekozen financiële instelling. Indien partijen het niet over de te kiezen financiële instelling eens raken wordt het bedrag in bewaring gegeven bij de Deposito- en Consignatiekas.
Indien de aldus gestorte gelden geleend zijn, hebben de uitleners slechts hypotheek na de hypothecaire schuldeisers die ingeschreven zijn, de bevoorrechte schuldeisers die verzet doen en de schuldeisers van wie het beslag is ingeschreven.
Art. 2.2.6.18. Aliénation après inscription
L'aliénation qui a lieu après que la saisie sur navire eut été inscrite dans un registre des navires ou dûment présentée à l'inscription peut être exécutée si, avant le jour fixé pour l'adjudication, l'acquéreur a consigné les deniers suffisants pour acquitter, en principal et accessoires, les sommes exigibles dues aux créanciers hypothécaires inscrits, aux créanciers privilégiés qui font opposition et aux créanciers dont la saisie a été inscrite.
Sans préjudice des articles 2.2.5.19 et 2.2.5.44, § 1er, tous les intéressés peuvent néanmoins convenir que le montant à consigner sera égal au prix d'acquisition.
De l'accord de toutes les parties, les sommes prévues aux alinéas 1er et 2 peuvent être données en dépôt auprès d'une institution financière choisie par les deux parties. Si les parties ne parviennent pas à s'entendre sur l'institution financière à choisir, le montant est donné en dépôt auprès de la Caisse des Dépôts et Consignations.
Si les deniers ainsi déposés ont été empruntés, les prêteurs n'auront d'hypothèque que postérieurement aux créanciers hypothécaires inscrits, aux créanciers privilégiés qui font opposition et aux créanciers dont la saisie a été inscrite.
L'aliénation qui a lieu après que la saisie sur navire eut été inscrite dans un registre des navires ou dûment présentée à l'inscription peut être exécutée si, avant le jour fixé pour l'adjudication, l'acquéreur a consigné les deniers suffisants pour acquitter, en principal et accessoires, les sommes exigibles dues aux créanciers hypothécaires inscrits, aux créanciers privilégiés qui font opposition et aux créanciers dont la saisie a été inscrite.
Sans préjudice des articles 2.2.5.19 et 2.2.5.44, § 1er, tous les intéressés peuvent néanmoins convenir que le montant à consigner sera égal au prix d'acquisition.
De l'accord de toutes les parties, les sommes prévues aux alinéas 1er et 2 peuvent être données en dépôt auprès d'une institution financière choisie par les deux parties. Si les parties ne parviennent pas à s'entendre sur l'institution financière à choisir, le montant est donné en dépôt auprès de la Caisse des Dépôts et Consignations.
Si les deniers ainsi déposés ont été empruntés, les prêteurs n'auront d'hypothèque que postérieurement aux créanciers hypothécaires inscrits, aux créanciers privilégiés qui font opposition et aux créanciers dont la saisie a été inscrite.
Art. 2.2.6.19. Doorhaling
§ 1. De inschrijvingen betreffende het bewarend beslag worden doorgehaald overeenkomstig artikel 2.2.5.50.
De inschrijvingen kunnen ook worden doorgehaald ingevolge een exploot van opheffing betekend aan het Belgisch Scheepsregister door de gerechtsdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Daarbij handelt die gerechtsdeurwaarder op verzoek van de beslaglegger.
Het beslagexploot of het in artikel 2.2.6.14 bedoelde verzoekschrift tot hernieuwing, voorzien van de melding van de inschrijving, wordt in ieder geval aan het Belgisch Scheepsregister bezorgd.
§ 2. De eis tot doorhaling of vermindering van de inschrijving van het beslag, als hoofdvordering ingesteld, wordt gebracht voor de beslagrechter van de plaats waar de machtiging bedoeld in artikel 2.2.6.4 is gegeven.
De rechtsvorderingen tegen de schuldeisers, waartoe de inschrijvingen aanleiding kunnen geven, worden ingesteld door dagvaarding aan hun persoon, of aan de laatste in het register vermelde gekozen woonplaats, en zulks niettegenstaande het overlijden, hetzij van de schuldeisers, hetzij van hen bij wie zij woonplaats hebben gekozen.
§ 1. De inschrijvingen betreffende het bewarend beslag worden doorgehaald overeenkomstig artikel 2.2.5.50.
De inschrijvingen kunnen ook worden doorgehaald ingevolge een exploot van opheffing betekend aan het Belgisch Scheepsregister door de gerechtsdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Daarbij handelt die gerechtsdeurwaarder op verzoek van de beslaglegger.
Het beslagexploot of het in artikel 2.2.6.14 bedoelde verzoekschrift tot hernieuwing, voorzien van de melding van de inschrijving, wordt in ieder geval aan het Belgisch Scheepsregister bezorgd.
§ 2. De eis tot doorhaling of vermindering van de inschrijving van het beslag, als hoofdvordering ingesteld, wordt gebracht voor de beslagrechter van de plaats waar de machtiging bedoeld in artikel 2.2.6.4 is gegeven.
De rechtsvorderingen tegen de schuldeisers, waartoe de inschrijvingen aanleiding kunnen geven, worden ingesteld door dagvaarding aan hun persoon, of aan de laatste in het register vermelde gekozen woonplaats, en zulks niettegenstaande het overlijden, hetzij van de schuldeisers, hetzij van hen bij wie zij woonplaats hebben gekozen.
Art. 2.2.6.19. Radiation
§ 1er. Les inscriptions relatives à la saisie conservatoire sont radiées conformément à l'article 2.2.5.50.
Les inscriptions peuvent également être radiées à la suite d'un exploit de mainlevée signifié au Registre naval belge par l'huissier de justice saisissant. Dans ce contexte, cet huissier de justice agit sur requête et du saisissant.
L'exploit de saisie ou la demande de renouvellement visée à l'article 2.2.6.14, portant la mention de l'inscription, est dans tous les cas remis au Registre naval belge.
§ 2. La demande en radiation ou en réduction de l'inscription de la saisie, par action principale, sera portée devant le juge des saisies du lieu où l'autorisation visée à l'article 2.2.6.4 a été accordée.
Les actions auxquelles les inscriptions peuvent donner lieu contre les créanciers seront intentées par exploit fait à leur personne, ou au dernier des domiciles élus sur le registre; et ce, nonobstant le décès, soit des créanciers, soit de ceux chez lesquels ils auront fait élection de domicile.
§ 1er. Les inscriptions relatives à la saisie conservatoire sont radiées conformément à l'article 2.2.5.50.
Les inscriptions peuvent également être radiées à la suite d'un exploit de mainlevée signifié au Registre naval belge par l'huissier de justice saisissant. Dans ce contexte, cet huissier de justice agit sur requête et du saisissant.
L'exploit de saisie ou la demande de renouvellement visée à l'article 2.2.6.14, portant la mention de l'inscription, est dans tous les cas remis au Registre naval belge.
§ 2. La demande en radiation ou en réduction de l'inscription de la saisie, par action principale, sera portée devant le juge des saisies du lieu où l'autorisation visée à l'article 2.2.6.4 a été accordée.
Les actions auxquelles les inscriptions peuvent donner lieu contre les créanciers seront intentées par exploit fait à leur personne, ou au dernier des domiciles élus sur le registre; et ce, nonobstant le décès, soit des créanciers, soit de ceux chez lesquels ils auront fait élection de domicile.
Art. 2.2.6.20. Opheffing
Onverminderd de toepassing van het VN-zeerechtenverdrag, verleent de beslagrechter binnen wiens rechtsgebied op het schip beslag is gelegd, opheffing van het beslag, wanneer voldoende borgtocht of zekerheid is gesteld of in geval van kantonnement, behalve ingeval het beslag werd gelegd ter zake van een zeevordering bedoeld onder o) of p) van artikel 2.2.6.1, 1°. In dat geval kan de beslagrechter de bezitter van het schip, wanneer deze voldoende borgtocht of andere zekerheid stelt, toestaan de exploitatie van het schip voort te zetten of kan hij het beheer van dat schip tijdens de duur van het beslag regelen.
Bij gebreke van overeenstemming tussen partijen over de genoegzaamheid van de borgtocht of de zekerheid stelt de beslagrechter de aard en het bedrag daarvan vast, en desgevallend de voorwaarden.
Het verzoek tot opheffing van het beslag tegen een zodanige zekerheidstelling kan niet worden uitgelegd als een erkenning van aansprakelijkheid en evenmin als een afstand van het voordeel van de wettelijke beperking van de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar.
[1 De borgtocht of zekerheid bedoeld in het eerste lid kan worden gesteld door middel van:
1° het storten van een geldsom die geconsigneerd wordt bij de Deposito- en Consignatiekas overeenkomstig de bepalingen van de wet van 11 juli 2018 op de Deposito- en Consignatiekas;
2° een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank;
3° een getekende garantie verleend door een lid van de "International Group of Protection and Indemnity Clubs" en die aanvaard wordt door de beslaglegger.]1
Onverminderd de toepassing van het VN-zeerechtenverdrag, verleent de beslagrechter binnen wiens rechtsgebied op het schip beslag is gelegd, opheffing van het beslag, wanneer voldoende borgtocht of zekerheid is gesteld of in geval van kantonnement, behalve ingeval het beslag werd gelegd ter zake van een zeevordering bedoeld onder o) of p) van artikel 2.2.6.1, 1°. In dat geval kan de beslagrechter de bezitter van het schip, wanneer deze voldoende borgtocht of andere zekerheid stelt, toestaan de exploitatie van het schip voort te zetten of kan hij het beheer van dat schip tijdens de duur van het beslag regelen.
Bij gebreke van overeenstemming tussen partijen over de genoegzaamheid van de borgtocht of de zekerheid stelt de beslagrechter de aard en het bedrag daarvan vast, en desgevallend de voorwaarden.
Het verzoek tot opheffing van het beslag tegen een zodanige zekerheidstelling kan niet worden uitgelegd als een erkenning van aansprakelijkheid en evenmin als een afstand van het voordeel van de wettelijke beperking van de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar.
[1 De borgtocht of zekerheid bedoeld in het eerste lid kan worden gesteld door middel van:
1° het storten van een geldsom die geconsigneerd wordt bij de Deposito- en Consignatiekas overeenkomstig de bepalingen van de wet van 11 juli 2018 op de Deposito- en Consignatiekas;
2° een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank;
3° een getekende garantie verleend door een lid van de "International Group of Protection and Indemnity Clubs" en die aanvaard wordt door de beslaglegger.]1
Art. 2.2.6.20. Mainlevée
Sans préjudice de l'application de la Convention des NU sur le droit de la mer, le juge des saisies dans le ressort duquel le navire a été saisi, accordera la mainlevée de la saisie lorsqu'une caution ou une garantie suffisantes auront été fournies ou en cas de cantonnement, sauf dans le cas où la saisie est pratiquée en raison des créances maritimes énumérées à l'article 2.2.6.1, 1° ci-dessous, sous les lettres o) ou p); en ce cas, le juge des saisies peut permettre l'exploitation du navire par le possesseur, lorsque celui-ci aura fourni des garanties suffisantes, ou régler la gestion du navire pendant la durée de la saisie.
Faute d'accord entre les parties sur la suffisance de la caution ou de la garantie, le juge en fixera la nature et le montant, et si nécessaire les conditions.
La demande de mainlevée de la saisie moyennant une telle garantie, ne pourra être interprétée ni comme une reconnaissance de responsabilité, ni comme une renonciation au bénéfice de la limitation légale de la responsabilité du propriétaire du navire.
[1 La caution ou la garantie visée à l'alinéa 1er peut être fournie au moyen:
1° du versement d'une somme d'argent consignée à la Caisse des Dépôts et Consigna-tions conformément aux dispositions de la loi du 11 juillet 2018 sur la Caisse des Dépôts et Consignations;
2° d'une garantie bancaire accordée par une banque établie en Belgique;
3° d'une garantie signée par un membre du "International Group of Protection and Indem-nity Clubs" et acceptée par le saisissant.]1
Sans préjudice de l'application de la Convention des NU sur le droit de la mer, le juge des saisies dans le ressort duquel le navire a été saisi, accordera la mainlevée de la saisie lorsqu'une caution ou une garantie suffisantes auront été fournies ou en cas de cantonnement, sauf dans le cas où la saisie est pratiquée en raison des créances maritimes énumérées à l'article 2.2.6.1, 1° ci-dessous, sous les lettres o) ou p); en ce cas, le juge des saisies peut permettre l'exploitation du navire par le possesseur, lorsque celui-ci aura fourni des garanties suffisantes, ou régler la gestion du navire pendant la durée de la saisie.
Faute d'accord entre les parties sur la suffisance de la caution ou de la garantie, le juge en fixera la nature et le montant, et si nécessaire les conditions.
La demande de mainlevée de la saisie moyennant une telle garantie, ne pourra être interprétée ni comme une reconnaissance de responsabilité, ni comme une renonciation au bénéfice de la limitation légale de la responsabilité du propriétaire du navire.
[1 La caution ou la garantie visée à l'alinéa 1er peut être fournie au moyen:
1° du versement d'une somme d'argent consignée à la Caisse des Dépôts et Consigna-tions conformément aux dispositions de la loi du 11 juillet 2018 sur la Caisse des Dépôts et Consignations;
2° d'une garantie bancaire accordée par une banque établie en Belgique;
3° d'une garantie signée par un membre du "International Group of Protection and Indem-nity Clubs" et acceptée par le saisissant.]1
Wijzigingen
Art. 2.2.6.21. Rechtsmacht ten gronde
§ 1. Ingeval Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van toepassing is, zijn de Belgische rechters bovendien bevoegd om uitspraak te doen in het bodemgeschil op voorwaarde dat :
1° in België bewarend beslag op het zeeschip is gelegd; en
2° de eiser zijn woonplaats of zijn hoofdzetel heeft in België, de zeevordering is ontstaan in België, de zeevordering is ontstaan tijdens een reis tijdens welke het beslag gelegd is, de vordering voortvloeit uit een aanvaring of uit omstandigheden bedoeld in artikel 13 van het Aanvaringsverdrag 1910 of artikel 2.7.2.2, § 2 van dit boek, de schuldvordering is ontstaan ter zake van berging, of de schuldvordering is verzekerd door een scheepshypotheek of een scheepsverband op het schip waarop beslag is gelegd.
Ingeval Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken niet van toepassing is, zijn de Belgische rechters bevoegd om uitspraak te doen in het bodemgeschil in alle gevallen waar in België bewarend beslag op het zeeschip is gelegd.
De vorige leden gelden onverminderd de rechtsmacht die de Belgische rechters ontlenen aan andere toepasselijke regels.
§ 2. Indien in België bewarend beslag op het zeeschip is gelegd maar de Belgische rechters geen rechtsmacht hebben om in het bodemgeschil uitspraak te doen, moet de borgtocht of andere zekerheid, welke overeenkomstig artikel 2.2.6.20 gesteld moet worden om opheffing van het bewarend beslag te verkrijgen, de uitvoerbaarheid waarborgen van alle veroordelingen die later mochten worden uitgesproken door de rechter die bevoegd is om te beslissen in het bodemgeschil en de beslagrechter stelt de termijn vast waarbinnen de eiser een vordering voor de bevoegde rechter moet instellen.
§ 3. Indien de overeenkomsten tussen partijen hetzij een beding tot toekenning van bevoegdheid aan een andere rechter, hetzij een scheidsrechterlijk beding inhouden, kan de beslagrechter een termijn bepalen waarbinnen de beslaglegger zijn vordering ten gronde moet instellen.
§ 4. Indien de rechtsvordering in de gevallen bedoeld in de paragrafen 2 en 3 niet binnen de aldus vastgestelde termijn wordt ingesteld, kan de verweerder de opheffing van het beslag of de teruggave van de gegeven waarborg vorderen.
§ 5. Dit artikel is niet van toepassing op de gevallen bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868.
§ 1. Ingeval Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van toepassing is, zijn de Belgische rechters bovendien bevoegd om uitspraak te doen in het bodemgeschil op voorwaarde dat :
1° in België bewarend beslag op het zeeschip is gelegd; en
2° de eiser zijn woonplaats of zijn hoofdzetel heeft in België, de zeevordering is ontstaan in België, de zeevordering is ontstaan tijdens een reis tijdens welke het beslag gelegd is, de vordering voortvloeit uit een aanvaring of uit omstandigheden bedoeld in artikel 13 van het Aanvaringsverdrag 1910 of artikel 2.7.2.2, § 2 van dit boek, de schuldvordering is ontstaan ter zake van berging, of de schuldvordering is verzekerd door een scheepshypotheek of een scheepsverband op het schip waarop beslag is gelegd.
Ingeval Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken niet van toepassing is, zijn de Belgische rechters bevoegd om uitspraak te doen in het bodemgeschil in alle gevallen waar in België bewarend beslag op het zeeschip is gelegd.
De vorige leden gelden onverminderd de rechtsmacht die de Belgische rechters ontlenen aan andere toepasselijke regels.
§ 2. Indien in België bewarend beslag op het zeeschip is gelegd maar de Belgische rechters geen rechtsmacht hebben om in het bodemgeschil uitspraak te doen, moet de borgtocht of andere zekerheid, welke overeenkomstig artikel 2.2.6.20 gesteld moet worden om opheffing van het bewarend beslag te verkrijgen, de uitvoerbaarheid waarborgen van alle veroordelingen die later mochten worden uitgesproken door de rechter die bevoegd is om te beslissen in het bodemgeschil en de beslagrechter stelt de termijn vast waarbinnen de eiser een vordering voor de bevoegde rechter moet instellen.
§ 3. Indien de overeenkomsten tussen partijen hetzij een beding tot toekenning van bevoegdheid aan een andere rechter, hetzij een scheidsrechterlijk beding inhouden, kan de beslagrechter een termijn bepalen waarbinnen de beslaglegger zijn vordering ten gronde moet instellen.
§ 4. Indien de rechtsvordering in de gevallen bedoeld in de paragrafen 2 en 3 niet binnen de aldus vastgestelde termijn wordt ingesteld, kan de verweerder de opheffing van het beslag of de teruggave van de gegeven waarborg vorderen.
§ 5. Dit artikel is niet van toepassing op de gevallen bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868.
Art. 2.2.6.21. Juridiction quant au fond
§ 1er. Dans le cas où le Règlement (CE) n° 1215/2012 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2012 concernant la compétence judiciaire, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière civile et commerciale est d'application, les juges belges sont par ailleurs compétents pour statuer sur le fond du litige à condition :
1° qu'une saisie conservatoire sur le navire de mer ait été opérée en Belgique; et
2° que le demandeur ait sa résidence habituelle ou son principal établissement en Belgique, que la créance maritime soit elle-même née en Belgique, que la créance maritime soit née au cours d'un voyage pendant lequel la saisie a été faite, que la créance provienne d'un abordage ou de circonstances visées par l'article 13 de la Convention sur les Abordages 1910 ou de l'article 2.7.2.2, § 2, du présent livre, que la créance soit née d'une assistance ou d'un sauvetage ou que la créance soit garantie par une hypothèque maritime ou un mortgage sur le navire saisi.
Dans le cas où le Règlement (CE) n° 1215/2012 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2012 concernant la compétence judiciaire, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière civile et commerciale n'est pas d'application, les juges belges sont compétents pour statuer sur le fond du procès dans tous les cas dans lesquels une saisie conservatoire a été pratiquée sur le navire de mer en Belgique.
Les alinéas précédents s'appliquent sans préjudice de la juridiction que les juges belges empruntent à d'autres règles applicables.
§ 2. Si une saisie conservatoire sur le navire de mer a été opérée en Belgique mais que les juges belges n'ont pas de juridiction pour statuer sur le fond, la caution ou la garantie à fournir conformément à l'article 2.2.6.20 pour obtenir la mainlevée de la saisie conservatoire devra garantir l'exécution de toutes les condamnations qui seraient ultérieurement prononcées par le juge compétent pour statuer sur le fond, et le juge des saisies fixera le délai endéans lequel le demandeur devra introduire une action devant le juge compétent.
§ 3. Si les conventions des parties contiennent soit une clause attributive de compétence à une autre juridiction, soit une clause arbitrale, le juge des saisies pourra fixer un délai dans lequel le saisissant devra engager son action au fond.
§ 4. Dans les cas visés aux paragraphes 2 et 3, si l'action n'est pas introduite dans le délai imparti, le défendeur pourra demander la mainlevée de la saisie ou la libération de la caution fournie.
§ 5. Le présent article ne s'appllique pas aux cas visés par les dispositions de la Convention révisée sur la navigation du Rhin du 17 octobre 1868.
§ 1er. Dans le cas où le Règlement (CE) n° 1215/2012 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2012 concernant la compétence judiciaire, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière civile et commerciale est d'application, les juges belges sont par ailleurs compétents pour statuer sur le fond du litige à condition :
1° qu'une saisie conservatoire sur le navire de mer ait été opérée en Belgique; et
2° que le demandeur ait sa résidence habituelle ou son principal établissement en Belgique, que la créance maritime soit elle-même née en Belgique, que la créance maritime soit née au cours d'un voyage pendant lequel la saisie a été faite, que la créance provienne d'un abordage ou de circonstances visées par l'article 13 de la Convention sur les Abordages 1910 ou de l'article 2.7.2.2, § 2, du présent livre, que la créance soit née d'une assistance ou d'un sauvetage ou que la créance soit garantie par une hypothèque maritime ou un mortgage sur le navire saisi.
Dans le cas où le Règlement (CE) n° 1215/2012 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2012 concernant la compétence judiciaire, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière civile et commerciale n'est pas d'application, les juges belges sont compétents pour statuer sur le fond du procès dans tous les cas dans lesquels une saisie conservatoire a été pratiquée sur le navire de mer en Belgique.
Les alinéas précédents s'appliquent sans préjudice de la juridiction que les juges belges empruntent à d'autres règles applicables.
§ 2. Si une saisie conservatoire sur le navire de mer a été opérée en Belgique mais que les juges belges n'ont pas de juridiction pour statuer sur le fond, la caution ou la garantie à fournir conformément à l'article 2.2.6.20 pour obtenir la mainlevée de la saisie conservatoire devra garantir l'exécution de toutes les condamnations qui seraient ultérieurement prononcées par le juge compétent pour statuer sur le fond, et le juge des saisies fixera le délai endéans lequel le demandeur devra introduire une action devant le juge compétent.
§ 3. Si les conventions des parties contiennent soit une clause attributive de compétence à une autre juridiction, soit une clause arbitrale, le juge des saisies pourra fixer un délai dans lequel le saisissant devra engager son action au fond.
§ 4. Dans les cas visés aux paragraphes 2 et 3, si l'action n'est pas introduite dans le délai imparti, le défendeur pourra demander la mainlevée de la saisie ou la libération de la caution fournie.
§ 5. Le présent article ne s'appllique pas aux cas visés par les dispositions de la Convention révisée sur la navigation du Rhin du 17 octobre 1868.
Art. 2.2.6.22. Andere vorderingsrechten en volgrechten
Geen enkele bepaling van deze onderafdeling mag worden geacht een vorderingsrecht te scheppen dat, afgezien van de bepalingen van deze afdeling, niet zou bestaan volgens de wet die de rechter, bij wie het geding aanhangig is, moet toepassen.
Deze onderafdeling kent aan de eiser geen enkel volgrecht toe waarin niet is voorzien door de in het vorige lid bedoelde wet of door de bepalingen inzake scheepszekerheidsrechten.
Geen enkele bepaling van deze onderafdeling mag worden geacht een vorderingsrecht te scheppen dat, afgezien van de bepalingen van deze afdeling, niet zou bestaan volgens de wet die de rechter, bij wie het geding aanhangig is, moet toepassen.
Deze onderafdeling kent aan de eiser geen enkel volgrecht toe waarin niet is voorzien door de in het vorige lid bedoelde wet of door de bepalingen inzake scheepszekerheidsrechten.
Art. 2.2.6.22. Autres droits d'action et droits de suite
Rien dans la présente sous-section ne doit être considéré comme créant un droit à une action qui, en dehors des dispostions de cette section, n'existerait pas d'après la loi à appliquer par le juge saisi du litige.
La présente sous-section ne confère au demandeur aucun droit de suite, autre que celui accordé par cette dernière loi ou par les dispositions sur les sûretés sur navires.
Rien dans la présente sous-section ne doit être considéré comme créant un droit à une action qui, en dehors des dispostions de cette section, n'existerait pas d'après la loi à appliquer par le juge saisi du litige.
La présente sous-section ne confère au demandeur aucun droit de suite, autre que celui accordé par cette dernière loi ou par les dispositions sur les sûretés sur navires.
Onderafdeling 2. - Bewarend beslag op goederen aan boord
Sous-section 2. - Saisie conservatoire sur les biens à bord
Art. 2.2.6.23. Grondvereisten
Op verbruiksgoederen, lading en andere goederen die zich aan boord van een schip bevinden, alsmede op de titels op die goederen, kan bewarend beslag worden gelegd overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek.
Het beslagexploot wijst de goederen en titels aan waarop bewarend beslag wordt gelegd.
Persoonlijke bezittingen van de gezagvoerder, de bemanning of de passagiers, levensmiddelen bestemd voor gebruik door de gezagvoerder, de bemanning of de passagiers, en een hoeveelheid bunkers noodzakelijk om in de kajuiten en de andere leefruimten gedurende een maand in verwarming en koeling te voorzien, zijn niet vatbaar voor beslag.
Op verbruiksgoederen, lading en andere goederen die zich aan boord van een schip bevinden, alsmede op de titels op die goederen, kan bewarend beslag worden gelegd overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek.
Het beslagexploot wijst de goederen en titels aan waarop bewarend beslag wordt gelegd.
Persoonlijke bezittingen van de gezagvoerder, de bemanning of de passagiers, levensmiddelen bestemd voor gebruik door de gezagvoerder, de bemanning of de passagiers, en een hoeveelheid bunkers noodzakelijk om in de kajuiten en de andere leefruimten gedurende een maand in verwarming en koeling te voorzien, zijn niet vatbaar voor beslag.
Art. 2.2.6.23. Exigences de base
Une saisie conservatoire peut être pratiquée sur les biens de consommation, la cargaison et d'autres biens qui se trouvent à bord d'un navire, ainsi que sur les titres sur ces biens conformément au Code judiciaire.
L'exploit de saisie indique les biens et titres sur lesquels la saisie conservatoire est pratiquée.
Les effets personnels du commandant, de l'équipage ou des passagers, les vivres destinés à l'utilisation par le commandant, l'équipage ou les passagers et la quantité de bunkers nécessaires pour fournir du chauffage et de la climatisation pendant un mois dans les cabines et les autres espaces de vie ne sont pas susceptibles d'être saisis.
Une saisie conservatoire peut être pratiquée sur les biens de consommation, la cargaison et d'autres biens qui se trouvent à bord d'un navire, ainsi que sur les titres sur ces biens conformément au Code judiciaire.
L'exploit de saisie indique les biens et titres sur lesquels la saisie conservatoire est pratiquée.
Les effets personnels du commandant, de l'équipage ou des passagers, les vivres destinés à l'utilisation par le commandant, l'équipage ou les passagers et la quantité de bunkers nécessaires pour fournir du chauffage et de la climatisation pendant un mois dans les cabines et les autres espaces de vie ne sont pas susceptibles d'être saisis.
Art. 2.2.6.24. Bewaargeving van het in beslag genomen goed
§ 1. Ingeval het artikel 2.2.6.24 bedoelde beslag de afvaart van het schip belet of kan beletten, kan de scheepseigenaar, de reder en de scheepsgebruiker in elke stand van het geding het in beslag genomen goed in bewaring geven of doen geven bij een erkende of aangestelde sekwester.
Te dien einde wendt de scheepseigenaar, reder of scheepsgebruiker zich via verzoekschrift tot de beslagrechter, die bepaalt op welke wijze en onder welke voorwaarden het beslagene in bewaring wordt gegeven.
§ 2. Om de in paragraaf 1 bedoelde bewaargeving kan eveneens worden verzocht door iedere andere belanghebbende. Alsdan gaat de beslagrechter na of de bewaargeving verantwoord is in het licht van de omstandigheden.
§ 3. Ingeval het in artikel 2.2.6.23 bedoelde beslag soortgoederen betreft, en indien het beslag de afvaart van het schip belet of kan beletten, kan iedere belanghebbende, in de plaats van de beslagen of de in beslag te nemen goederen, eenzelfde hoeveelheid goederen, met dezelfde kenmerken en van dezelfde hoedanigheid, in bewaring geven of doen geven bij een erkende of aangestelde sekwester.
De belanghebbende wendt zich te dien einde via verzoekschrift tot de beslagrechter die bepaalt op welke wijze en onder welke voorwaarden de goederen in bewaring worden gegeven. Op grond van de door de belanghebbende voorgelegde stukken, gaat de beslagrechter in het bijzonder na of de hoeveelheid, de kenmerken en de hoedanigheid van de aangeboden goederen overeenstemmen met de hoeveelheid, de kenmerken en de hoedanigheid van de beslagen of te beslagen goederen.
Eens de aangeboden goederen overeenkomstig de door de beslagrechter bepaalde wijze en voorwaarden in bewaring werden gegeven, zijn de oorspronkelijk beslagen of de in beslag te nemen goederen van rechtswege bevrijd; vanaf dat ogenblik rust het beslag van rechtswege op de in bewaring gegeven goederen.
§ 4. Ingeval het in artikel 2.2.6.23 bedoelde beslag soortgoederen betreft, en indien het beslag de afvaart van het schip belet of kan beletten, kan iedere belanghebbende de in beslag genomen goederen met toelating van de beslagrechter bevrijden of het beslag erop verhinderen door in de Deposito- en Consignatiekas of in handen van een erkende of aangestelde sekwester een bedrag in bewaring te geven, dat ten hoogste de waarde van de beslagen of te beslagen goederen vertegenwoordigt en in geen geval het bedrag van de schuld in hoofdsom, intresten en kosten mag overstijgen.
De beslagrechter stelt de waarde van de beslagen of te beslagen goederen vast, en bepaalt aan de hand daarvan het in bewaring te geven bedrag. De beslagrechter bepaalt eveneens op welke wijze en onder welke voorwaarden het bedrag in bewaring moet worden gegeven.
Eens het bedrag in bewaring werd gegeven, zijn de oorspronkelijk beslagen of de in beslag te nemen goederen van rechtswege bevrijd. Vanaf dat ogenblik rust het beslag van rechtswege op het in bewaring gegeven bedrag.
§ 5. Zodra er ingevolge de toepassing van paragrafen 1, 2, 3 of 4 geen beslagen goederen meer aan boord van het schip zijn, is het schip in alle geval vrij om af te varen.
§ 6. De voorgaande paragrafen gelden onverminderd het recht tot kantonnement overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 1. Ingeval het artikel 2.2.6.24 bedoelde beslag de afvaart van het schip belet of kan beletten, kan de scheepseigenaar, de reder en de scheepsgebruiker in elke stand van het geding het in beslag genomen goed in bewaring geven of doen geven bij een erkende of aangestelde sekwester.
Te dien einde wendt de scheepseigenaar, reder of scheepsgebruiker zich via verzoekschrift tot de beslagrechter, die bepaalt op welke wijze en onder welke voorwaarden het beslagene in bewaring wordt gegeven.
§ 2. Om de in paragraaf 1 bedoelde bewaargeving kan eveneens worden verzocht door iedere andere belanghebbende. Alsdan gaat de beslagrechter na of de bewaargeving verantwoord is in het licht van de omstandigheden.
§ 3. Ingeval het in artikel 2.2.6.23 bedoelde beslag soortgoederen betreft, en indien het beslag de afvaart van het schip belet of kan beletten, kan iedere belanghebbende, in de plaats van de beslagen of de in beslag te nemen goederen, eenzelfde hoeveelheid goederen, met dezelfde kenmerken en van dezelfde hoedanigheid, in bewaring geven of doen geven bij een erkende of aangestelde sekwester.
De belanghebbende wendt zich te dien einde via verzoekschrift tot de beslagrechter die bepaalt op welke wijze en onder welke voorwaarden de goederen in bewaring worden gegeven. Op grond van de door de belanghebbende voorgelegde stukken, gaat de beslagrechter in het bijzonder na of de hoeveelheid, de kenmerken en de hoedanigheid van de aangeboden goederen overeenstemmen met de hoeveelheid, de kenmerken en de hoedanigheid van de beslagen of te beslagen goederen.
Eens de aangeboden goederen overeenkomstig de door de beslagrechter bepaalde wijze en voorwaarden in bewaring werden gegeven, zijn de oorspronkelijk beslagen of de in beslag te nemen goederen van rechtswege bevrijd; vanaf dat ogenblik rust het beslag van rechtswege op de in bewaring gegeven goederen.
§ 4. Ingeval het in artikel 2.2.6.23 bedoelde beslag soortgoederen betreft, en indien het beslag de afvaart van het schip belet of kan beletten, kan iedere belanghebbende de in beslag genomen goederen met toelating van de beslagrechter bevrijden of het beslag erop verhinderen door in de Deposito- en Consignatiekas of in handen van een erkende of aangestelde sekwester een bedrag in bewaring te geven, dat ten hoogste de waarde van de beslagen of te beslagen goederen vertegenwoordigt en in geen geval het bedrag van de schuld in hoofdsom, intresten en kosten mag overstijgen.
De beslagrechter stelt de waarde van de beslagen of te beslagen goederen vast, en bepaalt aan de hand daarvan het in bewaring te geven bedrag. De beslagrechter bepaalt eveneens op welke wijze en onder welke voorwaarden het bedrag in bewaring moet worden gegeven.
Eens het bedrag in bewaring werd gegeven, zijn de oorspronkelijk beslagen of de in beslag te nemen goederen van rechtswege bevrijd. Vanaf dat ogenblik rust het beslag van rechtswege op het in bewaring gegeven bedrag.
§ 5. Zodra er ingevolge de toepassing van paragrafen 1, 2, 3 of 4 geen beslagen goederen meer aan boord van het schip zijn, is het schip in alle geval vrij om af te varen.
§ 6. De voorgaande paragrafen gelden onverminderd het recht tot kantonnement overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 2.2.6.24. Dépôt du bien saisi
§ 1er. Dans le cas où la saisie visée à l'article 2.2.6.24 empêche ou peut empêcher le départ du navire, le propriétaire du navire, l'armateur ou l'usager du navire peut, en tout état de cause, donner ou faire donner le bien saisi en dépôt auprès d'un séquestre agréé ou désigné.
A cette fin, le propriétaire du navire, l'armateur ou l'utilisateur du navire s'adresse au juge des saisies par requête qui détermine de quelle manière et à quelles conditions le bien saisi est donné en dépôt.
§ 2. Le dépôt visé au paragraphe 1er peut également être demandé par tout autre intéressé. Dans ce cas, le juge des saisies examine s'il est justifié à la lumière des circonstances.
§ 3. Dans le cas où la saisie visée à l'article 2.2.6.23 concerne des choses de genre et si la saisie empêche ou peut empêcher le départ du navire, tout intéressé, au lieu des biens saisis ou à saisir, peut donner ou faire donner en dépôt une même quantité de biens présentant les mêmes caractéristiques et la même qualité auprès d'un séquestre agréé ou désigné.
A cette fin, l'intéressé s'adresse au juge des saisies par requête qui détermine de quelle manière et à quelles conditions les biens sont donnés en dépôt. En vertu des pièces présentées par l'intéressé, le juge des saisies examine en particulier si la quantité, les caractéristiques et la qualité des biens présentés correspondent à la quantité, aux caractéristiques et à la qualité des biens saisis ou à saisir.
Une fois que les biens présentés ont été donnés en dépôt selon le mode et les conditions stipulées par le juge des saisies, les biens initialement saisis ou à saisir sont libérés de plein droit; à compter de ce moment, la saisie repose de plein droit sur les biens donnés en dépôt.
§ 4. Dans le cas où la saisie visée à l'article 2.2.6.23 concerne des choses de genre et si la saisie empêche ou peut empêcher le départ du navire, tout intéressé peut libérer les biens saisis avec l'autorisation du juge des saisies ou empêcher la saisie sur les biens en donnant en dépôt à la Caisse des dépôts et consignations ou entre les mains d'un séquestre agréé ou désigné une somme qui représente tout au plus la valeur des biens saisis ou à saisir et ne peut à aucun moment dépasser le montant de la dette en principal, intérêts et frais.
Le juge des saisies arrête la valeur des biens saisis ou à saisir et détermine sur cette base la somme à donner en dépôt. Le juge des saisies détermine également de quelle manière et à quelles conditions la somme doit être donnée en dépôt.
Une fois que la somme a été donnée en dépôt, les biens initialement saisis ou à saisir sont libérés de plein droit. A compter de ce moment, la saisie repose de plein droit sur la somme donnée en dépôt.
§ 5. Dès qu'il n'y a plus de biens saisis à bord du navire en vertu de l'application des paraghaphes 1er, 2, 3 ou 4, le navire est en tout cas libre de prendre la mer.
§ 6. Les paragraphes précédents s'appliquent sans préjudice du droit de cantonnement conformément aux dispositions du Code judiciaire.
§ 1er. Dans le cas où la saisie visée à l'article 2.2.6.24 empêche ou peut empêcher le départ du navire, le propriétaire du navire, l'armateur ou l'usager du navire peut, en tout état de cause, donner ou faire donner le bien saisi en dépôt auprès d'un séquestre agréé ou désigné.
A cette fin, le propriétaire du navire, l'armateur ou l'utilisateur du navire s'adresse au juge des saisies par requête qui détermine de quelle manière et à quelles conditions le bien saisi est donné en dépôt.
§ 2. Le dépôt visé au paragraphe 1er peut également être demandé par tout autre intéressé. Dans ce cas, le juge des saisies examine s'il est justifié à la lumière des circonstances.
§ 3. Dans le cas où la saisie visée à l'article 2.2.6.23 concerne des choses de genre et si la saisie empêche ou peut empêcher le départ du navire, tout intéressé, au lieu des biens saisis ou à saisir, peut donner ou faire donner en dépôt une même quantité de biens présentant les mêmes caractéristiques et la même qualité auprès d'un séquestre agréé ou désigné.
A cette fin, l'intéressé s'adresse au juge des saisies par requête qui détermine de quelle manière et à quelles conditions les biens sont donnés en dépôt. En vertu des pièces présentées par l'intéressé, le juge des saisies examine en particulier si la quantité, les caractéristiques et la qualité des biens présentés correspondent à la quantité, aux caractéristiques et à la qualité des biens saisis ou à saisir.
Une fois que les biens présentés ont été donnés en dépôt selon le mode et les conditions stipulées par le juge des saisies, les biens initialement saisis ou à saisir sont libérés de plein droit; à compter de ce moment, la saisie repose de plein droit sur les biens donnés en dépôt.
§ 4. Dans le cas où la saisie visée à l'article 2.2.6.23 concerne des choses de genre et si la saisie empêche ou peut empêcher le départ du navire, tout intéressé peut libérer les biens saisis avec l'autorisation du juge des saisies ou empêcher la saisie sur les biens en donnant en dépôt à la Caisse des dépôts et consignations ou entre les mains d'un séquestre agréé ou désigné une somme qui représente tout au plus la valeur des biens saisis ou à saisir et ne peut à aucun moment dépasser le montant de la dette en principal, intérêts et frais.
Le juge des saisies arrête la valeur des biens saisis ou à saisir et détermine sur cette base la somme à donner en dépôt. Le juge des saisies détermine également de quelle manière et à quelles conditions la somme doit être donnée en dépôt.
Une fois que la somme a été donnée en dépôt, les biens initialement saisis ou à saisir sont libérés de plein droit. A compter de ce moment, la saisie repose de plein droit sur la somme donnée en dépôt.
§ 5. Dès qu'il n'y a plus de biens saisis à bord du navire en vertu de l'application des paraghaphes 1er, 2, 3 ou 4, le navire est en tout cas libre de prendre la mer.
§ 6. Les paragraphes précédents s'appliquent sans préjudice du droit de cantonnement conformément aux dispositions du Code judiciaire.
Afdeling 2. - Uitvoerend scheepsbeslag
Section 2. - Saisie-exécution sur navire
Art. 2.2.6.25. Internationale en materiële toepassing
Deze afdeling is van toepassing op elk uitvoerend beslag op een schip in België of in de Belgische zeegebieden.
Deze afdeling is van toepassing op elk uitvoerend beslag op een schip in België of in de Belgische zeegebieden.
Art. 2.2.6.25. Application internationale et matérielle
Le présent chapitre s'applique à toute saisie-exécution sur navire en Belgique et dans les zones maritimes belges.
Le présent chapitre s'applique à toute saisie-exécution sur navire en Belgique et dans les zones maritimes belges.
Art. 2.2.6.26. Andere regelgeving
§ 1. De artikel en 516 en 633 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de territoriale bevoegdheid van de gerechtsdeurwaarder respectievelijk beslagrechter ter zake van het in dit hoofdstuk geregelde beslag.
§ 2. Deze afdeling geldt onverminderd artikel 28 van het VN-Zeerechtverdrag.
§ 3. Deze afdeling geldt onverminderd artikel 507 van het Strafwetboek.
§ 1. De artikel en 516 en 633 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de territoriale bevoegdheid van de gerechtsdeurwaarder respectievelijk beslagrechter ter zake van het in dit hoofdstuk geregelde beslag.
§ 2. Deze afdeling geldt onverminderd artikel 28 van het VN-Zeerechtverdrag.
§ 3. Deze afdeling geldt onverminderd artikel 507 van het Strafwetboek.
Art. 2.2.6.26. Autre réglementation
§ 1er . Les articles 516 et 633 du Code judiciaire sont applicable à la compétence territoriale de l'huissier de justice ou du juge des saisies en matière de saisie régie par le présent chapitre.
§ 2. La présente section s'applique sans préjudice de l'article 28 de la Convention des NU sur le droit de la mer.
§ 3. La présente section s'applique sans préjudice de l'article 507 du Code pénal.
§ 1er . Les articles 516 et 633 du Code judiciaire sont applicable à la compétence territoriale de l'huissier de justice ou du juge des saisies en matière de saisie régie par le présent chapitre.
§ 2. La présente section s'applique sans préjudice de l'article 28 de la Convention des NU sur le droit de la mer.
§ 3. La présente section s'applique sans préjudice de l'article 507 du Code pénal.
Art. 2.2.6.27. Grondvereisten
§ 1. Op een schip kan uitsluitend uitvoerend beslag worden gelegd :
1° krachtens een ten aanzien van de scheepseigenaar uitvoerbare titel; of
2° krachtens een ten aanzien van een andere persoon uitvoerbare titel, op voorwaarde dat de vordering ten opzichte van die persoon wordt gewaarborgd door een scheepszekerheidsrecht op het betrokken schip.
§ 2. Buiten de in paragraaf 1 bepaalde gevallen kan bewarend beslag op een schip niet in uitvoerend beslag worden omgezet.
§ 1. Op een schip kan uitsluitend uitvoerend beslag worden gelegd :
1° krachtens een ten aanzien van de scheepseigenaar uitvoerbare titel; of
2° krachtens een ten aanzien van een andere persoon uitvoerbare titel, op voorwaarde dat de vordering ten opzichte van die persoon wordt gewaarborgd door een scheepszekerheidsrecht op het betrokken schip.
§ 2. Buiten de in paragraaf 1 bepaalde gevallen kan bewarend beslag op een schip niet in uitvoerend beslag worden omgezet.
Art. 2.2.6.27. Exigences de base
§ 1er. Une saisie-exécution peut exclusivement être pratiquée sur un navire :
1° en vertu d'un titre exécutoire à l'égard du propriétaire du navire; ou
2° en vertu d'un titre exécutoire à l'égard d'une autre personne à la condition que la créance à l'égard de cette personne soit garantie par une sûreté sur navire sur le navire concerné.
§ 2. En dehors des cas visés au paragraphe 1er, une saisie conservatoire sur un navire ne peut être transformée en une saisie-exécution.
§ 1er. Une saisie-exécution peut exclusivement être pratiquée sur un navire :
1° en vertu d'un titre exécutoire à l'égard du propriétaire du navire; ou
2° en vertu d'un titre exécutoire à l'égard d'une autre personne à la condition que la créance à l'égard de cette personne soit garantie par une sûreté sur navire sur le navire concerné.
§ 2. En dehors des cas visés au paragraphe 1er, une saisie conservatoire sur un navire ne peut être transformée en une saisie-exécution.
Art. 2.2.6.28. Voorafgaand bevel
Het bevel dat voorafgaat aan het beslag bevat op straffe van nietigheid opgave van het verschuldigde bedrag en van het schip waarop bij niet-betaling beslag zal worden gelegd.
Het bevel bevat een beknopte beschrijving van het in beslag genomen schip. De Koning kan nader bepalen welke gegevens in dat verband in het bevel moeten worden vermeld.
Het bevel dat voorafgaat aan het beslag bevat op straffe van nietigheid opgave van het verschuldigde bedrag en van het schip waarop bij niet-betaling beslag zal worden gelegd.
Het bevel bevat een beknopte beschrijving van het in beslag genomen schip. De Koning kan nader bepalen welke gegevens in dat verband in het bevel moeten worden vermeld.
Art. 2.2.6.28. Commandement préalable
Le commandement préalable à la saisie contient, à peine de nullité, l'indication de la somme due et du navire sur lequel, faute de paiement, la saisie sera pratiquée.
Le commandement contient une description sommaire du navire saisi. Le Roi peut préciser quels éléments doivent être communiqués à ce propos dans le commandement.
Le commandement préalable à la saisie contient, à peine de nullité, l'indication de la somme due et du navire sur lequel, faute de paiement, la saisie sera pratiquée.
Le commandement contient une description sommaire du navire saisi. Le Roi peut préciser quels éléments doivent être communiqués à ce propos dans le commandement.
Art. 2.2.6.29. Betekening van het bevel
Het voorafgaand bevel wordt betekend aan de schuldenaar.
Is het schip geen eigendom van de schuldenaar, dan wordt het voorafgaand bevel bovendien betekend aan de scheepseigenaar.
Het voorafgaand bevel wordt betekend aan de schuldenaar.
Is het schip geen eigendom van de schuldenaar, dan wordt het voorafgaand bevel bovendien betekend aan de scheepseigenaar.
Art. 2.2.6.29. Signification du commandement
Le commandement préalable est signifié au débiteur.
Si le navire n'est pas la propriété du débiteur, le commandement préalable est en outre signifié au propriétaire du navire.
Le commandement préalable est signifié au débiteur.
Si le navire n'est pas la propriété du débiteur, le commandement préalable est en outre signifié au propriétaire du navire.
Art. 2.2.6.30. Inschrijving van het bevel tot omzetting
Wanneer bewarend scheepsbeslag wordt omgezet in uitvoerend scheepsbeslag, geldt de inschrijving van het voorafgaand bevel voor de toepassing van dit hoofdstuk als inschrijving van het exploot van uitvoerend beslag.
Het bevel moet ten laatste binnen vijftien dagen worden ingeschreven in het zeeschepenregister of het binnenschepenregister en de nauwkeurige aanduiding bevatten van de inschrijving van het bewarend beslag dat in uitvoerend beslag is omgezet.
Is het schip niet in België geregistreerd of teboekgesteld, dan beperkt het Belgisch Scheepsregister zich tot de neerlegging van het exploot in het register van neerlegging.
Wanneer bewarend scheepsbeslag wordt omgezet in uitvoerend scheepsbeslag, geldt de inschrijving van het voorafgaand bevel voor de toepassing van dit hoofdstuk als inschrijving van het exploot van uitvoerend beslag.
Het bevel moet ten laatste binnen vijftien dagen worden ingeschreven in het zeeschepenregister of het binnenschepenregister en de nauwkeurige aanduiding bevatten van de inschrijving van het bewarend beslag dat in uitvoerend beslag is omgezet.
Is het schip niet in België geregistreerd of teboekgesteld, dan beperkt het Belgisch Scheepsregister zich tot de neerlegging van het exploot in het register van neerlegging.
Art. 2.2.6.30. Inscription du commandement de transformation
Lorsqu'une saisie conservatoire sur navires est convertie en saisie-exécution sur navire, l'inscription du commandement préalable à l'exécution tient lieu, pour l'application du présent chapitre, d'inscription de l'exploit de saisie-exécution.
Ce commandement doit être inscrit, au plus tard dans les quinze jours, dans le registre des navires de mer ou le registre des bateaux d'intérieur et contenir l'indication précise de l'inscription de la saisie conservatoire transformée en saisie-exécution.
Si le navire n'a pas été enregistré ou immatriculé en Belgique, le Registre naval belge se limite au dépôt de l'exploit dans le registre de dépôts.
Lorsqu'une saisie conservatoire sur navires est convertie en saisie-exécution sur navire, l'inscription du commandement préalable à l'exécution tient lieu, pour l'application du présent chapitre, d'inscription de l'exploit de saisie-exécution.
Ce commandement doit être inscrit, au plus tard dans les quinze jours, dans le registre des navires de mer ou le registre des bateaux d'intérieur et contenir l'indication précise de l'inscription de la saisie conservatoire transformée en saisie-exécution.
Si le navire n'a pas été enregistré ou immatriculé en Belgique, le Registre naval belge se limite au dépôt de l'exploit dans le registre de dépôts.
Art. 2.2.6.31. Tijdstip van beslaglegging
Het beslag mag worden gelegd tegelijk met of na de betekening van het voorafgaand bevel bedoeld in artikel 2.2.6.28.
Laat de schuldeiser na het bevel meer dan een jaar verstrijken, dan is hij ertoe gehouden dit te hernieuwen alvorens beslag te leggen.
Het beslag mag worden gelegd tegelijk met of na de betekening van het voorafgaand bevel bedoeld in artikel 2.2.6.28.
Laat de schuldeiser na het bevel meer dan een jaar verstrijken, dan is hij ertoe gehouden dit te hernieuwen alvorens beslag te leggen.
Art. 2.2.6.31. Moment de la saisie
Il peut être procédé à la saisie en même temps ou après la signification du commandement préalable visé à l'article 2.2.6.28.
Si le créancier laisse s'écouler plus d'un an après le commandement, il est tenu de le renouveler avant de pratiquer la saisie.
Il peut être procédé à la saisie en même temps ou après la signification du commandement préalable visé à l'article 2.2.6.28.
Si le créancier laisse s'écouler plus d'un an après le commandement, il est tenu de le renouveler avant de pratiquer la saisie.
Art. 2.2.6.32. Beslagexploot
Het exploot van beslaglegging bevat, behalve de vermeldingen voorgeschreven in artikel 1389 van het Gerechtelijk Wetboek, een beknopte beschrijving van het in beslag genomen schip. De Koning kan nader bepalen welke gegevens in dat verband in het exploot moeten worden vermeld.
Is het beslag gedaan bij een van het voorafgaand bevel onderscheiden exploot, dan wordt zulks in het proces-verbaal van beslaglegging vermeld.
Het exploot van beslaglegging bevat, behalve de vermeldingen voorgeschreven in artikel 1389 van het Gerechtelijk Wetboek, een beknopte beschrijving van het in beslag genomen schip. De Koning kan nader bepalen welke gegevens in dat verband in het exploot moeten worden vermeld.
Is het beslag gedaan bij een van het voorafgaand bevel onderscheiden exploot, dan wordt zulks in het proces-verbaal van beslaglegging vermeld.
Art. 2.2.6.32. Exploit de saisie
L'exploit de saisie contient, outre les mentions prévues à l'article 1389 du Code judiciaire, une description sommaire du navire saisi. Le Roi peut spécifier quels renseignements doivent être indiqués à ce propos dans l'exploit.
Si la saisie est faite par un exploit distinct du commandement préalable, le procès-verbal de saisie en contient la relation.
L'exploit de saisie contient, outre les mentions prévues à l'article 1389 du Code judiciaire, une description sommaire du navire saisi. Le Roi peut spécifier quels renseignements doivent être indiqués à ce propos dans l'exploit.
Si la saisie est faite par un exploit distinct du commandement préalable, le procès-verbal de saisie en contient la relation.
Art. 2.2.6.33. Betekening en aanzegging van het beslag
§ 1. Een afschrift van het beslagexploot wordt terstond aan boord van het schip betekend aan de gezagvoerder of, bij diens afwezigheid, aan de hoogst in rang aan boord aanwezige officier. Zo de betekening niet op die wijze kan geschieden, bestaat de betekening in de terhandstelling van het afschrift aan de Procureur des Konings in wiens rechtsgebied het schip zich bevindt.
De betekening geldt als verbod tot afvaart van het schip. Een schip waarop beslag is gelegd kan evenwel binnen dezelfde haven worden verplaatst op bevel van de bevoegde haven- of waterwegbesturen of hun bevoegde personeelsleden. Dit bevel moet worden bezorgd aan de rechter die, in voorkomend geval, de machtiging bedoeld in artikel 2.2.6.4 heeft gegeven.
Het beslag kan worden aangeplakt op de meest in het oog vallende of andere geschikte plaatsen aan boord of aan wal.
§ 2. Binnen drie dagen na de betekening bedoeld in paragraaf 1, wordt het beslag bovendien betekend aan de scheepseigenaar en aan de schuldenaar, indien het in beslag genomen schip zijn eigendom niet is.
§ 3. De in paragrafen 1 en 2 bepaalde formaliteiten en termijnen worden in acht genomen op straffe van nietigheid.
§ 4. De voorgaande paragrafen verhinderen niet dat het beslag bovendien wordt betekend aan de reder, de scheepsgebruiker, de bewaker bedoeld in artikel 2.2.6.34 of de scheepsagent.
§ 5. Het beslag wordt aangezegd :
1° naar keuze van de beslaglegger, aan de Scheepvaartpolitie of de Scheepvaartcontrole;
2° de bevoegde haven- of waterwegbesturen of hun bevoegde personeelsleden.
De in het vorige lid bedoelde aanzegging vermeldt dat zij geldt als aanmaning de afvaart van het in beslag genomen schip te beletten.
§ 1. Een afschrift van het beslagexploot wordt terstond aan boord van het schip betekend aan de gezagvoerder of, bij diens afwezigheid, aan de hoogst in rang aan boord aanwezige officier. Zo de betekening niet op die wijze kan geschieden, bestaat de betekening in de terhandstelling van het afschrift aan de Procureur des Konings in wiens rechtsgebied het schip zich bevindt.
De betekening geldt als verbod tot afvaart van het schip. Een schip waarop beslag is gelegd kan evenwel binnen dezelfde haven worden verplaatst op bevel van de bevoegde haven- of waterwegbesturen of hun bevoegde personeelsleden. Dit bevel moet worden bezorgd aan de rechter die, in voorkomend geval, de machtiging bedoeld in artikel 2.2.6.4 heeft gegeven.
Het beslag kan worden aangeplakt op de meest in het oog vallende of andere geschikte plaatsen aan boord of aan wal.
§ 2. Binnen drie dagen na de betekening bedoeld in paragraaf 1, wordt het beslag bovendien betekend aan de scheepseigenaar en aan de schuldenaar, indien het in beslag genomen schip zijn eigendom niet is.
§ 3. De in paragrafen 1 en 2 bepaalde formaliteiten en termijnen worden in acht genomen op straffe van nietigheid.
§ 4. De voorgaande paragrafen verhinderen niet dat het beslag bovendien wordt betekend aan de reder, de scheepsgebruiker, de bewaker bedoeld in artikel 2.2.6.34 of de scheepsagent.
§ 5. Het beslag wordt aangezegd :
1° naar keuze van de beslaglegger, aan de Scheepvaartpolitie of de Scheepvaartcontrole;
2° de bevoegde haven- of waterwegbesturen of hun bevoegde personeelsleden.
De in het vorige lid bedoelde aanzegging vermeldt dat zij geldt als aanmaning de afvaart van het in beslag genomen schip te beletten.
Art. 2.2.6.33. Signification et dénonciation de la saisie
§ 1er. Une copie de l'exploit de saisie est signifiée sur-le-champ à bord du navire au commandant ou, en son absence, à l'officier le plus haut placé présent à bord. Si la signification ne peut être effectuée de cette façon, la signification consiste en la remise de la copie au procureur du Roi dans le ressort duquel se trouve le navire.
La signification tient lieu d'interdiction de prendre la mer pour le navire. Un navire saisi peut être déplacé au sein du même port sur ordre des autorités portuaires ou des voies navigables compétentes ou de leur personnel compétent. Cet ordre doit être remis au juge qui, le cas échéant, a donné l'autorisation visée à l'article 2.2.6.4.
La saisie peut être affichée aux endroits les plus visibles ou à d'autres endroits adéquats à bord ou à quai.
§ 2. Dans les trois jours qui suivent la signification visée au paragraphe 1er, la saisie est en outre signifiée au propriétaire du navire et au débiteur si le navire saisi n'est pas sa propriété.
§ 3. Les formalités et délais stipulés dans les paragraphes 1er et 2 sont observés à peine de nullité.
§ 4. Les paragraphes précédents n'empêchent pas de signifier par ailleurs la saisie à l'armateur, à l'utilisateur du navire, au surveillant visé à l'article 2.2.6.34 ou à l'agent maritime.
§ 5. La saisie est dénoncée :
1° au choix du saisissant, à la Police de la navigation ou au Contrôle de la navigation;
2° à l'autorité portuaire ou des voies navigables compétente ou à leur personnel compétent.
La dénonciation visée à l'alinéa précédent indique qu'elle sert de sommation pour retenir le navire saisi.
§ 1er. Une copie de l'exploit de saisie est signifiée sur-le-champ à bord du navire au commandant ou, en son absence, à l'officier le plus haut placé présent à bord. Si la signification ne peut être effectuée de cette façon, la signification consiste en la remise de la copie au procureur du Roi dans le ressort duquel se trouve le navire.
La signification tient lieu d'interdiction de prendre la mer pour le navire. Un navire saisi peut être déplacé au sein du même port sur ordre des autorités portuaires ou des voies navigables compétentes ou de leur personnel compétent. Cet ordre doit être remis au juge qui, le cas échéant, a donné l'autorisation visée à l'article 2.2.6.4.
La saisie peut être affichée aux endroits les plus visibles ou à d'autres endroits adéquats à bord ou à quai.
§ 2. Dans les trois jours qui suivent la signification visée au paragraphe 1er, la saisie est en outre signifiée au propriétaire du navire et au débiteur si le navire saisi n'est pas sa propriété.
§ 3. Les formalités et délais stipulés dans les paragraphes 1er et 2 sont observés à peine de nullité.
§ 4. Les paragraphes précédents n'empêchent pas de signifier par ailleurs la saisie à l'armateur, à l'utilisateur du navire, au surveillant visé à l'article 2.2.6.34 ou à l'agent maritime.
§ 5. La saisie est dénoncée :
1° au choix du saisissant, à la Police de la navigation ou au Contrôle de la navigation;
2° à l'autorité portuaire ou des voies navigables compétente ou à leur personnel compétent.
La dénonciation visée à l'alinéa précédent indique qu'elle sert de sommation pour retenir le navire saisi.
Art. 2.2.6.34. Bewaking
De gerechtsdeurwaarder kan in elke stand van het geding een bewaker van het in beslag genomen schip aanstellen.
De gerechtsdeurwaarder kan in elke stand van het geding een bewaker van het in beslag genomen schip aanstellen.
Art. 2.2.6.34. Surveillance
L'huissier de justice peut, en tout état de cause, préposer un surveillant à la garde du navire saisi.
L'huissier de justice peut, en tout état de cause, préposer un surveillant à la garde du navire saisi.
Art. 2.2.6.35. Inschrijving
Behoudens toepassing van artikel 2.2.6.30, wordt het beslagexploot overeenkomstig de artikel en 2.2.6.11 en 2.2.6.12 ingeschreven in het betrokken scheepsregister.
De artikel en 2.2.6.18 en 2.2.6.19 zijn op de inschrijving en haar gevolgen van overeenkomstige toepassing.
Is het schip niet in België geregistreerd, dan beperkt het Belgisch Scheepsregister zich tot de neerlegging van het exploot in het register van neerlegging.
Behoudens toepassing van artikel 2.2.6.30, wordt het beslagexploot overeenkomstig de artikel en 2.2.6.11 en 2.2.6.12 ingeschreven in het betrokken scheepsregister.
De artikel en 2.2.6.18 en 2.2.6.19 zijn op de inschrijving en haar gevolgen van overeenkomstige toepassing.
Is het schip niet in België geregistreerd, dan beperkt het Belgisch Scheepsregister zich tot de neerlegging van het exploot in het register van neerlegging.
Art. 2.2.6.35. Inscription
Sauf application de l'article 2.2.6.30, l'exploit de saisie est inscrit, conformément aux articles 2.2.6.11 et 2.2.6.12 au registre naval concerné.
L'inscription et ses effets sont régis par les articles 2.2.6.18 et 2.2.6.19.
Si le navire n'a pas été enregistré en Belgique, le Registre naval belge se limite au dépôt de l'exploit dans le registre de dépôts.
Sauf application de l'article 2.2.6.30, l'exploit de saisie est inscrit, conformément aux articles 2.2.6.11 et 2.2.6.12 au registre naval concerné.
L'inscription et ses effets sont régis par les articles 2.2.6.18 et 2.2.6.19.
Si le navire n'a pas été enregistré en Belgique, le Registre naval belge se limite au dépôt de l'exploit dans le registre de dépôts.
Art. 2.2.6.36. Geldigheidsduur
Het beslag geldt gedurende drie jaar te rekenen van de datum van de betekening bedoeld in art. 2.2.6.33, § 1, eerste lid.
Bij het verstrijken van deze termijn :
1° houdt het beslag van rechtswege op gevolg te hebben;
2° wordt van het beslag op een in België geregistreerd of teboekgesteld schip geen melding meer gemaakt in de getuigschriften die het Belgisch Scheepsregister verstrekt, tenzij de inschrijving is hernieuwd.
Het beslag kan worden hernieuwd. De artikel en 2.2.6.14, 2.2.6.15 en 2.2.6.16 zijn op deze hernieuwing van overeenkomstige toepassing.
Het beslag geldt gedurende drie jaar te rekenen van de datum van de betekening bedoeld in art. 2.2.6.33, § 1, eerste lid.
Bij het verstrijken van deze termijn :
1° houdt het beslag van rechtswege op gevolg te hebben;
2° wordt van het beslag op een in België geregistreerd of teboekgesteld schip geen melding meer gemaakt in de getuigschriften die het Belgisch Scheepsregister verstrekt, tenzij de inschrijving is hernieuwd.
Het beslag kan worden hernieuwd. De artikel en 2.2.6.14, 2.2.6.15 en 2.2.6.16 zijn op deze hernieuwing van overeenkomstige toepassing.
Art. 2.2.6.36. Durée de validité
La saisie est d'application pendant trois ans à compter de la date de la signification visée à l'art. 2.2.6.33, § 1er, alinéa 1er.
A l'expiration de ce délai :
1° la saisie cesse de plein droit de produire ses effets;
2° il n'est plus fait mention de la saisie sur un navire enregistré ou immatriculé en Belgique dans les certificats délivrés par le Registre naval belge, à moins que l'inscription n'ait été renouvelée.
La saisie peut être renouvelée. Ce renouvellement est régi par analogie par les articles 2.2.6.14, 2.2.6.15 et 2.2.6.16.
La saisie est d'application pendant trois ans à compter de la date de la signification visée à l'art. 2.2.6.33, § 1er, alinéa 1er.
A l'expiration de ce délai :
1° la saisie cesse de plein droit de produire ses effets;
2° il n'est plus fait mention de la saisie sur un navire enregistré ou immatriculé en Belgique dans les certificats délivrés par le Registre naval belge, à moins que l'inscription n'ait été renouvelée.
La saisie peut être renouvelée. Ce renouvellement est régi par analogie par les articles 2.2.6.14, 2.2.6.15 et 2.2.6.16.
Art. 2.2.6.37. Doorhaling
Behoudens toepassing van artikel 2.2.6.51, worden de inschrijvingen betreffende uitvoerend beslag doorgehaald overeenkomstig artikel 2.2.5.50.
De inschrijvingen kunnen ook worden doorgehaald ingevolge een exploot van opheffing betekend aan het Belgisch Scheepsregister door de gerechtsdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Daarbij handelt die gerechtsdeurwaarder op verzoek van de beslaglegger.
Het beslagexploot of het in artikel 2.2.6.30 bedoelde bevel tot omzetting, voorzien van de melding van de inschrijving, wordt in ieder geval aan het Belgisch Scheepsregister bezorgd.
Behoudens toepassing van artikel 2.2.6.51, worden de inschrijvingen betreffende uitvoerend beslag doorgehaald overeenkomstig artikel 2.2.5.50.
De inschrijvingen kunnen ook worden doorgehaald ingevolge een exploot van opheffing betekend aan het Belgisch Scheepsregister door de gerechtsdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Daarbij handelt die gerechtsdeurwaarder op verzoek van de beslaglegger.
Het beslagexploot of het in artikel 2.2.6.30 bedoelde bevel tot omzetting, voorzien van de melding van de inschrijving, wordt in ieder geval aan het Belgisch Scheepsregister bezorgd.
Art. 2.2.6.37. Radiation
Sauf application de l'article 2.2.6.51, les inscriptions relatives à la saisie-exécution sont radiées conformément à l'article 2.2.5.50.
Les inscriptions peuvent également être radiées à la suite d'un exploit de mainlevée signifié au Registre naval belge par l'huissier de justice saisissant. Dans ce contexte, cet huissier de justice agit sur requête du saisissant.
L'exploit de saisie ou le commandement de transformation visé à l'article 2.2.6.30, portant la mention de l'inscription, est dans tous les cas remis au Registre naval belge.
Sauf application de l'article 2.2.6.51, les inscriptions relatives à la saisie-exécution sont radiées conformément à l'article 2.2.5.50.
Les inscriptions peuvent également être radiées à la suite d'un exploit de mainlevée signifié au Registre naval belge par l'huissier de justice saisissant. Dans ce contexte, cet huissier de justice agit sur requête du saisissant.
L'exploit de saisie ou le commandement de transformation visé à l'article 2.2.6.30, portant la mention de l'inscription, est dans tous les cas remis au Registre naval belge.
Art. 2.2.6.38. Beschikking tot aanvang van de verkoopprocedure
Binnen acht dagen na de inschrijving van het exploot van beslaglegging of, indien een voorafgaand bewarend beslag is gelegd, binnen acht dagen na het bevel tot omzetting van het bewarend in uitvoerend beslag, wordt bij de beslagrechter een verzoekschrift ingediend tot het aanstellen van een openbare of ministeriële ambtenaar die met de verkoop zal worden belast.
In zijn beschikking wijst de rechter de plaats aan waar de verkoop zal geschieden. Deze plaats kan gelegen zijn buiten het arrondissement waar het schip zich bevindt.
Op verzoekschrift van een betrokken partij kan de rechter gelasten dat, zelfs in het buitenland, tot de verkoop zal worden overgegaan door een scheepsmakelaar. Alsdan bepaalt hij de voorwaarden voor de verkoop.
Binnen acht dagen na de inschrijving van het exploot van beslaglegging of, indien een voorafgaand bewarend beslag is gelegd, binnen acht dagen na het bevel tot omzetting van het bewarend in uitvoerend beslag, wordt bij de beslagrechter een verzoekschrift ingediend tot het aanstellen van een openbare of ministeriële ambtenaar die met de verkoop zal worden belast.
In zijn beschikking wijst de rechter de plaats aan waar de verkoop zal geschieden. Deze plaats kan gelegen zijn buiten het arrondissement waar het schip zich bevindt.
Op verzoekschrift van een betrokken partij kan de rechter gelasten dat, zelfs in het buitenland, tot de verkoop zal worden overgegaan door een scheepsmakelaar. Alsdan bepaalt hij de voorwaarden voor de verkoop.
Art. 2.2.6.38. Décision d'entamer la procédure de vente
Dans les huit jours à dater de l'inscription de l'exploit de saisie ou, s'il y a eu une saisie conservatoire antérieure, dans les huit jours du commandement de transformation de la saisie conservatoire en saisie-exécution, une requête est présentée au juge des saisies, à l'effet de désigner un officier public ou ministériel qui sera chargé de procéder à la vente.
Le juge désigne dans son ordonnance le lieu où il sera procédé à la vente. Ce lieu peut être situé en dehors de l'arrondissement dans lequel se trouve le navire.
Le juge peut aussi ordonner, à la requête de toute partie intéressée qu'il sera procédé à la vente, même à l'étranger, par un courtier de navires. Il détermine, dans ce cas, les conditions auxquelles la vente aura lieu.
Dans les huit jours à dater de l'inscription de l'exploit de saisie ou, s'il y a eu une saisie conservatoire antérieure, dans les huit jours du commandement de transformation de la saisie conservatoire en saisie-exécution, une requête est présentée au juge des saisies, à l'effet de désigner un officier public ou ministériel qui sera chargé de procéder à la vente.
Le juge désigne dans son ordonnance le lieu où il sera procédé à la vente. Ce lieu peut être situé en dehors de l'arrondissement dans lequel se trouve le navire.
Le juge peut aussi ordonner, à la requête de toute partie intéressée qu'il sera procédé à la vente, même à l'étranger, par un courtier de navires. Il détermine, dans ce cas, les conditions auxquelles la vente aura lieu.
Art. 2.2.6.39. Verkoopvoorwaarden
In de verkoopvoorwaarden, opgemaakt door de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar, worden de plaats, de dag en het uur van de verkoop vermeld.
In de verkoopvoorwaarden, opgemaakt door de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar, worden de plaats, de dag en het uur van de verkoop vermeld.
Art. 2.2.6.39. Conditions de vente
Les conditions de vente, dressées par l'officier public ou ministériel désigné, indiquent les lieu, jour et heure de la vente.
Les conditions de vente, dressées par l'officier public ou ministériel désigné, indiquent les lieu, jour et heure de la vente.
Art. 2.2.6.40. Inzage en geschillen
§ 1. Minstens vijftien dagen vóór de verkoop maant de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar bij gerechtsdeurwaardersexploot aan om inzage van de verkoopvoorwaarden te nemen :
1° de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt;
2° de scheepseigenaar, indien hij niet de schuldenaar is;
3° de ingeschreven en de verzetdoende schuldeisers, hetzij aan de in hun inschrijving gekozen woonplaats, hetzij aan hun woonplaats, hetzij aan hun maatschappelijke zetel.
Het exploot vermeldt plaats, dag en uur van de verkoop.
Bovendien geeft de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar bij een aangetekende zending kennis van de verkoopvoorwaarden aan iedere derde die schuldeiser beweert te zijn.
§ 2. Bezwaren tegen de verkoopvoorwaarden zijn alleen ontvankelijk indien zij bij de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar worden aangebracht binnen acht dagen na de aanmaning. De aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar maakt er proces-verbaal van op en schorst alle verrichtingen.
Na neerlegging ter griffie van het proces-verbaal door de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar, bepaalt de beslagrechter de dag en het uur voor het onderzoek en de berechting van de bezwaren. De partijen worden door toedoen van de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen en worden gehoord indien zij verschijnen. Op de vastgestelde zitting bepaalt de rechter de dag en het uur voor het onderzoek en de berechting van de geschillen. In voorkomend geval bepaalt de beslagrechter voor de toewijzing een nieuwe termijn. De beslissing is niet vatbaar voor verzet, noch voor hoger beroep.
§ 3. De schuldeiser die een rechtsvordering tot ontbinding kan instellen, is op straffe van verval, gehouden deze vóór de dag van de toewijzing in te stellen en zijn beslissing daartoe vóór de dag van de toewijzing te betekenen aan de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar.
De aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar brengt de in paragraaf 1 genoemde partijen van het instellen van de vordering tot ontbinding op de hoogte.
Te rekenen van de dag waarop de beslissing tot het instellen van de rechtsvordering tot ontbinding aan de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar wordt betekend, wordt de verkoopprocedure geschorst ten aanzien van het schip waarop de vordering tot ontbinding betrekking heeft, en zij kan eerst worden hervat nadat de schuldeiser van de rechtsvordering tot ontbinding afstand heeft gedaan of nadat deze eis is afgewezen. Ten aanzien van andere schepen van de schuldenaar kan de verkoopprocedure eveneens worden geschorst, op aanvraag van de partijen en op beslissing van de beslagrechter.
De vervolgende partij en de ingeschreven schuldeisers kunnen in het geding tot ontbinding tussenkomen.
§ 1. Minstens vijftien dagen vóór de verkoop maant de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar bij gerechtsdeurwaardersexploot aan om inzage van de verkoopvoorwaarden te nemen :
1° de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt;
2° de scheepseigenaar, indien hij niet de schuldenaar is;
3° de ingeschreven en de verzetdoende schuldeisers, hetzij aan de in hun inschrijving gekozen woonplaats, hetzij aan hun woonplaats, hetzij aan hun maatschappelijke zetel.
Het exploot vermeldt plaats, dag en uur van de verkoop.
Bovendien geeft de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar bij een aangetekende zending kennis van de verkoopvoorwaarden aan iedere derde die schuldeiser beweert te zijn.
§ 2. Bezwaren tegen de verkoopvoorwaarden zijn alleen ontvankelijk indien zij bij de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar worden aangebracht binnen acht dagen na de aanmaning. De aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar maakt er proces-verbaal van op en schorst alle verrichtingen.
Na neerlegging ter griffie van het proces-verbaal door de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar, bepaalt de beslagrechter de dag en het uur voor het onderzoek en de berechting van de bezwaren. De partijen worden door toedoen van de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen en worden gehoord indien zij verschijnen. Op de vastgestelde zitting bepaalt de rechter de dag en het uur voor het onderzoek en de berechting van de geschillen. In voorkomend geval bepaalt de beslagrechter voor de toewijzing een nieuwe termijn. De beslissing is niet vatbaar voor verzet, noch voor hoger beroep.
§ 3. De schuldeiser die een rechtsvordering tot ontbinding kan instellen, is op straffe van verval, gehouden deze vóór de dag van de toewijzing in te stellen en zijn beslissing daartoe vóór de dag van de toewijzing te betekenen aan de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar.
De aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar brengt de in paragraaf 1 genoemde partijen van het instellen van de vordering tot ontbinding op de hoogte.
Te rekenen van de dag waarop de beslissing tot het instellen van de rechtsvordering tot ontbinding aan de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar wordt betekend, wordt de verkoopprocedure geschorst ten aanzien van het schip waarop de vordering tot ontbinding betrekking heeft, en zij kan eerst worden hervat nadat de schuldeiser van de rechtsvordering tot ontbinding afstand heeft gedaan of nadat deze eis is afgewezen. Ten aanzien van andere schepen van de schuldenaar kan de verkoopprocedure eveneens worden geschorst, op aanvraag van de partijen en op beslissing van de beslagrechter.
De vervolgende partij en de ingeschreven schuldeisers kunnen in het geding tot ontbinding tussenkomen.
Art. 2.2.6.40. Consultations et litiges
§ 1er. Au moins quinze jours avant la vente, l'officier public ou ministériel désigné fait sommation par exploit d'huissier de prendre connaissance des conditions de vente :
1° au débiteur contre lequel la saisie est pratiquée;
2° au propriétaire du navire s'il n'est pas le débiteur;
3° aux créanciers inscrits et aux créanciers opposants, soit à leur domicile élu dans l'inscription, soit à leur domicile, soit à leur siège social.
L'exploit mentionne les lieu, jour et heure de la vente.
L'officier public ou ministériel désigné avertit, en outre, des conditions de la vente tout tiers se prétendant créancier par envoi recommandé.
§ 2. Si les conditions de vente font l'objet de contestations, celles-ci ne sont recevables que si elles sont présentées à l'officier public ou ministériel désigné dans les huit jours de la sommation. L'officier public ou ministériel désigné en dresse un procès-verbal et sursoit à toutes opérations.
Après le dépôt au greffe du procès-verbal par l'officier public ou ministériel désigné, le juge des saisies fixe les jour et heure pour l'examen et le règlement des contestations. Les parties sont appelées par pli judiciaire à la diligence du greffier et elles sont entendues si elles comparaissent. A l'audience fixée, le juge fixe le jour et l'heure pour l'examen et le jugement des litiges. Le cas échéant, le juge des saisies fixe un nouveau délai pour l'adjudication. La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.
§ 3. Le créancier qui peut introduire une action résolutoire est tenu, sous peine de déchéance, d'exercer celle-ci avant le jour de l'adjudication et de notifier sa décision en ce sens à l'officier public ou ministériel désigné avant le jour de l'adjudication.
L'officier public ou ministériel désigné informe les parties visées au paragraphe 1er de l'introduction de l'action résolutoire.
A partir du jour où la décision d'introduction de l'action résolutoire est signifiée à l'officier public ou ministériel désigné, la procédure de vente est suspendue en ce qui concerne le navire auquel se rapporte l'action résolutoire et elle ne peut être reprise que lorsque le créancier a renoncé à l'action résolutoire ou après le rejet de cette demande. En ce qui concerne les autres navires du débiteur, la procédure de vente peut également être suspendue à la demande des parties et sur la décision du juge des saisies.
La partie poursuivante et les créanciers inscrits peuvent intervenir dans l'instance en résolution.
§ 1er. Au moins quinze jours avant la vente, l'officier public ou ministériel désigné fait sommation par exploit d'huissier de prendre connaissance des conditions de vente :
1° au débiteur contre lequel la saisie est pratiquée;
2° au propriétaire du navire s'il n'est pas le débiteur;
3° aux créanciers inscrits et aux créanciers opposants, soit à leur domicile élu dans l'inscription, soit à leur domicile, soit à leur siège social.
L'exploit mentionne les lieu, jour et heure de la vente.
L'officier public ou ministériel désigné avertit, en outre, des conditions de la vente tout tiers se prétendant créancier par envoi recommandé.
§ 2. Si les conditions de vente font l'objet de contestations, celles-ci ne sont recevables que si elles sont présentées à l'officier public ou ministériel désigné dans les huit jours de la sommation. L'officier public ou ministériel désigné en dresse un procès-verbal et sursoit à toutes opérations.
Après le dépôt au greffe du procès-verbal par l'officier public ou ministériel désigné, le juge des saisies fixe les jour et heure pour l'examen et le règlement des contestations. Les parties sont appelées par pli judiciaire à la diligence du greffier et elles sont entendues si elles comparaissent. A l'audience fixée, le juge fixe le jour et l'heure pour l'examen et le jugement des litiges. Le cas échéant, le juge des saisies fixe un nouveau délai pour l'adjudication. La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.
§ 3. Le créancier qui peut introduire une action résolutoire est tenu, sous peine de déchéance, d'exercer celle-ci avant le jour de l'adjudication et de notifier sa décision en ce sens à l'officier public ou ministériel désigné avant le jour de l'adjudication.
L'officier public ou ministériel désigné informe les parties visées au paragraphe 1er de l'introduction de l'action résolutoire.
A partir du jour où la décision d'introduction de l'action résolutoire est signifiée à l'officier public ou ministériel désigné, la procédure de vente est suspendue en ce qui concerne le navire auquel se rapporte l'action résolutoire et elle ne peut être reprise que lorsque le créancier a renoncé à l'action résolutoire ou après le rejet de cette demande. En ce qui concerne les autres navires du débiteur, la procédure de vente peut également être suspendue à la demande des parties et sur la décision du juge des saisies.
La partie poursuivante et les créanciers inscrits peuvent intervenir dans l'instance en résolution.
Art. 2.2.6.41. Onderhandse verkoop
Tot de dag vóór de in de verkoopvoorwaarden aangegeven dag van de verkoop, kan de beslagrechter bepalen dat de verkoop onderhands zal geschieden bij een overeenkomst die hem ter goedkeuring wordt voorgelegd.
De vordering kan worden ingesteld door de beslaglegger, de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, de scheepseigenaar, de ingeschreven schuldeisers en de verzetdoende schuldeisers.
De eiser betekent de dagvaarding aan al de in het vorige lid vermelde andere partijen en aan de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar.
De beslagrechter kan de vordering inwilligen wanneer aan de hand van een onafhankelijk waarderingsrapport en een raadpleging van de markt aannemelijk wordt gemaakt dat de in de overeenkomst bedongen verkoopprijs overeenstemt met de marktwaarde van het schip.
Indien door één van de partijen vóór de afloop van de rechtspleging een gunstiger aanbod wordt voorgelegd, kan de beslagrechter bepalen dat de verkoop overeenkomstig dit aanbod zal geschieden.
De ingevolge dit artikel toegelaten onderhandse verkoop vervangt de in de artikel en 2.2.6.42 tot 2.2.6.44 geregelde openbare verkoop en heeft dezelfde gevolgen als de toewijzing bij openbare verkoop.
De bezwarende inschrijvingen kunnen worden doorgehaald overeenkomstig artikel 2.2.5.51.
Tot de dag vóór de in de verkoopvoorwaarden aangegeven dag van de verkoop, kan de beslagrechter bepalen dat de verkoop onderhands zal geschieden bij een overeenkomst die hem ter goedkeuring wordt voorgelegd.
De vordering kan worden ingesteld door de beslaglegger, de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, de scheepseigenaar, de ingeschreven schuldeisers en de verzetdoende schuldeisers.
De eiser betekent de dagvaarding aan al de in het vorige lid vermelde andere partijen en aan de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar.
De beslagrechter kan de vordering inwilligen wanneer aan de hand van een onafhankelijk waarderingsrapport en een raadpleging van de markt aannemelijk wordt gemaakt dat de in de overeenkomst bedongen verkoopprijs overeenstemt met de marktwaarde van het schip.
Indien door één van de partijen vóór de afloop van de rechtspleging een gunstiger aanbod wordt voorgelegd, kan de beslagrechter bepalen dat de verkoop overeenkomstig dit aanbod zal geschieden.
De ingevolge dit artikel toegelaten onderhandse verkoop vervangt de in de artikel en 2.2.6.42 tot 2.2.6.44 geregelde openbare verkoop en heeft dezelfde gevolgen als de toewijzing bij openbare verkoop.
De bezwarende inschrijvingen kunnen worden doorgehaald overeenkomstig artikel 2.2.5.51.
Art. 2.2.6.41. Vente de gré à gré
Jusqu'au jour qui précède la date de la vente indiquée dans le cahier des charges, le juge des saisies peut déterminer que la vente aura lieu de gré à gré par un acte qui sera soumis à son approbation.
La demande peut être introduite par le saisissant, le débiteur contre lequel la saisie est opérée, le propriétaire du navire, les créanciers inscrits et les créanciers opposants.
Le demandeur signifie la citation à toutes les autres parties visées à l'alinéa précédent et à l'officier public ou ministériel désigné.
Le juge des saisies peut accéder à la demande lorsqu'un rapport d'expertise indépendant et une consultation du marché démontrent de manière crédible que le prix de vente stipulé dans l'acte correspond à la valeur de marché du navire.
Si une offre plus avantageuse est soumise par une des parties avant l'issue de la procédure, le juge des saisies peut déterminer que la vente sera effectuée conformément à cette offre.
La vente de gré à gré autorisée en vertu de présent article remplace la vente publique régie dans les articles 2.2.6.42 à 2.2.6.44 et produit les mêmes effets que l'adjudication en cas de vente publique.
Les inscriptions grevant le navire peuvent être radiées conformément à l'article 2.2.5.51.
Jusqu'au jour qui précède la date de la vente indiquée dans le cahier des charges, le juge des saisies peut déterminer que la vente aura lieu de gré à gré par un acte qui sera soumis à son approbation.
La demande peut être introduite par le saisissant, le débiteur contre lequel la saisie est opérée, le propriétaire du navire, les créanciers inscrits et les créanciers opposants.
Le demandeur signifie la citation à toutes les autres parties visées à l'alinéa précédent et à l'officier public ou ministériel désigné.
Le juge des saisies peut accéder à la demande lorsqu'un rapport d'expertise indépendant et une consultation du marché démontrent de manière crédible que le prix de vente stipulé dans l'acte correspond à la valeur de marché du navire.
Si une offre plus avantageuse est soumise par une des parties avant l'issue de la procédure, le juge des saisies peut déterminer que la vente sera effectuée conformément à cette offre.
La vente de gré à gré autorisée en vertu de présent article remplace la vente publique régie dans les articles 2.2.6.42 à 2.2.6.44 et produit les mêmes effets que l'adjudication en cas de vente publique.
Les inscriptions grevant le navire peuvent être radiées conformément à l'article 2.2.5.51.
Art. 2.2.6.42. Veilingwijze
De openbare verkoop verloopt volgens een door de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar passend geachte veilingwijze die in de verkoopvoorwaarden wordt omschreven en die de nodige waarborgen biedt voor het bekomen van een eerlijke prijs.
De openbare verkoop verloopt volgens een door de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar passend geachte veilingwijze die in de verkoopvoorwaarden wordt omschreven en die de nodige waarborgen biedt voor het bekomen van een eerlijke prijs.
Art. 2.2.6.42. Mode d'adjudication
La vente publique se déroule selon un mode de vente réputé adéquat par l'officier public ou ministériel désigné, tel qu'il est décrit dans les conditions de vente et qui offre les garanties nécessaires pour obtenir un prix équitable.
La vente publique se déroule selon un mode de vente réputé adéquat par l'officier public ou ministériel désigné, tel qu'il est décrit dans les conditions de vente et qui offre les garanties nécessaires pour obtenir un prix équitable.
Art. 2.2.6.43. Hoger bod
Iedere persoon heeft recht een hoger bod te doen gedurende vijftien dagen na de verkoop en in de vormen en onder de voorwaarden gesteld in artikel 1592 van het Gerechtelijk Wetboek. In afwijking van artikel 1592, laatste lid van het Gerechtelijk Wetboek, kan echter niet ter zitting worden beslist dat de formaliteit van het hoger bod niet zal worden toegepast.
In geval de formaliteit van het hoger bod wordt toegepast, handelt de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar zoals bepaald is in de artikel en 1593 en 1594 van het Gerechtelijk Wetboek.
Iedere persoon heeft recht een hoger bod te doen gedurende vijftien dagen na de verkoop en in de vormen en onder de voorwaarden gesteld in artikel 1592 van het Gerechtelijk Wetboek. In afwijking van artikel 1592, laatste lid van het Gerechtelijk Wetboek, kan echter niet ter zitting worden beslist dat de formaliteit van het hoger bod niet zal worden toegepast.
In geval de formaliteit van het hoger bod wordt toegepast, handelt de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar zoals bepaald is in de artikel en 1593 en 1594 van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 2.2.6.43. Surenchère
Toute personne a le droit de surenchérir pendant les quinze jours qui suivent la vente, dans les formes et aux conditions prévues à l'article 1592 du Code judiciaire. Par dérogation à l'article 1592, dernier alinéa, du Code judiciaire, il n'est cependant pas possible de décider à l'audience que la formalité de la surenchère ne sera pas appliquée.
Si la formalité de la surenchère est appliquée, l'officier public ou ministériel désigné procède ainsi qu'il est dit aux articles 1593 et 1594 du Code judiciaire.
Toute personne a le droit de surenchérir pendant les quinze jours qui suivent la vente, dans les formes et aux conditions prévues à l'article 1592 du Code judiciaire. Par dérogation à l'article 1592, dernier alinéa, du Code judiciaire, il n'est cependant pas possible de décider à l'audience que la formalité de la surenchère ne sera pas appliquée.
Si la formalité de la surenchère est appliquée, l'officier public ou ministériel désigné procède ainsi qu'il est dit aux articles 1593 et 1594 du Code judiciaire.
Art. 2.2.6.44. Vordering tot nietigverklaring
Een uittreksel uit de akte van toewijzing wordt betekend aan de beslagen schuldenaar, aan de scheepseigenaar indien hij niet de schuldenaar is, aan alle ingeschreven schuldeisers en aan degenen die zich hebben aangemeld.
Het uittreksel bevat de naam, de voornaam en de woonplaats van de beslaglegger, van de partij tegen wie het beslag geschiedt en van de koper, de dag van de toewijzing, de prijs waarvoor de toewijzing is gedaan en de naam van de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar die de verkoop heeft gehouden.
Op straffe van verval worden de vorderingen tot nietigverklaring ingesteld binnen acht dagen na de betekening.
Een uittreksel uit de akte van toewijzing wordt betekend aan de beslagen schuldenaar, aan de scheepseigenaar indien hij niet de schuldenaar is, aan alle ingeschreven schuldeisers en aan degenen die zich hebben aangemeld.
Het uittreksel bevat de naam, de voornaam en de woonplaats van de beslaglegger, van de partij tegen wie het beslag geschiedt en van de koper, de dag van de toewijzing, de prijs waarvoor de toewijzing is gedaan en de naam van de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar die de verkoop heeft gehouden.
Op straffe van verval worden de vorderingen tot nietigverklaring ingesteld binnen acht dagen na de betekening.
Art. 2.2.6.44. Demande en nullité
Un extrait de l'acte d'adjudication est signifié au débiteur saisi, au propriétaire du navire s'il n'est pas le débiteur, à tous les créanciers inscrits et à ceux qui se sont fait connaître.
L'extrait contient les nom, prénom et domicile du saisissant, de la partie saisie et de l'adjudicataire, le jour de l'adjudication, le prix pour lequel elle a été faite, et le nom de l'officier public ou ministériel désigné qui a procédé à la vente.
Les demandes en nullité sont formulées, à peine de déchéance, dans les huit jours de cette signification.
Un extrait de l'acte d'adjudication est signifié au débiteur saisi, au propriétaire du navire s'il n'est pas le débiteur, à tous les créanciers inscrits et à ceux qui se sont fait connaître.
L'extrait contient les nom, prénom et domicile du saisissant, de la partie saisie et de l'adjudicataire, le jour de l'adjudication, le prix pour lequel elle a été faite, et le nom de l'officier public ou ministériel désigné qui a procédé à la vente.
Les demandes en nullité sont formulées, à peine de déchéance, dans les huit jours de cette signification.
Art. 2.2.6.45. Einde van de dienst van de gezagvoerder
De definitieve toewijzing van het schip doet de dienst van de gezagvoerder ophouden.
De definitieve toewijzing van het schip doet de dienst van de gezagvoerder ophouden.
Art. 2.2.6.45. Fin du service du commandant
L'adjudication définitive du navire fait cesser les fonctions du commandant.
L'adjudication définitive du navire fait cesser les fonctions du commandant.
Art. 2.2.6.46. In gebreke blijven en wederverkoop
Voldoet de koper niet aan de voorwaarden van de toewijzing, dan wordt het schip ten laste van hem aan wie het toegewezen is, verkocht na een ingebrekestelling die betekend is aan de in gebreke blijvende koper en zonder gevolg is gebleven binnen drie dagen na de betekening.
De wederverkoop geschiedt door de reeds aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar, onder dezelfde veilingsvoorwaarden doch na nieuwe bekendmakingen in de vormen en onder de voorwaarden voorgeschreven in artikel 2.2.6.40.
Voldoet de koper na ingebrekestelling alsnog aan de voorwaarden van de toewijzing, dan wordt het bewijs van de voldoening door de koper betekend aan de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar en aan degene die de ingebrekestelling heeft laten verrichten.
Voldoet de koper niet aan de voorwaarden van de toewijzing, dan wordt het schip ten laste van hem aan wie het toegewezen is, verkocht na een ingebrekestelling die betekend is aan de in gebreke blijvende koper en zonder gevolg is gebleven binnen drie dagen na de betekening.
De wederverkoop geschiedt door de reeds aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar, onder dezelfde veilingsvoorwaarden doch na nieuwe bekendmakingen in de vormen en onder de voorwaarden voorgeschreven in artikel 2.2.6.40.
Voldoet de koper na ingebrekestelling alsnog aan de voorwaarden van de toewijzing, dan wordt het bewijs van de voldoening door de koper betekend aan de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar en aan degene die de ingebrekestelling heeft laten verrichten.
Art. 2.2.6.46. Folle enchère et revente
Faute par l'adjudicataire d'exécuter les clauses de l'adjudication, le navire est vendu à la folle enchère, après une mise en demeure signifiée au fol enchérisseur, et non suivie d'effet dans les trois jours de la signification.
La revente a lieu par l'officier public ou ministériel déjà désigné, selon les mêmes conditions de vente, mais après de nouvelles publications, dans les formes et aux conditions prescrites par l'article 2.2.6.40.
Si l'acheteur, après mise en demeure, satisfait encore aux conditions de l'adjudication, la preuve de leur exécution par l'acheteur est signifiée à l'officier public ou ministériel désigné et à celui qui a procédé à la mise en demeure.
Faute par l'adjudicataire d'exécuter les clauses de l'adjudication, le navire est vendu à la folle enchère, après une mise en demeure signifiée au fol enchérisseur, et non suivie d'effet dans les trois jours de la signification.
La revente a lieu par l'officier public ou ministériel déjà désigné, selon les mêmes conditions de vente, mais après de nouvelles publications, dans les formes et aux conditions prescrites par l'article 2.2.6.40.
Si l'acheteur, après mise en demeure, satisfait encore aux conditions de l'adjudication, la preuve de leur exécution par l'acheteur est signifiée à l'officier public ou ministériel désigné et à celui qui a procédé à la mise en demeure.
Art. 2.2.6.47. Overgang van rechten op de prijs
Onder voorbehoud van de volgende bepalingen, gaan de rechten van de ingeschreven schuldeisers over op de prijs van de toewijzing.
Onder voorbehoud van de volgende bepalingen, gaan de rechten van de ingeschreven schuldeisers over op de prijs van de toewijzing.
Art. 2.2.6.47. Report des droits sur le prix
Sous réserve des dispositions suivantes, les droits des créanciers inscrits sont reportés sur le prix de l'adjudication.
Sous réserve des dispositions suivantes, les droits des créanciers inscrits sont reportés sur le prix de l'adjudication.
Art. 2.2.6.48. Te betalen bedragen
De aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar geeft aan de koper een bewijs af, waarin de bedragen zijn vermeld die hij op grond van de verkoop gehouden is te betalen, te weten :
1° de prijs;
2° de interesten;
3° de kosten, rechten en erelonen;
4° alle andere bijkomende kosten.
De aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar geeft aan de koper een bewijs af, waarin de bedragen zijn vermeld die hij op grond van de verkoop gehouden is te betalen, te weten :
1° de prijs;
2° de interesten;
3° de kosten, rechten en erelonen;
4° alle andere bijkomende kosten.
Art. 2.2.6.48. Sommes à payer
L'officier public ou ministériel désigné délivre à l'adjudicataire un certificat indiquant les sommes dont il est tenu à la suite de la vente, à savoir :
1° le prix;
2° les intérêts;
3° les frais, droits et honoraires;
4° tous autres accessoires.
L'officier public ou ministériel désigné délivre à l'adjudicataire un certificat indiquant les sommes dont il est tenu à la suite de la vente, à savoir :
1° le prix;
2° les intérêts;
3° les frais, droits et honoraires;
4° tous autres accessoires.
Art. 2.2.6.49. Betaling
De koper betaalt de in artikel 2.2.6.48, 1°, 2° en 4°, bedoelde bedragen op de in de verkoopvoorwaarden bepaalde wijze.
Hij betaalt het in artikel 2.2.6.48, 3°, bedoelde bedrag in handen van de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar.
Door deze betalingen is de koper bevrijd.
De koper betaalt de in artikel 2.2.6.48, 1°, 2° en 4°, bedoelde bedragen op de in de verkoopvoorwaarden bepaalde wijze.
Hij betaalt het in artikel 2.2.6.48, 3°, bedoelde bedrag in handen van de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar.
Door deze betalingen is de koper bevrijd.
Art. 2.2.6.49. Paiement
L'adjudicataire paie les montants dont il est question à l'article 2.2.6.48, 1°, 2° et 4° de la manière déterminée dans les conditions de vente.
Il paie le montant visé à l'article 2.2.6.48, 3°, entre les mains de l'officier public ou ministériel désigné.
L'acheteur est libéré par ces paiements.
L'adjudicataire paie les montants dont il est question à l'article 2.2.6.48, 1°, 2° et 4° de la manière déterminée dans les conditions de vente.
Il paie le montant visé à l'article 2.2.6.48, 3°, entre les mains de l'officier public ou ministériel désigné.
L'acheteur est libéré par ces paiements.
Art. 2.2.6.50. Aanstelling van een vereffenaar
De aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar legt het dossier van de procedure van toewijzing en rangregeling neer ter griffie van de beslagrechter. Hij dient bij de beslagrechter een verzoek in om een vereffenaar te doen aanstellen.
Het dossier en het verzoekschrift worden neergelegd binnen acht dagen, te rekenen :
1° van het verstrijken van de termijn van acht dagen, bepaald in 2.2.6.49, indien de toewijzing binnen die termijn niet bestreden wordt;
2° van het verstrijken van de termijn van een maand na het wijzen van het vonnis waarbij op de vordering tot nietigverklaring is beschikt; of
3° ingeval tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld, te rekenen van de aanzegging van het arrest aan de benoemde openbare of ministeriële ambtenaar door de meest gerede partij.
De artikel en 2.3.2.51, § 1, 2, 3, 4, 6, tweede lid en 7 en 3.3.3.21, § 1, 2, 3, 4, 6, tweede lid en 7 zijn op de vereffenaar van overeenkomstige toepassing.
De aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar legt het dossier van de procedure van toewijzing en rangregeling neer ter griffie van de beslagrechter. Hij dient bij de beslagrechter een verzoek in om een vereffenaar te doen aanstellen.
Het dossier en het verzoekschrift worden neergelegd binnen acht dagen, te rekenen :
1° van het verstrijken van de termijn van acht dagen, bepaald in 2.2.6.49, indien de toewijzing binnen die termijn niet bestreden wordt;
2° van het verstrijken van de termijn van een maand na het wijzen van het vonnis waarbij op de vordering tot nietigverklaring is beschikt; of
3° ingeval tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld, te rekenen van de aanzegging van het arrest aan de benoemde openbare of ministeriële ambtenaar door de meest gerede partij.
De artikel en 2.3.2.51, § 1, 2, 3, 4, 6, tweede lid en 7 en 3.3.3.21, § 1, 2, 3, 4, 6, tweede lid en 7 zijn op de vereffenaar van overeenkomstige toepassing.
Art. 2.2.6.50. Désignation d'un liquidateur
Le dossier de la procédure d'adjudication et d'ordre est déposé au greffe du juge des saisies par l'officier public ou ministériel désigné. Celui-ci présente une requête au juge des saisies aux fins de faire désigner un liquidateur.
Le dépôt du dossier et de la requête a lieu dans les huit jours à compter de :
1° l'expiration du délai de huit jours prévu à l'article 2.2.6.49, si, dans ce délai, l'adjudication n'est pas attaquée;
2° l'expiration du délai d'un mois après la prononciation du jugement qui a statué sur la demande en nullité; ou
3° en cas d'appel du jugement, de la dénonciation de l'arrêt à l'officier public ou ministériel commis, par la partie la plus diligente.
Les articles 2.3.2.51, § 1er, 2, 3, 4, 6, alinéas 2 et 7 et 3.3.3.21, § 1er, 2, 3, 4, 6, alinéas 2 et 7, sont applicables au liquidateur par analogie.
Le dossier de la procédure d'adjudication et d'ordre est déposé au greffe du juge des saisies par l'officier public ou ministériel désigné. Celui-ci présente une requête au juge des saisies aux fins de faire désigner un liquidateur.
Le dépôt du dossier et de la requête a lieu dans les huit jours à compter de :
1° l'expiration du délai de huit jours prévu à l'article 2.2.6.49, si, dans ce délai, l'adjudication n'est pas attaquée;
2° l'expiration du délai d'un mois après la prononciation du jugement qui a statué sur la demande en nullité; ou
3° en cas d'appel du jugement, de la dénonciation de l'arrêt à l'officier public ou ministériel commis, par la partie la plus diligente.
Les articles 2.3.2.51, § 1er, 2, 3, 4, 6, alinéas 2 et 7 et 3.3.3.21, § 1er, 2, 3, 4, 6, alinéas 2 et 7, sont applicables au liquidateur par analogie.
Art. 2.2.6.51. Kennisgeving aan het Belgisch Scheepsregister
Binnen de in artikel 2.2.6.50 bepaalde termijn overhandigt de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar twee ondertekende afschriften van de akte van toewijzing en verkoping aan het Belgisch Scheepsregister.
De aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar geeft aan het Belgisch Scheepsregister tevens het in artikel 2.2.5.46 bedoelde getuigschrift af.
Het Belgisch Scheepsregister schrijft de akte en het getuigschrift in het zeeschepenregister of het binnenschepenregister in.
Is het schip niet in België geregistreerd of teboekgesteld, dan beperkt het Belgisch Scheepsregister zich tot de neerlegging van de stukken in het register van neerlegging.
Binnen de in artikel 2.2.6.50 bepaalde termijn overhandigt de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar twee ondertekende afschriften van de akte van toewijzing en verkoping aan het Belgisch Scheepsregister.
De aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar geeft aan het Belgisch Scheepsregister tevens het in artikel 2.2.5.46 bedoelde getuigschrift af.
Het Belgisch Scheepsregister schrijft de akte en het getuigschrift in het zeeschepenregister of het binnenschepenregister in.
Is het schip niet in België geregistreerd of teboekgesteld, dan beperkt het Belgisch Scheepsregister zich tot de neerlegging van de stukken in het register van neerlegging.
Art. 2.2.6.51. Notification au Registre naval belge
Dans le délai prévu à l'article 2.2.6.50, l'officier public ou ministériel désigné remet deux extraits signés de l'acte d'adjudication et de vente au Registre naval belge.
L'officier public ou ministériel désigné délivre également au Registre naval belge le certificat visé à l'article 2.2.5.46.
Le Registre naval belge inscrit l'acte et le certificat dans le registre des navires de mer ou le registre des bateaux d'intérieur.
Si le navire n'a pas été enregistré ou immatriculé en Belgique, le Registre naval belge se limite au dépôt des pièces dans le registre de dépôts.
Dans le délai prévu à l'article 2.2.6.50, l'officier public ou ministériel désigné remet deux extraits signés de l'acte d'adjudication et de vente au Registre naval belge.
L'officier public ou ministériel désigné délivre également au Registre naval belge le certificat visé à l'article 2.2.5.46.
Le Registre naval belge inscrit l'acte et le certificat dans le registre des navires de mer ou le registre des bateaux d'intérieur.
Si le navire n'a pas été enregistré ou immatriculé en Belgique, le Registre naval belge se limite au dépôt des pièces dans le registre de dépôts.
Art. 2.2.6.52. Bekendmaking
Binnen vijftien dagen nadat de griffier hem kennis heeft gegeven van de beschikking van de beslagrechter, zendt de vereffenaar aan de ingeschreven en de verzetdoende schuldeisers en aan degenen die zich aan de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar kenbaar hebben gemaakt, een bericht om hen te laten weten dat hij benoemd is en dat zij overeenkomstig artikel 2.2.6.58 ter griffie aangifte moeten doen.
Het bericht wordt door de zorg van de vereffenaar binnen dezelfde termijn bekendgemaakt :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
Binnen vijftien dagen nadat de griffier hem kennis heeft gegeven van de beschikking van de beslagrechter, zendt de vereffenaar aan de ingeschreven en de verzetdoende schuldeisers en aan degenen die zich aan de aangestelde openbare of ministeriële ambtenaar kenbaar hebben gemaakt, een bericht om hen te laten weten dat hij benoemd is en dat zij overeenkomstig artikel 2.2.6.58 ter griffie aangifte moeten doen.
Het bericht wordt door de zorg van de vereffenaar binnen dezelfde termijn bekendgemaakt :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
Art. 2.2.6.52. Publication
Dans les quinze jours de la notification qui lui est faite par le greffier de l'ordonnance du juge des saisies, le liquidateur adresse aux créanciers inscrits et opposants et à ceux qui se sont fait connaître à l'officier public ou ministériel désigné, un avis par lequel il les informe de sa nomination et de la déclaration qu'ils ont à faire au greffe, conformément à l'article 2.2.6.58.
L'avis est publié, dans le même délai, par les soins du liquidateur :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
Dans les quinze jours de la notification qui lui est faite par le greffier de l'ordonnance du juge des saisies, le liquidateur adresse aux créanciers inscrits et opposants et à ceux qui se sont fait connaître à l'officier public ou ministériel désigné, un avis par lequel il les informe de sa nomination et de la déclaration qu'ils ont à faire au greffe, conformément à l'article 2.2.6.58.
L'avis est publié, dans le même délai, par les soins du liquidateur :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
Art. 2.2.6.53. Aangifte van schuldvorderingen
Binnen een maand na de verzending door de vereffenaar van het bericht bedoeld in artikel 2.2.6.52 moeten de schuldeisers, op straffe van verval van hun rechten op de prijs van de toewijzing, aan de griffie van de ondernemingsrechtbank de aangifte doen geworden van het bedrag of van de voorlopige raming van hun schuldvordering en, indien daartoe grond bestaat, van het scheepsvoorrecht of van de scheepshypotheek waarop zij aanspraak maken en van de rechtsvorderingen die zij hebben ingesteld.
Deze aangifte bevat keuze van woonplaats in het gerechtelijk arrondissement waar het schip in beslag is genomen.
De bewijsstukken worden bijgevoegd.
Binnen een maand na de verzending door de vereffenaar van het bericht bedoeld in artikel 2.2.6.52 moeten de schuldeisers, op straffe van verval van hun rechten op de prijs van de toewijzing, aan de griffie van de ondernemingsrechtbank de aangifte doen geworden van het bedrag of van de voorlopige raming van hun schuldvordering en, indien daartoe grond bestaat, van het scheepsvoorrecht of van de scheepshypotheek waarop zij aanspraak maken en van de rechtsvorderingen die zij hebben ingesteld.
Deze aangifte bevat keuze van woonplaats in het gerechtelijk arrondissement waar het schip in beslag is genomen.
De bewijsstukken worden bijgevoegd.
Art. 2.2.6.53. Déclaration de créances
Dans le mois de l'envoi de l'avis visé à l'article 2.2.6.52 qui leur est adressé par le liquidateur, les créanciers doivent faire parvenir au greffe du tribunal de l'entreprise, à peine de déchéance de leurs droits sur le prix de l'adjudication, la déclaration du montant de leur créance ou de son estimation provisoire et, le cas échéant, du privilège sur navire ou de l'hypothèque sur navire auquel ils prétendent et des demandes en justice qu'ils ont introduites.
Cette déclaration contient élection de domicile dans l'arrondissement judiciaire où le navire est saisi.
Les pièces justificatives y sont jointes.
Dans le mois de l'envoi de l'avis visé à l'article 2.2.6.52 qui leur est adressé par le liquidateur, les créanciers doivent faire parvenir au greffe du tribunal de l'entreprise, à peine de déchéance de leurs droits sur le prix de l'adjudication, la déclaration du montant de leur créance ou de son estimation provisoire et, le cas échéant, du privilège sur navire ou de l'hypothèque sur navire auquel ils prétendent et des demandes en justice qu'ils ont introduites.
Cette déclaration contient élection de domicile dans l'arrondissement judiciaire où le navire est saisi.
Les pièces justificatives y sont jointes.
Art. 2.2.6.54. Stuiting van de verjaring
De verjaring van de schuldvordering houdt op te lopen vanaf de datum waarop de aangifte verzonden is, indien deze binnen de termijnen op de griffie van de ondernemingsrechtbank is toegekomen.
De verjaring van de schuldvordering houdt op te lopen vanaf de datum waarop de aangifte verzonden is, indien deze binnen de termijnen op de griffie van de ondernemingsrechtbank is toegekomen.
Art. 2.2.6.54. Interruption de la prescription
La prescription de la créance cesse de courir à partir de la date de l'envoi de la déclaration si celle-ci est parvenue au greffe du tribinal d'entreprise dans les délais.
La prescription de la créance cesse de courir à partir de la date de l'envoi de la déclaration si celle-ci est parvenue au greffe du tribinal d'entreprise dans les délais.
Art. 2.2.6.55. Lijst van de schuldvorderingen en advies
Bij het verstrijken van de termijn voor aangifte van de schuldvorderingen legt de vereffenaar binnen de maand de lijst van de aangegeven schuldvorderingen ter griffie van de ondernemingsrechtbank neer, met vermelding van de scheepshypotheken en de scheepsvoorrechten waarop de schuldeisers zich beroepen.
Hij voegt hierbij zijn advies over de gegrondheid van deze schuldvorderingen, de scheepszekerheidsrechten en een ontwerp van verdeling of van rangregeling.
Bij het verstrijken van de termijn voor aangifte van de schuldvorderingen legt de vereffenaar binnen de maand de lijst van de aangegeven schuldvorderingen ter griffie van de ondernemingsrechtbank neer, met vermelding van de scheepshypotheken en de scheepsvoorrechten waarop de schuldeisers zich beroepen.
Hij voegt hierbij zijn advies over de gegrondheid van deze schuldvorderingen, de scheepszekerheidsrechten en een ontwerp van verdeling of van rangregeling.
Art. 2.2.6.55. Liste des créances et avis
A l'expiration du délai de déclaration des créances, le liquidateur dépose au greffe du tribunal de l'entreprise, dans le mois, la liste des créances déclarées avec la mention des hypothèques sur navire et des privilèges sur navire invoqués par les créanciers.
Il y joint son avis au sujet du fondement de ces créances, les sûretés sur navires et un projet de distribution ou d'ordre.
A l'expiration du délai de déclaration des créances, le liquidateur dépose au greffe du tribunal de l'entreprise, dans le mois, la liste des créances déclarées avec la mention des hypothèques sur navire et des privilèges sur navire invoqués par les créanciers.
Il y joint son avis au sujet du fondement de ces créances, les sûretés sur navires et un projet de distribution ou d'ordre.
Art. 2.2.6.56. Berechting van geschillen
Binnen acht dagen nadat de vereffenaar de in artikel 2.2.6.55 bepaalde stukken heeft neergelegd, roept de griffier de vereffenaar, de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt en de schuldeiser bij gerechtsbrief en binnen de termijnen van dagvaarding op om voor de ondernemingsrechtbank te verschijnen op dag en uur door de rechter vooraf bepaald, ten einde aldaar uitspraak te horen doen over de geschillen inzake schuldvorderingen en, indien daartoe grond bestaat, over de tegenspraken omtrent de rang van de scheepszekerheidsrechten.
De schuldeisers kunnen op de griffie van de ondernemingsrechtbank inzage nemen van het dossier.
Binnen acht dagen nadat de vereffenaar de in artikel 2.2.6.55 bepaalde stukken heeft neergelegd, roept de griffier de vereffenaar, de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt en de schuldeiser bij gerechtsbrief en binnen de termijnen van dagvaarding op om voor de ondernemingsrechtbank te verschijnen op dag en uur door de rechter vooraf bepaald, ten einde aldaar uitspraak te horen doen over de geschillen inzake schuldvorderingen en, indien daartoe grond bestaat, over de tegenspraken omtrent de rang van de scheepszekerheidsrechten.
De schuldeisers kunnen op de griffie van de ondernemingsrechtbank inzage nemen van het dossier.
Art. 2.2.6.56. Règlement des litiges
Dans les huit jours du dépôt par le liquidateur des pièces prévues à l'article 2.2.6.55, le greffier convoque sous pli judiciaire et dans les délais de citation, le liquidateur, le débiteur saisi et le créancier, à comparaître devant le tribunal de l'entreprise, aux jour et heure préalablement fixés par le juge, pour y entendre statuer sur les contestations des créances et, s'il y échet, sur les contredits relatifs au rang des sûretés sur navires.
Les créanciers peuvent prendre connaissance du dossier au greffe du tribunal de l'entreprise.
Dans les huit jours du dépôt par le liquidateur des pièces prévues à l'article 2.2.6.55, le greffier convoque sous pli judiciaire et dans les délais de citation, le liquidateur, le débiteur saisi et le créancier, à comparaître devant le tribunal de l'entreprise, aux jour et heure préalablement fixés par le juge, pour y entendre statuer sur les contestations des créances et, s'il y échet, sur les contredits relatifs au rang des sûretés sur navires.
Les créanciers peuvent prendre connaissance du dossier au greffe du tribunal de l'entreprise.
Art. 2.2.6.57. Conclusies
De geschillen en tegenspraken worden voorgelegd in de vorm van conclusies.
De geschillen en tegenspraken worden voorgelegd in de vorm van conclusies.
Art. 2.2.6.57. Conclusions
Les contestations et les contredits sont produits sous forme de conclusions.
Les contestations et les contredits sont produits sous forme de conclusions.
Art. 2.2.6.58. Hangende gedingen
Indien een schuldvordering vóór haar aangifte het voorwerp is geweest van een rechtsvordering waarover geen uitspraak is gedaan in een eindbeslissing over de zaak zelf, wordt deze vordering, volgens de regels bepaald in de artikel en 661 tot 663 van het Gerechtelijk Wetboek, verwezen naar de ondernemingsrechtbank waarbij het onderzoek van de schuldvorderingen aanhangig is.
Indien de vordering onderworpen is geweest aan de rechter in hoger beroep, doet de griffier, op verzoek van de vereffenaar een afschrift van de beslissing in hoger beroep toekomen aan de ondernemingsrechtbank waarbij het geschil inzake de schuldvorderingen aanhangig is.
Indien een schuldvordering vóór haar aangifte het voorwerp is geweest van een rechtsvordering waarover geen uitspraak is gedaan in een eindbeslissing over de zaak zelf, wordt deze vordering, volgens de regels bepaald in de artikel en 661 tot 663 van het Gerechtelijk Wetboek, verwezen naar de ondernemingsrechtbank waarbij het onderzoek van de schuldvorderingen aanhangig is.
Indien de vordering onderworpen is geweest aan de rechter in hoger beroep, doet de griffier, op verzoek van de vereffenaar een afschrift van de beslissing in hoger beroep toekomen aan de ondernemingsrechtbank waarbij het geschil inzake de schuldvorderingen aanhangig is.
Art. 2.2.6.58. Instances pendantes
Si avant d'être déclarée, une créance a fait l'objet d'une demande en justice sur laquelle il n'a pas été statué par une décision définitive au fond, cette demande est renvoyée au tribunal de l'entreprise de saisi de l'examen des créances, selon les règles énoncées aux articles 661 à 663 du Code judiciaire.
Si la demande a été soumise au juge d'appel, une copie de la décision d'appel est transmise, à la diligence du liquidateur, par les soins du greffier, au tribunal de l'entreprise saisi de la contestation des créances.
Si avant d'être déclarée, une créance a fait l'objet d'une demande en justice sur laquelle il n'a pas été statué par une décision définitive au fond, cette demande est renvoyée au tribunal de l'entreprise de saisi de l'examen des créances, selon les règles énoncées aux articles 661 à 663 du Code judiciaire.
Si la demande a été soumise au juge d'appel, une copie de la décision d'appel est transmise, à la diligence du liquidateur, par les soins du greffier, au tribunal de l'entreprise saisi de la contestation des créances.
Art. 2.2.6.59. Vonnis
Na het advies van de vereffenaar te hebben gehoord, doet de ondernemingsrechtbank bij een enkel vonnis uitspraak over de gezamenlijke geschillen en tegenspraken die haar zijn voorgelegd. Zij sluit de tabel van de verdeling der gelden af.
Zijn sommige geschillen echter niet in staat van wijzen, dan kan de rechtbank de rechten van de partijen vereffenen, met inbegrip van het bedrag van de betwiste schuldvorderingen dat, voorlopig in consignatie gegeven, later in dezelfde vormen wordt verdeeld indien daartoe grond bestaat.
Tegen het vonnis staat geen verzet open.
Na het advies van de vereffenaar te hebben gehoord, doet de ondernemingsrechtbank bij een enkel vonnis uitspraak over de gezamenlijke geschillen en tegenspraken die haar zijn voorgelegd. Zij sluit de tabel van de verdeling der gelden af.
Zijn sommige geschillen echter niet in staat van wijzen, dan kan de rechtbank de rechten van de partijen vereffenen, met inbegrip van het bedrag van de betwiste schuldvorderingen dat, voorlopig in consignatie gegeven, later in dezelfde vormen wordt verdeeld indien daartoe grond bestaat.
Tegen het vonnis staat geen verzet open.
Art. 2.2.6.59. Jugement
Le tribunal du commerce, après avoir entendu le liquidateur en son avis, statue par un seul jugement sur l'ensemble des contestations et des contredits qui lui ont été soumis. Il arrête le tableau de répartition des deniers.
Néanmoins, si certaines contestations n'étaient pas en état d'être jugées, le tribunal peut liquider les droits des parties en y comprenant le montant des créances contestées, lequel, provisoirement consigné, est ultérieurement distribué dans les mêmes formes, s'il y échet.
Le jugement n'est pas susceptible d'opposition.
Le tribunal du commerce, après avoir entendu le liquidateur en son avis, statue par un seul jugement sur l'ensemble des contestations et des contredits qui lui ont été soumis. Il arrête le tableau de répartition des deniers.
Néanmoins, si certaines contestations n'étaient pas en état d'être jugées, le tribunal peut liquider les droits des parties en y comprenant le montant des créances contestées, lequel, provisoirement consigné, est ultérieurement distribué dans les mêmes formes, s'il y échet.
Le jugement n'est pas susceptible d'opposition.
Art. 2.2.6.60. Interesten
De interesten en rentetermijnen, verschuldigd aan de gerangschikte schuldeisers, houden op te lopen vanaf de toewijzing.
De interesten en rentetermijnen, verschuldigd aan de gerangschikte schuldeisers, houden op te lopen vanaf de toewijzing.
Art. 2.2.6.60. Intérêts
Les intérêts et arrérages dus aux créanciers colloqués cessent de courir à partir de l'adjudication.
Les intérêts et arrérages dus aux créanciers colloqués cessent de courir à partir de l'adjudication.
Art. 2.2.6.61. Kennisgeving van het vonnis
Binnen acht dagen geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van het vonnis aan de vereffenaar en aan de partijen.
Binnen acht dagen geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van het vonnis aan de vereffenaar en aan de partijen.
Art. 2.2.6.61. Notification du jugement
Dans les huit jours, le greffier notifie le jugement, sous pli judiciaire, au liquidateur et aux parties.
Dans les huit jours, le greffier notifie le jugement, sous pli judiciaire, au liquidateur et aux parties.
Art. 2.2.6.62. Afzonderlijke berechting van schuldvorderingen
Op dezelfde wijze als in het vorige artikel bepaald wordt gehandeld voor de eisen betreffende de schuldvorderingen waarover nog uitspraak moet worden gedaan.
Worden zij afgewezen, dan wordt hun bedrag, overeenkomstig de verdelingstabel, verdeeld over de definitief in aanmerking genomen schuldeisers.
Op dezelfde wijze als in het vorige artikel bepaald wordt gehandeld voor de eisen betreffende de schuldvorderingen waarover nog uitspraak moet worden gedaan.
Worden zij afgewezen, dan wordt hun bedrag, overeenkomstig de verdelingstabel, verdeeld over de definitief in aanmerking genomen schuldeisers.
Art. 2.2.6.62. Règlement séparé des créances
Il est procédé de la même manière qu'indiqué dans l'article précédent pour les demandes relatives aux créances dont le jugement a été réservé.
Si elles sont rejetées, leur montant est réparti entre les créanciers définitivement admis, conformément au tableau de répartition.
Il est procédé de la même manière qu'indiqué dans l'article précédent pour les demandes relatives aux créances dont le jugement a été réservé.
Si elles sont rejetées, leur montant est réparti entre les créanciers définitivement admis, conformément au tableau de répartition.
Art. 2.2.6.63. Aanwending van de prijs
De prijs van de toewijzing wordt bij voorkeur aangewend tot betaling van de schuldvorderingen die in aanmerking zijn genomen in het definitief proces-verbaal van verdeling of van rangregeling.
Deze aanwending kan worden ingeroepen tegen alle andere schuldeisers en, indien daartoe grond bestaat, tegen het faillissement van de schuldenaar, dat na de toewijzing is uitgesproken, of de gerechtelijke reorganisatie van de schuldenaar, die na de toewijzing is gehomologeerd of bevolen.
De prijs van de toewijzing wordt bij voorkeur aangewend tot betaling van de schuldvorderingen die in aanmerking zijn genomen in het definitief proces-verbaal van verdeling of van rangregeling.
Deze aanwending kan worden ingeroepen tegen alle andere schuldeisers en, indien daartoe grond bestaat, tegen het faillissement van de schuldenaar, dat na de toewijzing is uitgesproken, of de gerechtelijke reorganisatie van de schuldenaar, die na de toewijzing is gehomologeerd of bevolen.
Art. 2.2.6.63. Affectation du prix
Le prix d'adjudication est affecté par préférence au paiement des créances admises au procès-verbal définitif de distribution ou d'ordre.
Cette affectation est opposable à tous autres créanciers et, le cas échéant, à la faillite du débiteur, prononcée après l'adjudication ou la réorganisation judiciaire du débiteur qui est homologuée ou ordonnée après l'adjudication.
Le prix d'adjudication est affecté par préférence au paiement des créances admises au procès-verbal définitif de distribution ou d'ordre.
Cette affectation est opposable à tous autres créanciers et, le cas échéant, à la faillite du débiteur, prononcée après l'adjudication ou la réorganisation judiciaire du débiteur qui est homologuée ou ordonnée après l'adjudication.
Art. 2.2.6.64. Hoger beroep
De griffier van het hof geeft aan de vereffenaar bericht van het hoger beroep en van de bepaling van de dag waarop het wordt opgeroepen.
Van het arrest, gewezen nadat het advies van de vereffenaar is gehoord, wordt hem, terzelfdertijd als aan partijen, door de griffier bij gerechtsbrief kennis gegeven.
De griffier van het hof geeft aan de vereffenaar bericht van het hoger beroep en van de bepaling van de dag waarop het wordt opgeroepen.
Van het arrest, gewezen nadat het advies van de vereffenaar is gehoord, wordt hem, terzelfdertijd als aan partijen, door de griffier bij gerechtsbrief kennis gegeven.
Art. 2.2.6.64. Appel
Le liquidateur est averti de l'appel et de la fixation du jour par les soins du greffier de la cour.
L'arrêt, rendu après l'audition du liquidateur en son avis, lui est notifié par le greffier sous pli judiciaire, en même temps qu'aux parties.
Le liquidateur est averti de l'appel et de la fixation du jour par les soins du greffier de la cour.
L'arrêt, rendu après l'audition du liquidateur en son avis, lui est notifié par le greffier sous pli judiciaire, en même temps qu'aux parties.
Art. 2.2.6.65. Borderellen van toewijzing
Binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van hoger beroep of, indien daartoe grond bestaat, binnen vijftien dagen na de kennisgeving van het arrest, geeft de vereffenaar aan de schuldeisers de borderellen van toewijzing af.
Deze worden opgemaakt voor het bedrag dat aan de schuldeisers is toegekend, onder aftrek van het deel der kosten en erelonen van de vereffenaar.
De borderellen worden uitvoerbaar verklaard door de beslagrechter.
Binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van hoger beroep of, indien daartoe grond bestaat, binnen vijftien dagen na de kennisgeving van het arrest, geeft de vereffenaar aan de schuldeisers de borderellen van toewijzing af.
Deze worden opgemaakt voor het bedrag dat aan de schuldeisers is toegekend, onder aftrek van het deel der kosten en erelonen van de vereffenaar.
De borderellen worden uitvoerbaar verklaard door de beslagrechter.
Art. 2.2.6.65. Bordereaux de collocation
Dans les quinze jours qui suivent l'expiration du délai d'appel ou, le cas échéant, dans les quinze jours qui suivent la notification de l'arrêt, le liquidateur délivre aux créanciers les bordereaux de collocation.
Ceux-ci sont établis pour le montant qui a été attribué aux créanciers sous déduction du prorata des frais et honoraires du liquidateur.
Les bordereaux sont déclarés exécutoires par le juge des saisies.
Dans les quinze jours qui suivent l'expiration du délai d'appel ou, le cas échéant, dans les quinze jours qui suivent la notification de l'arrêt, le liquidateur délivre aux créanciers les bordereaux de collocation.
Ceux-ci sont établis pour le montant qui a été attribué aux créanciers sous déduction du prorata des frais et honoraires du liquidateur.
Les bordereaux sont déclarés exécutoires par le juge des saisies.
Art. 2.2.6.66. Kwijting
De schuldeisers geven kwijting voor het bedrag dat hun toegewezen is en brengen het in mindering van hun vordering.
De schuldeisers geven kwijting voor het bedrag dat hun toegewezen is en brengen het in mindering van hun vordering.
Art. 2.2.6.66. Quittance
Les créanciers donnent quittance de leur collocation et la déduisent de leur créance.
Les créanciers donnent quittance de leur collocation et la déduisent de leur créance.
Art. 2.2.6.67. Kosten en erelonen van de vereffenaar
De staat der kosten en erelonen van de vereffenaar wordt begroot door de beslagrechter, die tevens in de loop van de vereffening kan bevelen dat aan de vereffenaar een voorschot wordt gestort.
De beschikking tot begroting bepaalt de verdeling van het bedrag der kosten en erelonen naar evenredigheid van de geplaatste bedragen.
De toegewezen bedragen worden betaald aan de vereffenaar, op overlegging van de uitgifte van de beschikking.
De staat der kosten en erelonen van de vereffenaar wordt begroot door de beslagrechter, die tevens in de loop van de vereffening kan bevelen dat aan de vereffenaar een voorschot wordt gestort.
De beschikking tot begroting bepaalt de verdeling van het bedrag der kosten en erelonen naar evenredigheid van de geplaatste bedragen.
De toegewezen bedragen worden betaald aan de vereffenaar, op overlegging van de uitgifte van de beschikking.
Art. 2.2.6.67. Frais et honoraires du liquidateur
L'état des frais et honoraires du liquidateur est taxé par le juge des saisies qui peut de même, au cours de la liquidation, ordonner le versement d'une provision au liquidateur.
L'ordonnance de taxation détermine la répartition du montant des frais et honoraires au prorata des sommes colloquées.
Les sommes allouées au liquidateur lui sont payées, sur production de l'expédition de l'ordonnance.
L'état des frais et honoraires du liquidateur est taxé par le juge des saisies qui peut de même, au cours de la liquidation, ordonner le versement d'une provision au liquidateur.
L'ordonnance de taxation détermine la répartition du montant des frais et honoraires au prorata des sommes colloquées.
Les sommes allouées au liquidateur lui sont payées, sur production de l'expédition de l'ordonnance.
HOOFDSTUK 7. - Overheidsschepen
CHAPITRE 7. - Navires publics
Afdeling 1. - Belgische overheidsschepen
Section 1ère. - Navires publics belges
Art. 2.2.7.1. Belgische overheidsschepen en hun ladingen
§ 1. Onder voorbehoud van artikel en 2.2.7.2 en andere uitdrukkelijke uitzonderingen zijn Belgische overheidsschepen en hun ladingen aan dit wetboek onderworpen.
§ 2. De vorige paragraaf geldt onverminderd :
1° de uitzonderingen en afwijkingen welke voortvloeien uit toepasselijk supranationaal en internationaal recht;
2° de immuniteit die Belgische overheidsschepen en hun ladingen voor vreemde rechtbanken genieten overeenkomstig het internationaal recht.
§ 1. Onder voorbehoud van artikel en 2.2.7.2 en andere uitdrukkelijke uitzonderingen zijn Belgische overheidsschepen en hun ladingen aan dit wetboek onderworpen.
§ 2. De vorige paragraaf geldt onverminderd :
1° de uitzonderingen en afwijkingen welke voortvloeien uit toepasselijk supranationaal en internationaal recht;
2° de immuniteit die Belgische overheidsschepen en hun ladingen voor vreemde rechtbanken genieten overeenkomstig het internationaal recht.
Art. 2.2.7.1. Navires publics belges et leurs cargaisons
§ 1er. Sous réserve de l'article 2.2.7.2 et des autres dérogations expresses, les navires publics belges et leurs cargaisons sont assujettis au présent code.
§ 2. Le paragraphe précédent s'applique sans préjudice :
1° des exceptions et dérogations qui résultent du droit supranational et international applicable;
2° de l'immunité dont jouissent, en vertu du droit international, les navires publics belges et leurs cargaisons devant des tribunaux étrangers.
§ 1er. Sous réserve de l'article 2.2.7.2 et des autres dérogations expresses, les navires publics belges et leurs cargaisons sont assujettis au présent code.
§ 2. Le paragraphe précédent s'applique sans préjudice :
1° des exceptions et dérogations qui résultent du droit supranational et international applicable;
2° de l'immunité dont jouissent, en vertu du droit international, les navires publics belges et leurs cargaisons devant des tribunaux étrangers.
Art. 2.2.7.2. Beslag op Belgische overheidsschepen
§ 1. Tenzij wanneer op het schip een scheepshypotheek werd gevestigd, kan op Belgische gezagsschepen en de zich aan boord ervan bevindende zaken noch bewarend, noch uitvoerend beslag worden gelegd dan met betrekking tot de gevestigde scheepshypotheek.
§ 2. Artikel 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek is niet op Belgische overheidsschepen van toepassing.
§ 1. Tenzij wanneer op het schip een scheepshypotheek werd gevestigd, kan op Belgische gezagsschepen en de zich aan boord ervan bevindende zaken noch bewarend, noch uitvoerend beslag worden gelegd dan met betrekking tot de gevestigde scheepshypotheek.
§ 2. Artikel 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek is niet op Belgische overheidsschepen van toepassing.
Art. 2.2.7.2. Saisie sur des navires publics belges
§ 1er. A moins qu'une hypothèque sur navire n'ait été constituée sur le navire, ni une saisie conservatoire, ni une saisie-exécution ne peuvent être pratiquées sur les navires de souveraineté belges et les biens se trouvant à leur bord qu'en ce qui concerne l'hypothèque sur navire constituée.
§ 2. L'article 1412bis du Code judiciaire ne s'applique pas aux navires publics belges.
§ 1er. A moins qu'une hypothèque sur navire n'ait été constituée sur le navire, ni une saisie conservatoire, ni une saisie-exécution ne peuvent être pratiquées sur les navires de souveraineté belges et les biens se trouvant à leur bord qu'en ce qui concerne l'hypothèque sur navire constituée.
§ 2. L'article 1412bis du Code judiciaire ne s'applique pas aux navires publics belges.
Afdeling 2. - Vreemde overheidsschepen
Section 2. - Navires publics étrangers
Art. 2.2.7.3. Internationale en materiële toepassing
§ 1. In afwijking van artikel 2.2.7.4, is uitsluitend deze afdeling van toepassing ingeval het vreemde overheidsschip niet behoort tot een Staat die bij het Staatsschepenverdrag 1926 of het Staatsschepenprotocol 1934 Partij is, of ingeval de eiser of de verweerder geen onderdaan van een dergelijke Staat is.
§ 2. Deze afdeling is mede van toepassing op alle vorderingen die met betrekking tot vreemde overheidsschepen worden gebracht voor Belgische rechtbanken ingeval het schip geen zeeschip is in de zin van het Staatsschepenverdrag 1926 is, maar wel een schip in de zin van artikel 1.1.1.3 van dit wetboek.
§ 3. Deze afdeling geldt onder voorbehoud van andere België bindende verdragen betreffende de immuniteit van Staten.
§ 1. In afwijking van artikel 2.2.7.4, is uitsluitend deze afdeling van toepassing ingeval het vreemde overheidsschip niet behoort tot een Staat die bij het Staatsschepenverdrag 1926 of het Staatsschepenprotocol 1934 Partij is, of ingeval de eiser of de verweerder geen onderdaan van een dergelijke Staat is.
§ 2. Deze afdeling is mede van toepassing op alle vorderingen die met betrekking tot vreemde overheidsschepen worden gebracht voor Belgische rechtbanken ingeval het schip geen zeeschip is in de zin van het Staatsschepenverdrag 1926 is, maar wel een schip in de zin van artikel 1.1.1.3 van dit wetboek.
§ 3. Deze afdeling geldt onder voorbehoud van andere België bindende verdragen betreffende de immuniteit van Staten.
Art. 2.2.7.3. Application internationale et matérielle
§ 1er. Par dérogation à l'article 2.2.7.4, la présente section s'applique exclusivement dans le cas où le navire public étranger n'appartient pas à un Etat partie à la Convention sur les navires d'Etat 1926 ou au Protocole sur les navires d'Etat 1934, ou dans le cas où le demandeur ou le défendeur n'est pas un ressortissant d'un tel Etat.
§ 2. La présente section est également applicable à toutes les actions portées devant des tribunaux belges impliquant des navires publics étrangers dans le cas où le navire n'est pas un navire de mer au sens de la Convention sur les navires d'Etat 1926, mais bien un navire au sens de l'article 1.1.1.3 du présent code.
§ 3. La présente section s'applique sous réserve d'autres conventions liant la Belgique impliquant l'immunité des Etats.
§ 1er. Par dérogation à l'article 2.2.7.4, la présente section s'applique exclusivement dans le cas où le navire public étranger n'appartient pas à un Etat partie à la Convention sur les navires d'Etat 1926 ou au Protocole sur les navires d'Etat 1934, ou dans le cas où le demandeur ou le défendeur n'est pas un ressortissant d'un tel Etat.
§ 2. La présente section est également applicable à toutes les actions portées devant des tribunaux belges impliquant des navires publics étrangers dans le cas où le navire n'est pas un navire de mer au sens de la Convention sur les navires d'Etat 1926, mais bien un navire au sens de l'article 1.1.1.3 du présent code.
§ 3. La présente section s'applique sous réserve d'autres conventions liant la Belgique impliquant l'immunité des Etats.
Art. 2.2.7.4. Andere regelgeving
Onverminderd artikel 2.2.7.3, § 1, zijn de rechtstreeks werkende bepalingen van het Staatsschepenverdrag 1926 en het Staatsschepenprotocol 1934 van toepassing op alle vorderingen die met betrekking tot vreemde overheidsschepen worden gebracht voor Belgische rechtbanken.
Onverminderd artikel 2.2.7.3, § 1, zijn de rechtstreeks werkende bepalingen van het Staatsschepenverdrag 1926 en het Staatsschepenprotocol 1934 van toepassing op alle vorderingen die met betrekking tot vreemde overheidsschepen worden gebracht voor Belgische rechtbanken.
Art. 2.2.7.4. Autre réglementation
Sans préjudice de l'article 2.2.7.3, § 1er, les dispositions directement applicables de la Convention sur les navires d'Etat 1926 et du Protocole sur les navires d'Etat 1934 s'appliquent à toutes les actions portées devant des tribunaux belges impliquant des navires publics étrangers.
Sans préjudice de l'article 2.2.7.3, § 1er, les dispositions directement applicables de la Convention sur les navires d'Etat 1926 et du Protocole sur les navires d'Etat 1934 s'appliquent à toutes les actions portées devant des tribunaux belges impliquant des navires publics étrangers.
Art. 2.2.7.5. Vreemde overheidsschepen en hun ladingen
§ 1. Vreemde overheidsschepen, de aan vreemde Staten toebehorende ladingen en de in vreemde overheidsschepen vervoerde ladingen en passagiers, evenals vreemde Staten die eigenaar van dergelijke schepen zijn of deze exploiteren of eigenaar zijn van dergelijke ladingen, zijn wat betreft de aanspraken in verband met de exploitatie van deze schepen of het vervoer van deze ladingen, onderworpen aan dezelfde regels inzake aansprakelijkheid en aan dezelfde verbintenissen als die welke op particuliere schepen, ladingen en rederijen van toepassing zijn.
§ 2. Ten aanzien van de in paragraaf 1 bedoelde aansprakelijkheden en verbintenissen zijn de regels betreffende de bevoegdheid van de rechtbanken, de rechtsvorderingen en de rechtspleging dezelfde als voor aan particulieren toebehorende koopvaardijschepen en voor particuliere ladingen en hun eigenaars.
§ 3. Rechtsvorderingen wegens aanvaring, scheepvaartongevallen, berging of averij-grosse betreffende de aan de vreemde Staten toebehorende ladingen, die voor regerings- en niet voor handelsdoeleinden worden vervoerd aan boord van koopvaardijschepen, alsmede de rechtsvorderingen uit hoofde van overeenkomsten betreffende die ladingen, kunnen worden ingesteld voor de rechtbanken bevoegd overeenkomstig paragraaf 2.
§ 1. Vreemde overheidsschepen, de aan vreemde Staten toebehorende ladingen en de in vreemde overheidsschepen vervoerde ladingen en passagiers, evenals vreemde Staten die eigenaar van dergelijke schepen zijn of deze exploiteren of eigenaar zijn van dergelijke ladingen, zijn wat betreft de aanspraken in verband met de exploitatie van deze schepen of het vervoer van deze ladingen, onderworpen aan dezelfde regels inzake aansprakelijkheid en aan dezelfde verbintenissen als die welke op particuliere schepen, ladingen en rederijen van toepassing zijn.
§ 2. Ten aanzien van de in paragraaf 1 bedoelde aansprakelijkheden en verbintenissen zijn de regels betreffende de bevoegdheid van de rechtbanken, de rechtsvorderingen en de rechtspleging dezelfde als voor aan particulieren toebehorende koopvaardijschepen en voor particuliere ladingen en hun eigenaars.
§ 3. Rechtsvorderingen wegens aanvaring, scheepvaartongevallen, berging of averij-grosse betreffende de aan de vreemde Staten toebehorende ladingen, die voor regerings- en niet voor handelsdoeleinden worden vervoerd aan boord van koopvaardijschepen, alsmede de rechtsvorderingen uit hoofde van overeenkomsten betreffende die ladingen, kunnen worden ingesteld voor de rechtbanken bevoegd overeenkomstig paragraaf 2.
Art. 2.2.7.5. Navires publics étrangers et leurs cargaisons
§ 1er. Les navires publics étrangers, les cargaisons appartenant à des Etats étrangers et les cargaisons et passagers transportés à bord de navires publics étrangers, de même que les Etats étrangers qui sont propriétaires de ces navires ou qui les exploitent, ou qui sont propriétaires de ces cargaisons, sont soumis, en ce qui concerne les réclamations relatives à l'exploitation de ces navires ou au transport de ces cargaisons, aux mêmes règles de responsabilité et aux mêmes obligations que celles applicables aux navires, cargaisons et armements privés.
§ 2. Pour les responsabilités et obligations visées au paragraphe 1er, les règles concernant la compétence des tribunaux, les actions en justice et la procédure, sont les mêmes que pour les navires de commerce appartenant à des propriétaires privés et pour les cargaisons privées et leurs propriétaires.
§ 3. Les actions du chef d'abordage, d'accident nautique, d'assistance ou d'avaries communes, ainsi que les actions du chef des contrats relatifs à des cargaisons appartenant à un Etat étranger et transportées à bord de navires de commerce, dans un but gouvernemental et non commercial, peuvent être poursuivies devant les tribunaux ayant compétence en vertu du paragraphe 2.
§ 1er. Les navires publics étrangers, les cargaisons appartenant à des Etats étrangers et les cargaisons et passagers transportés à bord de navires publics étrangers, de même que les Etats étrangers qui sont propriétaires de ces navires ou qui les exploitent, ou qui sont propriétaires de ces cargaisons, sont soumis, en ce qui concerne les réclamations relatives à l'exploitation de ces navires ou au transport de ces cargaisons, aux mêmes règles de responsabilité et aux mêmes obligations que celles applicables aux navires, cargaisons et armements privés.
§ 2. Pour les responsabilités et obligations visées au paragraphe 1er, les règles concernant la compétence des tribunaux, les actions en justice et la procédure, sont les mêmes que pour les navires de commerce appartenant à des propriétaires privés et pour les cargaisons privées et leurs propriétaires.
§ 3. Les actions du chef d'abordage, d'accident nautique, d'assistance ou d'avaries communes, ainsi que les actions du chef des contrats relatifs à des cargaisons appartenant à un Etat étranger et transportées à bord de navires de commerce, dans un but gouvernemental et non commercial, peuvent être poursuivies devant les tribunaux ayant compétence en vertu du paragraphe 2.
Art. 2.2.7.6. Vreemde gezagsschepen en hun ladingen
Artikel 2.2.7.5, § 1 en 2 is niet van toepassing op vreemde gezagsschepen en op de aan de vreemde Staten toebehorende ladingen die aan boord van vreemde gezagsschepen worden vervoerd.
Artikel 2.2.7.5, § 1 en 2 is niet van toepassing op vreemde gezagsschepen en op de aan de vreemde Staten toebehorende ladingen die aan boord van vreemde gezagsschepen worden vervoerd.
Art. 2.2.7.6. Navires de souveraineté étrangers et leurs cargaisons
L'article 2.2.7.5, § 1er et 2, n'est pas applicable aux navires de souveraineté étrangers ni aux cargaisons appartenant aux Etats étrangers et transportées à bord de ces navires.
L'article 2.2.7.5, § 1er et 2, n'est pas applicable aux navires de souveraineté étrangers ni aux cargaisons appartenant aux Etats étrangers et transportées à bord de ces navires.
Art. 2.2.7.7. Verweermiddelen
Vreemde Staten kunnen alle verweermiddelen, verjaringen en beperkingen van aansprakelijkheid inroepen, waarvan particuliere schepen en hun eigenaars zich kunnen bedienen.
Vreemde Staten kunnen alle verweermiddelen, verjaringen en beperkingen van aansprakelijkheid inroepen, waarvan particuliere schepen en hun eigenaars zich kunnen bedienen.
Art. 2.2.7.7. Moyens de défense
Les Etats étrangers peuvent invoquer tous les moyens de défense, de prescription et de limitation de responsabilité dont peuvent se prévaloir les navires privés et leurs propriétaires.
Les Etats étrangers peuvent invoquer tous les moyens de défense, de prescription et de limitation de responsabilité dont peuvent se prévaloir les navires privés et leurs propriétaires.
Art. 2.2.7.8. Beslag op vreemde overheidsschepen en vreemde overheidsladingen
§ 1. Vreemde gezagsschepen en de aan de vreemde Staten toebehorende ladingen die aan boord van vreemde gezagsschepen worden vervoerd zijn onbeslagbaar.
§ 2. De aan vreemde Staten toebehorende ladingen, die voor regerings- en niet voor handelsdoeleinden worden vervoerd aan boord van koopvaardijschepen, zijn onbeslagbaar.
§ 3. Indien er naar het oordeel van de rechter waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, twijfel bestaat of het schip of de lading een vreemd gezagsschip respectievelijk een lading bedoeld in paragrafen 1 of 2 is, zal, met het oog op de opheffing van een door het gerecht bevolen beslag, een verklaring ondertekend door de diplomatieke vertegenwoordiger van de betrokken Staat gelden als bewijs.
De in het eerste lid bedoelde verklaring wordt aan de rechter bezorgd :
1° hetzij door tussenkomst van de Belgische regering, indien zij een dergelijke verklaring ontvangt;
2° hetzij door de vreemde Staat zelf, indien deze voor de rechter verschijnt.
Indien de vreemde Staat meent dat zijn nationale belangen worden geschaad, kan hij zich daarop beroepen om zich van het leveren van bewijs of het overleggen van stukken te onthouden.
§ 1. Vreemde gezagsschepen en de aan de vreemde Staten toebehorende ladingen die aan boord van vreemde gezagsschepen worden vervoerd zijn onbeslagbaar.
§ 2. De aan vreemde Staten toebehorende ladingen, die voor regerings- en niet voor handelsdoeleinden worden vervoerd aan boord van koopvaardijschepen, zijn onbeslagbaar.
§ 3. Indien er naar het oordeel van de rechter waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, twijfel bestaat of het schip of de lading een vreemd gezagsschip respectievelijk een lading bedoeld in paragrafen 1 of 2 is, zal, met het oog op de opheffing van een door het gerecht bevolen beslag, een verklaring ondertekend door de diplomatieke vertegenwoordiger van de betrokken Staat gelden als bewijs.
De in het eerste lid bedoelde verklaring wordt aan de rechter bezorgd :
1° hetzij door tussenkomst van de Belgische regering, indien zij een dergelijke verklaring ontvangt;
2° hetzij door de vreemde Staat zelf, indien deze voor de rechter verschijnt.
Indien de vreemde Staat meent dat zijn nationale belangen worden geschaad, kan hij zich daarop beroepen om zich van het leveren van bewijs of het overleggen van stukken te onthouden.
Art. 2.2.7.8. Saisie sur des navires publics étrangers et cargaisons appartenant aux Etats étrangers
§ 1er. Les navires de souveraineté étrangers et les cargaisons appartenant aux Etats étrangers qui sont transportées à bord de navires de souveraineté étrangers sont insaisissables.
§ 2. Les cargaisons appartenant aux Etats étrangers et transportées à bord de navires de commerce, dans un but gouvernemental et non commercial, sont insaisissables.
§ 3. Si le juge estime qu'il y a un doute quant au fait que le navire ou la cargaison sont des navires de souveraineté étrangers ou une cargaison comme visé aux paragraphes 1 ou 2, l'attestation signée par le représentant diplomatique de l'Etat concerné vaudra comme preuve en vue d'obtenir la mainlevée d'une saisie ordonnée par le tribunal.
La déclaration visée au premier alinéa est produite au juge :
1° soit à l'intervention du gouvernement belge s'il reçoit une telle attestation;
2° soit par l'Etat étranger lui-même, en cas de comparution devant le tribunal.
Si l'Etat étranger estime que ses intérêts nationaux sont lésés, il peut s'en prévaloir pour s'abstenir de fournir la preuve ou de produire les pièces.
§ 1er. Les navires de souveraineté étrangers et les cargaisons appartenant aux Etats étrangers qui sont transportées à bord de navires de souveraineté étrangers sont insaisissables.
§ 2. Les cargaisons appartenant aux Etats étrangers et transportées à bord de navires de commerce, dans un but gouvernemental et non commercial, sont insaisissables.
§ 3. Si le juge estime qu'il y a un doute quant au fait que le navire ou la cargaison sont des navires de souveraineté étrangers ou une cargaison comme visé aux paragraphes 1 ou 2, l'attestation signée par le représentant diplomatique de l'Etat concerné vaudra comme preuve en vue d'obtenir la mainlevée d'une saisie ordonnée par le tribunal.
La déclaration visée au premier alinéa est produite au juge :
1° soit à l'intervention du gouvernement belge s'il reçoit une telle attestation;
2° soit par l'Etat étranger lui-même, en cas de comparution devant le tribunal.
Si l'Etat étranger estime que ses intérêts nationaux sont lésés, il peut s'en prévaloir pour s'abstenir de fournir la preuve ou de produire les pièces.
Titel 3. - REDERS
TITRE 3. - ARMATEURS
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Afdeling 1. - Scheepsmede-eigendom
Section 1ère. . - Copropriété quirataire
Art. 2.3.1.1. Internationale toepassing
§ 1. Het op scheepsmede-eigendom toepasselijke recht wordt bepaald overeenkomstig artikel 2.2.4.1.
Dit recht bepaalt in het bijzonder de rechten en de bevoegdheden van de scheepsmede-eigenaars en van de scheepsbeheerders, en in het bijzonder de vraag of één of meer scheepsmede-eigenaars en de scheepsbeheerder de scheepsmede-eigenaars jegens derden kan binden.
§ 2. Artikel 2.3.1.9, § 1, laatste lid is van toepassing op de rechtspleging in België.
§ 1. Het op scheepsmede-eigendom toepasselijke recht wordt bepaald overeenkomstig artikel 2.2.4.1.
Dit recht bepaalt in het bijzonder de rechten en de bevoegdheden van de scheepsmede-eigenaars en van de scheepsbeheerders, en in het bijzonder de vraag of één of meer scheepsmede-eigenaars en de scheepsbeheerder de scheepsmede-eigenaars jegens derden kan binden.
§ 2. Artikel 2.3.1.9, § 1, laatste lid is van toepassing op de rechtspleging in België.
Art. 2.3.1.1. Application internationale
§ 1er. Le droit applicable à la copropriété quirataire est déterminé conformément à l'article 2.2.4.1.
Ce droit détermine en particulier les droits et les compétences des copropriétaires quirataires et des armateurs-gérants quirataires, et en particulier la question de savoir si un ou plusieurs copropriétaires quirataires et l'armateur-gérant quirataire peuvent lier les copropriétaires quirataires vis-à-vis de tiers.
§ 2. L'article 2.3.1.9, § 1er, dernier alinéa est d'application sur la procédure en Belgique.
§ 1er. Le droit applicable à la copropriété quirataire est déterminé conformément à l'article 2.2.4.1.
Ce droit détermine en particulier les droits et les compétences des copropriétaires quirataires et des armateurs-gérants quirataires, et en particulier la question de savoir si un ou plusieurs copropriétaires quirataires et l'armateur-gérant quirataire peuvent lier les copropriétaires quirataires vis-à-vis de tiers.
§ 2. L'article 2.3.1.9, § 1er, dernier alinéa est d'application sur la procédure en Belgique.
Art. 2.3.1.2. Materiële toepassing
§ 1. Behoudens de in de volgende paragrafen bepaalde afwijkingen, is deze afdeling van toepassing op elke scheepsmede-eigendom, ongeacht zijn vorm, benaming of oorzaak.
§ 2. Tenzij alle mede-eigenaars overeenkomen hun onverdeeldheid te onderwerpen aan deze titel, zich scheepsaandelen toekennen en de desbetreffende akte laten inschrijven in een scheepsregister, is deze afdeling niet van toepassing :
1° op het gemeenschappelijk vermogen van echtgenoten of wettelijk samenwonenden waarvan een schip deel uitmaakt;
2° op de onverdeeldheid tussen mede-erfgenamen van een scheepseigenaar;
3° op de gezamenlijke eigendom van een schip in hoofde van de deelgenoten in een feitelijke vereniging;
4° op de mede-eigendom van een schip in aanbouw tussen de opdrachtgever en de scheepswerf.
§ 3. Deze afdeling is niet van toepassing op :
1° de rechtsverhouding tussen de mede-eigenaars van scheepsaandelen;
2° de gezamenlijke eigendom van een schip in hoofde van de deelgenoten in een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid;
3° de eigendom van een geheel schip die deel uitmaakt van het vermogen van een rechtspersoon;
4° de rechtsverhoudingen tussen de aanbieders en eigenaars, en de eigenaars onderling, van vastgoedcertificaten in de zin van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt.
§ 1. Behoudens de in de volgende paragrafen bepaalde afwijkingen, is deze afdeling van toepassing op elke scheepsmede-eigendom, ongeacht zijn vorm, benaming of oorzaak.
§ 2. Tenzij alle mede-eigenaars overeenkomen hun onverdeeldheid te onderwerpen aan deze titel, zich scheepsaandelen toekennen en de desbetreffende akte laten inschrijven in een scheepsregister, is deze afdeling niet van toepassing :
1° op het gemeenschappelijk vermogen van echtgenoten of wettelijk samenwonenden waarvan een schip deel uitmaakt;
2° op de onverdeeldheid tussen mede-erfgenamen van een scheepseigenaar;
3° op de gezamenlijke eigendom van een schip in hoofde van de deelgenoten in een feitelijke vereniging;
4° op de mede-eigendom van een schip in aanbouw tussen de opdrachtgever en de scheepswerf.
§ 3. Deze afdeling is niet van toepassing op :
1° de rechtsverhouding tussen de mede-eigenaars van scheepsaandelen;
2° de gezamenlijke eigendom van een schip in hoofde van de deelgenoten in een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid;
3° de eigendom van een geheel schip die deel uitmaakt van het vermogen van een rechtspersoon;
4° de rechtsverhoudingen tussen de aanbieders en eigenaars, en de eigenaars onderling, van vastgoedcertificaten in de zin van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt.
Art. 2.3.1.2. Application matérielle
§ 1er. A l'exception des dérogations prévues dans les paragraphes suivants, la présente section s'applique à toute copropriété quirataire, quelle que soit sa forme, sa dénomination ou sa cause.
§ 2. A moins que tous les copropriétaires quirataires ne conviennent de soumettre leur indivision à ce titre, de s'attribuer des quirats et de laisser inscrire l'acte en question dans un registre des navires, la présente section ne s'applique pas :
1° au patrimoine commun des époux ou cohabitants légaux, dont un navire fait partie;
2° à l'indivision entre cohéritiers d'un propriétaire de navire;
3° à la propriété commune d'un navire dans le chef des associés d'une association de fait;
4° à la copropriété d'un navire en construction entre le maître de l'ouvrage et le chantier naval.
§ 3. La présente section n'est pas applicable :
1° au rapport de droit entre les copropriétaires des quirats;
2° à la propriété commune d'un navire dans le chef des associés d'une société sans personnalité juridique;
3° à la propriété de l'ensemble d'un navire faisant partie du patrimoine d'une personne juridique;
4° aux rapports de droit entre offreurs et propriétaires, et entre propriétaires, de certificats immobiliers au sens de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés.
§ 1er. A l'exception des dérogations prévues dans les paragraphes suivants, la présente section s'applique à toute copropriété quirataire, quelle que soit sa forme, sa dénomination ou sa cause.
§ 2. A moins que tous les copropriétaires quirataires ne conviennent de soumettre leur indivision à ce titre, de s'attribuer des quirats et de laisser inscrire l'acte en question dans un registre des navires, la présente section ne s'applique pas :
1° au patrimoine commun des époux ou cohabitants légaux, dont un navire fait partie;
2° à l'indivision entre cohéritiers d'un propriétaire de navire;
3° à la propriété commune d'un navire dans le chef des associés d'une association de fait;
4° à la copropriété d'un navire en construction entre le maître de l'ouvrage et le chantier naval.
§ 3. La présente section n'est pas applicable :
1° au rapport de droit entre les copropriétaires des quirats;
2° à la propriété commune d'un navire dans le chef des associés d'une société sans personnalité juridique;
3° à la propriété de l'ensemble d'un navire faisant partie du patrimoine d'une personne juridique;
4° aux rapports de droit entre offreurs et propriétaires, et entre propriétaires, de certificats immobiliers au sens de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés.
Art. 2.3.1.3. Andere regelgeving
§ 1. Op scheepsmede-eigendom zijn niet van toepassing :
1° [1 titel 4 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;]1
2° het Wetboek van Vennootschappen.
§ 2. Artikel 108 van het Wetboek van internationaal privaatrecht is niet van toepassing op de vertegenwoordiging door één of meer scheepseigenaars of door de quiratair scheepsbeheerder.
§ 1. Op scheepsmede-eigendom zijn niet van toepassing :
1° [1 titel 4 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;]1
2° het Wetboek van Vennootschappen.
§ 2. Artikel 108 van het Wetboek van internationaal privaatrecht is niet van toepassing op de vertegenwoordiging door één of meer scheepseigenaars of door de quiratair scheepsbeheerder.
Art. 2.3.1.3. Autre réglementation
§ 1er. Ne sont pas applicables à la copropriété quirataire :
1° [1 le titre 4 du livre 3 du Code Civil;]1
2° le Code des Sociétés.
§ 2. L'article 108 du Code de droit international privé n'est pas applicable à la représentation par un ou plusieurs propriétaires quirataires ou par l'armateur-gérant quirataire.
§ 1er. Ne sont pas applicables à la copropriété quirataire :
1° [1 le titre 4 du livre 3 du Code Civil;]1
2° le Code des Sociétés.
§ 2. L'article 108 du Code de droit international privé n'est pas applicable à la représentation par un ou plusieurs propriétaires quirataires ou par l'armateur-gérant quirataire.
Wijzigingen
Art. 2.3.1.4. Afwijkende bedingen
Bedingen die afwijken van de artikel en 2.3.1.1, § 2, 2.3.1.2, 2.3.1.3, 2.3.1.6, 2.3.1.8, § 6, 2.3.1.9, 2.3.1.12 en 2.3.1.17 zijn nietig.
Bedingen die afwijken van de artikel en 2.3.1.1, § 2, 2.3.1.2, 2.3.1.3, 2.3.1.6, 2.3.1.8, § 6, 2.3.1.9, 2.3.1.12 en 2.3.1.17 zijn nietig.
Art. 2.3.1.4. Clauses dérogatoires
Sont nulles les clauses qui dérogents aux articles 2.3.1.1, § 2, 2.3.1.2, 2.3.1.3, 2.3.1.6, 2.3.1.8, § 6, 2.3.1.9, 2.3.1.12 et 2.3.1.17.
Sont nulles les clauses qui dérogents aux articles 2.3.1.1, § 2, 2.3.1.2, 2.3.1.3, 2.3.1.6, 2.3.1.8, § 6, 2.3.1.9, 2.3.1.12 et 2.3.1.17.
Art. 2.3.1.5. Meerderheidsregel
§ 1. De scheepsmede-eigenaars nemen al de beslissingen die hun gemeenschappelijk belang raken bij gewone meerderheid van stemmen.
§ 2. Iedere scheepsmede-eigenaar beschikt over een stemrecht in evenredigheid met zijn scheepsaandelen.
§ 3. De meerderheid van stemmen wordt gevormd door de stemmen van de scheepsmede-eigenaars waarvan de scheepsaandelen meer dan de helft van de waarde van het schip vertegenwoordigen.
§ 4. De scheepsmede-eigenaars die beschikken over een meerderheid van stemmen moeten de andere scheepsmede-eigenaars [1 raadplegen, tenzij anders overeengekomen]1.
§ 5. In afwijking van paragraaf 1, is voor een wijziging of afwijking van een door de gezamenlijke scheepsmede-eigenaars onder elkaar gesloten overeenkomst eenstemmigheid vereist.
§ 1. De scheepsmede-eigenaars nemen al de beslissingen die hun gemeenschappelijk belang raken bij gewone meerderheid van stemmen.
§ 2. Iedere scheepsmede-eigenaar beschikt over een stemrecht in evenredigheid met zijn scheepsaandelen.
§ 3. De meerderheid van stemmen wordt gevormd door de stemmen van de scheepsmede-eigenaars waarvan de scheepsaandelen meer dan de helft van de waarde van het schip vertegenwoordigen.
§ 4. De scheepsmede-eigenaars die beschikken over een meerderheid van stemmen moeten de andere scheepsmede-eigenaars [1 raadplegen, tenzij anders overeengekomen]1.
§ 5. In afwijking van paragraaf 1, is voor een wijziging of afwijking van een door de gezamenlijke scheepsmede-eigenaars onder elkaar gesloten overeenkomst eenstemmigheid vereist.
Art. 2.3.1.5. Règle de la majorité
§ 1er. Les copropriétaires quirataires prennent toute décision touchant leur intérêt commun à la majorité simple des voix.
§ 2. Tout copropriétaire quirataire dispose d'un droit de vote pro rata ses quirats.
§ 3. La majorité des voix est formée par les voix des copropriétaires quirataires dont les quirats représentent plus de la moitié de la valeur du navire.
§ 4. Les copropriétaires quirataires qui disposent d'une majorité des voix [1 doivent consulter les autres copropriétaires quirataires, sauf s'il en est convenu autrement]1.
§ 5. Par dérogation au paragraphe 1er, l'unanimité est requise pour toute modification ou dérogation à une convention conclue par l'ensemble des copropriétaires quirataires.
§ 1er. Les copropriétaires quirataires prennent toute décision touchant leur intérêt commun à la majorité simple des voix.
§ 2. Tout copropriétaire quirataire dispose d'un droit de vote pro rata ses quirats.
§ 3. La majorité des voix est formée par les voix des copropriétaires quirataires dont les quirats représentent plus de la moitié de la valeur du navire.
§ 4. Les copropriétaires quirataires qui disposent d'une majorité des voix [1 doivent consulter les autres copropriétaires quirataires, sauf s'il en est convenu autrement]1.
§ 5. Par dérogation au paragraphe 1er, l'unanimité est requise pour toute modification ou dérogation à une convention conclue par l'ensemble des copropriétaires quirataires.
Wijzigingen
Art. 2.3.1.6. Redelijkheid en billijkheid
Scheepsmede-eigenaars moeten zich jegens elkaar gedragen naar redelijkheid en billijkheid.
Scheepsmede-eigenaars moeten zich jegens elkaar gedragen naar redelijkheid en billijkheid.
Art. 2.3.1.6. Raison et équité
Les copropriétaires quirataires doivent se comporter entre eux de manière raisonnable et équitable.
Les copropriétaires quirataires doivent se comporter entre eux de manière raisonnable et équitable.
Art. 2.3.1.7. Vertegenwoordigingsbevoegdheid
De scheepsmede-eigenaars kunnen worden vertegenwoordigd door één of meer onder hen, op voorwaarde dat de vertegenwoordiger of vertegenwoordigers beschikken over een meerderheid van de scheepsaandelen.
Artikel 2.3.1.9, § 1, eerste en tweede lid en § 2 alsook artikel 2.3.1.10 zijn van overeenkomstige toepassing.
De scheepsmede-eigenaars kunnen worden vertegenwoordigd door één of meer onder hen, op voorwaarde dat de vertegenwoordiger of vertegenwoordigers beschikken over een meerderheid van de scheepsaandelen.
Artikel 2.3.1.9, § 1, eerste en tweede lid en § 2 alsook artikel 2.3.1.10 zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 2.3.1.7. Compétence de représentation
Les copropriétaires quirataires peuvent être représentés par l'un ou plusieurs d'entre eux, à la condition de disposer ensemble d'une majorité de quirats.
L'article 2.3.1.9, § 1er, alinéas 1er et 2, et le § 2 ainsi que l'article 2.3.1.10 s'appliquent par analogie.
Les copropriétaires quirataires peuvent être représentés par l'un ou plusieurs d'entre eux, à la condition de disposer ensemble d'une majorité de quirats.
L'article 2.3.1.9, § 1er, alinéas 1er et 2, et le § 2 ainsi que l'article 2.3.1.10 s'appliquent par analogie.
Art. 2.3.1.8. Benoeming van een quiratair scheepsbeheerder
§ 1. De scheepsmede-eigenaars kunnen een quiratair scheepsbeheerder benoemen.
§ 2. Een quiratair scheepsbeheerder kan maar moet geen scheepsmede-eigenaar zijn. Hij kan een rechtspersoon zijn.
§ 3. Door de benoeming van een quiratair scheepsbeheerder wordt de in artikel 2.3.1.7 bedoelde vertegenwoordigingsbevoegdheid geschorst.
§ 4. Indien meer dan één quiratair scheepsbeheerder is benoemd, beslissen dezen in gemeen akkoord.
§ 5. De quiratair scheepsbeheerder is een lasthebber.
De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de lastgeving zijn van toepassing behoudens de in dit wetboek bepaalde afwijkingen of afwijkend beding.
§ 6. De benoeming [1 en de contractuele beperkingen van de bevoegdheid]1 van een quiratair scheepsbeheerder wordt tegenstelbaar aan derden door inschrijving in een scheepsregister bedoeld in artikel 1.2.1.1, § 1, 1°.
§ 1. De scheepsmede-eigenaars kunnen een quiratair scheepsbeheerder benoemen.
§ 2. Een quiratair scheepsbeheerder kan maar moet geen scheepsmede-eigenaar zijn. Hij kan een rechtspersoon zijn.
§ 3. Door de benoeming van een quiratair scheepsbeheerder wordt de in artikel 2.3.1.7 bedoelde vertegenwoordigingsbevoegdheid geschorst.
§ 4. Indien meer dan één quiratair scheepsbeheerder is benoemd, beslissen dezen in gemeen akkoord.
§ 5. De quiratair scheepsbeheerder is een lasthebber.
De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de lastgeving zijn van toepassing behoudens de in dit wetboek bepaalde afwijkingen of afwijkend beding.
§ 6. De benoeming [1 en de contractuele beperkingen van de bevoegdheid]1 van een quiratair scheepsbeheerder wordt tegenstelbaar aan derden door inschrijving in een scheepsregister bedoeld in artikel 1.2.1.1, § 1, 1°.
Art. 2.3.1.8. Nomination d'un armateur-gérant quirataire
§ 1er. Les copropriétaires quirataires peuvent nommer un armateur-gérant quirataire.
§ 2. Un armateur-gérant quirataire peut mais ne doit pas être un copropriétaire quirataire. Il peut être une personne morale.
§ 3. Du fait de la nomination d'un armateur-gérant quirataire, les copropriétaires quirataires perdent la compétence de représentation prévue à l'article 2.3.1.7.
§ 4. S'il est nommé plus d'un armateur-gérant quirataire, ceux-ci décident de commun accord.
§ 5. L'armateur-gérant quirataire est un mandataire.
Les dispositions du Code Civil sur le mandat sont applicables, sauf les dérogations prévues dans ce code ou clause dérogatoire.
§ 6. La nomination [1 et les limitations contractuelles de la compétence]1 d'un armateur-gérant quirataire est opposable aux tiers par son inscription dans un registre des navires visé à l'article 1.2.1.1, § 1er, 1°.
§ 1er. Les copropriétaires quirataires peuvent nommer un armateur-gérant quirataire.
§ 2. Un armateur-gérant quirataire peut mais ne doit pas être un copropriétaire quirataire. Il peut être une personne morale.
§ 3. Du fait de la nomination d'un armateur-gérant quirataire, les copropriétaires quirataires perdent la compétence de représentation prévue à l'article 2.3.1.7.
§ 4. S'il est nommé plus d'un armateur-gérant quirataire, ceux-ci décident de commun accord.
§ 5. L'armateur-gérant quirataire est un mandataire.
Les dispositions du Code Civil sur le mandat sont applicables, sauf les dérogations prévues dans ce code ou clause dérogatoire.
§ 6. La nomination [1 et les limitations contractuelles de la compétence]1 d'un armateur-gérant quirataire est opposable aux tiers par son inscription dans un registre des navires visé à l'article 1.2.1.1, § 1er, 1°.
Wijzigingen
Art. 2.3.1.9. Bevoegdheden van de quiratair scheepsbeheerder
§ 1. De quiratair scheepsbeheerder is bevoegd om in naam en voor rekening van de scheepsmede-eigenaars alle rechtshandelingen te stellen die voor het normaal gebruik van het schip nodig zijn, met inbegrip van het sluiten van bevrachtings-, vervoer- en verzekeringsovereenkomsten, het laten uitvoeren van buitengewone herstellingen en het vormen van een beperkingsfonds.
Hij is onder meer bevoegd om in naam en voor rekening van de scheepsmede-eigenaars het werkgeversgezag over de bemanning uit te oefenen en om de gezagvoerder aan te stellen en te ontslaan.
Hij vertegenwoordigt de scheepsmede-eigenaars tegenover derden en in rechte, als eiser en als verweerder.
Onverminderd andere wijzen van betekening, kan de betekening aan één of meer scheepsmede-eigenaars in zaken betreffende het betrokken schip of de betrokken reis worden gedaan aan de quiratair scheepsbeheerder.
§ 2. De quiratair scheepsbeheerder kan met betrekking tot het schip slechts daden van beschikking stellen op grond van een uitdrukkelijke lastgeving.
§ 3. In geval van twijfel worden de bevoegdheden van de quiratair scheepsbeheerder ruim uitgelegd.
§ 4. [1 Contractuele beperkingen van de bevoegdheid van de quirataire scheepsbeheerder zijn tegenstelbaar aan derden wanneer ze openbaar zijn gemaakt.]1
§ 1. De quiratair scheepsbeheerder is bevoegd om in naam en voor rekening van de scheepsmede-eigenaars alle rechtshandelingen te stellen die voor het normaal gebruik van het schip nodig zijn, met inbegrip van het sluiten van bevrachtings-, vervoer- en verzekeringsovereenkomsten, het laten uitvoeren van buitengewone herstellingen en het vormen van een beperkingsfonds.
Hij is onder meer bevoegd om in naam en voor rekening van de scheepsmede-eigenaars het werkgeversgezag over de bemanning uit te oefenen en om de gezagvoerder aan te stellen en te ontslaan.
Hij vertegenwoordigt de scheepsmede-eigenaars tegenover derden en in rechte, als eiser en als verweerder.
Onverminderd andere wijzen van betekening, kan de betekening aan één of meer scheepsmede-eigenaars in zaken betreffende het betrokken schip of de betrokken reis worden gedaan aan de quiratair scheepsbeheerder.
§ 2. De quiratair scheepsbeheerder kan met betrekking tot het schip slechts daden van beschikking stellen op grond van een uitdrukkelijke lastgeving.
§ 3. In geval van twijfel worden de bevoegdheden van de quiratair scheepsbeheerder ruim uitgelegd.
§ 4. [1 Contractuele beperkingen van de bevoegdheid van de quirataire scheepsbeheerder zijn tegenstelbaar aan derden wanneer ze openbaar zijn gemaakt.]1
Art. 2.3.1.9. Compétences de l'armateur-gérant quirataire
§ 1er. L'armateur-gérant quirataire est compétent pour accomplir au nom et pour le compte des copropriétaires quirataires tous les actes juridiques nécessaires à l'utilisation normale du navire, en ce compris la conclusion de conventions d'affrètement, de transport et d'assurances, la mise en exécution de réparations extraordinaires et la constitution d'un fonds de limitation.
Il est notamment compétent pour exercer vis-à-vis de l'équipage l'autorité patronale et désigner et congédier le commandant au nom et pour le compte des copropriétaires quirataires.
Il représente les copropriétaires quirataires à l'égard des tiers et en justice tant comme demandeur que comme défendeur.
Sans préjudice d'autres modalités de signification, la signification à un ou plusieurs copropriétaires quirataires peut être adressée à l'armateur-gérant quirataire pour les affaires relatives au navire concerné ou au voyage concerné.
§ 2. L'armateur-gérant quirataire ne peut, en ce qui concerne le navire, accomplir que les actes de disposition prévus par un mandat exprès.
§ 3. Dans le doute, les compétences de l'armateur-gérant quirataire sont interprétées au sens large.
§ 4. [1 Les limitations contractuelles de la compétence de l'armateur-gérant quirataire sont opposables aux tiers si elles ont été rendues publiques.]1
§ 1er. L'armateur-gérant quirataire est compétent pour accomplir au nom et pour le compte des copropriétaires quirataires tous les actes juridiques nécessaires à l'utilisation normale du navire, en ce compris la conclusion de conventions d'affrètement, de transport et d'assurances, la mise en exécution de réparations extraordinaires et la constitution d'un fonds de limitation.
Il est notamment compétent pour exercer vis-à-vis de l'équipage l'autorité patronale et désigner et congédier le commandant au nom et pour le compte des copropriétaires quirataires.
Il représente les copropriétaires quirataires à l'égard des tiers et en justice tant comme demandeur que comme défendeur.
Sans préjudice d'autres modalités de signification, la signification à un ou plusieurs copropriétaires quirataires peut être adressée à l'armateur-gérant quirataire pour les affaires relatives au navire concerné ou au voyage concerné.
§ 2. L'armateur-gérant quirataire ne peut, en ce qui concerne le navire, accomplir que les actes de disposition prévus par un mandat exprès.
§ 3. Dans le doute, les compétences de l'armateur-gérant quirataire sont interprétées au sens large.
§ 4. [1 Les limitations contractuelles de la compétence de l'armateur-gérant quirataire sont opposables aux tiers si elles ont été rendues publiques.]1
Wijzigingen
Art. 2.3.1.10. Verantwoordingsplicht
§ 1. De quiratair scheepsbeheerder moet in verband met zijn beheer aan iedere scheepsmede-eigenaar op diens verzoek inzage verschaffen van alle stukken en gegevens en daarover toelichting verschaffen.
§ 2. De quiratair scheepsbeheerder moet minstens eenmaal per jaar en in elk geval binnen de twee maanden na het einde van zijn beheer, aan de scheepsmede-eigenaars rekenschap afleggen van zijn beheer, met overlegging van alle desbetreffende stukken en gegevens die betrekking hebben op het aandeel van elke van hen. Hij moet aan ieder van hen uitkeren wat hem toekomt.
§ 3. De scheepsmede-eigenaars beslissen binnen de twee maanden over het verlenen van kwijting aan de quiratair scheepsbeheerder.
§ 1. De quiratair scheepsbeheerder moet in verband met zijn beheer aan iedere scheepsmede-eigenaar op diens verzoek inzage verschaffen van alle stukken en gegevens en daarover toelichting verschaffen.
§ 2. De quiratair scheepsbeheerder moet minstens eenmaal per jaar en in elk geval binnen de twee maanden na het einde van zijn beheer, aan de scheepsmede-eigenaars rekenschap afleggen van zijn beheer, met overlegging van alle desbetreffende stukken en gegevens die betrekking hebben op het aandeel van elke van hen. Hij moet aan ieder van hen uitkeren wat hem toekomt.
§ 3. De scheepsmede-eigenaars beslissen binnen de twee maanden over het verlenen van kwijting aan de quiratair scheepsbeheerder.
Art. 2.3.1.10. Obligation de rendre compte
§ 1er. L'armateur-gérant quirataire est tenu, en ce qui concerne sa gestion, de communiquer à chacun des copropriétaires quirataires qui les demande, toutes pièces et données et de lui fournir toute explication qui s'y rapporte.
§ 2. L'armateur-gérant quirataire est tenu de rendre compte de sa gestion aux copropriétaires quirataires, au moins une fois par an et de toute manière dans les deux mois de la fin de sa gestion tout en communiquant toutes les pièces et données s'y rapportant à la part de chacun. Il est tenu de remettre à chacun d'entre eux la part lui revenant.
§ 3. Les copropriétaires quirataires se prononcent dans les deux mois sur l'octroi de la décharge à l'armateur-gérant quirataire.
§ 1er. L'armateur-gérant quirataire est tenu, en ce qui concerne sa gestion, de communiquer à chacun des copropriétaires quirataires qui les demande, toutes pièces et données et de lui fournir toute explication qui s'y rapporte.
§ 2. L'armateur-gérant quirataire est tenu de rendre compte de sa gestion aux copropriétaires quirataires, au moins une fois par an et de toute manière dans les deux mois de la fin de sa gestion tout en communiquant toutes les pièces et données s'y rapportant à la part de chacun. Il est tenu de remettre à chacun d'entre eux la part lui revenant.
§ 3. Les copropriétaires quirataires se prononcent dans les deux mois sur l'octroi de la décharge à l'armateur-gérant quirataire.
Art. 2.3.1.11. Beëindiging van de lastgeving
§ 1. De scheepsmede-eigenaars kunnen de lastgeving aan de quiratair scheepsbeheerder te allen tijde herroepen.
§ 2. De lastgeving aan de quiratair scheepsbeheerder eindigt wanneer de scheepsmede-eigendom wordt beëindigd.
§ 3. De herroeping en de beëindiging van de lastgeving van de quiratair scheepsbeheerder worden tegenstelbaar aan derden door inschrijving in het betrokken scheepsregister.
§ 1. De scheepsmede-eigenaars kunnen de lastgeving aan de quiratair scheepsbeheerder te allen tijde herroepen.
§ 2. De lastgeving aan de quiratair scheepsbeheerder eindigt wanneer de scheepsmede-eigendom wordt beëindigd.
§ 3. De herroeping en de beëindiging van de lastgeving van de quiratair scheepsbeheerder worden tegenstelbaar aan derden door inschrijving in het betrokken scheepsregister.
Art. 2.3.1.11. Fin de mandat
§ 1er. Les copropriétaires quirataires peuvent révoquer à tout moment le mandat donné à l'armateur-gérant quirataire.
§ 2. Le mandat de l'armateur-gérant quirataire prend fin lorsque la copropriété quirataire se termine.
§ 3. La révocation et la fin du mandat de l'armateur-gérant quirataire deviennent opposables aux tiers par inscription dans le registre naval concerné.
§ 1er. Les copropriétaires quirataires peuvent révoquer à tout moment le mandat donné à l'armateur-gérant quirataire.
§ 2. Le mandat de l'armateur-gérant quirataire prend fin lorsque la copropriété quirataire se termine.
§ 3. La révocation et la fin du mandat de l'armateur-gérant quirataire deviennent opposables aux tiers par inscription dans le registre naval concerné.
Art. 2.3.1.12. Benoeming van een gerechtelijk quiratair scheepsbeheerder
§ 1. De rechter kan op verzoek van elke scheepsmede-eigenaar een gerechtelijk quiratair scheepsbeheerder benoemen :
1° ingeval het normale gebruik van het schip blijvend wordt verhinderd ingevolge staking van stemmen, de ernstige niet-nakoming door een andere scheepsmede-eigenaar van zijn verplichtingen, of andere ernstige omstandigheden;
2° ingeval de door de scheepsmede-eigenaars benoemde quiratair scheepsbeheerder zijn taak niet naar behoren vervult.
§ 2. Behoudens afwijkende beslissing, zijn de artikel en 2.3.1.8, § 2 tot 6, 2.3.1.9, § 1 tot 3 en 2.3.1.10, § 1 en 2 op de gerechtelijk quiratair scheepsbeheerder van toepassing en geldt de lastgeving voor onbepaalde duur.
§ 3. Door de benoeming van een gerechtelijk quiratair scheepsbeheerder wordt de lastgeving aan de door de scheepsmede-eigenaars benoemde quiratair scheepsbeheerder beëindigd en wordt de in artikel 2.3.1.7 bedoelde vertegenwoordigingsbevoegdheid geschorst.
De rechter beveelt alle maatregelen die hij nuttig acht om de gerechtelijk quiratair scheepsbeheerder in staat te stellen zijn opdracht te vervullen.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel is de ondernemingsrechtbank van de plaats waar het zeeschip zijn thuishaven heeft bevoegd. Indien er geen thuishaven is aangeduid, is de rechtbank te Antwerpen bevoegd.
§ 1. De rechter kan op verzoek van elke scheepsmede-eigenaar een gerechtelijk quiratair scheepsbeheerder benoemen :
1° ingeval het normale gebruik van het schip blijvend wordt verhinderd ingevolge staking van stemmen, de ernstige niet-nakoming door een andere scheepsmede-eigenaar van zijn verplichtingen, of andere ernstige omstandigheden;
2° ingeval de door de scheepsmede-eigenaars benoemde quiratair scheepsbeheerder zijn taak niet naar behoren vervult.
§ 2. Behoudens afwijkende beslissing, zijn de artikel en 2.3.1.8, § 2 tot 6, 2.3.1.9, § 1 tot 3 en 2.3.1.10, § 1 en 2 op de gerechtelijk quiratair scheepsbeheerder van toepassing en geldt de lastgeving voor onbepaalde duur.
§ 3. Door de benoeming van een gerechtelijk quiratair scheepsbeheerder wordt de lastgeving aan de door de scheepsmede-eigenaars benoemde quiratair scheepsbeheerder beëindigd en wordt de in artikel 2.3.1.7 bedoelde vertegenwoordigingsbevoegdheid geschorst.
De rechter beveelt alle maatregelen die hij nuttig acht om de gerechtelijk quiratair scheepsbeheerder in staat te stellen zijn opdracht te vervullen.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel is de ondernemingsrechtbank van de plaats waar het zeeschip zijn thuishaven heeft bevoegd. Indien er geen thuishaven is aangeduid, is de rechtbank te Antwerpen bevoegd.
Art. 2.3.1.12. Nomination d'un armateur-gérant quirataire judiciaire
§ 1er. Le juge peut, à la demande de tout copropriétaire quirataire, nommer un armateur-gérant quirataire judiciaire :
1° lorsque l'usage normal du navire est empêché d'une manière permanente à la suite d'une égalité des voix, d'un manquement grave à ses obligations par un autre copropriétaire quirataire, ou de toutes autres circonstances graves;
2° lorsque l'armateur-gérant quirataire nommé par les copropriétaires quirataire n'accomplit pas sa tâche comme il se doit.
§ 2. Sauf décision contraire les articles 2.3.1.8, § 2 à 6, 2.3.1.9, § 1er à 3 et 2.3.1.10, § 1er et 2 s'appliquent à l'armateur-gérant quirataire judiciaire et son mandat est valable pour une durée indéterminée.
§ 3. La nomination d'un armateur-gérant quirataire judiciaire met fin au mandat de l'armateur-gérant quirataire nommé par les copropriétaires quirataires et suspend la compétence de représentation visée à l'article 2.3.1.7.
Le juge ordonne toutes les mesures qu'il juge utiles pour permettre à l'armateur-gérant quirataire judiciaire d'accomplir sa mission.
§ 4. Pour l'application du présent article, le tribunal de l'entreprise de l'endroit où le navire de mer a son port d'attache est compétent. Dans le cas où aucun port d'attache n'a été attribué, le tribunal d'Anvers est compétent.
§ 1er. Le juge peut, à la demande de tout copropriétaire quirataire, nommer un armateur-gérant quirataire judiciaire :
1° lorsque l'usage normal du navire est empêché d'une manière permanente à la suite d'une égalité des voix, d'un manquement grave à ses obligations par un autre copropriétaire quirataire, ou de toutes autres circonstances graves;
2° lorsque l'armateur-gérant quirataire nommé par les copropriétaires quirataire n'accomplit pas sa tâche comme il se doit.
§ 2. Sauf décision contraire les articles 2.3.1.8, § 2 à 6, 2.3.1.9, § 1er à 3 et 2.3.1.10, § 1er et 2 s'appliquent à l'armateur-gérant quirataire judiciaire et son mandat est valable pour une durée indéterminée.
§ 3. La nomination d'un armateur-gérant quirataire judiciaire met fin au mandat de l'armateur-gérant quirataire nommé par les copropriétaires quirataires et suspend la compétence de représentation visée à l'article 2.3.1.7.
Le juge ordonne toutes les mesures qu'il juge utiles pour permettre à l'armateur-gérant quirataire judiciaire d'accomplir sa mission.
§ 4. Pour l'application du présent article, le tribunal de l'entreprise de l'endroit où le navire de mer a son port d'attache est compétent. Dans le cas où aucun port d'attache n'a été attribué, le tribunal d'Anvers est compétent.
Art. 2.3.1.13. Kosten, winst en verlies
De scheepsmede-eigenaars dragen bij in de kosten en delen in de winst en het verlies in evenredigheid met hun scheepsaandelen.
De scheepsmede-eigenaars dragen bij in de kosten en delen in de winst en het verlies in evenredigheid met hun scheepsaandelen.
Art. 2.3.1.13. Frais, profit et perte
Les copropriétaires quirataires contribuent aux frais et participent aux profits et aux pertes au prorata de leurs quirats.
Les copropriétaires quirataires contribuent aux frais et participent aux profits et aux pertes au prorata de leurs quirats.
Art. 2.3.1.14. Aansprakelijkheid van scheepsmede-eigenaars
De aansprakelijkheid van de scheepsmede-eigenaars wordt bepaald door afdeling 2 van dit hoofdstuk, met dien verstande dat zij elk slechts aansprakelijk zijn naar evenredigheid met hun scheepsaandelen.
De aansprakelijkheid van de scheepsmede-eigenaars wordt bepaald door afdeling 2 van dit hoofdstuk, met dien verstande dat zij elk slechts aansprakelijk zijn naar evenredigheid met hun scheepsaandelen.
Art. 2.3.1.14. Responsabilité des copropriétaires quirataires
La responsabilité des copropriétaires quirataires est définie à la section 2 du présent chapitre, étant entendu qu'ils ne sont responsables qu'au prorata de leurs quirats.
La responsabilité des copropriétaires quirataires est définie à la section 2 du présent chapitre, étant entendu qu'ils ne sont responsables qu'au prorata de leurs quirats.
Art. 2.3.1.15. Beschikking over scheepsaandelen
§ 1. Elke scheepsmede-eigenaar is bevoegd om over zijn scheepsaandelen te beschikken.
§ 2. De scheepsmede-eigenaar blijft gehouden tot de schulden ontstaan voor de inschrijving van de overdracht van zijn scheepsaandelen.
§ 1. Elke scheepsmede-eigenaar is bevoegd om over zijn scheepsaandelen te beschikken.
§ 2. De scheepsmede-eigenaar blijft gehouden tot de schulden ontstaan voor de inschrijving van de overdracht van zijn scheepsaandelen.
Art. 2.3.1.15. Disposition des quirats
§ 1er. Tout copropriétaire de navire peut disposer de ses quirats.
§ 2. Le copropriétaire de navire reste tenu des dettes contractées avant l'inscription de la cession de ses quirats.
§ 1er. Tout copropriétaire de navire peut disposer de ses quirats.
§ 2. Le copropriétaire de navire reste tenu des dettes contractées avant l'inscription de la cession de ses quirats.
Art. 2.3.1.16. Gedwongen overname van scheepsaandelen
De ontslagen gezagvoerder, het ontslagen bemanningslid en de quiratair scheepsbeheerder waarvan de lastgeving werd beëindigd hebben, wanneer zij zelf scheepsmede-eigenaar zijn, het recht om hun scheepsaandelen aan de andere scheepsmede-eigenaars over te dragen tegen betaling van hun waarde. Zij moeten daar schriftelijk om verzoeken binnen de maand nadat hun aanstelling of lastgeving werd beëindigd.
Behoudens afwijkende overeenkomst, nemen de andere scheepsmede-eigenaars de betrokken scheepsaandelen over in evenredigheid met de scheepsaandelen die hen voordien reeds toebehoorden; de overdrager kan zich echter niet verzetten tegen een overname door één enkele scheepsmede-eigenaar.
Bij gebrek aan overeenstemming binnen de maand worden de waarde en de nadere voorwaarden van de overdracht bepaald door de rechter. De ondernemingsrechtbank van de plaats waar het schip zijn thuishaven heeft is bevoegd om van deze vordering kennis te nemen. Indien er geen thuishaven is aangeduid, is de rechtbank te Antwerpen bevoegd voor zeeschepen [1 ...]1.
De ontslagen gezagvoerder, het ontslagen bemanningslid en de quiratair scheepsbeheerder waarvan de lastgeving werd beëindigd hebben, wanneer zij zelf scheepsmede-eigenaar zijn, het recht om hun scheepsaandelen aan de andere scheepsmede-eigenaars over te dragen tegen betaling van hun waarde. Zij moeten daar schriftelijk om verzoeken binnen de maand nadat hun aanstelling of lastgeving werd beëindigd.
Behoudens afwijkende overeenkomst, nemen de andere scheepsmede-eigenaars de betrokken scheepsaandelen over in evenredigheid met de scheepsaandelen die hen voordien reeds toebehoorden; de overdrager kan zich echter niet verzetten tegen een overname door één enkele scheepsmede-eigenaar.
Bij gebrek aan overeenstemming binnen de maand worden de waarde en de nadere voorwaarden van de overdracht bepaald door de rechter. De ondernemingsrechtbank van de plaats waar het schip zijn thuishaven heeft is bevoegd om van deze vordering kennis te nemen. Indien er geen thuishaven is aangeduid, is de rechtbank te Antwerpen bevoegd voor zeeschepen [1 ...]1.
Art. 2.3.1.16. Reprise forcée des quirats
Le commandant congédié, le membre d'équipage congédié et l'armateur-gérant quirataire dont le mandat a pris fin, lorsqu'ils sont eux-mêmes copropriétaires quirataires, ont le droit de céder leurs quirats aux autres copropriétaires quirataires, moyennant paiement de leur valeur. Ils doivent introduire une demande écrit en ce sens dans le mois de l'expiration de leur désignation ou de leur mandat.
Sauf convention contraire, les autres copropriétaires quirataires reprennent les quirats en question au prorata des quirats qui leur appartenaient précédemment; le cédant ne peut toutefois pas s'opposer à une reprise par un seul copropriétaire quirataire.
A défaut d'accord dans le mois, c'est le juge qui fixe la valeur et les autres conditions de la cession. Le tribunal de l'entreprise du lieu où le navire a son port d'attache est compétent pour prendre connaissance de cette demande. A défaut de désignation d'un port d'attache, le tribunal d'Anvers sera compétent pour les navires de mer [1 ...]1.
Le commandant congédié, le membre d'équipage congédié et l'armateur-gérant quirataire dont le mandat a pris fin, lorsqu'ils sont eux-mêmes copropriétaires quirataires, ont le droit de céder leurs quirats aux autres copropriétaires quirataires, moyennant paiement de leur valeur. Ils doivent introduire une demande écrit en ce sens dans le mois de l'expiration de leur désignation ou de leur mandat.
Sauf convention contraire, les autres copropriétaires quirataires reprennent les quirats en question au prorata des quirats qui leur appartenaient précédemment; le cédant ne peut toutefois pas s'opposer à une reprise par un seul copropriétaire quirataire.
A défaut d'accord dans le mois, c'est le juge qui fixe la valeur et les autres conditions de la cession. Le tribunal de l'entreprise du lieu où le navire a son port d'attache est compétent pour prendre connaissance de cette demande. A défaut de désignation d'un port d'attache, le tribunal d'Anvers sera compétent pour les navires de mer [1 ...]1.
Wijzigingen
Art. 2.3.1.17. Beëindiging van scheepsmede-eigendom
§ 1. Scheepsmede-eigendom wordt beëindigd door :
1° vrijwillige verkoop van het schip, waartoe werd besloten met toepassing van de meerderheidsregel bedoeld in artikel 2.3.1.5;
2° verkoop ingevolge een rechterlijke beschikking verleend overeenkomstig paragraaf 2;
3° gedwongen verkoop;
4° vereniging van alle scheepsaandelen in één hand;
5° verkrijgende verjaring overeenkomstig artikel 2.2.4.5, § 3;
6° abandonnement, prijsmaking, verbeurdverklaring en andere wijzen van gedwongen eigendomsovergang geregeld door of krachtens bijzondere wetten;
7° tenietgaan van het schip;
8° oprichting door de gezamenlijke scheepsmede-eigenaars van een vennootschap of rechtspersoon die de eigendom van het schip overneemt.
§ 2. Wanneer het normale gebruik van het schip blijvend wordt gehinderd ingevolge staking van stemmen, een ernstige niet-nakoming door een andere scheepsmede-eigenaar van zijn verplichtingen of andere ernstige omstandigheden, kan op verzoek van een scheepsmede-eigenaar een rechterlijke beschikking worden verleend waarbij de verkoop van het schip wordt bevolen en waarbij de wijze van verkoop wordt bepaald. De ondernemingsrechtbank van de plaats waar het schip zijn thuishaven heeft is bevoegd om van deze vordering kennis te nemen. Indien er geen thuishaven is aangeduid, is de rechtbank te Antwerpen bevoegd voor zeeschepen [1 ...]1.
§ 1. Scheepsmede-eigendom wordt beëindigd door :
1° vrijwillige verkoop van het schip, waartoe werd besloten met toepassing van de meerderheidsregel bedoeld in artikel 2.3.1.5;
2° verkoop ingevolge een rechterlijke beschikking verleend overeenkomstig paragraaf 2;
3° gedwongen verkoop;
4° vereniging van alle scheepsaandelen in één hand;
5° verkrijgende verjaring overeenkomstig artikel 2.2.4.5, § 3;
6° abandonnement, prijsmaking, verbeurdverklaring en andere wijzen van gedwongen eigendomsovergang geregeld door of krachtens bijzondere wetten;
7° tenietgaan van het schip;
8° oprichting door de gezamenlijke scheepsmede-eigenaars van een vennootschap of rechtspersoon die de eigendom van het schip overneemt.
§ 2. Wanneer het normale gebruik van het schip blijvend wordt gehinderd ingevolge staking van stemmen, een ernstige niet-nakoming door een andere scheepsmede-eigenaar van zijn verplichtingen of andere ernstige omstandigheden, kan op verzoek van een scheepsmede-eigenaar een rechterlijke beschikking worden verleend waarbij de verkoop van het schip wordt bevolen en waarbij de wijze van verkoop wordt bepaald. De ondernemingsrechtbank van de plaats waar het schip zijn thuishaven heeft is bevoegd om van deze vordering kennis te nemen. Indien er geen thuishaven is aangeduid, is de rechtbank te Antwerpen bevoegd voor zeeschepen [1 ...]1.
Art. 2.3.1.17. Cessation de la copropriété quirataire
§ 1er. La copropriété quirataire se termine par :
1° la vente volontaire du navire, décidée en application de la règle de la majorité visée à l'article 2.3.1.5;
2° la vente à la suite d'une décision judiciaire rendue conformément au paragraphe 2;
3° la vente forcée;
4° la réunion de tous les quirats en une seule main;
5° la prescription acquisitive conformément à l'article 2.2.4.5, § 3;
6° le délaissement, la prise, la confiscation et les autres modes de cession forcée réglés par des lois particulières ou en vertu de celles-ci;
7° la destruction du navire;
8° la constitution par l'ensemble des copropriétaires quirataires d'une société ou d'une personne morale qui reprend la propriété du navire.
§ 2. Lorsque l'usage normal du navire est empêché d'une manière permanente à la suite d'une égalité des voix, d'un manquement grave à ses obligations par un autre copropriétaire quirataire, ou de toutes autres circonstances graves, l'un des copropriétaires quirataires peut solliciter une décision judiciaire ordonnant la vente du navire et fixant les modalités de cette vente. Le tribunal de l'entreprise du lieu où le navire a son port d'attache est compétent pour prendre connaissance de cette demande. A défaut de désignation de port d'attache, le tribunal d'Anvers sera compétent pour les navires de mer [1 ...]1.
§ 1er. La copropriété quirataire se termine par :
1° la vente volontaire du navire, décidée en application de la règle de la majorité visée à l'article 2.3.1.5;
2° la vente à la suite d'une décision judiciaire rendue conformément au paragraphe 2;
3° la vente forcée;
4° la réunion de tous les quirats en une seule main;
5° la prescription acquisitive conformément à l'article 2.2.4.5, § 3;
6° le délaissement, la prise, la confiscation et les autres modes de cession forcée réglés par des lois particulières ou en vertu de celles-ci;
7° la destruction du navire;
8° la constitution par l'ensemble des copropriétaires quirataires d'une société ou d'une personne morale qui reprend la propriété du navire.
§ 2. Lorsque l'usage normal du navire est empêché d'une manière permanente à la suite d'une égalité des voix, d'un manquement grave à ses obligations par un autre copropriétaire quirataire, ou de toutes autres circonstances graves, l'un des copropriétaires quirataires peut solliciter une décision judiciaire ordonnant la vente du navire et fixant les modalités de cette vente. Le tribunal de l'entreprise du lieu où le navire a son port d'attache est compétent pour prendre connaissance de cette demande. A défaut de désignation de port d'attache, le tribunal d'Anvers sera compétent pour les navires de mer [1 ...]1.
Wijzigingen
Art. 2.3.1.18. Verjaring
§ 1. Vorderingen tussen scheepsmede-eigenaars in verband met de scheepsmede-eigendom verjaren door verloop van twee jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan of na de beëindiging van de scheepsmede-eigendom, naargelang welk tijdstip het vroegste valt.
§ 2. Vorderingen tussen scheepsmede-eigenaars en quiratair scheepsbeheerders in verband met de scheepsmede-eigendom verjaren door verloop van twee jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan of na de beëindiging van de lastgeving, naargelang welk tijdstip het vroegste valt.
§ 3. Regresvorderingen van en tegen scheepsmede-eigenaars en quiratair scheepsbeheerders in verband met de scheepsmede-eigendom kunnen, ook na de in paragrafen 1 en 2 bedoelde termijnen, worden ingesteld binnen drie maanden nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
§ 1. Vorderingen tussen scheepsmede-eigenaars in verband met de scheepsmede-eigendom verjaren door verloop van twee jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan of na de beëindiging van de scheepsmede-eigendom, naargelang welk tijdstip het vroegste valt.
§ 2. Vorderingen tussen scheepsmede-eigenaars en quiratair scheepsbeheerders in verband met de scheepsmede-eigendom verjaren door verloop van twee jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan of na de beëindiging van de lastgeving, naargelang welk tijdstip het vroegste valt.
§ 3. Regresvorderingen van en tegen scheepsmede-eigenaars en quiratair scheepsbeheerders in verband met de scheepsmede-eigendom kunnen, ook na de in paragrafen 1 en 2 bedoelde termijnen, worden ingesteld binnen drie maanden nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
Art. 2.3.1.18. Prescription
§ 1. Les actions entre copropriétaires quirataires concernant la copropriété quirataire se prescrivent par deux ans à dater du fait donnant lieu à l'action ou à dater de la cessation de la copropriété quirataire, en fonction du délai qui expire le premier.
§ 2. Les actions entre copropriétaires quirataires et armateurs-gérants quirataires concernant la copropriété quirataire se prescrivent par deux ans à dater du fait donnant lieu à l'action ou à dater de la cessation du mandat, en fonction du délai qui expire le premier.
§ 3. Les actions récursoires de copropriétaires quirataires et contre ceux-ci et des armateurs-gérants quirataires concernant la copropriété quirataire peuvent, même après l'expiration des délais visés dans les paragraphes 1er et 2, être introduites dans les trois mois à dater du moment où une action a été intentée contre le demandeur ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
§ 1. Les actions entre copropriétaires quirataires concernant la copropriété quirataire se prescrivent par deux ans à dater du fait donnant lieu à l'action ou à dater de la cessation de la copropriété quirataire, en fonction du délai qui expire le premier.
§ 2. Les actions entre copropriétaires quirataires et armateurs-gérants quirataires concernant la copropriété quirataire se prescrivent par deux ans à dater du fait donnant lieu à l'action ou à dater de la cessation du mandat, en fonction du délai qui expire le premier.
§ 3. Les actions récursoires de copropriétaires quirataires et contre ceux-ci et des armateurs-gérants quirataires concernant la copropriété quirataire peuvent, même après l'expiration des délais visés dans les paragraphes 1er et 2, être introduites dans les trois mois à dater du moment où une action a été intentée contre le demandeur ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
Afdeling 2. - Aansprakelijkheid van scheepseigenaars en reders
Section 2. - Responsabilité des propriétaires de navire et des armateurs
Art. 2.3.1.19. Andere regelgeving
Deze afdeling geldt onverminderd :
1° de hoofdstukken 5, 6 en 7 van titel 2 van dit boek, in het bijzonder de bepalingen betreffende de scheepszekerheidsrechten, het scheepsbeslag en de overheidsschepen;
2° afdeling 2 van hoofdstuk 2 van deze titel, in het bijzonder de bepalingen betreffende de aansprakelijkheidsbeperking;
3° titel 6 van dit boek, in het bijzonder de bepalingen betreffende de contractuele aansprakelijkheid van de vervrachter, de bevrachter, de vervoerder, de sleper en de duwer;
4° titel 7 van dit boek, in het bijzonder artikel 2.7.2.10, artikel 2.7.5.11 en de bepalingen betreffende de aansprakelijkheid wegens verontreiniging.
5° artikel 2.7.5.14, § 2;
6° artikel [1 6.14]1 van het Burgerlijk Wetboek;
7° de bepalingen betreffende de strafrechtelijke aansprakelijkheid, de burgerlijke aansprakelijkheid voor de betaling van geldboeten, en de administratieve sancties;
8° de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
9° de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen;
10° de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser;
11° de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen.
Artikel 3 van de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen is mede van toepassing op openbare rechtspersonen die optreden als scheepseigenaar, reder of scheepsgebruiker.
Deze afdeling geldt onverminderd :
1° de hoofdstukken 5, 6 en 7 van titel 2 van dit boek, in het bijzonder de bepalingen betreffende de scheepszekerheidsrechten, het scheepsbeslag en de overheidsschepen;
2° afdeling 2 van hoofdstuk 2 van deze titel, in het bijzonder de bepalingen betreffende de aansprakelijkheidsbeperking;
3° titel 6 van dit boek, in het bijzonder de bepalingen betreffende de contractuele aansprakelijkheid van de vervrachter, de bevrachter, de vervoerder, de sleper en de duwer;
4° titel 7 van dit boek, in het bijzonder artikel 2.7.2.10, artikel 2.7.5.11 en de bepalingen betreffende de aansprakelijkheid wegens verontreiniging.
5° artikel 2.7.5.14, § 2;
6° artikel [1 6.14]1 van het Burgerlijk Wetboek;
7° de bepalingen betreffende de strafrechtelijke aansprakelijkheid, de burgerlijke aansprakelijkheid voor de betaling van geldboeten, en de administratieve sancties;
8° de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
9° de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen;
10° de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser;
11° de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen.
Artikel 3 van de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen is mede van toepassing op openbare rechtspersonen die optreden als scheepseigenaar, reder of scheepsgebruiker.
Art. 2.3.1.19. Autre réglementation
La présente section s'applique sans préjudice :
1° des chapitres 5, 6 et 7 du titre 2 du présent livre, en particulier les dispositions concernant les sûretés sur navires, la saisie sur navires et les navires publics;
2° la section 2 du chapitre 2 du présent titre, en particulier les dispositions concernant la limitation de responsabilité;
3° du titre 6 du présent livre, et en particulier des dispositions relatives à la responsabilité contractuelle du fréteur, de l'affréteur, du transporteur, du remorqueur et du pousseur;
4° du titre 7 du présent livre, en particulier l'article 2.7.2.10, l'article 2.7.5.11 et les dispositions concernant la responsabilité pour cause de pollution;
5° l'article 2.7.5.14, § 2;
6° l'article [2 6.14]2 du Code civil;
7° des dispositions relatives à la responsabilité pénale, à la responsabilité civile pour le paiement des amendes, et aux sanctions administratives;
8° la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
9° la loi du 10 février 2003 relative à la responsabilité des et pour les membres du personnel au service des personnes publiques;
10° la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur;
11° la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail.
L'article 3 de la loi du 10 février 2003 relative à la responsabilité des et pour les membres du personnel au service des personnes publiques [1 ...]1 s'applique également aux personnes morales de droit public agissant en qualité de propriétaire de navire, armateur ou utilisateur de navire.
La présente section s'applique sans préjudice :
1° des chapitres 5, 6 et 7 du titre 2 du présent livre, en particulier les dispositions concernant les sûretés sur navires, la saisie sur navires et les navires publics;
2° la section 2 du chapitre 2 du présent titre, en particulier les dispositions concernant la limitation de responsabilité;
3° du titre 6 du présent livre, et en particulier des dispositions relatives à la responsabilité contractuelle du fréteur, de l'affréteur, du transporteur, du remorqueur et du pousseur;
4° du titre 7 du présent livre, en particulier l'article 2.7.2.10, l'article 2.7.5.11 et les dispositions concernant la responsabilité pour cause de pollution;
5° l'article 2.7.5.14, § 2;
6° l'article [2 6.14]2 du Code civil;
7° des dispositions relatives à la responsabilité pénale, à la responsabilité civile pour le paiement des amendes, et aux sanctions administratives;
8° la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
9° la loi du 10 février 2003 relative à la responsabilité des et pour les membres du personnel au service des personnes publiques;
10° la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur;
11° la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail.
L'article 3 de la loi du 10 février 2003 relative à la responsabilité des et pour les membres du personnel au service des personnes publiques [1 ...]1 s'applique également aux personnes morales de droit public agissant en qualité de propriétaire de navire, armateur ou utilisateur de navire.
Art. 2.3.1.20. Afwijkende bedingen
Bedingen die afwijken van de artikel en 2.3.1.19 en 2.3.1.22, § 1, 1°, a) zijn nietig.
Bedingen die afwijken van de artikel en 2.3.1.19 en 2.3.1.22, § 1, 1°, a) zijn nietig.
Art. 2.3.1.20. Clauses dérogatoires
Les clauses qui dérogent aux articles 2.3.1.19 et 2.3.1.22, § 1er, 1°, a) sont nulles.
Les clauses qui dérogent aux articles 2.3.1.19 et 2.3.1.22, § 1er, 1°, a) sont nulles.
Art. 2.3.1.21. Eigen daden
De scheepseigenaar en de reder staan in voor de nakoming van de door henzelf aangegane verbintenissen en zijn aansprakelijk voor hun eigen onrechtmatige daden waardoor aan derden schade wordt berokkend.
De scheepseigenaar en de reder staan in voor de nakoming van de door henzelf aangegane verbintenissen en zijn aansprakelijk voor hun eigen onrechtmatige daden waardoor aan derden schade wordt berokkend.
Art. 2.3.1.21. Propres faits
Le propriétaire de navire et l'armateur sont tenus de l'exécution des obligations qu'ils ont contractées eux-mêmes et sont responsables de leurs propres faits illicites qui causent un dommage à autrui.
Le propriétaire de navire et l'armateur sont tenus de l'exécution des obligations qu'ils ont contractées eux-mêmes et sont responsables de leurs propres faits illicites qui causent un dommage à autrui.
Art. 2.3.1.22. Verbintenissen aangegaan door of voor de gezagvoerder
§ 1. De scheepseigenaar staat in voor [1 ...]1 :
1° [1 de verbintenissen die door de kapitein]1 zelf worden aangegaan binnen de uitoefening van zijn scheepsdienst, tenzij :
a) de kapitein uitdrukkelijk verklaart op te treden voor een andere partij, van wie tegelijkertijd de naam en de zetel of een verblijfplaats worden meegedeeld; hetzij
b) de scheepseigenaar bewijst dat de kapitein onbevoegd was om te handelen en dat de wederpartij van deze onbevoegdheid op de hoogte was of behoorde te zijn;
2° [2 de verbintenissen die worden aangegaan]2 door een andere persoon die uitdrukkelijk verklaart voor de kapitein te handelen, tenzij de scheepseigenaar bewijst dat :
a) deze persoon onbevoegd was om te handelen en dat de wederpartij respectievelijk de betrokken derde van deze onbevoegdheid op de hoogte was of behoorde te zijn; hetzij
b) [2 de betrokken verbintenis]2 onverenigbaar is met een eerder door hemzelf of door de kapitein aangegane verbintenis met hetzelfde voorwerp of betreffende dezelfde aangelegenheid, en dat de wederpartij respectievelijk de betrokken derde van deze verbintenis op de hoogte was of behoorde te zijn; hetzij
c) noch hijzelf, noch de reder van [2 de betrokken verbintenis]2 op de hoogte was of redelijkerwijze vermocht te zijn.
§ 2. In geval van onvolledigheid, dubbelzinnigheid of tegenstrijdigheid van bedingen betreffende de identiteit van de door de kapitein of de voor hem handelende partij, is alleszins de scheepseigenaar verantwoordelijk overeenkomstig § 1.
§ 3. Paragraaf 1 is van overeenkomstige toepassing op de vertegenwoordiging bij het stellen van rechtshandelingen in uitvoering van artikel 2.4.2.5, § 1, 4°.
§ 1. De scheepseigenaar staat in voor [1 ...]1 :
1° [1 de verbintenissen die door de kapitein]1 zelf worden aangegaan binnen de uitoefening van zijn scheepsdienst, tenzij :
a) de kapitein uitdrukkelijk verklaart op te treden voor een andere partij, van wie tegelijkertijd de naam en de zetel of een verblijfplaats worden meegedeeld; hetzij
b) de scheepseigenaar bewijst dat de kapitein onbevoegd was om te handelen en dat de wederpartij van deze onbevoegdheid op de hoogte was of behoorde te zijn;
2° [2 de verbintenissen die worden aangegaan]2 door een andere persoon die uitdrukkelijk verklaart voor de kapitein te handelen, tenzij de scheepseigenaar bewijst dat :
a) deze persoon onbevoegd was om te handelen en dat de wederpartij respectievelijk de betrokken derde van deze onbevoegdheid op de hoogte was of behoorde te zijn; hetzij
b) [2 de betrokken verbintenis]2 onverenigbaar is met een eerder door hemzelf of door de kapitein aangegane verbintenis met hetzelfde voorwerp of betreffende dezelfde aangelegenheid, en dat de wederpartij respectievelijk de betrokken derde van deze verbintenis op de hoogte was of behoorde te zijn; hetzij
c) noch hijzelf, noch de reder van [2 de betrokken verbintenis]2 op de hoogte was of redelijkerwijze vermocht te zijn.
§ 2. In geval van onvolledigheid, dubbelzinnigheid of tegenstrijdigheid van bedingen betreffende de identiteit van de door de kapitein of de voor hem handelende partij, is alleszins de scheepseigenaar verantwoordelijk overeenkomstig § 1.
§ 3. Paragraaf 1 is van overeenkomstige toepassing op de vertegenwoordiging bij het stellen van rechtshandelingen in uitvoering van artikel 2.4.2.5, § 1, 4°.
Art. 2.3.1.22. Obligations contractées par ou pour le commandant
§ 1er. Le propriétaire de navire est responsable [1 ...]1 :
1° [1 des obligations qui sont contractées]1 par le capitaine lui-même dans l'exercice de ses fonctions au service du navire, à moins que :
a) le capitaine ne déclare expressément intervenir pour une autre partie dont le nom et le siège ou une résidence sont communiqués en même temps; ou
b) le propriétaire de navire ne prouve que le capitaine agissait sans en avoir le pouvoir et que la partie adverse était au courant de cette incompétence ou aurait dû l'être;
2° [2 des obligations conclues]2 par une autre personne qui déclare expressément agir pour le capitaine, à moins que le propriétaire de navire ne prouve :
a) que cette personne agissait sans en avoir le pouvoir et que la partie adverse ou le tiers concerné était au courant de cette incompétence ou aurait dû l'être; ou
b) que [2 l'obligation concernée]2 est incompatible avec une obligation contractée antérieurement par lui-même ou par le capitaine ayant le même sujet ou concernant la même affaire, et que la partie adverse, ou le tiers concerné, était au courant de cette obligation ou aurait dû l'être; ou
c) que ni lui-même ni l'armateur n'étaient au courant ou ne pouvaient raisonnablement être au courant [2 de l'obligation concernée]2.
§ 2. En cas de non-exhaustivité, d'ambiguïté ou de contradiction de clauses concernant l'identité de la partie représentée par le capitaine ou agissant pour le compte de celui-ci, le propriétaire de navire est de toute manière tenu pour responsable, conformément au paragraphe 1er.
§ 3. Le paragraphe 1er est applicable par analogie sur la représentation lors de l'accomplissement d'actes juridiques en exécution de l'article 2.4.2.5, § 1er, 4°.
§ 1er. Le propriétaire de navire est responsable [1 ...]1 :
1° [1 des obligations qui sont contractées]1 par le capitaine lui-même dans l'exercice de ses fonctions au service du navire, à moins que :
a) le capitaine ne déclare expressément intervenir pour une autre partie dont le nom et le siège ou une résidence sont communiqués en même temps; ou
b) le propriétaire de navire ne prouve que le capitaine agissait sans en avoir le pouvoir et que la partie adverse était au courant de cette incompétence ou aurait dû l'être;
2° [2 des obligations conclues]2 par une autre personne qui déclare expressément agir pour le capitaine, à moins que le propriétaire de navire ne prouve :
a) que cette personne agissait sans en avoir le pouvoir et que la partie adverse ou le tiers concerné était au courant de cette incompétence ou aurait dû l'être; ou
b) que [2 l'obligation concernée]2 est incompatible avec une obligation contractée antérieurement par lui-même ou par le capitaine ayant le même sujet ou concernant la même affaire, et que la partie adverse, ou le tiers concerné, était au courant de cette obligation ou aurait dû l'être; ou
c) que ni lui-même ni l'armateur n'étaient au courant ou ne pouvaient raisonnablement être au courant [2 de l'obligation concernée]2.
§ 2. En cas de non-exhaustivité, d'ambiguïté ou de contradiction de clauses concernant l'identité de la partie représentée par le capitaine ou agissant pour le compte de celui-ci, le propriétaire de navire est de toute manière tenu pour responsable, conformément au paragraphe 1er.
§ 3. Le paragraphe 1er est applicable par analogie sur la représentation lors de l'accomplissement d'actes juridiques en exécution de l'article 2.4.2.5, § 1er, 4°.
Art. 2.3.1.23. Daden van de gezagvoerder
De scheepseigenaar is aansprakelijk voor de door de gezagvoerder binnen de uitoefening van zijn taak gestelde onrechtmatige daden waardoor aan derden schade wordt berokkend.
De scheepseigenaar is aansprakelijk voor de door de gezagvoerder binnen de uitoefening van zijn taak gestelde onrechtmatige daden waardoor aan derden schade wordt berokkend.
Art. 2.3.1.23. Faits du commandant
Le propriétaire de navire est responsable pour les faits illicites commis par le commandant dans l'exercice de ses fonctions et qui causent à autrui un dommage.
Le propriétaire de navire est responsable pour les faits illicites commis par le commandant dans l'exercice de ses fonctions et qui causent à autrui un dommage.
Art. 2.3.1.24. Daden van aangestelden
§ 1. De scheepseigenaar is aansprakelijk voor :
1° de in de uitoefening van hun scheepsdienst gestelde onrechtmatige daden van de in zijn dienst tewerkgestelde bemanningsleden waardoor aan derden schade wordt berokkend;
2° de in dienst van het schip gestelde onrechtmatige daden van de andere, desgevallend slechts tijdelijke, aangestelden van de scheepseigenaar of de reder waardoor aan derden schade wordt berokkend.
§ 2. Onverminderd de bijzondere bepalingen betreffende de betrokken dienstverlening, is de scheepseigenaar aansprakelijk voor de onrechtmatige daden van de verstrekkers van loods-, sleep- en vast- en losmaakdiensten en hun personeelsleden waardoor aan derden schade wordt berokkend.
Het vorige lid is niet van toepassing wanneer de dienstverstrekker de leiding van de vaarmanoeuvres heeft.
§ 1. De scheepseigenaar is aansprakelijk voor :
1° de in de uitoefening van hun scheepsdienst gestelde onrechtmatige daden van de in zijn dienst tewerkgestelde bemanningsleden waardoor aan derden schade wordt berokkend;
2° de in dienst van het schip gestelde onrechtmatige daden van de andere, desgevallend slechts tijdelijke, aangestelden van de scheepseigenaar of de reder waardoor aan derden schade wordt berokkend.
§ 2. Onverminderd de bijzondere bepalingen betreffende de betrokken dienstverlening, is de scheepseigenaar aansprakelijk voor de onrechtmatige daden van de verstrekkers van loods-, sleep- en vast- en losmaakdiensten en hun personeelsleden waardoor aan derden schade wordt berokkend.
Het vorige lid is niet van toepassing wanneer de dienstverstrekker de leiding van de vaarmanoeuvres heeft.
Art. 2.3.1.24. Faits des préposés
§ 1er. Le propriétaire de navire est responsable pour :
1° les faits illicites commis par les membres de l'équipage dans l'exercice de leur service à bord du navire qui causent à autrui un dommage;
2° les faits illicites commis au service du navire par les autres préposés, le cas échéant seulement temporaires, du propriétaire de navire ou de l'armateur qui causent à autrui un dommage.
§ 2. Sans préjudice des dispositions particulières concernant la prestation de services concernée, le propriétaire de navire est responsable pour les faits illicites du fournisseur de services de pilotage, de remorquage et de lamanage et des membres du personnel de ceux-ci qui causent à autrui un dommage.
L'alinéa précédent ne s'applique pas lorsque le fournisseur de services a la direction des manoeuvres de navigation.
§ 1er. Le propriétaire de navire est responsable pour :
1° les faits illicites commis par les membres de l'équipage dans l'exercice de leur service à bord du navire qui causent à autrui un dommage;
2° les faits illicites commis au service du navire par les autres préposés, le cas échéant seulement temporaires, du propriétaire de navire ou de l'armateur qui causent à autrui un dommage.
§ 2. Sans préjudice des dispositions particulières concernant la prestation de services concernée, le propriétaire de navire est responsable pour les faits illicites du fournisseur de services de pilotage, de remorquage et de lamanage et des membres du personnel de ceux-ci qui causent à autrui un dommage.
L'alinéa précédent ne s'applique pas lorsque le fournisseur de services a la direction des manoeuvres de navigation.
Art. 2.3.1.25. Aansprakelijkheid na eigendomsoverdracht
Na eigendomsoverdracht blijft de aansprakelijkheid rusten op hem die scheepseigenaar was op het ogenblik waarop de onrechtmatige daad werd gesteld of de verbintenis tot stand kwam.
Na eigendomsoverdracht blijft de aansprakelijkheid rusten op hem die scheepseigenaar was op het ogenblik waarop de onrechtmatige daad werd gesteld of de verbintenis tot stand kwam.
Art. 2.3.1.25. Responsabilité après cession de propriété
Après cession de propriété, la responsabilité continue à reposer sur celui qui était propriétaire du navire au moment où l'acte illicite a été commis ou au moment où l'obligation a été contractée.
Après cession de propriété, la responsabilité continue à reposer sur celui qui était propriétaire du navire au moment où l'acte illicite a été commis ou au moment où l'obligation a été contractée.
Art. 2.3.1.26. Gehoudenheid in solidum
Ingeval naast de op grond van de voorgaande artikel en aansprakelijke scheepseigenaar een andere persoon voor dezelfde verbintenissen instaat of voor dezelfde schade aansprakelijk is, zijn de scheepseigenaar en deze andere persoon in solidum aansprakelijk.
Ingeval naast de op grond van de voorgaande artikel en aansprakelijke scheepseigenaar een andere persoon voor dezelfde verbintenissen instaat of voor dezelfde schade aansprakelijk is, zijn de scheepseigenaar en deze andere persoon in solidum aansprakelijk.
Art. 2.3.1.26. Obligation in solidum
Au cas où, en dehors du propriétaire de navire responsable sur la base des articles précédents, une autre personne est tenue pour les mêmes obligations ou est responsable pour le même dommage, le propriétaire de navire et cette autre personne sont responsables in solidum.
Au cas où, en dehors du propriétaire de navire responsable sur la base des articles précédents, une autre personne est tenue pour les mêmes obligations ou est responsable pour le même dommage, le propriétaire de navire et cette autre personne sont responsables in solidum.
Art. 2.3.1.27. Verhaalsrecht
De scheepseigenaar die op grond van de artikel en 2.3.1.22, 2.3.1.23 of 2.3.1.24 werd veroordeeld kan verhaal uitoefenen tegen de aansprakelijke schadeveroorzaker en de aansprakelijke reder, die tegenover hem in solidum gehouden zijn.
De scheepseigenaar die op grond van de artikel en 2.3.1.22, 2.3.1.23 of 2.3.1.24 werd veroordeeld kan verhaal uitoefenen tegen de aansprakelijke schadeveroorzaker en de aansprakelijke reder, die tegenover hem in solidum gehouden zijn.
Art. 2.3.1.27. Droit de recours
Le propriétaire de navire qui a été condamné sur la base des articles 2.3.1.22, 2.3.1.23 ou 2.3.1.24 peut exercer un recours contre celui qui a causé le dommage et contre l'armateur responsable, qui sont responsables in solidum à son égard.
Le propriétaire de navire qui a été condamné sur la base des articles 2.3.1.22, 2.3.1.23 ou 2.3.1.24 peut exercer un recours contre celui qui a causé le dommage et contre l'armateur responsable, qui sont responsables in solidum à son égard.
Afdeling 3. - Scheepsagenten
Section 3. - Agents maritimes
Art. 2.3.1.28. Betekeningen, kennisgevingen en mededelingen
§ 1. Onverminderd de mogelijkheden tot betekening, kennisgeving, neerlegging en mededeling bepaald in hoofdstuk VII van het eerste deel van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen betekeningen, kennisgevingen en mededelingen van gerechtelijke en buitengerechtelijke akten aan een scheepseigenaar, een scheepsmede-eigenaar, een reder of een scheepsgebruiker geldig worden gedaan aan de scheepsagent, op voorwaarde dat deze laatste, hetzij vooraf, hetzij naderhand, schriftelijk verklaart dat hij daartoe gevolmachtigd is en dat bij hem woonstkeuze is gedaan.
§ 2. De vorige paragraaf is van toepassing op de rechtspleging in België.
§ 1. Onverminderd de mogelijkheden tot betekening, kennisgeving, neerlegging en mededeling bepaald in hoofdstuk VII van het eerste deel van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen betekeningen, kennisgevingen en mededelingen van gerechtelijke en buitengerechtelijke akten aan een scheepseigenaar, een scheepsmede-eigenaar, een reder of een scheepsgebruiker geldig worden gedaan aan de scheepsagent, op voorwaarde dat deze laatste, hetzij vooraf, hetzij naderhand, schriftelijk verklaart dat hij daartoe gevolmachtigd is en dat bij hem woonstkeuze is gedaan.
§ 2. De vorige paragraaf is van toepassing op de rechtspleging in België.
Art. 2.3.1.28. Significations, notifications et communications
§ 1er. Sans préjudice des possibilités de signification, notification, dépôt et communication visées au chapitre VII de la première partie du Code judiciaire, les significations, les notifications et les communications d'actes judiciaires et extrajudiciaires à un propriétaire de navire, un copropriétaire quirataire, un armateur ou un utilisateur de navire se font valablement à l'agent maritime, à la condition que ce dernier déclare par écrit, soit préalablement, soit ultérieurement, avoir été mandaté à cet effet et qu'il a été élu domicile chez lui.
§ 2. Le paragraphe précédent est applicable sur la procédure en Belgique.
§ 1er. Sans préjudice des possibilités de signification, notification, dépôt et communication visées au chapitre VII de la première partie du Code judiciaire, les significations, les notifications et les communications d'actes judiciaires et extrajudiciaires à un propriétaire de navire, un copropriétaire quirataire, un armateur ou un utilisateur de navire se font valablement à l'agent maritime, à la condition que ce dernier déclare par écrit, soit préalablement, soit ultérieurement, avoir été mandaté à cet effet et qu'il a été élu domicile chez lui.
§ 2. Le paragraphe précédent est applicable sur la procédure en Belgique.
HOOFDSTUK 2. - Zeevaart
CHAPITRE 2. - Navigation maritime
Afdeling 1. - Verplichte verzekeringen
Section 1ère. - Assurances obligatoires
Onderafdeling 1. - Maritieme vorderingen
Sous-Section 1ère. - Créances maritimes
Art. 2.3.2.1. Omzetting van Richtlijn 2009/20/EG
Deze onderafdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2009/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de verzekering van scheepseigenaars tegen maritieme vorderingen.
Deze onderafdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2009/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de verzekering van scheepseigenaars tegen maritieme vorderingen.
Art. 2.3.2.1. Transposition de la Directive 2009/20/CE
La présente sous-section transpose partiellement la Directive 2009/20/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 relative à l'assurance des propriétaires de navires pour les créances maritimes.
La présente sous-section transpose partiellement la Directive 2009/20/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 relative à l'assurance des propriétaires de navires pour les créances maritimes.
Art. 2.3.2.2. Begrippen
In deze afdeling en in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 wordt verstaan onder :
1° "scheepseigenaar", in afwijking van artikel 2.1.1.2, 1°, de geregistreerde eigenaar van een zeeschip of enig andere persoon, zoals de rompbevrachter, die verantwoordelijk is voor het [1 exploiteren van het zeeschip]1;
2° "zeeschip", in afwijking van artikel 1.1.1.3, § 1, 7° : een zeeschip bedoeld in Richtlijn 2009/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de verzekering van scheepseigenaars tegen maritieme vorderingen;
3° "verzekering" : een verzekering met of zonder vrijstelling, bijvoorbeeld een aansprakelijkheidsverzekering van het type dat momenteel wordt verstrekt door de leden van de "International Group of P&I Clubs", en andere doeltreffende vormen van verzekering, waaronder aangetoonde individuele verzekering, en financiële zekerheid die soortgelijke dekkingsvoorwaarden bieden.
In deze afdeling en in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 wordt verstaan onder :
1° "scheepseigenaar", in afwijking van artikel 2.1.1.2, 1°, de geregistreerde eigenaar van een zeeschip of enig andere persoon, zoals de rompbevrachter, die verantwoordelijk is voor het [1 exploiteren van het zeeschip]1;
2° "zeeschip", in afwijking van artikel 1.1.1.3, § 1, 7° : een zeeschip bedoeld in Richtlijn 2009/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de verzekering van scheepseigenaars tegen maritieme vorderingen;
3° "verzekering" : een verzekering met of zonder vrijstelling, bijvoorbeeld een aansprakelijkheidsverzekering van het type dat momenteel wordt verstrekt door de leden van de "International Group of P&I Clubs", en andere doeltreffende vormen van verzekering, waaronder aangetoonde individuele verzekering, en financiële zekerheid die soortgelijke dekkingsvoorwaarden bieden.
Art. 2.3.2.2. Notions
Dans la présente sous-section et dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait, l'on entend par :
1° " propriétaire de navire ", par dérogation à l'article 2.1.1.2, 1° : le propriétaire inscrit d'un navire de mer ou toute autre personne, telle que l'affréteur coque nue, qui est responsable de [1 l'exploitation du navire de mer]1;
2° " navire de mer ", par dérogation à l'article 1.1.1.3, § 1er, 7° : un navire de mer visé à la Directive 2009/20/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 en matière d'assurance des propriétaires de navire pour les créances maritimes;
3° " assurance " : une assurance avec ou sans franchise, et comprenant par exemple une assurance-indemnisation du type actuellement offert par les membres de l'" International Group of P&I Clubs " et d'autres formes effectives d'assurance, y compris une assurance individuelle attestée, et de garantie financière offrant des conditions de couverture équivalentes.
Dans la présente sous-section et dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait, l'on entend par :
1° " propriétaire de navire ", par dérogation à l'article 2.1.1.2, 1° : le propriétaire inscrit d'un navire de mer ou toute autre personne, telle que l'affréteur coque nue, qui est responsable de [1 l'exploitation du navire de mer]1;
2° " navire de mer ", par dérogation à l'article 1.1.1.3, § 1er, 7° : un navire de mer visé à la Directive 2009/20/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 en matière d'assurance des propriétaires de navire pour les créances maritimes;
3° " assurance " : une assurance avec ou sans franchise, et comprenant par exemple une assurance-indemnisation du type actuellement offert par les membres de l'" International Group of P&I Clubs " et d'autres formes effectives d'assurance, y compris une assurance individuelle attestée, et de garantie financière offrant des conditions de couverture équivalentes.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.3. Materiële toepassing
§ 1. Deze onderafdeling is van toepassing op zeeschepen van 300 brutoton of meer.
§ 2. Deze afdeling is van toepassing op estuaire schepen [1 , wanneer deze zich in zeewateren bevinden]1.
§ 3. Deze afdeling is niet van toepassing op oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of geëxploiteerd worden door een Staat en voor niet-commerciële overheidsdiensten worden gebruikt.
§ 1. Deze onderafdeling is van toepassing op zeeschepen van 300 brutoton of meer.
§ 2. Deze afdeling is van toepassing op estuaire schepen [1 , wanneer deze zich in zeewateren bevinden]1.
§ 3. Deze afdeling is niet van toepassing op oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of geëxploiteerd worden door een Staat en voor niet-commerciële overheidsdiensten worden gebruikt.
Art. 2.3.2.3. Application matérielle
§ 1er. La présente sous-section est applicable aux navires de mer d'une jauge brute égale ou supérieure à 300.
§ 2. La présente section s'applique aux navires estuaires [1 , lorsqu'ils se trouvent dans les eaux maritimes]1.
§ 3. La présente section n'est pas applicable aux navires de guerre, aux navires de guerre auxiliaires ou autres navires appartenant à un Etat ou exploités par lui et utilisés pour un service public non commercial.
§ 1er. La présente sous-section est applicable aux navires de mer d'une jauge brute égale ou supérieure à 300.
§ 2. La présente section s'applique aux navires estuaires [1 , lorsqu'ils se trouvent dans les eaux maritimes]1.
§ 3. La présente section n'est pas applicable aux navires de guerre, aux navires de guerre auxiliaires ou autres navires appartenant à un Etat ou exploités par lui et utilisés pour un service public non commercial.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.4. Verzekeringsplicht
§ 1. De eigenaars van Belgische [1 zeeschepen]1 moeten voor die [1 zeeschepen]1 een verzekering hebben.
§ 2. De eigenaars van vreemde [1 zeeschepen]1 moeten voor die [1 zeeschepen]1 over een verzekering beschikken wanneer die [1 zeeschepen]1 een onder de Belgische rechtsbevoegdheid vallende haven binnenvaren.
§ 3. De in de eerste en tweede paragraaf bedoelde verzekering dekt maritieme vorderingen waarvoor op grond van het LLMC-Verdrag een bovengrens geldt. Het bedrag van de verzekering voor elk [1 zeeschip]1 per incident is gelijk aan het toepasselijke maximumbedrag voor de beperking van de aansprakelijkheid overeenkomstig het LLMC-Verdrag.
§ 1. De eigenaars van Belgische [1 zeeschepen]1 moeten voor die [1 zeeschepen]1 een verzekering hebben.
§ 2. De eigenaars van vreemde [1 zeeschepen]1 moeten voor die [1 zeeschepen]1 over een verzekering beschikken wanneer die [1 zeeschepen]1 een onder de Belgische rechtsbevoegdheid vallende haven binnenvaren.
§ 3. De in de eerste en tweede paragraaf bedoelde verzekering dekt maritieme vorderingen waarvoor op grond van het LLMC-Verdrag een bovengrens geldt. Het bedrag van de verzekering voor elk [1 zeeschip]1 per incident is gelijk aan het toepasselijke maximumbedrag voor de beperking van de aansprakelijkheid overeenkomstig het LLMC-Verdrag.
Art. 2.3.2.4. Obligation d'assurance
§ 1er. Les propriétaires de [1 navires de mer]1 belges doivent souscrire une assurance couvrant les [1 navires de mer]1 en question.
§ 2. Les propriétaires de [1 navires de mer]1 étrangers doivent disposer pour ces [1 navires de mer]1 d'une assurance lorsque ces [1 navires de mer]1 entrent dans un port relevant de la juridiction belge.
§ 3. L'assurance visée aux paragraphes 1er et 2 couvre les créances maritimes soumises à limitation en vertu de la Convention LLMC. Le montant de l'assurance pour chaque [1 navire de mer]1 par événement est égal au montant maximal applicable pour la limitation de la responsabilité, conformément à la Convention LLMC.
§ 1er. Les propriétaires de [1 navires de mer]1 belges doivent souscrire une assurance couvrant les [1 navires de mer]1 en question.
§ 2. Les propriétaires de [1 navires de mer]1 étrangers doivent disposer pour ces [1 navires de mer]1 d'une assurance lorsque ces [1 navires de mer]1 entrent dans un port relevant de la juridiction belge.
§ 3. L'assurance visée aux paragraphes 1er et 2 couvre les créances maritimes soumises à limitation en vertu de la Convention LLMC. Le montant de l'assurance pour chaque [1 navire de mer]1 par événement est égal au montant maximal applicable pour la limitation de la responsabilité, conformément à la Convention LLMC.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.5. Verzekeringsbewijzen
§ 1. Het bestaan van de in artikel 2.3.2.4 bedoelde verzekering wordt aangetoond aan de hand van één of meer door de verzekeringsverstrekker uitgereikte verzekeringsbewijzen die zich aan boord van het [1 zeeschip]1 bevinden.
De door de verzekeringsverstrekker uitgereikt verzekeringsbewijzen omvatten de volgende informatie :
1° de naam van het [1 zeeschip]1, het IMO-identificatienummer van het [1 zeeschip]1 en de haven van registratie;
2° de naam van de scheepseigenaar en het adres van zijn hoofdvestiging;
3° type en looptijd van de verzekering;
4° de naam en het adres van de hoofdvestiging van de verzekeringsverstrekker en, in voorkomend geval, het adres van het kantoor waar de verzekering is gesloten.
Indien het verzekeringsbewijs noch in de Engelse, noch in de Franse, noch in de Spaanse taal is gesteld, bevat de tekst een vertaling in één van deze talen.
§ 2. Ongeacht paragraaf 1 rust de bewijslast met betrekking tot de doeltreffendheid van de verzekering of de soortgelijkheid van de dekkingsvoorwaarden, bedoeld in artikel 2.3.2.2, 3° op de scheepseigenaar. De scheepvaartcontroleurs kunnen in verband daarmee alle bijkomende inlichtingen opvragen.
§ 1. Het bestaan van de in artikel 2.3.2.4 bedoelde verzekering wordt aangetoond aan de hand van één of meer door de verzekeringsverstrekker uitgereikte verzekeringsbewijzen die zich aan boord van het [1 zeeschip]1 bevinden.
De door de verzekeringsverstrekker uitgereikt verzekeringsbewijzen omvatten de volgende informatie :
1° de naam van het [1 zeeschip]1, het IMO-identificatienummer van het [1 zeeschip]1 en de haven van registratie;
2° de naam van de scheepseigenaar en het adres van zijn hoofdvestiging;
3° type en looptijd van de verzekering;
4° de naam en het adres van de hoofdvestiging van de verzekeringsverstrekker en, in voorkomend geval, het adres van het kantoor waar de verzekering is gesloten.
Indien het verzekeringsbewijs noch in de Engelse, noch in de Franse, noch in de Spaanse taal is gesteld, bevat de tekst een vertaling in één van deze talen.
§ 2. Ongeacht paragraaf 1 rust de bewijslast met betrekking tot de doeltreffendheid van de verzekering of de soortgelijkheid van de dekkingsvoorwaarden, bedoeld in artikel 2.3.2.2, 3° op de scheepseigenaar. De scheepvaartcontroleurs kunnen in verband daarmee alle bijkomende inlichtingen opvragen.
Art. 2.3.2.5. Certificats d'assurance
§ 1er. L'existence de l'assurance visée à l'article 2.3.2.4 est attestée par un ou plusieurs certificats d'assurance délivrés par le fournisseur d'assurance et présents à bord du [1 navire de mer]1.
Les certificats émis par le fournisseur de l'assurance comportent les renseignements suivants :
1° nom du [1 navire de mer]1, numéro OMI d'identification du [1 navire de mer]1 et port d'immatriculation;
2° nom et lieu du principal établissement du propriétaire du navire;
3° type et durée de l'assurance;
4° nom et lieu du principal établissement du fournisseur de l'assurance et, le cas échéant, lieu de l'établissement auprès duquel l'assurance a été souscrite.
Si la langue utilisée dans le certificat n'est ni l'anglais, ni le français, ni l'espagnol, le texte du certificat comporte une traduction dans l'une de ces langues.
§ 2. Nonobstant le paragraphe 1er, la preuve de l'efficacité relative à l'assurance ou l'équivalence des conditions de couverture, visées à l'article 2.3.2.2, 3°, est à charge du propriétaire du navire. Les contrôleurs de la navigation peuvent demander toute information y relative.
§ 1er. L'existence de l'assurance visée à l'article 2.3.2.4 est attestée par un ou plusieurs certificats d'assurance délivrés par le fournisseur d'assurance et présents à bord du [1 navire de mer]1.
Les certificats émis par le fournisseur de l'assurance comportent les renseignements suivants :
1° nom du [1 navire de mer]1, numéro OMI d'identification du [1 navire de mer]1 et port d'immatriculation;
2° nom et lieu du principal établissement du propriétaire du navire;
3° type et durée de l'assurance;
4° nom et lieu du principal établissement du fournisseur de l'assurance et, le cas échéant, lieu de l'établissement auprès duquel l'assurance a été souscrite.
Si la langue utilisée dans le certificat n'est ni l'anglais, ni le français, ni l'espagnol, le texte du certificat comporte une traduction dans l'une de ces langues.
§ 2. Nonobstant le paragraphe 1er, la preuve de l'efficacité relative à l'assurance ou l'équivalence des conditions de couverture, visées à l'article 2.3.2.2, 3°, est à charge du propriétaire du navire. Les contrôleurs de la navigation peuvent demander toute information y relative.
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - Verontreiniging en wrakken
Sous-Section 2. - Pollution et épaves
Art. 2.3.2.6. Begrippen
§ 1. In deze onderafdeling en in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 wordt verstaan onder :
1° "verzekeringscertificaat" : een CLC-certificaat, een BUNKER-certificaat of een WRC-certificaat;
2° "CLC-certificaat" : een certificaat bedoeld in artikel VII.2 van het CLC-Verdrag 1992;
3° "BUNKER-certificaat" : een certificaat bedoeld in artikel 7.2 van het BUNKER-Verdrag;
4° "WRC-certificaat" : een certificaat bedoeld in artikel 12, lid 2 van het WRC-Verdrag;
5° "brutotonnenmaat" : de brutotonnenmaat berekend in overeenstemming met de voorschriften voor de meting vervat in bijlage 1 van het TMC-Verdrag;
§ 2. Tevens gelden voor de toepassing van deze onderafdeling en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 de begripsomschrijvingen vervat in het CLC-Verdrag 1992, het BUNKER-Verdrag en het WRC-Verdrag.
§ 1. In deze onderafdeling en in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 wordt verstaan onder :
1° "verzekeringscertificaat" : een CLC-certificaat, een BUNKER-certificaat of een WRC-certificaat;
2° "CLC-certificaat" : een certificaat bedoeld in artikel VII.2 van het CLC-Verdrag 1992;
3° "BUNKER-certificaat" : een certificaat bedoeld in artikel 7.2 van het BUNKER-Verdrag;
4° "WRC-certificaat" : een certificaat bedoeld in artikel 12, lid 2 van het WRC-Verdrag;
5° "brutotonnenmaat" : de brutotonnenmaat berekend in overeenstemming met de voorschriften voor de meting vervat in bijlage 1 van het TMC-Verdrag;
§ 2. Tevens gelden voor de toepassing van deze onderafdeling en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 de begripsomschrijvingen vervat in het CLC-Verdrag 1992, het BUNKER-Verdrag en het WRC-Verdrag.
Art. 2.3.2.6. Notions
§ 1er. Dans la présente sous-ection et dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait, l'on entend par :
1° " certificat d'assurance " : un certificat CLC, un certificat BUNKER ou un certificat WRC;
2° " certificat CLC " : un certificat visé à l'article VII.2 de la Convention CLC 1992;
3° " certificat BUNKER " : un certificat visé à l'article 7.2 de la Convention BUNKER;
4° " certificat WRC " : un certificat visé à l'article 12, alinéa 2, de la Convention WRC;
5° " jauge brute " : la jauge brute calculée conformément aux règles sur le jaugeage qui figurent à l'annexe 1 de la Convention TMC;
§ 2. Pour l'application de cette sous-section et les dispositions du livre 4 qui y ont trait, les définitions qui figurent dans la Convention CLC 1992, la Convention BUNKER et la Convention WRC sont également d'application.
§ 1er. Dans la présente sous-ection et dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait, l'on entend par :
1° " certificat d'assurance " : un certificat CLC, un certificat BUNKER ou un certificat WRC;
2° " certificat CLC " : un certificat visé à l'article VII.2 de la Convention CLC 1992;
3° " certificat BUNKER " : un certificat visé à l'article 7.2 de la Convention BUNKER;
4° " certificat WRC " : un certificat visé à l'article 12, alinéa 2, de la Convention WRC;
5° " jauge brute " : la jauge brute calculée conformément aux règles sur le jaugeage qui figurent à l'annexe 1 de la Convention TMC;
§ 2. Pour l'application de cette sous-section et les dispositions du livre 4 qui y ont trait, les définitions qui figurent dans la Convention CLC 1992, la Convention BUNKER et la Convention WRC sont également d'application.
Art. 2.3.2.7. Materiële toepassing
Deze onderafdeling is eveneens van toepassing op estuaire schepen [1 , wanneer deze zich in zeewateren bevinden]1.
Deze onderafdeling is eveneens van toepassing op estuaire schepen [1 , wanneer deze zich in zeewateren bevinden]1.
Art. 2.3.2.7. Application matérielle
La présente sous-section s'applique également aux navires estuaires [1 , lorsqu'ils se trouvent dans les eaux maritimes]1.
La présente sous-section s'applique également aux navires estuaires [1 , lorsqu'ils se trouvent dans les eaux maritimes]1.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.8. Verzekerings- en certificatieplicht voor Belgische [1 zeeschepen]1
§ 1. De eigenaar van een Belgisch [1 zeeschip]1 dat meer dan 2.000 ton olie in bulk als lading vervoert, moet een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie of een certificaat uitgereikt door een internationaal vergoedingsfonds, in stand houden tot dekking van zijn aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging uit hoofde van het CLC-Verdrag 1992, tot beloop van het beperkt bedrag van zijn aansprakelijkheid vastgesteld in artikel V.1 van het CLC-Verdrag 1992.
§ 2. De geregistreerde eigenaar van een Belgisch [1 zeeschip]1 met een brutotonnenmaat van meer dan 1.000 moet een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie of door een soortgelijke instantie verstrekte garantie, in stand houden tot dekking van zijn aansprakelijkheid uit hoofde van het BUNKER-Verdrag, tot beloop van het beperkt bedrag van zijn aansprakelijkheid krachtens de toepasselijke nationale of internationale beperkingsregeling, doch in geen geval hoger dan een bedrag berekend in overeenstemming met artikel 6.1(b) van het LLMC-Verdrag.
§ 3. De geregistreerde eigenaar van een Belgisch [1 zeeschip]1 met een brutotonnenmaat van 300 of meer moet een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie of een door een soortgelijke financiële instantie verstrekte garantie, in stand houden tot dekking van zijn aansprakelijkheid uit hoofde van het WRC-Verdrag, tot beloop van het beperkt bedrag van zijn aansprakelijkheid krachtens de toepasselijke nationale of internationale beperkingsregeling, doch in geen geval hoger dan een bedrag berekend in overeenstemming met artikel 6.1(b) van het LLMC-Verdrag
§ 4. Een verzekering of andere financiële zekerheid voldoet niet aan de vereisten van deze afdeling indien zij om andere redenen dan het verstrijken van de geldigheidsduur van de verzekering of zekerheid zoals vermeld in het certificaat bedoeld in de artikel en 2.3.2.9, 2.3.2.10 of 2.3.2.11, kan vervallen alvorens drie maanden zijn verlopen vanaf de datum waarop aan de overheden bedoeld in artikel 2.3.2.9, § 4, 2.3.2.10, § 4 of 2.3.2.11, § 4 mededeling is gedaan van de beëindiging, tenzij het certificaat bij deze overheden is ingeleverd of binnen de genoemde periode een nieuw certificaat is uitgereikt. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op elke wijziging die ertoe leidt dat de verzekering of zekerheid niet langer aan de vereisten van deze afdeling voldoet.
§ 5. Gelden uit een verzekering of andere financiële zekerheid, welke overeenkomstig de eerste paragraaf in stand wordt gehouden, zijn uitsluitend beschikbaar voor de voldoening van vorderingen op grond van het CLC-Verdrag 1992.
§ 6. Het is verboden een Belgisch [1 zeeschip]1 waarop artikel VII van het CLC-Verdrag 1992 van toepassing is op enig tijdstip te exploiteren, tenzij het over een geldig certificaat beschikt, uitgereikt krachtens artikel 2.3.2.9 of 2.3.2.16.
§ 7. Het is verboden een Belgisch [1 zeeschip]1 waarop artikel 7 van het BUNKER-Verdrag van toepassing is op enig tijdstip te exploiteren, tenzij het over een geldig certificaat beschikt, uitgereikt krachtens artikel 2.3.2.10 of 2.3.2.16.
§ 8. Het is verboden een Belgisch [1 zeeschip]1 waarop artikel 12 van het WRC-Verdrag van toepassing is op enig tijdstip te exploiteren, tenzij het over een geldig certificaat beschikt, uitgereikt krachtens artikel 2.3.2.11 of 2.3.2.16.
§ 1. De eigenaar van een Belgisch [1 zeeschip]1 dat meer dan 2.000 ton olie in bulk als lading vervoert, moet een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie of een certificaat uitgereikt door een internationaal vergoedingsfonds, in stand houden tot dekking van zijn aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging uit hoofde van het CLC-Verdrag 1992, tot beloop van het beperkt bedrag van zijn aansprakelijkheid vastgesteld in artikel V.1 van het CLC-Verdrag 1992.
§ 2. De geregistreerde eigenaar van een Belgisch [1 zeeschip]1 met een brutotonnenmaat van meer dan 1.000 moet een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie of door een soortgelijke instantie verstrekte garantie, in stand houden tot dekking van zijn aansprakelijkheid uit hoofde van het BUNKER-Verdrag, tot beloop van het beperkt bedrag van zijn aansprakelijkheid krachtens de toepasselijke nationale of internationale beperkingsregeling, doch in geen geval hoger dan een bedrag berekend in overeenstemming met artikel 6.1(b) van het LLMC-Verdrag.
§ 3. De geregistreerde eigenaar van een Belgisch [1 zeeschip]1 met een brutotonnenmaat van 300 of meer moet een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie of een door een soortgelijke financiële instantie verstrekte garantie, in stand houden tot dekking van zijn aansprakelijkheid uit hoofde van het WRC-Verdrag, tot beloop van het beperkt bedrag van zijn aansprakelijkheid krachtens de toepasselijke nationale of internationale beperkingsregeling, doch in geen geval hoger dan een bedrag berekend in overeenstemming met artikel 6.1(b) van het LLMC-Verdrag
§ 4. Een verzekering of andere financiële zekerheid voldoet niet aan de vereisten van deze afdeling indien zij om andere redenen dan het verstrijken van de geldigheidsduur van de verzekering of zekerheid zoals vermeld in het certificaat bedoeld in de artikel en 2.3.2.9, 2.3.2.10 of 2.3.2.11, kan vervallen alvorens drie maanden zijn verlopen vanaf de datum waarop aan de overheden bedoeld in artikel 2.3.2.9, § 4, 2.3.2.10, § 4 of 2.3.2.11, § 4 mededeling is gedaan van de beëindiging, tenzij het certificaat bij deze overheden is ingeleverd of binnen de genoemde periode een nieuw certificaat is uitgereikt. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op elke wijziging die ertoe leidt dat de verzekering of zekerheid niet langer aan de vereisten van deze afdeling voldoet.
§ 5. Gelden uit een verzekering of andere financiële zekerheid, welke overeenkomstig de eerste paragraaf in stand wordt gehouden, zijn uitsluitend beschikbaar voor de voldoening van vorderingen op grond van het CLC-Verdrag 1992.
§ 6. Het is verboden een Belgisch [1 zeeschip]1 waarop artikel VII van het CLC-Verdrag 1992 van toepassing is op enig tijdstip te exploiteren, tenzij het over een geldig certificaat beschikt, uitgereikt krachtens artikel 2.3.2.9 of 2.3.2.16.
§ 7. Het is verboden een Belgisch [1 zeeschip]1 waarop artikel 7 van het BUNKER-Verdrag van toepassing is op enig tijdstip te exploiteren, tenzij het over een geldig certificaat beschikt, uitgereikt krachtens artikel 2.3.2.10 of 2.3.2.16.
§ 8. Het is verboden een Belgisch [1 zeeschip]1 waarop artikel 12 van het WRC-Verdrag van toepassing is op enig tijdstip te exploiteren, tenzij het over een geldig certificaat beschikt, uitgereikt krachtens artikel 2.3.2.11 of 2.3.2.16.
Art. 2.3.2.8. Obligation d'assurance et de certification pour les [1 navires de mer]1 belges
§ 1er. Le propriétaire d'un [1 navire de mer]1 belge transportant plus de 2.000 tonnes d'hydrocarbures en vrac en tant que cargaison est tenu de souscrire une assurance ou autre garantie financière, telle que cautionnement bancaire ou certificat délivré par un fonds international d'indemnisation, d'un montant fixé par application des limites de responsabilité prévues à l'art. V.l de la Convention CLC 1992, pour couvrir sa responsabilité pour dommage par pollution conformément aux dispositions de la Convention CLC 1992.
§ 2. Le propriétaire enregistré d'un [1 navire de mer]1 belge d'une jauge brute supérieure à 1.000 est tenu de souscrire une assurance ou autre garantie financière, telle que le cautionnement délivré d'une banque ou d'une institution similaire, pour couvrir sa responsabilité du chef de la Convention BUNKER, pour un montant équivalant aux limites de responsabilité prescrites par le régime de limitation national ou international applicable, mais n'excédant en aucun cas un montant calculé conformément à l'article 6.1(b) de la Convention LLMC.
§ 3. Le propriétaire enregistré d'un [1 navire de mer]1 belge d'une jauge brute égale ou supérieure à 300 est tenu de souscrire une assurance ou autre garantie financière, telle que le cautionnement délivré d'une banque ou d'une institution similaire, pour couvrir sa responsabilité en vertu de la Convention WRC, à raison d'un montant équivalant aux limites de responsabilité prescrites par le régime de limitation national ou international applicable, mais n'excédant en aucun cas un montant calculé conformément à l'article 6.1(b) de la Convention LLMC.
§ 4. Une assurance ou une autre garantie financière ne satisfait pas aux dispositions de cette section si elle peut cesser ses effets, pour une raison autre que l'expiration du délai de validité indiqué dans le certificat visé aux articles 2.3.2.9, 2.3.2.10 ou 2.3.2.11, avant l'expiration d'un délai de trois mois à compter du jour où préavis a été donné à l'autorité citée à l'article 2.3.2.9, § 4, 2.3.2.10, § 4 ou 2.3.2.11, § 4, à moins que le certificat n'ait été restitué à cette autorité ou qu'un nouveau certificat valable n'ait été délivré avant le fin de ce délai. Ces dispositions s'appliquent également à toute modification de l''assurance ou garantie financière ayant pour effet que celle-ci ne satisfait plus aux dispositions de la présente section.
§ 5. Tout fonds constitué par une assurance ou autre garantie financière souscrite conformément au paragraphe 1er n'est disponible que pour le règlement des indemnités dues en vertu de la Convention CLC 1992.
§ 6. Il est interdit d'exploiter à tout moment un [1 navire de mer]1 belge soumis à l'article VII de la Convention CLC 1992, si ce [1 navire de mer]1 n'est pas muni d'un certificat valable, délivré en vertu de l'article 2.3.2.9 ou 2.3.2.16.
§ 7. Il est interdit d'exploiter à tout moment un [1 navire de mer]1 belge soumis à l'article 7 de la Convention BUNKER, à moins qu'il ne soit muni d'un certificat valable, délivré en vertu de l'article 2.3.2.10 ou 2.3.2.16.
§ 8. Il est interdit d'exploiter à tout moment un [1 navire de mer]1 belge soumis à l'article 12 de la Convention WRC, à moins que ce [1 navire de mer]1 ne soit muni d'un certificat valable, délivré en vertu de l'article 2.3.2.11 ou 2.3.2.16.
§ 1er. Le propriétaire d'un [1 navire de mer]1 belge transportant plus de 2.000 tonnes d'hydrocarbures en vrac en tant que cargaison est tenu de souscrire une assurance ou autre garantie financière, telle que cautionnement bancaire ou certificat délivré par un fonds international d'indemnisation, d'un montant fixé par application des limites de responsabilité prévues à l'art. V.l de la Convention CLC 1992, pour couvrir sa responsabilité pour dommage par pollution conformément aux dispositions de la Convention CLC 1992.
§ 2. Le propriétaire enregistré d'un [1 navire de mer]1 belge d'une jauge brute supérieure à 1.000 est tenu de souscrire une assurance ou autre garantie financière, telle que le cautionnement délivré d'une banque ou d'une institution similaire, pour couvrir sa responsabilité du chef de la Convention BUNKER, pour un montant équivalant aux limites de responsabilité prescrites par le régime de limitation national ou international applicable, mais n'excédant en aucun cas un montant calculé conformément à l'article 6.1(b) de la Convention LLMC.
§ 3. Le propriétaire enregistré d'un [1 navire de mer]1 belge d'une jauge brute égale ou supérieure à 300 est tenu de souscrire une assurance ou autre garantie financière, telle que le cautionnement délivré d'une banque ou d'une institution similaire, pour couvrir sa responsabilité en vertu de la Convention WRC, à raison d'un montant équivalant aux limites de responsabilité prescrites par le régime de limitation national ou international applicable, mais n'excédant en aucun cas un montant calculé conformément à l'article 6.1(b) de la Convention LLMC.
§ 4. Une assurance ou une autre garantie financière ne satisfait pas aux dispositions de cette section si elle peut cesser ses effets, pour une raison autre que l'expiration du délai de validité indiqué dans le certificat visé aux articles 2.3.2.9, 2.3.2.10 ou 2.3.2.11, avant l'expiration d'un délai de trois mois à compter du jour où préavis a été donné à l'autorité citée à l'article 2.3.2.9, § 4, 2.3.2.10, § 4 ou 2.3.2.11, § 4, à moins que le certificat n'ait été restitué à cette autorité ou qu'un nouveau certificat valable n'ait été délivré avant le fin de ce délai. Ces dispositions s'appliquent également à toute modification de l''assurance ou garantie financière ayant pour effet que celle-ci ne satisfait plus aux dispositions de la présente section.
§ 5. Tout fonds constitué par une assurance ou autre garantie financière souscrite conformément au paragraphe 1er n'est disponible que pour le règlement des indemnités dues en vertu de la Convention CLC 1992.
§ 6. Il est interdit d'exploiter à tout moment un [1 navire de mer]1 belge soumis à l'article VII de la Convention CLC 1992, si ce [1 navire de mer]1 n'est pas muni d'un certificat valable, délivré en vertu de l'article 2.3.2.9 ou 2.3.2.16.
§ 7. Il est interdit d'exploiter à tout moment un [1 navire de mer]1 belge soumis à l'article 7 de la Convention BUNKER, à moins qu'il ne soit muni d'un certificat valable, délivré en vertu de l'article 2.3.2.10 ou 2.3.2.16.
§ 8. Il est interdit d'exploiter à tout moment un [1 navire de mer]1 belge soumis à l'article 12 de la Convention WRC, à moins que ce [1 navire de mer]1 ne soit muni d'un certificat valable, délivré en vertu de l'article 2.3.2.11 ou 2.3.2.16.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.9. Uitreiking van CLC-certificaten voor Belgische [1 zeeschepen]1
§ 1. Een certificaat houdende verklaring dat een verzekering of een andere financiële zekerheid in overeenstemming met het CLC-Verdrag 1992 en deze afdeling van kracht is, wordt aan [1 elk zeeschip]1 uitgereikt, nadat de bevoegde overheid heeft vastgesteld dat het voldoet aan de verplichting bedoeld in artikel 2.3.2.8, § 1.
Het certificaat moet overeenstemmen met het model bepaald in de bijlage bij het CLC-Verdrag 1992 .
§ 2. Het certificaat wordt gesteld in één van de officiële landstalen. Ingeval de gebruikte taal niet de Franse is, moet de tekst tevens een vertaling in het Engels bevatten.
§ 3. Het certificaat moet zich aan boord van het [1 zeeschip]1 bevinden.
§ 4. De bevoegde overheid is bevoegd de certificaten in te trekken als niet wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder zij zijn uitgereikt.
§ 1. Een certificaat houdende verklaring dat een verzekering of een andere financiële zekerheid in overeenstemming met het CLC-Verdrag 1992 en deze afdeling van kracht is, wordt aan [1 elk zeeschip]1 uitgereikt, nadat de bevoegde overheid heeft vastgesteld dat het voldoet aan de verplichting bedoeld in artikel 2.3.2.8, § 1.
Het certificaat moet overeenstemmen met het model bepaald in de bijlage bij het CLC-Verdrag 1992 .
§ 2. Het certificaat wordt gesteld in één van de officiële landstalen. Ingeval de gebruikte taal niet de Franse is, moet de tekst tevens een vertaling in het Engels bevatten.
§ 3. Het certificaat moet zich aan boord van het [1 zeeschip]1 bevinden.
§ 4. De bevoegde overheid is bevoegd de certificaten in te trekken als niet wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder zij zijn uitgereikt.
Art. 2.3.2.9. Délivrance de certificats CLC pour les [1 navires de mer]1 belges
§ 1er. Un certificat attestant qu'une assurance ou autre garantie financière est en cours de validité conformément à la Convention CLC 1992 et cette section est délivré à [1 chaque navire de mer]1 après que l'autorité compétente s'est assurée [1 qu'il]1 satisfait aux prescriptions de l'article 2.3.2.8, § 1er.
Le certificat doit être conforme au modèle joint en annexe de la Convention CLC 1992:
§ 2. Le certificat est établi dans l'une des langues officielles de l'Etat. Dans le cas où la langue utilisée n'est pas le français, le texte comporte également une traduction en anglais.
§ 3. Le certificat doit se trouver à bord du [1 navire de mer]1.
§ 4. L'autorité compétente est autorisée à retirer les certificats si les conditions dans lesquelles ils ont été délivrés ne sont pas remplies.
§ 1er. Un certificat attestant qu'une assurance ou autre garantie financière est en cours de validité conformément à la Convention CLC 1992 et cette section est délivré à [1 chaque navire de mer]1 après que l'autorité compétente s'est assurée [1 qu'il]1 satisfait aux prescriptions de l'article 2.3.2.8, § 1er.
Le certificat doit être conforme au modèle joint en annexe de la Convention CLC 1992:
§ 2. Le certificat est établi dans l'une des langues officielles de l'Etat. Dans le cas où la langue utilisée n'est pas le français, le texte comporte également une traduction en anglais.
§ 3. Le certificat doit se trouver à bord du [1 navire de mer]1.
§ 4. L'autorité compétente est autorisée à retirer les certificats si les conditions dans lesquelles ils ont été délivrés ne sont pas remplies.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.10. Uitreiking van BUNKER-certificaten voor Belgische [1 zeeschepen]1
§ 1. Een certificaat houdende verklaring dat een verzekering of een andere financiële zekerheid in overeenstemming met het BUNKER-Verdrag en deze afdeling van kracht is, wordt voor elk [1 zeeschip]1 uitgereikt, nadat de bevoegde overheid heeft vastgesteld dat is voldaan aan de verplichting bedoeld in artikel 2.3.2.8, § 2.
Het certificaat moet overeenstemmen met het model bepaald in de bijlage bij het BUNKER-Verdrag.
§ 2. Het certificaat wordt gesteld in één van de officiële landstalen. Ingeval de gebruikte taal niet de Franse is, moet tekst tevens een vertaling in het Engels bevatten.
§ 3. Het certificaat moet zich aan boord van het [1 zeeschip]1 bevinden.
§ 4. De bevoegde overheid is bevoegd de certificaten in te trekken als niet wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder zij zijn uitgereikt.
§ 1. Een certificaat houdende verklaring dat een verzekering of een andere financiële zekerheid in overeenstemming met het BUNKER-Verdrag en deze afdeling van kracht is, wordt voor elk [1 zeeschip]1 uitgereikt, nadat de bevoegde overheid heeft vastgesteld dat is voldaan aan de verplichting bedoeld in artikel 2.3.2.8, § 2.
Het certificaat moet overeenstemmen met het model bepaald in de bijlage bij het BUNKER-Verdrag.
§ 2. Het certificaat wordt gesteld in één van de officiële landstalen. Ingeval de gebruikte taal niet de Franse is, moet tekst tevens een vertaling in het Engels bevatten.
§ 3. Het certificaat moet zich aan boord van het [1 zeeschip]1 bevinden.
§ 4. De bevoegde overheid is bevoegd de certificaten in te trekken als niet wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder zij zijn uitgereikt.
Art. 2.3.2.10. Délivrance de certificats BUNKER pour les [1 navires de mer]1 belges
§ 1er. Un certificat attestant qu'une assurance ou une autre garantie financière est en cours de validité conformément à la Convention BUNKER et cette section est délivré à chaque [1 navire de mer]1 après que l'autorité compétente s'est assurée qu'il est satisfait aux prescriptions de l'article 2.3.2.8, § 2.
Le certificat doit être conforme au modèle joint en annexe à la Convention BUNKER.
§ 2. Le certificat est établi dans l'une des langues officielles de l'Etat. Dans le cas où la langue utilisée n'est pas le français, le texte comporte également une traduction en anglais.
§ 3. Le certificat doit se trouver à bord du [1 navire de mer]1.
§ 4. L'autorité compétente est autorisée à retirer les certificats si les conditions dans lesquelles ils ont été délivrés ne sont pas remplies.
§ 1er. Un certificat attestant qu'une assurance ou une autre garantie financière est en cours de validité conformément à la Convention BUNKER et cette section est délivré à chaque [1 navire de mer]1 après que l'autorité compétente s'est assurée qu'il est satisfait aux prescriptions de l'article 2.3.2.8, § 2.
Le certificat doit être conforme au modèle joint en annexe à la Convention BUNKER.
§ 2. Le certificat est établi dans l'une des langues officielles de l'Etat. Dans le cas où la langue utilisée n'est pas le français, le texte comporte également une traduction en anglais.
§ 3. Le certificat doit se trouver à bord du [1 navire de mer]1.
§ 4. L'autorité compétente est autorisée à retirer les certificats si les conditions dans lesquelles ils ont été délivrés ne sont pas remplies.
Art. 2.3.2.11. Uitreiking van WRC-certificaten voor Belgische [2 zeeschepen]2
§ 1. Een certificaat houdende verklaring dat een verzekering of andere financiële zekerheid in overeenstemming met het WRC-Verdrag en deze afdeling van kracht is, wordt aan elk [2 zeeschip]2 uitgereikt door de bevoegde overheid, die zich ervan moet verzekeren dat is voldaan aan de verplichting bedoeld in artikel 2.3.2.8, § 3.
Het certificaat moet overeenstemmen met het model bepaald in de bijlage bij het WRC-Verdrag .
§ 2. Het certificaat wordt gesteld in één van de officiële landstalen. Ingeval de gebruikte taal niet de Franse is, moet de tekst tevens een vertaling in het Engels bevatten.
§ 3. Het certificaat moet zich aan boord van het [2 zeeschip]2 bevinden.
§ 4. De bevoegde overheid is bevoegd de certificaten in te trekken als niet wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder zij zijn uitgereikt.
§ 1. Een certificaat houdende verklaring dat een verzekering of andere financiële zekerheid in overeenstemming met het WRC-Verdrag en deze afdeling van kracht is, wordt aan elk [2 zeeschip]2 uitgereikt door de bevoegde overheid, die zich ervan moet verzekeren dat is voldaan aan de verplichting bedoeld in artikel 2.3.2.8, § 3.
Het certificaat moet overeenstemmen met het model bepaald in de bijlage bij het WRC-Verdrag .
§ 2. Het certificaat wordt gesteld in één van de officiële landstalen. Ingeval de gebruikte taal niet de Franse is, moet de tekst tevens een vertaling in het Engels bevatten.
§ 3. Het certificaat moet zich aan boord van het [2 zeeschip]2 bevinden.
§ 4. De bevoegde overheid is bevoegd de certificaten in te trekken als niet wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder zij zijn uitgereikt.
Art. 2.3.2.11. Délivrance de certificats WRC pour les [2 navires de mer]2 belges
§ 1er. Un certificat attestant qu'une assurance ou une autre garantie financière est en cours de validité conformément à la Convention WRC et cette section est délivré à chaque [2 navire de mer]2 par l'autorité compétente, qui doit s'assurer au préalable que l'article 2.3.2.8, § 3 est respecté.
Le certificat doit être conforme au modèle figurant en annexe à la Convention WRC.
§ 2. Le certificat est établi dans l'une des langues officielles de l'Etat. Dans le cas où la langue utilisée n'est pas le français, le texte comporte également une traduction en anglais.
§ 3. Le certificat doit se trouver à bord du [2 navire de mer]2.
§ 4. L'autorité compétente est autorisée à retirer les certificats si les conditions dans lesquelles ils ont été délivrés ne sont pas remplies.
§ 1er. Un certificat attestant qu'une assurance ou une autre garantie financière est en cours de validité conformément à la Convention WRC et cette section est délivré à chaque [2 navire de mer]2 par l'autorité compétente, qui doit s'assurer au préalable que l'article 2.3.2.8, § 3 est respecté.
Le certificat doit être conforme au modèle figurant en annexe à la Convention WRC.
§ 2. Le certificat est établi dans l'une des langues officielles de l'Etat. Dans le cas où la langue utilisée n'est pas le français, le texte comporte également une traduction en anglais.
§ 3. Le certificat doit se trouver à bord du [2 navire de mer]2.
§ 4. L'autorité compétente est autorisée à retirer les certificats si les conditions dans lesquelles ils ont été délivrés ne sont pas remplies.
Art. 2.3.2.12. Uitreiking van certificaten voor vreemde [1 zeeschepen]1
De bevoegde overheid kan een certificaat uitreiken en waarmerken met betrekking tot een [1 zeeschip]1 dat niet is geregistreerd in een Staat die Partij bij het CLC-Verdrag 1992, het BUNKER-Verdrag of het WRC-Verdrag is.
De bepalingen van deze onderafdeling zijn van overeenkomstige toepassing.
De bevoegde overheid kan een certificaat uitreiken en waarmerken met betrekking tot een [1 zeeschip]1 dat niet is geregistreerd in een Staat die Partij bij het CLC-Verdrag 1992, het BUNKER-Verdrag of het WRC-Verdrag is.
De bepalingen van deze onderafdeling zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 2.3.2.12. Délivrance de certificats pour les [1 navires de mer]1 étrangers
L'autorité compétente peut délivrer et viser un certificat lorsqu'il s'agit d'un [1 navire de mer]1 non enregistré dans un Etat Partie à la Convention CLC 1992, à la Convention BUNKER ou à la Convention WRC.
Les dispositions de la présente sous-section sont applicables par analogie.
L'autorité compétente peut délivrer et viser un certificat lorsqu'il s'agit d'un [1 navire de mer]1 non enregistré dans un Etat Partie à la Convention CLC 1992, à la Convention BUNKER ou à la Convention WRC.
Les dispositions de la présente sous-section sont applicables par analogie.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.13. Verval van de certificaten
§ 1. Het certificaat vervalt van rechtswege :
1° wanneer er een wijziging optreedt met betrekking tot de op het certificaat vermelde gegevens over het [1 zeeschip]1, de geregistreerde eigenaar of de verzekeraar of de andere persoon die de financiële zekerheid stelt;
2° wanneer om welke reden ook de verzekering of de financiële zekerheid is vervallen;
3° [1 wanneer het zeeschip]1 niet meer gerechtigd is de Belgische vlag te voeren of niet meer ingeschreven is in het Belgische zeeschepenregister of het Belgische rompbevrachtingsregister of, in het geval van een estuair schip, wanneer de toelating om op zee te varen vervalt;
4° wanneer de verzekeraar of de andere persoon die de financiële zekerheid stelt niet meer gerechtigd is om die activiteiten uit te oefenen.
§ 2. In geval van verval van rechtswege overeenkomstig de eerste paragraaf, moet de op het vervallen certificaat vermelde eigenaar het vervallen certificaat onverwijld terugzenden aan de overheid die het heeft uitgegeven.
§ 1. Het certificaat vervalt van rechtswege :
1° wanneer er een wijziging optreedt met betrekking tot de op het certificaat vermelde gegevens over het [1 zeeschip]1, de geregistreerde eigenaar of de verzekeraar of de andere persoon die de financiële zekerheid stelt;
2° wanneer om welke reden ook de verzekering of de financiële zekerheid is vervallen;
3° [1 wanneer het zeeschip]1 niet meer gerechtigd is de Belgische vlag te voeren of niet meer ingeschreven is in het Belgische zeeschepenregister of het Belgische rompbevrachtingsregister of, in het geval van een estuair schip, wanneer de toelating om op zee te varen vervalt;
4° wanneer de verzekeraar of de andere persoon die de financiële zekerheid stelt niet meer gerechtigd is om die activiteiten uit te oefenen.
§ 2. In geval van verval van rechtswege overeenkomstig de eerste paragraaf, moet de op het vervallen certificaat vermelde eigenaar het vervallen certificaat onverwijld terugzenden aan de overheid die het heeft uitgegeven.
Art. 2.3.2.13. Expiration des certificats
§ 1er. Le certificat expire de plein droit :
1° lorsqu'une modification a lieu dans les données mentionnées sur le certificat par rapport au [1 navire de mer]1, au propriétaire enregistré ou à l'assureur ou l'autre personne fournissant la garantie financière;
2° lorsque, pour une raison quelconque, l'assurance ou la garantie financière cesse d'être valable;
3° [1 lorsque le navire de mer]1 n'est plus habilité à battre pavillon belge ou n'est plus inscrit dans le registre belge des navires de mer ou dans le registre des affrètements coque nue belge ou, dans le cas d'un navire estuaire, lorsque l'autorisation de naviguer en mer cesse d'être valable;
4° lorsque l'assureur ou l'autre personne fournissant la garantie financière n'est plus autorisé à exercer ces activités.
§ 2. Dans un cas d'expiration de plein droit conformément au paragraphe 1er, le propriétaire mentionné sur le certificat expiré doit immédiatement renvoyer le certificat expiré à l'autorité qui l'a délivré.
§ 1er. Le certificat expire de plein droit :
1° lorsqu'une modification a lieu dans les données mentionnées sur le certificat par rapport au [1 navire de mer]1, au propriétaire enregistré ou à l'assureur ou l'autre personne fournissant la garantie financière;
2° lorsque, pour une raison quelconque, l'assurance ou la garantie financière cesse d'être valable;
3° [1 lorsque le navire de mer]1 n'est plus habilité à battre pavillon belge ou n'est plus inscrit dans le registre belge des navires de mer ou dans le registre des affrètements coque nue belge ou, dans le cas d'un navire estuaire, lorsque l'autorisation de naviguer en mer cesse d'être valable;
4° lorsque l'assureur ou l'autre personne fournissant la garantie financière n'est plus autorisé à exercer ces activités.
§ 2. Dans un cas d'expiration de plein droit conformément au paragraphe 1er, le propriétaire mentionné sur le certificat expiré doit immédiatement renvoyer le certificat expiré à l'autorité qui l'a délivré.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.14. Verzekerings- en certificatieplicht voor vreemde [1 zeeschepen]1
§ 1. Onverminderd de bepalingen van van artikel VII van het CLC-Verdrag 1992 moet elk [1 zeeschip]1, waar ook geregistreerd, dat een haven op het Belgische grondgebied aanloopt of verlaat of dat aankomt in een langsheen de kust in de Belgische territoriale zee gelegen laad- of losinstallatie of die verlaat, gedekt zijn door een verzekering of andere financiële zekerheid die beantwoordt aan de vereisten van artikel VII.1 van het CLC-Verdrag 1992, wanneer het daadwerkelijk meer dan 2.000 ton olie in bulk als lading vervoert.
Het [1 zeeschip]1 moet als bewijs daarvan beschikken over een geldig certificaat uitgereikt door de bevoegde overheid overeenkomstig artikel VII van het CLC-Verdrag 1992.
§ 2. Onverminderd van de bepalingen van artikel 7 van het BUNKER-Verdrag moet elk [1 zeeschip]1 met een brutotonnenmaat van meer dan 1.000, waar ook geregistreerd, dat een haven van het Belgische grondgebied of een buitengaats in de Belgische territoriale zee gelegen installatie aanloopt of verlaat, gedekt zijn door een verzekering of andere zekerheid die beantwoordt aan de vereisten van artikel 7.1 van het BUNKER-Verdrag.
Het [1 zeeschip]1 moet als bewijs daarvan beschikken over een geldig certificaat uitgereikt door de bevoegde overheid overeenkomstig artikel 7 van het BUNKER-Verdrag.
§ 3. Onverminderd van de bepalingen van artikel 12 van het WRC-Verdrag moet elk [1 zeeschip]1 met een bruto tonnenmaat van 300 of meer, waar ook geregistreerd, dat een haven op het Belgische grondgebied aanloopt of verlaat dan wel aankomt in een offshore-installatie in de Belgische territoriale zee, of daaruit vertrekt, gedekt zijn door een verzekering of andere financiële zekerheid die beantwoordt aan de vereisten van artikel 12.1 van het WRC-Verdrag.
Het [1 zeeschip]1 moet als bewijs daarvan beschikken over een geldig certificaat uitgereikt door de bevoegde overheid overeenkomstig artikel 12 van het WRC-Verdrag.
§ 4. De certificaten moeten zich aan boord van het [1 zeeschip]1 bevinden en moeten worden overgelegd aan de overheid die bevoegd is voor het toezicht, met uitzondering van :
1° het BUNKER-certificaat, ingeval het [1 zeeschip]1 de vlag voert van een Staat die een verklaring heeft afgelegd in overeenstemming met artikel 7.13 van het BUNKER-Verdrag en het bestaan van het BUNKER-certificaat dat door die Staat is uitgereikt, blijkt uit een elektronisch register dat door die Staat wordt bijgehouden en dat door de Belgische overheid bevoegd voor het toezicht rechtstreeks kan worden geraadpleegd;
2° het WRC-certificaat, ingeval het [1 zeeschip]1 de vlag voert van een Staat die een verklaring heeft afgelegd in overeenstemming met artikel 12.13 van het WRC-Verdrag en het bestaan van het WRC-certificaat dat door die Staat is uitgereikt, blijkt uit een elektronisch register dat door die Staat wordt bijgehouden en dat door de Belgische overheid bevoegd voor het toezicht rechtstreeks kan worden geraadpleegd.
§ 1. Onverminderd de bepalingen van van artikel VII van het CLC-Verdrag 1992 moet elk [1 zeeschip]1, waar ook geregistreerd, dat een haven op het Belgische grondgebied aanloopt of verlaat of dat aankomt in een langsheen de kust in de Belgische territoriale zee gelegen laad- of losinstallatie of die verlaat, gedekt zijn door een verzekering of andere financiële zekerheid die beantwoordt aan de vereisten van artikel VII.1 van het CLC-Verdrag 1992, wanneer het daadwerkelijk meer dan 2.000 ton olie in bulk als lading vervoert.
Het [1 zeeschip]1 moet als bewijs daarvan beschikken over een geldig certificaat uitgereikt door de bevoegde overheid overeenkomstig artikel VII van het CLC-Verdrag 1992.
§ 2. Onverminderd van de bepalingen van artikel 7 van het BUNKER-Verdrag moet elk [1 zeeschip]1 met een brutotonnenmaat van meer dan 1.000, waar ook geregistreerd, dat een haven van het Belgische grondgebied of een buitengaats in de Belgische territoriale zee gelegen installatie aanloopt of verlaat, gedekt zijn door een verzekering of andere zekerheid die beantwoordt aan de vereisten van artikel 7.1 van het BUNKER-Verdrag.
Het [1 zeeschip]1 moet als bewijs daarvan beschikken over een geldig certificaat uitgereikt door de bevoegde overheid overeenkomstig artikel 7 van het BUNKER-Verdrag.
§ 3. Onverminderd van de bepalingen van artikel 12 van het WRC-Verdrag moet elk [1 zeeschip]1 met een bruto tonnenmaat van 300 of meer, waar ook geregistreerd, dat een haven op het Belgische grondgebied aanloopt of verlaat dan wel aankomt in een offshore-installatie in de Belgische territoriale zee, of daaruit vertrekt, gedekt zijn door een verzekering of andere financiële zekerheid die beantwoordt aan de vereisten van artikel 12.1 van het WRC-Verdrag.
Het [1 zeeschip]1 moet als bewijs daarvan beschikken over een geldig certificaat uitgereikt door de bevoegde overheid overeenkomstig artikel 12 van het WRC-Verdrag.
§ 4. De certificaten moeten zich aan boord van het [1 zeeschip]1 bevinden en moeten worden overgelegd aan de overheid die bevoegd is voor het toezicht, met uitzondering van :
1° het BUNKER-certificaat, ingeval het [1 zeeschip]1 de vlag voert van een Staat die een verklaring heeft afgelegd in overeenstemming met artikel 7.13 van het BUNKER-Verdrag en het bestaan van het BUNKER-certificaat dat door die Staat is uitgereikt, blijkt uit een elektronisch register dat door die Staat wordt bijgehouden en dat door de Belgische overheid bevoegd voor het toezicht rechtstreeks kan worden geraadpleegd;
2° het WRC-certificaat, ingeval het [1 zeeschip]1 de vlag voert van een Staat die een verklaring heeft afgelegd in overeenstemming met artikel 12.13 van het WRC-Verdrag en het bestaan van het WRC-certificaat dat door die Staat is uitgereikt, blijkt uit een elektronisch register dat door die Staat wordt bijgehouden en dat door de Belgische overheid bevoegd voor het toezicht rechtstreeks kan worden geraadpleegd.
Art. 2.3.2.14. Obligation d'assurance et de certification pour les [1 navires de mer]1 étrangers
§ 1er. Sans préjudice des dispositions de l'article VII de la Convention CLC 1992, tout [1 navire de mer]1, quel que soit son lieu d'enregistrement, qui entre dans un port sur le territoire belge ou le quitte, ou qui arrive dans une installation terminale située au large de la côte dans la mer territoriale belge ou qui la quitte, doit être couvert par une assurance ou autre garantie financière correspondant aux exigences de l'article VII.1 de la Convention CLC 1992, s'il transporte effectivement plus de 2.000 tonnes d'hydrocarbures en vrac en tant que cargaison.
A titre de preuve, le [1 navire de mer]1 doit disposer d'un certificat valable délivré par l'autorité compétente conformément à l'article VII de la Convention CLC 1992.
§ 2. Sans préjudice des dispositions de l'article 7 de la Convention BUNKER, tout [1 navire de mer]1 d'une jauge brute supérieure à 1.000, quel que soit son lieu d'enregistrement, qui touche ou quitte un port du territoire belge ou une installation au large située dans la mer territoriale belge, doit être couvert par une assurance ou autre garantie correspondant aux exigences de l'article 7.1 de la Convention BUNKER.
A titre de preuve, le [1 navire de mer]1 doit disposer d'un certificat valable délivré par l'autorité compétente conformément à l'article 7 de la Convention BUNKER.
§ 3. Sans préjudice des dispositions de l'article 12 de la Convention WRC, tout [1 navire de mer]1 d'une jauge brute égale ou supérieure à 300, quel que soit son lieu d'enregistrement, qui entre dans un port situé dans le territoire belge ou le quitte, ou qui arrive dans une installation au large située dans la mer territoriale belge ou en sort, doit être couvert par une assurance ou autre garantie financière répondant aux exigences de l'article 12.1 de la Convention WRC.
A titre de preuve, le [1 navire de mer]1 doit disposer d'un certificat valable délivré par l'autorité compétente conformément à l'article 12 de la Convention WRC.
§ 4. Les certificats doivent se trouver à bord du [1 navire de mer]1 et être soumis à l'autorité compétente pour la surveillance, à l'exception :
1° du certificat BUNKER dans le cas où le [1 navire de mer]1 bat le pavillon d'un Etat qui a fait une déclaration en conformité avec l'article 7.13 de la Convention BUNKER et si l'existence du certificat BUNKER délivré par cet Etat apparaît sur la base d'un registre électronique tenu par cet Etat et consultable directement par l'autorité belge compétente pour la surveillance;
2° du certificat WRC dans le cas où le [1 navire de mer]1 bat le pavillon d'un Etat qui a fait une déclaration en conformité avec l'article 12.13 de la Convention WRC et si l'existence du certificat WRC délivré par cet Etat apparaît sur la base d'un registre électronique tenu par cet Etat et consultable directement par l'autorité belge compétente pour la surveillance.
§ 1er. Sans préjudice des dispositions de l'article VII de la Convention CLC 1992, tout [1 navire de mer]1, quel que soit son lieu d'enregistrement, qui entre dans un port sur le territoire belge ou le quitte, ou qui arrive dans une installation terminale située au large de la côte dans la mer territoriale belge ou qui la quitte, doit être couvert par une assurance ou autre garantie financière correspondant aux exigences de l'article VII.1 de la Convention CLC 1992, s'il transporte effectivement plus de 2.000 tonnes d'hydrocarbures en vrac en tant que cargaison.
A titre de preuve, le [1 navire de mer]1 doit disposer d'un certificat valable délivré par l'autorité compétente conformément à l'article VII de la Convention CLC 1992.
§ 2. Sans préjudice des dispositions de l'article 7 de la Convention BUNKER, tout [1 navire de mer]1 d'une jauge brute supérieure à 1.000, quel que soit son lieu d'enregistrement, qui touche ou quitte un port du territoire belge ou une installation au large située dans la mer territoriale belge, doit être couvert par une assurance ou autre garantie correspondant aux exigences de l'article 7.1 de la Convention BUNKER.
A titre de preuve, le [1 navire de mer]1 doit disposer d'un certificat valable délivré par l'autorité compétente conformément à l'article 7 de la Convention BUNKER.
§ 3. Sans préjudice des dispositions de l'article 12 de la Convention WRC, tout [1 navire de mer]1 d'une jauge brute égale ou supérieure à 300, quel que soit son lieu d'enregistrement, qui entre dans un port situé dans le territoire belge ou le quitte, ou qui arrive dans une installation au large située dans la mer territoriale belge ou en sort, doit être couvert par une assurance ou autre garantie financière répondant aux exigences de l'article 12.1 de la Convention WRC.
A titre de preuve, le [1 navire de mer]1 doit disposer d'un certificat valable délivré par l'autorité compétente conformément à l'article 12 de la Convention WRC.
§ 4. Les certificats doivent se trouver à bord du [1 navire de mer]1 et être soumis à l'autorité compétente pour la surveillance, à l'exception :
1° du certificat BUNKER dans le cas où le [1 navire de mer]1 bat le pavillon d'un Etat qui a fait une déclaration en conformité avec l'article 7.13 de la Convention BUNKER et si l'existence du certificat BUNKER délivré par cet Etat apparaît sur la base d'un registre électronique tenu par cet Etat et consultable directement par l'autorité belge compétente pour la surveillance;
2° du certificat WRC dans le cas où le [1 navire de mer]1 bat le pavillon d'un Etat qui a fait une déclaration en conformité avec l'article 12.13 de la Convention WRC et si l'existence du certificat WRC délivré par cet Etat apparaît sur la base d'un registre électronique tenu par cet Etat et consultable directement par l'autorité belge compétente pour la surveillance.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.15. Informatie en certificaten van andere Staten of de IMO of andere internationale organisaties
§ 1. Niets in deze onderafdeling kan zo worden uitgelegd dat het de bevoegde overheid belet te vertrouwen op informatie verkregen van andere Staten, de IMO of andere internationale organisaties met betrekking tot de financiële draagkracht van verzekeraars of personen die andere financiële zekerheden verstrekken voor de toepassing van het BUNKER-Verdrag, het WRC-Verdrag of deze afdeling. In dergelijke gevallen wordt de Belgische Staat niet ontheven van zijn verantwoordelijkheid als Staat die certificaten uitreikt.
§ 2. CLC-certificaten uitgereikt of gewaarmerkt onder de verantwoordelijkheid van een andere Staat die Partij is bij het CLC-Verdrag 1992 worden door de bevoegde overheid erkend voor alle doeleinden van het CLC-Verdrag 1992 en deze afdeling en worden door haar beschouwd als bezittende dezelfde waarde als door haarzelf uitgereikte of gewaarmerkte certificaten, zelfs ingeval het een [1 zeeschip]1 betreft dat niet is geregistreerd in een Staat die Partij bij het CLC-Verdrag 1992 is. De bevoegde overheid kan te allen tijde verzoeken om overleg met de Staat die het certificaat heeft uitgereikt of gewaarmerkt, indien zij reden heeft om aan te nemen dat de in het certificaat vermelde verzekeraar of garantieverstrekker financieel niet in staat is de door het CLC-Verdrag 1992 opgelegde verplichtingen na te komen.
§ 3. BUNKER-certificaten uitgereikt of gewaarmerkt onder het gezag van een andere Staat die Partij is bij het BUNKER-Verdrag worden door de bevoegde overheid aanvaard voor de doeleinden van het BUNKER-Verdrag en deze afdeling en door haar beschouwd als bezittende dezelfde waarde als door haarzelf uitgereikte of gewaarmerkte certificaten, zelfs ingeval het een [1 zeeschip]1 betreft dat niet is geregistreerd in een Staat die Partij bij het BUNKER-Verdrag is. De bevoegde overheid kan te allen tijde verzoeken om overleg met de Staat die het certificaat heeft uitgereikt of gewaarmerkt, indien zij reden heeft om aan te nemen dat de in het certificaat vermelde verzekeraar of garantieverstrekker financieel niet in staat is de door het BUNKER-Verdrag opgelegde verplichtingen na te komen.
§ 4. WRC-certificaten uitgereikt of gewaarmerkt onder het gezag van een andere Staat die Partij is bij het WRC-Verdrag worden door de bevoegde overheid aanvaard voor de doeleinden van het WRC-Verdrag en deze afdeling en worden door haar beschouwd als bezittende dezelfde waarde als door haarzelf uitgereikt of gewaarmerkte certificaten, zelfs ingeval het een [1 zeeschip]1 betreft dat niet is geregistreerd in een Staat die Partij bij het WRC-Verdrag is. De bevoegde overheid kan te allen tijde verzoeken om overleg met de Staat die het certificaat heeft uitgereikt of gewaarmerkt, indien zij reden heeft om aan te nemen dat de in het certificaat vermelde verzekeraar of garantieverstrekker financieel niet in staat is de door het WRC-Verdrag opgelegde verplichtingen na te komen.
§ 1. Niets in deze onderafdeling kan zo worden uitgelegd dat het de bevoegde overheid belet te vertrouwen op informatie verkregen van andere Staten, de IMO of andere internationale organisaties met betrekking tot de financiële draagkracht van verzekeraars of personen die andere financiële zekerheden verstrekken voor de toepassing van het BUNKER-Verdrag, het WRC-Verdrag of deze afdeling. In dergelijke gevallen wordt de Belgische Staat niet ontheven van zijn verantwoordelijkheid als Staat die certificaten uitreikt.
§ 2. CLC-certificaten uitgereikt of gewaarmerkt onder de verantwoordelijkheid van een andere Staat die Partij is bij het CLC-Verdrag 1992 worden door de bevoegde overheid erkend voor alle doeleinden van het CLC-Verdrag 1992 en deze afdeling en worden door haar beschouwd als bezittende dezelfde waarde als door haarzelf uitgereikte of gewaarmerkte certificaten, zelfs ingeval het een [1 zeeschip]1 betreft dat niet is geregistreerd in een Staat die Partij bij het CLC-Verdrag 1992 is. De bevoegde overheid kan te allen tijde verzoeken om overleg met de Staat die het certificaat heeft uitgereikt of gewaarmerkt, indien zij reden heeft om aan te nemen dat de in het certificaat vermelde verzekeraar of garantieverstrekker financieel niet in staat is de door het CLC-Verdrag 1992 opgelegde verplichtingen na te komen.
§ 3. BUNKER-certificaten uitgereikt of gewaarmerkt onder het gezag van een andere Staat die Partij is bij het BUNKER-Verdrag worden door de bevoegde overheid aanvaard voor de doeleinden van het BUNKER-Verdrag en deze afdeling en door haar beschouwd als bezittende dezelfde waarde als door haarzelf uitgereikte of gewaarmerkte certificaten, zelfs ingeval het een [1 zeeschip]1 betreft dat niet is geregistreerd in een Staat die Partij bij het BUNKER-Verdrag is. De bevoegde overheid kan te allen tijde verzoeken om overleg met de Staat die het certificaat heeft uitgereikt of gewaarmerkt, indien zij reden heeft om aan te nemen dat de in het certificaat vermelde verzekeraar of garantieverstrekker financieel niet in staat is de door het BUNKER-Verdrag opgelegde verplichtingen na te komen.
§ 4. WRC-certificaten uitgereikt of gewaarmerkt onder het gezag van een andere Staat die Partij is bij het WRC-Verdrag worden door de bevoegde overheid aanvaard voor de doeleinden van het WRC-Verdrag en deze afdeling en worden door haar beschouwd als bezittende dezelfde waarde als door haarzelf uitgereikt of gewaarmerkte certificaten, zelfs ingeval het een [1 zeeschip]1 betreft dat niet is geregistreerd in een Staat die Partij bij het WRC-Verdrag is. De bevoegde overheid kan te allen tijde verzoeken om overleg met de Staat die het certificaat heeft uitgereikt of gewaarmerkt, indien zij reden heeft om aan te nemen dat de in het certificaat vermelde verzekeraar of garantieverstrekker financieel niet in staat is de door het WRC-Verdrag opgelegde verplichtingen na te komen.
Art. 2.3.2.15. Informations et certificats d'autres Etats, de l'OMI ou d'autres organismes internationaux
§ 1er. Aucune disposition de la présente sous-section ne doit être interprétée comme empêchant l'autorité compétente de donner foi aux renseignements obtenus d'autres Etats, de l'OMI ou d'autres organismes internationaux concernant la situation financière des assureurs ou des personnes dont émane la garantie financière aux fins de la Convention BUNKER, la Convention WRC ou la présente section. Dans de tels cas, l'Etat belge n'est pas dégagé de sa responsabilité en tant qu'Etat délivrant des certificats.
§ 2. Les certificats CLC délivrés ou visés sous la responsabilité d'un autre Etat Partie à la Convention CLC 1992 sont reconnus par l'autorité compétente à toutes les fins de la Convention CLC 1992 et de la présente section et sont considérés par elle comme ayant la même valeur que les certificats délivrés ou visés par elle-même, même lorsqu'il s'agit d'un [1 navire de mer]1 qui n'est pas enregistré dans un Etat Partie à la Convention CLC 1992. L'autorité compétente peut à tout moment demander à l'Etat qui a délivré ou visé le certificat de procéder à un échange de vues si elle estime que l'assureur ou garant porté sur le certificat n'est pas financièrement capable de faire face aux obligations imposées par la Convention CLC 1992.
§ 3. Les certificats BUNKER délivrés ou visés sous l'autorité d'un autre Etat Partie à la Convention BUNKER sont acceptés par l'autorité compétente et sont considérés par elle comme ayant la même valeur que les certificats qu'elle a elle-même délivrés ou visés, même lorsqu'il s'agit d'un [1 navire de mer]1 qui n'est pas enregistré dans un Etat Partie à la Convention BUNKER. L'autorité compétente peut à tout moment demander à l'Etat qui a délivré ou visé le certificat de procéder à un échange de vues si elle estime que l'assureur ou le garant porté sur le certificat d'assurance n'est pas financièrement capable de faire face aux obligations imposées par la Convention BUNKER.
§ 4. Les certificats WRC délivrés ou visés sous l'autorité d'un autre Etat Partie à la Convention WRC sont acceptés par l'autorité compétente aux fins de la Convention WRC et la présente section et sont considéré par elle comme ayant la même valeur que les certificats qu'elle a elle-même délivrés ou visés, même lorsqu'il s'agit d'un [1 navire de mer]1 qui n'est pas enregistré dans un Etat Partie à la Convention WRC. L'autorité compétente peut à tout moment solliciter un échange de vues avec l'Etat qui a délivré ou visé le certificat si elle estime que l'assureur ou le garant nommé sur le certificat n'est pas financièrement capable de faire face aux obligations imposées par la Convention WRC.
§ 1er. Aucune disposition de la présente sous-section ne doit être interprétée comme empêchant l'autorité compétente de donner foi aux renseignements obtenus d'autres Etats, de l'OMI ou d'autres organismes internationaux concernant la situation financière des assureurs ou des personnes dont émane la garantie financière aux fins de la Convention BUNKER, la Convention WRC ou la présente section. Dans de tels cas, l'Etat belge n'est pas dégagé de sa responsabilité en tant qu'Etat délivrant des certificats.
§ 2. Les certificats CLC délivrés ou visés sous la responsabilité d'un autre Etat Partie à la Convention CLC 1992 sont reconnus par l'autorité compétente à toutes les fins de la Convention CLC 1992 et de la présente section et sont considérés par elle comme ayant la même valeur que les certificats délivrés ou visés par elle-même, même lorsqu'il s'agit d'un [1 navire de mer]1 qui n'est pas enregistré dans un Etat Partie à la Convention CLC 1992. L'autorité compétente peut à tout moment demander à l'Etat qui a délivré ou visé le certificat de procéder à un échange de vues si elle estime que l'assureur ou garant porté sur le certificat n'est pas financièrement capable de faire face aux obligations imposées par la Convention CLC 1992.
§ 3. Les certificats BUNKER délivrés ou visés sous l'autorité d'un autre Etat Partie à la Convention BUNKER sont acceptés par l'autorité compétente et sont considérés par elle comme ayant la même valeur que les certificats qu'elle a elle-même délivrés ou visés, même lorsqu'il s'agit d'un [1 navire de mer]1 qui n'est pas enregistré dans un Etat Partie à la Convention BUNKER. L'autorité compétente peut à tout moment demander à l'Etat qui a délivré ou visé le certificat de procéder à un échange de vues si elle estime que l'assureur ou le garant porté sur le certificat d'assurance n'est pas financièrement capable de faire face aux obligations imposées par la Convention BUNKER.
§ 4. Les certificats WRC délivrés ou visés sous l'autorité d'un autre Etat Partie à la Convention WRC sont acceptés par l'autorité compétente aux fins de la Convention WRC et la présente section et sont considéré par elle comme ayant la même valeur que les certificats qu'elle a elle-même délivrés ou visés, même lorsqu'il s'agit d'un [1 navire de mer]1 qui n'est pas enregistré dans un Etat Partie à la Convention WRC. L'autorité compétente peut à tout moment solliciter un échange de vues avec l'Etat qui a délivré ou visé le certificat si elle estime que l'assureur ou le garant nommé sur le certificat n'est pas financièrement capable de faire face aux obligations imposées par la Convention WRC.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.16. [1 Zeeschepen]1 in eigendom van de Staat
Ingeval een [1 zeeschip]1 dat eigendom is van de Staat niet gedekt is door een verzekering of andere financiële zekerheid, zijn de desbetreffende bepalingen van deze afdeling niet op dat [1 zeeschip]1 van toepassing. Het [1 zeeschip]1 moet evenwel voorzien zijn van een door de bevoegde overheid uitgereikt certificaat houdende verklaring dat het eigendom is van de Staat en dat zijn aansprakelijkheid wordt gedekt tot beloop van de in artikel 2.3.2.8 bedoelde bedragen. Dit certificaat stemt zoveel mogelijk overeen met het door de artikel en 2.3.2.9, 2.3.2.10 respectievelijk 2.3.2.11 voorgeschreven model.
Ingeval een [1 zeeschip]1 dat eigendom is van de Staat niet gedekt is door een verzekering of andere financiële zekerheid, zijn de desbetreffende bepalingen van deze afdeling niet op dat [1 zeeschip]1 van toepassing. Het [1 zeeschip]1 moet evenwel voorzien zijn van een door de bevoegde overheid uitgereikt certificaat houdende verklaring dat het eigendom is van de Staat en dat zijn aansprakelijkheid wordt gedekt tot beloop van de in artikel 2.3.2.8 bedoelde bedragen. Dit certificaat stemt zoveel mogelijk overeen met het door de artikel en 2.3.2.9, 2.3.2.10 respectievelijk 2.3.2.11 voorgeschreven model.
Art. 2.3.2.16. [1 Navires de mer]1 appartenant à l'Etat
Si un [1 navire de mer]1 qui est la propriété de l'Etat n'est pas couvert par une assurance ou autre garantie financière, les dispositions pertinentes de la présente section ne s'appliquent pas à ce [1 navire de mer]1. Ce [1 navire de mer]1 doit toutefois être muni d'un certificat délivré par l'autorité compétente attestant que le [1 navire de mer]1 est la propriété de l'Etat et que sa responsabilité est couverte dans le cadre des limites prévues à l'article 2.3.2.8. Ce certificat suit d'aussi près que possible le modèle prescrit respectivement aux articles 2.3.2.9, 2.3.2.10 et 2.3.2.11.
Si un [1 navire de mer]1 qui est la propriété de l'Etat n'est pas couvert par une assurance ou autre garantie financière, les dispositions pertinentes de la présente section ne s'appliquent pas à ce [1 navire de mer]1. Ce [1 navire de mer]1 doit toutefois être muni d'un certificat délivré par l'autorité compétente attestant que le [1 navire de mer]1 est la propriété de l'Etat et que sa responsabilité est couverte dans le cadre des limites prévues à l'article 2.3.2.8. Ce certificat suit d'aussi près que possible le modèle prescrit respectivement aux articles 2.3.2.9, 2.3.2.10 et 2.3.2.11.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.17. Uitvoeringsbesluiten
Onder voorbehoud van artikel VII van het CLC-Verdrag 1992, artikel 7 van het BUNKER-Verdrag en artikel 12 van het WRC-Verdrag en rekening houdend met de door de IMO aangenomen richtsnoeren inzake de aansprakelijkheid van de scheepseigenaars, kan de Koning de uitreiking, de voorwaarden en de geldigheid van de certificaten nader regelen.
[1 De Koning kan de toepassing van het CLC-Verdrag 1992, het BUNKER-Verdrag en het WRC-Verdrag uitbreiden naar zeeschepen die niet onder deze verdragen vallen. Daarbij kunnen bepalingen worden vastgesteld die van bovenvermelde verdragen en van dit hoofdstuk afwijken.]1
Onder voorbehoud van artikel VII van het CLC-Verdrag 1992, artikel 7 van het BUNKER-Verdrag en artikel 12 van het WRC-Verdrag en rekening houdend met de door de IMO aangenomen richtsnoeren inzake de aansprakelijkheid van de scheepseigenaars, kan de Koning de uitreiking, de voorwaarden en de geldigheid van de certificaten nader regelen.
[1 De Koning kan de toepassing van het CLC-Verdrag 1992, het BUNKER-Verdrag en het WRC-Verdrag uitbreiden naar zeeschepen die niet onder deze verdragen vallen. Daarbij kunnen bepalingen worden vastgesteld die van bovenvermelde verdragen en van dit hoofdstuk afwijken.]1
Art. 2.3.2.17. Arrêtés d'exécution
Sous réserve de l'article VII de la Convention CLC 1992, de l'article 7 de la Convention BUNKER et de l'article 12 de la Convention WRC et compte tenu des directives adoptées par l'OMI en matière de responsabilité des propriétaires de navires, le Roi peut fixer les modalités de délivrance, les conditions et la validité des certificats.
[1 Le Roi peut étendre l'application de la Convention CLC 1992, de la Convention BUNKER et de la Convention WRC aux navires de mer qui ne relèvent pas de ces conventions. A cet égard, des dispositions qui dérogent aux conventions susmentionnées et au présent chapitre peuvent être adoptées.]1
Sous réserve de l'article VII de la Convention CLC 1992, de l'article 7 de la Convention BUNKER et de l'article 12 de la Convention WRC et compte tenu des directives adoptées par l'OMI en matière de responsabilité des propriétaires de navires, le Roi peut fixer les modalités de délivrance, les conditions et la validité des certificats.
[1 Le Roi peut étendre l'application de la Convention CLC 1992, de la Convention BUNKER et de la Convention WRC aux navires de mer qui ne relèvent pas de ces conventions. A cet égard, des dispositions qui dérogent aux conventions susmentionnées et au présent chapitre peuvent être adoptées.]1
Wijzigingen
Art. 2.3.2.18. Retributies
Voor de uitreiking van de in deze afdeling bedoelde certificaten en de vervulling van andere met deze afdeling verband houdende formaliteiten kan een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan.
Voor de uitreiking van de in deze afdeling bedoelde certificaten en de vervulling van andere met deze afdeling verband houdende formaliteiten kan een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan.
Art. 2.3.2.18. Redevances
Pour la délivrance des certificats visés dans cette section et l'accomplissement d'autres formalités relatives à cette section, une redevance peut être prélevée, dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevable à l'Etat.
Le Roi détermine le tarif des redevances, les autres règles afférentes à leur application et à leur perception.
Pour la délivrance des certificats visés dans cette section et l'accomplissement d'autres formalités relatives à cette section, une redevance peut être prélevée, dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevable à l'Etat.
Le Roi détermine le tarif des redevances, les autres règles afférentes à leur application et à leur perception.
Onderafdeling 3. - Passagiersvervoer
Sous-Section 3. - Transport de passagers
Art. 2.3.2.19. Begrippen
Voor de toepassing van deze onderafdeling en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 gelden de begripsomschrijvingen vervat in het PAL-Verdrag.
[1 Voor de toepassing van deze onderafdeling of zijn uitvoeringsbesluiten wordt industrieel personeel dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 2.2.3.16, paragraaf 2 niet beschouwd als passagier.]1
Voor de toepassing van deze onderafdeling en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 gelden de begripsomschrijvingen vervat in het PAL-Verdrag.
[1 Voor de toepassing van deze onderafdeling of zijn uitvoeringsbesluiten wordt industrieel personeel dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 2.2.3.16, paragraaf 2 niet beschouwd als passagier.]1
Art. 2.3.2.19. Notions
Pour l'application de la présente section et des dispositions du livre 4 qui y ont trait, les définitions qui figurent dans la Convention PAL sont d'application.
[1 Pour l'application de la présente sous-section ou de ses arrêtés d'exécution, les membres du personnel industriel qui satisfont aux conditions de l'article 2.2.3.16, paragraphe 2 ne sont pas considérés comme des passagers.]1
Pour l'application de la présente section et des dispositions du livre 4 qui y ont trait, les définitions qui figurent dans la Convention PAL sont d'application.
[1 Pour l'application de la présente sous-section ou de ses arrêtés d'exécution, les membres du personnel industriel qui satisfont aux conditions de l'article 2.2.3.16, paragraphe 2 ne sont pas considérés comme des passagers.]1
Wijzigingen
Art. 2.3.2.20. PAL-Richtsnoeren
De PAL-Richtsnoeren moeten als bindend worden beschouwd.
De PAL-Richtsnoeren moeten als bindend worden beschouwd.
Art. 2.3.2.20. Directivers PAL
Les Directives PAL doivent être considérés comme étant contraignantes.
Les Directives PAL doivent être considérés comme étant contraignantes.
Art. 2.3.2.21. Verzekerings- en certificatieplicht voor Belgische [1 zeeschepen]1
§ 1. Ingeval hetzij het PAL-Verdrag, hetzij de PAL-Verordening, hetzij onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek van toepassing is, moet de vervoerder die feitelijk geheel of gedeeltelijk passagiers vervoert aan boord van een in België [1 geregistreerd zeeschip]1 dat vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan twaalf passagiers, een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie, in stand houden ter dekking van zijn uit het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening of onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek voortvloeiende aansprakelijkheid voor schade door overlijden of persoonlijk letsel van een passagier. Het minimumbedrag van deze verplichte verzekering of andere financiële zekerheid per passagier per afzonderlijk incident wordt berekend overeenkomstig artikel 4bis.1 van het PAL-Verdrag.
§ 2. Ingeval hetzij het PAL-Verdrag, hetzij de PAL-Verordening, hetzij onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek van toepassing is, moet de vervoerder die feitelijk geheel of gedeeltelijk passagiers vervoert aan boord van een in België [1 geregistreerd zeeschip]1 dat vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan twaalf passagiers, een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie, in stand houden ter dekking van de uit het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening of onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek voortvloeiende aansprakelijkheid voor schade door overlijden of persoonlijk letsel van een passagier ten gevolge van een van de risico's bedoeld in punt 2.2 van de PAL-Richtsnoeren. Het minimumbedrag van deze verplichte verzekering of andere financiële zekerheid beloopt het laagste van de volgende bedragen :
1° 250.000 rekeneenheden per passagier, per afzonderlijk incident; of
2° 340 miljoen rekeneenheden per [1 zeeschip]1, per afzonderlijk incident.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt onder "rekeneenheid" het bijzonder trekkingsrecht zoals omschreven door het Internationaal Monetair Fonds verstaan.
§ 3. Een verzekering of andere financiële zekerheid voldoet niet aan de vereisten van deze afdeling indien zij om andere redenen dan het verstrijken van de geldigheidsduur van de verzekering of zekerheid zoals vermeld in het certificaat bedoeld in artikel 2.3.2.22, kan vervallen alvorens drie maanden zijn verlopen vanaf de datum waarop aan de overheid bedoeld in artikel 2.3.2.22, § 4 mededeling is gedaan van de beëindiging, tenzij het certificaat bij deze overheid is ingeleverd of binnen de genoemde periode een nieuw certificaat is uitgereikt. Het vorenstaande is eveneens van toepassing op elke wijziging die ertoe leidt dat de verzekering of zekerheid niet langer aan de vereisten van deze afdeling voldoet.
§ 4. Het is verboden een Belgisch [1 zeeschip]1 waarop artikel 4bis van het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening of, wat binnenlands vervoer betreft, deze afdeling van toepassing is op enig tijdstip te exploiteren, tenzij het over een geldig certificaat beschikt als bedoeld in artikel 4bis.2 of 4bis.15 van het PAL-Verdrag of dit artikel of artikel 2.3.2.27 van dit wetboek.
§ 1. Ingeval hetzij het PAL-Verdrag, hetzij de PAL-Verordening, hetzij onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek van toepassing is, moet de vervoerder die feitelijk geheel of gedeeltelijk passagiers vervoert aan boord van een in België [1 geregistreerd zeeschip]1 dat vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan twaalf passagiers, een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie, in stand houden ter dekking van zijn uit het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening of onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek voortvloeiende aansprakelijkheid voor schade door overlijden of persoonlijk letsel van een passagier. Het minimumbedrag van deze verplichte verzekering of andere financiële zekerheid per passagier per afzonderlijk incident wordt berekend overeenkomstig artikel 4bis.1 van het PAL-Verdrag.
§ 2. Ingeval hetzij het PAL-Verdrag, hetzij de PAL-Verordening, hetzij onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek van toepassing is, moet de vervoerder die feitelijk geheel of gedeeltelijk passagiers vervoert aan boord van een in België [1 geregistreerd zeeschip]1 dat vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan twaalf passagiers, een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie, in stand houden ter dekking van de uit het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening of onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek voortvloeiende aansprakelijkheid voor schade door overlijden of persoonlijk letsel van een passagier ten gevolge van een van de risico's bedoeld in punt 2.2 van de PAL-Richtsnoeren. Het minimumbedrag van deze verplichte verzekering of andere financiële zekerheid beloopt het laagste van de volgende bedragen :
1° 250.000 rekeneenheden per passagier, per afzonderlijk incident; of
2° 340 miljoen rekeneenheden per [1 zeeschip]1, per afzonderlijk incident.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt onder "rekeneenheid" het bijzonder trekkingsrecht zoals omschreven door het Internationaal Monetair Fonds verstaan.
§ 3. Een verzekering of andere financiële zekerheid voldoet niet aan de vereisten van deze afdeling indien zij om andere redenen dan het verstrijken van de geldigheidsduur van de verzekering of zekerheid zoals vermeld in het certificaat bedoeld in artikel 2.3.2.22, kan vervallen alvorens drie maanden zijn verlopen vanaf de datum waarop aan de overheid bedoeld in artikel 2.3.2.22, § 4 mededeling is gedaan van de beëindiging, tenzij het certificaat bij deze overheid is ingeleverd of binnen de genoemde periode een nieuw certificaat is uitgereikt. Het vorenstaande is eveneens van toepassing op elke wijziging die ertoe leidt dat de verzekering of zekerheid niet langer aan de vereisten van deze afdeling voldoet.
§ 4. Het is verboden een Belgisch [1 zeeschip]1 waarop artikel 4bis van het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening of, wat binnenlands vervoer betreft, deze afdeling van toepassing is op enig tijdstip te exploiteren, tenzij het over een geldig certificaat beschikt als bedoeld in artikel 4bis.2 of 4bis.15 van het PAL-Verdrag of dit artikel of artikel 2.3.2.27 van dit wetboek.
Art. 2.3.2.21. Obligation d'assurance et de certification pour les [1 navires de mer]1 belges
§ 1er. Dans le cas où soit la Convention PAL, soit le Règlement PAL, soit la sous-section 1re de la section 2 du chapitre 2 du livre 6 du présent livre s'applique, le transporteur qui assure effectivement la totalité ou une partie du transport à bord d'un [1 navire de mer enregistré]1 en Belgique et autorisé à transporter plus de douze passagers est tenu de souscrire une assurance ou autre garantie financière, telle que le cautionnement d'une banque ou d'une institution financière similaire, pour couvrir sa responsabilité en vertu de la Convention PAL, du Règlement PAL, ou de la sous-section 1re de la section 2 du chapitre 2 du livre 6 du présent livre eu égard à la mort ou aux lésions corporelles de passagers. La limite de l'assurance obligatoire ou autre garantie financière par passager pour un même événement est calculé conformément à l'article 4bis.1 de la Convention PAL.
§ 2. Dans le cas où soit la Convention PAL, soit le Règlement PAL, soit la sous-section 1re de la section 2 du chapitre 2 du titre 6 du présent livre s'applique, le transporteur qui assure effectivement la totalité ou une partie du transport à bord d'un [1 navire de mer enregistré]1 en Belgique et autorisé à transporter plus de douze passagers est tenu de souscrire une assurance ou autre garantie financière, telle que le cautionnement d'une banque ou d'une institution financière similaire, pour couvrir sa responsabilité en vertu de la Convention PAL, du Règlement PAL, ou de la sous-section 1 de la section 2 du chapitre 2 du titre 6 du présent livre eu égard à la mort ou aux lésions corporelles d'un passager causées par l'un quelconque des risques mentionnés au point 2.2 des Lignes directrices PAL. Le montant minimal de cette assurance obligatoire ou autre garantie financière correspond au plus petit des montants suivants :
1° 250 000 unités de compte par passager par incident; ou
2° 340 millions d'unités de compte au total par [1 navire de mer]1 par incident.
Pour l'application de l'alinéa précédent, on entend par " unité de compte " le tirage spécial comme défini par le Fonds monétaire international.
§ 3. Une assurance ou autre garantie financière ne satisfait pas aux prescriptions de cette section si elle peut cesser d'avoir effet, pour une raison autre que l'expiration de la période de validité indiquée dans le certificat visé à l'article 2.3.2.22, avant l'expiration d'un délai de trois mois à compter de la date où préavis en a été donné à l'autorité spécifiée à l'article 2.3.2.22, § 4, à moins que le certificat n'ait été restitué à cette autorité ou qu'un nouveau certificat n'ait été délivré avant la fin de ce délai. Les dispositions qui précèdent s'appliquent également à toute modification de l'assurance ou autre garantie financière ayant pour effet que celle-ci ne satisfait plus aux prescriptions de la présente section.
§ 4. Il est à tout moment interdit d'exploiter un [1 navire de mer]1 belge soumis aux dispositions de l'article 4bis de la Convention PAL, le Règlement PAL ou, en ce qui concerne le transport intérieur, cette section, si le navire n'est pas muni d'un certificat valide délivré en vertu de l'article 4 bis.2 ou 4 bis.15 de la Convention PAL ou du présent article ou l'article 2.3.2.27 du présent code.
§ 1er. Dans le cas où soit la Convention PAL, soit le Règlement PAL, soit la sous-section 1re de la section 2 du chapitre 2 du livre 6 du présent livre s'applique, le transporteur qui assure effectivement la totalité ou une partie du transport à bord d'un [1 navire de mer enregistré]1 en Belgique et autorisé à transporter plus de douze passagers est tenu de souscrire une assurance ou autre garantie financière, telle que le cautionnement d'une banque ou d'une institution financière similaire, pour couvrir sa responsabilité en vertu de la Convention PAL, du Règlement PAL, ou de la sous-section 1re de la section 2 du chapitre 2 du livre 6 du présent livre eu égard à la mort ou aux lésions corporelles de passagers. La limite de l'assurance obligatoire ou autre garantie financière par passager pour un même événement est calculé conformément à l'article 4bis.1 de la Convention PAL.
§ 2. Dans le cas où soit la Convention PAL, soit le Règlement PAL, soit la sous-section 1re de la section 2 du chapitre 2 du titre 6 du présent livre s'applique, le transporteur qui assure effectivement la totalité ou une partie du transport à bord d'un [1 navire de mer enregistré]1 en Belgique et autorisé à transporter plus de douze passagers est tenu de souscrire une assurance ou autre garantie financière, telle que le cautionnement d'une banque ou d'une institution financière similaire, pour couvrir sa responsabilité en vertu de la Convention PAL, du Règlement PAL, ou de la sous-section 1 de la section 2 du chapitre 2 du titre 6 du présent livre eu égard à la mort ou aux lésions corporelles d'un passager causées par l'un quelconque des risques mentionnés au point 2.2 des Lignes directrices PAL. Le montant minimal de cette assurance obligatoire ou autre garantie financière correspond au plus petit des montants suivants :
1° 250 000 unités de compte par passager par incident; ou
2° 340 millions d'unités de compte au total par [1 navire de mer]1 par incident.
Pour l'application de l'alinéa précédent, on entend par " unité de compte " le tirage spécial comme défini par le Fonds monétaire international.
§ 3. Une assurance ou autre garantie financière ne satisfait pas aux prescriptions de cette section si elle peut cesser d'avoir effet, pour une raison autre que l'expiration de la période de validité indiquée dans le certificat visé à l'article 2.3.2.22, avant l'expiration d'un délai de trois mois à compter de la date où préavis en a été donné à l'autorité spécifiée à l'article 2.3.2.22, § 4, à moins que le certificat n'ait été restitué à cette autorité ou qu'un nouveau certificat n'ait été délivré avant la fin de ce délai. Les dispositions qui précèdent s'appliquent également à toute modification de l'assurance ou autre garantie financière ayant pour effet que celle-ci ne satisfait plus aux prescriptions de la présente section.
§ 4. Il est à tout moment interdit d'exploiter un [1 navire de mer]1 belge soumis aux dispositions de l'article 4bis de la Convention PAL, le Règlement PAL ou, en ce qui concerne le transport intérieur, cette section, si le navire n'est pas muni d'un certificat valide délivré en vertu de l'article 4 bis.2 ou 4 bis.15 de la Convention PAL ou du présent article ou l'article 2.3.2.27 du présent code.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.22. Uitreiking van PAL-certificaten voor Belgische [1 zeeschepen]1
§ 1. Een certificaat houdende verklaring dat een verzekering of een andere financiële zekerheid in overeenstemming met het PAL-Verdrag, PAL-Verordening of onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek, van kracht is, wordt voor elk [1 zeeschip]1 uitgereikt, nadat de bevoegde overheid heeft vastgesteld dat is voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 2.3.2.21.
Het certificaat moet overeenstemmen met het model bepaald in de bijlage bij het PAL-Verdrag.
§ 2. Het certificaat wordt gesteld in één van de officiële landstalen. Ingeval de gebruikte taal niet de Franse is, moet de tekst tevens een vertaling in het Engels bevatten en kunnen de officiële landstalen achterwege blijven.
§ 3. Het certificaat moet zich aan boord van het [1 zeeschip]1 bevinden.
§ 4. De bevoegde overheid is bevoegd de certificaten in te trekken als niet wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder zij zijn uitgereikt.
§ 1. Een certificaat houdende verklaring dat een verzekering of een andere financiële zekerheid in overeenstemming met het PAL-Verdrag, PAL-Verordening of onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek, van kracht is, wordt voor elk [1 zeeschip]1 uitgereikt, nadat de bevoegde overheid heeft vastgesteld dat is voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 2.3.2.21.
Het certificaat moet overeenstemmen met het model bepaald in de bijlage bij het PAL-Verdrag.
§ 2. Het certificaat wordt gesteld in één van de officiële landstalen. Ingeval de gebruikte taal niet de Franse is, moet de tekst tevens een vertaling in het Engels bevatten en kunnen de officiële landstalen achterwege blijven.
§ 3. Het certificaat moet zich aan boord van het [1 zeeschip]1 bevinden.
§ 4. De bevoegde overheid is bevoegd de certificaten in te trekken als niet wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder zij zijn uitgereikt.
Art. 2.3.2.22. Délivrance de certificats PAL pour les [1 navires de mer]1 belges
§ 1er. Un certificat attestant qu'une assurance ou une autre garantie financière est en cours de validité conformément aux dispositions de la Convention PAL, du Règlement PAL, ou de la sous-section 1 de la section 2 du chapitre 2 du titre 6 du présent livre, est délivré à chaque [1 navire de mer]1 après que l'autorité compétente s'est assurée qu'il est satisfait aux prescriptions de l'article 2.3.2.21
Le certificat doit être conforme au modèle figurant à l'annexe de la Convention PAL.
§ 2. Le certificat est établi dans une des langues nationales officielles. Si la langue utilisée n'est pas le français, le texte comporte une traduction en anglais et les langues nationales officielles peuvent être omises.
§ 3. Le certificat doit se trouver à bord du [1 navire de mer]1.
§ 4. L'autorité compétente est autorisée à retirer les certificats si les conditions dans lesquelles ils ont été délivrés ne sont pas remplis.
§ 1er. Un certificat attestant qu'une assurance ou une autre garantie financière est en cours de validité conformément aux dispositions de la Convention PAL, du Règlement PAL, ou de la sous-section 1 de la section 2 du chapitre 2 du titre 6 du présent livre, est délivré à chaque [1 navire de mer]1 après que l'autorité compétente s'est assurée qu'il est satisfait aux prescriptions de l'article 2.3.2.21
Le certificat doit être conforme au modèle figurant à l'annexe de la Convention PAL.
§ 2. Le certificat est établi dans une des langues nationales officielles. Si la langue utilisée n'est pas le français, le texte comporte une traduction en anglais et les langues nationales officielles peuvent être omises.
§ 3. Le certificat doit se trouver à bord du [1 navire de mer]1.
§ 4. L'autorité compétente est autorisée à retirer les certificats si les conditions dans lesquelles ils ont été délivrés ne sont pas remplis.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.23. Uitreiking van certificaten voor vreemde [1 zeeschepen]1
De bevoegde overheid kan een certificaat uitreiken en waarmerken met betrekking tot een [1 zeeschip]1 dat niet is geregistreerd in een Staat die Partij bij het PAL-Verdrag is.
De bepalingen van deze afdeling zijn van overeenkomstige toepassing.
De bevoegde overheid kan een certificaat uitreiken en waarmerken met betrekking tot een [1 zeeschip]1 dat niet is geregistreerd in een Staat die Partij bij het PAL-Verdrag is.
De bepalingen van deze afdeling zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 2.3.2.23. Délivrance de certificats pour les [1 navires de mer]1 étrangers
L'autorité compétente peut délivrer et viser un certificat lorsqu'il s'agit d'un [1 navire de mer]1 non enregistré dans un Etat Partie à la Convention PAL.
Les dispositions de la présente section sont d'application par analogie.
L'autorité compétente peut délivrer et viser un certificat lorsqu'il s'agit d'un [1 navire de mer]1 non enregistré dans un Etat Partie à la Convention PAL.
Les dispositions de la présente section sont d'application par analogie.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.24. Verval van de certificaten
§ 1. De in artikel 2.3.2.22 bedoelde certificaten vervallen van rechtswege,
1° wanneer er een wijziging optreedt met betrekking tot de op het certificaat vermelde gegevens over het [1 zeeschip]1, de geregistreerde eigenaar of de verzekeraar of elke andere persoon die de financiële zekerheid stelt;
2° wanneer om welke reden ook de verzekering of andere financiële zekerheid is vervallen;
3° wanneer het [1 zeeschip]1 van vlag verandert;
4° wanneer de verzekeraar of elke andere persoon die de financiële zekerheid stelt niet meer gerechtigd is om die activiteiten uit te oefenen.
§ 2. In geval van verval van rechtswege overeenkomstig de eerste paragraaf, moet de op het vervallen certificaat vermelde eigenaar het vervallen certificaat onverwijld terugzenden aan de overheid die het heeft uitgegeven.
§ 1. De in artikel 2.3.2.22 bedoelde certificaten vervallen van rechtswege,
1° wanneer er een wijziging optreedt met betrekking tot de op het certificaat vermelde gegevens over het [1 zeeschip]1, de geregistreerde eigenaar of de verzekeraar of elke andere persoon die de financiële zekerheid stelt;
2° wanneer om welke reden ook de verzekering of andere financiële zekerheid is vervallen;
3° wanneer het [1 zeeschip]1 van vlag verandert;
4° wanneer de verzekeraar of elke andere persoon die de financiële zekerheid stelt niet meer gerechtigd is om die activiteiten uit te oefenen.
§ 2. In geval van verval van rechtswege overeenkomstig de eerste paragraaf, moet de op het vervallen certificaat vermelde eigenaar het vervallen certificaat onverwijld terugzenden aan de overheid die het heeft uitgegeven.
Art. 2.3.2.24. Expiration des certificats
§ 1er. Les certificats visés à l'article 2.3.2.22 expirent de plein droit,
1° lorsqu'une modification a lieu dans les données mentionnées sur le certificat par rapport au [1 navire de mer]1, au propriétaire enregistré ou à l'assureur ou toute autre personne fournissant la garantie financière;
2° lorsque, pour une raison quelconque, l'assurance ou toute autre garantie financière cesse d'être valable;
3° lorsque le [1 navire de mer]1 change de pavillon;
4° lorsque l'assureur ou toute autre personne fournissant la garantie financière n'est plus autorisé(e) à exercer ces activités.
§ 2. Dans un cas d'expiration de plein droit conformément au paragraphe 1er, le propriétaire mentionné sur le certificat expiré doit immédiatement renvoyer le certificat expiré à l'autorité qui l'a délivré.
§ 1er. Les certificats visés à l'article 2.3.2.22 expirent de plein droit,
1° lorsqu'une modification a lieu dans les données mentionnées sur le certificat par rapport au [1 navire de mer]1, au propriétaire enregistré ou à l'assureur ou toute autre personne fournissant la garantie financière;
2° lorsque, pour une raison quelconque, l'assurance ou toute autre garantie financière cesse d'être valable;
3° lorsque le [1 navire de mer]1 change de pavillon;
4° lorsque l'assureur ou toute autre personne fournissant la garantie financière n'est plus autorisé(e) à exercer ces activités.
§ 2. Dans un cas d'expiration de plein droit conformément au paragraphe 1er, le propriétaire mentionné sur le certificat expiré doit immédiatement renvoyer le certificat expiré à l'autorité qui l'a délivré.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.25. Verzekerings- en certificatieplicht voor vreemde [1 zeeschepen]1
§ 1. Ingeval hetzij het PAL-Verdrag, hetzij de PAL-Verordening, hetzij onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek van toepassing is, moet de vervoerder die feitelijk geheel of gedeeltelijk passagiers vervoert aan boord van een vreemd [1 zeeschip]1 dat vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan twaalf passagiers en dat een haven op het Belgisch grondgebied aanloopt of deze verlaat, een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie, in stand houden ter dekking van de uit het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening of onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek voortvloeiende aansprakelijkheid voor schade door overlijden of persoonlijk letsel van een passagier. Het minimumbedrag van deze verplichte verzekering of andere financiële zekerheid per passagier per afzonderlijk incident wordt berekend overeenkomstig artikel 4bis.1 van het PAL-Verdrag.
Het [1 zeeschip]1 beschikt als bewijs daarvan over een geldig certificaat uitgereikt door de bevoegde overheid in overeenstemming met artikel 4bis van het PAL-Verdrag.
§ 2. Ingeval hetzij het PAL-Verdrag, hetzij PAL-Verordening, hetzij onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek van toepassing is, is de vervoerder die feitelijk geheel of gedeeltelijk passagiers vervoert aan boord van een vreemd [1 zeeschip]1 dat vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan twaalf passagiers en dat een haven op het Belgische grondgebied aanloopt of deze verlaat, verplicht een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie, in stand te houden ter dekking van de uit het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening of onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek voortvloeiende aansprakelijkheid voor schade door overlijden of persoonlijk letsel van een passagier ten gevolge van een van de risico's bedoeld in punt 2.2 van de PAL-Richtsnoeren. Het minimumbedrag van deze verplichte verzekering of andere financiële zekerheid beloopt het laagste van de volgende bedragen :
1° 250.000 rekeneenheden per passagier, per afzonderlijk incident; of
2° 340 miljoen rekeneenheden per [1 zeeschip]1, per afzonderlijk incident.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt onder "rekeneenheid" het bijzonder trekkingsrecht zoals omschreven door het Internationaal Monetair Fonds verstaan.
§ 3. De bij het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening of deze afdeling voorgeschreven certificaten moeten zich aan boord van het [1 zeeschip]1 bevinden en moeten daar worden voorgelegd aan de overheid die bevoegd is voor het toezicht, behalve indien het [1 zeeschip]1 de vlag voert van een Staat die een verklaring heeft afgelegd in overeenstemming met artikel 4bis.14 van het PAL-Verdrag en het bestaan van het certificaat dat door die Staat is uitgereikt, blijkt uit een elektronisch register dat door die Staat wordt bijgehouden en dat door de Belgische overheid bevoegd voor het toezicht rechtstreeks kan worden geraadpleegd.
§ 1. Ingeval hetzij het PAL-Verdrag, hetzij de PAL-Verordening, hetzij onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek van toepassing is, moet de vervoerder die feitelijk geheel of gedeeltelijk passagiers vervoert aan boord van een vreemd [1 zeeschip]1 dat vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan twaalf passagiers en dat een haven op het Belgisch grondgebied aanloopt of deze verlaat, een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie, in stand houden ter dekking van de uit het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening of onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek voortvloeiende aansprakelijkheid voor schade door overlijden of persoonlijk letsel van een passagier. Het minimumbedrag van deze verplichte verzekering of andere financiële zekerheid per passagier per afzonderlijk incident wordt berekend overeenkomstig artikel 4bis.1 van het PAL-Verdrag.
Het [1 zeeschip]1 beschikt als bewijs daarvan over een geldig certificaat uitgereikt door de bevoegde overheid in overeenstemming met artikel 4bis van het PAL-Verdrag.
§ 2. Ingeval hetzij het PAL-Verdrag, hetzij PAL-Verordening, hetzij onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek van toepassing is, is de vervoerder die feitelijk geheel of gedeeltelijk passagiers vervoert aan boord van een vreemd [1 zeeschip]1 dat vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan twaalf passagiers en dat een haven op het Belgische grondgebied aanloopt of deze verlaat, verplicht een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie, in stand te houden ter dekking van de uit het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening of onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek voortvloeiende aansprakelijkheid voor schade door overlijden of persoonlijk letsel van een passagier ten gevolge van een van de risico's bedoeld in punt 2.2 van de PAL-Richtsnoeren. Het minimumbedrag van deze verplichte verzekering of andere financiële zekerheid beloopt het laagste van de volgende bedragen :
1° 250.000 rekeneenheden per passagier, per afzonderlijk incident; of
2° 340 miljoen rekeneenheden per [1 zeeschip]1, per afzonderlijk incident.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt onder "rekeneenheid" het bijzonder trekkingsrecht zoals omschreven door het Internationaal Monetair Fonds verstaan.
§ 3. De bij het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening of deze afdeling voorgeschreven certificaten moeten zich aan boord van het [1 zeeschip]1 bevinden en moeten daar worden voorgelegd aan de overheid die bevoegd is voor het toezicht, behalve indien het [1 zeeschip]1 de vlag voert van een Staat die een verklaring heeft afgelegd in overeenstemming met artikel 4bis.14 van het PAL-Verdrag en het bestaan van het certificaat dat door die Staat is uitgereikt, blijkt uit een elektronisch register dat door die Staat wordt bijgehouden en dat door de Belgische overheid bevoegd voor het toezicht rechtstreeks kan worden geraadpleegd.
Art. 2.3.2.25. Obligation d'assurance ou de certification pour les [1 navires de mer]1 étrangers
§ 1er. Dans le cas où soit la Convention PAL, soit le Règlement PAL, soit la sous-section 1re de la section 2 du chapitre 2 du titre 6 du présent livre s'applique, le transporteur qui assure effectivement la totalité ou une partie du transport à bord d'un [1 navire de mer]1 étranger autorisé à transporter plus de douze passagers qui touche ou quitte un port sur le territoire belge est tenu de souscrire une assurance ou autre garantie financière, telle que le cautionnement d'une banque ou d'une institution financière similaire, pour couvrir sa responsabilité en vertu de la Convention PAL, du Règlement PAL, ou de la sous-section 1re de la section 2 du chapitre 2 du titre 6 de ce code eu égard à la mort ou aux lésions corporelles de passagers. La limite de l'assurance obligatoire ou autre garantie financière par passager pour un même événement est calculé conformément à l'article 4bis.1 de la Convention PAL.
A titre de preuve, le [1 navire de mer]1 doit disposer d'un certificat valide délivré par l'autorité compétente conformément à l'article 4bis de la Convention PAL.
§ 2. Dans le cas où soit la Convention PAL, soit le Règlement PAL, soit la sous-section 1re de la section 2 du chapitre 2 du titre 6 du présent livre s'applique, le transporteur qui assure effectivement la totalité ou une partie du transport à bord d'un [1 navire de mer]1 étranger autorisé à transporter plus de douze passagers qui touche ou quitte un port sur le territoire belge est tenu de souscrire une assurance ou autre garantie financière, telle que le cautionnement d'une banque ou d'une institution financière similaire, pour couvrir sa responsabilité en vertu de la Convention PAL, du Règlement PAL, ou de la sous-section 1re de la section 2 du chapitre 2 du titre 6 du présent livre eu égard à la mort ou aux lésions corporelles d'un passager causées par l'un quelconque des risques mentionnés au point 2.2 des Lignes directrices PAL. Le montant minimal de cette assurance obligatoire ou autre garantie financière correspond au plus petit des montants suivants :
1° 250 000 unités de compte par passager pour un même événement; ou
2° 340 millions d'unités de compte au total par [1 navire de mer]1 pour un même événement.
Pour l'application de l'alinéa précédent, on entend par " unité de compte " le tirage spécial comme défini par le Fonds monétaire international.
§ 3. Les certificats prescrits par la Convention PAL, le Règlement PAL ou la présente section doivent se trouver à bord du [1 navire de mer]1 et doivent être soumis à l'autorité compétente pour la surveillance, à l'exception du cas où le [1 navire de mer]1 bat le pavillon d'un Etat qui a fait une déclaration conformément à l'article 4bis.14 de la Convention PAL et si l'existence du certificat délivré par cet Etat apparaît sur la base d'un registre électronique tenu par cet Etat et consultable directement par l'autorité belges compétente pour la surveillance.
§ 1er. Dans le cas où soit la Convention PAL, soit le Règlement PAL, soit la sous-section 1re de la section 2 du chapitre 2 du titre 6 du présent livre s'applique, le transporteur qui assure effectivement la totalité ou une partie du transport à bord d'un [1 navire de mer]1 étranger autorisé à transporter plus de douze passagers qui touche ou quitte un port sur le territoire belge est tenu de souscrire une assurance ou autre garantie financière, telle que le cautionnement d'une banque ou d'une institution financière similaire, pour couvrir sa responsabilité en vertu de la Convention PAL, du Règlement PAL, ou de la sous-section 1re de la section 2 du chapitre 2 du titre 6 de ce code eu égard à la mort ou aux lésions corporelles de passagers. La limite de l'assurance obligatoire ou autre garantie financière par passager pour un même événement est calculé conformément à l'article 4bis.1 de la Convention PAL.
A titre de preuve, le [1 navire de mer]1 doit disposer d'un certificat valide délivré par l'autorité compétente conformément à l'article 4bis de la Convention PAL.
§ 2. Dans le cas où soit la Convention PAL, soit le Règlement PAL, soit la sous-section 1re de la section 2 du chapitre 2 du titre 6 du présent livre s'applique, le transporteur qui assure effectivement la totalité ou une partie du transport à bord d'un [1 navire de mer]1 étranger autorisé à transporter plus de douze passagers qui touche ou quitte un port sur le territoire belge est tenu de souscrire une assurance ou autre garantie financière, telle que le cautionnement d'une banque ou d'une institution financière similaire, pour couvrir sa responsabilité en vertu de la Convention PAL, du Règlement PAL, ou de la sous-section 1re de la section 2 du chapitre 2 du titre 6 du présent livre eu égard à la mort ou aux lésions corporelles d'un passager causées par l'un quelconque des risques mentionnés au point 2.2 des Lignes directrices PAL. Le montant minimal de cette assurance obligatoire ou autre garantie financière correspond au plus petit des montants suivants :
1° 250 000 unités de compte par passager pour un même événement; ou
2° 340 millions d'unités de compte au total par [1 navire de mer]1 pour un même événement.
Pour l'application de l'alinéa précédent, on entend par " unité de compte " le tirage spécial comme défini par le Fonds monétaire international.
§ 3. Les certificats prescrits par la Convention PAL, le Règlement PAL ou la présente section doivent se trouver à bord du [1 navire de mer]1 et doivent être soumis à l'autorité compétente pour la surveillance, à l'exception du cas où le [1 navire de mer]1 bat le pavillon d'un Etat qui a fait une déclaration conformément à l'article 4bis.14 de la Convention PAL et si l'existence du certificat délivré par cet Etat apparaît sur la base d'un registre électronique tenu par cet Etat et consultable directement par l'autorité belges compétente pour la surveillance.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.26. Informatie en certificaten van andere Staten of de IMO of andere internationale organisaties
§ 1. Niets in deze afdeling kan zo worden uitgelegd dat het de bevoegde overheid belet te vertrouwen op informatie verkregen van andere Staten, de IMO of andere internationale organisaties met betrekking tot de financiële draagkracht van verzekeraars of andere personen die de financiële zekerheden verstrekken voor de toepassing van het PAL-Verdrag of deze afdeling. In dergelijke gevallen wordt de Belgische Staat niet ontheven van zijn verantwoordelijkheid als Staat die certificaten uitreikt.
§ 2. Certificaten uitgereikt of gewaarmerkt onder het gezag van een andere Staat die Partij is bij het PAL-Verdrag worden door de bevoegde overheid erkend voor de doeleinden van het PAL-Verdrag en deze afdeling en worden door haar beschouwd als bezittende dezelfde waarde als door haarzelf uitgereikt of gewaarmerkte certificaten, zelfs ingeval het een [1 zeeschip]1 betreft dat niet is geregistreerd in een Staat die Partij bij het PAL-Verdrag is. De bevoegde overheid kan te allen tijde verzoeken om overleg met de Staat die het certificaat heeft uitgereikt of gewaarmerkt indien zij reden heeft om aan te nemen dat de in het certificaat vermelde verzekeraar of garantieverstrekker financieel niet in staat is de door het PAL-Verdrag opgelegde verplichtingen na te komen.
§ 1. Niets in deze afdeling kan zo worden uitgelegd dat het de bevoegde overheid belet te vertrouwen op informatie verkregen van andere Staten, de IMO of andere internationale organisaties met betrekking tot de financiële draagkracht van verzekeraars of andere personen die de financiële zekerheden verstrekken voor de toepassing van het PAL-Verdrag of deze afdeling. In dergelijke gevallen wordt de Belgische Staat niet ontheven van zijn verantwoordelijkheid als Staat die certificaten uitreikt.
§ 2. Certificaten uitgereikt of gewaarmerkt onder het gezag van een andere Staat die Partij is bij het PAL-Verdrag worden door de bevoegde overheid erkend voor de doeleinden van het PAL-Verdrag en deze afdeling en worden door haar beschouwd als bezittende dezelfde waarde als door haarzelf uitgereikt of gewaarmerkte certificaten, zelfs ingeval het een [1 zeeschip]1 betreft dat niet is geregistreerd in een Staat die Partij bij het PAL-Verdrag is. De bevoegde overheid kan te allen tijde verzoeken om overleg met de Staat die het certificaat heeft uitgereikt of gewaarmerkt indien zij reden heeft om aan te nemen dat de in het certificaat vermelde verzekeraar of garantieverstrekker financieel niet in staat is de door het PAL-Verdrag opgelegde verplichtingen na te komen.
Art. 2.3.2.26. Informations et certificats d'autres Etats, de l'OMI ou d'autres organismes internationaux
§ 1er. Aucune disposition de cette section n'est interprétée comme empêchant l'autorité compétente de donner foi aux renseignements obtenus d'autres Etats, de l'OMI ou d'autres organismes internationaux concernant la situation financière des assureurs ou des autres personnes fournissant la garantie financière aux fins de la Convention PAL ou cette section. Dans de tels cas, l'Etat belge n'est pas dégagé de sa responsabilité en tant qu'Etat qui délivre le certificat.
§ 2. Les certificats délivrés ou visés sous l'autorité d'un autre Etat Partie à la Convention PAL sont acceptés aux fins de la Convention PAL et la présente section par l'autorité compétente et considéré par elle comme ayant la même valeur que les certificats qu'elle a elle-même délivrés ou visés, même lorsqu'il s'agit d'un [1 navire de mer]1 non enregistré dans un Etat Partie. L'autorité compétente peut à tout moment demander à l'Etat qui a délivré ou visé le certificat de procéder à un échange de vues si elle estime que l'assureur ou le garant porté sur le certificat n'est pas financièrement capable de faire face aux obligations imposées par la Convention PAL.
§ 1er. Aucune disposition de cette section n'est interprétée comme empêchant l'autorité compétente de donner foi aux renseignements obtenus d'autres Etats, de l'OMI ou d'autres organismes internationaux concernant la situation financière des assureurs ou des autres personnes fournissant la garantie financière aux fins de la Convention PAL ou cette section. Dans de tels cas, l'Etat belge n'est pas dégagé de sa responsabilité en tant qu'Etat qui délivre le certificat.
§ 2. Les certificats délivrés ou visés sous l'autorité d'un autre Etat Partie à la Convention PAL sont acceptés aux fins de la Convention PAL et la présente section par l'autorité compétente et considéré par elle comme ayant la même valeur que les certificats qu'elle a elle-même délivrés ou visés, même lorsqu'il s'agit d'un [1 navire de mer]1 non enregistré dans un Etat Partie. L'autorité compétente peut à tout moment demander à l'Etat qui a délivré ou visé le certificat de procéder à un échange de vues si elle estime que l'assureur ou le garant porté sur le certificat n'est pas financièrement capable de faire face aux obligations imposées par la Convention PAL.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.27. [1 Zeeschepen]1 in eigendom van de Staat
Ingeval een [1 zeeschip]1 dat eigendom is van de Staat niet gedekt is door een verzekering of andere financiële zekerheid, zijn de desbetreffende bepalingen van deze afdeling niet op dat [1 zeeschip]1 van toepassing. Het [1 zeeschip]1 moet evenwel voorzien zijn van een door de bevoegde overheid uitgereikt certificaat houdende verklaring dat het eigendom is van de Staat en dat de aansprakelijkheid wordt gedekt tot beloop van de in artikel 2.3.2.21 bedoelde bedragen. Dit certificaat stemt zoveel mogelijk overeen met het door artikel 2.3.2.22 voorgeschreven model.
Ingeval een [1 zeeschip]1 dat eigendom is van de Staat niet gedekt is door een verzekering of andere financiële zekerheid, zijn de desbetreffende bepalingen van deze afdeling niet op dat [1 zeeschip]1 van toepassing. Het [1 zeeschip]1 moet evenwel voorzien zijn van een door de bevoegde overheid uitgereikt certificaat houdende verklaring dat het eigendom is van de Staat en dat de aansprakelijkheid wordt gedekt tot beloop van de in artikel 2.3.2.21 bedoelde bedragen. Dit certificaat stemt zoveel mogelijk overeen met het door artikel 2.3.2.22 voorgeschreven model.
Art. 2.3.2.27. [1 Navires de mer]1 appartenant à l'Etat
Si un [1 navire de mer]1 appartenant à l'Etat n'est pas couvert par une assurance ou une autre garantie financière, les dispositions pertinentes de la présente section ne lui sont pas applicables. Ce [1 navire de mer]1 doit toutefois être muni d'un certificat délivré par l'autorité compétente attestant que le [1 navire de mer]1 appartient à l'Etat et que sa responsabilité est couverte à raison du montant prescrit conformément à l'article 2.3.2.21. Ce certificat suit d'aussi près que possible le modèle prescrit à l'article 2.3.2.22.
Si un [1 navire de mer]1 appartenant à l'Etat n'est pas couvert par une assurance ou une autre garantie financière, les dispositions pertinentes de la présente section ne lui sont pas applicables. Ce [1 navire de mer]1 doit toutefois être muni d'un certificat délivré par l'autorité compétente attestant que le [1 navire de mer]1 appartient à l'Etat et que sa responsabilité est couverte à raison du montant prescrit conformément à l'article 2.3.2.21. Ce certificat suit d'aussi près que possible le modèle prescrit à l'article 2.3.2.22.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.28. Uitvoeringsbesluiten
Onverminderd van artikel 4bis van het PAL-Verdrag kan de Koning de uitreiking, de desbetreffende voorwaarden en de geldigheid van de in het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening en deze afdeling bedoelde certificaten nader regelen.
[1 De Koning kan de toepassing van het PAL-Verdrag uitbreiden naar zeeschepen die niet onder dit verdrag vallen. Daarbij kunnen bepalingen worden vastgesteld die van bovenvermeld verdrag en van dit hoofdstuk afwijken.]1
Onverminderd van artikel 4bis van het PAL-Verdrag kan de Koning de uitreiking, de desbetreffende voorwaarden en de geldigheid van de in het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening en deze afdeling bedoelde certificaten nader regelen.
[1 De Koning kan de toepassing van het PAL-Verdrag uitbreiden naar zeeschepen die niet onder dit verdrag vallen. Daarbij kunnen bepalingen worden vastgesteld die van bovenvermeld verdrag en van dit hoofdstuk afwijken.]1
Art. 2.3.2.28. Arrêtés d'exécution
Sans préjudice de l'article 4 bis de la Convention PAL, le Roi peut fixer les modalités de délivrance, les conditions correspondantes et la validité des certificats visés dans la Convention PAL, dans le Règlement PAL et dans la présente section.
[1 Le Roi peut étendre l'application de la Convention PAL aux navires de mer qui ne relèvent pas de cette convention. A cet égard, des dispositions qui dérogent à la convention susmentionnée et au présent chapitre peuvent être adoptées.]1
Sans préjudice de l'article 4 bis de la Convention PAL, le Roi peut fixer les modalités de délivrance, les conditions correspondantes et la validité des certificats visés dans la Convention PAL, dans le Règlement PAL et dans la présente section.
[1 Le Roi peut étendre l'application de la Convention PAL aux navires de mer qui ne relèvent pas de cette convention. A cet égard, des dispositions qui dérogent à la convention susmentionnée et au présent chapitre peuvent être adoptées.]1
Wijzigingen
Art. 2.3.2.29. Retributies
Voor de uitreiking van de in deze afdeling bedoelde certificaten en de vervulling van andere met deze afdeling verband houdende formaliteiten kan een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan.
Voor de uitreiking van de in deze afdeling bedoelde certificaten en de vervulling van andere met deze afdeling verband houdende formaliteiten kan een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan.
Art. 2.3.2.29. Redevances
Pour la délivrance des certificats visés dans cette section et l'accomplissement d'autres formalités relatives à cette section, une redevance peut être prélevée, dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevable à l'Etat.
Le Roi détermine le tarif des redevances et les autres règles à leur application et à leur perception.
Pour la délivrance des certificats visés dans cette section et l'accomplissement d'autres formalités relatives à cette section, une redevance peut être prélevée, dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevable à l'Etat.
Le Roi détermine le tarif des redevances et les autres règles à leur application et à leur perception.
Afdeling 2. - Beperking van aansprakelijkheid
Section 2. - Limitation de responsabilité
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-Section 1ère. - Dispositions générales
Art. 2.3.2.30. Begrippen
§ 1. In deze afdeling wordt verstaan onder :
1° "scheepseigenaar", in afwijking van artikel 2.1.1.2, 1° : de eigenaar, de bevrachter, de beheerder en de exploitant van een zeeschip;
2° "berger" : iedere persoon die diensten verricht rechtstreeks verband houdende met bergingswerkzaamheden, welke mede werkzaamheden omvatten bedoeld in artikel 2.3.2.32, § 1, 1° en 2° ;
3° "tonnenmaat" : hetzij de brutotonnenmaat [1 van het zeeschip]1 berekend overeenkomstig de voorschriften voor meting vervat in Bijlage I bij het TMC-Verdrag, hetzij, ingeval voornoemd verdrag niet [1 op het zeeschip]1 van toepassing is, de brutotonnenmaat welke blijkt uit een nationale meetbrief;
4° "vorderingen wegens dood of letsel van passagiers van een [1 zeeschip]1" : alle vorderingen uit dien hoofde ingesteld door of voor rekening van een aan boord van dat [1 zeeschip]1 vervoerde persoon :
a) krachtens een overeenkomst tot het vervoer van passagiers; of
b) die, met toestemming van de vervoerder, een voertuig of levende dieren begeleidt waaromtrent een overeenkomst van goederenvervoer is gesloten;
5° "rekeneenheid" : het bijzonder trekkingsrecht zoals omschreven door het Internationaal Monetair Fonds.
§ 2. In dit hoofdstuk omvat het begrip "de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar" mede de aansprakelijkheid die voortvloeit uit een tegen het zeeschip zelf ingestelde rechtsvordering.
§ 1. In deze afdeling wordt verstaan onder :
1° "scheepseigenaar", in afwijking van artikel 2.1.1.2, 1° : de eigenaar, de bevrachter, de beheerder en de exploitant van een zeeschip;
2° "berger" : iedere persoon die diensten verricht rechtstreeks verband houdende met bergingswerkzaamheden, welke mede werkzaamheden omvatten bedoeld in artikel 2.3.2.32, § 1, 1° en 2° ;
3° "tonnenmaat" : hetzij de brutotonnenmaat [1 van het zeeschip]1 berekend overeenkomstig de voorschriften voor meting vervat in Bijlage I bij het TMC-Verdrag, hetzij, ingeval voornoemd verdrag niet [1 op het zeeschip]1 van toepassing is, de brutotonnenmaat welke blijkt uit een nationale meetbrief;
4° "vorderingen wegens dood of letsel van passagiers van een [1 zeeschip]1" : alle vorderingen uit dien hoofde ingesteld door of voor rekening van een aan boord van dat [1 zeeschip]1 vervoerde persoon :
a) krachtens een overeenkomst tot het vervoer van passagiers; of
b) die, met toestemming van de vervoerder, een voertuig of levende dieren begeleidt waaromtrent een overeenkomst van goederenvervoer is gesloten;
5° "rekeneenheid" : het bijzonder trekkingsrecht zoals omschreven door het Internationaal Monetair Fonds.
§ 2. In dit hoofdstuk omvat het begrip "de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar" mede de aansprakelijkheid die voortvloeit uit een tegen het zeeschip zelf ingestelde rechtsvordering.
Art. 2.3.2.30. Notions
§ 1er. Dans la présente section, l'on entend par :
1° " propriétaire de navire ", par dérogation à l'article 2.1.1.2,1° : le propriétaire, l'affréteur, l'armateur et l'exploitant d'un navire de mer;
2° " assistant " : toute personne fournissant des services en relation directe avec les opérations d'assistance, lesquelles opérations comprennent également celles que vise l'article 2.3.2.32, § 1er, 1° et 2° ;
3° " tonnage ": soit le tonnage brut [1 du navire de mer]1 calculée conformément aux règles de mesure sur le tonnage brut prévues à l'Annexe I à la Convention TMC soit, si la convention précitée ne s'applique pas [1 aux navires de mer]1, le tonnage brut telle qu'il appert d'un certificat national de jaugeage;
4° " créances résultant de la mort ou de lésions corporelles des passagers d'un [1 navire de mer]1 " : toute créance formée par toute personne transportée sur ce [1 navire de mer]1 ou pour le compte de cette personne :
a) en vertu d'un contrat de transport de passager; ou
b) qui, avec le consentement du transporteur, accompagne un véhicule ou des animaux vivants faisant l'objet d'un contrat de transport de marchandises;
5° " unité de compte " : le droit de tirage spécial tel que défini par le Fonds monétaire international.
§ 2. Dans le présent chapitre, l'expression " responsabilité du propriétaire de navire " comprend la responsabilité résultant d'une action portant sur le navire de mer lui-même.
§ 1er. Dans la présente section, l'on entend par :
1° " propriétaire de navire ", par dérogation à l'article 2.1.1.2,1° : le propriétaire, l'affréteur, l'armateur et l'exploitant d'un navire de mer;
2° " assistant " : toute personne fournissant des services en relation directe avec les opérations d'assistance, lesquelles opérations comprennent également celles que vise l'article 2.3.2.32, § 1er, 1° et 2° ;
3° " tonnage ": soit le tonnage brut [1 du navire de mer]1 calculée conformément aux règles de mesure sur le tonnage brut prévues à l'Annexe I à la Convention TMC soit, si la convention précitée ne s'applique pas [1 aux navires de mer]1, le tonnage brut telle qu'il appert d'un certificat national de jaugeage;
4° " créances résultant de la mort ou de lésions corporelles des passagers d'un [1 navire de mer]1 " : toute créance formée par toute personne transportée sur ce [1 navire de mer]1 ou pour le compte de cette personne :
a) en vertu d'un contrat de transport de passager; ou
b) qui, avec le consentement du transporteur, accompagne un véhicule ou des animaux vivants faisant l'objet d'un contrat de transport de marchandises;
5° " unité de compte " : le droit de tirage spécial tel que défini par le Fonds monétaire international.
§ 2. Dans le présent chapitre, l'expression " responsabilité du propriétaire de navire " comprend la responsabilité résultant d'une action portant sur le navire de mer lui-même.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.31. Internationale en materiële toepassing
§ 1. In afwijking van artikel 2.3.2.32, § 1, is uitsluitend dit hoofdstuk van toepassing op de beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen in gevallen, waarin op geen enkele wijze belangen in het geding zijn van personen die onderdaan zijn van andere Staten.
§ 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op de beperking van aansprakelijkheid ter zake van alle zeeschepen bedoeld in artikel 1.1.1.3, § 1, 7°, waarop het LLMC-Verdrag niet van toepassing is.
§ 3. In het in artikel 2.3.2.32, § 1, bedoelde geval zijn de volgende bepalingen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing :
1° artikel 2.3.2.31, § 4, 1° ;
2° artikel 2.3.2.32, § 2;
3° artikel 2.3.2.33;
4° artikel 2.3.2.37, 2°, derwijze dat het recht geeft op beperking van aansprakelijkheid voor vorderingen ter zake van schade door verontreiniging door olie in de zin van het CLC-Verdrag waarop laatstgenoemde regeling niet daadwerkelijk van toepassing is;
5° artikel 2.3.2.40, § 2 en 3;
6° artikel 2.3.2.44, tweede lid;
7° artikel 2.3.2.45, 1° ;
8° artikel 2.3.2.46;
9° artikel 2.3.2.47, § 2, 4, 7 en 8;
10° artikel 2.3.2.48;
11° artikel 2.3.2.49;
12° artikel 2.3.2.50;
13° artikel 2.3.2.51;
14° artikel 2.3.2.52;
15° artikel 2.3.2.53;
16° artikel 2.3.2.54, § 4;
17° artikel 2.3.2.55;
18° artikel 2.3.2.56;
19° artikel 2.3.2.57;
20° artikel 2.3.2.58, § 2, 3, 4, 8 en 9;
21° artikel 2.3.2.59;
22° artikel 2.3.2.60;
23° artikel 2.3.2.61.
§ 4. De Belgische wet beheerst :
1° de rechtspleging;
2° in het bijzonder, het procesrecht betreffende de toepassing van artikel 2.3.2.44.
Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk worden de regels betreffende de vorming en de verdeling van een in België gevormd beperkingsfonds, alsmede alle daarmee verband houdende procedureregels eveneens door de Belgische wet beheerst.
§ 1. In afwijking van artikel 2.3.2.32, § 1, is uitsluitend dit hoofdstuk van toepassing op de beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen in gevallen, waarin op geen enkele wijze belangen in het geding zijn van personen die onderdaan zijn van andere Staten.
§ 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op de beperking van aansprakelijkheid ter zake van alle zeeschepen bedoeld in artikel 1.1.1.3, § 1, 7°, waarop het LLMC-Verdrag niet van toepassing is.
§ 3. In het in artikel 2.3.2.32, § 1, bedoelde geval zijn de volgende bepalingen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing :
1° artikel 2.3.2.31, § 4, 1° ;
2° artikel 2.3.2.32, § 2;
3° artikel 2.3.2.33;
4° artikel 2.3.2.37, 2°, derwijze dat het recht geeft op beperking van aansprakelijkheid voor vorderingen ter zake van schade door verontreiniging door olie in de zin van het CLC-Verdrag waarop laatstgenoemde regeling niet daadwerkelijk van toepassing is;
5° artikel 2.3.2.40, § 2 en 3;
6° artikel 2.3.2.44, tweede lid;
7° artikel 2.3.2.45, 1° ;
8° artikel 2.3.2.46;
9° artikel 2.3.2.47, § 2, 4, 7 en 8;
10° artikel 2.3.2.48;
11° artikel 2.3.2.49;
12° artikel 2.3.2.50;
13° artikel 2.3.2.51;
14° artikel 2.3.2.52;
15° artikel 2.3.2.53;
16° artikel 2.3.2.54, § 4;
17° artikel 2.3.2.55;
18° artikel 2.3.2.56;
19° artikel 2.3.2.57;
20° artikel 2.3.2.58, § 2, 3, 4, 8 en 9;
21° artikel 2.3.2.59;
22° artikel 2.3.2.60;
23° artikel 2.3.2.61.
§ 4. De Belgische wet beheerst :
1° de rechtspleging;
2° in het bijzonder, het procesrecht betreffende de toepassing van artikel 2.3.2.44.
Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk worden de regels betreffende de vorming en de verdeling van een in België gevormd beperkingsfonds, alsmede alle daarmee verband houdende procedureregels eveneens door de Belgische wet beheerst.
Art. 2.3.2.31. Application internationale et matérielle
§ 1er. Par dérogation à l'article 2.3.2.32, § 1er, seul le présent chapitre est d'application à la limitation de responsabilité pour des créances maritimes nées d'événements dans lesquels les intérêts de personnes qui sont ressortissants d'autres Etats ne sont en aucune manière en cause.
§ 2. Le présent chapitre s'applique à la limitation de responsabilité de tous les navires de mer visés à l'article 1.1.1.3, § 1er, 7°, auxquels la Convention LLMC ne s'applique pas.
§ 3. Dans le cas visé à l'article 2.3.2.32, § 1er, les dispositions suivantes du présent chapitre sont d'application par analogie :
1° l'article 2.3.2.31, § 4, 1° ;
2° l'article 2.3.2.32, § 2;
3° l'article 2.3.2.33;
4° l'article 2.3.2.37, 2°, de telle manière qu'il donne droit à la limitation de responsabilité pour des créances pour dommages dus à la pollution par les hydrocarbures au sens de la Convention CLC 1992 à laquelle ce dernier régime ne s'applique pas dans les faits;
5° l'article 2.3.2.40, § 2 et 3;
6° l'article 2.3.2.44, alinéa 2;
7° l'article 2.3.2.45, 1° ;
8° l'article 2.3.2.46;
9° l'article 2.3.2.47, § 2, 4, 7 et 8;
10° l'article 2.3.2.48;
11° l'article 2.3.2.49;
12° l'article 2.3.2.50;
13° l'article 2.3.2.51;
14° l'article 2.3.2.52;
15° l'article 2.3.2.53;
16° l'article 2.3.2.54, § 4;
17° l'article 2.3.2.55;
18° l'article 2.3.2.56;
19° l'article 2.3.2.57;
20° l'article 2.3.2.58, § 2, 3, 4, 8 en 9;
21° l'article 2.3.2.59;
22° l'article 2.3.2.60;
23° l'article 2.3.2.61.
§ 4. La loi belge régit :
1° la procédure;
2° en particulier, le droit procédural concernant l'application de l'article 2.3.2.44.
Sans préjudice au présent chapitre, les règles relatives à la constitution et à la répartition d'un fonds de limitation constitué en Belgique, ainsi que toutes les règles de procédure qui s'y rapportent sont également régies par la loi belge.
§ 1er. Par dérogation à l'article 2.3.2.32, § 1er, seul le présent chapitre est d'application à la limitation de responsabilité pour des créances maritimes nées d'événements dans lesquels les intérêts de personnes qui sont ressortissants d'autres Etats ne sont en aucune manière en cause.
§ 2. Le présent chapitre s'applique à la limitation de responsabilité de tous les navires de mer visés à l'article 1.1.1.3, § 1er, 7°, auxquels la Convention LLMC ne s'applique pas.
§ 3. Dans le cas visé à l'article 2.3.2.32, § 1er, les dispositions suivantes du présent chapitre sont d'application par analogie :
1° l'article 2.3.2.31, § 4, 1° ;
2° l'article 2.3.2.32, § 2;
3° l'article 2.3.2.33;
4° l'article 2.3.2.37, 2°, de telle manière qu'il donne droit à la limitation de responsabilité pour des créances pour dommages dus à la pollution par les hydrocarbures au sens de la Convention CLC 1992 à laquelle ce dernier régime ne s'applique pas dans les faits;
5° l'article 2.3.2.40, § 2 et 3;
6° l'article 2.3.2.44, alinéa 2;
7° l'article 2.3.2.45, 1° ;
8° l'article 2.3.2.46;
9° l'article 2.3.2.47, § 2, 4, 7 et 8;
10° l'article 2.3.2.48;
11° l'article 2.3.2.49;
12° l'article 2.3.2.50;
13° l'article 2.3.2.51;
14° l'article 2.3.2.52;
15° l'article 2.3.2.53;
16° l'article 2.3.2.54, § 4;
17° l'article 2.3.2.55;
18° l'article 2.3.2.56;
19° l'article 2.3.2.57;
20° l'article 2.3.2.58, § 2, 3, 4, 8 en 9;
21° l'article 2.3.2.59;
22° l'article 2.3.2.60;
23° l'article 2.3.2.61.
§ 4. La loi belge régit :
1° la procédure;
2° en particulier, le droit procédural concernant l'application de l'article 2.3.2.44.
Sans préjudice au présent chapitre, les règles relatives à la constitution et à la répartition d'un fonds de limitation constitué en Belgique, ainsi que toutes les règles de procédure qui s'y rapportent sont également régies par la loi belge.
Art. 2.3.2.32. Andere regelgeving
§ 1. De rechtstreeks werkende bepalingen van het LLMC-Verdrag zijn van toepassing in het in artikel 15.1, eerste zin van dat verdrag omschreven geval.
In hetzelfde geval zijn de volgende vorderingen niet vatbaar voor beperking van aansprakelijkheid :
1° vorderingen met betrekking tot het vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of het onschadelijk maken van een gezonken, vergaan, gestrand of verlaten [1 zeeschip]1, daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden;
2° vorderingen met betrekking tot het verwijderen, vernietigen of het onschadelijk maken van de lading van het [1 zeeschip]1.
§ 2. Het LLMC-Verdrag is niet van toepassing op binnenschepen, met uitzondering van estuaire schepen wanneer deze zich [2 in zeewateren]2 bevinden.
§ 1. De rechtstreeks werkende bepalingen van het LLMC-Verdrag zijn van toepassing in het in artikel 15.1, eerste zin van dat verdrag omschreven geval.
In hetzelfde geval zijn de volgende vorderingen niet vatbaar voor beperking van aansprakelijkheid :
1° vorderingen met betrekking tot het vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of het onschadelijk maken van een gezonken, vergaan, gestrand of verlaten [1 zeeschip]1, daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden;
2° vorderingen met betrekking tot het verwijderen, vernietigen of het onschadelijk maken van de lading van het [1 zeeschip]1.
§ 2. Het LLMC-Verdrag is niet van toepassing op binnenschepen, met uitzondering van estuaire schepen wanneer deze zich [2 in zeewateren]2 bevinden.
Art. 2.3.2.32. Autre réglementation
§ 1er. Les dispositions directement applicables de la Convention LLMC s'appliquent au cas décrit à l'article 15.1, première phrase, de cette convention.
Dans le même cas, les créances suivantes ne sont pas soumises à la limitation de responsabilité :
1° les créances pour avoir renfloué, enlevé, détruit ou rendu inoffensif un [1 navire de mer]1 coulé, naufragé, échoué ou abandonné, y compris tout ce qui se trouve et s'est trouvé à bord;
2° les créances pour avoir enlevé, détruit ou rendu inoffensive la cargaison du [1 navire de mer]1.
§ 2. La Convention LLMC ne s'applique pas aux bateaux de navigation intérieure, à l'exception des navires estuaires lorsqu'ils se trouvent [2 dans les eaux maritimes]2.
§ 1er. Les dispositions directement applicables de la Convention LLMC s'appliquent au cas décrit à l'article 15.1, première phrase, de cette convention.
Dans le même cas, les créances suivantes ne sont pas soumises à la limitation de responsabilité :
1° les créances pour avoir renfloué, enlevé, détruit ou rendu inoffensif un [1 navire de mer]1 coulé, naufragé, échoué ou abandonné, y compris tout ce qui se trouve et s'est trouvé à bord;
2° les créances pour avoir enlevé, détruit ou rendu inoffensive la cargaison du [1 navire de mer]1.
§ 2. La Convention LLMC ne s'applique pas aux bateaux de navigation intérieure, à l'exception des navires estuaires lorsqu'ils se trouvent [2 dans les eaux maritimes]2.
Art. 2.3.2.33. Kleine [1 zeeschepen]1
De Koning kan het stelsel van aansprakelijkheidsbeperking regelen dat van toepassing is op [1 zeeschepen]1 met een tonnenmaat van minder dan 300. Daarbij kunnen bepalingen worden vastgesteld die van het LLMC-Verdrag en van dit hoofdstuk afwijken.
De Koning kan het stelsel van aansprakelijkheidsbeperking regelen dat van toepassing is op [1 zeeschepen]1 met een tonnenmaat van minder dan 300. Daarbij kunnen bepalingen worden vastgesteld die van het LLMC-Verdrag en van dit hoofdstuk afwijken.
Art. 2.3.2.33. Petits [1 navires de mer]1
Le Roi peut régler le régime de limitation de responsabilité applicable aux [1 navires de mer]1 d'une jauge inférieure à 300 tonneaux. Dans ce contexte, des dispositions dérogeant à la Convention LLMC et au présent chapitre peuvent être établies.
Le Roi peut régler le régime de limitation de responsabilité applicable aux [1 navires de mer]1 d'une jauge inférieure à 300 tonneaux. Dans ce contexte, des dispositions dérogeant à la Convention LLMC et au présent chapitre peuvent être établies.
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - Het recht op beperking
Sous-Section 2. - Le droit à la limitation
Art. 2.3.2.34. Tot aansprakelijkheidsbeperking gerechtigde personen
§ 1. Scheepseigenaars en bergers kunnen hun aansprakelijkheid overeenkomstig dit hoofdstuk beperken voor de in artikel 2.3.2.36 genoemde vorderingen.
§ 2. Indien een van de vorderingen genoemd in artikel 2.3.2.36 wordt ingesteld tegen een persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid en nalatigheid de scheepseigenaar of berger aansprakelijk is, is deze persoon gerechtigd zich te beroepen op de beperking van aansprakelijkheid bedoeld in dit hoofdstuk.
§ 3. Een verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt voor vorderingen waarvoor overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk beperking geldt, kan op die beperking in gelijke mate een beroep doen als de verzekerde zelf.
§ 1. Scheepseigenaars en bergers kunnen hun aansprakelijkheid overeenkomstig dit hoofdstuk beperken voor de in artikel 2.3.2.36 genoemde vorderingen.
§ 2. Indien een van de vorderingen genoemd in artikel 2.3.2.36 wordt ingesteld tegen een persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid en nalatigheid de scheepseigenaar of berger aansprakelijk is, is deze persoon gerechtigd zich te beroepen op de beperking van aansprakelijkheid bedoeld in dit hoofdstuk.
§ 3. Een verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt voor vorderingen waarvoor overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk beperking geldt, kan op die beperking in gelijke mate een beroep doen als de verzekerde zelf.
Art. 2.3.2.34. Personnes en droit de limiter leur responsabilité
§ 1er. Les propriétaires de navire et les assistants peuvent limiter leur responsabilité conformément au présent chapitre à l'égard des créances visées à l'article 2.3.2.36.
§ 2. Si l'une quelconque des créances prévues à l'article 2.3.2.36 est formée contre toute personne dont les faits, négligences et fautes entraînent la responsabilité du propriétaire ou de l'assistant, cette personne est en droit de se prévaloir de la limitation de la responsabilité prévue dans le présent chapitre.
§ 3. L'assureur qui couvre la responsabilité à l'égard des créances soumises à limitation conformément aux règles du présent chapitre est en droit de se prévaloir de celle-ci dans la même mesure que l'assuré lui-même.
§ 1er. Les propriétaires de navire et les assistants peuvent limiter leur responsabilité conformément au présent chapitre à l'égard des créances visées à l'article 2.3.2.36.
§ 2. Si l'une quelconque des créances prévues à l'article 2.3.2.36 est formée contre toute personne dont les faits, négligences et fautes entraînent la responsabilité du propriétaire ou de l'assistant, cette personne est en droit de se prévaloir de la limitation de la responsabilité prévue dans le présent chapitre.
§ 3. L'assureur qui couvre la responsabilité à l'égard des créances soumises à limitation conformément aux règles du présent chapitre est en droit de se prévaloir de celle-ci dans la même mesure que l'assuré lui-même.
Art. 2.3.2.35. Niet-erkenning van aansprakelijkheid
Het beroep op de beperking van aansprakelijkheid houdt geen erkenning van aansprakelijkheid in.
Het beroep op de beperking van aansprakelijkheid houdt geen erkenning van aansprakelijkheid in.
Art. 2.3.2.35. Non-reconnaissance de responsabilité
Le fait d'invoquer la limitation de la responsabilité n'emporte pas la reconnaissance de cette responsabilité.
Le fait d'invoquer la limitation de la responsabilité n'emporte pas la reconnaissance de cette responsabilité.
Art. 2.3.2.36. Vorderingen vatbaar voor beperking
§ 1. Onder voorbehoud van de artikel en 2.3.2.37 en 2.3.2.38 zijn de volgende vorderingen, ongeacht de grondslag van de aansprakelijkheid, vatbaar voor beperking van aansprakelijkheid :
1° [1 vorderingen met betrekking tot dood of letsel of verlies van of beschadiging aan zaken (hieronder begrepen schade aan kunstwerken van havens, dokken en waterwegen en hulpmiddelen bij de navigatie), voorkomend aan boord van het zeeschip of in rechtstreeks verband met de exploitatie daarvan of met bergingswerkzaamheden, en andere daaruit voortvloeiende schade;]1
2° vorderingen met betrekking tot schade voortvloeiend uit vertraging bij het vervoer over zee van lading, passagiers of hun bagage;
3° [1 vorderingen met betrekking tot andere schade die voortvloeit uit inbreuk op buitencontractuele rechten, en die in rechtstreeks verband voorkomen met de exploitatie van het zeeschip of met bergingswerkzaamheden;]1
4° vorderingen van een andere persoon dan de aansprakelijke persoon met betrekking tot maatregelen die zijn genomen ter voorkoming of vermindering van schade, waarvoor de aansprakelijke persoon zijn aansprakelijkheid overeenkomstig dit hoofdstuk kan beperken, alsmede andere door zulke maatregelen veroorzaakte schade.
§ 2. De in de eerste paragraaf bedoelde vorderingen zijn vatbaar voor beperking van aansprakelijkheid zelfs indien zij, al dan niet op grond van een overeenkomst, worden ingesteld bij wijze van verhaal of vrijwaring. Vorderingen genoemd in de eerste paragraaf, 4°, zijn echter niet vatbaar voor beperking van aansprakelijkheid voor zover zij betrekking hebben op beloning krachtens een met de aansprakelijke persoon gesloten overeenkomst.
§ 1. Onder voorbehoud van de artikel en 2.3.2.37 en 2.3.2.38 zijn de volgende vorderingen, ongeacht de grondslag van de aansprakelijkheid, vatbaar voor beperking van aansprakelijkheid :
1° [1 vorderingen met betrekking tot dood of letsel of verlies van of beschadiging aan zaken (hieronder begrepen schade aan kunstwerken van havens, dokken en waterwegen en hulpmiddelen bij de navigatie), voorkomend aan boord van het zeeschip of in rechtstreeks verband met de exploitatie daarvan of met bergingswerkzaamheden, en andere daaruit voortvloeiende schade;]1
2° vorderingen met betrekking tot schade voortvloeiend uit vertraging bij het vervoer over zee van lading, passagiers of hun bagage;
3° [1 vorderingen met betrekking tot andere schade die voortvloeit uit inbreuk op buitencontractuele rechten, en die in rechtstreeks verband voorkomen met de exploitatie van het zeeschip of met bergingswerkzaamheden;]1
4° vorderingen van een andere persoon dan de aansprakelijke persoon met betrekking tot maatregelen die zijn genomen ter voorkoming of vermindering van schade, waarvoor de aansprakelijke persoon zijn aansprakelijkheid overeenkomstig dit hoofdstuk kan beperken, alsmede andere door zulke maatregelen veroorzaakte schade.
§ 2. De in de eerste paragraaf bedoelde vorderingen zijn vatbaar voor beperking van aansprakelijkheid zelfs indien zij, al dan niet op grond van een overeenkomst, worden ingesteld bij wijze van verhaal of vrijwaring. Vorderingen genoemd in de eerste paragraaf, 4°, zijn echter niet vatbaar voor beperking van aansprakelijkheid voor zover zij betrekking hebben op beloning krachtens een met de aansprakelijke persoon gesloten overeenkomst.
Art. 2.3.2.36. Créances soumises à la limitation
§ 1er. Sous réserve des articles 2.3.2.37 et 2.3.2.38, les créances suivantes, quel que soit le fondement de la responsabilité, sont soumises à la limitation de la responsabilité :
1° [1 créances pour mort, pour lésions corporelles, pour pertes et pour dommages à tous biens (y compris les dommages causés aux ouvrages d'art des ports, bassins, voies navigables et aides à la navigation), survenus à bord du navire de mer ou en relation directe avec l'exploitation de celui-ci ou avec des opérations d'assistance ou de sauvetage, ainsi que pour tout autre préjudice en résultant ;]1
2° créances pour tout préjudice résultant d'un retard dans le transport par mer de la cargaison, des passagers ou de leurs bagages;
3° [1 créances pour d'autres préjudices résultant de l'atteinte à tous droits de source extracontractuelle, et survenus en relation directe avec l'exploitation du navire de mer ou avec des opérations d'assistance ou de sauvetage;]1
4° créances produites par une autre personne que la personne responsable pour les mesures prises afin de prévenir ou de réduire un dommage pour lequel la personne responsable peut limiter sa responsabilité conformément au présent chapitre et pour les dommages ultérieurement causés par ces mesures.
§ 2. Les créances visées au paragraphe 1er sont soumises à la limitation de la responsabilité même si elles font l'objet d'une action, contractuelle ou non, récursoire ou en garantie. Toutefois, les créances produites aux termes du paragraphe 1er, 4°, ne sont pas soumises à la limitation de responsabilité dans la mesure où elles sont relatives à la rémunération en application d'un contrat conclu avec la personne responsable.
§ 1er. Sous réserve des articles 2.3.2.37 et 2.3.2.38, les créances suivantes, quel que soit le fondement de la responsabilité, sont soumises à la limitation de la responsabilité :
1° [1 créances pour mort, pour lésions corporelles, pour pertes et pour dommages à tous biens (y compris les dommages causés aux ouvrages d'art des ports, bassins, voies navigables et aides à la navigation), survenus à bord du navire de mer ou en relation directe avec l'exploitation de celui-ci ou avec des opérations d'assistance ou de sauvetage, ainsi que pour tout autre préjudice en résultant ;]1
2° créances pour tout préjudice résultant d'un retard dans le transport par mer de la cargaison, des passagers ou de leurs bagages;
3° [1 créances pour d'autres préjudices résultant de l'atteinte à tous droits de source extracontractuelle, et survenus en relation directe avec l'exploitation du navire de mer ou avec des opérations d'assistance ou de sauvetage;]1
4° créances produites par une autre personne que la personne responsable pour les mesures prises afin de prévenir ou de réduire un dommage pour lequel la personne responsable peut limiter sa responsabilité conformément au présent chapitre et pour les dommages ultérieurement causés par ces mesures.
§ 2. Les créances visées au paragraphe 1er sont soumises à la limitation de la responsabilité même si elles font l'objet d'une action, contractuelle ou non, récursoire ou en garantie. Toutefois, les créances produites aux termes du paragraphe 1er, 4°, ne sont pas soumises à la limitation de responsabilité dans la mesure où elles sont relatives à la rémunération en application d'un contrat conclu avec la personne responsable.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.37. Vorderingen uitgesloten van beperking
Deze afdeling is niet van toepassing op :
1° vorderingen uit hoofde van berging, met inbegrip van, indien van toepassing, vorderingen voor een bijzondere vergoeding krachtens artikel 14 van het Bergingsverdrag 1989, zoals gewijzigd, of artikel 2.7.5.15 van dit wetboek of wegens bijdrage in averij-grosse;
2° vorderingen ter zake van schade door verontreiniging door olie in de zin van het CLC-Verdrag 1992, en waarop laatstgenoemde regeling daadwerkelijk van toepassing is;
3° vorderingen onderworpen aan een internationaal verdrag of nationale wetgeving, waardoor beperking van aansprakelijkheid voor kernschade geregeld of verboden wordt;
4° vorderingen tegen de eigenaar van een nucleair schip ter zake van kernschade;
5° vorderingen van ondergeschikten van de scheepseigenaar of berger, wier werkzaamheden verband houden [1 met het zeeschip of de bergingswerkzaamheden]1, daaronder begrepen vorderingen van hun erfgenamen, rechtverkrijgenden of andere personen, die gerechtigd zijn zulke vorderingen in te stellen, indien de scheepseigenaar of berger volgens de wet die op de arbeidsovereenkomst tussen de scheepseigenaar of de berger en de ondergeschikten van toepassing is, niet gerechtigd is zijn aansprakelijkheid voor zulke vorderingen te beperken, of indien hij zulks volgens die wet slechts kan doen tot een hoger bedrag dan dat bedoeld in artikel 2.3.2.40.
Deze afdeling is niet van toepassing op :
1° vorderingen uit hoofde van berging, met inbegrip van, indien van toepassing, vorderingen voor een bijzondere vergoeding krachtens artikel 14 van het Bergingsverdrag 1989, zoals gewijzigd, of artikel 2.7.5.15 van dit wetboek of wegens bijdrage in averij-grosse;
2° vorderingen ter zake van schade door verontreiniging door olie in de zin van het CLC-Verdrag 1992, en waarop laatstgenoemde regeling daadwerkelijk van toepassing is;
3° vorderingen onderworpen aan een internationaal verdrag of nationale wetgeving, waardoor beperking van aansprakelijkheid voor kernschade geregeld of verboden wordt;
4° vorderingen tegen de eigenaar van een nucleair schip ter zake van kernschade;
5° vorderingen van ondergeschikten van de scheepseigenaar of berger, wier werkzaamheden verband houden [1 met het zeeschip of de bergingswerkzaamheden]1, daaronder begrepen vorderingen van hun erfgenamen, rechtverkrijgenden of andere personen, die gerechtigd zijn zulke vorderingen in te stellen, indien de scheepseigenaar of berger volgens de wet die op de arbeidsovereenkomst tussen de scheepseigenaar of de berger en de ondergeschikten van toepassing is, niet gerechtigd is zijn aansprakelijkheid voor zulke vorderingen te beperken, of indien hij zulks volgens die wet slechts kan doen tot een hoger bedrag dan dat bedoeld in artikel 2.3.2.40.
Art. 2.3.2.37. Créances exclues de la limitation
La présente section ne s'applique pas :
1° aux créances du chef d'assistance ou de sauvetage, y compris, dans les cas applicables, toute créance pour une indemnité spéciale en vertu de l'article 14 de la Convention sur l'assistance de 1989, telle que modifiée, ou de l'article 2.7.5.15 du présent code ou aux créances du chef de contribution en avarie commune;
2° aux créances pour dommages dus à la pollution par les hydrocarbures au sens de la Convention CLC 1992, et sur lesquelles ces dernières règles sont d'application dans les faits;
3° aux créances soumises à toute convention internationale ou législation nationale régissant ou interdisant la limitation de la responsabilité pour dommages nucléaires;
4° aux créances formées contre le propriétaire d'un navire nucléaire pour dommages nucléaires;
5° aux créances des préposés du propriétaire du navire ou de l'assistant dont les fonctions se rattachent au service [1 du navire de mer ou aux opérations d'assistance]1 ou de sauvetage ainsi qu'aux créances de leurs héritiers, ayants cause ou autres personnes fondées à former de telles créances si, selon la loi régissant le contrat d'engagement conclu entre le propriétaire du navire ou l'assistant et les préposés, le propriétaire du navire ou l'assistant n'est pas en droit de limiter sa responsabilité relativement à ces créances, ou, si, selon cette loi, il ne peut le faire qu'à concurrence d'un montant supérieur à celui prévu à l'article 2.3.2.40.
La présente section ne s'applique pas :
1° aux créances du chef d'assistance ou de sauvetage, y compris, dans les cas applicables, toute créance pour une indemnité spéciale en vertu de l'article 14 de la Convention sur l'assistance de 1989, telle que modifiée, ou de l'article 2.7.5.15 du présent code ou aux créances du chef de contribution en avarie commune;
2° aux créances pour dommages dus à la pollution par les hydrocarbures au sens de la Convention CLC 1992, et sur lesquelles ces dernières règles sont d'application dans les faits;
3° aux créances soumises à toute convention internationale ou législation nationale régissant ou interdisant la limitation de la responsabilité pour dommages nucléaires;
4° aux créances formées contre le propriétaire d'un navire nucléaire pour dommages nucléaires;
5° aux créances des préposés du propriétaire du navire ou de l'assistant dont les fonctions se rattachent au service [1 du navire de mer ou aux opérations d'assistance]1 ou de sauvetage ainsi qu'aux créances de leurs héritiers, ayants cause ou autres personnes fondées à former de telles créances si, selon la loi régissant le contrat d'engagement conclu entre le propriétaire du navire ou l'assistant et les préposés, le propriétaire du navire ou l'assistant n'est pas en droit de limiter sa responsabilité relativement à ces créances, ou, si, selon cette loi, il ne peut le faire qu'à concurrence d'un montant supérieur à celui prévu à l'article 2.3.2.40.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.38. Gedragingen die de beperking opheffen
Een aansprakelijke persoon is niet gerechtigd zijn aansprakelijkheid te beperken, indien bewezen wordt dat de schade het gevolg is van zijn persoonlijk handelen of nalaten, gepleegd hetzij met het opzet zodanige schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat zodanige schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Een aansprakelijke persoon is niet gerechtigd zijn aansprakelijkheid te beperken, indien bewezen wordt dat de schade het gevolg is van zijn persoonlijk handelen of nalaten, gepleegd hetzij met het opzet zodanige schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat zodanige schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Art. 2.3.2.38. Conduite supprimant la limitation
Une personne responsable n'est pas en droit de limiter sa responsabilité s'il est prouvé que le dommage résulte de son fait ou de son omission personnels, commis avec l'intention de provoquer un tel dommage, ou commis témérairement et avec conscience qu'un tel dommage en résulterait probablement.
Une personne responsable n'est pas en droit de limiter sa responsabilité s'il est prouvé que le dommage résulte de son fait ou de son omission personnels, commis avec l'intention de provoquer un tel dommage, ou commis témérairement et avec conscience qu'un tel dommage en résulterait probablement.
Art. 2.3.2.39. Verrekening van vorderingen
Wanneer een persoon, die krachtens dit hoofdstuk gerechtigd is zijn aansprakelijkheid te beperken, tegen de schuldeiser een vordering heeft die voortkomt uit dezelfde gebeurtenis, worden de respectieve vorderingen met elkaar verrekend en de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alsdan slechts van toepassing op het eventuele saldo.
Wanneer een persoon, die krachtens dit hoofdstuk gerechtigd is zijn aansprakelijkheid te beperken, tegen de schuldeiser een vordering heeft die voortkomt uit dezelfde gebeurtenis, worden de respectieve vorderingen met elkaar verrekend en de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alsdan slechts van toepassing op het eventuele saldo.
Art. 2.3.2.39. Compensation des créances
Si une personne en droit de limiter sa responsabilité selon les règles du présent chapitre a contre son créancier une créance née du même événement, leurs créances respectives se compensent et les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent qu'au solde éventuel.
Si une personne en droit de limiter sa responsabilité selon les règles du présent chapitre a contre son créancier une créance née du même événement, leurs créances respectives se compensent et les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent qu'au solde éventuel.
Onderafdeling 3. - Aansprakelijkheidsgrenzen
Sous-Section 3. - Limites de la responsabilité
Art. 2.3.2.40. Algemene grenzen
§ 1. De aansprakelijkheidsgrenzen voor vorderingen andere dan deze vermeld in artikel 2.3.2.41, die voortkomen uit eenzelfde gebeurtenis, worden als volgt berekend :
1° met betrekking tot vorderingen wegens dood of persoonlijk letsel overeenkomstig artikel 6, 1 (a) van het LLMC-verdrag.
2° met betrekking tot alle andere vorderingen overeenkomstig artikel 6, 1, (b) van het LLMC-verdrag.
§ 2. Voor zeeschepen die niet zijn onderworpen aan het TMC-Verdrag en waarvoor geen nationale meetbrief is uitgereikt, kan de scheepseigenaar zijn aansprakelijkheid beperken tot de waarde [1 van het zeeschip]1 op het ogenblik van de schadeverwekkende gebeurtenis, met een minimum van 1 miljoen rekeneenheden.
§ 3. Wanneer het bedrag, berekend overeenkomstig het 1° van paragraaf 1, onvoldoende is voor de volledige betaling van de daarin genoemde vorderingen, is het bedrag berekend overeenkomstig het 2° van dezelfde paragraaf beschikbaar voor de voldoening van het onbetaalde saldo van de in het 1° van paragraaf 1 genoemde vorderingen en deelt dit onbetaalde saldo naar evenredigheid mee met de in het 2° van paragraaf 1 genoemde vorderingen.
§ 4. De aansprakelijkheidsgrenzen voor een berger die geen werkzaamheden verricht vanaf een [1 zeeschip]1 of voor een berger die uitsluitend werkzaamheden verricht aan boord van het [1 zeeschip]1 waaraan of met betrekking waartoe hij bergingsdiensten verstrekt, worden berekend op grond van een tonnenmaat van 1500 ton.
§ 1. De aansprakelijkheidsgrenzen voor vorderingen andere dan deze vermeld in artikel 2.3.2.41, die voortkomen uit eenzelfde gebeurtenis, worden als volgt berekend :
1° met betrekking tot vorderingen wegens dood of persoonlijk letsel overeenkomstig artikel 6, 1 (a) van het LLMC-verdrag.
2° met betrekking tot alle andere vorderingen overeenkomstig artikel 6, 1, (b) van het LLMC-verdrag.
§ 2. Voor zeeschepen die niet zijn onderworpen aan het TMC-Verdrag en waarvoor geen nationale meetbrief is uitgereikt, kan de scheepseigenaar zijn aansprakelijkheid beperken tot de waarde [1 van het zeeschip]1 op het ogenblik van de schadeverwekkende gebeurtenis, met een minimum van 1 miljoen rekeneenheden.
§ 3. Wanneer het bedrag, berekend overeenkomstig het 1° van paragraaf 1, onvoldoende is voor de volledige betaling van de daarin genoemde vorderingen, is het bedrag berekend overeenkomstig het 2° van dezelfde paragraaf beschikbaar voor de voldoening van het onbetaalde saldo van de in het 1° van paragraaf 1 genoemde vorderingen en deelt dit onbetaalde saldo naar evenredigheid mee met de in het 2° van paragraaf 1 genoemde vorderingen.
§ 4. De aansprakelijkheidsgrenzen voor een berger die geen werkzaamheden verricht vanaf een [1 zeeschip]1 of voor een berger die uitsluitend werkzaamheden verricht aan boord van het [1 zeeschip]1 waaraan of met betrekking waartoe hij bergingsdiensten verstrekt, worden berekend op grond van een tonnenmaat van 1500 ton.
Art. 2.3.2.40. Limites générales
§ 1er. Les limites de la responsabilité à l'égard des créances autres que celles mentionnées à l'article 2.3.2.41, nées d'un même événement, sont fixées comme suit :
1° s'agissant des créances pour mort ou lésions corporelles conformément à l'article 6, 1 (a) de la Convention LLMC.
2° s'agissant de toutes les autres créances conformément à l'article 6, 1 (b) de la Convention LLMC.
§ 2. Pour les navires de mer qui ne sont pas soumis à la Convention TMC et pour lesquels aucune lettre de jaugeage nationale n'a été délivrée, le propriétaire de navire peut limiter sa responsabilité à la valeur [1 du navire de mer]1 au moment de l'événement d'où est né le dommage, avec un minimum d'un million d'unités de compte.
§ 3. Lorsque le montant calculé conformément au point 1° du paragraphe 1er est insuffisant pour régler intégralement les créances y visées, le montant calculé conformément au point 2° du même paragraphe peut être utilisé pour régler le solde impayé des créances visées au point 1° du paragraphe 1er et ce solde impayé vient en concurrence avec les créances visées au point 2° du paragraphe 1er.
§ 4. Les limites de la responsabilité de tout assistant n'agissant pas à partir d'un [1 navire de mer]1, ou de tout assistant agissant uniquement à bord du [1 navire de mer]1 auquel ou à l'égard duquel il fournit des services d'assistance ou de sauvetage, sont calculées selon un tonnage de 1 500 tonneaux de jauge.
§ 1er. Les limites de la responsabilité à l'égard des créances autres que celles mentionnées à l'article 2.3.2.41, nées d'un même événement, sont fixées comme suit :
1° s'agissant des créances pour mort ou lésions corporelles conformément à l'article 6, 1 (a) de la Convention LLMC.
2° s'agissant de toutes les autres créances conformément à l'article 6, 1 (b) de la Convention LLMC.
§ 2. Pour les navires de mer qui ne sont pas soumis à la Convention TMC et pour lesquels aucune lettre de jaugeage nationale n'a été délivrée, le propriétaire de navire peut limiter sa responsabilité à la valeur [1 du navire de mer]1 au moment de l'événement d'où est né le dommage, avec un minimum d'un million d'unités de compte.
§ 3. Lorsque le montant calculé conformément au point 1° du paragraphe 1er est insuffisant pour régler intégralement les créances y visées, le montant calculé conformément au point 2° du même paragraphe peut être utilisé pour régler le solde impayé des créances visées au point 1° du paragraphe 1er et ce solde impayé vient en concurrence avec les créances visées au point 2° du paragraphe 1er.
§ 4. Les limites de la responsabilité de tout assistant n'agissant pas à partir d'un [1 navire de mer]1, ou de tout assistant agissant uniquement à bord du [1 navire de mer]1 auquel ou à l'égard duquel il fournit des services d'assistance ou de sauvetage, sont calculées selon un tonnage de 1 500 tonneaux de jauge.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.41. Grens voor vorderingen van passagiers
Met betrekking tot vorderingen die voortkomen uit eenzelfde gebeurtenis, ter zake van dood of letsel van passagiers van een [1 zeeschip]1, wordt de aansprakelijkheidsgrens van de scheepseigenaar berekend overeenkomstig artikel 7.1 van het LLMC-Verdrag.
Met betrekking tot vorderingen die voortkomen uit eenzelfde gebeurtenis, ter zake van dood of letsel van passagiers van een [1 zeeschip]1, wordt de aansprakelijkheidsgrens van de scheepseigenaar berekend overeenkomstig artikel 7.1 van het LLMC-Verdrag.
Art. 2.3.2.41. Limite applicable aux créances des passagers
Dans le cas de créances résultant de la mort ou de lésions corporelles des passagers d'[1 un navire de mer]1 et nées d'un même événement, la limite de la responsabilité du propriétaire du navire est calculée conformément à l'article 7.1 de la Convention LLMC.
Dans le cas de créances résultant de la mort ou de lésions corporelles des passagers d'[1 un navire de mer]1 et nées d'un même événement, la limite de la responsabilité du propriétaire du navire est calculée conformément à l'article 7.1 de la Convention LLMC.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.42. Omrekening van rekeneenheden
De overeenkomstig 2.3.2.40 en 2.3.2.41 berekende bedragen worden omgerekend in euro volgens de waarde van die munteenheid op de datum waarop het beperkingsfonds is gevormd, de betaling is verricht of de in artikel 2.3.2.47 bedoelde garantie is verstrekt.
De waarde van de euro, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend overeenkomstig de waarderingsmethode die door het Internationaal Monetair Fonds op de desbetreffende datum wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties.
De overeenkomstig 2.3.2.40 en 2.3.2.41 berekende bedragen worden omgerekend in euro volgens de waarde van die munteenheid op de datum waarop het beperkingsfonds is gevormd, de betaling is verricht of de in artikel 2.3.2.47 bedoelde garantie is verstrekt.
De waarde van de euro, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend overeenkomstig de waarderingsmethode die door het Internationaal Monetair Fonds op de desbetreffende datum wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties.
Art. 2.3.2.42. Conversion des unités de compte
Les montants calculés conformément aux articles 2.3.2.40 et 2.3.2.41 sont convertis en euros suivant la valeur de cette monnaie à la date où le fonds a été constitué, le paiement effectué ou la garantie visée à l'article 2.3.2.47 fournie.
La valeur de l'euro exprimée en droits de tirage spéciaux est calculée selon la méthode d'évaluation appliquée par le Fonds monétaire international à la date en question pour ses propres opérations et transactions.
Les montants calculés conformément aux articles 2.3.2.40 et 2.3.2.41 sont convertis en euros suivant la valeur de cette monnaie à la date où le fonds a été constitué, le paiement effectué ou la garantie visée à l'article 2.3.2.47 fournie.
La valeur de l'euro exprimée en droits de tirage spéciaux est calculée selon la méthode d'évaluation appliquée par le Fonds monétaire international à la date en question pour ses propres opérations et transactions.
Art. 2.3.2.43. Samenloop van vorderingen
§ 1. De overeenkomstig artikel 2.3.2.40 vastgestelde aansprakelijkheidsgrenzen zijn van toepassing op het totaal van alle vorderingen die voortkomen uit eenzelfde gebeurtenis :
1° tegen de persoon of personen, bedoeld in artikel 2.3.2.30, § 1, 1° en iedere persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid hij of zij aansprakelijk is of zijn; of
2° tegen de scheepseigenaar die bergingsdiensten verstrekt vanaf [1 dat zeeschip]1 en de berger of bergers die vanaf [1 genoemd zeeschip]1 werkzaamheden verricht of verrichten en iedere persoon, voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid hij of zij aansprakelijk is of zijn; of
3° tegen de berger of bergers die niet vanaf een [1 zeeschip]1 werkzaamheden verricht of verrichten of die uitsluitend werkzaamheden verricht of verrichten aan boord van het [1 zeeschip]1 waaraan of met betrekking waartoe bergingsdiensten worden verstrekt en iedere persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid hij of zij aansprakelijk is of zijn.
§ 2. De overeenkomstig artikel 2.3.2.44 vastgestelde aansprakelijkheidsgrenzen zijn van toepassing op het totaal van alle vorderingen, die voortkomen uit eenzelfde voorval en ingesteld worden tegen de scheepseigenaar bedoeld in artikel 2.3.2.30, § 1, 1° met betrekking tot het in artikel 2.3.2.41 [1 bedoelde zeeschip]1 en iedere persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid hij of zij aansprakelijk is of zijn.
§ 1. De overeenkomstig artikel 2.3.2.40 vastgestelde aansprakelijkheidsgrenzen zijn van toepassing op het totaal van alle vorderingen die voortkomen uit eenzelfde gebeurtenis :
1° tegen de persoon of personen, bedoeld in artikel 2.3.2.30, § 1, 1° en iedere persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid hij of zij aansprakelijk is of zijn; of
2° tegen de scheepseigenaar die bergingsdiensten verstrekt vanaf [1 dat zeeschip]1 en de berger of bergers die vanaf [1 genoemd zeeschip]1 werkzaamheden verricht of verrichten en iedere persoon, voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid hij of zij aansprakelijk is of zijn; of
3° tegen de berger of bergers die niet vanaf een [1 zeeschip]1 werkzaamheden verricht of verrichten of die uitsluitend werkzaamheden verricht of verrichten aan boord van het [1 zeeschip]1 waaraan of met betrekking waartoe bergingsdiensten worden verstrekt en iedere persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid hij of zij aansprakelijk is of zijn.
§ 2. De overeenkomstig artikel 2.3.2.44 vastgestelde aansprakelijkheidsgrenzen zijn van toepassing op het totaal van alle vorderingen, die voortkomen uit eenzelfde voorval en ingesteld worden tegen de scheepseigenaar bedoeld in artikel 2.3.2.30, § 1, 1° met betrekking tot het in artikel 2.3.2.41 [1 bedoelde zeeschip]1 en iedere persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid hij of zij aansprakelijk is of zijn.
Art. 2.3.2.43. Concours de créances
§ 1er. Les limites de la responsabilité déterminées selon l'article 2.3.2.40 s'appliquent à l'ensemble de toutes les créances nées d'un même événement :
1° à l'égard de la personne ou des personne visées à l'article 2.3.2.30, § 1er, 1°, et de toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité de celle-ci ou de celles-ci; ou
2° à l'égard du propriétaire d'un navire qui fournit des services d'assistance ou de sauvetage à partir de [1 ce navire de mer]1 et à l'égard de l'assistant ou des assistants agissant à partir [1 dudit navire de mer]1 et de toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité de celui-ci ou de ceux-ci; ou
3° à l'égard de l'assistant ou des assistants n'agissant pas à partir d'un [1 navire de mer]1 ou agissant uniquement à bord du [1 navire de mer]1 auquel ou à l'égard duquel des services d'assistance ou de sauvetage sont fournis et de toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité de celui-ci ou de ceux-ci.
§ 2. Les limites de la responsabilité déterminées selon l'article 2.3.2.44 s'appliquent à l'ensemble de toutes les créances pouvant naître d'un même événement à l'égard du propriétaire d'un navire visés à l'article 2.3.2.30, § 1er, 1° s'agissant du [1 navire de mer auquel]1 il est fait référence à l'article 2.3.2.41 et de toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité de celle-ci ou de celles-ci.
§ 1er. Les limites de la responsabilité déterminées selon l'article 2.3.2.40 s'appliquent à l'ensemble de toutes les créances nées d'un même événement :
1° à l'égard de la personne ou des personne visées à l'article 2.3.2.30, § 1er, 1°, et de toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité de celle-ci ou de celles-ci; ou
2° à l'égard du propriétaire d'un navire qui fournit des services d'assistance ou de sauvetage à partir de [1 ce navire de mer]1 et à l'égard de l'assistant ou des assistants agissant à partir [1 dudit navire de mer]1 et de toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité de celui-ci ou de ceux-ci; ou
3° à l'égard de l'assistant ou des assistants n'agissant pas à partir d'un [1 navire de mer]1 ou agissant uniquement à bord du [1 navire de mer]1 auquel ou à l'égard duquel des services d'assistance ou de sauvetage sont fournis et de toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité de celui-ci ou de ceux-ci.
§ 2. Les limites de la responsabilité déterminées selon l'article 2.3.2.44 s'appliquent à l'ensemble de toutes les créances pouvant naître d'un même événement à l'égard du propriétaire d'un navire visés à l'article 2.3.2.30, § 1er, 1° s'agissant du [1 navire de mer auquel]1 il est fait référence à l'article 2.3.2.41 et de toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité de celle-ci ou de celles-ci.
Wijzigingen
Onderafdeling 4. - Beperkingsprocedure zonder fondsvorming
Sous-Section 4. - Procédure de limitation sans constitution d'un fonds
Art. 2.3.2.44. Inroeping
De beperking van aansprakelijkheid kan worden ingeroepen ondanks het feit dat er geen beperkingsfonds, zoals bedoeld in artikel 2.3.2.47, is gevormd.
Zulks kan gebeuren in elke procedure, met inbegrip van een beslagprocedure, en tot aan de sluiting van de debatten.
De beperking van aansprakelijkheid kan worden ingeroepen ondanks het feit dat er geen beperkingsfonds, zoals bedoeld in artikel 2.3.2.47, is gevormd.
Zulks kan gebeuren in elke procedure, met inbegrip van een beslagprocedure, en tot aan de sluiting van de debatten.
Art. 2.3.2.44. Invocation
La limitation de la responsabilité peut être invoquée même si le fonds de limitation visé à l'article 2.3.2.47 n'a pas été constitué.
Cette démarche est possible dans toute procédure, en ce compris une procédure de saisie, et jusqu'à la clôture des débats.
La limitation de la responsabilité peut être invoquée même si le fonds de limitation visé à l'article 2.3.2.47 n'a pas été constitué.
Cette démarche est possible dans toute procédure, en ce compris une procédure de saisie, et jusqu'à la clôture des débats.
Art. 2.3.2.45. Rechtsgevolgen
Ingeval beperking van aansprakelijkheid wordt ingeroepen zonder de vorming van een beperkingsfonds :
1° worden in beslag genomen goederen of andere verstrekte zekerheden niet vrijgegeven, maar kunnen deze laatste tot het toepasselijke beperkingsbedrag worden teruggebracht;
2° zijn de bepalingen van artikel 2.3.2.58, § 1, 5, 6 en 7 van overeenkomstige toepassing.
Ingeval beperking van aansprakelijkheid wordt ingeroepen zonder de vorming van een beperkingsfonds :
1° worden in beslag genomen goederen of andere verstrekte zekerheden niet vrijgegeven, maar kunnen deze laatste tot het toepasselijke beperkingsbedrag worden teruggebracht;
2° zijn de bepalingen van artikel 2.3.2.58, § 1, 5, 6 en 7 van overeenkomstige toepassing.
Art. 2.3.2.45. Effets juridiques
Si la limitation de la responsabilité est invoquée sans constitution d'un fonds de limitation :
1° les biens saisis ou les autres garanties fournies ne sont pas libérés, mais ces dernières peuvent être ramenées au montant de la limitation applicable;
2° les dispositions de l'article 2.3.2.58, § 1er, 5, 6 et 7 s'appliquent par analogie.
Si la limitation de la responsabilité est invoquée sans constitution d'un fonds de limitation :
1° les biens saisis ou les autres garanties fournies ne sont pas libérés, mais ces dernières peuvent être ramenées au montant de la limitation applicable;
2° les dispositions de l'article 2.3.2.58, § 1er, 5, 6 et 7 s'appliquent par analogie.
Art. 2.3.2.46. Veroordeling en interest
Ingeval de verweerder de beperking van aansprakelijkheid zonder fondsvorming inroept in een procedure ten gronde, doet de rechter achtereenvolgens uitspraak over de gegrondheid van de vordering en, in voorkomend geval, over het recht om de aansprakelijkheid te beperken en over het toepasselijke beperkingsbedrag.
Het bedrag tot betaling waarvan de verweerder desgevallend wordt veroordeeld, wordt verhoogd met de wettelijke interesten van de dag van de gebeurtenis die tot de aansprakelijkheid heeft geleid tot de dag van de betaling.
Ingeval de verweerder de beperking van aansprakelijkheid zonder fondsvorming inroept in een procedure ten gronde, doet de rechter achtereenvolgens uitspraak over de gegrondheid van de vordering en, in voorkomend geval, over het recht om de aansprakelijkheid te beperken en over het toepasselijke beperkingsbedrag.
Het bedrag tot betaling waarvan de verweerder desgevallend wordt veroordeeld, wordt verhoogd met de wettelijke interesten van de dag van de gebeurtenis die tot de aansprakelijkheid heeft geleid tot de dag van de betaling.
Art. 2.3.2.46. Condamnation et intérêts
Si le défendeur invoque la limitation de responsabilité sans constitution du fonds dans une procédure sur le fond, le juge doit successivement se prononcer sur le bien-fondé de la demande et, le cas échéant, sur le droit de limiter la responsabilité et sur le montant de la limitation applicable.
Le montant que le défendeur sera le cas échéant condamné à payer est majoré des intérêts légaux depuis le jour de l'événement donnant naissance à la responsabilité jusqu'au jour du paiement.
Si le défendeur invoque la limitation de responsabilité sans constitution du fonds dans une procédure sur le fond, le juge doit successivement se prononcer sur le bien-fondé de la demande et, le cas échéant, sur le droit de limiter la responsabilité et sur le montant de la limitation applicable.
Le montant que le défendeur sera le cas échéant condamné à payer est majoré des intérêts légaux depuis le jour de l'événement donnant naissance à la responsabilité jusqu'au jour du paiement.
Onderafdeling 5. - Beperkingsprocedure met fondsvorming
Sous-Section 5. - Procédure de limitation avec constitution du fonds
Art. 2.3.2.47. Het beperkingsfonds
§ 1. Iedere persoon, die aansprakelijk gehouden wordt kan een beperkingsfonds vormen.
§ 2. Het beperkingsfonds kan slechts worden gevormd zodra de voorzitter van de ondernemingsrechtbank een beperkingsprocedure heeft geopend.
§ 3. Het beperkingsfonds wordt gevormd ten belope van de in de artikel en 2.3.2.40 en 2.3.2.41 vermelde bedragen die van toepassing zijn op de vorderingen waarvoor die persoon aansprakelijk kan zijn, vermeerderd met de wettelijke interesten te rekenen vanaf de dag van de gebeurtenis die tot de aansprakelijkheid heeft geleid, tot aan de datum waarop het fonds wordt gevormd.
§ 4. Een beperkingsfonds kan worden gevormd, hetzij door het storten van de geldsom, hetzij door het verstrekken van een garantie die aanvaardbaar is en door de rechter voldoende wordt geacht.
De garantie is aanvaardbaar indien redelijkerwijze mag worden aangenomen dat het fonds werkelijk beschikbaar en vrij overdraagbaar zal zijn zodra de garantie verstrekt is.
De derde die zich borg stelt of een andere garantie verschaft, kan niet de uitwinning van de hoofdschuldenaar vorderen.
De Koning kan betreffende de in de vorige leden bedoelde garanties nadere regels vaststellen. In het bijzonder kunnen regels worden vastgesteld betreffende de zetel of de vestigingsplaats van de banken die een garantie kunnen verschaffen, en kan worden bepaald welke andere garanties dan bankgaranties kunnen worden verstrekt en aan welke voorwaarden deze moeten voldoen.
§ 5. Elk overeenkomstig dit hoofdstuk gevormd beperkingsfonds is uitsluitend bestemd voor de voldoening van vorderingen met betrekking waartoe beperking van aansprakelijkheid kan worden ingeroepen.
§ 6. Een fonds dat is gevormd door een van de personen genoemd in artikel 2.3.2.43, § 1, 1°, 2° of 3° of in artikel 2.3.2.43, § 2, dan wel door zijn verzekeraar wordt geacht te zijn gevormd door alle respectievelijk in artikel 2.3.2.43, § 1, 1°, 2° of 3° of in artikel 2.3.2.43, § 2 genoemde personen.
§ 7. Schuldeisers die vorderingen hebben tegen personen die aansprakelijk zijn met betrekking tot meer dan één [1 zeeschip]1 kunnen deze in elke relevante beperkingsprocedure aangeven voor het volledige bedrag van de relevante vorderingen.
§ 8. Vorderingen die niet vatbaar zijn voor beperking worden vervolgd onafhankelijk van de beperkingsprocedure.
§ 1. Iedere persoon, die aansprakelijk gehouden wordt kan een beperkingsfonds vormen.
§ 2. Het beperkingsfonds kan slechts worden gevormd zodra de voorzitter van de ondernemingsrechtbank een beperkingsprocedure heeft geopend.
§ 3. Het beperkingsfonds wordt gevormd ten belope van de in de artikel en 2.3.2.40 en 2.3.2.41 vermelde bedragen die van toepassing zijn op de vorderingen waarvoor die persoon aansprakelijk kan zijn, vermeerderd met de wettelijke interesten te rekenen vanaf de dag van de gebeurtenis die tot de aansprakelijkheid heeft geleid, tot aan de datum waarop het fonds wordt gevormd.
§ 4. Een beperkingsfonds kan worden gevormd, hetzij door het storten van de geldsom, hetzij door het verstrekken van een garantie die aanvaardbaar is en door de rechter voldoende wordt geacht.
De garantie is aanvaardbaar indien redelijkerwijze mag worden aangenomen dat het fonds werkelijk beschikbaar en vrij overdraagbaar zal zijn zodra de garantie verstrekt is.
De derde die zich borg stelt of een andere garantie verschaft, kan niet de uitwinning van de hoofdschuldenaar vorderen.
De Koning kan betreffende de in de vorige leden bedoelde garanties nadere regels vaststellen. In het bijzonder kunnen regels worden vastgesteld betreffende de zetel of de vestigingsplaats van de banken die een garantie kunnen verschaffen, en kan worden bepaald welke andere garanties dan bankgaranties kunnen worden verstrekt en aan welke voorwaarden deze moeten voldoen.
§ 5. Elk overeenkomstig dit hoofdstuk gevormd beperkingsfonds is uitsluitend bestemd voor de voldoening van vorderingen met betrekking waartoe beperking van aansprakelijkheid kan worden ingeroepen.
§ 6. Een fonds dat is gevormd door een van de personen genoemd in artikel 2.3.2.43, § 1, 1°, 2° of 3° of in artikel 2.3.2.43, § 2, dan wel door zijn verzekeraar wordt geacht te zijn gevormd door alle respectievelijk in artikel 2.3.2.43, § 1, 1°, 2° of 3° of in artikel 2.3.2.43, § 2 genoemde personen.
§ 7. Schuldeisers die vorderingen hebben tegen personen die aansprakelijk zijn met betrekking tot meer dan één [1 zeeschip]1 kunnen deze in elke relevante beperkingsprocedure aangeven voor het volledige bedrag van de relevante vorderingen.
§ 8. Vorderingen die niet vatbaar zijn voor beperking worden vervolgd onafhankelijk van de beperkingsprocedure.
Art. 2.3.2.47. Le fonds de limitation
§ 1er. Toute personne dont la responsabilité peut être mise en cause peut constituer un fonds.
§ 2. Le fonds de limitation ne peut être constitué qu'une fois que le président du tribunal de l'entreprise a ouvert une procédure de limitation.
§ 3. Le fonds de limitation est constitué à concurrence des montants mentionnés aux articles 2.3.2.40 et 2.3.2.41, qui sont d'application aux créances dont cette personne peut être responsable, augmentés des intérêts légaux courus depuis la date de l'événement qui a donné naissance à responsabilité, jusqu'à celle de la constitution du fonds.
§ 4. Un fonds de limitation peut être constitué, soit en consignant la somme, soit en fournissant une garantie acceptable et considérée comme adéquate par le juge.
La garantie est acceptable si l'on peut raisonnablement admettre que le fonds sera réellement disponible et aisément transférable aussitôt que la garantie est fournie.
Le tiers qui se porte caution ou qui fournit une autre garantie ne peut demander la discussion du débiteur principal.
Le Roi peut fixer d'autres règles concernant les garanties visées dans les alinéas précédents. En particulier, il peut fixer des règles concernant le siège ou le lieu d'établissement des banques qui peuvent fournir une garantie et déterminer quelles autres garanties que des garanties bancaires peuvent être fournies et à quelles conditions ces garanties doivent satisfaire.
§ 5. Tout fonds de limitation constitué conformément au présent chapitre n'est disponible que pour payer les créances à l'égard desquelles la limitation de responsabilité peut être invoquée.
§ 6. Un fonds constitué par l'une des personnes mentionnées à l'article 2.3.2.43, § 1er, 1°, 2° ou 3° ou à l'article 2.3.2.43, § 2, ou par son assureur, est réputé constitué par toutes les personnes visées à l'article 2.3.2.43, § 1er, 1°, 2° ou 3° ou à l'article 2.3.2.43, § 2 respectivement.
§ 7. Les créanciers ayant des demandes à faire valoir à l`égard de personnes qui sont responsables de plus d'un [1 navire de mer]1 peuvent les déclarer dans chaque procédure de limitation pertinente pour la totalité du montant des créances pertinentes.
§ 8. Les créances qui ne peuvent faire l'objet d'une limitation sont poursuivies indépendamment de la procédure de limitation.
§ 1er. Toute personne dont la responsabilité peut être mise en cause peut constituer un fonds.
§ 2. Le fonds de limitation ne peut être constitué qu'une fois que le président du tribunal de l'entreprise a ouvert une procédure de limitation.
§ 3. Le fonds de limitation est constitué à concurrence des montants mentionnés aux articles 2.3.2.40 et 2.3.2.41, qui sont d'application aux créances dont cette personne peut être responsable, augmentés des intérêts légaux courus depuis la date de l'événement qui a donné naissance à responsabilité, jusqu'à celle de la constitution du fonds.
§ 4. Un fonds de limitation peut être constitué, soit en consignant la somme, soit en fournissant une garantie acceptable et considérée comme adéquate par le juge.
La garantie est acceptable si l'on peut raisonnablement admettre que le fonds sera réellement disponible et aisément transférable aussitôt que la garantie est fournie.
Le tiers qui se porte caution ou qui fournit une autre garantie ne peut demander la discussion du débiteur principal.
Le Roi peut fixer d'autres règles concernant les garanties visées dans les alinéas précédents. En particulier, il peut fixer des règles concernant le siège ou le lieu d'établissement des banques qui peuvent fournir une garantie et déterminer quelles autres garanties que des garanties bancaires peuvent être fournies et à quelles conditions ces garanties doivent satisfaire.
§ 5. Tout fonds de limitation constitué conformément au présent chapitre n'est disponible que pour payer les créances à l'égard desquelles la limitation de responsabilité peut être invoquée.
§ 6. Un fonds constitué par l'une des personnes mentionnées à l'article 2.3.2.43, § 1er, 1°, 2° ou 3° ou à l'article 2.3.2.43, § 2, ou par son assureur, est réputé constitué par toutes les personnes visées à l'article 2.3.2.43, § 1er, 1°, 2° ou 3° ou à l'article 2.3.2.43, § 2 respectivement.
§ 7. Les créanciers ayant des demandes à faire valoir à l`égard de personnes qui sont responsables de plus d'un [1 navire de mer]1 peuvent les déclarer dans chaque procédure de limitation pertinente pour la totalité du montant des créances pertinentes.
§ 8. Les créances qui ne peuvent faire l'objet d'une limitation sont poursuivies indépendamment de la procédure de limitation.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.48. Verzoekschrift tot opening van een beperkingsprocedure
§ 1. De vordering tot opening van een beperkingsprocedure met fondsvorming wordt ingesteld door de neerlegging van een verzoekschrift gericht aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank.
§ 2. De territoriale bevoegdheid van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank wordt bepaald door artikel 627, 10° van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 3. Op het in paragraaf 1 bedoelde verzoekschrift is artikel 1026 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.
Bovendien vermeldt het verzoekschrift, evenwel niet op straffe van nietigheid :
1° de nationaliteit en de naam van het [1 zeeschip]1;
2° het schadeverwekkend voorval, met vermelding van datum en plaats;
3° het bedrag van de aansprakelijkheidsbeperking zoals de verzoeker het heeft geraamd; en
4° de wijze waarop de verzoeker voornemens is het beperkingsfonds te vormen, met name in speciën of door het verstrekken van een garantie.
§ 4. Bij het verzoekschrift worden gevoegd :
1° de door de verzoeker gewaarmerkte lijst van de hem bekende schuldeisers ten aanzien van wie hij de beperking van zijn aansprakelijkheid wenst in te roepen, met vermelding, zo mogelijk, van eenieders woonplaats, alsook van het definitief of voorlopig bedrag en van de aard van elke schuldvordering;
2° alle stukken tot staving van de berekening van het bedrag van de aansprakelijkheidsbeperking.
§ 5. In één verzoekschrift kan de opening van een beperkingsprocedure voor meer dan één fonds worden gevorderd.
De opening van door verschillende internationale verdragen of daarop berustende onderdelen van dit wetboek geregelde beperkingsfondsen kan echter niet in hetzelfde verzoekschrift worden gevorderd.
§ 1. De vordering tot opening van een beperkingsprocedure met fondsvorming wordt ingesteld door de neerlegging van een verzoekschrift gericht aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank.
§ 2. De territoriale bevoegdheid van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank wordt bepaald door artikel 627, 10° van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 3. Op het in paragraaf 1 bedoelde verzoekschrift is artikel 1026 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.
Bovendien vermeldt het verzoekschrift, evenwel niet op straffe van nietigheid :
1° de nationaliteit en de naam van het [1 zeeschip]1;
2° het schadeverwekkend voorval, met vermelding van datum en plaats;
3° het bedrag van de aansprakelijkheidsbeperking zoals de verzoeker het heeft geraamd; en
4° de wijze waarop de verzoeker voornemens is het beperkingsfonds te vormen, met name in speciën of door het verstrekken van een garantie.
§ 4. Bij het verzoekschrift worden gevoegd :
1° de door de verzoeker gewaarmerkte lijst van de hem bekende schuldeisers ten aanzien van wie hij de beperking van zijn aansprakelijkheid wenst in te roepen, met vermelding, zo mogelijk, van eenieders woonplaats, alsook van het definitief of voorlopig bedrag en van de aard van elke schuldvordering;
2° alle stukken tot staving van de berekening van het bedrag van de aansprakelijkheidsbeperking.
§ 5. In één verzoekschrift kan de opening van een beperkingsprocedure voor meer dan één fonds worden gevorderd.
De opening van door verschillende internationale verdragen of daarop berustende onderdelen van dit wetboek geregelde beperkingsfondsen kan echter niet in hetzelfde verzoekschrift worden gevorderd.
Art. 2.3.2.48. Requête en ouverture d'une procédure de limitation
§ 1er. La demande d'ouverture d'une procédure de limitation avec constitution du fonds est introduite par le dépôt d'une requête adressée au président du tribunal de l'entreprise.
§ 2. La compétence territoriale du président du tribunal de l'entreprise est déterminée par l'article 627, 10°, du Code judiciaire.
§ 3. L'article 1026 du Code judiciaire est applicable à la requête visée au § 1er.
En outre, la requête mentionne, toutefois sous peine de nullité :
1° la nationalité et le nom du [1 navire de mer]1;
2° l'événement dommageable, avec mention de la date et du lieu;
3° le montant de la limitation de responsabilité évalué par le requérant; et
4° la manière dont le requérant entend constituer le fonds de limitation, à savoir en espèces ou par la fourniture d'une garantie.
§ 4. A la requête sont annexées :
1° la liste, certifiée conforme par le requérant, des créanciers connus de lui à l'égard desquels il souhaite opposer la limitation de sa responsabilité, avec l'indication si possible du domicile de chacun d'eux ainsi que du montant, à titre définitif ou provisoire, de chaque créance et de la nature de celle-ci;
2° toutes pièces justificatives du calcul du montant de la limitation de responsabilité.
§ 5. Une même requête permet de demander l'ouverture d'une procédure de limitation pour plus d'un fonds.
L'ouverture de fonds de limitation régis par différentes conventions internationales ou des parties du présent code basées sur celles-ci ne peut cependant être demandée dans la même requête.
§ 1er. La demande d'ouverture d'une procédure de limitation avec constitution du fonds est introduite par le dépôt d'une requête adressée au président du tribunal de l'entreprise.
§ 2. La compétence territoriale du président du tribunal de l'entreprise est déterminée par l'article 627, 10°, du Code judiciaire.
§ 3. L'article 1026 du Code judiciaire est applicable à la requête visée au § 1er.
En outre, la requête mentionne, toutefois sous peine de nullité :
1° la nationalité et le nom du [1 navire de mer]1;
2° l'événement dommageable, avec mention de la date et du lieu;
3° le montant de la limitation de responsabilité évalué par le requérant; et
4° la manière dont le requérant entend constituer le fonds de limitation, à savoir en espèces ou par la fourniture d'une garantie.
§ 4. A la requête sont annexées :
1° la liste, certifiée conforme par le requérant, des créanciers connus de lui à l'égard desquels il souhaite opposer la limitation de sa responsabilité, avec l'indication si possible du domicile de chacun d'eux ainsi que du montant, à titre définitif ou provisoire, de chaque créance et de la nature de celle-ci;
2° toutes pièces justificatives du calcul du montant de la limitation de responsabilité.
§ 5. Une même requête permet de demander l'ouverture d'une procédure de limitation pour plus d'un fonds.
L'ouverture de fonds de limitation régis par différentes conventions internationales ou des parties du présent code basées sur celles-ci ne peut cependant être demandée dans la même requête.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.49. Dossier ter griffie
Voor elk beperkingsfonds wordt ter griffie een dossier gehouden waarin minstens worden opgenomen :
1° een voor eensluidend verklaard afschrift van de beschikkingen van de voorzitter en van de gewezen vonnissen;
2° een voor eensluidend verklaard afschrift van de bekendmakingen bedoeld in artikel 2.3.2.53, § 3 en van de zendingen bedoeld in artikel 2.3.2.53, § 4;
3° een overzichtstabel van de ingediende schuldvorderingen, die wordt opgemaakt onder de verantwoordelijkheid van de griffier; en
4° de adviezen van de vereffenaar.
Elke belanghebbende kan inzage nemen van het dossier en er, tegen betaling van de griffierechten, een afschrift van ontvangen.
Voor elk beperkingsfonds wordt ter griffie een dossier gehouden waarin minstens worden opgenomen :
1° een voor eensluidend verklaard afschrift van de beschikkingen van de voorzitter en van de gewezen vonnissen;
2° een voor eensluidend verklaard afschrift van de bekendmakingen bedoeld in artikel 2.3.2.53, § 3 en van de zendingen bedoeld in artikel 2.3.2.53, § 4;
3° een overzichtstabel van de ingediende schuldvorderingen, die wordt opgemaakt onder de verantwoordelijkheid van de griffier; en
4° de adviezen van de vereffenaar.
Elke belanghebbende kan inzage nemen van het dossier en er, tegen betaling van de griffierechten, een afschrift van ontvangen.
Art. 2.3.2.49. Dossier au greffe
Pour chaque fonds de limitation, un dossier est conservé au greffe, qui doit au moins contenir :
1° une copie certifiée conforme des ordonnances du président et des jugements rendus;
2° une copie certifiée conforme des notifications visées à l'article 2.3.2.53, § 3 et des lettres visées à l'article 2.3.2.53, § 4;
3° un tableau récapitulatif des créances introduites, établi sous la responsabilité du greffier; et
4° les avis du liquidateur;
Chaque personne intéressée peut consulter le dossier et, pour autant qu'il s'acquitte des droits de greffe, en recevoir une copie.
Pour chaque fonds de limitation, un dossier est conservé au greffe, qui doit au moins contenir :
1° une copie certifiée conforme des ordonnances du président et des jugements rendus;
2° une copie certifiée conforme des notifications visées à l'article 2.3.2.53, § 3 et des lettres visées à l'article 2.3.2.53, § 4;
3° un tableau récapitulatif des créances introduites, établi sous la responsabilité du greffier; et
4° les avis du liquidateur;
Chaque personne intéressée peut consulter le dossier et, pour autant qu'il s'acquitte des droits de greffe, en recevoir une copie.
Art. 2.3.2.50. Openingsbeschikking
§ 1. Op voorwaarde dat het aangeboden beperkingsfonds en de wijze waarop het wordt gevormd in overeenstemming zijn met artikel 2.3.2.47, § 3 en 4, verleent de voorzitter van de ondernemingsrechtbank een beschikking waarbij de beperkingsprocedure met fondsvorming wordt geopend.
Wanneer niet aan de in het vorige lid bepaalde voorwaarden is voldaan, kan de voorzitter de verzoeker machtigen om het fonds te vormen voor een ander bedrag of op een andere wijze.
§ 2. De openingsbeschikking bepaalt op welke wijze het beperkingsfonds kan worden gevormd en vermeldt de termijn waarbinnen de storting moet worden gedaan respectievelijk de garantie moet worden verstrekt.
De in het eerste lid bedoelde termijn bedraagt ten hoogste één maand :
1° vanaf de mededeling door de vereffenaar van de rekening waarop moet worden gestort; hetzij
2° vanaf de datum van de openingsbeschikking, ingeval een garantie moet worden verstrekt.
Wanneer de storting niet tijdig gedaan is of de garantie niet tijdig is verstrekt, vervalt de openingsbeschikking.
§ 3. In de openingsbeschikking worden een of meer vereffenaars van het fonds aangesteld.
§ 4. De openingsbeschikking bepaalt de door de verzoeker aan de vereffenaar te betalen provisie voor de kosten van de beperkingsprocedure. De betaling moet gebeuren binnen de termijn bedoeld in pargraaf 2, tweede lid.
§ 1. Op voorwaarde dat het aangeboden beperkingsfonds en de wijze waarop het wordt gevormd in overeenstemming zijn met artikel 2.3.2.47, § 3 en 4, verleent de voorzitter van de ondernemingsrechtbank een beschikking waarbij de beperkingsprocedure met fondsvorming wordt geopend.
Wanneer niet aan de in het vorige lid bepaalde voorwaarden is voldaan, kan de voorzitter de verzoeker machtigen om het fonds te vormen voor een ander bedrag of op een andere wijze.
§ 2. De openingsbeschikking bepaalt op welke wijze het beperkingsfonds kan worden gevormd en vermeldt de termijn waarbinnen de storting moet worden gedaan respectievelijk de garantie moet worden verstrekt.
De in het eerste lid bedoelde termijn bedraagt ten hoogste één maand :
1° vanaf de mededeling door de vereffenaar van de rekening waarop moet worden gestort; hetzij
2° vanaf de datum van de openingsbeschikking, ingeval een garantie moet worden verstrekt.
Wanneer de storting niet tijdig gedaan is of de garantie niet tijdig is verstrekt, vervalt de openingsbeschikking.
§ 3. In de openingsbeschikking worden een of meer vereffenaars van het fonds aangesteld.
§ 4. De openingsbeschikking bepaalt de door de verzoeker aan de vereffenaar te betalen provisie voor de kosten van de beperkingsprocedure. De betaling moet gebeuren binnen de termijn bedoeld in pargraaf 2, tweede lid.
Art. 2.3.2.50. Ordonnance d'ouverture
§ 1er. A la condition que le fonds de limitation proposé et la manière dont il est constitué soient conformes à l'article 2.3.2.47, § 3 et 4, le président du tribunal de l'entreprise rend une ordonnance par laquelle il ouvre la procédure de limitation avec constitution du fonds.
Lorsqu'il n'est pas satisfait aux conditions stipulées au précédent alinéa, le président peut autoriser le requérant à constituer le fonds pour un autre montant ou selon d'autres modalités.
§ 2. L'ordonnance d'ouverture détermine de quelle manière le fonds de limitation peut être constitué et mentionne le délai dans lequel le versement doit être effectué ou la garantie doit être fournie.
Le délai visé à l'alinéa 1er ne peut excéder un mois :
1° à compter de la communication par le liquidateur du compte sur lequel le versement doit être effectué; ou
2° à compter de la date de l'ordonnance d'ouverture, si une garantie doit être fournie.
Si le versement n'est pas effectué à temps ou que la garantie n'est pas fournie à temps, l'ordonnance d'ouverture est caduque.
§ 3. L'ordonnance d'ouverture désigne un ou plusieurs liquidateurs du fonds.
§ 4. L'ordonnance d'ouverture détermine la provision à payer par le requérant au liquidateur pour les coûts de la procédure de limitation. Le paiement doit s'effectuer dans le délai visé au paragraphe 2, alinéa 2.
§ 1er. A la condition que le fonds de limitation proposé et la manière dont il est constitué soient conformes à l'article 2.3.2.47, § 3 et 4, le président du tribunal de l'entreprise rend une ordonnance par laquelle il ouvre la procédure de limitation avec constitution du fonds.
Lorsqu'il n'est pas satisfait aux conditions stipulées au précédent alinéa, le président peut autoriser le requérant à constituer le fonds pour un autre montant ou selon d'autres modalités.
§ 2. L'ordonnance d'ouverture détermine de quelle manière le fonds de limitation peut être constitué et mentionne le délai dans lequel le versement doit être effectué ou la garantie doit être fournie.
Le délai visé à l'alinéa 1er ne peut excéder un mois :
1° à compter de la communication par le liquidateur du compte sur lequel le versement doit être effectué; ou
2° à compter de la date de l'ordonnance d'ouverture, si une garantie doit être fournie.
Si le versement n'est pas effectué à temps ou que la garantie n'est pas fournie à temps, l'ordonnance d'ouverture est caduque.
§ 3. L'ordonnance d'ouverture désigne un ou plusieurs liquidateurs du fonds.
§ 4. L'ordonnance d'ouverture détermine la provision à payer par le requérant au liquidateur pour les coûts de la procédure de limitation. Le paiement doit s'effectuer dans le délai visé au paragraphe 2, alinéa 2.
Art. 2.3.2.51. Vereffenaars
§ 1. De vereffenaars van een beperkingsfonds worden gekozen uit de personen ingeschreven op een lijst bijgehouden door de algemene vergadering van de territoriaal bevoegde ondernemingsrechtbank. De Koning kan de procedure van voordracht van de kandidaten en de opleidings- en bekwaamheidsvereisten nader regelen.
§ 2. Tegen elke beslissing waarbij de inschrijving op de lijst van vereffenaars wordt geweigerd of waarbij een inschrijving wordt weggelaten, kan hoger beroep worden ingesteld voor het hof van beroep. De debatten hebben plaats met gesloten deuren als de belanghebbende erom verzoekt. De termijn van hoger beroep is één maand te rekenen van de dag van de kennisgeving van de beslissing. In voorkomend geval beveelt het hof de inschrijving op de lijst.
§ 3. Een persoon die op de lijst staat, kan op eigen verzoek door de algemene vergadering van de ondernemingsrechtbank van de lijst worden weggelaten. Een persoon kan eveneens van de lijst worden weggelaten ter uitvoering van een vonnis dat is gewezen op dagvaarding door het openbaar ministerie. De debatten hebben plaats met gesloten deuren als de belanghebbende erom verzoekt.
§ 4. Bij de inschrijving op de lijst leggen de vereffenaars ten overstaan van de voorzitter van de rechtbank de bij het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af, onder bijvoeging van de woorden :
"Ik zweer mijn opdrachten in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk te vervullen."
§ 5. De vereffenaar kan worden belast met de vereffening van meer dan één beperkingsfonds.
§ 6. De vereffenaar bevestigt dat hij zijn ambt in een bepaalde zaak aanvaardt door uiterlijk de vijfde werkdag volgend op de aanstelling ter griffie het proces-verbaal van aanstelling te ondertekenen.
De vereffenaar meldt elke vorm van tegenstrijdigheid van belangen of schijn van partijdigheid aan de voorzitter van de rechtbank. De voorzitter oordeelt of de gemelde tegenstrijdigheid van belangen of schijn van partijdigheid de uitvoering van de opdracht als vereffenaar verhindert.
§ 7. De ondernemingsrechtbank kan te allen tijde de vereffenaar of één van hen vervangen of hun aantal vermeerderen of verminderen.
De vereffenaar van wie de vervanging wordt overwogen, wordt vooraf opgeroepen en gehoord in raadkamer. Het vonnis wordt uitgesproken in openbare terechtzitting.
Het vonnis waarbij de vervanging van een vereffenaar wordt uitgesproken, wordt door toedoen van de griffier te zijner kennis gebracht. Het wordt door toedoen van de griffier binnen vijf dagen na de dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Indien de vereffenaar wordt vervangen op eigen verzoek, wordt dit uitdrukkelijk in de voornoemde bekendmaking vermeld.
§ 8. Het ereloon van de vereffenaar wordt door de voorzitter bepaald in de in artikel 2.3.2.59, § 4 bedoelde beschikking. Dit geschiedt met inachtneming van de aard en de complexiteit van de beperkingsprocedure. Het ereloon mag niet uitsluitend worden uitgedrukt in een procentuele vergoeding op basis van het bedrag van het beperkingsfonds.
§ 1. De vereffenaars van een beperkingsfonds worden gekozen uit de personen ingeschreven op een lijst bijgehouden door de algemene vergadering van de territoriaal bevoegde ondernemingsrechtbank. De Koning kan de procedure van voordracht van de kandidaten en de opleidings- en bekwaamheidsvereisten nader regelen.
§ 2. Tegen elke beslissing waarbij de inschrijving op de lijst van vereffenaars wordt geweigerd of waarbij een inschrijving wordt weggelaten, kan hoger beroep worden ingesteld voor het hof van beroep. De debatten hebben plaats met gesloten deuren als de belanghebbende erom verzoekt. De termijn van hoger beroep is één maand te rekenen van de dag van de kennisgeving van de beslissing. In voorkomend geval beveelt het hof de inschrijving op de lijst.
§ 3. Een persoon die op de lijst staat, kan op eigen verzoek door de algemene vergadering van de ondernemingsrechtbank van de lijst worden weggelaten. Een persoon kan eveneens van de lijst worden weggelaten ter uitvoering van een vonnis dat is gewezen op dagvaarding door het openbaar ministerie. De debatten hebben plaats met gesloten deuren als de belanghebbende erom verzoekt.
§ 4. Bij de inschrijving op de lijst leggen de vereffenaars ten overstaan van de voorzitter van de rechtbank de bij het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af, onder bijvoeging van de woorden :
"Ik zweer mijn opdrachten in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk te vervullen."
§ 5. De vereffenaar kan worden belast met de vereffening van meer dan één beperkingsfonds.
§ 6. De vereffenaar bevestigt dat hij zijn ambt in een bepaalde zaak aanvaardt door uiterlijk de vijfde werkdag volgend op de aanstelling ter griffie het proces-verbaal van aanstelling te ondertekenen.
De vereffenaar meldt elke vorm van tegenstrijdigheid van belangen of schijn van partijdigheid aan de voorzitter van de rechtbank. De voorzitter oordeelt of de gemelde tegenstrijdigheid van belangen of schijn van partijdigheid de uitvoering van de opdracht als vereffenaar verhindert.
§ 7. De ondernemingsrechtbank kan te allen tijde de vereffenaar of één van hen vervangen of hun aantal vermeerderen of verminderen.
De vereffenaar van wie de vervanging wordt overwogen, wordt vooraf opgeroepen en gehoord in raadkamer. Het vonnis wordt uitgesproken in openbare terechtzitting.
Het vonnis waarbij de vervanging van een vereffenaar wordt uitgesproken, wordt door toedoen van de griffier te zijner kennis gebracht. Het wordt door toedoen van de griffier binnen vijf dagen na de dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Indien de vereffenaar wordt vervangen op eigen verzoek, wordt dit uitdrukkelijk in de voornoemde bekendmaking vermeld.
§ 8. Het ereloon van de vereffenaar wordt door de voorzitter bepaald in de in artikel 2.3.2.59, § 4 bedoelde beschikking. Dit geschiedt met inachtneming van de aard en de complexiteit van de beperkingsprocedure. Het ereloon mag niet uitsluitend worden uitgedrukt in een procentuele vergoeding op basis van het bedrag van het beperkingsfonds.
Art. 2.3.2.51. Liquidateurs
§ 1er. Les liquidateurs d'un fonds de limitation sont choisis parmi les personnes inscrites sur une liste tenue par l'assemblée générale du tribunal de l'entreprise territorialement compétent. Le Roi peut réglementer plus précisément la procédure de nomination des candidats et les exigences en matière de formation et de compétences.
§ 2. Un appel peut être interjeté devant la Cour d'appel contre toute décision refusant ou radiant une inscription sur la liste des liquidateurs. Les débats sont menés à huis clos si l'intéressé en fait la demande. Le délai d'appel est d'un mois à compter du jour de la notification de la décision. Le cas échéant, la Cour ordonne l'inscription sur la liste.
§ 3. Une personne qui figure sur la liste peut, à sa propre demande, être rayée de la liste par l'assemblée générale du tribunal de l'entreprise. Une personne peut également être radiée de la liste en exécution d'un jugement rendu sur citation par le ministère public. Les débats sont menés à huis clos si l'intéressé en fait la demande.
§ 4. Lors de l'inscription sur la liste, les liquidateurs, prêtent serment devant le président du tribunal de la façon prescrite par le décret du 20 juillet 1831, en ajoutant les formules suivantes :
" Je jure d'accomplir mes missions en honneur et conscience, avec exactitude et probité. "
§ 5. Le liquidateur peut être chargé de la liquidation de plusieurs fonds de limitation.
§ 6. Le liquidateur confirme qu'il accepte sa mission dans une affaire déterminée en signant au greffe, au plus tard le cinquième jour ouvrable suivant la désignation, le procès-verbal de désignation.
Le liquidateur mentionne au président du tribunal toutes les formes de conflit d'intérêts ou d'apparence de partialité. Le président évalue si le conflit d'intérêts ou l'apparence de partialité en question empêchent l'exécution de la mission en tant que liquidateur.
§ 7. Le tribunal de l'entreprise peut à tout moment remplacer les liquidateurs ou l'un d'eux, ou augmenter ou réduire le nombre des liquidateurs.
Le liquidateur dont le remplacement est envisagé est préalablement convoqué et entendu en chambre du conseil. Le jugement est prononcé en audience publique.
Le jugement qui prononce le remplacement des liquidateurs est porté à sa connaissance par les soins du greffier. Il est publié par les soins du greffier dans les cinq jours à compter de sa date par extrait au Moniteur belge.
Si le liquidateur est remplacé à sa propre demande, cet élément doit être explicitement mentionné dans la publication précitée.
§ 8. La rémunération du liquidateur est déterminée par le président dans l'ordonnance visée à l'article 2.3.2.59, § 4. Cette détermination tient compte de la nature et de la complexité de la procédure de limitation. La rémunération ne peut être exclusivement exprimée en pourcentage du montant du fonds de limitation.
§ 1er. Les liquidateurs d'un fonds de limitation sont choisis parmi les personnes inscrites sur une liste tenue par l'assemblée générale du tribunal de l'entreprise territorialement compétent. Le Roi peut réglementer plus précisément la procédure de nomination des candidats et les exigences en matière de formation et de compétences.
§ 2. Un appel peut être interjeté devant la Cour d'appel contre toute décision refusant ou radiant une inscription sur la liste des liquidateurs. Les débats sont menés à huis clos si l'intéressé en fait la demande. Le délai d'appel est d'un mois à compter du jour de la notification de la décision. Le cas échéant, la Cour ordonne l'inscription sur la liste.
§ 3. Une personne qui figure sur la liste peut, à sa propre demande, être rayée de la liste par l'assemblée générale du tribunal de l'entreprise. Une personne peut également être radiée de la liste en exécution d'un jugement rendu sur citation par le ministère public. Les débats sont menés à huis clos si l'intéressé en fait la demande.
§ 4. Lors de l'inscription sur la liste, les liquidateurs, prêtent serment devant le président du tribunal de la façon prescrite par le décret du 20 juillet 1831, en ajoutant les formules suivantes :
" Je jure d'accomplir mes missions en honneur et conscience, avec exactitude et probité. "
§ 5. Le liquidateur peut être chargé de la liquidation de plusieurs fonds de limitation.
§ 6. Le liquidateur confirme qu'il accepte sa mission dans une affaire déterminée en signant au greffe, au plus tard le cinquième jour ouvrable suivant la désignation, le procès-verbal de désignation.
Le liquidateur mentionne au président du tribunal toutes les formes de conflit d'intérêts ou d'apparence de partialité. Le président évalue si le conflit d'intérêts ou l'apparence de partialité en question empêchent l'exécution de la mission en tant que liquidateur.
§ 7. Le tribunal de l'entreprise peut à tout moment remplacer les liquidateurs ou l'un d'eux, ou augmenter ou réduire le nombre des liquidateurs.
Le liquidateur dont le remplacement est envisagé est préalablement convoqué et entendu en chambre du conseil. Le jugement est prononcé en audience publique.
Le jugement qui prononce le remplacement des liquidateurs est porté à sa connaissance par les soins du greffier. Il est publié par les soins du greffier dans les cinq jours à compter de sa date par extrait au Moniteur belge.
Si le liquidateur est remplacé à sa propre demande, cet élément doit être explicitement mentionné dans la publication précitée.
§ 8. La rémunération du liquidateur est déterminée par le président dans l'ordonnance visée à l'article 2.3.2.59, § 4. Cette détermination tient compte de la nature et de la complexité de la procédure de limitation. La rémunération ne peut être exclusivement exprimée en pourcentage du montant du fonds de limitation.
Art. 2.3.2.52. Vorming van het beperkingsfonds
§ 1. Ingeval het beperkingsfonds wordt gevormd in speciën, duidt de vereffenaar de instelling aan waarbij het geld wordt gestort. Deze storting geschiedt op naam van de vereffenaar in zijn hoedanigheid van vereffenaar. De interesten op de gestorte bedragen maken van het beperkingsfonds deel uit.
§ 2. Ingeval het beperkingsfonds wordt gevormd door het verstrekken van een garantie, geschiedt zulks in het voordeel van de vereffenaar in zijn hoedanigheid van vereffenaar.
§ 1. Ingeval het beperkingsfonds wordt gevormd in speciën, duidt de vereffenaar de instelling aan waarbij het geld wordt gestort. Deze storting geschiedt op naam van de vereffenaar in zijn hoedanigheid van vereffenaar. De interesten op de gestorte bedragen maken van het beperkingsfonds deel uit.
§ 2. Ingeval het beperkingsfonds wordt gevormd door het verstrekken van een garantie, geschiedt zulks in het voordeel van de vereffenaar in zijn hoedanigheid van vereffenaar.
Art. 2.3.2.52. Constitution du fonds de limitation
§ 1er. En cas de versement en espèces, le liquidateur désigne l'organisme auprès duquel celles-ci seront déposées. Ce dépôt se fait au nom du liquidateur en sa qualité de liquidateur. Les intérêts sur les montants versés font partie du fonds de limitation.
§ 2. Dans le cas où le fonds de limitation est constitué en fournissant une garantie, celle-ci est constituée en faveur du liquidateur en sa qualité de liquidateur.
§ 1er. En cas de versement en espèces, le liquidateur désigne l'organisme auprès duquel celles-ci seront déposées. Ce dépôt se fait au nom du liquidateur en sa qualité de liquidateur. Les intérêts sur les montants versés font partie du fonds de limitation.
§ 2. Dans le cas où le fonds de limitation est constitué en fournissant une garantie, celle-ci est constituée en faveur du liquidateur en sa qualité de liquidateur.
Art. 2.3.2.53. Beschikbaarheidsbeschikking
§ 1. Op verslag van de vereffenaar waarin wordt bevestigd dat de bedragen zijn gestort respectievelijk de garantie is verstrekt, en waarin wordt medegedeeld dat de kostenprovisie is betaald, stelt de voorzitter in een beschikking vast dat het fonds is gevormd.
§ 2. Indien de vereffenaar de omrekening in euro door de fondssteller niet correct acht, maakt hij hiervan melding in zijn verslag. In dat geval kan de voorzitter bij beschikking de nodige aanpassingen bevelen en de termijn vaststellen waarbinnen deze moeten worden uitgevoerd. Op verslag van de vereffenaar waarin vervolgens wordt bevestigd dat de aanpassingen zijn uitgevoerd, stelt de voorzitter in een beschikking vast dat het fonds is gevormd.
§ 3. De beschikking wordt door de vereffenaar binnen de acht dagen na haar dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
Het uittreksel vermeldt :
1° de naam, de rechtsvorm, de zetel en de verdere identificatiegegevens van de verzoeker, of, indien het een natuurlijke persoon betreft, zijn naam, voornamen en woonplaats;
2° de datum en het rolnummer van de beschikking en de voorzitter die de beschikking heeft gewezen;
3° het bedrag van het beperkingsfonds;
4° de naam, de voornamen en het adres van de vereffenaar; en
5° de door de vereffenaar bepaalde termijn om aangifte van schuldvordering te doen; indien te verwachten valt dat buitenlandse schuldeisers aangifte zullen doen, bedraagt deze termijn minstens zes maanden.
§ 4. Bovendien zendt de vereffenaar binnen de vijf dagen na de dagtekening van de beschikking een aangetekende zending aan de bekende schuldeisers. De zending bevat dezelfde gegevens als het uittreksel bedoeld in paragraaf 3.
§ 5. Een eventueel faillissement, uitstel van betaling of gerechtelijke reorganisatie van de fondssteller heeft voor het fonds geen gevolgen.
§ 1. Op verslag van de vereffenaar waarin wordt bevestigd dat de bedragen zijn gestort respectievelijk de garantie is verstrekt, en waarin wordt medegedeeld dat de kostenprovisie is betaald, stelt de voorzitter in een beschikking vast dat het fonds is gevormd.
§ 2. Indien de vereffenaar de omrekening in euro door de fondssteller niet correct acht, maakt hij hiervan melding in zijn verslag. In dat geval kan de voorzitter bij beschikking de nodige aanpassingen bevelen en de termijn vaststellen waarbinnen deze moeten worden uitgevoerd. Op verslag van de vereffenaar waarin vervolgens wordt bevestigd dat de aanpassingen zijn uitgevoerd, stelt de voorzitter in een beschikking vast dat het fonds is gevormd.
§ 3. De beschikking wordt door de vereffenaar binnen de acht dagen na haar dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
Het uittreksel vermeldt :
1° de naam, de rechtsvorm, de zetel en de verdere identificatiegegevens van de verzoeker, of, indien het een natuurlijke persoon betreft, zijn naam, voornamen en woonplaats;
2° de datum en het rolnummer van de beschikking en de voorzitter die de beschikking heeft gewezen;
3° het bedrag van het beperkingsfonds;
4° de naam, de voornamen en het adres van de vereffenaar; en
5° de door de vereffenaar bepaalde termijn om aangifte van schuldvordering te doen; indien te verwachten valt dat buitenlandse schuldeisers aangifte zullen doen, bedraagt deze termijn minstens zes maanden.
§ 4. Bovendien zendt de vereffenaar binnen de vijf dagen na de dagtekening van de beschikking een aangetekende zending aan de bekende schuldeisers. De zending bevat dezelfde gegevens als het uittreksel bedoeld in paragraaf 3.
§ 5. Een eventueel faillissement, uitstel van betaling of gerechtelijke reorganisatie van de fondssteller heeft voor het fonds geen gevolgen.
Art. 2.3.2.53. Ordonnance de disponibilité
§ 1er. Sur rapport du liquidateur confirmant que les montants ont été versés ou que la garantie a été fournie, et dans lequel il est communiqué que la provision pour les coûts a été payée, le président constate dans une ordonnance que le fonds est constitué.
§ 2. Si le liquidateur estime que la conversion en euros effectuée par le constituant du fonds n'est pas correcte, il en fait mention dans son rapport. En pareil cas, le président peut, par ordonnance, ordonner les adaptations nécessaires et fixer les délais dans lesquels ces adaptations doivent être mises en oeuvre. Sur rapport du liquidateur confirmant ensuite que les adaptations ont été exécutées, le président constate dans une ordonnance que le fonds est constitué.
§ 3. L'ordonnance est publiée par extrait par les soins du liquidateur, dans les huit jours de sa date :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
L'extrait mentionne :
1° le nom, la forme juridique, le siège et les autres données d'identification du demandeur ou, s'il s'agit d'une personne physique, son nom, ses prénoms et son domicile;
2° la date et le numéro du rôle de l'ordonnance et le président qui a rendu l'ordonnance;
3° le montant du fonds de limitation;
4° le nom, les prénoms et l'adresse du liquidateur; et
5° le délai fixé par le liquidateur pour faire la déclaration de créance; si l'on s'attend à ce que des créanciers étrangers fassent une déclaration, ce délai doit être d'au moins six mois.
§ 4. En outre, le liquidateur envoie dans les cinq jours à compter de la date de l'ordonnance un envoi recommandé aux créanciers connus. L'envoi contient les mêmes données que l'extrait visé au paragraphe 3.
§ 5. Une éventuelle faillite, un report de paiement ou une réorganisation judiciaire du constituant du fonds n'ont pas de conséquences pour le fonds.
§ 1er. Sur rapport du liquidateur confirmant que les montants ont été versés ou que la garantie a été fournie, et dans lequel il est communiqué que la provision pour les coûts a été payée, le président constate dans une ordonnance que le fonds est constitué.
§ 2. Si le liquidateur estime que la conversion en euros effectuée par le constituant du fonds n'est pas correcte, il en fait mention dans son rapport. En pareil cas, le président peut, par ordonnance, ordonner les adaptations nécessaires et fixer les délais dans lesquels ces adaptations doivent être mises en oeuvre. Sur rapport du liquidateur confirmant ensuite que les adaptations ont été exécutées, le président constate dans une ordonnance que le fonds est constitué.
§ 3. L'ordonnance est publiée par extrait par les soins du liquidateur, dans les huit jours de sa date :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
L'extrait mentionne :
1° le nom, la forme juridique, le siège et les autres données d'identification du demandeur ou, s'il s'agit d'une personne physique, son nom, ses prénoms et son domicile;
2° la date et le numéro du rôle de l'ordonnance et le président qui a rendu l'ordonnance;
3° le montant du fonds de limitation;
4° le nom, les prénoms et l'adresse du liquidateur; et
5° le délai fixé par le liquidateur pour faire la déclaration de créance; si l'on s'attend à ce que des créanciers étrangers fassent une déclaration, ce délai doit être d'au moins six mois.
§ 4. En outre, le liquidateur envoie dans les cinq jours à compter de la date de l'ordonnance un envoi recommandé aux créanciers connus. L'envoi contient les mêmes données que l'extrait visé au paragraphe 3.
§ 5. Une éventuelle faillite, un report de paiement ou une réorganisation judiciaire du constituant du fonds n'ont pas de conséquences pour le fonds.
Art. 2.3.2.54. Gevolgen van de fondsvorming
§ 1. Wanneer een beperkingsfonds is gevormd overeenkomstig artikel 2.3.2.47, is het een persoon die een vordering tegen het fonds heeft ingediend niet toegestaan om enig recht met betrekking tot een zodanige vordering uit te oefenen ten aanzien van enige andere goederen van een persoon door of namens wie het fonds is gevormd.
§ 2. Nadat een fonds is gevormd overeenkomstig artikel 2.3.2.47, kan elk [1 zeeschip]1 of kunnen andere goederen van een persoon namens wie het fonds is gevormd, waarop in België beslag is gelegd ter zake van een vordering die tegen het fonds kan worden ingesteld, of enige gestelde garantie, worden vrijgegeven op bevel van de rechter.
Deze vrijgave wordt evenwel altijd bevolen, indien het beperkingsfonds is gevormd :
1° in de haven waar het voorval plaats vond, of, indien het plaats vond buiten een haven, in de eerste haven die daarna wordt aangelopen; of
2° in de haven van ontscheping met betrekking tot vorderingen ter zake van dood of letsel; of
3° in de haven van lossing, met betrekking tot beschadiging van de lading; of
4° in de staat waar het beslag is gelegd.
§ 3. De paragrafen 1 en 2 zijn alleen van toepassing indien de schuldeiser een vordering tegen het beperkingsfonds kan indienen bij het gerecht dat het fonds beheert en indien het fonds werkelijk beschikbaar en vrij overdraagbaar is met betrekking tot die vordering.
§ 4. De in paragrafen 1 en 2 vermelde rechtsgevolgen treden slechts in op de datum van de beschikbaarheidsbeschikking.
§ 1. Wanneer een beperkingsfonds is gevormd overeenkomstig artikel 2.3.2.47, is het een persoon die een vordering tegen het fonds heeft ingediend niet toegestaan om enig recht met betrekking tot een zodanige vordering uit te oefenen ten aanzien van enige andere goederen van een persoon door of namens wie het fonds is gevormd.
§ 2. Nadat een fonds is gevormd overeenkomstig artikel 2.3.2.47, kan elk [1 zeeschip]1 of kunnen andere goederen van een persoon namens wie het fonds is gevormd, waarop in België beslag is gelegd ter zake van een vordering die tegen het fonds kan worden ingesteld, of enige gestelde garantie, worden vrijgegeven op bevel van de rechter.
Deze vrijgave wordt evenwel altijd bevolen, indien het beperkingsfonds is gevormd :
1° in de haven waar het voorval plaats vond, of, indien het plaats vond buiten een haven, in de eerste haven die daarna wordt aangelopen; of
2° in de haven van ontscheping met betrekking tot vorderingen ter zake van dood of letsel; of
3° in de haven van lossing, met betrekking tot beschadiging van de lading; of
4° in de staat waar het beslag is gelegd.
§ 3. De paragrafen 1 en 2 zijn alleen van toepassing indien de schuldeiser een vordering tegen het beperkingsfonds kan indienen bij het gerecht dat het fonds beheert en indien het fonds werkelijk beschikbaar en vrij overdraagbaar is met betrekking tot die vordering.
§ 4. De in paragrafen 1 en 2 vermelde rechtsgevolgen treden slechts in op de datum van de beschikbaarheidsbeschikking.
Art. 2.3.2.54. Conséquences de la constitution de fonds
§ 1er. Si un fonds de limitation a été constitué conformément à l'article 2.3.2.47, aucune personne ayant produit une créance contre le fonds ne peut être admise à exercer des droits relatifs à cette créance sur d'autres biens d'une personne par qui ou au nom de laquelle le fonds a été constitué.
§ 2. Après constitution d'un fonds de limitation conformément à l'article 2.3.2.47, tout [1 navire de mer]1 ou tout autre bien appartenant à une personne au nom de laquelle le fonds a été constitué, qui a été saisi en Belgique pour une créance qui peut être opposée au fonds, ou toute garantie fournie, peut faire l'objet d'une mainlevée ordonnée par le juge.
Toutefois, cette mainlevée est toujours ordonnée si le fonds de limitation a été constitué :
1° au port où l'événement s'est produit ou, si celui-ci s'est produit en dehors d'un port, au port d'escale suivant; ou
2° au port de débarquement pour les créances pour mort ou lésions corporelles; ou
3° au port de déchargement pour les créances pour dommages à la cargaison; ou
4° dans l'état où la saisie a lieu.
§ 3. Les paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent que si le créancier peut produire une créance contre le fonds de limitation devant le tribunal administrant ce fonds et si ce dernier est effectivement disponible et librement transférable en ce qui concerne cette créance.
§ 4. Les effets juridiques mentionnées aux paragraphes 1er et 2 entrent seulement en vigueur à la date de l'ordonnance de disponibilité.
§ 1er. Si un fonds de limitation a été constitué conformément à l'article 2.3.2.47, aucune personne ayant produit une créance contre le fonds ne peut être admise à exercer des droits relatifs à cette créance sur d'autres biens d'une personne par qui ou au nom de laquelle le fonds a été constitué.
§ 2. Après constitution d'un fonds de limitation conformément à l'article 2.3.2.47, tout [1 navire de mer]1 ou tout autre bien appartenant à une personne au nom de laquelle le fonds a été constitué, qui a été saisi en Belgique pour une créance qui peut être opposée au fonds, ou toute garantie fournie, peut faire l'objet d'une mainlevée ordonnée par le juge.
Toutefois, cette mainlevée est toujours ordonnée si le fonds de limitation a été constitué :
1° au port où l'événement s'est produit ou, si celui-ci s'est produit en dehors d'un port, au port d'escale suivant; ou
2° au port de débarquement pour les créances pour mort ou lésions corporelles; ou
3° au port de déchargement pour les créances pour dommages à la cargaison; ou
4° dans l'état où la saisie a lieu.
§ 3. Les paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent que si le créancier peut produire une créance contre le fonds de limitation devant le tribunal administrant ce fonds et si ce dernier est effectivement disponible et librement transférable en ce qui concerne cette créance.
§ 4. Les effets juridiques mentionnées aux paragraphes 1er et 2 entrent seulement en vigueur à la date de l'ordonnance de disponibilité.
Wijzigingen
Art. 2.3.2.55. Aangifte van schuldvorderingen
§ 1. Uiterlijk op de door de vereffenaar bepaalde dag leggen de schuldeisers een aangifte van hun schuldvordering, samen met hun stavingstukken, per aangetekende zending of tegen ontvangstbewijs, op het kantooradres van de vereffenaar zoals in het vonnis aangegeven.
Elke aangifte vermeldt :
1° de naam, de rechtsvorm, de zetel en de verdere identificatiegegevens van de schuldeiser, of, indien het een natuurlijke persoon betreft, zijn naam, voornamen, geboortedatum en woonplaats;
2° het bedrag en de oorzaken van de schuldvordering.
Zij wordt getekend door de schuldeiser of door diens advocaat.
Onder voorbehoud van de toepassing van internationale verdragen, bevat de aangifte van een schuldeiser die zijn woonplaats of zetel niet heeft in een lidstaat van de Europese Unie, keuze van woonplaats in het rechtsgebied van de rechtbank waar de aangifte van schuldvordering moet gebeuren. Heeft hij geen woonplaats gekozen, dan kunnen alle aan hem gerichte betekeningen en mededelingen worden gedaan ter griffie van de rechtbank.
§ 2. Indien de schuldeiser zijn schuldvordering, behalve tegen de fondssteller, ook tegen één of meer andere schuldenaars kan instellen, dient hij de vereffenaar op de hoogte te houden van de stappen die hij tegen deze medeschuldenaars onderneemt en van de betalingen die hij van deze medeschuldenaars bekomt.
§ 3. De aangifte van schuldvordering stuit de verjaring, ook wanneer later wordt vastgesteld dat er geen recht op aansprakelijkheidsbeperking bestaat. De verjaring begint slechts opnieuw te lopen vanaf de sluiting van het fonds.
§ 4. Vanaf de beschikbaarheidsbeschikking houden de wettelijke interesten op de gevorderde bedragen op te lopen.
§ 5. De bekende of onbekende schuldeisers die in gebreke blijven hun schuldvorderingen aan te geven, komen niet voor de verdeling in aanmerking. Zij kunnen hun vordering echter aangeven zolang het fonds niet volledig is verdeeld. Laattijdige aangiftes hebben geen invloed op reeds uitgevoerde of definitief besliste verdelingen. De schuldeisers die hun vordering laattijdig aangeven, kunnen het recht op aansprakelijkheidsbeperking en de berekening van het beperkingsbedrag niet meer betwisten en hebben slechts recht op een uitkering berekend op het nog niet verdeelde deel van het fonds.
§ 1. Uiterlijk op de door de vereffenaar bepaalde dag leggen de schuldeisers een aangifte van hun schuldvordering, samen met hun stavingstukken, per aangetekende zending of tegen ontvangstbewijs, op het kantooradres van de vereffenaar zoals in het vonnis aangegeven.
Elke aangifte vermeldt :
1° de naam, de rechtsvorm, de zetel en de verdere identificatiegegevens van de schuldeiser, of, indien het een natuurlijke persoon betreft, zijn naam, voornamen, geboortedatum en woonplaats;
2° het bedrag en de oorzaken van de schuldvordering.
Zij wordt getekend door de schuldeiser of door diens advocaat.
Onder voorbehoud van de toepassing van internationale verdragen, bevat de aangifte van een schuldeiser die zijn woonplaats of zetel niet heeft in een lidstaat van de Europese Unie, keuze van woonplaats in het rechtsgebied van de rechtbank waar de aangifte van schuldvordering moet gebeuren. Heeft hij geen woonplaats gekozen, dan kunnen alle aan hem gerichte betekeningen en mededelingen worden gedaan ter griffie van de rechtbank.
§ 2. Indien de schuldeiser zijn schuldvordering, behalve tegen de fondssteller, ook tegen één of meer andere schuldenaars kan instellen, dient hij de vereffenaar op de hoogte te houden van de stappen die hij tegen deze medeschuldenaars onderneemt en van de betalingen die hij van deze medeschuldenaars bekomt.
§ 3. De aangifte van schuldvordering stuit de verjaring, ook wanneer later wordt vastgesteld dat er geen recht op aansprakelijkheidsbeperking bestaat. De verjaring begint slechts opnieuw te lopen vanaf de sluiting van het fonds.
§ 4. Vanaf de beschikbaarheidsbeschikking houden de wettelijke interesten op de gevorderde bedragen op te lopen.
§ 5. De bekende of onbekende schuldeisers die in gebreke blijven hun schuldvorderingen aan te geven, komen niet voor de verdeling in aanmerking. Zij kunnen hun vordering echter aangeven zolang het fonds niet volledig is verdeeld. Laattijdige aangiftes hebben geen invloed op reeds uitgevoerde of definitief besliste verdelingen. De schuldeisers die hun vordering laattijdig aangeven, kunnen het recht op aansprakelijkheidsbeperking en de berekening van het beperkingsbedrag niet meer betwisten en hebben slechts recht op een uitkering berekend op het nog niet verdeelde deel van het fonds.
Art. 2.3.2.55. Déclaration de créances
§ 1er. Au plus tard le jour fixé par le liquidateur, les créanciers déposent une déclaration de leur créance, avec leurs pièces justificatives, par envoi recommandé ou contre récépissé, à l'adresse du bureau du liquidateur telle que mentionnée dans le jugement
Chaque déclaration mentionne :
1° le nom, la forme juridique, le siège et les autres données d'identification du créancier ou, s'il s'agit d'une personne physique, son nom, ses prénoms, sa date de naissance et son domicile;
2° le montant et les causes de la créance.
Elle est signée par le créancier ou par son avocat.
Sous réserve de l'application des conventions internationales, la déclaration contient, de la part du créancier qui n'a pas son domicile ou son siège dans un Etat membre de l'Union européenne, élection de domicile dans le ressort du tribunal auprès duquel la déclaration de créance doit s'effectuer. A défaut d'avoir élu domicile, toutes significations et toutes informations qui lui sont adressées peuvent être faites au greffe du tribunal.
§ 2. Si le créancier peut introduire sa créance à l'encontre non seulement du constituant du fonds, mais aussi d'un ou de plusieurs autres débiteurs, il doit informer le liquidateur des démarches qu'il entreprend à l'encontre de ses codébiteurs et des paiements qu'il obtient des dits codébiteurs.
§ 3. La déclaration de créance interrompt la prescription, y compris s'il est constaté ultérieurement qu'il n'existe aucun droit à la limitation de la responsabilité. La prescription ne recommence à courir qu'à compter de la clôture du fonds.
§ 4. Les intérêts légaux sur les sommes réclamées cessent d'augmenter à compter de l'ordonnance de disponibilité.
§ 5. Les créanciers connus ou inconnus qui ne déclarent pas leurs créances ne sont pas pris en considération pour la répartition. Ils peuvent cependant déclarer leurs créances aussi longtemps que le fonds n'est pas entièrement réparti. Les déclarations tardives n'ont pas d'influence sur les répartitions déjà effectuées ou définitivement arrêtées. Les créanciers qui ont déclaré tardivement leurs créances ne peuvent plus contester le droit à la limitation de la responsabilité ou le calcul du montant de la limitation, et ils ont seulement droit à un versement calculé sur la partie non encore répartie du fonds.
§ 1er. Au plus tard le jour fixé par le liquidateur, les créanciers déposent une déclaration de leur créance, avec leurs pièces justificatives, par envoi recommandé ou contre récépissé, à l'adresse du bureau du liquidateur telle que mentionnée dans le jugement
Chaque déclaration mentionne :
1° le nom, la forme juridique, le siège et les autres données d'identification du créancier ou, s'il s'agit d'une personne physique, son nom, ses prénoms, sa date de naissance et son domicile;
2° le montant et les causes de la créance.
Elle est signée par le créancier ou par son avocat.
Sous réserve de l'application des conventions internationales, la déclaration contient, de la part du créancier qui n'a pas son domicile ou son siège dans un Etat membre de l'Union européenne, élection de domicile dans le ressort du tribunal auprès duquel la déclaration de créance doit s'effectuer. A défaut d'avoir élu domicile, toutes significations et toutes informations qui lui sont adressées peuvent être faites au greffe du tribunal.
§ 2. Si le créancier peut introduire sa créance à l'encontre non seulement du constituant du fonds, mais aussi d'un ou de plusieurs autres débiteurs, il doit informer le liquidateur des démarches qu'il entreprend à l'encontre de ses codébiteurs et des paiements qu'il obtient des dits codébiteurs.
§ 3. La déclaration de créance interrompt la prescription, y compris s'il est constaté ultérieurement qu'il n'existe aucun droit à la limitation de la responsabilité. La prescription ne recommence à courir qu'à compter de la clôture du fonds.
§ 4. Les intérêts légaux sur les sommes réclamées cessent d'augmenter à compter de l'ordonnance de disponibilité.
§ 5. Les créanciers connus ou inconnus qui ne déclarent pas leurs créances ne sont pas pris en considération pour la répartition. Ils peuvent cependant déclarer leurs créances aussi longtemps que le fonds n'est pas entièrement réparti. Les déclarations tardives n'ont pas d'influence sur les répartitions déjà effectuées ou définitivement arrêtées. Les créanciers qui ont déclaré tardivement leurs créances ne peuvent plus contester le droit à la limitation de la responsabilité ou le calcul du montant de la limitation, et ils ont seulement droit à un versement calculé sur la partie non encore répartie du fonds.
Art. 2.3.2.56. Verificatie van schuldvorderingen
§ 1. Zodra mogelijk verifieert de vereffenaar de ingediende schuldvorderingen. Indien de schuldeiser zijn vordering niet kan steunen op een gerechtelijke of arbitrale uitspraak, beoordeelt de vereffenaar de gegrondheid van de vordering zelf. De vereffenaar kan met de schuldeisers en de schuldenaren in overleg treden en is bevoegd van hen, binnen de termijn die hij bepaalt, de overlegging van ontbrekende of andere relevante stukken te vorderen.
§ 2. De vereffenaar stelt betreffende de ingediende schuldvorderingen een advies op waarin de ingediende schuldvorderingen worden aanvaard dan wel verworpen en dat, wanneer daartoe aanleiding bestaat, tevens een ontwerp van verdeling inhoudt. Hij legt dit advies neer ter griffie, en deelt het terzelfdertijd mee aan de schuldeisers, de fondssteller en, zo mogelijk, de andere personen door wie het fonds wordt geacht gevormd te zijn. Alle voornoemde partijen beschikken te rekenen vanaf de datum van het advies over een termijn van één maand om hun eventuele bezwaren ter griffie neer te leggen en terzelfdertijd aan de vereffenaar mee te delen.
§ 3. De vereffenaar verwijst de ingediende bezwaren naar de ondernemingsrechtbank, die ze ten gronde beoordeelt. De aldus gevatte rechtbank is steeds bevoegd om over de gegrondheid en de omvang van de ingediende schuldvorderingen te oordelen.
§ 4. Indien binnen de termijn geen bezwaren worden ingediend, wordt het advies van de vereffenaar definitief en bindend en zijn de aanvaarde vorderingen, ook ten overstaan van andere rechtbanken als gegrond beschouwd.
§ 5. De vereffenaar kan over bepaalde aangelegenheden een tussentijds advies of een deeladvies uitbrengen. De paragrafen 2 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 1. Zodra mogelijk verifieert de vereffenaar de ingediende schuldvorderingen. Indien de schuldeiser zijn vordering niet kan steunen op een gerechtelijke of arbitrale uitspraak, beoordeelt de vereffenaar de gegrondheid van de vordering zelf. De vereffenaar kan met de schuldeisers en de schuldenaren in overleg treden en is bevoegd van hen, binnen de termijn die hij bepaalt, de overlegging van ontbrekende of andere relevante stukken te vorderen.
§ 2. De vereffenaar stelt betreffende de ingediende schuldvorderingen een advies op waarin de ingediende schuldvorderingen worden aanvaard dan wel verworpen en dat, wanneer daartoe aanleiding bestaat, tevens een ontwerp van verdeling inhoudt. Hij legt dit advies neer ter griffie, en deelt het terzelfdertijd mee aan de schuldeisers, de fondssteller en, zo mogelijk, de andere personen door wie het fonds wordt geacht gevormd te zijn. Alle voornoemde partijen beschikken te rekenen vanaf de datum van het advies over een termijn van één maand om hun eventuele bezwaren ter griffie neer te leggen en terzelfdertijd aan de vereffenaar mee te delen.
§ 3. De vereffenaar verwijst de ingediende bezwaren naar de ondernemingsrechtbank, die ze ten gronde beoordeelt. De aldus gevatte rechtbank is steeds bevoegd om over de gegrondheid en de omvang van de ingediende schuldvorderingen te oordelen.
§ 4. Indien binnen de termijn geen bezwaren worden ingediend, wordt het advies van de vereffenaar definitief en bindend en zijn de aanvaarde vorderingen, ook ten overstaan van andere rechtbanken als gegrond beschouwd.
§ 5. De vereffenaar kan over bepaalde aangelegenheden een tussentijds advies of een deeladvies uitbrengen. De paragrafen 2 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 2.3.2.56. Vérification des créances
§ 1er. Dès que possible, le liquidateur vérifie les créances introduites. Si le créancier ne peut appuyer sa créance sur une décision judiciaire ou arbitrale, le liquidateur évalue le bien-fondé de la créance elle-même. Le liquidateur peut se concerter avec les créanciers et les débiteurs et il a le pouvoir d'exiger, dans le délai qu'il détermine, la transmission de pièces manquantes ou d'autres pièces pertinentes.
§ 2. Le liquidateur rédige un avis concernant les créances introduites dans lequel ces créances sont rejetées ou acceptées et qui, le cas échéant, contient également un projet de répartition. Il dépose cet avis au greffe et dans le même temps il le communique aux créanciers, au constituant du fonds et si possible aux autres personnes par qui le fonds est estimé avoir été constitué. Toutes les parties précitées disposent d'un délai d'un mois, à compter de la date de l'avis, pour déposer leurs éventuelles objections au greffe et les communiquer dans le même temps au liquidateur.
§ 3. Le liquidateur renvoie les objections introduites au tribunal de l'entreprise qui les évalue sur le fond. Le tribunal ainsi saisi est toujours compétent pour statuer sur le bien-fondé et sur l'étendue des créances introduites.
§ 4. Si aucune objection n'a été introduite dans le délai fixé, l'avis du liquidateur est définitif et contraignant et les créances acceptées sont considérées comme fondées, y compris vis-à-vis des autres tribunaux.
§ 5. Le liquidateur peut, sur certaines matières, fournir un avis provisoire ou un avis partiel. Les paragraphes 2 à 4 sont d'application par analogie.
§ 1er. Dès que possible, le liquidateur vérifie les créances introduites. Si le créancier ne peut appuyer sa créance sur une décision judiciaire ou arbitrale, le liquidateur évalue le bien-fondé de la créance elle-même. Le liquidateur peut se concerter avec les créanciers et les débiteurs et il a le pouvoir d'exiger, dans le délai qu'il détermine, la transmission de pièces manquantes ou d'autres pièces pertinentes.
§ 2. Le liquidateur rédige un avis concernant les créances introduites dans lequel ces créances sont rejetées ou acceptées et qui, le cas échéant, contient également un projet de répartition. Il dépose cet avis au greffe et dans le même temps il le communique aux créanciers, au constituant du fonds et si possible aux autres personnes par qui le fonds est estimé avoir été constitué. Toutes les parties précitées disposent d'un délai d'un mois, à compter de la date de l'avis, pour déposer leurs éventuelles objections au greffe et les communiquer dans le même temps au liquidateur.
§ 3. Le liquidateur renvoie les objections introduites au tribunal de l'entreprise qui les évalue sur le fond. Le tribunal ainsi saisi est toujours compétent pour statuer sur le bien-fondé et sur l'étendue des créances introduites.
§ 4. Si aucune objection n'a été introduite dans le délai fixé, l'avis du liquidateur est définitif et contraignant et les créances acceptées sont considérées comme fondées, y compris vis-à-vis des autres tribunaux.
§ 5. Le liquidateur peut, sur certaines matières, fournir un avis provisoire ou un avis partiel. Les paragraphes 2 à 4 sont d'application par analogie.
Art. 2.3.2.57. Betwisting van veroordelingen ten gronde
§ 1. Indien de schuldeiser beschikt over een in kracht van gewijsde getreden Belgische of buitenlandse veroordeling van de fondssteller of een andere persoon door wie het beperkingsfonds wordt geacht gevormd te zijn, staan de gegrondheid en de omvang van de toegekende vordering vast, ook ten opzichte van de vereffenaar en de schuldeisers of andere personen die in deze procedure geen partij waren.
In afwijking van het eerste lid, kan de veroordeling door de vereffenaar of de schuldeisers of andere personen die in de procedure geen partij waren wel nog worden betwist indien wordt aangetoond :
1° dat de schuldenaar met de schuldeiser bedrieglijk heeft samengewerkt, om deze laatste een ongeoorloofd voordeel te verschaffen; of
2° dat de schuldenaar de procedure heeft gevoerd op een ernstig nalatige wijze.
§ 2. Paragraaf 1 geldt onder voorbehoud van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het derdenverzet en artikel 25 van het Wetboek van internationaal privaatrecht.
§ 1. Indien de schuldeiser beschikt over een in kracht van gewijsde getreden Belgische of buitenlandse veroordeling van de fondssteller of een andere persoon door wie het beperkingsfonds wordt geacht gevormd te zijn, staan de gegrondheid en de omvang van de toegekende vordering vast, ook ten opzichte van de vereffenaar en de schuldeisers of andere personen die in deze procedure geen partij waren.
In afwijking van het eerste lid, kan de veroordeling door de vereffenaar of de schuldeisers of andere personen die in de procedure geen partij waren wel nog worden betwist indien wordt aangetoond :
1° dat de schuldenaar met de schuldeiser bedrieglijk heeft samengewerkt, om deze laatste een ongeoorloofd voordeel te verschaffen; of
2° dat de schuldenaar de procedure heeft gevoerd op een ernstig nalatige wijze.
§ 2. Paragraaf 1 geldt onder voorbehoud van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het derdenverzet en artikel 25 van het Wetboek van internationaal privaatrecht.
Art. 2.3.2.57. Contestation des condamnations sur le fond
§ 1er. Si le créancier dispose d'une condamnation belge ou étrangère, passée en force de chose jugée, du constituant du fonds ou d'une autre personne par qui le fonds de limitation est estimé avoir été constitué, le bien-fondé et l'étendue de la créance attribuée sont constatés, y compris vis-à-vis du liquidateur et des créanciers ou d'autres personnes qui n'étaient pas parties à la procédure en question.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la condamnation peut encore être contestée par le liquidateur, ou par les créanciers, ou par d'autres personnes qui n'étaient pas parties à la procédure, s'il est établi :
1° que le débiteur a collaboré de manière frauduleuse avec le créancier pour permettre à ce dernier d'obtenir un avantage injustifié; ou
2° que le débiteur a mené la procédure en faisant preuve d'une extrême négligence.
§ 2. Le paragraphe 1er s'applique sous réserve des dispositions du Code judiciaire concernant la tierce-opposition et de l'article 25 du Code de droit international privé.
§ 1er. Si le créancier dispose d'une condamnation belge ou étrangère, passée en force de chose jugée, du constituant du fonds ou d'une autre personne par qui le fonds de limitation est estimé avoir été constitué, le bien-fondé et l'étendue de la créance attribuée sont constatés, y compris vis-à-vis du liquidateur et des créanciers ou d'autres personnes qui n'étaient pas parties à la procédure en question.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la condamnation peut encore être contestée par le liquidateur, ou par les créanciers, ou par d'autres personnes qui n'étaient pas parties à la procédure, s'il est établi :
1° que le débiteur a collaboré de manière frauduleuse avec le créancier pour permettre à ce dernier d'obtenir un avantage injustifié; ou
2° que le débiteur a mené la procédure en faisant preuve d'une extrême négligence.
§ 2. Le paragraphe 1er s'applique sous réserve des dispositions du Code judiciaire concernant la tierce-opposition et de l'article 25 du Code de droit international privé.
Art. 2.3.2.58. Verdeling van het fonds
§ 1. Onverminderd de artikel en 2.3.2.40, § 1 en 2 en 2.3.2.41 en de desgevallend toepasselijke voorrang van vorderingen met betrekking tot beschadiging van kunstwerken van havens, dokken en waterwegen, alsmede hulpmiddelen bij de navigatie, wordt het fonds onder de schuldeisers verdeeld in evenredigheid met de bedragen van hun erkende vorderingen op het fonds.
§ 2. De betaling aan elke schuldeiser van het deel van het beperkingsfonds dat hem toekomt, doet zijn schuldvordering uitdoven.
§ 3. De vereffenaar kan tussentijdse of gedeeltelijke verdelingen verrichten.
§ 4. De verdeelde bedragen zijn vrij overdraagbaar.
§ 5. Indien voor de verdeling van het fonds de aansprakelijke persoon of zijn verzekeraar een vordering op het fonds heeft voldaan, wordt deze persoon gesubrogeerd tot het bedrag dat hij heeft betaald in de rechten, die de door hem schadeloos gestelde persoon op grond van dit hoofdstuk zou hebben gehad.
§ 6. Het recht van subrogatie, bedoeld in paragraaf 5, kan ook worden uitgeoefend door andere dan de daarin genoemde personen met betrekking tot elk bedrag aan vergoeding, dat zij mochten hebben betaald, maar alleen voor zover die subrogatie volgens de toepasselijke nationale wet geoorloofd is.
§ 7. Wanneer de aansprakelijke persoon of enige andere persoon aantoont dat hij zou kunnen worden gedwongen op een later tijdstip, geheel of gedeeltelijk, een zodanig bedrag aan vergoeding te betalen waarvan hij, indien de vergoeding zou zijn betaald voor de verdeling van het fonds, ingevolge de paragrafen 5 en 6 bij wege van subrogatie rechten zou hebben verkregen, dan kan de rechter bevelen dat voorlopig een bedrag terzijde wordt gesteld dat voldoende is om het deze persoon mogelijk te maken op een later tijdstip zijn rechten tegen het fonds geldend te maken.
§ 8. Ingeval de aansprakelijke persoon een definitief gegrond bevonden tegenvordering heeft, vindt verrekening plaats en is de uitkering aan de betrokken schuldeiser beperkt tot het saldo.
§ 9. Ingeval de schuldeiser reeds gedeeltelijk werd betaald buiten de beperkingsprocedure om, wordt de uitkering uit het beperkingsfonds beperkt tot het saldo.
§ 1. Onverminderd de artikel en 2.3.2.40, § 1 en 2 en 2.3.2.41 en de desgevallend toepasselijke voorrang van vorderingen met betrekking tot beschadiging van kunstwerken van havens, dokken en waterwegen, alsmede hulpmiddelen bij de navigatie, wordt het fonds onder de schuldeisers verdeeld in evenredigheid met de bedragen van hun erkende vorderingen op het fonds.
§ 2. De betaling aan elke schuldeiser van het deel van het beperkingsfonds dat hem toekomt, doet zijn schuldvordering uitdoven.
§ 3. De vereffenaar kan tussentijdse of gedeeltelijke verdelingen verrichten.
§ 4. De verdeelde bedragen zijn vrij overdraagbaar.
§ 5. Indien voor de verdeling van het fonds de aansprakelijke persoon of zijn verzekeraar een vordering op het fonds heeft voldaan, wordt deze persoon gesubrogeerd tot het bedrag dat hij heeft betaald in de rechten, die de door hem schadeloos gestelde persoon op grond van dit hoofdstuk zou hebben gehad.
§ 6. Het recht van subrogatie, bedoeld in paragraaf 5, kan ook worden uitgeoefend door andere dan de daarin genoemde personen met betrekking tot elk bedrag aan vergoeding, dat zij mochten hebben betaald, maar alleen voor zover die subrogatie volgens de toepasselijke nationale wet geoorloofd is.
§ 7. Wanneer de aansprakelijke persoon of enige andere persoon aantoont dat hij zou kunnen worden gedwongen op een later tijdstip, geheel of gedeeltelijk, een zodanig bedrag aan vergoeding te betalen waarvan hij, indien de vergoeding zou zijn betaald voor de verdeling van het fonds, ingevolge de paragrafen 5 en 6 bij wege van subrogatie rechten zou hebben verkregen, dan kan de rechter bevelen dat voorlopig een bedrag terzijde wordt gesteld dat voldoende is om het deze persoon mogelijk te maken op een later tijdstip zijn rechten tegen het fonds geldend te maken.
§ 8. Ingeval de aansprakelijke persoon een definitief gegrond bevonden tegenvordering heeft, vindt verrekening plaats en is de uitkering aan de betrokken schuldeiser beperkt tot het saldo.
§ 9. Ingeval de schuldeiser reeds gedeeltelijk werd betaald buiten de beperkingsprocedure om, wordt de uitkering uit het beperkingsfonds beperkt tot het saldo.
Art. 2.3.2.58. Répartition du fonds
§ 1er. Sous réserve des articles 2.3.2.40, § 1er et 2, et 2.3.2.41 et, le cas échéant, la priorité applicable aux créances pour dommages causés aux ouvrages d'art des ports, bassins, voies navigables et aides à la navigation, le fonds est réparti entre les créanciers, proportionnellement au montant de leurs créances reconnues contre le fonds.
§ 2. Le paiement à chaque créancier de la partie du fonds qui lui revient, éteint sa créance vis-à-vis du requérant.
§ 3. Le liquidateur peut procéder à des répartitions intermédiaires ou partielles.
§ 4. Les montants répartis sont librement cessibles.
§ 5. Si, avant la répartition du fonds, la personne responsable, ou son assureur, a réglé une créance contre le fonds, cette personne est subrogée jusqu'à concurrence du montant qu'elle a réglé, dans les droits dont le bénéficiaire de ce règlement aurait joui en vertu du présent chapitre.
§ 6. Le droit de subrogation prévu au paragraphe 5 peut aussi être exercé par des personnes autres que celles ci-dessus mentionnées, pour toute somme qu'elles auraient versée à titre de réparation, mais seulement dans la mesure où une telle subrogation est autorisée par la loi nationale applicable.
§ 7. Si la personne responsable ou toute autre personne établit qu'elle pourrait être ultérieurement contrainte de verser en tout ou partie à titre de réparation une somme pour laquelle elle aurait joui d'un droit de subrogation en application des paragraphes 5 et 6 si cette somme avait été versée avant la distribution du fonds, le juge peut ordonner qu'une somme suffisante soit provisoirement réservée pour permettre à cette personne de faire valoir ultérieurement ses droits contre le fonds.
§ 8. Si la personne responsable a intenté une action reconventionnelle jugée définitivement fondée, une compensation a lieu et le versement au créancier concerné est limité au solde.
§ 9. Si le créancier a déjà été partiellement payé en dehors de la procédure de limitation, le versement issu de la procédure de limitation est limité au solde.
§ 1er. Sous réserve des articles 2.3.2.40, § 1er et 2, et 2.3.2.41 et, le cas échéant, la priorité applicable aux créances pour dommages causés aux ouvrages d'art des ports, bassins, voies navigables et aides à la navigation, le fonds est réparti entre les créanciers, proportionnellement au montant de leurs créances reconnues contre le fonds.
§ 2. Le paiement à chaque créancier de la partie du fonds qui lui revient, éteint sa créance vis-à-vis du requérant.
§ 3. Le liquidateur peut procéder à des répartitions intermédiaires ou partielles.
§ 4. Les montants répartis sont librement cessibles.
§ 5. Si, avant la répartition du fonds, la personne responsable, ou son assureur, a réglé une créance contre le fonds, cette personne est subrogée jusqu'à concurrence du montant qu'elle a réglé, dans les droits dont le bénéficiaire de ce règlement aurait joui en vertu du présent chapitre.
§ 6. Le droit de subrogation prévu au paragraphe 5 peut aussi être exercé par des personnes autres que celles ci-dessus mentionnées, pour toute somme qu'elles auraient versée à titre de réparation, mais seulement dans la mesure où une telle subrogation est autorisée par la loi nationale applicable.
§ 7. Si la personne responsable ou toute autre personne établit qu'elle pourrait être ultérieurement contrainte de verser en tout ou partie à titre de réparation une somme pour laquelle elle aurait joui d'un droit de subrogation en application des paragraphes 5 et 6 si cette somme avait été versée avant la distribution du fonds, le juge peut ordonner qu'une somme suffisante soit provisoirement réservée pour permettre à cette personne de faire valoir ultérieurement ses droits contre le fonds.
§ 8. Si la personne responsable a intenté une action reconventionnelle jugée définitivement fondée, une compensation a lieu et le versement au créancier concerné est limité au solde.
§ 9. Si le créancier a déjà été partiellement payé en dehors de la procédure de limitation, le versement issu de la procédure de limitation est limité au solde.
Art. 2.3.2.59. Sluiting van het beperkingsfonds
§ 1. Nadat alle schuldvorderingen werden vereffend, komt het eventuele saldo van het fonds toe aan degene die het fonds heeft gevormd of aan degene die in diens plaats daarop rechten kan laten gelden.
§ 2. Indien wordt vastgesteld dat er geen recht op aansprakelijkheidsbeperking bestaat of het beperkingsfonds niet meer voldoet aan de vereisten, blijft het reeds gevormde fonds desalniettemin bestaan en wordt het alsnog in het raam van de beperkingsprocedure verdeeld. De vereffenaar verzoekt de voorzitter om toelating om daartoe over te gaan, en beoordeelt de aangegeven vorderingen vervolgens op dezelfde wijze en volgens dezelfde procedure alsof het recht op aansprakelijkheidsbeperking niet verloren was gegaan respectievelijk het beperkingsfonds nog steeds aan de vereisten voldeed. Indien het fonds werd gevormd door het verstrekken van een garantie, wordt deze garantie van rechtswege en ongeacht haar bewoordingen opeisbaar in het voordeel van de vereffenaar. De schuldeisers zijn gerechtigd om zich onmiddellijk garanties te verschaffen ten aanzien van de goederen van personen door of namens wie het fonds werd gevormd, en om hun vorderingen voor het saldo van hun aanvaarde vorderingen ten uitvoer te leggen ten aanzien van de goederen van de aansprakelijke persoon. De fondssteller kan zich niet langer op de in artikel 2.3.2.54 bepaalde rechtsgevolgen beroepen.
§ 3. Indien paragraaf 2 geen toepassing vindt en het beperkingsfonds, om welke reden ook, wordt ontbonden, herwinnen de schuldeisers alle rechten en uitvoeringsmogelijkheden waarover zij beschikten vóór de fondsvorming.
§ 4. Na volledige verdeling van het fonds, of indien het fonds op enige andere wijze wordt ontbonden, stelt de vereffenaar een eindadvies op. Hij legt het neer ter griffie en deelt het tezelfdertijd mee aan de schuldeisers, de fondssteller en, zo mogelijk, de andere personen die worden geacht het fonds te hebben gevormd.
De schuldeisers, de fondssteller en de andere personen die worden geacht het fonds te hebben gevormd, kunnen tegen dit eindadvies bezwaar indienen binnen de termijn en op de wijze bepaald in artikel 2.3.2.61. De bezwaren worden behandeld overeenkomstig hetzelfde artikel .
Op verslag van de vereffenaar waarin wordt medegedeeld dat tegen het eindadvies geen bezwaar werd ingediend of dat over de bezwaren daartegen definitief is geoordeeld, stelt de voorzitter in een beschikking vast dat het fonds is gesloten.
§ 1. Nadat alle schuldvorderingen werden vereffend, komt het eventuele saldo van het fonds toe aan degene die het fonds heeft gevormd of aan degene die in diens plaats daarop rechten kan laten gelden.
§ 2. Indien wordt vastgesteld dat er geen recht op aansprakelijkheidsbeperking bestaat of het beperkingsfonds niet meer voldoet aan de vereisten, blijft het reeds gevormde fonds desalniettemin bestaan en wordt het alsnog in het raam van de beperkingsprocedure verdeeld. De vereffenaar verzoekt de voorzitter om toelating om daartoe over te gaan, en beoordeelt de aangegeven vorderingen vervolgens op dezelfde wijze en volgens dezelfde procedure alsof het recht op aansprakelijkheidsbeperking niet verloren was gegaan respectievelijk het beperkingsfonds nog steeds aan de vereisten voldeed. Indien het fonds werd gevormd door het verstrekken van een garantie, wordt deze garantie van rechtswege en ongeacht haar bewoordingen opeisbaar in het voordeel van de vereffenaar. De schuldeisers zijn gerechtigd om zich onmiddellijk garanties te verschaffen ten aanzien van de goederen van personen door of namens wie het fonds werd gevormd, en om hun vorderingen voor het saldo van hun aanvaarde vorderingen ten uitvoer te leggen ten aanzien van de goederen van de aansprakelijke persoon. De fondssteller kan zich niet langer op de in artikel 2.3.2.54 bepaalde rechtsgevolgen beroepen.
§ 3. Indien paragraaf 2 geen toepassing vindt en het beperkingsfonds, om welke reden ook, wordt ontbonden, herwinnen de schuldeisers alle rechten en uitvoeringsmogelijkheden waarover zij beschikten vóór de fondsvorming.
§ 4. Na volledige verdeling van het fonds, of indien het fonds op enige andere wijze wordt ontbonden, stelt de vereffenaar een eindadvies op. Hij legt het neer ter griffie en deelt het tezelfdertijd mee aan de schuldeisers, de fondssteller en, zo mogelijk, de andere personen die worden geacht het fonds te hebben gevormd.
De schuldeisers, de fondssteller en de andere personen die worden geacht het fonds te hebben gevormd, kunnen tegen dit eindadvies bezwaar indienen binnen de termijn en op de wijze bepaald in artikel 2.3.2.61. De bezwaren worden behandeld overeenkomstig hetzelfde artikel .
Op verslag van de vereffenaar waarin wordt medegedeeld dat tegen het eindadvies geen bezwaar werd ingediend of dat over de bezwaren daartegen definitief is geoordeeld, stelt de voorzitter in een beschikking vast dat het fonds is gesloten.
Art. 2.3.2.59. Clôture du fonds de limitation
§ 1er. Après le paiement de toutes les créances, le surplus éventuel du fonds revient à celui qui l'a constitué ou à celui qui peut faire valoir ses droits à sa place.
§ 2. S'il est constaté qu'il n'existe pas de droit à la limitation de la responsabilité, ou que le fonds de limitation ne répond plus aux exigences, le fonds déjà constitué continue néanmoins d'exister et il est encore réparti dans le cadre de la procédure de limitation. Le liquidateur demande au président l'autorisation d'y procéder et il évalue ensuite les créances déclarées de la même manière et selon la même procédure que si le droit à la limitation de la responsabilité n'avait pas été perdu ou si le fonds de limitation continuait encore à répondre aux exigences. Si le fonds avait été constitué par la fourniture d'une garantie, cette garantie, de plein droit et quelle que soit sa formulation, est exigible à l'avantage du liquidateur. Les créanciers sont autorisés à se procurer immédiatement des garanties vis-à-vis de biens de personnes par lesquelles ou au nom desquelles le fonds avait été constitué, et à faire exécuter leurs créances pour le solde de leurs créances acceptées vis-à-vis des biens de la personne responsable. Le constituant du fonds ne peut plus invoquer les effets juridiques déterminés à l'article 2.3.2.54.
§ 3. Si le paragraphe 2 ne trouve pas à s'appliquer et que le fonds de limitation, pour quelque raison que ce soit, est dissous, les créanciers récupèrent tous les droits et les possibilités d'exécution dont ils disposaient avant la constitution du fonds.
§ 4. Après la répartition intégrale du fonds, ou si le fonds est dissous de toute autre manière, le liquidateur rend un avis final. Il le dépose au greffe et le communique dans le même temps aux créanciers, au constituant du fonds, et, si possible, aux autres personnes qui sont estimées avoir constitué le fonds.
Les créanciers, le constituant du fonds et les autres personnes qui sont estimées avoir constitué le fonds peuvent introduire des objections à l'encontre de cet avis final, dans le délai et selon les modalités déterminés à l'article 2.3.2.61. Ces objections sont traitées conformément au même article.
Sur le rapport du liquidateur suivant lequel aucune objection n'a été introduite à l'encontre de l'avis final ou en cas d'appréciation définitive sur les réclamations à l'encontre de cet avis, le président indique dans une ordonnance que le fonds est clôturé.
§ 1er. Après le paiement de toutes les créances, le surplus éventuel du fonds revient à celui qui l'a constitué ou à celui qui peut faire valoir ses droits à sa place.
§ 2. S'il est constaté qu'il n'existe pas de droit à la limitation de la responsabilité, ou que le fonds de limitation ne répond plus aux exigences, le fonds déjà constitué continue néanmoins d'exister et il est encore réparti dans le cadre de la procédure de limitation. Le liquidateur demande au président l'autorisation d'y procéder et il évalue ensuite les créances déclarées de la même manière et selon la même procédure que si le droit à la limitation de la responsabilité n'avait pas été perdu ou si le fonds de limitation continuait encore à répondre aux exigences. Si le fonds avait été constitué par la fourniture d'une garantie, cette garantie, de plein droit et quelle que soit sa formulation, est exigible à l'avantage du liquidateur. Les créanciers sont autorisés à se procurer immédiatement des garanties vis-à-vis de biens de personnes par lesquelles ou au nom desquelles le fonds avait été constitué, et à faire exécuter leurs créances pour le solde de leurs créances acceptées vis-à-vis des biens de la personne responsable. Le constituant du fonds ne peut plus invoquer les effets juridiques déterminés à l'article 2.3.2.54.
§ 3. Si le paragraphe 2 ne trouve pas à s'appliquer et que le fonds de limitation, pour quelque raison que ce soit, est dissous, les créanciers récupèrent tous les droits et les possibilités d'exécution dont ils disposaient avant la constitution du fonds.
§ 4. Après la répartition intégrale du fonds, ou si le fonds est dissous de toute autre manière, le liquidateur rend un avis final. Il le dépose au greffe et le communique dans le même temps aux créanciers, au constituant du fonds, et, si possible, aux autres personnes qui sont estimées avoir constitué le fonds.
Les créanciers, le constituant du fonds et les autres personnes qui sont estimées avoir constitué le fonds peuvent introduire des objections à l'encontre de cet avis final, dans le délai et selon les modalités déterminés à l'article 2.3.2.61. Ces objections sont traitées conformément au même article.
Sur le rapport du liquidateur suivant lequel aucune objection n'a été introduite à l'encontre de l'avis final ou en cas d'appréciation définitive sur les réclamations à l'encontre de cet avis, le président indique dans une ordonnance que le fonds est clôturé.
Art. 2.3.2.60. Bijkomende garantie
Wanneer in de loop van de vereffeningsprocedure blijkt dat de verstrekte garantie voor de betaling van de wettelijke interesten ontoereikend zal zijn, kan de vereffenaar of iedere schuldeiser bij verzoekschrift gericht aan de voorzitter die de openingsbeschikking heeft gegeven vorderen dat de verstrekking van een bijkomende garantie wordt opgelegd.
De beschikking vermeldt de termijn waarbinnen de bijkomende garantie moet worden verstrekt. De griffier brengt de beschikking bij gerechtsbrief ter kennis van de fondssteller.
Wanneer de bijkomende garantie niet tijdig wordt verstrekt, wordt toepassing gemaakt van artikel 2.3.2.59, § 2.
Wanneer in de loop van de vereffeningsprocedure blijkt dat de verstrekte garantie voor de betaling van de wettelijke interesten ontoereikend zal zijn, kan de vereffenaar of iedere schuldeiser bij verzoekschrift gericht aan de voorzitter die de openingsbeschikking heeft gegeven vorderen dat de verstrekking van een bijkomende garantie wordt opgelegd.
De beschikking vermeldt de termijn waarbinnen de bijkomende garantie moet worden verstrekt. De griffier brengt de beschikking bij gerechtsbrief ter kennis van de fondssteller.
Wanneer de bijkomende garantie niet tijdig wordt verstrekt, wordt toepassing gemaakt van artikel 2.3.2.59, § 2.
Art. 2.3.2.60. Garantie additionnelle
Lorsque, dans le courant de la procédure de liquidation, il s'avère que la garantie fournie pour le paiement des intérêts légaux sera insuffisante, le liquidateur ou chaque créancier peut, par une requête adressée au président qui a rendu l'ordonnance d'ouverture, demander que la fourniture d'une garantie additionnelle soit imposée.
L'ordonnance mentionne le délai dans lequel la garantie additionnelle doit être fournie. Le greffier porte par pli judiciaire l'ordonnance à la connaissance du constituant du fonds.
Si la garantie additionnelle n'est pas fournie à temps, il est fait application de l'article 2.3.2.59, § 2.
Lorsque, dans le courant de la procédure de liquidation, il s'avère que la garantie fournie pour le paiement des intérêts légaux sera insuffisante, le liquidateur ou chaque créancier peut, par une requête adressée au président qui a rendu l'ordonnance d'ouverture, demander que la fourniture d'une garantie additionnelle soit imposée.
L'ordonnance mentionne le délai dans lequel la garantie additionnelle doit être fournie. Le greffier porte par pli judiciaire l'ordonnance à la connaissance du constituant du fonds.
Si la garantie additionnelle n'est pas fournie à temps, il est fait application de l'article 2.3.2.59, § 2.
Art. 2.3.2.61. Rechtskracht van en bezwaar tegen de beschikkingen
§ 1. De beschikkingen van de voorzitter brengen geen nadeel toe aan de zaak zelf. Zij zijn uitvoerbaar bij voorraad.
§ 2. Tegen de beschikkingen van de voorzitter kan uitsluitend bezwaar worden ingediend op de wijze bepaald in de hieronder volgende paragrafen.
§ 3. Het bezwaar tegen de openingsbeschikking en de beschikbaarheidsbeschikking wordt gebracht voor de ondernemingsrechtbank waarvan de voorzitter de beschikking gewezen heeft. Het bezwaar moet worden ingediend uiterlijk drie maanden na de in artikel 2.3.2.53, § 3 voorgeschreven bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. In voorkomend geval wordt deze termijn verlengd overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek.
Het bezwaar wordt ingediend door de neerlegging van een verzoekschrift ter griffie.
Het verzoekschrift wordt door de griffie bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de vereffenaar, de bekende schuldeisers, de fondssteller en, zo mogelijk, de andere personen door wie het fonds wordt geacht te zijn gevormd.
Het bezwaar is van rechtswege gericht tegen zowel de openingsbeschikking als de beschikbaarheidsbeschikking.
Het bezwaar wordt ingeleid op de eerstvolgende zitting van de rechtbank.
Na afloop van de in het eerste lid bepaalde termijn, worden alle bezwaren door de rechtbank gevoegd.
De ondernemingsrechtbank oordeelt ten gronde over alle betwistingen betreffende de vorming van het beperkingsfonds, zonder daarbij gebonden te zijn door de beschikkingen van de voorzitter.
Zij kan beslissen :
1° dat het beperkingsfonds op rechtsgeldige wijze werd gevormd; of
2° dat het beperkingsfonds niet mag worden gevormd of dat het wordt ontbonden; of
3° dat het bedrag van het beperkingsfonds of de wijze waarop het werd gevormd moeten worden aangepast.
In het geval bedoeld in het achtste lid, 3°, bepaalt de rechtbank de termijn waarbinnen de aanpassing moet worden uitgevoerd. Het vonnis wordt door de zorg van de vereffenaar binnen de acht dagen na zijn dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt in :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
Wanneer de aanpassing niet tijdig wordt uitgevoerd, wordt toepassing gemaakt van artikel 2.3.2.59, § 2.
Tijdens de bezwaarprocedure blijven de in artikel 2.3.2.54 bepaalde rechtsgevolgen van de fondsvorming gelden en kunnen in voorkomend geval tussentijdse of gedeeltelijke verdelingen worden verricht.
§ 4. Het bezwaar tegen andere beschikkingen van de voorzitter inzake een beperkingsfonds dan deze bedoeld in paragraaf 3, zoals deze bedoeld in artikel 2.3.2.60, wordt eveneens voor de ondernemingsrechtbank gebracht. Dit bezwaar moet worden ingediend uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking. In voorkomend geval wordt deze termijn verlengd overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek.
De ondernemingsrechtbank oordeelt ten gronde, zonder door de beschikkingen van de voorzitter gebonden te zijn.
§ 5. Het vonnis van de rechtbank op bezwaar tegen beschikkingen van de voorzitter betreffende het beperkingsfonds heeft gezag van gewijsde jegens eenieder.
§ 1. De beschikkingen van de voorzitter brengen geen nadeel toe aan de zaak zelf. Zij zijn uitvoerbaar bij voorraad.
§ 2. Tegen de beschikkingen van de voorzitter kan uitsluitend bezwaar worden ingediend op de wijze bepaald in de hieronder volgende paragrafen.
§ 3. Het bezwaar tegen de openingsbeschikking en de beschikbaarheidsbeschikking wordt gebracht voor de ondernemingsrechtbank waarvan de voorzitter de beschikking gewezen heeft. Het bezwaar moet worden ingediend uiterlijk drie maanden na de in artikel 2.3.2.53, § 3 voorgeschreven bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. In voorkomend geval wordt deze termijn verlengd overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek.
Het bezwaar wordt ingediend door de neerlegging van een verzoekschrift ter griffie.
Het verzoekschrift wordt door de griffie bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de vereffenaar, de bekende schuldeisers, de fondssteller en, zo mogelijk, de andere personen door wie het fonds wordt geacht te zijn gevormd.
Het bezwaar is van rechtswege gericht tegen zowel de openingsbeschikking als de beschikbaarheidsbeschikking.
Het bezwaar wordt ingeleid op de eerstvolgende zitting van de rechtbank.
Na afloop van de in het eerste lid bepaalde termijn, worden alle bezwaren door de rechtbank gevoegd.
De ondernemingsrechtbank oordeelt ten gronde over alle betwistingen betreffende de vorming van het beperkingsfonds, zonder daarbij gebonden te zijn door de beschikkingen van de voorzitter.
Zij kan beslissen :
1° dat het beperkingsfonds op rechtsgeldige wijze werd gevormd; of
2° dat het beperkingsfonds niet mag worden gevormd of dat het wordt ontbonden; of
3° dat het bedrag van het beperkingsfonds of de wijze waarop het werd gevormd moeten worden aangepast.
In het geval bedoeld in het achtste lid, 3°, bepaalt de rechtbank de termijn waarbinnen de aanpassing moet worden uitgevoerd. Het vonnis wordt door de zorg van de vereffenaar binnen de acht dagen na zijn dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt in :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
Wanneer de aanpassing niet tijdig wordt uitgevoerd, wordt toepassing gemaakt van artikel 2.3.2.59, § 2.
Tijdens de bezwaarprocedure blijven de in artikel 2.3.2.54 bepaalde rechtsgevolgen van de fondsvorming gelden en kunnen in voorkomend geval tussentijdse of gedeeltelijke verdelingen worden verricht.
§ 4. Het bezwaar tegen andere beschikkingen van de voorzitter inzake een beperkingsfonds dan deze bedoeld in paragraaf 3, zoals deze bedoeld in artikel 2.3.2.60, wordt eveneens voor de ondernemingsrechtbank gebracht. Dit bezwaar moet worden ingediend uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking. In voorkomend geval wordt deze termijn verlengd overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek.
De ondernemingsrechtbank oordeelt ten gronde, zonder door de beschikkingen van de voorzitter gebonden te zijn.
§ 5. Het vonnis van de rechtbank op bezwaar tegen beschikkingen van de voorzitter betreffende het beperkingsfonds heeft gezag van gewijsde jegens eenieder.
Art. 2.3.2.61. Force juridique des ordonnances et objection contre les ordonnances
§ 1er. Les ordonnances du président ne portent pas préjudice au principal. Elles sont exécutoires par provision.
§ 2. Il ne peut être introduit d'objection aux ordonnances du président que selon les modalités déterminées dans les paragraphes ci-après.
§ 3. L'objection formulée contre l'ordonnance d'ouverture et l'ordonnance de disponibilité est présentée devant le tribunal de l'entreprise dont le président a rendu l'ordonnance en question. L'objection doit être introduite au plus tard trois mois après la publication prescrite par l'article 2.3.2.53, § 3, au Moniteur belge. Le cas échéant, ce délai est prolongé conformément à l'article 55 du Code judiciaire.
L'objection est introduite par le dépôt d'une requête au greffe.
Le greffe, par pli judiciaire, porte la requête à la connaissance du liquidateur, des créanciers connus, du constituant du fonds et, si possible, des autres personnes par lesquelles le fonds est présumé avoir été constitué.
L'objection vise de plein droit aussi bien l'ordonnance d'ouverture que l'ordonnance de disponibilité.
L'objection est introduite à la première audience qui suit du tribunal.
A l'expiration du délai mentionné à l'alinéa 1er, toutes les objections sont jointes par le tribunal.
Le tribunal de l'entreprise se prononce sur le fond sur toutes les contestations relatives à la constitution du fonds de limitation, sans être lié à cet égard par les ordonnances du président.
Il peut décider :
1° que le fonds de limitation a été valablement constitué; ou
2° que le fonds de limitation ne peut être constitué ou qu'il doit être dissous; ou
3° que le montant du fonds de limitation ou les modalités de sa constitution doivent être adaptés.
Dans le cas visé à l'alinéa 8, 3°, le tribunal détermine le délai dans lequel l'adaptation doit être effectuée. Le jugement est publié par extrait, par les soins du liquidateur, dans les huit jours à compter de sa date :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
Si l'adaptation n'est pas exécutée dans les délais, il est fait application de l'article 2.3.2.59, § 2.
Durant la procédure d'objection, les effets juridiques de la constitution du fonds, déterminées à l'article 2.3.2.54, restent d'application et, le cas échéant, des répartitions intermédiaires ou partielles peuvent être effectuées.
§ 4. L'objection contre des ordonnances du président relatives à un fonds de limitation, autres que celles visées au paragraphe 3, telles que celles qui sont visées à l'article 2.3.2.60, est également portée devant le tribunal de l'entreprise. Cette objection doit être introduite au plus tard trois mois après la date de l'ordonnance. Le cas échéant, ce délai est prolongé conformément à l'article 55 du Code judiciaire.
Le tribunal de l'entreprise juge sur le fond, sans être lié par les ordonnances du président.
§ 5. Le jugement du tribunal relativement à l'objection élevée contre les ordonnances du président concernant le fonds de limitation a autorité de chose jugée vis-à-vis de chacun.
§ 1er. Les ordonnances du président ne portent pas préjudice au principal. Elles sont exécutoires par provision.
§ 2. Il ne peut être introduit d'objection aux ordonnances du président que selon les modalités déterminées dans les paragraphes ci-après.
§ 3. L'objection formulée contre l'ordonnance d'ouverture et l'ordonnance de disponibilité est présentée devant le tribunal de l'entreprise dont le président a rendu l'ordonnance en question. L'objection doit être introduite au plus tard trois mois après la publication prescrite par l'article 2.3.2.53, § 3, au Moniteur belge. Le cas échéant, ce délai est prolongé conformément à l'article 55 du Code judiciaire.
L'objection est introduite par le dépôt d'une requête au greffe.
Le greffe, par pli judiciaire, porte la requête à la connaissance du liquidateur, des créanciers connus, du constituant du fonds et, si possible, des autres personnes par lesquelles le fonds est présumé avoir été constitué.
L'objection vise de plein droit aussi bien l'ordonnance d'ouverture que l'ordonnance de disponibilité.
L'objection est introduite à la première audience qui suit du tribunal.
A l'expiration du délai mentionné à l'alinéa 1er, toutes les objections sont jointes par le tribunal.
Le tribunal de l'entreprise se prononce sur le fond sur toutes les contestations relatives à la constitution du fonds de limitation, sans être lié à cet égard par les ordonnances du président.
Il peut décider :
1° que le fonds de limitation a été valablement constitué; ou
2° que le fonds de limitation ne peut être constitué ou qu'il doit être dissous; ou
3° que le montant du fonds de limitation ou les modalités de sa constitution doivent être adaptés.
Dans le cas visé à l'alinéa 8, 3°, le tribunal détermine le délai dans lequel l'adaptation doit être effectuée. Le jugement est publié par extrait, par les soins du liquidateur, dans les huit jours à compter de sa date :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
Si l'adaptation n'est pas exécutée dans les délais, il est fait application de l'article 2.3.2.59, § 2.
Durant la procédure d'objection, les effets juridiques de la constitution du fonds, déterminées à l'article 2.3.2.54, restent d'application et, le cas échéant, des répartitions intermédiaires ou partielles peuvent être effectuées.
§ 4. L'objection contre des ordonnances du président relatives à un fonds de limitation, autres que celles visées au paragraphe 3, telles que celles qui sont visées à l'article 2.3.2.60, est également portée devant le tribunal de l'entreprise. Cette objection doit être introduite au plus tard trois mois après la date de l'ordonnance. Le cas échéant, ce délai est prolongé conformément à l'article 55 du Code judiciaire.
Le tribunal de l'entreprise juge sur le fond, sans être lié par les ordonnances du président.
§ 5. Le jugement du tribunal relativement à l'objection élevée contre les ordonnances du président concernant le fonds de limitation a autorité de chose jugée vis-à-vis de chacun.
Titel 4. - OPVARENDEN
TITRE 4. - PERSONNES EMBARQUEES
HOOFDSTUK 1. - Schepelingen
CHAPITRE 1er. - Hommes d'équipage
Art. 2.4.1.1. Andere regelgeving
Dit hoofdstuk geldt onverminderd :
1° de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;
2° de wet van 13 juni 2014 tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006.
Dit hoofdstuk geldt onverminderd :
1° de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;
2° de wet van 13 juni 2014 tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006.
Art. 2.4.1.1. Autre réglementation
Le présent chapitre est applicable sans préjudices'applique sous réserve :
1° l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande;
2° la loi du 13 juin 2014 d'exécution et de contrôle de l'application de la Convention du travail maritime 2006.
Le présent chapitre est applicable sans préjudices'applique sous réserve :
1° l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande;
2° la loi du 13 juin 2014 d'exécution et de contrôle de l'application de la Convention du travail maritime 2006.
Art. 2.4.1.2. Arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst
De arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst wordt beheerst door, naargelang het geval :
1° de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser;
2° titel VI van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen.
De wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten is van toepassing op de arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst waarop de wetten bedoeld in het eerste lid niet van toepassing zijn.
De arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst wordt beheerst door, naargelang het geval :
1° de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser;
2° titel VI van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen.
De wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten is van toepassing op de arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst waarop de wetten bedoeld in het eerste lid niet van toepassing zijn.
Art. 2.4.1.2. Contrat d'engagement maritime
Le contrat d'engagement maritime est régi, selon le cas, par :
1° la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur;
2° le titre VI de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail.
La loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail s'applique aux contrats d'engagements maritime auxquels les lois visées à l'alinéa 1er ne sont pas d'application.
Le contrat d'engagement maritime est régi, selon le cas, par :
1° la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur;
2° le titre VI de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail.
La loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail s'applique aux contrats d'engagements maritime auxquels les lois visées à l'alinéa 1er ne sont pas d'application.
HOOFDSTUK 2. - Gezagvoerders
CHAPITRE 2. - Commandants
Art. 2.4.2.1. Internationale toepassing
§ 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle gezagvoerders van Belgische zeeschepen.
§ 2. De artikel en 2.4.2.7, 2.4.2.9, 2.4.2.10, 2.4.2.11 en 2.4.2.12 zijn [1 uitsluitend]1 van toepassing op de rechtspleging in België.
§ 3. De taken en bevoegdheden van gezagvoerders van vreemde zeeschepen en de vraag of zij de scheepseigenaar, de reder of de scheepsgebruiker jegens derden kunnen binden, worden beheerst door :
1° het recht van de Staat van rompbevrachtingsregistratie op het ogenblik waarop de gezagvoerder de handeling stelt;
2° bij gebreke van rompbevrachtingsregistratie, door het recht van de Staat waar het zeeschip geregistreerd [1 ...]1 is op het ogenblik waarop de gezagvoerder de handeling stelt;
3° bij gebreke van registratie [1 ...]1, door het recht van de Staat waar op het ogenblik waarop de gezagvoerder de handeling stelt de thuishaven van het zeeschip is gelegen;
4° bij gebreke van een thuishaven, door het recht van de Staat waar het zeeschip gewoonlijk wordt gebruikt of, indien die Staat niet kan worden vastgesteld, door het recht van de Staat waar het zeeschip zich bevindt op het ogenblik waarop de gezagvoerder de handeling stelt.
Ingeval uit de toepassing van het eerste lid geen binding van de scheepseigenaar, de reder of de scheepsgebruiker jegens de derde volgt, wordt, zo dat wel tot binding leidt, het recht toegepast van de Staat in de wateren waarvan het zeeschip zich bevond op het ogenblik van de levering van het goed of de dienst.
§ 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle gezagvoerders van Belgische zeeschepen.
§ 2. De artikel en 2.4.2.7, 2.4.2.9, 2.4.2.10, 2.4.2.11 en 2.4.2.12 zijn [1 uitsluitend]1 van toepassing op de rechtspleging in België.
§ 3. De taken en bevoegdheden van gezagvoerders van vreemde zeeschepen en de vraag of zij de scheepseigenaar, de reder of de scheepsgebruiker jegens derden kunnen binden, worden beheerst door :
1° het recht van de Staat van rompbevrachtingsregistratie op het ogenblik waarop de gezagvoerder de handeling stelt;
2° bij gebreke van rompbevrachtingsregistratie, door het recht van de Staat waar het zeeschip geregistreerd [1 ...]1 is op het ogenblik waarop de gezagvoerder de handeling stelt;
3° bij gebreke van registratie [1 ...]1, door het recht van de Staat waar op het ogenblik waarop de gezagvoerder de handeling stelt de thuishaven van het zeeschip is gelegen;
4° bij gebreke van een thuishaven, door het recht van de Staat waar het zeeschip gewoonlijk wordt gebruikt of, indien die Staat niet kan worden vastgesteld, door het recht van de Staat waar het zeeschip zich bevindt op het ogenblik waarop de gezagvoerder de handeling stelt.
Ingeval uit de toepassing van het eerste lid geen binding van de scheepseigenaar, de reder of de scheepsgebruiker jegens de derde volgt, wordt, zo dat wel tot binding leidt, het recht toegepast van de Staat in de wateren waarvan het zeeschip zich bevond op het ogenblik van de levering van het goed of de dienst.
Art. 2.4.2.1. Application internationale
§ 1er. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent à tous les commandants de navires de mer belges.
§ 2. Les articles 2.4.2.7, 2.4.2.9, 2.4.2.10, 2.4.2.11 et 2.4.2.12. sont applicables [1 exclusivement]1 à la procédure en Belgique.
§ 3. Les tâches et pouvoirs des commandants de navires de mer étrangers et la question de savoir s'ils peuvent engager le propriétaire du navire, l'armateur ou l'utilisateur du navire envers les tiers, sont régis par :
1° le droit de l'Etat de l'enregistrement d'affrètement coque nue au moment où le commandant accomplit l'acte;
2° à défaut d'enregistrement d'affrètement coque nue, par le droit de l'Etat où le navire de mer est enregistré [1 ...]1 au moment où le commandant accomplit l'acte;
3° à défaut d'enregistrement [1 ...]1, par le droit de l'Etat où se trouve, au moment où le commandant accomplit l'acte, le port d'attache du navire de mer;
4° à défaut d'un port d'attache, par le droit de l'Etat où le navire de mer est utilisé habituellement ou, si cet Etat ne peut être déterminé, par le droit de l'Etat où le navire de mer se trouve au moment où le commandant accomplit l'acte.
Au cas où aucun engagement du propriétaire du navire, de l'armateur ou de l'utilisateur du navire à l'égard de tiers ne suivrait après application de l'alinéa 1er, il sera fait application, au cas où cela entraînerait un engagement, du droit de l'Etat dans les eaux desquelles se trouvait le navire de mer au moment de la livraison du bien ou du service.
§ 1er. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent à tous les commandants de navires de mer belges.
§ 2. Les articles 2.4.2.7, 2.4.2.9, 2.4.2.10, 2.4.2.11 et 2.4.2.12. sont applicables [1 exclusivement]1 à la procédure en Belgique.
§ 3. Les tâches et pouvoirs des commandants de navires de mer étrangers et la question de savoir s'ils peuvent engager le propriétaire du navire, l'armateur ou l'utilisateur du navire envers les tiers, sont régis par :
1° le droit de l'Etat de l'enregistrement d'affrètement coque nue au moment où le commandant accomplit l'acte;
2° à défaut d'enregistrement d'affrètement coque nue, par le droit de l'Etat où le navire de mer est enregistré [1 ...]1 au moment où le commandant accomplit l'acte;
3° à défaut d'enregistrement [1 ...]1, par le droit de l'Etat où se trouve, au moment où le commandant accomplit l'acte, le port d'attache du navire de mer;
4° à défaut d'un port d'attache, par le droit de l'Etat où le navire de mer est utilisé habituellement ou, si cet Etat ne peut être déterminé, par le droit de l'Etat où le navire de mer se trouve au moment où le commandant accomplit l'acte.
Au cas où aucun engagement du propriétaire du navire, de l'armateur ou de l'utilisateur du navire à l'égard de tiers ne suivrait après application de l'alinéa 1er, il sera fait application, au cas où cela entraînerait un engagement, du droit de l'Etat dans les eaux desquelles se trouvait le navire de mer au moment de la livraison du bien ou du service.
Wijzigingen
Art. 2.4.2.2. Andere regelgeving
§ 1. Artikel 108 van het Wetboek van internationaal privaatrecht is niet op de vertegenwoordiging door de gezagvoerder van toepassing.
§ 2. Hoofdstuk I van titel IV van boek III van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de handelingen die de door een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst verbonden gezagvoerder stelt overeenkomstig artikel 2.4.2.5, § 1, 3°.
§ 3. Titel XIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de vertegenwoordiging door de kapitein bedoeld in artikel 2.4.2.6, § 2, 1°.
§ 4. De artikel en 1329 en 1330 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op de scheepsboeken.
§ 1. Artikel 108 van het Wetboek van internationaal privaatrecht is niet op de vertegenwoordiging door de gezagvoerder van toepassing.
§ 2. Hoofdstuk I van titel IV van boek III van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de handelingen die de door een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst verbonden gezagvoerder stelt overeenkomstig artikel 2.4.2.5, § 1, 3°.
§ 3. Titel XIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de vertegenwoordiging door de kapitein bedoeld in artikel 2.4.2.6, § 2, 1°.
§ 4. De artikel en 1329 en 1330 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op de scheepsboeken.
Art. 2.4.2.2. Autre réglementation
§ 1er. L'article 108 du Code du droit international privé n'est pas applicable à la représentation par le commandant.
§ 2. Le chapitre I du titre IV du livre III du Code civil n'est pas applicable aux actes que le commandant lié par un contrat d'engagement maritime accomplit conformément à l'article 2.4.2.5, § 1er, 3°.
§ 3. Le titre XIII du livre III du Code civil n'est pas applicable à la représentation par le capitaine visée à l'article 2.4.2.6, § 2, 1°.
§ 4. Les articles 1329 et 1330 du Code civil ne sont pas applicables aux livres de bord.
§ 1er. L'article 108 du Code du droit international privé n'est pas applicable à la représentation par le commandant.
§ 2. Le chapitre I du titre IV du livre III du Code civil n'est pas applicable aux actes que le commandant lié par un contrat d'engagement maritime accomplit conformément à l'article 2.4.2.5, § 1er, 3°.
§ 3. Le titre XIII du livre III du Code civil n'est pas applicable à la représentation par le capitaine visée à l'article 2.4.2.6, § 2, 1°.
§ 4. Les articles 1329 et 1330 du Code civil ne sont pas applicables aux livres de bord.
Art. 2.4.2.3. Afwijkende bedingen
§ 1. Nietig zijn de bedingen in een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst of een andere overeenkomst die :
1° de gezagvoerder ontheffen van één of meer van de in artikel 2.4.2.5 bepaalde taken;
2° de in de artikel en 2.4.2.5, 2.4.2.6 en 2.4.2.7 bepaalde vertegenwoordigingsbevoegdheden van de gezagvoerder tenietdoen of beperken;
3° de door of krachtens de wet aan de gezagvoerder toegekende bevoegdheden tenietdoen of beperken.
§ 2. Paragraaf 1 geldt niet voor :
1° door de werkgever en de gezagvoerder overeengekomen bedingen waardoor de taken van deze laatste in verband met de behartiging van de belangen van de scheepseigenaar en de reder worden bepaald of waarin de bevoegdheid van de kapitein om overeenkomstig artikel 2.4.2.6, § 1, 4° en § 7 volmachten te ontvangen van een scheepsgebruiker, een ladingbelanghebbende of een opvarende wordt tenietgedaan of beperkt;
2° door de scheepseigenaar, de reder of de scheepsgebruiker wettig met de ladingbelanghebbenden gesloten overeenkomsten waarin de taken van de gezagvoerder in verband met de behartiging van de belangen van de lading worden bepaald;
3° bevrachtingovereenkomsten waarin de rechtsverhouding tussen de gezagvoerder en de onderscheiden partijen bij die overeenkomst worden bepaald.
De in het eerste lid, onder de punten 2° en 3° bedoelde overeenkomsten zijn pas tegenstelbaar aan de gezagvoerder zodra hem een afschrift bezorgd is van dat geschrift.
§ 1. Nietig zijn de bedingen in een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst of een andere overeenkomst die :
1° de gezagvoerder ontheffen van één of meer van de in artikel 2.4.2.5 bepaalde taken;
2° de in de artikel en 2.4.2.5, 2.4.2.6 en 2.4.2.7 bepaalde vertegenwoordigingsbevoegdheden van de gezagvoerder tenietdoen of beperken;
3° de door of krachtens de wet aan de gezagvoerder toegekende bevoegdheden tenietdoen of beperken.
§ 2. Paragraaf 1 geldt niet voor :
1° door de werkgever en de gezagvoerder overeengekomen bedingen waardoor de taken van deze laatste in verband met de behartiging van de belangen van de scheepseigenaar en de reder worden bepaald of waarin de bevoegdheid van de kapitein om overeenkomstig artikel 2.4.2.6, § 1, 4° en § 7 volmachten te ontvangen van een scheepsgebruiker, een ladingbelanghebbende of een opvarende wordt tenietgedaan of beperkt;
2° door de scheepseigenaar, de reder of de scheepsgebruiker wettig met de ladingbelanghebbenden gesloten overeenkomsten waarin de taken van de gezagvoerder in verband met de behartiging van de belangen van de lading worden bepaald;
3° bevrachtingovereenkomsten waarin de rechtsverhouding tussen de gezagvoerder en de onderscheiden partijen bij die overeenkomst worden bepaald.
De in het eerste lid, onder de punten 2° en 3° bedoelde overeenkomsten zijn pas tegenstelbaar aan de gezagvoerder zodra hem een afschrift bezorgd is van dat geschrift.
Art. 2.4.2.3. Clauses dérogatoires
§ 1er. Sont nulles les clauses figurant dans un contrat d'engagement maritime ou un autre contrat qui :
1° dispensent le commandant d'une ou de plusieurs des tâches stipulées à l'article 2.4.2.5;
2° annulent ou limitent les pouvoirs de représentation du commandant stipulés aux articles 2.4.2.5, 2.4.2.6 et 2.4.2.7;
3° annulent ou limitent les pouvoirs attribués au commandant par la loi ou en vertu de celle-ci.
§ 2. Le paragraphe 1er n'est pas applicable aux :
1° clauses convenues par l'employeur et le commandant déterminant les tâches de ce dernier relatives à la défense des intérêts du propriétaire du navire et de l'armateur ou qui visent à annuler ou à limiter le pouvoir du capitaine de se voir confier des mandats conformément à l'article 2.4.2.6, § 1er, 4° et § 7 par un utilisateur de navire, par un intéressé à la cargaison ou par une personne à bord;
2° conventions conclues valablement par le propriétaire du navire, l'armateur ou l'utilisateur du navire avec les intéressés à la cargaison, déterminant les tâches du commandant quant à la défense des intérêts de la cargaison;
3° les contrats d'affrètement déterminant la relation juridique entre le commandant et les différentes parties au contrat.
Les conventions visées à l'alinéa 1er sous 2° et 3°, sont constatées par écrit et ne sont opposables au commandant qu'à partir du moment où copie de cet écrit lui a été communiquée.
§ 1er. Sont nulles les clauses figurant dans un contrat d'engagement maritime ou un autre contrat qui :
1° dispensent le commandant d'une ou de plusieurs des tâches stipulées à l'article 2.4.2.5;
2° annulent ou limitent les pouvoirs de représentation du commandant stipulés aux articles 2.4.2.5, 2.4.2.6 et 2.4.2.7;
3° annulent ou limitent les pouvoirs attribués au commandant par la loi ou en vertu de celle-ci.
§ 2. Le paragraphe 1er n'est pas applicable aux :
1° clauses convenues par l'employeur et le commandant déterminant les tâches de ce dernier relatives à la défense des intérêts du propriétaire du navire et de l'armateur ou qui visent à annuler ou à limiter le pouvoir du capitaine de se voir confier des mandats conformément à l'article 2.4.2.6, § 1er, 4° et § 7 par un utilisateur de navire, par un intéressé à la cargaison ou par une personne à bord;
2° conventions conclues valablement par le propriétaire du navire, l'armateur ou l'utilisateur du navire avec les intéressés à la cargaison, déterminant les tâches du commandant quant à la défense des intérêts de la cargaison;
3° les contrats d'affrètement déterminant la relation juridique entre le commandant et les différentes parties au contrat.
Les conventions visées à l'alinéa 1er sous 2° et 3°, sont constatées par écrit et ne sont opposables au commandant qu'à partir du moment où copie de cet écrit lui a été communiquée.
Art. 2.4.2.4. Rechtspositie
De overeenkomst waarbij de gezagvoerder zich er tegenover een scheepseigenaar of reder toe verbindt om tegen betaling van een loon het bevel te voeren over een zeeschip, is een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst.
De overeenkomst waarbij de gezagvoerder zich er tegenover een scheepseigenaar of reder toe verbindt om tegen betaling van een loon het bevel te voeren over een zeeschip, is een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst.
Art. 2.4.2.4. Position juridique
La convention par laquelle le commandant s'engage envers un propriétaire de navire ou un armateur à assurer le commandement d'un navire de mer contre paiement d'une rémunération est un contrat d'engagement maritime.
La convention par laquelle le commandant s'engage envers un propriétaire de navire ou un armateur à assurer le commandement d'un navire de mer contre paiement d'une rémunération est un contrat d'engagement maritime.
Art. 2.4.2.5. Taken
§ 1. Overeenkomstig de in dit wetboek en andere toepasselijke wetgeving bepaalde regels, de gebruiken en de algemene scheepvaartrechtelijke beginselen, waaronder het goed zeemanschap, is de gezagvoerder in het bijzonder belast met :
1° het beheer van het zeeschip en de leiding van de navigatie;
2° de uitoefening van het gezag over de opvarenden en in het bijzonder over de bemanning;
3° het behartigen van de belangen van de scheepseigenaar, de reder en de scheepsgebruiker alsmede, waar noodzakelijk, deze van de ladingbelanghebbenden en de opvarenden;
4° het voeren van de vereiste scheepsboeken, het aan boord hebben en beheren van de vereiste scheepsdocumenten en het opstellen, afgeven en in ontvangst nemen, ter nakoming van bestaande verbintenissen of ter bewaring van recht, van vervoersdocumenten, verklaringen, voorbehouden en andere akten;
5° het afleggen van scheepsverklaringen.
§ 2. Overeenkomstig de in dit wetboek en andere toepasselijke wetgeving bepaalde regels is de kapitein in het bijzonder belast met :
1° het stellen van rechtshandelingen voor rekening van de scheepseigenaar, de reder en de scheepsgebruiker;
2° het optreden in rechte voor rekening van de scheepseigenaar, de reder en de scheepsgebruiker overeenkomstig hetgeen bepaald is in artikel 2.4.2.7, § 1;
3° het optreden als openbaar ambtenaar in burgerlijke zaken;
4° de vaststelling van misdrijven en tuchtvergrijpen.
§ 1. Overeenkomstig de in dit wetboek en andere toepasselijke wetgeving bepaalde regels, de gebruiken en de algemene scheepvaartrechtelijke beginselen, waaronder het goed zeemanschap, is de gezagvoerder in het bijzonder belast met :
1° het beheer van het zeeschip en de leiding van de navigatie;
2° de uitoefening van het gezag over de opvarenden en in het bijzonder over de bemanning;
3° het behartigen van de belangen van de scheepseigenaar, de reder en de scheepsgebruiker alsmede, waar noodzakelijk, deze van de ladingbelanghebbenden en de opvarenden;
4° het voeren van de vereiste scheepsboeken, het aan boord hebben en beheren van de vereiste scheepsdocumenten en het opstellen, afgeven en in ontvangst nemen, ter nakoming van bestaande verbintenissen of ter bewaring van recht, van vervoersdocumenten, verklaringen, voorbehouden en andere akten;
5° het afleggen van scheepsverklaringen.
§ 2. Overeenkomstig de in dit wetboek en andere toepasselijke wetgeving bepaalde regels is de kapitein in het bijzonder belast met :
1° het stellen van rechtshandelingen voor rekening van de scheepseigenaar, de reder en de scheepsgebruiker;
2° het optreden in rechte voor rekening van de scheepseigenaar, de reder en de scheepsgebruiker overeenkomstig hetgeen bepaald is in artikel 2.4.2.7, § 1;
3° het optreden als openbaar ambtenaar in burgerlijke zaken;
4° de vaststelling van misdrijven en tuchtvergrijpen.
Art. 2.4.2.5. Tâches
§ 1er. Conformément aux règles du présent code et autres lois applicables, aux usages et aux principes généraux du droit de la navigation, dont l'art de la navigation, le commandant est en particulier chargé;
1° de gérer le navire de mer et de commander la navigation;
2° d'exercer son autorité sur les personnes embarquées et en particulier sur l'équipage;
3° de défendre les intérêts du propriétaire du navire, de l'armateur et de l'utilisateur du navire, ainsi que, là où il y a lieu, ceux des intéressés à la cargaison et des personnes embarquées;
4° de tenir les livres de bord requis, de conserver à bord et de gérer les documents de navigation requis, de rédiger, délivrer et recevoir des documents de transport, déclarations, réserves et autres actes afin de respecter les obligations existantes ou de conserver des droits;
5° de déposer des rapports.
§ 2. Conformément aux dispositions reprises dans le présent code et autres lois d'application, le capitaine est en particulier chargé :
1° d'accomplir des actes juridiques pour le compte du propriétaire du navire, de l'armateur et de l'utilisateur du navire;
2° d'agir en justice pour le compte du propriétaire du navire, de l'armateur et de l'utilisateur du navire conformément à ce qui est précisé à l'article 2.4.2.7, § 1er;
3° d'agir comme un agent public en affaires civiles;
4° de constater des délits et des fautes de discipline.
§ 1er. Conformément aux règles du présent code et autres lois applicables, aux usages et aux principes généraux du droit de la navigation, dont l'art de la navigation, le commandant est en particulier chargé;
1° de gérer le navire de mer et de commander la navigation;
2° d'exercer son autorité sur les personnes embarquées et en particulier sur l'équipage;
3° de défendre les intérêts du propriétaire du navire, de l'armateur et de l'utilisateur du navire, ainsi que, là où il y a lieu, ceux des intéressés à la cargaison et des personnes embarquées;
4° de tenir les livres de bord requis, de conserver à bord et de gérer les documents de navigation requis, de rédiger, délivrer et recevoir des documents de transport, déclarations, réserves et autres actes afin de respecter les obligations existantes ou de conserver des droits;
5° de déposer des rapports.
§ 2. Conformément aux dispositions reprises dans le présent code et autres lois d'application, le capitaine est en particulier chargé :
1° d'accomplir des actes juridiques pour le compte du propriétaire du navire, de l'armateur et de l'utilisateur du navire;
2° d'agir en justice pour le compte du propriétaire du navire, de l'armateur et de l'utilisateur du navire conformément à ce qui est précisé à l'article 2.4.2.7, § 1er;
3° d'agir comme un agent public en affaires civiles;
4° de constater des délits et des fautes de discipline.
Art. 2.4.2.6. Vertegenwoordiging
§ 1. De kapitein is bevoegd om de in artikel 2.4.2.5, § 2, 1° bedoelde rechtshandelingen te stellen :
1° in dringende gevallen, met het oog op de bewaring van de rechten van de belanghebbende partijen;
2° in andere gevallen, indien hij van de scheepseigenaar, de reder of de scheepsgebruiker geen of geen tijdige onderrichtingen kon verkrijgen en hij de rechtshandeling, desgevallend een daad van beschikking, noodzakelijk acht voor het beheer van het zeeschip, de goede afloop van de reis, in het belang van de scheepseigenaar, de reder, de scheepsgebruiker, de ladingbelanghebbenden of de opvarenden, of met het oog op het behoud of de bescherming van het milieu;
3° ingeval hij daartoe machtiging ontvangt van de rechter, de consul of een andere bevoegde overheid;
4° ingeval hij daartoe een uitdrukkelijke volmacht ontvangt;
5° in andere door of krachtens de wet bepaalde gevallen.
§ 2. [1 De kapitein is ertoe verplicht om aan de derden waarmee men handelt kennis te geven van zijn hoedanigheid als kapitein en van de naam van het zeeschip en de naam van de scheepseigenaar.]1
§ 3. Op voorwaarde dat het door paragraaf 2 opgelegde voorschrift wordt nageleefd, worden de in paragraaf 1 bedoelde rechtshandelingen gesteld voor rekening van de partij die door de kapitein werd vertegenwoordigd.
Deze partij is ertoe gehouden :
1° de verbintenissen na te komen die uit de rechtshandeling voortvloeien, tenzij de derde ervan op de hoogte was of behoorde te zijn dat de kapitein niet bevoegd was om te handelen;
2° aan de kapitein de door hem betaalde voorschotten en kosten te vergoeden.
De scheepseigenaar staat voor de verbintenissen aangegaan door de kapitein in overeenkomstig artikel 2.3.1.22.
De kapitein staat, binnen de perken van zijn persoonlijke aansprakelijkheid, in voor de handelingen die hij stelde zonder hiervoor bevoegd te zijn. .
§ 4. Aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de kapitein wordt geen afbreuk gedaan door de aanduiding door de scheepseigenaar, de reder of de scheepsgebruiker van een scheepsagent.
§ 5. In afwijking van artikel 2.4.2.2, § 3, zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de lastgeving, voor zover de partijen geen afwijkend beding zijn overeengekomen, van toepassing op de vertegenwoordiging bedoeld in § 1, 4° en op de uitdrukkelijke volmachten die de kapitein desgevallend ontvangt van een ladingbelanghebbende of een opvarende.
§ 6. De paragrafen 2, 3, 4 en 5 zijn eveneens van toepassing op de vertegenwoordiging bij het stellen van rechtshandelingen in uitvoering van artikel 2.4.2.5, § 1, 4°.
§ 7. Buiten het geval bedoeld in artikel 2.4.2.5, § 1, 4° kunnen andere gezagvoerders dan de kapitein ter uitoefening van hun in artikel 2.4.2.5, § 1, 3° bepaalde taak, voor rekening van de belanghebbenden rechtshandelingen stellen overeenkomstig het landrecht.
§ 1. De kapitein is bevoegd om de in artikel 2.4.2.5, § 2, 1° bedoelde rechtshandelingen te stellen :
1° in dringende gevallen, met het oog op de bewaring van de rechten van de belanghebbende partijen;
2° in andere gevallen, indien hij van de scheepseigenaar, de reder of de scheepsgebruiker geen of geen tijdige onderrichtingen kon verkrijgen en hij de rechtshandeling, desgevallend een daad van beschikking, noodzakelijk acht voor het beheer van het zeeschip, de goede afloop van de reis, in het belang van de scheepseigenaar, de reder, de scheepsgebruiker, de ladingbelanghebbenden of de opvarenden, of met het oog op het behoud of de bescherming van het milieu;
3° ingeval hij daartoe machtiging ontvangt van de rechter, de consul of een andere bevoegde overheid;
4° ingeval hij daartoe een uitdrukkelijke volmacht ontvangt;
5° in andere door of krachtens de wet bepaalde gevallen.
§ 2. [1 De kapitein is ertoe verplicht om aan de derden waarmee men handelt kennis te geven van zijn hoedanigheid als kapitein en van de naam van het zeeschip en de naam van de scheepseigenaar.]1
§ 3. Op voorwaarde dat het door paragraaf 2 opgelegde voorschrift wordt nageleefd, worden de in paragraaf 1 bedoelde rechtshandelingen gesteld voor rekening van de partij die door de kapitein werd vertegenwoordigd.
Deze partij is ertoe gehouden :
1° de verbintenissen na te komen die uit de rechtshandeling voortvloeien, tenzij de derde ervan op de hoogte was of behoorde te zijn dat de kapitein niet bevoegd was om te handelen;
2° aan de kapitein de door hem betaalde voorschotten en kosten te vergoeden.
De scheepseigenaar staat voor de verbintenissen aangegaan door de kapitein in overeenkomstig artikel 2.3.1.22.
De kapitein staat, binnen de perken van zijn persoonlijke aansprakelijkheid, in voor de handelingen die hij stelde zonder hiervoor bevoegd te zijn. .
§ 4. Aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de kapitein wordt geen afbreuk gedaan door de aanduiding door de scheepseigenaar, de reder of de scheepsgebruiker van een scheepsagent.
§ 5. In afwijking van artikel 2.4.2.2, § 3, zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de lastgeving, voor zover de partijen geen afwijkend beding zijn overeengekomen, van toepassing op de vertegenwoordiging bedoeld in § 1, 4° en op de uitdrukkelijke volmachten die de kapitein desgevallend ontvangt van een ladingbelanghebbende of een opvarende.
§ 6. De paragrafen 2, 3, 4 en 5 zijn eveneens van toepassing op de vertegenwoordiging bij het stellen van rechtshandelingen in uitvoering van artikel 2.4.2.5, § 1, 4°.
§ 7. Buiten het geval bedoeld in artikel 2.4.2.5, § 1, 4° kunnen andere gezagvoerders dan de kapitein ter uitoefening van hun in artikel 2.4.2.5, § 1, 3° bepaalde taak, voor rekening van de belanghebbenden rechtshandelingen stellen overeenkomstig het landrecht.
Art. 2.4.2.6. Représentation
§ 1er. Le capitaine a le pouvoir d'accomplir les actes juridiques visés à l'article 2.4.2.5, § 2, 1° :
1° en cas d'urgence, afin de sauvegarder les droits des parties intéressées;
2° dans d'autres cas, s'il n'a pas reçu ou pas reçu à temps des instructions du propriétaire du navire, de l'armateur ou de l'utilisateur du navire, et qu'il juge l'acte juridique, voire un acte de disposition, nécessaire pour la gestion du navire de mer, l'issue du voyage, dans l'intérêt du propriétaire, de l'armateur, de l'utilisateur du navire, des intéressés à la cargaison ou des personnes embarquées, ou en vue de la conservation ou de la protection de l'environnement;
3° lorsqu'il a été mandaté à cet effet par le juge, le consul ou une autre autorité compétente;
4° lorsqu'il a reçu un mandat exprès à cet effet;
5° dans d'autres cas mentionnés par la loi ou en vertu de celle-ci.
§ 2. [1 Le capitaine est tenu d'informer les tiers avec lesquels on agit de sa qualité de capitaine et de leur communiquer le nom du propriétaire du navire de mer et le nom du navire.]1
§ 3. A la condition de respecter la prescription du paragraphe 2, les actes juridiques visés au paragraphe 1er sont accomplis pour le compte de la partie représentée par le capitaine.
Cette partie est tenue :
1° de respecter ses obligations découlant de l'acte juridique, sauf si le tiers savait ou aurait dû savoir que le capitaine n'en avait pas le pouvoir d'agir;
2° de rembourser au capitaine les avances et les frais engagés par lui.
Le propriétaire du navire est tenu de respecter les obligations conclues par le capitaine conformément à l'article 2.3.1.22.
Le capitaine est responsable, dans les limites de sa responsabilité personnelle, pour des actes qu'il a accomplis sans y être autorisé.
§ 4. Il n'est pas porté atteinte au pouvoir de représentation du capitaine par la désignation d'un agent maritime par le propriétaire du navire, l'armateur ou l'utilisateur du navire.
§ 5. En dérogation à l'article 2.4.2.2, § 3, dans la mesure où les parties n'ont pas stipulé de clause dérogatoire, les dispositions du Code civil relatives au mandat sont d'application à la représentation visée au § 1er, 4°, ou aux pouvoirs exprès que le capitaine reçoit le cas échéant d'un intéressé à la cargaison ou d'une personne embarquée.
§ 6. Les paragraphes 2, 3, 4 et 5 sont également d'application à la représentation lors de l'accomplissement d'actes juridiques en exécution de l'article 2.4.2.5, § 1er, 4°.
§ 7. Sauf le cas visé à l'article 2.4.2.5, § 1er, 4°, les autres commandants que le capitaine peuvent, en exécution de la tâche visée à l'article 2.4.2.5, § 1er, 3°, accomplir des actes pour le compte de personnes intéressées conformément au droit terrestre.
§ 1er. Le capitaine a le pouvoir d'accomplir les actes juridiques visés à l'article 2.4.2.5, § 2, 1° :
1° en cas d'urgence, afin de sauvegarder les droits des parties intéressées;
2° dans d'autres cas, s'il n'a pas reçu ou pas reçu à temps des instructions du propriétaire du navire, de l'armateur ou de l'utilisateur du navire, et qu'il juge l'acte juridique, voire un acte de disposition, nécessaire pour la gestion du navire de mer, l'issue du voyage, dans l'intérêt du propriétaire, de l'armateur, de l'utilisateur du navire, des intéressés à la cargaison ou des personnes embarquées, ou en vue de la conservation ou de la protection de l'environnement;
3° lorsqu'il a été mandaté à cet effet par le juge, le consul ou une autre autorité compétente;
4° lorsqu'il a reçu un mandat exprès à cet effet;
5° dans d'autres cas mentionnés par la loi ou en vertu de celle-ci.
§ 2. [1 Le capitaine est tenu d'informer les tiers avec lesquels on agit de sa qualité de capitaine et de leur communiquer le nom du propriétaire du navire de mer et le nom du navire.]1
§ 3. A la condition de respecter la prescription du paragraphe 2, les actes juridiques visés au paragraphe 1er sont accomplis pour le compte de la partie représentée par le capitaine.
Cette partie est tenue :
1° de respecter ses obligations découlant de l'acte juridique, sauf si le tiers savait ou aurait dû savoir que le capitaine n'en avait pas le pouvoir d'agir;
2° de rembourser au capitaine les avances et les frais engagés par lui.
Le propriétaire du navire est tenu de respecter les obligations conclues par le capitaine conformément à l'article 2.3.1.22.
Le capitaine est responsable, dans les limites de sa responsabilité personnelle, pour des actes qu'il a accomplis sans y être autorisé.
§ 4. Il n'est pas porté atteinte au pouvoir de représentation du capitaine par la désignation d'un agent maritime par le propriétaire du navire, l'armateur ou l'utilisateur du navire.
§ 5. En dérogation à l'article 2.4.2.2, § 3, dans la mesure où les parties n'ont pas stipulé de clause dérogatoire, les dispositions du Code civil relatives au mandat sont d'application à la représentation visée au § 1er, 4°, ou aux pouvoirs exprès que le capitaine reçoit le cas échéant d'un intéressé à la cargaison ou d'une personne embarquée.
§ 6. Les paragraphes 2, 3, 4 et 5 sont également d'application à la représentation lors de l'accomplissement d'actes juridiques en exécution de l'article 2.4.2.5, § 1er, 4°.
§ 7. Sauf le cas visé à l'article 2.4.2.5, § 1er, 4°, les autres commandants que le capitaine peuvent, en exécution de la tâche visée à l'article 2.4.2.5, § 1er, 3°, accomplir des actes pour le compte de personnes intéressées conformément au droit terrestre.
Wijzigingen
Art. 2.4.2.7. Vertegenwoordiging in rechte
§ 1. De kapitein is bevoegd om de scheepseigenaar, de reder en de scheepsgebruiker in rechte te vertegenwoordigen als eiser of verweerder in alle zaken die het schip betreffen waarover hij het bevel voert of die met het door hem over dat zeeschip gevoerde bevel verband houden.
Als eiser kan de kapitein evenwel slechts optreden in de gevallen bedoeld in artikel 2.4.2.6, § 1 en op voorwaarde dat in de gedinginleidende akte zijn hoedanigheid van kapitein en de naam van het betrokken zeeschip worden vermeld.
Tenzij de kapitein in de door hem uitgebrachte gedinginleidende akte verklaart op te treden voor de reder of de scheepsgebruiker, en diens naam en woonplaats of zetel vermeldt, wordt hij onweerlegbaar vermoed op te treden voor de scheepseigenaar.
Behoudens andersluidende vermelding, met opgave van naam en woonplaats of zetel van de aangesproken reder of scheepsgebruiker, wordt onweerlegbaar vermoed dat in een aan de kapitein als verweerder gerichte gedinginleidende akte de scheepseigenaar wordt aangesproken.
De kapitein geeft van de door en tegen hem als vertegenwoordiger ingeleide gedingen zo spoedig mogelijk kennis aan de de partijen voor wie hij in rechte optreedt, welke het geding te allen tijde in eigen naam kunnen verderzetten.
§ 2. Door of tegen de kapitein als vertegenwoordiger verkregen vonnissen worden geacht te zijn verkregen door of tegen de partij voor wie hij in rechte is opgetreden.
§ 3. Andere gezagvoerders dan de kapitein kunnen slechts gerechtelijke vertegenwoordingsbevoegdheid uitoefenen overeenkomstig het landrecht.
§ 1. De kapitein is bevoegd om de scheepseigenaar, de reder en de scheepsgebruiker in rechte te vertegenwoordigen als eiser of verweerder in alle zaken die het schip betreffen waarover hij het bevel voert of die met het door hem over dat zeeschip gevoerde bevel verband houden.
Als eiser kan de kapitein evenwel slechts optreden in de gevallen bedoeld in artikel 2.4.2.6, § 1 en op voorwaarde dat in de gedinginleidende akte zijn hoedanigheid van kapitein en de naam van het betrokken zeeschip worden vermeld.
Tenzij de kapitein in de door hem uitgebrachte gedinginleidende akte verklaart op te treden voor de reder of de scheepsgebruiker, en diens naam en woonplaats of zetel vermeldt, wordt hij onweerlegbaar vermoed op te treden voor de scheepseigenaar.
Behoudens andersluidende vermelding, met opgave van naam en woonplaats of zetel van de aangesproken reder of scheepsgebruiker, wordt onweerlegbaar vermoed dat in een aan de kapitein als verweerder gerichte gedinginleidende akte de scheepseigenaar wordt aangesproken.
De kapitein geeft van de door en tegen hem als vertegenwoordiger ingeleide gedingen zo spoedig mogelijk kennis aan de de partijen voor wie hij in rechte optreedt, welke het geding te allen tijde in eigen naam kunnen verderzetten.
§ 2. Door of tegen de kapitein als vertegenwoordiger verkregen vonnissen worden geacht te zijn verkregen door of tegen de partij voor wie hij in rechte is opgetreden.
§ 3. Andere gezagvoerders dan de kapitein kunnen slechts gerechtelijke vertegenwoordingsbevoegdheid uitoefenen overeenkomstig het landrecht.
Art. 2.4.2.7. Représentation en justice
§ 1er. Le capitaine a le pouvoir de représenter le propriétaire du navire, l'armateur et l'utilisateur du navire en justice, tant en demandant qu'en défendant dans toutes les causes concernant le navire sous son commandement ou dans toutes les causes ayant trait au commandement exercé sur ce navire de mer.
Le capitaine ne peut cependant agir comme demandeur que dans les cas visés à l'article 2.4.2.6, § 1er et à la condition que sa qualité de capitaine et le nom du navire de mer concerné soient mentionnés dans l'acte introductif d'instance.
Sauf si le capitaine déclare, dans l'acte introductif d'instance émanant de lui, représenter l'armateur ou l'utilisateur du navire, avec indication du nom et du domicile ou du siège de celui-ci, il est irréfutablement réputé représenter le propriétaire du navire.
Sauf mention dérogatoire, avec indication du nom et du domicile ou du siège de l'armateur ou de l'utilisateur du navire cité, il est présumé de manière irréfragable que le propriétaire du navire est cité dans un acte introductif d'instance adressé au capitaine en tant que défendeur.
Le capitaine informe, dans les plus brefs délais, la les parties qu'il représente en justice des causes intentées par et contre lui en tant que représentant de ces parties, qui peut/peuvent en tout temps poursuivre la cause en son/leur propre nom.
§ 2. Les jugements obtenus par ou contre le capitaine en tant que représentant sont réputés avoir été obtenus par ou contre la partie pour qui il a agi en justice.
§ 3. D'autres commandants que le capitaine ne peuvent exercer leur pouvoir de représentation judiciaire que conformément au droit terrestre.
§ 1er. Le capitaine a le pouvoir de représenter le propriétaire du navire, l'armateur et l'utilisateur du navire en justice, tant en demandant qu'en défendant dans toutes les causes concernant le navire sous son commandement ou dans toutes les causes ayant trait au commandement exercé sur ce navire de mer.
Le capitaine ne peut cependant agir comme demandeur que dans les cas visés à l'article 2.4.2.6, § 1er et à la condition que sa qualité de capitaine et le nom du navire de mer concerné soient mentionnés dans l'acte introductif d'instance.
Sauf si le capitaine déclare, dans l'acte introductif d'instance émanant de lui, représenter l'armateur ou l'utilisateur du navire, avec indication du nom et du domicile ou du siège de celui-ci, il est irréfutablement réputé représenter le propriétaire du navire.
Sauf mention dérogatoire, avec indication du nom et du domicile ou du siège de l'armateur ou de l'utilisateur du navire cité, il est présumé de manière irréfragable que le propriétaire du navire est cité dans un acte introductif d'instance adressé au capitaine en tant que défendeur.
Le capitaine informe, dans les plus brefs délais, la les parties qu'il représente en justice des causes intentées par et contre lui en tant que représentant de ces parties, qui peut/peuvent en tout temps poursuivre la cause en son/leur propre nom.
§ 2. Les jugements obtenus par ou contre le capitaine en tant que représentant sont réputés avoir été obtenus par ou contre la partie pour qui il a agi en justice.
§ 3. D'autres commandants que le capitaine ne peuvent exercer leur pouvoir de représentation judiciaire que conformément au droit terrestre.
Art. 2.4.2.8. Inlichtingen, onderrichtingen en rekenschap
§ 1. De gezagvoerder is ertoe verplicht naargelang het geval de scheepseigenaar, de reder, de scheepsgebruiker en de andere belanghebbenden :
1° met het oog op het stellen van de in artikel 2.4.2.5, § 1, 3° en § 2, 1° en 2° bedoelde handelingen, waar nodig en indien mogelijk, om onderrichtingen te verzoeken en met hen te overleggen;
2° van de door hem gestelde handelingen op de hoogte te brengen.
§ 2. De gezagvoerder is ertoe verplicht om van zijn bevelvoering, en in het bijzonder van de door hem gestelde handelingen bedoeld in artikel 2.4.2.5, § 1, 3° en § 2, 1° en 2°, aan zijn werkgever rekenschap af te leggen.
§ 1. De gezagvoerder is ertoe verplicht naargelang het geval de scheepseigenaar, de reder, de scheepsgebruiker en de andere belanghebbenden :
1° met het oog op het stellen van de in artikel 2.4.2.5, § 1, 3° en § 2, 1° en 2° bedoelde handelingen, waar nodig en indien mogelijk, om onderrichtingen te verzoeken en met hen te overleggen;
2° van de door hem gestelde handelingen op de hoogte te brengen.
§ 2. De gezagvoerder is ertoe verplicht om van zijn bevelvoering, en in het bijzonder van de door hem gestelde handelingen bedoeld in artikel 2.4.2.5, § 1, 3° en § 2, 1° en 2°, aan zijn werkgever rekenschap af te leggen.
Art. 2.4.2.8. Informations, instructions et reddition de comptes
§ 1. Le commandant est tenu, selon le cas, à l'égard du propriétaire du navire, de l'armateur, de l'utilisateur du navire et d'autres personnes intéressées :
1° de demander des instructions et de se concerter, où il y a lieu et si possible, avec eux en vue d'accomplir les actes visés à l'article 2.4.2.5, § 1er, 3° et § 2, 1° et 2° ;
2° de les informer des actes accomplis par lui.
§ 2. Le commandant est tenu de rendre des comptes à son employeur au sujet de son commandement et en particulier des actes visés à l'article 2.4.2.5, § 1er, 3°, et § 2, 1° et 2°, accomplis par lui.
§ 1. Le commandant est tenu, selon le cas, à l'égard du propriétaire du navire, de l'armateur, de l'utilisateur du navire et d'autres personnes intéressées :
1° de demander des instructions et de se concerter, où il y a lieu et si possible, avec eux en vue d'accomplir les actes visés à l'article 2.4.2.5, § 1er, 3° et § 2, 1° et 2° ;
2° de les informer des actes accomplis par lui.
§ 2. Le commandant est tenu de rendre des comptes à son employeur au sujet de son commandement et en particulier des actes visés à l'article 2.4.2.5, § 1er, 3°, et § 2, 1° et 2°, accomplis par lui.
Art. 2.4.2.9. Scheepsboeken en -akten
§ 1. De scheepseigenaar, de reder en de gezagvoerder moeten aan alle partijen die van een belang doen blijken inzage verlenen van de scheepsboeken en de door de gezagvoerder opgestelde akten en er, tegen kostprijs, een afschrift van verstrekken.
§ 2. Door of krachtens de wet vereiste en regelmatig gevoerde scheepsboeken kunnen door de rechter als bewijsmiddel worden aangenomen, ongeacht of de partijen ondernemingen zijn en of de zaak een handelsverbintenis betreft.
Uit onregelmatig gevoerde scheepsboeken kan de rechter in alle gevallen feitelijke vermoedens afleiden.
§ 1. De scheepseigenaar, de reder en de gezagvoerder moeten aan alle partijen die van een belang doen blijken inzage verlenen van de scheepsboeken en de door de gezagvoerder opgestelde akten en er, tegen kostprijs, een afschrift van verstrekken.
§ 2. Door of krachtens de wet vereiste en regelmatig gevoerde scheepsboeken kunnen door de rechter als bewijsmiddel worden aangenomen, ongeacht of de partijen ondernemingen zijn en of de zaak een handelsverbintenis betreft.
Uit onregelmatig gevoerde scheepsboeken kan de rechter in alle gevallen feitelijke vermoedens afleiden.
Art. 2.4.2.9. Livres et actes de bord
§ 1er. Le propriétaire du navire, l'armateur et le commandant doivent mettre les livres de bord et les actes dressés par le commandant à la disposition de toute personne intéressée et lui en remettre, à prix coûtant, une copie.
§ 2. Les livres de bord requis et régulièrement tenus par la loi ou en vertu de celle-ci peuvent être acceptés par le juge comme un moyen de preuve, que les parties soient des entreprises ou que la cause ait trait à une obligation commerciale ou non.
Le juge peut dans tous les cas déduire des présomptions de fait des livres de bord tenus de manière irrégulière.
§ 1er. Le propriétaire du navire, l'armateur et le commandant doivent mettre les livres de bord et les actes dressés par le commandant à la disposition de toute personne intéressée et lui en remettre, à prix coûtant, une copie.
§ 2. Les livres de bord requis et régulièrement tenus par la loi ou en vertu de celle-ci peuvent être acceptés par le juge comme un moyen de preuve, que les parties soient des entreprises ou que la cause ait trait à une obligation commerciale ou non.
Le juge peut dans tous les cas déduire des présomptions de fait des livres de bord tenus de manière irrégulière.
Art. 2.4.2.10. Scheepsverklaringen
§ 1. Ongeacht de nationaliteit of het land van registratie van het zeeschip en onverminderd de bevoegdheid van vreemde consuls, kan de gezagvoerder, naar aanleiding van een scheepvaartongeval of een averij, in België een scheepsverklaring afleggen voor de voorzitter van de ondernemingsrechtbank onder het rechtsgebied waarvan de aangelopen haven ressorteert.
§ 2. De gezagvoerder van een Belgisch schip kan, naar aanleiding van een scheepvaartvoorval of een averij, in het buitenland een scheepsverklaring opstellen, welke wordt doorgezonden naar het MIK.
§ 3. Op verzoek van elke partij die van een belang doet blijken kan de rechter de gezagvoerder gelasten :
1° een scheepsverklaring af te leggen voor zijn zetel of de door hem aangeduide openbare ambtenaar of deskundige;
2° aan de scheepsverklaring een afschrift of een uittreksel toe te voegen van het scheepsdagboek of andere scheepsboeken.
De rechter kan onder meer de plaats bepalen waar de scheepsverklaring moet worden afgelegd en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren.
§ 4. Tenzij de rechter beveelt dat de scheepsverklaring door de gezagvoerder persoonlijk en mondeling wordt afgelegd, kan de gezagvoerder, een scheepsagent of een andere gemachtigde een schriftelijke scheepsverklaring neerleggen.
§ 5. De scheepsverklaring kan worden afgelegd in de Duits, Engelse, Franse of Nederlandse taal.
§ 6. De scheepseigenaar, de reder en de gezagvoerder moeten aan alle belanghebbenden inzage verlenen van de scheepsverklaring en er, tegen kostprijs, een afschrift van verstrekken.
§ 7. Behoudens in de mate dat zij een weergave inhoudt van een regelmatig gevoerd scheepsboek bedoeld in artikel 2.4.2.9, § 2, in welk geval de aldaar bepaalde bewijsregeling geldt, wordt de bewijswaarde van de scheepsverklaring door de rechter vrij beoordeeld.
De rechter kan bij de beoordeling onder meer rekening houden met de gelding en de vervulling van formaliteiten, met het tijdstip waarop de scheepsverklaring werd afgelegd, met de toegevoegde stukken en met de bevestiging van de inhoud door andere schepelingen of opvarenden.
§ 8. De voorgaande paragrafen gelden onder voorbehoud van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het bewijs.
De rechter kan de gezagvoerder, de opvarenden en andere belanghebbenden verhoren overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het verhoor van partijen.
§ 1. Ongeacht de nationaliteit of het land van registratie van het zeeschip en onverminderd de bevoegdheid van vreemde consuls, kan de gezagvoerder, naar aanleiding van een scheepvaartongeval of een averij, in België een scheepsverklaring afleggen voor de voorzitter van de ondernemingsrechtbank onder het rechtsgebied waarvan de aangelopen haven ressorteert.
§ 2. De gezagvoerder van een Belgisch schip kan, naar aanleiding van een scheepvaartvoorval of een averij, in het buitenland een scheepsverklaring opstellen, welke wordt doorgezonden naar het MIK.
§ 3. Op verzoek van elke partij die van een belang doet blijken kan de rechter de gezagvoerder gelasten :
1° een scheepsverklaring af te leggen voor zijn zetel of de door hem aangeduide openbare ambtenaar of deskundige;
2° aan de scheepsverklaring een afschrift of een uittreksel toe te voegen van het scheepsdagboek of andere scheepsboeken.
De rechter kan onder meer de plaats bepalen waar de scheepsverklaring moet worden afgelegd en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren.
§ 4. Tenzij de rechter beveelt dat de scheepsverklaring door de gezagvoerder persoonlijk en mondeling wordt afgelegd, kan de gezagvoerder, een scheepsagent of een andere gemachtigde een schriftelijke scheepsverklaring neerleggen.
§ 5. De scheepsverklaring kan worden afgelegd in de Duits, Engelse, Franse of Nederlandse taal.
§ 6. De scheepseigenaar, de reder en de gezagvoerder moeten aan alle belanghebbenden inzage verlenen van de scheepsverklaring en er, tegen kostprijs, een afschrift van verstrekken.
§ 7. Behoudens in de mate dat zij een weergave inhoudt van een regelmatig gevoerd scheepsboek bedoeld in artikel 2.4.2.9, § 2, in welk geval de aldaar bepaalde bewijsregeling geldt, wordt de bewijswaarde van de scheepsverklaring door de rechter vrij beoordeeld.
De rechter kan bij de beoordeling onder meer rekening houden met de gelding en de vervulling van formaliteiten, met het tijdstip waarop de scheepsverklaring werd afgelegd, met de toegevoegde stukken en met de bevestiging van de inhoud door andere schepelingen of opvarenden.
§ 8. De voorgaande paragrafen gelden onder voorbehoud van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het bewijs.
De rechter kan de gezagvoerder, de opvarenden en andere belanghebbenden verhoren overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het verhoor van partijen.
Art. 2.4.2.10. Rapports
§ 1er. Quelle que soit la nationalité ou le pays d'enregistrement du navire de mer et sans préjudice du pouvoir de consuls étrangers, le commandant peut, à l'occasion d'un incident de la navigation ou d'une avarie, remettre un rapport en Belgique devant le président du tribunal de l'entreprise du ressort duquel relève le port abordé.
§ 2. Le commandant d'un navire belge peut, lors d'un incident de la navigation ou d'une avarie, constituer un rapport à l'étranger, qui est transmis au MIK.
§ 3. Le juge peut, à la demande de toute partie intéressée, ordonner au commandant :
1° de remettre un rapport devant son office ou devant l'officier public ou l'expert désigné par ses soins;
2° de joindre au rapport une copie ou un extrait du journal ou des autres livres de bord.
Le juge peut notamment indiquer le lieu où remettre le rapport et fixer dans quel délai cette remise doit avoir lieu.
§ 4. Sauf ordre du juge au commandant de venir remettre personnellement et de vive voix son rapport, le commandant, un agent maritime ou autre mandataire peut remettre un rapport par écrit.
§ 5. Le rapport peut être remis en langue allemande, anglaise, française ou néerlandaise.
§ 6. Le propriétaire du navire, l'armateur et le commandant doivent mettre le rapport à la disposition de toute personne intéressée et lui en remettre, à prix coûtant, une copie.
§ 7. Sauf s'il reflète un livre de bord régulièrement tenu tel que visé à l'article 2.4.2.9, § 2, en quel cas s'applique le régime de la preuve visé à cet article, la force probante du rapport est librement appréciée par le juge.
Le juge peut notamment tenir compte, lors de l'appréciation, de la validité et de l'accomplissement de formalités, de la date à laquelle le rapport a été remis, des pièces jointes et de la confirmation du contenu par d'autres hommes d'équipage ou personnes embarquées.
§ 8. Les paragraphes précités s'appliquent nonobstant les dispositions du Code judiciaire relatives à la preuve.
Le juge peut entendre le commandant, les personnes embarquées et d'autres personnes intéressées conformément aux dispositions du Code judiciaire relatives à l'audition des parties.
§ 1er. Quelle que soit la nationalité ou le pays d'enregistrement du navire de mer et sans préjudice du pouvoir de consuls étrangers, le commandant peut, à l'occasion d'un incident de la navigation ou d'une avarie, remettre un rapport en Belgique devant le président du tribunal de l'entreprise du ressort duquel relève le port abordé.
§ 2. Le commandant d'un navire belge peut, lors d'un incident de la navigation ou d'une avarie, constituer un rapport à l'étranger, qui est transmis au MIK.
§ 3. Le juge peut, à la demande de toute partie intéressée, ordonner au commandant :
1° de remettre un rapport devant son office ou devant l'officier public ou l'expert désigné par ses soins;
2° de joindre au rapport une copie ou un extrait du journal ou des autres livres de bord.
Le juge peut notamment indiquer le lieu où remettre le rapport et fixer dans quel délai cette remise doit avoir lieu.
§ 4. Sauf ordre du juge au commandant de venir remettre personnellement et de vive voix son rapport, le commandant, un agent maritime ou autre mandataire peut remettre un rapport par écrit.
§ 5. Le rapport peut être remis en langue allemande, anglaise, française ou néerlandaise.
§ 6. Le propriétaire du navire, l'armateur et le commandant doivent mettre le rapport à la disposition de toute personne intéressée et lui en remettre, à prix coûtant, une copie.
§ 7. Sauf s'il reflète un livre de bord régulièrement tenu tel que visé à l'article 2.4.2.9, § 2, en quel cas s'applique le régime de la preuve visé à cet article, la force probante du rapport est librement appréciée par le juge.
Le juge peut notamment tenir compte, lors de l'appréciation, de la validité et de l'accomplissement de formalités, de la date à laquelle le rapport a été remis, des pièces jointes et de la confirmation du contenu par d'autres hommes d'équipage ou personnes embarquées.
§ 8. Les paragraphes précités s'appliquent nonobstant les dispositions du Code judiciaire relatives à la preuve.
Le juge peut entendre le commandant, les personnes embarquées et d'autres personnes intéressées conformément aux dispositions du Code judiciaire relatives à l'audition des parties.
Art. 2.4.2.11. Inlichtingen door deskundingen
Deskundigen kunnen verklaringen van de gezagvoerder, de opvarenden en andere belanghebbenden opnemen, welke gelden als inlichting. Dergelijke verklaringen zijn geen scheepsverklaringen.
Deskundigen kunnen verklaringen van de gezagvoerder, de opvarenden en andere belanghebbenden opnemen, welke gelden als inlichting. Dergelijke verklaringen zijn geen scheepsverklaringen.
Art. 2.4.2.11. Informations par des experts
Des experts peuvent prendre les déclarations du commandant, des personnes embarquées et autres personnes intéressées, qui valent information et qui ne sont pas des rapports.
Des experts peuvent prendre les déclarations du commandant, des personnes embarquées et autres personnes intéressées, qui valent information et qui ne sont pas des rapports.
Art. 2.4.2.12. Betekeningen
§ 1. Onverminderd andere wijzen van betekening, kan de betekening aan de scheepseigenaar, de reder of de scheepsgebruiker, in zaken betreffende het betrokken zeeschip of de betrokken reis worden gedaan aan de persoon, door overhandiging van de akte aan de gezagvoerder, al dan niet aan boord van het schip, of, bij diens afwezigheid, aan de hoogst in rang aan boord aanwezige officier.
§ 2. Onverminderd andere wijzen van betekening, kan de betekening aan de kapitein in de zaken bedoeld in artikel 2.4.2.7 eveneens op de in § 1 bedoelde wijze worden gedaan.
§ 3. Voor de toepassing van artikel 34 van het Gerechtelijk Wetboek wordt de gezagvoerder geacht een aangestelde te zijn van zowel de scheepseigenaar, de reder als de scheepsgebruiker.
§ 4. De kapitein wordt geacht aan boord van het schip een verblijfplaats in de zin van artikel 32 van het Gerechtelijk Wetboek te hebben.
[1 ...]1
§ 5. De gezagvoerder moet de aan hem betekende akten onverwijld aan de betrokken scheepseigenaar, reder of scheepsgebruiker overmaken.
§ 1. Onverminderd andere wijzen van betekening, kan de betekening aan de scheepseigenaar, de reder of de scheepsgebruiker, in zaken betreffende het betrokken zeeschip of de betrokken reis worden gedaan aan de persoon, door overhandiging van de akte aan de gezagvoerder, al dan niet aan boord van het schip, of, bij diens afwezigheid, aan de hoogst in rang aan boord aanwezige officier.
§ 2. Onverminderd andere wijzen van betekening, kan de betekening aan de kapitein in de zaken bedoeld in artikel 2.4.2.7 eveneens op de in § 1 bedoelde wijze worden gedaan.
§ 3. Voor de toepassing van artikel 34 van het Gerechtelijk Wetboek wordt de gezagvoerder geacht een aangestelde te zijn van zowel de scheepseigenaar, de reder als de scheepsgebruiker.
§ 4. De kapitein wordt geacht aan boord van het schip een verblijfplaats in de zin van artikel 32 van het Gerechtelijk Wetboek te hebben.
[1 ...]1
§ 5. De gezagvoerder moet de aan hem betekende akten onverwijld aan de betrokken scheepseigenaar, reder of scheepsgebruiker overmaken.
Art. 2.4.2.12. Significations
§ 1er. Sans préjudice des autres modes de signification, la signification au propriétaire du navire, à l'armateur ou à l'utilisateur du navire de mer dans des causes qui concernent le navire ou le voyage dont il est question peut être remise à la personne, par remise de l'acte au commandant, que ce soit ou non à bord du navire ou, en son absence, à l'officier le plus haut placé présent à bord.
§ 2. Sans préjudice des autres modes de signification, la signification au capitaine dans des causes visées à l'article 2.4.2.7 est également faite de la manière visée au § 1er.
§ 3. Le commandant est réputé, pour l'application de l'article 34 du Code judiciaire, être un préposé tant du propriétaire du navire que de l'armateur et de l'utilisateur du navire.
§ 4. Le capitaine est réputé avoir sa résidence à bord du navire au sens de l'article 32 du Code judiciaire.
[1 ...]1
§ 5. Le commandant doit transmettre sans délai les actes qui lui sont signifiés au propriétaire du navire, à l'armateur ou à l'utilisateur du navire concerné.
§ 1er. Sans préjudice des autres modes de signification, la signification au propriétaire du navire, à l'armateur ou à l'utilisateur du navire de mer dans des causes qui concernent le navire ou le voyage dont il est question peut être remise à la personne, par remise de l'acte au commandant, que ce soit ou non à bord du navire ou, en son absence, à l'officier le plus haut placé présent à bord.
§ 2. Sans préjudice des autres modes de signification, la signification au capitaine dans des causes visées à l'article 2.4.2.7 est également faite de la manière visée au § 1er.
§ 3. Le commandant est réputé, pour l'application de l'article 34 du Code judiciaire, être un préposé tant du propriétaire du navire que de l'armateur et de l'utilisateur du navire.
§ 4. Le capitaine est réputé avoir sa résidence à bord du navire au sens de l'article 32 du Code judiciaire.
[1 ...]1
§ 5. Le commandant doit transmettre sans délai les actes qui lui sont signifiés au propriétaire du navire, à l'armateur ou à l'utilisateur du navire concerné.
Wijzigingen
Art. 2.4.2.13. Verjaring
Onder voorbehoud van andere toepasselijke bepalingen, verjaren vorderingen van de scheepseigenaar, de reder, de scheepsgebruiker en de gezagvoerder in verband met de uitvoering van de in artikel 2.4.2.5 bedoelde taken :
1° ingeval de gezagvoerder was verbonden door een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst, overeenkomstig de daarop toepasselijke verjaringsregels;
2° in andere gevallen, door verloop van twee jaar na het eindigen van de dienst van de gezagvoerder aan boord van het betrokken zeeschip.
Onder voorbehoud van andere toepasselijke bepalingen, verjaren vorderingen van de scheepseigenaar, de reder, de scheepsgebruiker en de gezagvoerder in verband met de uitvoering van de in artikel 2.4.2.5 bedoelde taken :
1° ingeval de gezagvoerder was verbonden door een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst, overeenkomstig de daarop toepasselijke verjaringsregels;
2° in andere gevallen, door verloop van twee jaar na het eindigen van de dienst van de gezagvoerder aan boord van het betrokken zeeschip.
Art. 2.4.2.13. Prescription
Sous réserve d'autres dispositions applicables, les actions du propriétaire du navire, de l'armateur, de l'utilisateur du navire et du commandant relatives à l'exécution des tâches visées à l'article 2.4.2.5 se prescrivent :
1° lorsque le commandant était lié par un contrat d'engagement maritime, conformément aux règles de prescription applicables;
2° dans les autres cas, par deux ans après la cessation du service du commandant à bord du navire de mer concerné.
Sous réserve d'autres dispositions applicables, les actions du propriétaire du navire, de l'armateur, de l'utilisateur du navire et du commandant relatives à l'exécution des tâches visées à l'article 2.4.2.5 se prescrivent :
1° lorsque le commandant était lié par un contrat d'engagement maritime, conformément aux règles de prescription applicables;
2° dans les autres cas, par deux ans après la cessation du service du commandant à bord du navire de mer concerné.
HOOFDSTUK 3. - Maritieme veiligheidsagenten
CHAPITRE 3. - Agents de sécurité maritime
Art. 2.4.3.1. Begrippen
In deze titel wordt verstaan onder :
1° [1 ...]1
2° "BMP" : Best Management Practices welke bestaan in de recentste beste planningspraktijken en operationele praktijken voor exploitanten en kapiteins van schepen gericht op de passieve bescherming tegen piraterij in bepaalde zeegebieden, vastgesteld door de representatieve internationale beroepsverenigingen uit de sector van de zeevaart en in richtsnoeren van de IMO;
3° "maritieme veiligheidsonderneming" : een onderneming inzake maritieme bewaking, bescherming en veiligheid bedoeld bij de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid;
4° "piraterij" : de daad bedoeld in artikel 4.5.2.1, 1°.
In deze titel wordt verstaan onder :
1° [1 ...]1
2° "BMP" : Best Management Practices welke bestaan in de recentste beste planningspraktijken en operationele praktijken voor exploitanten en kapiteins van schepen gericht op de passieve bescherming tegen piraterij in bepaalde zeegebieden, vastgesteld door de representatieve internationale beroepsverenigingen uit de sector van de zeevaart en in richtsnoeren van de IMO;
3° "maritieme veiligheidsonderneming" : een onderneming inzake maritieme bewaking, bescherming en veiligheid bedoeld bij de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid;
4° "piraterij" : de daad bedoeld in artikel 4.5.2.1, 1°.
Art. 2.4.3.1. Notions
Dans le présent titre, l'on entend par :
1° [1 ...]1
2° " BMP " : Best Management Practices qui consistent en les pratiques les plus récentes de gestion optimale de la planification et des opérations pour les exploitants et capitaines de navire qui visent la protection passive contre la piraterie dans certaines zones maritimes telles qu'elles ont été établies par les organisations professionnelles internationales représentant le secteur de la navigation maritime et les directives de l'OMI;
3° " entreprise de sécurité maritime " : une entreprise de surveillance, de protection et de sécurité maritime visée par la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière;
4° " piraterie " : l'acte visé à l'article 4.5.2.1, 1°.
Dans le présent titre, l'on entend par :
1° [1 ...]1
2° " BMP " : Best Management Practices qui consistent en les pratiques les plus récentes de gestion optimale de la planification et des opérations pour les exploitants et capitaines de navire qui visent la protection passive contre la piraterie dans certaines zones maritimes telles qu'elles ont été établies par les organisations professionnelles internationales représentant le secteur de la navigation maritime et les directives de l'OMI;
3° " entreprise de sécurité maritime " : une entreprise de surveillance, de protection et de sécurité maritime visée par la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière;
4° " piraterie " : l'acte visé à l'article 4.5.2.1, 1°.
Wijzigingen
Art. 2.4.3.2. Andere regelgeving
Deze titel geldt onverminderd de bepalingen van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid.
Deze titel geldt onverminderd de bepalingen van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid.
Art. 2.4.3.2. Autre réglementation
Le présent titre est applicable sans préjudice de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière.
Le présent titre est applicable sans préjudice de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière.
Art. 2.4.3.3. Inzet van maritieme veiligheidsondernemingen
Onder de volgende voorwaarden mogen de scheepseigenaar en de exploitant van een Belgisch schip in de zeegebieden bepaald bij een koninklijk besluit genomen na overleg in de Ministerraad een beroep doen op een maritieme veiligheidsonderneming ten einde het schip te beveiligen tegen piraterij :
1° de in artikel 2.4.3.5 bedoelde overeenkomst gesloten voor een reis, een groep reizen of een bepaalde periode met de maritieme veiligheidsonderneming wordt overeenkomstig de procedureregels vastgesteld bij koninklijk besluit meegedeeld aan de minister bevoegd voor de maritieme mobiliteit en aan de minister bevoegd voor de Binnenlandse Zaken;
2° de betrokken maritieme veiligheidsonderneming is er overeenkomstig de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid toe vergund de opdracht de veiligheid van het schip tegen piraterij te waarborgen;
3° de kapitein en de exploitant van het schip passen voor de betrokken reis van het schip de richtsnoeren van de IMO en de BMP toe, rekening houdend met de omstandigheden, de kenmerken van het schip en de praktische uitvoerbaarheid van de maatregelen.
Onder de volgende voorwaarden mogen de scheepseigenaar en de exploitant van een Belgisch schip in de zeegebieden bepaald bij een koninklijk besluit genomen na overleg in de Ministerraad een beroep doen op een maritieme veiligheidsonderneming ten einde het schip te beveiligen tegen piraterij :
1° de in artikel 2.4.3.5 bedoelde overeenkomst gesloten voor een reis, een groep reizen of een bepaalde periode met de maritieme veiligheidsonderneming wordt overeenkomstig de procedureregels vastgesteld bij koninklijk besluit meegedeeld aan de minister bevoegd voor de maritieme mobiliteit en aan de minister bevoegd voor de Binnenlandse Zaken;
2° de betrokken maritieme veiligheidsonderneming is er overeenkomstig de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid toe vergund de opdracht de veiligheid van het schip tegen piraterij te waarborgen;
3° de kapitein en de exploitant van het schip passen voor de betrokken reis van het schip de richtsnoeren van de IMO en de BMP toe, rekening houdend met de omstandigheden, de kenmerken van het schip en de praktische uitvoerbaarheid van de maatregelen.
Art. 2.4.3.3. Recours à des entreprises de sécurité maritime
Le propriétaire et l'exploitant d'un navire belge peuvent dans les zones maritimes définies par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, faire appel à une entreprise de sécurité maritime pour assurer la sécurité du navire contre la piraterie moyennant le respect des modalités énoncées ci-après :
1° le contrat visé à l'article 2.4.3.5, conclu pour un voyage, un groupe de voyages ou une période déterminée avec l'entreprise de sécurité maritime est communiqué au ministre qui la mobilité maritimes et le ministre qui a les affaires intérieures dans ses attributions conformément aux règles de procédure établies par un arrêté royal.
2° l'entreprise de sécurité maritime concernée est autorisée à exercer la mission visant à garantir la sécurité du navire contre la piraterie conformément à la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière;
3° le capitaine et l'exploitant du navire appliquent les directives de l'OMI et les BMP au voyage du navire concerné, tenant compte des circonstances, des caractéristiques du navire et la praticabilité des mesures.
Le propriétaire et l'exploitant d'un navire belge peuvent dans les zones maritimes définies par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, faire appel à une entreprise de sécurité maritime pour assurer la sécurité du navire contre la piraterie moyennant le respect des modalités énoncées ci-après :
1° le contrat visé à l'article 2.4.3.5, conclu pour un voyage, un groupe de voyages ou une période déterminée avec l'entreprise de sécurité maritime est communiqué au ministre qui la mobilité maritimes et le ministre qui a les affaires intérieures dans ses attributions conformément aux règles de procédure établies par un arrêté royal.
2° l'entreprise de sécurité maritime concernée est autorisée à exercer la mission visant à garantir la sécurité du navire contre la piraterie conformément à la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière;
3° le capitaine et l'exploitant du navire appliquent les directives de l'OMI et les BMP au voyage du navire concerné, tenant compte des circonstances, des caractéristiques du navire et la praticabilité des mesures.
Art. 2.4.3.4. Meldingsplichten
§ 1. De scheepseigenaar of de exploitant meldt elke reis tijdens welke hij op een vergunde maritieme veiligheidsonderneming een beroep doet voorafgaandelijk aan de door de Koning aangewezen dienst.
De Koning bepaalt welke gegevens moeten worden gemeld en de wijze waarop de melding geschiedt.
§ 2. De gezagvoerder van het schip dan wel de scheepseigenaar of de exploitant meldt elk geval waarin met het oog op het bestrijden van piraterij vanaf het schip wordt gevuurd of waarbij personen verdacht van piraterij een aanval hebben uitgevoerd of zich aan boord van het schip hebben begeven onverwijld aan [1 het NCCN]1 en aan de Directie Private Veiligheid van de Algemene Directie Veiligheid en Preventie van de FOD Binnenlandse Zaken.
De Koning bepaalt welke gegevens moeten worden gemeld en de wijze waarop de melding geschiedt.
§ 1. De scheepseigenaar of de exploitant meldt elke reis tijdens welke hij op een vergunde maritieme veiligheidsonderneming een beroep doet voorafgaandelijk aan de door de Koning aangewezen dienst.
De Koning bepaalt welke gegevens moeten worden gemeld en de wijze waarop de melding geschiedt.
§ 2. De gezagvoerder van het schip dan wel de scheepseigenaar of de exploitant meldt elk geval waarin met het oog op het bestrijden van piraterij vanaf het schip wordt gevuurd of waarbij personen verdacht van piraterij een aanval hebben uitgevoerd of zich aan boord van het schip hebben begeven onverwijld aan [1 het NCCN]1 en aan de Directie Private Veiligheid van de Algemene Directie Veiligheid en Preventie van de FOD Binnenlandse Zaken.
De Koning bepaalt welke gegevens moeten worden gemeld en de wijze waarop de melding geschiedt.
Art. 2.4.3.4. Obligations de notification
§ 1er. Le propriétaire ou l'exploitant notifie au préalable chaque voyage pour lequel il fait appel à une entreprise de sécurité maritime autorisée au service désigné par le Roi.
Le Roi détermine les informations qui doivent être notifiées ainsi que les modalités pour faire cette notification.
§ 2. Le commandant du navire, le propriétaire ou l'exploitant notifie sans délai [1 au NCCN]1 et à la Direction Sécurité Privée de la Direction Générale Sécurité et Prévention du SPF Intérieur tous les cas où, en vue de lutter contre la piraterie, le feu a été ouvert à partir du navire ou dans lesquels des personnes soupçonnées de piraterie ont attaqué ou sont montées à bord du navire.
Le Roi détermine les informations qui doivent être notifiées ainsi que les modalités pour faire cette notification.
§ 1er. Le propriétaire ou l'exploitant notifie au préalable chaque voyage pour lequel il fait appel à une entreprise de sécurité maritime autorisée au service désigné par le Roi.
Le Roi détermine les informations qui doivent être notifiées ainsi que les modalités pour faire cette notification.
§ 2. Le commandant du navire, le propriétaire ou l'exploitant notifie sans délai [1 au NCCN]1 et à la Direction Sécurité Privée de la Direction Générale Sécurité et Prévention du SPF Intérieur tous les cas où, en vue de lutter contre la piraterie, le feu a été ouvert à partir du navire ou dans lesquels des personnes soupçonnées de piraterie ont attaqué ou sont montées à bord du navire.
Le Roi détermine les informations qui doivent être notifiées ainsi que les modalités pour faire cette notification.
Wijzigingen
Art. 2.4.3.5. Schriftelijke overeenkomst
§ 1. De scheepseigenaar of de exploitant sluit, telkens hij op een vergunde maritieme veiligheidsonderneming een beroep doet, met deze laatste een schriftelijke overeenkomst welke, onverminderd andere toepasselijke bepalingen, minstens de volgende vermeldingen bevat :
1° de vergunning van de maritieme veiligheidsonderneming, verleend bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad;
2° het verbod op onderaanneming;
3° de verzekering van de burgerlijke en de contractuele aansprakelijkheid van de maritieme veiligheidsonderneming;
4° een uiteenzetting nopens de regels en procedures die de maritieme veiligheidsagenten overeenkomstig het Belgisch recht zullen naleven;
5° een uiteenzetting van de onverminderd andere toepasselijke bepalingen toepasselijke BMP en van de richtsnoeren van de IMO;
6° de verdeling aan boord van het schip van de bevoegdheden tussen de kapitein en het personeel van de maritieme veiligheidsonderneming;
7° de verplichting voor de maritieme veiligheidsonderneming om haar leidinggevend personeel op het schip in kennis te stellen van de buitenlandse en Belgische regelgevingen die op de activiteit van toepassing zijn;
8° de verplichting voor de maritieme veiligheidsonderneming om ervoor te zorgen dat de wapens die zij ten behoeve van haar veiligheidsagenten aan boord van het schip brengt hen op een wettige manier ter beschikking zijn gesteld, en de uiteenzetting van de wijze waarop zij daartoe tewerk zal gaan;
9° de gegevens betreffende het aan boord ingezette personeel, ten einde de evaluatie van de naleving van de door of krachtens de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid bepaalde voorwaarden mogelijk te maken.
De gegevens bedoeld in het eerste lid, 9°, worden aan de door de Koning aangewezen diensten overgezonden ten laatste twee dagen voor de aanvang van de reis. In geval van met redenen omklede onmogelijkheid om voornoemde gegevens binnen de gestelde termijn over te zenden, worden de gegevens voor de aanvang van de reis overgezonden.
§ 2. Ingeval de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst geheel of gedeeltelijk onverenigbaar is met deze titel, de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid dan wel andere toepasselijke bepalingen, kan de Koning de vergunning van de maritieme veiligheidsonderneming intrekken bij een besluit genomen na overleg in de Ministerraad.
§ 1. De scheepseigenaar of de exploitant sluit, telkens hij op een vergunde maritieme veiligheidsonderneming een beroep doet, met deze laatste een schriftelijke overeenkomst welke, onverminderd andere toepasselijke bepalingen, minstens de volgende vermeldingen bevat :
1° de vergunning van de maritieme veiligheidsonderneming, verleend bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad;
2° het verbod op onderaanneming;
3° de verzekering van de burgerlijke en de contractuele aansprakelijkheid van de maritieme veiligheidsonderneming;
4° een uiteenzetting nopens de regels en procedures die de maritieme veiligheidsagenten overeenkomstig het Belgisch recht zullen naleven;
5° een uiteenzetting van de onverminderd andere toepasselijke bepalingen toepasselijke BMP en van de richtsnoeren van de IMO;
6° de verdeling aan boord van het schip van de bevoegdheden tussen de kapitein en het personeel van de maritieme veiligheidsonderneming;
7° de verplichting voor de maritieme veiligheidsonderneming om haar leidinggevend personeel op het schip in kennis te stellen van de buitenlandse en Belgische regelgevingen die op de activiteit van toepassing zijn;
8° de verplichting voor de maritieme veiligheidsonderneming om ervoor te zorgen dat de wapens die zij ten behoeve van haar veiligheidsagenten aan boord van het schip brengt hen op een wettige manier ter beschikking zijn gesteld, en de uiteenzetting van de wijze waarop zij daartoe tewerk zal gaan;
9° de gegevens betreffende het aan boord ingezette personeel, ten einde de evaluatie van de naleving van de door of krachtens de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid bepaalde voorwaarden mogelijk te maken.
De gegevens bedoeld in het eerste lid, 9°, worden aan de door de Koning aangewezen diensten overgezonden ten laatste twee dagen voor de aanvang van de reis. In geval van met redenen omklede onmogelijkheid om voornoemde gegevens binnen de gestelde termijn over te zenden, worden de gegevens voor de aanvang van de reis overgezonden.
§ 2. Ingeval de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst geheel of gedeeltelijk onverenigbaar is met deze titel, de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid dan wel andere toepasselijke bepalingen, kan de Koning de vergunning van de maritieme veiligheidsonderneming intrekken bij een besluit genomen na overleg in de Ministerraad.
Art. 2.4.3.5. Contrat écrit
§ 1er. A chaque fois qu'il fait appel à une entreprise de sécurité maritime autorisée, le propriétaire ou l'exploitant conclut un contrat écrit avec cette entreprise qui, sans préjudice d'autres dispositions légales, contient au moins les mentions suivantes :
1° l'autorisation de l'entreprise de sécurité maritime par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres;
2° l'interdiction de sous-traitance;
3° l'assurance en responsabilité civile et contractuelle de l'entreprise de sécurité maritime;
4° un exposé des règles et procédures que les agents de sécurité maritime respecteront conformément au droit belge;
5° un exposé des BMP qui s'appliquent, sans préjudice de l'application du droit belge, ainsi que des directives de l'OMI;
6° la répartition des pouvoirs du capitaine et du personnel de l'entreprise de sécurité maritime à bord du navire;
7° l'obligation pour l'entreprise de sécurité maritime d'informer son personnel dirigeant à bord du navire des réglementations belge et étrangère qui ont trait aux activités;
8° l'obligation pour l'entreprise de sécurité maritime de veiller à ce que les armes qu'elle fait monter à bord du navire pour ses agents de sécurité soient mises à leur disposition d'une manière légale, et l'exposé de la manière dont elle y procédera;
9° les données relatives au personnel déployé à bord, afin de permettre l'évaluation du respect des conditions définies par la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière ou en vertu de celle-ci.
Les données visées à l'alinéa 1er, 9°, sont transmises aux services désignés par le Roi au plus tard deux jours avant le début du voyage. En cas d'impossibilité motivée de transmettre les données précitées dans les délais impartis, les données sont transmises avant le début du voyage.
§ 2. Si le contrat visé au paragraphe 1er est intégralement ou partiellement incompatible avec le présent titre, la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière ou d'autres dispositions applicables, le Roi peut par un arrêté délibéré en Conseil des ministres retirer l'autorisation de l'entreprise de sécurité maritime.
§ 1er. A chaque fois qu'il fait appel à une entreprise de sécurité maritime autorisée, le propriétaire ou l'exploitant conclut un contrat écrit avec cette entreprise qui, sans préjudice d'autres dispositions légales, contient au moins les mentions suivantes :
1° l'autorisation de l'entreprise de sécurité maritime par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres;
2° l'interdiction de sous-traitance;
3° l'assurance en responsabilité civile et contractuelle de l'entreprise de sécurité maritime;
4° un exposé des règles et procédures que les agents de sécurité maritime respecteront conformément au droit belge;
5° un exposé des BMP qui s'appliquent, sans préjudice de l'application du droit belge, ainsi que des directives de l'OMI;
6° la répartition des pouvoirs du capitaine et du personnel de l'entreprise de sécurité maritime à bord du navire;
7° l'obligation pour l'entreprise de sécurité maritime d'informer son personnel dirigeant à bord du navire des réglementations belge et étrangère qui ont trait aux activités;
8° l'obligation pour l'entreprise de sécurité maritime de veiller à ce que les armes qu'elle fait monter à bord du navire pour ses agents de sécurité soient mises à leur disposition d'une manière légale, et l'exposé de la manière dont elle y procédera;
9° les données relatives au personnel déployé à bord, afin de permettre l'évaluation du respect des conditions définies par la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière ou en vertu de celle-ci.
Les données visées à l'alinéa 1er, 9°, sont transmises aux services désignés par le Roi au plus tard deux jours avant le début du voyage. En cas d'impossibilité motivée de transmettre les données précitées dans les délais impartis, les données sont transmises avant le début du voyage.
§ 2. Si le contrat visé au paragraphe 1er est intégralement ou partiellement incompatible avec le présent titre, la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière ou d'autres dispositions applicables, le Roi peut par un arrêté délibéré en Conseil des ministres retirer l'autorisation de l'entreprise de sécurité maritime.
Art. 2.4.3.6. Bevoegdheid van de gezagvoerder
De bevoegdheid van de operationele leidinggevende van de maritieme veiligheidsagenten aan boord van het schip doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de kapitein overeenkomstig artikel 4.2.3.1.
De kapitein oefent die bevoegdheid ingeval van het afweren van piraterij uit na advies van de operationele leidinggevende van de agenten aan boord van het schip en overeenkomstig de bepalingen vastgesteld bij de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid.
De bevoegdheid van de operationele leidinggevende van de maritieme veiligheidsagenten aan boord van het schip doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de kapitein overeenkomstig artikel 4.2.3.1.
De kapitein oefent die bevoegdheid ingeval van het afweren van piraterij uit na advies van de operationele leidinggevende van de agenten aan boord van het schip en overeenkomstig de bepalingen vastgesteld bij de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid.
Art. 2.4.3.6. Compétence du commandant
La compétence du dirigeant opérationnel des agents de sécurité maritime à bord du navire ne porte pas préjudice à la compétence du capitaine conformément à l'article 4.2.3.1.
Le capitaine exerce cette compétence dans le cadre de lutte contre la piraterie après avoir reçu l'avis du dirigeant opérationnel des agents à bord du navire et conformément aux dispositions fixées par la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière.
La compétence du dirigeant opérationnel des agents de sécurité maritime à bord du navire ne porte pas préjudice à la compétence du capitaine conformément à l'article 4.2.3.1.
Le capitaine exerce cette compétence dans le cadre de lutte contre la piraterie après avoir reçu l'avis du dirigeant opérationnel des agents à bord du navire et conformément aux dispositions fixées par la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière.
Art. 2.4.3.7. Statuut van de agenten
De zich aan boord van het schip bevindende agenten van de maritieme veiligheidsonderneming zijn noch bemanningsleden, noch passagiers.
De zich aan boord van het schip bevindende agenten van de maritieme veiligheidsonderneming zijn noch bemanningsleden, noch passagiers.
Art. 2.4.3.7. Statut des agents
Les agents de l'entreprise de sécurité maritime à bord du navire ne sont ni des membres de l'équipage ni des passagers.
Les agents de l'entreprise de sécurité maritime à bord du navire ne sont ni des membres de l'équipage ni des passagers.
Art. 2.4.3.8. Afwijking van het aantal aan boord toegelaten personen
De scheepvaartcontroleurs kunnen voor de toepassing van deze titel afwijkingen toestaan van het in het certificaat van deugdelijkheid van het schip bepaalde maximum aantal aan boord toegelaten personen.
De scheepvaartcontroleurs kunnen voor de toepassing van deze titel afwijkingen toestaan van het in het certificaat van deugdelijkheid van het schip bepaalde maximum aantal aan boord toegelaten personen.
Art. 2.4.3.8. Dérogation au nombre de personnes admises à bord
Les agents chargés du contrôle de la navigation peuvent, pour l'application du présent titre, accorder des dérogations au nombre maximum de personnes admises à bord du navire, déterminé dans le certificat de navigabilité du navire.
Les agents chargés du contrôle de la navigation peuvent, pour l'application du présent titre, accorder des dérogations au nombre maximum de personnes admises à bord du navire, déterminé dans le certificat de navigabilité du navire.
Art. 2.4.3.9. Verslaggeving
De Koning stelt de modaliteiten vast volgens dewelke de verslaggeving over de toepassing van deze titel dient te gebeuren.
De Koning stelt de modaliteiten vast volgens dewelke de verslaggeving over de toepassing van deze titel dient te gebeuren.
Art. 2.4.3.9. Reportage
Le Roi détermine les modalités selon lesquelles le rapportage sur l'application du présent titre doit être effectué.
Le Roi détermine les modalités selon lesquelles le rapportage sur l'application du présent titre doit être effectué.
HOOFDSTUK 4. - Verstekelingen
CHAPITRE 4. - Passagers clandestins
Art. 2.4.4.1. Behandeling van verstekelingen
§ 1. Verstekelingen aangetroffen aan boord van Belgische schepen kunnen niet worden tewerkgesteld, tenzij in noodgevallen of in verband met taken in verband met het onderhoud van hun accommodatie of hun bevoorrading aan boord.
§ 2. Verstekelingen aan boord van Belgische schepen of van vreemde schepen in Belgische wateren worden met het nodige respect behandeld overeenkomstig het toepasselijke internationale recht, waaronder het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend op 28 juli 1951, te Genève, de verplichtingen betreffende het verzoek tot internationale bescherming, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement en de fundamentele rechten. De veiligheid van het schip en de veiligheid en het welzijn van de verstekeling moet in overweging worden genomen bij de behandeling van verstekelingen.
§ 1. Verstekelingen aangetroffen aan boord van Belgische schepen kunnen niet worden tewerkgesteld, tenzij in noodgevallen of in verband met taken in verband met het onderhoud van hun accommodatie of hun bevoorrading aan boord.
§ 2. Verstekelingen aan boord van Belgische schepen of van vreemde schepen in Belgische wateren worden met het nodige respect behandeld overeenkomstig het toepasselijke internationale recht, waaronder het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend op 28 juli 1951, te Genève, de verplichtingen betreffende het verzoek tot internationale bescherming, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement en de fundamentele rechten. De veiligheid van het schip en de veiligheid en het welzijn van de verstekeling moet in overweging worden genomen bij de behandeling van verstekelingen.
Art. 2.4.4.1. Traitement des passagers clandestins
§ 1er. Les passagers clandestins trouvés à bord de navires belges ne peuvent être mis au travail, sauf cas d'urgence ou pour des tâches liées à l'entretien de leur hébergement ou à leur subsistance à bord.
§ 2. Les passagers clandestins à bord d'un navire belge ou à bord d'un navire étranger qui se trouve dans les eaux belges, sont traités dans le plein respect, du droit international applicable, dont la convention relative au statut des réfugiés, conclue à Genève le 28 juillet 1951, des obligations liées à l'accès à la protection internationale, en particulier le principe de non-refoulement, et des droits fondamentaux. La sécurité du navire et la sécurité et le bien-être du passager clandestin doivent être pris en considération lors du traitement des passagers clandestins
§ 1er. Les passagers clandestins trouvés à bord de navires belges ne peuvent être mis au travail, sauf cas d'urgence ou pour des tâches liées à l'entretien de leur hébergement ou à leur subsistance à bord.
§ 2. Les passagers clandestins à bord d'un navire belge ou à bord d'un navire étranger qui se trouve dans les eaux belges, sont traités dans le plein respect, du droit international applicable, dont la convention relative au statut des réfugiés, conclue à Genève le 28 juillet 1951, des obligations liées à l'accès à la protection internationale, en particulier le principe de non-refoulement, et des droits fondamentaux. La sécurité du navire et la sécurité et le bien-être du passager clandestin doivent être pris en considération lors du traitement des passagers clandestins
Art. 2.4.4.2. Verstekelingen in een Belgische haven
§ 1. Onverminderd de bepalingen in het derde lid, verwittigt de gezagvoerder, indien één of meer verstekelingen worden ontdekt aan boord van een schip dat op weg is naar een Belgische haven, het MIK.
De gezagvoerder maakt voor elke verstekeling alle inlichtingen en documenten over die nuttig zijn voor de uitvoering van de opdrachten van de Scheepvaartpolitie.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de termijn waarin de informatie, de inlichtingen en de documenten bedoeld in deze paragraaf, en de documenten die eventueel in het bezit zijn van de verstekeling, moeten worden doorgestuurd evenals de modaliteiten van het doorsturen.
§ 2 Het is de verstekeling verboden om het schip te verlaten zonder voorafgaandelijke toelating door de Scheepvaartpolitie.
Zodra het schip aankomt in de haven, notificeert de Scheepvaartpolitie het verbod tot ontschepen bedoeld in het eerste lid aan de gezagvoerder en informeert hem van de rechten en plichten bedoeld in artikel 2.4.4.1 en in dit artikel .
De gezagvoerder neemt alle nodige maatregelen om te vermijden dat de verstekeling op Belgisch grondgebied het schip verlaat zonder toelating van de Scheepvaartpolitie.
§ 3. Een verstekeling aangekomen via een schip blijft onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder.
De Scheepvaartpolitie kan toelaten om de verstekeling te ontschepen met het oog op zijn verwijdering, indien :
1° de verstekeling in het bezit is van de nodige reisdocumenten voor verwijdering indien de reder hiertoe alle nodige maatregelen heeft genomen, overeenkomstig paragraaf 4;
2° de reder het bewijs levert dat deze reisdocumenten nodig voor de verwijdering van de verstekeling alsook de maatregelen hiertoe binnen de kortst mogelijke termijn worden bekomen en vervuld, overeenkomstig paragraaf 4.
De Scheepvaartpolitie kan eveneens toelaten om de verstekeling te ontschepen, [1 in het bijzonder]1 indien een verwijdering met hetzelfde schip niet aangewezen of verhinderd is.
[1 De Scheepvaartpolitie laat toe om de verstekeling te ontschepen in de volgende gevallen:
1° indien de verstekeling de Belgische nationaliteit heeft of gemachtigd of toegelaten is tot verblijf in België zodra die hoedanigheid, die machtiging of die toelating is aangetoond;
2° indien de verstekeling een verzoek om internationale bescherming doet, gedurende het onderzoek van zijn verzoek;
3° indien de verstekeling beschouwd kan worden als een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is overeenkomstig artikel 6 van de programmawet van 24 december 2002 (art. 479) - Titel XIII, Hoofdstuk VI betreffende de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen;
4° indien de gezondheidstoestand van de verstekeling, volgens een medische diagnose, een dringende medische behandeling vereist die niet kan worden verstrekt aan boord van het schip.]1
[1 De Scheepvaartpolitie kan bevelen om de verstekeling die zonder de toelating bedoeld in paragraaf 2, eerste lid het schip heeft verlaten, of indien de voorwaarden voor deze toelating niet langer vervuld zijn, opnieuw in te schepen waarbij de gezagvoerder op de verplichtingen vastgelegd in paragraaf 2 wordt gewezen.]1
[1 § 3/1. De verstekeling die niet toegelaten wordt te ontschepen en die de binnenkomst geweigerd wordt overeenkomstig artikel 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, maakt het voorwerp uit van een beslissing tot vasthouding overeenkomstig artikel 74/5 van de vermelde wet, waarbij het schip de plaats van vasthouding is.
De beroepsprocedures van artikel 71 tot 74 van de vermelde wet, zijn van toepassing op deze vasthouding.
Artikel 62, § 2 en 3, van de vermelde wet is van toepassing op de kennisgeving van de beslissing tot vasthouding, waarbij de verstekeling in een taal die hij verstaat op de hoogte wordt gebracht van de redenen van zijn vasthouding, dat hij het recht heeft een jurisdictioneel beroep in te stellen en dat de mogelijkheid bestaat om juridische bijstand, in voorkomend geval kosteloos, te verkrijgen om zulk een beroep in te stellen.]1
§ 4. Op verzoek van de Scheepvaartpolitie moet de reder van het schip waarmee de verstekeling in een Belgische haven is gearriveerd, alle maatregelen nemen om de verstekeling te verwijderen naar het land waar deze ingescheept werd of naar een ander land waar de verstekeling toegelaten kan worden.
Deze maatregelen moeten genomen worden met het oogmerk om de verstekeling zo spoedig mogelijk te verwijderen. De reder kan daarbij de bijstand verzoeken van de Belgische bevoegde overheden om contacten te leggen met vreemde overheden, teneinde deze verwijdering voor te bereiden en te organiseren en de nodige documenten daartoe te bekomen.
De reder meldt onverwijld aan de Scheepvaartpolitie de maatregelen die zullen worden genomen en hun uitvoering.
§ 5. In geval de verplichtingen bedoeld in de paragrafen 2 en 4 niet worden nageleefd of indien de Scheepvaartpolitie van oordeel is dat de genomen maatregelen niet voldoende zijn om de verwijdering van de verstekeling te waarborgen, kan de Scheepvaartpolitie :
1° de gezagvoerder van het zeeschip verplichten de verstekeling te vervoeren naar het land waar ingescheept werd of naar een ander land waar de verstekeling toegelaten kan worden;
2° de verstekeling via andere middelen verwijderen naar het land waar ingescheept werd of naar elk land waar de verstekeling toegelaten kan worden;
3° het vertrek van het schip of van een ander schip van dezelfde reder uitstellen, totdat de verstekeling verwijderd is.
§ 1. Onverminderd de bepalingen in het derde lid, verwittigt de gezagvoerder, indien één of meer verstekelingen worden ontdekt aan boord van een schip dat op weg is naar een Belgische haven, het MIK.
De gezagvoerder maakt voor elke verstekeling alle inlichtingen en documenten over die nuttig zijn voor de uitvoering van de opdrachten van de Scheepvaartpolitie.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de termijn waarin de informatie, de inlichtingen en de documenten bedoeld in deze paragraaf, en de documenten die eventueel in het bezit zijn van de verstekeling, moeten worden doorgestuurd evenals de modaliteiten van het doorsturen.
§ 2 Het is de verstekeling verboden om het schip te verlaten zonder voorafgaandelijke toelating door de Scheepvaartpolitie.
Zodra het schip aankomt in de haven, notificeert de Scheepvaartpolitie het verbod tot ontschepen bedoeld in het eerste lid aan de gezagvoerder en informeert hem van de rechten en plichten bedoeld in artikel 2.4.4.1 en in dit artikel .
De gezagvoerder neemt alle nodige maatregelen om te vermijden dat de verstekeling op Belgisch grondgebied het schip verlaat zonder toelating van de Scheepvaartpolitie.
§ 3. Een verstekeling aangekomen via een schip blijft onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder.
De Scheepvaartpolitie kan toelaten om de verstekeling te ontschepen met het oog op zijn verwijdering, indien :
1° de verstekeling in het bezit is van de nodige reisdocumenten voor verwijdering indien de reder hiertoe alle nodige maatregelen heeft genomen, overeenkomstig paragraaf 4;
2° de reder het bewijs levert dat deze reisdocumenten nodig voor de verwijdering van de verstekeling alsook de maatregelen hiertoe binnen de kortst mogelijke termijn worden bekomen en vervuld, overeenkomstig paragraaf 4.
De Scheepvaartpolitie kan eveneens toelaten om de verstekeling te ontschepen, [1 in het bijzonder]1 indien een verwijdering met hetzelfde schip niet aangewezen of verhinderd is.
[1 De Scheepvaartpolitie laat toe om de verstekeling te ontschepen in de volgende gevallen:
1° indien de verstekeling de Belgische nationaliteit heeft of gemachtigd of toegelaten is tot verblijf in België zodra die hoedanigheid, die machtiging of die toelating is aangetoond;
2° indien de verstekeling een verzoek om internationale bescherming doet, gedurende het onderzoek van zijn verzoek;
3° indien de verstekeling beschouwd kan worden als een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is overeenkomstig artikel 6 van de programmawet van 24 december 2002 (art. 479) - Titel XIII, Hoofdstuk VI betreffende de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen;
4° indien de gezondheidstoestand van de verstekeling, volgens een medische diagnose, een dringende medische behandeling vereist die niet kan worden verstrekt aan boord van het schip.]1
[1 De Scheepvaartpolitie kan bevelen om de verstekeling die zonder de toelating bedoeld in paragraaf 2, eerste lid het schip heeft verlaten, of indien de voorwaarden voor deze toelating niet langer vervuld zijn, opnieuw in te schepen waarbij de gezagvoerder op de verplichtingen vastgelegd in paragraaf 2 wordt gewezen.]1
[1 § 3/1. De verstekeling die niet toegelaten wordt te ontschepen en die de binnenkomst geweigerd wordt overeenkomstig artikel 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, maakt het voorwerp uit van een beslissing tot vasthouding overeenkomstig artikel 74/5 van de vermelde wet, waarbij het schip de plaats van vasthouding is.
De beroepsprocedures van artikel 71 tot 74 van de vermelde wet, zijn van toepassing op deze vasthouding.
Artikel 62, § 2 en 3, van de vermelde wet is van toepassing op de kennisgeving van de beslissing tot vasthouding, waarbij de verstekeling in een taal die hij verstaat op de hoogte wordt gebracht van de redenen van zijn vasthouding, dat hij het recht heeft een jurisdictioneel beroep in te stellen en dat de mogelijkheid bestaat om juridische bijstand, in voorkomend geval kosteloos, te verkrijgen om zulk een beroep in te stellen.]1
§ 4. Op verzoek van de Scheepvaartpolitie moet de reder van het schip waarmee de verstekeling in een Belgische haven is gearriveerd, alle maatregelen nemen om de verstekeling te verwijderen naar het land waar deze ingescheept werd of naar een ander land waar de verstekeling toegelaten kan worden.
Deze maatregelen moeten genomen worden met het oogmerk om de verstekeling zo spoedig mogelijk te verwijderen. De reder kan daarbij de bijstand verzoeken van de Belgische bevoegde overheden om contacten te leggen met vreemde overheden, teneinde deze verwijdering voor te bereiden en te organiseren en de nodige documenten daartoe te bekomen.
De reder meldt onverwijld aan de Scheepvaartpolitie de maatregelen die zullen worden genomen en hun uitvoering.
§ 5. In geval de verplichtingen bedoeld in de paragrafen 2 en 4 niet worden nageleefd of indien de Scheepvaartpolitie van oordeel is dat de genomen maatregelen niet voldoende zijn om de verwijdering van de verstekeling te waarborgen, kan de Scheepvaartpolitie :
1° de gezagvoerder van het zeeschip verplichten de verstekeling te vervoeren naar het land waar ingescheept werd of naar een ander land waar de verstekeling toegelaten kan worden;
2° de verstekeling via andere middelen verwijderen naar het land waar ingescheept werd of naar elk land waar de verstekeling toegelaten kan worden;
3° het vertrek van het schip of van een ander schip van dezelfde reder uitstellen, totdat de verstekeling verwijderd is.
Art. 2.4.4.2. Passagers clandestins dans un port belge
§ 1er. Sans préjudice des règles établies en vertu de l'alinéa 3, si le commandant constate la présence d'un ou plusieurs passagers clandestins à bord de son navire et que celui doit entrer dans un port belge, il en informe le MIK.
Le commandant transmet tous les renseignements et les documents du chaque passager clandestin qui sont utiles pour l'exécution des missions de la Police de la navigation.
Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, détermine le délai dans lequel l'information, les renseignements et les documents visés au présent paragraphe et les documents qui sont éventuellement en possession du passager clandestin qui doivent être transmis ainsi que les modalités relatives à leur transmission.
§ 2. Il est interdit au passage clandestin de quitter le navire sans l'autorisation préalable de la police de la navigation.
Dès l'arrivée du navire dans le port, la police de la navigation notifie au commandant l'interdiction de débarquement visé à l'alinéa 1er et l'informe des droits et obligations prévus par l'article 2.4.4.1. et par le présent article.
Le commandant prend toutes les mesures nécessaires afin d'éviter que le passager clandestin ne quitte le navire sans l'autorisation préalable de la Police de la navigation sur le territoire belge.
§ 3. Un passager clandestin arrivé par un navire reste sous la responsabilité du commandant.
La police de la navigation peut autoriser le débarquement du passager clandestin en vue de son éloignement lorsque :
1° le passager clandestin est en possession des documents de voyage nécessaires à son éloignement et l'armateur a pris toutes les mesures nécessaires pour garantir celui-ci, conformément au paragraphe 4;
2° l'armateur prouve que les documents de voyage nécessaires à l'éloignement du passager clandestin seront obtenus ainsi que les mesures nécessaires pour garantir celui-ci seront prises dans les plus brefs délais, conformément au paragraphe 4.
La Police de la navigation peut également autoriser le débarquement du passager clandestin, [1 en particulier]1 si un éloignement avec le même navire n'est pas indiqué ou est empêché.
[1 La Police de la navigation autorise le débarquement du passager clandestin dans les cas suivants:
1° si le passager clandestin a la nationalité belge ou est autorisé ou admis au séjour en Belgique, dès que cette qualité, cette autorisation ou cette admission est établie;
2° si le passager clandestin présente une demande de protection internationale, pendant l'examen de sa demande;
3° si le passager clandestin peut être considéré comme un étranger mineur non accompagné conformément à l'article 6 de la loi-programme du 24 décembre 2002 (art. 479) - Titre XIII, Chapitre VI relatif à la tutelle des mineurs étrangers non accompagnés;
4° si l'état de santé du passager clandestin requiert, selon un diagnostic médical, un traitement médical urgent qui ne peut être fourni à bord du navire.]1
[1 La Police de la navigation peut ordonner le rembarquement du passager clandestin qui a quitté le navire sans l'autorisation visée au paragraphe 2, alinéa 1er, ou si les conditions de cette autorisation ne sont plus remplies, en rappelant au commandant les obligations prévues au paragraphe 2.]1
[1 § 3/1. Le passager clandestin qui n'est pas autorisé à débarquer et qui se voit refuser l'entrée en vertu de l'article 3 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, fait l'objet d'une décision de détention, avec le navire comme lieu de détention, conformément à l'article 74/5 de la loi mentionnée.
Les procédures de recours prévues aux articles 71 à 74 de la loi mentionnée, s'appliquent à cette détention.
L'article 62, § 2 et 3, de la loi mentionnée s'applique à la notification de la décision de détention, le passager clandestin étant informé, dans une langue qu'il comprend, des motifs de sa détention, qu'il a le droit d'introduire un recours juridictionnel et qu'il est possible d'obtenir une assistance juridique, le cas échéant gratuite, pour introduire un tel recours.]1
§ 4. A la demande de la Police de la navigation, l'armateur du navire à bord duquel le passager clandestin est arrivé dans un port belge est tenu de prendre toutes les mesures pour éloigner le passager clandestin vers le pays où celui-ci a été embarqué ou vers un autre pays où le passager clandestin peut être admis.
Ces mesures doivent être prises en vue d'éloigner le passager clandestin le plus rapidement possible. L'armateur peut demander l'assistance des autorités belges compétentes pour établir des contacts avec des autorités étrangères en vue de préparer et d'organiser cet éloignement et d'obtenir les documents nécessaires à cette fin.
L'armateur informe sans délai la Police de la navigation des mesures qui seront prises et de leur exécution.
§ 5. En cas de non-respect des obligations prévues aux paragraphes 2 et 4 ou si la Police de la navigation considère que les mesures prises pour garantir l'éloignement du passager clandestin sont insuffisantes, la Police de la navigation peut :
1° obliger le commandant du navire de mer de transporter le passager clandestin vers le pays d'embarquement ou dans tout autre pays où il peut être admis;
2° éloigner le passager clandestin, par d'autres moyens, vers le pays d'embarquement ou vers tout autre pays où il peut être admis;
3° ajourner le départ du navire ou de tout autre navire appartenant au même armateur, jusqu'à ce que le passager clandestin soit éloigné.
§ 1er. Sans préjudice des règles établies en vertu de l'alinéa 3, si le commandant constate la présence d'un ou plusieurs passagers clandestins à bord de son navire et que celui doit entrer dans un port belge, il en informe le MIK.
Le commandant transmet tous les renseignements et les documents du chaque passager clandestin qui sont utiles pour l'exécution des missions de la Police de la navigation.
Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, détermine le délai dans lequel l'information, les renseignements et les documents visés au présent paragraphe et les documents qui sont éventuellement en possession du passager clandestin qui doivent être transmis ainsi que les modalités relatives à leur transmission.
§ 2. Il est interdit au passage clandestin de quitter le navire sans l'autorisation préalable de la police de la navigation.
Dès l'arrivée du navire dans le port, la police de la navigation notifie au commandant l'interdiction de débarquement visé à l'alinéa 1er et l'informe des droits et obligations prévus par l'article 2.4.4.1. et par le présent article.
Le commandant prend toutes les mesures nécessaires afin d'éviter que le passager clandestin ne quitte le navire sans l'autorisation préalable de la Police de la navigation sur le territoire belge.
§ 3. Un passager clandestin arrivé par un navire reste sous la responsabilité du commandant.
La police de la navigation peut autoriser le débarquement du passager clandestin en vue de son éloignement lorsque :
1° le passager clandestin est en possession des documents de voyage nécessaires à son éloignement et l'armateur a pris toutes les mesures nécessaires pour garantir celui-ci, conformément au paragraphe 4;
2° l'armateur prouve que les documents de voyage nécessaires à l'éloignement du passager clandestin seront obtenus ainsi que les mesures nécessaires pour garantir celui-ci seront prises dans les plus brefs délais, conformément au paragraphe 4.
La Police de la navigation peut également autoriser le débarquement du passager clandestin, [1 en particulier]1 si un éloignement avec le même navire n'est pas indiqué ou est empêché.
[1 La Police de la navigation autorise le débarquement du passager clandestin dans les cas suivants:
1° si le passager clandestin a la nationalité belge ou est autorisé ou admis au séjour en Belgique, dès que cette qualité, cette autorisation ou cette admission est établie;
2° si le passager clandestin présente une demande de protection internationale, pendant l'examen de sa demande;
3° si le passager clandestin peut être considéré comme un étranger mineur non accompagné conformément à l'article 6 de la loi-programme du 24 décembre 2002 (art. 479) - Titre XIII, Chapitre VI relatif à la tutelle des mineurs étrangers non accompagnés;
4° si l'état de santé du passager clandestin requiert, selon un diagnostic médical, un traitement médical urgent qui ne peut être fourni à bord du navire.]1
[1 La Police de la navigation peut ordonner le rembarquement du passager clandestin qui a quitté le navire sans l'autorisation visée au paragraphe 2, alinéa 1er, ou si les conditions de cette autorisation ne sont plus remplies, en rappelant au commandant les obligations prévues au paragraphe 2.]1
[1 § 3/1. Le passager clandestin qui n'est pas autorisé à débarquer et qui se voit refuser l'entrée en vertu de l'article 3 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, fait l'objet d'une décision de détention, avec le navire comme lieu de détention, conformément à l'article 74/5 de la loi mentionnée.
Les procédures de recours prévues aux articles 71 à 74 de la loi mentionnée, s'appliquent à cette détention.
L'article 62, § 2 et 3, de la loi mentionnée s'applique à la notification de la décision de détention, le passager clandestin étant informé, dans une langue qu'il comprend, des motifs de sa détention, qu'il a le droit d'introduire un recours juridictionnel et qu'il est possible d'obtenir une assistance juridique, le cas échéant gratuite, pour introduire un tel recours.]1
§ 4. A la demande de la Police de la navigation, l'armateur du navire à bord duquel le passager clandestin est arrivé dans un port belge est tenu de prendre toutes les mesures pour éloigner le passager clandestin vers le pays où celui-ci a été embarqué ou vers un autre pays où le passager clandestin peut être admis.
Ces mesures doivent être prises en vue d'éloigner le passager clandestin le plus rapidement possible. L'armateur peut demander l'assistance des autorités belges compétentes pour établir des contacts avec des autorités étrangères en vue de préparer et d'organiser cet éloignement et d'obtenir les documents nécessaires à cette fin.
L'armateur informe sans délai la Police de la navigation des mesures qui seront prises et de leur exécution.
§ 5. En cas de non-respect des obligations prévues aux paragraphes 2 et 4 ou si la Police de la navigation considère que les mesures prises pour garantir l'éloignement du passager clandestin sont insuffisantes, la Police de la navigation peut :
1° obliger le commandant du navire de mer de transporter le passager clandestin vers le pays d'embarquement ou dans tout autre pays où il peut être admis;
2° éloigner le passager clandestin, par d'autres moyens, vers le pays d'embarquement ou vers tout autre pays où il peut être admis;
3° ajourner le départ du navire ou de tout autre navire appartenant au même armateur, jusqu'à ce que le passager clandestin soit éloigné.
(NOTA : bij arrest nr. 75/2022 van 9-06-2022 (2022-06-09/07, B.St. 25-07-2022, p. 58686), heeft het constitutionele hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 75/2022 du 9 juin 2022 (2022-06-09/07, M.B. 25-07-2022, p. 58673), la Cour Constitutionnelle a annulé le présent article)
Wijzigingen
Art. 2.4.4.3. Verstekelingen aan boord van Belgische schepen
§ 1. Indien de gezagvoerder van een Belgisch zeeschip de aanwezigheid van één of meerdere verstekelingen ontdekt, verwittigt de gezagvoerder het MIK overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld in artikel 2.4.4.2, § 1.
§ 2. De gezagvoerder stelt de verstekeling bij voorkeur ter beschikking van de bevoegde lokale autoriteiten van de eerste aanloophaven. Voor die terbeschikkingstelling wordt een beroep gedaan op de medewerking van de Belgische consulaire ambtenaar als deze beschikbaar is.
§ 3. De gezagvoerder informeert de verstekeling van de verplichting om hem te ontschepen in de eerste aanloophaven en geeft hem de mogelijkheid om bezwaar tegen het ontschepen in deze haven in te dienen.
Indien de verstekeling bezwaren heeft ingediend tegen het ontschepen in deze haven, wordt hij ontscheept in een haven waar dit mogelijk is, onverminderd de bepalingen bedoeld in artikel 2.4.4.1.
§ 4. Indien de verstekeling wordt ontscheept overeenkomstig paragraaf 2 wordt een kopie van de verklaring bedoeld in paragraaf 1 aan de bevoegde lokale autoriteiten gegeven.
§ 5. Dit artikel is niet van toepassing indien de eerste aanloophaven van het schip een Belgische haven is.
§ 1. Indien de gezagvoerder van een Belgisch zeeschip de aanwezigheid van één of meerdere verstekelingen ontdekt, verwittigt de gezagvoerder het MIK overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld in artikel 2.4.4.2, § 1.
§ 2. De gezagvoerder stelt de verstekeling bij voorkeur ter beschikking van de bevoegde lokale autoriteiten van de eerste aanloophaven. Voor die terbeschikkingstelling wordt een beroep gedaan op de medewerking van de Belgische consulaire ambtenaar als deze beschikbaar is.
§ 3. De gezagvoerder informeert de verstekeling van de verplichting om hem te ontschepen in de eerste aanloophaven en geeft hem de mogelijkheid om bezwaar tegen het ontschepen in deze haven in te dienen.
Indien de verstekeling bezwaren heeft ingediend tegen het ontschepen in deze haven, wordt hij ontscheept in een haven waar dit mogelijk is, onverminderd de bepalingen bedoeld in artikel 2.4.4.1.
§ 4. Indien de verstekeling wordt ontscheept overeenkomstig paragraaf 2 wordt een kopie van de verklaring bedoeld in paragraaf 1 aan de bevoegde lokale autoriteiten gegeven.
§ 5. Dit artikel is niet van toepassing indien de eerste aanloophaven van het schip een Belgische haven is.
Art. 2.4.4.3. Passagers clandestins à bord de navires belges
§ 1erer. Si le commandant d'un navire de mer belge constate la présence à bord de son navire d'un ou plusieurs passagers clandestins, il en informe le MIK selon les modalités prévues à l'article 2.4.4.2, § 1er.
§ 2. Le commandant remet le passager clandestin de préférence aux autorités locales compétentes du premier port d'escale. A cet effet, il est fait appel à la collaboration du fonctionnaire consulaire belge, si ce dernier est disponible.
§ 3. Le commandant informe le passager clandestin qu'il a l'obligation de le débarquer dans le premier port d'escale et lui donne l'occasion de faire valoir ses objections à son débarquement dans ce port.
Si le passager clandestin émet des objections à son débarquement dans ce port, il est débarqué dans un port où ce débarquement est possible, sans préjudice des dispositions de l'article 2.4.4.1.
§ 4. Si le passager clandestin est débarqué conformément au paragraphe 2, une copie de la déclaration visée au paragraphe 1er est remise aux autorités locales compétentes.
§ 5. Le présent article n'est pas d'application si le premier port d'escale est un port belge.
§ 1erer. Si le commandant d'un navire de mer belge constate la présence à bord de son navire d'un ou plusieurs passagers clandestins, il en informe le MIK selon les modalités prévues à l'article 2.4.4.2, § 1er.
§ 2. Le commandant remet le passager clandestin de préférence aux autorités locales compétentes du premier port d'escale. A cet effet, il est fait appel à la collaboration du fonctionnaire consulaire belge, si ce dernier est disponible.
§ 3. Le commandant informe le passager clandestin qu'il a l'obligation de le débarquer dans le premier port d'escale et lui donne l'occasion de faire valoir ses objections à son débarquement dans ce port.
Si le passager clandestin émet des objections à son débarquement dans ce port, il est débarqué dans un port où ce débarquement est possible, sans préjudice des dispositions de l'article 2.4.4.1.
§ 4. Si le passager clandestin est débarqué conformément au paragraphe 2, une copie de la déclaration visée au paragraphe 1er est remise aux autorités locales compétentes.
§ 5. Le présent article n'est pas d'application si le premier port d'escale est un port belge.
Art. 2.4.4.4. Kosten
§ 1. De kosten van huisvesting, verblijf, gezondheidszorgen en verwijdering van een verstekeling bedoeld in artikel 2.4.4.2. komen ten laste van de scheepseigenaar en de reder, onverminderd het recht deze kosten te verhalen op de Staat waarvan de verstekeling een onderdaan is.
Deze verplichting geldt ongeacht of de Scheepvaartpolitie al dan niet de ontscheping van de verstekeling heeft toegelaten overeenkomstig artikel 2.4.4.2.
De kosten bedoeld in het eerste lid moeten worden betaald binnen de vijftien dagen vanaf de dag waarop de Scheepvaartpolitie de eigenaar, de reder of de scheepsagent heeft aangemaand te betalen.
De Scheepvaartpolitie kan de gezagvoerder of de scheepsagent verplichten een borg te stellen om deze kosten te betalen. De afvaart van het schip of van enig ander schip toebehorende aan dezelfde reder kan door Scheepvaartpolitie verdaagd worden tot de borg is gesteld.
§ 2. De kosten van huisvesting, verblijf, gezondheidszorgen en verwijdering van een verstekeling bedoeld in artikel 2.4.4.3. komen ten laste van de scheepseigenaar en de reder, onverminderd het recht deze kosten te verhalen op de Staat waarvan de verstekeling een onderdaan is
Deze kosten moeten worden betaald binnen de vijftien dagen vanaf de dag waarop de consulaire ambtenaar de eigenaar of de reder of zijn lokale vertegenwoordiger heeft aangemaand te betalen.
§ 1. De kosten van huisvesting, verblijf, gezondheidszorgen en verwijdering van een verstekeling bedoeld in artikel 2.4.4.2. komen ten laste van de scheepseigenaar en de reder, onverminderd het recht deze kosten te verhalen op de Staat waarvan de verstekeling een onderdaan is.
Deze verplichting geldt ongeacht of de Scheepvaartpolitie al dan niet de ontscheping van de verstekeling heeft toegelaten overeenkomstig artikel 2.4.4.2.
De kosten bedoeld in het eerste lid moeten worden betaald binnen de vijftien dagen vanaf de dag waarop de Scheepvaartpolitie de eigenaar, de reder of de scheepsagent heeft aangemaand te betalen.
De Scheepvaartpolitie kan de gezagvoerder of de scheepsagent verplichten een borg te stellen om deze kosten te betalen. De afvaart van het schip of van enig ander schip toebehorende aan dezelfde reder kan door Scheepvaartpolitie verdaagd worden tot de borg is gesteld.
§ 2. De kosten van huisvesting, verblijf, gezondheidszorgen en verwijdering van een verstekeling bedoeld in artikel 2.4.4.3. komen ten laste van de scheepseigenaar en de reder, onverminderd het recht deze kosten te verhalen op de Staat waarvan de verstekeling een onderdaan is
Deze kosten moeten worden betaald binnen de vijftien dagen vanaf de dag waarop de consulaire ambtenaar de eigenaar of de reder of zijn lokale vertegenwoordiger heeft aangemaand te betalen.
Art. 2.4.4.4. Frais
§ 1er. Les frais d'hébergement, de séjour, de soins de santé et d'éloignement d'un passager clandestin au sens de l'article 2.4.4.2. sont à charge du propriétaire et de l'armateur du navire, sans préjudice du droit de se faire rembourser ces frais par l'Etat dont le passager clandestin est ressortissant.
Cette obligation s'applique indépendamment du fait que la Police de la navigation ait autorisé le débarquement du passager clandestin ou pas, en application de l'article 2.4.4.2.
Ces frais visés à l'alinéa 1er doivent être payés dans les quinze jours à compter du jour où la Police de la navigation a mis le propriétaire du navire, l'armateur ou l'agent maritime en demeure de payer.
La Police de la navigation peut imposer au commandant ou à l'agent maritime de fournir une caution pour payer ces frais. Dans ce cas, la Police de la navigation peut ajourner le départ du navire ou de tout autre navire appartenant au même armateur, jusqu'au moment où la caution est fournie.
§ 2. Les frais d'hébergement, de séjour, de soins de santé et d'éloignement d'un passager clandestin au sens de l'article 2.4.4.3 sont à charge du propriétaire et de l'armateur du navire, sans préjudice du droit de se faire rembourser ces frais par l'Etat dont le passager clandestin est ressortissant.
Ces frais doivent être payés dans les quinze jours à compter du jour où le fonctionnaire consulaire belge a mis le propriétaire du navire, l'armateur ou son représentant local en demeure de payer.
§ 1er. Les frais d'hébergement, de séjour, de soins de santé et d'éloignement d'un passager clandestin au sens de l'article 2.4.4.2. sont à charge du propriétaire et de l'armateur du navire, sans préjudice du droit de se faire rembourser ces frais par l'Etat dont le passager clandestin est ressortissant.
Cette obligation s'applique indépendamment du fait que la Police de la navigation ait autorisé le débarquement du passager clandestin ou pas, en application de l'article 2.4.4.2.
Ces frais visés à l'alinéa 1er doivent être payés dans les quinze jours à compter du jour où la Police de la navigation a mis le propriétaire du navire, l'armateur ou l'agent maritime en demeure de payer.
La Police de la navigation peut imposer au commandant ou à l'agent maritime de fournir une caution pour payer ces frais. Dans ce cas, la Police de la navigation peut ajourner le départ du navire ou de tout autre navire appartenant au même armateur, jusqu'au moment où la caution est fournie.
§ 2. Les frais d'hébergement, de séjour, de soins de santé et d'éloignement d'un passager clandestin au sens de l'article 2.4.4.3 sont à charge du propriétaire et de l'armateur du navire, sans préjudice du droit de se faire rembourser ces frais par l'Etat dont le passager clandestin est ressortissant.
Ces frais doivent être payés dans les quinze jours à compter du jour où le fonctionnaire consulaire belge a mis le propriétaire du navire, l'armateur ou son représentant local en demeure de payer.
HOOFDSTUK 5. - Scheepvaartvergrijpen
CHAPITRE 5. - Infractions maritimes
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1ère. - Dispositions générales
Art. 2.4.5.1. Begrippen
In dit hoofdstuk en in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 wordt verstaan onder :
1° "scheepvaartvergrijpen" : de scheepvaartvergrijpen en de scheepvaartmisdrijven;
2° "scheepvaarttuchtvergrijp" : een feit verboden bij artikel 2.4.5.3;
3° scheepvaartmisdrijf" : een feit verboden bij de artikel en 2.4.5.4 tot [1 2.4.5.42]1.
In dit hoofdstuk en in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 wordt verstaan onder :
1° "scheepvaartvergrijpen" : de scheepvaartvergrijpen en de scheepvaartmisdrijven;
2° "scheepvaarttuchtvergrijp" : een feit verboden bij artikel 2.4.5.3;
3° scheepvaartmisdrijf" : een feit verboden bij de artikel en 2.4.5.4 tot [1 2.4.5.42]1.
Art. 2.4.5.1. Notions
Dans le présent chapitre et les dispositions du livre 4 qui y ont trait, l'on entend par :
1° " infractions maritimes " : les fautes de discipline maritimes et les délits maritimes;
2° " faute de discipline maritime " : un fait interdit par l'article 2.4.5.3;
3° " délit maritime " : un fait interdit par les articles 2.4.5.4 à [1 2.4.5.42]1.
Dans le présent chapitre et les dispositions du livre 4 qui y ont trait, l'on entend par :
1° " infractions maritimes " : les fautes de discipline maritimes et les délits maritimes;
2° " faute de discipline maritime " : un fait interdit par l'article 2.4.5.3;
3° " délit maritime " : un fait interdit par les articles 2.4.5.4 à [1 2.4.5.42]1.
Wijzigingen
Art. 2.4.5.2. Internationale en materiële toepassing
§ 1. Met uitzondering van de artikel en 2.4.5.35, 2.4.5.41, 2.4.5.42, [1 ...]1 zijn dit hoofdstuk en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 uitsluitend van toepassing op scheepvaartvergrijpen gepleegd aan boord van of in verband met zeeschepen die worden ingezet of bestemd zijn voor bedrijfs- of beroepsmatige doeleinden [1 en de burgerbemanning aan boord van Belgische gezagsschepen onder operationeel commando van het ministerie van Landsverdediging]1.
§ 2. Behoudens uitdrukkelijke afwijkingen, zijn deze titel en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 van toepassing op alle personen die zich, in uitvoering van hun arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst, aan boord bevinden van een Belgisch zeeschip [1 of de burgerbemanning die zich aan boord van een Belgisch gezagsschip onder operationeel commando van het ministerie van Landsverdediging bevindt]1, ongeacht hun nationaliteit of die van hun werkgever. Voor die personen zijn ze van toepassing vanaf het tijdstip vastgesteld voor de aanvang van hun dienst aan boord van het zeeschip [1 of Belgisch gezagsschip onder operationeel commando van het ministerie van Landsverdediging]1 tot het einde van hun arbeidsovereenkomst.
§ 3. Deze titel en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 zijn eveneens van toepassing op alle personen die aan boord zijn toegelaten om de reis mee te maken. De passagiers vallen onder die bepalingen gedurende hun verblijf aan boord van een Belgisch zeeschip [1 of Belgisch gezagsschip onder operationeel commando van het ministerie van Landsverdediging]1. Zij mogen het schip te allen tijde verlaten, behalve wanneer zij aan boord worden gehouden om als dader of medeplichtige van een wanbedrijf of misdaad aan het gerecht te worden overgeleverd.
§ 4. Ingeval het schip, om gelijk welke reden, verloren gaat, blijven de schepelingen aan deze titel en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 onderworpen tot bij hun terugkeer in België of in het land van inscheping.
§ 5. In afwijking van de paragrafen 2, 3 en 4 zijn de artikel en 2.4.5.10, 2.4.5.11, 2.4.5.12, § 3, 2.4.5.18, 2.4.5.21, 2.4.5.22, § 2 en 3, 2.4.5.23, 2.4.5.24, 2.4.5.25, 2.4.5.33, 2.4.5.34, 2.4.5.41, [1 ...]1 van toepassing op eenieder.
[2 § 6. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing indien:
1° het scheepvaartvergrijp nodig is om de veiligheid van het schip of levens op zee te waarborgen;
2° het scheepvaartvergrijp voortvloeit uit schade aan een zeeschip of scheepsuitrusting indien alle voorzorgsmaatregelen werden genomen, tenzij de betrokkene handelde met het oogmerk om het scheepvaartvergrijp te plegen of roekeloos handelde en wetende dat het scheepvaartvergrijp waarschijnlijk zou plaatsvinden;
3° het scheepvaartvergrijp voorafgaandelijk werd toegestaan door de Scheepvaartcontrole met het oogmerk de veiligheid van het zeeschip, de opvarenden of de bescherming van het marien milieu, onverminderd de bevoegdheid van de jurisdictie van een andere staat waar het zeeschip zich bevindt.]2
§ 1. Met uitzondering van de artikel en 2.4.5.35, 2.4.5.41, 2.4.5.42, [1 ...]1 zijn dit hoofdstuk en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 uitsluitend van toepassing op scheepvaartvergrijpen gepleegd aan boord van of in verband met zeeschepen die worden ingezet of bestemd zijn voor bedrijfs- of beroepsmatige doeleinden [1 en de burgerbemanning aan boord van Belgische gezagsschepen onder operationeel commando van het ministerie van Landsverdediging]1.
§ 2. Behoudens uitdrukkelijke afwijkingen, zijn deze titel en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 van toepassing op alle personen die zich, in uitvoering van hun arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst, aan boord bevinden van een Belgisch zeeschip [1 of de burgerbemanning die zich aan boord van een Belgisch gezagsschip onder operationeel commando van het ministerie van Landsverdediging bevindt]1, ongeacht hun nationaliteit of die van hun werkgever. Voor die personen zijn ze van toepassing vanaf het tijdstip vastgesteld voor de aanvang van hun dienst aan boord van het zeeschip [1 of Belgisch gezagsschip onder operationeel commando van het ministerie van Landsverdediging]1 tot het einde van hun arbeidsovereenkomst.
§ 3. Deze titel en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 zijn eveneens van toepassing op alle personen die aan boord zijn toegelaten om de reis mee te maken. De passagiers vallen onder die bepalingen gedurende hun verblijf aan boord van een Belgisch zeeschip [1 of Belgisch gezagsschip onder operationeel commando van het ministerie van Landsverdediging]1. Zij mogen het schip te allen tijde verlaten, behalve wanneer zij aan boord worden gehouden om als dader of medeplichtige van een wanbedrijf of misdaad aan het gerecht te worden overgeleverd.
§ 4. Ingeval het schip, om gelijk welke reden, verloren gaat, blijven de schepelingen aan deze titel en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 onderworpen tot bij hun terugkeer in België of in het land van inscheping.
§ 5. In afwijking van de paragrafen 2, 3 en 4 zijn de artikel en 2.4.5.10, 2.4.5.11, 2.4.5.12, § 3, 2.4.5.18, 2.4.5.21, 2.4.5.22, § 2 en 3, 2.4.5.23, 2.4.5.24, 2.4.5.25, 2.4.5.33, 2.4.5.34, 2.4.5.41, [1 ...]1 van toepassing op eenieder.
[2 § 6. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing indien:
1° het scheepvaartvergrijp nodig is om de veiligheid van het schip of levens op zee te waarborgen;
2° het scheepvaartvergrijp voortvloeit uit schade aan een zeeschip of scheepsuitrusting indien alle voorzorgsmaatregelen werden genomen, tenzij de betrokkene handelde met het oogmerk om het scheepvaartvergrijp te plegen of roekeloos handelde en wetende dat het scheepvaartvergrijp waarschijnlijk zou plaatsvinden;
3° het scheepvaartvergrijp voorafgaandelijk werd toegestaan door de Scheepvaartcontrole met het oogmerk de veiligheid van het zeeschip, de opvarenden of de bescherming van het marien milieu, onverminderd de bevoegdheid van de jurisdictie van een andere staat waar het zeeschip zich bevindt.]2
Art. 2.4.5.2. Application internationale et matérielle
§ 1er. A l'exception des articles 2.4.5.35, 2.4.5.41, 2.4.5.42, [1 ...]1 le présent chapitre et les dispositions du livre 4 qui y ont trait sont exclusivement applicables aux infractions maritimes commises à bord de ou en relation avec des navires de mer utilisés ou destinés à des fins professionnelles [1 et à l'équipage civil à bord des navires de souveraineté belge sous le commandement opérationnel du ministère de la Défense]1.
§ 2. Sauf dérogation expresse, le présent titre et les dispositions du livre 4 qui y ont trait s'appliquent à toute personne qui se trouve à bord d'un navire de mer belge en exécution d'un contrat d'engagement maritime [1 ou à l'équipage civil à bord d'un navire de souveraineté belge sous le commandement opérationnel du ministère de la Défense]1, quelle que soit sa nationalité ou celle de son employeur. Ces personnes y sont assujetties à partir du moment fixé pour le commencement de leur service à bord du navire de mer [1 ou navire de souveraineté belge sous le commandement opérationnel du ministère de la Défense]1, jusqu'à la fin de leur contrat de travail.
§ 3. Le présent titre et les dispositions du livre 4 qui y ont trait s'appliquent également aux personnes autorisées à bord en vue d'effectuer le voyage. Les passagers sont assujettis à ces dispositions pendant le temps de leur séjour à bord d'un navire de mer belge [1 ou navire de souveraineté belge sous le commandement opérationnel du ministère de la Défense]1. Ils sont à tout moment libres de quitter le navire, à moins qu'ils n'y soient retenus pour être livrés à la justice comme auteurs ou complices d'un délit ou d'un crime.
§ 4. En cas de perte du navire, pour quelque raison que ce soit, les hommes d'équipage continuent d'être assujettis au présent titre et aux dispositions du livre 4 qui y ont trait, jusqu'à leur retour en Belgique ou dans le pays d'embarquement.
§ 5. Par dérogation des paragraphes 2, 3 et 4, les articles 2.4.5.10, 2.4.5.11, 2.4.5.12, § 3, 2.4.5.18, 2.4.5.21, 2.4.5.22, § 2 et 3, 2.4.5.23, 2.4.5.24, 2.4.5.25, 2.4.5.33, 2.4.5.34, 2.4.5.41, [1 ...]1 s'appliquent à tout individu.
[2 § 6. Les dispositions du présent chapitre ne sont pas applicables si :
1° l'infraction maritime est nécessaire pour garantir la sécurité du navire ou des vies en mer ;
2° l'infraction maritime découle de dommages à un navire de mer ou à l'équipement du navire si toutes les mesures de précaution ont été prises, sauf si l'intéressé a agi dans le but de commettre l'infraction maritime ou a agi de manière téméraire et sachant que l'infraction maritime aurait probablement lieu ;
3° l'infraction maritime a été préalablement autorisée par le Contrôle de la navigation dans le but de garantir la sécurité du navire de mer, des personnes embarquées ou de la protection du milieu marin, sans préjudice du pouvoir de juridiction d'un autre Etat où se trouve le navire de mer.]2
§ 1er. A l'exception des articles 2.4.5.35, 2.4.5.41, 2.4.5.42, [1 ...]1 le présent chapitre et les dispositions du livre 4 qui y ont trait sont exclusivement applicables aux infractions maritimes commises à bord de ou en relation avec des navires de mer utilisés ou destinés à des fins professionnelles [1 et à l'équipage civil à bord des navires de souveraineté belge sous le commandement opérationnel du ministère de la Défense]1.
§ 2. Sauf dérogation expresse, le présent titre et les dispositions du livre 4 qui y ont trait s'appliquent à toute personne qui se trouve à bord d'un navire de mer belge en exécution d'un contrat d'engagement maritime [1 ou à l'équipage civil à bord d'un navire de souveraineté belge sous le commandement opérationnel du ministère de la Défense]1, quelle que soit sa nationalité ou celle de son employeur. Ces personnes y sont assujetties à partir du moment fixé pour le commencement de leur service à bord du navire de mer [1 ou navire de souveraineté belge sous le commandement opérationnel du ministère de la Défense]1, jusqu'à la fin de leur contrat de travail.
§ 3. Le présent titre et les dispositions du livre 4 qui y ont trait s'appliquent également aux personnes autorisées à bord en vue d'effectuer le voyage. Les passagers sont assujettis à ces dispositions pendant le temps de leur séjour à bord d'un navire de mer belge [1 ou navire de souveraineté belge sous le commandement opérationnel du ministère de la Défense]1. Ils sont à tout moment libres de quitter le navire, à moins qu'ils n'y soient retenus pour être livrés à la justice comme auteurs ou complices d'un délit ou d'un crime.
§ 4. En cas de perte du navire, pour quelque raison que ce soit, les hommes d'équipage continuent d'être assujettis au présent titre et aux dispositions du livre 4 qui y ont trait, jusqu'à leur retour en Belgique ou dans le pays d'embarquement.
§ 5. Par dérogation des paragraphes 2, 3 et 4, les articles 2.4.5.10, 2.4.5.11, 2.4.5.12, § 3, 2.4.5.18, 2.4.5.21, 2.4.5.22, § 2 et 3, 2.4.5.23, 2.4.5.24, 2.4.5.25, 2.4.5.33, 2.4.5.34, 2.4.5.41, [1 ...]1 s'appliquent à tout individu.
[2 § 6. Les dispositions du présent chapitre ne sont pas applicables si :
1° l'infraction maritime est nécessaire pour garantir la sécurité du navire ou des vies en mer ;
2° l'infraction maritime découle de dommages à un navire de mer ou à l'équipement du navire si toutes les mesures de précaution ont été prises, sauf si l'intéressé a agi dans le but de commettre l'infraction maritime ou a agi de manière téméraire et sachant que l'infraction maritime aurait probablement lieu ;
3° l'infraction maritime a été préalablement autorisée par le Contrôle de la navigation dans le but de garantir la sécurité du navire de mer, des personnes embarquées ou de la protection du milieu marin, sans préjudice du pouvoir de juridiction d'un autre Etat où se trouve le navire de mer.]2
Afdeling 2. - Verbodsbepalingen
Section 2. - Interdictions
Art. 2.4.5.3. Scheepvaarttuchtvergrijpen
Het is de schepelingen verboden zich schuldig te maken aan de volgende scheepvaarttuchtvergrijpen :
1° gewone ongehoorzaamheid;
2° niet tijdig op zijn post zijn;
3° afwezigheid tijdens de wacht;
4° gebrek aan waakzaamheid op de wacht;
5° [1 ...]1
6° twist op zee of tijdens de dienst;
7° onregelmatige afwezigheid van boord;
8° tersluiks aan boord brengen van alcoholische dranken, verdovende middelen of geneesmiddelen;
9° opzettelijke beschadiging van scheepsmateriaal;
10° gebruik van scheepsmateriaal zonder toelating;
11° oneerbiedigheid jegens anderen.
Het is de schepelingen verboden zich schuldig te maken aan de volgende scheepvaarttuchtvergrijpen :
1° gewone ongehoorzaamheid;
2° niet tijdig op zijn post zijn;
3° afwezigheid tijdens de wacht;
4° gebrek aan waakzaamheid op de wacht;
5° [1 ...]1
6° twist op zee of tijdens de dienst;
7° onregelmatige afwezigheid van boord;
8° tersluiks aan boord brengen van alcoholische dranken, verdovende middelen of geneesmiddelen;
9° opzettelijke beschadiging van scheepsmateriaal;
10° gebruik van scheepsmateriaal zonder toelating;
11° oneerbiedigheid jegens anderen.
Art. 2.4.5.3. Fautes de discipline maritimes
Il est interdit aux hommes d'équipage de commettre les fautes de discipline maritimes suivantes :
1° la désobéissance commune;
2° ne pas prendre son poste à temps;
3° le manque au quart;
4° le défaut de vigilance pendant le quart;
5° [1 ...]1
6° les disputes en mer ou en service;
7° l'absence irrégulière du bord;
8° l'embarquement clandestin de boissons alcoolisées, de stupéfiants ou de médicaments à bord;
9° la dégradation volontaire de matériel du bord;
10° l'emploi sans autorisation du matériel du bord;
11° le manque de respect aux autres.
Il est interdit aux hommes d'équipage de commettre les fautes de discipline maritimes suivantes :
1° la désobéissance commune;
2° ne pas prendre son poste à temps;
3° le manque au quart;
4° le défaut de vigilance pendant le quart;
5° [1 ...]1
6° les disputes en mer ou en service;
7° l'absence irrégulière du bord;
8° l'embarquement clandestin de boissons alcoolisées, de stupéfiants ou de médicaments à bord;
9° la dégradation volontaire de matériel du bord;
10° l'emploi sans autorisation du matériel du bord;
11° le manque de respect aux autres.
Wijzigingen
Art. 2.4.5.5. Maken van vuur
Het is eenieder verboden op plaatsen aan boord waar zulks verboden is vuur te maken, alsook die plaatsen te betreden met vuur of met voorwerpen of stoffen die brand kunnen veroorzaken.
Het is eenieder verboden op plaatsen aan boord waar zulks verboden is vuur te maken, alsook die plaatsen te betreden met vuur of met voorwerpen of stoffen die brand kunnen veroorzaken.
Art. 2.4.5.5. Allumer des feux
Il est interdit à quiconque d'allumer des feux à bord dans les lieux où cela est interdit, et de circuler dans lesdits lieux avec du feu ou des objets ou substances pouvant causer un incendie.
Il est interdit à quiconque d'allumer des feux à bord dans les lieux où cela est interdit, et de circuler dans lesdits lieux avec du feu ou des objets ou substances pouvant causer un incendie.
Art. 2.4.5.6. Vernieling van scheepsmaterieel
Het is eenieder verboden scheepsmaterieel opzettelijk te vernielen, onbruikbaar te maken of achter te laten.
Het is eenieder verboden scheepsmaterieel opzettelijk te vernielen, onbruikbaar te maken of achter te laten.
Art. 2.4.5.6. Destruction du matériel du bord
Il est interdit à quiconque de détruire, mettre hors d'usage ou abandonner volontairement du matériel du bord.
Il est interdit à quiconque de détruire, mettre hors d'usage ou abandonner volontairement du matériel du bord.
Art. 2.4.5.7. Beschadiging van scheepsmaterieel
Het is de gezagvoerder en de officieren verboden opzettelijk scheepsmaterieel te beschadigen of te laten beschadigen.
Het is de gezagvoerder en de officieren verboden opzettelijk scheepsmaterieel te beschadigen of te laten beschadigen.
Art. 2.4.5.7. Dégradation du matériel du bord
Il est interdit au commandant et aux officiers de volontairement dégrader ou laisser dégrader du matériel du bord.
Il est interdit au commandant et aux officiers de volontairement dégrader ou laisser dégrader du matériel du bord.
Art. 2.4.5.8. Aan boord brengen van verboden voorwerpen
Het is eenieder verboden buiten weten van de gezagvoerder en de scheepseigenaar of de reder, voorwerpen of stoffen aan boord te brengen of te hebben, dan wel voorwerpen of stoffen van boord te brengen, waarvan de inbeslagneming voor de scheepseigenaar of de reder kosten kan meebrengen.
Zodra hij kennis heeft van de aanwezigheid ervan aan boord mag de gezagvoerder de in het eerste lid bedoelde voorwerpen of stoffen in verzekerde bewaring nemen ten einde ze in de eerste haven af te geven aan de bevoegde overheid.
Het is eenieder verboden buiten weten van de gezagvoerder en de scheepseigenaar of de reder, voorwerpen of stoffen aan boord te brengen of te hebben, dan wel voorwerpen of stoffen van boord te brengen, waarvan de inbeslagneming voor de scheepseigenaar of de reder kosten kan meebrengen.
Zodra hij kennis heeft van de aanwezigheid ervan aan boord mag de gezagvoerder de in het eerste lid bedoelde voorwerpen of stoffen in verzekerde bewaring nemen ten einde ze in de eerste haven af te geven aan de bevoegde overheid.
Art. 2.4.5.8. Embarquement d'objets interdits
Il est interdit à quiconque d'embarquer ou de détenir à bord, ou encore de débarquer, à l'insu du commandant et du propriétaire de navire ou de l'armateur, des objets ou substances dont la saisie constituerait le propriétaire du navire ou l'armateur en frais et dommages.
Le commandant pourra saisir les objets ou substances visés à l'alinéa premier, dès qu'il aura connaissance de leur présence à bord, en vue de les remettre à l'autorité compétente dans le premier port.
Il est interdit à quiconque d'embarquer ou de détenir à bord, ou encore de débarquer, à l'insu du commandant et du propriétaire de navire ou de l'armateur, des objets ou substances dont la saisie constituerait le propriétaire du navire ou l'armateur en frais et dommages.
Le commandant pourra saisir les objets ou substances visés à l'alinéa premier, dès qu'il aura connaissance de leur présence à bord, en vue de les remettre à l'autorité compétente dans le premier port.
Art. 2.4.5.9. Smokkel
Het is eenieder verboden smokkelwaar in te schepen of te ontschepen of dit te laten doen.
Het is eenieder verboden smokkelwaar in te schepen of te ontschepen of dit te laten doen.
Art. 2.4.5.9. Contrebande
Il est interdit à quiconque d'embarquer, de débarquer ou de permettre l'embarquement ou le débarquement de marchandises de contrebande.
Il est interdit à quiconque d'embarquer, de débarquer ou de permettre l'embarquement ou le débarquement de marchandises de contrebande.
Art. 2.4.5.10. Diefstal
Het is eenieder verboden aan boord diefstal te plegen.
Het is eenieder verboden aan boord diefstal te plegen.
Art. 2.4.5.10. Vol
Il est interdit à quiconque de commettre un vol à bord.
Il est interdit à quiconque de commettre un vol à bord.
Art. 2.4.5.11. Onbruikbaar maken van levensmiddelen
Het is eenieder verboden opzettelijk levensmiddelen onbruikbaar te maken die zich aan boord bevinden of voor het gebruik aan boord bestemd zijn.
Het is eenieder verboden opzettelijk levensmiddelen onbruikbaar te maken die zich aan boord bevinden of voor het gebruik aan boord bestemd zijn.
Art. 2.4.5.11. Mise hors d'usage des vivres
Il est interdit à quiconque de mettre volontairement hors d'usage des vivres qui se trouvent à bord ou sont destinés à une utilisation à bord.
Il est interdit à quiconque de mettre volontairement hors d'usage des vivres qui se trouvent à bord ou sont destinés à une utilisation à bord.
Art. 2.4.5.12. Postverlating
§ 1. Het is de schepelingen die aan het roer of op de uitkijk staan of zich op een bedienings- of wachtpost bevinden verboden hun post te verlaten alvorens te zijn afgelost.
§ 2. Het is de schepelingen wie een van de in paragraaf 1 bedoelde verantwoordelijkheden is opgedragen verboden van boord afwezig te zijn zodat zij de betrokken taken niet kunnen uitvoeren.
§ 3. Het is eenieder verboden door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of macht, schuldige kuiperijen of arglistigheden, zelfs buiten het grondgebied van België, tot de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde scheepvaartmisbedrijven aan te zetten of tot het plegen ervan aan te moedigen.
§ 1. Het is de schepelingen die aan het roer of op de uitkijk staan of zich op een bedienings- of wachtpost bevinden verboden hun post te verlaten alvorens te zijn afgelost.
§ 2. Het is de schepelingen wie een van de in paragraaf 1 bedoelde verantwoordelijkheden is opgedragen verboden van boord afwezig te zijn zodat zij de betrokken taken niet kunnen uitvoeren.
§ 3. Het is eenieder verboden door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of macht, schuldige kuiperijen of arglistigheden, zelfs buiten het grondgebied van België, tot de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde scheepvaartmisbedrijven aan te zetten of tot het plegen ervan aan te moedigen.
Art. 2.4.5.12. Abandon de poste
§ 1er. Il est interdit à tout homme d'équipage étant à la barre ou en vigie ou à un poste de manoeuvre ou de garde, de quitter son poste avant d'avoir été relevé.
§ 2. Il est interdit à tout homme d'équipage qui est chargé d'une des responsabilités définies au paragraphe 1er d'être absent du bord, de sorte à ne pas pouvoir exécuter les tâches en question.
§ 3. Il est interdit à quiconque d'inciter ou d'encourager à commettre, par dons, promesses, menaces, abus d'autorité ou de pouvoir, machinations ou artifices coupables, même en dehors du territoire belge, les délits maritimes visés aux paragraphes 1er et 2.
§ 1er. Il est interdit à tout homme d'équipage étant à la barre ou en vigie ou à un poste de manoeuvre ou de garde, de quitter son poste avant d'avoir été relevé.
§ 2. Il est interdit à tout homme d'équipage qui est chargé d'une des responsabilités définies au paragraphe 1er d'être absent du bord, de sorte à ne pas pouvoir exécuter les tâches en question.
§ 3. Il est interdit à quiconque d'inciter ou d'encourager à commettre, par dons, promesses, menaces, abus d'autorité ou de pouvoir, machinations ou artifices coupables, même en dehors du territoire belge, les délits maritimes visés aux paragraphes 1er et 2.
Art. 2.4.5.13. Scheepsverlating door de gezagvoerder
Behoudens overmacht of machtiging is het de gezagvoerder verboden zijn schip te verlaten terwijl zijn arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst nog loopt.
Behoudens overmacht of machtiging is het de gezagvoerder verboden zijn schip te verlaten terwijl zijn arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst nog loopt.
Art. 2.4.5.13. Abandonnement du navire par le commandant
Hormis en cas de force majeure ou d'autorisation, il est interdit au commandant d'abandonner son navire lorsque son contrat d'engagement maritime est encore en cours.
Hormis en cas de force majeure ou d'autorisation, il est interdit au commandant d'abandonner son navire lorsque son contrat d'engagement maritime est encore en cours.
Art. 2.4.5.14. Ongehoorzaamheid
Het is de opvarenden, met inbegrip van de officieren, verboden te weigeren te gehoorzamen aan de bevelen die door de gezagvoerder of, in diens naam, door een officier worden gegeven met het oog op het behoud en de veiligheid van het schip en zijn opvarenden.
Het is de opvarenden, met inbegrip van de officieren, verboden te weigeren te gehoorzamen aan de bevelen die door de gezagvoerder of, in diens naam, door een officier worden gegeven met het oog op het behoud en de veiligheid van het schip en zijn opvarenden.
Art. 2.4.5.14. Désobéissance
Il est interdit aux personnes embarquées, y compris aux officiers, de refuser d'obéir aux ordres donnés par le commandant ou en son nom par un officier, en vue du salut et de la sécurité du navire et des personnes embarquées.
Il est interdit aux personnes embarquées, y compris aux officiers, de refuser d'obéir aux ordres donnés par le commandant ou en son nom par un officier, en vue du salut et de la sécurité du navire et des personnes embarquées.
Art. 2.4.5.15. Weerspannigheid
Het is eenieder verboden tegenover de gezagvoerder of een officier weerspannigheid te plegen zoals omschreven in artikel 269 van het Strafwetboek.
Met inachtneming van de omstandigheden kunnen de daden van verzet van de gezagvoerder en van de hem trouw gebleven personen worden beschouwd als wettige verdediging.
Het is eenieder verboden tegenover de gezagvoerder of een officier weerspannigheid te plegen zoals omschreven in artikel 269 van het Strafwetboek.
Met inachtneming van de omstandigheden kunnen de daden van verzet van de gezagvoerder en van de hem trouw gebleven personen worden beschouwd als wettige verdediging.
Art. 2.4.5.15. Rébellion
Il est interdit à quiconque de commettre une rébellion contre le commandant ou contre un officier, telle que qualifiée par l'article 269 du Code pénal.
Les actes de résistance du commandant et des personnes qui lui sont restées fidèles peuvent, eu égard des circonstances, être considérés comme accomplis en état de légitime défense.
Il est interdit à quiconque de commettre une rébellion contre le commandant ou contre un officier, telle que qualifiée par l'article 269 du Code pénal.
Les actes de résistance du commandant et des personnes qui lui sont restées fidèles peuvent, eu égard des circonstances, être considérés comme accomplis en état de légitime défense.
Art. 2.4.5.16. Smaad
Het is de opvarenden verboden de gezagvoerder, een officier, een personeelslid van de Scheepvaartpolitie of de Scheepvaartcontrole of een Belgische ambtenaar tijdens of ter gelegenheid van de uitoefening van hun opdrachten, te smaden door woorden, daden, gebaren of bedreigingen.
Het is de opvarenden verboden de gezagvoerder, een officier, een personeelslid van de Scheepvaartpolitie of de Scheepvaartcontrole of een Belgische ambtenaar tijdens of ter gelegenheid van de uitoefening van hun opdrachten, te smaden door woorden, daden, gebaren of bedreigingen.
Art. 2.4.5.16. Diffamation
Il est interdit à toute personne embarquée d'outrager par paroles, faits, gestes ou menaces, le commandant, un officier, un membre du personnel de la Police de la navigation ou du Contrôle de la navigation ou un fonctionnaire belge dans l'exercice de leurs fonctions ou à cette occasion.
Il est interdit à toute personne embarquée d'outrager par paroles, faits, gestes ou menaces, le commandant, un officier, un membre du personnel de la Police de la navigation ou du Contrôle de la navigation ou un fonctionnaire belge dans l'exercice de leurs fonctions ou à cette occasion.
Art. 2.4.5.17. Slagen
Het is de opvarenden verboden een van de in artikel 2.4.5.16 genoemde personen tijdens of ter gelegenheid van de uitoefening van hun opdrachten slagen toe te brengen.
Het is de opvarenden verboden een van de in artikel 2.4.5.16 genoemde personen tijdens of ter gelegenheid van de uitoefening van hun opdrachten slagen toe te brengen.
Art. 2.4.5.17. Coups
Il est interdit à toute personne embarquée de frapper l'une des personnes spécifiées à l'article 2.4.5.16 dans l'exercice de leurs fonctions ou à cette occasion.
Il est interdit à toute personne embarquée de frapper l'une des personnes spécifiées à l'article 2.4.5.16 dans l'exercice de leurs fonctions ou à cette occasion.
Art. 2.4.5.18. Samenspanning
Het is eenieder verboden deel te nemen aan een samenspanning tegen de veiligheid, de vrijheid of het gezag van de gezagvoerder.
Onder samenspanning wordt verstaan het besluit om aldus te handelen na beraming door verscheidene personen, waaronder ten minste twee opvarenden.
Met inachtneming van de omstandigheden kunnen de daden van verzet van de gezagvoerder en van de hem trouw gebleven personen worden beschouwd als wettige verdediging.
Het is eenieder verboden deel te nemen aan een samenspanning tegen de veiligheid, de vrijheid of het gezag van de gezagvoerder.
Onder samenspanning wordt verstaan het besluit om aldus te handelen na beraming door verscheidene personen, waaronder ten minste twee opvarenden.
Met inachtneming van de omstandigheden kunnen de daden van verzet van de gezagvoerder en van de hem trouw gebleven personen worden beschouwd als wettige verdediging.
Art. 2.4.5.18. Complot
Il est interdit à quiconque de faire partie d'un complot contre la sûreté, la liberté ou l'autorité du commandant.
On entend par complot, la résolution d'agir, concertée et arrêtée entre plusieurs personnes dont deux au moins sont embarquées à bord du navire.
Les actes de résistance du commandant et des personnes qui lui sont restées fidèles peuvent, eu égard des circonstances, être considérés comme accomplis en état de légitime défense.
Il est interdit à quiconque de faire partie d'un complot contre la sûreté, la liberté ou l'autorité du commandant.
On entend par complot, la résolution d'agir, concertée et arrêtée entre plusieurs personnes dont deux au moins sont embarquées à bord du navire.
Les actes de résistance du commandant et des personnes qui lui sont restées fidèles peuvent, eu égard des circonstances, être considérés comme accomplis en état de légitime défense.
Art. 2.4.5.19. Misbruik van gezag
§ 1. Het is de gezagvoerder, de officieren en alle andere aan boord met gezag beklede personen verboden misbruik te maken van hun gezag dan wel zodanig misbruik op te leggen, toe te laten of te dulden ten opzichte van een opvarende.
§ 2. Het is de gezagvoerder, de officieren of alle andere aan boord met gezag beklede personen eveneens verboden zich jegens een opvarende schuldig te maken aan smaad door woorden, daden, gebaren of bedreigingen.
§ 3. Het is de gezagvoerder verboden tijdens of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn opdrachten zonder wettige reden geweld te gebruiken, te doen of te laten gebruiken.
§ 1. Het is de gezagvoerder, de officieren en alle andere aan boord met gezag beklede personen verboden misbruik te maken van hun gezag dan wel zodanig misbruik op te leggen, toe te laten of te dulden ten opzichte van een opvarende.
§ 2. Het is de gezagvoerder, de officieren of alle andere aan boord met gezag beklede personen eveneens verboden zich jegens een opvarende schuldig te maken aan smaad door woorden, daden, gebaren of bedreigingen.
§ 3. Het is de gezagvoerder verboden tijdens of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn opdrachten zonder wettige reden geweld te gebruiken, te doen of te laten gebruiken.
Art. 2.4.5.19. Abus d'autorité
§ 1er. Il est interdit au commandant, aux officiers et à toute autre personne investie d'une autorité à bord d'abuser de leur autorité ou d'ordonner, autoriser ou tolérer tel abus d'autorité à l'égard d'une personne embarquée.
§ 2. Il est interdit au commandant, aux officiers et à toute autre personne investie d'une autorité à bord de se rendre coupable d'outrage par paroles, faits, gestes ou menaces envers une personne embarquée.
§ 3. Il est interdit au commandant d'user, de faire ou de laisser user de violence, sans motifs légitimes, dans l'exercice de ses fonctions ou à cette occasion.
§ 1er. Il est interdit au commandant, aux officiers et à toute autre personne investie d'une autorité à bord d'abuser de leur autorité ou d'ordonner, autoriser ou tolérer tel abus d'autorité à l'égard d'une personne embarquée.
§ 2. Il est interdit au commandant, aux officiers et à toute autre personne investie d'une autorité à bord de se rendre coupable d'outrage par paroles, faits, gestes ou menaces envers une personne embarquée.
§ 3. Il est interdit au commandant d'user, de faire ou de laisser user de violence, sans motifs légitimes, dans l'exercice de ses fonctions ou à cette occasion.
Art. 2.4.5.20. Aanmatiging van gezag
Het is de gezagvoerder verboden te bevorderen dat een ander zich het gezag met betrekking tot het besturen en het voeren van het schip aanmatigt of erin toe te stemmen slechts gezagvoerder in naam te zijn.
Het is de gezagvoerder verboden te bevorderen dat een ander zich het gezag met betrekking tot het besturen en het voeren van het schip aanmatigt of erin toe te stemmen slechts gezagvoerder in naam te zijn.
Art. 2.4.5.20. Usurpation du commandement
Il est interdit au commandant de favoriser l'usurpation de l'exercice du commandement à son bord, en ce qui touche la manoeuvre et la direction du navire ou de consentir à n'être que porteur d'expédition.
Il est interdit au commandant de favoriser l'usurpation de l'exercice du commandement à son bord, en ce qui touche la manoeuvre et la direction du navire ou de consentir à n'être que porteur d'expédition.
Art. 2.4.5.21. Wederrechtelijke bevelvoering
§ 1. Het is eenieder verboden wederrechtelijk het bevel te voeren over een schip of aan boord wederrechtelijk een taak te verrichten waarvoor een diploma of een vergunning is vereist.
§ 2. Het is de scheepseigenaar en de reder verboden zich aan de in het eerste lid bedoelde feiten medeplichtig te maken.
§ 1. Het is eenieder verboden wederrechtelijk het bevel te voeren over een schip of aan boord wederrechtelijk een taak te verrichten waarvoor een diploma of een vergunning is vereist.
§ 2. Het is de scheepseigenaar en de reder verboden zich aan de in het eerste lid bedoelde feiten medeplichtig te maken.
Art. 2.4.5.21. Commandement illicite
§ 1er. Il est interdit à quiconque de prendre indûment le commandement d'un navire ou d'exercer indûment des tâches pour lesquelles un diplôme ou une licence est requis.
§ 2. Il est interdit au propriétaire du navire et à l'armateur de se rendre complices des faits prévus à l'alinéa 1er.
§ 1er. Il est interdit à quiconque de prendre indûment le commandement d'un navire ou d'exercer indûment des tâches pour lesquelles un diplôme ou une licence est requis.
§ 2. Il est interdit au propriétaire du navire et à l'armateur de se rendre complices des faits prévus à l'alinéa 1er.
Art. 2.4.5.22. Wederrechtelijke inscheping
§ 1. Het is de gezagvoerder verboden op onregelmatige wijze hetzij een schepeling in te schepen of te ontschepen, hetzij een passagier aan boord te nemen.
§ 2. Het is eenieder verboden zich zonder voorafgaande toestemming van de gezagvoerder aan boord van een Belgisch schip te bevinden en zich in de Belgische wateren aan boord van een vreemd schip te bevinden, voor zover, in dit laatste geval, de inscheping of ontscheping in de Belgische wateren heeft plaatsgehad.
§ 3. Het is verboden op welke wijze ook de inscheping of de ontscheping van een persoon bedoeld in de tweede paragraaf of diens verblijf aan boord te bevorderen of diens verblijf aan boord te verzwijgen.
§ 1. Het is de gezagvoerder verboden op onregelmatige wijze hetzij een schepeling in te schepen of te ontschepen, hetzij een passagier aan boord te nemen.
§ 2. Het is eenieder verboden zich zonder voorafgaande toestemming van de gezagvoerder aan boord van een Belgisch schip te bevinden en zich in de Belgische wateren aan boord van een vreemd schip te bevinden, voor zover, in dit laatste geval, de inscheping of ontscheping in de Belgische wateren heeft plaatsgehad.
§ 3. Het is verboden op welke wijze ook de inscheping of de ontscheping van een persoon bedoeld in de tweede paragraaf of diens verblijf aan boord te bevorderen of diens verblijf aan boord te verzwijgen.
Art. 2.4.5.22. Embarquement illicite
§ 1er. Il est interdit au commandant d'embarquer ou de débarquer irrégulièrement un homme d'équipage ou un passager à son bord.
§ 2. Il est interdit à quiconque de se trouver sans le consentement préalable du commandant à bord d'un navire belge ou à bord d'un navire étranger dans les eaux belges, pour autant que dans ce dernier cas l'embarquement ou le débarquement ait eu lieu dans ces eaux belges.
§ 3. Il est interdit de favoriser, par quelque moyen que ce soit, l'embarquement ou le débarquement d'une personne visée au paragraphe 2, ou de favoriser ou de taire son séjour à bord d'un navire.
§ 1er. Il est interdit au commandant d'embarquer ou de débarquer irrégulièrement un homme d'équipage ou un passager à son bord.
§ 2. Il est interdit à quiconque de se trouver sans le consentement préalable du commandant à bord d'un navire belge ou à bord d'un navire étranger dans les eaux belges, pour autant que dans ce dernier cas l'embarquement ou le débarquement ait eu lieu dans ces eaux belges.
§ 3. Il est interdit de favoriser, par quelque moyen que ce soit, l'embarquement ou le débarquement d'une personne visée au paragraphe 2, ou de favoriser ou de taire son séjour à bord d'un navire.
Art. 2.4.5.23. Wederrechtelijke ontscheping
Het is de gezagvoerders van schepen die aanleggen in een Belgische haven of er verblijven verboden zonder toestemming van de Scheepvaartpolitie iemand te ontschepen die zich zonder zijn voorafgaande toestemming aan boord bevindt of die niet voorzien is van de documenten vereist voor toelating tot het Belgisch grondgebied.
Het is de gezagvoerders van schepen die aanleggen in een Belgische haven of er verblijven verboden zonder toestemming van de Scheepvaartpolitie iemand te ontschepen die zich zonder zijn voorafgaande toestemming aan boord bevindt of die niet voorzien is van de documenten vereist voor toelating tot het Belgisch grondgebied.
Art. 2.4.5.23. Débarquement illicite
Il est interdit au commandant d'un navire qui accoste dans un port belge ou y séjourne, de débarquer, sans l'autorisation de la Police de la navigation, une personne se trouvant à bord de son navire sans son consentement préalable ou qui n'est pas munie des documents requis pour être admise en territoire belge.
Il est interdit au commandant d'un navire qui accoste dans un port belge ou y séjourne, de débarquer, sans l'autorisation de la Police de la navigation, une personne se trouvant à bord de son navire sans son consentement préalable ou qui n'est pas munie des documents requis pour être admise en territoire belge.
Art. 2.4.5.24. Wederrechtelijk langszij komen of aanmeren
Het is eenieder verboden voor de aankomst in een haven of op een ankerplaats en ondanks het verbod van de gezagvoerder of van een door deze gemachtigd officier langszij te komen, of een ander schip aan het schip te meren, tenzij als personeelslid van de overheid in de uitoefening van zijn functie.
Het is eenieder verboden voor de aankomst in een haven of op een ankerplaats en ondanks het verbod van de gezagvoerder of van een door deze gemachtigd officier langszij te komen, of een ander schip aan het schip te meren, tenzij als personeelslid van de overheid in de uitoefening van zijn functie.
Art. 2.4.5.24. Accostage ou amarrage illicite
Il est interdit à quiconque d'accoster ou d'amarrer un autre navire au navire avant l'arrivée dans un port ou à un autre poste de mouillage et en dépit de l'interdiction du commandant ou d'un officier mandaté par ce dernier, sauf en qualité de membre du personnel des pouvoirs publics dans l'exercice de sa fonction.
Il est interdit à quiconque d'accoster ou d'amarrer un autre navire au navire avant l'arrivée dans un port ou à un autre poste de mouillage et en dépit de l'interdiction du commandant ou d'un officier mandaté par ce dernier, sauf en qualité de membre du personnel des pouvoirs publics dans l'exercice de sa fonction.
Art. 2.4.5.25. Alcoholverkoop
Het is verboden voor leveranciers die niet door de gezagvoerder zijn aangesteld op een schip alcoholische drank uit te delen of te verkopen aan de bemanning of aan enig ander persoon.
Het is verboden voor leveranciers die niet door de gezagvoerder zijn aangesteld op een schip alcoholische drank uit te delen of te verkopen aan de bemanning of aan enig ander persoon.
Art. 2.4.5.25. Vente d'alcool
Il est interdit aux fournisseurs non-agréés par le commandant du navire de distribuer ou de vendre des boissons alcoolisées soit à l'équipage, soit à toute autre personne se trouvant à bord.
Il est interdit aux fournisseurs non-agréés par le commandant du navire de distribuer ou de vendre des boissons alcoolisées soit à l'équipage, soit à toute autre personne se trouvant à bord.
Art. 2.4.5.26. Achterlating van zieken en gewonden
§ 1. Het is de gezagvoerder verboden een zieke of gewonde schepeling in het buitenland achter te laten, zonder de consulaire ambtenaren of, zo die er niet zijn, de plaatselijke overheid daarvan kennis te geven, en hem niet de nodige middelen voor zijn behandeling of repatriëring te verschaffen, wanneer hij daartoe gehouden is.
§ 2. Het is de gezagvoerder verboden een zieke of gewonde passagier achter te laten voordat deze zijn haven van bestemming heeft bereikt, en daarvan geen kennis te geven aan de consulaire ambtenaren of, zo die er niet zijn, aan de plaatselijke overheid.
§ 1. Het is de gezagvoerder verboden een zieke of gewonde schepeling in het buitenland achter te laten, zonder de consulaire ambtenaren of, zo die er niet zijn, de plaatselijke overheid daarvan kennis te geven, en hem niet de nodige middelen voor zijn behandeling of repatriëring te verschaffen, wanneer hij daartoe gehouden is.
§ 2. Het is de gezagvoerder verboden een zieke of gewonde passagier achter te laten voordat deze zijn haven van bestemming heeft bereikt, en daarvan geen kennis te geven aan de consulaire ambtenaren of, zo die er niet zijn, aan de plaatselijke overheid.
Art. 2.4.5.26. Abandonnement de malades et blessés
§ 1er. Il est interdit au commandant de laisser à terre à l'étranger, sans en aviser les fonctionnaires consulaires ou, à défaut, l'autorité locale, un homme d'équipage malade ou blessé, et de ne pas lui procurer, lorsqu'il y est tenu, le moyen d'assurer son traitement ou son rapatriement.
§ 2. Il est interdit au commandant de laisser à terre, avant qu'il ait atteint le port de sa destination, un passager malade ou blessé, et de ne pas en aviser les fonctionnaires consulaires, ou, à défaut, l'autorité locale.
§ 1er. Il est interdit au commandant de laisser à terre à l'étranger, sans en aviser les fonctionnaires consulaires ou, à défaut, l'autorité locale, un homme d'équipage malade ou blessé, et de ne pas lui procurer, lorsqu'il y est tenu, le moyen d'assurer son traitement ou son rapatriement.
§ 2. Il est interdit au commandant de laisser à terre, avant qu'il ait atteint le port de sa destination, un passager malade ou blessé, et de ne pas en aviser les fonctionnaires consulaires, ou, à défaut, l'autorité locale.
Art. 2.4.5.27. Vertrek zonder voldoende levensmiddelen
Het is de gezagvoerder verboden zee te kiezen zonder voldoende levensmiddelen voor de opvarenden aan boord te hebben.
Het is de gezagvoerder verboden zee te kiezen zonder voldoende levensmiddelen voor de opvarenden aan boord te hebben.
Art. 2.4.5.27. Appareillage sans vivres suffisants
Il est interdit au commandant d'appareiller sans avoir à bord les approvisionnements en vivres suffisants pour les besoins des personnes embarquées.
Il est interdit au commandant d'appareiller sans avoir à bord les approvisionnements en vivres suffisants pour les besoins des personnes embarquées.
Art. 2.4.5.28. Inscheping van ongeschikte levensmiddelen
Het is de gezagvoerder verboden voor verbruik door de opvarenden vervalste, beschadigde of bedorven eet- of voedingswaren, dranken of andere stoffen in te schepen.
Het is de gezagvoerder verboden voor verbruik door de opvarenden vervalste, beschadigde of bedorven eet- of voedingswaren, dranken of andere stoffen in te schepen.
Art. 2.4.5.28. Embarquement de vivres inadéquats
Il est interdit au commandant d'embarquer pour la consommation des personnes embarquées des comestibles, denrées, boissons ou substances falsifiés, gâtés ou corrompus.
Il est interdit au commandant d'embarquer pour la consommation des personnes embarquées des comestibles, denrées, boissons ou substances falsifiés, gâtés ou corrompus.
Art. 2.4.5.29. Verzet tegen inspectie
Het is de gezagvoerder verboden zich te verzetten tegen het inspectiebezoek aan boord van de ambtenaren belast met de controle van de voorraden, of tegen de vervulling van hun opdrachten, of hen hierbij te hinderen.
Het is de gezagvoerder verboden zich te verzetten tegen het inspectiebezoek aan boord van de ambtenaren belast met de controle van de voorraden, of tegen de vervulling van hun opdrachten, of hen hierbij te hinderen.
Art. 2.4.5.29. Opposition à l'inspection
Il est interdit au commandant de s'opposer ou de faire obstacle aux visites à bord des membres des fonctionnaires chargés du contrôle des approvisionnements ou à l'accomplissement de leur mission.
Il est interdit au commandant de s'opposer ou de faire obstacle aux visites à bord des membres des fonctionnaires chargés du contrôle des approvisionnements ou à l'accomplissement de leur mission.
Art. 2.4.5.30. Ongehoorzaamheid tegenover de overheid
De gezagvoerder moet gehoorzamen aan de bevelen van de Belgische ambtenaren, de scheepvaartcontroleurs of de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie.
De gezagvoerder moet gehoorzamen aan de bevelen van de Belgische ambtenaren, de scheepvaartcontroleurs of de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie.
Art. 2.4.5.30. Désobéissance envers les autorités
Le commandant doit obéir aux ordres des fonctionnaires belges, des contrôleurs de la navigation ou des membres du personnel de la Police de la Navigation.
Le commandant doit obéir aux ordres des fonctionnaires belges, des contrôleurs de la navigation ou des membres du personnel de la Police de la Navigation.
Art. 2.4.5.31. Ontbreken van uiterlijke kentekens
§ 1. Het is de gezagvoerder verboden het bevel te voeren over een schip dat niet is voorzien van de bij de reglementen vereiste uiterlijke kentekens.
§ 2. Het is de gezagvoerder verboden de in de eerste paragraaf bedoelde kentekens opzettelijk uit te wissen, te wijzigen of te bedekken.
§ 1. Het is de gezagvoerder verboden het bevel te voeren over een schip dat niet is voorzien van de bij de reglementen vereiste uiterlijke kentekens.
§ 2. Het is de gezagvoerder verboden de in de eerste paragraaf bedoelde kentekens opzettelijk uit te wissen, te wijzigen of te bedekken.
Art. 2.4.5.31. Manque de marques extérieures
§ 1er. Il est interdit au commandant de commander un navire qui ne porte pas les marques extérieures d'identité requises par les règlements.
§ 2. Il est interdit au commandant de volontairement effacer, altérer ou masquer les marques visées au paragraphe 1er.
§ 1er. Il est interdit au commandant de commander un navire qui ne porte pas les marques extérieures d'identité requises par les règlements.
§ 2. Il est interdit au commandant de volontairement effacer, altérer ou masquer les marques visées au paragraphe 1er.
Art. 2.4.5.32. Overtreding in verband met scheepsboeken
Het is de gezagvoerder verboden de reglementen betreffende het bijhouden van de scheepsboeken te overtreden.
Het is de gezagvoerder verboden de reglementen betreffende het bijhouden van de scheepsboeken te overtreden.
Art. 2.4.5.32. Infraction relative aux livres de bord
Il est interdit au commandant d'enfreindre les réglementations relatives à la mise à jour des livres de bord.
Il est interdit au commandant d'enfreindre les réglementations relatives à la mise à jour des livres de bord.
Art. 2.4.5.33. Afgifte en opmaak van valse scheepspapieren
Het is eenieder verboden zich scheepspapieren te doen afgeven of er te doen opmaken aan de hand van valse verklaringen of van stukken in de wetenschap dat zij vervalst of onjuist zijn.
Het is eenieder verboden zich scheepspapieren te doen afgeven of er te doen opmaken aan de hand van valse verklaringen of van stukken in de wetenschap dat zij vervalst of onjuist zijn.
Art. 2.4.5.33. Remise et rédaction de faux documents de bord
Il est interdit à quiconque de se faire remettre ou de faire dresser des documents de bord au moyen de fausses déclarations ou de pièces qu'il sait falsifiées ou erronées.
Il est interdit à quiconque de se faire remettre ou de faire dresser des documents de bord au moyen de fausses déclarations ou de pièces qu'il sait falsifiées ou erronées.
Art. 2.4.5.34. Namaking en vervalsing van zeemansboeken
Het is eenieder verboden een zeemansboek of een soortgelijk document na te maken of te vervalsen en van een nagemaakt of vervalst zeemansboek of soortgelijk document gebruik te maken.
Het is eenieder verboden een zeemansboek of een soortgelijk document na te maken of te vervalsen en van een nagemaakt of vervalst zeemansboek of soortgelijk document gebruik te maken.
Art. 2.4.5.34. Contrefaçon ou falsification de livrets marins
Il est interdit à quiconque de contrefaire ou de falsifier un livret marin ou un document similaire et de faire usage d'un livret marin ou d'un document similaire contrefait ou falsifié.
Il est interdit à quiconque de contrefaire ou de falsifier un livret marin ou un document similaire et de faire usage d'un livret marin ou d'un document similaire contrefait ou falsifié.
Art. 2.4.5.35. Schuldig verzuim
§ 1. Onverminderd artikel 10.1 van het Bergingsverdrag 1989 is het de gezagvoerder van een schip dat is geregistreerd of teboekgesteld in België of er zijn thuishaven of gewoonlijke ligplaats heeft, evenals de gezagvoerder van een schip in een geval waarop hoofdstuk 5 van titel7 van dit boek van toepassing is, verboden na te laten hulp te verlenen aan eenieder die op zee in levensgevaar verkeert, voor zover hij zulks kan doen zonder ernstig gevaar voor zijn schip en de opvarenden.
§ 2. Onverminderd artikel 8 van het Aanvaringsverdrag 1910 is het de gezagvoerder van een schip dat is geregistreerd of teboekgesteld in België of er zijn thuishaven of gewoonlijke ligplaats heeft, evenals de gezagvoerder van een schip in een geval waarop hoodstuk 2 van titel 7 van dit boek van toepassing is, verboden na een aanvaring :
1° geen hulp te bieden aan het andere schip, de bemanning en de passagiers, voor zover hij zulks kan doen zonder ernstig gevaar voor zijn schip en de opvarenden;
2° te verzuimen aan het andere schip in de mate van het mogelijke de naam en de thuishaven van zijn eigen schip op te geven, alsook de plaatsen vanwaar het komt en waarheen het gaat.
§ 1. Onverminderd artikel 10.1 van het Bergingsverdrag 1989 is het de gezagvoerder van een schip dat is geregistreerd of teboekgesteld in België of er zijn thuishaven of gewoonlijke ligplaats heeft, evenals de gezagvoerder van een schip in een geval waarop hoofdstuk 5 van titel7 van dit boek van toepassing is, verboden na te laten hulp te verlenen aan eenieder die op zee in levensgevaar verkeert, voor zover hij zulks kan doen zonder ernstig gevaar voor zijn schip en de opvarenden.
§ 2. Onverminderd artikel 8 van het Aanvaringsverdrag 1910 is het de gezagvoerder van een schip dat is geregistreerd of teboekgesteld in België of er zijn thuishaven of gewoonlijke ligplaats heeft, evenals de gezagvoerder van een schip in een geval waarop hoodstuk 2 van titel 7 van dit boek van toepassing is, verboden na een aanvaring :
1° geen hulp te bieden aan het andere schip, de bemanning en de passagiers, voor zover hij zulks kan doen zonder ernstig gevaar voor zijn schip en de opvarenden;
2° te verzuimen aan het andere schip in de mate van het mogelijke de naam en de thuishaven van zijn eigen schip op te geven, alsook de plaatsen vanwaar het komt en waarheen het gaat.
Art. 2.4.5.35. Non-assistance à personne en danger
§ 1er. Sans préjudice de l'article 10.1 de la Convention sur l'Assistance 1989, il est interdit au commandant d'un navire enregistré ou immatriculé en Belgique ou y ayant son port d'attache ou y étant habituellement amarré, de même qu'au commandant d'un navire dans un cas auquel s'applique le chapitre 5 du titre 7 du présent livre, de ne pas prêter assistance à quiconque en danger de disparaître en mer, pour autant qu'il puisse le faire sans danger sérieux pour son navire et les personnes embarquées.
§ 2. Sans préjudice de l'article 8 de la Convention sur les Abordages 1910, il est interdit au commandant d'un navire enregistré ou immatriculé en Belgique ou y ayant son port d'attache ou y étant habituellement amarré, de même qu'au commandant d'un navire dans un cas auquel s'applique le chapitre 2 du titre 7 du présent livre, après un abordage :
1° de ne pas prêter assistance à l'autre navire, son équipage ou ses passagers, autant qu'il peut le faire sans danger sérieux pour son navire et les personnes embarquées;
2° d'omettre de faire connaître à l'autre navire dans la mesure du possible le nom et le port d'attache de son navire, ainsi que les lieux d'où il vient et où il va.
§ 1er. Sans préjudice de l'article 10.1 de la Convention sur l'Assistance 1989, il est interdit au commandant d'un navire enregistré ou immatriculé en Belgique ou y ayant son port d'attache ou y étant habituellement amarré, de même qu'au commandant d'un navire dans un cas auquel s'applique le chapitre 5 du titre 7 du présent livre, de ne pas prêter assistance à quiconque en danger de disparaître en mer, pour autant qu'il puisse le faire sans danger sérieux pour son navire et les personnes embarquées.
§ 2. Sans préjudice de l'article 8 de la Convention sur les Abordages 1910, il est interdit au commandant d'un navire enregistré ou immatriculé en Belgique ou y ayant son port d'attache ou y étant habituellement amarré, de même qu'au commandant d'un navire dans un cas auquel s'applique le chapitre 2 du titre 7 du présent livre, après un abordage :
1° de ne pas prêter assistance à l'autre navire, son équipage ou ses passagers, autant qu'il peut le faire sans danger sérieux pour son navire et les personnes embarquées;
2° d'omettre de faire connaître à l'autre navire dans la mesure du possible le nom et le port d'attache de son navire, ainsi que les lieux d'où il vient et où il va.
Art. 2.4.5.36. Scheepsverlating door de gezagvoerder bij gevaar
§ 1. Buiten noodzaak is het de gezagvoerder verboden, zonder zich te beraden met de officieren of de voornaamste schepelingen, gedurende de reis zijn schip te verlaten terwijl het in gevaar verkeert.
§ 2. Het is de gezagvoerder verboden bij het verlaten van zijn schip wegens gevaar na te laten alle beschikbare middelen aan te wenden om de opvarenden te redden.
§ 3. Het is de gezagvoerder die genoodzaakt is zijn schip te verlaten verboden niet als laatste van boord te gaan.
§ 1. Buiten noodzaak is het de gezagvoerder verboden, zonder zich te beraden met de officieren of de voornaamste schepelingen, gedurende de reis zijn schip te verlaten terwijl het in gevaar verkeert.
§ 2. Het is de gezagvoerder verboden bij het verlaten van zijn schip wegens gevaar na te laten alle beschikbare middelen aan te wenden om de opvarenden te redden.
§ 3. Het is de gezagvoerder die genoodzaakt is zijn schip te verlaten verboden niet als laatste van boord te gaan.
Art. 2.4.5.36. Abandonnement du navire en danger par le commandant
§ 1er. Il est interdit au commandant d'abandonner, sans nécessité ou sans avoir pris l'avis des officiers ou principaux hommes d'équipage, son navire pendant le voyage, alors que son navire se trouve en danger.
§ 2. Il est interdit au commandant de négliger, en abandonnant son navire pour cause de danger, de sauver par tous les moyens disponibles les personnes embarquées.
§ 3. Il est interdit au commandant forcé d'abandonner son navire de ne pas rester à bord le dernier.
§ 1er. Il est interdit au commandant d'abandonner, sans nécessité ou sans avoir pris l'avis des officiers ou principaux hommes d'équipage, son navire pendant le voyage, alors que son navire se trouve en danger.
§ 2. Il est interdit au commandant de négliger, en abandonnant son navire pour cause de danger, de sauver par tous les moyens disponibles les personnes embarquées.
§ 3. Il est interdit au commandant forcé d'abandonner son navire de ne pas rester à bord le dernier.
Art. 2.4.5.37. Verkoop van het schip
Het is de gezagvoerder verboden zonder machtiging het door hem gevoerde schip te verkopen.
Het is de gezagvoerder verboden zonder machtiging het door hem gevoerde schip te verkopen.
Art. 2.4.5.37. Vente du navire
Il est interdit au commandant de vendre le navire dont la conduite lui était confiée, sans autorisation.
Il est interdit au commandant de vendre le navire dont la conduite lui était confiée, sans autorisation.
Art. 2.4.5.38. Verduistering van het schip
Het is de gezagvoerder verboden het door hem gevoerde schip te verduisteren met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen.
Het is de gezagvoerder verboden het door hem gevoerde schip te verduisteren met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen.
Art. 2.4.5.38. Détournement du navire
Il est interdit au commandant de détourner le navire dont il a été chargé de la conduite, dans une intention frauduleuse à son profit.
Il est interdit au commandant de détourner le navire dont il a été chargé de la conduite, dans une intention frauduleuse à son profit.
Art. 2.4.5.39. Overboord gooien, vernieling van voorwerpen en koersafwijking
Het is de gezagvoerder verboden met misdadig opzet of met het oogmerk om te schaden, buiten noodzaak, de lading, de scheepsvoorraad of de scheepsbehoeften geheel of gedeeltelijk overboord te gooien of te vernielen, dan wel van zijn koers af te wijken.
Het is de gezagvoerder verboden met misdadig opzet of met het oogmerk om te schaden, buiten noodzaak, de lading, de scheepsvoorraad of de scheepsbehoeften geheel of gedeeltelijk overboord te gooien of te vernielen, dan wel van zijn koers af te wijken.
Art. 2.4.5.39. Jet, destruction d'objets et fausse route
Il est interdit au commandant, dans une intention criminelle ou à dessein de nuire, de jeter à la mer ou de détruire, sans nécessité, tout ou partie de la cargaison, des vivres ou effets du bord, ou de faire fausse route.
Il est interdit au commandant, dans une intention criminelle ou à dessein de nuire, de jeter à la mer ou de détruire, sans nécessité, tout ou partie de la cargaison, des vivres ou effets du bord, ou de faire fausse route.
Art. 2.4.5.40. Opzettelijke stranding en andere beschadigingen
§ 1. Het is de gezagvoerder verboden het door hem gevoerde schip met misdadig opzet te doen stranden, te vernielen of te doen verloren gaan of het zwaar te beschadigen anders dan door brandstichting.
§ 2. Het is andere opvarenden dan de gezagvoerder verboden de in de eerste paragraaf bedoelde feiten te plegen.
§ 3. Het is eenieder verboden om uit handelingen als omschreven in de eerste paragraaf voordeel te trekken, wetende dat die handelingen opzettelijk zijn gepleegd.
§ 4. Het is verboden met misdadig opzet handelingen als omschreven in de eerste of tweede paragraaf uit te lokken of ertoe aan te zetten.
§ 1. Het is de gezagvoerder verboden het door hem gevoerde schip met misdadig opzet te doen stranden, te vernielen of te doen verloren gaan of het zwaar te beschadigen anders dan door brandstichting.
§ 2. Het is andere opvarenden dan de gezagvoerder verboden de in de eerste paragraaf bedoelde feiten te plegen.
§ 3. Het is eenieder verboden om uit handelingen als omschreven in de eerste paragraaf voordeel te trekken, wetende dat die handelingen opzettelijk zijn gepleegd.
§ 4. Het is verboden met misdadig opzet handelingen als omschreven in de eerste of tweede paragraaf uit te lokken of ertoe aan te zetten.
Art. 2.4.5.40. Echouement intentionnel et autres dommages
§ 1er. Il est interdit au commandant d'échouer, de détruire ou de perdre, dans une intention criminelle, le navire dont il a la conduite, ou de gravement l'endommager par tout moyen autre que l'incendie.
§ 2. Il est interdit aux personnes embarquées autres que le commandant de commettre les faits visés au paragraphe 1er.
§ 3. Il est interdit à quiconque de tirer profit des faits visés au paragraphe 1er ayant connaissance du caractère volontaire de ces faits.
§ 4. Il est interdit de provoquer ou d'encourager les faits visés au paragraphe 1er ou au paragraphe 2 dans une intention criminelle.
§ 1er. Il est interdit au commandant d'échouer, de détruire ou de perdre, dans une intention criminelle, le navire dont il a la conduite, ou de gravement l'endommager par tout moyen autre que l'incendie.
§ 2. Il est interdit aux personnes embarquées autres que le commandant de commettre les faits visés au paragraphe 1er.
§ 3. Il est interdit à quiconque de tirer profit des faits visés au paragraphe 1er ayant connaissance du caractère volontaire de ces faits.
§ 4. Il est interdit de provoquer ou d'encourager les faits visés au paragraphe 1er ou au paragraphe 2 dans une intention criminelle.
Art. 2.4.5.41. Overdracht van het schip aan piraten
§ 1. Het is de gezagvoerder verboden zijn schip opzettelijk in de macht van een piratengroep te brengen.
§ 2. Het is de schepelingen verboden het schip tegen de wil van de gezagvoerder in de macht van een piratengroep te brengen.
§ 1. Het is de gezagvoerder verboden zijn schip opzettelijk in de macht van een piratengroep te brengen.
§ 2. Het is de schepelingen verboden het schip tegen de wil van de gezagvoerder in de macht van een piratengroep te brengen.
Art. 2.4.5.41. Cession du navire à des pirates
§ 1er . Il est interdit au commandant de livrer volontairement son navire à un groupe de pirates.
§ 2. Il est interdit aux hommes d'équipage de livrer le navire à un groupe de pirates contre le gré du commandant.
§ 1er . Il est interdit au commandant de livrer volontairement son navire à un groupe de pirates.
§ 2. Il est interdit aux hommes d'équipage de livrer le navire à un groupe de pirates contre le gré du commandant.
Art. 2.4.5.42. Kaap- en oorlogsvaart
§ 1. Het is de eigenaar en de reder van een Belgisch schip verboden het uit te rusten of te laten uitrusten voor de kaapvaart of de oorlog.
§ 2. Het is de schepelingen verboden wetens en willens hun diensten te verlenen aan een wederrechtelijk voor de kaapvaart of de oorlog uitgerust schip.
§ 1. Het is de eigenaar en de reder van een Belgisch schip verboden het uit te rusten of te laten uitrusten voor de kaapvaart of de oorlog.
§ 2. Het is de schepelingen verboden wetens en willens hun diensten te verlenen aan een wederrechtelijk voor de kaapvaart of de oorlog uitgerust schip.
Art. 2.4.5.42. Navigation de course et de guerre
§ 1er. Il est interdit au propriétaire et à l'armateur d'un navire belge de l'armer ou de le laisser armer en course ou en guerre.
§ 2. Il est interdit à tout homme d'équipage de prêter sciemment ses services à un navire illégalement armé en course ou en guerre.
§ 1er. Il est interdit au propriétaire et à l'armateur d'un navire belge de l'armer ou de le laisser armer en course ou en guerre.
§ 2. Il est interdit à tout homme d'équipage de prêter sciemment ses services à un navire illégalement armé en course ou en guerre.
Titel 5. - ZEE EN HAVENS
TITRE 5. - MER ET PORTS
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Art. 2.5.1.1. Andere regelgeving
Deze titel geldt onverminderd :
1° de wet van 19 augustus 1891 betreffende de zeevisserij in de territoriale zee;
2° de wet van 12 april 1957 waarbij de Koning wordt gemachtigd maatregelen voor te schrijven ter bescherming van de biologische hulpbronnen van de zee;
3° de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en de exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat;
4° de wet van 10 oktober 1978 houdende vaststelling van een Belgische visserijzone;
5° [1 de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden;]1
6° de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee;
7° [2 de wet van 25 mei 2024 betreffende de bescherming van mens en milieu bij de prospectie, exploratie en exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaan- bodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht.]2
Deze titel geldt onverminderd :
1° de wet van 19 augustus 1891 betreffende de zeevisserij in de territoriale zee;
2° de wet van 12 april 1957 waarbij de Koning wordt gemachtigd maatregelen voor te schrijven ter bescherming van de biologische hulpbronnen van de zee;
3° de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en de exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat;
4° de wet van 10 oktober 1978 houdende vaststelling van een Belgische visserijzone;
5° [1 de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden;]1
6° de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee;
7° [2 de wet van 25 mei 2024 betreffende de bescherming van mens en milieu bij de prospectie, exploratie en exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaan- bodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht.]2
Art. 2.5.1.1. Autre réglementation
Le présent titre s'applique sans préjudice de :
1° la loi du 19 août 1891 relative à la pêche maritime dans la mer territoriale;
2° la loi du 12 avril 1957 autorisant le Roi à prescrire des mesures en vue de la conservation des ressources biologiques de la mer;
3° la loi du 13 juin 1969 sur l'exploration et l'exploitation des ressources non vivantes de la mer territoriale et du plateau continental;
4° la loi du 10 octobre 1978 portant établissement d'une zone de pêche de la Belgique;
5° [1 la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges;]1
6° la loi du 22 avril 1999 concernant la zone économique exclusive de la Belgique en mer du Nord;
7° [2 la loi du 25 mai 2024 relative à la protection des êtres humains et de l'environnement lors de la prospection, de l'exploration et de l'exploitation des ressources des fonds marins et du sous-sol au-delà des limites de la juridiction nationale.]2
Le présent titre s'applique sans préjudice de :
1° la loi du 19 août 1891 relative à la pêche maritime dans la mer territoriale;
2° la loi du 12 avril 1957 autorisant le Roi à prescrire des mesures en vue de la conservation des ressources biologiques de la mer;
3° la loi du 13 juin 1969 sur l'exploration et l'exploitation des ressources non vivantes de la mer territoriale et du plateau continental;
4° la loi du 10 octobre 1978 portant établissement d'une zone de pêche de la Belgique;
5° [1 la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges;]1
6° la loi du 22 avril 1999 concernant la zone économique exclusive de la Belgique en mer du Nord;
7° [2 la loi du 25 mai 2024 relative à la protection des êtres humains et de l'environnement lors de la prospection, de l'exploration et de l'exploitation des ressources des fonds marins et du sous-sol au-delà des limites de la juridiction nationale.]2
Art. 2.5.1.2. Reglementeringsbevoegdheid
De Koning regelt de politie en de scheepvaart in de Belgische [1 maritieme zones]1.
[2 Wanneer een activiteit of een geplande activiteit in de Belgische maritieme zones een impact heeft op de scheepvaart, kan de Scheepvaartcontrole een veiligheidsstudie uitvoeren overeenkomstig de vigerende normen van de IMO. Op basis van deze veiligheidsstudie kunnen scheepsrouteringsystemen of andere mitigerende maatregelen worden ingesteld overeenkomstig het eerste lid. Voor het opstellen van deze veiligheidsstudie is door de uitvoerder van de activiteit of de geplande activiteit in de Belgische maritieme zones een retributie verschuldigd aan de Scheepvaartcontrole. De Koning bepaalt het tarief van deze retributie en de nadere regels voor de toepassing en de inning ervan.]2
De Koning regelt de politie en de scheepvaart in de Belgische [1 maritieme zones]1.
[2 Wanneer een activiteit of een geplande activiteit in de Belgische maritieme zones een impact heeft op de scheepvaart, kan de Scheepvaartcontrole een veiligheidsstudie uitvoeren overeenkomstig de vigerende normen van de IMO. Op basis van deze veiligheidsstudie kunnen scheepsrouteringsystemen of andere mitigerende maatregelen worden ingesteld overeenkomstig het eerste lid. Voor het opstellen van deze veiligheidsstudie is door de uitvoerder van de activiteit of de geplande activiteit in de Belgische maritieme zones een retributie verschuldigd aan de Scheepvaartcontrole. De Koning bepaalt het tarief van deze retributie en de nadere regels voor de toepassing en de inning ervan.]2
Art. 2.5.1.2. Compétence de réglementation
Le Roi règle la police et la navigation dans [1 les zones maritimes belges]1.
[2 Lorsque une activité ou une activité prévue dans les zones maritimes belges a un impact sur la navigation, le Contrôle de la navigation peut effectuer une étude de sûreté conformément aux normes de l'OMI en vigueur. Sur la base de cette étude de sûreté, les systèmes de routage des navires ou autres mesures de mitigation peuvent être introduits conformément à l'alinéa 1er. Pour l'élaboration de cette étude de sûreté, une redevance est due par l'exécutant de l'activité ou de l'activité prévu dans les zones maritimes belges au Contrôle de la navigation. Le Roi détermine le tarif de la redevance et les autres règles afférentes à son application et à sa perception.]2
Le Roi règle la police et la navigation dans [1 les zones maritimes belges]1.
[2 Lorsque une activité ou une activité prévue dans les zones maritimes belges a un impact sur la navigation, le Contrôle de la navigation peut effectuer une étude de sûreté conformément aux normes de l'OMI en vigueur. Sur la base de cette étude de sûreté, les systèmes de routage des navires ou autres mesures de mitigation peuvent être introduits conformément à l'alinéa 1er. Pour l'élaboration de cette étude de sûreté, une redevance est due par l'exécutant de l'activité ou de l'activité prévu dans les zones maritimes belges au Contrôle de la navigation. Le Roi détermine le tarif de la redevance et les autres règles afférentes à son application et à sa perception.]2
HOOFDSTUK 2. [1 - Beveiliging]1
CHAPITRE 2. [1 - Sûreté]1
Afdeling 1. [1 - Algemene Bepalingen]1
Section 1ère. [1 - Dispositions générales]1
Art. 2.5.2.1. [1 ISPS-Verordening en Havenbeveiligingsrichtlijn
Dit hoofdstuk voorziet in de uitvoering van de ISPS-Verordening en in de omzetting van de Havenbeveiligingsrichtlijn.]1
Dit hoofdstuk voorziet in de uitvoering van de ISPS-Verordening en in de omzetting van de Havenbeveiligingsrichtlijn.]1
Art. 2.5.2.1. [1 Règlement ISPS et Directive sur la sûreté portuaire
Le présent chapitre prévoit la mise en oeuvre du Règlement ISPS et la transposition de la Directive sur la sûreté portuaire.]1
Le présent chapitre prévoit la mise en oeuvre du Règlement ISPS et la transposition de la Directive sur la sûreté portuaire.]1
Wijzigingen
Art. 2.5.2.2. [1 Doelstellingen
De doelstellingen van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten zijn:
1° het invoeren van maatregelen voor de verbetering van de beveiliging van in de internationale handel en voor binnenlands verkeer gebruikte zeeschepen en bijhorende havenfaciliteiten, tegen het gevaar van ongeoorloofde acties;
2° het verhogen van de beveiliging ten aanzien van dreigingen van beveiligingsincidenten door het vaststellen van regels inzake beveiliging;
3° het beschermen van de personen werkzaam in een haven of havenfaciliteit, op een bouw- of kunstwerk in de maritieme zones of aan boord van zeeschepen;
4° het vaststellen van de maatregelen om de beveiliging van de zeeschepen en bouw- en kunstwerken, met inbegrip van kabels en pijpleidingen, in de Belgische maritieme zones te waarborgen;
5° het vaststellen van mechanismes voor de naleving van dit hoofdstuk.]1
De doelstellingen van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten zijn:
1° het invoeren van maatregelen voor de verbetering van de beveiliging van in de internationale handel en voor binnenlands verkeer gebruikte zeeschepen en bijhorende havenfaciliteiten, tegen het gevaar van ongeoorloofde acties;
2° het verhogen van de beveiliging ten aanzien van dreigingen van beveiligingsincidenten door het vaststellen van regels inzake beveiliging;
3° het beschermen van de personen werkzaam in een haven of havenfaciliteit, op een bouw- of kunstwerk in de maritieme zones of aan boord van zeeschepen;
4° het vaststellen van de maatregelen om de beveiliging van de zeeschepen en bouw- en kunstwerken, met inbegrip van kabels en pijpleidingen, in de Belgische maritieme zones te waarborgen;
5° het vaststellen van mechanismes voor de naleving van dit hoofdstuk.]1
Art. 2.5.2.2. [1 Objectifs
Les objectifs du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution sont les suivants :
1° l'introduction de mesures visant à améliorer la sûreté des navires de mer utilisés dans le commerce international et le trafic intérieur et des installations portuaires associées contre le danger d'actions illicites ;
2° le renforcement de la sûreté face aux menaces d'incidents de sûreté par l'établissement de règles relatives à la sûreté ;
3° la protection des personnes travaillant dans un port ou une installation portuaire, sur un ouvrage de construction ou de génie civil dans les zones maritimes ou à bord des navires de mer ;
4° l'établissement des mesures visant à garantir la sûreté des navires de mer et des ouvrages de construction et de génie civil, y compris les câbles et les pipelines, dans les zones maritimes belges ;
5° l'établissement de mécanismes pour le respect du présent chapitre.]1
Les objectifs du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution sont les suivants :
1° l'introduction de mesures visant à améliorer la sûreté des navires de mer utilisés dans le commerce international et le trafic intérieur et des installations portuaires associées contre le danger d'actions illicites ;
2° le renforcement de la sûreté face aux menaces d'incidents de sûreté par l'établissement de règles relatives à la sûreté ;
3° la protection des personnes travaillant dans un port ou une installation portuaire, sur un ouvrage de construction ou de génie civil dans les zones maritimes ou à bord des navires de mer ;
4° l'établissement des mesures visant à garantir la sûreté des navires de mer et des ouvrages de construction et de génie civil, y compris les câbles et les pipelines, dans les zones maritimes belges ;
5° l'établissement de mécanismes pour le respect du présent chapitre.]1
Wijzigingen
Art. 2.5.2.3. [1 Begrippen
In dit hoofdstuk, in de erop betrekking hebbende bepalingen in boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder:
1° "maritieme beveiliging": de combinatie van preventieve maatregelen en personele en materiële middelen die het zeevervoer, de havens en de havenfaciliteiten [2 , de terminal gelegen in het binnenland]2 en de Belgische maritieme zones moeten beschermen tegen dreigingen van opzettelijk ongeoorloofde acties;
2° "internationaal zeescheepvaartverkeer": iedere zeeverbinding per zeeschip tussen een Belgische havenfaciliteit en een havenfaciliteit buiten België;
3° "binnenlands zeescheepvaartverkeer": iedere zeeverbinding per zeeschip tussen een Belgisch havenfaciliteit en diezelfde havenfaciliteit of een andere Belgische havenfaciliteit;
4° "haven": elk uit land en water bestaande cluster met werken en voorzieningen ten behoeve van het commercieel vervoer over zee, en de omliggende gebieden die een invloed hebben op de beveiliging ;
5° "havenfaciliteit": een locatie waar het schip/land raakvlak plaatsvindt waar ook, in voorkomend geval, ankergebieden, ligplaatsen en aanvaarroutes vanuit zee toe behoren;
6° "schip/land raakvlak": een interactie die plaatsvindt wanneer het zeeschip rechtstreeks en onmiddellijk betrokken is bij acties die gepaard gaan met de verplaatsing van personen of goederen, dan wel verlening van havendiensten aan of vanuit het schip;
7° "beveiligingsincident": iedere handeling of omstandigheid die bedreigend is voor de beveiliging van een zeeschip, een havenfaciliteit of een haven, met inbegrip van ongeoorloofde acties;
8° "ISPS-platform": het door de federale overheid opgericht en onderhouden elektronisch platform voor het uitwisselen en bijhouden van alle beveiligingsinformatie die valt onder de toepassing van de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, de Havenbeveiligingsrichtlijn, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten;
9° "erkende beveiligingsorganisatie": een onderneming die erkend is overeenkomstig artikel 2.5.2.71 om de in dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten toegewezen taken uit te voeren;
10° "minister": de minister bevoegd voor maritieme mobiliteit;
11° "PSO": de havenbeveiligingsfunctionaris bedoeld in artikel 9 van de Havenbeveiligingsrichtlijn;
12° "PFSO": de beveiligingsbeambte van een havenfaciliteit;
13° "CSO": de beveiligingsbeambte van de reder;
14° "SSO": de beveiligingsbeambte aan boord van een zeeschip;
15° [2 "ongeoorloofde actie": elke opzettelijke actie die gezien de aard of context ervan schade kan toebrengen aan de bouw- of kunstwerken, kabels en pijpleidingen in de Belgische maritieme zones, aan zeeschepen in het internationale en binnenlands zeescheepvaartverkeer, aan bemanning, passagiers of lading, of aan de desbetreffende havens of havenfaciliteiten of terminals gelegen in het binnenland, of het gebruik van zeeschepen of van andere vervoersmiddelen om via havens en havenfaciliteiten of via terminals gelegen in het binnenland verboden voorwerpen of producten in- of uit België te brengen, personen of dieren zonder toelating te laten inschepen of ontschepen, deze in België bij transit door te voeren, alsook de verboden voorwerpen of producten te verwijderen of uit te halen uit voornoemde havens, havenfaciliteiten of terminals of alle hiermee verband houdende activiteiten;]2]1
[2 16° "terminal gelegen in het binnenland": plaats gelegen buiten een havenfaciliteit waar goederen ingevoerd via zeeschepen of bestemd voor uitvoer via zeeschepen geladen, gelost of tijdelijk opgeslagen worden;
17° "vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging": een lokaal of bedrijfsterrein gelegen buiten een havenfaciliteit of een terminal gelegen in het binnenland van waaruit operaties gestuurd kunnen worden die een impact hebben op de maritieme beveiliging, met uitzondering van de bewoonde lokalen;
18° "BFSO": de beveiligingsbeambte van een terminal gelegen in het binnenland.]2
In dit hoofdstuk, in de erop betrekking hebbende bepalingen in boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder:
1° "maritieme beveiliging": de combinatie van preventieve maatregelen en personele en materiële middelen die het zeevervoer, de havens en de havenfaciliteiten [2 , de terminal gelegen in het binnenland]2 en de Belgische maritieme zones moeten beschermen tegen dreigingen van opzettelijk ongeoorloofde acties;
2° "internationaal zeescheepvaartverkeer": iedere zeeverbinding per zeeschip tussen een Belgische havenfaciliteit en een havenfaciliteit buiten België;
3° "binnenlands zeescheepvaartverkeer": iedere zeeverbinding per zeeschip tussen een Belgisch havenfaciliteit en diezelfde havenfaciliteit of een andere Belgische havenfaciliteit;
4° "haven": elk uit land en water bestaande cluster met werken en voorzieningen ten behoeve van het commercieel vervoer over zee, en de omliggende gebieden die een invloed hebben op de beveiliging ;
5° "havenfaciliteit": een locatie waar het schip/land raakvlak plaatsvindt waar ook, in voorkomend geval, ankergebieden, ligplaatsen en aanvaarroutes vanuit zee toe behoren;
6° "schip/land raakvlak": een interactie die plaatsvindt wanneer het zeeschip rechtstreeks en onmiddellijk betrokken is bij acties die gepaard gaan met de verplaatsing van personen of goederen, dan wel verlening van havendiensten aan of vanuit het schip;
7° "beveiligingsincident": iedere handeling of omstandigheid die bedreigend is voor de beveiliging van een zeeschip, een havenfaciliteit of een haven, met inbegrip van ongeoorloofde acties;
8° "ISPS-platform": het door de federale overheid opgericht en onderhouden elektronisch platform voor het uitwisselen en bijhouden van alle beveiligingsinformatie die valt onder de toepassing van de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, de Havenbeveiligingsrichtlijn, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten;
9° "erkende beveiligingsorganisatie": een onderneming die erkend is overeenkomstig artikel 2.5.2.71 om de in dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten toegewezen taken uit te voeren;
10° "minister": de minister bevoegd voor maritieme mobiliteit;
11° "PSO": de havenbeveiligingsfunctionaris bedoeld in artikel 9 van de Havenbeveiligingsrichtlijn;
12° "PFSO": de beveiligingsbeambte van een havenfaciliteit;
13° "CSO": de beveiligingsbeambte van de reder;
14° "SSO": de beveiligingsbeambte aan boord van een zeeschip;
15° [2 "ongeoorloofde actie": elke opzettelijke actie die gezien de aard of context ervan schade kan toebrengen aan de bouw- of kunstwerken, kabels en pijpleidingen in de Belgische maritieme zones, aan zeeschepen in het internationale en binnenlands zeescheepvaartverkeer, aan bemanning, passagiers of lading, of aan de desbetreffende havens of havenfaciliteiten of terminals gelegen in het binnenland, of het gebruik van zeeschepen of van andere vervoersmiddelen om via havens en havenfaciliteiten of via terminals gelegen in het binnenland verboden voorwerpen of producten in- of uit België te brengen, personen of dieren zonder toelating te laten inschepen of ontschepen, deze in België bij transit door te voeren, alsook de verboden voorwerpen of producten te verwijderen of uit te halen uit voornoemde havens, havenfaciliteiten of terminals of alle hiermee verband houdende activiteiten;]2]1
[2 16° "terminal gelegen in het binnenland": plaats gelegen buiten een havenfaciliteit waar goederen ingevoerd via zeeschepen of bestemd voor uitvoer via zeeschepen geladen, gelost of tijdelijk opgeslagen worden;
17° "vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging": een lokaal of bedrijfsterrein gelegen buiten een havenfaciliteit of een terminal gelegen in het binnenland van waaruit operaties gestuurd kunnen worden die een impact hebben op de maritieme beveiliging, met uitzondering van de bewoonde lokalen;
18° "BFSO": de beveiligingsbeambte van een terminal gelegen in het binnenland.]2
Art. 2.5.2.3. [1 Notions
Dans le présent chapitre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférents, l'on entend par :
1° " sûreté maritime " : la combinaison de mesures préventives et de moyens humains et matériels visant à protéger le transport par mer, les ports et les installations portuaires [2 , les terminaux intérieurs]2 et les zones maritimes belges contre les menaces d'actions illicites intentionnelles ;
2° " trafic maritime international " : toute liaison maritime par navire de mer entre une installation portuaire belge et une installation portuaire extérieure à la Belgique ;
3° " trafic maritime intérieur " : toute liaison par navire de mer entre une installation portuaire belge et cette même installation portuaire ou une autre installation portuaire belge ;
4° " port " : tout ensemble de terre et d'eau existant, comprenant des infrastructures et équipements destinés à faciliter les opérations de transport maritime commercial, et les zones environnantes qui ont une incidence sur la sûreté ;
5° " installation portuaire " : un emplacement où a lieu l'interface navire/terre qui comprend également, le cas échéant, les zones de mouillage, les postes d'attente et leurs abords à partir de la mer ;
6° " interface navire/terre " : une interaction qui se produit lorsque le navire de mer est directement et immédiatement affecté par des actions entrainant le mouvement de personnes ou de marchandises, ou la fourniture de services portuaires vers ou depuis le navire ;
7° " incident de sûreté " : tout acte ou circonstance menaçant la sûreté d'un navire de mer, d'une installation portuaire ou d'un port, y compris les actions illicites;
8° " plateforme ISPS " : la plateforme électronique établie et maintenue par le Gouvernement fédéral pour l'échange et la mise à jour de toutes les informations de sûreté couvertes par l'application du Code ISPS, du Règlement ISPS, de la Directive sur la sûreté portuaire, du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution ;
9° " organisme de sûreté reconnu " : une entreprise qui est reconnue conformément à l'article 2.5.2.71 pour exécuter les tâches attribuées dans le présent chapitre et ses arrêtés d'exécution ;
10° " ministre " : le ministre chargé de la mobilité maritime ;
11° " PSO " : l'agent de sûreté portuaire visé à l'article 9 de la Directive sur la sûreté portuaire ;
12° " PFSO " : l'agent de sûreté de l'installation portuaire ;
13° " CSO " : l'agent de sûreté de l'armateur ;
14° " SSO " : l'agent de sûreté à bord d'un navire de mer ;
15° [2 "action illicite": toute action intentionnelle qui, compte tenu de sa nature ou de son contexte, pourrait causer des dommages aux ouvrages de construction et de génie civil ou aux câbles ou aux pipelines dans les zones maritimes belges, aux navires de mer du trafic maritime international et national, à l'équipage, aux passagers ou à la cargaison, ou aux ports ou installations portuaires ou terminaux intérieurs concernés, ou à l'utilisation de navires de mer ou d'autres moyens de transport pour faire entrer ou sortir de Belgique des articles ou produits interdits, permettre à des personnes ou des animaux d'embarquer ou de débarquer sans autorisation, les faire transiter en Belgique sans autorisation, ainsi que de supprimer ou retirer des objets ou produits interdits des ports, installations portuaires ou terminaux susmentionnés, ou toute activité connexe et ce, via les ports et installations portuaires ou via les terminaux intérieurs;]2]1
[2 16° "terminal intérieur": lieu situé en dehors d'une installation portuaire où sont chargées, déchargées ou temporairement entreposées des marchandises importé par de navires de mer ou destinées à exporté par ceux-ci;
17° "unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime": un local ou site industriel situé à l'extérieur d'une installation portuaire ou d'un terminal intérieur, à partir duquel des opérations ayant un impact sur la sûreté maritime peuvent être dirigées, à l'exception des locaux habités;
18° "BFSO": l'agent de sûreté d'un terminal intérieur.]2
Dans le présent chapitre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférents, l'on entend par :
1° " sûreté maritime " : la combinaison de mesures préventives et de moyens humains et matériels visant à protéger le transport par mer, les ports et les installations portuaires [2 , les terminaux intérieurs]2 et les zones maritimes belges contre les menaces d'actions illicites intentionnelles ;
2° " trafic maritime international " : toute liaison maritime par navire de mer entre une installation portuaire belge et une installation portuaire extérieure à la Belgique ;
3° " trafic maritime intérieur " : toute liaison par navire de mer entre une installation portuaire belge et cette même installation portuaire ou une autre installation portuaire belge ;
4° " port " : tout ensemble de terre et d'eau existant, comprenant des infrastructures et équipements destinés à faciliter les opérations de transport maritime commercial, et les zones environnantes qui ont une incidence sur la sûreté ;
5° " installation portuaire " : un emplacement où a lieu l'interface navire/terre qui comprend également, le cas échéant, les zones de mouillage, les postes d'attente et leurs abords à partir de la mer ;
6° " interface navire/terre " : une interaction qui se produit lorsque le navire de mer est directement et immédiatement affecté par des actions entrainant le mouvement de personnes ou de marchandises, ou la fourniture de services portuaires vers ou depuis le navire ;
7° " incident de sûreté " : tout acte ou circonstance menaçant la sûreté d'un navire de mer, d'une installation portuaire ou d'un port, y compris les actions illicites;
8° " plateforme ISPS " : la plateforme électronique établie et maintenue par le Gouvernement fédéral pour l'échange et la mise à jour de toutes les informations de sûreté couvertes par l'application du Code ISPS, du Règlement ISPS, de la Directive sur la sûreté portuaire, du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution ;
9° " organisme de sûreté reconnu " : une entreprise qui est reconnue conformément à l'article 2.5.2.71 pour exécuter les tâches attribuées dans le présent chapitre et ses arrêtés d'exécution ;
10° " ministre " : le ministre chargé de la mobilité maritime ;
11° " PSO " : l'agent de sûreté portuaire visé à l'article 9 de la Directive sur la sûreté portuaire ;
12° " PFSO " : l'agent de sûreté de l'installation portuaire ;
13° " CSO " : l'agent de sûreté de l'armateur ;
14° " SSO " : l'agent de sûreté à bord d'un navire de mer ;
15° [2 "action illicite": toute action intentionnelle qui, compte tenu de sa nature ou de son contexte, pourrait causer des dommages aux ouvrages de construction et de génie civil ou aux câbles ou aux pipelines dans les zones maritimes belges, aux navires de mer du trafic maritime international et national, à l'équipage, aux passagers ou à la cargaison, ou aux ports ou installations portuaires ou terminaux intérieurs concernés, ou à l'utilisation de navires de mer ou d'autres moyens de transport pour faire entrer ou sortir de Belgique des articles ou produits interdits, permettre à des personnes ou des animaux d'embarquer ou de débarquer sans autorisation, les faire transiter en Belgique sans autorisation, ainsi que de supprimer ou retirer des objets ou produits interdits des ports, installations portuaires ou terminaux susmentionnés, ou toute activité connexe et ce, via les ports et installations portuaires ou via les terminaux intérieurs;]2]1
[2 16° "terminal intérieur": lieu situé en dehors d'une installation portuaire où sont chargées, déchargées ou temporairement entreposées des marchandises importé par de navires de mer ou destinées à exporté par ceux-ci;
17° "unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime": un local ou site industriel situé à l'extérieur d'une installation portuaire ou d'un terminal intérieur, à partir duquel des opérations ayant un impact sur la sûreté maritime peuvent être dirigées, à l'exception des locaux habités;
18° "BFSO": l'agent de sûreté d'un terminal intérieur.]2
Afdeling 2.
Section 2.
Onderafdeling 1.
Sous-Section 1ère.
Art. 2.5.2.4. [1 Toepassingsgebied
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle zeeschepen met uitzondering van:
1° oorlogsschepen;
2° vrachtschepen met een brutotonnenmaat van minder dan 500;
3° zeeschepen zonder mechanische aandrijving of houten of op primitieve wijze gebouwde schepen;
4° vissersschepen;
5° schepen waarmee geen economische activiteit wordt bedreven.
De Koning kan maatregelen nemen om de maritieme beveiliging te regelen voor de zeeschepen bedoeld in het eerste lid onder 2°, 3°, 4° en 5°.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een schip dat zowel over certificaten voor de zeevaart als de binnenvaart beschikt, altijd beschouwd als een zeeschip.
§ 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle Belgische havenfaciliteiten die onder de ISPS-Verordening vallen, en op elke cluster waar zich een dergelijke havenfaciliteit bevindt.
De Koning stelt de coördinaten vast van elke havenfaciliteit rekening houdend met de bepalingen uit punt 15 in Deel A van de ISPS-Code.
Op basis van de vaststelling van de havenfaciliteiten in het eerste lid en rekening houdend met de bepalingen uit de Havenbeveiligingsrichtlijn en de havenbeveiligingsbeoordeling, bepaalt de Koning op advies van de NAMB, de coördinaten van de havens.
Indien uit het vorige lid blijkt dat de havenfaciliteit niet in een cluster overeenkomstig het derde lid moet worden opgenomen, dan hebben de bepalingen van de Verordening voorrang.
§ 3. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle bouw- of kunstwerken en elke kabel of pijpleiding in de Belgische maritieme zones. Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan de bepalingen inzake onschuldige doorvaart in het VN-Zeerechtverdrag.
§ 4. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op militaire installaties.
§ 5. Een haven en een havenfaciliteit moeten beschikken over een geldig beveiligingsplan, behalve in de uitzonderingen voorzien in dit hoofdstuk, om de zeeschepen bedoeld in paragraaf 1 te mogen ontvangen;]1
[2 § 6. Dit hoofdstuk is van toepassing op terminals gelegen in het binnenland en op het vervoer van lading tussen havenfaciliteiten en terminals gelegen in het binnenland door middel van het vervoer via andere middelen dan zeeschepen.
De Koning stelt de coördinaten vast van elke terminal gelegen in het binnenland.
Indien de terminal gelegen in het binnenland in of nabij een haven ligt, wordt dit opgenomen in de havenbeveiligingsbeoordeling en in het havenbeveiligingsplan.
§ 7. Dit hoofdstuk is van toepassing op vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging. De Koning duidt deze vestigingseenheden aan na advies van de NAMB.]2
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle zeeschepen met uitzondering van:
1° oorlogsschepen;
2° vrachtschepen met een brutotonnenmaat van minder dan 500;
3° zeeschepen zonder mechanische aandrijving of houten of op primitieve wijze gebouwde schepen;
4° vissersschepen;
5° schepen waarmee geen economische activiteit wordt bedreven.
De Koning kan maatregelen nemen om de maritieme beveiliging te regelen voor de zeeschepen bedoeld in het eerste lid onder 2°, 3°, 4° en 5°.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een schip dat zowel over certificaten voor de zeevaart als de binnenvaart beschikt, altijd beschouwd als een zeeschip.
§ 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle Belgische havenfaciliteiten die onder de ISPS-Verordening vallen, en op elke cluster waar zich een dergelijke havenfaciliteit bevindt.
De Koning stelt de coördinaten vast van elke havenfaciliteit rekening houdend met de bepalingen uit punt 15 in Deel A van de ISPS-Code.
Op basis van de vaststelling van de havenfaciliteiten in het eerste lid en rekening houdend met de bepalingen uit de Havenbeveiligingsrichtlijn en de havenbeveiligingsbeoordeling, bepaalt de Koning op advies van de NAMB, de coördinaten van de havens.
Indien uit het vorige lid blijkt dat de havenfaciliteit niet in een cluster overeenkomstig het derde lid moet worden opgenomen, dan hebben de bepalingen van de Verordening voorrang.
§ 3. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle bouw- of kunstwerken en elke kabel of pijpleiding in de Belgische maritieme zones. Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan de bepalingen inzake onschuldige doorvaart in het VN-Zeerechtverdrag.
§ 4. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op militaire installaties.
§ 5. Een haven en een havenfaciliteit moeten beschikken over een geldig beveiligingsplan, behalve in de uitzonderingen voorzien in dit hoofdstuk, om de zeeschepen bedoeld in paragraaf 1 te mogen ontvangen;]1
[2 § 6. Dit hoofdstuk is van toepassing op terminals gelegen in het binnenland en op het vervoer van lading tussen havenfaciliteiten en terminals gelegen in het binnenland door middel van het vervoer via andere middelen dan zeeschepen.
De Koning stelt de coördinaten vast van elke terminal gelegen in het binnenland.
Indien de terminal gelegen in het binnenland in of nabij een haven ligt, wordt dit opgenomen in de havenbeveiligingsbeoordeling en in het havenbeveiligingsplan.
§ 7. Dit hoofdstuk is van toepassing op vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging. De Koning duidt deze vestigingseenheden aan na advies van de NAMB.]2
Art. 2.5.2.4. [1 Champ d'application
§ . 1er. Le présent chapitre s'applique à tous les navires de mer à l'exception :
1° des navires de guerre ;
2° des navires de charge d'une jauge brute inférieure à 500 ;
3° des navires de mer sans propulsion mécanique ou des navires en bois ou de construction primitive ;
4° des navires de pêche ;
5° des navires n'exerçant pas d'activité économique.
Le Roi peut prendre des mesures pour réglementer la sûreté maritime des navires de mer visés à l'alinéa 1er sous les 2°, 3°, 4° et 5°.
Aux fins du présent chapitre, un navire qui dispose des certificats nécessaires aussi bien pour la navigation maritime que pour la navigation intérieure est toujours considéré comme un navire de mer.
§ 2. Le présent chapitre s'applique à toutes les installations portuaires belges soumises au Règlement ISPS et à chaque groupe dans lequel une telle installation portuaire est située.
Le Roi fixe les coordonnées de chaque installation portuaire en tenant compte des dispositions de la section 15 de la partie A du Code ISPS.
Sur la base de la détermination des installations portuaires à l'alinéa 1er et en tenant compte des dispositions de la Directive sur la sûreté portuaire et l'évaluation de la sûreté portuaire, le Roi, sur l'avis de l'ANSM, détermine les coordonnées des ports.
Si l'alinéa précédent indique que l'installation portuaire ne doit pas être incluse dans un groupe conformément à l'alinéa 3, les dispositions du Règlement prévalent.
§ 3. Le présent chapitre s'applique à tout ouvrage de construction ou de génie civil et à tout câble ou pipeline dans les zones maritimes belges. Le présent chapitre est sans préjudice des dispositions relatives au passage inoffensif de la Convention des Nations Unies sur le droit de la mer.
§ 4. Le présent chapitre ne s'applique pas aux installations militaires.
§ 5. Un port et une installation portuaire doivent disposer d'un plan de sûreté valide, en dehors des exceptions prévues au présent chapitre, pour pouvoir accueillir les navires de mer visés au paragraphe 1er.]1
[2 § 6. Le présent chapitre s'applique aux terminaux intérieurs et au transport de la cargaison des installations portuaires vers les terminaux intérieurs par des moyens de transport autres que des navires de mer.
Le Roi détermine les coordonnées de chaque terminal intérieur.
Si le terminal intérieur se trouve dans un port ou à proximité, il sera inclus dans l'évaluation de la sûreté portuaire et dans le plan de sûreté portuaire.
§ 7. Le présent chapitre s'applique aux unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime. Le Roi désigne ces unités d'établissement après avis de l'ANSM.]2
§ . 1er. Le présent chapitre s'applique à tous les navires de mer à l'exception :
1° des navires de guerre ;
2° des navires de charge d'une jauge brute inférieure à 500 ;
3° des navires de mer sans propulsion mécanique ou des navires en bois ou de construction primitive ;
4° des navires de pêche ;
5° des navires n'exerçant pas d'activité économique.
Le Roi peut prendre des mesures pour réglementer la sûreté maritime des navires de mer visés à l'alinéa 1er sous les 2°, 3°, 4° et 5°.
Aux fins du présent chapitre, un navire qui dispose des certificats nécessaires aussi bien pour la navigation maritime que pour la navigation intérieure est toujours considéré comme un navire de mer.
§ 2. Le présent chapitre s'applique à toutes les installations portuaires belges soumises au Règlement ISPS et à chaque groupe dans lequel une telle installation portuaire est située.
Le Roi fixe les coordonnées de chaque installation portuaire en tenant compte des dispositions de la section 15 de la partie A du Code ISPS.
Sur la base de la détermination des installations portuaires à l'alinéa 1er et en tenant compte des dispositions de la Directive sur la sûreté portuaire et l'évaluation de la sûreté portuaire, le Roi, sur l'avis de l'ANSM, détermine les coordonnées des ports.
Si l'alinéa précédent indique que l'installation portuaire ne doit pas être incluse dans un groupe conformément à l'alinéa 3, les dispositions du Règlement prévalent.
§ 3. Le présent chapitre s'applique à tout ouvrage de construction ou de génie civil et à tout câble ou pipeline dans les zones maritimes belges. Le présent chapitre est sans préjudice des dispositions relatives au passage inoffensif de la Convention des Nations Unies sur le droit de la mer.
§ 4. Le présent chapitre ne s'applique pas aux installations militaires.
§ 5. Un port et une installation portuaire doivent disposer d'un plan de sûreté valide, en dehors des exceptions prévues au présent chapitre, pour pouvoir accueillir les navires de mer visés au paragraphe 1er.]1
[2 § 6. Le présent chapitre s'applique aux terminaux intérieurs et au transport de la cargaison des installations portuaires vers les terminaux intérieurs par des moyens de transport autres que des navires de mer.
Le Roi détermine les coordonnées de chaque terminal intérieur.
Si le terminal intérieur se trouve dans un port ou à proximité, il sera inclus dans l'évaluation de la sûreté portuaire et dans le plan de sûreté portuaire.
§ 7. Le présent chapitre s'applique aux unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime. Le Roi désigne ces unités d'établissement après avis de l'ANSM.]2
Afdeling 2. [1 - Autoriteiten ]1
Section 2. [1 - Autorités]1
Onderafdeling 2. [1 - Nationale Autoriteit voor Maritieme Beveiliging]1
Sous-section 1re. [1 - Autorité Nationale de Sûreté Maritime]1
Art. 2.5.2.5. [1 Instelling van de NAMB
De Nationale Autoriteit voor Maritieme Beveiliging, hierna NAMB, is belast met de maritieme beveiliging.
De NAMB is gevestigd op het adres van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer te Brussel.]1
De Nationale Autoriteit voor Maritieme Beveiliging, hierna NAMB, is belast met de maritieme beveiliging.
De NAMB is gevestigd op het adres van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer te Brussel.]1
Art. 2.5.2.5. [1 Création de l'ANSM
L'Autorité Nationale de Sûreté Maritime, ci-après dénommée ANSM, est chargée de la sûreté maritime.
L'ANSM est établie à l'adresse de la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports à Bruxelles.]1
L'Autorité Nationale de Sûreté Maritime, ci-après dénommée ANSM, est chargée de la sûreté maritime.
L'ANSM est établie à l'adresse de la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports à Bruxelles.]1
Wijzigingen
Art. 2.5.2.6. [1 Taken van de NAMB
§ 1. De NAMB is voor de toepassing van deze wet het contactpunt voor de IMO, de Europese Commissie en andere Staten.
De NAMB is verantwoordelijk voor de toepassing van de maatregelen op het gebied van de maritieme beveiliging, verzorgt de opvolging en verschaft de nodige informatie zoals bedoeld in de ISPS-Code, artikel 2.6 van de ISPS-Verordening, artikel 3.4 van de Havenbeveiligingsrichtlijn, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten.
De NAMB coördineert de toepassing van de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, de Havenbeveiligingsrichtlijn, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten, brengt deze ten uitvoer en controleert de voorgeschreven beveiligingsmaatregelen voor schepen, havens en havenfaciliteiten.
§ 2. De NAMB is bevoegd voor de beveiligingsaangelegenheden:
1° aan boord van zeeschepen;
2° in havens en havenfaciliteiten;
3° betreffende bouw- en kunstwerken, kabels en pijpleidingen in de maritieme wateren;
[2 4° in terminals gelegen in het binnenland;
5° in vestigingseenheden met impact op de maritieme beveiliging.]2
§ 3. De NAMB is in het bijzonder belast met:
1° het voorstellen van een algemeen beleid inzake maritieme beveiliging;
2° het ontwikkelen van standaarden inzake maritieme beveiliging;
3° controle op de naleving van de standaarden;
4° de algemene coördinatie van de maatregelen tot uitvoering van de nationale, Europese en internationale regelgeving met betrekking tot maritieme beveiliging;
5° het verstrekken van adviezen, onderrichtingen en aanbevelingen over de te nemen maritieme beveiligingsmaatregelen aan de lokale comités voor maritieme beveiliging, het MIK en aan bevoegde overheden;
6° de coördinatie van studies betreffende de problemen op het vlak van maritieme beveiliging met inbegrip van de Belgische bijdrage tot de op het Europees en internationaal vlak geleverde inspanningen;
7° het fungeren als aanspreekpunt voor de verstrekking van inlichtingen over de beveiligingsplannen van havenfaciliteiten en havens, alsook als nationaal, Europees en internationaal contactpunt voor alle aangelegenheden die met de maritieme beveiliging verband houden;
8° het verlenen of intrekken van de erkenningen van de erkende beveiligingsorganisaties;
9° het overmaken aan de IMO van een lijst van havenfaciliteiten die in overeenstemming zijn met de ISPS-Code, alsook van eventuele wijzigingen in deze lijst;
10° het overmaken aan de Europese Commissie van een lijst van havens waarop dit hoofdstuk van toepassing is, alsook van eventuele wijzigingen van deze lijst;
11° de evaluatie en goedkeuring van de beveiligingsbeoordelingen van havenfaciliteiten en havens, en het geven van een advies over het indelen van havenfaciliteiten bij een cluster;
12° het beoordelen, evalueren en goedkeuren van de beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten;
13° het verlenen van een Verklaring van Goedkeuring als gevolg en bewijs van de goedkeuring van de beveiligingsplannen van de havenfaciliteiten;
14° het intrekken van beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten en Verklaringen van Goedkeuring;
15° het opleggen van corrigerende maatregelen aan havens en havenfaciliteiten na een evaluatie;
[2 16° de evaluatie en goedkeuring van de beveiligingsbeoordelingen van terminals gelegen in het binnenland;
17° het beoordelen, evalueren en goedkeuren van de beveiligingsplannen van terminals gelegen in het binnenland;
18° het verlenen van een Verklaring van Goedkeuring als gevolg en bewijs van de goedkeuring van de beveiligingsplannen van de terminal gelegen in het binnenland;
19° het intrekken van beveiligingsplannen van terminals gelegen in het binnenland en de Verklaringen van Goedkeuring;
20° het opleggen van corrigerende maatregelen aan terminals gelegen in het binnenland na een evaluatie.]2
§ 4. De Koning kan bijkomende taken toekennen aan de NAMB.]1
§ 1. De NAMB is voor de toepassing van deze wet het contactpunt voor de IMO, de Europese Commissie en andere Staten.
De NAMB is verantwoordelijk voor de toepassing van de maatregelen op het gebied van de maritieme beveiliging, verzorgt de opvolging en verschaft de nodige informatie zoals bedoeld in de ISPS-Code, artikel 2.6 van de ISPS-Verordening, artikel 3.4 van de Havenbeveiligingsrichtlijn, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten.
De NAMB coördineert de toepassing van de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, de Havenbeveiligingsrichtlijn, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten, brengt deze ten uitvoer en controleert de voorgeschreven beveiligingsmaatregelen voor schepen, havens en havenfaciliteiten.
§ 2. De NAMB is bevoegd voor de beveiligingsaangelegenheden:
1° aan boord van zeeschepen;
2° in havens en havenfaciliteiten;
3° betreffende bouw- en kunstwerken, kabels en pijpleidingen in de maritieme wateren;
[2 4° in terminals gelegen in het binnenland;
5° in vestigingseenheden met impact op de maritieme beveiliging.]2
§ 3. De NAMB is in het bijzonder belast met:
1° het voorstellen van een algemeen beleid inzake maritieme beveiliging;
2° het ontwikkelen van standaarden inzake maritieme beveiliging;
3° controle op de naleving van de standaarden;
4° de algemene coördinatie van de maatregelen tot uitvoering van de nationale, Europese en internationale regelgeving met betrekking tot maritieme beveiliging;
5° het verstrekken van adviezen, onderrichtingen en aanbevelingen over de te nemen maritieme beveiligingsmaatregelen aan de lokale comités voor maritieme beveiliging, het MIK en aan bevoegde overheden;
6° de coördinatie van studies betreffende de problemen op het vlak van maritieme beveiliging met inbegrip van de Belgische bijdrage tot de op het Europees en internationaal vlak geleverde inspanningen;
7° het fungeren als aanspreekpunt voor de verstrekking van inlichtingen over de beveiligingsplannen van havenfaciliteiten en havens, alsook als nationaal, Europees en internationaal contactpunt voor alle aangelegenheden die met de maritieme beveiliging verband houden;
8° het verlenen of intrekken van de erkenningen van de erkende beveiligingsorganisaties;
9° het overmaken aan de IMO van een lijst van havenfaciliteiten die in overeenstemming zijn met de ISPS-Code, alsook van eventuele wijzigingen in deze lijst;
10° het overmaken aan de Europese Commissie van een lijst van havens waarop dit hoofdstuk van toepassing is, alsook van eventuele wijzigingen van deze lijst;
11° de evaluatie en goedkeuring van de beveiligingsbeoordelingen van havenfaciliteiten en havens, en het geven van een advies over het indelen van havenfaciliteiten bij een cluster;
12° het beoordelen, evalueren en goedkeuren van de beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten;
13° het verlenen van een Verklaring van Goedkeuring als gevolg en bewijs van de goedkeuring van de beveiligingsplannen van de havenfaciliteiten;
14° het intrekken van beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten en Verklaringen van Goedkeuring;
15° het opleggen van corrigerende maatregelen aan havens en havenfaciliteiten na een evaluatie;
[2 16° de evaluatie en goedkeuring van de beveiligingsbeoordelingen van terminals gelegen in het binnenland;
17° het beoordelen, evalueren en goedkeuren van de beveiligingsplannen van terminals gelegen in het binnenland;
18° het verlenen van een Verklaring van Goedkeuring als gevolg en bewijs van de goedkeuring van de beveiligingsplannen van de terminal gelegen in het binnenland;
19° het intrekken van beveiligingsplannen van terminals gelegen in het binnenland en de Verklaringen van Goedkeuring;
20° het opleggen van corrigerende maatregelen aan terminals gelegen in het binnenland na een evaluatie.]2
§ 4. De Koning kan bijkomende taken toekennen aan de NAMB.]1
Art. 2.5.2.6. [1 Tâches de l'ANSM
§ 1er. L'ANSM est le point de contact pour l'OMI, la Commission européenne et les autres Etats, dans le cadre de l'application de cette loi.
L'ANSM est responsable de l'application des mesures de sûreté maritime, en assure le suivi et fournit les renseignements nécessaires tels que visés au Code ISPS, à l'article 2.6 du Règlement ISPS, à l'article 3.4 de la Directive sur la sûreté portuaire, au présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
L'ANSM coordonne l'application du Code ISPS, du Règlement ISPS, de la Directive sur la sûreté portuaire, du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution, met en oeuvre et contrôle les mesures de sûreté prescrites pour les navires, les ports et les installations portuaires.
§ 2. L'ANSM est compétent pour les questions de sûreté :
1° à bord des navires de mer ;
2° dans les ports et les installations portuaires ;
3° concernant les ouvrages de construction et de génie civil, les câbles et les pipelines dans les eaux maritimes;
[2 4° dans les terminaux intérieurs;
5° dans les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime.]2
§ 3. L'ANSM est notamment chargée de :
1° la proposition d'une politique générale relative à la matière de sûreté maritime ;
2° l'élaboration des normes relative à la sûreté maritime ;
3° le contrôle du respect des normes ;
4° la coordination générale des mesures pour la mise en oeuvre de la réglementation nationale, européenne et internationale relatives à la sûreté maritime ;
5° la délivrance d'avis, instructions et recommandations sur les mesures de sûreté maritime aux comités locaux pour la sûreté maritime, au MIK et aux autorités compétentes, quant aux mesures à prendre en matière de sûreté maritime ;
6° la coordination des études relatives aux problèmes de sûreté maritime, y compris la contribution de la Belgique aux efforts réalisés au niveau européen et international ;
7° faire office de point de contact pour la diffusion d'informations sur les plans de sûreté des installations portuaires et ports, et de point de contact national, européen et international pour toutes les questions liées à la sûreté maritime ;
8° l'octroi ou le retrait des reconnaissances des organismes de sûreté reconnus ;
9° la transmission à l'OMI d'une liste des installations portuaires conformes au Code ISPS, ainsi que les modifications éventuelles apportées à cette liste ;
10° la transmission à la Commission européenne d'une liste des ports auxquels le présent chapitre s'applique, ainsi que les modifications éventuelles apportées à cette liste ;
11° l'évaluation et l'approbation des évaluations de la sûreté des installations portuaires et des ports, et la remise d'un avis sur la classification des installations portuaires dans un groupe ;
12° l'appréciation, l'évaluation et l'approbation des plans de sûreté des ports et des installations portuaires ;
13° l'octroi d'une Déclaration d'approbation comme résultat et preuve de l'approbation des plans de sûreté des installations portuaires ;
14° le retrait des plans de sûreté des ports et des installations portuaires et des déclarations d'approbation ;
15° l'imposition des mesures correctives aux ports et aux installations portuaires après une évaluation;
[2 16° l'évaluation et l'approbation des évaluations de la sûreté des terminaux intérieurs;
17° l'appréciation, l'évaluation et l'approbation des plans de sûreté des terminaux intérieurs;
18° l'octroi d'une Déclaration d'approbation comme résultat et preuve de l'approbation des plans de sûreté du terminal intérieur;
19° le retrait des plans de sûreté des terminaux intérieurs et des déclarations d'approbation;
20° l'imposition des mesures correctives aux terminaux intérieurs après une évaluation.]2
§ 4. Le Roi peut assigner des tâches supplémentaires à l'ANSM.]1
§ 1er. L'ANSM est le point de contact pour l'OMI, la Commission européenne et les autres Etats, dans le cadre de l'application de cette loi.
L'ANSM est responsable de l'application des mesures de sûreté maritime, en assure le suivi et fournit les renseignements nécessaires tels que visés au Code ISPS, à l'article 2.6 du Règlement ISPS, à l'article 3.4 de la Directive sur la sûreté portuaire, au présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
L'ANSM coordonne l'application du Code ISPS, du Règlement ISPS, de la Directive sur la sûreté portuaire, du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution, met en oeuvre et contrôle les mesures de sûreté prescrites pour les navires, les ports et les installations portuaires.
§ 2. L'ANSM est compétent pour les questions de sûreté :
1° à bord des navires de mer ;
2° dans les ports et les installations portuaires ;
3° concernant les ouvrages de construction et de génie civil, les câbles et les pipelines dans les eaux maritimes;
[2 4° dans les terminaux intérieurs;
5° dans les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime.]2
§ 3. L'ANSM est notamment chargée de :
1° la proposition d'une politique générale relative à la matière de sûreté maritime ;
2° l'élaboration des normes relative à la sûreté maritime ;
3° le contrôle du respect des normes ;
4° la coordination générale des mesures pour la mise en oeuvre de la réglementation nationale, européenne et internationale relatives à la sûreté maritime ;
5° la délivrance d'avis, instructions et recommandations sur les mesures de sûreté maritime aux comités locaux pour la sûreté maritime, au MIK et aux autorités compétentes, quant aux mesures à prendre en matière de sûreté maritime ;
6° la coordination des études relatives aux problèmes de sûreté maritime, y compris la contribution de la Belgique aux efforts réalisés au niveau européen et international ;
7° faire office de point de contact pour la diffusion d'informations sur les plans de sûreté des installations portuaires et ports, et de point de contact national, européen et international pour toutes les questions liées à la sûreté maritime ;
8° l'octroi ou le retrait des reconnaissances des organismes de sûreté reconnus ;
9° la transmission à l'OMI d'une liste des installations portuaires conformes au Code ISPS, ainsi que les modifications éventuelles apportées à cette liste ;
10° la transmission à la Commission européenne d'une liste des ports auxquels le présent chapitre s'applique, ainsi que les modifications éventuelles apportées à cette liste ;
11° l'évaluation et l'approbation des évaluations de la sûreté des installations portuaires et des ports, et la remise d'un avis sur la classification des installations portuaires dans un groupe ;
12° l'appréciation, l'évaluation et l'approbation des plans de sûreté des ports et des installations portuaires ;
13° l'octroi d'une Déclaration d'approbation comme résultat et preuve de l'approbation des plans de sûreté des installations portuaires ;
14° le retrait des plans de sûreté des ports et des installations portuaires et des déclarations d'approbation ;
15° l'imposition des mesures correctives aux ports et aux installations portuaires après une évaluation;
[2 16° l'évaluation et l'approbation des évaluations de la sûreté des terminaux intérieurs;
17° l'appréciation, l'évaluation et l'approbation des plans de sûreté des terminaux intérieurs;
18° l'octroi d'une Déclaration d'approbation comme résultat et preuve de l'approbation des plans de sûreté du terminal intérieur;
19° le retrait des plans de sûreté des terminaux intérieurs et des déclarations d'approbation;
20° l'imposition des mesures correctives aux terminaux intérieurs après une évaluation.]2
§ 4. Le Roi peut assigner des tâches supplémentaires à l'ANSM.]1
Art. 2.5.2.7. [1 Samenstelling en werking van de NAMB
§ 1. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de NAMB, waarbij de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Scheepvaart wordt aangesteld als de Voorzitter van de NAMB.
§ 2. De NAMB wordt voor de uitvoering van haar taken bijgestaan door de Cel Maritieme Beveiliging.]1
§ 1. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de NAMB, waarbij de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Scheepvaart wordt aangesteld als de Voorzitter van de NAMB.
§ 2. De NAMB wordt voor de uitvoering van haar taken bijgestaan door de Cel Maritieme Beveiliging.]1
Art. 2.5.2.7. [1 Composition et fonctionnement de l'ANSM
§ 1er. Le Roi détermine la composition et le fonctionnement de l'ANSM, en nommant comme Président le Directeur général de la Direction générale Navigation.
§ 2. L'ANSM est assistée par la Cellule de la Sûreté maritime dans l'exercice de ses fonctions.]1
§ 1er. Le Roi détermine la composition et le fonctionnement de l'ANSM, en nommant comme Président le Directeur général de la Direction générale Navigation.
§ 2. L'ANSM est assistée par la Cellule de la Sûreté maritime dans l'exercice de ses fonctions.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 2. [1 - Lokale Comités voor Maritieme Beveiliging]1
Sous-Section 2. [1 - Comités locaux pour la Sûreté Maritime]1
Art. 2.5.2.8. [1 Instelling van een LCMB
De Koning richt de Lokale Comités voor Maritieme Beveiliging, hierna LCMB, op en bepaalt hun samenstelling, werking en voor welke [2 havens, havenfaciliteiten of terminals gelegen in het binnenland]2 een LCMB bevoegd is.
Een LCMB zoals bedoeld in het eerste lid fungeert als de autoriteit verantwoordelijk voor beveiligingsaangelegenheden als bedoeld in artikel 3.5 van de Havenbeveiligingsrichtlijn.
Het LCMB rapporteert aan de NAMB met het oog op het formuleren van beleidsaanbevelingen en onderrichtingen.]1
De Koning richt de Lokale Comités voor Maritieme Beveiliging, hierna LCMB, op en bepaalt hun samenstelling, werking en voor welke [2 havens, havenfaciliteiten of terminals gelegen in het binnenland]2 een LCMB bevoegd is.
Een LCMB zoals bedoeld in het eerste lid fungeert als de autoriteit verantwoordelijk voor beveiligingsaangelegenheden als bedoeld in artikel 3.5 van de Havenbeveiligingsrichtlijn.
Het LCMB rapporteert aan de NAMB met het oog op het formuleren van beleidsaanbevelingen en onderrichtingen.]1
Art. 2.5.2.8. [1 Création d'un CLSM
Le Roi crée les Comités locaux pour la sûreté maritime, ci-après dénommés CLSM, et détermine leur composition, leur fonctionnement et [2 les ports, installations portuaires ou terminaux intérieurs]2 pour lesquels un CLSM est compétent.
Un CLSM visé à l'alinéa 1er agit comme l'autorité responsable des questions de sûreté telle que visée à l'article 3.5 de la Directive sur la sûreté portuaire.
Le CLSM fait rapport à l' ANSM en vue de formuler des recommandations et des instructions politiques.]1
Le Roi crée les Comités locaux pour la sûreté maritime, ci-après dénommés CLSM, et détermine leur composition, leur fonctionnement et [2 les ports, installations portuaires ou terminaux intérieurs]2 pour lesquels un CLSM est compétent.
Un CLSM visé à l'alinéa 1er agit comme l'autorité responsable des questions de sûreté telle que visée à l'article 3.5 de la Directive sur la sûreté portuaire.
Le CLSM fait rapport à l' ANSM en vue de formuler des recommandations et des instructions politiques.]1
Art. 2.5.2.9. [1 Taken van een LCMB
Het LCMB is in het bijzonder belast met:
1° het controleren van de echtheid van de door de beveiligingsbeambte van de havenfaciliteit of het havenbestuur geleverde inlichtingen;
2° het uitvoeren van de beveiligingsbeoordelingen van havens, het uitvoeren van de beveiligingsbeoordelingen van havenfaciliteiten, en van de wijzigingen hiervan;
3° het toezicht op de opstelling en de uitvoering van de beveiligingsplannen van havenfaciliteiten en havens, alsook het opstellen van een gemotiveerd advies voor de uiteindelijke goedkeuring door de NAMB van de beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten, en van de wijzigingen hiervan;
4° de opvolging van de beveiligingsbeoordelingen en de beveiligingsplannen van havenfaciliteiten en havens in de tijd;
5° het opstellen van een lijst van de havenfaciliteiten die moeten voldoen aan de ISPS-Code binnen hun gebied;
6° het controleren van de naleving van de bepalingen van de ISPS-code, dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten door de havenfaciliteiten.
De Koning kan bijkomende taken toekennen aan een LCMB;]1
[2 7° het uitvoeren van de taken bedoeld onder 1° tot 6° voor wat betreft de terminals gelegen in het binnenland.]2
Het LCMB is in het bijzonder belast met:
1° het controleren van de echtheid van de door de beveiligingsbeambte van de havenfaciliteit of het havenbestuur geleverde inlichtingen;
2° het uitvoeren van de beveiligingsbeoordelingen van havens, het uitvoeren van de beveiligingsbeoordelingen van havenfaciliteiten, en van de wijzigingen hiervan;
3° het toezicht op de opstelling en de uitvoering van de beveiligingsplannen van havenfaciliteiten en havens, alsook het opstellen van een gemotiveerd advies voor de uiteindelijke goedkeuring door de NAMB van de beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten, en van de wijzigingen hiervan;
4° de opvolging van de beveiligingsbeoordelingen en de beveiligingsplannen van havenfaciliteiten en havens in de tijd;
5° het opstellen van een lijst van de havenfaciliteiten die moeten voldoen aan de ISPS-Code binnen hun gebied;
6° het controleren van de naleving van de bepalingen van de ISPS-code, dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten door de havenfaciliteiten.
De Koning kan bijkomende taken toekennen aan een LCMB;]1
[2 7° het uitvoeren van de taken bedoeld onder 1° tot 6° voor wat betreft de terminals gelegen in het binnenland.]2
Art. 2.5.2.9. [1 Tâches d'un CLSM
Le CLSM est notamment chargé de :
1° la vérification de l'authenticité des informations fournies par l'agent de sûreté de l'installation portuaire ou de l'autorité du port ;
2° la réalisation des évaluations de la sûreté des ports, la réalisation des évaluations de la sûreté des installations portuaires, et de leurs modifications ;
3° la supervision de l'élaboration et de la mise en oeuvre des plans de sûreté des installations portuaires et des ports, ainsi que la rédaction d'un avis motivé pour l'approbation finale par l'ANSM des plans de sûreté des ports et des installations portuaires, et de leurs modifications ;
4° le suivi dans le temps des évaluations de la sûreté et des plans de sûreté des installations portuaires et des ports ;
5° l'établissement d'une liste des installations portuaires qui doivent être conformes au Code ISPS dans leur zone ;
6° la vérification que les installations portuaires sont conformes aux dispositions du Code ISPS, du présent chapitre et des arrêtés d'exécutions;
[2 7° l'exécution des tâches visées aux 1° à 6° pour ce qui concerne les terminaux intérieurs.]2
Le Roi peut assigner des tâches supplémentaires à un CLSM.]1
Le CLSM est notamment chargé de :
1° la vérification de l'authenticité des informations fournies par l'agent de sûreté de l'installation portuaire ou de l'autorité du port ;
2° la réalisation des évaluations de la sûreté des ports, la réalisation des évaluations de la sûreté des installations portuaires, et de leurs modifications ;
3° la supervision de l'élaboration et de la mise en oeuvre des plans de sûreté des installations portuaires et des ports, ainsi que la rédaction d'un avis motivé pour l'approbation finale par l'ANSM des plans de sûreté des ports et des installations portuaires, et de leurs modifications ;
4° le suivi dans le temps des évaluations de la sûreté et des plans de sûreté des installations portuaires et des ports ;
5° l'établissement d'une liste des installations portuaires qui doivent être conformes au Code ISPS dans leur zone ;
6° la vérification que les installations portuaires sont conformes aux dispositions du Code ISPS, du présent chapitre et des arrêtés d'exécutions;
[2 7° l'exécution des tâches visées aux 1° à 6° pour ce qui concerne les terminaux intérieurs.]2
Le Roi peut assigner des tâches supplémentaires à un CLSM.]1
Onderafdeling 3.
Sous-Section 3.
Art. 2.5.2.10. [1 Samenstelling en werking van een LCMB
De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van een LCMB waarbij de PSO van de betrokken haven wordt aangeduid als voorzitter.]1
De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van een LCMB waarbij de PSO van de betrokken haven wordt aangeduid als voorzitter.]1
Art. 2.5.2.10. [1 Composition et fonctionnement d'un CLSM
Le Roi détermine la composition et le fonctionnement d'un CLSM dans lequel le PSO du port concerné est désigné comme président.]1
Le Roi détermine la composition et le fonctionnement d'un CLSM dans lequel le PSO du port concerné est désigné comme président.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 3. [1 - PSO]1
Sous-section 3. [1 - PSO]1
Art. 2.5.2.11. [1 Aanduiding PSO
§ 1. Indien de haven beschikt over een havenkapitein overeenkomstig de gewestelijke regelgeving, wordt de havenkapitein aangeduid als PSO.
Indien er voor een haven geen havenkapitein is, is de directeur-coördinator van de federale politie van het betrokken arrondissement de PSO. Indien een haven verscheidene arrondissementen omvat, bepalen de betrokken directeur-coördinators in onderling overleg wie de PSO is.
Voor elke PSO worden 2 adjuncten aangeduid door de NAMB op voordracht van de PSO. Indien een haven verscheidene arrondissementen omvat, wordt de directeur-coördinator die niet als PSO wordt aangeduid adjunct PSO.
§ 2. Een persoon kan niet tot PSO worden benoemd in 2 of meer verschillende havens. Het is verboden dat een PSO wordt aangesteld als een PFSO.
In afwijking van het eerste lid kan een adjunct PSO als PFSO worden aangeduid voor een havenfaciliteit die in beheer of eigendom van de haven is. Deze persoon kan geen taken uitvoeren in het LCMB met betrekking tot de betrokken havenfaciliteit.
§ 3. Indien een PSO niet dezelfde is als de PFSO werken zij nauw samen.]1
§ 1. Indien de haven beschikt over een havenkapitein overeenkomstig de gewestelijke regelgeving, wordt de havenkapitein aangeduid als PSO.
Indien er voor een haven geen havenkapitein is, is de directeur-coördinator van de federale politie van het betrokken arrondissement de PSO. Indien een haven verscheidene arrondissementen omvat, bepalen de betrokken directeur-coördinators in onderling overleg wie de PSO is.
Voor elke PSO worden 2 adjuncten aangeduid door de NAMB op voordracht van de PSO. Indien een haven verscheidene arrondissementen omvat, wordt de directeur-coördinator die niet als PSO wordt aangeduid adjunct PSO.
§ 2. Een persoon kan niet tot PSO worden benoemd in 2 of meer verschillende havens. Het is verboden dat een PSO wordt aangesteld als een PFSO.
In afwijking van het eerste lid kan een adjunct PSO als PFSO worden aangeduid voor een havenfaciliteit die in beheer of eigendom van de haven is. Deze persoon kan geen taken uitvoeren in het LCMB met betrekking tot de betrokken havenfaciliteit.
§ 3. Indien een PSO niet dezelfde is als de PFSO werken zij nauw samen.]1
Art. 2.5.2.11. [1 Désignation d'un PSO
§ 1er. Si le port dispose d'un capitaine de port conformément à la réglementation régionale, le capitaine de port est désigné comme PSO.
S'il n'y a pas de capitaine de port pour un port, le directeur coordonnateur de la police fédérale de l'arrondissement concerné est le PSO. Si un port comprend plusieurs arrondissements, les directeurs coordonnateurs concernés déterminent d'un commun accord qui est le PSO.
Pour chaque PSO, 2 adjoints sont désignés par l'ANSM sur recommandation du PSO. Si un port comprend plusieurs arrondissements, le directeur coordonnateur qui n'est pas désigné comme PSO devient PSO adjoint.
§ 2. Une personne ne peut pas être nommée en tant que PSO dans 2 ou plusieurs ports différents. Il est interdit à un PSO d'être nommé PFSO.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un PSO adjoint peut être désigné comme PFSO pour une installation portuaire dont la gestion ou la propriété est détenue par le port. Cette personne ne peut effectuer aucune tâche au sein du CLSM en ce qui concerne l'installation portuaire concernée.
§ 3. Si le PSO est différent du PFSO, ils collaborent étroitement.]1
§ 1er. Si le port dispose d'un capitaine de port conformément à la réglementation régionale, le capitaine de port est désigné comme PSO.
S'il n'y a pas de capitaine de port pour un port, le directeur coordonnateur de la police fédérale de l'arrondissement concerné est le PSO. Si un port comprend plusieurs arrondissements, les directeurs coordonnateurs concernés déterminent d'un commun accord qui est le PSO.
Pour chaque PSO, 2 adjoints sont désignés par l'ANSM sur recommandation du PSO. Si un port comprend plusieurs arrondissements, le directeur coordonnateur qui n'est pas désigné comme PSO devient PSO adjoint.
§ 2. Une personne ne peut pas être nommée en tant que PSO dans 2 ou plusieurs ports différents. Il est interdit à un PSO d'être nommé PFSO.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un PSO adjoint peut être désigné comme PFSO pour une installation portuaire dont la gestion ou la propriété est détenue par le port. Cette personne ne peut effectuer aucune tâche au sein du CLSM en ce qui concerne l'installation portuaire concernée.
§ 3. Si le PSO est différent du PFSO, ils collaborent étroitement.]1
Wijzigingen
Afdeling 3.
Section 3.
Onderafdeling 1.
Sous-Section 1ère.
Art. 2.5.2.12. [1 Taken
De PSO fungeert als lokaal contactpersoon voor alle aangelegenheden die verband houden met de maritieme beveiliging van de betrokken haven en wordt ook belast met het toezicht overeenkomstig artikel 4.2.4.4.]1
De PSO fungeert als lokaal contactpersoon voor alle aangelegenheden die verband houden met de maritieme beveiliging van de betrokken haven en wordt ook belast met het toezicht overeenkomstig artikel 4.2.4.4.]1
Art. 2.5.2.12. [1 Tâches
Le PSO agit comme personne de contact locale pour toutes les questions liées à la sûreté maritime du port concerné et est également chargé de la surveillance conformément à l'article 4.2.4.4.]1
Le PSO agit comme personne de contact locale pour toutes les questions liées à la sûreté maritime du port concerné et est également chargé de la surveillance conformément à l'article 4.2.4.4.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 4. [1 - Gemeenschappelijke voorschriften]1
Sous-section 4. [1 - Règles communes]1
Art. 2.5.2.13. [1 Behandeling van informatie
De beveiligingsbeoordelingen en de beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten mogen enkel gedeeld worden met personen die bevoegd zijn om er kennis van te nemen en worden aangemerkt met de vermelding "ISPS-restricted".
De Koning bepaalt:
1° wie bevoegd is om kennis te nemen van de beveiligingsbeoordelingen en de beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten;
2° de wijze waarop en de termijn dat de beveiligingsbeoordelingen en beveiligingsplannen fysiek of digitaal bewaard blijven.
De NAMB kan andere documenten aanmerken met de vermelding "ISPS-restricted".]1
De beveiligingsbeoordelingen en de beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten mogen enkel gedeeld worden met personen die bevoegd zijn om er kennis van te nemen en worden aangemerkt met de vermelding "ISPS-restricted".
De Koning bepaalt:
1° wie bevoegd is om kennis te nemen van de beveiligingsbeoordelingen en de beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten;
2° de wijze waarop en de termijn dat de beveiligingsbeoordelingen en beveiligingsplannen fysiek of digitaal bewaard blijven.
De NAMB kan andere documenten aanmerken met de vermelding "ISPS-restricted".]1
Art. 2.5.2.13. [1 Traitement de l'information
Les évaluations de la sûreté et les plans de sûreté des ports et des installations portuaires ne peuvent être partagés qu'avec les personnes autorisées à y avoir accès et portent la mention " ISPS-restricted ".
Le Roi détermine :
1° qui est autorisé à prendre connaissance des évaluations de la sûreté et des plans de sûreté des ports et des installations portuaires ;
2° la manière dont les évaluations de la sûreté et les plans de sûreté sont conservés physiquement ou numériquement et le délai pendant lequel ils le sont.
L'ANSM peut marquer d'autres documents avec la mention " ISPS-restricted ".]1
Les évaluations de la sûreté et les plans de sûreté des ports et des installations portuaires ne peuvent être partagés qu'avec les personnes autorisées à y avoir accès et portent la mention " ISPS-restricted ".
Le Roi détermine :
1° qui est autorisé à prendre connaissance des évaluations de la sûreté et des plans de sûreté des ports et des installations portuaires ;
2° la manière dont les évaluations de la sûreté et les plans de sûreté sont conservés physiquement ou numériquement et le délai pendant lequel ils le sont.
L'ANSM peut marquer d'autres documents avec la mention " ISPS-restricted ".]1
Wijzigingen
Onderafdeling 2.
Sous-Section 2.
Art. 2.5.2.14. [1 Veiligheidsmachtiging
Elk lid van de NAMB of een LCMB, en elk personeelslid van de Cel Maritieme Beveiliging moet beschikken over een veiligheidsmachtiging niveau GEHEIM als bedoeld in hoofdstuk III van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
Indien een persoon die voor de toepassing van deze wet van rechtswege benoemd werd in een functie niet over de vereiste veiligheidsmachtiging kan beschikken, beslist de Koning, op voordracht van de NAMB, over de vervanging van deze persoon.]1
Elk lid van de NAMB of een LCMB, en elk personeelslid van de Cel Maritieme Beveiliging moet beschikken over een veiligheidsmachtiging niveau GEHEIM als bedoeld in hoofdstuk III van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
Indien een persoon die voor de toepassing van deze wet van rechtswege benoemd werd in een functie niet over de vereiste veiligheidsmachtiging kan beschikken, beslist de Koning, op voordracht van de NAMB, over de vervanging van deze persoon.]1
Art. 2.5.2.14. [1 Habilitation de sécurité
Chaque membre de l'ANSM ou du CLSM et chaque membre du personnel de la Cellule de la Sûreté maritime doit être titulaire d'une habilitation de sécurité de niveau SECRET telle que visée au chapitre III de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité.
Si une personne nommée de plein droit à un poste aux fins de la présente loi ne peut disposer de l'habilitation de sécurité requise, le Roi, sur recommandation de l'ANSM, décide du remplacement de cette personne.]1
Chaque membre de l'ANSM ou du CLSM et chaque membre du personnel de la Cellule de la Sûreté maritime doit être titulaire d'une habilitation de sécurité de niveau SECRET telle que visée au chapitre III de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité.
Si une personne nommée de plein droit à un poste aux fins de la présente loi ne peut disposer de l'habilitation de sécurité requise, le Roi, sur recommandation de l'ANSM, décide du remplacement de cette personne.]1
Wijzigingen
Afdeling 3. [1 - Havenbeveiliging]1
Section 3. [1 - Sûreté portuaire]1
Onderafdeling 1. [1 - Havenbeveiligingsbeoordeling]1
Sous-section 1re. [1 - Evaluation de la sûreté portuaire]1
Art. 2.5.2.15. [1 Uitvoering havenbeveiligingsbeoordeling
§ 1. In elke haven wordt een havenbeveiligingsbeoordeling uitgevoerd door het LCMB dat de basis vormt voor het opstellen van het havenbeveiligingsplan en de implementatie ervan.
Bij de havenbeveiligingsbeoordeling wordt naar behoren rekening gehouden met de bijzonderheden van de verschillende delen van de haven alsmede met de naburige gebieden indien deze van invloed zijn op de beveiliging in de haven. Er wordt rekening gehouden met de beveiligingsbeoordelingen van de havenfaciliteiten uitgevoerd overeenkomstig de ISPS-Verordening en afdeling 4 van dit hoofdstuk, die binnen de grenzen van de haven vallen.
§ 2. De havenbeveiligingsbeoordeling wordt uitgevoerd met inachtneming van de door de Koning bepaalde vereisten en omvat ten minste de volgende elementen:
1° vaststelling en evaluatie van belangrijke bedrijfsmiddelen en infrastructuren die dienen te worden beschermd;
2° vaststelling van de risico's op ongeoorloofde acties;
3° vaststelling van mogelijke dreigingen voor de bedrijfsmiddelen en infrastructuren en de waarschijnlijkheid dat deze zich voordoen, met het oog op de vaststelling en prioritering van beveiligingsmaatregelen;
4° vaststelling, selectie en prioritering van maatregelen en procedurele wijzigingen met het oog op het verminderen van de kwetsbaarheid op het vlak van beveiliging en hun effectiviteitsniveau;
5° vaststelling van zwakke plekken, met inbegrip van menselijke factoren, in de infrastructuur, beleidsmaatregelen en procedures;
6° risicoanalyse van die onderdelen die vatbaar zijn voor spionage, terrorisme en sabotage ten gevolge van buitenlandse invloeden door middel van publieke of private samenwerking.]1
§ 1. In elke haven wordt een havenbeveiligingsbeoordeling uitgevoerd door het LCMB dat de basis vormt voor het opstellen van het havenbeveiligingsplan en de implementatie ervan.
Bij de havenbeveiligingsbeoordeling wordt naar behoren rekening gehouden met de bijzonderheden van de verschillende delen van de haven alsmede met de naburige gebieden indien deze van invloed zijn op de beveiliging in de haven. Er wordt rekening gehouden met de beveiligingsbeoordelingen van de havenfaciliteiten uitgevoerd overeenkomstig de ISPS-Verordening en afdeling 4 van dit hoofdstuk, die binnen de grenzen van de haven vallen.
§ 2. De havenbeveiligingsbeoordeling wordt uitgevoerd met inachtneming van de door de Koning bepaalde vereisten en omvat ten minste de volgende elementen:
1° vaststelling en evaluatie van belangrijke bedrijfsmiddelen en infrastructuren die dienen te worden beschermd;
2° vaststelling van de risico's op ongeoorloofde acties;
3° vaststelling van mogelijke dreigingen voor de bedrijfsmiddelen en infrastructuren en de waarschijnlijkheid dat deze zich voordoen, met het oog op de vaststelling en prioritering van beveiligingsmaatregelen;
4° vaststelling, selectie en prioritering van maatregelen en procedurele wijzigingen met het oog op het verminderen van de kwetsbaarheid op het vlak van beveiliging en hun effectiviteitsniveau;
5° vaststelling van zwakke plekken, met inbegrip van menselijke factoren, in de infrastructuur, beleidsmaatregelen en procedures;
6° risicoanalyse van die onderdelen die vatbaar zijn voor spionage, terrorisme en sabotage ten gevolge van buitenlandse invloeden door middel van publieke of private samenwerking.]1
Art. 2.5.2.15. [1 Mise en oeuvre de l'évaluation de la sûreté portuaire
§ 1er. Dans chaque port, une évaluation de la sûreté portuaire qui sert de base à l'élaboration du plan de sûreté portuaire et à sa mise en oeuvre est effectuée par le CLSM.
L'évaluation de la sûreté portuaire prend dûment en compte les particularités des différentes parties du port ainsi que des zones adjacentes si ces dernières ont une incidence sur la sûreté du port. Les évaluations de la sûreté des installations portuaires effectuées conformément au Règlement ISPS et à la section 4 du présent chapitre, qui se trouvent dans les limites du port, sont prises en compte.
§ 2. L'évaluation de la sûreté portuaire est effectuée dans le respect des exigences déterminées par le Roi et comprend au moins les éléments suivants :
1° l'identification et l'évaluation des biens et des infrastructures essentiels qu'il importe de protéger ;
2° l'identification des risques d'actions illicites ;
3° l'identification des menaces éventuelles contre les biens et les infrastructures, et de leur probabilité de survenance, afin d'établir des mesures de sûreté en les classant par ordre de priorité ;
4° l'identification, le choix et le classement par ordre de priorité des contre-mesures et des changements de procédure ainsi que leur degré d'efficacité pour réduire la vulnérabilité ;
5° l'identification des points faibles, y compris les facteurs humains, dans l'infrastructure, les politiques et les procédures ;
6° l'analyse des risques des éléments susceptibles d'être victimes d'espionnage, de terrorisme et de sabotage à la suite d'influences étrangères au moyen d'une collaboration publique ou privée.]1
§ 1er. Dans chaque port, une évaluation de la sûreté portuaire qui sert de base à l'élaboration du plan de sûreté portuaire et à sa mise en oeuvre est effectuée par le CLSM.
L'évaluation de la sûreté portuaire prend dûment en compte les particularités des différentes parties du port ainsi que des zones adjacentes si ces dernières ont une incidence sur la sûreté du port. Les évaluations de la sûreté des installations portuaires effectuées conformément au Règlement ISPS et à la section 4 du présent chapitre, qui se trouvent dans les limites du port, sont prises en compte.
§ 2. L'évaluation de la sûreté portuaire est effectuée dans le respect des exigences déterminées par le Roi et comprend au moins les éléments suivants :
1° l'identification et l'évaluation des biens et des infrastructures essentiels qu'il importe de protéger ;
2° l'identification des risques d'actions illicites ;
3° l'identification des menaces éventuelles contre les biens et les infrastructures, et de leur probabilité de survenance, afin d'établir des mesures de sûreté en les classant par ordre de priorité ;
4° l'identification, le choix et le classement par ordre de priorité des contre-mesures et des changements de procédure ainsi que leur degré d'efficacité pour réduire la vulnérabilité ;
5° l'identification des points faibles, y compris les facteurs humains, dans l'infrastructure, les politiques et les procédures ;
6° l'analyse des risques des éléments susceptibles d'être victimes d'espionnage, de terrorisme et de sabotage à la suite d'influences étrangères au moyen d'une collaboration publique ou privée.]1
Wijzigingen
Art. 2.5.2.16. [1 Goedkeuring havenbeveiligingsbeoordeling
§ 1. Het LCMB legt de havenbeveiligingsbeoordeling voor aan de NAMB ter goedkeuring. De NAMB beslist binnen de dertig dagen over goedkeuring van de havenbeveiligingsbeoordeling.
§ 2. De termijnen in dit hoofdstuk kunnen verlengd worden indien het LCMB, de NAMB of de minister, naar gelang het geval, van oordeel is dat niet alle elementen aanwezig zijn om een beslissing te nemen of het onderzoek meer tijd in beslag neemt. Het gebrek aan een beslissing impliceert geen automatische goedkeuring.]1
§ 1. Het LCMB legt de havenbeveiligingsbeoordeling voor aan de NAMB ter goedkeuring. De NAMB beslist binnen de dertig dagen over goedkeuring van de havenbeveiligingsbeoordeling.
§ 2. De termijnen in dit hoofdstuk kunnen verlengd worden indien het LCMB, de NAMB of de minister, naar gelang het geval, van oordeel is dat niet alle elementen aanwezig zijn om een beslissing te nemen of het onderzoek meer tijd in beslag neemt. Het gebrek aan een beslissing impliceert geen automatische goedkeuring.]1
Art. 2.5.2.16. [1 Approbation de l'évaluation de la sûreté portuaire
§ 1er. Le CLSM soumet l'évaluation de la sûreté portuaire à l'ANSM pour approbation. L'ANSM décide de l'approbation de l'évaluation de la sûreté portuaire dans les trente jours.
§ 2. Les délais prévus au présent chapitre peuvent être prolongés si le CLSM, l'ANSM ou le ministre, selon le cas, estime que tous les éléments ne sont pas réunis pour prendre une décision ou si l'enquête prend plus de temps. L'absence de décision n'implique pas une approbation automatique.]1
§ 1er. Le CLSM soumet l'évaluation de la sûreté portuaire à l'ANSM pour approbation. L'ANSM décide de l'approbation de l'évaluation de la sûreté portuaire dans les trente jours.
§ 2. Les délais prévus au présent chapitre peuvent être prolongés si le CLSM, l'ANSM ou le ministre, selon le cas, estime que tous les éléments ne sont pas réunis pour prendre une décision ou si l'enquête prend plus de temps. L'absence de décision n'implique pas une approbation automatique.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 3.
Sous-Section 3.
Art. 2.5.2.17. [1 Geldigheidsduur havenbeveiligingsbeoordeling
Een havenbeveiligingsbeoordeling kan na de goedkeuring gedurende zes maanden gebruikt worden voor het opstellen van een havenbeveiligingsplan. Indien het havenbeveiligingsplan niet binnen deze termijn is opgesteld of indien het plan vernieuwd moet worden, is een nieuwe havenbeveiligingsbeoordeling vereist.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het havenbeveiligingsplan gewijzigd wordt overeenkomstig artikel 2.5.2.20, tweede lid of derde lid.]1
Een havenbeveiligingsbeoordeling kan na de goedkeuring gedurende zes maanden gebruikt worden voor het opstellen van een havenbeveiligingsplan. Indien het havenbeveiligingsplan niet binnen deze termijn is opgesteld of indien het plan vernieuwd moet worden, is een nieuwe havenbeveiligingsbeoordeling vereist.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het havenbeveiligingsplan gewijzigd wordt overeenkomstig artikel 2.5.2.20, tweede lid of derde lid.]1
Art. 2.5.2.17. [1 Durée de validité de l'évaluation de la sûreté portuaire
Une évaluation de la sûreté portuaire peut être utilisée pendant six mois après son approbation pour l'élaboration d'un plan de sûreté portuaire. Si le plan de sûreté portuaire n'est pas approuvé pendant de cette période, ou si le plan doit être renouvelé, une nouvelle évaluation de la sûreté portuaire est requise.
L'alinéa 1er ne s'applique pas si le plan de sûreté portuaire est modifié conformément à l' l'article 2.5.2.20, alinéa 2 ou 3.]1
Une évaluation de la sûreté portuaire peut être utilisée pendant six mois après son approbation pour l'élaboration d'un plan de sûreté portuaire. Si le plan de sûreté portuaire n'est pas approuvé pendant de cette période, ou si le plan doit être renouvelé, une nouvelle évaluation de la sûreté portuaire est requise.
L'alinéa 1er ne s'applique pas si le plan de sûreté portuaire est modifié conformément à l' l'article 2.5.2.20, alinéa 2 ou 3.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 2. [1 - Havenbeveiligingsplan]1
Sous-section 2. [1 - Plan de sûreté portuaire]1
Art. 2.5.2.18. [1 Opstelling havenbeveiligingsplan
§ 1. In elke haven wordt een havenbeveiligingsplan opgesteld door het havenbestuur.
De waterwegbeheerder stelt het havenbeveiligingsplan op voor havens met havenfaciliteiten gelegen langs de binnenwateren onder het beheer van een waterwegbeheerder, in samenwerking met de directeur-coördinator van de federale politie van het betrokken arrondissement.
Het havenbeveiligingsplan wordt opgesteld rekening houdend met de havenbeveiligingsbeoordeling waarbij op adequate wijze de bijzonderheden van de verschillende delen van de haven alsmede met de naburige gebieden indien deze van invloed zijn op de beveiliging in de haven in rekening worden genomen. De beveiligingsplannen van de havenfaciliteiten uitgevoerd overeenkomstig de ISPS-Verordening en afdeling 4 van dit hoofdstuk worden geïntegreerd in het havenbeveiligingsplan.
§ 2. In het havenbeveiligingsplan wordt, voor elk van de genoemde beveiligingsniveaus bedoeld in artikel 2.5.2.24, minstens de volgende punten vastgesteld:
1° de te volgen procedures;
2° de in te voeren maatregelen;
3° de te nemen acties.
Het havenbeveiligingsplan wordt opgesteld met inachtneming van de door de Koning bepaalde vereisten.]1
§ 1. In elke haven wordt een havenbeveiligingsplan opgesteld door het havenbestuur.
De waterwegbeheerder stelt het havenbeveiligingsplan op voor havens met havenfaciliteiten gelegen langs de binnenwateren onder het beheer van een waterwegbeheerder, in samenwerking met de directeur-coördinator van de federale politie van het betrokken arrondissement.
Het havenbeveiligingsplan wordt opgesteld rekening houdend met de havenbeveiligingsbeoordeling waarbij op adequate wijze de bijzonderheden van de verschillende delen van de haven alsmede met de naburige gebieden indien deze van invloed zijn op de beveiliging in de haven in rekening worden genomen. De beveiligingsplannen van de havenfaciliteiten uitgevoerd overeenkomstig de ISPS-Verordening en afdeling 4 van dit hoofdstuk worden geïntegreerd in het havenbeveiligingsplan.
§ 2. In het havenbeveiligingsplan wordt, voor elk van de genoemde beveiligingsniveaus bedoeld in artikel 2.5.2.24, minstens de volgende punten vastgesteld:
1° de te volgen procedures;
2° de in te voeren maatregelen;
3° de te nemen acties.
Het havenbeveiligingsplan wordt opgesteld met inachtneming van de door de Koning bepaalde vereisten.]1
Art. 2.5.2.18. [1 Elaboration du plan de sûreté portuaire
§ 1er. Dans chaque port, un plan de sûreté portuaire est établi par l'autorité du port.
Le gestionnaire des voies navigables élabore le plan de sûreté portuaire pour les ports dont les installations portuaires sont situées le long des voies navigables gérées par un gestionnaire des voies navigables, en collaboration avec le directeur coordonnateur de la police fédérale de l'arrondissement concerné.
Le plan de sûreté portuaire est élaboré en tenant compte de l'évaluation de la sûreté portuaire et prend en compte de manière appropriée les particularités des différentes parties du port ainsi que des zones adjacentes si ces dernières ont une incidence sur la sûreté du port. Les plans de sûreté des installations portuaires effectués conformément au Règlement ISPS et à la section 4 du présent chapitre sont intégrés dans le plan de sûreté portuaire.
§ 2. Le plan de sûreté portuaire doit, pour chacun des niveaux de sûreté visés à l'article 2.5.2.24, établir au moins les éléments suivants :
1° les procédures à suivre ;
2° les mesures à mettre en place ;
3° les actions à entreprendre.
Le plan de sûreté portuaire est élaboré dans le respect des exigences déterminées par le Roi.]1
§ 1er. Dans chaque port, un plan de sûreté portuaire est établi par l'autorité du port.
Le gestionnaire des voies navigables élabore le plan de sûreté portuaire pour les ports dont les installations portuaires sont situées le long des voies navigables gérées par un gestionnaire des voies navigables, en collaboration avec le directeur coordonnateur de la police fédérale de l'arrondissement concerné.
Le plan de sûreté portuaire est élaboré en tenant compte de l'évaluation de la sûreté portuaire et prend en compte de manière appropriée les particularités des différentes parties du port ainsi que des zones adjacentes si ces dernières ont une incidence sur la sûreté du port. Les plans de sûreté des installations portuaires effectués conformément au Règlement ISPS et à la section 4 du présent chapitre sont intégrés dans le plan de sûreté portuaire.
§ 2. Le plan de sûreté portuaire doit, pour chacun des niveaux de sûreté visés à l'article 2.5.2.24, établir au moins les éléments suivants :
1° les procédures à suivre ;
2° les mesures à mettre en place ;
3° les actions à entreprendre.
Le plan de sûreté portuaire est élaboré dans le respect des exigences déterminées par le Roi.]1
Wijzigingen
Art. 2.5.2.19. [1 Goedkeuring havenbeveiligingsplan
Het havenbestuur of de waterwegbeheerder legt het havenbeveiligingsplan voor aan het betrokken LCMB. Binnen de dertig dagen geeft het betrokken LCMB een advies aan de NAMB. De NAMB beslist binnen de dertig dagen na ontvangst van het advies over goedkeuring van het havenbeveiligingsplan.
De goedkeuring geldt voor vijf jaar waarna een nieuw havenbeveiligingsplan moet worden opgesteld op grond van een vernieuwde havenbeveiligingsbeoordeling.]1
Het havenbestuur of de waterwegbeheerder legt het havenbeveiligingsplan voor aan het betrokken LCMB. Binnen de dertig dagen geeft het betrokken LCMB een advies aan de NAMB. De NAMB beslist binnen de dertig dagen na ontvangst van het advies over goedkeuring van het havenbeveiligingsplan.
De goedkeuring geldt voor vijf jaar waarna een nieuw havenbeveiligingsplan moet worden opgesteld op grond van een vernieuwde havenbeveiligingsbeoordeling.]1
Art. 2.5.2.19. [1 Approbation du plan de sûreté portuaire
L'autorité du port ou le gestionnaire des voies navigables soumet le plan de sûreté portuaire au CLSM concerné. Dans un délai de trente jours, le CLSM concerné soumet un avis à l'ANSM. L'ANSM décide de l'approbation du plan de sûreté portuaire dans les trente jours suivant la réception de l'avis.
L'approbation est valable cinq ans, après quoi un nouveau plan de sûreté portuaire doit être élaboré sur la base d'une nouvelle évaluation de la sûreté portuaire.]1
L'autorité du port ou le gestionnaire des voies navigables soumet le plan de sûreté portuaire au CLSM concerné. Dans un délai de trente jours, le CLSM concerné soumet un avis à l'ANSM. L'ANSM décide de l'approbation du plan de sûreté portuaire dans les trente jours suivant la réception de l'avis.
L'approbation est valable cinq ans, après quoi un nouveau plan de sûreté portuaire doit être élaboré sur la base d'une nouvelle évaluation de la sûreté portuaire.]1
Wijzigingen
Art. 2.5.2.20. [1 Wijziging havenbeveiligingsplan
Elke substantiële wijziging moet aan het betrokken LCMB en de NAMB worden voorgelegd ter goedkeuring. De Koning bepaalt op advies van de NAMB wat als substantiële wijziging dient te worden beschouwd. De geldigheidsduur bepaald overeenkomstig artikel 2.5.2.19, tweede lid, blijft onveranderd bij de goedkeuring van een substantiële wijziging.
Voor de integratie van nieuwe of gewijzigde beveiligingsplannen van een havenfaciliteit [2 of van een terminal gelegen in het binnenland]2 volstaat een jaarlijkse goedkeuring door het LCMB en de NAMB.
Bij tijdelijke evenementen of voorvallen, die geen verandering van het ISPS-niveau met zich meebrengen, kan de NAMB op advies van het LCMB het havenbeveiligingsplan aanpassen voor de duur van het evenement of voorval.]1
Elke substantiële wijziging moet aan het betrokken LCMB en de NAMB worden voorgelegd ter goedkeuring. De Koning bepaalt op advies van de NAMB wat als substantiële wijziging dient te worden beschouwd. De geldigheidsduur bepaald overeenkomstig artikel 2.5.2.19, tweede lid, blijft onveranderd bij de goedkeuring van een substantiële wijziging.
Voor de integratie van nieuwe of gewijzigde beveiligingsplannen van een havenfaciliteit [2 of van een terminal gelegen in het binnenland]2 volstaat een jaarlijkse goedkeuring door het LCMB en de NAMB.
Bij tijdelijke evenementen of voorvallen, die geen verandering van het ISPS-niveau met zich meebrengen, kan de NAMB op advies van het LCMB het havenbeveiligingsplan aanpassen voor de duur van het evenement of voorval.]1
Art. 2.5.2.20. [1 Modification du plan de sûreté portuaire
Toute modification substantielle doit être soumise au CLSM concerné et à l'ANSM pour approbation. Le Roi détermine, sur l'avis de l'ANSM, ce qui doit être considéré comme une modification substantielle. La durée de validité déterminée conformément à l'article 2.5.2.19, alinéa 2, reste inchangée lors de l'approbation d'une modification substantielle.
Pour intégrer de nouveaux plans ou des plans modifiés de sûreté d'une installation portuaire [2 ou d'un terminal intérieur]2, une approbation annuelle par le CLSM et l'ANSM suffit.
Dans le cas d'événements ou d'incidents temporaires qui n'entrainent pas de changement du niveau ISPS, l'ANSM peut, sur l'avis du CLSM, adapter le plan de sûreté portuaire pour la durée de l'événement ou de l'incident.]1
Toute modification substantielle doit être soumise au CLSM concerné et à l'ANSM pour approbation. Le Roi détermine, sur l'avis de l'ANSM, ce qui doit être considéré comme une modification substantielle. La durée de validité déterminée conformément à l'article 2.5.2.19, alinéa 2, reste inchangée lors de l'approbation d'une modification substantielle.
Pour intégrer de nouveaux plans ou des plans modifiés de sûreté d'une installation portuaire [2 ou d'un terminal intérieur]2, une approbation annuelle par le CLSM et l'ANSM suffit.
Dans le cas d'événements ou d'incidents temporaires qui n'entrainent pas de changement du niveau ISPS, l'ANSM peut, sur l'avis du CLSM, adapter le plan de sûreté portuaire pour la durée de l'événement ou de l'incident.]1
Art. 2.5.2.21. [1 Intrekking havenbeveiligingsplan
§ 1. Het havenbeveiligingsplan kan door de NAMB worden ingetrokken ingeval:
1° de beveiliging in de haven niet meer gegarandeerd kan worden met het goedgekeurde havenbeveiligingsplan;
2° het havenbestuur heeft gehandeld in strijd met het havenbeveiligingsplan, de ISPS-Verordening, de Havenbeveiligingsrichtlijn, dit hoofdstuk of zijn uitvoeringsbesluiten;
3° het havenbestuur geen gevolg geeft aan de in artikel 2.5.2.22, § 2 bedoelde instructies.
De NAMB kan de haven een verbod opleggen om zeeschepen te ontvangen in de gehele haven of in bepaalde delen van de haven indien de beveiliging in deze zones niet gegarandeerd kan worden.
§ 2. Beroep tegen de intrekking of het verbod kan worden ingesteld bij de minister binnen de tien dagen nadat de beslissing ter kennis werd gebracht.
De minister neemt binnen de dertig dagen een beslissing, na de haven en de NAMB gehoord te hebben.
Het beroep schorst de beslissing niet.]1
§ 1. Het havenbeveiligingsplan kan door de NAMB worden ingetrokken ingeval:
1° de beveiliging in de haven niet meer gegarandeerd kan worden met het goedgekeurde havenbeveiligingsplan;
2° het havenbestuur heeft gehandeld in strijd met het havenbeveiligingsplan, de ISPS-Verordening, de Havenbeveiligingsrichtlijn, dit hoofdstuk of zijn uitvoeringsbesluiten;
3° het havenbestuur geen gevolg geeft aan de in artikel 2.5.2.22, § 2 bedoelde instructies.
De NAMB kan de haven een verbod opleggen om zeeschepen te ontvangen in de gehele haven of in bepaalde delen van de haven indien de beveiliging in deze zones niet gegarandeerd kan worden.
§ 2. Beroep tegen de intrekking of het verbod kan worden ingesteld bij de minister binnen de tien dagen nadat de beslissing ter kennis werd gebracht.
De minister neemt binnen de dertig dagen een beslissing, na de haven en de NAMB gehoord te hebben.
Het beroep schorst de beslissing niet.]1
Art. 2.5.2.21. [1 Retrait du plan de sûreté portuaire
§ 1er. Le plan de sûreté portuaire peut être retiré par l'ANSM dans le cas où :
1° la sûreté du port ne peut plus être garantie avec le plan de sûreté portuaire approuvé ;
2° l'autorité du port a agi en violation du plan de sûreté portuaire, du Règlement ISPS, de la Directive sur la sûreté portuaire, du présent chapitre ou ses arrêtés d'exécution ;
3° l'autorité du port ne suit pas les instructions visées à l'article 2.5.2.22, § 2.
L'ANSM peut imposer au port une interdiction d'accueillir des navires de mer dans l'ensemble du port ou dans certaines parties du port si la sûreté dans ces zones ne peut être garantie.
§ 2. Un recours contre le retrait ou l'interdiction peut être introduit auprès du ministre dans les dix jours après la notification de la décision.
Le ministre prend une décision dans les trente jours, après avoir entendu le port et l'ANSM.
Le recours ne suspend pas la décision.]1
§ 1er. Le plan de sûreté portuaire peut être retiré par l'ANSM dans le cas où :
1° la sûreté du port ne peut plus être garantie avec le plan de sûreté portuaire approuvé ;
2° l'autorité du port a agi en violation du plan de sûreté portuaire, du Règlement ISPS, de la Directive sur la sûreté portuaire, du présent chapitre ou ses arrêtés d'exécution ;
3° l'autorité du port ne suit pas les instructions visées à l'article 2.5.2.22, § 2.
L'ANSM peut imposer au port une interdiction d'accueillir des navires de mer dans l'ensemble du port ou dans certaines parties du port si la sûreté dans ces zones ne peut être garantie.
§ 2. Un recours contre le retrait ou l'interdiction peut être introduit auprès du ministre dans les dix jours après la notification de la décision.
Le ministre prend une décision dans les trente jours, après avoir entendu le port et l'ANSM.
Le recours ne suspend pas la décision.]1
Wijzigingen
Art. 2.5.2.22. [1 Tussentijdse evaluaties
§ 1. Het havenbeveiligingsplan wordt geëvalueerd door de NAMB:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de goedkeuring;
2° indien de beveiliging van de haven door één of meer ongeoorloofde acties niet meer kan gegarandeerd worden of er een vermoeden is dat deze niet meer gegarandeerd kan worden.
§ 2. Op basis van de evaluatie bedoeld in paragraaf 1 kan de NAMB:
1° termijnen vaststellen waarbinnen een aanpassing van het havenbeveiligingsplan moet worden ingediend overeenkomstig artikel 2.5.2.19;
2° het havenbeveiligingsplan intrekken overeenkomstig artikel 2.5.2.21.
3° het LCMB een nieuwe havenbeveiligingsbeoordeling laten uitvoeren.]1
§ 1. Het havenbeveiligingsplan wordt geëvalueerd door de NAMB:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de goedkeuring;
2° indien de beveiliging van de haven door één of meer ongeoorloofde acties niet meer kan gegarandeerd worden of er een vermoeden is dat deze niet meer gegarandeerd kan worden.
§ 2. Op basis van de evaluatie bedoeld in paragraaf 1 kan de NAMB:
1° termijnen vaststellen waarbinnen een aanpassing van het havenbeveiligingsplan moet worden ingediend overeenkomstig artikel 2.5.2.19;
2° het havenbeveiligingsplan intrekken overeenkomstig artikel 2.5.2.21.
3° het LCMB een nieuwe havenbeveiligingsbeoordeling laten uitvoeren.]1
Art. 2.5.2.22. [1 Evaluations intermédiaires
§ 1er. Le plan de sûreté portuaire est évalué par l'ANSM :
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après l'approbation ;
2° si la sûreté du port ne peut plus être garantie en raison d'une ou plusieurs actions illicites ou s'il existe un soupçon qu'elle ne peut plus être garantie.
§ 2. Sur la base de l'évaluation visée au paragraphe 1er, l'ANSM peut :
1° fixer les délais dans lesquels une adaptation du plan de sûreté portuaire doit être soumise conformément à l'article 2.5.2.19 ;
2° retirer le plan de sûreté portuaire conformément à l'article 2.5.2.21.
3° faire procéder à une nouvelle évaluation de la sûreté portuaire par le CLSM.]1
§ 1er. Le plan de sûreté portuaire est évalué par l'ANSM :
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après l'approbation ;
2° si la sûreté du port ne peut plus être garantie en raison d'une ou plusieurs actions illicites ou s'il existe un soupçon qu'elle ne peut plus être garantie.
§ 2. Sur la base de l'évaluation visée au paragraphe 1er, l'ANSM peut :
1° fixer les délais dans lesquels une adaptation du plan de sûreté portuaire doit être soumise conformément à l'article 2.5.2.19 ;
2° retirer le plan de sûreté portuaire conformément à l'article 2.5.2.21.
3° faire procéder à une nouvelle évaluation de la sûreté portuaire par le CLSM.]1
Wijzigingen
Afdeling 4.
Section 4.
Art. 2.5.2.23. [1 Oefening
Het havenbeveiligingsplan wordt ten minste éénmaal per kalenderjaar getest door middel van een oefening waarvan de vereisten worden vastgelegd door de Koning.
De PSO brengt de NAMB één maand voor de geplande oefening op de hoogte.
Uiterlijk één maand na de oefening wordt een verslag ingediend bij de NAMB door de PSO.]1
Het havenbeveiligingsplan wordt ten minste éénmaal per kalenderjaar getest door middel van een oefening waarvan de vereisten worden vastgelegd door de Koning.
De PSO brengt de NAMB één maand voor de geplande oefening op de hoogte.
Uiterlijk één maand na de oefening wordt een verslag ingediend bij de NAMB door de PSO.]1
Art. 2.5.2.23. [1 Exercice
Le plan de sûreté portuaire est testé au moins une fois par année civile au moyen d'un exercice dont les exigences sont fixées par le Roi.
Le PSO informe l'ANSM un mois avant l'exercice prévu.
Au plus tard un mois après l'exercice, un rapport est soumis à l'ANSM par le PSO.]1
Le plan de sûreté portuaire est testé au moins une fois par année civile au moyen d'un exercice dont les exigences sont fixées par le Roi.
Le PSO informe l'ANSM un mois avant l'exercice prévu.
Au plus tard un mois après l'exercice, un rapport est soumis à l'ANSM par le PSO.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 3. [1 - Beveiligingsniveau]1
Sous-section 3. [1 - Niveau de sûreté]1
Art. 2.5.2.24. [1 Omschrijving beveiligingsniveaus
Er zijn drie beveiligingsniveaus:
1° Beveiligingsniveau 1: het te allen tijde handhaven van een minimum aan passende beschermende beveiligingsmaatregelen;
2° Beveiligingsniveau 2: het gedurende een bepaalde tijd handhaven van bijkomende beschermende beveiligingsmaatregelen in verband met een verhoogd risico op een beveiligingsincident;
3° Beveiligingsniveau 3: het gedurende een bepaalde tijd handhaven van verdere specifieke beschermende beveiligingsmaatregelen, wanneer een beveiligingsincident waarschijnlijk of ophanden is, zelfs indien het specifieke doelwit misschien niet kan worden vastgesteld, waarbij de NAMB en het betrokken LCMB maatregelen kunnen opleggen.]1
Er zijn drie beveiligingsniveaus:
1° Beveiligingsniveau 1: het te allen tijde handhaven van een minimum aan passende beschermende beveiligingsmaatregelen;
2° Beveiligingsniveau 2: het gedurende een bepaalde tijd handhaven van bijkomende beschermende beveiligingsmaatregelen in verband met een verhoogd risico op een beveiligingsincident;
3° Beveiligingsniveau 3: het gedurende een bepaalde tijd handhaven van verdere specifieke beschermende beveiligingsmaatregelen, wanneer een beveiligingsincident waarschijnlijk of ophanden is, zelfs indien het specifieke doelwit misschien niet kan worden vastgesteld, waarbij de NAMB en het betrokken LCMB maatregelen kunnen opleggen.]1
Art. 2.5.2.24. [1 Description des niveaux de sûreté
Il existe trois niveaux de sûreté :
1° Niveau de sûreté 1 : maintien d'un minimum de mesures de sûreté protectrices appropriées en permanence ;
2° Niveau de sûreté 2 : maintien de mesures de sûreté protectrices supplémentaires pendant un temps déterminé en raison d'un risque accru d'un incident de sûreté ;
3° Niveau de sûreté 3 : maintien de mesures de sûreté protectrices spécifiques supplémentaires pendant un temps déterminé, lorsqu'un incident de sûreté est probable ou imminent, même si la cible spécifique peut ne pas être identifiée, permettant à l'ANSM et au CLSM compétent d' imposer des mesures.]1
Il existe trois niveaux de sûreté :
1° Niveau de sûreté 1 : maintien d'un minimum de mesures de sûreté protectrices appropriées en permanence ;
2° Niveau de sûreté 2 : maintien de mesures de sûreté protectrices supplémentaires pendant un temps déterminé en raison d'un risque accru d'un incident de sûreté ;
3° Niveau de sûreté 3 : maintien de mesures de sûreté protectrices spécifiques supplémentaires pendant un temps déterminé, lorsqu'un incident de sûreté est probable ou imminent, même si la cible spécifique peut ne pas être identifiée, permettant à l'ANSM et au CLSM compétent d' imposer des mesures.]1
Wijzigingen
Afdeling 5.
Section 5.
Art. 2.5.2.25. [1 Wijziging beveiligingsniveau
Beveiligingsniveau 1 geldt steeds voor de havens, tenzij de NAMB, na advies van het NCCN, dit wijzigt naar beveiligingsniveau 2 of 3 voor de gehele haven of in voorkomend geval voor een gedeelte van de haven.
Elke wijziging van het van kracht zijnde beveiligingsniveau in een haven of een gedeelte van de haven wordt door de NAMB onmiddellijk ter kennis gebracht aan het betrokken LCMB.
Het betrokken LCMB brengt deze wijziging ter kennis van de zeeschepen op weg naar of in de haven en van de havenfaciliteiten.]1
Beveiligingsniveau 1 geldt steeds voor de havens, tenzij de NAMB, na advies van het NCCN, dit wijzigt naar beveiligingsniveau 2 of 3 voor de gehele haven of in voorkomend geval voor een gedeelte van de haven.
Elke wijziging van het van kracht zijnde beveiligingsniveau in een haven of een gedeelte van de haven wordt door de NAMB onmiddellijk ter kennis gebracht aan het betrokken LCMB.
Het betrokken LCMB brengt deze wijziging ter kennis van de zeeschepen op weg naar of in de haven en van de havenfaciliteiten.]1
Art. 2.5.2.25. [1 Modification du niveau de sûreté
Le niveau de sûreté 1 s'applique toujours aux ports, à moins que l'ANSM, après avis du NCCN, ne le modifie en niveau de sûreté 2 ou 3 pour l'ensemble du port ou, le cas échéant, pour une partie du port.
Toute modification du niveau de sûreté en vigueur dans un port ou une partie du port est immédiatement notifié par l'ANSM au CLSM concerné.
Le CLSM concerné notifie cette modification aux navires de mer en route vers ou dans le port et aux installations portuaires.]1
Le niveau de sûreté 1 s'applique toujours aux ports, à moins que l'ANSM, après avis du NCCN, ne le modifie en niveau de sûreté 2 ou 3 pour l'ensemble du port ou, le cas échéant, pour une partie du port.
Toute modification du niveau de sûreté en vigueur dans un port ou une partie du port est immédiatement notifié par l'ANSM au CLSM concerné.
Le CLSM concerné notifie cette modification aux navires de mer en route vers ou dans le port et aux installations portuaires.]1
Wijzigingen
Afdeling 4. [1 - Beveiliging van havenfaciliteiten]1
Section 4. [1 - Sûreté des installations portuaires]1
Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Sous-section 1re. [1 - Dispositions générales]1
Art. 2.5.2.26. [1 ISPS-Verordening
Bij de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met de aanbevelingen uit Deel B van de ISPS-Code, met uitzondering van de bepalingen opgenomen in artikel 3.5 van de ISPS-Verordening die van dwingend recht zijn.
De havenfaciliteit is verplicht acties te ondernemen overeenkomstig de geldende beveiligingsniveaus die worden ingesteld op grond van artikel 2.5.2.25 en de instructies van de NAMB en het bevoegde LCMB bij beveiligingsniveau 3 na te leven.]1
Bij de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met de aanbevelingen uit Deel B van de ISPS-Code, met uitzondering van de bepalingen opgenomen in artikel 3.5 van de ISPS-Verordening die van dwingend recht zijn.
De havenfaciliteit is verplicht acties te ondernemen overeenkomstig de geldende beveiligingsniveaus die worden ingesteld op grond van artikel 2.5.2.25 en de instructies van de NAMB en het bevoegde LCMB bij beveiligingsniveau 3 na te leven.]1
Art.2.5.2.26. [1 Règlement ISPS
Lors de la mise en oeuvre des dispositions du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution, les recommandations de la partie B du Code ISPS sont prises en compte dans la mesure du possible, à l'exception des dispositions figurant à l'article 3.5 du Règlement ISPS qui sont obligatoires.
L'installation portuaire est tenue d'entreprendre des actions conformément aux niveaux de sûreté en vigueur introduits sur la base de l'article 2.5.2.25 et de se conformer aux instructions de l'ANSM et du CLSM compétent au niveau de sûreté 3.]1
Lors de la mise en oeuvre des dispositions du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution, les recommandations de la partie B du Code ISPS sont prises en compte dans la mesure du possible, à l'exception des dispositions figurant à l'article 3.5 du Règlement ISPS qui sont obligatoires.
L'installation portuaire est tenue d'entreprendre des actions conformément aux niveaux de sûreté en vigueur introduits sur la base de l'article 2.5.2.25 et de se conformer aux instructions de l'ANSM et du CLSM compétent au niveau de sûreté 3.]1
Art. 2.5.2.27. [1 Categorieën
De havenfaciliteiten worden ingedeeld in de volgende categorieën:
1° Categorie 1: havenfaciliteiten voor goederenvervoer;
2° Categorie 2: havenfaciliteiten voor passagiersvervoer.
De NAMB beslist bij de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling bedoeld in artikel 2.5.2.30 tot welke categorie de havenfaciliteit zal behoren.]1
De havenfaciliteiten worden ingedeeld in de volgende categorieën:
1° Categorie 1: havenfaciliteiten voor goederenvervoer;
2° Categorie 2: havenfaciliteiten voor passagiersvervoer.
De NAMB beslist bij de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling bedoeld in artikel 2.5.2.30 tot welke categorie de havenfaciliteit zal behoren.]1
Art.2.5.2.27. [1 Catégories
Les installations portuaires sont classées dans les catégories suivantes :
1° Catégorie 1 : installations portuaires pour le transport de marchandises ;
2° Catégorie 2 : installations portuaires pour le transport de passagers.
L'ANSM, lors de l'approbation de l'évaluation de la sûreté visée à l'article 2.5.2.30, décide à quelle catégorie l'installation portuaire appartiendra.]1
Les installations portuaires sont classées dans les catégories suivantes :
1° Catégorie 1 : installations portuaires pour le transport de marchandises ;
2° Catégorie 2 : installations portuaires pour le transport de passagers.
L'ANSM, lors de l'approbation de l'évaluation de la sûreté visée à l'article 2.5.2.30, décide à quelle catégorie l'installation portuaire appartiendra.]1
Art. 2.5.2.28. [1 Havenfaciliteiten hoofdzakelijk gebruikt voor niet-internationale reizen
De NAMB beslist na advies van het betrokken LCMB in hoeverre dit hoofdstuk van toepassing is op havenfaciliteiten die hoofdzakelijk worden gebruikt voor schepen die geen internationale reizen maken, maar die incidenteel zeeschepen bedienen die aankomen van of vertrekken op een internationale reis, overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 2, punt 2 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder incidenteel een maximaal aantal van 10 zeeschepen per jaar verstaan, waarbij nooit meer dan 2 zeeschepen op hetzelfde ogenblik aan de havenfaciliteit zijn afgemeerd.
De beveiligingsbeoordeling voor deze havenfaciliteiten wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 2.5.2.30. De lading die gelost wordt op dergelijke havenfaciliteiten mag nooit van oorsprong afkomstig zijn van buiten de Europese Unie en niet onbewaakt achter gelaten worden.]1
De NAMB beslist na advies van het betrokken LCMB in hoeverre dit hoofdstuk van toepassing is op havenfaciliteiten die hoofdzakelijk worden gebruikt voor schepen die geen internationale reizen maken, maar die incidenteel zeeschepen bedienen die aankomen van of vertrekken op een internationale reis, overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 2, punt 2 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder incidenteel een maximaal aantal van 10 zeeschepen per jaar verstaan, waarbij nooit meer dan 2 zeeschepen op hetzelfde ogenblik aan de havenfaciliteit zijn afgemeerd.
De beveiligingsbeoordeling voor deze havenfaciliteiten wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 2.5.2.30. De lading die gelost wordt op dergelijke havenfaciliteiten mag nooit van oorsprong afkomstig zijn van buiten de Europese Unie en niet onbewaakt achter gelaten worden.]1
Art.2.5.2.28. [1 Installations portuaires utilisées principalement pour des voyages non internationaux
L'ANSM, après avis du CLSM compétent, décide dans quelle mesure le présent chapitre s'applique aux installations portuaires principalement utilisées pour les navires qui n'effectuent pas de voyages internationaux, mais qui servent occasionnellement des navires à l'arrivée ou au départ d'un voyage international, conformément aux dispositions de la Règle 2, 2, du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS. Aux fins du présent article, on entend par " occasionnel " un maximum de 10 navires de mer par an et jamais plus de deux navires de mer amarrés à l'installation portuaire en même temps.
L'évaluation de la sûreté de ces installations portuaires est effectuée conformément à l'article 2.5.2.30. Les cargaisons déchargées dans ces installations portuaires ne doivent jamais provenir de l'extérieur de l'Union européenne et ne doivent pas être laissées sans surveillance.]1
L'ANSM, après avis du CLSM compétent, décide dans quelle mesure le présent chapitre s'applique aux installations portuaires principalement utilisées pour les navires qui n'effectuent pas de voyages internationaux, mais qui servent occasionnellement des navires à l'arrivée ou au départ d'un voyage international, conformément aux dispositions de la Règle 2, 2, du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS. Aux fins du présent article, on entend par " occasionnel " un maximum de 10 navires de mer par an et jamais plus de deux navires de mer amarrés à l'installation portuaire en même temps.
L'évaluation de la sûreté de ces installations portuaires est effectuée conformément à l'article 2.5.2.30. Les cargaisons déchargées dans ces installations portuaires ne doivent jamais provenir de l'extérieur de l'Union européenne et ne doivent pas être laissées sans surveillance.]1
Art. 2.5.2.29. [1 Beveiligingsniveau
De beveiligingsniveaus van artikel 2.5.2.24 zijn van overeenkomstige toepassing op havenfaciliteiten en worden ingesteld overeenkomstig de procedure van artikel 2.5.2.25.
Wanneer de havenfaciliteit bericht krijgt dat het beveiligingsniveau op een zeeschip op weg naar of aangemeerd in de havenfaciliteit hoger ligt dan dat in de havenfaciliteit, meldt de PFSO dit aan het LCMB en de NAMB.]1
De beveiligingsniveaus van artikel 2.5.2.24 zijn van overeenkomstige toepassing op havenfaciliteiten en worden ingesteld overeenkomstig de procedure van artikel 2.5.2.25.
Wanneer de havenfaciliteit bericht krijgt dat het beveiligingsniveau op een zeeschip op weg naar of aangemeerd in de havenfaciliteit hoger ligt dan dat in de havenfaciliteit, meldt de PFSO dit aan het LCMB en de NAMB.]1
Art.2.5.2.29. [1 Niveau de sûreté
Les niveaux de sûreté à l'article 2.5.2.24 sont d'application mutatis mutandis aux installations portuaires et sont introduits conformément à la procédure prévue à l'article 2.5.2.25.
Lorsque l'installation portuaire est informée que le niveau de sûreté applicable à un navire de mer est plus élevé que celui qui s'applique à l'installation portuaire, le PFSO le signale au CLSM et à l'ANSM.]1
Les niveaux de sûreté à l'article 2.5.2.24 sont d'application mutatis mutandis aux installations portuaires et sont introduits conformément à la procédure prévue à l'article 2.5.2.25.
Lorsque l'installation portuaire est informée que le niveau de sûreté applicable à un navire de mer est plus élevé que celui qui s'applique à l'installation portuaire, le PFSO le signale au CLSM et à l'ANSM.]1
Onderafdeling 2. [1 - Beveiligingsbeoordeling van een havenfaciliteit]1
Sous-section 2. [1 - Evaluation de la sûreté de l'installation portuaire]1
Art. 2.5.2.30. [1 Uitvoering beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit
Het LCMB in wiens gebied de havenfaciliteit zich bevindt, stelt een beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit op overeenkomstig Voorschrift 10 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag, de bepalingen van punt 15 van Deel A van de ISPS-Code en de bepalingen van punt 15.3 tot en met 15.16 van Deel B van de ISPS-Code.
De mogelijkheid vervat in punt 15.6 van Deel A van de ISPS-Code om een beveiligingsbeoordeling van een havenfaciliteit meer dan één havenfaciliteit te laten omvatten, kan enkel worden toegestaan na uitdrukkelijk voorafgaandelijk akkoord van de NAMB.]1
Het LCMB in wiens gebied de havenfaciliteit zich bevindt, stelt een beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit op overeenkomstig Voorschrift 10 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag, de bepalingen van punt 15 van Deel A van de ISPS-Code en de bepalingen van punt 15.3 tot en met 15.16 van Deel B van de ISPS-Code.
De mogelijkheid vervat in punt 15.6 van Deel A van de ISPS-Code om een beveiligingsbeoordeling van een havenfaciliteit meer dan één havenfaciliteit te laten omvatten, kan enkel worden toegestaan na uitdrukkelijk voorafgaandelijk akkoord van de NAMB.]1
Art.2.5.2.30. [1 Mise en oeuvre de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire
Le CLSM dans la zone duquel l'installation portuaire est située élabore une évaluation de la sûreté de l'installation portuaire conformément à la règle 10 du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS, aux dispositions du 15 de la partie A du Code ISPS et aux dispositions des 15.3 à 15.16 de la partie B du Code ISPS.
La possibilité, prévue au 15.6 de la partie A du Code ISPS, qu'une évaluation de la sûreté de l'installation portuaire couvre plus d'une installation portuaire ne peut être autorisée qu'avec l'accord exprès préalable de l'ANSM.]1
Le CLSM dans la zone duquel l'installation portuaire est située élabore une évaluation de la sûreté de l'installation portuaire conformément à la règle 10 du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS, aux dispositions du 15 de la partie A du Code ISPS et aux dispositions des 15.3 à 15.16 de la partie B du Code ISPS.
La possibilité, prévue au 15.6 de la partie A du Code ISPS, qu'une évaluation de la sûreté de l'installation portuaire couvre plus d'une installation portuaire ne peut être autorisée qu'avec l'accord exprès préalable de l'ANSM.]1
Art. 2.5.2.31. [1 Goedkeuring beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit
De NAMB beslist binnen de dertig dagen nadat het LCMB de beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit heeft overgemaakt aan de NAMB of deze wordt goedgekeurd of dat bijkomende actie vereist is.]1
De NAMB beslist binnen de dertig dagen nadat het LCMB de beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit heeft overgemaakt aan de NAMB of deze wordt goedgekeurd of dat bijkomende actie vereist is.]1
Art.2.5.2.31. [1 Approbation de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire
L'ANSM décide dans les trente jours à compter de la transmission par le CLSM de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire à l'ANSM, si celle-ci est approuvée ou si des actions supplémentaires sont requises.]1
L'ANSM décide dans les trente jours à compter de la transmission par le CLSM de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire à l'ANSM, si celle-ci est approuvée ou si des actions supplémentaires sont requises.]1
Art. 2.5.2.32. [1 Geldigheidsduur beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit
Naast de redenen bepaald in punt 15.4 van Deel A van de ISPS-Code, wordt elke beveiligingsbeoordeling van een havenfaciliteit ten minste eenmaal om de vijf jaar door het LCMB herzien.
Een beveiligingsbeoordeling van een havenfaciliteit kan na de goedkeuring gedurende drie maanden gebruikt worden voor het opstellen van het beveiligingsplan van de havenfaciliteit. Indien het beveiligingsplan van de havenfaciliteit niet binnen deze termijn is opgesteld of het plan vernieuwd moet worden, is een nieuwe beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit vereist.
Het tweede lid is niet van toepassing indien het beveiligingsplan van de havenfaciliteit gewijzigd wordt overeenkomstig artikel 2.5.2.36, tweede lid.]1
Naast de redenen bepaald in punt 15.4 van Deel A van de ISPS-Code, wordt elke beveiligingsbeoordeling van een havenfaciliteit ten minste eenmaal om de vijf jaar door het LCMB herzien.
Een beveiligingsbeoordeling van een havenfaciliteit kan na de goedkeuring gedurende drie maanden gebruikt worden voor het opstellen van het beveiligingsplan van de havenfaciliteit. Indien het beveiligingsplan van de havenfaciliteit niet binnen deze termijn is opgesteld of het plan vernieuwd moet worden, is een nieuwe beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit vereist.
Het tweede lid is niet van toepassing indien het beveiligingsplan van de havenfaciliteit gewijzigd wordt overeenkomstig artikel 2.5.2.36, tweede lid.]1
Art.2.5.2.32. [1 Durée de validité de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire
Outre les raisons énoncées au 15.4 de la partie A du Code ISPS, chaque évaluation de la sûreté de l'installation portuaire doit être revue par le CLSM au moins une fois tous les cinq ans.
Une évaluation de la sûreté de l'installation portuaire peut être utilisée pendant trois mois après son approbation pour l'élaboration du plan de sûreté de l'installation portuaire. Si le plan de sûreté de l'installation portuaire n'est pas élaboré pendant cette période, ou si le plan doit être renouvelé, une nouvelle évaluation de la sûreté de l'installation portuaire est nécessaire.
L'alinéa 2 ne s'applique pas lorsque le plan de sûreté de l'installation portuaire est modifié conformément à l'article 2.5.2.36, alinéa 2.]1
Outre les raisons énoncées au 15.4 de la partie A du Code ISPS, chaque évaluation de la sûreté de l'installation portuaire doit être revue par le CLSM au moins une fois tous les cinq ans.
Une évaluation de la sûreté de l'installation portuaire peut être utilisée pendant trois mois après son approbation pour l'élaboration du plan de sûreté de l'installation portuaire. Si le plan de sûreté de l'installation portuaire n'est pas élaboré pendant cette période, ou si le plan doit être renouvelé, une nouvelle évaluation de la sûreté de l'installation portuaire est nécessaire.
L'alinéa 2 ne s'applique pas lorsque le plan de sûreté de l'installation portuaire est modifié conformément à l'article 2.5.2.36, alinéa 2.]1
Onderafdeling 3. [1 - Beveiligingsplan van een havenfaciliteit]1
Sous-section 3. [1 - Plan de sûreté d'une installation portuaire]1
Art. 2.5.2.33. [1 PFSO
§ 1. Elke onderneming die een havenfaciliteit exploiteert stelt een PFSO aan.
De PFSO is:
1° verbonden aan de onderneming door middel van een arbeidsovereenkomst; of
2° een bestuurder van de onderneming; of
3° een personeelslid van een erkende beveiligingsorganisatie.
De onderneming brengt de aanstelling van een PFSO of elke wijziging hiervan onmiddellijk ter kennis van het betrokken LCMB die deze aanstelling ter kennis brengt van de NAMB.
Om als PFSO te worden aangesteld moet deze minstens een veiligheidsverificatie ondergaan zoals bedoeld in artikel 22quinquies van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. Indien een negatief veiligheidsadvies wordt uitgebracht, kan deze persoon de functie van PFSO niet uitoefenen.
Een PFSO moet uiterlijk binnen de zes maanden na de aanstelling beschikken over het certificaat bedoeld in artikel 2.5.2.39, § 2, tweede lid.
§ 2. De verantwoordelijkheden van de PFSO worden vastgesteld overeenkomstig punt 17.2 van deel A van de ISPS-Code en de aansprakelijkheid overeenkomstige de vigerende gemeenrechtelijke arbeids- of vennootschapswetgeving.
§ 3. De onderneming is verplicht om de nodige steun te geven aan de PFSO zodat deze de taken en verantwoordelijkheden bepaald in de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten naar behoren kan uitvoeren.
§ 4. Onverminderd paragraaf 1 kan een PFSO worden aangesteld voor meer dan één havenfaciliteit.
Indien de PFSO een personeelslid van een erkende beveiligingsorganisatie is, is het niet toegelaten dat de erkende beveiligingsorganisatie ook de werkgever is van de bewakingsagenten op de havenfaciliteit.
§ 5. Voor elke PFSO wordt ten minste een plaatsvervanger aangesteld waarop de paragrafen 1 tot en met 4 van toepassing zijn.]1
§ 1. Elke onderneming die een havenfaciliteit exploiteert stelt een PFSO aan.
De PFSO is:
1° verbonden aan de onderneming door middel van een arbeidsovereenkomst; of
2° een bestuurder van de onderneming; of
3° een personeelslid van een erkende beveiligingsorganisatie.
De onderneming brengt de aanstelling van een PFSO of elke wijziging hiervan onmiddellijk ter kennis van het betrokken LCMB die deze aanstelling ter kennis brengt van de NAMB.
Om als PFSO te worden aangesteld moet deze minstens een veiligheidsverificatie ondergaan zoals bedoeld in artikel 22quinquies van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. Indien een negatief veiligheidsadvies wordt uitgebracht, kan deze persoon de functie van PFSO niet uitoefenen.
Een PFSO moet uiterlijk binnen de zes maanden na de aanstelling beschikken over het certificaat bedoeld in artikel 2.5.2.39, § 2, tweede lid.
§ 2. De verantwoordelijkheden van de PFSO worden vastgesteld overeenkomstig punt 17.2 van deel A van de ISPS-Code en de aansprakelijkheid overeenkomstige de vigerende gemeenrechtelijke arbeids- of vennootschapswetgeving.
§ 3. De onderneming is verplicht om de nodige steun te geven aan de PFSO zodat deze de taken en verantwoordelijkheden bepaald in de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten naar behoren kan uitvoeren.
§ 4. Onverminderd paragraaf 1 kan een PFSO worden aangesteld voor meer dan één havenfaciliteit.
Indien de PFSO een personeelslid van een erkende beveiligingsorganisatie is, is het niet toegelaten dat de erkende beveiligingsorganisatie ook de werkgever is van de bewakingsagenten op de havenfaciliteit.
§ 5. Voor elke PFSO wordt ten minste een plaatsvervanger aangesteld waarop de paragrafen 1 tot en met 4 van toepassing zijn.]1
Art.2.5.2.33. [1 PFSO
§ 1er. Chaque entreprise qui exploite une installation portuaire nomme un PFSO.
Le PFSO est :
1° lié à l'entreprise par un contrat de travail ; ou
2° un administrateur de l'entreprise ; ou
3° un membre du personnel d'un organisme de sûreté reconnu.
L'entreprise notifie immédiatement la nomination d'un PFSO ou toute modification de celle-ci au CLSM compétent, qui notifie cette nomination à l'ANSM.
Pour être nommé PFSO, il doit subir au moins une vérification de sécurité telle que visée à l'article 22quinquies de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité. Si un avis de sécurité négatif est émis, cette personne ne peut exercer la fonction de PFSO.
Un PFSO doit disposer du certificat visé à l'article 2.5.2.39, § 2r, alinéa 2, au plus tard dans les six mois suivant la nomination.
§ 2. La responsabilité du PFSO est déterminée conformément au 17.2 de la partie A du Code ISPS et à la législation du travail ou sur les sociétés du droit commun en vigueur.
§ 3. L'entreprise est tenue de fournir le soutien nécessaire au PFSO pour lui permettre d'effectuer correctement les tâches et les responsabilités déterminées par le Code ISPS, le Règlement ISPS, le présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
§ 4. Sans préjudice du paragraphe 1er, un PFSO peut être nommé pour plus d'une installation portuaire.
Si le PFSO est un membre du personnel d'un organisme de sûreté reconnu, il n'est pas permis que l'organisme de sûreté reconnu soit également l'employeur des agents de gardiennage de l'installation portuaire.
§ 5. Pour chaque PFSO, il est nommé au moins un adjoint auquel s'appliquent les paragraphes 1er à 4.]1
§ 1er. Chaque entreprise qui exploite une installation portuaire nomme un PFSO.
Le PFSO est :
1° lié à l'entreprise par un contrat de travail ; ou
2° un administrateur de l'entreprise ; ou
3° un membre du personnel d'un organisme de sûreté reconnu.
L'entreprise notifie immédiatement la nomination d'un PFSO ou toute modification de celle-ci au CLSM compétent, qui notifie cette nomination à l'ANSM.
Pour être nommé PFSO, il doit subir au moins une vérification de sécurité telle que visée à l'article 22quinquies de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité. Si un avis de sécurité négatif est émis, cette personne ne peut exercer la fonction de PFSO.
Un PFSO doit disposer du certificat visé à l'article 2.5.2.39, § 2r, alinéa 2, au plus tard dans les six mois suivant la nomination.
§ 2. La responsabilité du PFSO est déterminée conformément au 17.2 de la partie A du Code ISPS et à la législation du travail ou sur les sociétés du droit commun en vigueur.
§ 3. L'entreprise est tenue de fournir le soutien nécessaire au PFSO pour lui permettre d'effectuer correctement les tâches et les responsabilités déterminées par le Code ISPS, le Règlement ISPS, le présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
§ 4. Sans préjudice du paragraphe 1er, un PFSO peut être nommé pour plus d'une installation portuaire.
Si le PFSO est un membre du personnel d'un organisme de sûreté reconnu, il n'est pas permis que l'organisme de sûreté reconnu soit également l'employeur des agents de gardiennage de l'installation portuaire.
§ 5. Pour chaque PFSO, il est nommé au moins un adjoint auquel s'appliquent les paragraphes 1er à 4.]1
Art. 2.5.2.34. [1 Opstellen beveiligingsplan van de havenfaciliteit
§ 1. De onderneming die de havenfaciliteit exploiteert stelt het beveiligingsplan van de havenfaciliteit op.
Het beveiligingsplan van de havenfaciliteit moet opgesteld worden overeenkomstig:
1° punt 16 van deel A van de ISPS-Code;
2° punt 16 van deel B van de ISPS-Code dat voor de toepassing van deze wet van dwingend recht is, met uitzondering van:
a) de bepalingen van punt 16.1;
b) de bepalingen van de punten 16.61 tot en met 16.63;
3° de uitvoeringsbesluiten genomen op grond van artikel 2.5.2.45 die de nodige standaarden vaststellen waaraan de beveiliging moet voldoen;
4° de beveiligingsbeoordeling.
Bij het goedkeuren van de beveiligingsbeoordeling waarop het beveiligingsplan wordt gebaseerd, kan de NAMB ontheffing ontlenen van één of meerdere bepalingen bedoeld in het tweede lid, 2°.
§ 2. Voor elke havenfaciliteit moet een afzonderlijk beveiligingsplan worden opgemaakt zelfs indien de beveiligingsbeoordeling verscheidene havenfaciliteiten omvat overeenkomstig artikel 2.5.2.30, tweede lid.]1
§ 1. De onderneming die de havenfaciliteit exploiteert stelt het beveiligingsplan van de havenfaciliteit op.
Het beveiligingsplan van de havenfaciliteit moet opgesteld worden overeenkomstig:
1° punt 16 van deel A van de ISPS-Code;
2° punt 16 van deel B van de ISPS-Code dat voor de toepassing van deze wet van dwingend recht is, met uitzondering van:
a) de bepalingen van punt 16.1;
b) de bepalingen van de punten 16.61 tot en met 16.63;
3° de uitvoeringsbesluiten genomen op grond van artikel 2.5.2.45 die de nodige standaarden vaststellen waaraan de beveiliging moet voldoen;
4° de beveiligingsbeoordeling.
Bij het goedkeuren van de beveiligingsbeoordeling waarop het beveiligingsplan wordt gebaseerd, kan de NAMB ontheffing ontlenen van één of meerdere bepalingen bedoeld in het tweede lid, 2°.
§ 2. Voor elke havenfaciliteit moet een afzonderlijk beveiligingsplan worden opgemaakt zelfs indien de beveiligingsbeoordeling verscheidene havenfaciliteiten omvat overeenkomstig artikel 2.5.2.30, tweede lid.]1
Art.2.5.2.34. [1 Elaboration du plan de sûreté de l'installation portuaire
§ 1er. L'entreprise qui exploite l'installation portuaire élabore le plan de sûreté de l'installation portuaire.
Le plan de sûreté de l'installation portuaire doit être élaboré conformément :
1° au 16 de la partie A du Code ISPS ;
2° au 16 de la partie B du Code ISPS, qui est obligatoire aux fins de la présente loi, à l'exception :
a) des dispositions du 16.1 ;
b) des dispositions des 16.61 jusqu'à et y compris 16.63 ;
3° aux arrêtés d'exécution pris sur la base de l'article 2.5.2.45 qui fixent les normes nécessaires auxquelles la sûreté doit se conformer ;
4° de l'évaluation de la sûreté.
Pour l'approbation de l'évaluation de la sûreté sur laquelle le plan de sûreté est basé, l'ANSM peut bénéficier d'une dérogation à une ou plusieurs dispositions visées à l'alinéa 2, 2°.
§ 2. Pour chaque installation portuaire, un plan de sûreté distinct doit être établi même si l'évaluation de la sûreté couvre plusieurs installations portuaires, conformément à l'article 2.5.2.30, alinéa 2.]1
§ 1er. L'entreprise qui exploite l'installation portuaire élabore le plan de sûreté de l'installation portuaire.
Le plan de sûreté de l'installation portuaire doit être élaboré conformément :
1° au 16 de la partie A du Code ISPS ;
2° au 16 de la partie B du Code ISPS, qui est obligatoire aux fins de la présente loi, à l'exception :
a) des dispositions du 16.1 ;
b) des dispositions des 16.61 jusqu'à et y compris 16.63 ;
3° aux arrêtés d'exécution pris sur la base de l'article 2.5.2.45 qui fixent les normes nécessaires auxquelles la sûreté doit se conformer ;
4° de l'évaluation de la sûreté.
Pour l'approbation de l'évaluation de la sûreté sur laquelle le plan de sûreté est basé, l'ANSM peut bénéficier d'une dérogation à une ou plusieurs dispositions visées à l'alinéa 2, 2°.
§ 2. Pour chaque installation portuaire, un plan de sûreté distinct doit être établi même si l'évaluation de la sûreté couvre plusieurs installations portuaires, conformément à l'article 2.5.2.30, alinéa 2.]1
Art. 2.5.2.35. [1 Goedkeuring beveiligingsplan van de havenfaciliteit
De PFSO legt het beveiligingsplan van de havenfaciliteit voor aan het betrokken LCMB ter goedkeuring binnen de drie maanden na de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit. Binnen de dertig dagen geeft het betrokken LCMB een gemotiveerd advies aan de NAMB. De NAMB beslist binnen de dertig dagen over goedkeuring van het beveiligingsplan van de havenfaciliteit.
De goedkeuring geldt voor vijf jaar waarna een nieuw beveiligingsplan moet worden opgesteld op grond van een vernieuwde beveiligingsbeoordeling.]1
De PFSO legt het beveiligingsplan van de havenfaciliteit voor aan het betrokken LCMB ter goedkeuring binnen de drie maanden na de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit. Binnen de dertig dagen geeft het betrokken LCMB een gemotiveerd advies aan de NAMB. De NAMB beslist binnen de dertig dagen over goedkeuring van het beveiligingsplan van de havenfaciliteit.
De goedkeuring geldt voor vijf jaar waarna een nieuw beveiligingsplan moet worden opgesteld op grond van een vernieuwde beveiligingsbeoordeling.]1
Art.2.5.2.35. [1 Approbation du plan de sûreté de l'installation portuaire
Le PFSO soumet le plan de sûreté de l'installation portuaire à l'approbation du CLSM compétent dans les trois mois suivant l'approbation de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire. Dans les trente jours, le CLSM concerné donne un avis motivé à l'ANSM. L'ANSM décide de l'approbation du plan de sûreté de l'installation portuaire dans les trente jours.
L'approbation est valable cinq ans, après quoi un nouveau plan de sûreté doit être élaboré sur la base d'une nouvelle évaluation de la sûreté.]1
Le PFSO soumet le plan de sûreté de l'installation portuaire à l'approbation du CLSM compétent dans les trois mois suivant l'approbation de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire. Dans les trente jours, le CLSM concerné donne un avis motivé à l'ANSM. L'ANSM décide de l'approbation du plan de sûreté de l'installation portuaire dans les trente jours.
L'approbation est valable cinq ans, après quoi un nouveau plan de sûreté doit être élaboré sur la base d'une nouvelle évaluation de la sûreté.]1
Art. 2.5.2.36. [1 Wijziging beveiligingsplan van de havenfaciliteit
Elke substantiële wijziging moet ook aan het betrokken LCMB en de NAMB worden voorgelegd ter goedkeuring. De Koning bepaalt op advies van de NAMB wat als substantiële wijziging dient te worden beschouwd. De geldigheidsduur bepaald overeenkomstig artikel 2.5.2.35, tweede lid, blijft onveranderd bij de goedkeuring van een substantiële wijziging.
Bij tijdelijke evenementen of voorvallen kan de NAMB op advies van het LCMB het beveiligingsplan aanpassen voor de duur van het evenement of voorval.]1
Elke substantiële wijziging moet ook aan het betrokken LCMB en de NAMB worden voorgelegd ter goedkeuring. De Koning bepaalt op advies van de NAMB wat als substantiële wijziging dient te worden beschouwd. De geldigheidsduur bepaald overeenkomstig artikel 2.5.2.35, tweede lid, blijft onveranderd bij de goedkeuring van een substantiële wijziging.
Bij tijdelijke evenementen of voorvallen kan de NAMB op advies van het LCMB het beveiligingsplan aanpassen voor de duur van het evenement of voorval.]1
Art.2.5.2.36. [1 Modification du plan de sûreté de l'installation portuaire
Toute modification substantielle doit également être soumise au CLSM concerné et à l'ANSM pour approbation. Le Roi détermine, sur l'avis de l'ANSM, ce qui doit être considéré comme une modification substantielle. La durée de validité déterminée conformément à l'article 2.5.2.35, alinéa 2, reste inchangée lors de l'approbation d'une modification substantielle.
Dans le cas d'événements ou d'incidents temporaires, l'ANSM peut, sur l'avis du CLSM, adapter le plan de sûreté pour la durée de l'événement ou de l'incident.]1
Toute modification substantielle doit également être soumise au CLSM concerné et à l'ANSM pour approbation. Le Roi détermine, sur l'avis de l'ANSM, ce qui doit être considéré comme une modification substantielle. La durée de validité déterminée conformément à l'article 2.5.2.35, alinéa 2, reste inchangée lors de l'approbation d'une modification substantielle.
Dans le cas d'événements ou d'incidents temporaires, l'ANSM peut, sur l'avis du CLSM, adapter le plan de sûreté pour la durée de l'événement ou de l'incident.]1
Art. 2.5.2.37. [1 Intrekking beveiligingsplan van de havenfaciliteit
§ 1. Het beveiligingsplan van de havenfaciliteit kan door de NAMB worden ingetrokken ingeval:
1° de beveiliging in de havenfaciliteit niet meer gegarandeerd kan worden met het goedgekeurde beveiligingsplan van de havenfaciliteit;
2° de onderneming die de havenfaciliteit exploiteert heeft gehandeld in strijd met beveiligingsplan van de havenfaciliteit, de ISPS-Verordening, dit hoofdstuk of zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de onderneming die de havenfaciliteit exploiteert geen gevolg geeft aan de in artikel 2.5.2.38 bedoelde instructies.
De intrekking kan enkel geheel zijn.
§ 2. Beroep tegen de intrekking kan worden ingesteld bij de minister binnen de tien dagen nadat de beslissing ter kennis werd gebracht.
De minister neemt binnen de dertig dagen een beslissing, na de havenfaciliteit en de NAMB gehoord te hebben.
Het beroep schorst de beslissing niet.]1
§ 1. Het beveiligingsplan van de havenfaciliteit kan door de NAMB worden ingetrokken ingeval:
1° de beveiliging in de havenfaciliteit niet meer gegarandeerd kan worden met het goedgekeurde beveiligingsplan van de havenfaciliteit;
2° de onderneming die de havenfaciliteit exploiteert heeft gehandeld in strijd met beveiligingsplan van de havenfaciliteit, de ISPS-Verordening, dit hoofdstuk of zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de onderneming die de havenfaciliteit exploiteert geen gevolg geeft aan de in artikel 2.5.2.38 bedoelde instructies.
De intrekking kan enkel geheel zijn.
§ 2. Beroep tegen de intrekking kan worden ingesteld bij de minister binnen de tien dagen nadat de beslissing ter kennis werd gebracht.
De minister neemt binnen de dertig dagen een beslissing, na de havenfaciliteit en de NAMB gehoord te hebben.
Het beroep schorst de beslissing niet.]1
Art.2.5.2.37. [1 Retrait du plan de sûreté de l'installation portuaire
§ 1er. Le plan de sûreté de l'installation portuaire peut être retiré par l'ANSM dans le cas où :
1° la sûreté de l'installation portuaire ne peut plus être garantie avec le plan de sûreté de l'installation portuaire approuvé ;
2° l'entreprise qui exploite l'installation portuaire a agi en violation du plan de sûreté de l'installation portuaire, du Règlement ISPS, du présent chapitre ou ses arrêtés d'exécution ;
3° l'entreprise qui exploite l'installation portuaire ne suit pas les instructions visées à l'article 2.5.2.38.
Le retrait ne peut être que total.
§ 2. Un recours contre le retrait peut être introduit auprès du ministre dans les dix jours après la notification de la décision.
Le ministre prend une décision dans les trente jours, après avoir entendu l'installation portuaire et l'ANSM.
Le recours ne suspend pas la décision.]1
§ 1er. Le plan de sûreté de l'installation portuaire peut être retiré par l'ANSM dans le cas où :
1° la sûreté de l'installation portuaire ne peut plus être garantie avec le plan de sûreté de l'installation portuaire approuvé ;
2° l'entreprise qui exploite l'installation portuaire a agi en violation du plan de sûreté de l'installation portuaire, du Règlement ISPS, du présent chapitre ou ses arrêtés d'exécution ;
3° l'entreprise qui exploite l'installation portuaire ne suit pas les instructions visées à l'article 2.5.2.38.
Le retrait ne peut être que total.
§ 2. Un recours contre le retrait peut être introduit auprès du ministre dans les dix jours après la notification de la décision.
Le ministre prend une décision dans les trente jours, après avoir entendu l'installation portuaire et l'ANSM.
Le recours ne suspend pas la décision.]1
Art. 2.5.2.38. [1 Tussentijdse evaluaties
§ 1. Het beveiligingsplan van de havenfaciliteit wordt door het LCMB geëvalueerd:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de goedkeuring;
2° indien de beveiliging van de havenfaciliteit door één of meer ongeoorloofde acties niet meer kan gegarandeerd worden of er een vermoeden is dat deze niet meer gegarandeerd kan worden.
§ 2. Het LCMB maakt de evaluatie over aan de NAMB die op basis van deze evaluatie:
1° termijnen kan vaststellen waarbinnen een aanpassing van het beveiligingsplan van de havenfaciliteit moet worden ingediend overeenkomstig artikel 2.5.2.35;
2° het beveiligingsplan van de havenfaciliteit geheel kan intrekken overeenkomstig artikel 2.5.2.37;
3° het LCMB een nieuwe beveiligingsbeoordeling kan laten uitvoeren.]1
§ 1. Het beveiligingsplan van de havenfaciliteit wordt door het LCMB geëvalueerd:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de goedkeuring;
2° indien de beveiliging van de havenfaciliteit door één of meer ongeoorloofde acties niet meer kan gegarandeerd worden of er een vermoeden is dat deze niet meer gegarandeerd kan worden.
§ 2. Het LCMB maakt de evaluatie over aan de NAMB die op basis van deze evaluatie:
1° termijnen kan vaststellen waarbinnen een aanpassing van het beveiligingsplan van de havenfaciliteit moet worden ingediend overeenkomstig artikel 2.5.2.35;
2° het beveiligingsplan van de havenfaciliteit geheel kan intrekken overeenkomstig artikel 2.5.2.37;
3° het LCMB een nieuwe beveiligingsbeoordeling kan laten uitvoeren.]1
Art.2.5.2.38. [1 Evaluations intermédiaires
§ 1er. Le plan de sûreté de l'installation portuaire est évalué par le CLSM :
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après l'approbation ;
2° si la sûreté de l'installation portuaire ne peut plus être garantie en raison d'une ou plusieurs actions illicites ou s'il existe un soupçon qu'elle ne peut plus être garantie.
§ 2. Le CLSM transmet l'évaluation à l'ANSM qui, sur la base de cette évaluation, peut :
1° fixer les délais dans lesquels une adaptation du plan de sûreté de l'installation portuaire doit être soumise conformément à l'article 2.5.2.35 ;
2° retirer le plan de sûreté de l'installation portuaire totalement, conformément à l'article 2.5.2.37 ;
3° faire procéder à une nouvelle évaluation de la sûreté par le CLSM.]1
§ 1er. Le plan de sûreté de l'installation portuaire est évalué par le CLSM :
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après l'approbation ;
2° si la sûreté de l'installation portuaire ne peut plus être garantie en raison d'une ou plusieurs actions illicites ou s'il existe un soupçon qu'elle ne peut plus être garantie.
§ 2. Le CLSM transmet l'évaluation à l'ANSM qui, sur la base de cette évaluation, peut :
1° fixer les délais dans lesquels une adaptation du plan de sûreté de l'installation portuaire doit être soumise conformément à l'article 2.5.2.35 ;
2° retirer le plan de sûreté de l'installation portuaire totalement, conformément à l'article 2.5.2.37 ;
3° faire procéder à une nouvelle évaluation de la sûreté par le CLSM.]1
Art. 2.5.2.39. [1 Vorming
§ 1. Elke PFSO moet kennis hebben van, expertise hebben in en geslaagd zijn in een examen over al de volgende onderdelen die relevant zijn voor de havenfaciliteit:
1° de beveiligingsadministratie;
2° de van toepassing zijnde internationale verdragen, codes en aanbevelingen;
3° de van toepassing zijnde Belgische en Europese wetgeving en voorschriften;
4° de verantwoordelijkheden en functies van andere beveiligingsorganisaties;
5° de methodiek voor de beoordeling van de beveiliging van de havenfaciliteit;
6° de onderzoeks- en inspectiemethoden voor beveiliging van de scheepvaart en de beveiliging van de havenfaciliteit;
7° de scheeps- en havenactiviteiten en voorwaarden;
8° de beveiligingsmaatregelen voor het schip en de havenfaciliteit;
9° de paraatheid en reacties in noodsituaties en voorzorgmaatregelen;
10° de instructiemethoden voor beveiligingstraining en -scholing, waaronder beveiligingsmaatregelen en -procedures;
11° de omgang met gevoelige informatie met betrekking tot de beveiliging en de communicatie met betrekking tot de beveiliging;
12° de huidige bedreigingen met betrekking tot de beveiliging en de patronen hierin;
13° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
14° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen, zonder daarbij te discrimineren;
15° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
16° de beveiligingsapparatuur en -systemen, en de beperking van hun functies;
17° de methoden voor controle, inspectie, bewaking en toezicht;
18° de methoden voor het doorzoeken van lading en scheepsvoorraden en voor niet storende inspectie;
19° de beveiligingsoefeningen, waaronder oefeningen met schepen;
20° de beoordeling van beveiligingsoefeningen.
§ 2. Na het volgen van de vorming moet een examen worden afgelegd bij de erkende beveiligingsorganisatie of de erkende opleidingsinstantie. De Koning bepaalt de modaliteiten, inhoud en het slaagcijfer van het examen.
De erkende beveiligingsorganisatie of de erkende opleidingsinstantie bezorgen de lijst van de geslaagde personen aan de NAMB. Een geslaagde persoon verkrijgt een certificaat waarvan de vorm wordt vastgesteld door de Koning.
Een PFSO moet elke vijf jaar een heropfrissingscursus volgen waarvan de modaliteiten en de inhoud worden vastgesteld door de Koning. Het certificaat van de PFSO die deze cursus niet volgt vervalt van rechtswege 66 maanden na de uitreiking van het certificaat of het volgen van de opfriscursus.
§ 3. De PFSO zorgt ervoor dat het andere personeel van de havenfaciliteit met specifieke beveiligingstaken kennis heeft van de volgende onderdelen:
1° de huidige bedreigingen met betrekking tot de beveiliging en de patronen hierin;
2° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
3° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen;
4° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
5° de technieken voor massamanagement en -beheersing;
6° de communicatie met betrekking tot de beveiliging;
7° de werking van beveiligingsapparatuur en -systemen;
8° de het testen, ijken en onderhouden van beveiligingsapparatuur en -systemen;
9° de technieken voor inspectie, bewaking en toezicht;
10° de methoden voor het doorzoeken van lading en scheepsvoorraden.
Deze opleiding kan zowel extern als intern door de onderneming die de havenfaciliteit exploiteert worden gegeven.
§ 4. De PFSO moet ervoor zorgen dat al het ander personeel van de havenfaciliteit, met inbegrip van havenarbeiders, kennis heeft van de van toepassing zijnde bepalingen van het beveiligingsplan van de havenfaciliteit op de volgende onderdelen:
1° de betekenis en de daaruit voortvloeiende vereisten voor de verschillende beveiligingsniveaus;
2° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
3° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die beveiliging kunnen bedreigen;
4° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
5° de methodes die gebruikt worden om ongeoorloofde acties uit te voeren;
6° de algemene bewustwording van de beveiligingsproblematiek.
De PFSO is verantwoordelijk dat deze kennis bij de personeelsleden aanwezig is.]1
§ 1. Elke PFSO moet kennis hebben van, expertise hebben in en geslaagd zijn in een examen over al de volgende onderdelen die relevant zijn voor de havenfaciliteit:
1° de beveiligingsadministratie;
2° de van toepassing zijnde internationale verdragen, codes en aanbevelingen;
3° de van toepassing zijnde Belgische en Europese wetgeving en voorschriften;
4° de verantwoordelijkheden en functies van andere beveiligingsorganisaties;
5° de methodiek voor de beoordeling van de beveiliging van de havenfaciliteit;
6° de onderzoeks- en inspectiemethoden voor beveiliging van de scheepvaart en de beveiliging van de havenfaciliteit;
7° de scheeps- en havenactiviteiten en voorwaarden;
8° de beveiligingsmaatregelen voor het schip en de havenfaciliteit;
9° de paraatheid en reacties in noodsituaties en voorzorgmaatregelen;
10° de instructiemethoden voor beveiligingstraining en -scholing, waaronder beveiligingsmaatregelen en -procedures;
11° de omgang met gevoelige informatie met betrekking tot de beveiliging en de communicatie met betrekking tot de beveiliging;
12° de huidige bedreigingen met betrekking tot de beveiliging en de patronen hierin;
13° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
14° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen, zonder daarbij te discrimineren;
15° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
16° de beveiligingsapparatuur en -systemen, en de beperking van hun functies;
17° de methoden voor controle, inspectie, bewaking en toezicht;
18° de methoden voor het doorzoeken van lading en scheepsvoorraden en voor niet storende inspectie;
19° de beveiligingsoefeningen, waaronder oefeningen met schepen;
20° de beoordeling van beveiligingsoefeningen.
§ 2. Na het volgen van de vorming moet een examen worden afgelegd bij de erkende beveiligingsorganisatie of de erkende opleidingsinstantie. De Koning bepaalt de modaliteiten, inhoud en het slaagcijfer van het examen.
De erkende beveiligingsorganisatie of de erkende opleidingsinstantie bezorgen de lijst van de geslaagde personen aan de NAMB. Een geslaagde persoon verkrijgt een certificaat waarvan de vorm wordt vastgesteld door de Koning.
Een PFSO moet elke vijf jaar een heropfrissingscursus volgen waarvan de modaliteiten en de inhoud worden vastgesteld door de Koning. Het certificaat van de PFSO die deze cursus niet volgt vervalt van rechtswege 66 maanden na de uitreiking van het certificaat of het volgen van de opfriscursus.
§ 3. De PFSO zorgt ervoor dat het andere personeel van de havenfaciliteit met specifieke beveiligingstaken kennis heeft van de volgende onderdelen:
1° de huidige bedreigingen met betrekking tot de beveiliging en de patronen hierin;
2° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
3° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen;
4° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
5° de technieken voor massamanagement en -beheersing;
6° de communicatie met betrekking tot de beveiliging;
7° de werking van beveiligingsapparatuur en -systemen;
8° de het testen, ijken en onderhouden van beveiligingsapparatuur en -systemen;
9° de technieken voor inspectie, bewaking en toezicht;
10° de methoden voor het doorzoeken van lading en scheepsvoorraden.
Deze opleiding kan zowel extern als intern door de onderneming die de havenfaciliteit exploiteert worden gegeven.
§ 4. De PFSO moet ervoor zorgen dat al het ander personeel van de havenfaciliteit, met inbegrip van havenarbeiders, kennis heeft van de van toepassing zijnde bepalingen van het beveiligingsplan van de havenfaciliteit op de volgende onderdelen:
1° de betekenis en de daaruit voortvloeiende vereisten voor de verschillende beveiligingsniveaus;
2° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
3° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die beveiliging kunnen bedreigen;
4° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
5° de methodes die gebruikt worden om ongeoorloofde acties uit te voeren;
6° de algemene bewustwording van de beveiligingsproblematiek.
De PFSO is verantwoordelijk dat deze kennis bij de personeelsleden aanwezig is.]1
Art.2.5.2.39. [1 Formation
§ 1er. Chaque PFSO doit avoir des connaissances, une expertise et avoir réussi un examen couvrant tous les éléments pertinents pour l'installation portuaire suivants :
1° l'administration de la sûreté ;
2° les conventions, codes et recommandations internationaux applicables ;
3° la législation et les réglementations belges et européennes applicables ;
4° les responsabilités et les fonctions des autres organismes de sûreté ;
5° la méthodologie d'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire ;
6° les méthodes d'enquête et d'inspection pour la sûreté de la navigation et la sûreté de l'installation portuaire ;
7° les activités et conditions des navires et des ports ;
8° les mesures de sûreté du navire et de l'installation portuaire ;
9° la préparation et la réponse aux situations d'urgence et mesures de précaution ;
10° les méthodes d'instruction pour la formation et l'éducation à la sûreté, y compris les mesures et procédures de sûreté ;
11° le traitement d'informations sensibles en matière de sûreté et les communications en matière de sûreté ;
12° les menaces actuelles en matière de sûreté et leurs modèles ;
13° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
14° la reconnaissance, sans discrimination, des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
15° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
16° les équipements et systèmes de sûreté, et la limitation de leurs fonctions ;
17° les méthodes de contrôle, d'inspection, de gardiennage et de surveillance ;
18° les méthodes de fouille de la cargaison et des provisions de bord et d'inspection non intrusive ;
19° les exercices de sûreté, y compris les exercices avec les navires ;
20° l'évaluation des exercices de sûreté.
§ 2. A l'issue de la formation, un examen doit être passé auprès de l'organisme de sûreté reconnu ou de l'organisme de formation reconnu. Le Roi détermine les modalités, le contenu et la note de passage de l'examen.
L'organisme de sûreté reconnu ou l'organisme de formation reconnu remet la liste des personnes ayant réussi à l'ANSM. Une personne ayant réussi reçoit un certificat dont la forme est déterminée par le Roi.
Un PFSO doit suivre un cours de recyclage tous les cinq ans dont les modalités et le contenu sont déterminés par le Roi. Le certificat du PFSO qui ne suit pas ce cours expire de plein droit 66 mois après la délivrance du certificat ou le suivi du cours de recyclage.
§ 3. Le PFSO veille à ce que les autres membres du personnel de l'installation portuaire ayant des tâches spécifiques en matière de sûreté aient connaissance des éléments suivants :
1° les menaces actuelles pour la sûreté et leurs modèles ;
2° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
3° la reconnaissance des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
4° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
5° les techniques de gestion et de contrôle des masses ;
6° la communication en matière de sûreté ;
7° le fonctionnement des équipements et systèmes de sûreté ;
8° l'essai, l'étalonnage et l'entretien des équipements et systèmes de sûreté ;
9° les techniques d'inspection, de gardiennage et de surveillance ;
10° les méthodes de fouille de la cargaison et des provisions de bord.
Cette formation peut être dispensée soit en externe, soit en interne par l'entreprise qui exploite l'installation portuaire.
§ 4. Le PFSO doit veiller à ce que tous les autres membres du personnel de l'installation portuaire, y compris les ouvriers portuaires, aient connaissance des dispositions applicables du plan de sûreté de l'installation portuaire sur les éléments suivants :
1° la signification des différents niveaux de sûreté et les exigences qui en découlent ;
2° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
3° la reconnaissance des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
4° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
5° les méthodes utilisées pour effectuer des actions illicites ;
6° une sensibilisation générale aux questions de sûreté.
Le PFSO est chargé de veiller à ce que ces connaissances soient présentes au sein du personnel.]1
§ 1er. Chaque PFSO doit avoir des connaissances, une expertise et avoir réussi un examen couvrant tous les éléments pertinents pour l'installation portuaire suivants :
1° l'administration de la sûreté ;
2° les conventions, codes et recommandations internationaux applicables ;
3° la législation et les réglementations belges et européennes applicables ;
4° les responsabilités et les fonctions des autres organismes de sûreté ;
5° la méthodologie d'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire ;
6° les méthodes d'enquête et d'inspection pour la sûreté de la navigation et la sûreté de l'installation portuaire ;
7° les activités et conditions des navires et des ports ;
8° les mesures de sûreté du navire et de l'installation portuaire ;
9° la préparation et la réponse aux situations d'urgence et mesures de précaution ;
10° les méthodes d'instruction pour la formation et l'éducation à la sûreté, y compris les mesures et procédures de sûreté ;
11° le traitement d'informations sensibles en matière de sûreté et les communications en matière de sûreté ;
12° les menaces actuelles en matière de sûreté et leurs modèles ;
13° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
14° la reconnaissance, sans discrimination, des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
15° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
16° les équipements et systèmes de sûreté, et la limitation de leurs fonctions ;
17° les méthodes de contrôle, d'inspection, de gardiennage et de surveillance ;
18° les méthodes de fouille de la cargaison et des provisions de bord et d'inspection non intrusive ;
19° les exercices de sûreté, y compris les exercices avec les navires ;
20° l'évaluation des exercices de sûreté.
§ 2. A l'issue de la formation, un examen doit être passé auprès de l'organisme de sûreté reconnu ou de l'organisme de formation reconnu. Le Roi détermine les modalités, le contenu et la note de passage de l'examen.
L'organisme de sûreté reconnu ou l'organisme de formation reconnu remet la liste des personnes ayant réussi à l'ANSM. Une personne ayant réussi reçoit un certificat dont la forme est déterminée par le Roi.
Un PFSO doit suivre un cours de recyclage tous les cinq ans dont les modalités et le contenu sont déterminés par le Roi. Le certificat du PFSO qui ne suit pas ce cours expire de plein droit 66 mois après la délivrance du certificat ou le suivi du cours de recyclage.
§ 3. Le PFSO veille à ce que les autres membres du personnel de l'installation portuaire ayant des tâches spécifiques en matière de sûreté aient connaissance des éléments suivants :
1° les menaces actuelles pour la sûreté et leurs modèles ;
2° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
3° la reconnaissance des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
4° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
5° les techniques de gestion et de contrôle des masses ;
6° la communication en matière de sûreté ;
7° le fonctionnement des équipements et systèmes de sûreté ;
8° l'essai, l'étalonnage et l'entretien des équipements et systèmes de sûreté ;
9° les techniques d'inspection, de gardiennage et de surveillance ;
10° les méthodes de fouille de la cargaison et des provisions de bord.
Cette formation peut être dispensée soit en externe, soit en interne par l'entreprise qui exploite l'installation portuaire.
§ 4. Le PFSO doit veiller à ce que tous les autres membres du personnel de l'installation portuaire, y compris les ouvriers portuaires, aient connaissance des dispositions applicables du plan de sûreté de l'installation portuaire sur les éléments suivants :
1° la signification des différents niveaux de sûreté et les exigences qui en découlent ;
2° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
3° la reconnaissance des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
4° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
5° les méthodes utilisées pour effectuer des actions illicites ;
6° une sensibilisation générale aux questions de sûreté.
Le PFSO est chargé de veiller à ce que ces connaissances soient présentes au sein du personnel.]1
Art. 2.5.2.40. [1 Oefening
§ 1. Het beveiligingsplan van de havenfaciliteit wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar getest door middel van een oefening waarvan de vereisten worden vastgelegd door de Koning.
De PFSO brengt uiterlijk één maand voor de oefening bedoeld in punt 18.6 van deel B van de ISPS-Code het betrokken LCMB op de hoogte. Het LCMB brengt de NAMB op de hoogte van de geplande oefeningen. Indien de omstandigheden een kortere termijn verantwoorden, beslist de NAMB of de gehouden oefening telt als de door punt 18.6 van deel B van de ISPS-Code vereiste oefening.
§ 2. De havenfaciliteit bezorgt uiterlijk één maand na de oefeningen bedoeld in het eerste lid of in punt 18.5 van deel B van de ISPS-Code een verslag aan het LCMB en de NAMB.]1
§ 1. Het beveiligingsplan van de havenfaciliteit wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar getest door middel van een oefening waarvan de vereisten worden vastgelegd door de Koning.
De PFSO brengt uiterlijk één maand voor de oefening bedoeld in punt 18.6 van deel B van de ISPS-Code het betrokken LCMB op de hoogte. Het LCMB brengt de NAMB op de hoogte van de geplande oefeningen. Indien de omstandigheden een kortere termijn verantwoorden, beslist de NAMB of de gehouden oefening telt als de door punt 18.6 van deel B van de ISPS-Code vereiste oefening.
§ 2. De havenfaciliteit bezorgt uiterlijk één maand na de oefeningen bedoeld in het eerste lid of in punt 18.5 van deel B van de ISPS-Code een verslag aan het LCMB en de NAMB.]1
Art.2.5.2.40. [1 Exercice
§ 1er. Le plan de sûreté de l'installation portuaire est testé au moins une fois par année civile au moyen d'un exercice dont les exigences sont fixées par le Roi.
Le PFSO informe le CLSM compétent au plus tard un mois avant l'exercice visé au 18.6 de la partie B du Code ISPS. Le CLSM informe l'ANSM des exercices prévus. Si les circonstances justifient un délai plus court, l'ANSM décide si l'exercice effectué compte comme l'exercice requis par le 18.6 de la partie B du Code ISPS.
§ 2. L'installation portuaire remet un rapport au CLSM et à l'ANSM au plus tard un mois après les exercices visés à l'alinéa 1er ou au 18.6 de la partie B du Code ISPS.]1
§ 1er. Le plan de sûreté de l'installation portuaire est testé au moins une fois par année civile au moyen d'un exercice dont les exigences sont fixées par le Roi.
Le PFSO informe le CLSM compétent au plus tard un mois avant l'exercice visé au 18.6 de la partie B du Code ISPS. Le CLSM informe l'ANSM des exercices prévus. Si les circonstances justifient un délai plus court, l'ANSM décide si l'exercice effectué compte comme l'exercice requis par le 18.6 de la partie B du Code ISPS.
§ 2. L'installation portuaire remet un rapport au CLSM et à l'ANSM au plus tard un mois après les exercices visés à l'alinéa 1er ou au 18.6 de la partie B du Code ISPS.]1
Art. 2.5.2.41. [1 Verklaring van Goedkeuring
De NAMB reikt aan elke havenfaciliteit waarvan het beveiligingsplan werd goedgekeurd een Verklaring van Goedkeuring uit.
De Verklaring van Goedkeuring bevat de volgende gegevens:
1° de havenfaciliteit;
2° het feit dat de havenfaciliteit voldoet aan de bepalingen van Hoofstuk XI-2 van het SOLAS-verdrag, deel A van de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de geldigheidstermijn van de Verklaring van Goedkeuring is maximaal vijf jaar en kan nooit langer zijn dan de geldigheidsduur van het beveiligingsplan;
4° [2 ...]2]1
De NAMB reikt aan elke havenfaciliteit waarvan het beveiligingsplan werd goedgekeurd een Verklaring van Goedkeuring uit.
De Verklaring van Goedkeuring bevat de volgende gegevens:
1° de havenfaciliteit;
2° het feit dat de havenfaciliteit voldoet aan de bepalingen van Hoofstuk XI-2 van het SOLAS-verdrag, deel A van de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de geldigheidstermijn van de Verklaring van Goedkeuring is maximaal vijf jaar en kan nooit langer zijn dan de geldigheidsduur van het beveiligingsplan;
4° [2 ...]2]1
Art.2.5.2.41.[1 Déclaration d'approbation
L'ANSM délivre une Déclaration d'approbation à chaque installation portuaire dont le plan de sûreté a été approuvé.
La Déclaration d'approbation contient les données suivantes :
1° l'installation portuaire ;
2° le fait que l'installation portuaire satisfait aux dispositions du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS, de la partie A du Code ISPS, du Règlement ISPS, du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution ;
3° la durée de validité de la Déclaration d'approbation est de cinq ans maximum et ne peut jamais dépasser la durée de validité du plan de sûreté ;
4° [2 ...]2]1
L'ANSM délivre une Déclaration d'approbation à chaque installation portuaire dont le plan de sûreté a été approuvé.
La Déclaration d'approbation contient les données suivantes :
1° l'installation portuaire ;
2° le fait que l'installation portuaire satisfait aux dispositions du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS, de la partie A du Code ISPS, du Règlement ISPS, du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution ;
3° la durée de validité de la Déclaration d'approbation est de cinq ans maximum et ne peut jamais dépasser la durée de validité du plan de sûreté ;
4° [2 ...]2]1
Onderafdeling 4. [1 - Andere regelingen]1
Sous-section 4. [1 - Autres mesures]1
Art. 2.5.2.42. [1 Alternatieve regelingen
Alternatieve regelingen voor het intracommunautair verkeer op vaste routes zoals bedoeld in artikel 5 van de ISPS-Verordening en Voorschrift 11 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag worden niet toegestaan.]1
Alternatieve regelingen voor het intracommunautair verkeer op vaste routes zoals bedoeld in artikel 5 van de ISPS-Verordening en Voorschrift 11 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag worden niet toegestaan.]1
Art.2.5.2.42. [1 Mesures alternatives
Les mesures alternatives pour la circulation intracommunautaire sur des itinéraires fixes, tels que visés à l'article 5 du Règlement ISPS et à la Règle 11 du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS, ne sont pas autorisées.]1
Les mesures alternatives pour la circulation intracommunautaire sur des itinéraires fixes, tels que visés à l'article 5 du Règlement ISPS et à la Règle 11 du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS, ne sont pas autorisées.]1
Art. 2.5.2.43. [1 Gelijkwaardige regelingen
De NAMB kan, na advies van het betrokken LCMB over de uitgevoerde beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit, voor een beperkte duur die niet meer dan één jaar mag bedragen toestaan dat een havenfaciliteit wordt uitgebaat met maatregelen die gelijkwaardig zijn aan de beveiligingsmaatregelen vastgelegd in dit hoofdstuk en deel A van de ISPS-Code. De NAMB deelt de bijzonderheden van de toegestane gelijkwaardige regeling mee aan de IMO en de Europese Commissie.]1
De NAMB kan, na advies van het betrokken LCMB over de uitgevoerde beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit, voor een beperkte duur die niet meer dan één jaar mag bedragen toestaan dat een havenfaciliteit wordt uitgebaat met maatregelen die gelijkwaardig zijn aan de beveiligingsmaatregelen vastgelegd in dit hoofdstuk en deel A van de ISPS-Code. De NAMB deelt de bijzonderheden van de toegestane gelijkwaardige regeling mee aan de IMO en de Europese Commissie.]1
Art.2.5.2.43. [1 Mesures équivalentes
L'ANSM peut autoriser, après avis du CLSM concerné sur l'évaluation de sûreté de l'installation portuaire effectuée, pour une durée limitée ne dépassant pas un an, l'exploitation d'une installation portuaire en appliquant des mesures équivalentes aux mesures de sûreté prévues dans le présent chapitre et dans la partie A du Code ISPS. L'ANSM communique les particularités de la mesure équivalente autorisée à l'OMI et à la Commission européenne.]1
L'ANSM peut autoriser, après avis du CLSM concerné sur l'évaluation de sûreté de l'installation portuaire effectuée, pour une durée limitée ne dépassant pas un an, l'exploitation d'une installation portuaire en appliquant des mesures équivalentes aux mesures de sûreté prévues dans le présent chapitre et dans la partie A du Code ISPS. L'ANSM communique les particularités de la mesure équivalente autorisée à l'OMI et à la Commission européenne.]1
Onderafdeling 5. [1 - Beveiligingsstandaarden]1
Sous-section 5. [1 - Normes de sûreté]1
Art. 2.5.2.44. [1 Onderrichtingen door de NAMB
De NAMB kan onderrichtingen geven voor :
1° de te volgen procedures door havens en havenfaciliteiten in het kader van de beveiliging;
2° de communicatie tussen de havens, de havenfaciliteiten, de PFSO's, het LCMB en de NAMB;
3° standaarden voor toegangscontrole tot de havenfaciliteit;
4° standaarden voor de fysieke bescherming van de havenfaciliteit;
5° standaarden voor het houden van een permanent toezicht op de havenfaciliteit, met inbegrip van verlichting, beveiligingspersoneel en toegangsdetectieapparatuur en bewakingsapparatuur waaronder optische en thermische camera's;
6° de ladingsbehandeling;
7° de scheepsbevoorrading;
8° de omgang met onbegeleide bagage;
9° het aanduiden van gebieden binnen de havenfaciliteit waarvoor bijkomende beperkingen gelden;
10° het voorkomen van ongeoorloofde acties;
11° de verplichte vorming;
12° de beeldvorming van de haven en havenfaciliteit voor de overheid door middel van twee- en driedimensionale plannen en beelden;
13° incidentmeldingen.
14° de verslagen van de oefeningen;]1
[2 15° procedures voor het uitvoeren van de artikelen 2.5.2.99 en 2.5.2.101;
16° onverminderd de bepalingen van de wet van 23 maart 2020 tot wazigmaking van de beelden van nucleaire installaties en kritieke inrichtingen, en tot inperking van het maken of verspreiden van luchtfoto's van die installaties en inrichtingen, in het belang van de openbare veiligheid, het voorkomen dat beveiligingsinfrastructuur zichtbaar is op publieke websites.]2
De NAMB kan onderrichtingen geven voor :
1° de te volgen procedures door havens en havenfaciliteiten in het kader van de beveiliging;
2° de communicatie tussen de havens, de havenfaciliteiten, de PFSO's, het LCMB en de NAMB;
3° standaarden voor toegangscontrole tot de havenfaciliteit;
4° standaarden voor de fysieke bescherming van de havenfaciliteit;
5° standaarden voor het houden van een permanent toezicht op de havenfaciliteit, met inbegrip van verlichting, beveiligingspersoneel en toegangsdetectieapparatuur en bewakingsapparatuur waaronder optische en thermische camera's;
6° de ladingsbehandeling;
7° de scheepsbevoorrading;
8° de omgang met onbegeleide bagage;
9° het aanduiden van gebieden binnen de havenfaciliteit waarvoor bijkomende beperkingen gelden;
10° het voorkomen van ongeoorloofde acties;
11° de verplichte vorming;
12° de beeldvorming van de haven en havenfaciliteit voor de overheid door middel van twee- en driedimensionale plannen en beelden;
13° incidentmeldingen.
14° de verslagen van de oefeningen;]1
[2 15° procedures voor het uitvoeren van de artikelen 2.5.2.99 en 2.5.2.101;
16° onverminderd de bepalingen van de wet van 23 maart 2020 tot wazigmaking van de beelden van nucleaire installaties en kritieke inrichtingen, en tot inperking van het maken of verspreiden van luchtfoto's van die installaties en inrichtingen, in het belang van de openbare veiligheid, het voorkomen dat beveiligingsinfrastructuur zichtbaar is op publieke websites.]2
Art.2.5.2.44.[1 Instructions de l'ANSM
L'ANSM peut donner des instructions pour :
1° les procédures à suivre par les ports et les installations portuaires dans le cadre de la sûreté ;
2° la communication entre les ports, les installations portuaires, les PFSO, le CLSM et l'ANSM ;
3° les normes de contrôle d'accès à l'installation portuaire ;
4° les normes de protection physique de l'installation portuaire ;
5° les normes pour le maintien d'une surveillance permanente de l'installation portuaire, y compris l'éclairage, le personnel de sûreté et les équipements de détection d'accès et de surveillance, notamment les caméras optiques et thermiques ;
6° la manutention des cargaisons ;
7° l'approvisionnement du navire ;
8° le traitement des bagages non accompagnés ;
9° la désignation des zones de l'installation portuaire soumises à des restrictions supplémentaires ;
10° la prévention des actions illicites ;
11° la formation obligatoire ;
12° l'imagerie du port et de l'installation portuaire pour l'autorité au moyen de plans et d'images en deux et trois dimensions ;
13° les notifications d'incidents.
14° les rapports des exercices;]1
[2 15° les procédures d'exécution des articles 2.5.2.99 et 2.5.2.101;
16° sans préjudice de la loi du 23 mars 2020 visant à flouter les images d'établissements nucléaires et sensibles et à limiter la prise ou la diffusion de photographies aériennes de ces établissements dans l'intérêt de la sécurité publique, empêcher que l'infrastructure de sûreté soit visible sur les sites web publics.]2
L'ANSM peut donner des instructions pour :
1° les procédures à suivre par les ports et les installations portuaires dans le cadre de la sûreté ;
2° la communication entre les ports, les installations portuaires, les PFSO, le CLSM et l'ANSM ;
3° les normes de contrôle d'accès à l'installation portuaire ;
4° les normes de protection physique de l'installation portuaire ;
5° les normes pour le maintien d'une surveillance permanente de l'installation portuaire, y compris l'éclairage, le personnel de sûreté et les équipements de détection d'accès et de surveillance, notamment les caméras optiques et thermiques ;
6° la manutention des cargaisons ;
7° l'approvisionnement du navire ;
8° le traitement des bagages non accompagnés ;
9° la désignation des zones de l'installation portuaire soumises à des restrictions supplémentaires ;
10° la prévention des actions illicites ;
11° la formation obligatoire ;
12° l'imagerie du port et de l'installation portuaire pour l'autorité au moyen de plans et d'images en deux et trois dimensions ;
13° les notifications d'incidents.
14° les rapports des exercices;]1
[2 15° les procédures d'exécution des articles 2.5.2.99 et 2.5.2.101;
16° sans préjudice de la loi du 23 mars 2020 visant à flouter les images d'établissements nucléaires et sensibles et à limiter la prise ou la diffusion de photographies aériennes de ces établissements dans l'intérêt de la sécurité publique, empêcher que l'infrastructure de sûreté soit visible sur les sites web publics.]2
Art. 2.5.2.45. [1 Bekrachtiging
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in artikel 2.5.2.44 bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.]1
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in artikel 2.5.2.44 bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.]1
Art.2.5.2.45. [1 Ratification
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'article 2.5.2.44, les rendant ainsi obligatoires.]1
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'article 2.5.2.44, les rendant ainsi obligatoires.]1
Art. 2.5.2.46. [1 Beveiligingsverklaring
Een beveiligingsverklaring opgesteld overeenkomstig punt 5 van deel A van de ISPS-code wordt gedurende 3 jaar bewaard door de havenfaciliteit.]1
Een beveiligingsverklaring opgesteld overeenkomstig punt 5 van deel A van de ISPS-code wordt gedurende 3 jaar bewaard door de havenfaciliteit.]1
Art.2.5.2.46. [1 Déclaration de sûreté
Une déclaration de sûreté, élaborée conformément au 5 de la partie A du Code ISPS, doit être conservée par l'installation portuaire pendant 3 ans.]1
Une déclaration de sûreté, élaborée conformément au 5 de la partie A du Code ISPS, doit être conservée par l'installation portuaire pendant 3 ans.]1
Afdeling 4/1. [1 - Beveiliging van terminals gelegen in het binnenland]1
Section 4/1. [1 - Sûreté des terminaux intérieurs]1
Art.2.5.2.46/1. [1 Beveiligingsniveau
De beveiligingsniveaus van artikel 2.5.2.24 zijn van overeenkomstige toepassing op terminals gelegen in het binnenland en worden ingesteld overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 2.5.2.25.]1
De beveiligingsniveaus van artikel 2.5.2.24 zijn van overeenkomstige toepassing op terminals gelegen in het binnenland en worden ingesteld overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 2.5.2.25.]1
Art.2.5.2.46/1. [1 Niveau de sûreté
Les niveaux de sûreté de l'article 2.5.2.24 s'appliquent par analogie aux terminaux intérieurs et sont fixés conformément à la procédure visée à l'article 2.5.2.25.]1
Les niveaux de sûreté de l'article 2.5.2.24 s'appliquent par analogie aux terminaux intérieurs et sont fixés conformément à la procédure visée à l'article 2.5.2.25.]1
Art.2.5.2.46/2. [1 oepassingsgebied
§ 1. Deze afdeling is van toepassing op:
1° binnenschepen die de goederen bedoeld in paragraaf 2, vervoeren van of naar een havenfaciliteit;
2° terminals gelegen in het binnenland en langs een bevaarbare waterloop waar de goederen bedoeld in paragraaf 2 zonder verdere overslag worden ontvangen of geladen om naar havenfaciliteiten via binnenschepen te worden vervoerd of tijdelijk worden opgeslagen.
§ 2. Deze afdeling is van toepassing op containers of voedsel verpakt als stukgoed of in bulk.
De koning kan de lijst van goederen bedoeld in het eerste lid uitbreiden na advies van de NAMB.]1
§ 1. Deze afdeling is van toepassing op:
1° binnenschepen die de goederen bedoeld in paragraaf 2, vervoeren van of naar een havenfaciliteit;
2° terminals gelegen in het binnenland en langs een bevaarbare waterloop waar de goederen bedoeld in paragraaf 2 zonder verdere overslag worden ontvangen of geladen om naar havenfaciliteiten via binnenschepen te worden vervoerd of tijdelijk worden opgeslagen.
§ 2. Deze afdeling is van toepassing op containers of voedsel verpakt als stukgoed of in bulk.
De koning kan de lijst van goederen bedoeld in het eerste lid uitbreiden na advies van de NAMB.]1
Art.2.5.2.46/2. [1 Champ d'application
§ 1er. La présente section s'applique:
1° aux bateaux de navigation intérieure transportant les marchandises visées au paragraphe 2, en provenance ou à destination d'une installation portuaire;
2° aux terminaux intérieurs et situés le long d'une voie d'eau navigable où les marchandises visées au paragraphe 2 sont reçues ou chargées sans autre transbordement en vue de leur transport vers des installations portuaires par des bateaux de navigation intérieure ou de leur entreposage temporaire.
§ 2. La présente section s'applique aux conteneurs, aux denrées alimentaires en vrac ou isolées.
Le Roi peut étendre la liste des marchandises visées à l'alinéa 1er après avis de l'ANSM.]1
§ 1er. La présente section s'applique:
1° aux bateaux de navigation intérieure transportant les marchandises visées au paragraphe 2, en provenance ou à destination d'une installation portuaire;
2° aux terminaux intérieurs et situés le long d'une voie d'eau navigable où les marchandises visées au paragraphe 2 sont reçues ou chargées sans autre transbordement en vue de leur transport vers des installations portuaires par des bateaux de navigation intérieure ou de leur entreposage temporaire.
§ 2. La présente section s'applique aux conteneurs, aux denrées alimentaires en vrac ou isolées.
Le Roi peut étendre la liste des marchandises visées à l'alinéa 1er après avis de l'ANSM.]1
Art.2.5.2.46/3. [1 Samenhang met artikel 2.5.2.28
Een terminal gelegen in het binnenland die voldoet aan de voorwaarden van deze afdeling, kan zeeschepen ontvangen onder de voorwaarden omschreven in artikel 2.5.2.28. Zodra een terminal gelegen in het binnenland meer dan 10 zeeschepen per jaar of andere goederen dan vermeld in artikel 2.5.2.28 ontvangt, moet de terminal gelegen in het binnenland voldoen aan de voorwaarden opgelegd aan een havenfaciliteit.]1
Een terminal gelegen in het binnenland die voldoet aan de voorwaarden van deze afdeling, kan zeeschepen ontvangen onder de voorwaarden omschreven in artikel 2.5.2.28. Zodra een terminal gelegen in het binnenland meer dan 10 zeeschepen per jaar of andere goederen dan vermeld in artikel 2.5.2.28 ontvangt, moet de terminal gelegen in het binnenland voldoen aan de voorwaarden opgelegd aan een havenfaciliteit.]1
Art.2.5.2.46/3. [1 Lien avec l'article 2.5.2.28
Un terminal intérieur répondant aux conditions de la présente section peut accueillir des navires de mer aux conditions décrites à l'article 2.5.2.28. Dès qu'un terminal intérieur accueille plus de 10 navires de mer par an ou des marchandises autres que celles mentionnées à l'article 2.5.2.28, il doit respecter les conditions imposées à une installation portuaire.]1
Un terminal intérieur répondant aux conditions de la présente section peut accueillir des navires de mer aux conditions décrites à l'article 2.5.2.28. Dès qu'un terminal intérieur accueille plus de 10 navires de mer par an ou des marchandises autres que celles mentionnées à l'article 2.5.2.28, il doit respecter les conditions imposées à une installation portuaire.]1
Art.2.5.2.46/4. [1 Uitvoering van de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland
Het LCMB in wiens gebied de terminal gelegen in het binnenland zich bevindt, stelt een beveiligingsbeoordeling hiervan op, overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning op advies van de NAMB.
De mogelijkheid om een beveiligingsbeoordeling meer dan één terminal gelegen in het binnenland te laten omvatten, kan enkel worden toegestaan na uitdrukkelijk voorafgaandelijk akkoord van de NAMB.]1
Het LCMB in wiens gebied de terminal gelegen in het binnenland zich bevindt, stelt een beveiligingsbeoordeling hiervan op, overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning op advies van de NAMB.
De mogelijkheid om een beveiligingsbeoordeling meer dan één terminal gelegen in het binnenland te laten omvatten, kan enkel worden toegestaan na uitdrukkelijk voorafgaandelijk akkoord van de NAMB.]1
Art.2.5.2.46/4. [1 Mise en oeuvre de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur
Le CLSM dans la zone duquel le terminal intérieur est situé élabore une évaluation de la sûreté du terminal intérieur, conformément aux dispositions fixées par le Roi sur avis de l'ANSM.
La possibilité qu'une évaluation de la sûreté couvre plus d'un terminal intérieur ne peut être autorisée qu'avec l'accord exprès préalable de l'ANSM.]1
Le CLSM dans la zone duquel le terminal intérieur est situé élabore une évaluation de la sûreté du terminal intérieur, conformément aux dispositions fixées par le Roi sur avis de l'ANSM.
La possibilité qu'une évaluation de la sûreté couvre plus d'un terminal intérieur ne peut être autorisée qu'avec l'accord exprès préalable de l'ANSM.]1
Art.2.5.2.46/5. [1 Goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland
De NAMB beslist binnen de dertig dagen nadat het LCMB de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland heeft overgemaakt aan de NAMB of deze wordt goedgekeurd of dat bijkomende actie vereist is.]1
De NAMB beslist binnen de dertig dagen nadat het LCMB de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland heeft overgemaakt aan de NAMB of deze wordt goedgekeurd of dat bijkomende actie vereist is.]1
Art.2.5.2.46/5. [1 Approbation de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur
L'ANSM décide dans les trente jours à compter de la transmission par le CLSM de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur à l'ANSM, si cette évaluation est approuvée ou si des actions supplémentaires sont requises.]1
L'ANSM décide dans les trente jours à compter de la transmission par le CLSM de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur à l'ANSM, si cette évaluation est approuvée ou si des actions supplémentaires sont requises.]1
Art.2.5.2.46/6. [1 Geldigheidsduur van de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland
Elke beveiligingsbeoordeling van een terminal gelegen in het binnenland wordt minste eenmaal om de vijf jaar door het LCMB herzien.
Een beveiligingsbeoordeling van een terminal gelegen in het binnenland kan na de goedkeuring gedurende drie maanden gebruikt worden voor het opstellen van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland. Indien het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland niet binnen deze termijn is opgesteld of het plan vernieuwd moet worden, is een nieuwe beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland vereist.
Het tweede lid is niet van toepassing indien het beveiligingsplan van terminal gelegen in het binnenland gewijzigd wordt overeenkomstig artikel 2.5.2.46/10, tweede lid.]1
Elke beveiligingsbeoordeling van een terminal gelegen in het binnenland wordt minste eenmaal om de vijf jaar door het LCMB herzien.
Een beveiligingsbeoordeling van een terminal gelegen in het binnenland kan na de goedkeuring gedurende drie maanden gebruikt worden voor het opstellen van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland. Indien het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland niet binnen deze termijn is opgesteld of het plan vernieuwd moet worden, is een nieuwe beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland vereist.
Het tweede lid is niet van toepassing indien het beveiligingsplan van terminal gelegen in het binnenland gewijzigd wordt overeenkomstig artikel 2.5.2.46/10, tweede lid.]1
Art.2.5.2.46/6. [1 Durée de validité de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur
Chaque évaluation de la sûreté d'un terminal intérieur doit être revue par le CLSM au moins une fois tous les cinq ans.
Une évaluation de la sûreté d'un terminal intérieur peut être utilisée pendant trois mois après son approbation pour l'élaboration du plan de sûreté du terminal intérieur. Si le plan de sûreté du terminal intérieur n'est pas élaboré pendant cette période, ou si le plan doit être renouvelé, une nouvelle évaluation de la sûreté du terminal intérieur est nécessaire.
L'alinéa 2 ne s'applique pas lorsque le plan de sûreté du terminal intérieur est modifié conformément à l'article 2.5.2.46/10, alinéa 2.]1
Chaque évaluation de la sûreté d'un terminal intérieur doit être revue par le CLSM au moins une fois tous les cinq ans.
Une évaluation de la sûreté d'un terminal intérieur peut être utilisée pendant trois mois après son approbation pour l'élaboration du plan de sûreté du terminal intérieur. Si le plan de sûreté du terminal intérieur n'est pas élaboré pendant cette période, ou si le plan doit être renouvelé, une nouvelle évaluation de la sûreté du terminal intérieur est nécessaire.
L'alinéa 2 ne s'applique pas lorsque le plan de sûreté du terminal intérieur est modifié conformément à l'article 2.5.2.46/10, alinéa 2.]1
Art.2.5.2.46/7. [1 BFSO
Elke onderneming die een terminal gelegen in het binnenland exploiteert stelt een verantwoordelijk voor de beveiliging aan, hierna BFSO, en tenminste een plaatsvervanger aan, waarop de bepalingen van artikel 2.5.2.33 en 2.5.2.39 van toepassing zijn.]1
Elke onderneming die een terminal gelegen in het binnenland exploiteert stelt een verantwoordelijk voor de beveiliging aan, hierna BFSO, en tenminste een plaatsvervanger aan, waarop de bepalingen van artikel 2.5.2.33 en 2.5.2.39 van toepassing zijn.]1
Art.2.5.2.46/7. [1 BFSO
Chaque entreprise qui exploite un terminal intérieur nomme un responsable de la sûreté, appelé ci-après BFSO, et au moins un suppléant, auxquels s'appliquent les dispositions des articles 2.5.2.33 et 2.5.2.39.]1
Chaque entreprise qui exploite un terminal intérieur nomme un responsable de la sûreté, appelé ci-après BFSO, et au moins un suppléant, auxquels s'appliquent les dispositions des articles 2.5.2.33 et 2.5.2.39.]1
Art.2.5.2.46/8. [1 Opstellen van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland
De onderneming die de terminal gelegen in het binnenland exploiteert, stelt het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland op.
Het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland moet opgesteld worden overeenkomstig de door de Koning vastgestelde normen op advies van de NAMB.]1
De onderneming die de terminal gelegen in het binnenland exploiteert, stelt het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland op.
Het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland moet opgesteld worden overeenkomstig de door de Koning vastgestelde normen op advies van de NAMB.]1
Art.2.5.2.46/8. [1 Elaboration du plan de sûreté du terminal intérieur
L'entreprise qui exploite le terminal intérieur élabore le plan de sûreté du terminal intérieur.
Le plan de sûreté du terminal intérieur doit être élaboré conformément aux normes fixées par le Roi sur avis de l'ANSM.]1
L'entreprise qui exploite le terminal intérieur élabore le plan de sûreté du terminal intérieur.
Le plan de sûreté du terminal intérieur doit être élaboré conformément aux normes fixées par le Roi sur avis de l'ANSM.]1
Art.2.5.2.46/9. [1 Goedkeuring van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland
De BFSO legt het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland voor aan het betrokken LCMB ter goedkeuring binnen de drie maanden na de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland. Binnen de dertig dagen geeft het betrokken LCMB een gemotiveerd advies aan de NAMB. De NAMB beslist binnen de dertig dagen over goedkeuring van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland.
De goedkeuring geldt voor vijf jaar waarna een nieuw beveiligingsplan moet worden opgesteld op grond van een vernieuwde beveiligingsbeoordeling.]1
De BFSO legt het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland voor aan het betrokken LCMB ter goedkeuring binnen de drie maanden na de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland. Binnen de dertig dagen geeft het betrokken LCMB een gemotiveerd advies aan de NAMB. De NAMB beslist binnen de dertig dagen over goedkeuring van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland.
De goedkeuring geldt voor vijf jaar waarna een nieuw beveiligingsplan moet worden opgesteld op grond van een vernieuwde beveiligingsbeoordeling.]1
Art.2.5.2.46/9. [1 Approbation du plan de sûreté du terminal intérieur
Le BFSO soumet le plan de sûreté du terminal intérieur à l'approbation du CLSM concerné dans les trois mois suivant l'approbation de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur. Dans les trente jours, le CLSM concerné donne un avis motivé à l'ANSM. L'ANSM décide de l'approbation du plan de sûreté du terminal intérieur dans les trente jours.
L'approbation est valable cinq ans, après quoi un nouveau plan de sûreté doit être élaboré sur la base d'une nouvelle évaluation de la sûreté.]1
Le BFSO soumet le plan de sûreté du terminal intérieur à l'approbation du CLSM concerné dans les trois mois suivant l'approbation de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur. Dans les trente jours, le CLSM concerné donne un avis motivé à l'ANSM. L'ANSM décide de l'approbation du plan de sûreté du terminal intérieur dans les trente jours.
L'approbation est valable cinq ans, après quoi un nouveau plan de sûreté doit être élaboré sur la base d'une nouvelle évaluation de la sûreté.]1
Art.2.5.2.46/10. [1 Wijziging van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland
Elke substantiële wijziging moet ook aan het betrokken LCMB en de NAMB worden voorgelegd ter goedkeuring. De Koning bepaalt, op advies van de NAMB, wat als substantiële wijziging dient te worden beschouwd. De geldigheidsduur bepaald overeenkomstig artikel 2.5.2.46/9, tweede lid, blijft onveranderd bij de goedkeuring van een substantiële wijziging.
Bij tijdelijke evenementen of voorvallen, kan de NAMB, op advies van het LCMB, het beveiligingsplan aanpassen voor de duur van het evenement of voorval.]1
Elke substantiële wijziging moet ook aan het betrokken LCMB en de NAMB worden voorgelegd ter goedkeuring. De Koning bepaalt, op advies van de NAMB, wat als substantiële wijziging dient te worden beschouwd. De geldigheidsduur bepaald overeenkomstig artikel 2.5.2.46/9, tweede lid, blijft onveranderd bij de goedkeuring van een substantiële wijziging.
Bij tijdelijke evenementen of voorvallen, kan de NAMB, op advies van het LCMB, het beveiligingsplan aanpassen voor de duur van het evenement of voorval.]1
Art.2.5.2.46/10. [1 Modification du plan de sûreté du terminal intérieur
Toute modification substantielle doit également être soumise au CLSM concerné et à l'ANSM pour approbation. Le Roi détermine, sur l'avis de l'ANSM, ce qui doit être considéré comme une modification substantielle. La durée de validité déterminée conformément à l'article 2.5.2.46/9, alinéa 2, reste inchangée lors de l'approbation d'une modification substantielle.
Dans le cas d'événements ou d'incidents temporaires, l'ANSM peut, sur l'avis du CLSM, adapter le plan de sûreté pour la durée de l'événement ou de l'incident.]1
Toute modification substantielle doit également être soumise au CLSM concerné et à l'ANSM pour approbation. Le Roi détermine, sur l'avis de l'ANSM, ce qui doit être considéré comme une modification substantielle. La durée de validité déterminée conformément à l'article 2.5.2.46/9, alinéa 2, reste inchangée lors de l'approbation d'une modification substantielle.
Dans le cas d'événements ou d'incidents temporaires, l'ANSM peut, sur l'avis du CLSM, adapter le plan de sûreté pour la durée de l'événement ou de l'incident.]1
Art.2.5.2.46/11. [1 Intrekking van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland
§ 1. Het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland kan door de NAMB worden ingetrokken ingeval:
1° de beveiliging in de terminal gelegen in het binnenland niet meer gegarandeerd kan worden met het goedgekeurde beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland;
2° de onderneming die de terminal gelegen in het binnenland exploiteert heeft gehandeld in strijd met beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland, dit hoofdstuk of zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de onderneming die de terminal gelegen in het binnenland exploiteert geen gevolg geeft aan de in artikel 2.5.2.46/12 bedoelde instructies.
De intrekking kan enkel geheel zijn.
§ 2. Beroep tegen de intrekking kan worden ingesteld bij de minister binnen de tien dagen nadat de beslissing ter kennis werd gebracht.
De minister neemt binnen de dertig dagen een beslissing, na de exploitant van de terminal gelegen in het binnenland en de NAMB gehoord te hebben.
Het beroep schorst de beslissing niet.]1
§ 1. Het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland kan door de NAMB worden ingetrokken ingeval:
1° de beveiliging in de terminal gelegen in het binnenland niet meer gegarandeerd kan worden met het goedgekeurde beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland;
2° de onderneming die de terminal gelegen in het binnenland exploiteert heeft gehandeld in strijd met beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland, dit hoofdstuk of zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de onderneming die de terminal gelegen in het binnenland exploiteert geen gevolg geeft aan de in artikel 2.5.2.46/12 bedoelde instructies.
De intrekking kan enkel geheel zijn.
§ 2. Beroep tegen de intrekking kan worden ingesteld bij de minister binnen de tien dagen nadat de beslissing ter kennis werd gebracht.
De minister neemt binnen de dertig dagen een beslissing, na de exploitant van de terminal gelegen in het binnenland en de NAMB gehoord te hebben.
Het beroep schorst de beslissing niet.]1
Art.2.5.2.46/11. [1 Retrait du plan de sûreté du terminal intérieur
§ 1er. Le plan de sûreté du terminal intérieur peut être retiré par l'ANSM dans le cas où:
1° la sûreté du terminal intérieur ne peut plus être garantie avec le plan de sûreté du terminal intérieur approuvé;
2° l'entreprise qui exploite le terminal intérieur a agi en violation du plan de sûreté du terminal intérieur, du présent chapitre ou de ses arrêtés d'exécution;
3° l'entreprise qui exploite le terminal intérieur ne suit pas les instructions visées à l'article 2.5.2.46/12.
Le retrait ne peut être que total.
§ 2. Un recours contre le retrait peut être introduit auprès du ministre dans les dix jours après la notification de la décision.
Le ministre prend une décision dans les trente jours, après avoir entendu l'exploitant du terminal intérieur et l'ANSM.
Le recours ne suspend pas la décision.]1
§ 1er. Le plan de sûreté du terminal intérieur peut être retiré par l'ANSM dans le cas où:
1° la sûreté du terminal intérieur ne peut plus être garantie avec le plan de sûreté du terminal intérieur approuvé;
2° l'entreprise qui exploite le terminal intérieur a agi en violation du plan de sûreté du terminal intérieur, du présent chapitre ou de ses arrêtés d'exécution;
3° l'entreprise qui exploite le terminal intérieur ne suit pas les instructions visées à l'article 2.5.2.46/12.
Le retrait ne peut être que total.
§ 2. Un recours contre le retrait peut être introduit auprès du ministre dans les dix jours après la notification de la décision.
Le ministre prend une décision dans les trente jours, après avoir entendu l'exploitant du terminal intérieur et l'ANSM.
Le recours ne suspend pas la décision.]1
Art.2.5.2.46/12. [1 Tussentijdse evaluaties
§ 1. Het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland wordt door het LCMB geëvalueerd:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de goedkeuring;
2° indien de beveiliging van de terminal gelegen in het binnenland door één of meer ongeoorloofde acties niet meer kan gegarandeerd worden of er een vermoeden is dat deze niet meer gegarandeerd kan worden.
§ 2. Het LCMB maakt de evaluatie over aan de NAMB die op basis van deze evaluatie:
1° termijnen kan vaststellen waarbinnen een aanpassing van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland moet worden ingediend overeenkomstig artikel 2.5.2.46/10;
2° het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland geheel kan intrekken overeenkomstig artikel 2.5.2.47/11;
3° het LCMB een nieuwe beveiligingsbeoordeling kan laten uitvoeren.]1
§ 1. Het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland wordt door het LCMB geëvalueerd:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de goedkeuring;
2° indien de beveiliging van de terminal gelegen in het binnenland door één of meer ongeoorloofde acties niet meer kan gegarandeerd worden of er een vermoeden is dat deze niet meer gegarandeerd kan worden.
§ 2. Het LCMB maakt de evaluatie over aan de NAMB die op basis van deze evaluatie:
1° termijnen kan vaststellen waarbinnen een aanpassing van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland moet worden ingediend overeenkomstig artikel 2.5.2.46/10;
2° het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland geheel kan intrekken overeenkomstig artikel 2.5.2.47/11;
3° het LCMB een nieuwe beveiligingsbeoordeling kan laten uitvoeren.]1
Art.2.5.2.46/12. [1 Evaluations intermédiaires
§ 1er. Le plan de sûreté du terminal intérieur est évalué par le CLSM:
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après l'approbation;
2° si la sûreté du terminal intérieur ne peut plus être garantie en raison d'une ou plusieurs actions illicites ou s'il existe un soupçon qu'elle ne peut plus être garantie.
§ 2. Le CLSM transmet l'évaluation à l'ANSM qui, sur la base de cette évaluation, peut:
1° fixer les délais dans lesquels une adaptation du plan de sûreté du terminal intérieur doit être soumise conformément à l'article 2.5.2.46/10;
2° retirer le plan de sûreté du terminal intérieur totalement, conformément à l'article 2.5.2.47/11;
3° faire procéder à une nouvelle évaluation de la sûreté par le CLSM.]1
§ 1er. Le plan de sûreté du terminal intérieur est évalué par le CLSM:
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après l'approbation;
2° si la sûreté du terminal intérieur ne peut plus être garantie en raison d'une ou plusieurs actions illicites ou s'il existe un soupçon qu'elle ne peut plus être garantie.
§ 2. Le CLSM transmet l'évaluation à l'ANSM qui, sur la base de cette évaluation, peut:
1° fixer les délais dans lesquels une adaptation du plan de sûreté du terminal intérieur doit être soumise conformément à l'article 2.5.2.46/10;
2° retirer le plan de sûreté du terminal intérieur totalement, conformément à l'article 2.5.2.47/11;
3° faire procéder à une nouvelle évaluation de la sûreté par le CLSM.]1
Art.2.5.2.46/13. [1 Oefening
Het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar getest door middel van een oefening waarvan de vereisten worden vastgelegd door de Koning.
De terminal gelegen in het binnenland bezorgt het verslag uiterlijk één maand na de oefeningen bedoeld in het eerste lid.]1
Het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar getest door middel van een oefening waarvan de vereisten worden vastgelegd door de Koning.
De terminal gelegen in het binnenland bezorgt het verslag uiterlijk één maand na de oefeningen bedoeld in het eerste lid.]1
Art.2.5.2.46/13. [1 Exercice
Le plan de sûreté du terminal intérieur est testé au moins une fois par année civile au moyen d'un exercice dont les exigences sont fixées par le Roi.
Le terminal intérieur en remet le rapport au plus tard un mois après les exercices visés à l'alinéa 1er.]1
Le plan de sûreté du terminal intérieur est testé au moins une fois par année civile au moyen d'un exercice dont les exigences sont fixées par le Roi.
Le terminal intérieur en remet le rapport au plus tard un mois après les exercices visés à l'alinéa 1er.]1
Art.2.5.2.46/14. [1 Verklaring van Goedkeuring
De NAMB reikt aan elke terminal gelegen in het binnenland waarvan het beveiligingsplan werd goedgekeurd een Verklaring van Goedkeuring uit.
De Verklaring van Goedkeuring bevat de volgende gegevens:
1° de terminal gelegen in het binnenland;
2° het feit dat de terminal gelegen in het binnenland voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de geldigheidstermijn van de Verklaring van Goedkeuring is maximaal vijf jaar en kan nooit langer zijn dan de geldigheidsduur van het beveiligingsplan.]1
De NAMB reikt aan elke terminal gelegen in het binnenland waarvan het beveiligingsplan werd goedgekeurd een Verklaring van Goedkeuring uit.
De Verklaring van Goedkeuring bevat de volgende gegevens:
1° de terminal gelegen in het binnenland;
2° het feit dat de terminal gelegen in het binnenland voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de geldigheidstermijn van de Verklaring van Goedkeuring is maximaal vijf jaar en kan nooit langer zijn dan de geldigheidsduur van het beveiligingsplan.]1
Art.2.5.2.46/14. [1 Déclaration d'approbation
L'ANSM délivre une Déclaration d'approbation à chaque terminal intérieur dont le plan de sûreté a été approuvé.
La Déclaration d'approbation contient les données suivantes:
1° le terminal intérieur;
2° le fait que le terminal intérieur satisfait aux dispositions du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution;
3° la durée de validité de la Déclaration d'approbation est de cinq ans maximum et ne peut jamais dépasser la durée de validité du plan de sûreté.]1
L'ANSM délivre une Déclaration d'approbation à chaque terminal intérieur dont le plan de sûreté a été approuvé.
La Déclaration d'approbation contient les données suivantes:
1° le terminal intérieur;
2° le fait que le terminal intérieur satisfait aux dispositions du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution;
3° la durée de validité de la Déclaration d'approbation est de cinq ans maximum et ne peut jamais dépasser la durée de validité du plan de sûreté.]1
Art.2.5.2.46/15. [1 Verplichtingen voor de binnenschepen
Binnenschepen die de goederen bedoeld in artikel 2.5.2.46/2, § 2, van of naar een havenfaciliteit vervoeren moeten:
1° ten alle tijden het AIS-systeem waarvan de technische kenmerken door het bevoegde gewest worden vastgesteld, geactiveerd houden;
2° de lijst van opvarenden actueel houden en ter beschikking stellen van de inspectiediensten en de PFSO en de BFSO.
De verplichtingen in het eerste lid gelden ook voor het transport naar of vanuit het buitenland zodra het vaartuig zich op de Belgische waterwegen bevindt.]1
Binnenschepen die de goederen bedoeld in artikel 2.5.2.46/2, § 2, van of naar een havenfaciliteit vervoeren moeten:
1° ten alle tijden het AIS-systeem waarvan de technische kenmerken door het bevoegde gewest worden vastgesteld, geactiveerd houden;
2° de lijst van opvarenden actueel houden en ter beschikking stellen van de inspectiediensten en de PFSO en de BFSO.
De verplichtingen in het eerste lid gelden ook voor het transport naar of vanuit het buitenland zodra het vaartuig zich op de Belgische waterwegen bevindt.]1
Art.2.5.2.46/15. [1 Obligations pour les bateaux de navigation intérieure
Les bateaux de navigation intérieure transportant les marchandises visées à l'article 2.5.2.46/2, § 2, en provenance ou à destination d'une installation portuaire doivent:
1° maintenir en permanence activé le système AIS dont les caractéristiques techniques sont déterminées par la Région compétente;
2° tenir à jour la liste des personnes embarquées et la mettre à la disposition des services d'inspection, du PFSO et du BFSO.
Les obligations mentionnées à l'alinéa 1er s'appliquent également au transport à destination ou en provenance de l'étranger lorsque le bateau se trouve sur les voies navigables belges.]1
Les bateaux de navigation intérieure transportant les marchandises visées à l'article 2.5.2.46/2, § 2, en provenance ou à destination d'une installation portuaire doivent:
1° maintenir en permanence activé le système AIS dont les caractéristiques techniques sont déterminées par la Région compétente;
2° tenir à jour la liste des personnes embarquées et la mettre à la disposition des services d'inspection, du PFSO et du BFSO.
Les obligations mentionnées à l'alinéa 1er s'appliquent également au transport à destination ou en provenance de l'étranger lorsque le bateau se trouve sur les voies navigables belges.]1
Art.2.5.2.46/16. [1 Onderrichtingen door de NAMB
De NAMB kan onderrichtingen geven aan de terminals gelegen in het binnenland voor de punten bedoeld in artikel 2.5.2.44.
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in het eerste lid bekrachtigen, waardoor deze van dwingend recht worden.]1
De NAMB kan onderrichtingen geven aan de terminals gelegen in het binnenland voor de punten bedoeld in artikel 2.5.2.44.
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in het eerste lid bekrachtigen, waardoor deze van dwingend recht worden.]1
Art.2.5.2.46/16. [1 Instructions de l'ANSM
L'ANSM peut donner des instructions aux terminaux intérieurs pour les points visés à l'article 2.5.2.44.
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'alinéa 1er, les rendant ainsi obligatoires.]1
L'ANSM peut donner des instructions aux terminaux intérieurs pour les points visés à l'article 2.5.2.44.
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'alinéa 1er, les rendant ainsi obligatoires.]1
Afdeling 4/2. [1 - Beveiliging van de vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging]1
Section 4/2. [1 - Sûreté des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]1
Art.2.5.2.46/17. [1 Toepassingsgebied
Deze afdeling is van toepassing op vestigingseenheden die door hun werkzaamheden of ligging een impact kunnen hebben op de fysieke of digitale beveiliging van een haven, een havenfaciliteit of een terminal gelegen in het binnenland, evenals op Belgische schepen.
Het is niet noodzakelijk dat vanop deze vestigingseenheden maritieme activiteiten worden ontplooid.]1
Deze afdeling is van toepassing op vestigingseenheden die door hun werkzaamheden of ligging een impact kunnen hebben op de fysieke of digitale beveiliging van een haven, een havenfaciliteit of een terminal gelegen in het binnenland, evenals op Belgische schepen.
Het is niet noodzakelijk dat vanop deze vestigingseenheden maritieme activiteiten worden ontplooid.]1
Art.2.5.2.46/17. [1 Champ d'application
La présente section s'applique aux unités d'établissement qui, en raison de leur activités ou de leur localisation, sont susceptibles d'avoir un impact sur la sûreté physique ou numérique d'un port, d'une installation portuaire ou d'un terminal intérieur, ainsi qu'aux navires belges.
Il n'est pas nécessaire que des activités maritimes soient exercées à partir de ces unités d'établissement.]1
La présente section s'applique aux unités d'établissement qui, en raison de leur activités ou de leur localisation, sont susceptibles d'avoir un impact sur la sûreté physique ou numérique d'un port, d'une installation portuaire ou d'un terminal intérieur, ainsi qu'aux navires belges.
Il n'est pas nécessaire que des activités maritimes soient exercées à partir de ces unités d'établissement.]1
Art.2.5.2.46/18. [1 Aanduiding
§ 1. Op advies van een LCMB of de Cel Maritieme Beveiliging evalueert de NAMB of een vestigingseenheid een impact heeft op de maritieme beveiliging. Indien de NAMB van oordeel is dat er een impact is, wordt de exploitant van de vestigingseenheid hiervan ingelicht waarbij deze beschikt over een termijn van dertig dagen om eventuele opmerkingen over te maken.
Op basis van het evaluatierapport van de NAMB en de opmerkingen van de exploitant kan de koning, na advies van de NAMB, de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging aanduiden.
Deze aanduiding geldt voor een termijn van 5 jaar, waarna deze verlengd kan worden na evaluatie door de NAMB en advies van het LCMB of de Cel Maritieme Beveiliging.
§ 2. Indien de exploitant van oordeel is dat zijn vestigingseenheid niet langer een impact heeft op de maritieme beveiliging, kan de exploitant de NAMB verzoeken om een evaluatie te maken. Na advies van het LCMB of de Cel Maritieme Beveiliging evalueert de NAMB of de vestigingseenheid al dan niet nog een impact heeft op de maritieme beveiliging.
De koning kan de aanduiding van de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging intrekken.]1
§ 1. Op advies van een LCMB of de Cel Maritieme Beveiliging evalueert de NAMB of een vestigingseenheid een impact heeft op de maritieme beveiliging. Indien de NAMB van oordeel is dat er een impact is, wordt de exploitant van de vestigingseenheid hiervan ingelicht waarbij deze beschikt over een termijn van dertig dagen om eventuele opmerkingen over te maken.
Op basis van het evaluatierapport van de NAMB en de opmerkingen van de exploitant kan de koning, na advies van de NAMB, de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging aanduiden.
Deze aanduiding geldt voor een termijn van 5 jaar, waarna deze verlengd kan worden na evaluatie door de NAMB en advies van het LCMB of de Cel Maritieme Beveiliging.
§ 2. Indien de exploitant van oordeel is dat zijn vestigingseenheid niet langer een impact heeft op de maritieme beveiliging, kan de exploitant de NAMB verzoeken om een evaluatie te maken. Na advies van het LCMB of de Cel Maritieme Beveiliging evalueert de NAMB of de vestigingseenheid al dan niet nog een impact heeft op de maritieme beveiliging.
De koning kan de aanduiding van de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging intrekken.]1
Art.2.5.2.46/18. [1 Désignation
§ 1er. Sur l'avis d'un CLSM ou de la Cellule de la Sûreté maritime, l'ANSM évalue si une unité d'établissement a un impact sur la sûreté maritime. Si l'ANSM considère qu'il y existe un impact, l'exploitant de l'unité d'établissement sera informé en conséquence et disposera d'une période de 30 jours pour soumettre ses commentaires éventuels.
Sur la base du rapport d'évaluation de l'ANSM et des commentaires de l'opérateur, après avis de l'ANSM, le roi peut désigner l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime.
Cette désignation est valable pour une durée de 5 ans, après quoi elle peut être renouvelée après évaluation par l'ANSM et sur avis du CLSM ou de la Cellule de la Sûreté maritime.
§ 2. Si l'exploitant estime que son unité d'établissement n'a plus d'impact sur la sûreté maritime, il peut demander à l'ANSM de procéder à une évaluation. Après avis du CLSM ou de la Cellule de la Sûreté maritime, l'ANSM évalue si l'unité d'établissement a toujours un impact sur la sûreté maritime.
Le roi peut révoquer la désignation de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sécurité maritime.]1
§ 1er. Sur l'avis d'un CLSM ou de la Cellule de la Sûreté maritime, l'ANSM évalue si une unité d'établissement a un impact sur la sûreté maritime. Si l'ANSM considère qu'il y existe un impact, l'exploitant de l'unité d'établissement sera informé en conséquence et disposera d'une période de 30 jours pour soumettre ses commentaires éventuels.
Sur la base du rapport d'évaluation de l'ANSM et des commentaires de l'opérateur, après avis de l'ANSM, le roi peut désigner l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime.
Cette désignation est valable pour une durée de 5 ans, après quoi elle peut être renouvelée après évaluation par l'ANSM et sur avis du CLSM ou de la Cellule de la Sûreté maritime.
§ 2. Si l'exploitant estime que son unité d'établissement n'a plus d'impact sur la sûreté maritime, il peut demander à l'ANSM de procéder à une évaluation. Après avis du CLSM ou de la Cellule de la Sûreté maritime, l'ANSM évalue si l'unité d'établissement a toujours un impact sur la sûreté maritime.
Le roi peut révoquer la désignation de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sécurité maritime.]1
Art.2.5.2.46/19. [1 Doelstellingen
Een vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging moet ervoor zorgen dat:
1° onbevoegden geen toegang kunnen hebben tot die delen van de vestigingseenheid die de maritieme beveiliging kunnen bedreigen;
2° de informatica- en netwerksystemen op dermate wijze worden beveiligd dat onbevoegden geen toegang hebben tot de data die de maritieme beveiliging kan bedreigen.
De koning kan bij een Ministerraad overlegd besluit, na advies van de NAMB, bijkomende doelstellingen opleggen aan vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging.]1
Een vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging moet ervoor zorgen dat:
1° onbevoegden geen toegang kunnen hebben tot die delen van de vestigingseenheid die de maritieme beveiliging kunnen bedreigen;
2° de informatica- en netwerksystemen op dermate wijze worden beveiligd dat onbevoegden geen toegang hebben tot de data die de maritieme beveiliging kan bedreigen.
De koning kan bij een Ministerraad overlegd besluit, na advies van de NAMB, bijkomende doelstellingen opleggen aan vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging.]1
Art.2.5.2.46/19. [1 Objectifs
Une unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime doit s'assurer que:
1° les personnes non autorisées ne puissent avoir accès aux parties de l'unité d'établissement susceptibles de menacer la sûreté maritime;
2° les systèmes informatiques et de réseau soient sécurisés de manière à ce que les personnes non autorisées ne puissent accéder aux données susceptibles de menacer la sûreté maritime.
Le roi peut imposer des objectifs supplémentaires aux unités d'établissement ayant un impact sur la sécurité maritime par arrêté délibéré en conseil des ministres, après avis de l'ANSM.]1
Une unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime doit s'assurer que:
1° les personnes non autorisées ne puissent avoir accès aux parties de l'unité d'établissement susceptibles de menacer la sûreté maritime;
2° les systèmes informatiques et de réseau soient sécurisés de manière à ce que les personnes non autorisées ne puissent accéder aux données susceptibles de menacer la sûreté maritime.
Le roi peut imposer des objectifs supplémentaires aux unités d'établissement ayant un impact sur la sécurité maritime par arrêté délibéré en conseil des ministres, après avis de l'ANSM.]1
Art.2.5.2.46/20. [1 Beveiligingsplan
Om de doelstellingen in artikel 2.5.2.46/19 te bereiken stelt de exploitant van de vestigingseenheid een beveiligingsplan op dat aan de Cel Maritieme Beveiliging wordt overgemaakt.
De exploitant van de vestigingseenheid kan om de doelstellingen te bereiken gebruik maken van de biometrische gegevens bedoeld in artikel 2.5.2.84, na het uitvoeren van een effectbeoordeling inzake gegevensbescherming, zoals bedoeld in artikel 35 van de AVG.
Aan de hand van inspecties controleert de CMB of het beveiligingsplan voldoende is om de doelstellingen te bereiken. Indien dit niet het geval is kan de Cel Maritieme Beveiliging aan de NAMB voorstellen om bijkomende maatregelen op te leggen aan de vestigingseenheid.]1
Om de doelstellingen in artikel 2.5.2.46/19 te bereiken stelt de exploitant van de vestigingseenheid een beveiligingsplan op dat aan de Cel Maritieme Beveiliging wordt overgemaakt.
De exploitant van de vestigingseenheid kan om de doelstellingen te bereiken gebruik maken van de biometrische gegevens bedoeld in artikel 2.5.2.84, na het uitvoeren van een effectbeoordeling inzake gegevensbescherming, zoals bedoeld in artikel 35 van de AVG.
Aan de hand van inspecties controleert de CMB of het beveiligingsplan voldoende is om de doelstellingen te bereiken. Indien dit niet het geval is kan de Cel Maritieme Beveiliging aan de NAMB voorstellen om bijkomende maatregelen op te leggen aan de vestigingseenheid.]1
Art.2.5.2.46/20. [1 Plan de sûreté
Pour atteindre les objectifs visés à l'article 2.5.46/19, l'exploitant de l'unité d'établissement élabore un plan de sûreté qui est transmis à la Cellule de la Sûreté maritime.
Pour atteindre les objectifs, l'exploitant de l'unité d'établissement peut utiliser les données biométriques visées à l'article 2.5.2.84 après avoir effectué une analyse d'impact relative à la protection des données, visée à l'article 35 du RGPD.
La CSM contrôle via des inspections si le plan de sûreté est suffisant pour atteindre les objectifs. Si tel n'est pas le cas, la Cellule de la Sûreté maritime peut proposer à l'ANSM d'imposer des mesures supplémentaires à l'unité d'établissement.]1
Pour atteindre les objectifs visés à l'article 2.5.46/19, l'exploitant de l'unité d'établissement élabore un plan de sûreté qui est transmis à la Cellule de la Sûreté maritime.
Pour atteindre les objectifs, l'exploitant de l'unité d'établissement peut utiliser les données biométriques visées à l'article 2.5.2.84 après avoir effectué une analyse d'impact relative à la protection des données, visée à l'article 35 du RGPD.
La CSM contrôle via des inspections si le plan de sûreté est suffisant pour atteindre les objectifs. Si tel n'est pas le cas, la Cellule de la Sûreté maritime peut proposer à l'ANSM d'imposer des mesures supplémentaires à l'unité d'établissement.]1
Art.2.5.2.46/21. [1 Beroep
Beroep tegen de maatregelen vastgesteld door de NAMB, kan worden ingesteld bij de minister binnen de dertig dagen nadat de maatregelen per aangetekend schrijven ter kennis werden gebracht.
De minister neemt binnen de dertig dagen een beslissing, na de exploitant van de vestigingseenheid en de NAMB gehoord te hebben.]1
Beroep tegen de maatregelen vastgesteld door de NAMB, kan worden ingesteld bij de minister binnen de dertig dagen nadat de maatregelen per aangetekend schrijven ter kennis werden gebracht.
De minister neemt binnen de dertig dagen een beslissing, na de exploitant van de vestigingseenheid en de NAMB gehoord te hebben.]1
Art.2.5.2.46/21. [1 Recours
Un recours contre les mesures adoptées par l'ANSM, peut être introduit auprès du ministre dans les trente 30 jours à compter de la notification des mesures par courrier recommandé.
Le ministre prend une décision dans les trente jours, après avoir entendu l'exploitant de l'unité d'établissement et l'ANSM.]1
Un recours contre les mesures adoptées par l'ANSM, peut être introduit auprès du ministre dans les trente 30 jours à compter de la notification des mesures par courrier recommandé.
Le ministre prend une décision dans les trente jours, après avoir entendu l'exploitant de l'unité d'établissement et l'ANSM.]1
Art.2.5.2.46/22. [1 Onderrichtingen door de NAMB
De NAMB kan onderrichtingen geven aan de exploitanten van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging voor de punten bedoeld in artikel 2.5.2.44.
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in het eerste lid bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.]1
De NAMB kan onderrichtingen geven aan de exploitanten van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging voor de punten bedoeld in artikel 2.5.2.44.
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in het eerste lid bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.]1
Art.2.5.2.46/22. [1 Instructions de l'ANSM
L'ANSM peut donner des instructions aux exploitants d'unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime pour les points visés à l'article 2.5.2.44.
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'alinéa 1er, les rendant ainsi obligatoires.]1
L'ANSM peut donner des instructions aux exploitants d'unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime pour les points visés à l'article 2.5.2.44.
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'alinéa 1er, les rendant ainsi obligatoires.]1
Afdeling 5. [1 - Beveiliging van vreemde schepen]1
Section 5. [1 - Sûreté des navires étrangers]1
Art. 2.5.2.47. [1 Voorafgaande meldingen
§ 1. De verschaffing van de veiligheidsinlichtingen voorafgaande aan het aandoen van een Belgische haven of havenfaciliteit bedoeld in artikel 6 van de ISPS-Verordening gebeurt door de kapitein van het zeeschip of de aangestelde van de kapitein, binnen de termijnen bedoeld in artikel 6 van de ISPS-Verordening.
Deze melding gebeurt via het ISPS-platform.
§ 2. Het weigeren om de gegevens bedoeld in paragraaf 1 mee te delen heeft van rechtswege de weigering van het zeeschip in een Belgische haven of havenfaciliteit tot gevolg. Deze weigering wordt via het ISPS-Platform meegedeeld aan de verschillende betrokken Belgische overheden. Het MIK deelt deze weigering mee aan het zeeschip.]1
§ 1. De verschaffing van de veiligheidsinlichtingen voorafgaande aan het aandoen van een Belgische haven of havenfaciliteit bedoeld in artikel 6 van de ISPS-Verordening gebeurt door de kapitein van het zeeschip of de aangestelde van de kapitein, binnen de termijnen bedoeld in artikel 6 van de ISPS-Verordening.
Deze melding gebeurt via het ISPS-platform.
§ 2. Het weigeren om de gegevens bedoeld in paragraaf 1 mee te delen heeft van rechtswege de weigering van het zeeschip in een Belgische haven of havenfaciliteit tot gevolg. Deze weigering wordt via het ISPS-Platform meegedeeld aan de verschillende betrokken Belgische overheden. Het MIK deelt deze weigering mee aan het zeeschip.]1
Art.2.5.2.47. [1 Notifications préalables
§ 1er. La fourniture des renseignements en matière de la sûreté préalable au mouillage dans un port ou une installation portuaire belge visée à l'article 6 du Règlement ISPS est effectuée par le capitaine du navire de mer ou son représentant, dans les délais visés à l'article 6 du Règlement ISPS.
Cette notification s'effectue via la plateforme ISPS.
§ 2. Le refus de communiquer les données visées au paragraphe 1er entraîne de plein droit le refus du navire de mer d'entrer dans un port ou une installation portuaire belge. Ce refus est communiqué via la plateforme ISPS aux différentes autorités belges concernées. Le MIK communique ce refus au navire de mer.]1
§ 1er. La fourniture des renseignements en matière de la sûreté préalable au mouillage dans un port ou une installation portuaire belge visée à l'article 6 du Règlement ISPS est effectuée par le capitaine du navire de mer ou son représentant, dans les délais visés à l'article 6 du Règlement ISPS.
Cette notification s'effectue via la plateforme ISPS.
§ 2. Le refus de communiquer les données visées au paragraphe 1er entraîne de plein droit le refus du navire de mer d'entrer dans un port ou une installation portuaire belge. Ce refus est communiqué via la plateforme ISPS aux différentes autorités belges concernées. Le MIK communique ce refus au navire de mer.]1
Art. 2.5.2.48. [1 Vrijstellingen
Geregelde diensten kunnen onder de voorwaarden van artikel 7 van de ISPS-Verordening een vrijstelling verkrijgen van de in artikel 2.5.2.47 bedoelde verschaffing van beveiligingsinlichtingen. De Koning bepaalt de dienst die de vrijstelling verleent en de wijze waarop de vrijstelling wordt verleend.]1
Geregelde diensten kunnen onder de voorwaarden van artikel 7 van de ISPS-Verordening een vrijstelling verkrijgen van de in artikel 2.5.2.47 bedoelde verschaffing van beveiligingsinlichtingen. De Koning bepaalt de dienst die de vrijstelling verleent en de wijze waarop de vrijstelling wordt verleend.]1
Art.2.5.2.48. [1 Exemptions
Les services réguliers peuvent, dans les conditions de l'article 7 du Règlement ISPS, bénéficier d'une exemption de fourniture des renseignements de sûreté visés à l'article 2.5.2.47. Le Roi détermine le service qui accorde l'exemption et la manière dont l'exemption est accordée.]1
Les services réguliers peuvent, dans les conditions de l'article 7 du Règlement ISPS, bénéficier d'une exemption de fourniture des renseignements de sûreté visés à l'article 2.5.2.47. Le Roi détermine le service qui accorde l'exemption et la manière dont l'exemption est accordée.]1
Art. 2.5.2.49. [1 Maatregelen
§ 1. Indien het MIK, de Scheepvaartcontrole of de Cel Maritieme Beveiliging gegronde redenen hebben om aan te nemen dat het zeeschip dat voornemens is om een Belgische haven aan te doen, niet aan de eisen van de ISPS-Code of deel A van de ISPS-Code voldoet, proberen deze diensten contact op te nemen met het zeeschip.
Indien deze communicatie niet leidt tot rechtzetting of indien de Scheepvaartcontrole of de Cel Maritieme Beveiliging gegronde redenen blijven hebben om aan te nemen dat het zeeschip niet aan de eisen van de ISPS-Code of deel A van de ISPS-Code voldoet, kunnen zij volgende maatregelen nemen:
1° eisen dat de niet-naleving wordt rechtgezet;
2° eisen dat het zeeschip zich begeeft naar een aangewezen plaats in de territoriale wateren of in een haven;
3° overgaan tot een inspectie van het zeeschip indien het zeeschip zich in de Belgische territoriale wateren of een haven bevindt.
Op advies van het MIK, de Scheepvaartcontrole of de Cel Maritieme Beveiliging kan de Voorzitter van de NAMB overgaan tot het ontzeggen van de toegang tot de Belgische havens.
Alvorens deze maatregelen genomen worden wordt de kapitein van het zeeschip hiervan ingelicht. Indien de kapitein beslist om geen Belgische haven aan te lopen, is dit artikel niet van toepassing.
§ 2. De voorzitter van de NAMB kan schepen onder vreemde vlag de toegang tot de Belgische havens weigeren indien er door de Verenigde Naties, de Europese Unie of de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, sancties zijn genomen tegen een derde land, ondernemingen of natuurlijke personen.
De voorzitter van de NAMB is belast met het ontzeggen van de toegang tot de Belgische havens voor de schepen bedoeld in het eerste lid, of ter uitvoering van sancties opgelegd door de Verenigde Naties of de Europese Unie.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de modaliteiten voor de controle op het naleven van de sancties en het uitvoeren van de weigering van de toegang van deze schepen.]1
§ 1. Indien het MIK, de Scheepvaartcontrole of de Cel Maritieme Beveiliging gegronde redenen hebben om aan te nemen dat het zeeschip dat voornemens is om een Belgische haven aan te doen, niet aan de eisen van de ISPS-Code of deel A van de ISPS-Code voldoet, proberen deze diensten contact op te nemen met het zeeschip.
Indien deze communicatie niet leidt tot rechtzetting of indien de Scheepvaartcontrole of de Cel Maritieme Beveiliging gegronde redenen blijven hebben om aan te nemen dat het zeeschip niet aan de eisen van de ISPS-Code of deel A van de ISPS-Code voldoet, kunnen zij volgende maatregelen nemen:
1° eisen dat de niet-naleving wordt rechtgezet;
2° eisen dat het zeeschip zich begeeft naar een aangewezen plaats in de territoriale wateren of in een haven;
3° overgaan tot een inspectie van het zeeschip indien het zeeschip zich in de Belgische territoriale wateren of een haven bevindt.
Op advies van het MIK, de Scheepvaartcontrole of de Cel Maritieme Beveiliging kan de Voorzitter van de NAMB overgaan tot het ontzeggen van de toegang tot de Belgische havens.
Alvorens deze maatregelen genomen worden wordt de kapitein van het zeeschip hiervan ingelicht. Indien de kapitein beslist om geen Belgische haven aan te lopen, is dit artikel niet van toepassing.
§ 2. De voorzitter van de NAMB kan schepen onder vreemde vlag de toegang tot de Belgische havens weigeren indien er door de Verenigde Naties, de Europese Unie of de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, sancties zijn genomen tegen een derde land, ondernemingen of natuurlijke personen.
De voorzitter van de NAMB is belast met het ontzeggen van de toegang tot de Belgische havens voor de schepen bedoeld in het eerste lid, of ter uitvoering van sancties opgelegd door de Verenigde Naties of de Europese Unie.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de modaliteiten voor de controle op het naleven van de sancties en het uitvoeren van de weigering van de toegang van deze schepen.]1
Art.2.5.2.49. [1 Mesures
§ 1er. Si le MIK, le Contrôle de la navigation ou la Cellule de la Sûreté maritime ont de bonnes raisons de croire que le navire de mer qui a l'intention de mouiller dans un port belge ne satisfait pas aux exigences du Code ISPS ou de la partie A du Code ISPS, ces services tenteront de contacter le navire de mer.
Si cette communication n'aboutit pas à une rectification ou si le Contrôle de la navigation ou la Cellule de la Sûreté maritime continuent d'avoir de bonnes raisons de croire que le navire de mer ne satisfait pas aux exigences du Code ISPS ou de la partie A du Code ISPS, ils peuvent prendre les mesures suivantes :
1° exiger que la non-conformité soit rectifiée ;
2° exiger que le navire de mer se rende à un endroit désigné dans les eaux territoriales ou dans un port ;
3° procéder à une inspection du navire de mer si le navire de mer se trouve dans les eaux territoriales belges ou dans un port.
Sur avis du MIK, du Contrôle de la navigation ou de la Cellule de la Sûreté maritime, le Président de l'ANSM peut procéder au refus d'accès aux ports belges.
Le capitaine du navire de mer doit être informé avant que ces mesures ne soient prises. Si le capitaine décide de ne pas faire escale dans un port belge, le présent article n'est pas applicable.
§ 2. Le président de l'ANSM peut refuser aux navires battant pavillon étranger l'accès aux ports belges si des sanctions ont été prises par l'Organisation des Nations unies, l'Union européenne ou le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, à l'encontre d'un pays tiers, d'entreprises ou de personnes physiques.
Le président de l'ANSM est chargé de refuser l'accès aux ports belges aux navires visés à l'alinéa 1er, ou d'appliquer les sanctions imposées par l'Organisation des Nations unies ou l'Union européenne.
Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités de contrôle du respect des sanctions et de l'application du refus d'accès à ces navires.]1
§ 1er. Si le MIK, le Contrôle de la navigation ou la Cellule de la Sûreté maritime ont de bonnes raisons de croire que le navire de mer qui a l'intention de mouiller dans un port belge ne satisfait pas aux exigences du Code ISPS ou de la partie A du Code ISPS, ces services tenteront de contacter le navire de mer.
Si cette communication n'aboutit pas à une rectification ou si le Contrôle de la navigation ou la Cellule de la Sûreté maritime continuent d'avoir de bonnes raisons de croire que le navire de mer ne satisfait pas aux exigences du Code ISPS ou de la partie A du Code ISPS, ils peuvent prendre les mesures suivantes :
1° exiger que la non-conformité soit rectifiée ;
2° exiger que le navire de mer se rende à un endroit désigné dans les eaux territoriales ou dans un port ;
3° procéder à une inspection du navire de mer si le navire de mer se trouve dans les eaux territoriales belges ou dans un port.
Sur avis du MIK, du Contrôle de la navigation ou de la Cellule de la Sûreté maritime, le Président de l'ANSM peut procéder au refus d'accès aux ports belges.
Le capitaine du navire de mer doit être informé avant que ces mesures ne soient prises. Si le capitaine décide de ne pas faire escale dans un port belge, le présent article n'est pas applicable.
§ 2. Le président de l'ANSM peut refuser aux navires battant pavillon étranger l'accès aux ports belges si des sanctions ont été prises par l'Organisation des Nations unies, l'Union européenne ou le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, à l'encontre d'un pays tiers, d'entreprises ou de personnes physiques.
Le président de l'ANSM est chargé de refuser l'accès aux ports belges aux navires visés à l'alinéa 1er, ou d'appliquer les sanctions imposées par l'Organisation des Nations unies ou l'Union européenne.
Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités de contrôle du respect des sanctions et de l'application du refus d'accès à ces navires.]1
Afdeling 6. [1 - Beveiliging van Belgische Schepen]1
Section 6. [1 - Sûreté des navires belges]1
Onderafdeling 1. [1 - Beveiligingsniveaus]1
Sous-section 1re. [1 - Niveau de sûreté]1
Art. 2.5.2.50. [1 Zeewateren
§ 1. Al de wateren die toegankelijk zijn voor Belgische zeeschepen met uitsluiting van de havens gelegen in andere landen krijgen een beveiligingsniveau overeenkomstig artikel 2.5.2.24.
Elk Belgisch zeeschip moet de maatregelen nemen verbonden aan het beveiligingsniveau van het gebied waarin het zich bevindt.
§ 2. Het beveiligingsniveau wordt ingesteld op niveau 1. Indien er informatie beschikbaar is waaruit zou blijken dat er risico's bestaan op beveiligingsincidenten en/of ongeoorloofde acties met Belgische zeeschepen kan het beveiligingsniveau in deze gebieden verhoogd worden.
De directeur generaal Scheepvaart bepaalt in deze gevallen, na advies van het NCCN en de Cel Maritieme Beveiliging het beveiligingsniveau in deze gebieden.
Voor het binnenvaren van een zone met beveiligingsniveau 2 of 3 moet de kapitein het vermoedelijk uur van binnenvaren melden aan de Cel Maritieme Beveiliging. De bemanningslijst moet in deze gevallen op eenvoudig verzoek onmiddellijk worden overgemaakt aan de Cel Maritieme Beveiliging.
Bij het instellen van beveiligingsniveau 3 kan de Voorzitter van de NAMB dringende maatregelen nemen die moeten opgevolgd worden door alle Belgische zeeschepen die zich in dat gebied bevinden.
§ 3. De Cel Maritieme Beveiliging evalueert elke drie maanden of het verhoogde beveiligingsniveau moet worden aangehouden, verhoogd of verlaagd en maakt deze evaluatie over aan het NCCN voor advies. De evaluatie en het advies worden overgemaakt aan de Voorzitter van de NAMB die binnen de vijf dagen een beslissing neemt.
§ 4. Elke wijziging van het beveiligingsniveau wordt door de Cel Maritieme Beveiliging ter kennis gebracht van de minister, de minister van Buitenlandse Zaken, elke CSO, de leden van de NAMB en het MIK.
Indien in de gebieden waar het beveiligingsniveau gewijzigd werd, een haven ligt, wordt het land waar die haven ligt geïnformeerd door de Belgische diplomatieke vertegenwoordiging in dat land over het ingestelde beveiligingsniveau.]1
§ 1. Al de wateren die toegankelijk zijn voor Belgische zeeschepen met uitsluiting van de havens gelegen in andere landen krijgen een beveiligingsniveau overeenkomstig artikel 2.5.2.24.
Elk Belgisch zeeschip moet de maatregelen nemen verbonden aan het beveiligingsniveau van het gebied waarin het zich bevindt.
§ 2. Het beveiligingsniveau wordt ingesteld op niveau 1. Indien er informatie beschikbaar is waaruit zou blijken dat er risico's bestaan op beveiligingsincidenten en/of ongeoorloofde acties met Belgische zeeschepen kan het beveiligingsniveau in deze gebieden verhoogd worden.
De directeur generaal Scheepvaart bepaalt in deze gevallen, na advies van het NCCN en de Cel Maritieme Beveiliging het beveiligingsniveau in deze gebieden.
Voor het binnenvaren van een zone met beveiligingsniveau 2 of 3 moet de kapitein het vermoedelijk uur van binnenvaren melden aan de Cel Maritieme Beveiliging. De bemanningslijst moet in deze gevallen op eenvoudig verzoek onmiddellijk worden overgemaakt aan de Cel Maritieme Beveiliging.
Bij het instellen van beveiligingsniveau 3 kan de Voorzitter van de NAMB dringende maatregelen nemen die moeten opgevolgd worden door alle Belgische zeeschepen die zich in dat gebied bevinden.
§ 3. De Cel Maritieme Beveiliging evalueert elke drie maanden of het verhoogde beveiligingsniveau moet worden aangehouden, verhoogd of verlaagd en maakt deze evaluatie over aan het NCCN voor advies. De evaluatie en het advies worden overgemaakt aan de Voorzitter van de NAMB die binnen de vijf dagen een beslissing neemt.
§ 4. Elke wijziging van het beveiligingsniveau wordt door de Cel Maritieme Beveiliging ter kennis gebracht van de minister, de minister van Buitenlandse Zaken, elke CSO, de leden van de NAMB en het MIK.
Indien in de gebieden waar het beveiligingsniveau gewijzigd werd, een haven ligt, wordt het land waar die haven ligt geïnformeerd door de Belgische diplomatieke vertegenwoordiging in dat land over het ingestelde beveiligingsniveau.]1
Art.2.5.2.50. [1 Eaux maritimes
§ 1er. Toutes les eaux accessibles aux navires de mer belges, à l'exception des ports situés dans d'autres pays, se voient attribuer un niveau de sûreté conformément à l'article 2.5.2.24.
Chaque navire de mer belge doit prendre les mesures liées au niveau de sûreté de la zone dans laquelle il se trouve.
§ 2. Le niveau de sûreté est fixé au niveau 1. Si des informations sont disponibles indiquant qu'il existe des risques d'incidents de sûreté et/ou d'actions illicites avec des navires de mer belges, le niveau de sûreté dans ces zones peut être augmenté.
Dans ces cas, le directeur général de la Navigation détermine le niveau de sûreté dans ces zones après avis du NCCN et de la Cellule de la Sûreté maritime.
Pour entrer dans une zone de niveau de sûreté 2 ou 3, le capitaine doit signaler à la Cellule de la Sûreté maritime l'heure présumée de son entrée. Dans ces cas, la liste de l'équipage doit, sur simple demande, être transmise immédiatement à la Cellule de la Sûreté maritime.
Lorsque le niveau de sûreté 3 est mis en place, le Président de l'ANSM peut prendre des mesures d'urgence qui doivent être suivies par tous les navires de mer belges se trouvant dans cette zone.
§ 3. La Cellule de la Sûreté maritime évalue tous les trois mois si le niveau de sûreté accru doit être maintenu, augmenté ou diminué et transmet cette évaluation au NCCN pour avis. L'évaluation et l'avis sont transmis au Président de l'ANSM, qui prend une décision dans les cinq jours.
§ 4. Toute modification du niveau de sûreté est notifiée par la Cellule de la Sûreté maritime au ministre, au ministre des affaires étrangères, à chaque CSO, aux membres de l'ANSM et du MIK.
Si un port est situé dans les zones où le niveau de sûreté a été modifié, le pays où se situe ce port est informé par la représentation diplomatique belge dans ce pays du niveau de sûreté mis en place.]1
§ 1er. Toutes les eaux accessibles aux navires de mer belges, à l'exception des ports situés dans d'autres pays, se voient attribuer un niveau de sûreté conformément à l'article 2.5.2.24.
Chaque navire de mer belge doit prendre les mesures liées au niveau de sûreté de la zone dans laquelle il se trouve.
§ 2. Le niveau de sûreté est fixé au niveau 1. Si des informations sont disponibles indiquant qu'il existe des risques d'incidents de sûreté et/ou d'actions illicites avec des navires de mer belges, le niveau de sûreté dans ces zones peut être augmenté.
Dans ces cas, le directeur général de la Navigation détermine le niveau de sûreté dans ces zones après avis du NCCN et de la Cellule de la Sûreté maritime.
Pour entrer dans une zone de niveau de sûreté 2 ou 3, le capitaine doit signaler à la Cellule de la Sûreté maritime l'heure présumée de son entrée. Dans ces cas, la liste de l'équipage doit, sur simple demande, être transmise immédiatement à la Cellule de la Sûreté maritime.
Lorsque le niveau de sûreté 3 est mis en place, le Président de l'ANSM peut prendre des mesures d'urgence qui doivent être suivies par tous les navires de mer belges se trouvant dans cette zone.
§ 3. La Cellule de la Sûreté maritime évalue tous les trois mois si le niveau de sûreté accru doit être maintenu, augmenté ou diminué et transmet cette évaluation au NCCN pour avis. L'évaluation et l'avis sont transmis au Président de l'ANSM, qui prend une décision dans les cinq jours.
§ 4. Toute modification du niveau de sûreté est notifiée par la Cellule de la Sûreté maritime au ministre, au ministre des affaires étrangères, à chaque CSO, aux membres de l'ANSM et du MIK.
Si un port est situé dans les zones où le niveau de sûreté a été modifié, le pays où se situe ce port est informé par la représentation diplomatique belge dans ce pays du niveau de sûreté mis en place.]1
Art. 2.5.2.51. [1 Belgische zeeschepen
§ 1. Onverminderd artikel 2.5.2.50 heeft elk Belgisch zeeschip een beveiligingsniveau overeenkomstig artikel 2.5.2.24 en dient de maatregelen naleven die verbonden zijn aan dit beveiligingsniveau.
§ 2. Het beveiligingsniveau wordt ingesteld op niveau 1. Indien er beveiligingsinformatie beschikbaar is waaruit zou blijken dat er risico's bestaan op beveiligingsincidenten met een Belgische zeeschip kan het beveiligingsniveau voor het betrokken zeeschip verhoogd worden.
De directeur generaal Scheepvaart bepaalt in deze gevallen, na advies van het NCCN, de Cel Maritieme Beveiliging en de CSO van het betrokken zeeschip, het beveiligingsniveau van het zeeschip.
Bij het instellen van beveiligingsniveau 3 kan de Voorzitter van de NAMB dringende maatregelen nemen die moeten opgevolgd worden door het zeeschip.
§ 3. De Cel Maritieme Beveiliging evalueert elke maand of het verhoogde beveiligingsniveau moet worden aangehouden, verhoogd of verlaagd moet worden en maakt deze evaluatie over aan het NCCN voor advies. De evaluatie en het advies worden overgemaakt aan de Voorzitter van de NAMB die binnen de vijf dagen een beslissing neemt.
§ 4. Elke wijziging van het beveiligingsniveau wordt door de Cel Maritieme Beveiliging ter kennis gebracht van de minister, de CSO van het betrokken zeeschip, de leden van de NAMB en het MIK.
De CSO bezorgt aan de Cel Maritieme Beveiliging de schriftelijke bevestiging dat de kapitein de wijziging van het beveiligingsniveau heeft ontvangen.]1
§ 1. Onverminderd artikel 2.5.2.50 heeft elk Belgisch zeeschip een beveiligingsniveau overeenkomstig artikel 2.5.2.24 en dient de maatregelen naleven die verbonden zijn aan dit beveiligingsniveau.
§ 2. Het beveiligingsniveau wordt ingesteld op niveau 1. Indien er beveiligingsinformatie beschikbaar is waaruit zou blijken dat er risico's bestaan op beveiligingsincidenten met een Belgische zeeschip kan het beveiligingsniveau voor het betrokken zeeschip verhoogd worden.
De directeur generaal Scheepvaart bepaalt in deze gevallen, na advies van het NCCN, de Cel Maritieme Beveiliging en de CSO van het betrokken zeeschip, het beveiligingsniveau van het zeeschip.
Bij het instellen van beveiligingsniveau 3 kan de Voorzitter van de NAMB dringende maatregelen nemen die moeten opgevolgd worden door het zeeschip.
§ 3. De Cel Maritieme Beveiliging evalueert elke maand of het verhoogde beveiligingsniveau moet worden aangehouden, verhoogd of verlaagd moet worden en maakt deze evaluatie over aan het NCCN voor advies. De evaluatie en het advies worden overgemaakt aan de Voorzitter van de NAMB die binnen de vijf dagen een beslissing neemt.
§ 4. Elke wijziging van het beveiligingsniveau wordt door de Cel Maritieme Beveiliging ter kennis gebracht van de minister, de CSO van het betrokken zeeschip, de leden van de NAMB en het MIK.
De CSO bezorgt aan de Cel Maritieme Beveiliging de schriftelijke bevestiging dat de kapitein de wijziging van het beveiligingsniveau heeft ontvangen.]1
Art.2.5.2.51. [1 Navires de mer belges
§ 1er. Sans préjudice de l'article 2.5.2.50, chaque navire de mer belge a un niveau de sûreté conformément à l'article 2.5.2.24 et doit respecter les mesures liées à ce niveau de sûreté.
§ 2. Le niveau de sûreté est fixé au niveau 1. Si des informations sont disponibles indiquant qu'il existe des risques d'incidents de sûreté et/ou d'actions illicites avec des navires de mer belges, le niveau de sûreté pour le navire de mer concerné peut être augmenté.
Dans ces cas, le directeur général de la Navigation détermine le niveau de sûreté dans ces zones après avis du NCCN, de la Cellule de la Sûreté maritime et du CSO du navire de mer concerné.
Lorsque le niveau de sûreté 3 est mis en place, le président de l'ANSM peut prendre des mesures d'urgence qui doivent être suivies par le navire de mer belge.
§ 3. La Cellule de la Sûreté maritime évalue chaque mois si le niveau de sûreté accru doit être maintenu, augmenté ou diminué et transmet cette évaluation au NCCN pour avis. L'évaluation et l'avis sont transmis au Président de l'ANSM, qui prend une décision dans les cinq jours.
§ 4. Toute modification du niveau de sûreté est notifiée par la Cellule de la Sûreté maritime au ministre, au CSO du navire de mer concerné, aux membres de l'ANSM et du MIK.
Le CSO remet à la Cellule de la Sûreté maritime une confirmation écrite que le capitaine a reçu les modifications du niveau de sûreté.]1
§ 1er. Sans préjudice de l'article 2.5.2.50, chaque navire de mer belge a un niveau de sûreté conformément à l'article 2.5.2.24 et doit respecter les mesures liées à ce niveau de sûreté.
§ 2. Le niveau de sûreté est fixé au niveau 1. Si des informations sont disponibles indiquant qu'il existe des risques d'incidents de sûreté et/ou d'actions illicites avec des navires de mer belges, le niveau de sûreté pour le navire de mer concerné peut être augmenté.
Dans ces cas, le directeur général de la Navigation détermine le niveau de sûreté dans ces zones après avis du NCCN, de la Cellule de la Sûreté maritime et du CSO du navire de mer concerné.
Lorsque le niveau de sûreté 3 est mis en place, le président de l'ANSM peut prendre des mesures d'urgence qui doivent être suivies par le navire de mer belge.
§ 3. La Cellule de la Sûreté maritime évalue chaque mois si le niveau de sûreté accru doit être maintenu, augmenté ou diminué et transmet cette évaluation au NCCN pour avis. L'évaluation et l'avis sont transmis au Président de l'ANSM, qui prend une décision dans les cinq jours.
§ 4. Toute modification du niveau de sûreté est notifiée par la Cellule de la Sûreté maritime au ministre, au CSO du navire de mer concerné, aux membres de l'ANSM et du MIK.
Le CSO remet à la Cellule de la Sûreté maritime une confirmation écrite que le capitaine a reçu les modifications du niveau de sûreté.]1
Onderafdeling 2. [1 - Beveiligingspersoneel van de reder]1
Sous-section 2. [1 - Personnel de sûreté de l'armateur]1
Art. 2.5.2.52. [1 CSO
Voor elk Belgisch zeeschip dat door de reder geëxploiteerd wordt, stelt de reder een CSO aan. Een CSO kan worden aangesteld voor één of meerdere schepen en een reder heeft het recht om meer dan één CSO aan te stellen indien de reder verscheidene schepen exploiteert.
De aanstelling van een CSO in het eerst lid of elke wijziging daaraan wordt door de reder onmiddellijk gemeld aan de Cel Maritieme Beveiliging.]1
Voor elk Belgisch zeeschip dat door de reder geëxploiteerd wordt, stelt de reder een CSO aan. Een CSO kan worden aangesteld voor één of meerdere schepen en een reder heeft het recht om meer dan één CSO aan te stellen indien de reder verscheidene schepen exploiteert.
De aanstelling van een CSO in het eerst lid of elke wijziging daaraan wordt door de reder onmiddellijk gemeld aan de Cel Maritieme Beveiliging.]1
Art.2.5.2.52. [1 CSO
L'armateur nomme un CSO pour chaque navire de mer belge exploité par l'armateur. Un CSO peut être nommé pour un ou plusieurs navires et un armateur a le droit de nommer plus d'un CSO s'il exploite plusieurs navires.
La nomination d'un CSO à l'alinéa 1er ou toute modification de celle-ci est immédiatement communiquée par l'armateur à la Cellule de la Sûreté maritime.]1
L'armateur nomme un CSO pour chaque navire de mer belge exploité par l'armateur. Un CSO peut être nommé pour un ou plusieurs navires et un armateur a le droit de nommer plus d'un CSO s'il exploite plusieurs navires.
La nomination d'un CSO à l'alinéa 1er ou toute modification de celle-ci est immédiatement communiquée par l'armateur à la Cellule de la Sûreté maritime.]1
Art. 2.5.2.53. [1 SSO
De reder zorgt ervoor dat op elk schip een SSO aanwezig is.
De reder houdt een lijst van de SSO's voor zijn schepen bij en bezorgt deze op eenvoudig verzoek aan de Cel Maritieme Beveiliging.]1
De reder zorgt ervoor dat op elk schip een SSO aanwezig is.
De reder houdt een lijst van de SSO's voor zijn schepen bij en bezorgt deze op eenvoudig verzoek aan de Cel Maritieme Beveiliging.]1
Art.2.5.2.53. [1 SSO
L'armateur veille à ce qu'un SSO soit présent sur chaque navire.
L'armateur doit tenir une liste des SSO de ses navires et la remet à la Cellule de la Sûreté maritime sur simple demande.]1
L'armateur veille à ce qu'un SSO soit présent sur chaque navire.
L'armateur doit tenir une liste des SSO de ses navires et la remet à la Cellule de la Sûreté maritime sur simple demande.]1
Onderafdeling 3. [1 - Verplichtingen van de reder]1
Sous-section 3. [1 - Obligations de l'armateur]1
Art. 2.5.2.54. [1 Verantwoordelijkheid
De reder is verantwoordelijk om de nodige steun te geven aan de CSO, de SSO en de kapitein zodat deze de taken en verantwoordelijkheden bepaald in de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten naar behoren kunnen uitvoeren.]1
De reder is verantwoordelijk om de nodige steun te geven aan de CSO, de SSO en de kapitein zodat deze de taken en verantwoordelijkheden bepaald in de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten naar behoren kunnen uitvoeren.]1
Art.2.5.2.54. [1 Responsabilité
L'armateur est chargé de fournir le soutien nécessaire au CSO, au SSO et au capitaine pour leur permettre d'effectuer correctement les tâches et les responsabilités déterminées par le Code ISPS, le Règlement ISPS, le présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.]1
L'armateur est chargé de fournir le soutien nécessaire au CSO, au SSO et au capitaine pour leur permettre d'effectuer correctement les tâches et les responsabilités déterminées par le Code ISPS, le Règlement ISPS, le présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.]1
Art. 2.5.2.55. [1 Beoordeling van de scheepsbeveiliging
De reder zorgt ervoor dat de CSO een beoordeling van de scheepsbeveiliging uitvoert voor elke zeeschip dat wordt geëxploiteerd door de reder. De beoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig punt 8 van Deel A van de ISPS-Code en punt 8 van Deel B van de ISPS-Code dat van dwingend recht is voor de toepassing van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten.
De NAMB, de Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole zijn bevoegd om kennis te nemen van de goedgekeurde beoordeling van de scheepsbeveiliging. De reder bezorgt deze goedgekeurde beoordeling op eenvoudig verzoek aan de NAMB, de Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole.]1
De reder zorgt ervoor dat de CSO een beoordeling van de scheepsbeveiliging uitvoert voor elke zeeschip dat wordt geëxploiteerd door de reder. De beoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig punt 8 van Deel A van de ISPS-Code en punt 8 van Deel B van de ISPS-Code dat van dwingend recht is voor de toepassing van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten.
De NAMB, de Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole zijn bevoegd om kennis te nemen van de goedgekeurde beoordeling van de scheepsbeveiliging. De reder bezorgt deze goedgekeurde beoordeling op eenvoudig verzoek aan de NAMB, de Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole.]1
Art.2.5.2.55. [1 Evaluation de la sûreté des navires
L'armateur veille à ce que le CSO procède à une évaluation de la sûreté du navire pour chaque navire de mer exploité par l'armateur. L'évaluation est effectuée conformément au point 8 de la partie A du Code ISPS et au point 8 de la partie B du Code ISPS, qui sont obligatoires aux fins du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
L'ANSM, la Cellule de la Sûreté maritime et le Contrôle de la navigation sont autorisés à prendre connaissance de l'évaluation approuvée de la sûreté des navires. L'armateur remet cette évaluation approuvée à l'ANSM, à la Cellule de la Sûreté maritime et au Contrôle de la navigation sur simple demande.]1
L'armateur veille à ce que le CSO procède à une évaluation de la sûreté du navire pour chaque navire de mer exploité par l'armateur. L'évaluation est effectuée conformément au point 8 de la partie A du Code ISPS et au point 8 de la partie B du Code ISPS, qui sont obligatoires aux fins du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
L'ANSM, la Cellule de la Sûreté maritime et le Contrôle de la navigation sont autorisés à prendre connaissance de l'évaluation approuvée de la sûreté des navires. L'armateur remet cette évaluation approuvée à l'ANSM, à la Cellule de la Sûreté maritime et au Contrôle de la navigation sur simple demande.]1
Art. 2.5.2.56. [1 Scheepsbeveiligingsplan
§ 1. De reder is ervoor verantwoordelijk dat de CSO een scheepbeveiligingsplan uitwerkt en ter goedkeuring voorlegt aan de Scheepvaartcontrole.
De goedkeuring kan door de minister gedelegeerd worden aan een erkende beveiligingsorganisatie. De Koning bepaalt de modaliteiten waaronder deze delegatie mogelijk is.
Het scheepsbeveiligingsplan wordt opgesteld overeenkomstig punt 9 van Deel A van de ISPS-Code en punt 9 van Deel B van de ISPS-Code dat van dwingend recht is voor de toepassing van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten.
§ 2. De Koning bepaalt wie de bepalingen van punt 19 van deel A van de ISPS-code betreffende de keuring en certificatie van Belgische zeeschepen uitvoert.
§ 3. Het scheepsbeveiligingsplan kan worden ingetrokken indien het schip niet meer voldoet aan de vereisten bedoeld in punt 9 van Deel A van de ISPS-Code en punt 9 van Deel B van de ISPS-Code.]1
§ 1. De reder is ervoor verantwoordelijk dat de CSO een scheepbeveiligingsplan uitwerkt en ter goedkeuring voorlegt aan de Scheepvaartcontrole.
De goedkeuring kan door de minister gedelegeerd worden aan een erkende beveiligingsorganisatie. De Koning bepaalt de modaliteiten waaronder deze delegatie mogelijk is.
Het scheepsbeveiligingsplan wordt opgesteld overeenkomstig punt 9 van Deel A van de ISPS-Code en punt 9 van Deel B van de ISPS-Code dat van dwingend recht is voor de toepassing van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten.
§ 2. De Koning bepaalt wie de bepalingen van punt 19 van deel A van de ISPS-code betreffende de keuring en certificatie van Belgische zeeschepen uitvoert.
§ 3. Het scheepsbeveiligingsplan kan worden ingetrokken indien het schip niet meer voldoet aan de vereisten bedoeld in punt 9 van Deel A van de ISPS-Code en punt 9 van Deel B van de ISPS-Code.]1
Art.2.5.2.56. [1 Plan de sûreté du navire
§ 1er. L'armateur est chargé de faire établir par le CSO un plan de sûreté du navire et de le soumettre au Contrôle de la navigation pour approbation.
L'approbation peut être délégué par le ministre à un organisme de sûreté reconnu. Le Roi détermine les modalités selon lesquelles cette délégation est possible.
Le plan de sûreté du navire doit être élaboré conformément au point 9 de la partie A du Code ISPS et au point 9 de la partie B du Code ISPS, qui sont obligatoires aux fins du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
§ 2. Le Roi détermine qui met en oeuvre les dispositions du 19 de la partie A du Code ISPS concernant la vérification des navires de mer belges et la délivrance des certificats.
§ 3. Le plan de sûreté du navire peut être retiré si le navire ne satisfait plus aux exigences visées au point 9 de la partie A du Code ISPS et au point 9 de la partie B du Code ISPS.]1
§ 1er. L'armateur est chargé de faire établir par le CSO un plan de sûreté du navire et de le soumettre au Contrôle de la navigation pour approbation.
L'approbation peut être délégué par le ministre à un organisme de sûreté reconnu. Le Roi détermine les modalités selon lesquelles cette délégation est possible.
Le plan de sûreté du navire doit être élaboré conformément au point 9 de la partie A du Code ISPS et au point 9 de la partie B du Code ISPS, qui sont obligatoires aux fins du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
§ 2. Le Roi détermine qui met en oeuvre les dispositions du 19 de la partie A du Code ISPS concernant la vérification des navires de mer belges et la délivrance des certificats.
§ 3. Le plan de sûreté du navire peut être retiré si le navire ne satisfait plus aux exigences visées au point 9 de la partie A du Code ISPS et au point 9 de la partie B du Code ISPS.]1
Onderafdeling 4. [1 - Vorming en oefeningen]1
Sous-section 4. [1 - Formation et exercices]1
Art. 2.5.2.57. [1 orming
§ 1. Elke CSO, SSO en het walpersoneel dat met beveiliging is belast moet kennis hebben van en getraind worden in al de volgende onderdelen die relevant zijn voor het zeeschip:
1° de beveiligingsadministratie;
2° de van toepassing zijnde internationale verdragen, codes en aanbevelingen;
3° de van toepassing zijnde Belgische en Europese wetgeving en voorschriften;
4° de verantwoordelijkheden en functies van andere beveiligingsorganisaties;
5° de methodiek voor de beoordeling van de scheepsbeveiliging;
6° de onderzoeks- en inspectiemethoden voor scheepsbeveiliging;
7° de scheeps- en havenactiviteiten en -voorwaarden;
8° de beveiligingsmaatregelen voor schepen en havenfaciliteiten;
9° de paraatheid en reacties in noodsituaties en voorzorgmaatregelen;
10° de instructiemethoden voor beveiligingstraining en scholing, waaronder beveiligingsmaatregelen en - procedures;
11° de omgang met gevoelige informatie met betrekking tot de beveiliging en de communicatie met betrekking tot de beveiliging;
12° de huidige dreigingen met betrekking tot de beveiliging en patronen daarin;
13° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
14° de herkenning van de kernmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen, zonder daarbij te discrimineren;
15° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
16° de beveiligingsapparatuur en - systemen, en de beperking van hun functies;
17° de methoden voor controle, inspectie, bewaking en toezicht;
18° de beveiligingsoefeningen;
19° de beoordeling van beveiligingsoefeningen.
§ 2. De SSO dient bovendien voldoende kennis te hebben van en training te krijgen in de volgende onderdelen:
1° de indeling van het zeeschip;
2° het scheepsbeveiligingsplan en de bijhorende procedures;
3° de technieken voor massamanagement en - beheersing;
4° de werking van beveiligingsapparatuur en -systemen;
5° het testen, ijken en het onderhouden van beveiligingsapparatuur en -systemen.
§ 3. Bemanningsleden met specifieke beveiligingstaken dienen voldoende kennis en vaardigheid te bezitten om de hun toegewezen taken uit te kunnen voeren, waaronder:
1° de huidige dreigingen met betrekking tot de beveiliging en patronen daarin;
2° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
3° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen;
4° de technieken die worden gebruikt om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
5° de technieken voor massamanagement en - beheersing;
6° de communicatie met betrekking tot de beveiliging;
7° de noodprocedures en voorzorgmaatregelen;
8° de werking van beveiligingsapparatuur en -systemen;
9° het testen, ijken en het op zee onderhouden van beveiligingsapparatuur en -systemen;
10° de technieken voor inspectie, bewaking en toezicht;
11° de technieken voor het doorzoeken van lading en scheepsvoorraden.
§ 4. Alle andere bemanningsleden dienen voldoende kennis te hebben van en gekend te zijn met de van toepassing zijnde bepalingen van het scheepsbeveiligingsplan, waaronder:
1° de betekenis van en de daaruit voortvloeiende vereisten voor de verschillende beveiligingsniveaus;
2° de noodprocedures en voorzorgmaatregelen;
3° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
4° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen;
5° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken.
§ 5. De Koning kan de organisatie van de trainingen en de afgifte van een certificaat aan de deelnemers regelen.]1
§ 1. Elke CSO, SSO en het walpersoneel dat met beveiliging is belast moet kennis hebben van en getraind worden in al de volgende onderdelen die relevant zijn voor het zeeschip:
1° de beveiligingsadministratie;
2° de van toepassing zijnde internationale verdragen, codes en aanbevelingen;
3° de van toepassing zijnde Belgische en Europese wetgeving en voorschriften;
4° de verantwoordelijkheden en functies van andere beveiligingsorganisaties;
5° de methodiek voor de beoordeling van de scheepsbeveiliging;
6° de onderzoeks- en inspectiemethoden voor scheepsbeveiliging;
7° de scheeps- en havenactiviteiten en -voorwaarden;
8° de beveiligingsmaatregelen voor schepen en havenfaciliteiten;
9° de paraatheid en reacties in noodsituaties en voorzorgmaatregelen;
10° de instructiemethoden voor beveiligingstraining en scholing, waaronder beveiligingsmaatregelen en - procedures;
11° de omgang met gevoelige informatie met betrekking tot de beveiliging en de communicatie met betrekking tot de beveiliging;
12° de huidige dreigingen met betrekking tot de beveiliging en patronen daarin;
13° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
14° de herkenning van de kernmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen, zonder daarbij te discrimineren;
15° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
16° de beveiligingsapparatuur en - systemen, en de beperking van hun functies;
17° de methoden voor controle, inspectie, bewaking en toezicht;
18° de beveiligingsoefeningen;
19° de beoordeling van beveiligingsoefeningen.
§ 2. De SSO dient bovendien voldoende kennis te hebben van en training te krijgen in de volgende onderdelen:
1° de indeling van het zeeschip;
2° het scheepsbeveiligingsplan en de bijhorende procedures;
3° de technieken voor massamanagement en - beheersing;
4° de werking van beveiligingsapparatuur en -systemen;
5° het testen, ijken en het onderhouden van beveiligingsapparatuur en -systemen.
§ 3. Bemanningsleden met specifieke beveiligingstaken dienen voldoende kennis en vaardigheid te bezitten om de hun toegewezen taken uit te kunnen voeren, waaronder:
1° de huidige dreigingen met betrekking tot de beveiliging en patronen daarin;
2° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
3° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen;
4° de technieken die worden gebruikt om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
5° de technieken voor massamanagement en - beheersing;
6° de communicatie met betrekking tot de beveiliging;
7° de noodprocedures en voorzorgmaatregelen;
8° de werking van beveiligingsapparatuur en -systemen;
9° het testen, ijken en het op zee onderhouden van beveiligingsapparatuur en -systemen;
10° de technieken voor inspectie, bewaking en toezicht;
11° de technieken voor het doorzoeken van lading en scheepsvoorraden.
§ 4. Alle andere bemanningsleden dienen voldoende kennis te hebben van en gekend te zijn met de van toepassing zijnde bepalingen van het scheepsbeveiligingsplan, waaronder:
1° de betekenis van en de daaruit voortvloeiende vereisten voor de verschillende beveiligingsniveaus;
2° de noodprocedures en voorzorgmaatregelen;
3° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
4° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen;
5° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken.
§ 5. De Koning kan de organisatie van de trainingen en de afgifte van een certificaat aan de deelnemers regelen.]1
Art.2.5.2.57. [1 Formation
§ 1er. Chaque CSO, SSO et personnel à terre chargé de la sûreté doit avoir des connaissances et être formé à tous les éléments concernant le navire de mer suivants :
1° l'administration de la sûreté ;
2° les conventions, codes et recommandations internationaux applicables ;
3° la législation et les réglementations belges et européennes applicables ;
4° les responsabilités et les fonctions des autres organismes de sûreté ;
5° la méthodologie d'évaluation de la sûreté des navires ;
6° les méthodes d'enquête et d'inspection pour la sûreté des navires ;
7° les activités et conditions des navires et des ports ;
8° les mesures de sûreté des navires et des installations portuaires ;
9° la préparation et la réponse aux situations d'urgence et mesures de précaution ;
10° les méthodes d'instruction pour la formation et l'éducation à la sûreté, y compris les mesures et procédures de sûreté ;
11° le traitement d'informations sensibles en matière de sûreté et la communication en matière de sûreté ;
12° les menaces actuelles en matière de sûreté et leurs modèles ;
13° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
14° la reconnaissance, sans discrimination, des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
15° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
16° les équipements et systèmes de sûreté, et la limitation de leurs fonctions ;
17° les méthodes de contrôle, d'inspection, de gardiennage et de surveillance ;
18° les exercices de sûreté ;
19° l'évaluation des exercices de sûreté.
§ 2. En outre, le SSO doit avoir des connaissances suffisantes et recevoir une formation sur les éléments suivants :
1° l'agencement du navire de mer ;
2° le plan de sûreté du navire et les procédures associées ;
3° les techniques de gestion et de contrôle des masses ;
4° le fonctionnement des équipements et systèmes de sûreté ;
5° l'essai, l'étalonnage et l'entretien des équipements et systèmes de sûreté.
§ 3. Les membres de l'équipage ayant des tâches spécifiques en matière de sûreté doivent avoir des connaissances et des compétences suffisantes pour pouvoir exécuter les tâches qui leur sont assignées, notamment :
1° les menaces actuelles en matière de sûreté et leurs modèles ;
2° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
3° la reconnaissance des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
4° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
5° les techniques de gestion et de contrôle des masses ;
6° la communication en matière de sûreté ;
7° les procédures d'urgence et les mesures de précaution ;
8° le fonctionnement des équipements et systèmes de sûreté ;
9° l'essai, l'étalonnage et l'entretien en mer des équipements et systèmes de sûreté ;
10° les techniques d'inspection, de gardiennage et de surveillance ;
11° les techniques de fouille de la cargaison et des provisions de bord.
§ 4. Tous les autres membres de l'équipage doivent avoir des connaissances suffisantes et être familiarisés avec les dispositions applicables du plan de sûreté du navire, notamment :
1° la signification des différents niveaux de sûreté et les exigences qui en découlent ;
2° les procédures d'urgence et les mesures de précaution ;
3° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
4° la reconnaissance des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
5° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté.
§ 5. le Roi peut réglementer l'organisation des formations et la délivrance d'un certificat aux participants.]1
§ 1er. Chaque CSO, SSO et personnel à terre chargé de la sûreté doit avoir des connaissances et être formé à tous les éléments concernant le navire de mer suivants :
1° l'administration de la sûreté ;
2° les conventions, codes et recommandations internationaux applicables ;
3° la législation et les réglementations belges et européennes applicables ;
4° les responsabilités et les fonctions des autres organismes de sûreté ;
5° la méthodologie d'évaluation de la sûreté des navires ;
6° les méthodes d'enquête et d'inspection pour la sûreté des navires ;
7° les activités et conditions des navires et des ports ;
8° les mesures de sûreté des navires et des installations portuaires ;
9° la préparation et la réponse aux situations d'urgence et mesures de précaution ;
10° les méthodes d'instruction pour la formation et l'éducation à la sûreté, y compris les mesures et procédures de sûreté ;
11° le traitement d'informations sensibles en matière de sûreté et la communication en matière de sûreté ;
12° les menaces actuelles en matière de sûreté et leurs modèles ;
13° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
14° la reconnaissance, sans discrimination, des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
15° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
16° les équipements et systèmes de sûreté, et la limitation de leurs fonctions ;
17° les méthodes de contrôle, d'inspection, de gardiennage et de surveillance ;
18° les exercices de sûreté ;
19° l'évaluation des exercices de sûreté.
§ 2. En outre, le SSO doit avoir des connaissances suffisantes et recevoir une formation sur les éléments suivants :
1° l'agencement du navire de mer ;
2° le plan de sûreté du navire et les procédures associées ;
3° les techniques de gestion et de contrôle des masses ;
4° le fonctionnement des équipements et systèmes de sûreté ;
5° l'essai, l'étalonnage et l'entretien des équipements et systèmes de sûreté.
§ 3. Les membres de l'équipage ayant des tâches spécifiques en matière de sûreté doivent avoir des connaissances et des compétences suffisantes pour pouvoir exécuter les tâches qui leur sont assignées, notamment :
1° les menaces actuelles en matière de sûreté et leurs modèles ;
2° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
3° la reconnaissance des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
4° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
5° les techniques de gestion et de contrôle des masses ;
6° la communication en matière de sûreté ;
7° les procédures d'urgence et les mesures de précaution ;
8° le fonctionnement des équipements et systèmes de sûreté ;
9° l'essai, l'étalonnage et l'entretien en mer des équipements et systèmes de sûreté ;
10° les techniques d'inspection, de gardiennage et de surveillance ;
11° les techniques de fouille de la cargaison et des provisions de bord.
§ 4. Tous les autres membres de l'équipage doivent avoir des connaissances suffisantes et être familiarisés avec les dispositions applicables du plan de sûreté du navire, notamment :
1° la signification des différents niveaux de sûreté et les exigences qui en découlent ;
2° les procédures d'urgence et les mesures de précaution ;
3° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
4° la reconnaissance des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
5° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté.
§ 5. le Roi peut réglementer l'organisation des formations et la délivrance d'un certificat aux participants.]1
Art. 2.5.2.58. [1 Scheepsbeveiligingsalarm
Bij het inschakelen van het scheepsbeveiligingsalarm bedoeld in Voorschrift 6 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag moet het alarm worden doorgezonden naar het MIK.]1
Bij het inschakelen van het scheepsbeveiligingsalarm bedoeld in Voorschrift 6 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag moet het alarm worden doorgezonden naar het MIK.]1
Art.2.5.2.58. [1 Alerte de sûreté du navire
Lorsque l'alerte de sûreté du navire visée à la Règle 6 du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS est activée, l'alerte doit être transmise au MIK.]1
Lorsque l'alerte de sûreté du navire visée à la Règle 6 du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS est activée, l'alerte doit être transmise au MIK.]1
Art. 2.5.2.59. [1 Incidentmeldingen
De CSO meldt onmiddellijk elk beveiligingsincident aan de Cel Maritieme Beveiliging. De Cel Maritieme Beveiliging zal de bevoegde overheden hiervan op de hoogte brengen.
Een beveiligingsverklaring opgesteld overeenkomstig punt 5 van deel A van de ISPS-code wordt gedurende 3 jaar bewaard aan boord van het schip, en worden op eenvoudig verzoek overhandigd aan het de Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole.]1
De CSO meldt onmiddellijk elk beveiligingsincident aan de Cel Maritieme Beveiliging. De Cel Maritieme Beveiliging zal de bevoegde overheden hiervan op de hoogte brengen.
Een beveiligingsverklaring opgesteld overeenkomstig punt 5 van deel A van de ISPS-code wordt gedurende 3 jaar bewaard aan boord van het schip, en worden op eenvoudig verzoek overhandigd aan het de Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole.]1
Art.2.5.2.59. [1 Rapports d'incidents
Le CSO signale immédiatement tout incident de sûreté à la Cellule de la Sûreté maritime. La Cellule de la Sûreté maritime informera les autorités compétentes à cet égard.
Une déclaration de sûreté, élaborée conformément au point 5 de la partie A du Code ISPS, est conservée à bord du navire pendant 3 ans et est remise, sur simple demande, à la Cellule de la Sûreté maritime et au Contrôle de la navigation.]1
Le CSO signale immédiatement tout incident de sûreté à la Cellule de la Sûreté maritime. La Cellule de la Sûreté maritime informera les autorités compétentes à cet égard.
Une déclaration de sûreté, élaborée conformément au point 5 de la partie A du Code ISPS, est conservée à bord du navire pendant 3 ans et est remise, sur simple demande, à la Cellule de la Sûreté maritime et au Contrôle de la navigation.]1
Art. 2.5.2.60. [1 Oefeningen
De CSO houdt een overzicht bij van de oefeningen die georganiseerd worden overeenkomstig punt 13.6 van deel B van de ISPS-Code en deelt deze mee aan de Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole op verzoek.
De CSO brengt uiterlijk 24 uur voor de geplande oefening bedoeld in punt 13.7 van deel B van de ISPS-Code de Cel Maritieme Beveiliging op de hoogte. Op verzoek van de CSO kan de directeur generaal Scheepvaart toestaan dat de oefening niet voorafgaandelijk wordt meegedeeld aan de Cel Maritieme Beveiliging.]1
De CSO houdt een overzicht bij van de oefeningen die georganiseerd worden overeenkomstig punt 13.6 van deel B van de ISPS-Code en deelt deze mee aan de Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole op verzoek.
De CSO brengt uiterlijk 24 uur voor de geplande oefening bedoeld in punt 13.7 van deel B van de ISPS-Code de Cel Maritieme Beveiliging op de hoogte. Op verzoek van de CSO kan de directeur generaal Scheepvaart toestaan dat de oefening niet voorafgaandelijk wordt meegedeeld aan de Cel Maritieme Beveiliging.]1
Art.2.5.2.60. [1 Exercices
Le CSO garde un aperçu des exercices organisés conformément au point 13.6 de la partie B du Code ISPS et les communique à la Cellule de la Sûreté maritime et au Contrôle de la navigation sur demande.
Le CSO informe la Cellule de la Sûreté maritime au plus tard 24 heures avant l'exercice prévu visé au point 13.7 de la partie B du Code ISPS. A la demande du CSO, le directeur général de la Navigation peut autoriser que l'exercice ne soit pas communiqué au préalable à la Cellule de la Sûreté maritime.]1
Le CSO garde un aperçu des exercices organisés conformément au point 13.6 de la partie B du Code ISPS et les communique à la Cellule de la Sûreté maritime et au Contrôle de la navigation sur demande.
Le CSO informe la Cellule de la Sûreté maritime au plus tard 24 heures avant l'exercice prévu visé au point 13.7 de la partie B du Code ISPS. A la demande du CSO, le directeur général de la Navigation peut autoriser que l'exercice ne soit pas communiqué au préalable à la Cellule de la Sûreté maritime.]1
Art. 2.5.2.61. [1 Onderrichtingen
De Cel Maritieme Beveiliging kan onderrichtingen geven voor:
1° de te volgen procedures door de reders in het kader van de beveiliging;
2° de communicatie tussen de CS0, SS0, het MIK, de Cel Maritieme Beveiliging en de NAMB;
3° de standaarden voor de fysieke bescherming van het zeeschip;
4° de beeldvorming door middel van twee- en driedimensionale plannen;
5° de verplichte vorming.]1
De Cel Maritieme Beveiliging kan onderrichtingen geven voor:
1° de te volgen procedures door de reders in het kader van de beveiliging;
2° de communicatie tussen de CS0, SS0, het MIK, de Cel Maritieme Beveiliging en de NAMB;
3° de standaarden voor de fysieke bescherming van het zeeschip;
4° de beeldvorming door middel van twee- en driedimensionale plannen;
5° de verplichte vorming.]1
Art.2.5.2.61. [1 Instructions
La Cellule de la Sûreté maritime peut donner des instructions pour :
1° les procédures à suivre par les armateurs dans le cadre de la sûreté ;
2° la communication entre le CSO, le SSO, le MIK, la Cellule de la Sûreté maritime et l'ANSM ;
3° les normes de protection physique du navire de mer ;
4° l'imagerie au moyen de plans en deux et trois dimensions ;
5° la formation obligatoire.]1
La Cellule de la Sûreté maritime peut donner des instructions pour :
1° les procédures à suivre par les armateurs dans le cadre de la sûreté ;
2° la communication entre le CSO, le SSO, le MIK, la Cellule de la Sûreté maritime et l'ANSM ;
3° les normes de protection physique du navire de mer ;
4° l'imagerie au moyen de plans en deux et trois dimensions ;
5° la formation obligatoire.]1
Art. 2.5.2.62. [1 Bekrachtiging
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in artikel 2.5.2.61 bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.]1
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in artikel 2.5.2.61 bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.]1
Art.2.5.2.62. [1 Ratification
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'article 2.5.2.61, les rendant ainsi obligatoires.]1
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'article 2.5.2.61, les rendant ainsi obligatoires.]1
Afdeling 7. [1 - Beveiliging van de Noordzee]1
Section 7. [1 - Sûreté de la mer du Nord]1
Art. 2.5.2.63. [1 Beveiligingsbeoordeling
§ 1. In overleg met de exploitant van het bouw- of kunstwerk of de kabel of pijpleiding voert het MIK een beveiligingsbeoordeling uit die minstens volgende elementen bevat:
1° de vaststelling en evaluatie van belangrijke bedrijfsmiddelen en infrastructuur die dienen te worden beschermd;
2° de vaststelling van de risico's op ongeoorloofde acties;
3° de vaststelling van mogelijke dreigingen voor de bedrijfsmiddelen en infrastructuur en de waarschijnlijkheid dat deze zich voordoen, met het oog op de vaststelling en prioritering van beveiligingsmaatregelen;
4° de vaststelling, selectie en prioritering van tegenmaatregelen en procedurele wijzigingen en hun effectiviteitsniveau wat vermindering van de kwetsbaarheid betreft;
5° de vaststelling van zwakke plekken, met inbegrip van menselijke factoren, in de infrastructuur, beleidsmaatregelen en procedures;
6° de risicoanalyse van die onderdelen die vatbaar zijn voor spionage, terrorisme en sabotage ten gevolge van buitenlandse invloeden door middel van publieke of private samenwerking.
§ 2. De NAMB beslist binnen de dertig dagen nadat het MIK de beveiligingsbeoordeling heeft overgemaakt aan de NAMB over de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling.
Op basis van de beveiligingsbeoordeling kan de NAMB besluiten dat er geen beveiligingsplan moet worden opgesteld.
§ 3. De beveiligingsbeoordeling wordt om de 5 jaar geëvalueerd door het MIK, ook in de gevallen waar de NAMB heeft beslist dat er geen beveiligingsplan moet worden opgesteld.
Een beveiligingsbeoordeling kan na de goedkeuring gedurende zes maanden gebruikt worden voor het opstellen van een beveiligingsplan. Indien het beveiligingsplan niet binnen deze termijn is opgesteld of het beveiligingsplan vernieuwd moet worden, is een nieuwe beveiligingsbeoordeling vereist.]1
§ 1. In overleg met de exploitant van het bouw- of kunstwerk of de kabel of pijpleiding voert het MIK een beveiligingsbeoordeling uit die minstens volgende elementen bevat:
1° de vaststelling en evaluatie van belangrijke bedrijfsmiddelen en infrastructuur die dienen te worden beschermd;
2° de vaststelling van de risico's op ongeoorloofde acties;
3° de vaststelling van mogelijke dreigingen voor de bedrijfsmiddelen en infrastructuur en de waarschijnlijkheid dat deze zich voordoen, met het oog op de vaststelling en prioritering van beveiligingsmaatregelen;
4° de vaststelling, selectie en prioritering van tegenmaatregelen en procedurele wijzigingen en hun effectiviteitsniveau wat vermindering van de kwetsbaarheid betreft;
5° de vaststelling van zwakke plekken, met inbegrip van menselijke factoren, in de infrastructuur, beleidsmaatregelen en procedures;
6° de risicoanalyse van die onderdelen die vatbaar zijn voor spionage, terrorisme en sabotage ten gevolge van buitenlandse invloeden door middel van publieke of private samenwerking.
§ 2. De NAMB beslist binnen de dertig dagen nadat het MIK de beveiligingsbeoordeling heeft overgemaakt aan de NAMB over de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling.
Op basis van de beveiligingsbeoordeling kan de NAMB besluiten dat er geen beveiligingsplan moet worden opgesteld.
§ 3. De beveiligingsbeoordeling wordt om de 5 jaar geëvalueerd door het MIK, ook in de gevallen waar de NAMB heeft beslist dat er geen beveiligingsplan moet worden opgesteld.
Een beveiligingsbeoordeling kan na de goedkeuring gedurende zes maanden gebruikt worden voor het opstellen van een beveiligingsplan. Indien het beveiligingsplan niet binnen deze termijn is opgesteld of het beveiligingsplan vernieuwd moet worden, is een nieuwe beveiligingsbeoordeling vereist.]1
Art.2.5.2.63. [1 Evaluation de la sûreté
§ 1er. En concertation avec l'exploitant de l'ouvrage de construction ou de génie civil ou du câble ou du pipeline, le MIK effectue une évaluation de la sûreté contenant au moins les éléments suivants :
1° l'identification et l'évaluation des biens et des infrastructures essentiels qu'il importe de protéger ;
2° l'identification des risques d'actions illicites ;
3° l'identification des menaces éventuelles contre les biens et les infrastructures, et de leur probabilité de survenance, afin d'établir des mesures de sûreté en les classent par ordre de priorité ;
4° l'identification, le choix et le classement par ordre de priorité des contre-mesures et des changements de procédure ainsi que leur degré d'efficacité pour réduire la vulnérabilité ;
5° l'identification des points faibles, y compris les facteurs humains, dans l'infrastructure, les politiques et les procédures ;
6° l'analyse des risques des éléments susceptibles d'être victimes d'espionnage, de terrorisme et de sabotage à la suite d'influences étrangères au moyen d'une collaboration publique ou privée.
§ 2. L'ANSM se prononce sur l'approbation de l'évaluation de la sûreté dans les trente jours à compter de la transmission par le MIK de cette évaluation.
Sur la base de l'évaluation de la sûreté, l'ANSM peut décider qu'il n'est pas nécessaire d'élaborer un plan de sûreté.
§ 3. L'évaluation de la sûreté est évaluée par le MIK tous les 5 ans, même dans les cas où l'ANSM a décidé qu'il n'était pas nécessaire d'élaborer un plan de sûreté.
Une évaluation de la sûreté peut être utilisée pendant six mois après son approbation pour l'élaboration d'un plan de sûreté. Si le plan de sûreté n'est pas élaboré pendant cette période ou si le plan de sûreté doit être renouvelé, une nouvelle évaluation de la sûreté est nécessaire.]1
§ 1er. En concertation avec l'exploitant de l'ouvrage de construction ou de génie civil ou du câble ou du pipeline, le MIK effectue une évaluation de la sûreté contenant au moins les éléments suivants :
1° l'identification et l'évaluation des biens et des infrastructures essentiels qu'il importe de protéger ;
2° l'identification des risques d'actions illicites ;
3° l'identification des menaces éventuelles contre les biens et les infrastructures, et de leur probabilité de survenance, afin d'établir des mesures de sûreté en les classent par ordre de priorité ;
4° l'identification, le choix et le classement par ordre de priorité des contre-mesures et des changements de procédure ainsi que leur degré d'efficacité pour réduire la vulnérabilité ;
5° l'identification des points faibles, y compris les facteurs humains, dans l'infrastructure, les politiques et les procédures ;
6° l'analyse des risques des éléments susceptibles d'être victimes d'espionnage, de terrorisme et de sabotage à la suite d'influences étrangères au moyen d'une collaboration publique ou privée.
§ 2. L'ANSM se prononce sur l'approbation de l'évaluation de la sûreté dans les trente jours à compter de la transmission par le MIK de cette évaluation.
Sur la base de l'évaluation de la sûreté, l'ANSM peut décider qu'il n'est pas nécessaire d'élaborer un plan de sûreté.
§ 3. L'évaluation de la sûreté est évaluée par le MIK tous les 5 ans, même dans les cas où l'ANSM a décidé qu'il n'était pas nécessaire d'élaborer un plan de sûreté.
Une évaluation de la sûreté peut être utilisée pendant six mois après son approbation pour l'élaboration d'un plan de sûreté. Si le plan de sûreté n'est pas élaboré pendant cette période ou si le plan de sûreté doit être renouvelé, une nouvelle évaluation de la sûreté est nécessaire.]1
Art. 2.5.2.64. [1 Beveiligingsplan
De exploitant van het bouw- of kunstwerk of de kabel of pijpleiding stelt binnen de zes maand na de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling een beveiligingsplan op en legt dit voor aan het MIK. Binnen de dertig dagen geeft het MIK een advies aan de NAMB, na raadpleging van de door de Koning aangeduide diensten.
Het beveiligingsplan bevat een bepaling over de wijze waarop en de termijn waarbinnen een oefening moet worden gehouden.
De NAMB beslist binnen de dertig dagen over goedkeuring van het beveiligingsplan.
De goedkeuring geldt voor vijf jaar.
Elke substantiële wijziging moet ook aan het betrokken LCMB en de NAMB worden voorgelegd ter goedkeuring. De Koning bepaalt op advies van de NAMB wat als substantiële wijziging moet worden beschouwd.]1
De exploitant van het bouw- of kunstwerk of de kabel of pijpleiding stelt binnen de zes maand na de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling een beveiligingsplan op en legt dit voor aan het MIK. Binnen de dertig dagen geeft het MIK een advies aan de NAMB, na raadpleging van de door de Koning aangeduide diensten.
Het beveiligingsplan bevat een bepaling over de wijze waarop en de termijn waarbinnen een oefening moet worden gehouden.
De NAMB beslist binnen de dertig dagen over goedkeuring van het beveiligingsplan.
De goedkeuring geldt voor vijf jaar.
Elke substantiële wijziging moet ook aan het betrokken LCMB en de NAMB worden voorgelegd ter goedkeuring. De Koning bepaalt op advies van de NAMB wat als substantiële wijziging moet worden beschouwd.]1
Art.2.5.2.64. [1 Plan de sûreté
L'exploitant de l'ouvrage de construction ou de génie civil ou du câble ou du pipeline élabore un plan de sûreté et le soumet au MIK dans les six mois suivant l'approbation de l'évaluation de la sûreté. Dans les trente jours, le MIK donne un avis à l'ANSM, après consultation des services désignés par le Roi.
Le plan de sûreté contient une disposition sur la manière et le délai dans lequel un exercice doit être effectué.
L'ANSM décide de l'approbation du plan de sûreté dans les trente jours.
L'approbation est valable cinq ans.
Toute modification substantielle doit également être soumise au CLSM concerné et à l'ANSM pour approbation. Le Roi détermine, sur l'avis de l'ANSM, ce qui doit être considéré comme une modification substantielle.]1
L'exploitant de l'ouvrage de construction ou de génie civil ou du câble ou du pipeline élabore un plan de sûreté et le soumet au MIK dans les six mois suivant l'approbation de l'évaluation de la sûreté. Dans les trente jours, le MIK donne un avis à l'ANSM, après consultation des services désignés par le Roi.
Le plan de sûreté contient une disposition sur la manière et le délai dans lequel un exercice doit être effectué.
L'ANSM décide de l'approbation du plan de sûreté dans les trente jours.
L'approbation est valable cinq ans.
Toute modification substantielle doit également être soumise au CLSM concerné et à l'ANSM pour approbation. Le Roi détermine, sur l'avis de l'ANSM, ce qui doit être considéré comme une modification substantielle.]1
Art. 2.5.2.65. [1 Tussentijdse evaluaties
§ 1. Het beveiligingsplan wordt door het MIK geëvalueerd:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de goedkeuring;
2° indien de beveiliging van het bouw- of kunstwerk of kabel of pijpleiding door een of meer ongeoorloofde acties niet meer kan gegarandeerd worden of er een vermoeden is dat deze niet meer gegarandeerd kan worden.
§ 2. Op basis van deze evaluatie kan de NAMB termijnen vaststellen waarbinnen een aanpassing van het beveiligingsplan moet worden ingediend overeenkomstig artikel 2.5.2.64 of het MIK een nieuwe beveiligingsbeoordeling moet uitvoeren.]1
§ 1. Het beveiligingsplan wordt door het MIK geëvalueerd:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de goedkeuring;
2° indien de beveiliging van het bouw- of kunstwerk of kabel of pijpleiding door een of meer ongeoorloofde acties niet meer kan gegarandeerd worden of er een vermoeden is dat deze niet meer gegarandeerd kan worden.
§ 2. Op basis van deze evaluatie kan de NAMB termijnen vaststellen waarbinnen een aanpassing van het beveiligingsplan moet worden ingediend overeenkomstig artikel 2.5.2.64 of het MIK een nieuwe beveiligingsbeoordeling moet uitvoeren.]1
Art.2.5.2.65. [1 Evaluations intermédiaires
§ 1er. Le plan de sûreté est évalué par le MIK :
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après l'approbation ;
2° si la sûreté de l'ouvrage de construction ou de génie civil ou du câble ou du pipeline ne peut plus être garantie en raison d'une ou plusieurs actions illicites ou s'il existe un soupçon qu'elle ne peut plus être garantie.
§ 2. Sur la base de cette évaluation, l'ANSM peut fixer des délais dans lesquels une adaptation du plan de sûreté doit être soumise conformément à l'article 2.5.2.64 ou le MIK doit procéder à une nouvelle évaluation de la sûreté.]1
§ 1er. Le plan de sûreté est évalué par le MIK :
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après l'approbation ;
2° si la sûreté de l'ouvrage de construction ou de génie civil ou du câble ou du pipeline ne peut plus être garantie en raison d'une ou plusieurs actions illicites ou s'il existe un soupçon qu'elle ne peut plus être garantie.
§ 2. Sur la base de cette évaluation, l'ANSM peut fixer des délais dans lesquels une adaptation du plan de sûreté doit être soumise conformément à l'article 2.5.2.64 ou le MIK doit procéder à une nouvelle évaluation de la sûreté.]1
Art. 2.5.2.66. [1 Onderrichtingen
De NAMB kan onderrichtingen geven voor :
1° de te volgen procedures door de exploitanten in het kader van de beveiliging;
2° de communicatie tussen de exploitanten, het MIK en de NAMB;
3° de standaarden voor de fysieke bescherming van de bouw- of kunstwerken, kabels of pijpleidingen;
4° de standaarden voor het houden van een permanent toezicht, met inbegrip van verlichting, beveiligingspersoneel en toegangsdetectieapparatuur en bewakingsapparatuur waaronder optische en thermische camera's;
5° het aanduiden van gebieden waarvoor bijkomende beperkingen gelden;
6° het voorkomen van ongeoorloofde acties;
7° de beeldvorming voor de overheid door middel van twee- en drie dimensionele plannen en beelden.]1
De NAMB kan onderrichtingen geven voor :
1° de te volgen procedures door de exploitanten in het kader van de beveiliging;
2° de communicatie tussen de exploitanten, het MIK en de NAMB;
3° de standaarden voor de fysieke bescherming van de bouw- of kunstwerken, kabels of pijpleidingen;
4° de standaarden voor het houden van een permanent toezicht, met inbegrip van verlichting, beveiligingspersoneel en toegangsdetectieapparatuur en bewakingsapparatuur waaronder optische en thermische camera's;
5° het aanduiden van gebieden waarvoor bijkomende beperkingen gelden;
6° het voorkomen van ongeoorloofde acties;
7° de beeldvorming voor de overheid door middel van twee- en drie dimensionele plannen en beelden.]1
Art.2.5.2.66. [1 Instructions
L'ANSM peut donner des instructions pour :
1° les procédures à suivre par les exploitants dans le cadre de la sûreté ;
2° la communication entre les exploitants, le MIK et l'ANSM ;
3° les normes de protection physique des ouvrages de construction ou de génie civil, des câbles ou des pipelines ;
4° les normes pour le maintien d'une surveillance permanente, y compris l'éclairage, le personnel de sûreté et les équipements de détection d'accès et de surveillance, notamment les caméras optiques et thermiques ;
5° la désignation de zones soumises à des restrictions supplémentaires ;
6° la prévention des actions illicites ;
7° l'imagerie pour l'autorité au moyen de plans et d'images en deux et trois dimensions.]1
L'ANSM peut donner des instructions pour :
1° les procédures à suivre par les exploitants dans le cadre de la sûreté ;
2° la communication entre les exploitants, le MIK et l'ANSM ;
3° les normes de protection physique des ouvrages de construction ou de génie civil, des câbles ou des pipelines ;
4° les normes pour le maintien d'une surveillance permanente, y compris l'éclairage, le personnel de sûreté et les équipements de détection d'accès et de surveillance, notamment les caméras optiques et thermiques ;
5° la désignation de zones soumises à des restrictions supplémentaires ;
6° la prévention des actions illicites ;
7° l'imagerie pour l'autorité au moyen de plans et d'images en deux et trois dimensions.]1
Art. 2.5.2.67. [1 Bekrachtiging
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in artikel 2.5.2.66 bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.]1
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in artikel 2.5.2.66 bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.]1
Art.2.5.2.67. [1 Ratification
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'article 2.5.2.66, les rendant ainsi obligatoires.]1
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'article 2.5.2.66, les rendant ainsi obligatoires.]1
Art. 2.5.2.68. [1 Oefening
In overleg met het MIK wordt de beveiliging van het bouw- of kunstwerk, de kabel of de pijpleiding getest overeenkomstig hetgeen werd vastgelegd in het beveiligingsplan.]1
In overleg met het MIK wordt de beveiliging van het bouw- of kunstwerk, de kabel of de pijpleiding getest overeenkomstig hetgeen werd vastgelegd in het beveiligingsplan.]1
Art.2.5.2.68. [1 Exercice
En concertation avec le MIK, la sûreté de l'ouvrage de construction ou de génie civil, du câble ou du pipeline est testée conformément à ce qui est prévu dans le plan de sûreté.]1
En concertation avec le MIK, la sûreté de l'ouvrage de construction ou de génie civil, du câble ou du pipeline est testée conformément à ce qui est prévu dans le plan de sûreté.]1
Afdeling 8. [1 - Erkende beveiligingsorganisaties en opleidingsinstanties]1
Section 8. [1 - Organismes de sûreté et organismes de formation reconnus]1
Onderafdeling 1. [1 - Erkende beveiligingsorganisatie]1
Sous-section 1re. [1 - Organisme de sûreté reconnu]1
Art. 2.5.2.69. [1 Aanvraag en voorwaarden
§ 1. Een onderneming die erkend wil worden als erkende beveiligingsorganisatie dient hiertoe een aanvraag in bij de Cel Maritieme Beveiliging.
Om als beveiligingsorganisatie erkend te worden moet de onderneming voldoen aan de bepalingen van betreffende ondernemingen voor veiligheidsadvies bedoeld in artikel 8 van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid en een vestigingseenheid hebben in België.
De erkenning geldt enkel voor opdrachten ten behoeve van Belgische havens of havenfaciliteiten, of Belgische schepen.
§ 2. Ondernemingen die gemachtigd zijn als erkende organisatie in uitvoering van artikel 2.2.3.15, § 2, moeten voor het uitvoeren van de taken bedoeld in artikel 2.5.2.75 geen aparte aanvraag indienen indien de machtiging tevens de ISPS-Code omvat. De Scheepvaartcontrole bezorgt elke wijziging in de lijst van erkende ondernemingen aan de NAMB.]1
§ 1. Een onderneming die erkend wil worden als erkende beveiligingsorganisatie dient hiertoe een aanvraag in bij de Cel Maritieme Beveiliging.
Om als beveiligingsorganisatie erkend te worden moet de onderneming voldoen aan de bepalingen van betreffende ondernemingen voor veiligheidsadvies bedoeld in artikel 8 van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid en een vestigingseenheid hebben in België.
De erkenning geldt enkel voor opdrachten ten behoeve van Belgische havens of havenfaciliteiten, of Belgische schepen.
§ 2. Ondernemingen die gemachtigd zijn als erkende organisatie in uitvoering van artikel 2.2.3.15, § 2, moeten voor het uitvoeren van de taken bedoeld in artikel 2.5.2.75 geen aparte aanvraag indienen indien de machtiging tevens de ISPS-Code omvat. De Scheepvaartcontrole bezorgt elke wijziging in de lijst van erkende ondernemingen aan de NAMB.]1
Art.2.5.2.69. [1 Demande et conditions
§ 1er. Une entreprise souhaitant être reconnue comme un organisme de sûreté reconnu doit soumettre une demande auprès de la Cellule de la Sûreté maritime.
Afin d'être reconnue comme un organisme de sûreté, l'entreprise doit satisfaire aux dispositions concernant les entreprises de consultance visées à l'article 8 de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière et avoir une unité d'établissement en Belgique.
La reconnaissance ne s'applique qu'aux missions effectuées pour le compte de ports ou installations portuaires belges, ou de navires belges.
§ 2. Les entreprises autorisées en tant qu'organisme reconnu conformément à l'article 2.2.3.15, § 2, n'ont pas besoin de soumettre une demande distincte pour effectuer les tâches visées à l'article 2.5.2.75 si l'autorisation couvre également le Code ISPS. Le Contrôle de la navigation transmet à l'ANSM toute modification de la liste des entreprises reconnues.]1
§ 1er. Une entreprise souhaitant être reconnue comme un organisme de sûreté reconnu doit soumettre une demande auprès de la Cellule de la Sûreté maritime.
Afin d'être reconnue comme un organisme de sûreté, l'entreprise doit satisfaire aux dispositions concernant les entreprises de consultance visées à l'article 8 de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière et avoir une unité d'établissement en Belgique.
La reconnaissance ne s'applique qu'aux missions effectuées pour le compte de ports ou installations portuaires belges, ou de navires belges.
§ 2. Les entreprises autorisées en tant qu'organisme reconnu conformément à l'article 2.2.3.15, § 2, n'ont pas besoin de soumettre une demande distincte pour effectuer les tâches visées à l'article 2.5.2.75 si l'autorisation couvre également le Code ISPS. Le Contrôle de la navigation transmet à l'ANSM toute modification de la liste des entreprises reconnues.]1
Art. 2.5.2.70. [1 Audit
De Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole voeren een audit uit waarbij de onderneming moet aantonen dat ze:
1° beschikt over deskundigheid op het gebied van relevante aspecten van havenbeveiliging;
2° de nodige kennis heeft van havenactiviteiten, waaronder kennis van het ontwerp en constructie van havens;
3° de nodige kennis van andere voor de beveiliging relevante activiteiten heeft die van invloed kunnen zijn op de havenbeveiliging;
4° in staat is om waarschijnlijke havenbeveiligingsrisico's te beoordelen;
5° in staat is om de deskundigheid van het personeel op het gebied van havenbeveiliging te onderhouden en te verbeteren;
6° in staat is om de blijvende betrouwbaarheid van het personeel te controleren;
7° in staat is om de nodige maatregelen te onderhouden ter voorkoming van de bekendmaking van of toegang tot gevoelig materiaal door onbevoegden;
8° kennis heeft van relevante internationale, Europese en Belgische regelgeving en beveiligingseisen;
9° kennis heeft van huidige bedreigingen met betrekking tot de beveiliging en patronen daarin;
10° kennis heeft van herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
11° kennis heeft van de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de havenbeveiliging kunnen bedreigen, zonder daarbij te discrimineren;
12° kennis heeft van de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
13° kennis heeft van beveiligings- en bewakingsapparatuur en -systemen en van de beperking van de functies ervan;
14° kennis heeft van het voorkomen van ongeoorloofde acties en het opstellen van maatregelen ter voorkoming van ongeoorloofde acties.]1
De Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole voeren een audit uit waarbij de onderneming moet aantonen dat ze:
1° beschikt over deskundigheid op het gebied van relevante aspecten van havenbeveiliging;
2° de nodige kennis heeft van havenactiviteiten, waaronder kennis van het ontwerp en constructie van havens;
3° de nodige kennis van andere voor de beveiliging relevante activiteiten heeft die van invloed kunnen zijn op de havenbeveiliging;
4° in staat is om waarschijnlijke havenbeveiligingsrisico's te beoordelen;
5° in staat is om de deskundigheid van het personeel op het gebied van havenbeveiliging te onderhouden en te verbeteren;
6° in staat is om de blijvende betrouwbaarheid van het personeel te controleren;
7° in staat is om de nodige maatregelen te onderhouden ter voorkoming van de bekendmaking van of toegang tot gevoelig materiaal door onbevoegden;
8° kennis heeft van relevante internationale, Europese en Belgische regelgeving en beveiligingseisen;
9° kennis heeft van huidige bedreigingen met betrekking tot de beveiliging en patronen daarin;
10° kennis heeft van herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
11° kennis heeft van de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de havenbeveiliging kunnen bedreigen, zonder daarbij te discrimineren;
12° kennis heeft van de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
13° kennis heeft van beveiligings- en bewakingsapparatuur en -systemen en van de beperking van de functies ervan;
14° kennis heeft van het voorkomen van ongeoorloofde acties en het opstellen van maatregelen ter voorkoming van ongeoorloofde acties.]1
Art.2.5.2.70. [1 Audit
La Cellule de la Sûreté maritime et le Contrôle de la navigation effectuent un audit, au cours duquel l'entreprise doit démontrer qu'elle :
1° dispose d'une expertise des aspects pertinents en terme de sûreté portuaire ;
2° a la connaissance nécessaire des activités portuaires, notamment de la conception et de la construction de ports ;
3° a la connaissance nécessaire des autres activités pertinentes liées à la sûreté qui peuvent avoir une influence sur la sûreté portuaire ;
4° est capable d'évaluer les risques probables liés à la sûreté portuaire ;
5° est capable de maintenir et d'améliorer l'expertise du personnel en terme de sûreté portuaire ;
6° est capable de vérifier la fiabilité continue du personnel ;
7° est capable de maintenir les mesures nécessaires visant à prévenir la divulgation ou l'accès non autorisé à du matériel sensible ;
8° a une connaissance des réglementations internationales, européennes et belges pertinentes et des exigences de sûreté ;
9° a une connaissance des menaces actuelles en matière de sûreté et de leurs modèles ;
10° a des connaissances en matière de reconnaissance et de détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
11° a des connaissances en matière de reconnaissance, sans discrimination, des caractéristiques et des modèles de comportement des personnes qui peuvent menacer la sûreté portuaire ;
12° a une connaissance des techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
13° a une connaissance des équipements et systèmes de sûreté et de surveillance et de la limitation de leurs fonctions ;
14° a une connaissance de la prévention des actions illicites et de l'élaboration de mesures visant à prévenir les actions illicites.]1
La Cellule de la Sûreté maritime et le Contrôle de la navigation effectuent un audit, au cours duquel l'entreprise doit démontrer qu'elle :
1° dispose d'une expertise des aspects pertinents en terme de sûreté portuaire ;
2° a la connaissance nécessaire des activités portuaires, notamment de la conception et de la construction de ports ;
3° a la connaissance nécessaire des autres activités pertinentes liées à la sûreté qui peuvent avoir une influence sur la sûreté portuaire ;
4° est capable d'évaluer les risques probables liés à la sûreté portuaire ;
5° est capable de maintenir et d'améliorer l'expertise du personnel en terme de sûreté portuaire ;
6° est capable de vérifier la fiabilité continue du personnel ;
7° est capable de maintenir les mesures nécessaires visant à prévenir la divulgation ou l'accès non autorisé à du matériel sensible ;
8° a une connaissance des réglementations internationales, européennes et belges pertinentes et des exigences de sûreté ;
9° a une connaissance des menaces actuelles en matière de sûreté et de leurs modèles ;
10° a des connaissances en matière de reconnaissance et de détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
11° a des connaissances en matière de reconnaissance, sans discrimination, des caractéristiques et des modèles de comportement des personnes qui peuvent menacer la sûreté portuaire ;
12° a une connaissance des techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
13° a une connaissance des équipements et systèmes de sûreté et de surveillance et de la limitation de leurs fonctions ;
14° a une connaissance de la prévention des actions illicites et de l'élaboration de mesures visant à prévenir les actions illicites.]1
Art. 2.5.2.71. [1 Erkenning
De NAMB beslist over de erkenning op advies van de Cel Maritieme Beveiliging op grond van de audit. Een erkenning geldt voor een periode van 5 jaar.]1
De NAMB beslist over de erkenning op advies van de Cel Maritieme Beveiliging op grond van de audit. Een erkenning geldt voor een periode van 5 jaar.]1
Art.2.5.2.71. [1 Reconnaissance
L'ANSM décide de la reconnaissance sur l'avis de la Cellule de la Sûreté maritime sur la base de l'audit. La reconnaissance est valable pour une période de 5 ans.]1
L'ANSM décide de la reconnaissance sur l'avis de la Cellule de la Sûreté maritime sur la base de l'audit. La reconnaissance est valable pour une période de 5 ans.]1
Art. 2.5.2.72. [1 Intrekking
De NAMB kan de erkenning van de beveiligingsorganisatie intrekken indien vastgesteld wordt dat deze niet meer voldoet aan de voorwaarden of niet langer kan aantonen dat ze beschikt over de elementen uit artikel 2.5.2.70.]1
De NAMB kan de erkenning van de beveiligingsorganisatie intrekken indien vastgesteld wordt dat deze niet meer voldoet aan de voorwaarden of niet langer kan aantonen dat ze beschikt over de elementen uit artikel 2.5.2.70.]1
Art.2.5.2.72. [1 Retrait
L'ANSM peut retirer la reconnaissance de l'organisme de sûreté s'il est établi qu'il ne satisfait plus aux conditions ou ne peut plus démontrer qu'elle dispose des éléments visés à l'article 2.5.2.70.]1
L'ANSM peut retirer la reconnaissance de l'organisme de sûreté s'il est établi qu'il ne satisfait plus aux conditions ou ne peut plus démontrer qu'elle dispose des éléments visés à l'article 2.5.2.70.]1
Art. 2.5.2.73. [1 Tussentijdse evaluatie
§ 1. De Cel Maritieme Beveiliging voert een tussentijdse evaluatie uit bij de erkende beveiligingsorganisatie:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de erkenning;
2° indien verscheidene beveiligingsincidenten of ongeoorloofde acties worden vastgesteld op havenfaciliteiten of aan boord van zeeschepen waarvoor de erkende beveiligingsorganisatie opdrachten uitvoert;
3° indien het vermoeden bestaat dat de erkende beveiligingsorganisatie de taken uitvoert op een wijze die de beveiliging in het gedrang kan brengen.
§ 2. Op basis van deze evaluatie kan de NAMB:
1° overgaan tot de intrekking overeenkomstig artikel 2.5.2.72.
2° maatregelen vaststellen met het oog op het wegwerken van tekortkomingen en termijnen bepalen waarbinnen de erkende onderneming aan deze maatregelen moet voldoen.]1
§ 1. De Cel Maritieme Beveiliging voert een tussentijdse evaluatie uit bij de erkende beveiligingsorganisatie:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de erkenning;
2° indien verscheidene beveiligingsincidenten of ongeoorloofde acties worden vastgesteld op havenfaciliteiten of aan boord van zeeschepen waarvoor de erkende beveiligingsorganisatie opdrachten uitvoert;
3° indien het vermoeden bestaat dat de erkende beveiligingsorganisatie de taken uitvoert op een wijze die de beveiliging in het gedrang kan brengen.
§ 2. Op basis van deze evaluatie kan de NAMB:
1° overgaan tot de intrekking overeenkomstig artikel 2.5.2.72.
2° maatregelen vaststellen met het oog op het wegwerken van tekortkomingen en termijnen bepalen waarbinnen de erkende onderneming aan deze maatregelen moet voldoen.]1
Art.2.5.2.73. [1 Evaluation intermédiaire
§ 1er. La Cellule de la Sûreté maritime procède à une évaluation intermédiaire de l'organisme de sûreté reconnu :
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après la reconnaissance ;
2° si plusieurs incidents de sûreté ou actions illicites sont constatés dans les installations portuaires ou à bord des navires de mer pour lesquels l'organisme de sûreté reconnu effectue des missions ;
3° s'il existe un soupçon que l'organisme de sûreté reconnu effectue les tâches d'une manière qui pourrait compromettre la sûreté.
Sur la base de cette évaluation, l'ANSM peut :
1° procéder au retrait conformément à l'article 2.5.2.72 ;
2° établir des mesures en vue de remédier aux déficiences et déterminer des délais pour que l'organisme reconnu satisfasse à ces mesures.]1
§ 1er. La Cellule de la Sûreté maritime procède à une évaluation intermédiaire de l'organisme de sûreté reconnu :
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après la reconnaissance ;
2° si plusieurs incidents de sûreté ou actions illicites sont constatés dans les installations portuaires ou à bord des navires de mer pour lesquels l'organisme de sûreté reconnu effectue des missions ;
3° s'il existe un soupçon que l'organisme de sûreté reconnu effectue les tâches d'une manière qui pourrait compromettre la sûreté.
Sur la base de cette évaluation, l'ANSM peut :
1° procéder au retrait conformément à l'article 2.5.2.72 ;
2° établir des mesures en vue de remédier aux déficiences et déterminer des délais pour que l'organisme reconnu satisfasse à ces mesures.]1
Art. 2.5.2.74. [1 Onverenigbaarheden
Een erkende beveiligingsorganisatie die meegewerkt heeft aan het opstellen of evalueren van een beveiligingsbeoordeling, mag niet betrokken zijn bij de opstelling, evaluatie of ander werk inzake het beveiligingsplan.
Indien de PFSO een professionele band heeft met een erkende beveiligingsorganisatie, mag deze erkende beveiligingsorganisatie geen taken als bewakingsonderneming bedoeld in artikel 4 van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid uitvoeren op de havenfaciliteit waarvoor de PFSO verantwoordelijk is.]1
Een erkende beveiligingsorganisatie die meegewerkt heeft aan het opstellen of evalueren van een beveiligingsbeoordeling, mag niet betrokken zijn bij de opstelling, evaluatie of ander werk inzake het beveiligingsplan.
Indien de PFSO een professionele band heeft met een erkende beveiligingsorganisatie, mag deze erkende beveiligingsorganisatie geen taken als bewakingsonderneming bedoeld in artikel 4 van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid uitvoeren op de havenfaciliteit waarvoor de PFSO verantwoordelijk is.]1
Art.2.5.2.74. [1 Incompatibilités
Un organisme de sûreté reconnu qui a participé à l'élaboration ou à l'évaluation d'une évaluation de la sûreté ne peut pas être impliqué dans l'élaboration, l'évaluation ou d'autres travaux relatif au plan de sûreté.
Si le PFSO a une relation professionnelle avec un organisme de sûreté reconnu, cet organisme de sûreté reconnu ne peut pas effectuer les tâches comme entreprise de gardiennage visée à l'article 4 de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière sur l'installation portuaire dont le PFSO est responsable.]1
Un organisme de sûreté reconnu qui a participé à l'élaboration ou à l'évaluation d'une évaluation de la sûreté ne peut pas être impliqué dans l'élaboration, l'évaluation ou d'autres travaux relatif au plan de sûreté.
Si le PFSO a une relation professionnelle avec un organisme de sûreté reconnu, cet organisme de sûreté reconnu ne peut pas effectuer les tâches comme entreprise de gardiennage visée à l'article 4 de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière sur l'installation portuaire dont le PFSO est responsable.]1
Art. 2.5.2.75. [1 Bevoegdheden
Een erkende beveiligingsorganisatie kan:
1° meewerken aan het opstellen van een beveiligingsbeoordeling;
2° beveiligingsplannen voor havens en havenfaciliteiten opstellen, analyseren en hierover aanbevelingen formuleren;
3° opleidingen geven en examens voor PFSO's afnemen;
4° een PFSO ter beschikking stellen van één of meerdere havenfaciliteiten;
5° fungeren als verwerkingsverantwoordelijke zoals bedoeld in artikel 2.5.2.91;
6° het scheepsbeveiligingsplan goedkeuren.]1
Een erkende beveiligingsorganisatie kan:
1° meewerken aan het opstellen van een beveiligingsbeoordeling;
2° beveiligingsplannen voor havens en havenfaciliteiten opstellen, analyseren en hierover aanbevelingen formuleren;
3° opleidingen geven en examens voor PFSO's afnemen;
4° een PFSO ter beschikking stellen van één of meerdere havenfaciliteiten;
5° fungeren als verwerkingsverantwoordelijke zoals bedoeld in artikel 2.5.2.91;
6° het scheepsbeveiligingsplan goedkeuren.]1
Art.2.5.2.75. [1 Compétences
Un organisme de sûreté reconnu peut :
1° collaborer à l'élaboration d'une évaluation de la sûreté ;
2° élaborer, analyser et faire des recommandations sur les plans de sûreté des ports et des installations portuaires ;
3° dispenser des formations et faire passer des examens aux PFSO ;
4° mettre un PFSO à la disposition d'une ou plusieurs installations portuaires ;
5° faire office de responsable du traitement tel que visé à l'article 2.5.2.91 ;
6° approuver le plan de sûreté du navire.]1
Un organisme de sûreté reconnu peut :
1° collaborer à l'élaboration d'une évaluation de la sûreté ;
2° élaborer, analyser et faire des recommandations sur les plans de sûreté des ports et des installations portuaires ;
3° dispenser des formations et faire passer des examens aux PFSO ;
4° mettre un PFSO à la disposition d'une ou plusieurs installations portuaires ;
5° faire office de responsable du traitement tel que visé à l'article 2.5.2.91 ;
6° approuver le plan de sûreté du navire.]1
Onderafdeling 2. [1 - Goedgekeurde opleidingsinstantie]1
Sous-section 2. [1 - Approbation de l'organisme de formation]1
Art. 2.5.2.76. [1 Goedkeuring
Een door een Gemeenschap erkende opleidingsinstantie kan na goedkeuring door de NAMB de opleidingen bedoeld in dit hoofdstuk geven.]1
Een door een Gemeenschap erkende opleidingsinstantie kan na goedkeuring door de NAMB de opleidingen bedoeld in dit hoofdstuk geven.]1
Art.2.5.2.76. [1 Approbation
Un organisme de formation reconnu par une Communauté peut, après approbation de l'ANSM, dispenser les formations visées au présent chapitre.]1
Un organisme de formation reconnu par une Communauté peut, après approbation de l'ANSM, dispenser les formations visées au présent chapitre.]1
Afdeling 9. [1 - ISPS-platform]1
Section 9. [1 - Plateforme ISPS]1
Art. 2.5.2.77. [1 Toepassingsgebied
Deze afdeling regelt de elektronische informatie-uitwisseling tussen alle actoren betrokken bij de maritieme beveiliging voor de uitvoering van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten en de opslag van de informatie.]1
Deze afdeling regelt de elektronische informatie-uitwisseling tussen alle actoren betrokken bij de maritieme beveiliging voor de uitvoering van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten en de opslag van de informatie.]1
Art.2.5.2.77. [1 Champ d'application
La présente section règle l'échange d'informations électroniques entre tous les acteurs concernés par la sûreté maritime pour la mise en oeuvre du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution ainsi que le stockage des informations.]1
La présente section règle l'échange d'informations électroniques entre tous les acteurs concernés par la sûreté maritime pour la mise en oeuvre du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution ainsi que le stockage des informations.]1
Art. 2.5.2.78. [1 Oprichting van het ISPS-platform
§ 1. Er wordt een ISPS-platform opgericht.
De doelstellingen van het ISPS-platform zijn:
1° de opslag, opvolging en goedkeuring van alle in dit hoofdstuk vermelde beveiligingsbeoordelingen;
2° de opslag, opvolging en goedkeuring van alle in dit hoofdstuk vermelde beveiligingsplannen;
3° het melden, opslaan en opvolgen van beveiligingsincidenten;
4° het melden, opslaan en opvolgen van oefeningen;
5° het uitwisselen van informatie tussen de betrokken actoren;
6° het ingeven, opslaan en opvolgen van inspectierapporten door de verschillende diensten;
7° het elektronisch uitreiken en bijhouden van de verschillende certificaten;
8° het generen van de rapporten aan de IMO en de Europese Commissie;
9° het afbakenen van de havens [2 , de havenfaciliteiten en de terminals gelegen in het binnenland]2 door middel van een GIS-component;
10° het uitvoeren van risicoanalyses op alle aanwezige data;
11° het visualiseren van de havens, havenfaciliteiten en schepen door middel van 2D, 3D en GIS-data;
12° het automatiseren van de verschaffing van de beveiligingsinformatie door vreemde schepen;
13° de opslag van de gegevens van de toegangscontrole;
14° het opslaan van de gegevens om het naleven te controleren van het verbod bedoeld in artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen en artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
15° het opslaan van de gegevens om het naleven te controleren van het verbod dat personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen;
16° het bijhouden van de veiligheidsverificaties en aanvragen vereist door dit hoofdstuk;
17° het bijhouden van de lijst van leden van de NAMB, LCMB en Cel Maritieme beveiliging, en de PFSO's [2 , CSO's, BFSO en exploitanten van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging]2;
[2 18° het bijhouden van de lijst van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging.]2
§ 2. De toegang tot de gegevens onder 1° tot en met 7°, 9° tot en met 11° en 13° tot en met [2 18°]2 is beperkt tot de leden van de NAMB, de Cel Maritieme Beveiliging [2 , de Scheepvaartpolitie]2 en de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4..4, en tot de leden van de LCMB's voor de haven en havenfaciliteiten die onder hun bevoegdheid vallen, en tot de PFSO voor de eigen havenfaciliteit.
De toegang tot de gegevens onder 8° is beperkt tot de leden van de NAMB en de Cel Maritieme Beveiliging.
De toegang tot de gegevens onder 12° is beperkt tot de leden van de NAMB en de Cel Maritieme Beveiliging [2 , de Scheepvaartpolitie]2 en de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4.]1
§ 1. Er wordt een ISPS-platform opgericht.
De doelstellingen van het ISPS-platform zijn:
1° de opslag, opvolging en goedkeuring van alle in dit hoofdstuk vermelde beveiligingsbeoordelingen;
2° de opslag, opvolging en goedkeuring van alle in dit hoofdstuk vermelde beveiligingsplannen;
3° het melden, opslaan en opvolgen van beveiligingsincidenten;
4° het melden, opslaan en opvolgen van oefeningen;
5° het uitwisselen van informatie tussen de betrokken actoren;
6° het ingeven, opslaan en opvolgen van inspectierapporten door de verschillende diensten;
7° het elektronisch uitreiken en bijhouden van de verschillende certificaten;
8° het generen van de rapporten aan de IMO en de Europese Commissie;
9° het afbakenen van de havens [2 , de havenfaciliteiten en de terminals gelegen in het binnenland]2 door middel van een GIS-component;
10° het uitvoeren van risicoanalyses op alle aanwezige data;
11° het visualiseren van de havens, havenfaciliteiten en schepen door middel van 2D, 3D en GIS-data;
12° het automatiseren van de verschaffing van de beveiligingsinformatie door vreemde schepen;
13° de opslag van de gegevens van de toegangscontrole;
14° het opslaan van de gegevens om het naleven te controleren van het verbod bedoeld in artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen en artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
15° het opslaan van de gegevens om het naleven te controleren van het verbod dat personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen;
16° het bijhouden van de veiligheidsverificaties en aanvragen vereist door dit hoofdstuk;
17° het bijhouden van de lijst van leden van de NAMB, LCMB en Cel Maritieme beveiliging, en de PFSO's [2 , CSO's, BFSO en exploitanten van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging]2;
[2 18° het bijhouden van de lijst van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging.]2
§ 2. De toegang tot de gegevens onder 1° tot en met 7°, 9° tot en met 11° en 13° tot en met [2 18°]2 is beperkt tot de leden van de NAMB, de Cel Maritieme Beveiliging [2 , de Scheepvaartpolitie]2 en de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4..4, en tot de leden van de LCMB's voor de haven en havenfaciliteiten die onder hun bevoegdheid vallen, en tot de PFSO voor de eigen havenfaciliteit.
De toegang tot de gegevens onder 8° is beperkt tot de leden van de NAMB en de Cel Maritieme Beveiliging.
De toegang tot de gegevens onder 12° is beperkt tot de leden van de NAMB en de Cel Maritieme Beveiliging [2 , de Scheepvaartpolitie]2 en de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4.]1
Art.2.5.2.78.[1 Création de la plateforme ISPS
§ 1er. Une plateforme ISPS est créée.
Les objectifs de la plateforme ISPS sont :
1° le stockage, le suivi et l'approbation de toutes les évaluations de la sûreté mentionnées dans le présent chapitre ;
2° le stockage, le suivi et l'approbation de tous les plans de sûreté mentionnés dans le présent chapitre ;
3° le signalement, l'enregistrement et le suivi des incidents de sûreté ;
4° le signalement, l'enregistrement et le suivi des exercices ;
5° l'échange d'informations entre les acteurs concernés ;
6° la saisie, l'enregistrement et le suivi des rapports d'inspection par les différents services ;
7° la délivrance et la mise à jour électronique des différents certificats ;
8° la génération de rapports à l'OMI et à la Commission européenne ;
9° la délimitation des ports [2 , des installations portuaires et des terminaux intérieurs]2 au moyen d'un composant SIG ;
10° la réalisation d'analyses des risques sur toutes les données disponibles ;
11° la visualisation des ports, installations portuaires et navires au moyen de données 2D, 3D et SIG ;
12° l'automatisation et la fourniture des informations de sûreté par les navires étrangers ;
13° le stockage des données du contrôle d'accès ;
14° l'enregistrement des données pour vérifier le respect de l'interdiction visée à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes et à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation ;
15° l'enregistrement des données pour vérifier le respect de l'interdiction imposée aux personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, ont reçu la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire ;
16° la mise à jour des vérifications de sûreté et des demandes requises par le présent chapitre ;
17° la mise à jour de la liste des membres de l'ANSM, du CLSM et de la Cellule de la Sûreté maritime, et les PFSO [2 , les CSO, les BFSO et les exploitants d'unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]2;
[2 18° la mise à jour de la liste des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime.]2
§ 2. L'accès aux données du 1° au 7°, du 9° au 11° et du 13° au [2 18°]2 est limité aux membres de l'ANSM, de la Cellule de la Sûreté maritime [2 , de la police de la navigation]2 et des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4, et aux membres du CLSM pour le port et les installations portuaires relevant de leur compétence, et au PFSO pour sa propre installation portuaire.
L'accès aux données du 8° est limité aux membres de l'ANSM et de la Cellule de la Sûreté maritime.
L'accès aux données du 12° est limité aux membres de l'ANSM, de la Cellule de la Sûreté maritime [2 , de la police de la navigation]2 et des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4.]1
§ 1er. Une plateforme ISPS est créée.
Les objectifs de la plateforme ISPS sont :
1° le stockage, le suivi et l'approbation de toutes les évaluations de la sûreté mentionnées dans le présent chapitre ;
2° le stockage, le suivi et l'approbation de tous les plans de sûreté mentionnés dans le présent chapitre ;
3° le signalement, l'enregistrement et le suivi des incidents de sûreté ;
4° le signalement, l'enregistrement et le suivi des exercices ;
5° l'échange d'informations entre les acteurs concernés ;
6° la saisie, l'enregistrement et le suivi des rapports d'inspection par les différents services ;
7° la délivrance et la mise à jour électronique des différents certificats ;
8° la génération de rapports à l'OMI et à la Commission européenne ;
9° la délimitation des ports [2 , des installations portuaires et des terminaux intérieurs]2 au moyen d'un composant SIG ;
10° la réalisation d'analyses des risques sur toutes les données disponibles ;
11° la visualisation des ports, installations portuaires et navires au moyen de données 2D, 3D et SIG ;
12° l'automatisation et la fourniture des informations de sûreté par les navires étrangers ;
13° le stockage des données du contrôle d'accès ;
14° l'enregistrement des données pour vérifier le respect de l'interdiction visée à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes et à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation ;
15° l'enregistrement des données pour vérifier le respect de l'interdiction imposée aux personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, ont reçu la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire ;
16° la mise à jour des vérifications de sûreté et des demandes requises par le présent chapitre ;
17° la mise à jour de la liste des membres de l'ANSM, du CLSM et de la Cellule de la Sûreté maritime, et les PFSO [2 , les CSO, les BFSO et les exploitants d'unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]2;
[2 18° la mise à jour de la liste des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime.]2
§ 2. L'accès aux données du 1° au 7°, du 9° au 11° et du 13° au [2 18°]2 est limité aux membres de l'ANSM, de la Cellule de la Sûreté maritime [2 , de la police de la navigation]2 et des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4, et aux membres du CLSM pour le port et les installations portuaires relevant de leur compétence, et au PFSO pour sa propre installation portuaire.
L'accès aux données du 8° est limité aux membres de l'ANSM et de la Cellule de la Sûreté maritime.
L'accès aux données du 12° est limité aux membres de l'ANSM, de la Cellule de la Sûreté maritime [2 , de la police de la navigation]2 et des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4.]1
Art. 2.5.2.79. [1 Financiering
De kredieten die vereist zijn voor de oprichting en de werking van het ISPS-Platform worden ingeschreven op de begroting van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
Om gebruik te kunnen maken van het ISPS-platform voor de doelstellingen bedoeld in artikel 2.5.2.78, 13°, 14°, 15° en 16° kan de Koning een retributie bepalen en de modaliteiten hiervoor vaststellen.]1
De kredieten die vereist zijn voor de oprichting en de werking van het ISPS-Platform worden ingeschreven op de begroting van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
Om gebruik te kunnen maken van het ISPS-platform voor de doelstellingen bedoeld in artikel 2.5.2.78, 13°, 14°, 15° en 16° kan de Koning een retributie bepalen en de modaliteiten hiervoor vaststellen.]1
Art.2.5.2.79. [1 Financement
Les crédits nécessaires à la création et le fonctionnement de la plateforme ISPS sont inscrits au budget de la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports.
Afin de pouvoir utiliser la plateforme ISPS pour les objectifs visés à l'article 2.5.2.78, 13°, 14°, 15° et 16°, le Roi peut déterminer une redevance et en fixer les modalités.]1
Les crédits nécessaires à la création et le fonctionnement de la plateforme ISPS sont inscrits au budget de la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports.
Afin de pouvoir utiliser la plateforme ISPS pour les objectifs visés à l'article 2.5.2.78, 13°, 14°, 15° et 16°, le Roi peut déterminer une redevance et en fixer les modalités.]1
Art. 2.5.2.80. [1 Beheer
§ 1. De NAMB fungeert als beheerscomité voor het ISPS-platform.
De minister is belast met de goede werking van het ISPS-platform.
§ 2. De NAMB beschikt over de volgende bevoegdheden met betrekking tot het ISPS-platform:
1° het ISPS-platform beheren;
2° elk initiatief nemen dat kan bijdragen tot de doeltreffendheid van de veilige werking van het ISPS-platform;
3° elk initiatief nemen tot aanpassing van het ISPS-platform aan de wijzigingen op wetgevend, regelgevend en technologisch vlak;
4° de bevoegde minister in kennis stellen van de middelen die vereist zijn voor de goede werking van het ISPS-platform;
5° jaarlijks aan de bevoegde minister de budgettaire ramingen meedelen met betrekking tot de kostprijs voor de werking en het onderhoud van het ISPS-platform, daarin inbegrepen de kostprijs van de in het systeem opgeslagen systemen;
6° akkoorden sluiten met betrekking tot de diensten die vereist zijn voor het beheer van het ISPS-platform;
7° advies verlenen op eigen initiatief of op verzoek van de bevoegde ministers met betrekking tot wetgevende en andere initiatieven die van invloed zijn op de werking van het ISPS-platform.]1
§ 1. De NAMB fungeert als beheerscomité voor het ISPS-platform.
De minister is belast met de goede werking van het ISPS-platform.
§ 2. De NAMB beschikt over de volgende bevoegdheden met betrekking tot het ISPS-platform:
1° het ISPS-platform beheren;
2° elk initiatief nemen dat kan bijdragen tot de doeltreffendheid van de veilige werking van het ISPS-platform;
3° elk initiatief nemen tot aanpassing van het ISPS-platform aan de wijzigingen op wetgevend, regelgevend en technologisch vlak;
4° de bevoegde minister in kennis stellen van de middelen die vereist zijn voor de goede werking van het ISPS-platform;
5° jaarlijks aan de bevoegde minister de budgettaire ramingen meedelen met betrekking tot de kostprijs voor de werking en het onderhoud van het ISPS-platform, daarin inbegrepen de kostprijs van de in het systeem opgeslagen systemen;
6° akkoorden sluiten met betrekking tot de diensten die vereist zijn voor het beheer van het ISPS-platform;
7° advies verlenen op eigen initiatief of op verzoek van de bevoegde ministers met betrekking tot wetgevende en andere initiatieven die van invloed zijn op de werking van het ISPS-platform.]1
Art.2.5.2.80. [1 Gestion
§ 1er. L'ANSM agit comme comité de gestion de la plateforme ISPS
Le ministre est chargé du bon fonctionnement de la plateforme ISPS.
§ 2. L'ANSM dispose des compétences suivantes en ce qui concerne la plateforme ISPS :
1° gérer la plateforme ISPS ;
2° prendre toute initiative pouvant contribuer à l'efficacité du fonctionnement sûr de la plateforme ISPS ;
3° prendre toute initiative pour adapter la plateforme ISPS aux modifications sur le plan législatif, réglementaire et technologique ;
4° notifier au ministre compétent les moyens nécessaires au bon fonctionnement de la plateforme ISPS ;
5° communiquer annuellement au ministre compétent les estimations budgétaires en matière de coûts de fonctionnement et de maintenance de la plateforme ISPS, y compris le coût des systèmes qui y sont stockés ;
6° conclure des accords en ce qui concerne les services nécessaires pour la gestion de la plateforme ISPS ;
7° octroyer des avis, de sa propre initiative ou à la demande des ministres compétents, en ce qui concerne les initiatives législatives et autres qui ont une incidence sur le fonctionnement de la plateforme ISPS.]1
§ 1er. L'ANSM agit comme comité de gestion de la plateforme ISPS
Le ministre est chargé du bon fonctionnement de la plateforme ISPS.
§ 2. L'ANSM dispose des compétences suivantes en ce qui concerne la plateforme ISPS :
1° gérer la plateforme ISPS ;
2° prendre toute initiative pouvant contribuer à l'efficacité du fonctionnement sûr de la plateforme ISPS ;
3° prendre toute initiative pour adapter la plateforme ISPS aux modifications sur le plan législatif, réglementaire et technologique ;
4° notifier au ministre compétent les moyens nécessaires au bon fonctionnement de la plateforme ISPS ;
5° communiquer annuellement au ministre compétent les estimations budgétaires en matière de coûts de fonctionnement et de maintenance de la plateforme ISPS, y compris le coût des systèmes qui y sont stockés ;
6° conclure des accords en ce qui concerne les services nécessaires pour la gestion de la plateforme ISPS ;
7° octroyer des avis, de sa propre initiative ou à la demande des ministres compétents, en ce qui concerne les initiatives législatives et autres qui ont une incidence sur le fonctionnement de la plateforme ISPS.]1
Art. 2.5.2.81. [1 Controle op het havenverbod
Om toegang te krijgen tot een havenfaciliteit moet aan de ingang gecontroleerd worden of de persoon die toegang wenst te krijgen is opgenomen in het ISPS-platform als een persoon voor wie een verbod overeenkomstig artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek werd opgelegd of aan wie krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven werd opgelegd.
De Koning bepaalt de modaliteiten van en de werking van het ISPS-platform voor de controle bedoeld in het eerste lid.]1
Om toegang te krijgen tot een havenfaciliteit moet aan de ingang gecontroleerd worden of de persoon die toegang wenst te krijgen is opgenomen in het ISPS-platform als een persoon voor wie een verbod overeenkomstig artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek werd opgelegd of aan wie krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven werd opgelegd.
De Koning bepaalt de modaliteiten van en de werking van het ISPS-platform voor de controle bedoeld in het eerste lid.]1
Art.2.5.2.81. [1 Contrôle sur l'interdiction portuaire
Afin d'avoir accès à une installation portuaire, il faut vérifier à l'entrée si la personne qui souhaite y accéder figure sur la plateforme ISPS en tant que personne à laquelle une interdiction a été imposée conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation, ou à laquelle en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire a été imposée.
Le Roi détermine les modalités et le fonctionnement de la plateforme ISPS pour le contrôle visé à l'alinéa 1er.]1
Afin d'avoir accès à une installation portuaire, il faut vérifier à l'entrée si la personne qui souhaite y accéder figure sur la plateforme ISPS en tant que personne à laquelle une interdiction a été imposée conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation, ou à laquelle en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire a été imposée.
Le Roi détermine les modalités et le fonctionnement de la plateforme ISPS pour le contrôle visé à l'alinéa 1er.]1
Afdeling 10. [1 - Gegevensbescherming]1
Section 10. [1 - Protection des données]1
Onderafdeling 1. [1 - Camerabeelden]1
Sous-section 1re. [1 - Images de caméra]1
Art. 2.5.2.82. [1 Bewakingscamera's
Bewakingscamera's die geïnstalleerd worden door de exploitanten [2 van havenfaciliteiten, terminals gelegen in het binnenland of vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging]2 moeten voldoen aan de bepalingen van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's.]1
[2 Camera's die geïnstalleerd worden door de havenkapiteinsdiensten moeten voldoen aan de bepalingen van het hoofdstuk 4 van deze titel.]2
Bewakingscamera's die geïnstalleerd worden door de exploitanten [2 van havenfaciliteiten, terminals gelegen in het binnenland of vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging]2 moeten voldoen aan de bepalingen van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's.]1
[2 Camera's die geïnstalleerd worden door de havenkapiteinsdiensten moeten voldoen aan de bepalingen van het hoofdstuk 4 van deze titel.]2
Art.2.5.2.82.[1 Caméras de surveillance
Les caméras de surveillance installées par les exploitants [2 , des installations portuaires, des terminaux intérieurs ou des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]2 doivent être conformes aux dispositions de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance.]1
[2 Les caméras installées par les capitaineries des ports doivent être conformes aux dispositions du chapitre 4 du présent titre.]2
Les caméras de surveillance installées par les exploitants [2 , des installations portuaires, des terminaux intérieurs ou des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]2 doivent être conformes aux dispositions de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance.]1
[2 Les caméras installées par les capitaineries des ports doivent être conformes aux dispositions du chapitre 4 du présent titre.]2
Art. 2.5.2.83. [1 Intelligente camera's
§ 1. Het plaatsen van intelligente camera's met het oog op de automatische nummerplaatherkenning door de [2 exploitanten van havenfaciliteiten of terminals gelegen in het binnenland]2 is toegelaten waarbij het gebruik van deze camera's en de toegang tot de gegevens geregeld wordt overeenkomstig de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's .
In afwijking van artikel 8/1 van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's is het gebruik van intelligente bewakingscamera's toegelaten met het oog op de automatische herkenning van vaartuigen.
§ 2. Het gebruik van intelligente camera's overeenkomstig paragraaf 1 is toegelaten, op voorwaarde dat het plaatsing en het gebruik zijn opgenomen in het beveiligingsplan, om de naleving van de ISPS-verordening, de ISPS-Code en dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten te controleren, evenals het voorkomen van ongeoorloofde acties en het garanderen van de maritieme beveiliging.]1
§ 1. Het plaatsen van intelligente camera's met het oog op de automatische nummerplaatherkenning door de [2 exploitanten van havenfaciliteiten of terminals gelegen in het binnenland]2 is toegelaten waarbij het gebruik van deze camera's en de toegang tot de gegevens geregeld wordt overeenkomstig de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's .
In afwijking van artikel 8/1 van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's is het gebruik van intelligente bewakingscamera's toegelaten met het oog op de automatische herkenning van vaartuigen.
§ 2. Het gebruik van intelligente camera's overeenkomstig paragraaf 1 is toegelaten, op voorwaarde dat het plaatsing en het gebruik zijn opgenomen in het beveiligingsplan, om de naleving van de ISPS-verordening, de ISPS-Code en dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten te controleren, evenals het voorkomen van ongeoorloofde acties en het garanderen van de maritieme beveiliging.]1
Art.2.5.2.83.[1 Caméras intelligentes
§ 1er. L'installation de caméras intelligentes en vue de la reconnaissance automatique des plaques d'immatriculation par les [2 exploitants des installations portuaires ou des terminaux intérieurs]2 est autorisée, l'utilisation de ces caméras et l'accès aux données est réglementé conformément à la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance..
Par dérogation à l'article 8/1 de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance, l'utilisation de caméras de surveillance intelligentes en vue de la reconnaissance automatique des navires est autorisée.
§ 2. L'utilisation de caméras intelligentes conformément au paragraphe 1er est autorisée, à condition que l'installation et l'utilisation figurent dans le plan de sûreté, pour la vérification du respect du Règlement ISPS, du Code ISPS et du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution, ainsi que pour la prévention des actions illicites et la garantie de la sûreté maritime.]1
§ 1er. L'installation de caméras intelligentes en vue de la reconnaissance automatique des plaques d'immatriculation par les [2 exploitants des installations portuaires ou des terminaux intérieurs]2 est autorisée, l'utilisation de ces caméras et l'accès aux données est réglementé conformément à la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance..
Par dérogation à l'article 8/1 de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance, l'utilisation de caméras de surveillance intelligentes en vue de la reconnaissance automatique des navires est autorisée.
§ 2. L'utilisation de caméras intelligentes conformément au paragraphe 1er est autorisée, à condition que l'installation et l'utilisation figurent dans le plan de sûreté, pour la vérification du respect du Règlement ISPS, du Code ISPS et du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution, ainsi que pour la prévention des actions illicites et la garantie de la sûreté maritime.]1
Onderafdeling 2. [1 - Biometrische gegevens]1
Sous-section 2. [1 - Données biométriques]1
Art. 2.5.2.84. [1 Gebruik
§ 1. Met het oog op de toegangscontrole tot havenfaciliteiten en identiteitscontrole voor het behandelen van lading kunnen de beveiligingsplannen, op basis van concrete elementen in de beveiligingsbeoordelingen die de noodzaak daarvoor aantonen, voorzien dat de toegang tot de havenfaciliteit afhankelijk wordt gemaakt van de verificatie van biometrische gegevens voor alle of bepaalde categorieën van bezoekers.
De beveiligingsplannen, op basis van concrete elementen in de beveiligingsbeoordeling die de noodzaak daarvoor aantonen, van een haven of een havenfaciliteit kunnen bepalingen opnemen om de digitale toegang tot de netwerk en informatiesystemen te beschermen door middel van biometrische gegevens.
§ 2. Het doel van de toegangscontrole is verhinderen dat onbevoegden toegang tot de havenfaciliteit of de netwerk- en informatiesystemen kunnen verkrijgen. De verwerking van de biometrische gegevens is een uitzondering zoals bedoeld in artikel 9.2, g) van de AVG.
Het doel van de identiteitscontrole voor het behandelen van lading is het voorkomen dat deze machines worden gebruikt bij het plegen van een ongeoorloofde actie. De verwerking van de biometrische gegevens is een uitzondering zoals bedoeld in artikel 9.2, a) en g) van de AVG.
§ 3. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder bezoeker verstaan iedereen, met inbegrip van bestuurders en personeelsleden, die toegang wensen tot de havenfaciliteit of gedeelten van de havenfaciliteit met uitzondering van de passagiers van zeeschepen die inschepen of ontschepen op een havenfaciliteit voor het vervoer van passagiers, en voor bemanningsleden van zeeschepen.]1
§ 1. Met het oog op de toegangscontrole tot havenfaciliteiten en identiteitscontrole voor het behandelen van lading kunnen de beveiligingsplannen, op basis van concrete elementen in de beveiligingsbeoordelingen die de noodzaak daarvoor aantonen, voorzien dat de toegang tot de havenfaciliteit afhankelijk wordt gemaakt van de verificatie van biometrische gegevens voor alle of bepaalde categorieën van bezoekers.
De beveiligingsplannen, op basis van concrete elementen in de beveiligingsbeoordeling die de noodzaak daarvoor aantonen, van een haven of een havenfaciliteit kunnen bepalingen opnemen om de digitale toegang tot de netwerk en informatiesystemen te beschermen door middel van biometrische gegevens.
§ 2. Het doel van de toegangscontrole is verhinderen dat onbevoegden toegang tot de havenfaciliteit of de netwerk- en informatiesystemen kunnen verkrijgen. De verwerking van de biometrische gegevens is een uitzondering zoals bedoeld in artikel 9.2, g) van de AVG.
Het doel van de identiteitscontrole voor het behandelen van lading is het voorkomen dat deze machines worden gebruikt bij het plegen van een ongeoorloofde actie. De verwerking van de biometrische gegevens is een uitzondering zoals bedoeld in artikel 9.2, a) en g) van de AVG.
§ 3. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder bezoeker verstaan iedereen, met inbegrip van bestuurders en personeelsleden, die toegang wensen tot de havenfaciliteit of gedeelten van de havenfaciliteit met uitzondering van de passagiers van zeeschepen die inschepen of ontschepen op een havenfaciliteit voor het vervoer van passagiers, en voor bemanningsleden van zeeschepen.]1
Art.2.5.2.84. [1 Utilisation
§ 1er. En vue du contrôle de l'accès aux installations portuaires et du contrôle de l'identité pour la manutention de la cargaison, les plans de sûreté peuvent, sur la base d'éléments concrets repris dans les évaluations de la sûreté qui en démontrent la nécessité, prévoir que l'accès à l'installation portuaire soit subordonné à la vérification des données biométriques pour toutes ou certaines catégories de visiteurs.
Les plans de sûreté d'un port ou d'une installation portuaire, sur la base d'éléments concrets de l'évaluation de la sûreté qui en démontrent la nécessité, peuvent inclure des dispositions visant à protéger l'accès numérique aux réseaux et systèmes d'information au moyen des données biométriques.
§ 2. L'objectif du contrôle d'accès est d'empêcher tout accès non autorisé à l'installation portuaire ou aux réseaux et systèmes d'information. Le traitement des données biométriques est une exception telle que visée à l'article 9.2, g) du RGPD.
L'objectif du contrôle de l'identité pour la manutention de la cargaison est la prévention que ces machines soient utilisées pour commettre une action illicite. Le traitement des données biométriques est une exception telle que visée à l'article 9.2, a) et g) du RGPD.
§ 3. Aux fins de la présente sous-section, on entend par " visiteur " quiconque, y compris les administrateurs et les membres du personnel, souhaite avoir accès à l'installation portuaire ou à des parties de l'installation portuaire à l'exception des passagers des navires de mer qui embarquent ou débarquent dans une installation portuaire pour le transport de passagers, et des membres de l'équipage des navires de mer.]1
§ 1er. En vue du contrôle de l'accès aux installations portuaires et du contrôle de l'identité pour la manutention de la cargaison, les plans de sûreté peuvent, sur la base d'éléments concrets repris dans les évaluations de la sûreté qui en démontrent la nécessité, prévoir que l'accès à l'installation portuaire soit subordonné à la vérification des données biométriques pour toutes ou certaines catégories de visiteurs.
Les plans de sûreté d'un port ou d'une installation portuaire, sur la base d'éléments concrets de l'évaluation de la sûreté qui en démontrent la nécessité, peuvent inclure des dispositions visant à protéger l'accès numérique aux réseaux et systèmes d'information au moyen des données biométriques.
§ 2. L'objectif du contrôle d'accès est d'empêcher tout accès non autorisé à l'installation portuaire ou aux réseaux et systèmes d'information. Le traitement des données biométriques est une exception telle que visée à l'article 9.2, g) du RGPD.
L'objectif du contrôle de l'identité pour la manutention de la cargaison est la prévention que ces machines soient utilisées pour commettre une action illicite. Le traitement des données biométriques est une exception telle que visée à l'article 9.2, a) et g) du RGPD.
§ 3. Aux fins de la présente sous-section, on entend par " visiteur " quiconque, y compris les administrateurs et les membres du personnel, souhaite avoir accès à l'installation portuaire ou à des parties de l'installation portuaire à l'exception des passagers des navires de mer qui embarquent ou débarquent dans une installation portuaire pour le transport de passagers, et des membres de l'équipage des navires de mer.]1
Art. 2.5.2.85. [1 Erkenning verwerker
§ 1. Biometrische gegevens kunnen enkel worden verwerkt door een onderneming die hiertoe erkend wordt door de minister op basis van de audit bedoeld in paragraaf 2 en een advies van de NAMB.
Om als verwerker van deze biometrische gegevens erkend te worden moet de onderneming gevestigd zijn in de Europese Economische Ruimte en een vestigingseenheid hebben in België. De erkenning geldt enkel voor de verwerking van biometrische gegevens toegestaan overeenkomstig dit hoofdstuk.
§ 2. De Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole, in samenwerking met het Centrum voor Cyberveiligheid, voeren een audit uit waarbij de onderneming moet aantonen dat:
1° de onderneming gecertificeerd is overeenkomstig norm ISO 27001, ISO 27701 of een gelijkwaardige norm vastgesteld overeenkomstig artikel 22, § 1, van de wet van 7 april 2019 tot vaststelling van een kader voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen van algemeen belang voor de openbare veiligheid;
2° de nodige interne systemen en procedures hebben om te vermijden dat onbevoegde toegang hebben tot de biometrische gegevens;
3° het systeem van verwerking voldoet aan de in paragraaf 3 gestelde vereisten.
§ 3. Biometrische gegevens kunnen enkel verwerkt worden via systemen die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° bij de eerste inzamelingsfase van de biometrische gegevens worden de unieke en individuele kenmerken van het individu gecodeerd en als template opgeslagen, waarna de ruwe gegevens onmiddellijk verwijderd worden;
2° bij het verifiëren van de identiteit van het individu wordt enkel nagegaan of de informatie die ingezameld wordt op het ogenblik dat het individu zich wenst te authentiseren overeenkomt met de template die werd opgeslagen bij de eerste inzamelingsfase;
3° de template wordt uitsluitend bewaard op een duurzaam opslagmedium in het bezit van het individu waarbij geen opslag in databases van de verwerker is toegestaan;
4° de biometrische gegevens die tijdens de tweede inzamelingsfase voor het verifiëren van de identiteit worden ingezameld mogen niet langer bewaard worden dan nodig is om deze ingezamelde gegevens te vergelijken met de template.
§ 4. De erkenning geldt voor onbepaalde duur.
Na de erkenning en nadien telkens in de periode tussen de vierentwintig en zesendertig maanden na een vorige audit wordt een opvolgingsaudit uitgevoerd. Op basis van deze audit kan de minister beslissen om:
1° termijnen op te leggen waarin de onderneming de door de minister opgelegde maatregelen moet naleven;
2° de erkenning in te trekken.]1
§ 1. Biometrische gegevens kunnen enkel worden verwerkt door een onderneming die hiertoe erkend wordt door de minister op basis van de audit bedoeld in paragraaf 2 en een advies van de NAMB.
Om als verwerker van deze biometrische gegevens erkend te worden moet de onderneming gevestigd zijn in de Europese Economische Ruimte en een vestigingseenheid hebben in België. De erkenning geldt enkel voor de verwerking van biometrische gegevens toegestaan overeenkomstig dit hoofdstuk.
§ 2. De Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole, in samenwerking met het Centrum voor Cyberveiligheid, voeren een audit uit waarbij de onderneming moet aantonen dat:
1° de onderneming gecertificeerd is overeenkomstig norm ISO 27001, ISO 27701 of een gelijkwaardige norm vastgesteld overeenkomstig artikel 22, § 1, van de wet van 7 april 2019 tot vaststelling van een kader voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen van algemeen belang voor de openbare veiligheid;
2° de nodige interne systemen en procedures hebben om te vermijden dat onbevoegde toegang hebben tot de biometrische gegevens;
3° het systeem van verwerking voldoet aan de in paragraaf 3 gestelde vereisten.
§ 3. Biometrische gegevens kunnen enkel verwerkt worden via systemen die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° bij de eerste inzamelingsfase van de biometrische gegevens worden de unieke en individuele kenmerken van het individu gecodeerd en als template opgeslagen, waarna de ruwe gegevens onmiddellijk verwijderd worden;
2° bij het verifiëren van de identiteit van het individu wordt enkel nagegaan of de informatie die ingezameld wordt op het ogenblik dat het individu zich wenst te authentiseren overeenkomt met de template die werd opgeslagen bij de eerste inzamelingsfase;
3° de template wordt uitsluitend bewaard op een duurzaam opslagmedium in het bezit van het individu waarbij geen opslag in databases van de verwerker is toegestaan;
4° de biometrische gegevens die tijdens de tweede inzamelingsfase voor het verifiëren van de identiteit worden ingezameld mogen niet langer bewaard worden dan nodig is om deze ingezamelde gegevens te vergelijken met de template.
§ 4. De erkenning geldt voor onbepaalde duur.
Na de erkenning en nadien telkens in de periode tussen de vierentwintig en zesendertig maanden na een vorige audit wordt een opvolgingsaudit uitgevoerd. Op basis van deze audit kan de minister beslissen om:
1° termijnen op te leggen waarin de onderneming de door de minister opgelegde maatregelen moet naleven;
2° de erkenning in te trekken.]1
Art.2.5.2.85. [1 Reconnaissance du sous-traitant
§ 1er. Les données biométriques ne peuvent être traitées que par une entreprise reconnue à cet effet par le ministre sur la base de l'audit visé au paragraphe 2 et d'un avis de l'ANSM.
Afin d'être reconnue comme sous-traitant de ces données biométriques, l'entreprise doit être établie dans l'Espace économique européen et avoir une unité d'établissement en Belgique. La reconnaissance ne s'applique que pour le traitement des données biométriques autorisées conformément au présent chapitre.
§ 2. La Cellule de la Sûreté maritime et le Contrôle de la navigation, en collaboration avec le Centre pour la Cybersécurité, effectuent un audit au cours duquel l'entreprise doit démontrer que :
1° l'entreprise est certifiée conformément à la norme ISO 27001, ISO 27701 ou une norme équivalente établie conformément à l'article 22, § 1er, de la loi du 7 avril 2019 établissant un cadre pour la sécurité des réseaux et des systèmes d'information d'intérêt général pour la sécurité publique ;
2° elle dispose des systèmes et procédures internes nécessaires pour empêcher l'accès non autorisé aux données biométriques ;
3° le système de traitement satisfait aux exigences énoncées au paragraphe 3.
§ 3. Les données biométriques ne peuvent être traitées que via des systèmes qui sont conformes aux conditions suivantes :
1° lors de la première phase de collecte des données biométriques, les caractéristiques uniques et individuelles de l'individu sont codées et enregistrées en tant que modèle, et ensuite les données biométriques brutes sont immédiatement supprimées ;
2° lors de la vérification de l'identité de l'individu, il est seulement vérifié si les informations collectées au moment où l'individu souhaite s'authentifier correspondent au modèle qui a été enregistré lors de la première phase de collecte ;
3° le modèle est exclusivement conservé sur un support de stockage durable en possession de l'individu, aucun stockage n'étant autorisé dans les bases de données du sous-traitant ;
4° les données biométriques collectées lors de la deuxième phase de collecte aux fins de vérification de l'identité ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire aux fins de comparaison de ces données collectées avec le modèle.
§ 4. La reconnaissance s'applique pour une durée indéterminée.
Après la reconnaissance et ensuite à chaque fois dans la période comprise entre vingt-quatre et trente-six mois après un audit précédent, un audit de suivi est effectué. Sur la base de cet audit, le ministre peut décider :
1° d'imposer des délais dans lesquels l'entreprise doit se conformer aux mesures imposées par le ministre ;
2° de retirer la reconnaissance.]1
§ 1er. Les données biométriques ne peuvent être traitées que par une entreprise reconnue à cet effet par le ministre sur la base de l'audit visé au paragraphe 2 et d'un avis de l'ANSM.
Afin d'être reconnue comme sous-traitant de ces données biométriques, l'entreprise doit être établie dans l'Espace économique européen et avoir une unité d'établissement en Belgique. La reconnaissance ne s'applique que pour le traitement des données biométriques autorisées conformément au présent chapitre.
§ 2. La Cellule de la Sûreté maritime et le Contrôle de la navigation, en collaboration avec le Centre pour la Cybersécurité, effectuent un audit au cours duquel l'entreprise doit démontrer que :
1° l'entreprise est certifiée conformément à la norme ISO 27001, ISO 27701 ou une norme équivalente établie conformément à l'article 22, § 1er, de la loi du 7 avril 2019 établissant un cadre pour la sécurité des réseaux et des systèmes d'information d'intérêt général pour la sécurité publique ;
2° elle dispose des systèmes et procédures internes nécessaires pour empêcher l'accès non autorisé aux données biométriques ;
3° le système de traitement satisfait aux exigences énoncées au paragraphe 3.
§ 3. Les données biométriques ne peuvent être traitées que via des systèmes qui sont conformes aux conditions suivantes :
1° lors de la première phase de collecte des données biométriques, les caractéristiques uniques et individuelles de l'individu sont codées et enregistrées en tant que modèle, et ensuite les données biométriques brutes sont immédiatement supprimées ;
2° lors de la vérification de l'identité de l'individu, il est seulement vérifié si les informations collectées au moment où l'individu souhaite s'authentifier correspondent au modèle qui a été enregistré lors de la première phase de collecte ;
3° le modèle est exclusivement conservé sur un support de stockage durable en possession de l'individu, aucun stockage n'étant autorisé dans les bases de données du sous-traitant ;
4° les données biométriques collectées lors de la deuxième phase de collecte aux fins de vérification de l'identité ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire aux fins de comparaison de ces données collectées avec le modèle.
§ 4. La reconnaissance s'applique pour une durée indéterminée.
Après la reconnaissance et ensuite à chaque fois dans la période comprise entre vingt-quatre et trente-six mois après un audit précédent, un audit de suivi est effectué. Sur la base de cet audit, le ministre peut décider :
1° d'imposer des délais dans lesquels l'entreprise doit se conformer aux mesures imposées par le ministre ;
2° de retirer la reconnaissance.]1
Onderafdeling 3. [1 - Verwerking van persoonsgegevens]1
Sous-section 3. [1 - Traitement des données à caractère personnel]1
Art. 2.5.2.86. [1 Doeleinden
De gegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 worden verwerkt met het oog op:
1° het garanderen van de maritieme beveiliging in havens [2 , de havenfaciliteiten, de terminals gelegen in het binnenland en de vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging]2;
2° het voorkomen van ongeoorloofde acties;
3° het opsporen, vervolgen en bestraffen van ongeoorloofde acties;
4° het garanderen van de beveiliging van de personen die werkzaam zijn in de havens [2 , de havenfaciliteiten, de terminals gelegen in het binnenland en de vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging]2;
5° het uitvoeren van de taken van de inlichtingendiensten;
6° het controleren van de naleving van het verbod opgelegd overeenkomstig artikel 4, § 3bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
7° het controleren van de naleving van het verbod dat personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen;
8° het bijhouden van de gegevens voor de verplichte vorming en opleiding van de PFSO's zoals bedoeld in artikel 2.5.2.39, § 2 [2 en de BFSO's zoals bedoeld in artikel 2.5.2.46/7]2.
De gegevens van de leden [2 van de Scheepvaartpolitie en]2 van de inspectiediensten worden verwerkt met het oog op het identificeren van de opsteller van een inspectierapport of proces-verbaal.]1
De gegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 worden verwerkt met het oog op:
1° het garanderen van de maritieme beveiliging in havens [2 , de havenfaciliteiten, de terminals gelegen in het binnenland en de vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging]2;
2° het voorkomen van ongeoorloofde acties;
3° het opsporen, vervolgen en bestraffen van ongeoorloofde acties;
4° het garanderen van de beveiliging van de personen die werkzaam zijn in de havens [2 , de havenfaciliteiten, de terminals gelegen in het binnenland en de vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging]2;
5° het uitvoeren van de taken van de inlichtingendiensten;
6° het controleren van de naleving van het verbod opgelegd overeenkomstig artikel 4, § 3bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
7° het controleren van de naleving van het verbod dat personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen;
8° het bijhouden van de gegevens voor de verplichte vorming en opleiding van de PFSO's zoals bedoeld in artikel 2.5.2.39, § 2 [2 en de BFSO's zoals bedoeld in artikel 2.5.2.46/7]2.
De gegevens van de leden [2 van de Scheepvaartpolitie en]2 van de inspectiediensten worden verwerkt met het oog op het identificeren van de opsteller van een inspectierapport of proces-verbaal.]1
Art.2.5.2.86.[1 Finalités
Les données visées à l'article 2.5.2.88 sont traitées en vue de :
1° garantir la sûreté maritime dans les ports [2 , les installations portuaires, les terminaux intérieurs et les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]2 ;
2° prévenir les actions illicites ;
3° détecter, poursuivre et sanctionner les actions illicites ;
4° garantir la sûreté des personnes travaillant dans les ports [2 , les installations portuaires, les terminaux intérieurs et les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]2 ;
5° réaliser les tâches des services de renseignement ;
6° vérifier le respect de l'interdiction imposée conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation ;
7° vérifier le respect de l'interdiction imposée aux personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, ont reçu la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire ;
8° mettre à jour les données relatives à la formation et à l'instruction obligatoires des PFSO telles que visées à l'article 2.5.2.39, § 2 [2 et des BFSO tels que visés à l'article 2.5.2.46/7]2.
Les données des membres [2 de la Police de la navigation et]2 des services d'inspection sont traitées en vue d'identifier l'auteur d'un rapport d'inspection ou d'un procès-verbal.]1
Les données visées à l'article 2.5.2.88 sont traitées en vue de :
1° garantir la sûreté maritime dans les ports [2 , les installations portuaires, les terminaux intérieurs et les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]2 ;
2° prévenir les actions illicites ;
3° détecter, poursuivre et sanctionner les actions illicites ;
4° garantir la sûreté des personnes travaillant dans les ports [2 , les installations portuaires, les terminaux intérieurs et les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]2 ;
5° réaliser les tâches des services de renseignement ;
6° vérifier le respect de l'interdiction imposée conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation ;
7° vérifier le respect de l'interdiction imposée aux personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, ont reçu la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire ;
8° mettre à jour les données relatives à la formation et à l'instruction obligatoires des PFSO telles que visées à l'article 2.5.2.39, § 2 [2 et des BFSO tels que visés à l'article 2.5.2.46/7]2.
Les données des membres [2 de la Police de la navigation et]2 des services d'inspection sont traitées en vue d'identifier l'auteur d'un rapport d'inspection ou d'un procès-verbal.]1
Art. 2.5.2.87. [1 Betrokken natuurlijke personen
De gegevens van de volgende personen mogen verwerkt worden:
1° bezoekers van havenfaciliteiten [2 , van terminals gelegen in het binnenland en van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging]2 en de personeelsleden belast met de behandeling van de lading;
2° PSO, PFSO, CSO [2 , SSO en BFSO]2;
3° [2 leden van de Scheepvaartpolitie en de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4;]2
4° personen die een verbod kregen overeenkomstig artikel 4, § 3bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
5° personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen.]1
De gegevens van de volgende personen mogen verwerkt worden:
1° bezoekers van havenfaciliteiten [2 , van terminals gelegen in het binnenland en van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging]2 en de personeelsleden belast met de behandeling van de lading;
2° PSO, PFSO, CSO [2 , SSO en BFSO]2;
3° [2 leden van de Scheepvaartpolitie en de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4;]2
4° personen die een verbod kregen overeenkomstig artikel 4, § 3bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
5° personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen.]1
Art.2.5.2.87.[1 Personnes physiques concernées
Les données des personnes suivantes peuvent être traitées :
1° les visiteurs des installations portuaires [2 , des terminaux intérieurs et des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]2 et les membres du personnel chargés de la manutention de la cargaison ;
2° les PSO, PFSO, CSO [2 , SSO et BFSO]2 ;
3° [2 les membres de la Police de la navigation et des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4;]2
4° les personnes qui se sont vues imposer une interdiction conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation ;
5° les personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, se sont vues imposer la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire.]1
Les données des personnes suivantes peuvent être traitées :
1° les visiteurs des installations portuaires [2 , des terminaux intérieurs et des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]2 et les membres du personnel chargés de la manutention de la cargaison ;
2° les PSO, PFSO, CSO [2 , SSO et BFSO]2 ;
3° [2 les membres de la Police de la navigation et des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4;]2
4° les personnes qui se sont vues imposer une interdiction conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation ;
5° les personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, se sont vues imposer la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire.]1
Art. 2.5.2.88. [1 Te verwerken gegevens
§ 1. Van de bezoekers van havenfaciliteiten [2 , van terminals gelegen in het binnenland en van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging]2 mogen de volgende gegevens worden verwerkt:
1° naam en voornamen;
2° rijksregisternummer voor Belgen;
3° geboortedatum en adres voor niet-Belgen;
4° e-mailadres
5° biometrische gegevens, indien van toepassing, overeenkomstig artikel 2.5.2.84;
6° doel van het bezoek;
7° aankomst- en vertrekuur en datum van het bezoek;
8° nummerplaat van wagens die de havenfaciliteit [2 , de terminal gelegen in het binnenland en de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging]2 binnen- en buitenrijden;
9° foto;
[2 10° in voorkomend geval, de datum waarop het positief veiligheidsadvies overeenkomstig artikel 2.5.2.98 werd bekomen.]2
§ 2. Van de PSO, PFSO, CSO [2 , SSO, BFSO en de exploitant van de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging]2 mogen de volgende gegevens worden verwerkt:
1° naam en voornamen;
2° rijksregisternummer voor Belgen;
3° geboortedatum en adres voor niet-Belgen;
4° e-mailadres;
5° resultaat van het examen voor PFSO's [2 en BFSO's]2;
6° foto.
§ 3. Van de leden van inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4 mogen de volgende gegevens worden verwerkt:
1° naam en voornamen;
2° identificatienummer gegeven door de overheidsdienst waarvoor de inspecteur werkt;
3° foto.
§ 4° Van de personen die een verbod kregen overeenkomstig artikel 4, § 3bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek en van de personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen, mogen de volgende gegevens verwerkt worden:
1° naam en voornamen;
2° rijksregisternummer voor Belgen;
3° datum tot wanneer het verbod van kracht is;
4° havens en havenfaciliteiten waar het verbod van kracht is.
§ 5. Voor de toepassing van dit artikel worden de verwerkers gemachtigd om het rijksregister te gebruiken overeenkomstig de bepalingen van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.]1
§ 1. Van de bezoekers van havenfaciliteiten [2 , van terminals gelegen in het binnenland en van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging]2 mogen de volgende gegevens worden verwerkt:
1° naam en voornamen;
2° rijksregisternummer voor Belgen;
3° geboortedatum en adres voor niet-Belgen;
4° e-mailadres
5° biometrische gegevens, indien van toepassing, overeenkomstig artikel 2.5.2.84;
6° doel van het bezoek;
7° aankomst- en vertrekuur en datum van het bezoek;
8° nummerplaat van wagens die de havenfaciliteit [2 , de terminal gelegen in het binnenland en de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging]2 binnen- en buitenrijden;
9° foto;
[2 10° in voorkomend geval, de datum waarop het positief veiligheidsadvies overeenkomstig artikel 2.5.2.98 werd bekomen.]2
§ 2. Van de PSO, PFSO, CSO [2 , SSO, BFSO en de exploitant van de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging]2 mogen de volgende gegevens worden verwerkt:
1° naam en voornamen;
2° rijksregisternummer voor Belgen;
3° geboortedatum en adres voor niet-Belgen;
4° e-mailadres;
5° resultaat van het examen voor PFSO's [2 en BFSO's]2;
6° foto.
§ 3. Van de leden van inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4 mogen de volgende gegevens worden verwerkt:
1° naam en voornamen;
2° identificatienummer gegeven door de overheidsdienst waarvoor de inspecteur werkt;
3° foto.
§ 4° Van de personen die een verbod kregen overeenkomstig artikel 4, § 3bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek en van de personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen, mogen de volgende gegevens verwerkt worden:
1° naam en voornamen;
2° rijksregisternummer voor Belgen;
3° datum tot wanneer het verbod van kracht is;
4° havens en havenfaciliteiten waar het verbod van kracht is.
§ 5. Voor de toepassing van dit artikel worden de verwerkers gemachtigd om het rijksregister te gebruiken overeenkomstig de bepalingen van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.]1
Art.2.5.2.88.[1 Données à traiter
§ 1er. Pour les visiteurs des installations portuaires [2 , des terminaux intérieurs et des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]2, les données suivantes peuvent être traitées :
1° les nom et prénoms ;
2° le numéro de registre national pour les Belges ;
3° les date de naissance et adresse pour les non-Belges ;
4° l'adresse e-mail ;
5° les données biométriques, le cas échéant, conformément à l'article 2.5.2.84 ;
6° l'objectif de la visite ;
7° les heures d'arrivée et de départ et la date de la visite ;
8° la plaque d'immatriculation des voitures entrant et sortant des installations portuaires [2 , des terminaux intérieurs et des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]2 ;
9° la photo;
[2 10° le cas échéant, la date à laquelle l'avis de sécurité positif a été obtenu conformément à l'article 2.5.2.98.]2
§ 2. Pour les PSO, PSFO, CSO [2 , SSO, BFSO et l'exploitant de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]2, les données suivantes peuvent être traitées :
1° les nom et prénoms ;
2° le numéro de registre national pour les Belges ;
3° Les date de naissance et adresse pour les non-Belges ;
4° l'adresse e-mail ;
5° Le résultat de l'examen pour les PFSO [2 et BFSO]2 ;
6° la photo.
§ 3. Pour les membres des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4, les données suivantes peuvent être traitées :
1° les nom et prénoms ;
2° le numéro d'identification donné par le service public pour lequel l'inspecteur travaille ;
3° la photo.
§ 4. Pour les personnes qui se sont vues imposer une interdiction conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation et les personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, se sont vues imposer la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire, les données suivantes peuvent être traitées :
1° les nom et prénoms ;
2° le numéro de registre national pour les Belges ;
3° la date jusqu'à laquelle l'interdiction est en vigueur ;
4° les ports et installations portuaires où l'interdiction est en vigueur ;
§ 5. Aux fins du présent article, les sous-traitants sont habilités à utiliser le registre national conformément aux dispositions de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.]1
§ 1er. Pour les visiteurs des installations portuaires [2 , des terminaux intérieurs et des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]2, les données suivantes peuvent être traitées :
1° les nom et prénoms ;
2° le numéro de registre national pour les Belges ;
3° les date de naissance et adresse pour les non-Belges ;
4° l'adresse e-mail ;
5° les données biométriques, le cas échéant, conformément à l'article 2.5.2.84 ;
6° l'objectif de la visite ;
7° les heures d'arrivée et de départ et la date de la visite ;
8° la plaque d'immatriculation des voitures entrant et sortant des installations portuaires [2 , des terminaux intérieurs et des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]2 ;
9° la photo;
[2 10° le cas échéant, la date à laquelle l'avis de sécurité positif a été obtenu conformément à l'article 2.5.2.98.]2
§ 2. Pour les PSO, PSFO, CSO [2 , SSO, BFSO et l'exploitant de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime]2, les données suivantes peuvent être traitées :
1° les nom et prénoms ;
2° le numéro de registre national pour les Belges ;
3° Les date de naissance et adresse pour les non-Belges ;
4° l'adresse e-mail ;
5° Le résultat de l'examen pour les PFSO [2 et BFSO]2 ;
6° la photo.
§ 3. Pour les membres des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4, les données suivantes peuvent être traitées :
1° les nom et prénoms ;
2° le numéro d'identification donné par le service public pour lequel l'inspecteur travaille ;
3° la photo.
§ 4. Pour les personnes qui se sont vues imposer une interdiction conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation et les personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, se sont vues imposer la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire, les données suivantes peuvent être traitées :
1° les nom et prénoms ;
2° le numéro de registre national pour les Belges ;
3° la date jusqu'à laquelle l'interdiction est en vigueur ;
4° les ports et installations portuaires où l'interdiction est en vigueur ;
§ 5. Aux fins du présent article, les sous-traitants sont habilités à utiliser le registre national conformément aux dispositions de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.]1
Art. 2.5.2.89. [1 Toegang
De leden van de NAMB, het betrokken LCMB, de Cel Maritieme Beveiliging, [2 de Scheepvaartpolitie,]2 het openbaar ministerie, de inlichtingendiensten en de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4 hebben toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 en voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86.
In afwijking van het eerste lid, hebben enkel de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker toegang tot de biometrische gegevens.]1
De leden van de NAMB, het betrokken LCMB, de Cel Maritieme Beveiliging, [2 de Scheepvaartpolitie,]2 het openbaar ministerie, de inlichtingendiensten en de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4 hebben toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 en voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86.
In afwijking van het eerste lid, hebben enkel de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker toegang tot de biometrische gegevens.]1
Art.2.5.2.89.[1 Accès
Les membres de l'ANSM, du CLSM concerné, de la Cellule de la Sûreté maritime, [2 de la Police de la navigation,]2 du ministère public, des services de renseignement et des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4 ont accès aux données visées à l'article 2.5.2.88 et aux fins visées à l'article 2.5.2.86.
Par dérogation à l'alinéa 1er, seuls le responsable du traitement et le sous-traitant ont accès aux données biométriques.]1
Les membres de l'ANSM, du CLSM concerné, de la Cellule de la Sûreté maritime, [2 de la Police de la navigation,]2 du ministère public, des services de renseignement et des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4 ont accès aux données visées à l'article 2.5.2.88 et aux fins visées à l'article 2.5.2.86.
Par dérogation à l'alinéa 1er, seuls le responsable du traitement et le sous-traitant ont accès aux données biométriques.]1
Art. 2.5.2.90. [1 Bewaringstermijn
De gegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 worden bewaard gedurende de periode bepaald in het beveiligingsplan en kunnen nooit de periode van 10 jaar overschrijden.
In afwijking van het eerste lid, mogen de biometrische gegevens slechts bewaard blijven overeenkomstig de bepalingen van artikel 2.5.2.85.
In afwijking van het eerste lid worden de gegevens van de personen bedoeld in artikel 2.5.2.87, 4° en 5°, onmiddellijk verwijderd nadat het havenverbod is afgelopen of opgeheven.]1
[2 De gegevens van de oefeningen die persoonsgegevens bevatten worden bewaard gedurende een maximale termijn van tien jaar.]2
De gegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 worden bewaard gedurende de periode bepaald in het beveiligingsplan en kunnen nooit de periode van 10 jaar overschrijden.
In afwijking van het eerste lid, mogen de biometrische gegevens slechts bewaard blijven overeenkomstig de bepalingen van artikel 2.5.2.85.
In afwijking van het eerste lid worden de gegevens van de personen bedoeld in artikel 2.5.2.87, 4° en 5°, onmiddellijk verwijderd nadat het havenverbod is afgelopen of opgeheven.]1
[2 De gegevens van de oefeningen die persoonsgegevens bevatten worden bewaard gedurende een maximale termijn van tien jaar.]2
Art.2.5.2.90.[1 Délai de conservation
Les données visées à l'article 2.5.2.88 sont conservées pendant la période déterminée dans le plan de sûreté et ne peuvent jamais excéder une période de 10 ans.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les données biométriques ne peuvent être conservées que conformément aux dispositions de l'article 2.5.2.85.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les données des personnes visées à l'article 2.5.2.87, 4° et 5°, sont immédiatement effacées après l'expiration ou la levée de l'interdiction portuaire.]1
[2 Les données des exercices contenant des données à caractère personnel sont conservées pendant une période maximale de dix ans.]2
Les données visées à l'article 2.5.2.88 sont conservées pendant la période déterminée dans le plan de sûreté et ne peuvent jamais excéder une période de 10 ans.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les données biométriques ne peuvent être conservées que conformément aux dispositions de l'article 2.5.2.85.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les données des personnes visées à l'article 2.5.2.87, 4° et 5°, sont immédiatement effacées après l'expiration ou la levée de l'interdiction portuaire.]1
[2 Les données des exercices contenant des données à caractère personnel sont conservées pendant une période maximale de dix ans.]2
Art. 2.5.2.91. [1 Verwerkingsverantwoordelijke
De exploitant van de havenfaciliteit is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de bezoekers van een havenfaciliteit bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 1, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86. [2 De exploitant van de terminal gelegen in het binnenland is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de bezoekers van een terminal gelegen in het binnenland bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 1, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86. De exploitant van de vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de bezoekers van een vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 1, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86.]2
De NAMB is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de PSO, PFSO, CSO, SSO en de inspecteurs, bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 2 en 3, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86.
De NAMB is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de personen bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 4, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86.]1
De exploitant van de havenfaciliteit is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de bezoekers van een havenfaciliteit bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 1, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86. [2 De exploitant van de terminal gelegen in het binnenland is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de bezoekers van een terminal gelegen in het binnenland bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 1, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86. De exploitant van de vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de bezoekers van een vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 1, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86.]2
De NAMB is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de PSO, PFSO, CSO, SSO en de inspecteurs, bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 2 en 3, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86.
De NAMB is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de personen bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 4, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86.]1
Art.2.5.2.91.[1 Responsable du traitement
L'exploitant de l'installation portuaire est le responsable du traitement pour les données des visiteurs d'une installation portuaire visées à l'article 2.5.2.88, § 1er, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86. [2 L'exploitant du terminal intérieur est le responsable du traitement pour les données des visiteurs d'un terminal intérieur visé à l'article 2.5.2.88, § 1er, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86. L'exploitant de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime est le responsable du traitement pour les données des visiteurs d'une unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime visées à l'article 2.5.2.88, § 1er, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86.]2
L'ANSM est le responsable du traitement pour les données du PSO, du PFSO, du CSO, du SSO et des inspecteurs, visés à l'article 2.5.2.88, § 2 et 3, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86.
L'ANSM est le responsable du traitement pour les données des personnes visées à l'article 2.5.2.88, § 4, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86.]1
L'exploitant de l'installation portuaire est le responsable du traitement pour les données des visiteurs d'une installation portuaire visées à l'article 2.5.2.88, § 1er, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86. [2 L'exploitant du terminal intérieur est le responsable du traitement pour les données des visiteurs d'un terminal intérieur visé à l'article 2.5.2.88, § 1er, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86. L'exploitant de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime est le responsable du traitement pour les données des visiteurs d'une unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime visées à l'article 2.5.2.88, § 1er, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86.]2
L'ANSM est le responsable du traitement pour les données du PSO, du PFSO, du CSO, du SSO et des inspecteurs, visés à l'article 2.5.2.88, § 2 et 3, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86.
L'ANSM est le responsable du traitement pour les données des personnes visées à l'article 2.5.2.88, § 4, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86.]1
Art. 2.5.2.92. [1 Recht op informatie
In afwijking van de artikelen 13 en 14 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, kan het recht op informatie worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 met het oog op het garanderen van de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.2.86.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.]1
In afwijking van de artikelen 13 en 14 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, kan het recht op informatie worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 met het oog op het garanderen van de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.2.86.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.]1
Art.2.5.2.92. [1 Droit à l'information
Par dérogation aux articles 13 et 14 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, le droit à l'information peut être différé, limité ou exclu en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé à l'article 2.5.2.88 en vue de garantir les objectifs énoncés à l'article 2.5.2.86.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.]1
Par dérogation aux articles 13 et 14 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, le droit à l'information peut être différé, limité ou exclu en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé à l'article 2.5.2.88 en vue de garantir les objectifs énoncés à l'article 2.5.2.86.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.]1
Art. 2.5.2.93. [1 Recht op inzage
In afwijking van artikel 15 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, kan het recht op inzage geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 met het oog op het garanderen van de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.2.86.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.]1
In afwijking van artikel 15 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, kan het recht op inzage geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 met het oog op het garanderen van de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.2.86.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.]1
Art.2.5.2.93. [1 Droit d'accès
Par dérogation à l'article 15 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, le droit d'accès peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé à l'article 2.5.2.88 en vue de garantir les objectifs énoncés à l'article 2.5.2.86.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.]1
Par dérogation à l'article 15 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, le droit d'accès peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé à l'article 2.5.2.88 en vue de garantir les objectifs énoncés à l'article 2.5.2.86.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.]1
Art. 2.5.2.94. [1 Recht op rectificatie
In afwijking van artikel 16 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, kan het recht op rectificatie geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 met het oog op het garanderen van de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.2.86.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.]1
In afwijking van artikel 16 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, kan het recht op rectificatie geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 met het oog op het garanderen van de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.2.86.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.]1
Art.2.5.2.94. [1 Droit de rectification
Par dérogation à l'article 16 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, le droit de rectification peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé à l'article 2.5.2.88 en vue de garantir les objectifs énoncés à l'article 2.5.2.86.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.]1
Par dérogation à l'article 16 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, le droit de rectification peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé à l'article 2.5.2.88 en vue de garantir les objectifs énoncés à l'article 2.5.2.86.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.]1
Art. 2.5.2.95. [1 Recht op beperking van de verwerking
In afwijking van artikel 18 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, kan het recht op beperking van de verwerking, geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 met het oog op het garanderen van de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.2.86.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.]1
In afwijking van artikel 18 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, kan het recht op beperking van de verwerking, geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 met het oog op het garanderen van de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.2.86.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.]1
Art.2.5.2.95. [1 Droit à la limitation du traitement
Par dérogation à l'article 18 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, le droit à la limitation du traitement peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé à l'article 2.5.2.88 en vue de garantir les objectifs énoncés à l'article 2.5.2.86.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.]1
Par dérogation à l'article 18 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, le droit à la limitation du traitement peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé à l'article 2.5.2.88 en vue de garantir les objectifs énoncés à l'article 2.5.2.86.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.]1
Art. 2.5.2.96. [1 Gemeenschappelijke bepalingen
§ 1. De beperking van de rechten bedoeld in de artikelen 2.5.2.92 tot en met 2.5.2.95 kan worden ingeroepen voor de gegevens waarvoor de NAMB of de exploitant van de havenfaciliteit de gegevensverwerker zijn.
Deze beperkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek, met inbegrip van de voorbereidende handelingen, en gedurende de periode die nodig is voor de vervolging, voor zover de uitoefening van de rechten afbreuk zou doen aan de behoeften van de controle, het onderzoek of de voorbereidende handelingen. De duur van de voorbereidende handelingen mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek overeenkomstig de artikelen 13, 14, 15, 16 of 18 van de AVG.
§ 2. Bij ontvangst van een verzoek overeenkomstig de artikelen 13, 14, 15, 16 of 18 van de AVG, bevestigt de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk en binnen een termijn van één maand na de ontvangst van het verzoek over iedere weigering of beperking, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. De informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.5.2.86 zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nog met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen van het uitstel.
De verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen
De verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
§ 3. Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd en, in voorkomend geval, nadat de bevoegde dienst voor administratieve geldboeten een beslissing heeft genomen. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.]1
§ 1. De beperking van de rechten bedoeld in de artikelen 2.5.2.92 tot en met 2.5.2.95 kan worden ingeroepen voor de gegevens waarvoor de NAMB of de exploitant van de havenfaciliteit de gegevensverwerker zijn.
Deze beperkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek, met inbegrip van de voorbereidende handelingen, en gedurende de periode die nodig is voor de vervolging, voor zover de uitoefening van de rechten afbreuk zou doen aan de behoeften van de controle, het onderzoek of de voorbereidende handelingen. De duur van de voorbereidende handelingen mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek overeenkomstig de artikelen 13, 14, 15, 16 of 18 van de AVG.
§ 2. Bij ontvangst van een verzoek overeenkomstig de artikelen 13, 14, 15, 16 of 18 van de AVG, bevestigt de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk en binnen een termijn van één maand na de ontvangst van het verzoek over iedere weigering of beperking, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. De informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.5.2.86 zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nog met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen van het uitstel.
De verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen
De verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
§ 3. Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd en, in voorkomend geval, nadat de bevoegde dienst voor administratieve geldboeten een beslissing heeft genomen. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.]1
Art.2.5.2.96. [1 Dispositions communes
§ 1er. La limitation des droits visée aux articles 2.5.2.92 à 2.5.2.95 peut être invoquée pour les données pour lesquelles l'ANSM ou l'exploitant de l'installation portuaire est le responsable du traitement des données.
Ces limitations valent durant la période dans laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle ou d'une enquête, y compris les actes préparatoires à ceux-ci, et durant la période nécessaire aux poursuites, dans la mesure où l'exercice des droits porterait atteinte aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires. La durée des actes préparatoires ne peut excéder un an à partir de la réception d'une demande concernant la communication d'informations à fournir conformément aux articles 13, 14, 15, 16 ou 18 du RGDP.
§ 2. Dès réception d'une demande concernant la communication d'informations à fournir conformément aux articles 13, 14, 15, 16 ou 18 du RGDP, le responsable du traitement en accuse réception.
Le responsable du traitement informe la personne concernée par écrit et dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation d'information, ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités visées à l'article 2.5.2.86. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
§ 3. Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire soit terminée, et, le cas échéant, après que le service des amendes administratives compétent ait pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.]1
§ 1er. La limitation des droits visée aux articles 2.5.2.92 à 2.5.2.95 peut être invoquée pour les données pour lesquelles l'ANSM ou l'exploitant de l'installation portuaire est le responsable du traitement des données.
Ces limitations valent durant la période dans laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle ou d'une enquête, y compris les actes préparatoires à ceux-ci, et durant la période nécessaire aux poursuites, dans la mesure où l'exercice des droits porterait atteinte aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires. La durée des actes préparatoires ne peut excéder un an à partir de la réception d'une demande concernant la communication d'informations à fournir conformément aux articles 13, 14, 15, 16 ou 18 du RGDP.
§ 2. Dès réception d'une demande concernant la communication d'informations à fournir conformément aux articles 13, 14, 15, 16 ou 18 du RGDP, le responsable du traitement en accuse réception.
Le responsable du traitement informe la personne concernée par écrit et dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation d'information, ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités visées à l'article 2.5.2.86. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
§ 3. Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire soit terminée, et, le cas échéant, après que le service des amendes administratives compétent ait pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.]1
Afdeling 11. [1 - Veiligheidsverificaties]1
Section 11. [1 - Vérifications de sécurité]1
Art.2.5.2.97. [1 Lijst van kritieke functies
Na het doorlopen van de procedure zoals vastgesteld door de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst, bepaalt de NAMB de lijst van beroepen, functies en mandaten waarvoor een veiligheidsverificatie overeenkomstig de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst vereist is. Deze lijst wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en is bindend. Ter informatie zal de lijst op de website van het DG Scheepvaart worden bekendgemaakt.
De NAMB bepaalt bij elk beroep, functie, mandaat de overgangsperiode en modaliteiten waarbinnen iedereen die deze beroepen, functies of mandaten uitoefent de veiligheidsverificatie moet ondergaan hebben.]1
Na het doorlopen van de procedure zoals vastgesteld door de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst, bepaalt de NAMB de lijst van beroepen, functies en mandaten waarvoor een veiligheidsverificatie overeenkomstig de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst vereist is. Deze lijst wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en is bindend. Ter informatie zal de lijst op de website van het DG Scheepvaart worden bekendgemaakt.
De NAMB bepaalt bij elk beroep, functie, mandaat de overgangsperiode en modaliteiten waarbinnen iedereen die deze beroepen, functies of mandaten uitoefent de veiligheidsverificatie moet ondergaan hebben.]1
Art.2.5.2.97. [1 Liste des fonctions critiques
Après avoir suivi la procédure établie par la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé, l'ANSM détermine la liste des professions, fonctions et mandats pour lesquels une vérification de sécurité est requise conformément à la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé. Cette liste est publiée au Moniteur belge et est contraignante. La liste sera aussi publiée sur le site web de la DG Navigation pour information.
Pour chaque profession, fonction, mandat l'ANSM détermine la période transitoire pendant laquelle toute personne exerçant ces professions, fonctions ou mandats doit avoir subi la vérification de sécurité.]1
Après avoir suivi la procédure établie par la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé, l'ANSM détermine la liste des professions, fonctions et mandats pour lesquels une vérification de sécurité est requise conformément à la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé. Cette liste est publiée au Moniteur belge et est contraignante. La liste sera aussi publiée sur le site web de la DG Navigation pour information.
Pour chaque profession, fonction, mandat l'ANSM détermine la période transitoire pendant laquelle toute personne exerçant ces professions, fonctions ou mandats doit avoir subi la vérification de sécurité.]1
Art.2.5.2.98. [1 Veiligheidsadvies
Personen mogen enkel het beroep, functie of mandaat of werkzaam zijn op een locatie bedoeld in artikel 2.5.2.97 uitoefenen indien een positief veiligheidsadvies werd bekomen. In afwijking van artikel 22quinquies/1, § 3, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst wordt het ontbreken van een veiligheidsadvies niet als positief aanzien voor de beroepen, functies en mandaten, bedoeld in artikel 2.5.2.97.]1
Personen mogen enkel het beroep, functie of mandaat of werkzaam zijn op een locatie bedoeld in artikel 2.5.2.97 uitoefenen indien een positief veiligheidsadvies werd bekomen. In afwijking van artikel 22quinquies/1, § 3, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst wordt het ontbreken van een veiligheidsadvies niet als positief aanzien voor de beroepen, functies en mandaten, bedoeld in artikel 2.5.2.97.]1
Art.2.5.2.98. [1 Avis de sécurité
Les personnes ne peuvent exercer la profession, la fonction ou le mandat ou travailler à une location visés à l'article 2.5.2.97 que si un avis de sécurité positif a été obtenu. Par dérogation à l'article 22quinquies/1, § 3, de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé, l'absence d'avis de sécurité n'est pas réputé positif pour les professions, fonctions et mandats, visés à l'article 2.5.2.97.]1
Les personnes ne peuvent exercer la profession, la fonction ou le mandat ou travailler à une location visés à l'article 2.5.2.97 que si un avis de sécurité positif a été obtenu. Par dérogation à l'article 22quinquies/1, § 3, de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé, l'absence d'avis de sécurité n'est pas réputé positif pour les professions, fonctions et mandats, visés à l'article 2.5.2.97.]1
Art.2.5.2.99. [1 Toegangsbadge
§ 1. De volgende gegevens van de persoon die een positief veiligheidsadvies heeft bekomen worden overgemaakt aan de veiligheidsofficier van de onderneming die de persoon tewerkstelt of waarvoor de persoon een functie of mandaat uitoefent:
1° de naam en voornaam;
2° het rijksregisternummer of het bis-identificatienummer toegekend door de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid;
3° de datum waarop het positief veiligheidsadvies werd bekomen;
4° de geldigheidsduur van het veiligheidsadvies.
Het rijksregisternummer kan enkel worden doorgegeven aan andere entiteiten van de onderneming die de persoon tewerkstelt indien deze entiteit gevestigd is binnen de Europees Economische Ruimte of in een land waarvoor de Europese Commissie een in artikel 45 van de AVG bedoelde adequaatheidsbesluit werd genomen.
§ 2. De veiligheidsofficier stelt in overleg met de PSO, PFSO, BFSO of exploitant van de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging een procedure op waarin minstens volgende elementen zijn opgenomen:
1° de wijze waarop deze gegevens worden verwerkt en bewaard;
2° een procedure hoe de badge gedeactiveerd wordt na afloop van de termijn waarvoor het positief veiligheidsadvies geldt of dat het positief veiligheidsadvies onherroepelijk wordt ingetrokken.
De PSO, PFSO, BFSO of exploitant van de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging neemt deze procedure op in het beveiligingsplan.
Op een toegangsbadge van een persoon waarvoor geen positief veiligheidsadvies werd afgegeven, moet door middel van de letters VA/AS op een rode of oranje achtergrond dit worden aangegeven.]1
§ 1. De volgende gegevens van de persoon die een positief veiligheidsadvies heeft bekomen worden overgemaakt aan de veiligheidsofficier van de onderneming die de persoon tewerkstelt of waarvoor de persoon een functie of mandaat uitoefent:
1° de naam en voornaam;
2° het rijksregisternummer of het bis-identificatienummer toegekend door de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid;
3° de datum waarop het positief veiligheidsadvies werd bekomen;
4° de geldigheidsduur van het veiligheidsadvies.
Het rijksregisternummer kan enkel worden doorgegeven aan andere entiteiten van de onderneming die de persoon tewerkstelt indien deze entiteit gevestigd is binnen de Europees Economische Ruimte of in een land waarvoor de Europese Commissie een in artikel 45 van de AVG bedoelde adequaatheidsbesluit werd genomen.
§ 2. De veiligheidsofficier stelt in overleg met de PSO, PFSO, BFSO of exploitant van de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging een procedure op waarin minstens volgende elementen zijn opgenomen:
1° de wijze waarop deze gegevens worden verwerkt en bewaard;
2° een procedure hoe de badge gedeactiveerd wordt na afloop van de termijn waarvoor het positief veiligheidsadvies geldt of dat het positief veiligheidsadvies onherroepelijk wordt ingetrokken.
De PSO, PFSO, BFSO of exploitant van de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging neemt deze procedure op in het beveiligingsplan.
Op een toegangsbadge van een persoon waarvoor geen positief veiligheidsadvies werd afgegeven, moet door middel van de letters VA/AS op een rode of oranje achtergrond dit worden aangegeven.]1
Art.2.5.2.99. [1 Badge d'accès
§ 1er. Les données suivantes de la personne qui a obtenu un avis de sécurité positif sont transmises à l'officier de sécurité de l'entreprise qui l'emploie ou pour laquelle elle exerce une fonction ou un mandat:
1° le nom et le prénom;
2° le numéro de registre national ou son numéro d'identification bis attribué par la Banque Carrefour de la Sécurité Sociale;
3° la date à laquelle l'avis de sécurité positif a été obtenu;
4° la durée de validité de l'avis de sécurité.
Le numéro de registre national ne peut être transmis à d'autres entités de l'entreprise qui emploie la personne que si cette entité est située dans l'Espace économique européen ou dans un pays pour lequel une décision d'adéquation visée à l'article 45 de la RGPD a été prise par la Commission européenne.
§ 2. L'officier de sécurité élabore, en concertation avec le PSO, le PFSO, le BFSO ou l'exploitant de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime, une procédure reprenant au moins les éléments suivants:
1° la manière dont ces données sont traitées et conservées;
2° une procédure de désactivation du badge après l'expiration de la période de validité de l'avis de sécurité positif ou le retrait irrévocable de l'avis de sécurité positif.
Le PSO, PFSO, BFSO ou l'exploitant de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime reprend cette procédure dans le plan de sûreté.
Les lettres VA/AS sur fond rouge ou orange sont indiquées sur le badge d'accès d'une personne pour laquelle aucun avis de sécurité positif n'a été donné.]1
§ 1er. Les données suivantes de la personne qui a obtenu un avis de sécurité positif sont transmises à l'officier de sécurité de l'entreprise qui l'emploie ou pour laquelle elle exerce une fonction ou un mandat:
1° le nom et le prénom;
2° le numéro de registre national ou son numéro d'identification bis attribué par la Banque Carrefour de la Sécurité Sociale;
3° la date à laquelle l'avis de sécurité positif a été obtenu;
4° la durée de validité de l'avis de sécurité.
Le numéro de registre national ne peut être transmis à d'autres entités de l'entreprise qui emploie la personne que si cette entité est située dans l'Espace économique européen ou dans un pays pour lequel une décision d'adéquation visée à l'article 45 de la RGPD a été prise par la Commission européenne.
§ 2. L'officier de sécurité élabore, en concertation avec le PSO, le PFSO, le BFSO ou l'exploitant de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime, une procédure reprenant au moins les éléments suivants:
1° la manière dont ces données sont traitées et conservées;
2° une procédure de désactivation du badge après l'expiration de la période de validité de l'avis de sécurité positif ou le retrait irrévocable de l'avis de sécurité positif.
Le PSO, PFSO, BFSO ou l'exploitant de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime reprend cette procédure dans le plan de sûreté.
Les lettres VA/AS sur fond rouge ou orange sont indiquées sur le badge d'accès d'une personne pour laquelle aucun avis de sécurité positif n'a été donné.]1
Art.2.5.2.100. [1 Onderrichtingen
De NAMB kan onderrichtingen vaststellen voor:
1° de wijze waarop de veiligheidsverificatie moet worden aangevraagd;
2° het gebruik van de toegangsbadge.
Op advies van de NAMB kan de Koning de onderrichtingen bedoeld in het eerste lid, bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.]1
De NAMB kan onderrichtingen vaststellen voor:
1° de wijze waarop de veiligheidsverificatie moet worden aangevraagd;
2° het gebruik van de toegangsbadge.
Op advies van de NAMB kan de Koning de onderrichtingen bedoeld in het eerste lid, bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.]1
Art.2.5.2.100. [1 Instructions
L'ANSM peut établir des instructions pour:
1° la manière dont la vérification de sécurité doit être demandée;
2° l'utilisation du badge d'accès.
Après avis de l'ASNM, le Roi peut ratifier les instructions visées à l'alinéa 1er, les rendant ainsi obligatoires.]1
L'ANSM peut établir des instructions pour:
1° la manière dont la vérification de sécurité doit être demandée;
2° l'utilisation du badge d'accès.
Après avis de l'ASNM, le Roi peut ratifier les instructions visées à l'alinéa 1er, les rendant ainsi obligatoires.]1
Afdeling 12. [1 - Integriteitsbeleid]1
Section 12. [1 - Politique d'intégrité]1
Art.2.5.2.101. [1 Wet van 28 november 2022
De wet van 28 november 2022 betreffende de bescherming van melders op inbreuken op het Unie- of nationale recht vastgesteld binnen een juridische entiteit in de private sector is van toepassing op de bedrijven die havens, havenfaciliteiten, terminals gelegen in het binnenland, vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging of Belgische schepen exploiteren, voor wat betreft het melden van mogelijke ongeoorloofde acties.]1
De wet van 28 november 2022 betreffende de bescherming van melders op inbreuken op het Unie- of nationale recht vastgesteld binnen een juridische entiteit in de private sector is van toepassing op de bedrijven die havens, havenfaciliteiten, terminals gelegen in het binnenland, vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging of Belgische schepen exploiteren, voor wat betreft het melden van mogelijke ongeoorloofde acties.]1
Art.2.5.2.101. [1 Loi du 28 novembre 2022
La loi du 28 novembre 2022 sur la protection des personnes qui signalent des violations au droit de l'Union ou au droit national constatées au sein d'une entité juridique du secteur privé s'applique aux entreprises exploitant des ports, des installations portuaires, des terminaux intérieurs, des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime ou des navires belges, pour ce qui concerne le signalement d'éventuels actions illicites.]1
La loi du 28 novembre 2022 sur la protection des personnes qui signalent des violations au droit de l'Union ou au droit national constatées au sein d'une entité juridique du secteur privé s'applique aux entreprises exploitant des ports, des installations portuaires, des terminaux intérieurs, des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime ou des navires belges, pour ce qui concerne le signalement d'éventuels actions illicites.]1
Afdeling 13. [1 - Meldingsplatform]1
Section 13. [1 - Plateforme de signalement]1
Art.2.5.2.102. [1 Portwatch
Bij de Cel Maritieme Beveiliging wordt een meldplatform genaamd "Portwatch" opgericht waarbij burgers verdachte situaties in de havens, havenfaciliteiten, terminals gelegen in het binnenland of vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging kunnen melden.
Het meldingsplatform moet toegankelijk zijn via het internet en moet zo ingericht worden dat anonieme meldingen mogelijk zijn waarbij na de sessie geen enkel gegeven kan terugleiden naar de melder.]1
Bij de Cel Maritieme Beveiliging wordt een meldplatform genaamd "Portwatch" opgericht waarbij burgers verdachte situaties in de havens, havenfaciliteiten, terminals gelegen in het binnenland of vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging kunnen melden.
Het meldingsplatform moet toegankelijk zijn via het internet en moet zo ingericht worden dat anonieme meldingen mogelijk zijn waarbij na de sessie geen enkel gegeven kan terugleiden naar de melder.]1
Art.2.5.2.102. [1 Portwatch
Il est créé auprès de la Cellule de la Sûreté maritime une plateforme de signalement appelée "Portwatch" où les citoyens peuvent signaler des situations suspectes dans les ports, les installations portuaires, les terminaux intérieurs ou les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime.
La plateforme de signalement doit être accessible via l'internet et doit être conçue de manière à permettre des signalements anonymes où après la session aucune donnée ne peut permettre de retrouver l'auteur du signalement.]1
Il est créé auprès de la Cellule de la Sûreté maritime une plateforme de signalement appelée "Portwatch" où les citoyens peuvent signaler des situations suspectes dans les ports, les installations portuaires, les terminaux intérieurs ou les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime.
La plateforme de signalement doit être accessible via l'internet et doit être conçue de manière à permettre des signalements anonymes où après la session aucune donnée ne peut permettre de retrouver l'auteur du signalement.]1
Art.2.5.2.103. [1 Verwerking
De geanonimiseerde gegevens van de meldingen worden opgeslagen in het ISPS-Platform bij de relevante haven, havenfaciliteit, terminal gelegen in het binnenland of vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging.
De meldingen worden onmiddellijk doorgeleid naar de bevoegde politiediensten. De Cel Maritieme Beveiliging maakt hiervoor de nodige afspraken met deze diensten.]1
De geanonimiseerde gegevens van de meldingen worden opgeslagen in het ISPS-Platform bij de relevante haven, havenfaciliteit, terminal gelegen in het binnenland of vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging.
De meldingen worden onmiddellijk doorgeleid naar de bevoegde politiediensten. De Cel Maritieme Beveiliging maakt hiervoor de nodige afspraken met deze diensten.]1
Art.2.5.2.103. [1 Traitement
Les données anonymisées des signalements sont sauvegardées dans la plateforme ISPS du port, de l'installation portuaire, du terminal intérieur ou de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime concernée.
Les signalements sont immédiatement transmis aux services de police compétents. La Cellule de la Sûreté maritime prend les dispositions nécessaires avec ces services à cet effet.]1
Les données anonymisées des signalements sont sauvegardées dans la plateforme ISPS du port, de l'installation portuaire, du terminal intérieur ou de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime concernée.
Les signalements sont immédiatement transmis aux services de police compétents. La Cellule de la Sûreté maritime prend les dispositions nécessaires avec ces services à cet effet.]1
HOOFDSTUK 3. - Voorkoming van verontreiniging door schepen
CHAPITRE 3. - La prévention de la pollution par les navires
Art. 2.5.3.1. Begrippen
In dit hoofdstuk, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, wordt verstaan onder :
1° "schadelijke stof" : elke stof die, indien deze in zee terechtkomt, gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de mens, schade kan toebrengen aan de biologische rijkdommen, zeeflora en -fauna, de recreatiemogelijkheden die de zee biedt kan schaden, of storend kan werken op enig ander rechtmatig gebruik van de zee, en met name alle stoffen onderworpen aan controle krachtens het MARPOL-Verdrag;
2° "lozen" : elk vrijkomen van een schip van schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten, hoe dan ook veroorzaakt, met inbegrip van het ontsnappen, over boord zetten, wegvloeien, lekken, pompen, uitstoten, storten of ledigen, met inbegrip van het verbranden, met uitzondering van :
a) het storten in de zin van het LC-Verdrag en het LC-Protocol;
b) het vrijkomen van schadelijke stoffen als rechtstreeks gevolg van de exploratie, exploitatie en bijhorende buitengaatse verwerking van mineralen die zich in de bodem van de zee en de oceanen bevinden;
c) het vrijkomen van schadelijke stoffen ten behoeve van rechtmatig wetenschappelijk onderzoek gericht op het bestrijden of beperken van verontreiniging;
3° "schip", in afwijking van artikel 1.1.1.3, § 1, 1° : elk vaartuig, van welk type ook, dat in het mariene milieu opereert, waaronder begrepen pleziervaartuigen, draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, afzinkbare vaartuigen en drijvende tuigen, alsook vaste en drijvende platforms;
4° "voorval" : een gebeurtenis die er daadwerkelijk toe leidt of er vermoedelijk toe zal leiden dat schadelijke stoffen dan wel vloeistoffen welke dergelijke stoffen bevatten, in zee worden geloosd;
5° "Verdragsluitende Staat" : een Staat die gebonden is door het MARPOL-Verdrag;
6° "haven" : een rede, pier, steiger en in het algemeen iedere plaats, al of niet in zee, waar schepen ligplaats kunnen hebben of waar opvarenden en zaken ingescheept of ontscheept kunnen worden;
7° "erkende organisatie" : een organisatie die is erkend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties.
[1 Wat betreft de overige begripsomschrijvingen en behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de uitvoeringsbesluiten, gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 de begripsomschrijvingen vervat in het MARPOL-Verdrag.]1
In dit hoofdstuk, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, wordt verstaan onder :
1° "schadelijke stof" : elke stof die, indien deze in zee terechtkomt, gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de mens, schade kan toebrengen aan de biologische rijkdommen, zeeflora en -fauna, de recreatiemogelijkheden die de zee biedt kan schaden, of storend kan werken op enig ander rechtmatig gebruik van de zee, en met name alle stoffen onderworpen aan controle krachtens het MARPOL-Verdrag;
2° "lozen" : elk vrijkomen van een schip van schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten, hoe dan ook veroorzaakt, met inbegrip van het ontsnappen, over boord zetten, wegvloeien, lekken, pompen, uitstoten, storten of ledigen, met inbegrip van het verbranden, met uitzondering van :
a) het storten in de zin van het LC-Verdrag en het LC-Protocol;
b) het vrijkomen van schadelijke stoffen als rechtstreeks gevolg van de exploratie, exploitatie en bijhorende buitengaatse verwerking van mineralen die zich in de bodem van de zee en de oceanen bevinden;
c) het vrijkomen van schadelijke stoffen ten behoeve van rechtmatig wetenschappelijk onderzoek gericht op het bestrijden of beperken van verontreiniging;
3° "schip", in afwijking van artikel 1.1.1.3, § 1, 1° : elk vaartuig, van welk type ook, dat in het mariene milieu opereert, waaronder begrepen pleziervaartuigen, draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, afzinkbare vaartuigen en drijvende tuigen, alsook vaste en drijvende platforms;
4° "voorval" : een gebeurtenis die er daadwerkelijk toe leidt of er vermoedelijk toe zal leiden dat schadelijke stoffen dan wel vloeistoffen welke dergelijke stoffen bevatten, in zee worden geloosd;
5° "Verdragsluitende Staat" : een Staat die gebonden is door het MARPOL-Verdrag;
6° "haven" : een rede, pier, steiger en in het algemeen iedere plaats, al of niet in zee, waar schepen ligplaats kunnen hebben of waar opvarenden en zaken ingescheept of ontscheept kunnen worden;
7° "erkende organisatie" : een organisatie die is erkend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties.
[1 Wat betreft de overige begripsomschrijvingen en behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de uitvoeringsbesluiten, gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk en de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 de begripsomschrijvingen vervat in het MARPOL-Verdrag.]1
Art. 2.5.3.1. Notions
Dans le présent chapitre, dans les dispositions dans le livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférents, l'on entend par :
1° " substance nuisible " : toute substance dont l'introduction dans la mer est susceptible de mettre en danger la santé de l'homme, de nuire aux ressources biologiques, à la faune et à la flore marines, de porter atteinte à l'agrément des sites ou de gêner toute autre utilisation légitime de la mer, et notamment toute substance soumise à un contrôle en vertu de la Convention MARPOL;
2° " rejet " : tout déversement de substances nuisibles ou d'effluents contenant de telles substances, provenant d'un navire, quelle qu'en soit la cause, y compris tout écoulement, évacuation, épanchement, fuite, déchargement par pompage, émission, émanation ou vidange et toute incinération, à l'exception :
a) de l'immersion au sens de la Convention LC et du Protocole LC;
b) des déversements de substances nuisibles qui résultent directement de l'exploration, de l'exploitation et du traitement connexe au large des côtes des ressources minérales du fond des mers et des océans;
c) des déversements de substances nuisibles effectués aux fins de recherches scientifiques légitimes visant à réduire ou à combattre la pollution;
3° " navire ", par dérogation à l'article 1.1.1.3, § 1er, 1° : tout bâtiment exploité en milieu marin de quelque type que ce soit et englobant les bateaux de plaisance, les hydroptères, les aéroglisseurs, les engins submersibles, les engins flottants et les plates-formes fixes ou flottantes;
4° " événement " : un incident qui entraîne ou est susceptible d'entraîner le rejet à la mer d'une substance nuisible ou d'un effluent contenant une telle substance;
5° " Etat Partie à la Convention " : un Etat qui est lié partie à la Convention MARPOL;
6° " port " : une rade, une jetée, un embarcadère et, en général, tout endroit situé ou non en mer et permettant l'amarrage de navires ou l'embarquement ou le débarquement de personnes et de choses;
7° " organisme agréé " : un organisme agréé conformément au Règlement (CE) n° 391/2009 du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 établissant des règles et normes communes concernant les organismes habilités à effectuer l'inspection et la visite des navires.
[1 En ce qui concerne les autres définitions et sauf dérogation expresse, pour l'application du présent chapitre et des dispositions du livre 4 qui y ont trait, les définitions qui figurent dans la Convention MARPOL sont d'application dans les arrêtés d'exécution.]1
Dans le présent chapitre, dans les dispositions dans le livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférents, l'on entend par :
1° " substance nuisible " : toute substance dont l'introduction dans la mer est susceptible de mettre en danger la santé de l'homme, de nuire aux ressources biologiques, à la faune et à la flore marines, de porter atteinte à l'agrément des sites ou de gêner toute autre utilisation légitime de la mer, et notamment toute substance soumise à un contrôle en vertu de la Convention MARPOL;
2° " rejet " : tout déversement de substances nuisibles ou d'effluents contenant de telles substances, provenant d'un navire, quelle qu'en soit la cause, y compris tout écoulement, évacuation, épanchement, fuite, déchargement par pompage, émission, émanation ou vidange et toute incinération, à l'exception :
a) de l'immersion au sens de la Convention LC et du Protocole LC;
b) des déversements de substances nuisibles qui résultent directement de l'exploration, de l'exploitation et du traitement connexe au large des côtes des ressources minérales du fond des mers et des océans;
c) des déversements de substances nuisibles effectués aux fins de recherches scientifiques légitimes visant à réduire ou à combattre la pollution;
3° " navire ", par dérogation à l'article 1.1.1.3, § 1er, 1° : tout bâtiment exploité en milieu marin de quelque type que ce soit et englobant les bateaux de plaisance, les hydroptères, les aéroglisseurs, les engins submersibles, les engins flottants et les plates-formes fixes ou flottantes;
4° " événement " : un incident qui entraîne ou est susceptible d'entraîner le rejet à la mer d'une substance nuisible ou d'un effluent contenant une telle substance;
5° " Etat Partie à la Convention " : un Etat qui est lié partie à la Convention MARPOL;
6° " port " : une rade, une jetée, un embarcadère et, en général, tout endroit situé ou non en mer et permettant l'amarrage de navires ou l'embarquement ou le débarquement de personnes et de choses;
7° " organisme agréé " : un organisme agréé conformément au Règlement (CE) n° 391/2009 du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 établissant des règles et normes communes concernant les organismes habilités à effectuer l'inspection et la visite des navires.
[1 En ce qui concerne les autres définitions et sauf dérogation expresse, pour l'application du présent chapitre et des dispositions du livre 4 qui y ont trait, les définitions qui figurent dans la Convention MARPOL sont d'application dans les arrêtés d'exécution.]1
Wijzigingen
Art. 2.5.3.2. Internationale en materiële toepassing
§ 1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald is deze titel van toepassing op alle schepen, ongeacht de vlag die ze gerechtigd zijn te voeren.
§ 2. De Koning kan deze titel geheel of gedeeltelijk van toepassing verklaren op andere tuigen dan schepen.
§ 3. Deze titel en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten zijn niet van toepassing op oorlogsschepen, schepen in gebruik als marinehulpschepen of andere schepen in eigendom van of in beheer bij een Staat die uitsluitend worden gebruikt in dienst van de overheid voor andere dan handelsdoeleinden.
§ 4. De Koning kan bepaalde categorieën van schepen geheel of gedeeltelijk van de toepassing van één of meer door of krachtens deze titel vastgestelde bepalingen vrijstellen.
§ 5. Voorschrift 4.2 van Bijlage I en Voorschrift 3.1.2, onder b) van Bijlage II van het MARPOL-Verdrag zijn niet van toepassing op lozingen :
1° in de binnenwateren van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, inclusief de havens, voor zover het MARPOL-Verdrag van toepassing is;
2° in de territoriale zee van België of die van een adere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
Artikel 2.5.3.3. Uitvoeringsbesluiten
De Koning stelt de voor de uitvoering van deze titel nodige bepalingen vast.
Daarbij kan de Koning een onderscheid maken naargelang de categorie waartoe het schip behoort, de bevaren zeegebieden, de gemaakte reizen en de vervoerde schadelijke stoffen.
§ 1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald is deze titel van toepassing op alle schepen, ongeacht de vlag die ze gerechtigd zijn te voeren.
§ 2. De Koning kan deze titel geheel of gedeeltelijk van toepassing verklaren op andere tuigen dan schepen.
§ 3. Deze titel en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten zijn niet van toepassing op oorlogsschepen, schepen in gebruik als marinehulpschepen of andere schepen in eigendom van of in beheer bij een Staat die uitsluitend worden gebruikt in dienst van de overheid voor andere dan handelsdoeleinden.
§ 4. De Koning kan bepaalde categorieën van schepen geheel of gedeeltelijk van de toepassing van één of meer door of krachtens deze titel vastgestelde bepalingen vrijstellen.
§ 5. Voorschrift 4.2 van Bijlage I en Voorschrift 3.1.2, onder b) van Bijlage II van het MARPOL-Verdrag zijn niet van toepassing op lozingen :
1° in de binnenwateren van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, inclusief de havens, voor zover het MARPOL-Verdrag van toepassing is;
2° in de territoriale zee van België of die van een adere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
Artikel 2.5.3.3. Uitvoeringsbesluiten
De Koning stelt de voor de uitvoering van deze titel nodige bepalingen vast.
Daarbij kan de Koning een onderscheid maken naargelang de categorie waartoe het schip behoort, de bevaren zeegebieden, de gemaakte reizen en de vervoerde schadelijke stoffen.
Art. 2.5.3.2. Application internationale et matérielle
§ 1er. Sauf disposition expresse contraire, le présent titre s'applique à tous les navires, quel que soit le pavillon qu'ils sont habilités à battre.
§ 2. Le Roi peut rendre le présent titre applicable, en tout ou en partie, à des engins autres que les navires.
§ 3. Le présent titre et les arrêtés d'exécution y afférents ne s'appliquent ni aux navires de guerre ou navires de guerre auxiliaires ni aux autres navires appartenant à un Etat ou exploités par cet Etat tant que celui-ci les utilise exclusivement à des fins gouvernementales et non commerciales.
§ 4. Le Roi peut exclure entièrement ou partiellement certaines catégories de navires de l'application d'une ou plusieurs règles et prescriptions édictées par ou en vertu du présent titre.
§ 5. La Règle 4.2 de l'Annexe I et la Règle 3.1.2, sous b) de l'Annexe II de la Convention MARPOL ne s'appliquent pas aux rejets :
1° dans les eaux intérieures d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen, y compris les ports, dans la mesure où la Convention MARPOL est applicable;
2° dans la mer territoriale de la Belgique ou d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen.
Article 2.5.3.3. Arrêtés d'exécution
Le Roi arrête les dispositions nécessaires à l'exécution du présent titre.
Le Roi peut en outre opérer une distinction en fonction de la catégorie dont relève le navire, les zones maritimes parcourues, les voyages effectués ou les substances nuisibles à transporter.
§ 1er. Sauf disposition expresse contraire, le présent titre s'applique à tous les navires, quel que soit le pavillon qu'ils sont habilités à battre.
§ 2. Le Roi peut rendre le présent titre applicable, en tout ou en partie, à des engins autres que les navires.
§ 3. Le présent titre et les arrêtés d'exécution y afférents ne s'appliquent ni aux navires de guerre ou navires de guerre auxiliaires ni aux autres navires appartenant à un Etat ou exploités par cet Etat tant que celui-ci les utilise exclusivement à des fins gouvernementales et non commerciales.
§ 4. Le Roi peut exclure entièrement ou partiellement certaines catégories de navires de l'application d'une ou plusieurs règles et prescriptions édictées par ou en vertu du présent titre.
§ 5. La Règle 4.2 de l'Annexe I et la Règle 3.1.2, sous b) de l'Annexe II de la Convention MARPOL ne s'appliquent pas aux rejets :
1° dans les eaux intérieures d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen, y compris les ports, dans la mesure où la Convention MARPOL est applicable;
2° dans la mer territoriale de la Belgique ou d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen.
Article 2.5.3.3. Arrêtés d'exécution
Le Roi arrête les dispositions nécessaires à l'exécution du présent titre.
Le Roi peut en outre opérer une distinction en fonction de la catégorie dont relève le navire, les zones maritimes parcourues, les voyages effectués ou les substances nuisibles à transporter.
Art. 2.5.3.4. Lozingsverbod
Behoudens in de gevallen en op de wijze bepaald bij of krachtens het MARPOL-Verdrag of door deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten is het Belgische en vreemde schepen verboden een schadelijke stof het water of in de atmosfeer te lozen.
Behoudens in de gevallen en op de wijze bepaald bij of krachtens het MARPOL-Verdrag of door deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten is het Belgische en vreemde schepen verboden een schadelijke stof het water of in de atmosfeer te lozen.
Art. 2.5.3.4. Interdiction de rejet
Il est interdit à tout navire battant pavillon belge et étranger de rejeter une substance nuisible deans les eaux ou dans l'atmosphère, excepté dans les cas et de la façon prévus par la Convention MARPOL ou en vertu de celle-ci, ou par le présent titre et ses arrêtés d'exécution.
Il est interdit à tout navire battant pavillon belge et étranger de rejeter une substance nuisible deans les eaux ou dans l'atmosphère, excepté dans les cas et de la façon prévus par la Convention MARPOL ou en vertu de celle-ci, ou par le présent titre et ses arrêtés d'exécution.
Art. 2.5.3.5. Scheepstechnische voorschriften
§ 1. De Koning stelt de voorschriften vast waaraan de bouw, de inrichting, de uitrusting en de werking van een Belgisch schip ter voorkoming of beperking van verontreiniging door schepen dient te voldoen.
§ 2. Vreemde schepen moeten voldoen aan de voorschriften van het MARPOL-Verdrag.
§ 3. Ter voorkoming van verontreiniging door schepen kan de Koning onder meer regels stellen ten aanzien van :
1° de aanwezigheid aan boord van instructies, gebruiksaanwijzingen en waarschuwingen;
2° de stuwage, de wijze van verpakking en de etikettering van schadelijke stoffen, alsook de daarop betrekking hebbende ladingdocumenten;
3° de aanwezigheid aan boord en de hoedanigheid van meet- en registratieapparatuur, alsook het gebruik daarvan;
4° het aan boord verrichten van handelingen met betrekking tot schadelijke stoffen en residuen ervan, alsook de daarmee verband houdende bedrijfsvoering.
§ 4. De schepen die Belgische havens aanlopen moeten voorzien zijn van een door de IMO verstrekt identificatienummer. Dit identificatienummer moet duidelijk op de relevante scheepsdocumenten leesbaar zijn.
§ 1. De Koning stelt de voorschriften vast waaraan de bouw, de inrichting, de uitrusting en de werking van een Belgisch schip ter voorkoming of beperking van verontreiniging door schepen dient te voldoen.
§ 2. Vreemde schepen moeten voldoen aan de voorschriften van het MARPOL-Verdrag.
§ 3. Ter voorkoming van verontreiniging door schepen kan de Koning onder meer regels stellen ten aanzien van :
1° de aanwezigheid aan boord van instructies, gebruiksaanwijzingen en waarschuwingen;
2° de stuwage, de wijze van verpakking en de etikettering van schadelijke stoffen, alsook de daarop betrekking hebbende ladingdocumenten;
3° de aanwezigheid aan boord en de hoedanigheid van meet- en registratieapparatuur, alsook het gebruik daarvan;
4° het aan boord verrichten van handelingen met betrekking tot schadelijke stoffen en residuen ervan, alsook de daarmee verband houdende bedrijfsvoering.
§ 4. De schepen die Belgische havens aanlopen moeten voorzien zijn van een door de IMO verstrekt identificatienummer. Dit identificatienummer moet duidelijk op de relevante scheepsdocumenten leesbaar zijn.
Art. 2.5.3.5. Prescriptions techniques relatives aux navires
§ 1er. Le Roi fixe les prescriptions auxquelles doivent répondre la construction, l'aménagement, l'équipement et le fonctionnement d'un navire battant pavillon belge, afin de prévenir ou de limiter la pollution par les navires.
§ 2. Les navires battant pavillon étranger doivent satisfaire aux prescriptions de la Convention MARPOL.
§ 3. Le Roi peut fixer des règles pour la prévention de la pollution par les navires, notamment en ce qui concerne :
1° la présence requise à bord d'instructions, de modes d'emploi et d'avertissements;
2° l'arrimage, le mode d'emballage et l'étiquetage de substances nuisibles, ainsi que les documents de chargement y relatifs;
3° la présence requise à bord et la nature des appareils de mesurage et d'enregistrement, ainsi que leur utilisation;
4° les manipulations effectuées à bord en rapport avec des substances nuisibles et leurs résidus, ainsi que la gestion y afférente.
§ 4. Les navires qui entrent dans les ports belges doivent être pourvus d'un numéro d'identification fourni par l'OMI. Ce numéro d'identification doit être clairement lisible sur les documents de bord pertinents.
§ 1er. Le Roi fixe les prescriptions auxquelles doivent répondre la construction, l'aménagement, l'équipement et le fonctionnement d'un navire battant pavillon belge, afin de prévenir ou de limiter la pollution par les navires.
§ 2. Les navires battant pavillon étranger doivent satisfaire aux prescriptions de la Convention MARPOL.
§ 3. Le Roi peut fixer des règles pour la prévention de la pollution par les navires, notamment en ce qui concerne :
1° la présence requise à bord d'instructions, de modes d'emploi et d'avertissements;
2° l'arrimage, le mode d'emballage et l'étiquetage de substances nuisibles, ainsi que les documents de chargement y relatifs;
3° la présence requise à bord et la nature des appareils de mesurage et d'enregistrement, ainsi que leur utilisation;
4° les manipulations effectuées à bord en rapport avec des substances nuisibles et leurs résidus, ainsi que la gestion y afférente.
§ 4. Les navires qui entrent dans les ports belges doivent être pourvus d'un numéro d'identification fourni par l'OMI. Ce numéro d'identification doit être clairement lisible sur les documents de bord pertinents.
Art. 2.5.3.6. MARPOL-certificaat
§ 1. De Scheepvaartcontrole reikt voor een Belgisch schip dat behoort tot een door de Koning aangewezen categorie van schepen een MARPOL-certificaat uit na een onderzoek waaruit blijkt dat het schip voldoet aan de in artikel 2.5.3.5. bedoelde voorschriften.
§ 2. De Scheepvaartcontrole mag ingaan op het verzoek van een bevoegde overheid van een Verdragsluitende Staat om, ten behoeve van een schip dat de vlag van die Staat voert of zal voeren, en na een onderzoek waaruit blijkt dat het schip voldoet aan de toepasselijke voorschriften, een MARPOL-certificaat uit te reiken.
§ 3. Het MARPOL-certificaat vervalt :
1° wanneer het schip ophoudt te behoren tot de categorie van schepen waaraan een dergelijk certificaat wordt uitgereikt;
2° wanneer het schip wordt verbouwd of aan zijn inrichting of uitrusting ingrijpende wijzigingen worden aangebracht;
3° wanneer het schip onder een andere vlag wordt gebracht.
De scheepvaartcontroleurs trekken het MARPOL-certificaat in wanneer blijkt dat de bouw, de inrichting of de uitrusting van het schip in belangrijke mate van de gegevens van het certificaat afwijkt.
De scheepseigenaar moet het vervallen of ingetrokken MARPOL-certificaat onverwijld toezenden aan de scheepvaartcontroleurs.
§ 4. De Koning bepaalt :
1° de wijze waarop en de voorwaarden waaronder het MARPOL-certificaat wordt uitgereikt, verlengd of vernieuwd, alsook de daartoe over te leggen documenten;
2° de inhoud, het model en de geldigheidsduur van het certificaat.
§ 5. Voor onderzoeken, inspecties en andere werkzaamheden leidend tot de uitreiking, de vernieuwing en de verlenging van een MARPOL-certificaat kan een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan.
[1 § 6. Met MARPOL-certificaat wordt elk certificaat of ander document voorgeschreven door het MARPOL-Verdrag bedoeld.]1
§ 1. De Scheepvaartcontrole reikt voor een Belgisch schip dat behoort tot een door de Koning aangewezen categorie van schepen een MARPOL-certificaat uit na een onderzoek waaruit blijkt dat het schip voldoet aan de in artikel 2.5.3.5. bedoelde voorschriften.
§ 2. De Scheepvaartcontrole mag ingaan op het verzoek van een bevoegde overheid van een Verdragsluitende Staat om, ten behoeve van een schip dat de vlag van die Staat voert of zal voeren, en na een onderzoek waaruit blijkt dat het schip voldoet aan de toepasselijke voorschriften, een MARPOL-certificaat uit te reiken.
§ 3. Het MARPOL-certificaat vervalt :
1° wanneer het schip ophoudt te behoren tot de categorie van schepen waaraan een dergelijk certificaat wordt uitgereikt;
2° wanneer het schip wordt verbouwd of aan zijn inrichting of uitrusting ingrijpende wijzigingen worden aangebracht;
3° wanneer het schip onder een andere vlag wordt gebracht.
De scheepvaartcontroleurs trekken het MARPOL-certificaat in wanneer blijkt dat de bouw, de inrichting of de uitrusting van het schip in belangrijke mate van de gegevens van het certificaat afwijkt.
De scheepseigenaar moet het vervallen of ingetrokken MARPOL-certificaat onverwijld toezenden aan de scheepvaartcontroleurs.
§ 4. De Koning bepaalt :
1° de wijze waarop en de voorwaarden waaronder het MARPOL-certificaat wordt uitgereikt, verlengd of vernieuwd, alsook de daartoe over te leggen documenten;
2° de inhoud, het model en de geldigheidsduur van het certificaat.
§ 5. Voor onderzoeken, inspecties en andere werkzaamheden leidend tot de uitreiking, de vernieuwing en de verlenging van een MARPOL-certificaat kan een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan.
[1 § 6. Met MARPOL-certificaat wordt elk certificaat of ander document voorgeschreven door het MARPOL-Verdrag bedoeld.]1
Art. 2.5.3.6. Certificat MARPOL
§ 1. Le Contrôle de la navigation délivre à un navire battant pavillon belge et appartenant à une catégorie de navires désignée par le Roi, un certificat MARPOL attestant, après inspection, que le navire répond aux prescriptions visées à l'article 2.5.3.5.
§ 2. Le Contrôle de la navigation peut accéder à la demande d'une autorité compétente d'un Etat Partie à la Convention de délivrer à un navire qui bat ou battra le pavillon de cet Etat un certificat MARPOL après une inspection attestant que le navire répond aux prescriptions applicables.
§ 3. Le certificat MARPOL cesse d'être valable si :
1° le navire n'appartient plus à la catégorie de navires pour laquelle un tel certificat est délivré;
2° le navire est transformé ou si son aménagement ou équipement subit des modifications importantes;
3° le navire passe sous un autre pavillon.
Les agents chargés du contrôle de la navigation retirent le certificat MARPOL lorsqu'il s'avère que la construction, l'aménagement ou l'équipement du navire diffère considérablement des données du certificat.
Le certificat périmé ou retiré doit être envoyé dans les plus brefs délais par le propriétaire du navire aux contrôleurs de la navigation.
§ 4. Le Roi détermine :
1° la manière et les conditions de délivrance, de renouvellement ou de prorogation du certificat MARPOL, ainsi que les documents à produire à cet effet;
2° la teneur, le modèle et la durée de validité du certificat.
§ 5. Pour les examens, inspections et autres prestations en vue de la délivrance, du renouvellement et de la prorogation d'un certificat MARPOL, une redevance peut être prélevée, dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevable à l'Etat.
Le Roi détermine le tarif des redevances et les autres règles afférentes à leur application et à leur perception.
[1 § 6. Par certificat MARPOL, on entend tout certificat ou autre document prescrit par la Convention MARPOL.]1
§ 1. Le Contrôle de la navigation délivre à un navire battant pavillon belge et appartenant à une catégorie de navires désignée par le Roi, un certificat MARPOL attestant, après inspection, que le navire répond aux prescriptions visées à l'article 2.5.3.5.
§ 2. Le Contrôle de la navigation peut accéder à la demande d'une autorité compétente d'un Etat Partie à la Convention de délivrer à un navire qui bat ou battra le pavillon de cet Etat un certificat MARPOL après une inspection attestant que le navire répond aux prescriptions applicables.
§ 3. Le certificat MARPOL cesse d'être valable si :
1° le navire n'appartient plus à la catégorie de navires pour laquelle un tel certificat est délivré;
2° le navire est transformé ou si son aménagement ou équipement subit des modifications importantes;
3° le navire passe sous un autre pavillon.
Les agents chargés du contrôle de la navigation retirent le certificat MARPOL lorsqu'il s'avère que la construction, l'aménagement ou l'équipement du navire diffère considérablement des données du certificat.
Le certificat périmé ou retiré doit être envoyé dans les plus brefs délais par le propriétaire du navire aux contrôleurs de la navigation.
§ 4. Le Roi détermine :
1° la manière et les conditions de délivrance, de renouvellement ou de prorogation du certificat MARPOL, ainsi que les documents à produire à cet effet;
2° la teneur, le modèle et la durée de validité du certificat.
§ 5. Pour les examens, inspections et autres prestations en vue de la délivrance, du renouvellement et de la prorogation d'un certificat MARPOL, une redevance peut être prélevée, dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevable à l'Etat.
Le Roi détermine le tarif des redevances et les autres règles afférentes à leur application et à leur perception.
[1 § 6. Par certificat MARPOL, on entend tout certificat ou autre document prescrit par la Convention MARPOL.]1
Wijzigingen
Art. 2.5.3.7. Scheepsdagboek
§ 1. De kapitein van een Belgisch schip en behoort tot een door de Koning aangewezen categorie van schepen, is verplicht aan boord een dagboek bij te houden waarin de handelingen met betrekking tot het vervoer, de behandeling en de lozing van schadelijke stoffen en hun residuen worden aangetekend.
§ 2. De Koning kan onder meer regels vaststellen ten aanzien van :
1° de inhoud en het model van het in paragraaf 1 bedoelde dagboek;
2° de gegevens die in het dagboek moeten worden vermeld en de wijze van vermelding;
3° de plaats waarop en de periode gedurende welke het dagboek dient te worden bewaard.
§ 3. De kapitein van een Belgisch of een vreemd schip aan boord waarvan een dagboek dient te worden gehouden moet de bevoegde overheden op hun verzoek inzage van het dagboek verschaffen en toe te laten van om het even welke aantekening daarin afschrift te nemen.
Desgevraagd dient de kapitein het afschrift voor eensluidend te verklaren.
Elk voor eensluidend verklaard afschrift van een aantekening in het dagboek geldt als bewijs van de daarin vermelde feiten zolang het tegendeel niet bewezen is. Artikel 2.4.2.9, § 2, eerste lid is niet van toepassing.
§ 1. De kapitein van een Belgisch schip en behoort tot een door de Koning aangewezen categorie van schepen, is verplicht aan boord een dagboek bij te houden waarin de handelingen met betrekking tot het vervoer, de behandeling en de lozing van schadelijke stoffen en hun residuen worden aangetekend.
§ 2. De Koning kan onder meer regels vaststellen ten aanzien van :
1° de inhoud en het model van het in paragraaf 1 bedoelde dagboek;
2° de gegevens die in het dagboek moeten worden vermeld en de wijze van vermelding;
3° de plaats waarop en de periode gedurende welke het dagboek dient te worden bewaard.
§ 3. De kapitein van een Belgisch of een vreemd schip aan boord waarvan een dagboek dient te worden gehouden moet de bevoegde overheden op hun verzoek inzage van het dagboek verschaffen en toe te laten van om het even welke aantekening daarin afschrift te nemen.
Desgevraagd dient de kapitein het afschrift voor eensluidend te verklaren.
Elk voor eensluidend verklaard afschrift van een aantekening in het dagboek geldt als bewijs van de daarin vermelde feiten zolang het tegendeel niet bewezen is. Artikel 2.4.2.9, § 2, eerste lid is niet van toepassing.
Art. 2.5.3.7. Journal de bord
§ 1. Le capitaine d'un navire battant pavillon belge et appartenant à une catégorie de navires désignée par le Roi est responsable de la tenue à bord d'un journal dans lequel sont consignées les opérations relatives au transport, à la manutention et au rejet de substances nuisibles et de leurs résidus.
§ 2. Le Roi peut fixer des règles concernant entre autres :
1° la teneur et le modèle du journal visé au paragraphe 1er;
2° les données à mentionner dans le journal et le mode d'enregistrement;
3° le lieu où et la période durant laquelle le journal doit être conservé.
§ 3. Le capitaine d'un navire battant pavillon belge ou étranger à bord duquel doit être tenu un journal doit autoriser les autorités compétentes qui en font la demande à consulter ce journal et à prendre copie de toute mention y figurant.
Si la demande lui en est faite, le capitaine doit certifier la conformité de la copie.
Toute copie certifiée conforme d'une mention figurant dans le journal fait foi des faits repris dans ce journal jusqu'à preuve du contraire. L'article 2.4.2.9, § 2, alinéa 1er, n'est pas d'application.
§ 1. Le capitaine d'un navire battant pavillon belge et appartenant à une catégorie de navires désignée par le Roi est responsable de la tenue à bord d'un journal dans lequel sont consignées les opérations relatives au transport, à la manutention et au rejet de substances nuisibles et de leurs résidus.
§ 2. Le Roi peut fixer des règles concernant entre autres :
1° la teneur et le modèle du journal visé au paragraphe 1er;
2° les données à mentionner dans le journal et le mode d'enregistrement;
3° le lieu où et la période durant laquelle le journal doit être conservé.
§ 3. Le capitaine d'un navire battant pavillon belge ou étranger à bord duquel doit être tenu un journal doit autoriser les autorités compétentes qui en font la demande à consulter ce journal et à prendre copie de toute mention y figurant.
Si la demande lui en est faite, le capitaine doit certifier la conformité de la copie.
Toute copie certifiée conforme d'une mention figurant dans le journal fait foi des faits repris dans ce journal jusqu'à preuve du contraire. L'article 2.4.2.9, § 2, alinéa 1er, n'est pas d'application.
Art. 2.5.3.8. Meldingsplicht
De Koning bepaalt de gevallen waarin de kapitein en de exploitant van een Belgisch schip verplicht zijn een voorval waarbij het schip betrokken is onverwijld aan de door Koning aangewezen overheidsdiensten te melden. Met de exploitant wordt in dit artikel bedoeld de eigenaar van het schip of elke andere organisatie of persoon, zoals de manager of rompbevrachter, die namens de eigenaar de verantwoordelijkheid heeft aanvaard voor de exploitatie van het schip en die bij de aanvaarding van die verantwoordelijkheid de verplichting op zich heeft genomen zich te kwijten van alle bijbehorende taken en verantwoordelijkheden die worden opgelegd door de ISM-Code.
De Koning bepaalt onder meer waarin de in het eerste lid bedoelde melding moet bestaan, op welke wijze ze dient te geschieden en aan welke overheidsdiensten ze moet worden gedaan.
[1 ...]1
De Koning bepaalt de gevallen waarin de kapitein en de exploitant van een Belgisch schip verplicht zijn een voorval waarbij het schip betrokken is onverwijld aan de door Koning aangewezen overheidsdiensten te melden. Met de exploitant wordt in dit artikel bedoeld de eigenaar van het schip of elke andere organisatie of persoon, zoals de manager of rompbevrachter, die namens de eigenaar de verantwoordelijkheid heeft aanvaard voor de exploitatie van het schip en die bij de aanvaarding van die verantwoordelijkheid de verplichting op zich heeft genomen zich te kwijten van alle bijbehorende taken en verantwoordelijkheden die worden opgelegd door de ISM-Code.
De Koning bepaalt onder meer waarin de in het eerste lid bedoelde melding moet bestaan, op welke wijze ze dient te geschieden en aan welke overheidsdiensten ze moet worden gedaan.
[1 ...]1
Art. 2.5.3.8. Obligation de notification
Le Roi détermine les cas où le capitaine et l'exploitant d'un navire battant pavillon belge sont obligés de communiquer immédiatement, aux autorités désignées par le Roi, tout événement dans lequel est impliqué le navire. Au présent article, l'on entend par exploitant le propriétaire du navire ou toute autre organisation ou personne, comme le gérant ou l'affréteur coque nue, qui a accepté au nom du propriétaire la responsabilité de l'exploitation du navire et qui par l'acceptation de cette responsabilité s'est engagé à s'acquitter de toutes les tâches et responsabilités connexes imposées par le Code ISM.
Le Roi fixe les règles relatives notamment au contenu de la communication visée à l'alinéa 1er ainsi qu'à la manière dont elle doit être faite et aux services publics auxquels elle est destinée.
[1 ...]1
Le Roi détermine les cas où le capitaine et l'exploitant d'un navire battant pavillon belge sont obligés de communiquer immédiatement, aux autorités désignées par le Roi, tout événement dans lequel est impliqué le navire. Au présent article, l'on entend par exploitant le propriétaire du navire ou toute autre organisation ou personne, comme le gérant ou l'affréteur coque nue, qui a accepté au nom du propriétaire la responsabilité de l'exploitation du navire et qui par l'acceptation de cette responsabilité s'est engagé à s'acquitter de toutes les tâches et responsabilités connexes imposées par le Code ISM.
Le Roi fixe les règles relatives notamment au contenu de la communication visée à l'alinéa 1er ainsi qu'à la manière dont elle doit être faite et aux services publics auxquels elle est destinée.
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. 2.5.3.9. Scheepsnoodplan
Elk olietankschip met een brutotonnenmaat van 150 of meer en elk ander schip, dat geen olietankschip is, met een brutotonnenmaat van 400 of meer, dient een noodplan voor koolwaterstoffenverontreiniging aan boord te hebben.
Het noodplan moet in overeenstemming zijn met de door de IMO opgestelde richtsnoeren. Het omvat ten minste :
1° de procedure die de kapitein bij de melding van voorvallen van verontreiniging moet volgen, zoals vereist door artikel 8 van MARPOL-Verdrag en door Protocol I bij het MARPOL-Verdrag;
2° de lijst van autoriteiten of personen met wie bij een voorval van koolwaterstoffenverontreiniging contact moet worden opgenomen;
3° een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk aan boord moeten worden genomen ten einde de lozing van koolwaterstoffen als gevolg van het voorval te bestrijden of te beperken; en
4° de procedures en de contactpersonen aan boord van het schip voor de coördinatie tussen maatregelen aan boord en maatregelen van de nationale en lokale autoriteiten ter bestrijding van verontreiniging.
Elk olietankschip met een brutotonnenmaat van 150 of meer en elk ander schip, dat geen olietankschip is, met een brutotonnenmaat van 400 of meer, dient een noodplan voor koolwaterstoffenverontreiniging aan boord te hebben.
Het noodplan moet in overeenstemming zijn met de door de IMO opgestelde richtsnoeren. Het omvat ten minste :
1° de procedure die de kapitein bij de melding van voorvallen van verontreiniging moet volgen, zoals vereist door artikel 8 van MARPOL-Verdrag en door Protocol I bij het MARPOL-Verdrag;
2° de lijst van autoriteiten of personen met wie bij een voorval van koolwaterstoffenverontreiniging contact moet worden opgenomen;
3° een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk aan boord moeten worden genomen ten einde de lozing van koolwaterstoffen als gevolg van het voorval te bestrijden of te beperken; en
4° de procedures en de contactpersonen aan boord van het schip voor de coördinatie tussen maatregelen aan boord en maatregelen van de nationale en lokale autoriteiten ter bestrijding van verontreiniging.
Art. 2.5.3.9. Plan d'urgence du navire
Tout pétrolier d'un tonnage brut d'au moins 150 tonnes et tout autre navire, autre qu'un pétrolier, d'un tonnage brut d'au moins 400 tonnes, doit avoir à son bord un plan d'urgence pour la pollution par les hydrocarbures.
Ce plan d'urgence doit être conforme aux directives de l'OMI. Il comprend au moins :
1° la procédure qui doit être suivie par le capitaine du navire pour la notification d'incidents de pollution, comme l'exigent l'article 8 de la Convention MARPOL et le Protocole I à la Convention MARPOL;
2° la liste des autorités ou personnes à contacter en cas d'accident de pollution par les hydrocarbures;
3° une description détaillée des mesures qui doivent être prises immédiatement par les personnes à bord pour combattre ou limiter le déversement d'hydrocarbures résultant de l'incident; et
4° les procédures et les personnes à contacter à bord du navire pour la coordination entre les mesures à bord et les mesures prises par les autorités nationales et locales pour la lutte contre la pollution.
Tout pétrolier d'un tonnage brut d'au moins 150 tonnes et tout autre navire, autre qu'un pétrolier, d'un tonnage brut d'au moins 400 tonnes, doit avoir à son bord un plan d'urgence pour la pollution par les hydrocarbures.
Ce plan d'urgence doit être conforme aux directives de l'OMI. Il comprend au moins :
1° la procédure qui doit être suivie par le capitaine du navire pour la notification d'incidents de pollution, comme l'exigent l'article 8 de la Convention MARPOL et le Protocole I à la Convention MARPOL;
2° la liste des autorités ou personnes à contacter en cas d'accident de pollution par les hydrocarbures;
3° une description détaillée des mesures qui doivent être prises immédiatement par les personnes à bord pour combattre ou limiter le déversement d'hydrocarbures résultant de l'incident; et
4° les procédures et les personnes à contacter à bord du navire pour la coordination entre les mesures à bord et les mesures prises par les autorités nationales et locales pour la lutte contre la pollution.
Art. 2.5.3.10. Afvaartverbod
§ 1. Het is een schip bedoeld in artikel 2.5.3.6, § 1, alsook een schip dat de vlag van een Verdragsluitende Staat voert, en dat ingevolge het MARPOL-Verdrag en dit boek een certificaat aan boord moet hebben, verboden een Belgische haven te verlaten wanneer het niet van het vereiste geldige certificaat is voorzien.
§ 2. Het is een schip dat aan boord niet beschikt over een noodplan voor koolwaterstoffenverontreiniging dat voldoet aan de voorschriften bepaald in artikel 2.5.3.9 [1 of niet beschikt over een scheepsnoodplan voor mariene verontreiniging door schadelijk vloeistoffen dat voldoet aan de voorschriften bepaald in artikel 2.5.3.12,]1 en het MARPOL-Verdrag verboden een Belgische haven te verlaten.
§ 1. Het is een schip bedoeld in artikel 2.5.3.6, § 1, alsook een schip dat de vlag van een Verdragsluitende Staat voert, en dat ingevolge het MARPOL-Verdrag en dit boek een certificaat aan boord moet hebben, verboden een Belgische haven te verlaten wanneer het niet van het vereiste geldige certificaat is voorzien.
§ 2. Het is een schip dat aan boord niet beschikt over een noodplan voor koolwaterstoffenverontreiniging dat voldoet aan de voorschriften bepaald in artikel 2.5.3.9 [1 of niet beschikt over een scheepsnoodplan voor mariene verontreiniging door schadelijk vloeistoffen dat voldoet aan de voorschriften bepaald in artikel 2.5.3.12,]1 en het MARPOL-Verdrag verboden een Belgische haven te verlaten.
Art. 2.5.3.10. Interdiction de départ
§ 1. Un navire visé à l'article 2.5.3.6, § 1er, ainsi qu'un navire battant pavillon d'un Etat Partie à la Convention et qui, conformément à la Convention MARPOL et au présent livre, est tenu d'avoir un certificat à bord, ne peut quitter un port belge s'il n'est pas muni du certificat valable requis.
§ 2. Il est interdit à un navire qui ne dispose pas à son bord d'un plan d'urgence pour la pollution par les hydrocarbures, qui répond aux prescriptions stipulées à l'article 2.5.3.9 [1 ou ne dispose pas d'un plan d'urgence de bord contre la pollution des mers par les substances liquides nocives, qui répond aux prescriptions stipulées à l'article 2.5.3.12,]1 et dans la Convention MARPOL, de quitter un port belge.
§ 1. Un navire visé à l'article 2.5.3.6, § 1er, ainsi qu'un navire battant pavillon d'un Etat Partie à la Convention et qui, conformément à la Convention MARPOL et au présent livre, est tenu d'avoir un certificat à bord, ne peut quitter un port belge s'il n'est pas muni du certificat valable requis.
§ 2. Il est interdit à un navire qui ne dispose pas à son bord d'un plan d'urgence pour la pollution par les hydrocarbures, qui répond aux prescriptions stipulées à l'article 2.5.3.9 [1 ou ne dispose pas d'un plan d'urgence de bord contre la pollution des mers par les substances liquides nocives, qui répond aux prescriptions stipulées à l'article 2.5.3.12,]1 et dans la Convention MARPOL, de quitter un port belge.
Wijzigingen
Art. 2.5.3.11. Machtigingen
De Koning kan erkende organisaties machtigen ten behoeve van de Scheepvaartcontrole de door Koning aangewezen werkzaamheden voor de uitvoering van deze titel te verrichten.
De Koning kan erkende organisaties machtigen ten behoeve van de Scheepvaartcontrole de door Koning aangewezen werkzaamheden voor de uitvoering van deze titel te verrichten.
Art. 2.5.3.11. Habilitations
Le Roi peut habiliter des organismes agréés à effectuer certaines activités désignées par le Roi pour l'exécution du présent titre au profit du Contrôle de la navigation.
Le Roi peut habiliter des organismes agréés à effectuer certaines activités désignées par le Roi pour l'exécution du présent titre au profit du Contrôle de la navigation.
Art. 2.5.3.12. [1 Scheepsnoodplan voor mariene verontreiniging door schadelijk vloeistoffen
§ 1. Elk zeeschip met een brutotonnenmaat van 150 en meer dat gecertificeerd is om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren, moet een Scheepsnoodplan voor maritieme verontreiniging door schadelijke vloeistoffen aan boord hebben. Dit noodplan moet worden goedgekeurd door de Scheepvaartcontrole voor Belgische schepen of door de bevoegde autoriteit van de vlagstaat van het schip voor vreemde schepen die een Belgische haven aandoen.
§ 2. Zulk plan moet gebaseerd zijn op de richtsnoeren van de IMO en geschreven in de werktaal of talen die gesproken worden door de gezaghebber en de officieren. Het plan moet tenminste het volgende bevatten:
1° de procedure die moet worden gevolgd door de gezaghebber en andere personen die controle hebben over het zeeschip om een verontreinigingsincident met schadelijke vloeistoffen te rapporteren, zoals bedoeld in artikel 8 van Protocol I van het MARPOL-Verdrag, op basis van de richtsnoeren ontwikkeld door de IMO;
2° de lijst van autoriteiten of te contacteren personen in het geval van een verontreinigingsincident met schadelijke vloeistoffen;
3° een gedetailleerde beschrijving van de onmiddellijk door de personen aan boord te nemen actie om de lozing van schadelijke vloeistoffen te beperken of te controleren na het incident: en
4° de procedures en het contactpunt op het zeeschip voor coördinatie van acties aan boord met nationale en lokale autoriteiten om de verontreiniging te bestrijden.
§ 3. In het geval zeeschepen waarop artikel 2.5.3.9 ook van toepassing is, mag zulk plan gecombineerd worden met het Scheepsnoodplan voor olieverontreiniging zoals bedoeld in artikel 2.5.3.9. In dit geval, is de titel van het noodplan "Scheepsnoodplan voor mariene verontreiniging".
§ 4. Onder schadelijke vloeistof wordt verstaan elke stof die in de kolom Verontreinigingscategorie van hoofdstuk 17 of 18 van de International Bulk Chemical Code staat of voorlopig wordt beoordeeld onder de bepalingen van voorschrift 6.3 van Bijlage II van het MARPOL-Verdrag als vallend onder categorie X, Y of Z.]1
§ 1. Elk zeeschip met een brutotonnenmaat van 150 en meer dat gecertificeerd is om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren, moet een Scheepsnoodplan voor maritieme verontreiniging door schadelijke vloeistoffen aan boord hebben. Dit noodplan moet worden goedgekeurd door de Scheepvaartcontrole voor Belgische schepen of door de bevoegde autoriteit van de vlagstaat van het schip voor vreemde schepen die een Belgische haven aandoen.
§ 2. Zulk plan moet gebaseerd zijn op de richtsnoeren van de IMO en geschreven in de werktaal of talen die gesproken worden door de gezaghebber en de officieren. Het plan moet tenminste het volgende bevatten:
1° de procedure die moet worden gevolgd door de gezaghebber en andere personen die controle hebben over het zeeschip om een verontreinigingsincident met schadelijke vloeistoffen te rapporteren, zoals bedoeld in artikel 8 van Protocol I van het MARPOL-Verdrag, op basis van de richtsnoeren ontwikkeld door de IMO;
2° de lijst van autoriteiten of te contacteren personen in het geval van een verontreinigingsincident met schadelijke vloeistoffen;
3° een gedetailleerde beschrijving van de onmiddellijk door de personen aan boord te nemen actie om de lozing van schadelijke vloeistoffen te beperken of te controleren na het incident: en
4° de procedures en het contactpunt op het zeeschip voor coördinatie van acties aan boord met nationale en lokale autoriteiten om de verontreiniging te bestrijden.
§ 3. In het geval zeeschepen waarop artikel 2.5.3.9 ook van toepassing is, mag zulk plan gecombineerd worden met het Scheepsnoodplan voor olieverontreiniging zoals bedoeld in artikel 2.5.3.9. In dit geval, is de titel van het noodplan "Scheepsnoodplan voor mariene verontreiniging".
§ 4. Onder schadelijke vloeistof wordt verstaan elke stof die in de kolom Verontreinigingscategorie van hoofdstuk 17 of 18 van de International Bulk Chemical Code staat of voorlopig wordt beoordeeld onder de bepalingen van voorschrift 6.3 van Bijlage II van het MARPOL-Verdrag als vallend onder categorie X, Y of Z.]1
Art. 2.5.3.12. [1 Plan d'urgence de bord contre la pollution des mers par les substances liquides nocives
§ 1er. Tout navire d'une jauge brute égale ou supérieure à 150 qui est certifié apte à transporter des substances liquides nocives en vrac doit avoir un plan d'urgence de bord contre la pollution des mers par les substances liquides nocives. Ce plan d'urgence doit être approuvé par le Contrôle de la Navigation en ce qui concerne les navires belges, ou par l'autorité compétente de l'Etat du pavillon du navire en ce qui concerne les navires étrangers faisant escale dans un port belge.
§ 2. Un tel plan doit être établi compte tenu des directives élaborées par l'OMI et doit être rédigé dans une ou des langues de travail que le capitaine et les officiers comprennent. Le plan doit comporter au moins :
1° la procédure que le capitaine ou d'autres personnes responsables du navire de mer doivent suivre pour signaler un événement de pollution par les substances liquides nocives, conformément à l'article 8 et au Protocole I de la Convention MARPOL, compte tenu des directives élaborées par l'OMI ;
2° la liste des autorités ou personnes à contacter en cas d'événement de pollution par les substances liquides nocives ;
3° une description détaillée des mesures que doivent prendre immédiatement les personnes à bord afin de réduire ou de maîtriser le rejet de substances liquides nocives, à la suite de l'événement ; et
4° les procédures et le point de contact à bord du navire de mer pour la coordination des mesures à bord avec les autorités nationales et locales en vue de lutter contre la pollution.
§ 3. Dans le cas des navires de mer auxquels s'applique également l'article 2.5.3.9, un tel plan peut être combiné avec le plan d'urgence de bord contre la pollution par les hydrocarbures visé à l'article 2.5.3.9. Dans ce cas, ce plan doit être intitulé " Plan d'urgence de bord contre la pollution des mers ".
§ 4. Par substance liquide nocive, on entend toute substance signalée comme telle dans la colonne " Catégorie de pollution " des chapitres 17 et 18 du Recueil international de règles sur les transporteurs de produits chimiques ou classée à titre provisoire, en application des dispositions de la règle 6, paragraphe 3 de l'Annexe II à la Convention MARPOL, comme relevant de la catégorie X, Y ou Z.]1
§ 1er. Tout navire d'une jauge brute égale ou supérieure à 150 qui est certifié apte à transporter des substances liquides nocives en vrac doit avoir un plan d'urgence de bord contre la pollution des mers par les substances liquides nocives. Ce plan d'urgence doit être approuvé par le Contrôle de la Navigation en ce qui concerne les navires belges, ou par l'autorité compétente de l'Etat du pavillon du navire en ce qui concerne les navires étrangers faisant escale dans un port belge.
§ 2. Un tel plan doit être établi compte tenu des directives élaborées par l'OMI et doit être rédigé dans une ou des langues de travail que le capitaine et les officiers comprennent. Le plan doit comporter au moins :
1° la procédure que le capitaine ou d'autres personnes responsables du navire de mer doivent suivre pour signaler un événement de pollution par les substances liquides nocives, conformément à l'article 8 et au Protocole I de la Convention MARPOL, compte tenu des directives élaborées par l'OMI ;
2° la liste des autorités ou personnes à contacter en cas d'événement de pollution par les substances liquides nocives ;
3° une description détaillée des mesures que doivent prendre immédiatement les personnes à bord afin de réduire ou de maîtriser le rejet de substances liquides nocives, à la suite de l'événement ; et
4° les procédures et le point de contact à bord du navire de mer pour la coordination des mesures à bord avec les autorités nationales et locales en vue de lutter contre la pollution.
§ 3. Dans le cas des navires de mer auxquels s'applique également l'article 2.5.3.9, un tel plan peut être combiné avec le plan d'urgence de bord contre la pollution par les hydrocarbures visé à l'article 2.5.3.9. Dans ce cas, ce plan doit être intitulé " Plan d'urgence de bord contre la pollution des mers ".
§ 4. Par substance liquide nocive, on entend toute substance signalée comme telle dans la colonne " Catégorie de pollution " des chapitres 17 et 18 du Recueil international de règles sur les transporteurs de produits chimiques ou classée à titre provisoire, en application des dispositions de la règle 6, paragraphe 3 de l'Annexe II à la Convention MARPOL, comme relevant de la catégorie X, Y ou Z.]1
HOOFDSTUK 4. [1 - Bijzondere regelingen voor de havens]1
CHAPITRE 4. [1 - Régimes particuliers pour les ports]1
Afdeling 1. [1 - Cameragebruik]1
Section 1re. [1 - Utilisation de caméras]1
Art.2.5.4.1. [1 Toepassingsgebied
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de plaatsing en het gebruik van camera's door de havenkapiteinsdienst binnen:
1° het geografische gebied dat overeenstemt met de coördinaten van de havenfaciliteit zoals vastgesteld door de Koning overeenkomstig artikel 2.5.2.4, § 2, tweede lid;
2° het geografische gebied dat overeenstemt met de coördinaten van de haven zoals vastgesteld door de Koning overeenkomstig artikel 2.5.2.4, § 2, derde lid.
§ 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op derden, al dan niet concessiehouders, die camera's in de haven of havenfaciliteit plaatsen of gebruiken, behalve voor wat betreft hun verplichting tot het delen van camerabeelden zoals bedoeld in artikel 2.5.4.9.
§ 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op camera's die toegelaten zijn door een bijzondere wet, decreet of artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel.
§ 4. De wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's is niet van toepassing op het plaatsen of gebruiken door de havenkapiteinsdienst van camera's in de havens of havenfaciliteiten die onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen. De wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's blijft van toepassing op derden, al dan niet concessiehouders die camera's plaatsen in een haven of havenfaciliteit.]1
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de plaatsing en het gebruik van camera's door de havenkapiteinsdienst binnen:
1° het geografische gebied dat overeenstemt met de coördinaten van de havenfaciliteit zoals vastgesteld door de Koning overeenkomstig artikel 2.5.2.4, § 2, tweede lid;
2° het geografische gebied dat overeenstemt met de coördinaten van de haven zoals vastgesteld door de Koning overeenkomstig artikel 2.5.2.4, § 2, derde lid.
§ 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op derden, al dan niet concessiehouders, die camera's in de haven of havenfaciliteit plaatsen of gebruiken, behalve voor wat betreft hun verplichting tot het delen van camerabeelden zoals bedoeld in artikel 2.5.4.9.
§ 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op camera's die toegelaten zijn door een bijzondere wet, decreet of artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel.
§ 4. De wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's is niet van toepassing op het plaatsen of gebruiken door de havenkapiteinsdienst van camera's in de havens of havenfaciliteiten die onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen. De wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's blijft van toepassing op derden, al dan niet concessiehouders die camera's plaatsen in een haven of havenfaciliteit.]1
Art.2.5.4.1. [1 Champ d'application
§ 1er. Le présent chapitre s'applique à l'installation et à l'utilisation de caméras par la capitainerie du port:
1° de la zone géographique correspondant aux coordonnées de l'installation portuaire telles que fixées par le Roi conformément à l'article 2.5.2.4, § 2, alinéa 2;
2° de la zone géographique correspondant aux coordonnées du port telles que fixées par le Roi conformément à l'article 2.5.2.4, § 2, alinéa 3.
§ 2. Le présent chapitre ne s'applique pas aux tiers, concessionnaires ou non, qui installent ou utilisent des caméras dans le port ou l'installation portuaire, sauf pour ce qui concerne leur obligation de partager les images de caméras visées à l'article 2.5.4.9.
§ 3. Le présent chapitre ne s'applique pas aux caméras autorisées par une loi particulière, un décret particulier ou une règle particulière visée à l'article 134 de la Constitution.
§ 4. La loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance ne s'applique pas à l'installation ou à l'utilisation par la capitainerie du port de caméras dans les ports ou installations portuaires relevant du champ d'application du présent chapitre. La loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance reste d'applique aux tiers, concessionnaires ou non, qui installent ou utilisent des caméras dans un port ou une installation portuaire.]1
§ 1er. Le présent chapitre s'applique à l'installation et à l'utilisation de caméras par la capitainerie du port:
1° de la zone géographique correspondant aux coordonnées de l'installation portuaire telles que fixées par le Roi conformément à l'article 2.5.2.4, § 2, alinéa 2;
2° de la zone géographique correspondant aux coordonnées du port telles que fixées par le Roi conformément à l'article 2.5.2.4, § 2, alinéa 3.
§ 2. Le présent chapitre ne s'applique pas aux tiers, concessionnaires ou non, qui installent ou utilisent des caméras dans le port ou l'installation portuaire, sauf pour ce qui concerne leur obligation de partager les images de caméras visées à l'article 2.5.4.9.
§ 3. Le présent chapitre ne s'applique pas aux caméras autorisées par une loi particulière, un décret particulier ou une règle particulière visée à l'article 134 de la Constitution.
§ 4. La loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance ne s'applique pas à l'installation ou à l'utilisation par la capitainerie du port de caméras dans les ports ou installations portuaires relevant du champ d'application du présent chapitre. La loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance reste d'applique aux tiers, concessionnaires ou non, qui installent ou utilisent des caméras dans un port ou une installation portuaire.]1
Art.2.5.4.2. [1 Definities
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° camera: elk observatiesysteem dat beelden verwerkt voor de doeleinden uit artikel 2.5.4.3, ongeacht of het observatiesysteem tijdens de observatie op een vaste plaats blijft om vanaf deze locatie beelden te verwerken, dan wel of het observatiesysteem tijdens de observatie kan worden verplaatst om vanaf verschillende plaatsen of posities beelden te verwerken, zoals observatiesystemen geïnstalleerd aan boord van een vervoermiddel van de havenkapitein of aan boord van een ander voertuig, vaartuig, vliegtuig of een onbemand luchtvaartuigsysteem (UAS);
2° intelligente camera: camera die ook onderdelen en software bevat die, al dan niet gekoppeld aan registers of bestanden, de verzamelde camerabeelden al dan niet autonoom kan verwerken.]1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° camera: elk observatiesysteem dat beelden verwerkt voor de doeleinden uit artikel 2.5.4.3, ongeacht of het observatiesysteem tijdens de observatie op een vaste plaats blijft om vanaf deze locatie beelden te verwerken, dan wel of het observatiesysteem tijdens de observatie kan worden verplaatst om vanaf verschillende plaatsen of posities beelden te verwerken, zoals observatiesystemen geïnstalleerd aan boord van een vervoermiddel van de havenkapitein of aan boord van een ander voertuig, vaartuig, vliegtuig of een onbemand luchtvaartuigsysteem (UAS);
2° intelligente camera: camera die ook onderdelen en software bevat die, al dan niet gekoppeld aan registers of bestanden, de verzamelde camerabeelden al dan niet autonoom kan verwerken.]1
Art.2.5.4.2. [1 Définitions
Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
1° caméra: tout système d'observation qui traite des images pour les finalités visées à l'article 2.5.4.3, que le système d'observation reste dans un endroit fixe pendant l'observation pour traiter les images de cet endroit, ou que le système d'observation puisse être déplacé pendant l'observation pour traiter des images de différents endroits ou positions, tels que les systèmes d'observation installés à bord d'un moyen de transport du capitaine du port ou d'un autre véhicule, navire, avion ou système aérien sans pilote (UAS);
2° caméra intelligente: caméra qui comprend également des composantes ainsi que des logiciels qui, couplés ou non à des registres ou à des fichiers, peuvent traiter de manière autonome ou non les images recueillies.]1
Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
1° caméra: tout système d'observation qui traite des images pour les finalités visées à l'article 2.5.4.3, que le système d'observation reste dans un endroit fixe pendant l'observation pour traiter les images de cet endroit, ou que le système d'observation puisse être déplacé pendant l'observation pour traiter des images de différents endroits ou positions, tels que les systèmes d'observation installés à bord d'un moyen de transport du capitaine du port ou d'un autre véhicule, navire, avion ou système aérien sans pilote (UAS);
2° caméra intelligente: caméra qui comprend également des composantes ainsi que des logiciels qui, couplés ou non à des registres ou à des fichiers, peuvent traiter de manière autonome ou non les images recueillies.]1
Art.2.5.4.3. [1 Doel
§ 1. De havenkapiteinsdienst kan in het gebied bedoeld in artikel 2.5.4.1, § 1, camera's plaatsen of gebruiken voor één of meerdere van de volgende doelen:
1° het voorkomen, vaststellen of opsporen en bestraffen van ongeoorloofde acties of misdrijven tegen personen of goederen;
2° het garanderen van de maritieme beveiliging in havens en de havenfaciliteiten;
3° het garanderen van de beveiliging van de personen die aanwezig zijn in de havens en de havenfaciliteiten;
4° het controleren van de naleving van het verbod opgelegd overeenkomstig artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
5° het controleren van de naleving van het verbod dat personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen;
6° het garanderen van de beveiliging van de haven, bouw- en kunstwerken, kabels en pijpleidingen;
7° het garanderen van de scheepvaartveiligheid;
8° het vaststellen en onderzoeken van de veiligheid van vaarwegen, infrastructuur en kades;
9° het monitoren van de toegankelijkheid van en de verkeersafwikkeling in het havengebied;
10° het beschermen van het mariene milieu, met inbegrip van voorkomen van verontreiniging door emissies;
11° het uitvoeren van wetenschappelijk, statistisch en historisch onderzoek in de zin van artikel 89 AVG;
12° het uitvoeren en verstrekken van de opleiding van personen met specifieke taken;
13° het behoud van de biodiversiteit en de levende rijkdommen;
14° het vaststellen, onderzoeken en behandelen van averij;
15° het voeren van onderzoek naar de oorzaak van ongevallen overeenkomstig hoofdstuk 7 van titel 7 van boek 2.
§ 2. Het gebruik van camera's die biometrische gegevens van personen kunnen verwerken, is enkel toegestaan wanneer dit noodzakelijk is om de doeleinden bedoeld in paragraaf 1 te bereiken, in het bijzonder om de aanwezigheid van personen vast te stellen binnen het gebied bedoeld in artikel 2.5.4.1, § 1. De noodzaak van dit gebruik dient voorafgaand in het havenbeveiligingsplan te worden aangetoond op basis van concrete elementen in de havenbeveiligingsbeoordeling.
Wanneer biometrische gegevens verzameld op basis van camera's zijn bedoeld om een persoon te identificeren, is dat enkel toegelaten voor de doeleinden bedoeld in § 1, 1°, 2°, 3°, 4° en 5°.
Tijdens de in deze paragraaf bedoelde verwerkingen van persoonsgegevens zijn de volgende waarborgen inzake bescherming van persoonsgegevens van toepassing:
1° de categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens, worden aangewezen door de havenkapiteinsdienst met een beschrijving van hun functie ten aanzien van de verwerking van de gegevens in kwestie;
2° de lijst van de aangewezen personen om de in deze paragraaf bedoelde gegevens te verwerken, stelt de havenkapiteinsdienst ter beschikking van de toezichthoudende autoriteit;
3° de aangewezen personen moeten, op grond van een wettelijke of statutaire verplichting, of een overeenkomstige contractuele bepaling, het vertrouwelijke karakter van de gegevens in kwestie in acht nemen;
4° er worden gepaste technische of organisatorische maatregelen getroffen om de persoonsgegevens tegen toevallige of niet-toegelaten vernietiging, tegen toevallig verlies of wijziging of elke andere niet-toegelaten verwerking van die gegevens te beschermen;
5° de verwerkingsverantwoordelijken vermelden in hun gegevensbeschermingsbeleid de te ondernemen acties om de verwerking van die gegevenscategorieën te beschermen en om de kwaliteit van de verwerkte gegevens te waarborgen, met name voor aspecten in verband met de beoordeling van de kwaliteit van de gegevens die in deze gegevensbestanden worden verwerkt, onder andere voor de aspecten in verband met de juistheid, volledigheid, betrouwbaarheid en de mate waarin zij actueel zijn. De bevoegde functionarissen voor gegevensbescherming zien erop toe dat dat beleid gevolgd wordt.
De Koning kan in andere gepaste aanvullende waarborgen voorzien.
§ 3. Verdere verwerking van de beelden en geluidsopnames is enkel toegelaten voor volgende doeleinden:
1° het beschikken over archieven met beeld- en geluidsmateriaal, nadat deze geanonimiseerd werden overeenkomstig artikel 89 van de AVG, onverminderd de Archiefwet van 24 juni 1955;
2° voor didactische en pedagogische doeleinden in het kader van de opleiding van de LCMB en NAMB nadat de beelden werden geanonimiseerd overeenkomstig artikel 89 van de AVG;
3° voor het sensibiliseren en informeren van de bevolking, nadat de beelden geanonimiseerd werden overeenkomstig artikel 89 van de AVG.]1
§ 1. De havenkapiteinsdienst kan in het gebied bedoeld in artikel 2.5.4.1, § 1, camera's plaatsen of gebruiken voor één of meerdere van de volgende doelen:
1° het voorkomen, vaststellen of opsporen en bestraffen van ongeoorloofde acties of misdrijven tegen personen of goederen;
2° het garanderen van de maritieme beveiliging in havens en de havenfaciliteiten;
3° het garanderen van de beveiliging van de personen die aanwezig zijn in de havens en de havenfaciliteiten;
4° het controleren van de naleving van het verbod opgelegd overeenkomstig artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
5° het controleren van de naleving van het verbod dat personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen;
6° het garanderen van de beveiliging van de haven, bouw- en kunstwerken, kabels en pijpleidingen;
7° het garanderen van de scheepvaartveiligheid;
8° het vaststellen en onderzoeken van de veiligheid van vaarwegen, infrastructuur en kades;
9° het monitoren van de toegankelijkheid van en de verkeersafwikkeling in het havengebied;
10° het beschermen van het mariene milieu, met inbegrip van voorkomen van verontreiniging door emissies;
11° het uitvoeren van wetenschappelijk, statistisch en historisch onderzoek in de zin van artikel 89 AVG;
12° het uitvoeren en verstrekken van de opleiding van personen met specifieke taken;
13° het behoud van de biodiversiteit en de levende rijkdommen;
14° het vaststellen, onderzoeken en behandelen van averij;
15° het voeren van onderzoek naar de oorzaak van ongevallen overeenkomstig hoofdstuk 7 van titel 7 van boek 2.
§ 2. Het gebruik van camera's die biometrische gegevens van personen kunnen verwerken, is enkel toegestaan wanneer dit noodzakelijk is om de doeleinden bedoeld in paragraaf 1 te bereiken, in het bijzonder om de aanwezigheid van personen vast te stellen binnen het gebied bedoeld in artikel 2.5.4.1, § 1. De noodzaak van dit gebruik dient voorafgaand in het havenbeveiligingsplan te worden aangetoond op basis van concrete elementen in de havenbeveiligingsbeoordeling.
Wanneer biometrische gegevens verzameld op basis van camera's zijn bedoeld om een persoon te identificeren, is dat enkel toegelaten voor de doeleinden bedoeld in § 1, 1°, 2°, 3°, 4° en 5°.
Tijdens de in deze paragraaf bedoelde verwerkingen van persoonsgegevens zijn de volgende waarborgen inzake bescherming van persoonsgegevens van toepassing:
1° de categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens, worden aangewezen door de havenkapiteinsdienst met een beschrijving van hun functie ten aanzien van de verwerking van de gegevens in kwestie;
2° de lijst van de aangewezen personen om de in deze paragraaf bedoelde gegevens te verwerken, stelt de havenkapiteinsdienst ter beschikking van de toezichthoudende autoriteit;
3° de aangewezen personen moeten, op grond van een wettelijke of statutaire verplichting, of een overeenkomstige contractuele bepaling, het vertrouwelijke karakter van de gegevens in kwestie in acht nemen;
4° er worden gepaste technische of organisatorische maatregelen getroffen om de persoonsgegevens tegen toevallige of niet-toegelaten vernietiging, tegen toevallig verlies of wijziging of elke andere niet-toegelaten verwerking van die gegevens te beschermen;
5° de verwerkingsverantwoordelijken vermelden in hun gegevensbeschermingsbeleid de te ondernemen acties om de verwerking van die gegevenscategorieën te beschermen en om de kwaliteit van de verwerkte gegevens te waarborgen, met name voor aspecten in verband met de beoordeling van de kwaliteit van de gegevens die in deze gegevensbestanden worden verwerkt, onder andere voor de aspecten in verband met de juistheid, volledigheid, betrouwbaarheid en de mate waarin zij actueel zijn. De bevoegde functionarissen voor gegevensbescherming zien erop toe dat dat beleid gevolgd wordt.
De Koning kan in andere gepaste aanvullende waarborgen voorzien.
§ 3. Verdere verwerking van de beelden en geluidsopnames is enkel toegelaten voor volgende doeleinden:
1° het beschikken over archieven met beeld- en geluidsmateriaal, nadat deze geanonimiseerd werden overeenkomstig artikel 89 van de AVG, onverminderd de Archiefwet van 24 juni 1955;
2° voor didactische en pedagogische doeleinden in het kader van de opleiding van de LCMB en NAMB nadat de beelden werden geanonimiseerd overeenkomstig artikel 89 van de AVG;
3° voor het sensibiliseren en informeren van de bevolking, nadat de beelden geanonimiseerd werden overeenkomstig artikel 89 van de AVG.]1
Art.2.5.4.3. [1 Finalités
§ 1er. La capitainerie du port peut, dans la zone visée à l'article 2.5.4.1, § 1er, placer ou utiliser des caméras à une ou plusieurs des fins suivantes:
1° prévenir, constater ou détecter et sanctionner les actions illicites ou les délits contre les personnes ou marchandises;
2° garantir la sûreté maritime dans les ports et les installations portuaires;
3° garantir la sûreté des personnes présentes dans les ports et les installations portuaires;
4° vérifier le respect de l'interdiction imposée conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation;
5° vérifier le respect de l'interdiction imposée aux personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, ont reçu la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire;
6° garantir la sûreté du port, des ouvrages de construction et de génie civil, des câbles et des pipelines;
7° garantir la sécurité de la navigation;
8° constater et examiner la sécurité des voies navigables, des infrastructures et des quais;
9° contrôler l'accessibilité et la gestion du trafic dans la zone portuaire;
10° protéger le milieu marin, y compris la prévention de la pollution due aux émissions;
11° mener des recherches scientifiques, statistiques et historiques au sens de l'article 89 du RGPD;
12° mener et assurer la formation des personnes à des tâches spécifiques;
13° conserver la biodiversité et les ressources vivantes;
14° constater, examiner et traiter une avarie;
15° mener des enquêtes sur la cause des accidents conformément au chapitre 7 du titre 7 du livre 2.
§ 2. L'utilisation de caméras capables de traiter les données biométriques des personnes n'est autorisée que lorsque cela est nécessaire pour atteindre les finalités visées au paragraphe 1er, notamment pour constater la présence de personnes dans la zone visée à l'article 2.5.4.1, § 1er. La nécessité de cette utilisation doit être démontrée au préalable dans le plan de sûreté portuaire sur la base d'éléments concrets de l'évaluation de la sûreté portuaire.
Lorsque les données biométriques recueillies par des caméras visent à identifier une personne, cela n'est autorisé que pour les finalités visées au § 1er, 1°, 2°, 3°, 4° et 5°.
Lors du traitement des données personnelles visé dans ce paragraphe, les garanties suivantes concernant la protection des données à caractère personnelles s'appliquent:
1° les catégories de personnes ayant accès aux données à caractère personnelles sont désignées par la capitainerie avec une description de leur fonction au regard du traitement des données concernées;
2° la capitainerie met à la disposition de l'autorité de contrôle la liste des personnes désignées pour traiter les données mentionnées au présent alinéa;
3° les personnes désignées doivent, en vertu d'une obligation légale ou réglementaire, ou d'une disposition contractuelle correspondante, respecter le caractère confidentiel des données en question;
4° des mesures techniques ou organisationnelles appropriées sont prises pour protéger les données à caractère personnelles contre la destruction accidentelle ou non autorisée, la perte ou l'altération accidentelle ou tout autre traitement non autorisé de ces données;
5° les responsables du traitement indiquent dans leur politique de protection des données les actions à prendre pour protéger le traitement de ces catégories de données et pour assurer la qualité des données traitées, notamment pour les aspects liés à l'évaluation de la qualité des données contenues dans ces bases de données sont traitées, y compris pour les aspects liés à leur exactitude, leur exhaustivité, leur fiabilité et leur actualité. Les délégués à la protection des données compétents veilleront au respect de cette politique.
Le Roi peut fournir d'autres garanties complémentaires appropriées.
§ 3. Le traitement ultérieur des images et du son n'est autorisé que pour les fins suivantes:
1° disposer d'archives visuelles et sonores, après anonymisation conformément à l'article 89 du RGDP, sans préjudice de la loi du 24 juin 1955 relative aux archives;
2° à des fins didactiques et pédagogiques dans le cadre de la formation du CLSM et de l'ANSM, après anonymisation conformément à l'article 89 du RGDP;
3° pour sensibiliser et informer la population après anonymisation conformément à l'article 89 du RGDP.]1
§ 1er. La capitainerie du port peut, dans la zone visée à l'article 2.5.4.1, § 1er, placer ou utiliser des caméras à une ou plusieurs des fins suivantes:
1° prévenir, constater ou détecter et sanctionner les actions illicites ou les délits contre les personnes ou marchandises;
2° garantir la sûreté maritime dans les ports et les installations portuaires;
3° garantir la sûreté des personnes présentes dans les ports et les installations portuaires;
4° vérifier le respect de l'interdiction imposée conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation;
5° vérifier le respect de l'interdiction imposée aux personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, ont reçu la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire;
6° garantir la sûreté du port, des ouvrages de construction et de génie civil, des câbles et des pipelines;
7° garantir la sécurité de la navigation;
8° constater et examiner la sécurité des voies navigables, des infrastructures et des quais;
9° contrôler l'accessibilité et la gestion du trafic dans la zone portuaire;
10° protéger le milieu marin, y compris la prévention de la pollution due aux émissions;
11° mener des recherches scientifiques, statistiques et historiques au sens de l'article 89 du RGPD;
12° mener et assurer la formation des personnes à des tâches spécifiques;
13° conserver la biodiversité et les ressources vivantes;
14° constater, examiner et traiter une avarie;
15° mener des enquêtes sur la cause des accidents conformément au chapitre 7 du titre 7 du livre 2.
§ 2. L'utilisation de caméras capables de traiter les données biométriques des personnes n'est autorisée que lorsque cela est nécessaire pour atteindre les finalités visées au paragraphe 1er, notamment pour constater la présence de personnes dans la zone visée à l'article 2.5.4.1, § 1er. La nécessité de cette utilisation doit être démontrée au préalable dans le plan de sûreté portuaire sur la base d'éléments concrets de l'évaluation de la sûreté portuaire.
Lorsque les données biométriques recueillies par des caméras visent à identifier une personne, cela n'est autorisé que pour les finalités visées au § 1er, 1°, 2°, 3°, 4° et 5°.
Lors du traitement des données personnelles visé dans ce paragraphe, les garanties suivantes concernant la protection des données à caractère personnelles s'appliquent:
1° les catégories de personnes ayant accès aux données à caractère personnelles sont désignées par la capitainerie avec une description de leur fonction au regard du traitement des données concernées;
2° la capitainerie met à la disposition de l'autorité de contrôle la liste des personnes désignées pour traiter les données mentionnées au présent alinéa;
3° les personnes désignées doivent, en vertu d'une obligation légale ou réglementaire, ou d'une disposition contractuelle correspondante, respecter le caractère confidentiel des données en question;
4° des mesures techniques ou organisationnelles appropriées sont prises pour protéger les données à caractère personnelles contre la destruction accidentelle ou non autorisée, la perte ou l'altération accidentelle ou tout autre traitement non autorisé de ces données;
5° les responsables du traitement indiquent dans leur politique de protection des données les actions à prendre pour protéger le traitement de ces catégories de données et pour assurer la qualité des données traitées, notamment pour les aspects liés à l'évaluation de la qualité des données contenues dans ces bases de données sont traitées, y compris pour les aspects liés à leur exactitude, leur exhaustivité, leur fiabilité et leur actualité. Les délégués à la protection des données compétents veilleront au respect de cette politique.
Le Roi peut fournir d'autres garanties complémentaires appropriées.
§ 3. Le traitement ultérieur des images et du son n'est autorisé que pour les fins suivantes:
1° disposer d'archives visuelles et sonores, après anonymisation conformément à l'article 89 du RGDP, sans préjudice de la loi du 24 juin 1955 relative aux archives;
2° à des fins didactiques et pédagogiques dans le cadre de la formation du CLSM et de l'ANSM, après anonymisation conformément à l'article 89 du RGDP;
3° pour sensibiliser et informer la population après anonymisation conformément à l'article 89 du RGDP.]1
Art.2.5.4.4. [1 Plaatsen en gebruik van camera's
§ 1. Voor camera's die zijn opgenomen in het havenbeveiligingsplan, neemt de havenkapiteinsdienst het initiatief tot het plaatsen of gebruiken van een vaste camera of het gebruiken van een mobiele camera, al dan niet tijdelijk en al dan niet met registratie van geluid, in havens of havenfaciliteiten. Er wordt melding gemaakt van de bestaande camera's gemaakt aan de Cel Maritieme Beveiliging.
§ 2. Voor camera's die niet zijn opgenomen in het havenbeveiligingsplan, dient de havenkapiteinsdienst een aanvraag in bij de Cel Maritieme Beveiliging voor het plaatsen en gebruiken van één of meer vaste camera's of het gebruiken van één of meer mobiele camera's, al dan niet tijdelijk, in havens of havenfaciliteiten. Alvorens deze aanvraag in te dienen, vraagt de havenkapiteinsdienst een advies aan het bevoegde LCMB over de punten 1° tot en met 4° van paragraaf 3.
§ 3. De aanvraag bedoeld in paragraaf 2 bevat minstens de volgende zaken:
1° locatie van het plaatsen of het gebruik van de camera;
2° de perimeter waarbinnen de camera beelden kan verwerken;
3° het doeleinde van het gebruik van de camera;
4° de specificaties van de camera;
5° de bewaringstermijn die de maximale duur zoals bepaald in artikel 2.5.2.90 niet te boven mag gaan;
6° de categorieën van ontvangers;
7° de wijze waarop de verwerking van de gegevens gebeurt;
8° het gunstig advies van het bevoegde LCMB over punten 1° tot en met 4°.
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het aanvraagformulier.
§ 4. De Cel Maritieme Beveiliging bezorgt het dossier samen met het advies van het bevoegde LCMB aan de minister die beslist over de plaatsing of het gebruik en de modaliteiten van de camera. De beslissing van de minister is geldig voor een termijn van vijf jaar waarna deze vernieuwd moet worden, tenzij de camera voor het aflopen van deze termijn is opgenomen in een havenbeveiligingsplan, zoals bedoeld in paragraaf 1. De beslissing van de minister wordt bij uittreksel bekendgemaakt op de website van de Cel Maritieme Beveiliging.
§ 5. Camera's die onder dit hoofdstuk vallen mogen niet worden gericht op privéwoningen of -domeinen, ongeacht of die privéwoningen of -domeinen zich in de geografische gebieden bedoeld in artikel 2.5.4.1, § 1 bevinden. Indien er een reëel risico bestaat dat een camera die onder dit hoofdstuk valt een privéwoning of -domein zou kunnen filmen, dan dient de verwerkingsverantwoordelijke technische en organisatorische maatregelen te treffen die dat verhinderen. Camerabeelden gemaakt in strijd met deze paragraaf, dienen door de verwerkingsverantwoordelijke te worden verwijderd.
§ 6. De Cel Maritieme Beveiliging bezorgt aan de politiediensten de lijst van camera's die zijn geplaatst of toegelaten overeenkomstig de paragrafen 1 en 4 van dit artikel of overeenkomstig artikel 4.6.1.6, § 2.
De Cel Maritieme Beveiliging bezorgt de beslissing van de minister, evenals de lijst van de camera's die zijn geplaatst of toegelaten overeenkomstig de paragrafen 1 en 4 van dit artikel aan de gemeente waar de camera is geplaatst.]1
§ 1. Voor camera's die zijn opgenomen in het havenbeveiligingsplan, neemt de havenkapiteinsdienst het initiatief tot het plaatsen of gebruiken van een vaste camera of het gebruiken van een mobiele camera, al dan niet tijdelijk en al dan niet met registratie van geluid, in havens of havenfaciliteiten. Er wordt melding gemaakt van de bestaande camera's gemaakt aan de Cel Maritieme Beveiliging.
§ 2. Voor camera's die niet zijn opgenomen in het havenbeveiligingsplan, dient de havenkapiteinsdienst een aanvraag in bij de Cel Maritieme Beveiliging voor het plaatsen en gebruiken van één of meer vaste camera's of het gebruiken van één of meer mobiele camera's, al dan niet tijdelijk, in havens of havenfaciliteiten. Alvorens deze aanvraag in te dienen, vraagt de havenkapiteinsdienst een advies aan het bevoegde LCMB over de punten 1° tot en met 4° van paragraaf 3.
§ 3. De aanvraag bedoeld in paragraaf 2 bevat minstens de volgende zaken:
1° locatie van het plaatsen of het gebruik van de camera;
2° de perimeter waarbinnen de camera beelden kan verwerken;
3° het doeleinde van het gebruik van de camera;
4° de specificaties van de camera;
5° de bewaringstermijn die de maximale duur zoals bepaald in artikel 2.5.2.90 niet te boven mag gaan;
6° de categorieën van ontvangers;
7° de wijze waarop de verwerking van de gegevens gebeurt;
8° het gunstig advies van het bevoegde LCMB over punten 1° tot en met 4°.
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het aanvraagformulier.
§ 4. De Cel Maritieme Beveiliging bezorgt het dossier samen met het advies van het bevoegde LCMB aan de minister die beslist over de plaatsing of het gebruik en de modaliteiten van de camera. De beslissing van de minister is geldig voor een termijn van vijf jaar waarna deze vernieuwd moet worden, tenzij de camera voor het aflopen van deze termijn is opgenomen in een havenbeveiligingsplan, zoals bedoeld in paragraaf 1. De beslissing van de minister wordt bij uittreksel bekendgemaakt op de website van de Cel Maritieme Beveiliging.
§ 5. Camera's die onder dit hoofdstuk vallen mogen niet worden gericht op privéwoningen of -domeinen, ongeacht of die privéwoningen of -domeinen zich in de geografische gebieden bedoeld in artikel 2.5.4.1, § 1 bevinden. Indien er een reëel risico bestaat dat een camera die onder dit hoofdstuk valt een privéwoning of -domein zou kunnen filmen, dan dient de verwerkingsverantwoordelijke technische en organisatorische maatregelen te treffen die dat verhinderen. Camerabeelden gemaakt in strijd met deze paragraaf, dienen door de verwerkingsverantwoordelijke te worden verwijderd.
§ 6. De Cel Maritieme Beveiliging bezorgt aan de politiediensten de lijst van camera's die zijn geplaatst of toegelaten overeenkomstig de paragrafen 1 en 4 van dit artikel of overeenkomstig artikel 4.6.1.6, § 2.
De Cel Maritieme Beveiliging bezorgt de beslissing van de minister, evenals de lijst van de camera's die zijn geplaatst of toegelaten overeenkomstig de paragrafen 1 en 4 van dit artikel aan de gemeente waar de camera is geplaatst.]1
Art.2.5.4.4. [1 Installation et utilisation de caméras
§ 1er. Pour les caméras reprises dans le plan de sûreté portuaire, la capitainerie du port prend l'initiative d'installer ou d'utiliser une caméra fixe ou d'utiliser une caméra mobile, temporairement ou non, et en enregistrant ou non les sons, dans les ports ou les installations portuaires. Les caméras existantes sont signalées à la Cellule de la Sûreté maritime.
§ 2. Pour les caméras non reprises dans le plan de sûreté portuaire, la capitainerie du port soumet à la Cellule de la Sûreté maritime une demande d'installation et d'utilisation d'une ou plusieurs caméras fixes ou d'utilisation d'une ou plusieurs caméras mobiles, temporairement ou non, dans les ports ou les installations portuaires. Avant de soumettre cette demande, la capitainerie de port demande l'avis du CLSM compétent sur les points 1° à 4° du paragraphe 3.
§ 3. La demande visée au paragraphe 2 comprend au moins les informations suivantes:
1° l'emplacement où la caméra sera installée ou utilisée;
2° le périmètre dans lequel la caméra peut traiter des images;
3° la finalité de l'utilisation de la caméra;
4° les spécifications de la caméra;
5° le délai de conservation, qui ne peut excéder la durée maximale énoncée à l'article 2.5.2.90;
6° les catégories des destinataires;
7° la manière dont les données sont traitées;
8° l'avis favorable du CLSM compétent sur les points 1° à 4°.
Le Roi détermine la forme et le contenu du formulaire de demande.
§ 4. La Cellule de la Sûreté maritime transmet le dossier avec l'avis du CLSM compétent au ministre qui statue sur l'installation ou l'utilisation de la caméra et sur les modalités de la caméra. La décision du ministre est valable pour un délai de 5 ans, après quoi elle doit être renouvelée, sauf si la caméra est reprise dans un plan de sûreté portuaire visé au paragraphe 1er avant l'expiration de ce délai. La décision du ministre est publiée par extrait sur le site de la Cellule de la Sûreté maritime.
§ 5. Les caméras relevant du présent chapitre ne peuvent pas être dirigées vers des habitations ou des domaines privés, que ces habitations ou domaines privés soient ou non situés dans les zones géographiques visées à l'article 2.5.4.1, § 1er. S'il existe un risque réel qu'une caméra relevant du présent chapitre puisse filmer une habitation ou un domaine privé, le responsable du traitement doit prendre des mesures techniques et organisationnelles pour l'éviter. Les images de la caméra réalisées en violation du présent paragraphe doivent être supprimées par le responsable du traitement.
§ 6. La Cellule de sûreté maritime fournit aux forces de police la liste des caméras installées ou autorisées conformément aux paragraphes 1er et 4 du présent article ou conformément à l'article 4.6.1.6, § 2.
La Cellule de la Sûreté maritime communique la décision du ministre, ainsi que la liste des caméras installées ou autorisées conformément aux paragraphes 1er et 4 du présent article, à la commune où la caméra est installée.]1
§ 1er. Pour les caméras reprises dans le plan de sûreté portuaire, la capitainerie du port prend l'initiative d'installer ou d'utiliser une caméra fixe ou d'utiliser une caméra mobile, temporairement ou non, et en enregistrant ou non les sons, dans les ports ou les installations portuaires. Les caméras existantes sont signalées à la Cellule de la Sûreté maritime.
§ 2. Pour les caméras non reprises dans le plan de sûreté portuaire, la capitainerie du port soumet à la Cellule de la Sûreté maritime une demande d'installation et d'utilisation d'une ou plusieurs caméras fixes ou d'utilisation d'une ou plusieurs caméras mobiles, temporairement ou non, dans les ports ou les installations portuaires. Avant de soumettre cette demande, la capitainerie de port demande l'avis du CLSM compétent sur les points 1° à 4° du paragraphe 3.
§ 3. La demande visée au paragraphe 2 comprend au moins les informations suivantes:
1° l'emplacement où la caméra sera installée ou utilisée;
2° le périmètre dans lequel la caméra peut traiter des images;
3° la finalité de l'utilisation de la caméra;
4° les spécifications de la caméra;
5° le délai de conservation, qui ne peut excéder la durée maximale énoncée à l'article 2.5.2.90;
6° les catégories des destinataires;
7° la manière dont les données sont traitées;
8° l'avis favorable du CLSM compétent sur les points 1° à 4°.
Le Roi détermine la forme et le contenu du formulaire de demande.
§ 4. La Cellule de la Sûreté maritime transmet le dossier avec l'avis du CLSM compétent au ministre qui statue sur l'installation ou l'utilisation de la caméra et sur les modalités de la caméra. La décision du ministre est valable pour un délai de 5 ans, après quoi elle doit être renouvelée, sauf si la caméra est reprise dans un plan de sûreté portuaire visé au paragraphe 1er avant l'expiration de ce délai. La décision du ministre est publiée par extrait sur le site de la Cellule de la Sûreté maritime.
§ 5. Les caméras relevant du présent chapitre ne peuvent pas être dirigées vers des habitations ou des domaines privés, que ces habitations ou domaines privés soient ou non situés dans les zones géographiques visées à l'article 2.5.4.1, § 1er. S'il existe un risque réel qu'une caméra relevant du présent chapitre puisse filmer une habitation ou un domaine privé, le responsable du traitement doit prendre des mesures techniques et organisationnelles pour l'éviter. Les images de la caméra réalisées en violation du présent paragraphe doivent être supprimées par le responsable du traitement.
§ 6. La Cellule de sûreté maritime fournit aux forces de police la liste des caméras installées ou autorisées conformément aux paragraphes 1er et 4 du présent article ou conformément à l'article 4.6.1.6, § 2.
La Cellule de la Sûreté maritime communique la décision du ministre, ainsi que la liste des caméras installées ou autorisées conformément aux paragraphes 1er et 4 du présent article, à la commune où la caméra est installée.]1
Art.2.5.4.5. [1 Intelligente Camera's
De havenkapiteinsdienst kan intelligente camera's inzetten voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.4.3, op voorwaarde dat de plaatsing en het gebruik zijn opgenomen in het havenbeveiligingsplan of er een aanvraag overeenkomstig artikel 2.5.4.4., § 2, wordt ingediend.
Het plaatsen en gebruik van intelligente camera's met het oog op de automatische nummerplaatherkenning of automatische herkenning van voertuigen of vaartuigen door de havenkapiteinsdienst is toegelaten. Het plaatsen en gebruik van intelligente camera's met het oog op gezichtsherkenning is niet toegelaten.
Het gebruik van individuele camera's zoals bepaald in artikel 25/2 van de wet op het politieambt door de leden van de havenkapiteinsdienst is niet toegelaten onder de bepalingen van dit hoofdstuk.]1
De havenkapiteinsdienst kan intelligente camera's inzetten voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.4.3, op voorwaarde dat de plaatsing en het gebruik zijn opgenomen in het havenbeveiligingsplan of er een aanvraag overeenkomstig artikel 2.5.4.4., § 2, wordt ingediend.
Het plaatsen en gebruik van intelligente camera's met het oog op de automatische nummerplaatherkenning of automatische herkenning van voertuigen of vaartuigen door de havenkapiteinsdienst is toegelaten. Het plaatsen en gebruik van intelligente camera's met het oog op gezichtsherkenning is niet toegelaten.
Het gebruik van individuele camera's zoals bepaald in artikel 25/2 van de wet op het politieambt door de leden van de havenkapiteinsdienst is niet toegelaten onder de bepalingen van dit hoofdstuk.]1
Art.2.5.4.5. [1 Caméras intelligentes
La capitainerie du port peut utiliser des caméras intelligentes pour les finalités visées à l'article 2.5.4.3, à condition que leur installation et leur utilisation soient reprises dans le plan de sûreté portuaire ou qu'une demande soit introduite conformément à l'article 2.5.4.4, § 2.
L'installation et l'utilisation de caméras intelligentes en vue de la reconnaissance automatique des plaques d'immatriculation ou de la reconnaissance automatique des véhicules ou navires par la capitainerie du port est autorisée. L'installation et l'utilisation de caméras intelligentes en vue de la reconnaissance faciale n'est pas autorisée.
L'utilisation de caméras individuelles telle que visée à l'article 25/2 de la loi sur la fonction de police par les membres de la capitainerie du port, n'est pas autorisée en vertu des dispositions du présent chapitre.]1
La capitainerie du port peut utiliser des caméras intelligentes pour les finalités visées à l'article 2.5.4.3, à condition que leur installation et leur utilisation soient reprises dans le plan de sûreté portuaire ou qu'une demande soit introduite conformément à l'article 2.5.4.4, § 2.
L'installation et l'utilisation de caméras intelligentes en vue de la reconnaissance automatique des plaques d'immatriculation ou de la reconnaissance automatique des véhicules ou navires par la capitainerie du port est autorisée. L'installation et l'utilisation de caméras intelligentes en vue de la reconnaissance faciale n'est pas autorisée.
L'utilisation de caméras individuelles telle que visée à l'article 25/2 de la loi sur la fonction de police par les membres de la capitainerie du port, n'est pas autorisée en vertu des dispositions du présent chapitre.]1
Art.2.5.4.6. [1 Transparantieverplichtingen
§ 1. De havenkapiteinsdienst dient elke betrokkene die de haven of havenfaciliteit betreedt transparant te informeren over de aanwezigheid van camera's in de haven of de havenfaciliteit.
Voor de toegangswegen tot de haven of havenfaciliteit via het land, maakt de havenkapiteinsdienst de aanwezigheid van camera's in de haven of havenfaciliteit bekend door middel van een pictogram bij deze toegangsweg. De Koning bepaalt de vorm en inhoud van dit pictogram. Tevens wordt de locatie van de camera's gepubliceerd op de website van het DG Scheepvaart.
Voor de toegangswegen tot de haven of havenfaciliteit via het water, maakt de exploitant van een haven of havenfaciliteit de aanwezigheid van camera's in de haven of havenfaciliteit bekend door middel van een Bericht aan Zeevarenden en vermelding op de website van het DG Scheepvaart.
§ 2. De havenkapiteinsdienst houdt een register bij met de lijst van camera's die zijn toegestaan, sinds wanneer en voor welke doeleinden, evenals alle beeldverwerkingsactiviteiten van de camera's uitgevoerd onder zijn verantwoordelijkheid.
Voor elk gebruik worden de volgende gegevens opgenomen in het register:
1° de vermelding van de plaats;
2° het gebruikte type camera en hun plaats, desgevallend aangegeven op een plan;
3° de beschrijving van de bewaakte zones en de gebruiksperiodes;
4° de plaats waar de beelden worden verwerkt;
5° het feit dat het in real time of tijdens het incident bekijken van de beelden al dan niet wordt georganiseerd en, in voorkomend geval, de manier waarop dit wordt georganiseerd;
6° de personen die kennis hebben genomen van de beelden en geluidsopnames;
7° het ogenblik en de plaats van deze kennisneming;
8° de redenen van deze kennisneming;
9° de personen die toegang hebben gekregen tot het register.]1
§ 1. De havenkapiteinsdienst dient elke betrokkene die de haven of havenfaciliteit betreedt transparant te informeren over de aanwezigheid van camera's in de haven of de havenfaciliteit.
Voor de toegangswegen tot de haven of havenfaciliteit via het land, maakt de havenkapiteinsdienst de aanwezigheid van camera's in de haven of havenfaciliteit bekend door middel van een pictogram bij deze toegangsweg. De Koning bepaalt de vorm en inhoud van dit pictogram. Tevens wordt de locatie van de camera's gepubliceerd op de website van het DG Scheepvaart.
Voor de toegangswegen tot de haven of havenfaciliteit via het water, maakt de exploitant van een haven of havenfaciliteit de aanwezigheid van camera's in de haven of havenfaciliteit bekend door middel van een Bericht aan Zeevarenden en vermelding op de website van het DG Scheepvaart.
§ 2. De havenkapiteinsdienst houdt een register bij met de lijst van camera's die zijn toegestaan, sinds wanneer en voor welke doeleinden, evenals alle beeldverwerkingsactiviteiten van de camera's uitgevoerd onder zijn verantwoordelijkheid.
Voor elk gebruik worden de volgende gegevens opgenomen in het register:
1° de vermelding van de plaats;
2° het gebruikte type camera en hun plaats, desgevallend aangegeven op een plan;
3° de beschrijving van de bewaakte zones en de gebruiksperiodes;
4° de plaats waar de beelden worden verwerkt;
5° het feit dat het in real time of tijdens het incident bekijken van de beelden al dan niet wordt georganiseerd en, in voorkomend geval, de manier waarop dit wordt georganiseerd;
6° de personen die kennis hebben genomen van de beelden en geluidsopnames;
7° het ogenblik en de plaats van deze kennisneming;
8° de redenen van deze kennisneming;
9° de personen die toegang hebben gekregen tot het register.]1
Art.2.5.4.6. [1 Obligations de transparence
§ 1er. La capitainerie du port doit informer de manière transparente toute personne concernée entrant dans le port ou l'installation portuaire de la présence de caméras dans le port ou l'installation portuaire.
Pour les voies d'accès terrestres au port ou à l'installation portuaire, la capitainerie du port annonce la présence de caméras dans le port ou l'installation portuaire au moyen d'un pictogramme sur cette voie d'accès. Le Roi détermine la forme et le contenu de ce pictogramme. L'emplacement des caméras est également publié sur le site web de la DG Navigation.
Pour les voies d'accès navigables au port ou à l'installation portuaire, l'exploitant du port ou de l'installation portuaire annonce la présence de caméras dans le port ou l'installation portuaire au moyen d'un Avis aux navigateurs et par publication sur le site web de la DG Navigation.
§ 2. La capitainerie du port tient un registre contenant la liste des caméras autorisées, depuis quand et à quelles fins, y compris toutes les activités de traitement d'images des caméras effectuées sous sa responsabilité.
Pour chaque utilisation, sont repris dans le registre:
1° l'indication du lieu;
2° le type de caméra utilisé, leur emplacement, le cas échéant indiqué sur un plan;
3° la description des zones surveillées et les périodes d'utilisation;
4° le lieu du traitement des images;
5° le fait qu'un visionnage en temps réel ou pendant l'incident est organisé ou non et le cas échéant, la manière dont il est organisé;
6° les personnes qui ont eu connaissance des images et des sons;
7° le moment et le lieu de cette prise de connaissance;
8° les motifs de cette prise de connaissance;
9° les personnes qui ont eu accès au registre.]1
§ 1er. La capitainerie du port doit informer de manière transparente toute personne concernée entrant dans le port ou l'installation portuaire de la présence de caméras dans le port ou l'installation portuaire.
Pour les voies d'accès terrestres au port ou à l'installation portuaire, la capitainerie du port annonce la présence de caméras dans le port ou l'installation portuaire au moyen d'un pictogramme sur cette voie d'accès. Le Roi détermine la forme et le contenu de ce pictogramme. L'emplacement des caméras est également publié sur le site web de la DG Navigation.
Pour les voies d'accès navigables au port ou à l'installation portuaire, l'exploitant du port ou de l'installation portuaire annonce la présence de caméras dans le port ou l'installation portuaire au moyen d'un Avis aux navigateurs et par publication sur le site web de la DG Navigation.
§ 2. La capitainerie du port tient un registre contenant la liste des caméras autorisées, depuis quand et à quelles fins, y compris toutes les activités de traitement d'images des caméras effectuées sous sa responsabilité.
Pour chaque utilisation, sont repris dans le registre:
1° l'indication du lieu;
2° le type de caméra utilisé, leur emplacement, le cas échéant indiqué sur un plan;
3° la description des zones surveillées et les périodes d'utilisation;
4° le lieu du traitement des images;
5° le fait qu'un visionnage en temps réel ou pendant l'incident est organisé ou non et le cas échéant, la manière dont il est organisé;
6° les personnes qui ont eu connaissance des images et des sons;
7° le moment et le lieu de cette prise de connaissance;
8° les motifs de cette prise de connaissance;
9° les personnes qui ont eu accès au registre.]1
Art.2.5.4.7. [1 Toegang tot de camerabeelden
§ 1. Toegang tot camerabeelden en geluidsopnames, al dan niet van derden overeenkomstig artikel 2.5.4.9, wordt enkel verkregen op grond van de wet of kan worden verleend door de bevoegde havenkapiteinsdienst onder de voorwaarden bepaald in dit artikel. De havenkapiteinsdienst is enkel bevoegd om toegang te verlenen tot camerabeelden en geluidsopnames van camera's die onder zijn verantwoordelijkheid vallen. Toegang betekent in dit artikel het bekijken, beluisteren en analyseren, al dan niet in real time, van camerabeelden en geluidsopnames. De toegang omvat ook het overdragen van camerabeelden en geluidsopnames zelf nadat deze gemaakt zijn.
§ 2. Onderstaande personen, diensten of entiteiten hebben in elk geval toegang tot de camerabeelden en geluidsopnames:
1° de personen, diensten of entiteiten bedoeld in artikel 4.2.4.4, in overeenstemming met de beperkingen daarin bepaald, om te kunnen ingrijpen bij een misdrijf, schade, overlast of een verstoring van de openbare orde;
2° de personen, diensten of entiteiten die op basis van bijzondere wetgeving toegang hebben tot de camerabeelden of geluidsopnames in de haven of havenfaciliteit, in overeenstemming met de beperkingen en waarborgen bepaald in de bijzondere wetgeving.
§ 3. Aan personen, diensten of entiteiten die niet onder paragraaf 2 vallen, kan de bevoegde havenkapiteinsdienst toegang verlenen indien onderstaande cumulatieve toegangsvoorwaarden vervuld zijn:
1° de toegang is noodzakelijk voor het uitvoeren van de wettelijke opdracht toegekend aan die persoon, dienst of entiteit; en
2° de persoon, dienst of entiteit streeft geen andere doeleinden na dan die bedoeld in artikel 2.5.4.3, tenzij die persoon, dienst of entiteit een wettelijke taak heeft; en
3° de bevoegde havenkapiteinsdienst heeft gecontroleerd dat er aan de toegangsvoorwaarden bedoeld in 1° en 2° is voldaan, behoudens in uitzonderlijke en dringende omstandigheden zoals bedoeld in paragraaf 4.
§ 4. In uitzonderlijke en dringende omstandigheden kan de bevoegde havenkapiteinsdienst toegang verlenen zonder de voorafgaande controle bedoeld in paragraaf 3, 3°. In dat geval, dient de havenkapiteinsdienst de controle ten laatste binnen 24 uren na het verlenen van de toegang uit te voeren. Indien de havenkapiteinsdienst bij deze controle vaststelt dat de toegangsvoorwaarden niet zijn vervuld of indien de havenkapiteinsdienst deze controle niet binnen 24 uren uitvoert, moet de toegang onmiddellijk worden ingetrokken.
§ 5. De bewakingsagenten die hun bevoegdheden uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid kunnen enkel camerabeelden in real time bekijken, beluisteren of analyseren onder toezicht van de havenkapiteinsdienst opdat de bevoegde diensten onmiddellijk kunnen ingrijpen bij misdrijf, schade, overlast of verstoring van de openbare orde.
§ 6. De toegang bedoeld in de paragrafen 2 en 3 wordt ingetrokken indien die persoon, dienst of entiteit niet meer voldoet aan één of meerdere toegangsvoorwaarden. Indien een persoon binnen een dienst of entiteit niet meer voldoet aan één of meerdere toegangsvoorwaarden, is die dienst of entiteit verantwoordelijk om de toegang van die persoon zelf in te trekken overeenkomstig deze paragraaf, dan wel de havenkapiteinsdienst hiervan onverwijld in te lichten zodat de havenkapiteinsdienst de toegang van die persoon kan intrekken. Deze intrekking gebeurt in elk geval zonder onredelijke vertraging en ten laatste binnen 1 maand nadat vast komt te staan dat de persoon, dienst of entiteit één of meerdere toegangsvoorwaarden niet meer vervult.
§ 7. De havenkapiteinsdienst kan uitzonderlijk de real time toegang van bepaalde personen, diensten of entiteiten tijdelijk opschorten indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van andere personen te waarborgen. Deze tijdelijke opschorting mag niet langer duren dan strikt noodzakelijk.]1
§ 1. Toegang tot camerabeelden en geluidsopnames, al dan niet van derden overeenkomstig artikel 2.5.4.9, wordt enkel verkregen op grond van de wet of kan worden verleend door de bevoegde havenkapiteinsdienst onder de voorwaarden bepaald in dit artikel. De havenkapiteinsdienst is enkel bevoegd om toegang te verlenen tot camerabeelden en geluidsopnames van camera's die onder zijn verantwoordelijkheid vallen. Toegang betekent in dit artikel het bekijken, beluisteren en analyseren, al dan niet in real time, van camerabeelden en geluidsopnames. De toegang omvat ook het overdragen van camerabeelden en geluidsopnames zelf nadat deze gemaakt zijn.
§ 2. Onderstaande personen, diensten of entiteiten hebben in elk geval toegang tot de camerabeelden en geluidsopnames:
1° de personen, diensten of entiteiten bedoeld in artikel 4.2.4.4, in overeenstemming met de beperkingen daarin bepaald, om te kunnen ingrijpen bij een misdrijf, schade, overlast of een verstoring van de openbare orde;
2° de personen, diensten of entiteiten die op basis van bijzondere wetgeving toegang hebben tot de camerabeelden of geluidsopnames in de haven of havenfaciliteit, in overeenstemming met de beperkingen en waarborgen bepaald in de bijzondere wetgeving.
§ 3. Aan personen, diensten of entiteiten die niet onder paragraaf 2 vallen, kan de bevoegde havenkapiteinsdienst toegang verlenen indien onderstaande cumulatieve toegangsvoorwaarden vervuld zijn:
1° de toegang is noodzakelijk voor het uitvoeren van de wettelijke opdracht toegekend aan die persoon, dienst of entiteit; en
2° de persoon, dienst of entiteit streeft geen andere doeleinden na dan die bedoeld in artikel 2.5.4.3, tenzij die persoon, dienst of entiteit een wettelijke taak heeft; en
3° de bevoegde havenkapiteinsdienst heeft gecontroleerd dat er aan de toegangsvoorwaarden bedoeld in 1° en 2° is voldaan, behoudens in uitzonderlijke en dringende omstandigheden zoals bedoeld in paragraaf 4.
§ 4. In uitzonderlijke en dringende omstandigheden kan de bevoegde havenkapiteinsdienst toegang verlenen zonder de voorafgaande controle bedoeld in paragraaf 3, 3°. In dat geval, dient de havenkapiteinsdienst de controle ten laatste binnen 24 uren na het verlenen van de toegang uit te voeren. Indien de havenkapiteinsdienst bij deze controle vaststelt dat de toegangsvoorwaarden niet zijn vervuld of indien de havenkapiteinsdienst deze controle niet binnen 24 uren uitvoert, moet de toegang onmiddellijk worden ingetrokken.
§ 5. De bewakingsagenten die hun bevoegdheden uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid kunnen enkel camerabeelden in real time bekijken, beluisteren of analyseren onder toezicht van de havenkapiteinsdienst opdat de bevoegde diensten onmiddellijk kunnen ingrijpen bij misdrijf, schade, overlast of verstoring van de openbare orde.
§ 6. De toegang bedoeld in de paragrafen 2 en 3 wordt ingetrokken indien die persoon, dienst of entiteit niet meer voldoet aan één of meerdere toegangsvoorwaarden. Indien een persoon binnen een dienst of entiteit niet meer voldoet aan één of meerdere toegangsvoorwaarden, is die dienst of entiteit verantwoordelijk om de toegang van die persoon zelf in te trekken overeenkomstig deze paragraaf, dan wel de havenkapiteinsdienst hiervan onverwijld in te lichten zodat de havenkapiteinsdienst de toegang van die persoon kan intrekken. Deze intrekking gebeurt in elk geval zonder onredelijke vertraging en ten laatste binnen 1 maand nadat vast komt te staan dat de persoon, dienst of entiteit één of meerdere toegangsvoorwaarden niet meer vervult.
§ 7. De havenkapiteinsdienst kan uitzonderlijk de real time toegang van bepaalde personen, diensten of entiteiten tijdelijk opschorten indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van andere personen te waarborgen. Deze tijdelijke opschorting mag niet langer duren dan strikt noodzakelijk.]1
Art.2.5.4.7. [1 Accès aux images des caméras
§ 1er. L'accès aux images des caméras et aux enregistrements sonores, de tiers ou non conformément à l'article 2.5.4.9, ne peut être obtenu qu'en vertu de la loi ou peut être accordée par la capitainerie du port compétente dans les conditions énoncées dans le présent article. La capitainerie du port n'est autorisée à accorder l'accès qu'aux images des caméras et aux enregistrements sonores des caméras sous sa responsabilité. Dans le présent article, on entend par accès le visionnage, l'écoute et l'analyse, en temps réel ou non, des images des caméras et des enregistrements sonores. L'accès comprend également le transfert des images de caméras et des enregistrements sonores après leur réalisation.
§ 2. Dans tous les cas, les personnes, services ou entités suivants ont accès aux images des caméras et aux enregistrement sonores:
1° les personnes, les services ou les entités visés à l'article 4.2.4.4, conformément aux limitations qui y sont énoncées, pour intervenir en cas de délit, de dommage, de nuisance ou de trouble à l'ordre public;
2° les personnes, les services ou les entités ayant accès aux images des caméras ou aux enregistrements sonores dans le port ou l'installation portuaire en vertu d'une législation spéciale, conformément aux limitations et garanties énoncées dans la législation spéciale.
§ 3. Aux personnes, services ou entités ne relevant pas du paragraphe 2, la capitainerie du port compétente peut accorder l'accès si les conditions d'accès cumulatives suivantes sont remplies:
1° l'accès est nécessaire à l'exécution de la mission légale attribuée à cette personne, ce service ou cette entité; et
2° la personne, le service ou l'entité ne poursuit aucunes autres finalités que celles visées à l'article 2.5.4.3, à moins que cette personne, ce service ou cette entité n'ait une tâche légale; et
3° la capitainerie du port compétente a vérifié que les conditions d'accès visées aux 1° et 2° sont remplies, sauf circonstances exceptionnelles et urgentes visées au paragraphe 4.
§ 4. Dans circonstances exceptionnelles et urgentes, la capitainerie du port peut accorder l'accès sans le contrôle préalable visé au paragraphe 3, 3°. Dans ce cas, la capitainerie du port doit procéder au contrôle au plus tard dans les 24 heures suivants l'octroi de l'accès. Si, au cours de ce contrôle, la capitainerie du port constate que les conditions d'accès ne sont pas remplies ou si elle n'effectue pas ce contrôle dans les 24 heures, l'accès doit être retiré immédiatement.
§ 5. Les agents de gardiennage qui exercent leurs compétences conformément aux dispositions de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière ne peuvent visionner, écouter ou analyser les images des caméras en temps réel que sous le contrôle de la capitainerie du port afin que les services compétents puissent intervenir immédiatement en cas de délit, de dommage, de nuisance ou de trouble à l'ordre public.
§ 6. L'accès visé aux paragraphes 2 et 3 est retiré si cette personne, ce service ou cette entité ne remplit plus une ou plusieurs conditions d'accès. Si une personne au sein d'un service ou d'une entité ne remplit plus une ou plusieurs conditions d'accès, il incombe à ce service ou à cette entité de retirer lui-même l'accès de cette personne conformément au présent paragraphe, ou d'en informer sans délai la capitainerie du port afin que celle-ci puisse retirer l'accès de cette personne. Ce retrait survient, dans tous les cas, sans retard déraisonnable et au plus tard dans un délai d'un mois après qu'il a été établi que la personne, le service ou l'entité ne remplit plus une ou plusieurs conditions d'accès.
§ 7. La capitainerie du port peut exceptionnellement suspendre temporairement l'accès en temps réel de certaines personnes, services ou entités si cela est nécessaire pour assurer la sécurité d'autres personnes. Cette suspension temporaire ne doit pas durer plus longtemps que le strict nécessaire.]1
§ 1er. L'accès aux images des caméras et aux enregistrements sonores, de tiers ou non conformément à l'article 2.5.4.9, ne peut être obtenu qu'en vertu de la loi ou peut être accordée par la capitainerie du port compétente dans les conditions énoncées dans le présent article. La capitainerie du port n'est autorisée à accorder l'accès qu'aux images des caméras et aux enregistrements sonores des caméras sous sa responsabilité. Dans le présent article, on entend par accès le visionnage, l'écoute et l'analyse, en temps réel ou non, des images des caméras et des enregistrements sonores. L'accès comprend également le transfert des images de caméras et des enregistrements sonores après leur réalisation.
§ 2. Dans tous les cas, les personnes, services ou entités suivants ont accès aux images des caméras et aux enregistrement sonores:
1° les personnes, les services ou les entités visés à l'article 4.2.4.4, conformément aux limitations qui y sont énoncées, pour intervenir en cas de délit, de dommage, de nuisance ou de trouble à l'ordre public;
2° les personnes, les services ou les entités ayant accès aux images des caméras ou aux enregistrements sonores dans le port ou l'installation portuaire en vertu d'une législation spéciale, conformément aux limitations et garanties énoncées dans la législation spéciale.
§ 3. Aux personnes, services ou entités ne relevant pas du paragraphe 2, la capitainerie du port compétente peut accorder l'accès si les conditions d'accès cumulatives suivantes sont remplies:
1° l'accès est nécessaire à l'exécution de la mission légale attribuée à cette personne, ce service ou cette entité; et
2° la personne, le service ou l'entité ne poursuit aucunes autres finalités que celles visées à l'article 2.5.4.3, à moins que cette personne, ce service ou cette entité n'ait une tâche légale; et
3° la capitainerie du port compétente a vérifié que les conditions d'accès visées aux 1° et 2° sont remplies, sauf circonstances exceptionnelles et urgentes visées au paragraphe 4.
§ 4. Dans circonstances exceptionnelles et urgentes, la capitainerie du port peut accorder l'accès sans le contrôle préalable visé au paragraphe 3, 3°. Dans ce cas, la capitainerie du port doit procéder au contrôle au plus tard dans les 24 heures suivants l'octroi de l'accès. Si, au cours de ce contrôle, la capitainerie du port constate que les conditions d'accès ne sont pas remplies ou si elle n'effectue pas ce contrôle dans les 24 heures, l'accès doit être retiré immédiatement.
§ 5. Les agents de gardiennage qui exercent leurs compétences conformément aux dispositions de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière ne peuvent visionner, écouter ou analyser les images des caméras en temps réel que sous le contrôle de la capitainerie du port afin que les services compétents puissent intervenir immédiatement en cas de délit, de dommage, de nuisance ou de trouble à l'ordre public.
§ 6. L'accès visé aux paragraphes 2 et 3 est retiré si cette personne, ce service ou cette entité ne remplit plus une ou plusieurs conditions d'accès. Si une personne au sein d'un service ou d'une entité ne remplit plus une ou plusieurs conditions d'accès, il incombe à ce service ou à cette entité de retirer lui-même l'accès de cette personne conformément au présent paragraphe, ou d'en informer sans délai la capitainerie du port afin que celle-ci puisse retirer l'accès de cette personne. Ce retrait survient, dans tous les cas, sans retard déraisonnable et au plus tard dans un délai d'un mois après qu'il a été établi que la personne, le service ou l'entité ne remplit plus une ou plusieurs conditions d'accès.
§ 7. La capitainerie du port peut exceptionnellement suspendre temporairement l'accès en temps réel de certaines personnes, services ou entités si cela est nécessaire pour assurer la sécurité d'autres personnes. Cette suspension temporaire ne doit pas durer plus longtemps que le strict nécessaire.]1
Art.2.5.4.8. [1 Bewaartermijn
Niet-geanonimiseerde camerabeelden die aanleiding geven tot een verwerking van persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan strikt noodzakelijk.
Niet-geanonimiseerde camerabeelden worden niet langer dan strikt noodzakelijk bewaard en elk geval voor een maximum periode van 12 maanden. Indien de camerabeelden of geluidsopnames een onderdeel zijn van een juridische procedure of een geschil dat tot een juridische procedure kan leiden, mogen de camerabeelden of geluidsopnames uitzonderlijk langer bewaard worden tot op het moment van de beëindiging van het geschil of, in het geval van een juridische procedure, dat er geen enkel gewoon of buitengewoon rechtsmiddel meer open staat tegen de definitieve beslissing in het kader van die juridische procedure.
De beelden en geluidsopnames worden door de havenkapiteinsdienst bewaard op een gegevensdrager die beveiligd is volgens de beginselen van gegevensbescherming door ontwerp en gegevensbescherming door standaardinstellingen.]1
Niet-geanonimiseerde camerabeelden die aanleiding geven tot een verwerking van persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan strikt noodzakelijk.
Niet-geanonimiseerde camerabeelden worden niet langer dan strikt noodzakelijk bewaard en elk geval voor een maximum periode van 12 maanden. Indien de camerabeelden of geluidsopnames een onderdeel zijn van een juridische procedure of een geschil dat tot een juridische procedure kan leiden, mogen de camerabeelden of geluidsopnames uitzonderlijk langer bewaard worden tot op het moment van de beëindiging van het geschil of, in het geval van een juridische procedure, dat er geen enkel gewoon of buitengewoon rechtsmiddel meer open staat tegen de definitieve beslissing in het kader van die juridische procedure.
De beelden en geluidsopnames worden door de havenkapiteinsdienst bewaard op een gegevensdrager die beveiligd is volgens de beginselen van gegevensbescherming door ontwerp en gegevensbescherming door standaardinstellingen.]1
Art.2.5.4.8. [1 Durée de conservation
Les images non anonymisées de caméras donnant lieu à un traitement de données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que la durée strictement nécessaire.
Les images non anonymisées de caméras ne sont pas conservées plus longtemps que la durée strictement nécessaire et en tout cas pendant une période maximale de 12 mois. Si les images de caméras ou les enregistrements sonores constituent un élément d'une procédure juridique ou d'un litige pouvant conduire à une procédure juridique, ils peuvent exceptionnellement être conservés plus longtemps, jusqu'à la fin du litige ou, en cas de procédure juridique, jusqu'à ce qu'il n'y ait plus aucun recours ordinaire ou extraordinaire ouvert contre la décision définitive dans le cadre de cette procédure juridique.
Les images et les sons sont conservés par le responsable du traitement sur un support de données qui est protégé conformément aux principes de protection des données dès la conception et de protection des données par défaut.]1
Les images non anonymisées de caméras donnant lieu à un traitement de données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que la durée strictement nécessaire.
Les images non anonymisées de caméras ne sont pas conservées plus longtemps que la durée strictement nécessaire et en tout cas pendant une période maximale de 12 mois. Si les images de caméras ou les enregistrements sonores constituent un élément d'une procédure juridique ou d'un litige pouvant conduire à une procédure juridique, ils peuvent exceptionnellement être conservés plus longtemps, jusqu'à la fin du litige ou, en cas de procédure juridique, jusqu'à ce qu'il n'y ait plus aucun recours ordinaire ou extraordinaire ouvert contre la décision définitive dans le cadre de cette procédure juridique.
Les images et les sons sont conservés par le responsable du traitement sur un support de données qui est protégé conformément aux principes de protection des données dès la conception et de protection des données par défaut.]1
Art.2.5.4.9. [1 Delen van camerabeelden
De havenkapiteinsdienst kan te allen tijde de camerabeelden of geluidsopnames van camera's geplaatst of gebruikt door private ondernemingen in de haven of op een havenfaciliteit opvragen, al dan niet in real time, en dit voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.4.3. Deze derden zijn verplicht om dergelijke camerabeelden of geluidsopnames op eerste verzoek van en kosteloos met de havenkapiteinsdienst te delen en er toegang toe te verlenen. In de mate dat deze derden gebonden zijn door de bepalingen van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's, vormt deze paragraaf een uitzondering op artikel 9 van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's.
Deze gegevens worden uitgewisseld na het sluiten van een protocol zoals bedoeld in artikel 20 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.]1
De havenkapiteinsdienst kan te allen tijde de camerabeelden of geluidsopnames van camera's geplaatst of gebruikt door private ondernemingen in de haven of op een havenfaciliteit opvragen, al dan niet in real time, en dit voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.4.3. Deze derden zijn verplicht om dergelijke camerabeelden of geluidsopnames op eerste verzoek van en kosteloos met de havenkapiteinsdienst te delen en er toegang toe te verlenen. In de mate dat deze derden gebonden zijn door de bepalingen van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's, vormt deze paragraaf een uitzondering op artikel 9 van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's.
Deze gegevens worden uitgewisseld na het sluiten van een protocol zoals bedoeld in artikel 20 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.]1
Art.2.5.4.9. [1 Partage des images de caméras
La capitainerie du port peut à tout moment demander les images de caméras ou les enregistrements sonores des caméras placées ou utilisées par des entreprises privés dans le port ou sur une installation portuaire, en temps réel ou non, pour les finalités visées à l'article 2.5.4.3. Ces tiers sont tenus de partager et d'accorder l'accès à ces images des caméras ou enregistrements sonores à la première demande et gratuitement à la capitainerie du port. Dans la mesure où ces tiers sont liés par les dispositions de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance, le présent paragraphe constitue une exception à l'article 9 de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance.
Ces données seront échangées après la conclusion d'un protocole visé à l'article 20 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.]1
La capitainerie du port peut à tout moment demander les images de caméras ou les enregistrements sonores des caméras placées ou utilisées par des entreprises privés dans le port ou sur une installation portuaire, en temps réel ou non, pour les finalités visées à l'article 2.5.4.3. Ces tiers sont tenus de partager et d'accorder l'accès à ces images des caméras ou enregistrements sonores à la première demande et gratuitement à la capitainerie du port. Dans la mesure où ces tiers sont liés par les dispositions de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance, le présent paragraphe constitue une exception à l'article 9 de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance.
Ces données seront échangées après la conclusion d'un protocole visé à l'article 20 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.]1
Art.2.5.4.10. [1 Verwerking van persoonsgegevens
§ 1. De havenkapiteinsdienst die onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt en die, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen bepaalt voor de verwerking van persoonsgegevens zoals bedoeld in paragraaf 2 en 3 via camera's treedt op als verwerkingsverantwoordelijke.
§ 2. Van eenieder die een haven of havenfaciliteit betreedt, mogen camerabeelden of geluidsopnames worden verwerkt, alsook de persoonsgegevens die uit deze camerabeelden of geluidsopnames zouden blijken.
§ 3. Het verwerken van camerabeelden of geluidsopnames die aanleiding geven tot een verwerking van persoonsgegevens is uitsluitend toegestaan voor de verwezenlijking van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.5.4.3.
§ 4. In afwijking van de artikelen 13 en 14 van de AVG, kan het recht op informatie geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 2 met het oog op de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.4.3. De in deze paragraaf bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
§ 5. In afwijking van artikel 15 van de AVG, kan het recht op toegang, waaronder het recht op een kopie, geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 2 met het oog op de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.4.3. De in deze paragraaf bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
§ 6. In afwijking van artikel 16 van de AVG, kan het recht op rectificatie geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 2 met het oog op de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.4.3. De in deze paragraaf bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
§ 7. In afwijking van artikel 18 van de AVG, kan het recht op beperking van de verwerking geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 2 met het oog op de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.4.3. De in deze paragraaf bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
§ 8. De beperkingen van de rechten bedoeld in de paragrafen 4 tot en met 7 kunnen worden ingeroepen door de havenkapiteinsdienst. Deze beperkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek, met inbegrip van de voorbereidende handelingen, en gedurende de periode die nodig is voor de vervolging, voor zover de uitoefening van de rechten afbreuk zou doen aan de behoeften van de controle, het onderzoek of de voorbereidende handelingen. De duur van de voorbereidende handelingen mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek overeenkomstig de artikelen 13, 14, 15, 16 of 18 van de AVG.
§ 9. Bij ontvangst van een verzoek overeenkomstig de artikelen 13, 14, 15, 16 of 18 van de AVG, bevestigt de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, onverwijld, en in ieder geval binnen een termijn van één maand na de ontvangst van het verzoek over iedere weigering of beperking, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. De informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.5.4.3 zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen van het uitstel.
De verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke gebruik heeft gemaakt één van de uitzonderingen bepaald in de paragrafen 4 tot en met 7, en met uitzondering van de situaties bedoeld in paragraaf 10, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk opgeheven na de afsluiting van de controle of van het onderzoek. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
§ 10. Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd en, in voorkomend geval, nadat de bevoegde dienst voor administratieve geldboeten een beslissing heeft genomen. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.]1
§ 1. De havenkapiteinsdienst die onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt en die, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen bepaalt voor de verwerking van persoonsgegevens zoals bedoeld in paragraaf 2 en 3 via camera's treedt op als verwerkingsverantwoordelijke.
§ 2. Van eenieder die een haven of havenfaciliteit betreedt, mogen camerabeelden of geluidsopnames worden verwerkt, alsook de persoonsgegevens die uit deze camerabeelden of geluidsopnames zouden blijken.
§ 3. Het verwerken van camerabeelden of geluidsopnames die aanleiding geven tot een verwerking van persoonsgegevens is uitsluitend toegestaan voor de verwezenlijking van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.5.4.3.
§ 4. In afwijking van de artikelen 13 en 14 van de AVG, kan het recht op informatie geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 2 met het oog op de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.4.3. De in deze paragraaf bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
§ 5. In afwijking van artikel 15 van de AVG, kan het recht op toegang, waaronder het recht op een kopie, geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 2 met het oog op de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.4.3. De in deze paragraaf bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
§ 6. In afwijking van artikel 16 van de AVG, kan het recht op rectificatie geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 2 met het oog op de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.4.3. De in deze paragraaf bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
§ 7. In afwijking van artikel 18 van de AVG, kan het recht op beperking van de verwerking geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 2 met het oog op de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.4.3. De in deze paragraaf bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
§ 8. De beperkingen van de rechten bedoeld in de paragrafen 4 tot en met 7 kunnen worden ingeroepen door de havenkapiteinsdienst. Deze beperkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek, met inbegrip van de voorbereidende handelingen, en gedurende de periode die nodig is voor de vervolging, voor zover de uitoefening van de rechten afbreuk zou doen aan de behoeften van de controle, het onderzoek of de voorbereidende handelingen. De duur van de voorbereidende handelingen mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek overeenkomstig de artikelen 13, 14, 15, 16 of 18 van de AVG.
§ 9. Bij ontvangst van een verzoek overeenkomstig de artikelen 13, 14, 15, 16 of 18 van de AVG, bevestigt de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, onverwijld, en in ieder geval binnen een termijn van één maand na de ontvangst van het verzoek over iedere weigering of beperking, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. De informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.5.4.3 zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen van het uitstel.
De verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke gebruik heeft gemaakt één van de uitzonderingen bepaald in de paragrafen 4 tot en met 7, en met uitzondering van de situaties bedoeld in paragraaf 10, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk opgeheven na de afsluiting van de controle of van het onderzoek. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
§ 10. Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd en, in voorkomend geval, nadat de bevoegde dienst voor administratieve geldboeten een beslissing heeft genomen. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.]1
Art.2.5.4.10. [1 Traitement de données à caractère personnel
§ 1er. La capitainerie du port relevant du champ d'application du présent chapitre et qui, seul ou conjointement avec d'autres, détermine les objectifs et les moyens du traitement de données à caractère personnel visé aux paragraphes 2 et 3 au moyen de caméras agit en qualité de responsable du traitement.
§ 2. Des images de caméras de toute personne entrant dans un port ou une installation portuaire peuvent être traitées, de même que les données à caractère personnel qui apparaîtraient sur ces images.
§ 3. Le traitement des images de caméras qui donnent lieu à un traitement de données à caractère personnel est exclusivement autorisé pour les finalités visées à l'article 2.5.4.3.
§ 4. Par dérogation aux articles 13 et 14 du RGPD, le droit à l'information peut être totalement ou partiellement différé, limité ou exclu en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 2 en vue de garantir les finalités énoncées à l'article 2.5.4.3. Les traitements visés au présent paragraphe sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
§ 5. Par dérogation à l'article 15 du RGPD, le droit d'accès, y compris le droit d'un copie, peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 2 en vue de garantir les finalités énoncées à l'article 2.5.4.3. Les traitements visés au présent paragraphe sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
§ 6. Par dérogation à l'article 16 du RGPD, le droit de rectification peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 2 en vue de garantir les finalités énoncées à l'article 2.5.4.3. Les traitements visés au présent paragraphe sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
§ 7. Par dérogation à l'article 18 du RGPD, le droit à la limitation du traitement peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 2 en vue de garantir les finalités énoncées à l'article 2.5.4.3. Les traitements visés au présent paragraphe sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
§ 8. Les limitations des droits visées aux paragraphes 4 à 7 peuvent être invoquées par la capitainerie du port. Ces limitations valent durant la période dans laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle ou d'une enquête, y compris les actes préparatoires à ceux-ci, et durant la période nécessaire aux poursuites, dans la mesure où l'exercice des droits porterait atteinte aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires. La durée des actes préparatoires ne peut excéder un an à partir de la réception d'une demande conformément aux articles 13, 14, 15, 16 ou 18 du RGDP.
§ 9. Dès réception d'une demande conformément aux articles 13, 14, 15, 16 ou 18 du RGDP, le responsable du traitement en accuse réception.
Le responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, sans tarder et en tout cas dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation d'information, ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités visées à l'article 2.5.4.3. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsque le responsable du traitement a fait usage d'une des exceptions telles que déterminées aux paragraphes 4 à 7, et à l'exception des situations visées au paragraphe 10, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
§ 10. Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire soit terminée, et, le cas échéant, après que le service des amendes administratives compétent ait pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.]1
§ 1er. La capitainerie du port relevant du champ d'application du présent chapitre et qui, seul ou conjointement avec d'autres, détermine les objectifs et les moyens du traitement de données à caractère personnel visé aux paragraphes 2 et 3 au moyen de caméras agit en qualité de responsable du traitement.
§ 2. Des images de caméras de toute personne entrant dans un port ou une installation portuaire peuvent être traitées, de même que les données à caractère personnel qui apparaîtraient sur ces images.
§ 3. Le traitement des images de caméras qui donnent lieu à un traitement de données à caractère personnel est exclusivement autorisé pour les finalités visées à l'article 2.5.4.3.
§ 4. Par dérogation aux articles 13 et 14 du RGPD, le droit à l'information peut être totalement ou partiellement différé, limité ou exclu en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 2 en vue de garantir les finalités énoncées à l'article 2.5.4.3. Les traitements visés au présent paragraphe sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
§ 5. Par dérogation à l'article 15 du RGPD, le droit d'accès, y compris le droit d'un copie, peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 2 en vue de garantir les finalités énoncées à l'article 2.5.4.3. Les traitements visés au présent paragraphe sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
§ 6. Par dérogation à l'article 16 du RGPD, le droit de rectification peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 2 en vue de garantir les finalités énoncées à l'article 2.5.4.3. Les traitements visés au présent paragraphe sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
§ 7. Par dérogation à l'article 18 du RGPD, le droit à la limitation du traitement peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 2 en vue de garantir les finalités énoncées à l'article 2.5.4.3. Les traitements visés au présent paragraphe sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
§ 8. Les limitations des droits visées aux paragraphes 4 à 7 peuvent être invoquées par la capitainerie du port. Ces limitations valent durant la période dans laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle ou d'une enquête, y compris les actes préparatoires à ceux-ci, et durant la période nécessaire aux poursuites, dans la mesure où l'exercice des droits porterait atteinte aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires. La durée des actes préparatoires ne peut excéder un an à partir de la réception d'une demande conformément aux articles 13, 14, 15, 16 ou 18 du RGDP.
§ 9. Dès réception d'une demande conformément aux articles 13, 14, 15, 16 ou 18 du RGDP, le responsable du traitement en accuse réception.
Le responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, sans tarder et en tout cas dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation d'information, ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités visées à l'article 2.5.4.3. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsque le responsable du traitement a fait usage d'une des exceptions telles que déterminées aux paragraphes 4 à 7, et à l'exception des situations visées au paragraphe 10, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
§ 10. Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire soit terminée, et, le cas échéant, après que le service des amendes administratives compétent ait pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.]1
Art.2.5.4.11. [1 Strafbepalingen
Overtreding van de artikelen 2.5.4.1 tot 2.5.4.9 wordt gestraft met een geldboete van 100 euro tot 10.000 euro. Wordt gestraft met dezelfde geldboete, de persoon die opzettelijk de beschikking heeft over of gebruik maakt van een beeld of geluidsopname terwijl de persoon wist of moest weten dat dit beeld of geluid verkregen werd met schending van deze artikelen.]1
Overtreding van de artikelen 2.5.4.1 tot 2.5.4.9 wordt gestraft met een geldboete van 100 euro tot 10.000 euro. Wordt gestraft met dezelfde geldboete, de persoon die opzettelijk de beschikking heeft over of gebruik maakt van een beeld of geluidsopname terwijl de persoon wist of moest weten dat dit beeld of geluid verkregen werd met schending van deze artikelen.]1
Art.2.5.4.11. [1 Dispositions pénales
Quiconque enfreint les articles 2.5.4.1 à 2.5.4.9 est puni d'une amende de 100 euros à 10.000 euros. Est puni d'une même amende, la personne qui dispose ou fait usage intentionnellement d'une image ou d'un son qu' elle savait ou devait savoir que l'image ou le son a été obtenue en violation de ces mêmes articles.]1
Quiconque enfreint les articles 2.5.4.1 à 2.5.4.9 est puni d'une amende de 100 euros à 10.000 euros. Est puni d'une même amende, la personne qui dispose ou fait usage intentionnellement d'une image ou d'un son qu' elle savait ou devait savoir que l'image ou le son a été obtenue en violation de ces mêmes articles.]1
Afdeling 2. [1 - Bijzonder strafregister]1
Section 2. [1 - Casier judiciaire spécial]1
Art.2.5.4.12. [1 Wetboek van Strafvordering
Werkgevers die personen tewerkstellen in een haven, een havenfaciliteit, een terminal gelegen in het binnenland of een vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging of aan boord van Belgische schepen mogen bij de aanwerving van deze persoon het uittreksel bedoeld in artikel 596bis van het Wetboek van Strafvordering opvragen voor de effectieve indiensttreding.
De werkgever moet de indiensttreding weigeren indien de persoon een effectief havenverbod heeft opgelegd gekregen overeenkomstig artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48, § 4, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, dat territoriaal van toepassing is op de plaats van tewerkstelling.]1
Werkgevers die personen tewerkstellen in een haven, een havenfaciliteit, een terminal gelegen in het binnenland of een vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging of aan boord van Belgische schepen mogen bij de aanwerving van deze persoon het uittreksel bedoeld in artikel 596bis van het Wetboek van Strafvordering opvragen voor de effectieve indiensttreding.
De werkgever moet de indiensttreding weigeren indien de persoon een effectief havenverbod heeft opgelegd gekregen overeenkomstig artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48, § 4, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, dat territoriaal van toepassing is op de plaats van tewerkstelling.]1
Art.2.5.4.12. [1 Code d'instruction criminelle
Les employeurs qui occupent des personnes dans un port, une installation portuaire, un terminal intérieur ou une unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime ou à bord de navires belges peuvent demander l'extrait visé à l'article 596bis du Code d'instruction criminelle lors du recrutement de cette personne avant son entrée en service effective.
L'employeur doit refuser l'entrée en service si la personne s'est vu infliger une interdiction portuaire effective conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48, § 4 du Code belge de la Navigation, qui s'applique territorialement au lieu d'occupation.]1
Les employeurs qui occupent des personnes dans un port, une installation portuaire, un terminal intérieur ou une unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime ou à bord de navires belges peuvent demander l'extrait visé à l'article 596bis du Code d'instruction criminelle lors du recrutement de cette personne avant son entrée en service effective.
L'employeur doit refuser l'entrée en service si la personne s'est vu infliger une interdiction portuaire effective conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48, § 4 du Code belge de la Navigation, qui s'applique territorialement au lieu d'occupation.]1
Titel 6. - BEVRACHTING EN VERVOER
TITRE 6. - AFFRETEMENT ET TRANSPORT
HOOFDSTUK 1. - Bevrachting
CHAPITRE 1er. - Affrètement
Afdeling 1. - Rompbevrachting
Section 1ère. - Affrètement coque nue
Art. 2.6.1.1. Materiële toepassing
Deze afdeling is van toepassing op rompbevrachtingsovereenkomsten met als voorwerp een zeeschip gebruikt voor het vervoer van goederen of passagiers De partijen kunnen contractueel anders bepalen onder voorbehoud van andere dwingende wettelijke en reglementaire bepalingen
Deze afdeling is van toepassing op rompbevrachtingsovereenkomsten met als voorwerp een zeeschip gebruikt voor het vervoer van goederen of passagiers De partijen kunnen contractueel anders bepalen onder voorbehoud van andere dwingende wettelijke en reglementaire bepalingen
Art. 2.6.1.1. Application matérielle
La présente section s'applique à des contrats d'affrètement coque nue ayant pour objet un navire de mer utilisé pour le transport de marchandises ou de passagers Les parties peuvent en décider autrement contractuellement sous réserve d'autres dispositions législatives et réglementaires contraignantes.
La présente section s'applique à des contrats d'affrètement coque nue ayant pour objet un navire de mer utilisé pour le transport de marchandises ou de passagers Les parties peuvent en décider autrement contractuellement sous réserve d'autres dispositions législatives et réglementaires contraignantes.
Art. 2.6.1.2. Andere regelgeving
Titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek en titel 4 van boek X van het Wetboek van economische recht zijn niet op rompbevrachtingsovereenkomsten van toepassing.
Titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek en titel 4 van boek X van het Wetboek van economische recht zijn niet op rompbevrachtingsovereenkomsten van toepassing.
Art. 2.6.1.2. Autre réglementation
Le titre VIII du livre III du Code civil et le titre 4 du livre X du Code de droit economique ne s'appliquent pas aux contrats d'affrètement coque nue.
Le titre VIII du livre III du Code civil et le titre 4 du livre X du Code de droit economique ne s'appliquent pas aux contrats d'affrètement coque nue.
Art. 2.6.1.3. Vermeldingen
§ 1. De rompbevrachtingsovereenkomst vermeldt :
1° de naam en de woonplaats of de zetel van de vervrachter en de bevrachter en desgevallend van de makelaar;
2° de volgende gegevens betreffende het zeeschip : naam, roepnaam, identificatienummer, vlag, thuishaven, type, tonnenmaat, waterverplaatsing, bouwplaats, bouwjaar, erkende organisatie, klasse, datum van de laatste inspectie door de erkende organisatie, gevestigde scheepshypotheken en verdere bijzonderheden;
3° de haven of plaats, en het vroegste en het laatste tijdstip voor levering en teruggave;
4° desgevallend, het toegelaten vaargebied;
5° de duur van de bevrachting;
6° de huurprijs;
7° het makelaarsloon;
8° de plaats en het tijdstip van ondertekening.
§ 2. Op voorwaarde dat het zeeschip ondubbelzinnig is aangeduid, moeten de onder paragraaf 1, 2° bedoelde nadere scheepsgegevens niet in de overeenkomst worden opgenomen in de mate dat ze blijken uit een officieel scheepscertificaat waarvan beide partijen kennis hebben of kunnen hebben.
§ 1. De rompbevrachtingsovereenkomst vermeldt :
1° de naam en de woonplaats of de zetel van de vervrachter en de bevrachter en desgevallend van de makelaar;
2° de volgende gegevens betreffende het zeeschip : naam, roepnaam, identificatienummer, vlag, thuishaven, type, tonnenmaat, waterverplaatsing, bouwplaats, bouwjaar, erkende organisatie, klasse, datum van de laatste inspectie door de erkende organisatie, gevestigde scheepshypotheken en verdere bijzonderheden;
3° de haven of plaats, en het vroegste en het laatste tijdstip voor levering en teruggave;
4° desgevallend, het toegelaten vaargebied;
5° de duur van de bevrachting;
6° de huurprijs;
7° het makelaarsloon;
8° de plaats en het tijdstip van ondertekening.
§ 2. Op voorwaarde dat het zeeschip ondubbelzinnig is aangeduid, moeten de onder paragraaf 1, 2° bedoelde nadere scheepsgegevens niet in de overeenkomst worden opgenomen in de mate dat ze blijken uit een officieel scheepscertificaat waarvan beide partijen kennis hebben of kunnen hebben.
Art. 2.6.1.3. Mentions
§ 1er. Le contrat d'affrètement coque nue mentionne :
1° les nom et domicile ou le siège du fréteur et de l'affréteur et, le cas échéant, du courtier;
2° les données suivantes concernant le navire de mer : nom, indicatif d'appel, numéro d'identification, pavillon, port d'attache, type, tonnage, déplacement, lieu de construction, année de construction, organisme agréé, classe, date de la dernière inspection par l'organisme agréé, hypothèques maritimes constituées et d'autres particularités;
3° le port ou le lieu et la première et la dernière heure possibles pour la livraison et la restitution;
4° le cas échéant, la zone de navigation autorisée;
5° la durée de l'affrètement;
6° le loyer;
7° le courtage;
8° le lieu et la date de signature.
§ 2. A condition que le navire de mer ait été identifié sans ambiguïté, les autres données concernant le navire visées au paragraphe 1, 2°, ne doivent pas être reprises dans le contrat, dans la mesure où elles proviennent d'un certificat de navire officiel dont les deux parties ont ou peuvent avoir connaissance.
§ 1er. Le contrat d'affrètement coque nue mentionne :
1° les nom et domicile ou le siège du fréteur et de l'affréteur et, le cas échéant, du courtier;
2° les données suivantes concernant le navire de mer : nom, indicatif d'appel, numéro d'identification, pavillon, port d'attache, type, tonnage, déplacement, lieu de construction, année de construction, organisme agréé, classe, date de la dernière inspection par l'organisme agréé, hypothèques maritimes constituées et d'autres particularités;
3° le port ou le lieu et la première et la dernière heure possibles pour la livraison et la restitution;
4° le cas échéant, la zone de navigation autorisée;
5° la durée de l'affrètement;
6° le loyer;
7° le courtage;
8° le lieu et la date de signature.
§ 2. A condition que le navire de mer ait été identifié sans ambiguïté, les autres données concernant le navire visées au paragraphe 1, 2°, ne doivent pas être reprises dans le contrat, dans la mesure où elles proviennent d'un certificat de navire officiel dont les deux parties ont ou peuvent avoir connaissance.
Art. 2.6.1.4. Levering
De vervrachter moet behoorlijke zorg aanwenden om het zeeschip bij levering zeewaardig te maken, en om de romp en het scheepstoebehoren klaar voor de dienst te maken.
De vervrachter moet het zeeschip leveren, en de bevrachter moet het overnemen in de overeengekomen haven of plaats, op een veilige ligplaats die desgevallend door de bevrachter wordt aangeduid.
De vervrachter moet ervoor zorgen dat het zeeschip beschikt over alle scheepsdocumenten die worden vereist door de vlagstaat en de erkende organisatie.
De vervrachter moet behoorlijke zorg aanwenden om het zeeschip bij levering zeewaardig te maken, en om de romp en het scheepstoebehoren klaar voor de dienst te maken.
De vervrachter moet het zeeschip leveren, en de bevrachter moet het overnemen in de overeengekomen haven of plaats, op een veilige ligplaats die desgevallend door de bevrachter wordt aangeduid.
De vervrachter moet ervoor zorgen dat het zeeschip beschikt over alle scheepsdocumenten die worden vereist door de vlagstaat en de erkende organisatie.
Art. 2.6.1.4. Livraison
Le fréteur doit apporter la diligence raisonnable afin que le navire de mer soit en état de navigabilité lors de la livraison et afin de rendre la coque et les accessoires du navire prêts pour le service.
Le fréteur doit livrer le navire de mer et l'affréteur doit le reprendre dans le port ou à l'endroit convenu, sur un poste d'amarrage sûr, indiqué le cas échéant par l'affréteur.
Le fréteur doit veiller à ce que le navire de mer dispose de tous les documents de navigation exigés par l'état du pavillon et l'organisme agréé.
Le fréteur doit apporter la diligence raisonnable afin que le navire de mer soit en état de navigabilité lors de la livraison et afin de rendre la coque et les accessoires du navire prêts pour le service.
Le fréteur doit livrer le navire de mer et l'affréteur doit le reprendre dans le port ou à l'endroit convenu, sur un poste d'amarrage sûr, indiqué le cas échéant par l'affréteur.
Le fréteur doit veiller à ce que le navire de mer dispose de tous les documents de navigation exigés par l'état du pavillon et l'organisme agréé.
Art. 2.6.1.5. Leveringstijdstip
Zonder instemming van de bevrachter mag het zeeschip niet worden geleverd vóór het vroegste tijdstip voor levering.
De vervrachter moet behoorlijke zorg aanwenden om het zeeschip niet te leveren na het laatste tijdstip voor levering.
De vervrachter moet de bevrachter van het verwachte tijdstip van levering op de hoogte brengen.
Zonder instemming van de bevrachter mag het zeeschip niet worden geleverd vóór het vroegste tijdstip voor levering.
De vervrachter moet behoorlijke zorg aanwenden om het zeeschip niet te leveren na het laatste tijdstip voor levering.
De vervrachter moet de bevrachter van het verwachte tijdstip van levering op de hoogte brengen.
Art. 2.6.1.5. Moment de livraison
Sans autorisation de l'affréteur, le navire de mer ne peut pas être livré avant le premier moment prévu pour la livraison.
Le fréteur doit apporter la diligence raisonnable pour ne pas livrer le navire de mer après le dernier moment prévu pour la livraison.
Le fréteur doit informer l'affréteur du moment prévu pour la livraison.
Sans autorisation de l'affréteur, le navire de mer ne peut pas être livré avant le premier moment prévu pour la livraison.
Le fréteur doit apporter la diligence raisonnable pour ne pas livrer le navire de mer après le dernier moment prévu pour la livraison.
Le fréteur doit informer l'affréteur du moment prévu pour la livraison.
Art. 2.6.1.6. Opzegging
§ 1. Ingeval het zeeschip niet is geleverd op het laatste tijdstip voor levering, mag de bevrachter de overeenkomst binnen de zesendertig uur na het verstrijken van dat tijdstip opzeggen.
§ 2. Ingeval de vervrachter voorziet dat het zeeschip niet op het laatste tijdstip voor levering gereed zal zijn, mag hij de bevrachter hiervan op de hoogte stellen en de dag meedelen waarop het schip verwacht wordt gereed te zijn, en de bevrachter uitnodigen om de overeenkomst op te zeggen dan wel om de nieuwe opzegdatum te aanvaarden. De bevrachter moet zijn keuze meedelen binnen honderdachtenzestig uur na ontvangst van het bericht van de vervrachter of binnen zesendertig uur na de opzegdatum, naargelang welk tijdstip het vroegste valt. Ingeval de bevrachter geen keuze voor opzegging meedeelt, wordt de opzegdatum verplaatst tot zeven dagen na de nieuwe verwachte datum van gereedheid.
De voorgaande leden gelden onverminderd andere vorderingen van de bevrachter tegen de vervrachter.
§ 1. Ingeval het zeeschip niet is geleverd op het laatste tijdstip voor levering, mag de bevrachter de overeenkomst binnen de zesendertig uur na het verstrijken van dat tijdstip opzeggen.
§ 2. Ingeval de vervrachter voorziet dat het zeeschip niet op het laatste tijdstip voor levering gereed zal zijn, mag hij de bevrachter hiervan op de hoogte stellen en de dag meedelen waarop het schip verwacht wordt gereed te zijn, en de bevrachter uitnodigen om de overeenkomst op te zeggen dan wel om de nieuwe opzegdatum te aanvaarden. De bevrachter moet zijn keuze meedelen binnen honderdachtenzestig uur na ontvangst van het bericht van de vervrachter of binnen zesendertig uur na de opzegdatum, naargelang welk tijdstip het vroegste valt. Ingeval de bevrachter geen keuze voor opzegging meedeelt, wordt de opzegdatum verplaatst tot zeven dagen na de nieuwe verwachte datum van gereedheid.
De voorgaande leden gelden onverminderd andere vorderingen van de bevrachter tegen de vervrachter.
Art. 2.6.1.6. Résiliation
§ 1er. Si le navire de mer n'a pas été livré au dernier moment prévu pour la livraison, l'affréteur peut résilier le contrat dans les trente-six heures qui suivent l'expiration de ce moment-là.
§ 2. Si le fréteur prévoit que le navire de mer ne sera pas prêt au dernier moment prévu pour la livraison, il peut en informer l'affréteur, indiquer le jour où il est prévu que le navire soit prêt et proposer à l'affréteur de résilier le contrat ou d'accepter la nouvelle date de résiliation. L'affréteur doit communiquer son choix dans les cent soixante-huit heures qui suivent la réception du message du fréteur ou dans les trente-six heures qui suivent la date de résiliation, en fonction du moment qui tombe le plus tôt. Si l'affréteur ne communique aucun choix de résiliation, la date de résiliation est reportée jusqu'à sept jours après la nouvelle date prévue à laquelle le navire sera prêt.
Les alinéas précédents s'appliquent sans préjudice d'autres actions de l'affréteur à l'encontre du fréteur.
§ 1er. Si le navire de mer n'a pas été livré au dernier moment prévu pour la livraison, l'affréteur peut résilier le contrat dans les trente-six heures qui suivent l'expiration de ce moment-là.
§ 2. Si le fréteur prévoit que le navire de mer ne sera pas prêt au dernier moment prévu pour la livraison, il peut en informer l'affréteur, indiquer le jour où il est prévu que le navire soit prêt et proposer à l'affréteur de résilier le contrat ou d'accepter la nouvelle date de résiliation. L'affréteur doit communiquer son choix dans les cent soixante-huit heures qui suivent la réception du message du fréteur ou dans les trente-six heures qui suivent la date de résiliation, en fonction du moment qui tombe le plus tôt. Si l'affréteur ne communique aucun choix de résiliation, la date de résiliation est reportée jusqu'à sept jours après la nouvelle date prévue à laquelle le navire sera prêt.
Les alinéas précédents s'appliquent sans préjudice d'autres actions de l'affréteur à l'encontre du fréteur.
Art. 2.6.1.7. Gebruiksbeperkingen
Het zeeschip moet worden gebruikt in een wettig bedrijf en voor het vervoer van geschikte en wettige lading, binnen het toegelaten vaargebied.
Zonder instemming van de vervrachter mag de bevrachter het zeeschip niet gebruiken op een wijze die niet overeenstemt met de verzekeringspolis.
Het zeeschip mag niet worden gebruikt voor het vervoer van kernbrandstof, radioactieve producten of radioactief afval.
Het zeeschip moet worden gebruikt in een wettig bedrijf en voor het vervoer van geschikte en wettige lading, binnen het toegelaten vaargebied.
Zonder instemming van de vervrachter mag de bevrachter het zeeschip niet gebruiken op een wijze die niet overeenstemt met de verzekeringspolis.
Het zeeschip mag niet worden gebruikt voor het vervoer van kernbrandstof, radioactieve producten of radioactief afval.
Art. 2.6.1.7. Restrictions d'utilisation
Le navire de mer doit être utilisé dans le cadre d'une entreprise légitime et pour le transport d'une cargaison appropriée et licite, dans la zone de navigation autorisée.
Sans autorisation du fréteur, l'affréteur ne peut pas utiliser le navire de mer d'une manière qui ne correspond pas à la police d'assurance.
Le navire de mer ne peut pas être utilisé pour le transport de combustibles nucléaires ou encore de produits ou de déchets radioactifs.
Le navire de mer doit être utilisé dans le cadre d'une entreprise légitime et pour le transport d'une cargaison appropriée et licite, dans la zone de navigation autorisée.
Sans autorisation du fréteur, l'affréteur ne peut pas utiliser le navire de mer d'une manière qui ne correspond pas à la police d'assurance.
Le navire de mer ne peut pas être utilisé pour le transport de combustibles nucléaires ou encore de produits ou de déchets radioactifs.
Art. 2.6.1.8. Onderzoek bij levering en teruggave
De staat van het zeeschip bij levering en teruggave wordt vastgesteld door twee deskundigen, van wie de vervrachter en de bevrachter er elk één aanduiden.
De kosten van het onderzoek bij levering worden gedragen door de vervrachter, deze bij teruggave door de bevrachter.
De staat van het zeeschip bij levering en teruggave wordt vastgesteld door twee deskundigen, van wie de vervrachter en de bevrachter er elk één aanduiden.
De kosten van het onderzoek bij levering worden gedragen door de vervrachter, deze bij teruggave door de bevrachter.
Art. 2.6.1.8. Examen lors de la livraison et de la restitution
L'état du navire de mer lors de la livraison et de la restitution est constaté par deux experts, le fréteur et l'affréteur en désignant chacun un.
Les coûts de l'examen lors de la livraison sont supportés par le fréteur et ceux lors de la restitution par l'affréteur.
L'état du navire de mer lors de la livraison et de la restitution est constaté par deux experts, le fréteur et l'affréteur en désignant chacun un.
Les coûts de l'examen lors de la livraison sont supportés par le fréteur et ceux lors de la restitution par l'affréteur.
Art. 2.6.1.9. Onderzoek tijdens de bevrachting
Mits hij de bevrachter op voorhand verwittigt, mag de vervrachter het zeeschip op elk tijdstip onderzoeken of laten onderzoeken ten einde de staat van onderhoud en herstelling na te gaan of om een andere reden, voor zover het normale gebruik daardoor niet nodeloos wordt gehinderd.
Tenzij herstelling of onderhoud noodzakelijk blijkt, worden de kosten van het onderzoek gedragen door de vervrachter.
De duur van het onderzoek maakt deel uit van de lopende duur van de overeenkomst.
De vervrachter mag de scheepsdagboeken onderzoeken en volledige inlichtingen over ongevallen en schade opvragen.
Mits hij de bevrachter op voorhand verwittigt, mag de vervrachter het zeeschip op elk tijdstip onderzoeken of laten onderzoeken ten einde de staat van onderhoud en herstelling na te gaan of om een andere reden, voor zover het normale gebruik daardoor niet nodeloos wordt gehinderd.
Tenzij herstelling of onderhoud noodzakelijk blijkt, worden de kosten van het onderzoek gedragen door de vervrachter.
De duur van het onderzoek maakt deel uit van de lopende duur van de overeenkomst.
De vervrachter mag de scheepsdagboeken onderzoeken en volledige inlichtingen over ongevallen en schade opvragen.
Art. 2.6.1.9. Examen durant l'affrètement
A la condition qu'il en avertisse préalablement l'affréteur, le fréteur peut examiner ou faire examiner le navire de mer à tout moment afin de vérifier l'état d'entretien et de réparation ou pour un autre motif, pour autant toutefois que l'utilisation normale n'en soit pas inutilement entravée.
A moins que des réparations ou un entretien ne s'avèrent nécessaires, les coûts de l'examen sont supportés par le fréteur.
La durée de l'examen fait partie de la durée en cours du contrat.
Le fréteur peut examiner les journaux de bord du navire et demander des renseignements complets concernant des accidents et dommages.
A la condition qu'il en avertisse préalablement l'affréteur, le fréteur peut examiner ou faire examiner le navire de mer à tout moment afin de vérifier l'état d'entretien et de réparation ou pour un autre motif, pour autant toutefois que l'utilisation normale n'en soit pas inutilement entravée.
A moins que des réparations ou un entretien ne s'avèrent nécessaires, les coûts de l'examen sont supportés par le fréteur.
La durée de l'examen fait partie de la durée en cours du contrat.
Le fréteur peut examiner les journaux de bord du navire et demander des renseignements complets concernant des accidents et dommages.
Art. 2.6.1.10. Scheepstoebehoren
Samen met de vervrachter stelt de bevrachter bij levering en teruggave een inventaris op van het scheepstoebehoren.
De bevrachter en de vervrachter betalen elkaar de marktwaarde van de zich bij aflevering respectievelijk inlevering aan boord bevindende verbruiksgoederen.
De bevrachter zorgt ervoor dat alle bij aflevering aanwezige en gebruikte wisselstukken bij inlevering vervangen zijn.
Samen met de vervrachter stelt de bevrachter bij levering en teruggave een inventaris op van het scheepstoebehoren.
De bevrachter en de vervrachter betalen elkaar de marktwaarde van de zich bij aflevering respectievelijk inlevering aan boord bevindende verbruiksgoederen.
De bevrachter zorgt ervoor dat alle bij aflevering aanwezige en gebruikte wisselstukken bij inlevering vervangen zijn.
Art. 2.6.1.10. Accessoires du navire
Conjointement avec le fréteur, l'affréteur dresse un inventaire des accessoires du navire lors de la livraison et de la restitution.
L'affréteur et le fréteur se paient mutuellement la valeur de marché des biens de consommation se trouvant à bord lors de la livraison et de la restitution.
L'affréteur doit veiller à ce que toutes les pièces de rechange présentes et utilisées lors de la livraison aient été remplacées lors de la restitution.
Conjointement avec le fréteur, l'affréteur dresse un inventaire des accessoires du navire lors de la livraison et de la restitution.
L'affréteur et le fréteur se paient mutuellement la valeur de marché des biens de consommation se trouvant à bord lors de la livraison et de la restitution.
L'affréteur doit veiller à ce que toutes les pièces de rechange présentes et utilisées lors de la livraison aient été remplacées lors de la restitution.
Art. 2.6.1.11. Onderhoud en uitbating
§ 1. Tijdens de duur van de overeenkomst bevindt het zeeschip zich in het volle bezit van de bevrachter, en staat het volstrekt en voor alle doeleinden te zijner beschikking en in alle opzichten onder zijn volledig toezicht.
De bevrachter moet het zeeschip en de scheepstoebehoren onderhouden in een goede staat van herstelling, in een doelmatige gebruikstoestand en overeenkomstig goede onderhoudspraktijk. Hij moet de klasse van het zeeschip in stand houden en ervoor zorgen dat alle nodige certificaten geldig blijven.
De bevrachter moet ervoor zorgen dat ter zake van aansprakelijkheid tegenover derden de vereiste financiële zekerheden of dekkingen voorhanden zijn.
§ 2. De bevrachter moet het zeeschip op zijn kosten en door zijn toedoen bemannen, bevoorraden, besturen, uitbaten en, telkens wanneer nodig, herstellen.
De bevrachter staat in voor alle lasten en kosten, van welke aard ook, die in verband staan met het gebruik en de uitbating van het zeeschip, waaronder vlagstaatvergoedingen en buitenlandse heffingen.
De kapitein en de bemanning zijn voor alle doeleinden aangestelden van de bevrachter, zelfs wanneer zij werden aangeduid door de vervrachter.
§ 3. De bevrachter houdt de vervrachter redelijkerwijze op de hoogte van het voorgenomen gebruik, droogdokking en belangrijke herstellingen.
§ 4. De bevrachter mag het zeeschip op zijn kosten schilderen in zijn kleuren, er zijn herkenningstekens op aanbrengen en zijn eigen vlag voeren.
§ 5. Zonder instemming van de vervrachter mag de bevrachter aan het zeeschip en de scheepstoebehoren geen structurele veranderingen aanbrengen. De vervrachter mag opleggen dat deze wijzigingen bij teruggave ongedaan zijn gemaakt.
§ 6. De bevrachter mag gebruik maken van alle scheepsbestanddelen en scheepstoebehoren, met dien verstande dat hij versleten of beschadigde zaken moet vervangen of herstellen.
§ 7. De bevrachter moet het onderwaterschip in goede staat houden en zet het zeeschip daartoe zo nodig droog.
§ 1. Tijdens de duur van de overeenkomst bevindt het zeeschip zich in het volle bezit van de bevrachter, en staat het volstrekt en voor alle doeleinden te zijner beschikking en in alle opzichten onder zijn volledig toezicht.
De bevrachter moet het zeeschip en de scheepstoebehoren onderhouden in een goede staat van herstelling, in een doelmatige gebruikstoestand en overeenkomstig goede onderhoudspraktijk. Hij moet de klasse van het zeeschip in stand houden en ervoor zorgen dat alle nodige certificaten geldig blijven.
De bevrachter moet ervoor zorgen dat ter zake van aansprakelijkheid tegenover derden de vereiste financiële zekerheden of dekkingen voorhanden zijn.
§ 2. De bevrachter moet het zeeschip op zijn kosten en door zijn toedoen bemannen, bevoorraden, besturen, uitbaten en, telkens wanneer nodig, herstellen.
De bevrachter staat in voor alle lasten en kosten, van welke aard ook, die in verband staan met het gebruik en de uitbating van het zeeschip, waaronder vlagstaatvergoedingen en buitenlandse heffingen.
De kapitein en de bemanning zijn voor alle doeleinden aangestelden van de bevrachter, zelfs wanneer zij werden aangeduid door de vervrachter.
§ 3. De bevrachter houdt de vervrachter redelijkerwijze op de hoogte van het voorgenomen gebruik, droogdokking en belangrijke herstellingen.
§ 4. De bevrachter mag het zeeschip op zijn kosten schilderen in zijn kleuren, er zijn herkenningstekens op aanbrengen en zijn eigen vlag voeren.
§ 5. Zonder instemming van de vervrachter mag de bevrachter aan het zeeschip en de scheepstoebehoren geen structurele veranderingen aanbrengen. De vervrachter mag opleggen dat deze wijzigingen bij teruggave ongedaan zijn gemaakt.
§ 6. De bevrachter mag gebruik maken van alle scheepsbestanddelen en scheepstoebehoren, met dien verstande dat hij versleten of beschadigde zaken moet vervangen of herstellen.
§ 7. De bevrachter moet het onderwaterschip in goede staat houden en zet het zeeschip daartoe zo nodig droog.
Art. 2.6.1.11. Entretien et exploitation
§ 1er. Pendant la durée du contrat, le navire de mer se trouve en pleine possession de l'affréteur et il est, entièrement et à toutes fins, à sa disposition et sous son entière surveillance à tous les égards.
L'affréteur doit entretenir le navire de mer et les accessoires du navire dans un bon état de réparation, dans un état d'utilisation convenable et conformément à de bonnes pratiques d'entretien. Il doit maintenir la classe du navire de mer et veiller à ce que tous les certificats nécessaires restent valables.
L'affréteur doit veiller à ce que les sûretés financières ou couvertures requises en matière de responsabilité à l'égard de tiers soient disponibles.
§ 2. L'affréteur doit équiper le navire de mer en personnel à ses frais et par son propre fait. Il doit également l'approvisionner, le conduire, l'exploiter et, chaque fois que cela est nécessaire, le réparer.
L'affréteur assume toutes les charges et tous les coûts, de quelque nature que ce soit, ayant trait à l'utilisation et à l'exploitation du navire de mer, notamment les indemnités à l'Etat du pavillon et les taxes étrangères.
Le capitaine et l'équipage sont, à toutes fins, des préposés de l'affréteur, même lorsqu'ils ont été désignés par le fréteur.
§ 3. L'affréteur informe raisonnablement le fréteur de l'utilisation envisagée, de la mise en cale sèche et de réparations importantes.
§ 4. L'affréteur peut, à ses frais, peindre le navire de mer dans ses couleurs, y appliquer ses signes distinctifs et battre son propre pavillon.
§ 5. Sans autorisation du fréteur, l'affréteur ne peut pas apporter de modifications structurelles au navire de mer et à ses accessoires. Le fréteur peut imposer que ces modifications aient été retirées lors de la restitution.
§ 6. L'affréteur peut utiliser tous les éléments et accessoires du navire, étant entendu qu'il doit remplacer ou réparer les éléments usés ou endommagés.
§ 7. L'affréteur doit maintenir la coque sous l'eau en bon état et, à cet effet, il mettra au besoin le navire de mer en cale sèche.
§ 1er. Pendant la durée du contrat, le navire de mer se trouve en pleine possession de l'affréteur et il est, entièrement et à toutes fins, à sa disposition et sous son entière surveillance à tous les égards.
L'affréteur doit entretenir le navire de mer et les accessoires du navire dans un bon état de réparation, dans un état d'utilisation convenable et conformément à de bonnes pratiques d'entretien. Il doit maintenir la classe du navire de mer et veiller à ce que tous les certificats nécessaires restent valables.
L'affréteur doit veiller à ce que les sûretés financières ou couvertures requises en matière de responsabilité à l'égard de tiers soient disponibles.
§ 2. L'affréteur doit équiper le navire de mer en personnel à ses frais et par son propre fait. Il doit également l'approvisionner, le conduire, l'exploiter et, chaque fois que cela est nécessaire, le réparer.
L'affréteur assume toutes les charges et tous les coûts, de quelque nature que ce soit, ayant trait à l'utilisation et à l'exploitation du navire de mer, notamment les indemnités à l'Etat du pavillon et les taxes étrangères.
Le capitaine et l'équipage sont, à toutes fins, des préposés de l'affréteur, même lorsqu'ils ont été désignés par le fréteur.
§ 3. L'affréteur informe raisonnablement le fréteur de l'utilisation envisagée, de la mise en cale sèche et de réparations importantes.
§ 4. L'affréteur peut, à ses frais, peindre le navire de mer dans ses couleurs, y appliquer ses signes distinctifs et battre son propre pavillon.
§ 5. Sans autorisation du fréteur, l'affréteur ne peut pas apporter de modifications structurelles au navire de mer et à ses accessoires. Le fréteur peut imposer que ces modifications aient été retirées lors de la restitution.
§ 6. L'affréteur peut utiliser tous les éléments et accessoires du navire, étant entendu qu'il doit remplacer ou réparer les éléments usés ou endommagés.
§ 7. L'affréteur doit maintenir la coque sous l'eau en bon état et, à cet effet, il mettra au besoin le navire de mer en cale sèche.
Art. 2.6.1.12. Huurprijs
De bevrachter moet aan de vervrachter tijdig de huurprijs betalen.
De huurprijs moet worden voldaan per maand, dertig dagen op voorhand, en de eerste maal op het tijdstip van levering.
De huurprijs is niet verschuldigd ingeval het schip tien dagen als verloren wordt beschouwd of zonder tijdingen is.
De bevrachter moet aan de vervrachter tijdig de huurprijs betalen.
De huurprijs moet worden voldaan per maand, dertig dagen op voorhand, en de eerste maal op het tijdstip van levering.
De huurprijs is niet verschuldigd ingeval het schip tien dagen als verloren wordt beschouwd of zonder tijdingen is.
Art. 2.6.1.12. Loyer
L'affréteur doit payer le loyer à temps au fréteur.
Le loyer doit être acquitté mensuellement, trente jours au préalable, et la première fois, au moment de la livraison.
Le loyer n'est pas dû si le navire est considéré comme perdu ou est sans nouvelles depuis dix jours.
L'affréteur doit payer le loyer à temps au fréteur.
Le loyer doit être acquitté mensuellement, trente jours au préalable, et la première fois, au moment de la livraison.
Le loyer n'est pas dû si le navire est considéré comme perdu ou est sans nouvelles depuis dix jours.
Art. 2.6.1.13. Scheepshypotheek
Zonder toestemming van de bevrachter, welke niet onredelijk mag worden geweigerd, mag de vervrachter op het zeeschip geen hypotheek vestigen.
Zonder toestemming van de bevrachter, welke niet onredelijk mag worden geweigerd, mag de vervrachter op het zeeschip geen hypotheek vestigen.
Art. 2.6.1.13. Hypothèque sur navire
Sans autorisation de l'affréteur, qui ne peut pas déraisonnablement la refuser, le fréteur ne peut constituer aucune hypothèque sur le navire de mer.
Sans autorisation de l'affréteur, qui ne peut pas déraisonnablement la refuser, le fréteur ne peut constituer aucune hypothèque sur le navire de mer.
Art. 2.6.1.14. Verzekering
De bevrachter moet het zeeschip op zijn kosten verzekerd houden tegen risico's in verband met casco en machines, oorlog, aansprakelijkheden met betrekking tot bemanning, lading, verontreiniging en schade aan derden en verplichte verzekeringen.
De verzekeringen moeten zowel de bevrachter, de vervrachter als, in voorkomend geval, de hypotheekhouder begunstigen.
De vervrachter en de bevrachter moeten elkaar alle in het raam van de verzekering vereiste inlichtingen en stukken verschaffen.
De bevrachter moet het zeeschip op zijn kosten verzekerd houden tegen risico's in verband met casco en machines, oorlog, aansprakelijkheden met betrekking tot bemanning, lading, verontreiniging en schade aan derden en verplichte verzekeringen.
De verzekeringen moeten zowel de bevrachter, de vervrachter als, in voorkomend geval, de hypotheekhouder begunstigen.
De vervrachter en de bevrachter moeten elkaar alle in het raam van de verzekering vereiste inlichtingen en stukken verschaffen.
Art. 2.6.1.14. Assurance
L'affréteur doit veiller à ce que le navire de mer reste assuré, à ses frais, contre des risques en rapport avec la coque et les machines, la guerre, les responsabilités relatives à l'équipage, la cargaison, la pollution et des dommages occasionnés à des tiers ainsi qu'en ce qui concerne les assurances obligatoires.
Les assurances doivent bénéficier à la fois à l'affréteur, au fréteur et, le cas échéant, au créancier hypothécaire.
Le fréteur et l'affréteur doivent se fournir mutuellement tous les renseignements et pièces exigés dans le cadre de l'assurance.
L'affréteur doit veiller à ce que le navire de mer reste assuré, à ses frais, contre des risques en rapport avec la coque et les machines, la guerre, les responsabilités relatives à l'équipage, la cargaison, la pollution et des dommages occasionnés à des tiers ainsi qu'en ce qui concerne les assurances obligatoires.
Les assurances doivent bénéficier à la fois à l'affréteur, au fréteur et, le cas échéant, au créancier hypothécaire.
Le fréteur et l'affréteur doivent se fournir mutuellement tous les renseignements et pièces exigés dans le cadre de l'assurance.
Art. 2.6.1.15. Teruggave
De bevrachter moet het schip teruggeven in de overeengekomen haven of plaats, op een veilige ligplaats die desgevallend door de vervrachter wordt aangeduid.
De bevrachter moet de vervrachter van het verwachte tijdstip van teruggave op de hoogte brengen.
De bevrachter moet het schip teruggeven in de overeengekomen haven of plaats, op een veilige ligplaats die desgevallend door de vervrachter wordt aangeduid.
De bevrachter moet de vervrachter van het verwachte tijdstip van teruggave op de hoogte brengen.
Art. 2.6.1.15. Restitution
L'affréteur doit restituer le navire dans le port ou à l'endroit convenu, sur un poste d'amarrage sûr indiqué le cas échéant par le fréteur.
L'affréteur doit informer le fréteur du moment prévu pour la restitution.
L'affréteur doit restituer le navire dans le port ou à l'endroit convenu, sur un poste d'amarrage sûr indiqué le cas échéant par le fréteur.
L'affréteur doit informer le fréteur du moment prévu pour la restitution.
Art. 2.6.1.16. Zekerheidsrechten
De bevrachter staat ervoor in dat de rechten en de titel op het zeeschip van de vervrachter niet worden bezwaard door zekerheidsrechten met hogere rang.
De bevrachter moet op het schip een duidelijk zichtbare mededeling aanbrengen waaruit de rechten en de titel van de vervrachter blijken.
De bevrachter staat ervoor in dat de rechten en de titel op het zeeschip van de vervrachter niet worden bezwaard door zekerheidsrechten met hogere rang.
De bevrachter moet op het schip een duidelijk zichtbare mededeling aanbrengen waaruit de rechten en de titel van de vervrachter blijken.
Art. 2.6.1.16. Sûretés
L'affréteur doit veiller à ce que les droits et le titre du fréteur sur le navire de mer ne soient pas grevés par des sûretés d'un rang supérieur.
L'affréteur doit appliquer sur le navire une communication clairement visible indiquant les droits et le titre du fréteur.
L'affréteur doit veiller à ce que les droits et le titre du fréteur sur le navire de mer ne soient pas grevés par des sûretés d'un rang supérieur.
L'affréteur doit appliquer sur le navire une communication clairement visible indiquant les droits et le titre du fréteur.
Art. 2.6.1.17. Vrijwaring en beslag
§ 1. De bevrachter moet de vervrachter vergoeden voor alle verlies, schaden en kosten die in verband met de uitbating van het schip ontstaan, en moet hem vrijwaren tegen de gevolgen van elke zekerheid die het zeeschip ingevolge deze uitbating mocht bezwaren. In geval van beslag of aanhouding moet de bevrachter dit beslag of deze aanhouding binnen een redelijke tijd laten opheffen en daartoe zo nodig een financiële borgtocht of zekerheid stellen.
De bevrachter vrijwaart de vervrachter tegen alle gevolgen en aansprakelijkheden die ontstaan ingevolge de ondertekening van cognossementen of andere documenten door de kapitein, officieren of agenten.
§ 2. Ingeval van beslag of aanhouding ten gevolge van aanspraken tegen de vervrachter moet de vervrachter dit beslag of deze aanhouding binnen een redelijke tijd laten opheffen en daartoe zo nodig een financiële borgtocht of zekerheid stellen. In dit geval moet de vervrachter de bevrachter vergoeden voor alle verlies, schaden en kosten, met inbegrip van betaalde huur, die rechtstreeks uit het beslag of de aanhouding voortvloeien.
§ 1. De bevrachter moet de vervrachter vergoeden voor alle verlies, schaden en kosten die in verband met de uitbating van het schip ontstaan, en moet hem vrijwaren tegen de gevolgen van elke zekerheid die het zeeschip ingevolge deze uitbating mocht bezwaren. In geval van beslag of aanhouding moet de bevrachter dit beslag of deze aanhouding binnen een redelijke tijd laten opheffen en daartoe zo nodig een financiële borgtocht of zekerheid stellen.
De bevrachter vrijwaart de vervrachter tegen alle gevolgen en aansprakelijkheden die ontstaan ingevolge de ondertekening van cognossementen of andere documenten door de kapitein, officieren of agenten.
§ 2. Ingeval van beslag of aanhouding ten gevolge van aanspraken tegen de vervrachter moet de vervrachter dit beslag of deze aanhouding binnen een redelijke tijd laten opheffen en daartoe zo nodig een financiële borgtocht of zekerheid stellen. In dit geval moet de vervrachter de bevrachter vergoeden voor alle verlies, schaden en kosten, met inbegrip van betaalde huur, die rechtstreeks uit het beslag of de aanhouding voortvloeien.
Art. 2.6.1.17. Garantie et saisie
§ 1er. L'affréteur doit indemniser le fréteur de toute perte, de tout dommage et de tous frais résultant de l'exploitation du navire, et doit le garantir contre les conséquences de toute sûreté qui pourrait grever le navire de mer des suites de cette exploitation. En cas de saisie ou d'immobilisation du navire, l'affréteur doit faire lever cette saisie ou cette immobilisation du navire dans des délais raisonnables et déposer au besoin une caution ou une sûreté financière à cet effet.
L'affréteur garantit le fréteur contre toutes les conséquences et responsabilités qui découlent de la signature de connaissements ou d'autres documents par le capitaine, les officiers ou agents.
§ 2. En cas de saisie ou d'immobilisation du navire suite à des revendications à l'encontre du fréteur, le fréteur doit faire lever cette saisie ou cette immobilisation du navire dans des délais raisonnables et déposer au besoin une caution ou une sûreté financière à cet effet. Dans ce cas, le fréteur doit indemniser l'affréteur pour toute perte, tout dommage et tous frais, y compris le loyer payé, qui découlent directement de la saisie ou de l'immobilisation du navire.
§ 1er. L'affréteur doit indemniser le fréteur de toute perte, de tout dommage et de tous frais résultant de l'exploitation du navire, et doit le garantir contre les conséquences de toute sûreté qui pourrait grever le navire de mer des suites de cette exploitation. En cas de saisie ou d'immobilisation du navire, l'affréteur doit faire lever cette saisie ou cette immobilisation du navire dans des délais raisonnables et déposer au besoin une caution ou une sûreté financière à cet effet.
L'affréteur garantit le fréteur contre toutes les conséquences et responsabilités qui découlent de la signature de connaissements ou d'autres documents par le capitaine, les officiers ou agents.
§ 2. En cas de saisie ou d'immobilisation du navire suite à des revendications à l'encontre du fréteur, le fréteur doit faire lever cette saisie ou cette immobilisation du navire dans des délais raisonnables et déposer au besoin une caution ou une sûreté financière à cet effet. Dans ce cas, le fréteur doit indemniser l'affréteur pour toute perte, tout dommage et tous frais, y compris le loyer payé, qui découlent directement de la saisie ou de l'immobilisation du navire.
Art. 2.6.1.18. Ladingvoorrecht
De vorderingen van de vervrachter uit hoofde van de overeenkomst zijn verhaalbaar en bevoorrecht op alle lading die toebehoort aan de bevrachter.
De vorderingen van de vervrachter uit hoofde van de overeenkomst zijn verhaalbaar en bevoorrecht op alle lading die toebehoort aan de bevrachter.
Art. 2.6.1.18. Privilège sur la cargaison
Les créances du fréteur du chef du contrat sont récupérables et privilégiées sur toute cargaison appartenant à l'affréteur.
Les créances du fréteur du chef du contrat sont récupérables et privilégiées sur toute cargaison appartenant à l'affréteur.
Art. 2.6.1.19. Berging
Berg- en sleeploon komt toe aan de bevrachter.
De bevrachter staat in voor schade veroorzaakt door het bergen of slepen.
Berg- en sleeploon komt toe aan de bevrachter.
De bevrachter staat in voor schade veroorzaakt door het bergen of slepen.
Art. 2.6.1.19. Assistance
La rémunération du chef d'assistance et de remorquage revient à l'affréteur.
L'affréteur assume le dommage provoqué des suites de l'assistance ou du remorquage.
La rémunération du chef d'assistance et de remorquage revient à l'affréteur.
L'affréteur assume le dommage provoqué des suites de l'assistance ou du remorquage.
Art. 2.6.1.20. Wrakkenruiming
De bevrachter moet de vervrachter vergoeden en vrijwaren voor alle kosten in verband met de ruiming van wrakken of hindernissen.
De bevrachter moet de vervrachter vergoeden en vrijwaren voor alle kosten in verband met de ruiming van wrakken of hindernissen.
Art. 2.6.1.20. Enlèvement d'épaves
L'affréteur doit indemniser et garantir le fréteur contre tous les frais associés à l'enlèvement d'épaves ou d'obstacles.
L'affréteur doit indemniser et garantir le fréteur contre tous les frais associés à l'enlèvement d'épaves ou d'obstacles.
Art. 2.6.1.21. Averij-grosse
De vervrachter draagt niet bij in averij-grosse.
De vervrachter draagt niet bij in averij-grosse.
Art. 2.6.1.21. Avarie commune
Le fréteur ne contribue pas à une avarie commune.
Le fréteur ne contribue pas à une avarie commune.
Art. 2.6.1.22. Overdracht, onderbevrachting en verkoop
§ 1. Zonder instemming van de vervrachter mag de bevrachter de rompbevrachting niet overdragen of een onderrompbevrachting toestaan.
§ 2. Zonder instemming van de bevrachter en overname van de rompbevrachting door de koper, mag de vervrachter het zeeschip niet verkopen.
§ 1. Zonder instemming van de vervrachter mag de bevrachter de rompbevrachting niet overdragen of een onderrompbevrachting toestaan.
§ 2. Zonder instemming van de bevrachter en overname van de rompbevrachting door de koper, mag de vervrachter het zeeschip niet verkopen.
Art. 2.6.1.22. Transfert, sous-affrètement et vente
§ 1er. Sans autorisation du fréteur, l'affréteur ne peut pas céder l'affrètement coque nue ou autoriser un sous-affrètement coque nue.
§ 2. Sans autorisation de l'affréteur et reprise de l'affrètement coque nue par l'acheteur, le fréteur ne peut pas vendre le navire de mer.
§ 1er. Sans autorisation du fréteur, l'affréteur ne peut pas céder l'affrètement coque nue ou autoriser un sous-affrètement coque nue.
§ 2. Sans autorisation de l'affréteur et reprise de l'affrètement coque nue par l'acheteur, le fréteur ne peut pas vendre le navire de mer.
Art. 2.6.1.23. Vervoerovereenkomst
De bevrachter moet ervoor zorgen dat in alle vervoersdocumenten en passagebiljetten wordt bedongen dat, naargelang het geval, hetzij de Regels van Den Haag en Visby, hetzij onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek, hetzij het PAL-Verdrag, hetzij onderafdeling 1 van afdeling 2 van dat hoofdstuk, hetzij een gelijkwaardige wettelijke regeling van toepassing is.
De bevrachter moet ervoor zorgen dat in alle vervoersdocumenten en passagebiljetten wordt bedongen dat, naargelang het geval, hetzij de Regels van Den Haag en Visby, hetzij onderafdeling 1 van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 6 van dit boek, hetzij het PAL-Verdrag, hetzij onderafdeling 1 van afdeling 2 van dat hoofdstuk, hetzij een gelijkwaardige wettelijke regeling van toepassing is.
Art. 2.6.1.23. Contrat de transport
L'affréteur doit veiller à ce que tous les documents de transport et billets de passage mentionnent l'application, selon le cas, soit des Règles de La Haye et de Visby, soit de la sous-section 1 de la section 2 du chapitre 2 du du titre 6 du présent livre, soit de la Convention PAL, soit de la sous-section 1 de la section 2 du présent chapitre, soit d'un régime légal équivalent.
L'affréteur doit veiller à ce que tous les documents de transport et billets de passage mentionnent l'application, selon le cas, soit des Règles de La Haye et de Visby, soit de la sous-section 1 de la section 2 du chapitre 2 du du titre 6 du présent livre, soit de la Convention PAL, soit de la sous-section 1 de la section 2 du présent chapitre, soit d'un régime légal équivalent.
Art. 2.6.1.24. Opeising en onteigening
§ 1. Ingeval van opeising blijft de overeenkomst gelden, maar komt een door de opeisende overheid betaalde vergoeding toe aan de bevrachter.
§ 2. Ingeval van onteigening wordt de overeenkomst van rechtswege beëindigd, maar blijft de verschuldigde huurprijs verworven.
§ 1. Ingeval van opeising blijft de overeenkomst gelden, maar komt een door de opeisende overheid betaalde vergoeding toe aan de bevrachter.
§ 2. Ingeval van onteigening wordt de overeenkomst van rechtswege beëindigd, maar blijft de verschuldigde huurprijs verworven.
Art. 2.6.1.24. Réquisition et expropriation
§ 1er. En cas de réquisition, le contrat reste en vigueur, mais l'indemnité payée par l'autorité requérante revient à l'affréteur.
§ 2. En cas d'expropriation, le contrat est résilié de plein droit, mais le prix du loyer dû reste acquis.
§ 1er. En cas de réquisition, le contrat reste en vigueur, mais l'indemnité payée par l'autorité requérante revient à l'affréteur.
§ 2. En cas d'expropriation, le contrat est résilié de plein droit, mais le prix du loyer dû reste acquis.
Art. 2.6.1.25. Oorlog
§ 1. Zonder instemming van de vervrachter mag de bevrachter het zeeschip niet doen varen in gebieden waarin het schip, de lading, de bemanning of de opvarenden worden blootgesteld aan risico's van oorlog, burgeroorlog, vijandelijkheden, oproer, mijnen, terrorisme of blokkade veroorzaakt door publieke of private personen.
§ 2. Het zeeschip mag geen smokkelwaar aan boord nemen, een blokkade breken of varen waar het onderhevig kan zijn aan zoeking of verbeurdverklaring door oorlogvoerenden.
§ 3. Ingeval een oorlog uitbreekt tussen twee of meer permanente leden van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, of een oorlog die naar redelijke verwachting een betekenisvolle weerslag op de uitvoering van de bevrachtingsovereenkomst heeft, mag elke partij de overeenkomst beëindigen.
§ 1. Zonder instemming van de vervrachter mag de bevrachter het zeeschip niet doen varen in gebieden waarin het schip, de lading, de bemanning of de opvarenden worden blootgesteld aan risico's van oorlog, burgeroorlog, vijandelijkheden, oproer, mijnen, terrorisme of blokkade veroorzaakt door publieke of private personen.
§ 2. Het zeeschip mag geen smokkelwaar aan boord nemen, een blokkade breken of varen waar het onderhevig kan zijn aan zoeking of verbeurdverklaring door oorlogvoerenden.
§ 3. Ingeval een oorlog uitbreekt tussen twee of meer permanente leden van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, of een oorlog die naar redelijke verwachting een betekenisvolle weerslag op de uitvoering van de bevrachtingsovereenkomst heeft, mag elke partij de overeenkomst beëindigen.
Art. 2.6.1.25. Guerre
§ 1er. Sans autorisation du fréteur, l'affréteur ne peut pas faire naviguer le navire de mer dans des zones où le navire, la cargaison, l'équipage ou les personnes embarquées sont exposés à des risques de guerre, de guerre civile, d'hostilités, d'insurrection, de mines, de terrorisme ou de blocus provoqués par des personnes publiques ou privées.
§ 2. Le navire de mer ne peut pas transporter de marchandises de contrebande, rompre un blocus ou naviguer à des endroits où il risque d'être soumis à une fouille ou à une confiscation par des belligérants.
§ 3. Si une guerre éclate entre deux ou plusieurs membres permanents du Conseil de Sécurité des Nations Unies, ou une guerre dont on peut raisonnablement attendre des répercussions significatives sur l'exécution du contrat d'affrètement, chacune des parties peut résilier le contrat.
§ 1er. Sans autorisation du fréteur, l'affréteur ne peut pas faire naviguer le navire de mer dans des zones où le navire, la cargaison, l'équipage ou les personnes embarquées sont exposés à des risques de guerre, de guerre civile, d'hostilités, d'insurrection, de mines, de terrorisme ou de blocus provoqués par des personnes publiques ou privées.
§ 2. Le navire de mer ne peut pas transporter de marchandises de contrebande, rompre un blocus ou naviguer à des endroits où il risque d'être soumis à une fouille ou à une confiscation par des belligérants.
§ 3. Si une guerre éclate entre deux ou plusieurs membres permanents du Conseil de Sécurité des Nations Unies, ou une guerre dont on peut raisonnablement attendre des répercussions significatives sur l'exécution du contrat d'affrètement, chacune des parties peut résilier le contrat.
Art. 2.6.1.27. Beëindiging
§ 1. De vervrachter mag de overeenkomst beëindigen wanneer de bevrachter geen gevolg geeft aan een redelijke ingebrekestelling om :
1° de huurprijs te betalen;
2° zijn verplichtingen in verband met het toegelaten vaargebied of de verzekering na te komen; of
3° het zeeschip en het scheepstoebehoren te onderhouden.
§ 2. De bevrachter mag de overeenkomst beëindigen wanneer hij, ingevolge een tekortkoming van de vervrachter en ondanks een ingebrekestelling, het zeeschip niet kan gebruiken gedurende veertien dagen of meer.
§ 3. De overeenkomst wordt vermoed te zijn beëindigd wanneer het zeeschip volledig verloren is of wanneer het zeeschip zodanig beschadigd is dat de partijen of de verzekeraar de schade met volledig verlies gelijkstellen.
§ 4. Bij beëindiging overeenkomstig de vorige paragrafen heeft de vervrachter het recht om het schip in de huidige of de eerstvolgende haven terug in bezit te nemen. De bevrachter staat in voor de afhandeling van lonen, ontscheping en repatriëring van de bemanning.
§ 5. De beëindiging van de overeenkomst doet geen afbreuk aan de door partijen verworven rechten en aan de vorderingen welke zij desgevallend bezitten.
§ 1. De vervrachter mag de overeenkomst beëindigen wanneer de bevrachter geen gevolg geeft aan een redelijke ingebrekestelling om :
1° de huurprijs te betalen;
2° zijn verplichtingen in verband met het toegelaten vaargebied of de verzekering na te komen; of
3° het zeeschip en het scheepstoebehoren te onderhouden.
§ 2. De bevrachter mag de overeenkomst beëindigen wanneer hij, ingevolge een tekortkoming van de vervrachter en ondanks een ingebrekestelling, het zeeschip niet kan gebruiken gedurende veertien dagen of meer.
§ 3. De overeenkomst wordt vermoed te zijn beëindigd wanneer het zeeschip volledig verloren is of wanneer het zeeschip zodanig beschadigd is dat de partijen of de verzekeraar de schade met volledig verlies gelijkstellen.
§ 4. Bij beëindiging overeenkomstig de vorige paragrafen heeft de vervrachter het recht om het schip in de huidige of de eerstvolgende haven terug in bezit te nemen. De bevrachter staat in voor de afhandeling van lonen, ontscheping en repatriëring van de bemanning.
§ 5. De beëindiging van de overeenkomst doet geen afbreuk aan de door partijen verworven rechten en aan de vorderingen welke zij desgevallend bezitten.
Art. 2.6.1.27. Résiliation
§ 1er. Le fréteur peut résilier le contrat lorsque l'affréteur ne donne pas suite à une mise en demeure raisonnable :
1° de payer le loyer;
2° de respecter ses obligations relatives à la zone de navigation autorisée ou à l'assurance; ou
3° d'entretenir le navire et les accessoires du navire de mer.
§ 2. L'affréteur peut résilier le contrat lorsque, des suites d'un manquement dans le chef du fréteur et malgré une mise en demeure, il ne peut pas utiliser le navire de mer pendant quatorze jours ou plus.
§ 3. Le contrat sera réputé avoir été résilié lorsque le navire de mer a été entièrement perdu ou lorsqu'il a été endommagé de façon telle que les parties ou l'assureur assimilent le dommage à une perte totale.
§ 4. En cas de résiliation conformément aux paragraphes précédents, le fréteur a le droit de reprendre possession du navire dans le port actuel ou le premier port suivant. L'affréteur assure le traitement des salaires, le débarquement et le repatriement de l'équipage.
§ 5. La résiliation du contrat ne porte pas atteinte aux droits acquis par les parties ni aux créances qu'elles possèdent le cas échéant.
§ 1er. Le fréteur peut résilier le contrat lorsque l'affréteur ne donne pas suite à une mise en demeure raisonnable :
1° de payer le loyer;
2° de respecter ses obligations relatives à la zone de navigation autorisée ou à l'assurance; ou
3° d'entretenir le navire et les accessoires du navire de mer.
§ 2. L'affréteur peut résilier le contrat lorsque, des suites d'un manquement dans le chef du fréteur et malgré une mise en demeure, il ne peut pas utiliser le navire de mer pendant quatorze jours ou plus.
§ 3. Le contrat sera réputé avoir été résilié lorsque le navire de mer a été entièrement perdu ou lorsqu'il a été endommagé de façon telle que les parties ou l'assureur assimilent le dommage à une perte totale.
§ 4. En cas de résiliation conformément aux paragraphes précédents, le fréteur a le droit de reprendre possession du navire dans le port actuel ou le premier port suivant. L'affréteur assure le traitement des salaires, le débarquement et le repatriement de l'équipage.
§ 5. La résiliation du contrat ne porte pas atteinte aux droits acquis par les parties ni aux créances qu'elles possèdent le cas échéant.
Art. 2.6.1.28. Nieuwbouw
Ingeval het zeeschip een nieuwbouwschip is dat wordt gebouwd overeenkomstig de bouwovereenkomst, de normen, de specificaties en de plannen overeengekomen tussen de vervrachter en de scheepswerf, mogen deze niet zonder toestemming van de bevrachter worden gewijzigd.
Het zeeschip wordt aan de bevrachter geleverd op het ogenblik dat het door de scheepswerf wordt opgeleverd.
Ingeval het zeeschip een nieuwbouwschip is dat wordt gebouwd overeenkomstig de bouwovereenkomst, de normen, de specificaties en de plannen overeengekomen tussen de vervrachter en de scheepswerf, mogen deze niet zonder toestemming van de bevrachter worden gewijzigd.
Het zeeschip wordt aan de bevrachter geleverd op het ogenblik dat het door de scheepswerf wordt opgeleverd.
Art. 2.6.1.28. Nouveau bâtiment
Si le navire de mer est un nouveau bâtiment construit conformément au contrat de construction, aux normes, aux spécifications et aux plans convenus entre le fréteur et le chantier naval, ceux-ci ne peuvent pas être modifiés sans l'autorisation de l'affréteur.
Le navire de mer est livré à l'affréteur au moment de sa livraison par le chantier naval.
Si le navire de mer est un nouveau bâtiment construit conformément au contrat de construction, aux normes, aux spécifications et aux plans convenus entre le fréteur et le chantier naval, ceux-ci ne peuvent pas être modifiés sans l'autorisation de l'affréteur.
Le navire de mer est livré à l'affréteur au moment de sa livraison par le chantier naval.
Art. 2.6.1.29. Huurkoop
Ingeval is overeengekomen dat de bevrachter het schip bij het einde van de overeenkomst koopt, moet het zeeschip aan de koper worden geleverd op het ogenblik dat de bevrachtingsovereenkomst wordt beëindigd, op voorwaarde dat de bevrachter al zijn verplichtingen is nagekomen.
De verkoper waarborgt dat het zeeschip vrij is van alle scheepszekerheidsrechten en andere lasten.
Het eigendomsrisico gaat over bij de levering.
Ingeval is overeengekomen dat de bevrachter het schip bij het einde van de overeenkomst koopt, moet het zeeschip aan de koper worden geleverd op het ogenblik dat de bevrachtingsovereenkomst wordt beëindigd, op voorwaarde dat de bevrachter al zijn verplichtingen is nagekomen.
De verkoper waarborgt dat het zeeschip vrij is van alle scheepszekerheidsrechten en andere lasten.
Het eigendomsrisico gaat over bij de levering.
Art. 2.6.1.29. Location-vente
S'il a été convenu qu'à la fin du contrat l'affréteur rachète le navire de mer, celui-ci doit être livré à l'acheteur au moment où le contrat d'affrètement est terminé, à la condition que l'affréteur ait respecté toutes ses obligations.
Le vendeur garantit que le navire de mer est libre de toutes sûretés sur navire et autres charges.
Le risque de propriété est transféré au moment de la livraison.
S'il a été convenu qu'à la fin du contrat l'affréteur rachète le navire de mer, celui-ci doit être livré à l'acheteur au moment où le contrat d'affrètement est terminé, à la condition que l'affréteur ait respecté toutes ses obligations.
Le vendeur garantit que le navire de mer est libre de toutes sûretés sur navire et autres charges.
Le risque de propriété est transféré au moment de la livraison.
Art. 2.6.1.30. Verjaring
§ 1. Alle vorderingen in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een rompbevrachtingsovereenkomst verjaren door verloop van twee jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan of na de beëindiging van de overeenkomst, naargelang welk tijdstip het vroegste valt.
§ 2. Regresvorderingen in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een rompbevrachtingsovereenkomst kunnen, ook na de in paragraaf 1 bedoelde termijn, worden ingesteld binnen drie maanden nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
§ 1. Alle vorderingen in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een rompbevrachtingsovereenkomst verjaren door verloop van twee jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan of na de beëindiging van de overeenkomst, naargelang welk tijdstip het vroegste valt.
§ 2. Regresvorderingen in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een rompbevrachtingsovereenkomst kunnen, ook na de in paragraaf 1 bedoelde termijn, worden ingesteld binnen drie maanden nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
Art. 2.6.1.30. Prescription
§ 1er. Toutes les actions relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat d'affrètement coque nue se prescrivent par deux ans à dater du fait donnant lieu à l'action ou à dater de la résiliation du contrat, en fonction du moment qui tombe le plus tôt.
§ 2. Des actions récursoires relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat d'affrètement coque nue peuvent, même après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, être introduites dans les trois mois à dater du moment où une action en justice a été intentée à l'encontre du demandeur ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
§ 1er. Toutes les actions relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat d'affrètement coque nue se prescrivent par deux ans à dater du fait donnant lieu à l'action ou à dater de la résiliation du contrat, en fonction du moment qui tombe le plus tôt.
§ 2. Des actions récursoires relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat d'affrètement coque nue peuvent, même après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, être introduites dans les trois mois à dater du moment où une action en justice a été intentée à l'encontre du demandeur ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
Afdeling 2. - Tijdbevrachting
Section 2. - Affrètement à temps
Art. 2.6.1.31. Materiële toepassing
Deze afdeling is van toepassing op tijdbevrachtingsovereenkomsten met als voorwerp een zeeschip gebruikt voor het vervoer van goederen of passagiers. De partijen kunnen contractueel anders bepalen onder voorbehoud van andere dwingende wettelijke en reglementaire bepalingen.
Deze afdeling is van toepassing op tijdbevrachtingsovereenkomsten met als voorwerp een zeeschip gebruikt voor het vervoer van goederen of passagiers. De partijen kunnen contractueel anders bepalen onder voorbehoud van andere dwingende wettelijke en reglementaire bepalingen.
Art. 2.6.1.31. Application matérielle
La présente section s'applique à des contrats d'affrètement à temps ayant pour objet un navire de mer utilisé pour le transport de marchandises ou de passagers. Les parties peuvent en décider autrement contractuellement sous réserve d'autres dispositions législatives et réglementaires contraignantes.
La présente section s'applique à des contrats d'affrètement à temps ayant pour objet un navire de mer utilisé pour le transport de marchandises ou de passagers. Les parties peuvent en décider autrement contractuellement sous réserve d'autres dispositions législatives et réglementaires contraignantes.
Art. 2.6.1.32. Andere regelgeving
Titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek en titel 4 van boek X van het Wetboek van economisch recht zijn niet op tijdbevrachtingsovereenkomsten van toepassing.
Titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek en titel 4 van boek X van het Wetboek van economisch recht zijn niet op tijdbevrachtingsovereenkomsten van toepassing.
Art. 2.6.1.32. Autre réglementation
Le titre VIII du livre III du Code civil et le titre 4 du livre X du Code de droit economique ne s'appliquent pas aux contrats d'affrètement à temps.
Le titre VIII du livre III du Code civil et le titre 4 du livre X du Code de droit economique ne s'appliquent pas aux contrats d'affrètement à temps.
Art. 2.6.1.33. Vermeldingen
§ 1. De tijdbevrachtingsovereenkomst vermeldt :
1° de naam en de woonplaats of de zetel van de vervrachter en de bevrachter en desgevallend van de makelaar;
2° de volgende gegevens betreffende het zeeschip : naam, roepnaam, identificatienummer, vlag, thuishaven, type, tonnenmaat, waterverplaatsing, bouwplaats, bouwjaar, erkende organisatie, klasse, datum van de laatste inspectie door de erkende organisatie, snelheid en verbruik;
3° de haven of plaats, en het vroegste en het laatste tijdstip voor levering en teruggave;
4° desgevallend, het toegelaten vaargebied;
5° de duur van de bevrachting;
6° de huurprijs;
7° het makelaarsloon;
8° de plaats en het tijdstip van ondertekening.
§ 2. Op voorwaarde dat het zeeschip ondubbelzinnig is aangeduid, moeten de onder paragraaf 1, 2° bedoelde nadere scheepsgegevens niet in de overeenkomst worden opgenomen in de mate dat ze blijken uit een officieel scheepscertificaat waarvan beide partijen kennis hebben of kunnen hebben.
§ 1. De tijdbevrachtingsovereenkomst vermeldt :
1° de naam en de woonplaats of de zetel van de vervrachter en de bevrachter en desgevallend van de makelaar;
2° de volgende gegevens betreffende het zeeschip : naam, roepnaam, identificatienummer, vlag, thuishaven, type, tonnenmaat, waterverplaatsing, bouwplaats, bouwjaar, erkende organisatie, klasse, datum van de laatste inspectie door de erkende organisatie, snelheid en verbruik;
3° de haven of plaats, en het vroegste en het laatste tijdstip voor levering en teruggave;
4° desgevallend, het toegelaten vaargebied;
5° de duur van de bevrachting;
6° de huurprijs;
7° het makelaarsloon;
8° de plaats en het tijdstip van ondertekening.
§ 2. Op voorwaarde dat het zeeschip ondubbelzinnig is aangeduid, moeten de onder paragraaf 1, 2° bedoelde nadere scheepsgegevens niet in de overeenkomst worden opgenomen in de mate dat ze blijken uit een officieel scheepscertificaat waarvan beide partijen kennis hebben of kunnen hebben.
Art. 2.6.1.33. Mentions
§ 1er. Le contrat d'affrètement à temps mentionne :
1° les nom et domicile ou le siège du fréteur et de l'affréteur et, le cas échéant, du courtier;
2° les données suivantes concernant le navire de mer : nom, indicatif d'appel, numéro d'identification, pavillon, port d'attache, type, tonnage, déplacement, lieu de construction, année de construction, organisme agréé, classe, date de la dernière inspection par l'organisme agréé, vitesse et consommation;
3° le port ou le lieu et la première et la dernière heure possibles pour la livraison et la restitution;
4° le cas échéant, la zone de navigation autorisée;
5° la durée de l'affrètement;
6° le loyer;
7° le courtage;
8° le lieu et la date de signature.
§ 2. A condition que le navire de mer ait été identifié sans ambiguïté, les autres données concernant le navire visées au paragraphe 1er, 2°, ne doivent pas être reprises dans le contrat, dans la mesure où elles proviennent d'un certificat de navire officiel dont les deux parties ont ou peuvent avoir connaissance.
§ 1er. Le contrat d'affrètement à temps mentionne :
1° les nom et domicile ou le siège du fréteur et de l'affréteur et, le cas échéant, du courtier;
2° les données suivantes concernant le navire de mer : nom, indicatif d'appel, numéro d'identification, pavillon, port d'attache, type, tonnage, déplacement, lieu de construction, année de construction, organisme agréé, classe, date de la dernière inspection par l'organisme agréé, vitesse et consommation;
3° le port ou le lieu et la première et la dernière heure possibles pour la livraison et la restitution;
4° le cas échéant, la zone de navigation autorisée;
5° la durée de l'affrètement;
6° le loyer;
7° le courtage;
8° le lieu et la date de signature.
§ 2. A condition que le navire de mer ait été identifié sans ambiguïté, les autres données concernant le navire visées au paragraphe 1er, 2°, ne doivent pas être reprises dans le contrat, dans la mesure où elles proviennent d'un certificat de navire officiel dont les deux parties ont ou peuvent avoir connaissance.
Art. 2.6.1.34. Duur
Het zeeschip wordt vervracht voor de bedongen tijd, die ingaat vanaf de levering.
Het zeeschip wordt vervracht voor de bedongen tijd, die ingaat vanaf de levering.
Art. 2.6.1.34. Durée
Le navire de mer est affrété pour la durée stipulée, qui prend cours à partir de la livraison.
Le navire de mer est affrété pour la durée stipulée, qui prend cours à partir de la livraison.
Art. 2.6.1.35. Vaargebied
Het zeeschip moet worden uitgebaat in een wettig bedrijf en tussen veilige havens of plaatsen gelegen binnen het overeengekomen vaargebied, overeenkomstig de aanwijzingen van de bevrachter.
Het zeeschip moet worden uitgebaat in een wettig bedrijf en tussen veilige havens of plaatsen gelegen binnen het overeengekomen vaargebied, overeenkomstig de aanwijzingen van de bevrachter.
Art. 2.6.1.35. Zone de navigation
Le navire de mer doit être exploité dans le cadre d'une entreprise légitime et entre des ports ou endroits sûrs situés dans le cadre de la zone de navigation convenue, conformément aux indications de l'affréteur.
Le navire de mer doit être exploité dans le cadre d'une entreprise légitime et entre des ports ou endroits sûrs situés dans le cadre de la zone de navigation convenue, conformément aux indications de l'affréteur.
Art. 2.6.1.36. Ligplaatsen
Het zeeschip moet worden geladen en gelost op veilige ankerplaatsen, ligplaatsen of andere plaatsen aangewezen door de bevrachter, met dien verstande dat het zeeschip veilig en te allen tijde vlottend moet kunnen binnenvaren, liggen en vertrekken.
Het zeeschip moet worden geladen en gelost op veilige ankerplaatsen, ligplaatsen of andere plaatsen aangewezen door de bevrachter, met dien verstande dat het zeeschip veilig en te allen tijde vlottend moet kunnen binnenvaren, liggen en vertrekken.
Art. 2.6.1.36. Postes d'amarrage
Le navire de mer doit être chargé et déchargé à des lieux de mouillage, des postes à quai ou à d'autres endroits sûrs indiqués par l'affréteur, étant entendu que le navire de mer doit pouvoir y accéder, y séjourner et les quitter à tout moment, de manière sûre et à flot.
Le navire de mer doit être chargé et déchargé à des lieux de mouillage, des postes à quai ou à d'autres endroits sûrs indiqués par l'affréteur, étant entendu que le navire de mer doit pouvoir y accéder, y séjourner et les quitter à tout moment, de manière sûre et à flot.
Art. 2.6.1.37. Onderbevrachting
Onverminderd zijn verplichtingen onder de bevrachtingsovereenkomst, mag de bevrachter het zeeschip ondervervrachten.
Onverminderd zijn verplichtingen onder de bevrachtingsovereenkomst, mag de bevrachter het zeeschip ondervervrachten.
Art. 2.6.1.37. Sous-affrètement
Sans préjudice de ses obligations en vertu du contrat d'affrètement, l'affréteur peut sous-affréter le navire de mer.
Sans préjudice de ses obligations en vertu du contrat d'affrètement, l'affréteur peut sous-affréter le navire de mer.
Art. 2.6.1.38. Levering
§ 1. De vervrachter moet het zeeschip leveren in de overeengekomen haven of plaats of binnen de overeengekomen keten van havens.
§ 2. Het zeeschip moet bij levering zeewaardig en geschikt voor de dienst zijn, en voorzien zijn van ballastwater, voldoende vermogen om de goederenbehandelingstuigen te bedienen, en een kapitein en een bemanning die beantwoorden aan de door het STCW-Verdrag voor een zeeschip van de betrokken tonnenmaat gestelde eisen.
§ 3. De ruimen van het zeeschip moeten zuiver zijn en klaar om lading aan boord te nemen.
§ 4. De vervrachter moet de bevrachter op de hoogte houden van de reisroute van het zeeschip en hem voor de aankomst ervan in de plaats van levering op de hoogte stellen van het verwachte en vervolgens van het definitieve tijdstip van levering.
§ 5. Door het zeeschip te aanvaarden doet de bevrachter van zijn rechten tegenover de vervrachter geen afstand.
§ 1. De vervrachter moet het zeeschip leveren in de overeengekomen haven of plaats of binnen de overeengekomen keten van havens.
§ 2. Het zeeschip moet bij levering zeewaardig en geschikt voor de dienst zijn, en voorzien zijn van ballastwater, voldoende vermogen om de goederenbehandelingstuigen te bedienen, en een kapitein en een bemanning die beantwoorden aan de door het STCW-Verdrag voor een zeeschip van de betrokken tonnenmaat gestelde eisen.
§ 3. De ruimen van het zeeschip moeten zuiver zijn en klaar om lading aan boord te nemen.
§ 4. De vervrachter moet de bevrachter op de hoogte houden van de reisroute van het zeeschip en hem voor de aankomst ervan in de plaats van levering op de hoogte stellen van het verwachte en vervolgens van het definitieve tijdstip van levering.
§ 5. Door het zeeschip te aanvaarden doet de bevrachter van zijn rechten tegenover de vervrachter geen afstand.
Art. 2.6.1.38. Livraison
§ 1er. Le fréteur doit livrer le navire de mer dans le port ou à l'endroit convenu ou dans la chaîne de ports convenue.
§ 2. A la livraison, le navire de mer doit être en état de navigabilité et approprié pour le service, et pourvu d'eaux de ballast, d'une puissance suffisante pour desservir l'outillage de manutention des marchandises, et muni d'un capitaine et d'un équipage qui répondent aux exigences posées par la Convention STCW pour un navire de mer du tonnage concerné.
§ 3. Les cales du navire de mer doivent être propres et prêtes à prendre à bord la cargaison.
§ 4. Le fréteur doit informer l'affréteur de l'itinéraire du navire de mer et l'informer avant son arrivée au lieu de livraison du moment prévu, puis du moment définitif de livraison.
§ 5. En acceptant le navire de mer, l'affréteur ne renonce pas à ses droits envers le fréteur.
§ 1er. Le fréteur doit livrer le navire de mer dans le port ou à l'endroit convenu ou dans la chaîne de ports convenue.
§ 2. A la livraison, le navire de mer doit être en état de navigabilité et approprié pour le service, et pourvu d'eaux de ballast, d'une puissance suffisante pour desservir l'outillage de manutention des marchandises, et muni d'un capitaine et d'un équipage qui répondent aux exigences posées par la Convention STCW pour un navire de mer du tonnage concerné.
§ 3. Les cales du navire de mer doivent être propres et prêtes à prendre à bord la cargaison.
§ 4. Le fréteur doit informer l'affréteur de l'itinéraire du navire de mer et l'informer avant son arrivée au lieu de livraison du moment prévu, puis du moment définitif de livraison.
§ 5. En acceptant le navire de mer, l'affréteur ne renonce pas à ses droits envers le fréteur.
Art. 2.6.1.39. Levering en beëindiging
Ingeval het zeeschip niet is geleverd vóór het laatste tijdstip voor levering, mag de bevrachter de overeenkomst beëindigen.
Ingeval het zeeschip niet is geleverd vóór het laatste tijdstip voor levering, mag de bevrachter de overeenkomst beëindigen.
Art. 2.6.1.39. Livraison et résiliation
Si le navire de mer n'a pas été livré avant le dernier moment prévu pour la livraison, l'affréteur peut résilier le contrat.
Si le navire de mer n'a pas été livré avant le dernier moment prévu pour la livraison, l'affréteur peut résilier le contrat.
Art. 2.6.1.40. Teruggave
§ 1. De bevrachter moet het zeeschip aan de vervrachter teruggeven in dezelfde staat, rekening houdend met normale sleet.
§ 2. De bevrachter moet de vervrachter op de hoogte houden van de reisroute van het zeeschip en hem voor de aankomst ervan in de plaats van teruggave in kennis stellen van het verwachte en vervolgens van het definitieve tijdstip van levering.
§ 3. Door het zeeschip te aanvaarden doet de vervrachter van zijn rechten tegenover de bevrachter geen afstand.
§ 1. De bevrachter moet het zeeschip aan de vervrachter teruggeven in dezelfde staat, rekening houdend met normale sleet.
§ 2. De bevrachter moet de vervrachter op de hoogte houden van de reisroute van het zeeschip en hem voor de aankomst ervan in de plaats van teruggave in kennis stellen van het verwachte en vervolgens van het definitieve tijdstip van levering.
§ 3. Door het zeeschip te aanvaarden doet de vervrachter van zijn rechten tegenover de bevrachter geen afstand.
Art. 2.6.1.40. Restitution
§ 1er. L'affréteur doit restituer le navire de mer au fréteur dans l'état où il se trouvait, compte tenu d'une usure normale.
§ 2. L'affréteur doit informer le fréteur de l'itinéraire du navire de mer et l'informer avant son arrivée au lieu de restitution du moment prévu, puis du moment définitif de livraison.
§ 3. En acceptant le navire de mer, le fréteur ne renonce pas à ses droits envers l'affréteur.
§ 1er. L'affréteur doit restituer le navire de mer au fréteur dans l'état où il se trouvait, compte tenu d'une usure normale.
§ 2. L'affréteur doit informer le fréteur de l'itinéraire du navire de mer et l'informer avant son arrivée au lieu de restitution du moment prévu, puis du moment définitif de livraison.
§ 3. En acceptant le navire de mer, le fréteur ne renonce pas à ses droits envers l'affréteur.
Art. 2.6.1.41. Onderzoek bij levering en teruggave
Voorafgaand aan levering en teruggave duiden de partijen elk voor hun rekening een deskundige aan.
Ten laatste in de eerste laadhaven respectievelijk in de laatste loshaven voeren deze deskundigen een gemeenschappelijk onderzoek uit teneinde de hoeveelheid brandstof en de staat van het zeeschip na te gaan. Zij stellen daarover een verslag op.
De partij die bij het onderzoek of de ondertekening van dit laatste verslag niet is vertegenwoordigd, is er desalniettemin door gebonden.
Tijdverlies ingevolge het onderzoek bij levering is voor rekening van de vervrachter; tijdverlies ingevolge het onderzoek bij teruggave is voor rekening van de bevrachter.
Voorafgaand aan levering en teruggave duiden de partijen elk voor hun rekening een deskundige aan.
Ten laatste in de eerste laadhaven respectievelijk in de laatste loshaven voeren deze deskundigen een gemeenschappelijk onderzoek uit teneinde de hoeveelheid brandstof en de staat van het zeeschip na te gaan. Zij stellen daarover een verslag op.
De partij die bij het onderzoek of de ondertekening van dit laatste verslag niet is vertegenwoordigd, is er desalniettemin door gebonden.
Tijdverlies ingevolge het onderzoek bij levering is voor rekening van de vervrachter; tijdverlies ingevolge het onderzoek bij teruggave is voor rekening van de bevrachter.
Art. 2.6.1.41. Examen lors de la livraison et de la restitution
Avant la livraison et la restitution, les parties désignent chacune pour leur compte un expert.
Ces experts mènent au plus tard dans le premier port de chargement ou dans le dernier port de déchargement un examen commun afin de vérifier la quantité de carburant et l'état du navire de mer. Ils dressent un rapport à ce sujet.
La partie qui n'a pas été représentée lors de l'examen ou de la signature de ce dernier rapport y est néanmoins liée.
La perte de temps résultant de l'examen lors de la livraison est pour le compte du fréteur; celle résultant de l'examen lors de la restitution est pour le compte de l'affréteur.
Avant la livraison et la restitution, les parties désignent chacune pour leur compte un expert.
Ces experts mènent au plus tard dans le premier port de chargement ou dans le dernier port de déchargement un examen commun afin de vérifier la quantité de carburant et l'état du navire de mer. Ils dressent un rapport à ce sujet.
La partie qui n'a pas été représentée lors de l'examen ou de la signature de ce dernier rapport y est néanmoins liée.
La perte de temps résultant de l'examen lors de la livraison est pour le compte du fréteur; celle résultant de l'examen lors de la restitution est pour le compte de l'affréteur.
Art. 2.6.1.42. Lasten van de vervrachter
§ 1. De vervrachter moet zorgen voor de verzekering van het zeeschip en voor alle noodzakelijke scheepsvoorraad, en deze betalen; evenzo moet hij de lonen en lasten betreffende de bemanning betalen; voorts moet hij de klasse van het zeeschip in stand houden, de romp, tuigen en uitrusting voor en tijdens de dienst in een doelmatige staat houden, en voor een kapitein en een volledige bemanning zorgen.
§ 2. De vervrachter moet alle certificaten ter beschikking stellen welke voor een wettige vaart vereist zijn, en ervoor zorgen dat ze tijdens de duur van de bevrachting geldig blijven.
De vervrachter moet eveneens zorgen voor de certificaten van financiële aansprakelijkheid voor olieverontreiniging welke vereist zijn bij de aanvang van de bevrachting.
§ 3. Op verzoek van de bevrachter moet het zeeschip dag en nacht werken, in overeenstemming met de plaatselijke regels inzake havenarbeid.
§ 1. De vervrachter moet zorgen voor de verzekering van het zeeschip en voor alle noodzakelijke scheepsvoorraad, en deze betalen; evenzo moet hij de lonen en lasten betreffende de bemanning betalen; voorts moet hij de klasse van het zeeschip in stand houden, de romp, tuigen en uitrusting voor en tijdens de dienst in een doelmatige staat houden, en voor een kapitein en een volledige bemanning zorgen.
§ 2. De vervrachter moet alle certificaten ter beschikking stellen welke voor een wettige vaart vereist zijn, en ervoor zorgen dat ze tijdens de duur van de bevrachting geldig blijven.
De vervrachter moet eveneens zorgen voor de certificaten van financiële aansprakelijkheid voor olieverontreiniging welke vereist zijn bij de aanvang van de bevrachting.
§ 3. Op verzoek van de bevrachter moet het zeeschip dag en nacht werken, in overeenstemming met de plaatselijke regels inzake havenarbeid.
Art. 2.6.1.42. Charges du fréteur
§ 1er. Le fréteur doit veiller à l'assurance du navire de mer et à tous les provisions de bord nécessaires et les payer; il doit également payer les salaires et charges concernant l'équipage; de plus, il doit maintenir la classe du navire de mer, conserver dans un état convenable la coque, les engins et l'équipement avant et pendant le service, et le munir d'un capitaine et d'un équipage complet.
§ 2. Le fréteur doit mettre à disposition tous les certificats qui sont requis pour une navigation légale, et veiller à ce qu'ils restent valables pendant la durée de l'affrètement.
Le fréteur doit également veiller aux certificats de responsabilité financière pour la pollution par les hydrocarbures qui sont requis au début de l'affrètement.
§ 3. A la demande de l'affréteur, le navire de mer doit être actif jour et nuit, conformément aux règles locales en matière de travail portuaire.
§ 1er. Le fréteur doit veiller à l'assurance du navire de mer et à tous les provisions de bord nécessaires et les payer; il doit également payer les salaires et charges concernant l'équipage; de plus, il doit maintenir la classe du navire de mer, conserver dans un état convenable la coque, les engins et l'équipement avant et pendant le service, et le munir d'un capitaine et d'un équipage complet.
§ 2. Le fréteur doit mettre à disposition tous les certificats qui sont requis pour une navigation légale, et veiller à ce qu'ils restent valables pendant la durée de l'affrètement.
Le fréteur doit également veiller aux certificats de responsabilité financière pour la pollution par les hydrocarbures qui sont requis au début de l'affrètement.
§ 3. A la demande de l'affréteur, le navire de mer doit être actif jour et nuit, conformément aux règles locales en matière de travail portuaire.
Art. 2.6.1.43. Lasten van de bevrachter
De bevrachter moet zorgen voor de brandstoffen en deze betalen; evenzo betaalt hij havenlasten, alle communicatiekosten betreffende zijn zaken, loods- kanaal- en sleepgelden, agentuur- en makelaarslonen en consulaire heffingen; kosten van een havenaanloop waarvoor het zeeschip verantwoordelijk is, zijn evenwel ten laste van de vervrachter.
Fumigatie nodig wegens ziekte van de bemanning of besmetting voor de levering is voor rekening van de vervrachter; fumigatie nodig in wegens de tijdens de bevrachting vervoerde lading of aangelopen havens is voor rekening van de bevrachter.
De bevrachter moet zorgen voor het stuw- en sjormateriaal en dit betalen.
De bevrachter moet zorgen voor de brandstoffen en deze betalen; evenzo betaalt hij havenlasten, alle communicatiekosten betreffende zijn zaken, loods- kanaal- en sleepgelden, agentuur- en makelaarslonen en consulaire heffingen; kosten van een havenaanloop waarvoor het zeeschip verantwoordelijk is, zijn evenwel ten laste van de vervrachter.
Fumigatie nodig wegens ziekte van de bemanning of besmetting voor de levering is voor rekening van de vervrachter; fumigatie nodig in wegens de tijdens de bevrachting vervoerde lading of aangelopen havens is voor rekening van de bevrachter.
De bevrachter moet zorgen voor het stuw- en sjormateriaal en dit betalen.
Art. 2.6.1.43. Charges de l'affréteur
L'affréteur doit assurer les carburants et les payer; il paie également les charges portuaires, tous les frais de communication relatifs à ses affaires, droits de pilotage, de canal et de remorquage, frais d'agence et de courtage ainsi que les prélèvements consulaires; les frais d'escale dont le navire de mer est responsable, sont toutefois à la charge du fréteur.
La fumigation nécessaire pour cause de maladie de l'équipage ou de contamination avant la livraison est pour le compte du fréteur; celle nécessaire suite à la cargaison transportée lors de l'affrètement ou concernant les escales est pour le compte de l'affréteur.
L'affréteur doit assurer le matériel d'arrimage et de sécurisation, et le payer.
L'affréteur doit assurer les carburants et les payer; il paie également les charges portuaires, tous les frais de communication relatifs à ses affaires, droits de pilotage, de canal et de remorquage, frais d'agence et de courtage ainsi que les prélèvements consulaires; les frais d'escale dont le navire de mer est responsable, sont toutefois à la charge du fréteur.
La fumigation nécessaire pour cause de maladie de l'équipage ou de contamination avant la livraison est pour le compte du fréteur; celle nécessaire suite à la cargaison transportée lors de l'affrètement ou concernant les escales est pour le compte de l'affréteur.
L'affréteur doit assurer le matériel d'arrimage et de sécurisation, et le payer.
Art. 2.6.1.44. Volbrenging van de reis
§ 1. Onverminderd artikel 2.6.1.74 moet de kapitein de reizen volbrengen met behoorlijke voortgang en met zijn bemanning alle gebruikelijke bijstand verlenen.
De kapitein moet beschikken over de nodige taalkennis en staat, niettegenstaande zijn aanduiding door de vervrachter, onder het bevel van de bevrachter wat betreft uitbating en vertegenwoordiging.
Onder toezicht van de kapitein maar op zijn eigen risico en kosten voert de bevrachter alle goederenbehandelingswerkzaamheden uit, met inbegrip van het stuwen en het markeren.
§ 2. Ingeval de bevrachter een gegronde reden heeft om ontevreden te zijn over de kapitein of de officieren, moet de vervrachter een onderzoek instellen en zo nodig tot vervanging van de betrokkenen overgaan.
§ 1. Onverminderd artikel 2.6.1.74 moet de kapitein de reizen volbrengen met behoorlijke voortgang en met zijn bemanning alle gebruikelijke bijstand verlenen.
De kapitein moet beschikken over de nodige taalkennis en staat, niettegenstaande zijn aanduiding door de vervrachter, onder het bevel van de bevrachter wat betreft uitbating en vertegenwoordiging.
Onder toezicht van de kapitein maar op zijn eigen risico en kosten voert de bevrachter alle goederenbehandelingswerkzaamheden uit, met inbegrip van het stuwen en het markeren.
§ 2. Ingeval de bevrachter een gegronde reden heeft om ontevreden te zijn over de kapitein of de officieren, moet de vervrachter een onderzoek instellen en zo nodig tot vervanging van de betrokkenen overgaan.
Art. 2.6.1.44. Accomplissement du voyage
§ 1er. Sans préjudice de l'article 2.6.1.74, le capitaine doit accomplir les voyages avec une bonne progression et prêter toute l'assistance d'usage avec son équipage.
Le capitaine doit disposer des connaissances linguistiques nécessaires et se trouve, nonobstant sa désignation par le fréteur, sous le commandement de l'affréteur en ce qui concerne l'exploitation et la représentation.
Sous la surveillance du capitaine, mais à ses propres risques et dépens, l'affréteur exécute toutes les activités de manutention des marchandises, y compris l'arrimage et le marquage.
§ 2. Si l'affréteur a une raison fondée d'être insatisfait du capitaine ou des officiers, le fréteur doit mettre en place un examen et, le cas échéant, procéder au remplacement des personnes concernées.
§ 1er. Sans préjudice de l'article 2.6.1.74, le capitaine doit accomplir les voyages avec une bonne progression et prêter toute l'assistance d'usage avec son équipage.
Le capitaine doit disposer des connaissances linguistiques nécessaires et se trouve, nonobstant sa désignation par le fréteur, sous le commandement de l'affréteur en ce qui concerne l'exploitation et la représentation.
Sous la surveillance du capitaine, mais à ses propres risques et dépens, l'affréteur exécute toutes les activités de manutention des marchandises, y compris l'arrimage et le marquage.
§ 2. Si l'affréteur a une raison fondée d'être insatisfait du capitaine ou des officiers, le fréteur doit mettre en place un examen et, le cas échéant, procéder au remplacement des personnes concernées.
Art. 2.6.1.45. Brandstof
§ 1. De bevrachter en de vervrachter moeten bij levering respectievelijk teruggave of beëindiging van elkaar de aan boord aanwezige brandstof overnemen en die betalen.
§ 2. De brandstoftanks van het zeeschip staan ter beschikking van de bevrachter.
§ 3. De vervrachter mag de bevrachter niet onredelijk weigeren om brandstof in te nemen voor de levering, voor zover dat in de aanloophavens mogelijk is en het normale scheepsbedrijf niet hindert, en op voorwaarde dat de bevrachter alle kosten en schade op zich neemt.
Onder dezelfde voorwaarden mag de bevrachter de vervrachter niet onredelijk weigeren om brandstof in te nemen voor de teruggave.
§ 4. De hoofdwerktuigkundige moet tijdens de brandstofinname samenwerken met de brandstofagenten en -leveranciers.
De brandstofstalen moeten worden genomen overeenkomstig de toepasselijke resoluties en richtsnoeren van de IMO.
De bevrachter staat ervoor in dat de brandstofleveranciers aan het vorige lid voldoen.
Brandstoffen met verschillende eigenschappen moeten in gescheiden tanks worden opgeslagen.
§ 5. De bevrachter moet het zeeschip voorzien van geschikte brandstof van de overeengekomen hoedanigheid.
§ 6. De bevrachter is aansprakelijk voor de schade die de vervrachter lijdt ingevolge het aan boord nemen van brandstof die ongeschikt is of niet de overeengekomen hoedanigheid bezit, inbegrepen voor het verwijderen van deze brandstof en de vervanging ervan. De vervrachter is niet aansprakelijk voor vermindering van de snelheid, verhoogd verbruik, verloren tijd of andere gevolgen.
§ 7. De bevrachter moet brandstof aan boord nemen van een hoedanigheid die toelaat de bij of krachtens het MARPOL-Verdrag vastgestelde zwavelgehalteregels na te leven en staat ervoor in dat de door hem ingezette brandstofleveranciers, bunkerschipexploitanten en deskundigen de toepasselijke regels en richtsnoeren naleven; hij vrijwaart de vervrachter tegen elke aansprakelijkheid en bestraffing.
De vervrachter waarborgt dat het zeeschip in staat is om de toepasselijke zwavelgehalteregels na te leven.
§ 8. Bij teruggave moet het zeeschip voorzien zijn van brandstof van dezelfde hoedanigheid en ongeveer dezelfde hoeveelheid als bij levering, met dien verstande dat het zeeschip steeds de meest nabije haven moet kunnen bereiken waar geschikte brandstof beschikbaar is.
§ 1. De bevrachter en de vervrachter moeten bij levering respectievelijk teruggave of beëindiging van elkaar de aan boord aanwezige brandstof overnemen en die betalen.
§ 2. De brandstoftanks van het zeeschip staan ter beschikking van de bevrachter.
§ 3. De vervrachter mag de bevrachter niet onredelijk weigeren om brandstof in te nemen voor de levering, voor zover dat in de aanloophavens mogelijk is en het normale scheepsbedrijf niet hindert, en op voorwaarde dat de bevrachter alle kosten en schade op zich neemt.
Onder dezelfde voorwaarden mag de bevrachter de vervrachter niet onredelijk weigeren om brandstof in te nemen voor de teruggave.
§ 4. De hoofdwerktuigkundige moet tijdens de brandstofinname samenwerken met de brandstofagenten en -leveranciers.
De brandstofstalen moeten worden genomen overeenkomstig de toepasselijke resoluties en richtsnoeren van de IMO.
De bevrachter staat ervoor in dat de brandstofleveranciers aan het vorige lid voldoen.
Brandstoffen met verschillende eigenschappen moeten in gescheiden tanks worden opgeslagen.
§ 5. De bevrachter moet het zeeschip voorzien van geschikte brandstof van de overeengekomen hoedanigheid.
§ 6. De bevrachter is aansprakelijk voor de schade die de vervrachter lijdt ingevolge het aan boord nemen van brandstof die ongeschikt is of niet de overeengekomen hoedanigheid bezit, inbegrepen voor het verwijderen van deze brandstof en de vervanging ervan. De vervrachter is niet aansprakelijk voor vermindering van de snelheid, verhoogd verbruik, verloren tijd of andere gevolgen.
§ 7. De bevrachter moet brandstof aan boord nemen van een hoedanigheid die toelaat de bij of krachtens het MARPOL-Verdrag vastgestelde zwavelgehalteregels na te leven en staat ervoor in dat de door hem ingezette brandstofleveranciers, bunkerschipexploitanten en deskundigen de toepasselijke regels en richtsnoeren naleven; hij vrijwaart de vervrachter tegen elke aansprakelijkheid en bestraffing.
De vervrachter waarborgt dat het zeeschip in staat is om de toepasselijke zwavelgehalteregels na te leven.
§ 8. Bij teruggave moet het zeeschip voorzien zijn van brandstof van dezelfde hoedanigheid en ongeveer dezelfde hoeveelheid als bij levering, met dien verstande dat het zeeschip steeds de meest nabije haven moet kunnen bereiken waar geschikte brandstof beschikbaar is.
Art. 2.6.1.45. Carburant
§ 1er. L'affréteur et le fréteur doivent, respectivement, lors de la livraison ou de la restitution ou en cas de résiliation, reprendre le carburant présent à bord et le payer.
§ 2. Les réservoirs de carburant du navire de mer sont à disposition de l'affréteur.
§ 3. Le fréteur ne peut pas refuser déraisonnablement à l'affréteur de prendre du carburant en vue de la livraison, pour autant que cela soit possible dans les ports d'escale et n'entrave pas l'exploitation normale du navire, et à la condition que l'affréteur assume tous les frais et dommages.
Aux mêmes conditions, l'affréteur ne peut pas déraisonnablement refuser au fréteur de prendre du carburant en vue de la restitution.
§ 4. Le mécanicien en chef doit, lors de la consommation de carburant, collaborer avec les agents et fournisseurs de carburant.
Les échantillons de carburant doivent être prélevés conformément aux résolutions et directives de l'OMI en vigueur.
L'affréteur veille à ce que les fournisseurs de carburant répondent à l'alinéa précédent.
Les carburants aux propriétés différentes doivent être stockés dans des réservoirs différents.
§ 5. L'affréteur doit alimenter le navire de mer en carburant approprié de la qualité convenue.
§ 6. L'affréteur assume la responsabilité des dommages subis par le fréteur des suites d'un carburant inapproprié pris à bord ou ne possédant pas la qualité convenue, y compris l'élimination de ce carburant et son remplacement. Le fréteur n'est pas responsable de la diminution de vitesse, de l'augmentation de consommation, de la perte de temps ou d'autres conséquences.
§ 7. L'affréteur doit prendre à bord du carburant d'une qualité permettant d'observer les règles de la teneur en soufre établies par la Convention MARPOL ou en vertu de celle-ci et veille à ce que les fournisseurs de carburant, exploitants de navires de ravitaillement et experts mis à contribution observent les règles et directives applicables; il garantit le fréteur contre toute responsabilité et de toute sanction.
Le fréteur garantit que le navire de mer est en état de respecter les règles applicables en matière de teneur en soufre.
§ 8. Lors de la restitution, le navire de mer doit être pourvu de carburant de la même qualité et d'environ la même quantité qu'au moment de la livraison, étant entendu que le navire de mer doit toujours pouvoir atteindre le port le plus proche où du carburant approprié est disponible.
§ 1er. L'affréteur et le fréteur doivent, respectivement, lors de la livraison ou de la restitution ou en cas de résiliation, reprendre le carburant présent à bord et le payer.
§ 2. Les réservoirs de carburant du navire de mer sont à disposition de l'affréteur.
§ 3. Le fréteur ne peut pas refuser déraisonnablement à l'affréteur de prendre du carburant en vue de la livraison, pour autant que cela soit possible dans les ports d'escale et n'entrave pas l'exploitation normale du navire, et à la condition que l'affréteur assume tous les frais et dommages.
Aux mêmes conditions, l'affréteur ne peut pas déraisonnablement refuser au fréteur de prendre du carburant en vue de la restitution.
§ 4. Le mécanicien en chef doit, lors de la consommation de carburant, collaborer avec les agents et fournisseurs de carburant.
Les échantillons de carburant doivent être prélevés conformément aux résolutions et directives de l'OMI en vigueur.
L'affréteur veille à ce que les fournisseurs de carburant répondent à l'alinéa précédent.
Les carburants aux propriétés différentes doivent être stockés dans des réservoirs différents.
§ 5. L'affréteur doit alimenter le navire de mer en carburant approprié de la qualité convenue.
§ 6. L'affréteur assume la responsabilité des dommages subis par le fréteur des suites d'un carburant inapproprié pris à bord ou ne possédant pas la qualité convenue, y compris l'élimination de ce carburant et son remplacement. Le fréteur n'est pas responsable de la diminution de vitesse, de l'augmentation de consommation, de la perte de temps ou d'autres conséquences.
§ 7. L'affréteur doit prendre à bord du carburant d'une qualité permettant d'observer les règles de la teneur en soufre établies par la Convention MARPOL ou en vertu de celle-ci et veille à ce que les fournisseurs de carburant, exploitants de navires de ravitaillement et experts mis à contribution observent les règles et directives applicables; il garantit le fréteur contre toute responsabilité et de toute sanction.
Le fréteur garantit que le navire de mer est en état de respecter les règles applicables en matière de teneur en soufre.
§ 8. Lors de la restitution, le navire de mer doit être pourvu de carburant de la même qualité et d'environ la même quantité qu'au moment de la livraison, étant entendu que le navire de mer doit toujours pouvoir atteindre le port le plus proche où du carburant approprié est disponible.
Art. 2.6.1.46. Huurprijs
De bevrachter moet de overeengekomen huurprijs betalen, vanaf de levering tot de teruggave van het zeeschip.
Behoudens afwijkend beding is de huurprijs verschuldigd per dag.
De bevrachter moet de overeengekomen huurprijs betalen, vanaf de levering tot de teruggave van het zeeschip.
Behoudens afwijkend beding is de huurprijs verschuldigd per dag.
Art. 2.6.1.46. Loyer
L'affréteur doit payer le loyer convenu, depuis la livraison jusqu'à la restitution du navire de mer.
Sauf clause dérogatoire, le est dû par jour.
L'affréteur doit payer le loyer convenu, depuis la livraison jusqu'à la restitution du navire de mer.
Sauf clause dérogatoire, le est dû par jour.
Art. 2.6.1.47. Betaling van de huurprijs
De bevrachter moet de huurprijs dertig dagen op voorhand aan de vervrachter betalen.
Bij gebreke van betaling na verloop van drie dagen volgend op een ingebrekestelling mag de vervrachter, onverminderd zijn recht op schadevergoeding, het zeeschip terugtrekken uit de dienst.
Bij elk in gebreke blijven van de bevrachter om de huurprijs te betalen mag de vervrachter, onverminderd het recht het zeeschip uit dienst te nemen, de uitvoering van al zijn verplichtingen opschorten; de huur loopt evenwel door en de bevrachter is aansprakelijk voor alle gevolgen.
De bevrachter moet de huurprijs dertig dagen op voorhand aan de vervrachter betalen.
Bij gebreke van betaling na verloop van drie dagen volgend op een ingebrekestelling mag de vervrachter, onverminderd zijn recht op schadevergoeding, het zeeschip terugtrekken uit de dienst.
Bij elk in gebreke blijven van de bevrachter om de huurprijs te betalen mag de vervrachter, onverminderd het recht het zeeschip uit dienst te nemen, de uitvoering van al zijn verplichtingen opschorten; de huur loopt evenwel door en de bevrachter is aansprakelijk voor alle gevolgen.
Art. 2.6.1.47. Paiement du loyer
L'affréteur doit payer le loyer au fréteur trente jours au préalable.
A défaut de paiement à la fin des trois jours qui suivent une mise en demeure, le fréteur peut, sans préjudice de son droit à des dommages-intérêts, retirer le navire de mer du service.
En cas de manquement de l'affréteur à payer le loyer, le fréteur peut, sans préjudice du droit de mettre le navire de mer hors service, suspendre l'exécution de toutes ses obligations; la location se poursuit toutefois et l'affréteur est responsable de toutes les conséquences.
L'affréteur doit payer le loyer au fréteur trente jours au préalable.
A défaut de paiement à la fin des trois jours qui suivent une mise en demeure, le fréteur peut, sans préjudice de son droit à des dommages-intérêts, retirer le navire de mer du service.
En cas de manquement de l'affréteur à payer le loyer, le fréteur peut, sans préjudice du droit de mettre le navire de mer hors service, suspendre l'exécution de toutes ses obligations; la location se poursuit toutefois et l'affréteur est responsable de toutes les conséquences.
Art. 2.6.1.48. Reiniging van de ruimen
§ 1. De bevrachter mag de vervrachter verzoeken de bemanning op te dragen tussen de reizen de ruimen te reinigen, op voorwaarde dat hij een overeengekomen vergoeding betaalt, de bemanning dit werk veilig kan uitvoeren en de plaatselijke regels worden nageleefd. De vervrachter is niet aansprakelijk wanneer de toestand van de ruimen niet wordt aanvaard. De voor de reiniging nodige tijd is voor rekening van de bevrachter.
§ 2. De bevrachter moet zorgen voor de reinigingsmiddelen en deze betalen. Deze middelen moeten voldoen aan de toepasselijke regels vastgesteld bij of krachtens het MARPOL-Verdrag.
§ 3. Alle kosten en tijd in verband met de verwijdering van ladingresten, reinigingsmiddelen en afval zijn ten laste van de bevrachter.
De verwijdering moet worden uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke regels, in het bijzonder deze vastgesteld bij of krachtens het MARPOL-Verdrag.
§ 1. De bevrachter mag de vervrachter verzoeken de bemanning op te dragen tussen de reizen de ruimen te reinigen, op voorwaarde dat hij een overeengekomen vergoeding betaalt, de bemanning dit werk veilig kan uitvoeren en de plaatselijke regels worden nageleefd. De vervrachter is niet aansprakelijk wanneer de toestand van de ruimen niet wordt aanvaard. De voor de reiniging nodige tijd is voor rekening van de bevrachter.
§ 2. De bevrachter moet zorgen voor de reinigingsmiddelen en deze betalen. Deze middelen moeten voldoen aan de toepasselijke regels vastgesteld bij of krachtens het MARPOL-Verdrag.
§ 3. Alle kosten en tijd in verband met de verwijdering van ladingresten, reinigingsmiddelen en afval zijn ten laste van de bevrachter.
De verwijdering moet worden uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke regels, in het bijzonder deze vastgesteld bij of krachtens het MARPOL-Verdrag.
Art. 2.6.1.48. Nettoyage des cales
§ 1er. L'affréteur peut demander au fréteur de charger l'équipage de nettoyer les cales entre les voyages, à la condition qu'il paie une indemnité convenue, que l'équipage puisse exécuter ce travail en toute sécurité et que les règles locales soient respectées. Le fréteur n'est pas responsable quand l'état des cales n'est pas accepté. Le temps nécessaire au nettoyage est pour le compte de l'affréteur.
§ 2. L'affréteur doit assurer les produits de nettoyage et les payer. Ces produits doivent répondre aux règles applicables fixées par la Convention MARPOL ou en vertu de celle-ci.
§ 3. Tous les frais et le temps liés à l'élimination des restes de cargaison, produits de nettoyage et déchets sont à charge de l'affréteur.
L'élimination doit être exécutée conformément aux règles applicables, en particulier celles fixées par la Convention MARPOL ou en vertu de celle-ci.
§ 1er. L'affréteur peut demander au fréteur de charger l'équipage de nettoyer les cales entre les voyages, à la condition qu'il paie une indemnité convenue, que l'équipage puisse exécuter ce travail en toute sécurité et que les règles locales soient respectées. Le fréteur n'est pas responsable quand l'état des cales n'est pas accepté. Le temps nécessaire au nettoyage est pour le compte de l'affréteur.
§ 2. L'affréteur doit assurer les produits de nettoyage et les payer. Ces produits doivent répondre aux règles applicables fixées par la Convention MARPOL ou en vertu de celle-ci.
§ 3. Tous les frais et le temps liés à l'élimination des restes de cargaison, produits de nettoyage et déchets sont à charge de l'affréteur.
L'élimination doit être exécutée conformément aux règles applicables, en particulier celles fixées par la Convention MARPOL ou en vertu de celle-ci.
Art. 2.6.1.49. Weerrouteringsdienst
De bevrachter mag de weerrouteringsdienst van zijn keuze gebruiken.
De kapitein moet de verslaggevingsprocedures van deze dienst volgen en, voor zover de veiligheid zich daar niet tegen verzet, de routeringsaanbevelingen van de dienst opvolgen.
De bevrachter mag de weerrouteringsdienst van zijn keuze gebruiken.
De kapitein moet de verslaggevingsprocedures van deze dienst volgen en, voor zover de veiligheid zich daar niet tegen verzet, de routeringsaanbevelingen van de dienst opvolgen.
Art. 2.6.1.49. Service de routage météorologique
L'affréteur peut utiliser le service de routage météorologique de son choix.
Le capitaine doit suivre les procédures de reporting de ce service et, pour autant que la sécurité ne s'y oppose pas, suivre les recommandations de routage du service.
L'affréteur peut utiliser le service de routage météorologique de son choix.
Le capitaine doit suivre les procédures de reporting de ce service et, pour autant que la sécurité ne s'y oppose pas, suivre les recommandations de routage du service.
Art. 2.6.1.50. Scheepsruimte
§ 1. Met uitzondering van de ruimten nodig voor de bemanning en de scheepsuitrusting zijn de ruimen, dekken en andere ladingruimten volledig ter beschikking van de bevrachter.
§ 2. Ingeval lading aan dek wordt vervoerd, is de bevrachter tegenover de vervrachter aansprakelijk voor alle daardoor aan het zeeschip berokkende schade. De cognossementen moeten worden uitgegeven in overeenstemming met artikel 2.6.1.67, § 3.
§ 1. Met uitzondering van de ruimten nodig voor de bemanning en de scheepsuitrusting zijn de ruimen, dekken en andere ladingruimten volledig ter beschikking van de bevrachter.
§ 2. Ingeval lading aan dek wordt vervoerd, is de bevrachter tegenover de vervrachter aansprakelijk voor alle daardoor aan het zeeschip berokkende schade. De cognossementen moeten worden uitgegeven in overeenstemming met artikel 2.6.1.67, § 3.
Art. 2.6.1.50. Espace d'un navire
§ 1er. A l'exception des espaces nécessaires à l'équipage et à l'équipement du navire, les cales, pontées et autres espaces de chargement sont entièrement à disposition de l'affréteur.
§ 2. Si la cargaison est transportée en pontée, l'affréteur est responsable vis-à-vis du fréteur de tous les dommages occasionnés de ce fait au navire de mer. Les connaissements doivent être émis conformément à l'article 2.6.1.67, § 3.
§ 1er. A l'exception des espaces nécessaires à l'équipage et à l'équipement du navire, les cales, pontées et autres espaces de chargement sont entièrement à disposition de l'affréteur.
§ 2. Si la cargaison est transportée en pontée, l'affréteur est responsable vis-à-vis du fréteur de tous les dommages occasionnés de ce fait au navire de mer. Les connaissements doivent être émis conformément à l'article 2.6.1.67, § 3.
Art. 2.6.1.51. Ladingopzichter
De bevrachter mag een ladingopzichter aanduiden die het zeeschip op zijn risico vergezelt en erop toeziet dat de reis wordt volbracht met behoorlijke voortgang. De ladingopzichter geniet kosteloos logies en maaltijden. De bevrachter en de ladingopzichter moeten een afstand van verhaal ondertekenen.
De bevrachter mag een ladingopzichter aanduiden die het zeeschip op zijn risico vergezelt en erop toeziet dat de reis wordt volbracht met behoorlijke voortgang. De ladingopzichter geniet kosteloos logies en maaltijden. De bevrachter en de ladingopzichter moeten een afstand van verhaal ondertekenen.
Art. 2.6.1.51. Subrécargue
L'affréteur peut désigner un subrécargue qui accompagne le navire de mer à ses risques et veille à ce que le voyage soit accompli avec une bonne progression. Le subrécargue est logé et nourri à titre gracieux. L'affréteur et le subrécargue doivent signer un abandon de recours.
L'affréteur peut désigner un subrécargue qui accompagne le navire de mer à ses risques et veille à ce que le voyage soit accompli avec une bonne progression. Le subrécargue est logé et nourri à titre gracieux. L'affréteur et le subrécargue doivent signer un abandon de recours.
Art. 2.6.1.52. Vaaronderrichtingen en scheepsdagboeken
De bevrachter moet de kapitein tijdig en schriftelijk alle nodige vaaronderrichtingen verstrekken. De kapitein moet de nodige scheepsdagboeken bijhouden en er aan de bevrachter inzage en afschriften van verstrekken.
De bevrachter moet de kapitein tijdig en schriftelijk alle nodige vaaronderrichtingen verstrekken. De kapitein moet de nodige scheepsdagboeken bijhouden en er aan de bevrachter inzage en afschriften van verstrekken.
Art. 2.6.1.52. Instructions de navigation et journaux de bord
L'affréteur doit fournir au capitaine en temps utile et par écrit toutes les instructions de navigation nécessaires. Le capitaine doit tenir les journaux de bord nécessaires, en donner l'accès et en fournir des copies à l'affréteur.
L'affréteur doit fournir au capitaine en temps utile et par écrit toutes les instructions de navigation nécessaires. Le capitaine doit tenir les journaux de bord nécessaires, en donner l'accès et en fournir des copies à l'affréteur.
Art. 2.6.1.53. Gevaarlijke en uitgesloten lading
Het zeeschip moet worden gebruikt om wettige lading te vervoeren.
Gevaarlijke of schadelijke lading mag alleen worden vervoerd in overeenstemming met de regels en de aanbevelingen van bevoegde overheden van de vlagstaat, de laad- en loshavens en de doorvaren gebieden.
Het vervoer van wapens en munitie, ontplofbare stoffen en nucleaire of radioactieve stoffen is verboden.
Het zeeschip moet worden gebruikt om wettige lading te vervoeren.
Gevaarlijke of schadelijke lading mag alleen worden vervoerd in overeenstemming met de regels en de aanbevelingen van bevoegde overheden van de vlagstaat, de laad- en loshavens en de doorvaren gebieden.
Het vervoer van wapens en munitie, ontplofbare stoffen en nucleaire of radioactieve stoffen is verboden.
Art. 2.6.1.53. Cargaison dangereuse et exclue
Le navire de mer doit être utilisé en vue du transport d'une cargaison licite.
Une cargaison dangereuse ou nocive peut seulement être transportée conformément aux règles et aux recommandations des autorités compétentes de l'Etat du pavillon, des ports de chargement et de déchargement et des zones de transit.
Le transport d'armes et de munitions, de substances explosives et de matières nucléaires ou radioactives est interdit.
Le navire de mer doit être utilisé en vue du transport d'une cargaison licite.
Une cargaison dangereuse ou nocive peut seulement être transportée conformément aux règles et aux recommandations des autorités compétentes de l'Etat du pavillon, des ports de chargement et de déchargement et des zones de transit.
Le transport d'armes et de munitions, de substances explosives et de matières nucléaires ou radioactives est interdit.
Art. 2.6.1.54. Huurprijsonderbreking
De huurprijs is niet verschuldigd voor de tijd gedurende welke het zeeschip niet volledig werkzaam is, waaronder gevallen van gebrek aan of staking door de bemanning, gebrek aan voorraad, brand, stilvallen, schade aan de romp, voortbewegingstuigen of scheepsuitrusting, aan de grond lopen, beslag niet te wijten aan de bevrachter of een onderbevrachter, aanhouding door de havenstaatcontrole of andere overheden wegens gebreken van het zeeschip, averijen niet te wijten aan gebreken van de lading, droogzetten, reiniging of schilderen van het onderwaterschip en herstelling.
De huurprijs is evenmin verschuldigd in geval van koersafwijking in strijd met de onderrichtingen van de bevrachter.
Tijdens de duur van de huurprijsonderbreking zijn alle brandstoffen ten laste van de vervrachter.
Oponthoud en kosten veroorzaakt door de weersomstandigheden of het varen op ondiepe havens en rivieren zijn ten laste van de bevrachter.
Ingeval de snelheid tijdens de reis wordt beperkt ingevolge gebreken van de romp, de voortbewegingstuigen of de scheepsuitrusting, mogen de verloren tijd en de kosten van bijkomende brandstoffen van de huurprijs worden afgetrokken.
De huurprijs is niet verschuldigd voor de tijd gedurende welke het zeeschip niet volledig werkzaam is, waaronder gevallen van gebrek aan of staking door de bemanning, gebrek aan voorraad, brand, stilvallen, schade aan de romp, voortbewegingstuigen of scheepsuitrusting, aan de grond lopen, beslag niet te wijten aan de bevrachter of een onderbevrachter, aanhouding door de havenstaatcontrole of andere overheden wegens gebreken van het zeeschip, averijen niet te wijten aan gebreken van de lading, droogzetten, reiniging of schilderen van het onderwaterschip en herstelling.
De huurprijs is evenmin verschuldigd in geval van koersafwijking in strijd met de onderrichtingen van de bevrachter.
Tijdens de duur van de huurprijsonderbreking zijn alle brandstoffen ten laste van de vervrachter.
Oponthoud en kosten veroorzaakt door de weersomstandigheden of het varen op ondiepe havens en rivieren zijn ten laste van de bevrachter.
Ingeval de snelheid tijdens de reis wordt beperkt ingevolge gebreken van de romp, de voortbewegingstuigen of de scheepsuitrusting, mogen de verloren tijd en de kosten van bijkomende brandstoffen van de huurprijs worden afgetrokken.
Art. 2.6.1.54. Interruption du paiement du loyer
Le loyer n'est pas dû pour la durée pendant laquelle le navire de mer n'est pas totalement actif, notamment dans les cas suivants : manque d'équipage ou grève de celui-ci, manque de provisions, incendie, pannes, dommages occasionnés à la coque, aux engins de propulsion ou équipements du navire, échouements, saisie non imputable à l'affréteur ou à un sous-affréteur, immobilisation par le contrôle de l'Etat du port ou d'autres autorités pour cause de défectuosité du navire de mer, avaries non imputables à une défectuosité de la cargaison, mise en cale sèche, nettoyage ou peinture de la coque sous l'eau et réparation.
Le loyer n'est pas non plus dû en cas de déroutement contraire aux instructions de l'affréteur.
Pendant la durée d'interruption du paiement du loyer, tous les carburants sont à charge du fréteur.
Les contretemps et les frais causés par les conditions météorologiques ou la navigation dans des ports et rivières peu profonds sont à charge de l'affréteur.
En cas de limitation de vitesse pendant le voyage à la suite d'une défectuosité de la coque, des engins de propulsion ou de l'équipement du navire, la perte de temps et les frais de carburants supplémentaires peuvent être déduits du loyer.
Le loyer n'est pas dû pour la durée pendant laquelle le navire de mer n'est pas totalement actif, notamment dans les cas suivants : manque d'équipage ou grève de celui-ci, manque de provisions, incendie, pannes, dommages occasionnés à la coque, aux engins de propulsion ou équipements du navire, échouements, saisie non imputable à l'affréteur ou à un sous-affréteur, immobilisation par le contrôle de l'Etat du port ou d'autres autorités pour cause de défectuosité du navire de mer, avaries non imputables à une défectuosité de la cargaison, mise en cale sèche, nettoyage ou peinture de la coque sous l'eau et réparation.
Le loyer n'est pas non plus dû en cas de déroutement contraire aux instructions de l'affréteur.
Pendant la durée d'interruption du paiement du loyer, tous les carburants sont à charge du fréteur.
Les contretemps et les frais causés par les conditions météorologiques ou la navigation dans des ports et rivières peu profonds sont à charge de l'affréteur.
En cas de limitation de vitesse pendant le voyage à la suite d'une défectuosité de la coque, des engins de propulsion ou de l'équipement du navire, la perte de temps et les frais de carburants supplémentaires peuvent être déduits du loyer.
Art. 2.6.1.55. Verontreiniging
De vervrachter moet zorgen voor dekking voor schade door olieverontreiniging, overeenkomstig de gebruikelijke voorwaarden aangeboden door de P&I-verzekeraars, alsook voor de passende certificaten.
De vervrachter moet zorgen voor dekking voor schade door olieverontreiniging, overeenkomstig de gebruikelijke voorwaarden aangeboden door de P&I-verzekeraars, alsook voor de passende certificaten.
Art. 2.6.1.55. Pollution
Le fréteur doit veiller à la couverture des dommages dus à la pollution par les hydrocarbures, conformément aux conditions en usage proposées par les assureurs P&I, ainsi que pour les certificats appropriés.
Le fréteur doit veiller à la couverture des dommages dus à la pollution par les hydrocarbures, conformément aux conditions en usage proposées par les assureurs P&I, ainsi que pour les certificats appropriés.
Art. 2.6.1.56. Droogzetten
Tenzij in noodgevallen, mag het zeeschip niet worden drooggezet.
Tenzij in noodgevallen, mag het zeeschip niet worden drooggezet.
Art. 2.6.1.56. Mise en cale sèche
Sauf cas d'urgence, le navire de mer ne peut pas être mis en cale sèche.
Sauf cas d'urgence, le navire de mer ne peut pas être mis en cale sèche.
Art. 2.6.1.57. Volledig verlies
In geval van verlies van het zeeschip worden vooruitbetaalde en niet verworven bedragen onmiddellijk aan de bevrachter terugbetaald.
In geval van verlies van het zeeschip worden vooruitbetaalde en niet verworven bedragen onmiddellijk aan de bevrachter terugbetaald.
Art. 2.6.1.57. Perte totale
En cas de perte du navire de mer, les montants prépayés et non acquis sont immédiatement restitués à l'affréteur.
En cas de perte du navire de mer, les montants prépayés et non acquis sont immédiatement restitués à l'affréteur.
Art. 2.6.1.58. Ontheffingen
De vervrachter en de bevrachter zijn jegens elkaar van aansprakelijkheid ontheven in geval van onvermijdelijke natuurlijke toevallen, handelingen van vijanden, brand, dwangmaatregelen van het staatsgezag, overheden en het volk, alle gevaren en ongevallen van de zee, rivieren, werktuigen, ketels en de scheepvaart, en fouten bij de navigatie.
De vervrachter en de bevrachter zijn jegens elkaar van aansprakelijkheid ontheven in geval van onvermijdelijke natuurlijke toevallen, handelingen van vijanden, brand, dwangmaatregelen van het staatsgezag, overheden en het volk, alle gevaren en ongevallen van de zee, rivieren, werktuigen, ketels en de scheepvaart, en fouten bij de navigatie.
Art. 2.6.1.58. Exonérations
Le fréteur et l'affréteur sont déchargés de responsabilité mutuelle dans les cas suivants : aléas naturels inévitables; fait d'ennemis; incendie; contrainte de prince, autorités ou peuple; dangers et accidents de la mer, des rivières, des engins, des chaudières et de la navigation; et les erreurs de navigation.
Le fréteur et l'affréteur sont déchargés de responsabilité mutuelle dans les cas suivants : aléas naturels inévitables; fait d'ennemis; incendie; contrainte de prince, autorités ou peuple; dangers et accidents de la mer, des rivières, des engins, des chaudières et de la navigation; et les erreurs de navigation.
Art. 2.6.1.59. Zekerheidsrechten
De vorderingen van de vervrachter uit hoofde van de overeenkomst zijn verhaalbaar en bevoorrecht op alle aan de bevrachter toebehorende lading.
De bevrachter staat ervoor in dat de rechten en de titel op het zeeschip van de vervrachter niet worden bezwaard door zekerheidsrechten met hogere rang.
De vorderingen van de vervrachter uit hoofde van de overeenkomst zijn verhaalbaar en bevoorrecht op alle aan de bevrachter toebehorende lading.
De bevrachter staat ervoor in dat de rechten en de titel op het zeeschip van de vervrachter niet worden bezwaard door zekerheidsrechten met hogere rang.
Art. 2.6.1.59. Sûretés
Les créances du fréteur du chef du contrat sont récupérables et privilégiées sur toute cargaison appartenant à l'affréteur.
L'affréteur doit veiller à ce que les droits et le titre du fréteur sur le navire de mer ne soient pas grevés par des sûretés d'un rang supérieur.
Les créances du fréteur du chef du contrat sont récupérables et privilégiées sur toute cargaison appartenant à l'affréteur.
L'affréteur doit veiller à ce que les droits et le titre du fréteur sur le navire de mer ne soient pas grevés par des sûretés d'un rang supérieur.
Art. 2.6.1.60. Voorraden
De bevrachter bestelt geen voorraden, benodigdheden of diensten ten laste van de vervrachter.
De bevrachter bestelt geen voorraden, benodigdheden of diensten ten laste van de vervrachter.
Art. 2.6.1.60. Stocks
L'affréteur ne commande pas de stocks, d'accessoires ou de services à charge du fréteur.
L'affréteur ne commande pas de stocks, d'accessoires ou de services à charge du fréteur.
Art. 2.6.1.61. Berging
Alle wrakken en bergloon komt bij helften toe aan de vervrachter en de bevrachter, onder aftrek van beider kosten en het aandeel van de bemanning.
Alle wrakken en bergloon komt bij helften toe aan de vervrachter en de bevrachter, onder aftrek van beider kosten en het aandeel van de bemanning.
Art. 2.6.1.61. Assistance
Toutes les épaves et la rémunération du chef d'assistance reviennent pour moitié au fréteur et à l'affréteur, déduction faite de leurs frais à tous deux et de la part destinée à l'équipage.
Toutes les épaves et la rémunération du chef d'assistance reviennent pour moitié au fréteur et à l'affréteur, déduction faite de leurs frais à tous deux et de la part destinée à l'équipage.
Art. 2.6.1.62. Averij-grosse
Averij-grosse wordt omgeslagen overeenkomstig de Regels van York en Antwerpen.
De bevrachter moet ervoor zorgen dat in alle cognossementen de toepasselijkheid van de Regels van York en Antwerpen wordt bedongen.
De huurprijs draagt niet in averij-grosse bij.
Averij-grosse wordt omgeslagen overeenkomstig de Regels van York en Antwerpen.
De bevrachter moet ervoor zorgen dat in alle cognossementen de toepasselijkheid van de Regels van York en Antwerpen wordt bedongen.
De huurprijs draagt niet in averij-grosse bij.
Art. 2.6.1.62. Avarie commune
L'avarie commune est réglée conformément aux Règles d'York et d'Anvers.
L'affréteur doit veiller à ce que l'applicabilité des Règles d'York et d'Anvers soit stipulée dans tous les connaissements.
Le loyer ne contribue pas à une avarie commune.
L'avarie commune est réglée conformément aux Règles d'York et d'Anvers.
L'affréteur doit veiller à ce que l'applicabilité des Règles d'York et d'Anvers soit stipulée dans tous les connaissements.
Le loyer ne contribue pas à une avarie commune.
Art. 2.6.1.63. Navigatie
Geen bepaling van deze afdeling mag worden uitgelegd als een overgave van het rederschap aan de bevrachter. De vervrachter blijft verantwoordelijk voor de navigatie, daden van loodsen en slepers, verzekering, bemanning en alle andere aangelegenheden, alsof hij voor eigen rekening handelt.
Geen bepaling van deze afdeling mag worden uitgelegd als een overgave van het rederschap aan de bevrachter. De vervrachter blijft verantwoordelijk voor de navigatie, daden van loodsen en slepers, verzekering, bemanning en alle andere aangelegenheden, alsof hij voor eigen rekening handelt.
Art. 2.6.1.63. Navigation
Aucune des dispositions de la présente section ne peut être interprétée comme une remise de la gestion nautique à l'affréteur. Le fréteur reste responsable de la navigation, des actes des pilotes et des remorqueurs, de l'assurance, de l'équipage et de toutes les autres matières, comme s'il agissait pour son propre compte.
Aucune des dispositions de la présente section ne peut être interprétée comme une remise de la gestion nautique à l'affréteur. Le fréteur reste responsable de la navigation, des actes des pilotes et des remorqueurs, de l'assurance, de l'équipage et de toutes les autres matières, comme s'il agissait pour son propre compte.
Art. 2.6.1.64. Ladingvorderingen
Vorderingen tot vergoeding van verlies van of schade aan lading of vertraging worden als volgt toegerekend :
1° vorderingen voortspruitend uit onzeewaardigheid of een fout bij de navigatie of het beheer van het zeeschip zijn volledig ten laste van de vervrachter, tenzij deze laatste bewijst dat de onzeewaardigheid werd veroorzaakt door het laden, stuwen, lossen of anderszins behandelen van de lading, in welk geval het 2° van toepassing is;
2° vorderingen voortspruitend uit laden, stuwen, lossen, opslaan of anderszins behandelen van de lading zijn volledig ten laste van de bevrachter;
3° vorderingen voortspruitend uit manco's of teververvoer zijn bij helften ten laste van de vervrachter en de bevrachter, tenzij onweerlegbaar wordt bewezen dat de vordering voortspruit uit plundering dan wel uit een handeling of nalaten van één der partijen, haar aangestelden of onderaannemers, in welk geval de vordering volledig ten laste van deze laatste komt;
4° alle andere vorderingen, met inbegrip van vorderingen wegens vertraging, zijn bij helften ten laste van de vervrachter en de bevrachter, tenzij onweerlegbaar wordt bewezen dat de vordering voortspruit uit handeling of nalaten van één der partijen, haar aangestelden of onderaannemers, in welk geval de vordering volledig ten laste van deze laatste komt.
Vorderingen tot vergoeding van verlies van of schade aan lading of vertraging worden als volgt toegerekend :
1° vorderingen voortspruitend uit onzeewaardigheid of een fout bij de navigatie of het beheer van het zeeschip zijn volledig ten laste van de vervrachter, tenzij deze laatste bewijst dat de onzeewaardigheid werd veroorzaakt door het laden, stuwen, lossen of anderszins behandelen van de lading, in welk geval het 2° van toepassing is;
2° vorderingen voortspruitend uit laden, stuwen, lossen, opslaan of anderszins behandelen van de lading zijn volledig ten laste van de bevrachter;
3° vorderingen voortspruitend uit manco's of teververvoer zijn bij helften ten laste van de vervrachter en de bevrachter, tenzij onweerlegbaar wordt bewezen dat de vordering voortspruit uit plundering dan wel uit een handeling of nalaten van één der partijen, haar aangestelden of onderaannemers, in welk geval de vordering volledig ten laste van deze laatste komt;
4° alle andere vorderingen, met inbegrip van vorderingen wegens vertraging, zijn bij helften ten laste van de vervrachter en de bevrachter, tenzij onweerlegbaar wordt bewezen dat de vordering voortspruit uit handeling of nalaten van één der partijen, haar aangestelden of onderaannemers, in welk geval de vordering volledig ten laste van deze laatste komt.
Art. 2.6.1.64. Créances relatives à la cargaison
Les créances d'indemnisation pour la perte ou les dommages survenus à la cargaison ou pour le retard sont réparties comme suit :
1° les créances résultant de l'innavigabilité ou d'une faute de navigation ou dans la gestion du navire de mer sont entièrement à charge du fréteur, sauf si ce dernier prouve que l'innavigabilité a été causée par le chargement, l'arrimage, le déchargement ou une autre opération de manutention de la cargaison, auquel cas le point 2° s'applique;
2° les créances résultant du chargement, de l'arrimage, du déchargement, de l'entreposage ou de toute autre opération de manutention de la cargaison sont entièrement à charge de l'affréteur;
3° les créances résultant de manquants ou de transport trop lointain sont pour moitié à charge du fréteur et de l'affréteur, sauf s'il est prouvé de manière irréfutable que la créance résulte du pillage ou d'un acte ou d'une négligence de l'une des parties, ses préposés ou ses sous-traitants, auquel cas la créance est entièrement à charge de cette dernière;
4° toutes les autres créances, y compris celles pour cause de retard, sont pour moitié à charge du fréteur et de l'affréteur, sauf s'il est prouvé de manière irréfutable que la créance résulte d'un acte ou d'une négligence de l'une des parties, ses préposés ou ses sous-traitants, auquel cas la créance est entièrement à charge de cette dernière.
Les créances d'indemnisation pour la perte ou les dommages survenus à la cargaison ou pour le retard sont réparties comme suit :
1° les créances résultant de l'innavigabilité ou d'une faute de navigation ou dans la gestion du navire de mer sont entièrement à charge du fréteur, sauf si ce dernier prouve que l'innavigabilité a été causée par le chargement, l'arrimage, le déchargement ou une autre opération de manutention de la cargaison, auquel cas le point 2° s'applique;
2° les créances résultant du chargement, de l'arrimage, du déchargement, de l'entreposage ou de toute autre opération de manutention de la cargaison sont entièrement à charge de l'affréteur;
3° les créances résultant de manquants ou de transport trop lointain sont pour moitié à charge du fréteur et de l'affréteur, sauf s'il est prouvé de manière irréfutable que la créance résulte du pillage ou d'un acte ou d'une négligence de l'une des parties, ses préposés ou ses sous-traitants, auquel cas la créance est entièrement à charge de cette dernière;
4° toutes les autres créances, y compris celles pour cause de retard, sont pour moitié à charge du fréteur et de l'affréteur, sauf s'il est prouvé de manière irréfutable que la créance résulte d'un acte ou d'une négligence de l'une des parties, ses préposés ou ses sous-traitants, auquel cas la créance est entièrement à charge de cette dernière.
Art. 2.6.1.65. Behandelingstuig en -lichten
De vervrachter moet het behandelingstuig van het zeeschip onderhouden en de scheepslichten ter beschikking stellen voor nachtwerk. De bevrachter mag alle scheepstuig aanwenden en dag- en nachtwerk verlangen. Ingeval het behandelingstuig niet werkt, geldt ten belope van de verloren tijd een huurprijsonderbreking en moet de vervrachter het tijdverlet van de stuwadoor betalen, tenzij de bevrachter verlangt dat de vervrachter op zijn kosten vervangend behandelingstuig huurt, in welk geval geen huurprijsonderbreking intreedt, behalve voor de daadwerkelijk verloren tijd.
De vervrachter moet het behandelingstuig van het zeeschip onderhouden en de scheepslichten ter beschikking stellen voor nachtwerk. De bevrachter mag alle scheepstuig aanwenden en dag- en nachtwerk verlangen. Ingeval het behandelingstuig niet werkt, geldt ten belope van de verloren tijd een huurprijsonderbreking en moet de vervrachter het tijdverlet van de stuwadoor betalen, tenzij de bevrachter verlangt dat de vervrachter op zijn kosten vervangend behandelingstuig huurt, in welk geval geen huurprijsonderbreking intreedt, behalve voor de daadwerkelijk verloren tijd.
Art. 2.6.1.65. Outillage et projecteurs de manutention
Le fréteur doit entretenir l'outillage de manutention du navire de mer et mettre à disposition les projecteurs pour le travail de nuit. L'affréteur peut employer tout le gréement du navire et imposer du travail de jour et de nuit. Si l'outillage de manutention ne fonctionne pas, une interruption du paiement du loyer s'applique à concurrence de la perte de temps et le fréteur doit payer la perte de temps du manutentionnaire, sauf si l'affréteur impose que le fréteur loue à ses frais d'outillage de manutention de remplacement, auquel cas aucune interruption du paiement du loyer ne s'applique, sauf pour la perte de temps réelle.
Le fréteur doit entretenir l'outillage de manutention du navire de mer et mettre à disposition les projecteurs pour le travail de nuit. L'affréteur peut employer tout le gréement du navire et imposer du travail de jour et de nuit. Si l'outillage de manutention ne fonctionne pas, une interruption du paiement du loyer s'applique à concurrence de la perte de temps et le fréteur doit payer la perte de temps du manutentionnaire, sauf si l'affréteur impose que le fréteur loue à ses frais d'outillage de manutention de remplacement, auquel cas aucune interruption du paiement du loyer ne s'applique, sauf pour la perte de temps réelle.
Art. 2.6.1.66. Droog stortgoed en gevaarlijke goederen
De bevrachter moet overeenkomstig de door de IMO vastgestelde technische codes de nodige documenten, certificaten en gegevens betreffende droog stortgoed en gevaarlijke goederen bezorgen.
Ingeval de bevrachter de door de in het eerste lid bedoelde codes niet naleeft, mag de kapitein de lading weigeren.
De bevrachter moet overeenkomstig de door de IMO vastgestelde technische codes de nodige documenten, certificaten en gegevens betreffende droog stortgoed en gevaarlijke goederen bezorgen.
Ingeval de bevrachter de door de in het eerste lid bedoelde codes niet naleeft, mag de kapitein de lading weigeren.
Art. 2.6.1.66. Marchandises sèches en vrac et marchandises dangereuses
L'affréteur doit fournir conformément aux codes techniques établis par l'OMI les documents, certificats et données nécessaires concernant les marchandises sèches en vrac et les marchandises dangereuses.
Si l'affréteur ne respecte pas les codes visés à l'alinéa 1er, le capitaine peut refuser la cargaison.
L'affréteur doit fournir conformément aux codes techniques établis par l'OMI les documents, certificats et données nécessaires concernant les marchandises sèches en vrac et les marchandises dangereuses.
Si l'affréteur ne respecte pas les codes visés à l'alinéa 1er, le capitaine peut refuser la cargaison.
Art. 2.6.1.67. Cognossementen
§ 1. De kapitein moet cognossementen en vrachtbrieven ondertekenen in overeenstemming met de stuurmansreçus. Steeds in overeenstemming met deze laatste en met voorafgaande machtiging van de vervrachter mag de bevrachter of zijn vertegenwoordiger evenwel cognossementen en vrachtbrieven ondertekenen voor rekening van de kapitein.
§ 2. De bevrachter moet de vervrachter vrijwaren tegen alle gevolgen van de strijdigheid met de bevrachtingsovereenkomst van een cognossement of een vrachtbrief die werd ondertekend door de bevrachter of, op diens verzoek, door de kapitein.
§ 3. Cognossementen betreffende deklading moeten een beding bevatten luidens welk de goederen aan dek worden vervoerd op risico en kosten van de bevrachter, de afzender en de ontvanger, zonder enige aansprakelijkheid voor welk verlies, schade, kosten of vertraging ook lastens het zeeschip of de vervrachter.
§ 1. De kapitein moet cognossementen en vrachtbrieven ondertekenen in overeenstemming met de stuurmansreçus. Steeds in overeenstemming met deze laatste en met voorafgaande machtiging van de vervrachter mag de bevrachter of zijn vertegenwoordiger evenwel cognossementen en vrachtbrieven ondertekenen voor rekening van de kapitein.
§ 2. De bevrachter moet de vervrachter vrijwaren tegen alle gevolgen van de strijdigheid met de bevrachtingsovereenkomst van een cognossement of een vrachtbrief die werd ondertekend door de bevrachter of, op diens verzoek, door de kapitein.
§ 3. Cognossementen betreffende deklading moeten een beding bevatten luidens welk de goederen aan dek worden vervoerd op risico en kosten van de bevrachter, de afzender en de ontvanger, zonder enige aansprakelijkheid voor welk verlies, schade, kosten of vertraging ook lastens het zeeschip of de vervrachter.
Art. 2.6.1.67. Connaissements
§ 1er. Le capitaine doit signer les connaissements et lettres de voiture conformément aux reçus de bord. Toujours conformément à ceux-ci et avec l'autorisation préalable du fréteur, l'affréteur ou son représentant peut toutefois signer des connaissements et lettres de voiture pour le compte du capitaine.
§ 2. L'affréteur doit garantir le fréteur contre toutes les conséquences de la contradiction avec le contrat d'affrètement d'un connaissement ou d'une lettre de voiture signé par l'affréteur ou, à sa demande, par le capitaine.
§ 3. Les connaissements relatifs à un chargement en pontée doivent contenir une clause stipulant que les marchandises sont transportées en pontée aux risques et dépens de l'affréteur, du chargeur et du destinataire, sans la moindre responsabilité de quelconques pertes, dommages, frais ou retard à charge du navire de mer ou du fréteur.
§ 1er. Le capitaine doit signer les connaissements et lettres de voiture conformément aux reçus de bord. Toujours conformément à ceux-ci et avec l'autorisation préalable du fréteur, l'affréteur ou son représentant peut toutefois signer des connaissements et lettres de voiture pour le compte du capitaine.
§ 2. L'affréteur doit garantir le fréteur contre toutes les conséquences de la contradiction avec le contrat d'affrètement d'un connaissement ou d'une lettre de voiture signé par l'affréteur ou, à sa demande, par le capitaine.
§ 3. Les connaissements relatifs à un chargement en pontée doivent contenir une clause stipulant que les marchandises sont transportées en pontée aux risques et dépens de l'affréteur, du chargeur et du destinataire, sans la moindre responsabilité de quelconques pertes, dommages, frais ou retard à charge du navire de mer ou du fréteur.
Art. 2.6.1.68. Elektronische cognossementen
Op verzoek van de bevrachter worden cognossementen, vrachtbrieven en volgbrieven uitgegeven, ondertekend en overgedragen in elektronische vorm.
Op kosten van de bevrachter moet de vervrachter daartoe deelnemen aan een elektronisch handelsstelsel.
De bevrachter moet de vervrachter vrijwaren in verband met het gebruik van dat stelsel ontstane bijkomende aansprakelijkheid, voor zover die niet volgt uit nalatigheid van de vervrachter.
Artikel 2.6.1.69. Vervoerovereenkomst
De bevrachtingsovereenkomst wordt vermoed een beding te bevatten naar luid waarvan de cognossementen onderworpen zijn aan de Regels van Den Haag en Visby, en het passagiersvervoer aan het PAL-Verdrag.
Op verzoek van de bevrachter worden cognossementen, vrachtbrieven en volgbrieven uitgegeven, ondertekend en overgedragen in elektronische vorm.
Op kosten van de bevrachter moet de vervrachter daartoe deelnemen aan een elektronisch handelsstelsel.
De bevrachter moet de vervrachter vrijwaren in verband met het gebruik van dat stelsel ontstane bijkomende aansprakelijkheid, voor zover die niet volgt uit nalatigheid van de vervrachter.
Artikel 2.6.1.69. Vervoerovereenkomst
De bevrachtingsovereenkomst wordt vermoed een beding te bevatten naar luid waarvan de cognossementen onderworpen zijn aan de Regels van Den Haag en Visby, en het passagiersvervoer aan het PAL-Verdrag.
Art. 2.6.1.68. Connaissements électroniques
A la demande de l'affréteur, les connaissements, lettres de voiture et ordres de livraison sont émis, signés et transmis sous format électronique.
Aux frais de l'affréteur, le fréteur doit prendre part à cet effet à un système commercial électronique.
L'affréteur doit garantir le fréteur contre une responsabilité supplémentaire liée à l'utilisation de ce système, pour autant que ceci ne résulte pas de la négligence du fréteur.
Article 2.6.1.69. Contrat de transport
Dans le contrat d'affrètement est présumé comporter une clause aux termes de laquelle que les connaissements sont soumis aux Règles de La Haye et Visby, et le transport de passagers à la Convention PAL.
A la demande de l'affréteur, les connaissements, lettres de voiture et ordres de livraison sont émis, signés et transmis sous format électronique.
Aux frais de l'affréteur, le fréteur doit prendre part à cet effet à un système commercial électronique.
L'affréteur doit garantir le fréteur contre une responsabilité supplémentaire liée à l'utilisation de ce système, pour autant que ceci ne résulte pas de la négligence du fréteur.
Article 2.6.1.69. Contrat de transport
Dans le contrat d'affrètement est présumé comporter une clause aux termes de laquelle que les connaissements sont soumis aux Règles de La Haye et Visby, et le transport de passagers à la Convention PAL.
Art. 2.6.1.70. Oorlog
§ 1. Ingeval de kapitein oordeelt dat het zeeschip op een plaats of in een gebied kan worden blootgesteld aan oorlogsrisico's of aan risico's van burgeroorlog, revolutie, terrorisme, blokkade of vergelijkbare gebeurtenissen, is hij niet verplicht zich daarheen te begeven en mag het zeeschip dergelijke plaats of gebied verlaten.
De kapitein is niet verplicht een blokkade te doorbreken of zich te begeven naar een gebied waar het kan worden geconfisceerd.
Ingeval het zeeschip zich begeeft naar een plaats of gebied als bedoeld in het eerste lid, moet de bevrachter aan de vervrachter de bijkomende verzekeringspremies terugbetalen, alsook de bijkomende lonen of vergoedingen van de bemanning.
§ 2. De kapitein moet :
1° gevolg geven aan de bevelen, aanbevelingen en raadgevingen van de vlagstaat of andere bevoegde overheden;
2° de vereisten naleven die worden opgelegd door de verzekeraar van de vervrachter;
3° resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties of andere bevoegde supranationale overheden naleven;
4° ingeval de bemanning of andere opvarenden kunnen worden aangehouden, een andere haven aanlopen of de bemanning vervangen.
§ 3. Ingeval de vervrachter weigert naar een laad- of loshaven te varen, moet hij de bevrachter daarvan op de hoogte stellen. De bevrachter mag alsdan een andere haven aanduiden. Bij gebreke daarvan mag de vervrachter de lading op kosten en risico van de bevrachter lossen in een veilige haven van zijn keuze.
§ 4. De bevrachter moet de vervrachter vrijwaren tegen alle vorderingen tot schadevergoeding op grond van een cognossement, vrachtbrief of ander vervoersdocument welke voortvloeien uit de koers die het zeeschip volgt in overeenstemming met de voorgaande paragrafen.
§ 5. Handelingen welke in overeenstemming met de voorgaande paragrafen wel of niet worden gesteld, gelden niet als koersafwijking.
§ 1. Ingeval de kapitein oordeelt dat het zeeschip op een plaats of in een gebied kan worden blootgesteld aan oorlogsrisico's of aan risico's van burgeroorlog, revolutie, terrorisme, blokkade of vergelijkbare gebeurtenissen, is hij niet verplicht zich daarheen te begeven en mag het zeeschip dergelijke plaats of gebied verlaten.
De kapitein is niet verplicht een blokkade te doorbreken of zich te begeven naar een gebied waar het kan worden geconfisceerd.
Ingeval het zeeschip zich begeeft naar een plaats of gebied als bedoeld in het eerste lid, moet de bevrachter aan de vervrachter de bijkomende verzekeringspremies terugbetalen, alsook de bijkomende lonen of vergoedingen van de bemanning.
§ 2. De kapitein moet :
1° gevolg geven aan de bevelen, aanbevelingen en raadgevingen van de vlagstaat of andere bevoegde overheden;
2° de vereisten naleven die worden opgelegd door de verzekeraar van de vervrachter;
3° resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties of andere bevoegde supranationale overheden naleven;
4° ingeval de bemanning of andere opvarenden kunnen worden aangehouden, een andere haven aanlopen of de bemanning vervangen.
§ 3. Ingeval de vervrachter weigert naar een laad- of loshaven te varen, moet hij de bevrachter daarvan op de hoogte stellen. De bevrachter mag alsdan een andere haven aanduiden. Bij gebreke daarvan mag de vervrachter de lading op kosten en risico van de bevrachter lossen in een veilige haven van zijn keuze.
§ 4. De bevrachter moet de vervrachter vrijwaren tegen alle vorderingen tot schadevergoeding op grond van een cognossement, vrachtbrief of ander vervoersdocument welke voortvloeien uit de koers die het zeeschip volgt in overeenstemming met de voorgaande paragrafen.
§ 5. Handelingen welke in overeenstemming met de voorgaande paragrafen wel of niet worden gesteld, gelden niet als koersafwijking.
Art. 2.6.1.70. Guerre
§ 1er. Si le capitaine estime que le navire de mer peut être exposé, à un endroit ou dans une zone, à des risques de guerre ou à des risques de guerre civile, de révolution, de terrorisme, de blocus ou d'événements comparables, il n'est pas tenu de s'y rendre, et le navire de mer peut quitter ledit lieu ou ladite zone.
Le capitaine n'est pas tenu de rompre un blocus ou de se rendre dans une zone où il risque d'être soumis à une confiscation.
Si le navire de mer se rend dans un lieu ou une zone tel que visé à l'alinéa 1er, l'affréteur doit rembourser au fréteur les primes d'assurance complémentaires, ainsi que les salaires ou indemnités additionnels de l'équipage.
§ 2. Le capitaine doit :
1° donner suite à des ordres, recommandations et conseils de l'Etat du pavillon ou d'autres autorités compétentes;
2° respecter les exigences imposées par l'assureur du fréteur;
3° respecter des résolutions du Conseil de sécurité des Nations Unies ou d'autres autorités supranationales compétentes;
4° si l'équipage ou d'autres personnes embarquées peuvent être appréhendés, faire escale dans un autre port ou remplacer l'équipage.
§ 3. Si le fréteur refuse de naviguer vers un port de chargement ou de déchargement, il doit en informer l'affréteur. L'affréteur peut alors désigner un autre port. A défaut de quoi, le fréteur peut décharger la cargaison aux frais et risques de l'affréteur dans un port sûr de son choix.
§ 4. L'affréteur doit garantir le fréteur contre toutes les créances d'indemnisation en vertu d'un connaissement, d'une lettre de voiture ou d'un autre document de transport qui résultent de la route suivie par le navire de mer conformément aux paragraphes précédents.
§ 5. Les actes posés ou non conformément aux paragraphes précédents ne sont pas considérés comme déroutement.
§ 1er. Si le capitaine estime que le navire de mer peut être exposé, à un endroit ou dans une zone, à des risques de guerre ou à des risques de guerre civile, de révolution, de terrorisme, de blocus ou d'événements comparables, il n'est pas tenu de s'y rendre, et le navire de mer peut quitter ledit lieu ou ladite zone.
Le capitaine n'est pas tenu de rompre un blocus ou de se rendre dans une zone où il risque d'être soumis à une confiscation.
Si le navire de mer se rend dans un lieu ou une zone tel que visé à l'alinéa 1er, l'affréteur doit rembourser au fréteur les primes d'assurance complémentaires, ainsi que les salaires ou indemnités additionnels de l'équipage.
§ 2. Le capitaine doit :
1° donner suite à des ordres, recommandations et conseils de l'Etat du pavillon ou d'autres autorités compétentes;
2° respecter les exigences imposées par l'assureur du fréteur;
3° respecter des résolutions du Conseil de sécurité des Nations Unies ou d'autres autorités supranationales compétentes;
4° si l'équipage ou d'autres personnes embarquées peuvent être appréhendés, faire escale dans un autre port ou remplacer l'équipage.
§ 3. Si le fréteur refuse de naviguer vers un port de chargement ou de déchargement, il doit en informer l'affréteur. L'affréteur peut alors désigner un autre port. A défaut de quoi, le fréteur peut décharger la cargaison aux frais et risques de l'affréteur dans un port sûr de son choix.
§ 4. L'affréteur doit garantir le fréteur contre toutes les créances d'indemnisation en vertu d'un connaissement, d'une lettre de voiture ou d'un autre document de transport qui résultent de la route suivie par le navire de mer conformément aux paragraphes précédents.
§ 5. Les actes posés ou non conformément aux paragraphes précédents ne sont pas considérés comme déroutement.
Art. 2.6.1.71. IJs
Het zeeschip moet zich geen weg banen door het ijs. Ingeval de vervrachter daarmee instemt mag het evenwel ijsbrekers volgen.
Het zeeschip kan niet worden verplicht een niet-ijsvrije haven of een niet-ijsvrij gebied in te varen of er te verblijven.
Het zeeschip moet zich geen weg banen door het ijs. Ingeval de vervrachter daarmee instemt mag het evenwel ijsbrekers volgen.
Het zeeschip kan niet worden verplicht een niet-ijsvrije haven of een niet-ijsvrij gebied in te varen of er te verblijven.
Art. 2.6.1.71. Glaces
Le navire de mer ne doit pas se frayer de chemin à travers les glaces. Si le fréteur marque son accord, il peut toutefois suivre des brise-glaces.
Le navire de mer ne peut pas être forcé de naviguer dans un port ou une zone non libre de glaces ou d'y séjourner.
Le navire de mer ne doit pas se frayer de chemin à travers les glaces. Si le fréteur marque son accord, il peut toutefois suivre des brise-glaces.
Le navire de mer ne peut pas être forcé de naviguer dans un port ou une zone non libre de glaces ou d'y séjourner.
Art. 2.6.1.72. Opeising
Ingeval het zeeschip door de vlagstaat of een andere bevoegde overheid wordt opgeëist, treedt een huurprijsonderbreking in en komt de desgevallend door de vlagstaat of andere bevoegde overheid betaalde huurprijs toe aan de vervrachter. De duur van de opeising telt mee als duurtijd van de bevrachting.
Ingeval de opeising langer duurt dan negentig dagen, mag elke partij de bevrachtingsovereenkomst beëindigen, zonder dat schadevergoeding verschuldigd is.
Ingeval het zeeschip door de vlagstaat of een andere bevoegde overheid wordt opgeëist, treedt een huurprijsonderbreking in en komt de desgevallend door de vlagstaat of andere bevoegde overheid betaalde huurprijs toe aan de vervrachter. De duur van de opeising telt mee als duurtijd van de bevrachting.
Ingeval de opeising langer duurt dan negentig dagen, mag elke partij de bevrachtingsovereenkomst beëindigen, zonder dat schadevergoeding verschuldigd is.
Art. 2.6.1.72. Réquisition
Si le navire de mer est réquisitionné par l'Etat du pavillon ou une autre autorité compétente, une interruption du paiement du loyer s'applique et le loyer payé par l'Etat du pavillon ou une autre autorité compétente revient le cas échéant au fréteur. La durée de la réquisition fait partie de la durée de l'affrètement.
Si la réquisition dure plus de quatre-vingt-dix jours, chaque partie peut résilier le contrat d'affrètement, sans qu'une indemnité ne soit due.
Si le navire de mer est réquisitionné par l'Etat du pavillon ou une autre autorité compétente, une interruption du paiement du loyer s'applique et le loyer payé par l'Etat du pavillon ou une autre autorité compétente revient le cas échéant au fréteur. La durée de la réquisition fait partie de la durée de l'affrètement.
Si la réquisition dure plus de quatre-vingt-dix jours, chaque partie peut résilier le contrat d'affrètement, sans qu'une indemnité ne soit due.
Art. 2.6.1.73. Stuwadoorsschade
De bevrachter moet de schade vergoeden die aan het schip wordt berokkend door stuwadoors, op voorwaarde dat de kapitein de bevrachter of zijn vertegenwoordiger ten laatste vierentwintig uur nadat de schade is ontstaan, daar schriftelijk van op de hoogte stelt. In geval van verborgen schade moet de kennisgeving ten laatste gebeuren op het ogenblik dat ze bij behoorlijke zorg ontdekt kon worden. De kennisgeving moet de schade nauwkeurig beschrijven en de bevrachter moet worden uitgenodigd een deskundige aan te stellen om de omvang van de schade vast te stellen.
Ingeval de schade de zeewaardigheid, de veiligheid van de bemanning of de bedrijfsklaarheid van het zeeschip in het gedrang brengt, moet de bevrachter onmiddellijk en op zijn kosten overgaan tot herstellingen, tijdens welke geen huurprijsonderbreking intreedt.
De bevrachter moet de schade vergoeden die aan het schip wordt berokkend door stuwadoors, op voorwaarde dat de kapitein de bevrachter of zijn vertegenwoordiger ten laatste vierentwintig uur nadat de schade is ontstaan, daar schriftelijk van op de hoogte stelt. In geval van verborgen schade moet de kennisgeving ten laatste gebeuren op het ogenblik dat ze bij behoorlijke zorg ontdekt kon worden. De kennisgeving moet de schade nauwkeurig beschrijven en de bevrachter moet worden uitgenodigd een deskundige aan te stellen om de omvang van de schade vast te stellen.
Ingeval de schade de zeewaardigheid, de veiligheid van de bemanning of de bedrijfsklaarheid van het zeeschip in het gedrang brengt, moet de bevrachter onmiddellijk en op zijn kosten overgaan tot herstellingen, tijdens welke geen huurprijsonderbreking intreedt.
Art. 2.6.1.73. Dommages occasionnés par des manutentionnaires
L'affréteur doit indemniser les dommages occasionnés au navire par des manutentionnaires, à la condition que le capitaine en informe par écrit l'affréteur ou son représentant au plus tard dans les vingt-quatre heures du préjudice. En cas de vices cachés, la notification doit avoir lieu au plus tard au moment où ils ont pu être découverts en diligence raisonnable. La notification doit décrire précisément les dommages et l'affréteur doit être invité à désigner un expert pour constater l'ampleur du préjudice.
Si les dommages mettent en péril la navigabilité, la sécurité de l'équipage ou l'opérationnalité du navire de mer, l'affréteur doit procéder immédiatement et à ses frais à des réparations, pendant lesquelles aucune interruption de prix du loyer ne s'applique.
L'affréteur doit indemniser les dommages occasionnés au navire par des manutentionnaires, à la condition que le capitaine en informe par écrit l'affréteur ou son représentant au plus tard dans les vingt-quatre heures du préjudice. En cas de vices cachés, la notification doit avoir lieu au plus tard au moment où ils ont pu être découverts en diligence raisonnable. La notification doit décrire précisément les dommages et l'affréteur doit être invité à désigner un expert pour constater l'ampleur du préjudice.
Si les dommages mettent en péril la navigabilité, la sécurité de l'équipage ou l'opérationnalité du navire de mer, l'affréteur doit procéder immédiatement et à ses frais à des réparations, pendant lesquelles aucune interruption de prix du loyer ne s'applique.
Art. 2.6.1.74. Vertraagd varen
De bevrachter mag de kapitein, onder voorbehoud van diens verplichtingen in verband met de veiligheid en het milieu, onderrichtingen in verband met vertraagd varen geven.
De vervrachter moet behoorlijke zorg aanwenden opdat het brandstofverbruik van het zeeschip wordt beperkt.
De vervrachter en de bevrachter moeten in verband met de beperking van het brandstofverbruik hun bevindingen en goede praktijken met elkaar delen.
De bevrachter moet ervoor zorgen dat de voorgaande leden of vergelijkbare bepalingen worden opgenomen in onderbevrachtingsovereenkomsten en vervoerovereenkomsten.
De bevrachter mag de kapitein, onder voorbehoud van diens verplichtingen in verband met de veiligheid en het milieu, onderrichtingen in verband met vertraagd varen geven.
De vervrachter moet behoorlijke zorg aanwenden opdat het brandstofverbruik van het zeeschip wordt beperkt.
De vervrachter en de bevrachter moeten in verband met de beperking van het brandstofverbruik hun bevindingen en goede praktijken met elkaar delen.
De bevrachter moet ervoor zorgen dat de voorgaande leden of vergelijkbare bepalingen worden opgenomen in onderbevrachtingsovereenkomsten en vervoerovereenkomsten.
Art. 2.6.1.74. Navigation à vitesse réduite
L'affréteur peut, sous réserve de ses obligations en lien avec la sécurité et l'environnement, donner au capitaine des instructions relatives à la navigation à vitesse réduite.
Le fréteur doit apporter la diligence nécessaire pour que la consommation de carburant du navire de mer soit limitée.
Le fréteur et l'affréteur doivent, par rapport à la limitation de consommation de carburant, se partager mutuellement leurs conclusions et bonnes pratiques.
L'affréteur doit veiller à ce que les alinéas précédents ou dispositions comparables soient repris dans des contrats de sous-affrètement et dans des contrats de transport.
L'affréteur peut, sous réserve de ses obligations en lien avec la sécurité et l'environnement, donner au capitaine des instructions relatives à la navigation à vitesse réduite.
Le fréteur doit apporter la diligence nécessaire pour que la consommation de carburant du navire de mer soit limitée.
Le fréteur et l'affréteur doivent, par rapport à la limitation de consommation de carburant, se partager mutuellement leurs conclusions et bonnes pratiques.
L'affréteur doit veiller à ce que les alinéas précédents ou dispositions comparables soient repris dans des contrats de sous-affrètement et dans des contrats de transport.
Art. 2.6.1.75. Piraterij
§ 1. Ingeval de kapitein oordeelt dat het zeeschip op een plaats of in een gebied kan worden blootgesteld aan piraterij, gewelddadige roof of buitmaking, is hij niet verplicht zich daarheen te begeven, en mag het zeeschip dergelijke plaats of gebied verlaten.
§ 2. Ingeval de vervrachter weigert naar een plaats of gebied als bedoeld in paragraaf 1 te varen, moet hij de bevrachter daarvan op de hoogte stellen. De bevrachter mag alsdan andere reisonderrichtingen geven en moet de vervrachter vrijwaren tegen vorderingen van cognossementhouders. Tijdverlies veroorzaakt door aan deze onderrichtingen gevolg te geven leidt niet tot een huurprijsonderbreking.
§ 3. Het zeeschip moet :
1° redelijke preventieve maatregelen nemen ter bescherming van het zeeschip, de bemanning en de lading, inbegrepen het bepalen van een nieuwe koers, konvooivaren, escortering, niet overdag of 's nachts varen, het aanpassen van de snelheid of de koers, het inschepen van beveiligingspersoneel of het aanbrengen van uitrusting;
2° de vereisten naleven die worden opgelegd door de verzekeraar van de vervrachter;
3° gevolg geven aan de bevelen, aanbevelingen en raadgevingen van de vlagstaat of andere bevoegde overheden;
4° resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties of andere bevoegde supranationale overheden naleven;
De bevrachter moet de vervrachter vrijwaren tegen vorderingen van cognossementhouders of derden welke voortvloeien uit de koers die het schip in overeenstemming met de voorgaande paragrafen volgt, tenzij ingeval bijkomende verzekeringsdekking geldt.
§ 4. Ingeval het zeeschip zich begeeft naar een plaats of gebied als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, zijn de bijkomende kosten en kosten van preventieve maatregelen voor rekening van de bevrachter, en moet deze laatste de bijkomende lonen of vergoedingen van de bemanning alsook de bijkomende verzekeringspremies terugbetalen.
§ 5. Ingeval het zeeschip wordt aangevallen door piraten is tijdverlies voor rekening van de bevrachter en treedt geen huurprijsonderbreking in.
Ingeval het zeeschip door piraten wordt genomen moet de vervrachter de bevrachter op de hoogte houden van de pogingen om het schip vrij te krijgen. Het zeeschip blijft in huur en de bevrachter blijft gehouden door zijn verplichtingen, met dien verstande dat hij geen huurprijs verschuldigd is van de eenennegentigste dag na de neming van het zeeschip tot de vrijlating ervan, en dat de bevrachter niet aansprakelijk is voor laattijdige teruggave.
§ 6. Handelingen welke in overeenstemming met de voorgaande paragrafen wel of niet worden gesteld, gelden niet als koersafwijking.
§ 1. Ingeval de kapitein oordeelt dat het zeeschip op een plaats of in een gebied kan worden blootgesteld aan piraterij, gewelddadige roof of buitmaking, is hij niet verplicht zich daarheen te begeven, en mag het zeeschip dergelijke plaats of gebied verlaten.
§ 2. Ingeval de vervrachter weigert naar een plaats of gebied als bedoeld in paragraaf 1 te varen, moet hij de bevrachter daarvan op de hoogte stellen. De bevrachter mag alsdan andere reisonderrichtingen geven en moet de vervrachter vrijwaren tegen vorderingen van cognossementhouders. Tijdverlies veroorzaakt door aan deze onderrichtingen gevolg te geven leidt niet tot een huurprijsonderbreking.
§ 3. Het zeeschip moet :
1° redelijke preventieve maatregelen nemen ter bescherming van het zeeschip, de bemanning en de lading, inbegrepen het bepalen van een nieuwe koers, konvooivaren, escortering, niet overdag of 's nachts varen, het aanpassen van de snelheid of de koers, het inschepen van beveiligingspersoneel of het aanbrengen van uitrusting;
2° de vereisten naleven die worden opgelegd door de verzekeraar van de vervrachter;
3° gevolg geven aan de bevelen, aanbevelingen en raadgevingen van de vlagstaat of andere bevoegde overheden;
4° resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties of andere bevoegde supranationale overheden naleven;
De bevrachter moet de vervrachter vrijwaren tegen vorderingen van cognossementhouders of derden welke voortvloeien uit de koers die het schip in overeenstemming met de voorgaande paragrafen volgt, tenzij ingeval bijkomende verzekeringsdekking geldt.
§ 4. Ingeval het zeeschip zich begeeft naar een plaats of gebied als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, zijn de bijkomende kosten en kosten van preventieve maatregelen voor rekening van de bevrachter, en moet deze laatste de bijkomende lonen of vergoedingen van de bemanning alsook de bijkomende verzekeringspremies terugbetalen.
§ 5. Ingeval het zeeschip wordt aangevallen door piraten is tijdverlies voor rekening van de bevrachter en treedt geen huurprijsonderbreking in.
Ingeval het zeeschip door piraten wordt genomen moet de vervrachter de bevrachter op de hoogte houden van de pogingen om het schip vrij te krijgen. Het zeeschip blijft in huur en de bevrachter blijft gehouden door zijn verplichtingen, met dien verstande dat hij geen huurprijs verschuldigd is van de eenennegentigste dag na de neming van het zeeschip tot de vrijlating ervan, en dat de bevrachter niet aansprakelijk is voor laattijdige teruggave.
§ 6. Handelingen welke in overeenstemming met de voorgaande paragrafen wel of niet worden gesteld, gelden niet als koersafwijking.
Art. 2.6.1.75. Piraterie
§ 1er. Si le capitaine estime que le navire de mer peut être exposé, à un endroit ou dans une zone, à la piraterie, au pillage avec violence ou à au détournement, il n'est pas tenu de s'y rendre, et peut laisser le navire de mer audit lieu ou dans ladite zone.
§ 2. Si le fréteur refuse de se rendre à un lieu ou dans une zone visé au paragraphe 1er, il doit en informer l'affréteur. L'affréteur peut alors donner d'autres instructions de voyage et doit garantir le fréteur contre les réclamations de porteurs de connaissement. La perte de temps causée en donnant suite à ces instructions n'entraîne pas une interruption du paiement du loyer.
§ 3. Le navire de mer doit :
1° prendre des mesures préventives raisonnables pour protéger le navire de mer, l'équipage et la cargaison, y compris la détermination d'une nouvelle route, le convoiement, l'escorte, la non-navigation de jour ou de nuit, l'adaptation de la vitesse ou de la route, l'embarquement de personnel de sécurité ou l'apport d'équipements;
2° respecter les exigences imposées par l'assureur du fréteur;
3° donner suite à des ordres, recommandations et conseils de l'Etat du pavillon ou d'autres autorités compétentes;
4° respecter des résolutions du Conseil de sécurité des Nations Unies ou d'autres autorités supranationales compétentes;
L'affréteur doit garantir le fréteur contre les réclamations de porteurs de connaissement ou de tiers qui découlent de la route suivie par le navire conformément aux paragraphes précédents, sauf en cas de couverture d'assurance additionnelle.
§ 4. Si le navire de mer se rend vers un lieu ou une zone tel que visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, les frais supplémentaires et coûts de mesures préventives sont pour le compte de l'affréteur, et ce dernier doit rembourser les salaires ou indemnités complémentaires de l'équipage ainsi que les primes d'assurance additionnelles.
§ 5. Si le navire de mer est pris d'assaut par des pirates, la perte de temps est pour le compte de l'affréteur et aucune interruption du paiement du loyer ne s'applique.
Si le navire de mer est pris d'assaut par des pirates, le fréteur doit informer l'affréteur des tentatives de délivrance du navire. Le navire de mer reste en location et l'affréteur reste tenu par ses obligations, étant entendu qu'il ne doit aucun loyer du quatre-vingt onzième jour qui suit la prise d'assaut du navire de mer jusqu'à sa délivrance, et que l'affréteur n'est pas responsable d'une restitution tardive.
§ 6. Les actes posés ou non conformément aux paragraphes précédents ne sont pas considérés comme déroutement.
§ 1er. Si le capitaine estime que le navire de mer peut être exposé, à un endroit ou dans une zone, à la piraterie, au pillage avec violence ou à au détournement, il n'est pas tenu de s'y rendre, et peut laisser le navire de mer audit lieu ou dans ladite zone.
§ 2. Si le fréteur refuse de se rendre à un lieu ou dans une zone visé au paragraphe 1er, il doit en informer l'affréteur. L'affréteur peut alors donner d'autres instructions de voyage et doit garantir le fréteur contre les réclamations de porteurs de connaissement. La perte de temps causée en donnant suite à ces instructions n'entraîne pas une interruption du paiement du loyer.
§ 3. Le navire de mer doit :
1° prendre des mesures préventives raisonnables pour protéger le navire de mer, l'équipage et la cargaison, y compris la détermination d'une nouvelle route, le convoiement, l'escorte, la non-navigation de jour ou de nuit, l'adaptation de la vitesse ou de la route, l'embarquement de personnel de sécurité ou l'apport d'équipements;
2° respecter les exigences imposées par l'assureur du fréteur;
3° donner suite à des ordres, recommandations et conseils de l'Etat du pavillon ou d'autres autorités compétentes;
4° respecter des résolutions du Conseil de sécurité des Nations Unies ou d'autres autorités supranationales compétentes;
L'affréteur doit garantir le fréteur contre les réclamations de porteurs de connaissement ou de tiers qui découlent de la route suivie par le navire conformément aux paragraphes précédents, sauf en cas de couverture d'assurance additionnelle.
§ 4. Si le navire de mer se rend vers un lieu ou une zone tel que visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, les frais supplémentaires et coûts de mesures préventives sont pour le compte de l'affréteur, et ce dernier doit rembourser les salaires ou indemnités complémentaires de l'équipage ainsi que les primes d'assurance additionnelles.
§ 5. Si le navire de mer est pris d'assaut par des pirates, la perte de temps est pour le compte de l'affréteur et aucune interruption du paiement du loyer ne s'applique.
Si le navire de mer est pris d'assaut par des pirates, le fréteur doit informer l'affréteur des tentatives de délivrance du navire. Le navire de mer reste en location et l'affréteur reste tenu par ses obligations, étant entendu qu'il ne doit aucun loyer du quatre-vingt onzième jour qui suit la prise d'assaut du navire de mer jusqu'à sa délivrance, et que l'affréteur n'est pas responsable d'une restitution tardive.
§ 6. Les actes posés ou non conformément aux paragraphes précédents ne sont pas considérés comme déroutement.
Art. 2.6.1.76. Arbeidsonderbrekingen
In geval van staking, arbeidsonderbreking, boycot of enige andere moeilijkheid in verband met de tewerkstelling van de bemanning, geldt het tijdverlies als huurprijsonderbreking.
In geval van staking, arbeidsonderbreking, boycot of enige andere moeilijkheid in verband met de tewerkstelling van de bemanning, geldt het tijdverlies als huurprijsonderbreking.
Art. 2.6.1.76. Interruptions de travail
En cas de grève, d'interruption de travail, de boycott ou de tout autre problème en lien avec l'occupation de l'équipage, la perte de temps vaut interruption du paiement du loyer.
En cas de grève, d'interruption de travail, de boycott ou de tout autre problème en lien avec l'occupation de l'équipage, la perte de temps vaut interruption du paiement du loyer.
Art. 2.6.1.77. Verstekelingen
§ 1. Ingeval verstekelingen zich aan boord begeven door zich te verbergen in de lading, in laadkisten of met een ander middel in verband met ladingbehandeling, geldt zulks als een schending van de overeenkomst, waarvoor de bevrachter aansprakelijk is. De bevrachter moet de vervrachter vrijwaren tegen alle vorderingen, kosten, met inbegrip van levensonderhoud en repatriëring, verliezen en boetes. De bevrachter moet de vervrachter van de nodige sommen voorzien om borgsommen of zekerheden te verschaffen. De huurprijs blijft gedurende het tijdverlies verschuldigd.
§ 2. In andere gevallen dan deze bedoeld in paragraaf 1 geldt het aan boord komen van verstekelingen als een schending van de overeenkomst, waarvoor de vervrachter aansprakelijk is. De vervrachter moet de bevrachter vrijwaren tegen alle vorderingen, kosten, verliezen en boetes, en het tijdverlies geldt als huurprijsonderbreking.
§ 1. Ingeval verstekelingen zich aan boord begeven door zich te verbergen in de lading, in laadkisten of met een ander middel in verband met ladingbehandeling, geldt zulks als een schending van de overeenkomst, waarvoor de bevrachter aansprakelijk is. De bevrachter moet de vervrachter vrijwaren tegen alle vorderingen, kosten, met inbegrip van levensonderhoud en repatriëring, verliezen en boetes. De bevrachter moet de vervrachter van de nodige sommen voorzien om borgsommen of zekerheden te verschaffen. De huurprijs blijft gedurende het tijdverlies verschuldigd.
§ 2. In andere gevallen dan deze bedoeld in paragraaf 1 geldt het aan boord komen van verstekelingen als een schending van de overeenkomst, waarvoor de vervrachter aansprakelijk is. De vervrachter moet de bevrachter vrijwaren tegen alle vorderingen, kosten, verliezen en boetes, en het tijdverlies geldt als huurprijsonderbreking.
Art. 2.6.1.77. Passagers clandestins
§ 1er. Le fait que des passagers clandestins embarquent en se cachant dans la cargaison, dans des conteneurs ou par un autre moyen en lien avec la manutention de la cargaison vaut violation du contrat, dont l'affréteur est responsable. L'affréteur doit garantir le fréteur contre l'ensemble des créances, des frais, vivres et rapatriement compris, des pertes et des amendes. L'affréteur doit fournir au fréteur les sommes nécessaires à l'acquisition de cautions ou de sûretés. Le loyer reste redevable pendant la perte de temps.
§ 2. Dans des cas autres que ceux visés au paragraphe 1er, la montée à bord de passagers clandestins vaut violation du contrat, dont le fréteur est responsable. Le fréteur doit garantir l'affréteur contre l'ensemble des créances, frais, pertes et amendes, la perte de temps valant interruption du paiement du loyer.
§ 1er. Le fait que des passagers clandestins embarquent en se cachant dans la cargaison, dans des conteneurs ou par un autre moyen en lien avec la manutention de la cargaison vaut violation du contrat, dont l'affréteur est responsable. L'affréteur doit garantir le fréteur contre l'ensemble des créances, des frais, vivres et rapatriement compris, des pertes et des amendes. L'affréteur doit fournir au fréteur les sommes nécessaires à l'acquisition de cautions ou de sûretés. Le loyer reste redevable pendant la perte de temps.
§ 2. Dans des cas autres que ceux visés au paragraphe 1er, la montée à bord de passagers clandestins vaut violation du contrat, dont le fréteur est responsable. Le fréteur doit garantir l'affréteur contre l'ensemble des créances, frais, pertes et amendes, la perte de temps valant interruption du paiement du loyer.
Art. 2.6.1.78. Smokkel
§ 1. Ingeval de kapitein of bemanningsleden zich schuldig maken aan smokkel, geldt zulks als een schending van de overeenkomst, waarvoor de vervrachter aansprakelijk is. De vervrachter moet de bevrachter vrijwaren tegen alle vorderingen, kosten, verliezen en boetes, en het tijdverlies geldt als huurprijsonderbreking.
§ 2. Ingeval niet als lading opgegeven verdovende middelen of andere onwettige stoffen aan boord worden verborgen in de lading, in laadkisten of met een ander middel in verband met ladingbehandeling, geldt zulks als een schending van de overeenkomst, waarvoor de bevrachter aansprakelijk is. De bevrachter moet de vervrachter vrijwaren tegen alle vorderingen, kosten, verliezen en boetes. De bevrachter moet de vervrachter van de nodige sommen voorzien om borgsommen of zekerheden te verschaffen. Het zeeschip blijft gedurende het tijdverlies in huur.
§ 1. Ingeval de kapitein of bemanningsleden zich schuldig maken aan smokkel, geldt zulks als een schending van de overeenkomst, waarvoor de vervrachter aansprakelijk is. De vervrachter moet de bevrachter vrijwaren tegen alle vorderingen, kosten, verliezen en boetes, en het tijdverlies geldt als huurprijsonderbreking.
§ 2. Ingeval niet als lading opgegeven verdovende middelen of andere onwettige stoffen aan boord worden verborgen in de lading, in laadkisten of met een ander middel in verband met ladingbehandeling, geldt zulks als een schending van de overeenkomst, waarvoor de bevrachter aansprakelijk is. De bevrachter moet de vervrachter vrijwaren tegen alle vorderingen, kosten, verliezen en boetes. De bevrachter moet de vervrachter van de nodige sommen voorzien om borgsommen of zekerheden te verschaffen. Het zeeschip blijft gedurende het tijdverlies in huur.
Art. 2.6.1.78. Contrebande
§ 1er. Le fait que le capitaine ou les membres de l'équipage se rendent coupables de contrebande vaut violation du contrat, dont le fréteur est responsable. Le fréteur doit garantir l'affréteur contre l'ensemble des créances, frais, pertes et amendes, la perte de temps valant interruption du paiement du loyer.
§ 2. Si des stupéfiants ou d'autres substances illicites non déclarées comme cargaison sont cachés à bord de la cargaison, dans des conteneurs ou par un autre moyen en lien avec la manutention de la cargaison, ceci vaut violation du contrat, dont l'affréteur est responsable. L'affréteur doit garantir le fréteur contre l'ensemble des créances, frais, pertes et amendes. L'affréteur doit fournir au fréteur les sommes nécessaires à l'acquisition de cautions ou de sûretés. Le navire de mer reste en location pendant la perte de temps.
§ 1er. Le fait que le capitaine ou les membres de l'équipage se rendent coupables de contrebande vaut violation du contrat, dont le fréteur est responsable. Le fréteur doit garantir l'affréteur contre l'ensemble des créances, frais, pertes et amendes, la perte de temps valant interruption du paiement du loyer.
§ 2. Si des stupéfiants ou d'autres substances illicites non déclarées comme cargaison sont cachés à bord de la cargaison, dans des conteneurs ou par un autre moyen en lien avec la manutention de la cargaison, ceci vaut violation du contrat, dont l'affréteur est responsable. L'affréteur doit garantir le fréteur contre l'ensemble des créances, frais, pertes et amendes. L'affréteur doit fournir au fréteur les sommes nécessaires à l'acquisition de cautions ou de sûretés. Le navire de mer reste en location pendant la perte de temps.
Art. 2.6.1.79. ISM-Code
De vervrachter moet ervoor zorgen dat het zeeschip en de rederij voldoen aan de ISM-Code. Desgevraagd moet hij de bevrachter een afschrift van de overeenkomstig die code uitgereikte certificaten en andere stukken bezorgen. Verlies, schade, kosten en vertraging welke te wijten zijn aan het niet naleven van de ISM-Code, zijn voor rekening van de vervrachter.
De vervrachter moet ervoor zorgen dat het zeeschip en de rederij voldoen aan de ISM-Code. Desgevraagd moet hij de bevrachter een afschrift van de overeenkomstig die code uitgereikte certificaten en andere stukken bezorgen. Verlies, schade, kosten en vertraging welke te wijten zijn aan het niet naleven van de ISM-Code, zijn voor rekening van de vervrachter.
Art. 2.6.1.79. Code ISM
Le fréteur doit veiller à ce que le navire de mer et la compagnie maritime répondent au Code ISM. Sur demande, il doit fournir à l'affréteur une copie des certificats et autres pièces délivrés conformément à ce code. La perte, les dommages, les frais et le retard dus au non-respect du Code ISM sont pour le compte du fréteur.
Le fréteur doit veiller à ce que le navire de mer et la compagnie maritime répondent au Code ISM. Sur demande, il doit fournir à l'affréteur une copie des certificats et autres pièces délivrés conformément à ce code. La perte, les dommages, les frais et le retard dus au non-respect du Code ISM sont pour le compte du fréteur.
Art. 2.6.1.80. ISPS-Code
De vervrachter moet de ISPS-Code naleven. Desgevraagd moet hij de bevrachter een afschrift van de overeenkomstig die code uitgereikte certificaten en de contactgegevens van de beveiligingsverantwoordelijke van de reder bezorgen. Verlies, schade, kosten en vertraging welke te wijten zijn aan het niet naleven van de ISPS-Code, zijn voor rekening van de vervrachter.
De bevrachter moet de vervrachter zijn contactgegevens bezorgen alsook alle andere gegevens welke nodig zijn om de ISPS-Code na te leven.
Alle vertraging en onkosten ontstaan in verband met de regels en maatregelen betreffende beveiliging, inbegrepen bewakers, boten, scheepsescortes, vergoedingen, heffingen en inspecties, zijn voor rekening van de bevrachter, tenzij ze uitsluitend het gevolg zijn van nalatigheid van de vervrachter.
De vervrachter moet de ISPS-Code naleven. Desgevraagd moet hij de bevrachter een afschrift van de overeenkomstig die code uitgereikte certificaten en de contactgegevens van de beveiligingsverantwoordelijke van de reder bezorgen. Verlies, schade, kosten en vertraging welke te wijten zijn aan het niet naleven van de ISPS-Code, zijn voor rekening van de vervrachter.
De bevrachter moet de vervrachter zijn contactgegevens bezorgen alsook alle andere gegevens welke nodig zijn om de ISPS-Code na te leven.
Alle vertraging en onkosten ontstaan in verband met de regels en maatregelen betreffende beveiliging, inbegrepen bewakers, boten, scheepsescortes, vergoedingen, heffingen en inspecties, zijn voor rekening van de bevrachter, tenzij ze uitsluitend het gevolg zijn van nalatigheid van de vervrachter.
Art. 2.6.1.80. Code ISPS
Le fréteur doit respecter le Code ISPS. Sur demande, il doit fournir à l'affréteur une copie des certificats délivrés conformément au présent code et les coordonnées du responsable de sécurité de l'armateur. La perte, les dommages, les frais et le retard dû au non-respect du Code ISPS sont pour le compte du fréteur.
L'affréteur doit fournir au fréteur ses coordonnées ainsi que toutes les autres données nécessaires au respect du Code ISPS.
Le retard et tous les frais liés aux règles et mesures relatives à la protection, y compris les surveillants, bateaux, escortes de navire, indemnités, prélèvements et inspections, sont pour le compte de l'affréteur, sauf s'ils résultent exclusivement de la négligence du fréteur.
Le fréteur doit respecter le Code ISPS. Sur demande, il doit fournir à l'affréteur une copie des certificats délivrés conformément au présent code et les coordonnées du responsable de sécurité de l'armateur. La perte, les dommages, les frais et le retard dû au non-respect du Code ISPS sont pour le compte du fréteur.
L'affréteur doit fournir au fréteur ses coordonnées ainsi que toutes les autres données nécessaires au respect du Code ISPS.
Le retard et tous les frais liés aux règles et mesures relatives à la protection, y compris les surveillants, bateaux, escortes de navire, indemnités, prélèvements et inspections, sont pour le compte de l'affréteur, sauf s'ils résultent exclusivement de la négligence du fréteur.
Art. 2.6.1.81. Sancties
De vervrachter moet geen gevolg geven aan onderrichtingen om het zeeschip in te zetten voor vervoer, handel of een reis ingeval zulks het zeeschip, de scheepseigenaar, de reder, de bemanning, de verzekeraar of de herverzekeraar zou blootstellen aan sancties opgelegd door een nationale, internationale of supranationale overheid.
Ingeval het zeeschip toch wordt ingezet, mag de vervrachter daar een einde aan stellen. De bevrachter is gehouden binnen de achtenveertig uur na de mededeling door de vervrachter andere reisonderrichtingen geven. Ingeval de bevrachter dat niet doet, mag de vervrachter het zeeschip in elke veilige haven lossen. Er treedt geen huurprijsonderbreking in en alle bijkomende kosten zijn voor rekening van de bevrachter.
De bevrachter moet de vervrachter vrijwaren tegen alle vorderingen van ladingeigenaars, cognossementhouders en onderbevrachters wegens de uitvoering van andere reisonderrichtingen of het afleveren van de lading overeenkomstig het vorige lid.
De vervrachter moet geen gevolg geven aan onderrichtingen om het zeeschip in te zetten voor vervoer, handel of een reis ingeval zulks het zeeschip, de scheepseigenaar, de reder, de bemanning, de verzekeraar of de herverzekeraar zou blootstellen aan sancties opgelegd door een nationale, internationale of supranationale overheid.
Ingeval het zeeschip toch wordt ingezet, mag de vervrachter daar een einde aan stellen. De bevrachter is gehouden binnen de achtenveertig uur na de mededeling door de vervrachter andere reisonderrichtingen geven. Ingeval de bevrachter dat niet doet, mag de vervrachter het zeeschip in elke veilige haven lossen. Er treedt geen huurprijsonderbreking in en alle bijkomende kosten zijn voor rekening van de bevrachter.
De bevrachter moet de vervrachter vrijwaren tegen alle vorderingen van ladingeigenaars, cognossementhouders en onderbevrachters wegens de uitvoering van andere reisonderrichtingen of het afleveren van de lading overeenkomstig het vorige lid.
Art. 2.6.1.81. Sanctions
Le fréteur ne doit pas donner de suite aux instructions pour exploiter le navire de mer en vue du transport, du commerce ou d'un voyage si ceci vient à exposer le navire de mer, le propriétaire de navire, l'armateur, l'équipage, l'assureur ou le réassureur à des sanctions infligées par une autorité nationale, internationale ou supranationale.
Si le navire de mer est quand-même exploité de la sorte, le fréteur peut y mettre fin. L'affréteur doit, dans les quarante-huit heures qui suivent la communication par le fréteur, donner d'autres instructions de voyage. Si l'affréteur ne le fait pas, le fréteur peut décharger le navire de mer dans n'importe quel port sûr. Aucune interruption du paiement du loyer ne s'applique et tous les frais supplémentaires sont pour le compte de l'affréteur.
L'affréteur doit garantir le fréteur contre toutes les réclamations de propriétaires de cargaison, porteurs de connaissement et sous-affréteurs en raison de l'exécution d'autres instructions de voyage ou de la délivrance de la cargaison conformément à l'alinéa précédent.
Le fréteur ne doit pas donner de suite aux instructions pour exploiter le navire de mer en vue du transport, du commerce ou d'un voyage si ceci vient à exposer le navire de mer, le propriétaire de navire, l'armateur, l'équipage, l'assureur ou le réassureur à des sanctions infligées par une autorité nationale, internationale ou supranationale.
Si le navire de mer est quand-même exploité de la sorte, le fréteur peut y mettre fin. L'affréteur doit, dans les quarante-huit heures qui suivent la communication par le fréteur, donner d'autres instructions de voyage. Si l'affréteur ne le fait pas, le fréteur peut décharger le navire de mer dans n'importe quel port sûr. Aucune interruption du paiement du loyer ne s'applique et tous les frais supplémentaires sont pour le compte de l'affréteur.
L'affréteur doit garantir le fréteur contre toutes les réclamations de propriétaires de cargaison, porteurs de connaissement et sous-affréteurs en raison de l'exécution d'autres instructions de voyage ou de la délivrance de la cargaison conformément à l'alinéa précédent.
Art. 2.6.1.82. Gesanctioneerde entiteiten
§ 1. De vervrachter en de bevrachter waarborgen tegenover elkaar dat zij noch het zeeschip geen voorwerp is van sancties, verboden of beperkingen opgelegd door resoluties van de Verenigde Naties, de Europese Unie of andere desgevallend door de partijen aangeduide overheden. De bevrachter waarborgt zulks mede wat onderbevrachters, verzenders, ontvangers en ladingbelanghebbenden betreft.
Ingeval van schending van het vorige lid moet de andere partij de wetten en verordeningen van de bevoegde overheid naleven en gevolg geven aan de door haar gegeven onderrichtingen; bij gebreke daarvan mag zij de overeenkomst op staande voet beëindigen of, ingeval lading aan boord is, deze lossen in een veilige haven van haar keuze.
§ 2. Handelingen welke in overeenstemming met de voorgaande paragrafen wel of niet worden gesteld, gelden niet als koersafwijking.
§ 3. De vervrachter of de bevrachter, naargelang het geval, moet de schade vergoeden die de andere partij heeft geleden ingevolge de schending van paragraaf 1, eerste lid.
§ 1. De vervrachter en de bevrachter waarborgen tegenover elkaar dat zij noch het zeeschip geen voorwerp is van sancties, verboden of beperkingen opgelegd door resoluties van de Verenigde Naties, de Europese Unie of andere desgevallend door de partijen aangeduide overheden. De bevrachter waarborgt zulks mede wat onderbevrachters, verzenders, ontvangers en ladingbelanghebbenden betreft.
Ingeval van schending van het vorige lid moet de andere partij de wetten en verordeningen van de bevoegde overheid naleven en gevolg geven aan de door haar gegeven onderrichtingen; bij gebreke daarvan mag zij de overeenkomst op staande voet beëindigen of, ingeval lading aan boord is, deze lossen in een veilige haven van haar keuze.
§ 2. Handelingen welke in overeenstemming met de voorgaande paragrafen wel of niet worden gesteld, gelden niet als koersafwijking.
§ 3. De vervrachter of de bevrachter, naargelang het geval, moet de schade vergoeden die de andere partij heeft geleden ingevolge de schending van paragraaf 1, eerste lid.
Art. 2.6.1.82. Entités sanctionnées
§ 1er. Le fréteur et l'affréteur s'assurent mutuellement que ni lui ni le navire de mer ne fait l'objet de sanctions, d'interdictions ou de restrictions imposées par des résolutions des Nations Unies, de l'Union européenne ou, le cas échéant, d'autres autorités désignées par les parties. L'affréteur garantit aussi ceci en ce qui concerne les sous-affréteurs, expéditeurs, destinataires et intéressés à la cargaison.
En cas de violation de l'alinéa précédent, l'autre partie doit respecter les lois et règlements de l'autorité compétente et donner suite aux instructions données par ses soins; à défaut de quoi, elle peut résilier le contrat au pied levé ou, en cas de cargaison à bord, la décharger dans un port sûr de son choix.
§ 2. Les actes posés ou non conformément aux paragraphes précédents ne sont pas considérés comme déroutement.
§ 3. Le fréteur ou l'affréteur, en fonction du cas, doit indemniser les dommages subis par l'autre partie à la suite de la violation du paragraphe 1er, alinéa 1er.
§ 1er. Le fréteur et l'affréteur s'assurent mutuellement que ni lui ni le navire de mer ne fait l'objet de sanctions, d'interdictions ou de restrictions imposées par des résolutions des Nations Unies, de l'Union européenne ou, le cas échéant, d'autres autorités désignées par les parties. L'affréteur garantit aussi ceci en ce qui concerne les sous-affréteurs, expéditeurs, destinataires et intéressés à la cargaison.
En cas de violation de l'alinéa précédent, l'autre partie doit respecter les lois et règlements de l'autorité compétente et donner suite aux instructions données par ses soins; à défaut de quoi, elle peut résilier le contrat au pied levé ou, en cas de cargaison à bord, la décharger dans un port sûr de son choix.
§ 2. Les actes posés ou non conformément aux paragraphes précédents ne sont pas considérés comme déroutement.
§ 3. Le fréteur ou l'affréteur, en fonction du cas, doit indemniser les dommages subis par l'autre partie à la suite de la violation du paragraphe 1er, alinéa 1er.
Art. 2.6.1.83. Europese douaneregels
De bevrachter moet de door de Europese Unie vastgestelde regels betreffende geautoriseerde marktdeelnemers en het op voorhanden verstrekken van ladinginformatie naleven.
De bevrachter moet de door de Europese Unie vastgestelde regels betreffende geautoriseerde marktdeelnemers en het op voorhanden verstrekken van ladinginformatie naleven.
Art. 2.6.1.83. Règles douanières européennes
L'affréteur doit respecter les règles établies par l'Union européenne concernant des opérateurs autorisés et la déclaration préalable de chargement.
L'affréteur doit respecter les règles établies par l'Union européenne concernant des opérateurs autorisés et la déclaration préalable de chargement.
Art. 2.6.1.84. Vervanging van ballastwater
Ingeval een bevoegde overheid de vervanging van ballastwater oplegt, moet de vervrachter of de kapitein daar gevolg aan geven op kosten en risico van de bevrachter.
Ingeval een bevoegde overheid de vervanging van ballastwater oplegt, moet de vervrachter of de kapitein daar gevolg aan geven op kosten en risico van de bevrachter.
Art. 2.6.1.84. Remplacement des eaux de ballast
Si une autorité compétente impose le remplacement des eaux de ballast, le fréteur ou le capitaine doit y donner suite aux frais et risques de l'affréteur.
Si une autorité compétente impose le remplacement des eaux de ballast, le fréteur ou le capitaine doit y donner suite aux frais et risques de l'affréteur.
Art. 2.6.1.85. Langdurige bevrachtingen
§ 1. Dit artikel is van toepassing op bevrachtingen met een duur van langer dan vijf maanden voor zover partijen er niet contractueel van afwijken.
§ 2. Ingeval het zeeschip bij het einde van de bevrachting in ballast op weg is naar de haven van teruggave dan wel een geladen reis uitvoert die naar redelijke verwachting eindigt binnen de duurtijd van de bevrachting, mag de bevrachter het zeeschip aan de geldende voorwaarden dan wel aan de alsdan geldende marktvoorwaarden ingeval die hoger zijn, ook na die duurtijd gebruiken teneinde de laatste reis naar de haven van teruggave te volbrengen.
§ 3. De vervrachter mag het zeeschip voor onderhoud of herstelling droogzetten op een tijdstip en een plaats welke in overeenstemming tussen partijen geschikt zijn bevonden.
§ 4. De bevrachter mag de bevrachting verlengen met de duur van de huurprijsonderbrekingen. Daartoe moet hij deze keuze meedelen ten laatste een maand voor de teruggave, dan wel ten laatste een week na de betrokken gebeurtenis, zo die zich minder dan een maand voor de teruggave voordoet.
§ 5. De bevrachter mag zijn vlag voeren en zijn merken op het zeeschip aanbrengen. Het zeeschip moet voor teruggave opnieuw in de kleuren van de vervrachter worden geschilderd. De aan het schilderwerk bestede tijd en kosten zijn ten laste van de bevrachter.
§ 1. Dit artikel is van toepassing op bevrachtingen met een duur van langer dan vijf maanden voor zover partijen er niet contractueel van afwijken.
§ 2. Ingeval het zeeschip bij het einde van de bevrachting in ballast op weg is naar de haven van teruggave dan wel een geladen reis uitvoert die naar redelijke verwachting eindigt binnen de duurtijd van de bevrachting, mag de bevrachter het zeeschip aan de geldende voorwaarden dan wel aan de alsdan geldende marktvoorwaarden ingeval die hoger zijn, ook na die duurtijd gebruiken teneinde de laatste reis naar de haven van teruggave te volbrengen.
§ 3. De vervrachter mag het zeeschip voor onderhoud of herstelling droogzetten op een tijdstip en een plaats welke in overeenstemming tussen partijen geschikt zijn bevonden.
§ 4. De bevrachter mag de bevrachting verlengen met de duur van de huurprijsonderbrekingen. Daartoe moet hij deze keuze meedelen ten laatste een maand voor de teruggave, dan wel ten laatste een week na de betrokken gebeurtenis, zo die zich minder dan een maand voor de teruggave voordoet.
§ 5. De bevrachter mag zijn vlag voeren en zijn merken op het zeeschip aanbrengen. Het zeeschip moet voor teruggave opnieuw in de kleuren van de vervrachter worden geschilderd. De aan het schilderwerk bestede tijd en kosten zijn ten laste van de bevrachter.
Art. 2.6.1.85. Affrètements de longue durée
§ 1er. Le présent article s'applique aux affrètements d'une durée supérieure à cinq mois pour autant que les parties n'en dérogent pas contractuellement.
§ 2. Si à la fin de l'affrètement le navire de mer est sur lest en route vers le port de restitution ou exécute un voyage chargé dont on peut attendre raisonnablement qu'il se termine dans le délai de l'affrètement, l'affréteur peut utiliser le navire de mer aux conditions en vigueur ou aux conditions de marché alors en vigueur si celles-ci sont plus élevées, même après ce délai afin d'accomplir le dernier voyage vers le port de restitution.
§ 3. Le fréteur peut mettre en cale sèche le navire de mer en vue de l'entretien ou de la réparation à des lieu et date jugés opportuns de commun accord entre les parties.
§ 4. L'affréteur peut prolonger l'affrètement de la durée des interruptions du paiement du loyer. A cet égard, il doit communiquer ce choix au plus tard un mois avant la restitution, ou au plus tard une semaine après l'événement concerné, de sorte que celui se produise moins d'un mois avant la restitution.
§ 5. L'affréteur peut battre son pavillon et apposer ses marques sur le navire de mer. Le navire de mer doit être repeint dans les couleurs du fréteur avant restitution. Le temps et les frais consacrés à la peinture sont à charge de l'affréteur.
§ 1er. Le présent article s'applique aux affrètements d'une durée supérieure à cinq mois pour autant que les parties n'en dérogent pas contractuellement.
§ 2. Si à la fin de l'affrètement le navire de mer est sur lest en route vers le port de restitution ou exécute un voyage chargé dont on peut attendre raisonnablement qu'il se termine dans le délai de l'affrètement, l'affréteur peut utiliser le navire de mer aux conditions en vigueur ou aux conditions de marché alors en vigueur si celles-ci sont plus élevées, même après ce délai afin d'accomplir le dernier voyage vers le port de restitution.
§ 3. Le fréteur peut mettre en cale sèche le navire de mer en vue de l'entretien ou de la réparation à des lieu et date jugés opportuns de commun accord entre les parties.
§ 4. L'affréteur peut prolonger l'affrètement de la durée des interruptions du paiement du loyer. A cet égard, il doit communiquer ce choix au plus tard un mois avant la restitution, ou au plus tard une semaine après l'événement concerné, de sorte que celui se produise moins d'un mois avant la restitution.
§ 5. L'affréteur peut battre son pavillon et apposer ses marques sur le navire de mer. Le navire de mer doit être repeint dans les couleurs du fréteur avant restitution. Le temps et les frais consacrés à la peinture sont à charge de l'affréteur.
Art. 2.6.1.86. Makelaarsloon
De vervrachter staat in voor de betaling van het makelaarsloon.
De vervrachter staat in voor de betaling van het makelaarsloon.
Art. 2.6.1.86. Courtage
Le fréteur assure le paiement du courtage.
Le fréteur assure le paiement du courtage.
Art. 2.6.1.87. Verjaring
§ 1. Alle vorderingen in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een tijdbevrachtingsovereenkomst verjaren door verloop van twee jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan of na de beëindiging van de overeenkomst, naargelang welk tijdstip het vroegste valt.
§ 2. Regresvorderingen in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een tijdbevrachtingsovereenkomst kunnen, ook na de in paragraaf 1 bedoelde termijn, worden ingesteld binnen drie maanden nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
§ 1. Alle vorderingen in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een tijdbevrachtingsovereenkomst verjaren door verloop van twee jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan of na de beëindiging van de overeenkomst, naargelang welk tijdstip het vroegste valt.
§ 2. Regresvorderingen in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een tijdbevrachtingsovereenkomst kunnen, ook na de in paragraaf 1 bedoelde termijn, worden ingesteld binnen drie maanden nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
Art. 2.6.1.87. Prescription
§ 1er. Toutes les actions relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat d'affrètement à temps se prescrivent par deux ans à dater du fait donnant lieu à l'action ou à dater de la résiliation du contrat, en fonction du moment qui tombe le plus tôt.
§ 2. Des actions récursoires relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat d'affrètement à temps peuvent, même après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, être introduites dans les trois mois à dater du moment où une action en justice a été intentée à l'encontre du demandeur ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
§ 1er. Toutes les actions relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat d'affrètement à temps se prescrivent par deux ans à dater du fait donnant lieu à l'action ou à dater de la résiliation du contrat, en fonction du moment qui tombe le plus tôt.
§ 2. Des actions récursoires relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat d'affrètement à temps peuvent, même après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, être introduites dans les trois mois à dater du moment où une action en justice a été intentée à l'encontre du demandeur ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
Afdeling 3. - Reisbevrachting
Section 3. - Affrètement au voyage
Art. 2.6.1.88. Materiële toepassing
Deze afdeling is van toepassing op reisbevrachtingsovereenkomsten met als voorwerp een reis van een zeeschip met het oog op het vervoer van goederen. De partijen kunnen contractueel anders bepalen onder voorbehoud van andere dwingende wettelijke en reglementaire bepalingen
Deze afdeling is van toepassing op reisbevrachtingsovereenkomsten met als voorwerp een reis van een zeeschip met het oog op het vervoer van goederen. De partijen kunnen contractueel anders bepalen onder voorbehoud van andere dwingende wettelijke en reglementaire bepalingen
Art. 2.6.1.88. Application matérielle
La présente section s'applique aux contrats d'affrètement au voyage ayant pour objet un voyage d'un navire de mer en vue du transport de marchandises. Les parties peuvent en décider autrement contractuellement sous réserve d'autres dispositions législatives et réglementaires contraignantes.
La présente section s'applique aux contrats d'affrètement au voyage ayant pour objet un voyage d'un navire de mer en vue du transport de marchandises. Les parties peuvent en décider autrement contractuellement sous réserve d'autres dispositions législatives et réglementaires contraignantes.
Art. 2.6.1.89. Andere regelgeving
Titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek en titel 4 van boek X van het Wetboek van economisch recht zijn niet op reisbevrachtingsovereenkomsten van toepassing.
Titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek en titel 4 van boek X van het Wetboek van economisch recht zijn niet op reisbevrachtingsovereenkomsten van toepassing.
Art. 2.6.1.89. Autre réglementation
Le titre VIII du livre III du Code civil et le titre 4 du livre X du Code de droit economique ne s'appliquent pas aux contrats d'affrètement au voyage.
Le titre VIII du livre III du Code civil et le titre 4 du livre X du Code de droit economique ne s'appliquent pas aux contrats d'affrètement au voyage.
Art. 2.6.1.90. Vermeldingen
§ 1. De reisbevrachtingsovereenkomst vermeldt :
1° de naam en de woonplaats of de zetel van de vervrachter en de bevrachter en desgevallend van de makelaar;
2° de volgende gegevens betreffende het zeeschip : naam, roepnaam, identificatienummer, vlag, thuishaven, type, tonnenmaat, waterverplaatsing, huidige ligplaats en tijdstip waarop het laden kan aanvangen;
3° de laadhaven of laadplaats en de loshaven of losplaats;
4° de lading, met uitdrukkelijke vermelding van een desgevallend slechts gedeeltelijke lading;
5° het vrachttarief en de betaalwijze;
6° de opzegdatum;
7° de ligtijd en het tarief van het liggeld en de betaalwijze;
8° het makelaarsloon;
9° de plaats en het tijdstip van ondertekening.
§ 2. Op voorwaarde dat het zeeschip ondubbelzinnig is aangeduid, moeten de onder paragraaf 1, 2° bedoelde nadere scheepsgegevens niet in de overeenkomst worden opgenomen in de mate dat ze blijken uit een officieel scheepscertificaat waarvan beide partijen kennis hebben of kunnen hebben.
§ 1. De reisbevrachtingsovereenkomst vermeldt :
1° de naam en de woonplaats of de zetel van de vervrachter en de bevrachter en desgevallend van de makelaar;
2° de volgende gegevens betreffende het zeeschip : naam, roepnaam, identificatienummer, vlag, thuishaven, type, tonnenmaat, waterverplaatsing, huidige ligplaats en tijdstip waarop het laden kan aanvangen;
3° de laadhaven of laadplaats en de loshaven of losplaats;
4° de lading, met uitdrukkelijke vermelding van een desgevallend slechts gedeeltelijke lading;
5° het vrachttarief en de betaalwijze;
6° de opzegdatum;
7° de ligtijd en het tarief van het liggeld en de betaalwijze;
8° het makelaarsloon;
9° de plaats en het tijdstip van ondertekening.
§ 2. Op voorwaarde dat het zeeschip ondubbelzinnig is aangeduid, moeten de onder paragraaf 1, 2° bedoelde nadere scheepsgegevens niet in de overeenkomst worden opgenomen in de mate dat ze blijken uit een officieel scheepscertificaat waarvan beide partijen kennis hebben of kunnen hebben.
Art. 2.6.1.90. Mentions
§ 1er. Le contrat d'affrètement au voyage mentionne :
1° les nom et domicile ou le siège du fréteur et de l'affréteur et, le cas échéant, du courtier;
2° les données suivantes concernant le navire de mer : nom, indicatif d'appel, numéro d'identification, pavillon, port d'attache, type, tonnage, tirant d'eau, poste d'amarrage actuel et moment où le chargement peut commencer;
3° le port ou le lieu de chargement et le port ou le lieu de déchargement;
4° la cargaison, avec mention explicite d'une cargaison le cas échéant uniquement partielle;
5° le tarif de fret et le mode de paiement;
6° la date de résiliation;
7° le délai de starie et les surestaries ainsi que le mode de paiement;
8° le courtage;
9° le lieu et la date de signature.
§ 2. A condition que le navire de mer ait été identifié sans ambiguïté, les autres données concernant le navire visées au paragraphe 1, 2°, ne doivent pas être reprises dans le contrat, dans la mesure où elles proviennent d'un certificat de navire officiel dont les deux parties ont ou peuvent avoir connaissance.
§ 1er. Le contrat d'affrètement au voyage mentionne :
1° les nom et domicile ou le siège du fréteur et de l'affréteur et, le cas échéant, du courtier;
2° les données suivantes concernant le navire de mer : nom, indicatif d'appel, numéro d'identification, pavillon, port d'attache, type, tonnage, tirant d'eau, poste d'amarrage actuel et moment où le chargement peut commencer;
3° le port ou le lieu de chargement et le port ou le lieu de déchargement;
4° la cargaison, avec mention explicite d'une cargaison le cas échéant uniquement partielle;
5° le tarif de fret et le mode de paiement;
6° la date de résiliation;
7° le délai de starie et les surestaries ainsi que le mode de paiement;
8° le courtage;
9° le lieu et la date de signature.
§ 2. A condition que le navire de mer ait été identifié sans ambiguïté, les autres données concernant le navire visées au paragraphe 1, 2°, ne doivent pas être reprises dans le contrat, dans la mesure où elles proviennent d'un certificat de navire officiel dont les deux parties ont ou peuvent avoir connaissance.
Art. 2.6.1.91. Voorwerp van de bevrachting
Zodra zijn vorige opdrachten zijn vervuld, moet het zeeschip zich begeven naar de laadhaven of laadplaats, of naar de meest nabije veilige plaats waar het steeds vlottend kan liggen, alwaar het een volledige lading moet laden, welke de bevrachter zich verbindt te verschepen, met dien verstande dat overeengekomen inscheping als deklading geschiedt op risico en verantwoordelijkheid van de bevrachter; vervolgens moet het beladen zeeschip zich naar de loshaven of losplaats begeven overeenkomstig het cognossement, of naar de meest nabije veilige plaats waar het steeds vlottend kan liggen, en moet het aldaar de lading afleveren.
Zodra zijn vorige opdrachten zijn vervuld, moet het zeeschip zich begeven naar de laadhaven of laadplaats, of naar de meest nabije veilige plaats waar het steeds vlottend kan liggen, alwaar het een volledige lading moet laden, welke de bevrachter zich verbindt te verschepen, met dien verstande dat overeengekomen inscheping als deklading geschiedt op risico en verantwoordelijkheid van de bevrachter; vervolgens moet het beladen zeeschip zich naar de loshaven of losplaats begeven overeenkomstig het cognossement, of naar de meest nabije veilige plaats waar het steeds vlottend kan liggen, en moet het aldaar de lading afleveren.
Art. 2.6.1.91. Objet de l'affrètement
Dès que ses missions précédentes ont été remplies, le navire de mer doit se rendre vers le port ou le lieu de chargement ou l'endroit sûr le plus proche où il peut toujours être à flot, où il doit charger une cargaison complète que l'affréteur s'engage à embarquer, étant entendu qu'un embarquement convenu a lieu comme chargement en pontée aux risques et périls et sous la responsabilité de l'affréteur; ensuite, le navire de mer chargé doit se rendre vers le port ou le lieu de déchargement conformément au connaissement ou vers l'endroit sûr le plus proche où il peut toujours être à flot et il doit y remettre la cargaison.
Dès que ses missions précédentes ont été remplies, le navire de mer doit se rendre vers le port ou le lieu de chargement ou l'endroit sûr le plus proche où il peut toujours être à flot, où il doit charger une cargaison complète que l'affréteur s'engage à embarquer, étant entendu qu'un embarquement convenu a lieu comme chargement en pontée aux risques et périls et sous la responsabilité de l'affréteur; ensuite, le navire de mer chargé doit se rendre vers le port ou le lieu de déchargement conformément au connaissement ou vers l'endroit sûr le plus proche où il peut toujours être à flot et il doit y remettre la cargaison.
Art. 2.6.1.92. Aansprakelijkheid van de vervrachter
De vervrachter is enkel aansprakelijk voor verlies van en schade aan de goederen en voor vertraging bij de aflevering ervan ingeval het verlies, de schade of de vertraging werd veroorzaakt door :
1° persoonlijk gebrek aan behoorlijke zorg zijdens de vervrachter of zijn beheerder om het zeeschip in alle opzichten zeewaardig te maken en om te verzekeren dat het behoorlijk is bemand, uitgerust en bevoorraad; of
2° een persoonlijk handelen of nalaten van de vervrachter of zijn beheerder.
De vervrachter is niet aansprakelijk voor verlies, schade en vertraging te wijten aan om het even welke andere oorzaak, zelfs aan :
1° nalatigheid of in gebreke blijven van de kapitein of de bemanning of enige andere aan boord of aan de wal door de vervrachter aangestelde persoon voor wiens handelingen hij anders aansprakelijk zou zijn;
2° onzeewaardigheid van het zeeschip bij het laden of de aanvang van de reis of op welk ander tijdstip ook, behalve in het geval bedoeld in het eerste lid.
De vervrachter is enkel aansprakelijk voor verlies van en schade aan de goederen en voor vertraging bij de aflevering ervan ingeval het verlies, de schade of de vertraging werd veroorzaakt door :
1° persoonlijk gebrek aan behoorlijke zorg zijdens de vervrachter of zijn beheerder om het zeeschip in alle opzichten zeewaardig te maken en om te verzekeren dat het behoorlijk is bemand, uitgerust en bevoorraad; of
2° een persoonlijk handelen of nalaten van de vervrachter of zijn beheerder.
De vervrachter is niet aansprakelijk voor verlies, schade en vertraging te wijten aan om het even welke andere oorzaak, zelfs aan :
1° nalatigheid of in gebreke blijven van de kapitein of de bemanning of enige andere aan boord of aan de wal door de vervrachter aangestelde persoon voor wiens handelingen hij anders aansprakelijk zou zijn;
2° onzeewaardigheid van het zeeschip bij het laden of de aanvang van de reis of op welk ander tijdstip ook, behalve in het geval bedoeld in het eerste lid.
Art. 2.6.1.92. Responsabilité du fréteur
Le fréteur est uniquement responsable des pertes ou dommages des marchandises et du retard lors de la remise au cas où la perte, le dommage ou le retard ont été provoqués par :
1° un manque personnel de diligence raisonnable de la part du fréteur ou de son gestionnaire afin de mettre le navire de mer en état de navigabilité à tous les égards et d'assurer au navire un armement, équipement ou approvisionnement convenables; ou
2° un acte ou une négligence personnels du fréteur ou de son gestionnaire.
Le fréteur n'est pas responsable de la perte, du dommage ou du retard dû à quelque cause que ce soit, même à :
1° une négligence ou à un défaut du capitaine ou de l'équipage ou de toute autre préposé du fréteur et se trouvant à bord ou à quai et des actes de laquelle il serait autrement responsable;
2° l'innavigabilité du navire de mer lors du chargement ou au début du voyage ou à quelque autre moment que ce soit, hormis dans le cas visé à l'alinéa 1er.
Le fréteur est uniquement responsable des pertes ou dommages des marchandises et du retard lors de la remise au cas où la perte, le dommage ou le retard ont été provoqués par :
1° un manque personnel de diligence raisonnable de la part du fréteur ou de son gestionnaire afin de mettre le navire de mer en état de navigabilité à tous les égards et d'assurer au navire un armement, équipement ou approvisionnement convenables; ou
2° un acte ou une négligence personnels du fréteur ou de son gestionnaire.
Le fréteur n'est pas responsable de la perte, du dommage ou du retard dû à quelque cause que ce soit, même à :
1° une négligence ou à un défaut du capitaine ou de l'équipage ou de toute autre préposé du fréteur et se trouvant à bord ou à quai et des actes de laquelle il serait autrement responsable;
2° l'innavigabilité du navire de mer lors du chargement ou au début du voyage ou à quelque autre moment que ce soit, hormis dans le cas visé à l'alinéa 1er.
Art. 2.6.1.93. Koersafwijking
Het zeeschip mag om het even welke haven aanlopen, in welke volgorde en voor welk doel ook; het mag zonder loods varen, in alle omstandigheden andere schepen slepen of bergen, en van de koers afwijken om mensenlevens of zaken te redden.
Het zeeschip mag om het even welke haven aanlopen, in welke volgorde en voor welk doel ook; het mag zonder loods varen, in alle omstandigheden andere schepen slepen of bergen, en van de koers afwijken om mensenlevens of zaken te redden.
Art. 2.6.1.93. Déroutement
Le navire de mer peut faire escale dans n'importe quel port, dans quelque ordre que ce soit et à quelque fin que ce soit; il peut également naviguer sans pilote, remorquer ou assister d'autres navires en toutes circonstances, s'écarter de sa route pour sauver des vies humaines ou des biens.
Le navire de mer peut faire escale dans n'importe quel port, dans quelque ordre que ce soit et à quelque fin que ce soit; il peut également naviguer sans pilote, remorquer ou assister d'autres navires en toutes circonstances, s'écarter de sa route pour sauver des vies humaines ou des biens.
Art. 2.6.1.94. Betaling van de vracht
§ 1. De vracht wordt berekend op grond van het overeengekomen tarief en de ingenomen hoeveelheid lading, en wordt contant betaald.
§ 2. Ingeval vooruitbetaling van de vracht bij inscheping is overeengekomen, wordt zij als verworven en niet-terugbetaalbaar beschouwd, ook wanneer zeeschip of lading verloren gaan.
De vervrachter en zijn agenten moeten geen cognossementen ondertekenen waarop vooruitbetaling van de vracht is vermeld, indien de hen verschuldigde vracht niet daadwerkelijk is betaald.
§ 3. Ingeval betaling van de vracht of een deel ervan ter bestemming is overeengekomen, wordt zij niet als verworven beschouwd dan bij aflevering van de lading.
Voor aanvang van de lossing mag de bevrachter ervoor kiezen de vracht te betalen op het daadwerkelijk afgeleverde en behoorlijk vastgestelde gewicht of de hoeveelheid.
§ 1. De vracht wordt berekend op grond van het overeengekomen tarief en de ingenomen hoeveelheid lading, en wordt contant betaald.
§ 2. Ingeval vooruitbetaling van de vracht bij inscheping is overeengekomen, wordt zij als verworven en niet-terugbetaalbaar beschouwd, ook wanneer zeeschip of lading verloren gaan.
De vervrachter en zijn agenten moeten geen cognossementen ondertekenen waarop vooruitbetaling van de vracht is vermeld, indien de hen verschuldigde vracht niet daadwerkelijk is betaald.
§ 3. Ingeval betaling van de vracht of een deel ervan ter bestemming is overeengekomen, wordt zij niet als verworven beschouwd dan bij aflevering van de lading.
Voor aanvang van de lossing mag de bevrachter ervoor kiezen de vracht te betalen op het daadwerkelijk afgeleverde en behoorlijk vastgestelde gewicht of de hoeveelheid.
Art. 2.6.1.94. Paiement du fret
§ 1er. Le fret est calculé sur la base du tarif convenu et de la quantité de cargaison admise et il est payé au comptant.
§ 2. Si un paiement anticipé du fret lors de l'embarquement a été convenu, il est considéré comme acquis et non remboursable, même en cas de perte du navire de mer ou de la cargaison.
Le fréteur et ses agents ne doivent pas signer de connaissements mentionnant le paiement anticipé du fret si le fret qui leur est dû n'a pas été effectivement payé.
§ 3. S'il a été convenu du paiement du fret ou d'une partie du fret à destination, il n'est considéré comme acquis que lors de la remise de la cargaison.
Avant le début du déchargement, l'affréteur peut choisir de payer le fret en fonction du poids et de la quantité effectivement livrés et dûment constatés.
§ 1er. Le fret est calculé sur la base du tarif convenu et de la quantité de cargaison admise et il est payé au comptant.
§ 2. Si un paiement anticipé du fret lors de l'embarquement a été convenu, il est considéré comme acquis et non remboursable, même en cas de perte du navire de mer ou de la cargaison.
Le fréteur et ses agents ne doivent pas signer de connaissements mentionnant le paiement anticipé du fret si le fret qui leur est dû n'a pas été effectivement payé.
§ 3. S'il a été convenu du paiement du fret ou d'une partie du fret à destination, il n'est considéré comme acquis que lors de la remise de la cargaison.
Avant le début du déchargement, l'affréteur peut choisir de payer le fret en fonction du poids et de la quantité effectivement livrés et dûment constatés.
Art. 2.6.1.95. Lading en lossing
§ 1. De lading moet worden geladen, gestuwd, geteld, gesjord en gelost door de bevrachter, vrij van enig risico, aansprakelijkheid en kost lastens de vervrachter.
De bevrachter moet zorgen voor stuwmateriaal nodig voor de behoorlijke stuwing en bescherming van de lading aan boord; de vervrachter moet het gebruik toestaan van desgevallend aan boord aanwezig stuwmateriaal. Na lossing moet de bevrachter het stuwmateriaal op zijn kosten verwijderen, en de tijd blijft lopen tot zulks is uitgevoerd.
§ 2. De vervrachter moet het kosteloos gebruik toestaan van de behandelingstuigen van het zeeschip en de nodig aandrijfkracht; deze tuigen moeten zich in goede staat van werking bevinden. Tenzij in geval van fout van de goederenbehandelaar, telt tijd verloren door defecten niet als laad- en lostijd of ligtijd. Op verzoek van de bevrachter stelt de vervrachter kosteloos bemanningsleden ter beschikking om de tuigen te bedienen, tenzij havenarbeiders vereist zijn, welke de bevrachter dan moet aanwerven. De bedieners van de tuigen werken op risico en onder aansprakelijkheid van de bevrachter en worden als diens aangestelden beschouwd, ofschoon zij steeds onder toezicht van de kapitein werken.
§ 3. De bevrachter is aansprakelijk voor de schade, normale sleet uitgezonderd, die aan het zeeschip wordt berokkend door goederenbehandelaars. De kapitein moet de bevrachter of zijn agent en de goederenbehandelaar van deze schade zo spoedig als redelijk mogelijk op de hoogte brengen, bij gebreke waarvan de bevrachter niet aansprakelijk is. De kapitein moet trachten van de goederenbehandelaar een erkenning van aansprakelijkheid te verkrijgen.
De bevrachter moet de schade aan het zeeschip herstellen; ingeval zij de zeewaardigheid of de klasse van het zeeschip in het gedrang brengt, moet de herstelling gebeuren vooraleer het zeeschip afvaart uit de haven waar de schade is ontstaan of vastgesteld. Alle bijkomende kosten zijn ten laste van de bevrachter; tijdverlies zal door hem worden vergoed overeenkomstig het tarief van het liggeld.
§ 1. De lading moet worden geladen, gestuwd, geteld, gesjord en gelost door de bevrachter, vrij van enig risico, aansprakelijkheid en kost lastens de vervrachter.
De bevrachter moet zorgen voor stuwmateriaal nodig voor de behoorlijke stuwing en bescherming van de lading aan boord; de vervrachter moet het gebruik toestaan van desgevallend aan boord aanwezig stuwmateriaal. Na lossing moet de bevrachter het stuwmateriaal op zijn kosten verwijderen, en de tijd blijft lopen tot zulks is uitgevoerd.
§ 2. De vervrachter moet het kosteloos gebruik toestaan van de behandelingstuigen van het zeeschip en de nodig aandrijfkracht; deze tuigen moeten zich in goede staat van werking bevinden. Tenzij in geval van fout van de goederenbehandelaar, telt tijd verloren door defecten niet als laad- en lostijd of ligtijd. Op verzoek van de bevrachter stelt de vervrachter kosteloos bemanningsleden ter beschikking om de tuigen te bedienen, tenzij havenarbeiders vereist zijn, welke de bevrachter dan moet aanwerven. De bedieners van de tuigen werken op risico en onder aansprakelijkheid van de bevrachter en worden als diens aangestelden beschouwd, ofschoon zij steeds onder toezicht van de kapitein werken.
§ 3. De bevrachter is aansprakelijk voor de schade, normale sleet uitgezonderd, die aan het zeeschip wordt berokkend door goederenbehandelaars. De kapitein moet de bevrachter of zijn agent en de goederenbehandelaar van deze schade zo spoedig als redelijk mogelijk op de hoogte brengen, bij gebreke waarvan de bevrachter niet aansprakelijk is. De kapitein moet trachten van de goederenbehandelaar een erkenning van aansprakelijkheid te verkrijgen.
De bevrachter moet de schade aan het zeeschip herstellen; ingeval zij de zeewaardigheid of de klasse van het zeeschip in het gedrang brengt, moet de herstelling gebeuren vooraleer het zeeschip afvaart uit de haven waar de schade is ontstaan of vastgesteld. Alle bijkomende kosten zijn ten laste van de bevrachter; tijdverlies zal door hem worden vergoed overeenkomstig het tarief van het liggeld.
Art. 2.6.1.95. Chargement et déchargement
§ 1er. La cargaison doit être chargée, arrimée, comptée, sécurisée et déchargée par l'affréteur, libre de tout risque, de toute responsabilité et de tous frais à charge du fréteur.
L'affréteur doit veiller au matériel d'arrimage nécessaire pour un arrimage et une protection corrects de la cargaison à bord; le fréteur doit autoriser l'utilisation du matériel d'arrimage présent le cas échéant à bord. Après déchargement, l'affréteur doit évacuer le matériel d'arrimage à ses frais et le temps continue à courir jusqu'à ce que cela ait été fait.
§ 2. Le fréteur doit autoriser l'utilisation gratuite de l'outillage de manutention du navire de mer et de la force motrice nécessaire; ces instruments doivent se trouver en bon état de fonctionnement. Hormis en cas de faute du manutentionnaire, la perte de temps des suites de défaillances ne compte pas comme délai de chargement et de déchargement ou délai d starie. A la demande de l'affréteur, le fréteur met gratuitement des membres de l'équipage à disposition pour commander les instruments, à moins que des ouvriers portuaires ne soient requis, lesquels doivent dans ce cas être engagés par l'affréteur. Les opérateurs des instruments travaillent aux risques et périls et sous la responsabilité de l'affréteur et sont considérés comme des préposés de ce dernier, bien qu'ils travaillent toujours sous la surveillance du capitaine.
§ 3. L'affréteur est responsable du dommage, à l'exclusion d'une usure normale, occasionné au navire de mer par des manutentionnaires. Le capitaine doit informer le plus rapidement possible l'affréteur ou son agent et le manutentionnaire de ce dommage, à défaut de quoi l'affréteur ne sera pas responsable. Le capitaine doit essayer d'obtenir une reconnaissance de responsabilité du manutentionnaire.
L'affréteur doit réparer le dommage au navire de mer; si le dommage met en péril la navigabilité ou la classe du navire de mer, la réparation doit avoir lieu avant que le navire de mer ne quitte le port où le dommage s'est créé ou a été constaté. Tous les frais complémentaires sont à charge de l'affréteur; il indemnisera la perte de temps conformément au tarif des surestaries.
§ 1er. La cargaison doit être chargée, arrimée, comptée, sécurisée et déchargée par l'affréteur, libre de tout risque, de toute responsabilité et de tous frais à charge du fréteur.
L'affréteur doit veiller au matériel d'arrimage nécessaire pour un arrimage et une protection corrects de la cargaison à bord; le fréteur doit autoriser l'utilisation du matériel d'arrimage présent le cas échéant à bord. Après déchargement, l'affréteur doit évacuer le matériel d'arrimage à ses frais et le temps continue à courir jusqu'à ce que cela ait été fait.
§ 2. Le fréteur doit autoriser l'utilisation gratuite de l'outillage de manutention du navire de mer et de la force motrice nécessaire; ces instruments doivent se trouver en bon état de fonctionnement. Hormis en cas de faute du manutentionnaire, la perte de temps des suites de défaillances ne compte pas comme délai de chargement et de déchargement ou délai d starie. A la demande de l'affréteur, le fréteur met gratuitement des membres de l'équipage à disposition pour commander les instruments, à moins que des ouvriers portuaires ne soient requis, lesquels doivent dans ce cas être engagés par l'affréteur. Les opérateurs des instruments travaillent aux risques et périls et sous la responsabilité de l'affréteur et sont considérés comme des préposés de ce dernier, bien qu'ils travaillent toujours sous la surveillance du capitaine.
§ 3. L'affréteur est responsable du dommage, à l'exclusion d'une usure normale, occasionné au navire de mer par des manutentionnaires. Le capitaine doit informer le plus rapidement possible l'affréteur ou son agent et le manutentionnaire de ce dommage, à défaut de quoi l'affréteur ne sera pas responsable. Le capitaine doit essayer d'obtenir une reconnaissance de responsabilité du manutentionnaire.
L'affréteur doit réparer le dommage au navire de mer; si le dommage met en péril la navigabilité ou la classe du navire de mer, la réparation doit avoir lieu avant que le navire de mer ne quitte le port où le dommage s'est créé ou a été constaté. Tous les frais complémentaires sont à charge de l'affréteur; il indemnisera la perte de temps conformément au tarif des surestaries.
Art. 2.6.1.96. Laad- en lostijd
§ 1. De lading moet worden geladen en gelost binnen de overeengekomen laad- en lostijd uitgedrukt in kalenderdagen of uren, voor zover de weersomstandigheden het toelaten. De laad- en lostijd loopt niet tijdens zondagen en feestdagen, tenzij alsdan wordt doorgewerkt.
§ 2. De laad- en lostijd begint te lopen nadat het zeeschip aan de afzender respectievelijk de ontvanger, of, zo zij onbekend zijn, aan de bevrachter of zijn vertegenwoordiger, een bericht van gereedheid heeft gegeven.
Ingeval het bericht van gereedheid wordt gegeven voor 12 uur, vangt de laad- en lostijd aan om 13 uur; wordt het na 12 uur maar voor het einde van de kantooruren gegeven, vangt de laad- en lostijd de volgende werkdag om 6 uur aan.
Ingeval de laadplaats of de losplaats bij aankomst van het zeeschip niet beschikbaar is, mag het zeeschip een bericht van gereedheid geven, en vangen de laad- en lostijd en de ligtijd aan. De tijd nodig om van de wachtplaats naar de laadplaats of de losplaats te verhalen telt evenwel niet als laad- en lostijd.
Ingeval het zeeschip na onderzoek niet gereed blijkt te zijn geweest, telt de tijd vanaf de ontdekking daarvan tot het ogenblik van daadwerkelijke gereedheid, evenmin als laad- en lostijd.
§ 1. De lading moet worden geladen en gelost binnen de overeengekomen laad- en lostijd uitgedrukt in kalenderdagen of uren, voor zover de weersomstandigheden het toelaten. De laad- en lostijd loopt niet tijdens zondagen en feestdagen, tenzij alsdan wordt doorgewerkt.
§ 2. De laad- en lostijd begint te lopen nadat het zeeschip aan de afzender respectievelijk de ontvanger, of, zo zij onbekend zijn, aan de bevrachter of zijn vertegenwoordiger, een bericht van gereedheid heeft gegeven.
Ingeval het bericht van gereedheid wordt gegeven voor 12 uur, vangt de laad- en lostijd aan om 13 uur; wordt het na 12 uur maar voor het einde van de kantooruren gegeven, vangt de laad- en lostijd de volgende werkdag om 6 uur aan.
Ingeval de laadplaats of de losplaats bij aankomst van het zeeschip niet beschikbaar is, mag het zeeschip een bericht van gereedheid geven, en vangen de laad- en lostijd en de ligtijd aan. De tijd nodig om van de wachtplaats naar de laadplaats of de losplaats te verhalen telt evenwel niet als laad- en lostijd.
Ingeval het zeeschip na onderzoek niet gereed blijkt te zijn geweest, telt de tijd vanaf de ontdekking daarvan tot het ogenblik van daadwerkelijke gereedheid, evenmin als laad- en lostijd.
Art. 2.6.1.96. Délai de chargement et de déchargement
§ 1er. La cargaison doit être chargée et déchargée dans le délai de chargement et de déchargement convenu, exprimé en jours civils ou en heures, pour autant que les conditions météorologiques le permettent. Le délai de chargement et de déchargement ne court pas les dimanches et jours fériés, à moins que les travaux ne se poursuivent.
§ 2. Le délai de chargement et de déchargement commence à courir après que le navire de mer a remis au chargeur ou respectivement au destinataire ou, si ceux-ci ne sont pas connus, à l'affréteur ou à son représentant, un avis de disponibilité du navire de mer.
Si l'avis de disponibilité a été remis avant 12 heures, le délai de chargement et de déchargement prend cours à 13 heures; s'il est donné après 12 heures, mais avant la fin des heures de bureau, le délai de chargement et de déchargement commence à courir le jour ouvrable suivant à 6 heures.
Si, à l'arrivée du navire de mer, le lieu de chargement ou de déchargement n'est pas disponible, le navire de mer peut remettre un avis de disponibilité et le délai de chargement et de déchargement et le délai de starie commencent à courir. Le temps nécessaire pour se rendre du lieu d'attente au lieu de chargement ou de déchargement ne compte cependant pas comme délai de chargement et de déchargement.
Si, après examen, le navire de mer s'avérait ne pas être prêt, le temps à compter de cette découverte jusqu'au moment de disponibilité réelle du navire ne compte pas davantage comme délai de chargement et de déchargement.
§ 1er. La cargaison doit être chargée et déchargée dans le délai de chargement et de déchargement convenu, exprimé en jours civils ou en heures, pour autant que les conditions météorologiques le permettent. Le délai de chargement et de déchargement ne court pas les dimanches et jours fériés, à moins que les travaux ne se poursuivent.
§ 2. Le délai de chargement et de déchargement commence à courir après que le navire de mer a remis au chargeur ou respectivement au destinataire ou, si ceux-ci ne sont pas connus, à l'affréteur ou à son représentant, un avis de disponibilité du navire de mer.
Si l'avis de disponibilité a été remis avant 12 heures, le délai de chargement et de déchargement prend cours à 13 heures; s'il est donné après 12 heures, mais avant la fin des heures de bureau, le délai de chargement et de déchargement commence à courir le jour ouvrable suivant à 6 heures.
Si, à l'arrivée du navire de mer, le lieu de chargement ou de déchargement n'est pas disponible, le navire de mer peut remettre un avis de disponibilité et le délai de chargement et de déchargement et le délai de starie commencent à courir. Le temps nécessaire pour se rendre du lieu d'attente au lieu de chargement ou de déchargement ne compte cependant pas comme délai de chargement et de déchargement.
Si, après examen, le navire de mer s'avérait ne pas être prêt, le temps à compter de cette découverte jusqu'au moment de disponibilité réelle du navire ne compte pas davantage comme délai de chargement et de déchargement.
Art. 2.6.1.97. Liggeld
Bij verstrijken van de laad- en lostijd is de bevrachter per dag liggeld verschuldigd volgens het overeengekomen tarief.
Het liggeld is verschuldigd bij ontvangst van de factuur van de vervrachter.
Ingeval het liggeld niet is betaald, mag de vervrachter de bevrachter in gebreke stellen om het bedrag te betalen binnen zesennegentig uur, waarna hij de overeenkomst mag beëindigen en volledige schadevergoeding mag vorderen.
Bij verstrijken van de laad- en lostijd is de bevrachter per dag liggeld verschuldigd volgens het overeengekomen tarief.
Het liggeld is verschuldigd bij ontvangst van de factuur van de vervrachter.
Ingeval het liggeld niet is betaald, mag de vervrachter de bevrachter in gebreke stellen om het bedrag te betalen binnen zesennegentig uur, waarna hij de overeenkomst mag beëindigen en volledige schadevergoeding mag vorderen.
Art. 2.6.1.97. Surestaries
En cas de dépassement du délai de chargement et de déchargement, l'affréteur est redevable de surestaries par jour selon le tarif convenu.
Les surestaries sont dues à la réception de la facture du fréteur.
Si les surestaries n'ont pas été payées, le fréteur peut mettre l'affréteur en demeure pour payer le montant dans les quatre-vingt-seize heures, après quoi il peut résilier le contrat et réclamer des dommages-intérêts complets.
En cas de dépassement du délai de chargement et de déchargement, l'affréteur est redevable de surestaries par jour selon le tarif convenu.
Les surestaries sont dues à la réception de la facture du fréteur.
Si les surestaries n'ont pas été payées, le fréteur peut mettre l'affréteur en demeure pour payer le montant dans les quatre-vingt-seize heures, après quoi il peut résilier le contrat et réclamer des dommages-intérêts complets.
Art. 2.6.1.98. Retentierecht
De vervrachter heeft een retentierecht op de lading die zich onder zijn hoede bevindt en waarop de schuldvordering betrekking heeft.
Het retentierecht is tegenstelbaar aan de eigenaar van de goederen waarop dat recht betrekking heeft.
De vervrachter mag de lading echter niet aan boord houden. Hij kan tijdens het lossen vorderen dat de goederen door een derde zullen worden bewaard, tot zijn schuldvordering voldaan is.
De vervrachter kan geen retentierecht meer uitoefenen wanneer een voldoende zekerheid is gesteld.
De vervrachter heeft een retentierecht op de lading die zich onder zijn hoede bevindt en waarop de schuldvordering betrekking heeft.
Het retentierecht is tegenstelbaar aan de eigenaar van de goederen waarop dat recht betrekking heeft.
De vervrachter mag de lading echter niet aan boord houden. Hij kan tijdens het lossen vorderen dat de goederen door een derde zullen worden bewaard, tot zijn schuldvordering voldaan is.
De vervrachter kan geen retentierecht meer uitoefenen wanneer een voldoende zekerheid is gesteld.
Art. 2.6.1.98. Droit de rétention
Le fréteur bénéficie d'un droit de rétention sur la cargaison qui se trouve sous sa garde et à laquelle la créance a trait.
Le droit de rétention est opposable au propriétaire des marchandises auxquelles ce droit se rapporte.
Le fréteur ne peut cependant pas conserver la cargaison à bord. Durant le déchargement, il peut exiger que les marchandises soient conservées par un tiers jusqu'à ce que sa créance ait été acquittée.
Le fréteur ne peut plus exercer de droit de rétention lorsqu'une sûreté suffisante a été constituée.
Le fréteur bénéficie d'un droit de rétention sur la cargaison qui se trouve sous sa garde et à laquelle la créance a trait.
Le droit de rétention est opposable au propriétaire des marchandises auxquelles ce droit se rapporte.
Le fréteur ne peut cependant pas conserver la cargaison à bord. Durant le déchargement, il peut exiger que les marchandises soient conservées par un tiers jusqu'à ce que sa créance ait été acquittée.
Le fréteur ne peut plus exercer de droit de rétention lorsqu'une sûreté suffisante a été constituée.
Art. 2.6.1.99. Ladingvoorrecht
De vordering van de vervrachter tot betaling van bedragen die hem door de bevrachter zijn verschuldigd in rechtstreeks verband met de lading is op deze goederen bevoorrecht. Het voorrecht kan worden uitgeoefend gedurende vijftien dagen na de aflevering, voor zover de goederen niet werden overhandigd aan een derde. Het heeft dezelfde rang als het voorrecht omschreven in artikel 20, 7° van de Hypotheekwet.
De vordering van de vervrachter tot betaling van bedragen die hem door de bevrachter zijn verschuldigd in rechtstreeks verband met de lading is op deze goederen bevoorrecht. Het voorrecht kan worden uitgeoefend gedurende vijftien dagen na de aflevering, voor zover de goederen niet werden overhandigd aan een derde. Het heeft dezelfde rang als het voorrecht omschreven in artikel 20, 7° van de Hypotheekwet.
Art. 2.6.1.99. Privilège sur la cargaison
L'action du fréteur en paiement des montants qui lui sont dus par l'affréteur en relation directe avec la cargaison est privilégiée sur ces marchandises. Le privilège peut être exercé pendant quinze jours à compter de la livraison, pour autant toutefois que les marchandises n'aient pas été remises à un tiers. Il a le même rang que le privilège décrit à l'article 20, 7°, de la Loi hypothécaire.
L'action du fréteur en paiement des montants qui lui sont dus par l'affréteur en relation directe avec la cargaison est privilégiée sur ces marchandises. Le privilège peut être exercé pendant quinze jours à compter de la livraison, pour autant toutefois que les marchandises n'aient pas été remises à un tiers. Il a le même rang que le privilège décrit à l'article 20, 7°, de la Loi hypothécaire.
Art. 2.6.1.100. Niet geloste of afgehaalde goederen
§ 1. Ingeval de bevrachter de goederen niet lost of niet bij de vervrachter afhaalt kan deze laatste machtiging vragen om de goederen te lossen, in bewaring te geven en te verkopen, naargelang het geval.
§ 2. De vervrachter dient hiertoe vooraf de bevrachter, de bestemmeling en in voorkomend geval de partij aan wie hij volgens de bevrachtingsovereenkomst een aankomstbericht moet zenden, bij aangetekende zending in gebreke te stellen om de goederen te lossen en af te halen, naargelang het geval. Deze ingebrekestelling dient uitdrukkelijk te vermelden dat, indien hieraan geen gevolg wordt gegeven, zal worden overgegaan tot lossing, bewaargeving en verkoop van de goederen overeenkomstig dit artikel .
Ingeval de identiteit of de woonplaats van één of meer van voornoemde personen ondanks redelijke inspanningen niet kan worden achterhaald, of indien deze ingebrekestelling gelet op de omstandigheden van het geval nutteloos zou zijn, kan deze ingebrekestelling achterwege worden gelaten.
De ingebrekestelling kan ten vroegste worden verstuurd één week na de aankomst van het zeeschip, tenzij bijzondere omstandigheden een kortere termijn rechtvaardigen.
§ 3. Ingeval de in paragraaf 2 bedoelde ingebrekestelling zonder gevolg blijft, richt de vervrachter een verzoekschrift aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank. Onverminderd artikel 1026 van het Gerechtelijk Wetboek, vermeldt het verzoekschrift :
1° de feiten;
2° een omschrijving van de goederen;
3° desgevallend de bedragen die aan de vervrachter verschuldigd blijven;
4° ingeval de in paragraaf 2 bedoelde ingebrekestelling achterwege werd gelaten, de redenen waarom dit gebeurd is;
5° ingeval de in paragraaf 2 bedoelde wachttermijn van één week niet werd toegepast, de redenen die een kortere termijn rechtvaardigen;
6° de wijze waarop wordt voorgesteld tot lossing, bewaargeving en verkoop over te gaan.
§ 4. Op het verzoekschrift wordt eerst beslist drie dagen nadat het bij gerechtsbrief ter kennis is gebracht van de partijen aan wie de ingebrekestelling bedoeld in paragraaf 2 werd gericht, met verzoek om binnen die termijn hun opmerkingen aan de voorzitter te doen toekomen.
§ 5. Indien de voorzitter het verzoek gegrond verklaart, bepaalt hij het bedrag van de schuldvordering van de vervrachter en de wijze waarop tot lossing, bewaargeving en verkoop zal worden overgegaan. Indien redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de opbrengst van de verkoop lager zal liggen dan het bedrag van de schuldvordering van de vervrachter, kan de voorzitter, op verzoek van de vervrachter, bepalen dat de goederen in eigendom aan de vervrachter zullen overgaan en dat diens schuldvordering daardoor, ten belope van de door de voorzitter bepaalde waarde van de goederen, vervalt.
§ 6. De beschikking wordt bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de partijen aan wie de ingebrekestelling bedoeld in paragraaf 2 werd gericht.
Onder voorbehoud van paragraaf 7 is de beschikking tot verkoop uitvoerbaar na het verstrijken van een termijn van tien dagen vanaf de kennisgeving. Derdenverzet tegen deze beschikking dient op straffe van verval te worden ingesteld binnen een termijn van tien dagen vanaf de kennisgeving.
§ 7. Indien één of meer van de in paragraaf 2 bedoelde ingebrekestellingen achterwege werd gelaten, dient de beschikking te worden bekendgemaakt :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
De beschikking tot verkoop is in dit geval slechts uitvoerbaar na het verstrijken van een termijn van één maand vanaf de laatste publicatie. Derdenverzet tegen deze beschikking dient op straffe van verval te worden ingesteld binnen een termijn van één maand vanaf deze publicatie.
§ 8. Indien de verkoop meer opbrengt dan het bedrag van de schuldvordering van de vervrachter, wordt het saldo in de Deposito- en Consignatiekas gestort. Het aldus in bewaring gegeven bedrag vervalt, in hoofdsom en interesten, van rechtswege aan de Schatkist vijf jaar na de bewaargeving, tenzij dat bedrag binnen die termijn door een rechthebbende, zijn vertegenwoordigers, zijn rechtsopvolgers of zijn schuldeisers is opgevorderd.
§ 9. Indien de verkoop onvoldoende opbrengt om de schuldvordering van de vervrachter te dekken, behoudt deze voor het saldo alle rechten waarover hij krachtens de overeenkomst of de wet beschikt.
§ 10. De vervrachter die overeenkomstig de bepalingen van dit artikel is overgegaan tot verkoop van de goederen is bevrijd ten opzichte van de rechthebbenden op de lading, die enkel nog rechten kunnen laten gelden op het saldo van de verkoopopbrengst.
§ 1. Ingeval de bevrachter de goederen niet lost of niet bij de vervrachter afhaalt kan deze laatste machtiging vragen om de goederen te lossen, in bewaring te geven en te verkopen, naargelang het geval.
§ 2. De vervrachter dient hiertoe vooraf de bevrachter, de bestemmeling en in voorkomend geval de partij aan wie hij volgens de bevrachtingsovereenkomst een aankomstbericht moet zenden, bij aangetekende zending in gebreke te stellen om de goederen te lossen en af te halen, naargelang het geval. Deze ingebrekestelling dient uitdrukkelijk te vermelden dat, indien hieraan geen gevolg wordt gegeven, zal worden overgegaan tot lossing, bewaargeving en verkoop van de goederen overeenkomstig dit artikel .
Ingeval de identiteit of de woonplaats van één of meer van voornoemde personen ondanks redelijke inspanningen niet kan worden achterhaald, of indien deze ingebrekestelling gelet op de omstandigheden van het geval nutteloos zou zijn, kan deze ingebrekestelling achterwege worden gelaten.
De ingebrekestelling kan ten vroegste worden verstuurd één week na de aankomst van het zeeschip, tenzij bijzondere omstandigheden een kortere termijn rechtvaardigen.
§ 3. Ingeval de in paragraaf 2 bedoelde ingebrekestelling zonder gevolg blijft, richt de vervrachter een verzoekschrift aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank. Onverminderd artikel 1026 van het Gerechtelijk Wetboek, vermeldt het verzoekschrift :
1° de feiten;
2° een omschrijving van de goederen;
3° desgevallend de bedragen die aan de vervrachter verschuldigd blijven;
4° ingeval de in paragraaf 2 bedoelde ingebrekestelling achterwege werd gelaten, de redenen waarom dit gebeurd is;
5° ingeval de in paragraaf 2 bedoelde wachttermijn van één week niet werd toegepast, de redenen die een kortere termijn rechtvaardigen;
6° de wijze waarop wordt voorgesteld tot lossing, bewaargeving en verkoop over te gaan.
§ 4. Op het verzoekschrift wordt eerst beslist drie dagen nadat het bij gerechtsbrief ter kennis is gebracht van de partijen aan wie de ingebrekestelling bedoeld in paragraaf 2 werd gericht, met verzoek om binnen die termijn hun opmerkingen aan de voorzitter te doen toekomen.
§ 5. Indien de voorzitter het verzoek gegrond verklaart, bepaalt hij het bedrag van de schuldvordering van de vervrachter en de wijze waarop tot lossing, bewaargeving en verkoop zal worden overgegaan. Indien redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de opbrengst van de verkoop lager zal liggen dan het bedrag van de schuldvordering van de vervrachter, kan de voorzitter, op verzoek van de vervrachter, bepalen dat de goederen in eigendom aan de vervrachter zullen overgaan en dat diens schuldvordering daardoor, ten belope van de door de voorzitter bepaalde waarde van de goederen, vervalt.
§ 6. De beschikking wordt bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de partijen aan wie de ingebrekestelling bedoeld in paragraaf 2 werd gericht.
Onder voorbehoud van paragraaf 7 is de beschikking tot verkoop uitvoerbaar na het verstrijken van een termijn van tien dagen vanaf de kennisgeving. Derdenverzet tegen deze beschikking dient op straffe van verval te worden ingesteld binnen een termijn van tien dagen vanaf de kennisgeving.
§ 7. Indien één of meer van de in paragraaf 2 bedoelde ingebrekestellingen achterwege werd gelaten, dient de beschikking te worden bekendgemaakt :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
De beschikking tot verkoop is in dit geval slechts uitvoerbaar na het verstrijken van een termijn van één maand vanaf de laatste publicatie. Derdenverzet tegen deze beschikking dient op straffe van verval te worden ingesteld binnen een termijn van één maand vanaf deze publicatie.
§ 8. Indien de verkoop meer opbrengt dan het bedrag van de schuldvordering van de vervrachter, wordt het saldo in de Deposito- en Consignatiekas gestort. Het aldus in bewaring gegeven bedrag vervalt, in hoofdsom en interesten, van rechtswege aan de Schatkist vijf jaar na de bewaargeving, tenzij dat bedrag binnen die termijn door een rechthebbende, zijn vertegenwoordigers, zijn rechtsopvolgers of zijn schuldeisers is opgevorderd.
§ 9. Indien de verkoop onvoldoende opbrengt om de schuldvordering van de vervrachter te dekken, behoudt deze voor het saldo alle rechten waarover hij krachtens de overeenkomst of de wet beschikt.
§ 10. De vervrachter die overeenkomstig de bepalingen van dit artikel is overgegaan tot verkoop van de goederen is bevrijd ten opzichte van de rechthebbenden op de lading, die enkel nog rechten kunnen laten gelden op het saldo van de verkoopopbrengst.
Art. 2.6.1.100. Marchandises non déchargées ou enlevées
§ 1er. Si l'affréteur ne décharge pas les marchandises ou n'enlève pas les marchandises chez le fréteur, ce dernier peut demander autorisation de décharger les marchandises, de les mettre en dépôt et de les vendre, selon le cas.
§ 2. A cet effet, le fréteur doit préalablement mettre en demeure l'affréteur, le destinataire et, le cas échéant, la partie à qui il doit envoyer un avis d'arrivée conformément au contrat d'affrètement, par envoi recommandé, en vue de décharger et d'enlever les marchandises, selon le cas. Cette mise en demeure doit expressément mentionner que, s'il n'y est pas donné suite, il sera procédé au déchargement, au dépôt et à la vente des marchandises conformément au présent article.
Si l'identité ou le domicile d'une ou de plusieurs des personnes susmentionnées ne peut pas être établi malgré des efforts raisonnables ou si, du fait des circonstances du cas, cette mise en demeure s'avérait inutile, la mise en demeure peut ne pas être adressée.
La mise en demeure peut être envoyée au plus tôt une semaine après l'arrivée du navire de mer, sauf circonstances particulières justifiant un délai plus court.
§ 3. Si la mise en demeure visée au paragraphe 2 reste sans suite, le fréteur adresse une requête au président du tribunal de l'entreprise. Sans préjudice de l'article 1026 du Code judiciaire, la requête mentionne :
1° les faits;
2° une description des marchandises;
3° le cas échéant, les montants restant dus au fréteur;
4° si la mise en demeure visée au paragraphe 2 n'a pas été adressée, les raisons pour lesquelles il en est ainsi;
5° si le délai d'attente d'une semaine visé au paragraphe 2 n'a pas été appliqué, les motifs justifiant un délai plus court;
6° la façon dont il est proposé de procéder au déchargement, au dépôt et à la vente.
§ 4. Il ne sera statué sur cette requête que trois jours après qu'elle aura été notifiée par pli judiciaire aux parties à qui la mise en demeure visée au paragraphe 2 a été adressée, avec invitation de faire parvenir dans ce délai leurs remarques au président.
§ 5. Si le président déclare la requête fondée, il fixe le montant de la créance du fréteur et la façon dont il sera procédé au déchargement, au dépôt et à la vente. S'il peut raisonnablement être admis que la recette de la vente sera inférieure au montant de la créance du fréteur, le président peut, à la demande du fréteur, déterminer que les marchandises seront cédées en propriété au fréteur et que, de ce fait, sa créance tombe à concurrence de la valeur fixée par le président.
§ 6. L'ordonnance sera notifiée par pli judiciaire à la connaissance des parties à qui la mise en demeure visée au paragraphe 2 a été adressée.
Sous réserve du paragraphe 7, l'ordonnance de vente est exécutable après expiration d'un délai de dix jours à compter de la notification. Une tierce opposition contre cette ordonnance doit, à peine de déchéance, être introduite dans un délai de dix jours à compter de la notification.
§ 7. Si une ou plusieurs des mises en demeure visées au paragraphe 2 n'ont pas été adressées, l'ordonnance doit être publiée :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
L'ordonnance de vente n'est exécutable qu'après expiration d'un délai d'un mois à compter de la dernière publication. Une tierce opposition contre cette ordonnance doit, à peine de déchéance, être introduite dans un délai d'un mois à compter de cette publication.
§ 8. Si la vente rapporte plus que le montant de la créance du fréteur, le solde est versé dans la Caisse de Dépôt et de Consignation. Le montant ainsi donné en dépôt revient, en principal et en intérêts, de plein droit, au Trésor public cinq ans après le dépôt, à moins que ce montant n'ait été réclamé dans ces délais par un ayant droit, ses représentants, ses ayants-cause ou ses créanciers.
§ 9. Si la vente ne rapporte pas suffisamment pour couvrir la créance du fréteur, celui-ci conserve, pour le solde, tous les droits dont il dispose en vertu du contrat ou de la loi.
§ 10. Le fréteur qui, conformément aux dispositions du présent article, procède à la vente des marchandises est libéré vis-à-vis des ayants droit à la cargaison qui peuvent encore uniquement faire valoir des droits sur le solde de la recette de la vente.
§ 1er. Si l'affréteur ne décharge pas les marchandises ou n'enlève pas les marchandises chez le fréteur, ce dernier peut demander autorisation de décharger les marchandises, de les mettre en dépôt et de les vendre, selon le cas.
§ 2. A cet effet, le fréteur doit préalablement mettre en demeure l'affréteur, le destinataire et, le cas échéant, la partie à qui il doit envoyer un avis d'arrivée conformément au contrat d'affrètement, par envoi recommandé, en vue de décharger et d'enlever les marchandises, selon le cas. Cette mise en demeure doit expressément mentionner que, s'il n'y est pas donné suite, il sera procédé au déchargement, au dépôt et à la vente des marchandises conformément au présent article.
Si l'identité ou le domicile d'une ou de plusieurs des personnes susmentionnées ne peut pas être établi malgré des efforts raisonnables ou si, du fait des circonstances du cas, cette mise en demeure s'avérait inutile, la mise en demeure peut ne pas être adressée.
La mise en demeure peut être envoyée au plus tôt une semaine après l'arrivée du navire de mer, sauf circonstances particulières justifiant un délai plus court.
§ 3. Si la mise en demeure visée au paragraphe 2 reste sans suite, le fréteur adresse une requête au président du tribunal de l'entreprise. Sans préjudice de l'article 1026 du Code judiciaire, la requête mentionne :
1° les faits;
2° une description des marchandises;
3° le cas échéant, les montants restant dus au fréteur;
4° si la mise en demeure visée au paragraphe 2 n'a pas été adressée, les raisons pour lesquelles il en est ainsi;
5° si le délai d'attente d'une semaine visé au paragraphe 2 n'a pas été appliqué, les motifs justifiant un délai plus court;
6° la façon dont il est proposé de procéder au déchargement, au dépôt et à la vente.
§ 4. Il ne sera statué sur cette requête que trois jours après qu'elle aura été notifiée par pli judiciaire aux parties à qui la mise en demeure visée au paragraphe 2 a été adressée, avec invitation de faire parvenir dans ce délai leurs remarques au président.
§ 5. Si le président déclare la requête fondée, il fixe le montant de la créance du fréteur et la façon dont il sera procédé au déchargement, au dépôt et à la vente. S'il peut raisonnablement être admis que la recette de la vente sera inférieure au montant de la créance du fréteur, le président peut, à la demande du fréteur, déterminer que les marchandises seront cédées en propriété au fréteur et que, de ce fait, sa créance tombe à concurrence de la valeur fixée par le président.
§ 6. L'ordonnance sera notifiée par pli judiciaire à la connaissance des parties à qui la mise en demeure visée au paragraphe 2 a été adressée.
Sous réserve du paragraphe 7, l'ordonnance de vente est exécutable après expiration d'un délai de dix jours à compter de la notification. Une tierce opposition contre cette ordonnance doit, à peine de déchéance, être introduite dans un délai de dix jours à compter de la notification.
§ 7. Si une ou plusieurs des mises en demeure visées au paragraphe 2 n'ont pas été adressées, l'ordonnance doit être publiée :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
L'ordonnance de vente n'est exécutable qu'après expiration d'un délai d'un mois à compter de la dernière publication. Une tierce opposition contre cette ordonnance doit, à peine de déchéance, être introduite dans un délai d'un mois à compter de cette publication.
§ 8. Si la vente rapporte plus que le montant de la créance du fréteur, le solde est versé dans la Caisse de Dépôt et de Consignation. Le montant ainsi donné en dépôt revient, en principal et en intérêts, de plein droit, au Trésor public cinq ans après le dépôt, à moins que ce montant n'ait été réclamé dans ces délais par un ayant droit, ses représentants, ses ayants-cause ou ses créanciers.
§ 9. Si la vente ne rapporte pas suffisamment pour couvrir la créance du fréteur, celui-ci conserve, pour le solde, tous les droits dont il dispose en vertu du contrat ou de la loi.
§ 10. Le fréteur qui, conformément aux dispositions du présent article, procède à la vente des marchandises est libéré vis-à-vis des ayants droit à la cargaison qui peuvent encore uniquement faire valoir des droits sur le solde de la recette de la vente.
Art. 2.6.1.101. Opzegging
§ 1. Ingeval het zeeschip op de opzegdatum niet gereed is voor het laden, mag de bevrachter de overeenkomst opzeggen.
§ 2. Ingeval de vervrachter, niettegenstaande de aanwending van behoorlijke zorg, voorziet dat het zeeschip niet op de opzegdatum gereed zal zijn, mag hij de bevrachter hiervan op de hoogte stellen en de dag meedelen waarop het zeeschip verwacht wordt gereed te zijn, en de bevrachter uitnodigen om de overeenkomst op te zeggen dan wel om de nieuwe opzegdatum te aanvaarden. De bevrachter moet zijn keuze meedelen binnen achtenveertig uur na ontvangst van het bericht van de vervrachter. Ingeval de bevrachter geen keuze voor opzegging meedeelt, wordt de opzegdatum verplaatst tot zeven dagen na de nieuwe verwachte datum van gereedheid van het zeeschip. Ingeval van verdere vertraging mag de bevrachter de overeenkomst alleszins opzeggen.
§ 1. Ingeval het zeeschip op de opzegdatum niet gereed is voor het laden, mag de bevrachter de overeenkomst opzeggen.
§ 2. Ingeval de vervrachter, niettegenstaande de aanwending van behoorlijke zorg, voorziet dat het zeeschip niet op de opzegdatum gereed zal zijn, mag hij de bevrachter hiervan op de hoogte stellen en de dag meedelen waarop het zeeschip verwacht wordt gereed te zijn, en de bevrachter uitnodigen om de overeenkomst op te zeggen dan wel om de nieuwe opzegdatum te aanvaarden. De bevrachter moet zijn keuze meedelen binnen achtenveertig uur na ontvangst van het bericht van de vervrachter. Ingeval de bevrachter geen keuze voor opzegging meedeelt, wordt de opzegdatum verplaatst tot zeven dagen na de nieuwe verwachte datum van gereedheid van het zeeschip. Ingeval van verdere vertraging mag de bevrachter de overeenkomst alleszins opzeggen.
Art. 2.6.1.101. Résiliation
§ 1er. Si le navire de mer n'est pas prêt pour le chargement à la date de résiliation, l'affréteur peut résilier le contrat.
§ 2. Au cas où le fréteur, nonobstant la diligence raisonnable observée, prévoit que le navire de mer ne sera pas prêt à la date de résiliation, il peut en informer l'affréteur, indiquer le jour où il est prévu que le navire de mer soit prêt et inviter l'affréteur à résilier le contrat ou à accepter la nouvelle date de résiliation. L'affréteur doit communiquer son choix dans les 48 heures qui suivent la réception de l'avis du fréteur. Si l'affréteur ne communique aucun choix de résiliation, la date de résiliation est reportée jusqu'à sept jours après la nouvelle date prévue à laquelle le navire de mer sera prêt. En cas de retard supplémentaire, l'affréteur peut quoi qu'il en soit résilier le contrat.
§ 1er. Si le navire de mer n'est pas prêt pour le chargement à la date de résiliation, l'affréteur peut résilier le contrat.
§ 2. Au cas où le fréteur, nonobstant la diligence raisonnable observée, prévoit que le navire de mer ne sera pas prêt à la date de résiliation, il peut en informer l'affréteur, indiquer le jour où il est prévu que le navire de mer soit prêt et inviter l'affréteur à résilier le contrat ou à accepter la nouvelle date de résiliation. L'affréteur doit communiquer son choix dans les 48 heures qui suivent la réception de l'avis du fréteur. Si l'affréteur ne communique aucun choix de résiliation, la date de résiliation est reportée jusqu'à sept jours après la nouvelle date prévue à laquelle le navire de mer sera prêt. En cas de retard supplémentaire, l'affréteur peut quoi qu'il en soit résilier le contrat.
Art. 2.6.1.102. Cognossementen
Cognossementen worden ondertekend door de kapitein of door de vertegenwoordiger van de vervrachter, wiens volmacht aan de bevrachters moet worden meegedeeld.
De bevrachter vrijwaart de vervrachter tegen alle gevolgen en aansprakelijkheden welke voortvloeien uit de ondertekening van cognossementen waardoor op de vervrachter zwaardere aansprakelijkheden komen te rusten dan hij heeft te dragen overeenkomstig de reisbevrachtingsovereenkomst.
Cognossementen worden ondertekend door de kapitein of door de vertegenwoordiger van de vervrachter, wiens volmacht aan de bevrachters moet worden meegedeeld.
De bevrachter vrijwaart de vervrachter tegen alle gevolgen en aansprakelijkheden welke voortvloeien uit de ondertekening van cognossementen waardoor op de vervrachter zwaardere aansprakelijkheden komen te rusten dan hij heeft te dragen overeenkomstig de reisbevrachtingsovereenkomst.
Art. 2.6.1.102. Connaissements
Les connaissements sont signés par le capitaine ou par le représentant du fréteur dont le mandat doit être communiqué aux affréteurs.
L'affréteur garantit le fréteur contre toutes les conséquences et responsabilités découlant de la signature de connaissements des suites desquels le fréteur est soumis à des responsabilités plus lourdes que celles qu'il doit supporter conformément au contrat d'affrètement au voyage.
Les connaissements sont signés par le capitaine ou par le représentant du fréteur dont le mandat doit être communiqué aux affréteurs.
L'affréteur garantit le fréteur contre toutes les conséquences et responsabilités découlant de la signature de connaissements des suites desquels le fréteur est soumis à des responsabilités plus lourdes que celles qu'il doit supporter conformément au contrat d'affrètement au voyage.
Art. 2.6.1.103. Averij-grosse
Averij-grosse wordt omgeslagen overeenkomstig de Regels van York en Antwerpen.
Ladingeigenaars moeten het aandeel van de lading in de algemene onkosten betalen, zelfs ingeval deze noodzakelijk werden ingevolge nalatigheid of in gebreke blijven van de aangestelden van de vervrachter.
Averij-grosse wordt omgeslagen overeenkomstig de Regels van York en Antwerpen.
Ladingeigenaars moeten het aandeel van de lading in de algemene onkosten betalen, zelfs ingeval deze noodzakelijk werden ingevolge nalatigheid of in gebreke blijven van de aangestelden van de vervrachter.
Art. 2.6.1.103. Avarie commune
L'avarie commune est réglée conformément aux Règles d'York et d'Anvers.
Les propriétaires de la cargaison doivent payer la part de la cargaison dans les frais généraux, même s'ils se sont avérés nécessaires des suites d'une négligence ou d'un manquement des préposés du fréteur.
L'avarie commune est réglée conformément aux Règles d'York et d'Anvers.
Les propriétaires de la cargaison doivent payer la part de la cargaison dans les frais généraux, même s'ils se sont avérés nécessaires des suites d'une négligence ou d'un manquement des préposés du fréteur.
Art. 2.6.1.104. Rechten en taksen
§ 1. De vervrachter moet alle rechten, lasten en taksen betalen die gebruikelijk worden geheven op het schip, hoe ze ook worden berekend.
§ 2. De bevrachter moet alle rechten, lasten, heffingen en taksen betalen die gebruikelijk worden geheven op de lading, hoe ze ook worden berekend.
§ 3. Taksen geheven op de vracht zijn ten laste van de bevrachter.
§ 1. De vervrachter moet alle rechten, lasten en taksen betalen die gebruikelijk worden geheven op het schip, hoe ze ook worden berekend.
§ 2. De bevrachter moet alle rechten, lasten, heffingen en taksen betalen die gebruikelijk worden geheven op de lading, hoe ze ook worden berekend.
§ 3. Taksen geheven op de vracht zijn ten laste van de bevrachter.
Art. 2.6.1.104. Droits et taxes
§ 1er. Le fréteur doit payer l'ensemble des droits, charges et taxes qui sont levés habituellement sur le navire, quel que soit leur mode de calcul.
§ 2. L'affréteur doit payer l'ensemble des droits, charges, prélèvements et taxes qui sont levés habituellement sur la cargaison, quel que soit leur mode de calcul.
§ 3. Les taxes levées sur le fret sont à charge de l'affréteur.
§ 1er. Le fréteur doit payer l'ensemble des droits, charges et taxes qui sont levés habituellement sur le navire, quel que soit leur mode de calcul.
§ 2. L'affréteur doit payer l'ensemble des droits, charges, prélèvements et taxes qui sont levés habituellement sur la cargaison, quel que soit leur mode de calcul.
§ 3. Les taxes levées sur le fret sont à charge de l'affréteur.
Art. 2.6.1.105. Agentuur
De vervrachter moet in de laadhaven en in de loshaven zijn eigen scheepsagent aanduiden.
De vervrachter moet in de laadhaven en in de loshaven zijn eigen scheepsagent aanduiden.
Art. 2.6.1.105. Agence
Le fréteur doit désigner son propre agent maritime dans le port de chargement et le port de déchargement.
Le fréteur doit désigner son propre agent maritime dans le port de chargement et le port de déchargement.
Art. 2.6.1.107. Staking
§ 1. Ingeval van staking die het laden verhindert, mag de vervrachter de bevrachter verzoeken de ligdagen te laten doorlopen alsof er geen staking in het spel was. Indien de bevrachter niet binnen vierentwintig uur op dit verzoek ingaat, mag de vervrachter de overeenkomst opzeggen, tenzij het laden al een aanvang had genomen.
§ 2. Ingeval van staking die de lossing verhindert gedurende meer dan achtenveertig uur, mag de bevrachter het zeeschip laten wachten tegen betaling van de helft van het liggeld na afloop van de ligtijd, met dien verstande dat na het einde van de staking het volle liggeld verschuldigd is tot aan de lossing.
§ 3. Buiten de in de vorige paragrafen bepaalde gevallen is geen der partijen voor de gevolgen van stakingen die het laden of lossen verhinderen of bemoeilijken aansprakelijk.
§ 1. Ingeval van staking die het laden verhindert, mag de vervrachter de bevrachter verzoeken de ligdagen te laten doorlopen alsof er geen staking in het spel was. Indien de bevrachter niet binnen vierentwintig uur op dit verzoek ingaat, mag de vervrachter de overeenkomst opzeggen, tenzij het laden al een aanvang had genomen.
§ 2. Ingeval van staking die de lossing verhindert gedurende meer dan achtenveertig uur, mag de bevrachter het zeeschip laten wachten tegen betaling van de helft van het liggeld na afloop van de ligtijd, met dien verstande dat na het einde van de staking het volle liggeld verschuldigd is tot aan de lossing.
§ 3. Buiten de in de vorige paragrafen bepaalde gevallen is geen der partijen voor de gevolgen van stakingen die het laden of lossen verhinderen of bemoeilijken aansprakelijk.
Art. 2.6.1.107. Grève
§ 1er. En cas de grève qui entrave le chargement, le fréteur peut demander à l'affréteur de faire courir les jours de starie comme si aucune grève n'était en jeu. Si l'affréteur n'accède pas à cette requête dans les vingt-quatre heures, le fréteur peut résilier le contrat à moins que le chargement ait déjà commencé.
§ 2. En cas de grève qui entrave le déchargement pendant plus de quarante-huit heures, l'affréteur peut faire attendre le navire de mer moyennant paiement de la moitié des surestaries à l'issue du délai de starie, étant entendu que, après la fin de la grève, les surestaries dans leur intégralité sont dues jusqu'au déchargement.
§ 3. En dehors des cas mentionnés aux paragraphes précédents, aucune des parties n'est responsable des conséquences de grèves qui entravent ou compliquent le chargement ou le déchargement.
§ 1er. En cas de grève qui entrave le chargement, le fréteur peut demander à l'affréteur de faire courir les jours de starie comme si aucune grève n'était en jeu. Si l'affréteur n'accède pas à cette requête dans les vingt-quatre heures, le fréteur peut résilier le contrat à moins que le chargement ait déjà commencé.
§ 2. En cas de grève qui entrave le déchargement pendant plus de quarante-huit heures, l'affréteur peut faire attendre le navire de mer moyennant paiement de la moitié des surestaries à l'issue du délai de starie, étant entendu que, après la fin de la grève, les surestaries dans leur intégralité sont dues jusqu'au déchargement.
§ 3. En dehors des cas mentionnés aux paragraphes précédents, aucune des parties n'est responsable des conséquences de grèves qui entravent ou compliquent le chargement ou le déchargement.
Art. 2.6.1.108. Oorlog
§ 1. Ingeval de kapitein, de scheepseigenaar of de reder voor het aanvangen van het laden in redelijkheid vaststelt dat het zeeschip, de lading of de opvarenden mogelijk zullen worden blootgesteld aan risico's van oorlog, burgeroorlog, vijandelijkheden, oproer, mijnen, piraterij, terrorisme of blokkade veroorzaakt door publieke of private personen, mag de vervrachter de overeenkomst opzeggen, of weigeren het betrokken gedeelte ervan uit te voeren.
§ 2. Indien de in paragraaf 1 bedoelde vaststelling later wordt gedaan, kan de vervrachter weigeren de inlading verder te zetten, cognossementen te ondertekenen of de reis verder te zetten. Hij mag de bevrachter verzoeken een loshaven aan te duiden waar de bedoelde risico's zich niet voordoen. Bij gebreke daarvan mag hij de lading lossen in een andere, door hem gekozen haven. Om de risico's te ontlopen, mag de vervrachter er ook voor kiezen een langere reisweg te volgen.
§ 3. Het zeeschip moet gevolg geven aan bevelen en aanbevelingen van de vlagstaat, andere bevoegde overheden of verzekeraars tegen oorlogsrisico's, en aan resoluties, bevelen of richtlijnen van bevoegde supranationale of internationale instellingen.
Het zeeschip mag de lading lossen in om het even welke haven, ingeval deze lading kan leiden tot verbeurdverklaring van het schip.
Het zeeschip mag een andere haven aanlopen om bemanningsleden of opvarenden te laten ontschepen ingeval zij gevangen kunnen worden genomen of anderszins bestraft.
§ 1. Ingeval de kapitein, de scheepseigenaar of de reder voor het aanvangen van het laden in redelijkheid vaststelt dat het zeeschip, de lading of de opvarenden mogelijk zullen worden blootgesteld aan risico's van oorlog, burgeroorlog, vijandelijkheden, oproer, mijnen, piraterij, terrorisme of blokkade veroorzaakt door publieke of private personen, mag de vervrachter de overeenkomst opzeggen, of weigeren het betrokken gedeelte ervan uit te voeren.
§ 2. Indien de in paragraaf 1 bedoelde vaststelling later wordt gedaan, kan de vervrachter weigeren de inlading verder te zetten, cognossementen te ondertekenen of de reis verder te zetten. Hij mag de bevrachter verzoeken een loshaven aan te duiden waar de bedoelde risico's zich niet voordoen. Bij gebreke daarvan mag hij de lading lossen in een andere, door hem gekozen haven. Om de risico's te ontlopen, mag de vervrachter er ook voor kiezen een langere reisweg te volgen.
§ 3. Het zeeschip moet gevolg geven aan bevelen en aanbevelingen van de vlagstaat, andere bevoegde overheden of verzekeraars tegen oorlogsrisico's, en aan resoluties, bevelen of richtlijnen van bevoegde supranationale of internationale instellingen.
Het zeeschip mag de lading lossen in om het even welke haven, ingeval deze lading kan leiden tot verbeurdverklaring van het schip.
Het zeeschip mag een andere haven aanlopen om bemanningsleden of opvarenden te laten ontschepen ingeval zij gevangen kunnen worden genomen of anderszins bestraft.
Art. 2.6.1.108. Guerre
§ 1er. Si, avant le début du chargement, le capitaine, le propriétaire du navire de mer ou l'armateur constate raisonnablement que le navire de mer, la cargaison ou les personnes embarquées risquent éventuellement d'être exposés à des risques de guerre, de guerre civile, d'hostilités, d'insurrection, de mines, de piraterie, de terrorisme ou de blocus provoqués par des personnes publiques ou privées, le fréteur peut résilier le contrat ou refuser d'en exécuter la partie concernée.
§ 2. Si la constatation visée au paragraphe 1er est faite ultérieurement, le fréteur peut refuser de continuer le chargement, de signer des connaissements ou de poursuivre le voyage. Il peut prier l'affréteur de désigner un port de déchargement où les risques visés ne se présentent pas. A défaut de quoi, il peut décharger la cargaison dans un autre port choisi par ses soins. Pour échapper aux risques, le fréteur peut également choisir de suivre une route plus longue.
§ 3. Le navire de mer doit donner suite à des ordres et recommandations de l'Etat du pavillon, d'autres autorités compétentes ou d'assureurs contre des risques de guerre et à des résolutions, ordres ou directives d'organismes supranationaux ou internationaux compétents.
Le navire de mer peut décharger la cargaison dans n'importe quel port si cette cargaison risque d'entraîner une confiscation du navire.
Le navire de mer peut faire escale dans un autre port pour y faire débarquer des membres de l'équipage ou des passagers s'ils risquent d'être pris ou punis autrement.
§ 1er. Si, avant le début du chargement, le capitaine, le propriétaire du navire de mer ou l'armateur constate raisonnablement que le navire de mer, la cargaison ou les personnes embarquées risquent éventuellement d'être exposés à des risques de guerre, de guerre civile, d'hostilités, d'insurrection, de mines, de piraterie, de terrorisme ou de blocus provoqués par des personnes publiques ou privées, le fréteur peut résilier le contrat ou refuser d'en exécuter la partie concernée.
§ 2. Si la constatation visée au paragraphe 1er est faite ultérieurement, le fréteur peut refuser de continuer le chargement, de signer des connaissements ou de poursuivre le voyage. Il peut prier l'affréteur de désigner un port de déchargement où les risques visés ne se présentent pas. A défaut de quoi, il peut décharger la cargaison dans un autre port choisi par ses soins. Pour échapper aux risques, le fréteur peut également choisir de suivre une route plus longue.
§ 3. Le navire de mer doit donner suite à des ordres et recommandations de l'Etat du pavillon, d'autres autorités compétentes ou d'assureurs contre des risques de guerre et à des résolutions, ordres ou directives d'organismes supranationaux ou internationaux compétents.
Le navire de mer peut décharger la cargaison dans n'importe quel port si cette cargaison risque d'entraîner une confiscation du navire.
Le navire de mer peut faire escale dans un autre port pour y faire débarquer des membres de l'équipage ou des passagers s'ils risquent d'être pris ou punis autrement.
Art. 2.6.1.109. IJs
§ 1. Ingeval de laadhaven onbereikbaar is ingevolge ijs, of het zeeschip aldaar door ijs dreigt ingesloten te raken, mag de kapitein beslissen hetzij geen lading in te nemen, in welk geval de overeenkomst als nietig zal worden beschouwd, hetzij uit te varen met een deel van de lading aan boord.
§ 2. Ingeval ijs het zeeschip verhindert de loshaven te bereiken, mag de bevrachter beslissen hetzij het schip te laten wachten, onder verplichting liggeld te betalen, hetzij het zeeschip naar een ijsvrije haven te laten varen, in welk geval alle bedingen van het cognossement van toepassing blijven.
§ 1. Ingeval de laadhaven onbereikbaar is ingevolge ijs, of het zeeschip aldaar door ijs dreigt ingesloten te raken, mag de kapitein beslissen hetzij geen lading in te nemen, in welk geval de overeenkomst als nietig zal worden beschouwd, hetzij uit te varen met een deel van de lading aan boord.
§ 2. Ingeval ijs het zeeschip verhindert de loshaven te bereiken, mag de bevrachter beslissen hetzij het schip te laten wachten, onder verplichting liggeld te betalen, hetzij het zeeschip naar een ijsvrije haven te laten varen, in welk geval alle bedingen van het cognossement van toepassing blijven.
Art. 2.6.1.109. Glaces
§ 1. Si le port de chargement est inaccessible du fait de la présence de glaces ou si le navire de mer menace d'y être pris par les glaces, le capitaine peut décider soit de ne pas accepter une cargaison, auquel cas le contrat sera considéré comme nul, soit de quitter le port avec seulement une partie de la cargaison à bord.
§ 2. Si les glaces empêchent le navire de mer d'atteindre le port de déchargement, l'affréteur peut décider soit de faire attendre le navire de mer, moyennant l'obligation de payer des surestaries, soit de naviguer vers un port libre de glaces, auquel cas toutes les clauses du connaissement restent d'application.
§ 1. Si le port de chargement est inaccessible du fait de la présence de glaces ou si le navire de mer menace d'y être pris par les glaces, le capitaine peut décider soit de ne pas accepter une cargaison, auquel cas le contrat sera considéré comme nul, soit de quitter le port avec seulement une partie de la cargaison à bord.
§ 2. Si les glaces empêchent le navire de mer d'atteindre le port de déchargement, l'affréteur peut décider soit de faire attendre le navire de mer, moyennant l'obligation de payer des surestaries, soit de naviguer vers un port libre de glaces, auquel cas toutes les clauses du connaissement restent d'application.
Art. 2.6.1.110. Verjaring
§ 1. Alle vorderingen in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een reisbevrachtingsovereenkomst verjaren door verloop van twee jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan of na de beëindiging van de overeenkomst, naargelang welk tijdstip het vroegste valt.
§ 2. Regresvorderingen in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een reisbevrachtingsovereenkomst kunnen, ook na de in paragraaf 1 bedoelde termijn, worden ingesteld binnen drie maanden nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
§ 1. Alle vorderingen in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een reisbevrachtingsovereenkomst verjaren door verloop van twee jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan of na de beëindiging van de overeenkomst, naargelang welk tijdstip het vroegste valt.
§ 2. Regresvorderingen in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een reisbevrachtingsovereenkomst kunnen, ook na de in paragraaf 1 bedoelde termijn, worden ingesteld binnen drie maanden nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
Art. 2.6.1.110. Prescription
§ 1er. Toutes les actions relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat d'affrètement au voyage se prescrivent par deux ans à dater du fait donnant lieu à l'action ou à dater de la résiliation du contrat, en fonction du moment qui tombe le plus tôt.
§ 2. Des actions récursoires relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat d'affrètement au voyage peuvent, même après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, être introduites dans les trois mois à dater du moment où une action en justice a été intentée à l'encontre du demandeur ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
§ 1er. Toutes les actions relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat d'affrètement au voyage se prescrivent par deux ans à dater du fait donnant lieu à l'action ou à dater de la résiliation du contrat, en fonction du moment qui tombe le plus tôt.
§ 2. Des actions récursoires relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat d'affrètement au voyage peuvent, même après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, être introduites dans les trois mois à dater du moment où une action en justice a été intentée à l'encontre du demandeur ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
HOOFDSTUK 4. - Andere bevrachtingen
CHAPITRE 4. - Autres affrètements
Art. 2.6.1.111. Toepasselijke regelen
Op andere bevrachtingsovereenkomsten met als voorwerp een zeeschip dan deze geregeld in de vorige hoofdstukken, zijn de bepalingen van die hoofdstukken van toepassing welke de grootste overeenkomst met het betrokken geval vertonen.
Ingeval geen van die bepalingen voldoende overeenkomst vertonen, past de rechter de gebruiken en de algemene scheepvaartrechtelijke beginselen toe.
Bij de toepassing van de vorige leden kan de rechter in het bijzonder rekening houden met de internationaal meest gebruikelijke bedingen welke zijn uitgewerkt voor bevrachtingsovereenkomsten betreffende bijzondere activiteiten of de terbeschikkingstelling van bijzondere soorten schepen, zoals schepen het vervoer van zware ladingen, schepen voor dienstverlening aan de offshore-nijverheid, baggerschepen, sleepboten of schepen voor het vervoer van bemanningsleden.
Op andere bevrachtingsovereenkomsten met als voorwerp een zeeschip dan deze geregeld in de vorige hoofdstukken, zijn de bepalingen van die hoofdstukken van toepassing welke de grootste overeenkomst met het betrokken geval vertonen.
Ingeval geen van die bepalingen voldoende overeenkomst vertonen, past de rechter de gebruiken en de algemene scheepvaartrechtelijke beginselen toe.
Bij de toepassing van de vorige leden kan de rechter in het bijzonder rekening houden met de internationaal meest gebruikelijke bedingen welke zijn uitgewerkt voor bevrachtingsovereenkomsten betreffende bijzondere activiteiten of de terbeschikkingstelling van bijzondere soorten schepen, zoals schepen het vervoer van zware ladingen, schepen voor dienstverlening aan de offshore-nijverheid, baggerschepen, sleepboten of schepen voor het vervoer van bemanningsleden.
Art. 2.6.1.111. Règles applicables
Les dispositions de ces chapitres qui présentent la plus grande correspondance avec le cas concerné s'appliquent aux contrats d'affrètement autres que ceux régis aux chapitre précédents, ayant pour objet un navire de mer.
Si aucune de ces dispositions ne présente d'accord suffisant, le juge applique les usages et principes généraux du droit de la navigation.
En application des alinéas précédents, le juge peut notamment tenir compte des clauses les plus couramment utilisées au niveau international, lesquelles sont élaborées pour les contrats d'affrètement relatifs à des activités spéciales ou à la mise à disposition de types de navires particuliers, tels que les navires pour le transport de chargements lourds, les navires destinés au service à l'industrie offshore, les dragues, les remorqueurs ou les navires pour le transport de membres d'équipage.
Les dispositions de ces chapitres qui présentent la plus grande correspondance avec le cas concerné s'appliquent aux contrats d'affrètement autres que ceux régis aux chapitre précédents, ayant pour objet un navire de mer.
Si aucune de ces dispositions ne présente d'accord suffisant, le juge applique les usages et principes généraux du droit de la navigation.
En application des alinéas précédents, le juge peut notamment tenir compte des clauses les plus couramment utilisées au niveau international, lesquelles sont élaborées pour les contrats d'affrètement relatifs à des activités spéciales ou à la mise à disposition de types de navires particuliers, tels que les navires pour le transport de chargements lourds, les navires destinés au service à l'industrie offshore, les dragues, les remorqueurs ou les navires pour le transport de membres d'équipage.
Art. 2.6.1.112. Ladingvoorrecht
De vorderingen van de vervrachter uit hoofde van de in artikel 2.6.1.111 bedoelde andere bevrachtingsovereenkomsten zijn verhaalbaar en bevoorrecht op alle lading die toebehoort aan de bevrachter.
De vorderingen van de vervrachter uit hoofde van de in artikel 2.6.1.111 bedoelde andere bevrachtingsovereenkomsten zijn verhaalbaar en bevoorrecht op alle lading die toebehoort aan de bevrachter.
Art. 2.6.1.112. Privilège sur la cargaison
Les créances du fréteur du chef des autres contrats d'affrètement visés à l'article 2.6.1.111 sont récupérables et privilégiées sur toute cargaison appartenant à l'affréteur.
Les créances du fréteur du chef des autres contrats d'affrètement visés à l'article 2.6.1.111 sont récupérables et privilégiées sur toute cargaison appartenant à l'affréteur.
Art. 2.6.1.113. Verjaring
§ 1. Alle vorderingen in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een andere bevrachtingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.6.1.111 verjaren door verloop van twee jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan of na de beëindiging van de overeenkomst, naargelang welk tijdstip het vroegste valt.
§ 2. Regresvorderingen in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een in paragraaf 1 bedoelde bevrachtingsovereenkomst kunnen, ook na de in paragraaf 1 bedoelde termijn, worden ingesteld binnen drie maanden nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
§ 1. Alle vorderingen in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een andere bevrachtingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.6.1.111 verjaren door verloop van twee jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan of na de beëindiging van de overeenkomst, naargelang welk tijdstip het vroegste valt.
§ 2. Regresvorderingen in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een in paragraaf 1 bedoelde bevrachtingsovereenkomst kunnen, ook na de in paragraaf 1 bedoelde termijn, worden ingesteld binnen drie maanden nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
Art. 2.6.1.113. Prescription
§ 1er. Toutes les actions relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un autre contrat d'affrètement tel que visé à l'article 2.6.1.111 se prescrivent par deux ans après le fait des suites duquel l'action s'est créée ou après la résiliation du contrat, en fonction du moment qui tombe le plus tôt.
§ 2. Des actions récursoires relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat d'affrètement visé au paragraphe 1er peuvent, même après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, être introduites dans les trois mois à dater du moment où une action en justice a été intentée à l'encontre du demandeur ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
§ 1er. Toutes les actions relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un autre contrat d'affrètement tel que visé à l'article 2.6.1.111 se prescrivent par deux ans après le fait des suites duquel l'action s'est créée ou après la résiliation du contrat, en fonction du moment qui tombe le plus tôt.
§ 2. Des actions récursoires relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat d'affrètement visé au paragraphe 1er peuvent, même après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, être introduites dans les trois mois à dater du moment où une action en justice a été intentée à l'encontre du demandeur ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
HOOFDSTUK 2. - Vervoer
CHAPITRE 2. - Transport
Afdeling 1. - Goederenvervoer
Section 1ère. - Transport de marchandises
Onderafdeling 1. - Regels van Den Haag en Visby
Sous-Section 1ère. . - Règles de La Haye et de Visby
Art. 2.6.2.1. Begrippen
In deze onderafdeling wordt verstaan onder :
1° "vervoerder" : de eigenaar van het schip of de bevrachter, die partij is bij een zeevervoerovereenkomst met een afzender;
2° "zeevervoerovereenkomst" : een vervoerovereenkomst, waarvan blijkt uit een cognossement of enig soortgelijk stuk recht gevend op het vervoer van goederen over zee, met inbegrip van het cognossement of soortgelijk stuk uitgegeven krachtens een charterpartij van het ogenblik af dat dit de verhoudingen regelt tussen de vervoerder en de cognossementhouder, alsmede elke andere overeenkomst waarbij een partij, vervoerder genoemd, zich er tegenover een afzender en tegen vergoeding toe verbindt om goederen te vervoeren over zee;
3° "goederen" : zaken, voorwerpen, koopmanschappen en waren van welke aard ook, met uitzondering van levende dieren en van lading, die, bij de zeevervoerovereenkomst, opgegeven is als geplaatst op het dek en feitelijk aldus wordt vervoerd;
4° "schip" : elk vaartuig gebruikt voor het vervoer van de goederen over zee;
5° "vervoer van goederen" : de tijd verlopen van de inlading van de goederen aan boord van het schip tot de lossing ervan uit het schip;
6° "Verdragsluitende Staat" : een Staat die gebonden is door de Regels van Den Haag en Visby.
In deze onderafdeling wordt verstaan onder :
1° "vervoerder" : de eigenaar van het schip of de bevrachter, die partij is bij een zeevervoerovereenkomst met een afzender;
2° "zeevervoerovereenkomst" : een vervoerovereenkomst, waarvan blijkt uit een cognossement of enig soortgelijk stuk recht gevend op het vervoer van goederen over zee, met inbegrip van het cognossement of soortgelijk stuk uitgegeven krachtens een charterpartij van het ogenblik af dat dit de verhoudingen regelt tussen de vervoerder en de cognossementhouder, alsmede elke andere overeenkomst waarbij een partij, vervoerder genoemd, zich er tegenover een afzender en tegen vergoeding toe verbindt om goederen te vervoeren over zee;
3° "goederen" : zaken, voorwerpen, koopmanschappen en waren van welke aard ook, met uitzondering van levende dieren en van lading, die, bij de zeevervoerovereenkomst, opgegeven is als geplaatst op het dek en feitelijk aldus wordt vervoerd;
4° "schip" : elk vaartuig gebruikt voor het vervoer van de goederen over zee;
5° "vervoer van goederen" : de tijd verlopen van de inlading van de goederen aan boord van het schip tot de lossing ervan uit het schip;
6° "Verdragsluitende Staat" : een Staat die gebonden is door de Regels van Den Haag en Visby.
Art. 2.6.2.1. Notions
Dans la présente sous-section, l'on entend par :
1° " transporteur " : le propriétaire du navire ou l'affréteur, partie à un contrat de transport maritime avec un chargeur;
2° " contrat de transport maritime " : un contrat de transport constaté par un connaissement ou par tout document similaire formant titre pour le transport des marchandises par mer; il s'applique également au connaissement ou document similaire émis en vertu d'une charte-partie à partir du moment où ce titre régit les rapports du transporteur et du porteur du connaissement, ainsi que tout autre contrat par lequel une partie, appelée transporteur, s'engage envers un chargeur et moyennant rémunération à transporter des marchandises par mer;
3° " marchandises " : biens, objets, marchandises et articles de nature quelconque, à l'exception des animaux vivants et de la cargaison qui, par le contrat de transport maritime, est déclarée comme mise [1 en pontée]1 et, en fait, est ainsi transportée;
4° " navire " : tout bâtiment employé pour le transport des marchandises par mer;
5° " transport de marchandises " : le temps écoulé depuis le chargement des marchandises à bord du navire jusqu'à leur déchargement du navire;
6° " Etat Partie à la Convention " : un Etat qui est lié par les Règles de La Haye et de Visby.
Dans la présente sous-section, l'on entend par :
1° " transporteur " : le propriétaire du navire ou l'affréteur, partie à un contrat de transport maritime avec un chargeur;
2° " contrat de transport maritime " : un contrat de transport constaté par un connaissement ou par tout document similaire formant titre pour le transport des marchandises par mer; il s'applique également au connaissement ou document similaire émis en vertu d'une charte-partie à partir du moment où ce titre régit les rapports du transporteur et du porteur du connaissement, ainsi que tout autre contrat par lequel une partie, appelée transporteur, s'engage envers un chargeur et moyennant rémunération à transporter des marchandises par mer;
3° " marchandises " : biens, objets, marchandises et articles de nature quelconque, à l'exception des animaux vivants et de la cargaison qui, par le contrat de transport maritime, est déclarée comme mise [1 en pontée]1 et, en fait, est ainsi transportée;
4° " navire " : tout bâtiment employé pour le transport des marchandises par mer;
5° " transport de marchandises " : le temps écoulé depuis le chargement des marchandises à bord du navire jusqu'à leur déchargement du navire;
6° " Etat Partie à la Convention " : un Etat qui est lié par les Règles de La Haye et de Visby.
Wijzigingen
Art. 2.6.2.2. Internationale toepassing
§ 1. Deze onderafdeling is van toepassing :
1° op elk cognossement dat betrekking heeft op vervoer van goederen tussen havens in twee verschillende Staten, indien :
a) het cognossement is uitgegeven in een Verdragsluitende Staat; of
b) het vervoer plaatsvindt vanuit een haven in een Verdragsluitende Staat; of
c) het cognossement bepaalt dat de overeenkomst wordt beheerst door de Regels van Den Haag en Visby of door enige wet die de Regels toepasselijk verklaar of uitvoering geeft, ongeacht de nationaliteit van het schip, de vervoerder, de afzender, de bestemmeling of enige andere betrokken persoon.
2° op elk vervoer naar België.
§ 2. [1 ...]1
§ 1. Deze onderafdeling is van toepassing :
1° op elk cognossement dat betrekking heeft op vervoer van goederen tussen havens in twee verschillende Staten, indien :
a) het cognossement is uitgegeven in een Verdragsluitende Staat; of
b) het vervoer plaatsvindt vanuit een haven in een Verdragsluitende Staat; of
c) het cognossement bepaalt dat de overeenkomst wordt beheerst door de Regels van Den Haag en Visby of door enige wet die de Regels toepasselijk verklaar of uitvoering geeft, ongeacht de nationaliteit van het schip, de vervoerder, de afzender, de bestemmeling of enige andere betrokken persoon.
2° op elk vervoer naar België.
§ 2. [1 ...]1
Art. 2.6.2.2. Application internationale
§ 1. La présente sous-section s'applique :
1° à tout connaissement relatif à un transport de marchandises entre ports relevant de deux Etats différents quand :
a) le connaissement est émis dans un Etat Partie à la Convention; ou
b) le transport a lieu au départ d'un port d'un Etat Partie à la Convention; ou
c) le connaissement prévoit que les Règles de La Haye et de Visby ou toute autre législation les appliquant ou leur donnant effet régiront le contrat, quelle que soit la nationalité du navire, du transporteur, du chargeur, du destinataire ou de toute autre personne intéressée.
2° à tout transport vers la Belgique.
§ 2. [1 ...]1
§ 1. La présente sous-section s'applique :
1° à tout connaissement relatif à un transport de marchandises entre ports relevant de deux Etats différents quand :
a) le connaissement est émis dans un Etat Partie à la Convention; ou
b) le transport a lieu au départ d'un port d'un Etat Partie à la Convention; ou
c) le connaissement prévoit que les Règles de La Haye et de Visby ou toute autre législation les appliquant ou leur donnant effet régiront le contrat, quelle que soit la nationalité du navire, du transporteur, du chargeur, du destinataire ou de toute autre personne intéressée.
2° à tout transport vers la Belgique.
§ 2. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 2.6.2.3. Materiële toepassing
§ 1. Onder voorbehoud van artikel 2.6.2.9 is deze onderafdeling van toepassing op alle zeevervoerovereenkomsten.
In het bijzonder is de vervoerder in alle zeevervoerovereenkomsten, met betrekking tot de lading, de behandeling, de stuwing, het vervoer, de bewaking, de verzorging en de lossing van die goederen, belast met de aansprakelijkheden en verplichtingen hieronder vermeld, gelijk hij geniet van de daar bepaalde rechten en ontheffingen.
§ 2. Ingeval deze onderafdeling van toepassing is krachtens artikel 2.6.2.2, § 1, 2°, geldt zij, in afwijking van de begripsomschrijving in artikel 2.6.2.1, 3°, doch behoudens afwijkend beding, mede voor het vervoer van levende dieren.
§ 1. Onder voorbehoud van artikel 2.6.2.9 is deze onderafdeling van toepassing op alle zeevervoerovereenkomsten.
In het bijzonder is de vervoerder in alle zeevervoerovereenkomsten, met betrekking tot de lading, de behandeling, de stuwing, het vervoer, de bewaking, de verzorging en de lossing van die goederen, belast met de aansprakelijkheden en verplichtingen hieronder vermeld, gelijk hij geniet van de daar bepaalde rechten en ontheffingen.
§ 2. Ingeval deze onderafdeling van toepassing is krachtens artikel 2.6.2.2, § 1, 2°, geldt zij, in afwijking van de begripsomschrijving in artikel 2.6.2.1, 3°, doch behoudens afwijkend beding, mede voor het vervoer van levende dieren.
Art. 2.6.2.3. Application matérielle
§ 1er. Sous réserve de l'article 2.6.2.9, cette sous-section s'applique à tous les contrats de transport maritime.
En particulier, le transporteur dans tous les contrats de transport maritime sera, quant au chargement, à la manutention, à l'arrimage, au transport, à la garde, aux soins et au déchargement desdites marchandises, soumis aux responsabilités et obligations, comme il bénéficiera des droits et exonérations ci-dessous énoncés.
§ 2. Si cette sous-section s'applique en vertu de l'article 2.6.2.2, § 1er, 2°, elle s'applique, par dérogation à la définition à l'article 2.6.2.1, 3°, mais sous réserve de clause dérogatoire, également au transport d'animaux vivants.
§ 1er. Sous réserve de l'article 2.6.2.9, cette sous-section s'applique à tous les contrats de transport maritime.
En particulier, le transporteur dans tous les contrats de transport maritime sera, quant au chargement, à la manutention, à l'arrimage, au transport, à la garde, aux soins et au déchargement desdites marchandises, soumis aux responsabilités et obligations, comme il bénéficiera des droits et exonérations ci-dessous énoncés.
§ 2. Si cette sous-section s'applique en vertu de l'article 2.6.2.2, § 1er, 2°, elle s'applique, par dérogation à la définition à l'article 2.6.2.1, 3°, mais sous réserve de clause dérogatoire, également au transport d'animaux vivants.
Art. 2.6.2.4. Andere regelgeving
§ 1. De Regels van Den Haag en Visby zijn niet rechtstreeks van toepassing.
§ 2. De bepalingen van deze afdeling houden geen enkele wijziging in van de rechten en de verplichtingen van de vervoerder die voortvloeien uit enige wet betreffende de beperking van de aansprakelijkheid van eigenaars van zeeschepen die van toepassing is bij de inwerkingtreding van dit Wetboek.
§ 3. Deze afdeling laat de bepalingen onverlet van internationale verdragen of nationale wetten die de aansprakelijkheid wegens kernschade regelen.
§ 1. De Regels van Den Haag en Visby zijn niet rechtstreeks van toepassing.
§ 2. De bepalingen van deze afdeling houden geen enkele wijziging in van de rechten en de verplichtingen van de vervoerder die voortvloeien uit enige wet betreffende de beperking van de aansprakelijkheid van eigenaars van zeeschepen die van toepassing is bij de inwerkingtreding van dit Wetboek.
§ 3. Deze afdeling laat de bepalingen onverlet van internationale verdragen of nationale wetten die de aansprakelijkheid wegens kernschade regelen.
Art. 2.6.2.4. Autre réglementation
§ 1er. Les Règles de La Haye et Visby ne s'appliquent pas directement.
§ 2. Les dispositions de la présente section ne modifient ni les droits ni les obligations du transporteur'tels qu'ils résultent de toute loi en vigueur au moment de l'entrée en vigueur du présent Code relativement à la limitation de la responsabilité des propriétaires de navires de mer.
§ 3. La présente section ne porte pas atteinte aux dispositions des conventions internationales ou aux lois nationales régissant la responsabilité pour dommages nucléaires.
§ 1er. Les Règles de La Haye et Visby ne s'appliquent pas directement.
§ 2. Les dispositions de la présente section ne modifient ni les droits ni les obligations du transporteur'tels qu'ils résultent de toute loi en vigueur au moment de l'entrée en vigueur du présent Code relativement à la limitation de la responsabilité des propriétaires de navires de mer.
§ 3. La présente section ne porte pas atteinte aux dispositions des conventions internationales ou aux lois nationales régissant la responsabilité pour dommages nucléaires.
Art. 2.6.2.5. Rechten en plichten
§ 1. De vervoerder is gehouden voor en bij de aanvang van de reis redelijke zorg aan te wenden voor :
1° het zeewaardig maken van het schip;
2° het voldoende bemannen, uitrusten en bevoorraden van het schip;
3° het geschikt maken en in goede staat brengen van de ruimen, vries- en koelkamers en alle andere delen van het schip, waarin goederen worden vervoerd, om deze daarin te bergen, te vervoeren en goed te houden.
§ 2. Onder voorbehoud van artikel 2.6.2.6 moet de vervoerder overgaan tot passende en zorgvuldige lading, behandeling, stuwing, vervoer, bewaking, verzorging en lossing van de vervoerde goederen.
§ 3. Na de goederen ontvangen en aangenomen te hebben moet de vervoerder, de kapitein of de agent van de vervoerder op verlangen van de afzender aan deze een cognossement afgeven, dat onder meer vermeldt :
1° de belangrijkste voor het onderkennen van de goederen nodige merken, zoals deze vóór het begin van het laden door de afzender schriftelijk zijn opgegeven, mits deze merken op de niet verpakte goederen of op de kisten of verpakkingen, die de goederen inhouden, door stempeling of op enige andere wijze duidelijk aangebracht zijn op zodanige wijze, dat zij in normale omstandigheden tot het einde van de reis leesbaar zullen blijven;
2° hetzij het aantal colli's of het aantal stukgoederen, hetzij de hoeveelheid of het gewicht, naargelang van de omstandigheden, zoals zulks door de afzender schriftelijk is opgegeve';
3° de uiterlijke staat en de uiterlijke gesteldheid van de goederen.
Geen vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder is evenwel verplicht in het cognossement af te geven inhoudende merken, een getal, een hoeveelheid of een gewicht te verklaren of te vermelden, wanneer hij redelijke gronden heeft te vermoeden, dat zij niet nauwkeurig de in werkelijkheid door hem ontvangen goederen weergeven of tot het nagaan waarvan hij geen redelijke gelegenheid heeft gehad.
§ 4. Een dergelijk cognossement geldt als vermoeden, behoudens tegenbewijs, van de ontvangst door de vervoerder van de goederen zoals zij beschreven zijn overeenkomstig paragraaf 3, 1°, 2° en 3°.
Tegenbewijs is echter niet toegelaten wanneer het cognossement is overgedragen aan een derde houder te goeder trouw
§ 5. De afzender wordt geacht op het ogenblik van het laden tegenover de vervoerder in te staan voor de juistheid van de door hem opgegeven merken, getal, hoeveelheid en gewicht, en de afzender zal de vervoerder schadeloos stellen voor alle verliezen, schade en kosten, ontstaan ten gevolge van onjuistheden in de opgave van deze bijzonderheden. Het recht van de vervoerder op dergelijke schadeloosstelling beperkt op geen enkele wijze zijn aansprakelijkheid en zijn verbintenissen, zoals zij uit de zeevervoerovereenkomst ten opzichte van elke andere persoon dan de afzender voortvloeien.
§ 6. Tenzij aan de vervoerder of zijn agent in de loshaven, voor of op het ogenblik van het weghalen van de goederen en van hun overdracht aan de krachtens de zeevervoerovereenkomst op de aflevering recht hebbende persoon schriftelijk kennis is gegeven van de verliezen of de schade en van de algemene aard van deze verliezen of schade, geldt bedoelde weghaling, tot bewijs van het tegendeel, als vermoeden, dat de goederen door de vervoerder werden afgeleverd, zoals zij in het cognossement zijn beschreven.
Zijn de verliezen of is de schade niet uiterlijk zichtbaar, dan moet de kennisgeving binnen drie dagen na de aflevering geschieden.
Schriftelijk voorbehoud is overbodig als de staat van het goed tegensprekelijk werd vastgesteld op het ogenblik van de inontvangstneming.
Onder voorbehoud van artikel 2.6.2.33, § 1, zijn de vervoerder en het schip in elk geval van elke aansprakelijkheid uit welke hoofde dan ook in verband met de goederen ontheven, tenzij een rechtsvordering wordt ingesteld binnen een jaar nadat zij zijn afgeleverd of behoorden te zijn afgeleverd. Deze termijn kan echter worden verlengd bij overeenkomst tussen partijen, gesloten nadat de gebeurtenis die de vordering heeft doen ontstaan heeft plaatsgevonden.
Indien er zekerheid of vermoeden bestaat, dat er verlies of beschadiging heeft plaats gehad, moeten de vervoerder en de ontvanger elkaar over en weer in redelijkheid alle middelen verschaffen om het onderzoek van de goederen en het natellen van de colli te vergemakkelijken.
§ 7. Wanneer de goederen zijn geladen, wordt door de vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder aan de afzender op zijn verlangen een cognossement afgegeven met de vermelding "geladen", mits de afzender, indien hij vooraf enig op die goederen rechtgevend stuk heeft ontvangen, dit tegen afgifte van het "geladen" cognossement teruggeeft. De vervoerder, de kapitein of de agent heeft eveneens het recht in de haven van laden op het oorspronkelijk afgegeven stuk de naam van het schip of van de schepen, waarin de goederen werden geladen en de datum of de data van het laden aan te tekenen, in welk geval het aldus aangevulde stuk, mits inhoudende de in artikel 6paragraaf 3 vermelde bijzonderheden, als een "geladen" cognossement in de zin van dit artikel wordt beschouwd.
§ 8. Ieder beding, overeenkomst of afspraak in een zeevervoerovereenkomst, waardoor de vervoerder of het schip wordt ontheven van aansprakelijkheid voor verlies of beschadiging van of met betrekking tot goederen, voortvloeiende uit nalatigheid, fout of tekortkoming in het voldoen aan de verplichtingen, in dit artikel bepaald, of waardoor deze aansprakelijkheid mocht worden verminderd op andere wijze dan in deze onderafdeling is voorzien, is nietig, van onwaarde en zonder gevolg. Een beding, krachtens welk de uitkering op grond van een gesloten verzekering wordt overgedragen aan de vervoerder, of elk ander beding van vergelijkbare strekking, wordt geacht een beding te zijn dat de vervoerder van aansprakelijkheid ontheft.
§ 1. De vervoerder is gehouden voor en bij de aanvang van de reis redelijke zorg aan te wenden voor :
1° het zeewaardig maken van het schip;
2° het voldoende bemannen, uitrusten en bevoorraden van het schip;
3° het geschikt maken en in goede staat brengen van de ruimen, vries- en koelkamers en alle andere delen van het schip, waarin goederen worden vervoerd, om deze daarin te bergen, te vervoeren en goed te houden.
§ 2. Onder voorbehoud van artikel 2.6.2.6 moet de vervoerder overgaan tot passende en zorgvuldige lading, behandeling, stuwing, vervoer, bewaking, verzorging en lossing van de vervoerde goederen.
§ 3. Na de goederen ontvangen en aangenomen te hebben moet de vervoerder, de kapitein of de agent van de vervoerder op verlangen van de afzender aan deze een cognossement afgeven, dat onder meer vermeldt :
1° de belangrijkste voor het onderkennen van de goederen nodige merken, zoals deze vóór het begin van het laden door de afzender schriftelijk zijn opgegeven, mits deze merken op de niet verpakte goederen of op de kisten of verpakkingen, die de goederen inhouden, door stempeling of op enige andere wijze duidelijk aangebracht zijn op zodanige wijze, dat zij in normale omstandigheden tot het einde van de reis leesbaar zullen blijven;
2° hetzij het aantal colli's of het aantal stukgoederen, hetzij de hoeveelheid of het gewicht, naargelang van de omstandigheden, zoals zulks door de afzender schriftelijk is opgegeve';
3° de uiterlijke staat en de uiterlijke gesteldheid van de goederen.
Geen vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder is evenwel verplicht in het cognossement af te geven inhoudende merken, een getal, een hoeveelheid of een gewicht te verklaren of te vermelden, wanneer hij redelijke gronden heeft te vermoeden, dat zij niet nauwkeurig de in werkelijkheid door hem ontvangen goederen weergeven of tot het nagaan waarvan hij geen redelijke gelegenheid heeft gehad.
§ 4. Een dergelijk cognossement geldt als vermoeden, behoudens tegenbewijs, van de ontvangst door de vervoerder van de goederen zoals zij beschreven zijn overeenkomstig paragraaf 3, 1°, 2° en 3°.
Tegenbewijs is echter niet toegelaten wanneer het cognossement is overgedragen aan een derde houder te goeder trouw
§ 5. De afzender wordt geacht op het ogenblik van het laden tegenover de vervoerder in te staan voor de juistheid van de door hem opgegeven merken, getal, hoeveelheid en gewicht, en de afzender zal de vervoerder schadeloos stellen voor alle verliezen, schade en kosten, ontstaan ten gevolge van onjuistheden in de opgave van deze bijzonderheden. Het recht van de vervoerder op dergelijke schadeloosstelling beperkt op geen enkele wijze zijn aansprakelijkheid en zijn verbintenissen, zoals zij uit de zeevervoerovereenkomst ten opzichte van elke andere persoon dan de afzender voortvloeien.
§ 6. Tenzij aan de vervoerder of zijn agent in de loshaven, voor of op het ogenblik van het weghalen van de goederen en van hun overdracht aan de krachtens de zeevervoerovereenkomst op de aflevering recht hebbende persoon schriftelijk kennis is gegeven van de verliezen of de schade en van de algemene aard van deze verliezen of schade, geldt bedoelde weghaling, tot bewijs van het tegendeel, als vermoeden, dat de goederen door de vervoerder werden afgeleverd, zoals zij in het cognossement zijn beschreven.
Zijn de verliezen of is de schade niet uiterlijk zichtbaar, dan moet de kennisgeving binnen drie dagen na de aflevering geschieden.
Schriftelijk voorbehoud is overbodig als de staat van het goed tegensprekelijk werd vastgesteld op het ogenblik van de inontvangstneming.
Onder voorbehoud van artikel 2.6.2.33, § 1, zijn de vervoerder en het schip in elk geval van elke aansprakelijkheid uit welke hoofde dan ook in verband met de goederen ontheven, tenzij een rechtsvordering wordt ingesteld binnen een jaar nadat zij zijn afgeleverd of behoorden te zijn afgeleverd. Deze termijn kan echter worden verlengd bij overeenkomst tussen partijen, gesloten nadat de gebeurtenis die de vordering heeft doen ontstaan heeft plaatsgevonden.
Indien er zekerheid of vermoeden bestaat, dat er verlies of beschadiging heeft plaats gehad, moeten de vervoerder en de ontvanger elkaar over en weer in redelijkheid alle middelen verschaffen om het onderzoek van de goederen en het natellen van de colli te vergemakkelijken.
§ 7. Wanneer de goederen zijn geladen, wordt door de vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder aan de afzender op zijn verlangen een cognossement afgegeven met de vermelding "geladen", mits de afzender, indien hij vooraf enig op die goederen rechtgevend stuk heeft ontvangen, dit tegen afgifte van het "geladen" cognossement teruggeeft. De vervoerder, de kapitein of de agent heeft eveneens het recht in de haven van laden op het oorspronkelijk afgegeven stuk de naam van het schip of van de schepen, waarin de goederen werden geladen en de datum of de data van het laden aan te tekenen, in welk geval het aldus aangevulde stuk, mits inhoudende de in artikel 6paragraaf 3 vermelde bijzonderheden, als een "geladen" cognossement in de zin van dit artikel wordt beschouwd.
§ 8. Ieder beding, overeenkomst of afspraak in een zeevervoerovereenkomst, waardoor de vervoerder of het schip wordt ontheven van aansprakelijkheid voor verlies of beschadiging van of met betrekking tot goederen, voortvloeiende uit nalatigheid, fout of tekortkoming in het voldoen aan de verplichtingen, in dit artikel bepaald, of waardoor deze aansprakelijkheid mocht worden verminderd op andere wijze dan in deze onderafdeling is voorzien, is nietig, van onwaarde en zonder gevolg. Een beding, krachtens welk de uitkering op grond van een gesloten verzekering wordt overgedragen aan de vervoerder, of elk ander beding van vergelijkbare strekking, wordt geacht een beding te zijn dat de vervoerder van aansprakelijkheid ontheft.
Art. 2.6.2.5. Droits et obligations
§ 1er. Le transporteur sera tenu avant et au début du voyage d'exercer une diligence raisonna le pour :
1° mettre le navire en état de navi abilité;
2° convenablement armer, équiper et approvisionner l navire;
3° approprier et mettre en bon état les cales, chambres froides et frigorifiques et toutes autres parties du navire où des marchandises sont chargées pour leur réception, transport et conservation.
§ 2. Sous réserve de l'article 2.6.2.6, le transporteur procédera de façon appropriée et soigneuse au chargement, à la manutention, à l'arrimage, au transport, à la garde, aux soins et au déchargement des marchandises transportées.
§ 3. Après avoir reçu et pris en charge les marchandises, le transporteur, le capitaine ou l'agent du transporteur devra, sur demande du chargeur, délivrer au chargeur un connaissement portant entre autre choses :
1° les marques principales nécessaires à l'identification des marchandises telles qu'elles sont fournies par écrit par le chargeur avant que le chargement de ces marchandises ne commence pourvu que ces marques soient imprimées ou apposées clairement de toute autre façon sur les marchandises non emballées ou sur les caisses ou emballages dans lesquelles les marchandises sont contenues de telle sorte qu'elles devraient normalement rester lisibles jusqu'à la fin d voyage;
2° ou le nombre de colis, ou de pièces, ou la quantité ou le poids, suivant les cas, tels qu'ils sont fournis par écrit par le hargeur;
3° l'état et le conditionnement apparent des marchandises.
Cependant aucun transporteur, capitaine ou agent du transporteur, ne sera tenu de déclarer ou de mentionner, dans le connaissement, des marques, un nombre, une quantité ou un poids dont il a une raison sérieuse de soupç'nner qu'ils ne représentent pas exactement les marchandises actuellement reçues par lu', ou'qu'il n'a pas eu des moyens raisonnables de vérifier.
§ 4. Un tel connaissement vaudra présomption, sauf preuve contraire, de la réception par le transporteur des marchandises telles qu'elles sont décrites conformément au paragraphe 3, 1°, 2° et 3°.
Toutefois, la preuve contraire n'est pas admise lorsque le connaissement a été transféré à un tiers porteur de bonne foi.
§ 5. Le chargeur sera considéré avoir garanti au transporteur, au moment du charg'ment, l'exactitude des marques, du nombre, de la quantité et du poids'tels qu'ils sont fournis par lui, et le chargeur indemnisera le transporteur de toutes pertes, dommages et dépenses provenant ou rés'ltant d'inexactitudes sur ces points. Le droit du transporteur à pareille indemnité ne li'itera d'aucune façon sa responsabilité et ses engagement' sous l'empire du contrat de transport vis-à-vis de toute personne autre que le chargeur.
§ 6. A moins qu'un avis des pertes ou dommages et de la nature générale de ces pertes ou dommages ne soit donnée par écrit au transporteur ou à son agent au port de déchargement, avant ou au moment de l'enlèvement des marchandises, et de leur remise sous la garde de la personne ayant droit à la délivrance sous l'empire du contrat de transport maritime, cet enlèvement constituera, jusqu'à preuve contraire, une présomption que les marchandises ont été délivrées par le transporteur telles qu'elles sont décrites au connaissement.
Si les pertes ou dommages ne sont pas apparents, l'avis doit être donné dans les trois jours de la délivrance.
Les réserves écrites sont inutiles si l'état de la marchandise a été contradictoirement constaté au moment de la réception.
Sous réserve de l'article 2.6.2.33, § 1er, le transporteur et le navire seront en tous cas déchargés de toute responsabilité quelconque relativement aux marchandises, à moins qu'une action ne soit intentée dans l'année de leur délivrance ou de la date à laquelle elles eussent dû être délivrées. Ce délai peut toutefois être prolongé par un accord conclu entre les parties postérieurement à l'événement qui a donné 'ieu à l'action.
En cas de perte ou dommage certains ou présumés, le transporteur et le réceptionnaire se donneront réciproquement tous les facilités raisonnables pour l'inspection de la marchandise et la vérification du nombre de colis.
§ 7. Lorsque les marchandises auront été chargées, le connaissement que délivrera le transporteur, capitaine ou agent du transporteur au chargeur sera, si le chargeur le demande, un connaissement libellé " Embarqué " pourvu que, si le chargeur a auparavant reçu quelque document donnant droit à ces marchandises, il restitue ce document contre remise d'un connaissement " Embarqué ". Le transporteur, le capitaine ou l'agent aura également la faculté d'annoter au port d'embarquement, sur le document remis en premier lieu, le ou les noms du ou des navires sur lesquels les marchandises ont été embarquées et la date ou les dates de l'embarquement et, lorsque ce document sera ainsi annoté, il sera, s'il contient les mentions du paragraphe 3, considéré aux fins de cet article comme constituant un connaissement libellé " Embarqué ".
§ 8. Toute clause, convention ou accord dans un contrat de transport exonérant le transporteur ou le navire de responsabilité pour perte ou dommage concernant des marchandises provenant de négligence, faute ou manquement aux devoirs ou obligations édictées dans cet article ou atténuant cette responsabilité autrement que ne le prescrit la présente sous-section, sera nulle, non avenue et sans effet. Une clause cédant le bénéfice de l'assurance au transporteur ou toute clause semblable sera considérée comme exonérant le transporteur de sa responsabilité.
§ 1er. Le transporteur sera tenu avant et au début du voyage d'exercer une diligence raisonna le pour :
1° mettre le navire en état de navi abilité;
2° convenablement armer, équiper et approvisionner l navire;
3° approprier et mettre en bon état les cales, chambres froides et frigorifiques et toutes autres parties du navire où des marchandises sont chargées pour leur réception, transport et conservation.
§ 2. Sous réserve de l'article 2.6.2.6, le transporteur procédera de façon appropriée et soigneuse au chargement, à la manutention, à l'arrimage, au transport, à la garde, aux soins et au déchargement des marchandises transportées.
§ 3. Après avoir reçu et pris en charge les marchandises, le transporteur, le capitaine ou l'agent du transporteur devra, sur demande du chargeur, délivrer au chargeur un connaissement portant entre autre choses :
1° les marques principales nécessaires à l'identification des marchandises telles qu'elles sont fournies par écrit par le chargeur avant que le chargement de ces marchandises ne commence pourvu que ces marques soient imprimées ou apposées clairement de toute autre façon sur les marchandises non emballées ou sur les caisses ou emballages dans lesquelles les marchandises sont contenues de telle sorte qu'elles devraient normalement rester lisibles jusqu'à la fin d voyage;
2° ou le nombre de colis, ou de pièces, ou la quantité ou le poids, suivant les cas, tels qu'ils sont fournis par écrit par le hargeur;
3° l'état et le conditionnement apparent des marchandises.
Cependant aucun transporteur, capitaine ou agent du transporteur, ne sera tenu de déclarer ou de mentionner, dans le connaissement, des marques, un nombre, une quantité ou un poids dont il a une raison sérieuse de soupç'nner qu'ils ne représentent pas exactement les marchandises actuellement reçues par lu', ou'qu'il n'a pas eu des moyens raisonnables de vérifier.
§ 4. Un tel connaissement vaudra présomption, sauf preuve contraire, de la réception par le transporteur des marchandises telles qu'elles sont décrites conformément au paragraphe 3, 1°, 2° et 3°.
Toutefois, la preuve contraire n'est pas admise lorsque le connaissement a été transféré à un tiers porteur de bonne foi.
§ 5. Le chargeur sera considéré avoir garanti au transporteur, au moment du charg'ment, l'exactitude des marques, du nombre, de la quantité et du poids'tels qu'ils sont fournis par lui, et le chargeur indemnisera le transporteur de toutes pertes, dommages et dépenses provenant ou rés'ltant d'inexactitudes sur ces points. Le droit du transporteur à pareille indemnité ne li'itera d'aucune façon sa responsabilité et ses engagement' sous l'empire du contrat de transport vis-à-vis de toute personne autre que le chargeur.
§ 6. A moins qu'un avis des pertes ou dommages et de la nature générale de ces pertes ou dommages ne soit donnée par écrit au transporteur ou à son agent au port de déchargement, avant ou au moment de l'enlèvement des marchandises, et de leur remise sous la garde de la personne ayant droit à la délivrance sous l'empire du contrat de transport maritime, cet enlèvement constituera, jusqu'à preuve contraire, une présomption que les marchandises ont été délivrées par le transporteur telles qu'elles sont décrites au connaissement.
Si les pertes ou dommages ne sont pas apparents, l'avis doit être donné dans les trois jours de la délivrance.
Les réserves écrites sont inutiles si l'état de la marchandise a été contradictoirement constaté au moment de la réception.
Sous réserve de l'article 2.6.2.33, § 1er, le transporteur et le navire seront en tous cas déchargés de toute responsabilité quelconque relativement aux marchandises, à moins qu'une action ne soit intentée dans l'année de leur délivrance ou de la date à laquelle elles eussent dû être délivrées. Ce délai peut toutefois être prolongé par un accord conclu entre les parties postérieurement à l'événement qui a donné 'ieu à l'action.
En cas de perte ou dommage certains ou présumés, le transporteur et le réceptionnaire se donneront réciproquement tous les facilités raisonnables pour l'inspection de la marchandise et la vérification du nombre de colis.
§ 7. Lorsque les marchandises auront été chargées, le connaissement que délivrera le transporteur, capitaine ou agent du transporteur au chargeur sera, si le chargeur le demande, un connaissement libellé " Embarqué " pourvu que, si le chargeur a auparavant reçu quelque document donnant droit à ces marchandises, il restitue ce document contre remise d'un connaissement " Embarqué ". Le transporteur, le capitaine ou l'agent aura également la faculté d'annoter au port d'embarquement, sur le document remis en premier lieu, le ou les noms du ou des navires sur lesquels les marchandises ont été embarquées et la date ou les dates de l'embarquement et, lorsque ce document sera ainsi annoté, il sera, s'il contient les mentions du paragraphe 3, considéré aux fins de cet article comme constituant un connaissement libellé " Embarqué ".
§ 8. Toute clause, convention ou accord dans un contrat de transport exonérant le transporteur ou le navire de responsabilité pour perte ou dommage concernant des marchandises provenant de négligence, faute ou manquement aux devoirs ou obligations édictées dans cet article ou atténuant cette responsabilité autrement que ne le prescrit la présente sous-section, sera nulle, non avenue et sans effet. Une clause cédant le bénéfice de l'assurance au transporteur ou toute clause semblable sera considérée comme exonérant le transporteur de sa responsabilité.
Art. 2.6.2.6. Ontheffingen en beperking van aansprakelijkheid
§ 1. Noch de vervoerder noch de exploitant van het schip is aansprakelijk voor verliezen of schade, ontstaan ten gevolge van of voortvloeiend uit onzeewaardigheid, tenzij deze te wijten is aan gebrek aan redelijke zorg aan de zijde van de vervoerder om het schip zeewaardig te maken of om het behoorlijk te bemannen, uit te rusten of te bevoorraden, of om de ruimen, koel- en vrieskamers en alle andere delen van het schip, waarin goederen vervoerd worden, geschikt te maken en in goede staat te brengen, opdat zij kunnen dienen tot het ontvangen, het vervoeren en het bewaren van de goederen, alles overeenkomstig het bepaalde bij artikel 2.6.2.5, § 1. Telkens verlies of schade het gevolg is van onzeewaardigheid, rust de bewijslast ten aanzien van de uitoefening van de redelijke zorg op de vervoerder of op elke andere persoon, die mocht beweren krachtens dit artikel van aansprakelijkheid te zijn ontheven.
§ 2. Noch de vervoerder noch de exploitant van het schip is aansprakelijk wegens verlies of schade, voortvloeiend uit of ontstaan ten gevolge van :
1° een handeling, nalatigheid of tekortkoming van de kapitein, een bemanningslid, de loods of een aangestelde van de vervoerder, gepleegd bij de navigatie of het beheer van het schip;
2° brand, tenzij veroorzaakt door opzet of fout van de vervoerder;
3° risico's, gevaren, onheilen en ongevallen van de zee of van andere bevaarbare wateren;
4° onvermijdelijke natuurlijke toevallen;
5° oorlogshandelingen;
6° de daad van publieke vijanden;
7° aanhouding of dwangmaatregelen van het staatsgezag, overheden of het volk, of een gerechtelijk beslag;
8° quarantainebeperkingen;
9° een handeling of een nalatigheid van de afzender of eigenaar van de goederen, zijn agent of vertegenwoordiger;
10° werkstakingen of stilstand of belemmering van de arbeid, ten gevolge van welke oorzaak ook, hetzij gedeeltelijk, hetzij geheel;
11° oproer of burgerlijke ongeregeldheden;
12° redding of poging tot redding van mensenlevens of goederen op zee;
13° verlies aan volume of gewicht of elk ander verlies of beschadiging, veroorzaakt door een verborgen gebrek, de bijzondere aard of een eigen gebrek van de goederen;
14° onvoldoende verpakking;
15° onvoldoende of gebrekkige merken;
16° verborgen gebreken, indien zij ondanks behoorlijke zorg niet te ontdekken waren;
17° een andere oorzaak, niet bestaand uit opzet of fout van de vervoerder, noch uit opzet of fout van de agenten of aangestelden van de vervoerder; doch de bewijslast rust op degene, die zich op deze ontheffing beroept, en het staat aan hem aan te tonen, dat noch de fout van de vervoerder zelf, noch zijn opzet, noch de fout of het opzet van de agenten of de aangestelden van de vervoerder tot het verlies of de schade heeft bijgedragen.
§ 3. De afzender is niet aansprakelijk voor door de vervoerder of het schip geleden verliezen of schaden, ontstaan door of voortvloeiend uit enigerlei oorzaak zonder dat er sprake is van handeling, schuld of nalatigheid van de afzender, zijn agenten of zijn aangestelden.
§ 4. Generlei afwijking van de koers tot redding of poging tot redding van mensenlevens of goederen op zee en generlei redelijke afwijking van de koers wordt beschouwd als een inbreuk op deze onderafdeling of op de zeevervoerovereenkomst, en de vervoerder is niet aansprakelijk voor enig verlies of enige beschadiging, daardoor ontstaan.
§ 5. Tenzij de aard en de waarde van de goederen zijn opgegeven door de afzender vóór hun inlading en deze opgave in het cognossement is opgenomen, is noch de vervoerder noch het schip in enig geval aansprakelijk voor enig verlies van of enige schade aan de goederen of met betrekking tot deze voor een bedrag hoger dan 666,67 rekeneenheden per colli of eenheid, dan wel 2 rekeneenheden per kilogram brutogewicht van de verloren gegane of beschadigde goederen, waarbij het hoogste van deze bedragen zal gelden.
§ 6. Het totale verschuldigde bedrag wordt berekend met inachtneming van de waarde van zodanige goederen ter plaatse en ten dage waarop de goederen volgens de overeenkomst zijn gelost of zouden moeten zijn gelost.
De waarde van de goederen wordt berekend naar de koers op de goederenbeurs of, wanneer er geen dergelijke koers is, naar de gangbare marktwaarde of, wanneer ook deze ontbreekt, naar de gebruikelijke waarde van goederen van dezelfde aard en hoedanigheid.
§ 7. Wanneer een laadkist, een laadbord of een vergelijkbaar tuig wordt gebruikt om goederen samen te brengen, wordt iedere colli of eenheid die zich volgens vermelding in het cognossement in dat tuig bevindt, beschouwd als een collo of eenheid als bedoeld in dit lid. Behalve in het geval hiervoor omschreven, wordt dit tuig als colli of eenheid beschouwd.
§ 8. De in dit artikel genoemde rekeneenheid is het bijzonder trekkingsrecht zoals omschreven door het Internationaal Monetair Fonds. De onder paragraaf 5 genoemde bedragen worden omgerekend in euro volgens de waarde van de euro op de dag waarop de goederen werden afgeleverd of behoorden te worden afgeleverd.
§ 9. Noch de vervoerder, noch het schip kan de in de paragrafen 5 tot 12 bepaalde aansprakelijkheidsbeperking inroepen, wanneer bewezen is dat de schade is ontstaan uit een handeling of nalaten van de vervoerder, geschied hetzij met het opzet schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat er waarschijnlijk schade uit zou voortvloeien.
§ 10. De in paragraaf 5 bedoelde opgave schept, indien zij in het cognossement is opgenomen, een vermoeden behoudens tegenbewijs, maar bindt niet de vervoerder, die haar kan betwisten.
§ 11. Bij overeenkomst tussen de vervoerder, de kapitein of de agent van de vervoerder enerzijds en de afzender anderzijds, mogen andere maximumbedragen dan die, genoemd onder paragraaf 5 worden bepaald, mits dit overeengekomen maximumbedrag niet lager zij dan het daar genoemde overeenkomstige maximumbedrag.
§ 12. Noch de vervoerder noch het schip is in enig geval aansprakelijk voor verlies van of schade aan of met betrekking tot de goederen, indien de aard of de waarde ervan door de afzender opzettelijk verkeerdelijk in het cognossement is opgegeven.
§ 13. Goederen van ontvlambare, ontplofbare of gevaarlijke aard, waarvan de vervoerder, de kapitein of de agent van de vervoerder geen toestemming zou hebben gegeven tot het laden, wanneer hij de aard of de gesteldheid daarvan gekend had, mogen te allen tijde en op iedere plaats door de vervoerder worden gelost, vernietigd of onschadelijk gemaakt zonder schadevergoeding, en de afzender van deze goederen is aansprakelijk voor alle schade en onkosten, rechtstreeks of onrechtstreeks ontstaan ten gevolge van het laden ervan. Indien een van deze goederen, ingeladen met voorkennis en toestemming van de vervoerder, een gevaar wordt voor het schip of de lading, mag het eveneens door de vervoerder worden gelost, vernietigd of onschadelijk gemaakt zonder enige aansprakelijkheid van de vervoerder, tenzij voor averij-grosse, indien daartoe gronden bestaan.
§ 1. Noch de vervoerder noch de exploitant van het schip is aansprakelijk voor verliezen of schade, ontstaan ten gevolge van of voortvloeiend uit onzeewaardigheid, tenzij deze te wijten is aan gebrek aan redelijke zorg aan de zijde van de vervoerder om het schip zeewaardig te maken of om het behoorlijk te bemannen, uit te rusten of te bevoorraden, of om de ruimen, koel- en vrieskamers en alle andere delen van het schip, waarin goederen vervoerd worden, geschikt te maken en in goede staat te brengen, opdat zij kunnen dienen tot het ontvangen, het vervoeren en het bewaren van de goederen, alles overeenkomstig het bepaalde bij artikel 2.6.2.5, § 1. Telkens verlies of schade het gevolg is van onzeewaardigheid, rust de bewijslast ten aanzien van de uitoefening van de redelijke zorg op de vervoerder of op elke andere persoon, die mocht beweren krachtens dit artikel van aansprakelijkheid te zijn ontheven.
§ 2. Noch de vervoerder noch de exploitant van het schip is aansprakelijk wegens verlies of schade, voortvloeiend uit of ontstaan ten gevolge van :
1° een handeling, nalatigheid of tekortkoming van de kapitein, een bemanningslid, de loods of een aangestelde van de vervoerder, gepleegd bij de navigatie of het beheer van het schip;
2° brand, tenzij veroorzaakt door opzet of fout van de vervoerder;
3° risico's, gevaren, onheilen en ongevallen van de zee of van andere bevaarbare wateren;
4° onvermijdelijke natuurlijke toevallen;
5° oorlogshandelingen;
6° de daad van publieke vijanden;
7° aanhouding of dwangmaatregelen van het staatsgezag, overheden of het volk, of een gerechtelijk beslag;
8° quarantainebeperkingen;
9° een handeling of een nalatigheid van de afzender of eigenaar van de goederen, zijn agent of vertegenwoordiger;
10° werkstakingen of stilstand of belemmering van de arbeid, ten gevolge van welke oorzaak ook, hetzij gedeeltelijk, hetzij geheel;
11° oproer of burgerlijke ongeregeldheden;
12° redding of poging tot redding van mensenlevens of goederen op zee;
13° verlies aan volume of gewicht of elk ander verlies of beschadiging, veroorzaakt door een verborgen gebrek, de bijzondere aard of een eigen gebrek van de goederen;
14° onvoldoende verpakking;
15° onvoldoende of gebrekkige merken;
16° verborgen gebreken, indien zij ondanks behoorlijke zorg niet te ontdekken waren;
17° een andere oorzaak, niet bestaand uit opzet of fout van de vervoerder, noch uit opzet of fout van de agenten of aangestelden van de vervoerder; doch de bewijslast rust op degene, die zich op deze ontheffing beroept, en het staat aan hem aan te tonen, dat noch de fout van de vervoerder zelf, noch zijn opzet, noch de fout of het opzet van de agenten of de aangestelden van de vervoerder tot het verlies of de schade heeft bijgedragen.
§ 3. De afzender is niet aansprakelijk voor door de vervoerder of het schip geleden verliezen of schaden, ontstaan door of voortvloeiend uit enigerlei oorzaak zonder dat er sprake is van handeling, schuld of nalatigheid van de afzender, zijn agenten of zijn aangestelden.
§ 4. Generlei afwijking van de koers tot redding of poging tot redding van mensenlevens of goederen op zee en generlei redelijke afwijking van de koers wordt beschouwd als een inbreuk op deze onderafdeling of op de zeevervoerovereenkomst, en de vervoerder is niet aansprakelijk voor enig verlies of enige beschadiging, daardoor ontstaan.
§ 5. Tenzij de aard en de waarde van de goederen zijn opgegeven door de afzender vóór hun inlading en deze opgave in het cognossement is opgenomen, is noch de vervoerder noch het schip in enig geval aansprakelijk voor enig verlies van of enige schade aan de goederen of met betrekking tot deze voor een bedrag hoger dan 666,67 rekeneenheden per colli of eenheid, dan wel 2 rekeneenheden per kilogram brutogewicht van de verloren gegane of beschadigde goederen, waarbij het hoogste van deze bedragen zal gelden.
§ 6. Het totale verschuldigde bedrag wordt berekend met inachtneming van de waarde van zodanige goederen ter plaatse en ten dage waarop de goederen volgens de overeenkomst zijn gelost of zouden moeten zijn gelost.
De waarde van de goederen wordt berekend naar de koers op de goederenbeurs of, wanneer er geen dergelijke koers is, naar de gangbare marktwaarde of, wanneer ook deze ontbreekt, naar de gebruikelijke waarde van goederen van dezelfde aard en hoedanigheid.
§ 7. Wanneer een laadkist, een laadbord of een vergelijkbaar tuig wordt gebruikt om goederen samen te brengen, wordt iedere colli of eenheid die zich volgens vermelding in het cognossement in dat tuig bevindt, beschouwd als een collo of eenheid als bedoeld in dit lid. Behalve in het geval hiervoor omschreven, wordt dit tuig als colli of eenheid beschouwd.
§ 8. De in dit artikel genoemde rekeneenheid is het bijzonder trekkingsrecht zoals omschreven door het Internationaal Monetair Fonds. De onder paragraaf 5 genoemde bedragen worden omgerekend in euro volgens de waarde van de euro op de dag waarop de goederen werden afgeleverd of behoorden te worden afgeleverd.
§ 9. Noch de vervoerder, noch het schip kan de in de paragrafen 5 tot 12 bepaalde aansprakelijkheidsbeperking inroepen, wanneer bewezen is dat de schade is ontstaan uit een handeling of nalaten van de vervoerder, geschied hetzij met het opzet schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat er waarschijnlijk schade uit zou voortvloeien.
§ 10. De in paragraaf 5 bedoelde opgave schept, indien zij in het cognossement is opgenomen, een vermoeden behoudens tegenbewijs, maar bindt niet de vervoerder, die haar kan betwisten.
§ 11. Bij overeenkomst tussen de vervoerder, de kapitein of de agent van de vervoerder enerzijds en de afzender anderzijds, mogen andere maximumbedragen dan die, genoemd onder paragraaf 5 worden bepaald, mits dit overeengekomen maximumbedrag niet lager zij dan het daar genoemde overeenkomstige maximumbedrag.
§ 12. Noch de vervoerder noch het schip is in enig geval aansprakelijk voor verlies van of schade aan of met betrekking tot de goederen, indien de aard of de waarde ervan door de afzender opzettelijk verkeerdelijk in het cognossement is opgegeven.
§ 13. Goederen van ontvlambare, ontplofbare of gevaarlijke aard, waarvan de vervoerder, de kapitein of de agent van de vervoerder geen toestemming zou hebben gegeven tot het laden, wanneer hij de aard of de gesteldheid daarvan gekend had, mogen te allen tijde en op iedere plaats door de vervoerder worden gelost, vernietigd of onschadelijk gemaakt zonder schadevergoeding, en de afzender van deze goederen is aansprakelijk voor alle schade en onkosten, rechtstreeks of onrechtstreeks ontstaan ten gevolge van het laden ervan. Indien een van deze goederen, ingeladen met voorkennis en toestemming van de vervoerder, een gevaar wordt voor het schip of de lading, mag het eveneens door de vervoerder worden gelost, vernietigd of onschadelijk gemaakt zonder enige aansprakelijkheid van de vervoerder, tenzij voor averij-grosse, indien daartoe gronden bestaan.
Art. 2.6.2.6. Exonérations et limitation de responsabilité
§ 1er. Ni le transporteur ni l'exploitant du navire ne seront responsables des pertes ou dommages provenant ou résultant de l'état d'innavigabilité à moins qu'il ne soit imputable à un manque de diligence raisonnable de la part du transporteur à mettre le navire en état de navigabilité ou à assurer au navire un armement, équipement ou approvisionnement convenables, ou à approprier et mettre en bon état les cales, chambres froides et frigorifiques et toutes autres parties du navire où des marchandises sont chargées, de façon qu'elles soient aptes à la réception, au transport et à la préservation des marchandises, le tout conformément aux prescriptions de l'article 2.6.2.5, § 1er. Toutes les fois qu'une perte ou un dommage aura résulté de l'innavigabilité, le fardeau de la preuve en ce qui concerne l'exercice de la diligence raisonnable tombera sur le transporteur ou sur toute autre personne se prévalant de l'exonération de responsabilité prévue au présent article.
§ 2. Ni le transporteur ni l'exploitant du navire ne seront responsables pour perte ou dommage résultant ou provenant :
1° des actes, négligence ou défaut du capitaine, d'un membre de l'équipage, pilote ou des préposés du transporteur, dans la navigation ou dans l'administration du navire;
2° d'un incendie, à moins qu'il ne soit causé par le fait ou la faute du transporteur;
3° des périls, dangers ou accidents de la mer ou d'autres eaux navigables;
4° d'aléas naturels inévitables;
5° de faits de guerre;
6° du fait d'ennemis publics;
7° d'un arrêt ou contrainte de prince, autorités ou peuple, ou d'une saisie judiciaire;
8° d'une restriction de quarantaine;
9° d'un acte ou d'une omission du chargeur ou propriétaire des marchandises, de son agent ou représentant;
10° de grèves ou d'arrêts ou entraves apportés au travail, pour quelque cause que ce soit, partiellement ou complètement;
11° d'émeutes ou de troubles civils;
12° d'un sauvetage ou tentative de sauvetage de vies ou de biens en mer;
13° de la freinte en volume ou en poids ou de toute autre perte ou dommage résultant de vice caché, nature spéciale ou vice propre de la marchandise;
14° d'une insuffisance d'emballage;
15° d'une insuffisance ou imperfection de marques;
16° de vices cachés échappant à une diligence raisonnable;
17° de toute autre cause ne provenant pas du fait ou de la faute du transporteur ou du fait ou de la faute des agents ou préposés du transporteur, mais le fardeau de la preuve incombera à la personne réclamant le bénéfice de cette exception et il lui appartiendra de montrer que ni la faute personnelle ni le fait du transporteur ni la faute ou le fait des agents ou préposés du transporteur n'ont contribué à la perte ou au dommage.
§ 3. Le chargeur ne sera pas responsable des pertes ou dommages subis par le transporteur ou le navire et qui proviendraient ou résulteraient de toute cause quelconque sans qu'il y ait acte, faute ou négligence du chargeur, de ses agents ou de ses préposés.
§ 4. Aucun déroutement pour sauver ou tenter de sauver des vies ou des biens en mer, ni aucun déroutement raisonnable ne sera considéré comme une infraction à la présente sous-section ou au contrat de transport maritime, et le transporteur ne sera pas responsable d'aucune perte ou dommage en résultant.
§ 5. A moins que la nature et la valeur des marchandises n'aient été déclarées par le chargeur avant leur embarquement et que cette déclaration ait été insérée dans le connaissement, le transporteur, comme la navire, ne seront en aucun cas responsables des pertes ou dommages des marchandises ou concernant celles-ci pour une somme supérieur à 666,67 unités de compte par colis ou unité, ou 2 unités de compte par kilogramme de poids brut des marchandises perdues ou endommagées, la limite la plus élevée étant applicable.
§ 6. La somme totale due sera calculée par référence à la valeur des marchandises au lieu et au jour où elles sont déchargées conformément au contrat, ou au jour et au lieu où elles auraient dû être déchargées.
La valeur de la marchandise est déterminée d'après le cours en Bourse, ou, à défaut, d'après le prix courant sur le marché ou, à défaut de l'un et de l'autre, d'après la valeur usuelle de marchandises de mêmes nature et qualité.
§ 7. Lorsqu'un cadre, une palette ou tout engin similaire est utilisé pour grouper des marchandises, tout colis ou unité énuméré au connaissement comme étant inclus dans cet engin sera considéré comme un colis ou unité au sens de ce paragraphe. En dehors du cas prévu ci-dessus, cet engin sera considéré comme colis ou unité.
§ 8. L'unité de compte mentionnée dans le présent article est le droit de tirage spécial tel que défini par le Fonds monétaire international. La somme mentionnée au paragraphe 5 sera convertie en euros suivant la valeur de l'euro à la date où les marchandises sont délivrées ou auraient dû être délivrées.
§ 9. Ni le transporteur, ni le navire n'auront le droit de bénéficier de la limitation de responsabilité établie par les paragraphe 5 à 12 s'il est prouvé que le dommage résulte d'un acte ou d'une omission du transporteur qui a eu lieu, soit avec l'intention de provoquer un dommage, soit témérairement et avec conscience qu'un dommage en résulterait probablement.
§ 10. La déclaration mentionnée au paragraphe 5, insérée dans le connaissement constituera une présomption sauf preuve contraire, mais elle ne liera pas le transporteur qui pourra la contester.
§ 11. Par convention entre le transporteur, capitaine ou agent du transporteur et le chargeur, d'autres sommes maxima que celles mentionnées au paragraphe 5 peuvent être déterminées, pourvu que ce montant maximum conventionnel ne soit pas inférieur au montant maximum correspondant mentionné dans cet alinéa.
§ 12. Ni le transporteur, ni le navire ne seront en aucun cas responsables pour perte ou dommage causé aux marchandises ou les concernant, si dans le connaissement le chargeur a fait sciemment une fausse déclaration de leur nature ou de leur valeur.
§ 13. Les marchandises de nature inflammable, explosive ou dangereuse desquelles le transporteur, le capitaine ou l'agent du transporteur n'auraient pas consenti de charger, en connaissant leur nature ou leur caractère, pourront à tout momentêtre débarquées à tout endroit ou détruites ou rendues inoffensives par le transporteur sans indemnité et le chargeur de ces marchandises sera responsable de tout dommage et dépenses provenant ou résultant directement ou indirectement de leur chargement. Si quelqu'une de ces marchandises embarquées à la connaissance et avec le consentement du transporteur devenait un danger pour le navire ou la cargaison, elle pourrait de même façon être débarquée ou détruite ou rendue inoffensive par le transporteur, sans responsabilité de la part du transporteur si ce n'est du chef d'avaries communes, s'il y a lieu.
§ 1er. Ni le transporteur ni l'exploitant du navire ne seront responsables des pertes ou dommages provenant ou résultant de l'état d'innavigabilité à moins qu'il ne soit imputable à un manque de diligence raisonnable de la part du transporteur à mettre le navire en état de navigabilité ou à assurer au navire un armement, équipement ou approvisionnement convenables, ou à approprier et mettre en bon état les cales, chambres froides et frigorifiques et toutes autres parties du navire où des marchandises sont chargées, de façon qu'elles soient aptes à la réception, au transport et à la préservation des marchandises, le tout conformément aux prescriptions de l'article 2.6.2.5, § 1er. Toutes les fois qu'une perte ou un dommage aura résulté de l'innavigabilité, le fardeau de la preuve en ce qui concerne l'exercice de la diligence raisonnable tombera sur le transporteur ou sur toute autre personne se prévalant de l'exonération de responsabilité prévue au présent article.
§ 2. Ni le transporteur ni l'exploitant du navire ne seront responsables pour perte ou dommage résultant ou provenant :
1° des actes, négligence ou défaut du capitaine, d'un membre de l'équipage, pilote ou des préposés du transporteur, dans la navigation ou dans l'administration du navire;
2° d'un incendie, à moins qu'il ne soit causé par le fait ou la faute du transporteur;
3° des périls, dangers ou accidents de la mer ou d'autres eaux navigables;
4° d'aléas naturels inévitables;
5° de faits de guerre;
6° du fait d'ennemis publics;
7° d'un arrêt ou contrainte de prince, autorités ou peuple, ou d'une saisie judiciaire;
8° d'une restriction de quarantaine;
9° d'un acte ou d'une omission du chargeur ou propriétaire des marchandises, de son agent ou représentant;
10° de grèves ou d'arrêts ou entraves apportés au travail, pour quelque cause que ce soit, partiellement ou complètement;
11° d'émeutes ou de troubles civils;
12° d'un sauvetage ou tentative de sauvetage de vies ou de biens en mer;
13° de la freinte en volume ou en poids ou de toute autre perte ou dommage résultant de vice caché, nature spéciale ou vice propre de la marchandise;
14° d'une insuffisance d'emballage;
15° d'une insuffisance ou imperfection de marques;
16° de vices cachés échappant à une diligence raisonnable;
17° de toute autre cause ne provenant pas du fait ou de la faute du transporteur ou du fait ou de la faute des agents ou préposés du transporteur, mais le fardeau de la preuve incombera à la personne réclamant le bénéfice de cette exception et il lui appartiendra de montrer que ni la faute personnelle ni le fait du transporteur ni la faute ou le fait des agents ou préposés du transporteur n'ont contribué à la perte ou au dommage.
§ 3. Le chargeur ne sera pas responsable des pertes ou dommages subis par le transporteur ou le navire et qui proviendraient ou résulteraient de toute cause quelconque sans qu'il y ait acte, faute ou négligence du chargeur, de ses agents ou de ses préposés.
§ 4. Aucun déroutement pour sauver ou tenter de sauver des vies ou des biens en mer, ni aucun déroutement raisonnable ne sera considéré comme une infraction à la présente sous-section ou au contrat de transport maritime, et le transporteur ne sera pas responsable d'aucune perte ou dommage en résultant.
§ 5. A moins que la nature et la valeur des marchandises n'aient été déclarées par le chargeur avant leur embarquement et que cette déclaration ait été insérée dans le connaissement, le transporteur, comme la navire, ne seront en aucun cas responsables des pertes ou dommages des marchandises ou concernant celles-ci pour une somme supérieur à 666,67 unités de compte par colis ou unité, ou 2 unités de compte par kilogramme de poids brut des marchandises perdues ou endommagées, la limite la plus élevée étant applicable.
§ 6. La somme totale due sera calculée par référence à la valeur des marchandises au lieu et au jour où elles sont déchargées conformément au contrat, ou au jour et au lieu où elles auraient dû être déchargées.
La valeur de la marchandise est déterminée d'après le cours en Bourse, ou, à défaut, d'après le prix courant sur le marché ou, à défaut de l'un et de l'autre, d'après la valeur usuelle de marchandises de mêmes nature et qualité.
§ 7. Lorsqu'un cadre, une palette ou tout engin similaire est utilisé pour grouper des marchandises, tout colis ou unité énuméré au connaissement comme étant inclus dans cet engin sera considéré comme un colis ou unité au sens de ce paragraphe. En dehors du cas prévu ci-dessus, cet engin sera considéré comme colis ou unité.
§ 8. L'unité de compte mentionnée dans le présent article est le droit de tirage spécial tel que défini par le Fonds monétaire international. La somme mentionnée au paragraphe 5 sera convertie en euros suivant la valeur de l'euro à la date où les marchandises sont délivrées ou auraient dû être délivrées.
§ 9. Ni le transporteur, ni le navire n'auront le droit de bénéficier de la limitation de responsabilité établie par les paragraphe 5 à 12 s'il est prouvé que le dommage résulte d'un acte ou d'une omission du transporteur qui a eu lieu, soit avec l'intention de provoquer un dommage, soit témérairement et avec conscience qu'un dommage en résulterait probablement.
§ 10. La déclaration mentionnée au paragraphe 5, insérée dans le connaissement constituera une présomption sauf preuve contraire, mais elle ne liera pas le transporteur qui pourra la contester.
§ 11. Par convention entre le transporteur, capitaine ou agent du transporteur et le chargeur, d'autres sommes maxima que celles mentionnées au paragraphe 5 peuvent être déterminées, pourvu que ce montant maximum conventionnel ne soit pas inférieur au montant maximum correspondant mentionné dans cet alinéa.
§ 12. Ni le transporteur, ni le navire ne seront en aucun cas responsables pour perte ou dommage causé aux marchandises ou les concernant, si dans le connaissement le chargeur a fait sciemment une fausse déclaration de leur nature ou de leur valeur.
§ 13. Les marchandises de nature inflammable, explosive ou dangereuse desquelles le transporteur, le capitaine ou l'agent du transporteur n'auraient pas consenti de charger, en connaissant leur nature ou leur caractère, pourront à tout momentêtre débarquées à tout endroit ou détruites ou rendues inoffensives par le transporteur sans indemnité et le chargeur de ces marchandises sera responsable de tout dommage et dépenses provenant ou résultant directement ou indirectement de leur chargement. Si quelqu'une de ces marchandises embarquées à la connaissance et avec le consentement du transporteur devenait un danger pour le navire ou la cargaison, elle pourrait de même façon être débarquée ou détruite ou rendue inoffensive par le transporteur, sans responsabilité de la part du transporteur si ce n'est du chef d'avaries communes, s'il y a lieu.
Art. 2.6.2.7. Aansprakelijkheidsgronden en aangestelden
§ 1. De ontheffingen en beperkingen van aansprakelijkheid bepaald in deze onderafdeling zijn van toepassing op iedere vordering tegen de vervoerder strekkende tot vergoeding van verlies van of schade aan goederen die het voorwerp van een zeevervoerovereenkomst uitmaken, ongeacht of de vordering wordt gegrond op de aansprakelijkheid uit overeenkomst dan wel op aansprakelijkheid buiten overeenkomst.
§ 2. Wordt een zodanige vordering ingesteld tegen een aangestelde van de vervoerder, dan kan deze aangestelde zich beroepen op de ontheffingen en beperkingen van aansprakelijkheid waarop de vervoerder zich op grond van deze onderafdeling kan beroepen.
§ 3. Het totaal van de bedragen, verhaalbaar op de vervoerder en zijn aangestelden, mag in dit geval de in deze onderafdeling bepaalde grens niet overtreffen.
§ 4. De aangestelde kan zich evenwel niet beroepen op de bepalingen van dit artikel , wanneer bewezen is dat de schade is ontstaan uit een handeling of nalaten van deze aangestelde, gepleegd hetzij met het opzet schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat er waarschijnlijk schade uit zou voortvloeien.
§ 1. De ontheffingen en beperkingen van aansprakelijkheid bepaald in deze onderafdeling zijn van toepassing op iedere vordering tegen de vervoerder strekkende tot vergoeding van verlies van of schade aan goederen die het voorwerp van een zeevervoerovereenkomst uitmaken, ongeacht of de vordering wordt gegrond op de aansprakelijkheid uit overeenkomst dan wel op aansprakelijkheid buiten overeenkomst.
§ 2. Wordt een zodanige vordering ingesteld tegen een aangestelde van de vervoerder, dan kan deze aangestelde zich beroepen op de ontheffingen en beperkingen van aansprakelijkheid waarop de vervoerder zich op grond van deze onderafdeling kan beroepen.
§ 3. Het totaal van de bedragen, verhaalbaar op de vervoerder en zijn aangestelden, mag in dit geval de in deze onderafdeling bepaalde grens niet overtreffen.
§ 4. De aangestelde kan zich evenwel niet beroepen op de bepalingen van dit artikel , wanneer bewezen is dat de schade is ontstaan uit een handeling of nalaten van deze aangestelde, gepleegd hetzij met het opzet schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat er waarschijnlijk schade uit zou voortvloeien.
Art. 2.6.2.7. Bases de responsabilité et préposés
§ 1er. Les exonérations et limitations prévues par la présente sous-section sont applicables à toute action contre le transporteur en réparation de pertes ou dommages à des marchandises faisant l'objet d'un contrat de transport, que l'action soit fondée sur la responsabilité contractuelle ou sur une responsabilité extra-contractuelle.
§ 2. Si une telle action est intentée contre un préposé du transporteur, ce préposé pourra se prévaloir des exonérations et des limitations de responsabilité que le transporteur peut invoquer en vertu de la présente sous-section.
§ 3. L'ensemble des montants mis à charge du transporteur et de ses préposés ne dépassera pas dans ce cas la limite prévue par la présente sous-section.
§ 4. Toutefois le préposé ne pourra se prévaloir des dispositions du présent article, s'il est prouvé que le dommage résulte d'un acte ou d'une omission de ce préposé qui a eu lieu soit avec l'intention de provoquer un dommage, soit témérairement et avec conscience qu'un dommage en résulterait probablement.
§ 1er. Les exonérations et limitations prévues par la présente sous-section sont applicables à toute action contre le transporteur en réparation de pertes ou dommages à des marchandises faisant l'objet d'un contrat de transport, que l'action soit fondée sur la responsabilité contractuelle ou sur une responsabilité extra-contractuelle.
§ 2. Si une telle action est intentée contre un préposé du transporteur, ce préposé pourra se prévaloir des exonérations et des limitations de responsabilité que le transporteur peut invoquer en vertu de la présente sous-section.
§ 3. L'ensemble des montants mis à charge du transporteur et de ses préposés ne dépassera pas dans ce cas la limite prévue par la présente sous-section.
§ 4. Toutefois le préposé ne pourra se prévaloir des dispositions du présent article, s'il est prouvé que le dommage résulte d'un acte ou d'une omission de ce préposé qui a eu lieu soit avec l'intention de provoquer un dommage, soit témérairement et avec conscience qu'un dommage en résulterait probablement.
Art. 2.6.2.8. Afwijkende bedingen en charterpartijen
§ 1. Een vervoerder is vrij zijn rechten en ontheffingen geheel of gedeeltelijk op te geven of zijn aansprakelijkheden en verbintenissen te vermeerderen, zoals deze en gene in deze onderafdeling zijn bepaald, mits deze afstand of deze vermeerdering wordt vermeld in het de afzender afgegeven cognossement.
§ 2. Geen bepaling van deze onderafdeling is van toepassing op charterpartijen; wanneer cognossementen of soortgelijke stukken worden afgegeven voor een bevracht schip, zijn deze evenwel aan de voorschriften van deze onderafdeling onderworpen.
§ 3. Geen bepaling van deze onderafdeling mag worden beschouwd als een beletsel voor de opneming in een cognossement van enig geoorloofd beding omtrent averij-grosse.
§ 1. Een vervoerder is vrij zijn rechten en ontheffingen geheel of gedeeltelijk op te geven of zijn aansprakelijkheden en verbintenissen te vermeerderen, zoals deze en gene in deze onderafdeling zijn bepaald, mits deze afstand of deze vermeerdering wordt vermeld in het de afzender afgegeven cognossement.
§ 2. Geen bepaling van deze onderafdeling is van toepassing op charterpartijen; wanneer cognossementen of soortgelijke stukken worden afgegeven voor een bevracht schip, zijn deze evenwel aan de voorschriften van deze onderafdeling onderworpen.
§ 3. Geen bepaling van deze onderafdeling mag worden beschouwd als een beletsel voor de opneming in een cognossement van enig geoorloofd beding omtrent averij-grosse.
Art. 2.6.2.8. Clauses dérogatoires et chartes-parties
§ 1er. Un transporteur sera libre d'abandonner tout ou partie de ses droits et exonérations ou d'augmenter ses responsabilités et obligations tels que les uns et les autres sont prévus par la présente sous-section, pourvu que cet abandon ou cette augmentation soit insérée dans le connaissement délivré au chargeur.
§ 2. Aucune disposition de la présente sous-section ne s'applique aux chartes-parties; si des connaissements ou pièces similaires sont émis pour un navire affrété, ils sont soumis aux termes de la présente sous-section.
§ 3. Aucune disposition de la présente cette sous-section ne sera considérée comme empêchant l'insertion dans un connaissement d'une disposition licite quelconque au sujet d'avaries communes.
§ 1er. Un transporteur sera libre d'abandonner tout ou partie de ses droits et exonérations ou d'augmenter ses responsabilités et obligations tels que les uns et les autres sont prévus par la présente sous-section, pourvu que cet abandon ou cette augmentation soit insérée dans le connaissement délivré au chargeur.
§ 2. Aucune disposition de la présente sous-section ne s'applique aux chartes-parties; si des connaissements ou pièces similaires sont émis pour un navire affrété, ils sont soumis aux termes de la présente sous-section.
§ 3. Aucune disposition de la présente cette sous-section ne sera considérée comme empêchant l'insertion dans un connaissement d'une disposition licite quelconque au sujet d'avaries communes.
Art. 2.6.2.9. Bijzondere verladingen
Ongeacht de bepalingen der voorgaande artikel en zijn een vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder en een afzender vrij, omtrent bepaalde goederen, welke ook, een overeenkomst aan te gaan met zodanige bedingen als hen goed zullen dunken aangaande :
1° de aansprakelijkheid en de verplichtingen van de vervoerder betreffende deze goederen;
2° de rechten en ontheffingen van de vervoerder ten aanzien van deze goederen;
3° zijn verplichtingen in verband met de zeewaardigheid van het schip, voor zover dit beding niet strijdig is met de openbare orde;
4° de zorg en achtzaamheid van zijn aangestelden of agenten wat betreft de inlading, de behandeling, de stuwing, het vervoer, de bewaking, de verzorging en de lossing van de over zee vervoerde goederen;
mits in dit geval geen cognossement is of wordt uitgegeven en de bepalingen van de gemaakte afspraak opgenomen zijn in een ontvangstbewijs, dat een niet verhandelbaar document is en daarvan melding maakt.
Elke zo gesloten overeenkomst heeft volledig rechtsgevolg.
Dit artikel is echter niet van toepassing op gewone handelsverschepingen, uitgevoerd binnen gewone handelsverrichtingen, maar slechts op andere verladingen, waarbij de aard en de gesteldheid van de te vervoeren goederen en de omstandigheden, de bedingen en de voorwaarden, waaronder het vervoer plaats moet vinden van aard zijn een bijzondere overeenkomst te rechtvaardigen.
Ongeacht de bepalingen der voorgaande artikel en zijn een vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder en een afzender vrij, omtrent bepaalde goederen, welke ook, een overeenkomst aan te gaan met zodanige bedingen als hen goed zullen dunken aangaande :
1° de aansprakelijkheid en de verplichtingen van de vervoerder betreffende deze goederen;
2° de rechten en ontheffingen van de vervoerder ten aanzien van deze goederen;
3° zijn verplichtingen in verband met de zeewaardigheid van het schip, voor zover dit beding niet strijdig is met de openbare orde;
4° de zorg en achtzaamheid van zijn aangestelden of agenten wat betreft de inlading, de behandeling, de stuwing, het vervoer, de bewaking, de verzorging en de lossing van de over zee vervoerde goederen;
mits in dit geval geen cognossement is of wordt uitgegeven en de bepalingen van de gemaakte afspraak opgenomen zijn in een ontvangstbewijs, dat een niet verhandelbaar document is en daarvan melding maakt.
Elke zo gesloten overeenkomst heeft volledig rechtsgevolg.
Dit artikel is echter niet van toepassing op gewone handelsverschepingen, uitgevoerd binnen gewone handelsverrichtingen, maar slechts op andere verladingen, waarbij de aard en de gesteldheid van de te vervoeren goederen en de omstandigheden, de bedingen en de voorwaarden, waaronder het vervoer plaats moet vinden van aard zijn een bijzondere overeenkomst te rechtvaardigen.
Art. 2.6.2.9. Chargements particuliers
Nonobstant les dispositions des articles précédents, un transporteur, capitaine ou agent du transporteur et un chargeur seront libres, pour des marchandises déterminées, quelles qu'elles soient, de passer un contrat quelconque avec des conditions quelconques concernant :
1° la responsabilité et les obligations du transporteur pour ces marchandises;
2° les droits et exonérations du transporteur au sujet de ces mêmes marchandises;
3° ses obligations quant à l'état de navigabilité du navire dans la mesure où cette stipulation n'est pas contraire à l'ordre public;
4° les soins ou diligence de ses préposés ou agents quant au chargement, à la manutention, à l'arrimage, au transport, à la garde, aux soins et au déchargement des marchandises transportées par mer;
pourvu qu'en ce cas aucun connaissement n'ait été ou ne soit émis et que les conditions de l'accord intervenu soient insérées dans un récépissé qui sera un document non négociable et portera mention de ce caractère.
Toute convention ainsi conclue aura plein effet légal.
Toutefois, le présent article ne s'appliquera pas aux cargaisons commerciales ordinaires, faites au cours d'opérations commerciales ordinaires, mais seulement à d'autres chargements où le caractère et la condition des biens à transporter et les circonstances, les termes et les conditions auxquels le transport doit se faire sont de nature à justifier une convention spéciale.
Nonobstant les dispositions des articles précédents, un transporteur, capitaine ou agent du transporteur et un chargeur seront libres, pour des marchandises déterminées, quelles qu'elles soient, de passer un contrat quelconque avec des conditions quelconques concernant :
1° la responsabilité et les obligations du transporteur pour ces marchandises;
2° les droits et exonérations du transporteur au sujet de ces mêmes marchandises;
3° ses obligations quant à l'état de navigabilité du navire dans la mesure où cette stipulation n'est pas contraire à l'ordre public;
4° les soins ou diligence de ses préposés ou agents quant au chargement, à la manutention, à l'arrimage, au transport, à la garde, aux soins et au déchargement des marchandises transportées par mer;
pourvu qu'en ce cas aucun connaissement n'ait été ou ne soit émis et que les conditions de l'accord intervenu soient insérées dans un récépissé qui sera un document non négociable et portera mention de ce caractère.
Toute convention ainsi conclue aura plein effet légal.
Toutefois, le présent article ne s'appliquera pas aux cargaisons commerciales ordinaires, faites au cours d'opérations commerciales ordinaires, mais seulement à d'autres chargements où le caractère et la condition des biens à transporter et les circonstances, les termes et les conditions auxquels le transport doit se faire sont de nature à justifier une convention spéciale.
Art. 2.6.2.10. Tijd voor inlading en na lossing
Geen bepaling van deze afdeling verbiedt een vervoerder of een afzender in een overeenkomst bedingen, voorwaarden, voorbehouden of ontheffingen betreffende de verplichtingen en aansprakelijkheden van de vervoerder of het schip op te nemen betreffende verlies of schade aan de goederen overkomen, of in verband met de bewaking, verzorging en behandeling ervan, vóór de inlading in of volgend op de lossing uit het schip, waarmee de goederen over zee worden vervoerd.
Geen bepaling van deze afdeling verbiedt een vervoerder of een afzender in een overeenkomst bedingen, voorwaarden, voorbehouden of ontheffingen betreffende de verplichtingen en aansprakelijkheden van de vervoerder of het schip op te nemen betreffende verlies of schade aan de goederen overkomen, of in verband met de bewaking, verzorging en behandeling ervan, vóór de inlading in of volgend op de lossing uit het schip, waarmee de goederen over zee worden vervoerd.
Art. 2.6.2.10. Temps avant chargement et après déchargement
Aucune disposition de la présente section ne défend à un transporteur ou à un chargeur d'insérer dans un contrat des stipulations, conditions, réserves ou exonérations relatives aux obligations et responsabilités du transporteur ou du navire pour la perte ou les dommages survenant aux marchandises, ou concernant leur garde, soin et manutention, antérieurement au chargement et postérieurement au déchargement du navire sur lequel les marchandises sont transportées par mer.
Aucune disposition de la présente section ne défend à un transporteur ou à un chargeur d'insérer dans un contrat des stipulations, conditions, réserves ou exonérations relatives aux obligations et responsabilités du transporteur ou du navire pour la perte ou les dommages survenant aux marchandises, ou concernant leur garde, soin et manutention, antérieurement au chargement et postérieurement au déchargement du navire sur lequel les marchandises sont transportées par mer.
Onderafdeling 2. [1 - Bijzondere bepalingen]1
Sous-section 2. [1 - Dispositions spéciales]1
Art. 2.6.2.11. Begrippen
In deze onderafdeling wordt verstaan onder :
1° "zeevervoerovereenkomst" : elke overeenkomst waarbij een partij, vervoerder genoemd, zich er tegenover een afzender en tegen vergoeding toe verbindt om goederen te vervoeren over zee;
2° "bestemmeling" : degene die overeenkomstig artikel 2.6.2.25 recht heeft op aflevering;
3° "vertraging" : de overschrijding van de termijn overeengekomen voor aflevering van de goederen op de plaats van bestemming.
In deze onderafdeling wordt verstaan onder :
1° "zeevervoerovereenkomst" : elke overeenkomst waarbij een partij, vervoerder genoemd, zich er tegenover een afzender en tegen vergoeding toe verbindt om goederen te vervoeren over zee;
2° "bestemmeling" : degene die overeenkomstig artikel 2.6.2.25 recht heeft op aflevering;
3° "vertraging" : de overschrijding van de termijn overeengekomen voor aflevering van de goederen op de plaats van bestemming.
Art. 2.6.2.11. Notions
Dans la présente sous-section, l'on entend par :
1° " contrat de transport maritime " : tout contrat par lequel une partie, nommée transporteur, s'engage vis-à-vis d'un chargeur et moyennant rémunération à transporter des marchandises par mer;
2° " destinataire " : celui qui, conformément à l'article 2.6.2.25, a droit à la livraison;
3° " retard " : le dépassement du délai convenu pour la livraison des marchandises au lieu de destination.
Dans la présente sous-section, l'on entend par :
1° " contrat de transport maritime " : tout contrat par lequel une partie, nommée transporteur, s'engage vis-à-vis d'un chargeur et moyennant rémunération à transporter des marchandises par mer;
2° " destinataire " : celui qui, conformément à l'article 2.6.2.25, a droit à la livraison;
3° " retard " : le dépassement du délai convenu pour la livraison des marchandises au lieu de destination.
Art. 2.6.2.12. Rechtsmacht
Onverminderd andere bevoegdheidsgronden zijn de Belgische rechters bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen betreffende zeevervoerovereenkomsten voor vervoer naar of uit België.
Onverminderd andere bevoegdheidsgronden zijn de Belgische rechters bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen betreffende zeevervoerovereenkomsten voor vervoer naar of uit België.
Art. 2.6.2.12. Juridiction
Sans préjudice d'autres chefs de compétence, les juges belges sont compétents pour prendre connaissance des actions relatives à des contrats de transport maritime pour un transport en provenance ou à destination de la Belgique.
Sans préjudice d'autres chefs de compétence, les juges belges sont compétents pour prendre connaissance des actions relatives à des contrats de transport maritime pour un transport en provenance ou à destination de la Belgique.
Art. 2.6.2.13. Internationale toepassing
Deze onderafdeling is van toepassing op elk vervoer naar of uit een haven van België.
[1 ...]1
Deze onderafdeling is van toepassing op elk vervoer naar of uit een haven van België.
[1 ...]1
Art. 2.6.2.13. Application internationale
La présente sous-section s'applique à tout transport en provenance ou à destination de la Belgique
[1 ...]1
La présente sous-section s'applique à tout transport en provenance ou à destination de la Belgique
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. 2.6.2.14. Materiële toepassing
Deze onderafdeling is van toepassing op zeevervoerovereenkomsten.
Zij is eveneens van toepassing op het vervoer van levende dieren.
Deze onderafdeling is van toepassing op zeevervoerovereenkomsten.
Zij is eveneens van toepassing op het vervoer van levende dieren.
Art. 2.6.2.14. Application matérielle
La présente sous-section s'applique aux contrats de transport maritime.
Elle s'applique également au transport d'animaux vivants.
La présente sous-section s'applique aux contrats de transport maritime.
Elle s'applique également au transport d'animaux vivants.
Art. 2.6.2.16. Andere regelgeving
Titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek en titel 4 van boek X van het Wetboek van economisch recht zijn niet op zeevervoerovereenkomsten van toepassing.
Titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek en titel 4 van boek X van het Wetboek van economisch recht zijn niet op zeevervoerovereenkomsten van toepassing.
Art. 2.6.2.16. Autre réglementation
Le titre VIII du livre III du Code civil et le titre 4 du livre X du Code de droit economique ne s'appliquent pas aux contrats de transport maritime.
Le titre VIII du livre III du Code civil et le titre 4 du livre X du Code de droit economique ne s'appliquent pas aux contrats de transport maritime.
Art. 2.6.2.17. Afwijkende bedingen
§ 1. Bedingen die van deze onderafdeling afwijken zijn nietig.
§ 2. In afwijking van § 1, kan worden afgeweken van :
1° artikel 2.6.2.14, tweede lid, met dien verstande dat geen afbreuk mag worden gedaan aan artikel 2.6.2.20;
2° artikel 2.6.2.18, § 1, eerste lid;
3° artikel 2.6.2.22, § 2 en 3.
§ 1. Bedingen die van deze onderafdeling afwijken zijn nietig.
§ 2. In afwijking van § 1, kan worden afgeweken van :
1° artikel 2.6.2.14, tweede lid, met dien verstande dat geen afbreuk mag worden gedaan aan artikel 2.6.2.20;
2° artikel 2.6.2.18, § 1, eerste lid;
3° artikel 2.6.2.22, § 2 en 3.
Art. 2.6.2.17. Clauses dérogatoires
§ 1er. Les clauses qui dérogent à la présente sous-section sont nulles.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, il peut être dérogé :
1° à l'article 2.6.2.14, alinéa 2, étant entendu qu'il ne peut pas être porté atteinte à l'article 2.6.2.20;
2° à l'article 2.6.2.18, § 1er, alinéa 1er;
3° à l'article 2.6.2.22, § 2 et 3.
§ 1er. Les clauses qui dérogent à la présente sous-section sont nulles.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, il peut être dérogé :
1° à l'article 2.6.2.14, alinéa 2, étant entendu qu'il ne peut pas être porté atteinte à l'article 2.6.2.20;
2° à l'article 2.6.2.18, § 1er, alinéa 1er;
3° à l'article 2.6.2.22, § 2 et 3.
Art. 2.6.2.18. Aanlevering van de goederen
§ 1. De afzender moet de goederen klaar voor vervoer aanleveren.
De goederen moeten zich in een zodanige staat bevinden dat zij het voorgenomen vervoer, met inbegrip van belading, behandeling, stuwing, sjorring en lossing, kunnen doorstaan en geen letsel of schade veroorzaken aan personen respectievelijk goederen.
§ 2. Ingeval een laadkist of een voertuig geladen wordt door de afzender, dient deze de inhoud van de laadkist of van het voertuig behoorlijk en zorgvuldig te stuwen en te sjorren, zodat deze geen letsel of schade veroorzaakt.
§ 1. De afzender moet de goederen klaar voor vervoer aanleveren.
De goederen moeten zich in een zodanige staat bevinden dat zij het voorgenomen vervoer, met inbegrip van belading, behandeling, stuwing, sjorring en lossing, kunnen doorstaan en geen letsel of schade veroorzaken aan personen respectievelijk goederen.
§ 2. Ingeval een laadkist of een voertuig geladen wordt door de afzender, dient deze de inhoud van de laadkist of van het voertuig behoorlijk en zorgvuldig te stuwen en te sjorren, zodat deze geen letsel of schade veroorzaakt.
Art. 2.6.2.18. Remise des marchandises
§ 1er. Le chargeur doit remettre les marchandises prêtes pour le transport.
Les marchandises doivent se trouver dans un état tel qu'elles résisteront au transport prévu, y compris aux opérations de chargement, de manutention, d'arrimage, de saissisage et de déchargement, et ne causeront pas de lésions ou de dommages aux personnes ou aux biens.
§ 2. En cas de chargement d'un conteneur ou d'un véhicule par le chargeur, ce dernier doit procéder à l'arrimage et au saissage du contenu du conteneur ou du véhicule de façon appropriée et soigneuse, de telle manière qu'il ne causera pas de lésions ou de dommages aux personnes ou aux biens.
§ 1er. Le chargeur doit remettre les marchandises prêtes pour le transport.
Les marchandises doivent se trouver dans un état tel qu'elles résisteront au transport prévu, y compris aux opérations de chargement, de manutention, d'arrimage, de saissisage et de déchargement, et ne causeront pas de lésions ou de dommages aux personnes ou aux biens.
§ 2. En cas de chargement d'un conteneur ou d'un véhicule par le chargeur, ce dernier doit procéder à l'arrimage et au saissage du contenu du conteneur ou du véhicule de façon appropriée et soigneuse, de telle manière qu'il ne causera pas de lésions ou de dommages aux personnes ou aux biens.
Art. 2.6.2.19. Deklading
§ 1. Goederen mogen uitsluitend aan dek worden vervoerd :
1° ingeval deze vervoerwijze wettelijk verplicht is;
2° ingeval de goederen worden vervoerd in of op laadkisten of voertuigen die geschikt zijn om aan dek te worden vervoerd, en het dek bijzonder is uitgerust om dergelijke laadkisten of voertuigen te vervoeren; of
3° ingeval het vervoer aan dek in overeenstemming is met de vervoerovereenkomst of met de gebruiken in de desbetreffende handel.
§ 2. Ingeval in het vervoersdocument wordt vermeld dat de goederen aan dek worden vervoerd en de goederen daadwerkelijk aan dek worden vervoerd, kan de vervoerder zijn aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van zijn handelen of nalaten, begaan hetzij met het opzet de schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat er waarschijnlijk schade uit zou voortvloeien, niet uitsluiten, noch beperken.
§ 1. Goederen mogen uitsluitend aan dek worden vervoerd :
1° ingeval deze vervoerwijze wettelijk verplicht is;
2° ingeval de goederen worden vervoerd in of op laadkisten of voertuigen die geschikt zijn om aan dek te worden vervoerd, en het dek bijzonder is uitgerust om dergelijke laadkisten of voertuigen te vervoeren; of
3° ingeval het vervoer aan dek in overeenstemming is met de vervoerovereenkomst of met de gebruiken in de desbetreffende handel.
§ 2. Ingeval in het vervoersdocument wordt vermeld dat de goederen aan dek worden vervoerd en de goederen daadwerkelijk aan dek worden vervoerd, kan de vervoerder zijn aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van zijn handelen of nalaten, begaan hetzij met het opzet de schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat er waarschijnlijk schade uit zou voortvloeien, niet uitsluiten, noch beperken.
Art. 2.6.2.19. Chargement en pontée
§ 1er. Les marchandises peuvent exclusivement être transportées en pontée :
1° si ce mode de transport est exigé par la loi;
2° si les marchandises sont transportées dans ou sur des conteneurs ou véhicules adaptés au transport en pontée et sur des ponts spécialement équipés pour transporter de tels conteneurs ou véhicules; ou
3° si le transport en pontée est conforme au contrat de transport ou aux usages du commerce en question.
§ 2. Si le document de transport mentionne que les marchandises sont transportées en pontée et que les marchandises sont effectivement transportées en pontée, le transporteur ne peut ni exclure ni limiter sa responsabilité des dommages qui résultent d'un acte ou d'une négligence ayant eu lieu soit avec l'intention de provoquer le dommage, soit de manière imprudente et en sachant qu'un dommage en résulterait probablement.
§ 1er. Les marchandises peuvent exclusivement être transportées en pontée :
1° si ce mode de transport est exigé par la loi;
2° si les marchandises sont transportées dans ou sur des conteneurs ou véhicules adaptés au transport en pontée et sur des ponts spécialement équipés pour transporter de tels conteneurs ou véhicules; ou
3° si le transport en pontée est conforme au contrat de transport ou aux usages du commerce en question.
§ 2. Si le document de transport mentionne que les marchandises sont transportées en pontée et que les marchandises sont effectivement transportées en pontée, le transporteur ne peut ni exclure ni limiter sa responsabilité des dommages qui résultent d'un acte ou d'une négligence ayant eu lieu soit avec l'intention de provoquer le dommage, soit de manière imprudente et en sachant qu'un dommage en résulterait probablement.
Art. 2.6.2.20. Levende dieren
Ingeval wordt bedongen dat onderafdeling 1 van deze afdeling niet van toepassing is op het vervoer van levende dieren, kan de aansprakelijkheid van de vervoerder voor schade die het gevolg is van zijn handelen of nalaten, begaan hetzij met het opzet de schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat er waarschijnlijk schade uit zou voortvloeien, niet worden uitgesloten, noch beperkt.
Ingeval wordt bedongen dat onderafdeling 1 van deze afdeling niet van toepassing is op het vervoer van levende dieren, kan de aansprakelijkheid van de vervoerder voor schade die het gevolg is van zijn handelen of nalaten, begaan hetzij met het opzet de schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat er waarschijnlijk schade uit zou voortvloeien, niet worden uitgesloten, noch beperkt.
Art. 2.6.2.20. Animaux vivants
S'il est stipulé que la sous-section 1re de la présente section ne s'applique pas au transport d'animaux vivants, la responsabilité du transporteur pour un dommage résultant d'un acte ou d'une négligence ayant eu lieu dans l'intention de provoquer ce dommage, soit de manière imprudente et en sachant qu'un dommage en résulterait probablement, ne peut être ni exclue ni limitée.
S'il est stipulé que la sous-section 1re de la présente section ne s'applique pas au transport d'animaux vivants, la responsabilité du transporteur pour un dommage résultant d'un acte ou d'une négligence ayant eu lieu dans l'intention de provoquer ce dommage, soit de manière imprudente et en sachant qu'un dommage en résulterait probablement, ne peut être ni exclue ni limitée.
Art. 2.6.2.21. Verhandelbaarheid van het vervoersdocument
Tenzij het vervoersdocument een andersluidende vermelding bevat, is het verhandelbaar.
Tenzij het vervoersdocument een andersluidende vermelding bevat, is het verhandelbaar.
Art. 2.6.2.21. Négociabilité du document de transport
Sauf mention contraire dans le document de transport, il est négociable.
Sauf mention contraire dans le document de transport, il est négociable.
Art. 2.6.2.22. Vracht
§ 1. De afzender moet de overeengekomen vracht betalen.
§ 2. Wanneer de afzender minder goederen ten vervoer aanbiedt dan overeengekomen, is hij niettemin verplicht de volle vracht te betalen voor de gehele overeengekomen lading, behoudens in geval van overmacht.
§ 3. Wanneer de afzender de overeengekomen goederen niet ter vervoer aanbiedt, is hij verplicht als forfaitaire schadevergoeding de helft van de overeengekomen vracht te betalen.
§ 1. De afzender moet de overeengekomen vracht betalen.
§ 2. Wanneer de afzender minder goederen ten vervoer aanbiedt dan overeengekomen, is hij niettemin verplicht de volle vracht te betalen voor de gehele overeengekomen lading, behoudens in geval van overmacht.
§ 3. Wanneer de afzender de overeengekomen goederen niet ter vervoer aanbiedt, is hij verplicht als forfaitaire schadevergoeding de helft van de overeengekomen vracht te betalen.
Art. 2.6.2.22. Fret
§ 1er. Le chargeur doit payer le fret convenu.
§ 2. Lorsque le chargeur remet moins de marchandises pour le transport que la quantité convenue, il est néanmoins tenu de payer le fret en entier pour le chargement complet convenu, sauf en cas de force majeure.
§ 3. Lorsque le chargeur ne remet pas les marchandises convenues pour transport, il est tenu au paiement, en indemnité, de la moitié du fret convenu.
§ 1er. Le chargeur doit payer le fret convenu.
§ 2. Lorsque le chargeur remet moins de marchandises pour le transport que la quantité convenue, il est néanmoins tenu de payer le fret en entier pour le chargement complet convenu, sauf en cas de force majeure.
§ 3. Lorsque le chargeur ne remet pas les marchandises convenues pour transport, il est tenu au paiement, en indemnité, de la moitié du fret convenu.
Art. 2.6.2.24. Rechtspositie van de bestemmeling
De rechten en plichten van de bestemmeling, die niet terzelfdertijd de afzender is, worden beheerst door de bepalingen van deze afdeling en door deze van het vervoersdocument. Indien geen vervoersdocument werd uitgegeven, gelden te dien aanzien de bepalingen vervat in de vervoerovereenkomst, voor zover deze aan de bestemmeling wordt meegedeeld vóór hij om de aflevering van de goederen heeft gevraagd.
De instemming van de bestemmeling, die niet terzelfdertijd de afzender is, met een rechtsmacht-, rechtskeuze- of arbitragebeding wordt niet bewezen door het loutere feit dat de bestemmeling het vervoersdocument zonder voorbehoud heeft aangenomen of de aflevering van de goederen heeft gevraagd en bekomen.
De rechten en plichten van de bestemmeling, die niet terzelfdertijd de afzender is, worden beheerst door de bepalingen van deze afdeling en door deze van het vervoersdocument. Indien geen vervoersdocument werd uitgegeven, gelden te dien aanzien de bepalingen vervat in de vervoerovereenkomst, voor zover deze aan de bestemmeling wordt meegedeeld vóór hij om de aflevering van de goederen heeft gevraagd.
De instemming van de bestemmeling, die niet terzelfdertijd de afzender is, met een rechtsmacht-, rechtskeuze- of arbitragebeding wordt niet bewezen door het loutere feit dat de bestemmeling het vervoersdocument zonder voorbehoud heeft aangenomen of de aflevering van de goederen heeft gevraagd en bekomen.
Art. 2.6.2.24. Position juridique du destinataire
Les droits et obligations du destinataire, qui n'est pas en même temps le chargeur, sont régis par les dispositions de la présente section et par celles du document de transport. Si aucun document de transport n'a été émis, les dispositions incluses dans le contrat de transport s'appliquent à cet égard, pour autant que celui-ci soit communiqué au destinataire avant qu'il ait demandé la livraison des marchandises.
Le consentement du destinataire, qui n'est pas en même temps le chargeur, concernant une clause de juridiction, de choix de la loi ou d'arbitrage, n'est pas prouvé par le simple fait que le destinataire a accepté le document de transport sans réserve ou a demandé et obtenu la livraison des marchandises.
Les droits et obligations du destinataire, qui n'est pas en même temps le chargeur, sont régis par les dispositions de la présente section et par celles du document de transport. Si aucun document de transport n'a été émis, les dispositions incluses dans le contrat de transport s'appliquent à cet égard, pour autant que celui-ci soit communiqué au destinataire avant qu'il ait demandé la livraison des marchandises.
Le consentement du destinataire, qui n'est pas en même temps le chargeur, concernant une clause de juridiction, de choix de la loi ou d'arbitrage, n'est pas prouvé par le simple fait que le destinataire a accepté le document de transport sans réserve ou a demandé et obtenu la livraison des marchandises.
Art. 2.6.2.25. Recht op aflevering
§ 1. Ingeval een verhandelbaar vervoersdocument is uitgegeven, heeft uitsluitend de houder, die er minstens één origineel van aanbiedt, recht op aflevering van de goederen. Indien meer dan één origineel werd uitgegeven, [1 hebben de overige originelen geen verdere geldigheid meer na de levering]1.
§ 2. Ingeval een niet-verhandelbaar vervoersdocument werd uitgegeven, heeft uitsluitend de erin vermelde rechthebbende recht op aflevering van de goederen, tenzij dit recht werd overgedragen overeenkomstig het gemeen recht [1 ...]1. Tenzij het vervoersdocument een andersluidende vermelding bevat, moet het niet in origineel worden aangeboden.
§ 3. Ingeval geen vervoersdocument werd uitgegeven, wordt degene die recht heeft op aflevering aangeduid in of door middel van de [2 vervoersovereenkomst]2.
§ 4. Indien meer dan één persoon om aflevering van de goederen verzoekt, kan de vervoerder een sekwester laten aanstellen, die de goederen onder zich houdt tot is bepaald aan wie de goederen moeten worden afgeleverd. De vervoerder richt daartoe een verzoekschrift aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank. De kosten van de sekwester komen ten laste van de door de voorzitter aangeduide ladingbelanghebbende of ladingbelanghebbenden.
§ 1. Ingeval een verhandelbaar vervoersdocument is uitgegeven, heeft uitsluitend de houder, die er minstens één origineel van aanbiedt, recht op aflevering van de goederen. Indien meer dan één origineel werd uitgegeven, [1 hebben de overige originelen geen verdere geldigheid meer na de levering]1.
§ 2. Ingeval een niet-verhandelbaar vervoersdocument werd uitgegeven, heeft uitsluitend de erin vermelde rechthebbende recht op aflevering van de goederen, tenzij dit recht werd overgedragen overeenkomstig het gemeen recht [1 ...]1. Tenzij het vervoersdocument een andersluidende vermelding bevat, moet het niet in origineel worden aangeboden.
§ 3. Ingeval geen vervoersdocument werd uitgegeven, wordt degene die recht heeft op aflevering aangeduid in of door middel van de [2 vervoersovereenkomst]2.
§ 4. Indien meer dan één persoon om aflevering van de goederen verzoekt, kan de vervoerder een sekwester laten aanstellen, die de goederen onder zich houdt tot is bepaald aan wie de goederen moeten worden afgeleverd. De vervoerder richt daartoe een verzoekschrift aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank. De kosten van de sekwester komen ten laste van de door de voorzitter aangeduide ladingbelanghebbende of ladingbelanghebbenden.
Art. 2.6.2.25. Droit à la livraison
§ 1er. Si un document de transport négociable a été émis, seul le porteur, qui en présente au moins un original, a droit à la livraison des marchandises. Si plus d'un original a été émis, [1 les autres originaux n'ont plus aucune validité après la livraison]1.
§ 2. Si un document de transport non négociable a été émis, seul l'ayant droit qui y est mentionné a droit à la livraison des marchandises, à moins que ce droit n'ait été cédé conformément au droit commun [1 ...]1. Sauf mention contraire dans le document de transport, l'original ne doit pas être présenté.
§ 3. Si aucun document de transport n'a été émis, celui qui a droit à la livraison est désigné dans le [1 [2 contrat de transport]2 ou au moyen de celui-ci]1.
§ 4. Si plus d'une personne demande la livraison des marchandises, le transporteur peut faire désigner un séquestre qui conserve les marchandises jusqu'à ce qu'il ait été stipulé à qui elles doivent être délivrées. A cet effet, le transporteur adresse une requête au président du tribunal de l'entreprise. Les frais du séquestre sont à charge du ou des intéressés à la cargaison désignés par le président.
§ 1er. Si un document de transport négociable a été émis, seul le porteur, qui en présente au moins un original, a droit à la livraison des marchandises. Si plus d'un original a été émis, [1 les autres originaux n'ont plus aucune validité après la livraison]1.
§ 2. Si un document de transport non négociable a été émis, seul l'ayant droit qui y est mentionné a droit à la livraison des marchandises, à moins que ce droit n'ait été cédé conformément au droit commun [1 ...]1. Sauf mention contraire dans le document de transport, l'original ne doit pas être présenté.
§ 3. Si aucun document de transport n'a été émis, celui qui a droit à la livraison est désigné dans le [1 [2 contrat de transport]2 ou au moyen de celui-ci]1.
§ 4. Si plus d'une personne demande la livraison des marchandises, le transporteur peut faire désigner un séquestre qui conserve les marchandises jusqu'à ce qu'il ait été stipulé à qui elles doivent être délivrées. A cet effet, le transporteur adresse une requête au président du tribunal de l'entreprise. Les frais du séquestre sont à charge du ou des intéressés à la cargaison désignés par le président.
Art. 2.6.2.26. Betaling van vracht en andere kosten
§ 1. Ingeval de vervoerovereenkomst of het vervoersdocument vermeldt dat de vracht betaald werd, kan de vervoerder tegenover de bestemmeling, die niet de afzender is, met betrekking tot de vracht op geen enkele wijze rechten laten gelden.
§ 2. Zodra de bestemmeling om aflevering van de goederen heeft verzocht, is hij gehouden tot betaling van de kosten die met betrekking tot de goederen in de bestemmingshaven zijn ontstaan.
§ 1. Ingeval de vervoerovereenkomst of het vervoersdocument vermeldt dat de vracht betaald werd, kan de vervoerder tegenover de bestemmeling, die niet de afzender is, met betrekking tot de vracht op geen enkele wijze rechten laten gelden.
§ 2. Zodra de bestemmeling om aflevering van de goederen heeft verzocht, is hij gehouden tot betaling van de kosten die met betrekking tot de goederen in de bestemmingshaven zijn ontstaan.
Art. 2.6.2.26. Paiement du fret et d'autres frais
§ 1er. Si le contrat de transport ou le document de transport mentionne que le fret a été payé, le transporteur ne peut en aucune manière que ce soit faire valoir des droits vis-à-vis du destinataire, qui n'est pas le chargeur, concernant le fret.
§ 2. Dès que le destinataire a demandé la livraison des marchandises, il est tenu au paiement des frais engendrés concernant les marchandises dans le port de destination.
§ 1er. Si le contrat de transport ou le document de transport mentionne que le fret a été payé, le transporteur ne peut en aucune manière que ce soit faire valoir des droits vis-à-vis du destinataire, qui n'est pas le chargeur, concernant le fret.
§ 2. Dès que le destinataire a demandé la livraison des marchandises, il est tenu au paiement des frais engendrés concernant les marchandises dans le port de destination.
Art. 2.6.2.27. Retentierecht
De vervoerder heeft een retentierecht op de lading die zich onder zijn hoede bevindt en waarop de schuldvordering betrekking heeft.
Het retentierecht is tegenstelbaar aan de eigenaar van de goederen waarop dat recht betrekking heeft.
De vervoerder mag de lading echter niet aan boord houden. Hij kan tijdens het lossen vorderen dat de goederen door een derde zullen worden bewaard, tot zijn schuldvordering voldaan is.
De vervoerder kan geen retentierecht meer uitoefenen wanneer een voldoende zekerheid is gesteld.
De vervoerder heeft een retentierecht op de lading die zich onder zijn hoede bevindt en waarop de schuldvordering betrekking heeft.
Het retentierecht is tegenstelbaar aan de eigenaar van de goederen waarop dat recht betrekking heeft.
De vervoerder mag de lading echter niet aan boord houden. Hij kan tijdens het lossen vorderen dat de goederen door een derde zullen worden bewaard, tot zijn schuldvordering voldaan is.
De vervoerder kan geen retentierecht meer uitoefenen wanneer een voldoende zekerheid is gesteld.
Art. 2.6.2.27. Droit de rétention
Le transporteur bénéficie d'un droit de rétention sur la cargaison qui se trouve sous sa garde et à laquelle la créance a trait.
Le droit de rétention est opposable au propriétaire des marchandises auxquelles ce droit se rapporte.
Le transporteur ne peut cependant pas conserver la cargaison à bord. Durant le déchargement, il peut exiger que les marchandises soient conservées par un tiers jusqu'à ce que sa créance ait été acquittée.
Le fréteur ne peut plus exercer de droit de rétention lorsqu'une sûreté suffisante a été constituée.
Le transporteur bénéficie d'un droit de rétention sur la cargaison qui se trouve sous sa garde et à laquelle la créance a trait.
Le droit de rétention est opposable au propriétaire des marchandises auxquelles ce droit se rapporte.
Le transporteur ne peut cependant pas conserver la cargaison à bord. Durant le déchargement, il peut exiger que les marchandises soient conservées par un tiers jusqu'à ce que sa créance ait été acquittée.
Le fréteur ne peut plus exercer de droit de rétention lorsqu'une sûreté suffisante a été constituée.
Art. 2.6.2.28. Ladingvoorrecht
De vordering van de vervoerder tot betaling van bedragen die hem door de bestemmeling zijn verschuldigd in rechtstreeks verband met de vervoerde goederen is op deze goederen bevoorrecht. Het voorrecht kan worden uitgeoefend gedurende vijftien dagen na de aflevering, voor zover de goederen niet werden overhandigd aan een derde. Het heeft dezelfde rang als het voorrecht omschreven in artikel 20, 7° van de Hypotheekwet.
De vordering van de vervoerder tot betaling van bedragen die hem door de bestemmeling zijn verschuldigd in rechtstreeks verband met de vervoerde goederen is op deze goederen bevoorrecht. Het voorrecht kan worden uitgeoefend gedurende vijftien dagen na de aflevering, voor zover de goederen niet werden overhandigd aan een derde. Het heeft dezelfde rang als het voorrecht omschreven in artikel 20, 7° van de Hypotheekwet.
Art. 2.6.2.28. Privilège sur la cargaison
L'action du transporteur en paiement des montants qui lui sont dus par le destinataire en relation directe avec les marchandises transportées est privilégiée sur ces marchandises. Le privilège peut être exercé pendant quinze jours à compter de la livraison, pour autant toutefois que les marchandises n'aient pas été remises à un tiers. Il a le même rang que le privilège décrit à l'article 20, 7°, de la Loi hypothécaire.
L'action du transporteur en paiement des montants qui lui sont dus par le destinataire en relation directe avec les marchandises transportées est privilégiée sur ces marchandises. Le privilège peut être exercé pendant quinze jours à compter de la livraison, pour autant toutefois que les marchandises n'aient pas été remises à un tiers. Il a le même rang que le privilège décrit à l'article 20, 7°, de la Loi hypothécaire.
Art. 2.6.2.29. Sekwester over de lading
Indien de vervoerder niet onmiddellijk tot aflevering van de goederen kan overgaan, kan hij de aanstelling van een sekwester vorderen. De vervoerder richt daartoe een verzoekschrift aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank. De kosten van de sekwester zijn ten laste van de vervoerder, onverminderd zijn recht om ze terug te vorderen van een andere partij.
Indien de vervoerder niet onmiddellijk tot aflevering van de goederen kan overgaan, kan hij de aanstelling van een sekwester vorderen. De vervoerder richt daartoe een verzoekschrift aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank. De kosten van de sekwester zijn ten laste van de vervoerder, onverminderd zijn recht om ze terug te vorderen van een andere partij.
Art. 2.6.2.29. Séquestre sur la cargaison
Si le transporteur ne peut pas procéder immédiatement à la livraison des marchandises, il peut requérir la désignation d'un séquestre. A cet effet, le transporteur adresse une requête au président du tribunal de l'entreprise. Les coûts du séquestre sont à charge du transporteur, sans préjudice de son droit de les récupérer d'une autre partie.
Si le transporteur ne peut pas procéder immédiatement à la livraison des marchandises, il peut requérir la désignation d'un séquestre. A cet effet, le transporteur adresse une requête au président du tribunal de l'entreprise. Les coûts du séquestre sont à charge du transporteur, sans préjudice de son droit de les récupérer d'une autre partie.
Art. 2.6.2.30. Vertraging
§ 1. De vervoerder is aansprakelijk voor vertraging. [2 ...]2
§ 2. De vordering tot schadevergoeding wegens vertraging vervalt als aan de vervoerder geen schriftelijk voorbehoud is gericht binnen eenentwintig kalenderdagen na de aflevering van de goederen.
§ 3. De aansprakelijkheid van de vervoerder voor schade veroorzaakt door vertraging, met uitzondering van schade aan of verlies van de goederen, is beperkt tot tweeëneenhalf maal de vracht verschuldigd voor de met vertraging afgeleverde goederen.
Ingeval de vertraging zowel verlies van of schade aan de goederen als andere schade heeft veroorzaakt, mag de totale schadevergoeding deze voor totaal verlies van de goederen, berekend overeenkomstig [1 artikel 2.6.2.6, § 5]1, niet overtreffen.
De vervoerder kan zijn aansprakelijkheid niet beperken ingeval wordt bewezen dat het verlies of de schade het gevolg is van een handelen of een nalaten van de vervoerder, begaan hetzij met het opzet de schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat er waarschijnlijk schade uit zou voortvloeien.
§ 1. De vervoerder is aansprakelijk voor vertraging. [2 ...]2
§ 2. De vordering tot schadevergoeding wegens vertraging vervalt als aan de vervoerder geen schriftelijk voorbehoud is gericht binnen eenentwintig kalenderdagen na de aflevering van de goederen.
§ 3. De aansprakelijkheid van de vervoerder voor schade veroorzaakt door vertraging, met uitzondering van schade aan of verlies van de goederen, is beperkt tot tweeëneenhalf maal de vracht verschuldigd voor de met vertraging afgeleverde goederen.
Ingeval de vertraging zowel verlies van of schade aan de goederen als andere schade heeft veroorzaakt, mag de totale schadevergoeding deze voor totaal verlies van de goederen, berekend overeenkomstig [1 artikel 2.6.2.6, § 5]1, niet overtreffen.
De vervoerder kan zijn aansprakelijkheid niet beperken ingeval wordt bewezen dat het verlies of de schade het gevolg is van een handelen of een nalaten van de vervoerder, begaan hetzij met het opzet de schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat er waarschijnlijk schade uit zou voortvloeien.
Art. 2.6.2.30. Retard
§ 1er. Le transporteur est responsable en cas de retard. [2 ...]2
§ 2. L'action en dommages-intérêts pour retard tombe si aucune réserve écrite n'a été adressée au transporteur dans un délai de vingt et un jours civils à compter de la livraison des marchandises.
§ 3. La responsabilité du transporteur pour des dommages provoqués en raison d'un retard, à l'exception de la perte ou des dommages survenus aux marchandises, est limitée à deux fois et demie le fret payable pour les marchandises ayant subi le retard.
Si le retard a causé tant la perte ou l'endommagement des marchandises qu'un autre préjudice, l'indemnisation totale ne peut pas excéder celle pour la perte totale des marchandises, calculée conformément [1 à l'article 2.6.2.6, § 5]1.
Le transporteur ne peut pas limiter sa responsabilité s'il est prouvé que la perte ou le dommage résulte d'un acte ou d'une omission du transporteur, ayant eu lieu soit dans l'intention de provoquer le préjudice, soit témérairement et avec conscience que ce préjudice en résulterait probablement.
§ 1er. Le transporteur est responsable en cas de retard. [2 ...]2
§ 2. L'action en dommages-intérêts pour retard tombe si aucune réserve écrite n'a été adressée au transporteur dans un délai de vingt et un jours civils à compter de la livraison des marchandises.
§ 3. La responsabilité du transporteur pour des dommages provoqués en raison d'un retard, à l'exception de la perte ou des dommages survenus aux marchandises, est limitée à deux fois et demie le fret payable pour les marchandises ayant subi le retard.
Si le retard a causé tant la perte ou l'endommagement des marchandises qu'un autre préjudice, l'indemnisation totale ne peut pas excéder celle pour la perte totale des marchandises, calculée conformément [1 à l'article 2.6.2.6, § 5]1.
Le transporteur ne peut pas limiter sa responsabilité s'il est prouvé que la perte ou le dommage résulte d'un acte ou d'une omission du transporteur, ayant eu lieu soit dans l'intention de provoquer le préjudice, soit témérairement et avec conscience que ce préjudice en résulterait probablement.
Art. 2.6.2.31. Niet afgehaalde goederen
§ 1. Ingeval de bestemmeling de goederen niet afhaalt kan de vervoerder machtiging vragen om de goederen te verkopen.
§ 2. De vervoerder dient hiertoe vooraf de afzender, de bestemmeling en in voorkomend geval de partij aan wie hij volgens de vervoerovereenkomst een aankomstbericht moet zenden, bij aangetekende zending in gebreke te stellen om de goederen binnen een termijn van één maand af te halen. Deze ingebrekestelling dient uitdrukkelijk te vermelden dat, indien hieraan geen gevolg wordt gegeven, zal worden overgegaan tot verkoop van de goederen overeenkomstig dit artikel .
Ingeval de identiteit of de woonplaats van één of meer van voornoemde personen ondanks redelijke inspanningen niet kan worden achterhaald, of indien deze ingebrekestelling gelet op de omstandigheden van het geval nutteloos zou zijn, kan deze ingebrekestelling achterwege worden gelaten.
De ingebrekestelling kan ten vroegste worden verstuurd twee maanden na de lossing van de goederen uit het schip, tenzij bijzondere omstandigheden een kortere termijn rechtvaardigen.
§ 3. Ingeval de in paragraaf 2 bedoelde ingebrekestelling zonder gevolg blijft, richt de vervoerder een verzoekschrift aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank. Onverminderd artikel 1026 van het Gerechtelijk Wetboek, vermeldt het verzoekschrift :
1° de feiten;
2° een omschrijving van de goederen;
3° desgevallend de bedragen die aan de vervrachter verschuldigd blijven;
4° ingeval de in paragraaf 2 bedoelde ingebrekestelling achterwege werd gelaten, de redenen waarom dit gebeurd is;
5° ingeval de in paragraaf 2 bedoelde wachttermijn niet werd toegepast, de redenen die een kortere termijn rechtvaardigen;
6° de wijze waarop wordt voorgesteld tot verkoop over te gaan.
§ 4. Op het verzoekschrift wordt eerst beslist drie dagen nadat het bij gerechtsbrief ter kennis is gebracht van de partijen aan wie de ingebrekestelling bedoeld in paragraaf 2 werd gericht, met verzoek om binnen die termijn hun opmerkingen aan de voorzitter te doen toekomen.
§ 5. Indien de voorzitter het verzoek gegrond verklaart, bepaalt hij het bedrag van de schuldvordering van de vervoerder en de wijze waarop tot verkoop zal worden overgegaan. Indien redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de opbrengst van de verkoop lager zal liggen dan het bedrag van de schuldvordering van de vervoerder, kan de voorzitter, op verzoek van de vervoerder, bepalen dat de goederen in eigendom aan de vervoerder zullen overgaan en dat diens schuldvordering daardoor, ten belope van de door de voorzitter bepaalde waarde van de goederen, vervalt.
§ 6. De beschikking wordt bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de partijen aan wie de ingebrekestelling bedoeld in paragraaf 2 werd gericht.
Onder voorbehoud van paragraaf 7 is de beschikking tot verkoop uitvoerbaar na het verstrijken van een termijn van tien dagen vanaf de kennisgeving. Derdenverzet tegen deze beschikking dient op straffe van verval te worden ingesteld binnen een termijn van tien dagen vanaf de kennisgeving.
§ 7. Indien één of meer van de in paragraaf 2 bedoelde ingebrekestellingen achterwege werd gelaten, dient de beschikking te worden bekendgemaakt :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
De beschikking tot verkoop is in dit geval slechts uitvoerbaar na het verstrijken van een termijn van één maand vanaf de laatste publicatie. Derdenverzet tegen deze beschikking dient op straffe van verval te worden ingesteld binnen een termijn van één maand vanaf deze publicatie.
§ 8. Indien de verkoop meer opbrengt dan het bedrag van de schuldvordering van de vervoerder, wordt het saldo in de Deposito- en Consignatiekas gestort. Het aldus in bewaring gegeven bedrag vervalt, in hoofdsom en interesten, van rechtswege aan de Schatkist vijf jaar na de bewaargeving, tenzij dat bedrag binnen die termijn door een rechthebbende, zijn vertegenwoordigers, zijn rechtsopvolgers of zijn schuldeisers is opgevorderd.
§ 9. Indien de verkoop onvoldoende opbrengt om de schuldvordering van de vervoerder te dekken, behoudt deze voor het saldo alle rechten waarover hij krachtens de overeenkomst of de wet beschikt.
§ 10. De vervoerder die overeenkomstig de bepalingen van dit artikel is overgegaan tot verkoop van de goederen is bevrijd ten opzichte van de rechthebbenden op de lading, die enkel nog rechten kunnen laten gelden op het saldo van de verkoopopbrengst.
[1 § 11. De termijnen in dit artikel kunnen verkort worden door de voorzitter van de ondernemingsrechtbank indien het bederfbare goederen betreft.]1
§ 1. Ingeval de bestemmeling de goederen niet afhaalt kan de vervoerder machtiging vragen om de goederen te verkopen.
§ 2. De vervoerder dient hiertoe vooraf de afzender, de bestemmeling en in voorkomend geval de partij aan wie hij volgens de vervoerovereenkomst een aankomstbericht moet zenden, bij aangetekende zending in gebreke te stellen om de goederen binnen een termijn van één maand af te halen. Deze ingebrekestelling dient uitdrukkelijk te vermelden dat, indien hieraan geen gevolg wordt gegeven, zal worden overgegaan tot verkoop van de goederen overeenkomstig dit artikel .
Ingeval de identiteit of de woonplaats van één of meer van voornoemde personen ondanks redelijke inspanningen niet kan worden achterhaald, of indien deze ingebrekestelling gelet op de omstandigheden van het geval nutteloos zou zijn, kan deze ingebrekestelling achterwege worden gelaten.
De ingebrekestelling kan ten vroegste worden verstuurd twee maanden na de lossing van de goederen uit het schip, tenzij bijzondere omstandigheden een kortere termijn rechtvaardigen.
§ 3. Ingeval de in paragraaf 2 bedoelde ingebrekestelling zonder gevolg blijft, richt de vervoerder een verzoekschrift aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank. Onverminderd artikel 1026 van het Gerechtelijk Wetboek, vermeldt het verzoekschrift :
1° de feiten;
2° een omschrijving van de goederen;
3° desgevallend de bedragen die aan de vervrachter verschuldigd blijven;
4° ingeval de in paragraaf 2 bedoelde ingebrekestelling achterwege werd gelaten, de redenen waarom dit gebeurd is;
5° ingeval de in paragraaf 2 bedoelde wachttermijn niet werd toegepast, de redenen die een kortere termijn rechtvaardigen;
6° de wijze waarop wordt voorgesteld tot verkoop over te gaan.
§ 4. Op het verzoekschrift wordt eerst beslist drie dagen nadat het bij gerechtsbrief ter kennis is gebracht van de partijen aan wie de ingebrekestelling bedoeld in paragraaf 2 werd gericht, met verzoek om binnen die termijn hun opmerkingen aan de voorzitter te doen toekomen.
§ 5. Indien de voorzitter het verzoek gegrond verklaart, bepaalt hij het bedrag van de schuldvordering van de vervoerder en de wijze waarop tot verkoop zal worden overgegaan. Indien redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de opbrengst van de verkoop lager zal liggen dan het bedrag van de schuldvordering van de vervoerder, kan de voorzitter, op verzoek van de vervoerder, bepalen dat de goederen in eigendom aan de vervoerder zullen overgaan en dat diens schuldvordering daardoor, ten belope van de door de voorzitter bepaalde waarde van de goederen, vervalt.
§ 6. De beschikking wordt bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de partijen aan wie de ingebrekestelling bedoeld in paragraaf 2 werd gericht.
Onder voorbehoud van paragraaf 7 is de beschikking tot verkoop uitvoerbaar na het verstrijken van een termijn van tien dagen vanaf de kennisgeving. Derdenverzet tegen deze beschikking dient op straffe van verval te worden ingesteld binnen een termijn van tien dagen vanaf de kennisgeving.
§ 7. Indien één of meer van de in paragraaf 2 bedoelde ingebrekestellingen achterwege werd gelaten, dient de beschikking te worden bekendgemaakt :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
De beschikking tot verkoop is in dit geval slechts uitvoerbaar na het verstrijken van een termijn van één maand vanaf de laatste publicatie. Derdenverzet tegen deze beschikking dient op straffe van verval te worden ingesteld binnen een termijn van één maand vanaf deze publicatie.
§ 8. Indien de verkoop meer opbrengt dan het bedrag van de schuldvordering van de vervoerder, wordt het saldo in de Deposito- en Consignatiekas gestort. Het aldus in bewaring gegeven bedrag vervalt, in hoofdsom en interesten, van rechtswege aan de Schatkist vijf jaar na de bewaargeving, tenzij dat bedrag binnen die termijn door een rechthebbende, zijn vertegenwoordigers, zijn rechtsopvolgers of zijn schuldeisers is opgevorderd.
§ 9. Indien de verkoop onvoldoende opbrengt om de schuldvordering van de vervoerder te dekken, behoudt deze voor het saldo alle rechten waarover hij krachtens de overeenkomst of de wet beschikt.
§ 10. De vervoerder die overeenkomstig de bepalingen van dit artikel is overgegaan tot verkoop van de goederen is bevrijd ten opzichte van de rechthebbenden op de lading, die enkel nog rechten kunnen laten gelden op het saldo van de verkoopopbrengst.
[1 § 11. De termijnen in dit artikel kunnen verkort worden door de voorzitter van de ondernemingsrechtbank indien het bederfbare goederen betreft.]1
Art. 2.6.2.31. Marchandises non enlevées
§ 1er. Si le destinataire n'enlève pas les marchandises, le transporteur peut demander autorisation de les vendre.
§ 2. A cet effet, le transporteur doit préalablement mettre en demeure le chargeur, le destinataire et, le cas échéant, la partie à qui il doit ensuite, selon le contrat de transport, envoyer un avis d'arrivée par courrier recommandé afin qu'ils enlèvent les marchandises dans un délai d'un mois. Cette mise en demeure doit expressément mentionner que, s'il n'y est pas donné suite, il sera procédé à la vente des marchandises conformément au présent article.
Si l'identité ou le domicile d'une ou de plusieurs des personnes susmentionnées ne peut pas être établi malgré des efforts raisonnables ou si, du fait des circonstances du cas, cette mise en demeure s'avérait inutile, la mise en demeure peut ne pas être adressée.
La mise en demeure peut être envoyée au plus tôt deux mois après le déchargement des marchandises du navire, à moins que des circonstances particulières ne justifient un délai plus court.
§ 3. Si la mise en demeure visée au paragraphe 2 reste sans suite, le transporteur adresse une requête au président du tribunal de l'entreprise. Sans préjudice de l'article 1026 du Code judiciaire, la requête mentionne :
1° les faits;
2° une description des marchandises;
3° le cas échéant, les montants restant dus au fréteur;
4° si la mise en demeure visée au paragraphe 2 n'a pas été adressée, les raisons pour lesquelles il en est ainsi;
5° si le délai d'attente visé au paragraphe 2 n'a pas été appliqué, les motifs justifiant un délai plus court;
6° la façon dont il est proposé de procéder à la vente.
§ 4. Il ne sera statué sur cette requête que trois jours après qu'elle aura été notifiée par pli judiciaire aux parties à qui la mise en demeure visée au paragraphe 2 a été adressée, avec invitation de faire parvenir dans ce délai leurs remarques au président.
§ 5. Si le président déclare la requête fondée, il fixe le montant de la créance du transporteur et la façon dont il sera procédé à la vente. S'il peut raisonnablement être admis que la recette de la vente sera inférieure au montant de la créance, le président peut, à la demande du transporteur, déterminer que les marchandises seront cédées en propriété au transporteur et que, de ce fait, sa créance tombe à concurrence de la valeur fixée des marchandises par le président.
§ 6. L'ordonnance sera portée par pli judiciaire à la connaissance des parties à qui la mise en demeure visée au paragraphe 2 a été adressée.
Sous réserve du paragraphe 7, l'ordonnance de vente est exécutable après expiration d'un délai de dix jours à compter de la notification. Une tierce opposition contre cette ordonnance doit, à peine de déchéance, être introduite dans un délai de dix jours à compter de la notification.
§ 7. Si une ou plusieurs des mises en demeure visées au paragraphe 2 n'ont pas été adressées, l'ordonnance doit être publiée :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
L'ordonnance de vente n'est exécutable qu'après expiration d'un délai d'un mois à compter de la dernière publication. Une tierce opposition contre cette ordonnance doit, à peine de déchéance, être introduite dans un délai d'un mois à compter de cette publication.
§ 8. Si la vente rapporte plus que le montant de la créance du transporteur, le solde sera versé dans la Caisse de Dépôt et de Consignation. Le montant ainsi donné en dépôt revient, en principal et en intérêts, de plein droit, au Trésor public cinq ans après le dépôt, à moins que ce montant n'ait été réclamé dans ces délais par un ayant droit, ses représentants, ses ayants-cause ou ses créanciers.
§ 9. Si la vente ne rapporte pas suffisamment pour couvrir la créance du transporteur, celui-ci conserve, pour le solde, tous les droits dont il dispose en vertu du contrat ou de la loi.
§ 10. Le transporteur qui, conformément aux dispositions du présent article, procède à la vente des marchandises est libéré vis-à-vis des ayants droit à la cargaison qui peuvent encore uniquement faire valoir des droits sur le solde de la recette de la vente.
[1 § 11. Le président du tribunal de l'entreprise peut écourter les délais prévus au présent article s'il s'agit de marchandises périssables.]1
§ 1er. Si le destinataire n'enlève pas les marchandises, le transporteur peut demander autorisation de les vendre.
§ 2. A cet effet, le transporteur doit préalablement mettre en demeure le chargeur, le destinataire et, le cas échéant, la partie à qui il doit ensuite, selon le contrat de transport, envoyer un avis d'arrivée par courrier recommandé afin qu'ils enlèvent les marchandises dans un délai d'un mois. Cette mise en demeure doit expressément mentionner que, s'il n'y est pas donné suite, il sera procédé à la vente des marchandises conformément au présent article.
Si l'identité ou le domicile d'une ou de plusieurs des personnes susmentionnées ne peut pas être établi malgré des efforts raisonnables ou si, du fait des circonstances du cas, cette mise en demeure s'avérait inutile, la mise en demeure peut ne pas être adressée.
La mise en demeure peut être envoyée au plus tôt deux mois après le déchargement des marchandises du navire, à moins que des circonstances particulières ne justifient un délai plus court.
§ 3. Si la mise en demeure visée au paragraphe 2 reste sans suite, le transporteur adresse une requête au président du tribunal de l'entreprise. Sans préjudice de l'article 1026 du Code judiciaire, la requête mentionne :
1° les faits;
2° une description des marchandises;
3° le cas échéant, les montants restant dus au fréteur;
4° si la mise en demeure visée au paragraphe 2 n'a pas été adressée, les raisons pour lesquelles il en est ainsi;
5° si le délai d'attente visé au paragraphe 2 n'a pas été appliqué, les motifs justifiant un délai plus court;
6° la façon dont il est proposé de procéder à la vente.
§ 4. Il ne sera statué sur cette requête que trois jours après qu'elle aura été notifiée par pli judiciaire aux parties à qui la mise en demeure visée au paragraphe 2 a été adressée, avec invitation de faire parvenir dans ce délai leurs remarques au président.
§ 5. Si le président déclare la requête fondée, il fixe le montant de la créance du transporteur et la façon dont il sera procédé à la vente. S'il peut raisonnablement être admis que la recette de la vente sera inférieure au montant de la créance, le président peut, à la demande du transporteur, déterminer que les marchandises seront cédées en propriété au transporteur et que, de ce fait, sa créance tombe à concurrence de la valeur fixée des marchandises par le président.
§ 6. L'ordonnance sera portée par pli judiciaire à la connaissance des parties à qui la mise en demeure visée au paragraphe 2 a été adressée.
Sous réserve du paragraphe 7, l'ordonnance de vente est exécutable après expiration d'un délai de dix jours à compter de la notification. Une tierce opposition contre cette ordonnance doit, à peine de déchéance, être introduite dans un délai de dix jours à compter de la notification.
§ 7. Si une ou plusieurs des mises en demeure visées au paragraphe 2 n'ont pas été adressées, l'ordonnance doit être publiée :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
L'ordonnance de vente n'est exécutable qu'après expiration d'un délai d'un mois à compter de la dernière publication. Une tierce opposition contre cette ordonnance doit, à peine de déchéance, être introduite dans un délai d'un mois à compter de cette publication.
§ 8. Si la vente rapporte plus que le montant de la créance du transporteur, le solde sera versé dans la Caisse de Dépôt et de Consignation. Le montant ainsi donné en dépôt revient, en principal et en intérêts, de plein droit, au Trésor public cinq ans après le dépôt, à moins que ce montant n'ait été réclamé dans ces délais par un ayant droit, ses représentants, ses ayants-cause ou ses créanciers.
§ 9. Si la vente ne rapporte pas suffisamment pour couvrir la créance du transporteur, celui-ci conserve, pour le solde, tous les droits dont il dispose en vertu du contrat ou de la loi.
§ 10. Le transporteur qui, conformément aux dispositions du présent article, procède à la vente des marchandises est libéré vis-à-vis des ayants droit à la cargaison qui peuvent encore uniquement faire valoir des droits sur le solde de la recette de la vente.
[1 § 11. Le président du tribunal de l'entreprise peut écourter les délais prévus au présent article s'il s'agit de marchandises périssables.]1
Wijzigingen
Art. 2.6.2.32. Vorderingsrecht
De rechtsvordering tot vergoeding van verlies of beschadiging van de vervoerde goederen of van vertraging kan uitsluitend worden ingesteld door de afzender en [1 de houder van het vervoersdocument bedoeld in artikel 2.6.2.25]1.
[1 de houder van het vervoersdocument bedoeld in artikel 2.6.2.25]1 moet niet bewijzen dat hij de schade heeft geleden.
De afzender moet wel bewijzen dat hij de schade heeft geleden, tenzij [1 de houder van het vervoersdocument bedoeld in artikel 2.6.2.25]1 geen schadevergoeding heeft gevorderd.
Indien beiden recht op schadevergoeding hebben, is betaling aan de ene bevrijdend ten opzichte van de andere.
Elke daad die de verjaring schorst of stuit ten aanzien van één van beiden, strekt tot voordeel van de andere.
De rechtsvordering tot vergoeding van verlies of beschadiging van de vervoerde goederen of van vertraging kan uitsluitend worden ingesteld door de afzender en [1 de houder van het vervoersdocument bedoeld in artikel 2.6.2.25]1.
[1 de houder van het vervoersdocument bedoeld in artikel 2.6.2.25]1 moet niet bewijzen dat hij de schade heeft geleden.
De afzender moet wel bewijzen dat hij de schade heeft geleden, tenzij [1 de houder van het vervoersdocument bedoeld in artikel 2.6.2.25]1 geen schadevergoeding heeft gevorderd.
Indien beiden recht op schadevergoeding hebben, is betaling aan de ene bevrijdend ten opzichte van de andere.
Elke daad die de verjaring schorst of stuit ten aanzien van één van beiden, strekt tot voordeel van de andere.
Art. 2.6.2.32. Droit d'action
L'action en dommages-intérêts de la perte ou de dommages subis par les marchandises transportées ou d'un retard peut uniquement être intentée par le chargeur et [1 le titulaire du document de transport visé à l'article 2.6.2.25]1.
[1 le titulaire du document de transport visé à l'article 2.6.2.25]1 ne doit pas prouver qu'il a subi le préjudice.
Le chargeur doit toutefois prouver qu'il a subi le préjudice, sauf si [1 le titulaire du document de transport visé à l'article 2.6.2.25]1 n'a demandé aucune indemnisation.
S'ils ont tous deux droit à des dommages-intérêts, le paiement en faveur de l'un d'entre eux est libératoire à l'égard de l'autre.
Tout acte qui suspend ou interrompt la prescription à l'égard de l'un des deux est à l'avantage de l'autre.
L'action en dommages-intérêts de la perte ou de dommages subis par les marchandises transportées ou d'un retard peut uniquement être intentée par le chargeur et [1 le titulaire du document de transport visé à l'article 2.6.2.25]1.
[1 le titulaire du document de transport visé à l'article 2.6.2.25]1 ne doit pas prouver qu'il a subi le préjudice.
Le chargeur doit toutefois prouver qu'il a subi le préjudice, sauf si [1 le titulaire du document de transport visé à l'article 2.6.2.25]1 n'a demandé aucune indemnisation.
S'ils ont tous deux droit à des dommages-intérêts, le paiement en faveur de l'un d'entre eux est libératoire à l'égard de l'autre.
Tout acte qui suspend ou interrompt la prescription à l'égard de l'un des deux est à l'avantage de l'autre.
Wijzigingen
Art. 2.6.2.33. Verjaring
§ 1. Regresvorderingen van de vervoerder kunnen worden ingesteld binnen drie maanden nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
§ 2. Vorderingen van de vervoerder tegen de afzender en de bestemmeling in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een vervoerovereenkomst verjaren door verloop van twee jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan of [1 twee jaar]1 na de beëindiging van de vervoerovereenkomst, naargelang welk tijdstip het vroegste valt.
Regresvorderingen kunnen worden ingesteld binnen drie maanden nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
§ 1. Regresvorderingen van de vervoerder kunnen worden ingesteld binnen drie maanden nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
§ 2. Vorderingen van de vervoerder tegen de afzender en de bestemmeling in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een vervoerovereenkomst verjaren door verloop van twee jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan of [1 twee jaar]1 na de beëindiging van de vervoerovereenkomst, naargelang welk tijdstip het vroegste valt.
Regresvorderingen kunnen worden ingesteld binnen drie maanden nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
Art. 2.6.2.33. Prescription
§ 1er. Les actions récursoires du transporteur peuvent être intentées dans les trois mois à dater du moment où une action en justice a été intentée à l'encontre du demandeur ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
§ 2. Les actions du transporteur à l'encontre du chargeur et du destinataire relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat de transport se prescrivent par deux ans à dater du fait donnant lieu à l'action ou [1 deux ans]1 à dater de la résiliation du contrat de transport, en fonction du moment qui tombe le plus tôt.
Les actions récursoires peuvent être intentées dans les trois mois à dater du moment où une action en justice a été intentée à l'encontre du demandeur ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
§ 1er. Les actions récursoires du transporteur peuvent être intentées dans les trois mois à dater du moment où une action en justice a été intentée à l'encontre du demandeur ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
§ 2. Les actions du transporteur à l'encontre du chargeur et du destinataire relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat de transport se prescrivent par deux ans à dater du fait donnant lieu à l'action ou [1 deux ans]1 à dater de la résiliation du contrat de transport, en fonction du moment qui tombe le plus tôt.
Les actions récursoires peuvent être intentées dans les trois mois à dater du moment où une action en justice a été intentée à l'encontre du demandeur ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Passagiersvervoer
Section 2. - Transport de passagers
Onderafdeling 1. - PAL-Verdrag
Sous-Section 1ère. - Convention PAL
Art. 2.6.2.34. Begrippen
In deze onderafdeling wordt verstaan onder :
1° "vervoerder" : een persoon door of namens welke een vervoerovereenkomst is gesloten, ongeacht de vraag of het vervoer feitelijk door deze persoon of door een feitelijke vervoerder wordt verzorgd;
2° "feitelijke vervoerder" : een andere persoon dan de vervoerder, of het nu de eigenaar, de bevrachter of de exploitant van het schip betreft, die geheel of gedeeltelijk het vervoer feitelijk verricht;
3° "vervoerder die het vervoer feitelijk geheel of gedeeltelijk verricht" : de feitelijke vervoerder, of, voor zover de vervoerder zelf het vervoer verricht, de vervoerder;
4° "passagiervervoerovereenkomst over zee" : een door of namens een vervoerder gesloten overeenkomst voor het vervoer over zee, tegen vergoeding, van een passagier of, in voorkomend geval, van een passagier en zijn bagage;
5° "passagier", in afwijking van artikel 2.1.1.3, 8° : iedere persoon vervoerd op een schip :
a) krachtens een passagiervervoerovereenkomst over zee, of
b) die met toestemming van de vervoerder een voertuig of levende dieren begeleidt, waaromtrent een niet onder het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening of deze onderafdeling vallende overeenkomst voor goederenvervoer is gesloten;
6° "bagage" : elk voorwerp of voertuig dat krachtens een passagiervervoerovereenkomst over zee door de vervoerder wordt vervoerd, met uitzondering van :
a) goederen of voertuigen vervoerd krachtens een charterpartij, een cognossement of een overeenkomst welke hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft, en
b) levende dieren;
7° "hutbagage" : de bagage die zich in de kajuit van de passagier bevindt, die in zijn bezit is of die hij onder zijn hoede of toezicht heeft. Behalve voor de toepassing van de begripsomschrijving onder 9°, artikel 2.6.2.37, § 2 en artikel 2.6.2.40, § 8, tweede lid en § 9, tweede en derde lid, omvat de hutbagage de bagage die de passagier in of op zijn voertuig heeft;
8° "verlies of beschadiging van bagage" : mede het materiële nadeel voortvloeiende uit het feit dat de bagage niet binnen een redelijke periode, te rekenen vanaf de aankomst van het schip waarop de bagage is vervoerd of had moeten worden vervoerd, aan de passagier werd afgeleverd, maar niet de vertraging voortvloeiende uit arbeidsconflicten;
9° "vervoer" : de volgende periodes :
a) wat de passagier en zijn hutbagage betreft, de periode gedurende welke de passagier en/of zijn hutbagage zich aan boord van het schip bevinden, gedurende het in- en ontschepen en de periode tijdens welke de passagier en zijn hutbagage te water worden vervoerd van de kade naar het schip of omgekeerd indien de prijs van dit vervoer begrepen is in die van het biljet of indien het schip dat voor dat bijkomend vervoer wordt gebruikt, door de vervoerder ter beschikking van de passagier werd gesteld. Het vervoer omvat wat de passagier betreft echter niet de periode tijdens welke deze zich in een zeestation of op een kade of in of op een ander havenwerk bevindt;
b) wat de hutbagage betreft, eveneens de periode tijdens welke de passagier zich in een zeestation of op een kade of in of op een ander havenwerk bevindt als deze bagage door de vervoerder of zijn aangestelde of lasthebber werd overgenomen en nog niet aan de passagier werd terugbezorgd;
c) wat andere bagage dan hutbagage betreft, de periode tussen het tijdstip waarop de vervoerder, zijn aangestelde of lasthebber de bagage te land of aan boord heeft overgenomen en het tijdstip waarop ze door de vervoerder, diens aangestelde of lasthebber werd teruggegeven;
10° "internationaal vervoer" : elk vervoer waarvan volgens de passagiervervoerovereenkomst over zee de plaats van vertrek en die van bestemming in twee verschillende Staten liggen of in één enkele Staat als er volgens de passagiervervoerovereenkomst over zee of het voorziene vaarplan een tussenliggende aanloophaven in een andere Staat is;
11° "Verdragsluitende Staat" : een Staat die gebonden is door het PAL-Verdrag;
12° "rekeneenheid" : het bijzonder trekkingsrecht zoals omschreven door het Internationaal Monetair Fonds.
In deze onderafdeling wordt verstaan onder :
1° "vervoerder" : een persoon door of namens welke een vervoerovereenkomst is gesloten, ongeacht de vraag of het vervoer feitelijk door deze persoon of door een feitelijke vervoerder wordt verzorgd;
2° "feitelijke vervoerder" : een andere persoon dan de vervoerder, of het nu de eigenaar, de bevrachter of de exploitant van het schip betreft, die geheel of gedeeltelijk het vervoer feitelijk verricht;
3° "vervoerder die het vervoer feitelijk geheel of gedeeltelijk verricht" : de feitelijke vervoerder, of, voor zover de vervoerder zelf het vervoer verricht, de vervoerder;
4° "passagiervervoerovereenkomst over zee" : een door of namens een vervoerder gesloten overeenkomst voor het vervoer over zee, tegen vergoeding, van een passagier of, in voorkomend geval, van een passagier en zijn bagage;
5° "passagier", in afwijking van artikel 2.1.1.3, 8° : iedere persoon vervoerd op een schip :
a) krachtens een passagiervervoerovereenkomst over zee, of
b) die met toestemming van de vervoerder een voertuig of levende dieren begeleidt, waaromtrent een niet onder het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening of deze onderafdeling vallende overeenkomst voor goederenvervoer is gesloten;
6° "bagage" : elk voorwerp of voertuig dat krachtens een passagiervervoerovereenkomst over zee door de vervoerder wordt vervoerd, met uitzondering van :
a) goederen of voertuigen vervoerd krachtens een charterpartij, een cognossement of een overeenkomst welke hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft, en
b) levende dieren;
7° "hutbagage" : de bagage die zich in de kajuit van de passagier bevindt, die in zijn bezit is of die hij onder zijn hoede of toezicht heeft. Behalve voor de toepassing van de begripsomschrijving onder 9°, artikel 2.6.2.37, § 2 en artikel 2.6.2.40, § 8, tweede lid en § 9, tweede en derde lid, omvat de hutbagage de bagage die de passagier in of op zijn voertuig heeft;
8° "verlies of beschadiging van bagage" : mede het materiële nadeel voortvloeiende uit het feit dat de bagage niet binnen een redelijke periode, te rekenen vanaf de aankomst van het schip waarop de bagage is vervoerd of had moeten worden vervoerd, aan de passagier werd afgeleverd, maar niet de vertraging voortvloeiende uit arbeidsconflicten;
9° "vervoer" : de volgende periodes :
a) wat de passagier en zijn hutbagage betreft, de periode gedurende welke de passagier en/of zijn hutbagage zich aan boord van het schip bevinden, gedurende het in- en ontschepen en de periode tijdens welke de passagier en zijn hutbagage te water worden vervoerd van de kade naar het schip of omgekeerd indien de prijs van dit vervoer begrepen is in die van het biljet of indien het schip dat voor dat bijkomend vervoer wordt gebruikt, door de vervoerder ter beschikking van de passagier werd gesteld. Het vervoer omvat wat de passagier betreft echter niet de periode tijdens welke deze zich in een zeestation of op een kade of in of op een ander havenwerk bevindt;
b) wat de hutbagage betreft, eveneens de periode tijdens welke de passagier zich in een zeestation of op een kade of in of op een ander havenwerk bevindt als deze bagage door de vervoerder of zijn aangestelde of lasthebber werd overgenomen en nog niet aan de passagier werd terugbezorgd;
c) wat andere bagage dan hutbagage betreft, de periode tussen het tijdstip waarop de vervoerder, zijn aangestelde of lasthebber de bagage te land of aan boord heeft overgenomen en het tijdstip waarop ze door de vervoerder, diens aangestelde of lasthebber werd teruggegeven;
10° "internationaal vervoer" : elk vervoer waarvan volgens de passagiervervoerovereenkomst over zee de plaats van vertrek en die van bestemming in twee verschillende Staten liggen of in één enkele Staat als er volgens de passagiervervoerovereenkomst over zee of het voorziene vaarplan een tussenliggende aanloophaven in een andere Staat is;
11° "Verdragsluitende Staat" : een Staat die gebonden is door het PAL-Verdrag;
12° "rekeneenheid" : het bijzonder trekkingsrecht zoals omschreven door het Internationaal Monetair Fonds.
Art. 2.6.2.34. Notions
Dans la présente sous-section, l'on entend par :
1° " transporteur " : une personne par qui ou pour le compte de qui un contrat de transport a été conclu, que le transport soit effectivement assuré par cette personne ou un transporteur substitué;
2° " transporteur substitué " : une personne autre que le transporteur, que ce soit le propriétaire, l'affréteur ou l'exploitant d'un navire, qui assure effectivement la totalité ou une partie du transport;
3° " transporteur qui assure effectivement la totalité ou une partie du transport " : le transporteur substitué, ou le transporteur dans la mesure où ce dernier assure effectivement le transport;
4° " contrat de transport de passagers par mer " : un contrat conclu par un transporteur ou pour son compte pour le transport par mer d'un passager ou, le cas échéant, d'un passager et de ses bagages moyennant rémunération;
5° " passager ", par dérogation à l'article 2.1.1.3, 8° : toute personne transportée sur un navire :
a) en vertu d'un contrat de transport de passagers par mer, ou
b) qui, avec le consentement du transporteur, accompagne un véhicule ou des animaux vivants faisant l'objet d'un contrat de transport de marchandises non régi par la Convention PAL, le Règlement PAL ou la présente sous-section;
6° " bagages " : tout objet ou véhicule transporté par le transporteur en vertu d'un contrat de transport de passagers par mer, à l'exception :
a) des biens ou des véhicules transportés en vertu d'un contrat d'affrètement, d'un connaissement ou d'un contrat concernant à titre principal le transport de marchandises, et
b) des animaux vivants;
7° " bagages de cabine " : les bagages que le passager a dans sa cabine ou qu'il a en sa possession, sous sa garde ou son contrôle. Sauf pour l'application de la définition au point 9° de l'article 2.6.2.37, § 2, et de l'article 2.6.2.40, § 8, alinéa 2 et § 9, alinéas 2 et 3, les bagages de cabine comprennent les bagages que le passager a dans son véhicule ou sur celui-ci;
8° " perte ou dommages survenus aux bagages " : également le préjudice matériel provenant de ce que les bagages n'ont pas été rendus au passager dans un délai raisonnable à compter du moment de l'arrivée du navire sur lequel les bagages ont été transportés ou auraient dû l'être, mais pas les retards découlant de conflits du travail;
9° " transport " : les périodes suivantes :
a) en ce qui concerne le passager et/ou ses bagages de cabine, la période pendant laquelle le passager et ses bagages de cabine se trouvent à bord du navire ou en cours d'embarquement ou de débarquement, et la période pendant laquelle ceux-ci sont transportés par eau du quai au navire ou vice-versa, si le prix de ce transport est compris dans celui du billet ou si le navire utilisé pour ce transport accessoire a été mis à la disposition du passager par le transporteur. Toutefois, le transport ne comprend pas, en ce qui concerne le passager, la période pendant laquelle il se trouve dans une gare maritime, ou sur un quai ou autre installation portuaire;
b) en ce qui concerne les bagages de cabine, également la période pendant laquelle le passager se trouve dans une gare maritime ou sur un quai ou autre installation portuaire si ces bagages ont été pris en charge par le transporteur ou son préposé ou mandataire et n'ont pas encore été rendus au passager;
c) en ce qui concerne les autres bagages qui ne sont pas des bagages de cabine, la période comprise entre le moment où ils ont été pris en charge par le transporteur ou son préposé ou mandataire, à terre ou à bord, et le moment où ils ont été rendus par le transporteur, son préposé ou son mandataire;
10° " transport international " : tout transport dont le lieu de départ et le lieu de destination sont, selon le contrat de transport de passagers par mer, situés dans deux Etats différents ou dans un seul Etat si, selon le contrat de transport de passagers par mer ou l'itinéraire prévu, il y a un port d'escale intermédiaire dans un autre Etat;
11° " Etat Partie à la Convention " : un Etat qui est lié par la Convention PAL;
12° " unité de compte " : le droit de tirage spécial tel que défini par le Fonds monétaire international.
Dans la présente sous-section, l'on entend par :
1° " transporteur " : une personne par qui ou pour le compte de qui un contrat de transport a été conclu, que le transport soit effectivement assuré par cette personne ou un transporteur substitué;
2° " transporteur substitué " : une personne autre que le transporteur, que ce soit le propriétaire, l'affréteur ou l'exploitant d'un navire, qui assure effectivement la totalité ou une partie du transport;
3° " transporteur qui assure effectivement la totalité ou une partie du transport " : le transporteur substitué, ou le transporteur dans la mesure où ce dernier assure effectivement le transport;
4° " contrat de transport de passagers par mer " : un contrat conclu par un transporteur ou pour son compte pour le transport par mer d'un passager ou, le cas échéant, d'un passager et de ses bagages moyennant rémunération;
5° " passager ", par dérogation à l'article 2.1.1.3, 8° : toute personne transportée sur un navire :
a) en vertu d'un contrat de transport de passagers par mer, ou
b) qui, avec le consentement du transporteur, accompagne un véhicule ou des animaux vivants faisant l'objet d'un contrat de transport de marchandises non régi par la Convention PAL, le Règlement PAL ou la présente sous-section;
6° " bagages " : tout objet ou véhicule transporté par le transporteur en vertu d'un contrat de transport de passagers par mer, à l'exception :
a) des biens ou des véhicules transportés en vertu d'un contrat d'affrètement, d'un connaissement ou d'un contrat concernant à titre principal le transport de marchandises, et
b) des animaux vivants;
7° " bagages de cabine " : les bagages que le passager a dans sa cabine ou qu'il a en sa possession, sous sa garde ou son contrôle. Sauf pour l'application de la définition au point 9° de l'article 2.6.2.37, § 2, et de l'article 2.6.2.40, § 8, alinéa 2 et § 9, alinéas 2 et 3, les bagages de cabine comprennent les bagages que le passager a dans son véhicule ou sur celui-ci;
8° " perte ou dommages survenus aux bagages " : également le préjudice matériel provenant de ce que les bagages n'ont pas été rendus au passager dans un délai raisonnable à compter du moment de l'arrivée du navire sur lequel les bagages ont été transportés ou auraient dû l'être, mais pas les retards découlant de conflits du travail;
9° " transport " : les périodes suivantes :
a) en ce qui concerne le passager et/ou ses bagages de cabine, la période pendant laquelle le passager et ses bagages de cabine se trouvent à bord du navire ou en cours d'embarquement ou de débarquement, et la période pendant laquelle ceux-ci sont transportés par eau du quai au navire ou vice-versa, si le prix de ce transport est compris dans celui du billet ou si le navire utilisé pour ce transport accessoire a été mis à la disposition du passager par le transporteur. Toutefois, le transport ne comprend pas, en ce qui concerne le passager, la période pendant laquelle il se trouve dans une gare maritime, ou sur un quai ou autre installation portuaire;
b) en ce qui concerne les bagages de cabine, également la période pendant laquelle le passager se trouve dans une gare maritime ou sur un quai ou autre installation portuaire si ces bagages ont été pris en charge par le transporteur ou son préposé ou mandataire et n'ont pas encore été rendus au passager;
c) en ce qui concerne les autres bagages qui ne sont pas des bagages de cabine, la période comprise entre le moment où ils ont été pris en charge par le transporteur ou son préposé ou mandataire, à terre ou à bord, et le moment où ils ont été rendus par le transporteur, son préposé ou son mandataire;
10° " transport international " : tout transport dont le lieu de départ et le lieu de destination sont, selon le contrat de transport de passagers par mer, situés dans deux Etats différents ou dans un seul Etat si, selon le contrat de transport de passagers par mer ou l'itinéraire prévu, il y a un port d'escale intermédiaire dans un autre Etat;
11° " Etat Partie à la Convention " : un Etat qui est lié par la Convention PAL;
12° " unité de compte " : le droit de tirage spécial tel que défini par le Fonds monétaire international.
Art. 2.6.2.35. Internationale en materiële toepassing
§ 1. Deze onderafdeling is van toepassing op :
1° passagiervervoerovereenkomsten over zee voor internationaal vervoer waarop noch de PAL-Verordening, noch het PAL-Verdrag van toepassing is, met inbegrip van vervoer met luchtkussenvaartuigen;
2° passagiervervoerovereenkomsten over zee voor binnenlands vervoer met een schip van Klasse C of D als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (Herschikking), met inbegrip van vervoer met luchtkussenvaartuigen.
Deze afdeling is mede van toepassing op het commercieel vervoer dat krachtens een passagiervervoerovereenkomst over zee wordt verricht door Staten of andere publiekrechtelijke rechtspersonen.
De bijlage bij het PAL-Verdrag geldt mede als bijlage bij deze onderafdeling en vormt er een integrerend deel van.
§ 2. Niettegenstaande paragraaf 1 is deze onderafdeling niet van toepassing als het vervoer onderworpen is aan een stelsel van burgerlijke aansprakelijkheid waarin is voorzien door andere bepalingen betreffende het vervoer van reizigers of bagage met een ander vervoermiddel en voor zover die bepalingen op het zeevervoer moeten worden toegepast.
§ 1. Deze onderafdeling is van toepassing op :
1° passagiervervoerovereenkomsten over zee voor internationaal vervoer waarop noch de PAL-Verordening, noch het PAL-Verdrag van toepassing is, met inbegrip van vervoer met luchtkussenvaartuigen;
2° passagiervervoerovereenkomsten over zee voor binnenlands vervoer met een schip van Klasse C of D als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (Herschikking), met inbegrip van vervoer met luchtkussenvaartuigen.
Deze afdeling is mede van toepassing op het commercieel vervoer dat krachtens een passagiervervoerovereenkomst over zee wordt verricht door Staten of andere publiekrechtelijke rechtspersonen.
De bijlage bij het PAL-Verdrag geldt mede als bijlage bij deze onderafdeling en vormt er een integrerend deel van.
§ 2. Niettegenstaande paragraaf 1 is deze onderafdeling niet van toepassing als het vervoer onderworpen is aan een stelsel van burgerlijke aansprakelijkheid waarin is voorzien door andere bepalingen betreffende het vervoer van reizigers of bagage met een ander vervoermiddel en voor zover die bepalingen op het zeevervoer moeten worden toegepast.
Art. 2.6.2.35. Application internationale et matérielle
§ 1er. La présente sous-section s'applique :
1° les contrats de transport de passagers par mer pour le transport international auxquels ni le Règlement PAL ni la Convention PAL ne s'appliquent, y compris le transport avec des aéroglisseurs;
2° les contrats de transport de passagers par mer pour le transport national avec un navire de Classe C ou D tel que visé à l'article 4 de la directive 2009/45/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 mai 2009 établissant des règles et normes de sécurité pour les navires à passagers (Refonte), y compris le transport avec des aéroglisseurs.
La présente section est également d'application sur le transport effectué à titre commercial en vertu d'un contrat de transport de passagers par mer par des Etats ou d'autres personnes morales de droit public.
L'annexe à la Convention PAL fait également office d'annexe à la présente sous-section et en fait partie intégrante.
§ 2. Nonobstant le paragraphe 1er, la présente sous-section ne s'applique pas lorsque le transport est soumis à un régime de responsabilité civile prévu par d'autres dispositions concernant le transport de passagers ou de bagages par un mode de transport différent, pour autant que ces dispositions doivent être appliquées au transport par mer.
§ 1er. La présente sous-section s'applique :
1° les contrats de transport de passagers par mer pour le transport international auxquels ni le Règlement PAL ni la Convention PAL ne s'appliquent, y compris le transport avec des aéroglisseurs;
2° les contrats de transport de passagers par mer pour le transport national avec un navire de Classe C ou D tel que visé à l'article 4 de la directive 2009/45/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 mai 2009 établissant des règles et normes de sécurité pour les navires à passagers (Refonte), y compris le transport avec des aéroglisseurs.
La présente section est également d'application sur le transport effectué à titre commercial en vertu d'un contrat de transport de passagers par mer par des Etats ou d'autres personnes morales de droit public.
L'annexe à la Convention PAL fait également office d'annexe à la présente sous-section et en fait partie intégrante.
§ 2. Nonobstant le paragraphe 1er, la présente sous-section ne s'applique pas lorsque le transport est soumis à un régime de responsabilité civile prévu par d'autres dispositions concernant le transport de passagers ou de bagages par un mode de transport différent, pour autant que ces dispositions doivent être appliquées au transport par mer.
Art. 2.6.2.36. Andere regelgeving
§ 1. Onder voorbehoud van de PAL-Verordening zijn de rechtstreeks werkende bepalingen van het PAL-Verdrag van toepassing op internationaal vervoer dat valt binnen het in artikel 2 van dat verdrag omschreven toepassingsgebied.
Het PAL-Verdrag wordt toegepast met inachtneming van de PAL-Richtsnoeren, welke als bindend moeten worden beschouwd.
§ 2. Deze afdeling geldt onder voorbehoud van :
1° de PAL-Verordening;
2° de Passagiersrechtenverordening;
3° de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens.
§ 3. Deze afdeling laat onverlet de rechten en verbintenissen van de vervoerder, de feitelijke vervoerder en hun aangestelden of lasthebbers, zoals die zijn omschreven in de internationale verdragen betreffende de beperking van aansprakelijkheid van scheepseigenaars, in het bijzonder in het LLMC-Verdrag, en hoofdstuk 2 van titel 2 van boek 3 van deel 2 van dit wetboek.
§ 4. Niemand kan overeenkomstig deze onderafdeling aansprakelijk worden gesteld voor schade voortvloeiend uit een nucleair ongeval :
1° ingeval de exploitant van een nucleaire installatie aansprakelijk is voor dergelijke schade, hetzij krachtens het Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van kernenergie, opgemaakt te Parijs op 29 juli 1960 en goedgekeurd bij de wet van 1 augustus 1966, hetzij krachtens het Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade, opgemaakt te Wenen op 21 mei 1963, dan wel krachtens enige van kracht zijnde wijziging hiervan of enig van kracht zijnd protocol hierbij;
2° ingeval de exploitant van een nucleaire installatie aansprakelijk is voor dergelijke schade op grond van de wet van 22 juli 1985 betreffende de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie of krachtens een nationale wetgeving betreffende de aansprakelijkheid voor dergelijke schade, op voorwaarde dat die wetgeving ten opzichte van de personen die dergelijke schade kunnen ondergaan, in elk opzicht even gunstig is als de onder 1° bedoelde verdragen, dan wel krachtens enige van kracht zijnde wijziging daarvan of enig van kracht zijnd protocol daarbij.
§ 1. Onder voorbehoud van de PAL-Verordening zijn de rechtstreeks werkende bepalingen van het PAL-Verdrag van toepassing op internationaal vervoer dat valt binnen het in artikel 2 van dat verdrag omschreven toepassingsgebied.
Het PAL-Verdrag wordt toegepast met inachtneming van de PAL-Richtsnoeren, welke als bindend moeten worden beschouwd.
§ 2. Deze afdeling geldt onder voorbehoud van :
1° de PAL-Verordening;
2° de Passagiersrechtenverordening;
3° de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens.
§ 3. Deze afdeling laat onverlet de rechten en verbintenissen van de vervoerder, de feitelijke vervoerder en hun aangestelden of lasthebbers, zoals die zijn omschreven in de internationale verdragen betreffende de beperking van aansprakelijkheid van scheepseigenaars, in het bijzonder in het LLMC-Verdrag, en hoofdstuk 2 van titel 2 van boek 3 van deel 2 van dit wetboek.
§ 4. Niemand kan overeenkomstig deze onderafdeling aansprakelijk worden gesteld voor schade voortvloeiend uit een nucleair ongeval :
1° ingeval de exploitant van een nucleaire installatie aansprakelijk is voor dergelijke schade, hetzij krachtens het Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van kernenergie, opgemaakt te Parijs op 29 juli 1960 en goedgekeurd bij de wet van 1 augustus 1966, hetzij krachtens het Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade, opgemaakt te Wenen op 21 mei 1963, dan wel krachtens enige van kracht zijnde wijziging hiervan of enig van kracht zijnd protocol hierbij;
2° ingeval de exploitant van een nucleaire installatie aansprakelijk is voor dergelijke schade op grond van de wet van 22 juli 1985 betreffende de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie of krachtens een nationale wetgeving betreffende de aansprakelijkheid voor dergelijke schade, op voorwaarde dat die wetgeving ten opzichte van de personen die dergelijke schade kunnen ondergaan, in elk opzicht even gunstig is als de onder 1° bedoelde verdragen, dan wel krachtens enige van kracht zijnde wijziging daarvan of enig van kracht zijnd protocol daarbij.
Art. 2.6.2.36. Autre réglementation
§ 1er. Sous réserve du Règlement PAL, les dispositions directement applicables de la Convention PAL s'appliquent au transport international qui relève du champ d'application décrit à l'article 2 de cette convention.
La Convention PAL est appliquée dans le respect des Lignes directrices PAL, qui doivent être considérées comme contraignantes.
§ 2. La présente section s'applique sous réserve :
1° du Règlement PAL;
2° du Règlement concernant les droits des passagers;
3° la loi du 25 décembre 2016 relative au traitement des données des passagers.
§ 3. La présente section ne modifie en rien les droits et obligations du transporteur, du transporteur substitué et de leurs préposés ou mandataires tels qu'ils résultent des conventions internationales sur la limitation de la responsabilité des propriétaires de navires de mer, en particulier de la Convention LLMC et du chapitre 2 du titre 2 du livre 3 de la Partie 2 présent code.
§ 4. Nul ne peut être tenu pour responsable d'un dommage causé par un accident nucléaire en vertu de la présente sous-section :
1° si l'exploitant d'une installation nucléaire est responsable de ce dommage en vertu de la Convention sur la responsabilité civile dans le domaine de l'énergie nucléaire, faite à Paris le 29 juillet 1960 et approuvée par la loi du 1er août 1966, ou en vertu de la Convention relative à la responsabilité civile en matière de dommages nucléaires, faite à Vienne le 21 mai 1963, ou en vertu de tout amendement ou protocole s'y rapportant qui est en vigueur;
2° si l'exploitant d'une installation nucléaire est responsable de ce dommage en vertu de la loi du 22 juillet 1985 sur la responsabilité civile dans le domaine de l'énergie nucléaire ou en vertu d'une législation nationale régissant la responsabilité du chef de tels dommages, à condition que cette législation soit à tous égards aussi favorable aux personnes susceptibles de subir des dommages que les conventions visées au point 1°, ou que tout amendement ou protocole s'y rapportant qui est en vigueur.
§ 1er. Sous réserve du Règlement PAL, les dispositions directement applicables de la Convention PAL s'appliquent au transport international qui relève du champ d'application décrit à l'article 2 de cette convention.
La Convention PAL est appliquée dans le respect des Lignes directrices PAL, qui doivent être considérées comme contraignantes.
§ 2. La présente section s'applique sous réserve :
1° du Règlement PAL;
2° du Règlement concernant les droits des passagers;
3° la loi du 25 décembre 2016 relative au traitement des données des passagers.
§ 3. La présente section ne modifie en rien les droits et obligations du transporteur, du transporteur substitué et de leurs préposés ou mandataires tels qu'ils résultent des conventions internationales sur la limitation de la responsabilité des propriétaires de navires de mer, en particulier de la Convention LLMC et du chapitre 2 du titre 2 du livre 3 de la Partie 2 présent code.
§ 4. Nul ne peut être tenu pour responsable d'un dommage causé par un accident nucléaire en vertu de la présente sous-section :
1° si l'exploitant d'une installation nucléaire est responsable de ce dommage en vertu de la Convention sur la responsabilité civile dans le domaine de l'énergie nucléaire, faite à Paris le 29 juillet 1960 et approuvée par la loi du 1er août 1966, ou en vertu de la Convention relative à la responsabilité civile en matière de dommages nucléaires, faite à Vienne le 21 mai 1963, ou en vertu de tout amendement ou protocole s'y rapportant qui est en vigueur;
2° si l'exploitant d'une installation nucléaire est responsable de ce dommage en vertu de la loi du 22 juillet 1985 sur la responsabilité civile dans le domaine de l'énergie nucléaire ou en vertu d'une législation nationale régissant la responsabilité du chef de tels dommages, à condition que cette législation soit à tous égards aussi favorable aux personnes susceptibles de subir des dommages que les conventions visées au point 1°, ou que tout amendement ou protocole s'y rapportant qui est en vigueur.
Art. 2.6.2.37. Afwijkende bedingen
§ 1. Elk contractueel beding dat is overeengekomen vóór het voorval dat het overlijden of persoonlijk letsel van de passagier, dan wel verlies of beschadiging van zijn bagage heeft veroorzaakt en dat de vervoerder van zijn aansprakelijkheid uit hoofde van deze onderafdeling ten opzichte van de passagier ontheft of voorziet in een lagere aansprakelijkheidsgrens dan in deze afdeling is bepaald, tenzij als bepaald in paragraaf 2 of de bewijslast die op de vervoerder of feitelijke vervoerder rust, omkeert, dan wel tot gevolg heeft dat de keuze van de rechtbank waar de vordering wordt ingesteld, wordt beperkt, is nietig. De nietigheid van het beding leidt evenwel niet tot de nietigheid van de passagiervervoerovereenkomst over zee, welke aan de bepalingen van deze onderafdeling onderworpen blijft.
§ 2. Een vervoerder en de passagier kunnen overeenkomen dat de aansprakelijkheid van de vervoerder met ten hoogste 330 rekeneenheden kan worden verminderd bij schade aan een voertuig en met ten hoogste ten hoogste 149 rekeneenheden per passagier bij verlies of beschadiging van andere bagage, waarbij dit bedrag van het geleden verlies of de geleden schade wordt afgetrokken.
§ 3. De vervoerder en de passagier kunnen uitdrukkelijk en schriftelijk hogere aansprakelijkheidsgrenzen overeenkomen dan deze bepaald bij artikel 2.6.2.40, § 5, laatste lid, § 6, § 8, tweede lid en § 9, tweede en derde lid.
§ 1. Elk contractueel beding dat is overeengekomen vóór het voorval dat het overlijden of persoonlijk letsel van de passagier, dan wel verlies of beschadiging van zijn bagage heeft veroorzaakt en dat de vervoerder van zijn aansprakelijkheid uit hoofde van deze onderafdeling ten opzichte van de passagier ontheft of voorziet in een lagere aansprakelijkheidsgrens dan in deze afdeling is bepaald, tenzij als bepaald in paragraaf 2 of de bewijslast die op de vervoerder of feitelijke vervoerder rust, omkeert, dan wel tot gevolg heeft dat de keuze van de rechtbank waar de vordering wordt ingesteld, wordt beperkt, is nietig. De nietigheid van het beding leidt evenwel niet tot de nietigheid van de passagiervervoerovereenkomst over zee, welke aan de bepalingen van deze onderafdeling onderworpen blijft.
§ 2. Een vervoerder en de passagier kunnen overeenkomen dat de aansprakelijkheid van de vervoerder met ten hoogste 330 rekeneenheden kan worden verminderd bij schade aan een voertuig en met ten hoogste ten hoogste 149 rekeneenheden per passagier bij verlies of beschadiging van andere bagage, waarbij dit bedrag van het geleden verlies of de geleden schade wordt afgetrokken.
§ 3. De vervoerder en de passagier kunnen uitdrukkelijk en schriftelijk hogere aansprakelijkheidsgrenzen overeenkomen dan deze bepaald bij artikel 2.6.2.40, § 5, laatste lid, § 6, § 8, tweede lid en § 9, tweede en derde lid.
Art. 2.6.2.37. Clauses dérogatoires
§ 1er. Toute stipulation contractuelle, conclue avant l'événement qui a causé la mort ou les lésions corporelles du passager, ou la perte ou les dommages survenus à ses bagages et tendant à exonérer toute personne responsable en vertu de la présente sous-section de sa responsabilité envers le passager ou à établir une limite de responsabilité inférieure à celle fixée par la présente section, sauf celle prévue au paragraphe 2, ou à renverser le fardeau de la preuve qui incombe au transporteur ou au transporteur substitué, ou qui aurait pour effet de restreindre le choix du tribunal devant lequel l'action est intentée, est nulle et non avenue; mais la nullité de cette stipulation n'entraîne pas la nullité du contrat de transport, qui demeure soumis aux dispositions de la présente sous-section.
§ 2. Le transporteur et le passager peuvent convenir que la responsabilité du transporteur est soumise à une franchise qui ne dépasse pas 330 unités de compte en cas de dommages causés à un véhicule et 149 unités de compte par passager en cas de perte ou de dommages survenus à d'autres bagages. Cette somme est déduite du montant de la perte ou du dommage.
§ 3. Le transporteur et le passager peuvent convenir de façon expresse et par écrit de limites de responsabilité plus élevées que celles prévues à article 2.6.2.40, § 5, dernier alinéa, § 6, § 8, alinéa 2, et § 9, alinéas 2 et 3.
§ 1er. Toute stipulation contractuelle, conclue avant l'événement qui a causé la mort ou les lésions corporelles du passager, ou la perte ou les dommages survenus à ses bagages et tendant à exonérer toute personne responsable en vertu de la présente sous-section de sa responsabilité envers le passager ou à établir une limite de responsabilité inférieure à celle fixée par la présente section, sauf celle prévue au paragraphe 2, ou à renverser le fardeau de la preuve qui incombe au transporteur ou au transporteur substitué, ou qui aurait pour effet de restreindre le choix du tribunal devant lequel l'action est intentée, est nulle et non avenue; mais la nullité de cette stipulation n'entraîne pas la nullité du contrat de transport, qui demeure soumis aux dispositions de la présente sous-section.
§ 2. Le transporteur et le passager peuvent convenir que la responsabilité du transporteur est soumise à une franchise qui ne dépasse pas 330 unités de compte en cas de dommages causés à un véhicule et 149 unités de compte par passager en cas de perte ou de dommages survenus à d'autres bagages. Cette somme est déduite du montant de la perte ou du dommage.
§ 3. Le transporteur et le passager peuvent convenir de façon expresse et par écrit de limites de responsabilité plus élevées que celles prévues à article 2.6.2.40, § 5, dernier alinéa, § 6, § 8, alinéa 2, et § 9, alinéas 2 et 3.
Art. 2.6.2.38. Informatie ten behoeve van de passagiers
De vervoerder en/of de feitelijke vervoerder moeten ervoor zorgen dat de passagiers passende en begrijpelijke informatie wordt verstrekt over hun rechten uit hoofde van deze onderafdeling.
Indien de passagiervervoerovereenkomst over zee in België is gesloten, wordt die informatie verstrekt in alle verkooppunten, met inbegrip van verkoop per telefoon of internet. Wanneer de vertrekplaats in België is gelegen, wordt die informatie voor de afvaart verstrekt. In alle andere gevallen wordt die informatie uiterlijk bij de afvaart verstrekt. Voor zover ofwel de vervoerder of de feitelijke vervoerder heeft voldaan aan de informatieverplichting van dit artikel , is de ander niet tot informatieverstrekking gehouden. De informatie wordt verstrekt in de meest geschikte vorm.
Om aan de informatieverplichting uit hoofde van dit artikel te voldoen, verstrekken de vervoerder en de feitelijke vervoerder minstens de informatie die is neergelegd in een door de Europese Commissie opgesteld en openbaar gemaakt overzicht van de bepalingen van de PAL-Verordening.
De vervoerder en/of de feitelijke vervoerder moeten ervoor zorgen dat de passagiers passende en begrijpelijke informatie wordt verstrekt over hun rechten uit hoofde van deze onderafdeling.
Indien de passagiervervoerovereenkomst over zee in België is gesloten, wordt die informatie verstrekt in alle verkooppunten, met inbegrip van verkoop per telefoon of internet. Wanneer de vertrekplaats in België is gelegen, wordt die informatie voor de afvaart verstrekt. In alle andere gevallen wordt die informatie uiterlijk bij de afvaart verstrekt. Voor zover ofwel de vervoerder of de feitelijke vervoerder heeft voldaan aan de informatieverplichting van dit artikel , is de ander niet tot informatieverstrekking gehouden. De informatie wordt verstrekt in de meest geschikte vorm.
Om aan de informatieverplichting uit hoofde van dit artikel te voldoen, verstrekken de vervoerder en de feitelijke vervoerder minstens de informatie die is neergelegd in een door de Europese Commissie opgesteld en openbaar gemaakt overzicht van de bepalingen van de PAL-Verordening.
Art. 2.6.2.38. Informations pour les passagers
Le transporteur et/ou le transporteur substitué doivent veiller à ce que les passagers reçoivent des informations pertinentes et compréhensibles concernant leurs droits au titre de la présente sous-section.
Si le contrat de transport de passagers par mer a été conclu en Belgique, ces informations sont fournies dans tous les points de vente, y compris la vente par téléphone et internet. Lorsque le lieu de départ se trouve dans un Etat membre, ces informations sont fournies avant le départ. Dans tous les autres cas, elles sont fournies au plus tard au moment du départ. Dans la mesure où les informations requises au titre du présent article ont été fournies par le transporteur ou par le transporteur substitué, l'autre transporteur n'est pas tenu de les fournir. Les informations sont communiquées sous la forme la plus appropriée.
Afin de respecter l'exigence en matière d'information au titre du présent article, le transporteur et le transporteur substitué communiquent aux passagers au moins les informations figurant dans un résumé des dispositions du Règlement PAL élaboré par la Commission européenne et rendu public.
Le transporteur et/ou le transporteur substitué doivent veiller à ce que les passagers reçoivent des informations pertinentes et compréhensibles concernant leurs droits au titre de la présente sous-section.
Si le contrat de transport de passagers par mer a été conclu en Belgique, ces informations sont fournies dans tous les points de vente, y compris la vente par téléphone et internet. Lorsque le lieu de départ se trouve dans un Etat membre, ces informations sont fournies avant le départ. Dans tous les autres cas, elles sont fournies au plus tard au moment du départ. Dans la mesure où les informations requises au titre du présent article ont été fournies par le transporteur ou par le transporteur substitué, l'autre transporteur n'est pas tenu de les fournir. Les informations sont communiquées sous la forme la plus appropriée.
Afin de respecter l'exigence en matière d'information au titre du présent article, le transporteur et le transporteur substitué communiquent aux passagers au moins les informations figurant dans un résumé des dispositions du Règlement PAL élaboré par la Commission européenne et rendu public.
Art. 2.6.2.39. Kennisgeving van verlies of beschadiging van bagage
§ 1. De passagier moet een schriftelijke kennisgeving richten aan de vervoerder of diens lasthebber :
1° in geval van zichtbare beschadiging van bagage :
a) voor hutbagage, vóór of op het tijdstip van de ontscheping van de passagier;
b) voor ander bagage, vóór of op het tijdstip van het afleveren;
2° bij verborgen schade aan de bagage of verlies daarvan, binnen 15 dagen na de datum van de ontscheping, de datum van de aflevering of de datum waarop die aflevering had moeten plaatsvinden.
§ 2. Indien de passagier de bepalingen van dit artikel niet naleeft, wordt hij, tenzij het tegendeel wordt bewezen, verondersteld zijn bagage te hebben ontvangen in goede staat.
§ 3. Schriftelijke kennisgeving is overbodig indien de staat van de bagage bij het in ontvangst nemen ervan op tegenspraak werd vastgesteld of onderzocht.
§ 1. De passagier moet een schriftelijke kennisgeving richten aan de vervoerder of diens lasthebber :
1° in geval van zichtbare beschadiging van bagage :
a) voor hutbagage, vóór of op het tijdstip van de ontscheping van de passagier;
b) voor ander bagage, vóór of op het tijdstip van het afleveren;
2° bij verborgen schade aan de bagage of verlies daarvan, binnen 15 dagen na de datum van de ontscheping, de datum van de aflevering of de datum waarop die aflevering had moeten plaatsvinden.
§ 2. Indien de passagier de bepalingen van dit artikel niet naleeft, wordt hij, tenzij het tegendeel wordt bewezen, verondersteld zijn bagage te hebben ontvangen in goede staat.
§ 3. Schriftelijke kennisgeving is overbodig indien de staat van de bagage bij het in ontvangst nemen ervan op tegenspraak werd vastgesteld of onderzocht.
Art. 2.6.2.39. Notification de la perte ou des dommages survenus aux bagages
§ 1er. Le passager doit adresser des notifications écrites au transporteur ou à son mandataire :
1° dans le cas de dommages apparents causés à des bagages :
a) pour les bagages de cabine, avant le débarquement du passager ou au moment de ce débarquement;
b) pour les autres bagages, avant leur livraison ou au moment de cette livraison;
2° dans le cas de dommages non apparents causés aux bagages ou de perte de bagages, dans les quinze jours qui suivent la date du débarquement ou de la livraison ou la date à la laquelle cette livraison aurait dû avoir lieu.
§ 2. Faute de se conformer aux dispositions du présent article, le passager est présumé, sauf preuve contraire, avoir reçu ses bagages en bon état.
§ 3. Les notifications écrites sont inutiles si l'état des bagages a fait l'objet d'un constat ou d'une inspection contradictoire au moment de leur réception.
§ 1er. Le passager doit adresser des notifications écrites au transporteur ou à son mandataire :
1° dans le cas de dommages apparents causés à des bagages :
a) pour les bagages de cabine, avant le débarquement du passager ou au moment de ce débarquement;
b) pour les autres bagages, avant leur livraison ou au moment de cette livraison;
2° dans le cas de dommages non apparents causés aux bagages ou de perte de bagages, dans les quinze jours qui suivent la date du débarquement ou de la livraison ou la date à la laquelle cette livraison aurait dû avoir lieu.
§ 2. Faute de se conformer aux dispositions du présent article, le passager est présumé, sauf preuve contraire, avoir reçu ses bagages en bon état.
§ 3. Les notifications écrites sont inutiles si l'état des bagages a fait l'objet d'un constat ou d'une inspection contradictoire au moment de leur réception.
Art. 2.6.2.40. Aansprakelijkheid van de vervoerder
§ 1. Bij overlijden of persoonlijk letsel van de passagier of bij verlies of beschadiging van bagage kan tegen de vervoerder of de feitelijke vervoerder geen andere vordering tot schadevergoeding worden ingesteld dan op grond van deze onderafdeling.
§ 2. In dit artikel wordt verstaan onder :
1° "scheepvaartincident" : schipbreuk, kapseizen, aanvaring of stranden van het schip, explosie of brand aan boord, of defect aan het schip;
2° "schuld of nalatigheid van de vervoerder" : mede de schuld of nalatigheid van de aangestelden van de vervoerder, handelend binnen het kader van hun dienstverband;
3° "defect aan het schip" : ieder niet of gebrekkig functioneren of iedere niet-overeenstemming met toepasselijke veiligheidsvoorschriften van enig deel van het schip of de uitrusting ervan wanneer deze worden gebruikt voor :
a) ontsnapping, evacuatie, inscheping en ontscheping van passagiers;
b) aandrijving, besturing, veilig navigeren, afmeren, of ankeren;
c) het aankomen op of vertrekken van een aanleg- of ankerplaats;
d) schadebeheersing na onderlopen van het schip;
e) het te water laten van de reddinguitrusting.
§ 3. De aansprakelijkheid van de vervoerder krachtens dit artikel betreft slechts de schade als gevolg van incidenten die zich tijdens het vervoer hebben voorgedaan.
§ 4. De last om te bewijzen dat het incident dat de schade heeft veroorzaakt zich tijdens het vervoer heeft voorgedaan, en om de omvang van de schade aan te tonen, berust bij de eiser.
§ 5. Ingeval schade door dood of letsel van de passagier is veroorzaakt door een scheepvaartincident is de vervoerder wat die passagier betreft en per afzonderlijk incident aansprakelijk tot een bedrag van 250.000 rekeneenheden.
De vervoerder is echter niet aansprakelijk indien hij bewijst dat het incident :
1° het gevolg is van een daad van oorlog, vijandigheden, burgeroorlog, opstand of een natuurverschijnsel van uitzonderlijke, onvermijdelijke en onbedwingbare aard, of
2° geheel is veroorzaakt door een handeling of verzuim van een derde met de bedoeling het incident te veroorzaken.
Ingeval en voor zover de schade bovengenoemde grens te boven gaat, is de vervoerder verder aansprakelijk tot een bedrag van 400.000 rekeneenheden per passagier, per afzonderlijk incident, tenzij de vervoerder bewijst dat het incident dat de schade heeft veroorzaakt niet aan de schuld of nalatigheid van de vervoerder te wijten is.
§ 6. Indien schade door dood of letsel van de passagier niet is veroorzaakt door een scheepvaartincident, is de vervoerder aansprakelijk indien het incident dat de schade heeft veroorzaakt aan de schuld of de nalatigheid van de vervoerder te wijten is. De aansprakelijkheid van de vervoerder is beperkt tot een bedrag van 400.000 rekeneenheden per passagier, per afzonderlijk incident. De last om te bewijzen dat er sprake is van schuld of nalatigheid berust bij de eiser.
§ 7. In afwijking van de paragrafen 5 en 6 is de vervoerder voor schade door dood of letsel van de passagier als gevolg van een van de risico's genoemd in punt 2.2 van de PAL- Richtsnoeren niet verder aansprakelijk dan het laagste bedrag van de volgende bedragen :
1° 250.000 rekeneenheden per passagier, per afzonderlijk incident; of
2° 340 miljoen rekeneenheden per schip, per afzonderlijk incident.
Met betrekking tot vorderingen voor overlijden of persoonlijk letsel van passagiers, die veroorzaakt zijn door een van de in 2.2 van de PAL- Richtsnoeren bedoelde risico's, kunnen de vervoerder en de feitelijke vervoerder hun aansprakelijkheid beperken overeenkomstig het LLMC-Verdrag of hoofdstuk 2 van titel 2 van boek 3 van deel 2 van dit wetboek, naargelang het geval.
§ 8. Bij schade geleden als gevolg van het verlies of de beschadiging van hutbagage is de vervoerder aansprakelijk indien het incident dat de schade heeft veroorzaakt aan de schuld of nalatigheid van de vervoerder te wijten is. Bij schade veroorzaakt door een scheepvaartincident wordt schuld of nalatigheid van de vervoerder vermoed.
De aansprakelijkheid van de vervoerder bij verlies of beschadiging van hutbagage beloopt ten hoogste 2.250 rekeneenheden per passagier, per vervoer.
Bij verlies of beschadiging van mobiliteitshulpmiddelen of andere specifieke hulpmiddelen die worden gebruikt door een passagier met beperkte mobiliteit, wordt de aansprakelijkheid van de vervoerder bepaald op grond van het eerste lid. De vergoeding moet overeenstemmen met de vervangingswaarde van de betrokken hulpmiddelen of, in voorkomend geval, met de reparatiekosten.
§ 9. Bij schade geleden als gevolg van het verlies of de beschadiging van andere bagage dan hutbagage is de vervoerder aansprakelijk, tenzij deze bewijst dat het incident dat de schade heeft veroorzaakt niet aan de schuld of nalatigheid van de vervoerder te wijten is.
De aansprakelijkheid van de vervoerder bij verlies of beschadiging van voertuigen, met inbegrip van alle in of op het voertuig vervoerde bagage, beloopt ten hoogste 12.700 rekeneenheden per voertuig, per vervoer.
De aansprakelijkheid van de vervoerder bij verlies of beschadiging van andere bagage dan deze bedoeld in paragraaf 8 of in het vorige lid beloopt ten hoogste 3.375 rekeneenheden per passagier, per vervoer.
§ 10. De wettelijke interesten en gerechtskosten zijn niet in de artikel en 2.6.2.37, § 3 en 2.6.2.40, § 5, laatste lid, § 6, § 8, tweede lid en § 9, tweede en derde lid bepaalde aansprakelijkheidsgrenzen begrepen.
§ 11. De vervoerder is niet aansprakelijk voor verlies of beschadiging van geld, verhandelbare effecten, goud, zilverwerk, juwelen, bijouterieën, kunstvoorwerpen of andere waardevolle zaken, tenzij die waardevolle voorwerpen bij hem werden gedeponeerd en hij het ermee eens was om ze veilig te bewaren, in welk geval zijn aansprakelijkheid beperkt is tot het bedrag bepaald in paragraaf 9, derde lid, tenzij overeenkomstig artikel 2.6.2.37, § 3, in gemeen overleg een hogere aansprakelijkheidsgrens werd vastgesteld.
§ 12. Niets in deze afdeling doet afbreuk aan een recht van verhaal dat de vervoerder tegen een derde zou kunnen hebben, of aan een verweer gebaseerd op de nalatigheid van een medeverantwoordelijke passagier op grond van artikel 2.6.2.45.
§ 13. Enig vermoeden van schuld of nalatigheid van een partij of toewijzing van de bewijslast aan een partij heeft niet tot gevolg dat bewijsmateriaal ten gunste van die partij niet in overweging wordt genomen.
§ 1. Bij overlijden of persoonlijk letsel van de passagier of bij verlies of beschadiging van bagage kan tegen de vervoerder of de feitelijke vervoerder geen andere vordering tot schadevergoeding worden ingesteld dan op grond van deze onderafdeling.
§ 2. In dit artikel wordt verstaan onder :
1° "scheepvaartincident" : schipbreuk, kapseizen, aanvaring of stranden van het schip, explosie of brand aan boord, of defect aan het schip;
2° "schuld of nalatigheid van de vervoerder" : mede de schuld of nalatigheid van de aangestelden van de vervoerder, handelend binnen het kader van hun dienstverband;
3° "defect aan het schip" : ieder niet of gebrekkig functioneren of iedere niet-overeenstemming met toepasselijke veiligheidsvoorschriften van enig deel van het schip of de uitrusting ervan wanneer deze worden gebruikt voor :
a) ontsnapping, evacuatie, inscheping en ontscheping van passagiers;
b) aandrijving, besturing, veilig navigeren, afmeren, of ankeren;
c) het aankomen op of vertrekken van een aanleg- of ankerplaats;
d) schadebeheersing na onderlopen van het schip;
e) het te water laten van de reddinguitrusting.
§ 3. De aansprakelijkheid van de vervoerder krachtens dit artikel betreft slechts de schade als gevolg van incidenten die zich tijdens het vervoer hebben voorgedaan.
§ 4. De last om te bewijzen dat het incident dat de schade heeft veroorzaakt zich tijdens het vervoer heeft voorgedaan, en om de omvang van de schade aan te tonen, berust bij de eiser.
§ 5. Ingeval schade door dood of letsel van de passagier is veroorzaakt door een scheepvaartincident is de vervoerder wat die passagier betreft en per afzonderlijk incident aansprakelijk tot een bedrag van 250.000 rekeneenheden.
De vervoerder is echter niet aansprakelijk indien hij bewijst dat het incident :
1° het gevolg is van een daad van oorlog, vijandigheden, burgeroorlog, opstand of een natuurverschijnsel van uitzonderlijke, onvermijdelijke en onbedwingbare aard, of
2° geheel is veroorzaakt door een handeling of verzuim van een derde met de bedoeling het incident te veroorzaken.
Ingeval en voor zover de schade bovengenoemde grens te boven gaat, is de vervoerder verder aansprakelijk tot een bedrag van 400.000 rekeneenheden per passagier, per afzonderlijk incident, tenzij de vervoerder bewijst dat het incident dat de schade heeft veroorzaakt niet aan de schuld of nalatigheid van de vervoerder te wijten is.
§ 6. Indien schade door dood of letsel van de passagier niet is veroorzaakt door een scheepvaartincident, is de vervoerder aansprakelijk indien het incident dat de schade heeft veroorzaakt aan de schuld of de nalatigheid van de vervoerder te wijten is. De aansprakelijkheid van de vervoerder is beperkt tot een bedrag van 400.000 rekeneenheden per passagier, per afzonderlijk incident. De last om te bewijzen dat er sprake is van schuld of nalatigheid berust bij de eiser.
§ 7. In afwijking van de paragrafen 5 en 6 is de vervoerder voor schade door dood of letsel van de passagier als gevolg van een van de risico's genoemd in punt 2.2 van de PAL- Richtsnoeren niet verder aansprakelijk dan het laagste bedrag van de volgende bedragen :
1° 250.000 rekeneenheden per passagier, per afzonderlijk incident; of
2° 340 miljoen rekeneenheden per schip, per afzonderlijk incident.
Met betrekking tot vorderingen voor overlijden of persoonlijk letsel van passagiers, die veroorzaakt zijn door een van de in 2.2 van de PAL- Richtsnoeren bedoelde risico's, kunnen de vervoerder en de feitelijke vervoerder hun aansprakelijkheid beperken overeenkomstig het LLMC-Verdrag of hoofdstuk 2 van titel 2 van boek 3 van deel 2 van dit wetboek, naargelang het geval.
§ 8. Bij schade geleden als gevolg van het verlies of de beschadiging van hutbagage is de vervoerder aansprakelijk indien het incident dat de schade heeft veroorzaakt aan de schuld of nalatigheid van de vervoerder te wijten is. Bij schade veroorzaakt door een scheepvaartincident wordt schuld of nalatigheid van de vervoerder vermoed.
De aansprakelijkheid van de vervoerder bij verlies of beschadiging van hutbagage beloopt ten hoogste 2.250 rekeneenheden per passagier, per vervoer.
Bij verlies of beschadiging van mobiliteitshulpmiddelen of andere specifieke hulpmiddelen die worden gebruikt door een passagier met beperkte mobiliteit, wordt de aansprakelijkheid van de vervoerder bepaald op grond van het eerste lid. De vergoeding moet overeenstemmen met de vervangingswaarde van de betrokken hulpmiddelen of, in voorkomend geval, met de reparatiekosten.
§ 9. Bij schade geleden als gevolg van het verlies of de beschadiging van andere bagage dan hutbagage is de vervoerder aansprakelijk, tenzij deze bewijst dat het incident dat de schade heeft veroorzaakt niet aan de schuld of nalatigheid van de vervoerder te wijten is.
De aansprakelijkheid van de vervoerder bij verlies of beschadiging van voertuigen, met inbegrip van alle in of op het voertuig vervoerde bagage, beloopt ten hoogste 12.700 rekeneenheden per voertuig, per vervoer.
De aansprakelijkheid van de vervoerder bij verlies of beschadiging van andere bagage dan deze bedoeld in paragraaf 8 of in het vorige lid beloopt ten hoogste 3.375 rekeneenheden per passagier, per vervoer.
§ 10. De wettelijke interesten en gerechtskosten zijn niet in de artikel en 2.6.2.37, § 3 en 2.6.2.40, § 5, laatste lid, § 6, § 8, tweede lid en § 9, tweede en derde lid bepaalde aansprakelijkheidsgrenzen begrepen.
§ 11. De vervoerder is niet aansprakelijk voor verlies of beschadiging van geld, verhandelbare effecten, goud, zilverwerk, juwelen, bijouterieën, kunstvoorwerpen of andere waardevolle zaken, tenzij die waardevolle voorwerpen bij hem werden gedeponeerd en hij het ermee eens was om ze veilig te bewaren, in welk geval zijn aansprakelijkheid beperkt is tot het bedrag bepaald in paragraaf 9, derde lid, tenzij overeenkomstig artikel 2.6.2.37, § 3, in gemeen overleg een hogere aansprakelijkheidsgrens werd vastgesteld.
§ 12. Niets in deze afdeling doet afbreuk aan een recht van verhaal dat de vervoerder tegen een derde zou kunnen hebben, of aan een verweer gebaseerd op de nalatigheid van een medeverantwoordelijke passagier op grond van artikel 2.6.2.45.
§ 13. Enig vermoeden van schuld of nalatigheid van een partij of toewijzing van de bewijslast aan een partij heeft niet tot gevolg dat bewijsmateriaal ten gunste van die partij niet in overweging wordt genomen.
Art. 2.6.2.40. Responsabilité du transporteur
§ 1er. Aucune action en responsabilité, en cas de décès ou de lésions corporelles du passager ou de perte ou de dommages survenus aux bagages, ne peut être intentée contre le transporteur ou le transporteur substitué, autrement que sur la base de la présente sous-section.
§ 2. Dans le présent article, l'on entend par :
1° " événement maritime " : le naufrage, le chavirement, l'abordage ou l'échouement du navire, une explosion ou un incendie à bord du navire ou un défaut du navire;
2° " faute ou négligence du transporteur " : également la faute ou la négligence des subordonnés du transporteur agissant dans l'exercice de leurs fonctions;
3° " défaut du navire " : tout mauvais fonctionnement, toute défaillance ou tout manque de conformité avec les règles de sécurité applicables s'agissant de toute partie du navire ou de son équipement lorsqu'elle est utilisée pour :
a) la sortie, l'évacuation, l'embarquement et le débarquement des passagers;
b) la propulsion, la manoeuvre, la sécurité de la navigation, l'amarrage ou le mouillage;
c) l'arrivée à un poste à quai ou sur un lieu de mouillage ou le départ d'un tel poste ou lieu;
d) la maîtrise des avaries après un envahissement du navire;
e) la mise à l'eau des engins de sauvetage.
§ 3. La responsabilité du transporteur en vertu du présent article porte uniquement sur le préjudice causé par des événements survenus au cours du transport.
§ 4. La preuve que l'événement générateur du préjudice est survenu au cours du transport, ainsi que la preuve de l'étendue du préjudice, incombe au demandeur.
§ 5. En cas de préjudice résultant de la mort ou de lésions corporelles d'un passager causées par un événement maritime, le transporteur est responsable dans la mesure où le préjudice subi par le passager pour un même événement ne dépasse pas 250.000 unités de compte.
Le transporteur n'est toutefois pas responsable s'il prouve que l'événement :
1° résulte d'un acte de guerre, d'hostilités, d'une guerre civile, d'une insurrection ou d'un phénomène naturel de caractère exceptionnel, inévitable et irrésistible; ou
2° résulte en totalité du fait qu'un tiers a délibérément agi ou omis d'agir dans l'intention de causer l'événement.
Si et dans la mesure où le préjudice dépasse la limite susmentionnée, le transporteur est en outre responsable jusqu'à un montant de 400 .000 unités de compte par passager, par incident séparé, à moins que le transporteur ne prouve que l'événement générateur du préjudice est survenu sans faute ou négligence de sa part.
§ 6. En cas de préjudice résultant de la mort ou de lésions corporelles d'un passager non causées par un événement maritime, le transporteur est responsable si l'événement générateur du préjudice est imputable à la faute ou à la négligence du transporteur. La responsabilité du transporteur est limitée à un montant de 400 .000 unités de compte par passager, par incident séparé. La preuve de la faute ou de la négligence incombe au demandeur.
§ 7. Par dérogation aux paragraphes 5 et 6, le transporteur n'est pas responsable des dommages résultant de la mort ou des lésions corporelles du passager causés par l'un quelconque des risques mentionnés au paragraphe 2.2 des Lignes directrices PAL au-delà du plus petits des montants suivants :
1° 250 .000 unités de compte par passager pour un même événement; ou
2° 340 millions d'unités de compte au total par navire et pour un même événement.
Pour ce qui est des réparations en cas de décès ou de lésions corporelles de passagers causés par l'un des risques visés au paragraphe 2.2 des Lignes directrices PAL, le transporteur et le transporteur substitué peuvent limiter leur responsabilité conformément à la Convention LLMC ou au chapitre 2 du titre 2 du livre 3 de la Partie 2 du présent code, selon le cas.
§ 8. En cas de préjudice résultant de la perte ou de dommages survenus aux bagages de cabine, le transporteur est responsable si l'événement générateur du préjudice est imputable à la faute ou à la négligence du transporteur. Il y a présomption de faute ou de négligence du transporteur en cas de préjudice causé par un événement maritime.
La responsabilité du transporteur en cas de perte ou de dommages survenus aux bagages de cabine est limitée, dans tous les cas, à 2.250 unités de compte par passager et par transport.
En cas de perte ou de dommage d'un équipement de mobilité ou de tout autre équipement spécifique utilisé par un passager à mobilité réduite, la responsabilité du transporteur est régie par l'alinéa 1er. L'indemnisation correspond à la valeur de remplacement de l'équipement en question ou, le cas échéant, aux coûts liés à la réparation.
§ 9. En cas de préjudice résultant de la perte ou de dommages survenus à des bagages autres que des bagages de cabine, le transporteur est responsable sauf s'il prouve que l'événement générateur du préjudice est survenu sans faute ou négligence de sa part.
La responsabilité du transporteur en cas de perte ou de dommages survenus aux véhicules, y compris tous les bagages transportés dans le véhicule ou sur celui-ci, est limitée, dans tous les cas, à 12 .700 unités de compte par véhicule et par transport.
La responsabilité du transporteur, en cas de perte ou de dommages survenus aux bagages autres que ceux visés au paragraphe 8, ou l'alinéa précédent est limitée à 3375 unités de compte par passager et par transport.
§ 10. Les intérêts légaux et les frais de justice ne sont pas inclus dans les limites de responsabilité prévues aux articles 2.6.2.37, § 3 et 2.6.2.40, § 5, dernier alinéa, § 6, § 8, alinéa 2 et § 9, alinéas 2 et 3.
§ 11. Le transporteur n'est pas responsable en cas de perte ou de dommages survenus à des espèces, des titres négociables, de l'or, de l'argenterie, de la joaillerie, des bijoux, des objets d'art ou d'autres biens de valeur, sauf si ces biens de valeur ont été déposés auprès du transporteur qui a convenu de les garder en sûreté, le transporteur étant dans ce cas responsable à concurrence de la limite fixée au paragraphe 9, alinéa 3, à moins qu'une limite de responsabilité plus élevée n'ait été fixée de commun accord conformément à l'article 2.6.2.37, § 3.
§ 12. Aucune disposition de la présente section ne porte atteinte aux droits de recours du transporteur contre tout tiers, ou ne l'empêche d'invoquer comme moyen de défense la négligence concurrente en vertu de l'article 2.6.2.45
§ 13. La présomption de la faute ou de la négligence d'une partie ou l'attribution de la charge de la preuve à une partie n'empêche pas l'examen des preuves en faveur de cette partie.
§ 1er. Aucune action en responsabilité, en cas de décès ou de lésions corporelles du passager ou de perte ou de dommages survenus aux bagages, ne peut être intentée contre le transporteur ou le transporteur substitué, autrement que sur la base de la présente sous-section.
§ 2. Dans le présent article, l'on entend par :
1° " événement maritime " : le naufrage, le chavirement, l'abordage ou l'échouement du navire, une explosion ou un incendie à bord du navire ou un défaut du navire;
2° " faute ou négligence du transporteur " : également la faute ou la négligence des subordonnés du transporteur agissant dans l'exercice de leurs fonctions;
3° " défaut du navire " : tout mauvais fonctionnement, toute défaillance ou tout manque de conformité avec les règles de sécurité applicables s'agissant de toute partie du navire ou de son équipement lorsqu'elle est utilisée pour :
a) la sortie, l'évacuation, l'embarquement et le débarquement des passagers;
b) la propulsion, la manoeuvre, la sécurité de la navigation, l'amarrage ou le mouillage;
c) l'arrivée à un poste à quai ou sur un lieu de mouillage ou le départ d'un tel poste ou lieu;
d) la maîtrise des avaries après un envahissement du navire;
e) la mise à l'eau des engins de sauvetage.
§ 3. La responsabilité du transporteur en vertu du présent article porte uniquement sur le préjudice causé par des événements survenus au cours du transport.
§ 4. La preuve que l'événement générateur du préjudice est survenu au cours du transport, ainsi que la preuve de l'étendue du préjudice, incombe au demandeur.
§ 5. En cas de préjudice résultant de la mort ou de lésions corporelles d'un passager causées par un événement maritime, le transporteur est responsable dans la mesure où le préjudice subi par le passager pour un même événement ne dépasse pas 250.000 unités de compte.
Le transporteur n'est toutefois pas responsable s'il prouve que l'événement :
1° résulte d'un acte de guerre, d'hostilités, d'une guerre civile, d'une insurrection ou d'un phénomène naturel de caractère exceptionnel, inévitable et irrésistible; ou
2° résulte en totalité du fait qu'un tiers a délibérément agi ou omis d'agir dans l'intention de causer l'événement.
Si et dans la mesure où le préjudice dépasse la limite susmentionnée, le transporteur est en outre responsable jusqu'à un montant de 400 .000 unités de compte par passager, par incident séparé, à moins que le transporteur ne prouve que l'événement générateur du préjudice est survenu sans faute ou négligence de sa part.
§ 6. En cas de préjudice résultant de la mort ou de lésions corporelles d'un passager non causées par un événement maritime, le transporteur est responsable si l'événement générateur du préjudice est imputable à la faute ou à la négligence du transporteur. La responsabilité du transporteur est limitée à un montant de 400 .000 unités de compte par passager, par incident séparé. La preuve de la faute ou de la négligence incombe au demandeur.
§ 7. Par dérogation aux paragraphes 5 et 6, le transporteur n'est pas responsable des dommages résultant de la mort ou des lésions corporelles du passager causés par l'un quelconque des risques mentionnés au paragraphe 2.2 des Lignes directrices PAL au-delà du plus petits des montants suivants :
1° 250 .000 unités de compte par passager pour un même événement; ou
2° 340 millions d'unités de compte au total par navire et pour un même événement.
Pour ce qui est des réparations en cas de décès ou de lésions corporelles de passagers causés par l'un des risques visés au paragraphe 2.2 des Lignes directrices PAL, le transporteur et le transporteur substitué peuvent limiter leur responsabilité conformément à la Convention LLMC ou au chapitre 2 du titre 2 du livre 3 de la Partie 2 du présent code, selon le cas.
§ 8. En cas de préjudice résultant de la perte ou de dommages survenus aux bagages de cabine, le transporteur est responsable si l'événement générateur du préjudice est imputable à la faute ou à la négligence du transporteur. Il y a présomption de faute ou de négligence du transporteur en cas de préjudice causé par un événement maritime.
La responsabilité du transporteur en cas de perte ou de dommages survenus aux bagages de cabine est limitée, dans tous les cas, à 2.250 unités de compte par passager et par transport.
En cas de perte ou de dommage d'un équipement de mobilité ou de tout autre équipement spécifique utilisé par un passager à mobilité réduite, la responsabilité du transporteur est régie par l'alinéa 1er. L'indemnisation correspond à la valeur de remplacement de l'équipement en question ou, le cas échéant, aux coûts liés à la réparation.
§ 9. En cas de préjudice résultant de la perte ou de dommages survenus à des bagages autres que des bagages de cabine, le transporteur est responsable sauf s'il prouve que l'événement générateur du préjudice est survenu sans faute ou négligence de sa part.
La responsabilité du transporteur en cas de perte ou de dommages survenus aux véhicules, y compris tous les bagages transportés dans le véhicule ou sur celui-ci, est limitée, dans tous les cas, à 12 .700 unités de compte par véhicule et par transport.
La responsabilité du transporteur, en cas de perte ou de dommages survenus aux bagages autres que ceux visés au paragraphe 8, ou l'alinéa précédent est limitée à 3375 unités de compte par passager et par transport.
§ 10. Les intérêts légaux et les frais de justice ne sont pas inclus dans les limites de responsabilité prévues aux articles 2.6.2.37, § 3 et 2.6.2.40, § 5, dernier alinéa, § 6, § 8, alinéa 2 et § 9, alinéas 2 et 3.
§ 11. Le transporteur n'est pas responsable en cas de perte ou de dommages survenus à des espèces, des titres négociables, de l'or, de l'argenterie, de la joaillerie, des bijoux, des objets d'art ou d'autres biens de valeur, sauf si ces biens de valeur ont été déposés auprès du transporteur qui a convenu de les garder en sûreté, le transporteur étant dans ce cas responsable à concurrence de la limite fixée au paragraphe 9, alinéa 3, à moins qu'une limite de responsabilité plus élevée n'ait été fixée de commun accord conformément à l'article 2.6.2.37, § 3.
§ 12. Aucune disposition de la présente section ne porte atteinte aux droits de recours du transporteur contre tout tiers, ou ne l'empêche d'invoquer comme moyen de défense la négligence concurrente en vertu de l'article 2.6.2.45
§ 13. La présomption de la faute ou de la négligence d'une partie ou l'attribution de la charge de la preuve à une partie n'empêche pas l'examen des preuves en faveur de cette partie.
Art. 2.6.2.41. Feitelijke vervoerder
§ 1. Ingeval het vervoer geheel of gedeeltelijk aan een feitelijke vervoerder wordt toevertrouwd, blijft de vervoerder aansprakelijk voor het volledige vervoer overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling. Bovendien is de feitelijke vervoerder, alsook zijn aangestelden en lasthebbers, onderworpen aan de bepalingen van deze onderafdeling en kan hij zich erop beroepen voor het gedeelte van het vervoer dat hij zelf heeft verricht.
§ 2. De vervoerder is met betrekking tot het door de feitelijke vervoerder verrichte vervoer aansprakelijk voor de handelingen en het verzuim van laatstgenoemde en van diens aangestelden en lasthebbers in de uitoefening van hun taak.
§ 3. Elke bijzondere overeenkomst waarbij de vervoerder verplichtingen op zich neemt welke niet bij deze onderafdeling opgelegd zijn of afstand van rechten doet welke deze onderafdeling hem toekent, zal ten opzichte van de feitelijke vervoerder slechts gevolg hebben als deze laatste daar uitdrukkelijk en schriftelijk zijn instemming mee heeft betuigd.
§ 4. In zoverre de vervoerder en de feitelijke vervoerder beiden aansprakelijk zijn, is er hoofdelijke aansprakelijkheid.
§ 5. Geen enkele bepaling van dit artikel doet afbreuk aan het recht op verhaal tussen de vervoerder en de feitelijke vervoerder.
§ 1. Ingeval het vervoer geheel of gedeeltelijk aan een feitelijke vervoerder wordt toevertrouwd, blijft de vervoerder aansprakelijk voor het volledige vervoer overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling. Bovendien is de feitelijke vervoerder, alsook zijn aangestelden en lasthebbers, onderworpen aan de bepalingen van deze onderafdeling en kan hij zich erop beroepen voor het gedeelte van het vervoer dat hij zelf heeft verricht.
§ 2. De vervoerder is met betrekking tot het door de feitelijke vervoerder verrichte vervoer aansprakelijk voor de handelingen en het verzuim van laatstgenoemde en van diens aangestelden en lasthebbers in de uitoefening van hun taak.
§ 3. Elke bijzondere overeenkomst waarbij de vervoerder verplichtingen op zich neemt welke niet bij deze onderafdeling opgelegd zijn of afstand van rechten doet welke deze onderafdeling hem toekent, zal ten opzichte van de feitelijke vervoerder slechts gevolg hebben als deze laatste daar uitdrukkelijk en schriftelijk zijn instemming mee heeft betuigd.
§ 4. In zoverre de vervoerder en de feitelijke vervoerder beiden aansprakelijk zijn, is er hoofdelijke aansprakelijkheid.
§ 5. Geen enkele bepaling van dit artikel doet afbreuk aan het recht op verhaal tussen de vervoerder en de feitelijke vervoerder.
Art. 2.6.2.41. Transporteur substitué
§ 1er. Si tout ou partie du transport a été confié à un transporteur substitué, le transporteur reste néanmoins responsable, conformément aux dispositions de la présente section, pour l'ensemble du transport. En outre, le transporteur substitué, ainsi que ses préposés ou mandataires, est assujetti aux dispositions de la présente sous-section et peut s'en prévaloir pour la partie du transport qu'il exécute lui-même.
§ 2. Le transporteur est responsable, en ce qui concerne le transport exécuté par le transporteur substitué, des actes et omissions du transporteur substitué ainsi que de ses préposés et mandataires agissant dans l'exercice de leurs fonctions.
§ 3. Tout accord spécial par lequel le transporteur assume des obligations qui ne sont pas imposées par la présente sous-section ou renonce à des droits conférés par la présente sous-section a effet à l'égard du transporteur substitué si ce dernier en convient de façon expresse et par écrit.
§ 4. Lorsque le transporteur et le transporteur substitué sont responsables et dans la mesure où ils le sont, leur responsabilité est solidaire.
§ 5. Aucune disposition du présent article ne doit porter atteinte au droit de recours du transporteur et du transporteur substitué.
§ 1er. Si tout ou partie du transport a été confié à un transporteur substitué, le transporteur reste néanmoins responsable, conformément aux dispositions de la présente section, pour l'ensemble du transport. En outre, le transporteur substitué, ainsi que ses préposés ou mandataires, est assujetti aux dispositions de la présente sous-section et peut s'en prévaloir pour la partie du transport qu'il exécute lui-même.
§ 2. Le transporteur est responsable, en ce qui concerne le transport exécuté par le transporteur substitué, des actes et omissions du transporteur substitué ainsi que de ses préposés et mandataires agissant dans l'exercice de leurs fonctions.
§ 3. Tout accord spécial par lequel le transporteur assume des obligations qui ne sont pas imposées par la présente sous-section ou renonce à des droits conférés par la présente sous-section a effet à l'égard du transporteur substitué si ce dernier en convient de façon expresse et par écrit.
§ 4. Lorsque le transporteur et le transporteur substitué sont responsables et dans la mesure où ils le sont, leur responsabilité est solidaire.
§ 5. Aucune disposition du présent article ne doit porter atteinte au droit de recours du transporteur et du transporteur substitué.
Art. 2.6.2.42. Aangestelden en lasthebbers
Ingeval een rechtsvordering wegens schade waarop deze onderafdeling van toepassing is wordt ingesteld tegen een aangestelde of lasthebber van de vervoerder of van de feitelijke vervoerder, kan die aangestelde of lasthebber, indien hij bewijst dat hij heeft gehandeld in de uitoefening van zijn functie, de verweermiddelen en aansprakelijkheidsgrenzen aanvoeren waarop de vervoerder of de feitelijke vervoerder zich krachtens deze afdeling kunnen beroepen.
Ingeval een rechtsvordering wegens schade waarop deze onderafdeling van toepassing is wordt ingesteld tegen een aangestelde of lasthebber van de vervoerder of van de feitelijke vervoerder, kan die aangestelde of lasthebber, indien hij bewijst dat hij heeft gehandeld in de uitoefening van zijn functie, de verweermiddelen en aansprakelijkheidsgrenzen aanvoeren waarop de vervoerder of de feitelijke vervoerder zich krachtens deze afdeling kunnen beroepen.
Art. 2.6.2.42. Préposés et mandataires
Si une action est intentée contre un préposé ou mandataire du transporteur ou du transporteur substitué en raison de dommages visés par la présente sous-section, ce préposé ou mandataire peut, s'il prouve qu'il a agi dans l'exercice de ses fonctions, se prévaloir des exonérations et des limites de responsabilité que peuvent invoquer le transporteur ou le transporteur substitué en vertu de la présente section.
Si une action est intentée contre un préposé ou mandataire du transporteur ou du transporteur substitué en raison de dommages visés par la présente sous-section, ce préposé ou mandataire peut, s'il prouve qu'il a agi dans l'exercice de ses fonctions, se prévaloir des exonérations et des limites de responsabilité que peuvent invoquer le transporteur ou le transporteur substitué en vertu de la présente section.
Art. 2.6.2.43. Samenloop van vorderingen
§ 1. De in de artikel en 2.6.2.37, § 3 en 2.6.2.40, § 5, laatste lid, § 6, § 8, tweede lid en § 9, tweede en derde lid vastgestelde aansprakelijkheidsgrenzen worden toegepast op de totale som van de schadevergoeding welke kan worden verkregen in het kader van alle aansprakelijkheidsvorderingen die worden ingesteld bij overlijden of persoonlijk letsel van een passagier of bij verlies of beschadiging van zijn bagage.
§ 2. Bij vervoer door een feitelijke vervoerder kan de totale som van de schadevergoeding die kan worden verkregen van de vervoerder, en van de feitelijke vervoerder, alsook van hun aangestelden en lasthebbers die handelen in de uitoefening van hun taak, niet hoger zijn dan de hoogste vergoeding die de vervoerder of de feitelijke vervoerder krachtens deze onderafdeling kan worden opgelegd, waarbij geen van de vermelde personen aansprakelijk kan worden gesteld voor een bedrag dat de grens die voor hem van toepassing is, overschrijdt.
§ 3. In elk geval waarin een aangestelde of een lasthebber van de vervoerder of van de feitelijke vervoerder krachtens artikel 2.6.2.42 van deze onderafdeling zich kan beroepen op de in de artikel en 2.6.2.37, § 3 en 2.6.2.40, § 5, laatste lid, § 6, § 8, tweede lid en § 9, tweede en derde lid bedoelde aansprakelijkheidsgrenzen, kan de totale som van de schadevergoeding welke kan worden verkregen van de vervoerder of, in voorkomende gevallen, van de feitelijke vervoerder en van de aangestelde of lasthebber, die grenzen niet overschrijden.
§ 1. De in de artikel en 2.6.2.37, § 3 en 2.6.2.40, § 5, laatste lid, § 6, § 8, tweede lid en § 9, tweede en derde lid vastgestelde aansprakelijkheidsgrenzen worden toegepast op de totale som van de schadevergoeding welke kan worden verkregen in het kader van alle aansprakelijkheidsvorderingen die worden ingesteld bij overlijden of persoonlijk letsel van een passagier of bij verlies of beschadiging van zijn bagage.
§ 2. Bij vervoer door een feitelijke vervoerder kan de totale som van de schadevergoeding die kan worden verkregen van de vervoerder, en van de feitelijke vervoerder, alsook van hun aangestelden en lasthebbers die handelen in de uitoefening van hun taak, niet hoger zijn dan de hoogste vergoeding die de vervoerder of de feitelijke vervoerder krachtens deze onderafdeling kan worden opgelegd, waarbij geen van de vermelde personen aansprakelijk kan worden gesteld voor een bedrag dat de grens die voor hem van toepassing is, overschrijdt.
§ 3. In elk geval waarin een aangestelde of een lasthebber van de vervoerder of van de feitelijke vervoerder krachtens artikel 2.6.2.42 van deze onderafdeling zich kan beroepen op de in de artikel en 2.6.2.37, § 3 en 2.6.2.40, § 5, laatste lid, § 6, § 8, tweede lid en § 9, tweede en derde lid bedoelde aansprakelijkheidsgrenzen, kan de totale som van de schadevergoeding welke kan worden verkregen van de vervoerder of, in voorkomende gevallen, van de feitelijke vervoerder en van de aangestelde of lasthebber, die grenzen niet overschrijden.
Art. 2.6.2.43. Concours de créances
§ 1er. Lorsque les limites de responsabilité prévues aux articles 2.6.2.37, § 3, et 2.6.2.40, § 5, dernier alinéa, § 6, § 8, alinéa 2, et § 9, alinéas 2 et 3, prennent effet, elles s'appliquent au montant total de la réparation qui peut être obtenu dans le cadre de toutes les actions en responsabilité intentées en cas de mort ou de lésions corporelles d'un passager ou de perte ou de dommages survenus à ses bagages.
§ 2. En ce qui concerne le transport exécuté par un transporteur substitué, le montant total de la réparation qui peut être obtenu de transporteur et du transporteur substitué, ainsi que de leurs préposés et mandataires agissant dans l'exercice de leurs fonctions, ne peut dépasser l'indemnité la plus élevée qui peut être mise à la charge soit du transporteur, soit du transporteur substitué, en vertu de la présente sous-section, sous réserve qu'aucune des personnes mentionnées ne puisse être tenue pour responsable au-delà de la limite qui lui est applicable.
§ 3. Dans tous les cas où le préposé ou mandataire du transporteur ou du transporteur substitué peut, en vertu de l'article 2.6.2.42 de la présente sous-section, se prévaloir des limites de responsabilité visées aux articles 2.6.2.37, § 3, et 2.6.2.40, § 5, dernier alinéa, § 6, § 8, alinéa 2, et § 9, alinéas 2 et 3, le montant total de l'indemnisation qui peut être obtenu du transporteur ou, le cas échéant, du transporteur substitué et de ce préposé ou mandataire ne peut dépasser ces limites.
§ 1er. Lorsque les limites de responsabilité prévues aux articles 2.6.2.37, § 3, et 2.6.2.40, § 5, dernier alinéa, § 6, § 8, alinéa 2, et § 9, alinéas 2 et 3, prennent effet, elles s'appliquent au montant total de la réparation qui peut être obtenu dans le cadre de toutes les actions en responsabilité intentées en cas de mort ou de lésions corporelles d'un passager ou de perte ou de dommages survenus à ses bagages.
§ 2. En ce qui concerne le transport exécuté par un transporteur substitué, le montant total de la réparation qui peut être obtenu de transporteur et du transporteur substitué, ainsi que de leurs préposés et mandataires agissant dans l'exercice de leurs fonctions, ne peut dépasser l'indemnité la plus élevée qui peut être mise à la charge soit du transporteur, soit du transporteur substitué, en vertu de la présente sous-section, sous réserve qu'aucune des personnes mentionnées ne puisse être tenue pour responsable au-delà de la limite qui lui est applicable.
§ 3. Dans tous les cas où le préposé ou mandataire du transporteur ou du transporteur substitué peut, en vertu de l'article 2.6.2.42 de la présente sous-section, se prévaloir des limites de responsabilité visées aux articles 2.6.2.37, § 3, et 2.6.2.40, § 5, dernier alinéa, § 6, § 8, alinéa 2, et § 9, alinéas 2 et 3, le montant total de l'indemnisation qui peut être obtenu du transporteur ou, le cas échéant, du transporteur substitué et de ce préposé ou mandataire ne peut dépasser ces limites.
Art. 2.6.2.44. Verval van het recht op aansprakelijkheidsbeperking
§ 1. Het voordeel van de in de artikel en 2.6.2.37, § 2 en 3 en 2.6.2.40, § 5, laatste lid, § 6, § 8, tweede lid en § 9, tweede en derde lid bepaalde aansprakelijkheidsgrenzen vervalt voor de vervoerder indien bewezen is dat de schade voortvloeit uit een handeling of een verzuim door de vervoerder, hetzij met de bedoeling die schade te veroorzaken, hetzij uit roekeloosheid en wetend dat dergelijke schade waarschijnlijk daaruit zou voortvloeien.
§ 2. De aangestelde of de lasthebber van de vervoerder of van de feitelijke vervoerder kan zich niet op deze aansprakelijkheidsgrenzen beroepen ingeval bewezen is dat de schade voortvloeit uit een handeling of verzuim door die aangestelde of lasthebber, hetzij met de bedoeling deze schade te veroorzaken, hetzij uit roekeloosheid en wetend dat dergelijke schade waarschijnlijk daaruit zou voortvloeien.
§ 1. Het voordeel van de in de artikel en 2.6.2.37, § 2 en 3 en 2.6.2.40, § 5, laatste lid, § 6, § 8, tweede lid en § 9, tweede en derde lid bepaalde aansprakelijkheidsgrenzen vervalt voor de vervoerder indien bewezen is dat de schade voortvloeit uit een handeling of een verzuim door de vervoerder, hetzij met de bedoeling die schade te veroorzaken, hetzij uit roekeloosheid en wetend dat dergelijke schade waarschijnlijk daaruit zou voortvloeien.
§ 2. De aangestelde of de lasthebber van de vervoerder of van de feitelijke vervoerder kan zich niet op deze aansprakelijkheidsgrenzen beroepen ingeval bewezen is dat de schade voortvloeit uit een handeling of verzuim door die aangestelde of lasthebber, hetzij met de bedoeling deze schade te veroorzaken, hetzij uit roekeloosheid en wetend dat dergelijke schade waarschijnlijk daaruit zou voortvloeien.
Art. 2.6.2.44. Déchéance du droit d'invoquer les limites de responsabilité
§ 1er. Le transporteur est déchu du bénéfice des limites de responsabilité visées aux articles 2.6.2.37, § 2 et 3 et 2.6.2.40, § 5, dernier alinéa, § 6, § 8, alinéa 2, et § 9, alinéas 2 et 3, s'il est prouvé que les dommages résultent d'un acte ou d'une omission que le transporteur a commis, soit avec l'intention de provoquer ces dommages, soit témérairement et en sachant que ces dommages en résulteraient probablement.
§ 2. Le préposé ou mandataire du transporteur ou du transporteur substitué ne peut se prévaloir de ces limites s'il est prouvé que les dommages résultent d'un acte ou d'une omission que ce préposé ou mandataire a commis, soit avec l'intention de provoquer ces dommages, soit témérairement et en sachant que ces dommages en résulteraient probablement.
§ 1er. Le transporteur est déchu du bénéfice des limites de responsabilité visées aux articles 2.6.2.37, § 2 et 3 et 2.6.2.40, § 5, dernier alinéa, § 6, § 8, alinéa 2, et § 9, alinéas 2 et 3, s'il est prouvé que les dommages résultent d'un acte ou d'une omission que le transporteur a commis, soit avec l'intention de provoquer ces dommages, soit témérairement et en sachant que ces dommages en résulteraient probablement.
§ 2. Le préposé ou mandataire du transporteur ou du transporteur substitué ne peut se prévaloir de ces limites s'il est prouvé que les dommages résultent d'un acte ou d'une omission que ce préposé ou mandataire a commis, soit avec l'intention de provoquer ces dommages, soit témérairement et en sachant que ces dommages en résulteraient probablement.
Art. 2.6.2.45. Schuld van de passagier
Indien de vervoerder bewijst dat de dood of het letsel van de passagier dan wel het verlies of de beschadiging van de bagage te wijten of mede te wijten is aan de schuld of nalatigheid van de passagier, kan de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, de vervoerder geheel of gedeeltelijk van zijn aansprakelijkheid ontheffen.
Indien de vervoerder bewijst dat de dood of het letsel van de passagier dan wel het verlies of de beschadiging van de bagage te wijten of mede te wijten is aan de schuld of nalatigheid van de passagier, kan de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, de vervoerder geheel of gedeeltelijk van zijn aansprakelijkheid ontheffen.
Art. 2.6.2.45. Faute du passager
Si le transporteur établit que la mort ou les lésions corporelles du passager, la perte ou les dommages survenus aux bagages sont dus, directement ou indirectement, à la faute ou à la négligence du passager, le tribunal saisi peut écarter ou atténuer la responsabilité du transporteur.
Si le transporteur établit que la mort ou les lésions corporelles du passager, la perte ou les dommages survenus aux bagages sont dus, directement ou indirectement, à la faute ou à la négligence du passager, le tribunal saisi peut écarter ou atténuer la responsabilité du transporteur.
Art. 2.6.2.46. Voorschot
§ 1. Wanneer het overlijden of persoonlijk letsel van een passagier is veroorzaakt door een scheepvaartincident, moet de vervoerder die het vervoer ten tijde waarvan het scheepvaartincident heeft plaatsgevonden geheel of gedeeltelijk feitelijk heeft verricht, binnen vijftien dagen na de identificatie van de schadevergoedingsgerechtigde persoon een voorschot betalen ter dekking van onmiddellijke economische behoeften, op een basis die evenredig is aan de geleden schade. Bij overlijden bedraagt het voorschot niet minder dan 21.000 euro.
Het vorige lid is ook van toepassing wanneer de vervoerder in België is gevestigd.
§ 2. Een voorschot staat niet gelijk met erkenning van aansprakelijkheid en mag worden verrekend met elk bedrag dat later op grond van deze afdeling wordt uitgekeerd. Het hoeft niet te worden terugbetaald, behalve in de gevallen die zijn voorgeschreven bij artikel 2.6.2.40, § 5 of artikel 2.6.2.45 of bij aanhangsel A bij de PAL-Richtsnoeren, of ingeval degene die het voorschot ontvangen heeft, niet de schadevergoedingsgerechtigde persoon is.
§ 1. Wanneer het overlijden of persoonlijk letsel van een passagier is veroorzaakt door een scheepvaartincident, moet de vervoerder die het vervoer ten tijde waarvan het scheepvaartincident heeft plaatsgevonden geheel of gedeeltelijk feitelijk heeft verricht, binnen vijftien dagen na de identificatie van de schadevergoedingsgerechtigde persoon een voorschot betalen ter dekking van onmiddellijke economische behoeften, op een basis die evenredig is aan de geleden schade. Bij overlijden bedraagt het voorschot niet minder dan 21.000 euro.
Het vorige lid is ook van toepassing wanneer de vervoerder in België is gevestigd.
§ 2. Een voorschot staat niet gelijk met erkenning van aansprakelijkheid en mag worden verrekend met elk bedrag dat later op grond van deze afdeling wordt uitgekeerd. Het hoeft niet te worden terugbetaald, behalve in de gevallen die zijn voorgeschreven bij artikel 2.6.2.40, § 5 of artikel 2.6.2.45 of bij aanhangsel A bij de PAL-Richtsnoeren, of ingeval degene die het voorschot ontvangen heeft, niet de schadevergoedingsgerechtigde persoon is.
Art. 2.6.2.46. Avance
§ 1er. Lorsque le décès ou les lésions corporelles d'un passager sont causés par un événement maritime, le transporteur ayant assuré effectivement tout ou partie du transport au cours duquel l'événement maritime s'est produit verse une avance d'un montant suffisant pour couvrir les besoins économiques immédiats, sur une base proportionnelle aux dommages subis, dans un délai de quinze jours à compter de l'identification de la personne ayant droit à l'indemnisation. En cas de décès, cette avance ne peut être inférieure à 21.000 EUR.
L'alinéa précédent s'applique également lorsque le transporteur est établi en Belgique.
§ 2. Le versement d'une avance ne constitue pas une reconnaissance de responsabilité, et l'avance peut être déduite de toute somme payée ultérieurement sur la base de la présente section. Elle n'est pas remboursable, sauf dans les cas prévus à l'article 2.6.2.40, § 5, ou l'article 2.6.2.45, ou l'appendice A des lignes directrices PAL, ou lorsque la personne à laquelle elle a été versée n'avait pas droit à indemnisation.
§ 1er. Lorsque le décès ou les lésions corporelles d'un passager sont causés par un événement maritime, le transporteur ayant assuré effectivement tout ou partie du transport au cours duquel l'événement maritime s'est produit verse une avance d'un montant suffisant pour couvrir les besoins économiques immédiats, sur une base proportionnelle aux dommages subis, dans un délai de quinze jours à compter de l'identification de la personne ayant droit à l'indemnisation. En cas de décès, cette avance ne peut être inférieure à 21.000 EUR.
L'alinéa précédent s'applique également lorsque le transporteur est établi en Belgique.
§ 2. Le versement d'une avance ne constitue pas une reconnaissance de responsabilité, et l'avance peut être déduite de toute somme payée ultérieurement sur la base de la présente section. Elle n'est pas remboursable, sauf dans les cas prévus à l'article 2.6.2.40, § 5, ou l'article 2.6.2.45, ou l'appendice A des lignes directrices PAL, ou lorsque la personne à laquelle elle a été versée n'avait pas droit à indemnisation.
Art. 2.6.2.47. Rechtstreekse vordering
§ 1. Vorderingen tot schadevergoeding die krachtens artikel 4bis van het PAL-Verdrag of artikel 2.3.2.23 of 2.3.2.27 van dit wetboek worden gedekt door een verplichte verzekering of andere financiële zekerheid waarin de vervoerder heeft voorzien, mogen rechtstreeks worden ingesteld tegen de verzekeraar of andere persoon die de financiële zekerheid stelt. In dat geval geldt het in artikel 2.3.2.23 genoemde minimumbedrag van de verplichte verzekering of andere financiële zekerheid als de aansprakelijkheidsgrens van de verzekeraar of andere persoon die de financiële zekerheid stelt, zelfs als de vervoerder of de feitelijke vervoerder geen recht heeft op aansprakelijkheidsbegrenzing. De verweerder kan voorts gebruik maken van de verweergronden (andere dan faillissement of bedrijfsbeëindiging) die de vervoerder overeenkomstig deze onderafdeling had mogen inroepen. Bovendien mag de verweerder tot zijn verweer aanvoeren dat het geleden nadeel het gevolg was van opzettelijk wangedrag van de verzekerde, maar de verweerder mag geen andere verweergronden inroepen die de verweerder had mogen inroepen in een door de verzekerde tegen de verweerder aangespannen procedure. De verweerder heeft in elk geval het recht te vorderen dat de vervoerder en de feitelijke vervoerder samen in het geding worden betrokken.
§ 2. Geldbedragen die door de verzekeraar of door de verstrekker van een andere financiële zekerheid in de zin van artikel 4bis.1 van het PAL-Verdrag of artikel 2.3.2.23 of 2.3.2.27 ter beschikking worden gesteld, dienen uitsluitend voor de voldoening van uit hoofde van deze onderafdeling ingestelde vorderingen, en enige uitbetaling van deze bedragen heeft tot gevolg dat iedere aansprakelijkheid uit hoofde van deze onderafdeling met een bedrag ten belope van de uitgekeerde bedragen wordt verminderd.
§ 1. Vorderingen tot schadevergoeding die krachtens artikel 4bis van het PAL-Verdrag of artikel 2.3.2.23 of 2.3.2.27 van dit wetboek worden gedekt door een verplichte verzekering of andere financiële zekerheid waarin de vervoerder heeft voorzien, mogen rechtstreeks worden ingesteld tegen de verzekeraar of andere persoon die de financiële zekerheid stelt. In dat geval geldt het in artikel 2.3.2.23 genoemde minimumbedrag van de verplichte verzekering of andere financiële zekerheid als de aansprakelijkheidsgrens van de verzekeraar of andere persoon die de financiële zekerheid stelt, zelfs als de vervoerder of de feitelijke vervoerder geen recht heeft op aansprakelijkheidsbegrenzing. De verweerder kan voorts gebruik maken van de verweergronden (andere dan faillissement of bedrijfsbeëindiging) die de vervoerder overeenkomstig deze onderafdeling had mogen inroepen. Bovendien mag de verweerder tot zijn verweer aanvoeren dat het geleden nadeel het gevolg was van opzettelijk wangedrag van de verzekerde, maar de verweerder mag geen andere verweergronden inroepen die de verweerder had mogen inroepen in een door de verzekerde tegen de verweerder aangespannen procedure. De verweerder heeft in elk geval het recht te vorderen dat de vervoerder en de feitelijke vervoerder samen in het geding worden betrokken.
§ 2. Geldbedragen die door de verzekeraar of door de verstrekker van een andere financiële zekerheid in de zin van artikel 4bis.1 van het PAL-Verdrag of artikel 2.3.2.23 of 2.3.2.27 ter beschikking worden gesteld, dienen uitsluitend voor de voldoening van uit hoofde van deze onderafdeling ingestelde vorderingen, en enige uitbetaling van deze bedragen heeft tot gevolg dat iedere aansprakelijkheid uit hoofde van deze onderafdeling met een bedrag ten belope van de uitgekeerde bedragen wordt verminderd.
Art. 2.6.2.47. Action directe
§ 1er. Toute demande en réparation couverte par une assurance ou autre garantie financière en vertu de l'article 4bis de la Convention PAL ou de l'article 2.3.2.23 ou 2.3.2.27 peut être formée directement contre l'assureur ou autre personne fournissant la garantie financière. Dans un tel cas, le montant figurant à l'article 2.3.2.23 constitue la limite de la responsabilité de l'assureur ou autre personne fournissant la garantie financière, même si le transporteur ou le transporteur substitué n'est pas en droit de limiter sa responsabilité. Le défendeur peut en outre se prévaloir des moyens de défense que le transporteur serait fondé à invoquer conformément à la présente sous-section (excepté ceux tirés de la faillite ou de la mise en liquidation). De surcroît, le défendeur peut se prévaloir du fait que le dommage résulte d'une faute intentionnelle de l'assuré, mais il ne peut se prévaloir d'aucun des autres moyens de défense qu'il aurait pu être fondé à invoquer dans une action intentée par l'assuré contre lui. Le défendeur est dans tous les cas en droit d'obliger le transporteur et le transporteur substitué à se joindre à la procédure.
§ 2. Tous fonds constitués par une assurance ou autre garantie financière souscrite en application l'article 4bis.1 de la Convention PAL ou de l'article 2.3.2.23 ou 2.3.2.27 ne sont disponibles que pour le règlement des indemnités dues en vertu de la présente sous-section et tout paiement de ces fonds dégage de toute responsabilité née de la présente sous-section à raison des montants payés.
§ 1er. Toute demande en réparation couverte par une assurance ou autre garantie financière en vertu de l'article 4bis de la Convention PAL ou de l'article 2.3.2.23 ou 2.3.2.27 peut être formée directement contre l'assureur ou autre personne fournissant la garantie financière. Dans un tel cas, le montant figurant à l'article 2.3.2.23 constitue la limite de la responsabilité de l'assureur ou autre personne fournissant la garantie financière, même si le transporteur ou le transporteur substitué n'est pas en droit de limiter sa responsabilité. Le défendeur peut en outre se prévaloir des moyens de défense que le transporteur serait fondé à invoquer conformément à la présente sous-section (excepté ceux tirés de la faillite ou de la mise en liquidation). De surcroît, le défendeur peut se prévaloir du fait que le dommage résulte d'une faute intentionnelle de l'assuré, mais il ne peut se prévaloir d'aucun des autres moyens de défense qu'il aurait pu être fondé à invoquer dans une action intentée par l'assuré contre lui. Le défendeur est dans tous les cas en droit d'obliger le transporteur et le transporteur substitué à se joindre à la procédure.
§ 2. Tous fonds constitués par une assurance ou autre garantie financière souscrite en application l'article 4bis.1 de la Convention PAL ou de l'article 2.3.2.23 ou 2.3.2.27 ne sont disponibles que pour le règlement des indemnités dues en vertu de la présente sous-section et tout paiement de ces fonds dégage de toute responsabilité née de la présente sous-section à raison des montants payés.
Art. 2.6.2.48. Omrekening van rekeneenheden
De in artikel 2.3.2.23, artikel 2.3.2.27, artikel 2.6.2.37, § 2 en artikel 2.6.2.40, § 5, § 6, § 8, tweede lid, § 9, tweede en derde lid genoemde bedragen worden omgerekend in euro overeenkomstig de waarde van de euro ten opzichte van het bijzonder trekkingsrecht op de dag van de rechterlijke beslissing of op de door de partijen overeengekomen dag. De waarde van de euro, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend in overeenstemming met de methode van waardebepaling die door het Internationaal Monetair Fonds op de datum in kwestie wordt toegepast voor zijn eigen operaties en transacties.
De in artikel 2.3.2.23, artikel 2.3.2.27, artikel 2.6.2.37, § 2 en artikel 2.6.2.40, § 5, § 6, § 8, tweede lid, § 9, tweede en derde lid genoemde bedragen worden omgerekend in euro overeenkomstig de waarde van de euro ten opzichte van het bijzonder trekkingsrecht op de dag van de rechterlijke beslissing of op de door de partijen overeengekomen dag. De waarde van de euro, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend in overeenstemming met de methode van waardebepaling die door het Internationaal Monetair Fonds op de datum in kwestie wordt toegepast voor zijn eigen operaties en transacties.
Art. 2.6.2.48. Conversion des unités de compte
La conversion en euros des montants mentionnés à l'article 2.3.2.23, à l'article 2.3.2.27, à l'article 2.6.2.37, § 2, et à l'article 2.6.2.40, § 5, § 6 § 8, alinéa 2, § 9, alinéas 2 et 3, s'effectue sur la base de la valeur de l'euro par rapport au droit de tirage spécial à la date du jugement ou à la date adoptée d'un commun accord par les parties. La valeur, en droits de tirage spéciaux, de l'euro est calculée selon la méthode d'évaluation appliquée par le Fonds monétaire international à la date en question pour ses propres opérations et transactions.
La conversion en euros des montants mentionnés à l'article 2.3.2.23, à l'article 2.3.2.27, à l'article 2.6.2.37, § 2, et à l'article 2.6.2.40, § 5, § 6 § 8, alinéa 2, § 9, alinéas 2 et 3, s'effectue sur la base de la valeur de l'euro par rapport au droit de tirage spécial à la date du jugement ou à la date adoptée d'un commun accord par les parties. La valeur, en droits de tirage spéciaux, de l'euro est calculée selon la méthode d'évaluation appliquée par le Fonds monétaire international à la date en question pour ses propres opérations et transactions.
Art. 2.6.2.49. Verjaring
§ 1. Elke vordering tot schadevergoeding die voortvloeit uit het overlijden of een persoonlijk letsel van de passagier, of uit verlies of beschadiging van de bagage, verjaart na een termijn van twee jaar.
§ 2. De verjaringstermijn begint te lopen :
1° bij persoonlijk letsel, vanaf de datum van ontscheping van de passagier;
2° bij het overlijden tijdens het vervoer, vanaf de datum waarop de passagier had moeten ontschepen en, in geval van een tijdens het vervoer opgelopen letsel dat de dood van de passagier na zijn ontscheping tot gevolg heeft, vanaf de datum van het overlijden; de verjaringstermijn mag evenwel niet langer zijn dan drie jaar te rekenen vanaf de datum van ontscheping;
3° bij verlies of beschadiging van bagage, vanaf de ontschepingsdatum of de datum waarop deze had moeten plaatsvinden, waarbij de laatste van die twee data in aanmerking wordt genomen.
§ 3. Een vordering uit hoofde van deze onderafdeling kan in geen geval worden ingesteld na verloop van een van de volgende termijnen :
1° een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de ontscheping van de passagier of de datum waarop die had moeten plaatsvinden, waarbij de laatste van die twee data in aanmerking wordt genomen; dan wel, indien eerder
2° een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de eiser op de hoogte was van het door het voorval veroorzaakte letsel, verlies of schade of hiervan redelijkerwijze op de hoogte had moeten zijn.
§ 4. Ongeacht de bepalingen van de paragrafen § 1, 2 en 3 kan de verjaringstermijn worden verlengd op grond van een verklaring van de vervoerder of een overeenkomst die tussen de partijen wordt gesloten nadat de grond voor een aanspraak is ontstaan. Deze verklaring of overeenkomst wordt schriftelijk opgesteld.
§ 1. Elke vordering tot schadevergoeding die voortvloeit uit het overlijden of een persoonlijk letsel van de passagier, of uit verlies of beschadiging van de bagage, verjaart na een termijn van twee jaar.
§ 2. De verjaringstermijn begint te lopen :
1° bij persoonlijk letsel, vanaf de datum van ontscheping van de passagier;
2° bij het overlijden tijdens het vervoer, vanaf de datum waarop de passagier had moeten ontschepen en, in geval van een tijdens het vervoer opgelopen letsel dat de dood van de passagier na zijn ontscheping tot gevolg heeft, vanaf de datum van het overlijden; de verjaringstermijn mag evenwel niet langer zijn dan drie jaar te rekenen vanaf de datum van ontscheping;
3° bij verlies of beschadiging van bagage, vanaf de ontschepingsdatum of de datum waarop deze had moeten plaatsvinden, waarbij de laatste van die twee data in aanmerking wordt genomen.
§ 3. Een vordering uit hoofde van deze onderafdeling kan in geen geval worden ingesteld na verloop van een van de volgende termijnen :
1° een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de ontscheping van de passagier of de datum waarop die had moeten plaatsvinden, waarbij de laatste van die twee data in aanmerking wordt genomen; dan wel, indien eerder
2° een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de eiser op de hoogte was van het door het voorval veroorzaakte letsel, verlies of schade of hiervan redelijkerwijze op de hoogte had moeten zijn.
§ 4. Ongeacht de bepalingen van de paragrafen § 1, 2 en 3 kan de verjaringstermijn worden verlengd op grond van een verklaring van de vervoerder of een overeenkomst die tussen de partijen wordt gesloten nadat de grond voor een aanspraak is ontstaan. Deze verklaring of overeenkomst wordt schriftelijk opgesteld.
Art. 2.6.2.49. Prescription
§ 1er. Toute action en réparation du préjudice résultant de la mort ou de lésions corporelles d'un passager, ou de perte ou de dommages survenus aux bagages, est soumise à une prescription de deux ans.
§ 2. Le délai de prescription court :
1° en cas de lésions corporelles, à partir de la date du débarquement du passager;
2° dans le cas d'un décès survenu au cours du transport, à partir de la date à laquelle le passager aurait dû être débarqué et, dans le cas de lésions corporelles s'étant produites au cours du transport et ayant entraîné le décès du passager après son débarquement, à partir de la date du décès; le délai ne peut toutefois dépasser trois ans à compter de la date du débarquement;
3° dans le cas de perte ou de dommages survenus aux bagages, à partir de la date du débarquement ou de la date à laquelle le débarquement aurait dû avoir lieu, à compter de la date la plus tardive.
§ 3. En aucun cas une action intentée en vertu de la présente sous-section ne peut être introduite après expiration d'un des délais ci-après :
1° un délai de cinq ans à compter de la date du débarquement du passager ou de la date à laquelle le débarquement aurait dû avoir lieu, la plus tardive de ces deux dates étant prise en considération; ou, si l'expiration du délai ci-après intervient plus tôt,
2° un délai de trois ans à compter de la date à laquelle le demandeur a eu connaissance ou aurait raisonnablement dû avoir connaissance de la lésion, de la perte ou du dommage causé par l'événement.
§ 4. Nonobstant les dispositions des paragraphes 1er, 2 et 3, le délai de prescription peut être prorogé par déclaration du transporteur ou par accord entre les parties conclu après la survenance du dommage. Déclaration et accord doivent être consignés par écrit.
§ 1er. Toute action en réparation du préjudice résultant de la mort ou de lésions corporelles d'un passager, ou de perte ou de dommages survenus aux bagages, est soumise à une prescription de deux ans.
§ 2. Le délai de prescription court :
1° en cas de lésions corporelles, à partir de la date du débarquement du passager;
2° dans le cas d'un décès survenu au cours du transport, à partir de la date à laquelle le passager aurait dû être débarqué et, dans le cas de lésions corporelles s'étant produites au cours du transport et ayant entraîné le décès du passager après son débarquement, à partir de la date du décès; le délai ne peut toutefois dépasser trois ans à compter de la date du débarquement;
3° dans le cas de perte ou de dommages survenus aux bagages, à partir de la date du débarquement ou de la date à laquelle le débarquement aurait dû avoir lieu, à compter de la date la plus tardive.
§ 3. En aucun cas une action intentée en vertu de la présente sous-section ne peut être introduite après expiration d'un des délais ci-après :
1° un délai de cinq ans à compter de la date du débarquement du passager ou de la date à laquelle le débarquement aurait dû avoir lieu, la plus tardive de ces deux dates étant prise en considération; ou, si l'expiration du délai ci-après intervient plus tôt,
2° un délai de trois ans à compter de la date à laquelle le demandeur a eu connaissance ou aurait raisonnablement dû avoir connaissance de la lésion, de la perte ou du dommage causé par l'événement.
§ 4. Nonobstant les dispositions des paragraphes 1er, 2 et 3, le délai de prescription peut être prorogé par déclaration du transporteur ou par accord entre les parties conclu après la survenance du dommage. Déclaration et accord doivent être consignés par écrit.
Art. 2.6.2.50. Rechtsmacht
§ 1. Onverminderd andere bevoegdheidsgronden, zijn de Belgische rechters bevoegd om van een overeenkomstig artikel 2.6.2.40 of 2.6.2.41 ingestelde vordering kennis te nemen ingeval :
1° de gewone verblijfplaats of de plaats van de hoofdinrichting van de verweerder in België is gelegen;
2° de plaats van vertrek of van bestemming, bepaald in de passagiervervoerovereenkomst over zee in België is gelegen;
3° de woonplaats of de gewone verblijfplaats van de eiser in België is gelegen, indien de verweerder in België een bedrijfszetel heeft en aan de rechtsmacht van België is onderworpen; of
4° de passagiervervoerovereenkomst over zee in België is gesloten, indien de verweerder in België een bedrijfszetel heeft en aan de rechtsmacht van België is onderworpen.
§ 2. Een vordering ingesteld overeenkomstig artikel 2.6.2.47 wordt aanhangig gemaakt bij een van de rechtbanken waar vorderingen kunnen worden ingesteld tegen de vervoerder of feitelijke vervoerder, zulks overeenkomstig § 1.
§ 3. Na het voorval dat de schade heeft veroorzaakt, kunnen de partijen overeenkomen aan welke rechtsmacht of aan welk scheidsgerecht het geschil moet worden onderworpen.
§ 1. Onverminderd andere bevoegdheidsgronden, zijn de Belgische rechters bevoegd om van een overeenkomstig artikel 2.6.2.40 of 2.6.2.41 ingestelde vordering kennis te nemen ingeval :
1° de gewone verblijfplaats of de plaats van de hoofdinrichting van de verweerder in België is gelegen;
2° de plaats van vertrek of van bestemming, bepaald in de passagiervervoerovereenkomst over zee in België is gelegen;
3° de woonplaats of de gewone verblijfplaats van de eiser in België is gelegen, indien de verweerder in België een bedrijfszetel heeft en aan de rechtsmacht van België is onderworpen; of
4° de passagiervervoerovereenkomst over zee in België is gesloten, indien de verweerder in België een bedrijfszetel heeft en aan de rechtsmacht van België is onderworpen.
§ 2. Een vordering ingesteld overeenkomstig artikel 2.6.2.47 wordt aanhangig gemaakt bij een van de rechtbanken waar vorderingen kunnen worden ingesteld tegen de vervoerder of feitelijke vervoerder, zulks overeenkomstig § 1.
§ 3. Na het voorval dat de schade heeft veroorzaakt, kunnen de partijen overeenkomen aan welke rechtsmacht of aan welk scheidsgerecht het geschil moet worden onderworpen.
Art. 2.6.2.50. Juridiction
§ 1er. Sans préjudice d'autres chefs de compétence, les juges belges sont compétents pour prendre connaissance d'une action intentée conformément à l'article 2.6.2.40 ou 2.6.2.41 si :
1° la résidence habituelle ou le lieu du principal établissement du défendeur se situe en Belgique;
2° le lieu de départ ou le lieu de destination stipulé dans le contrat de transport de passagers par mer se situe en Belgique;
3° le domicile ou la résidence habituelle du demandeur se situe en Belgique, si le défendeur a un siège de son activité en Belgique et est soumis à la juridiction belge; ou
4° le contrat de transport de passagers par mer a été conclu en Belgique, si le défendeur y a un siège de son activité et est soumis à la juridiction belge.
§ 2. Une action intentée en vertu de l'article 2.6.2.47 doit être introduite devant l'un des tribunaux où une action peut être intentée à l'encontre du transporteur ou du transporteur substitué conformément au paragraphe 1er.
§ 3. Après l'événement qui a causé le dommage, les parties peuvent convenir de la juridiction ou du tribunal arbitral auquel la demande d'indemnisation doit être soumise.
§ 1er. Sans préjudice d'autres chefs de compétence, les juges belges sont compétents pour prendre connaissance d'une action intentée conformément à l'article 2.6.2.40 ou 2.6.2.41 si :
1° la résidence habituelle ou le lieu du principal établissement du défendeur se situe en Belgique;
2° le lieu de départ ou le lieu de destination stipulé dans le contrat de transport de passagers par mer se situe en Belgique;
3° le domicile ou la résidence habituelle du demandeur se situe en Belgique, si le défendeur a un siège de son activité en Belgique et est soumis à la juridiction belge; ou
4° le contrat de transport de passagers par mer a été conclu en Belgique, si le défendeur y a un siège de son activité et est soumis à la juridiction belge.
§ 2. Une action intentée en vertu de l'article 2.6.2.47 doit être introduite devant l'un des tribunaux où une action peut être intentée à l'encontre du transporteur ou du transporteur substitué conformément au paragraphe 1er.
§ 3. Après l'événement qui a causé le dommage, les parties peuvent convenir de la juridiction ou du tribunal arbitral auquel la demande d'indemnisation doit être soumise.
Onderafdeling 2. - Bijzondere bepalingen
Sous-Section 2. - Dispositions spéciales
Art. 2.6.2.51. Materiële toepassing
Deze onderafdeling is van toepassing op passagiervervoerovereenkomsten over zee bedoeld in artikel 2.6.2.34, 4°.
Deze onderafdeling is van toepassing op passagiervervoerovereenkomsten over zee bedoeld in artikel 2.6.2.34, 4°.
Art. 2.6.2.51. Application matérielle
La présente sous-section s'applique aux contrats de transport de passagers par mer visés à l'article 2.6.2.34, 4°.
La présente sous-section s'applique aux contrats de transport de passagers par mer visés à l'article 2.6.2.34, 4°.
Art. 2.6.2.52. Andere regelgeving
Titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek en titel 4 van boek X van het Wetboek van economisch recht zijn niet op passagiervervoerovereenkomsten over zee van toepassing.
Titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek en titel 4 van boek X van het Wetboek van economisch recht zijn niet op passagiervervoerovereenkomsten over zee van toepassing.
Art. 2.6.2.52. Autre réglementation
Le titre VIII du livre III du Code civil et le titre 4 du livre X du Code de droit economique ne s'appliquent pas aux contrats de transport de passagers par mer.
Le titre VIII du livre III du Code civil et le titre 4 du livre X du Code de droit economique ne s'appliquent pas aux contrats de transport de passagers par mer.
Art. 2.6.2.53. Afwijkende bedingen
Bedingen die afwijken van artikel 2.6.2.54, tweede lid zijn nietig.
Bedingen die afwijken van artikel 2.6.2.54, tweede lid zijn nietig.
Art. 2.6.2.53. Clauses dérogatoires
Les clauses qui dérogent à l'article 2.6.2.54, alinéa 2, sont nulles.
Les clauses qui dérogent à l'article 2.6.2.54, alinéa 2, sont nulles.
Art. 2.6.2.54. Vervoersdocumenten
De passagier heeft recht op de afgifte van een ontvangstbewijs voor zijn bagage. Dit ontvangstbewijs kan worden opgenomen in het aan de passagier afgegeven vervoerbewijs.
Wordt terzake van het vervoer een vervoerbewijs, een ontvangstbewijs voor bagage of enig soortgelijk document afgegeven, dan is de vervoerder verplicht daarin op duidelijke wijze zijn naam en woonplaats te vermelden.
De passagier heeft recht op de afgifte van een ontvangstbewijs voor zijn bagage. Dit ontvangstbewijs kan worden opgenomen in het aan de passagier afgegeven vervoerbewijs.
Wordt terzake van het vervoer een vervoerbewijs, een ontvangstbewijs voor bagage of enig soortgelijk document afgegeven, dan is de vervoerder verplicht daarin op duidelijke wijze zijn naam en woonplaats te vermelden.
Art. 2.6.2.54. Documents de transport
Le passager a droit à la remise d'un récépissé pour ses bagages. Ce récépissé peut être repris dans le billet de transport délivrée au passager.
Concernant le transport, si un billet de transport, un récépissé pour les bagages ou un quelconque document similaire est délivré, le transporteur est tenu d'y mentionner clairement son nom et domicile.
Le passager a droit à la remise d'un récépissé pour ses bagages. Ce récépissé peut être repris dans le billet de transport délivrée au passager.
Concernant le transport, si un billet de transport, un récépissé pour les bagages ou un quelconque document similaire est délivré, le transporteur est tenu d'y mentionner clairement son nom et domicile.
Art. 2.6.2.55. Overdracht van rechten
De passagier kan zijn rechten uit de overeenkomst niet overdragen zonder toestemming van de vervoerder dan wel de kapitein.
De passagier kan zijn rechten uit de overeenkomst niet overdragen zonder toestemming van de vervoerder dan wel de kapitein.
Art. 2.6.2.55. Transfert de droits
Le passager ne peut pas céder ses droits issus du contrat sans le consentement du transporteur ou du capitaine.
Le passager ne peut pas céder ses droits issus du contrat sans le consentement du transporteur ou du capitaine.
Art. 2.6.2.56. Vertrek zonder passagier
De kapitein moet niet wachten op de passagier die in de inschepingshaven of gedurende de reis niet tijdig aan boord komt. In dat geval kan de vervoerder de overeenkomst als beëindigd beschouwen en blijft het volle passagegeld verschuldigd.
De kapitein moet niet wachten op de passagier die in de inschepingshaven of gedurende de reis niet tijdig aan boord komt. In dat geval kan de vervoerder de overeenkomst als beëindigd beschouwen en blijft het volle passagegeld verschuldigd.
Art. 2.6.2.56. Départ sans passager
Le capitaine ne doit pas attendre le passager qui, soit au port d'embarquement, soit au cours du voyage, néglige de se rendre à bord en temps utile. Le transporteur peut, dans ce cas, considérer le contrat comme résilié et le passager reste redevable du prix de passage entier.
Le capitaine ne doit pas attendre le passager qui, soit au port d'embarquement, soit au cours du voyage, néglige de se rendre à bord en temps utile. Le transporteur peut, dans ce cas, considérer le contrat comme résilié et le passager reste redevable du prix de passage entier.
Art. 2.6.2.57. Goederen van de passagier
§ 1. De vervoerder mag de aard en de gesteldheid van de bagage nagaan.
§ 2. De goederen van de passagier die zich aan boord bevinden zijn als pand verbonden voor de betaling van het passagegeld en, in voorkomend geval, van de onderhoudskosten.
§ 3. De kapitein moet zorg dragen voor de bewaring van de goederen van de passagier die onderweg komt te overlijden.
§ 1. De vervoerder mag de aard en de gesteldheid van de bagage nagaan.
§ 2. De goederen van de passagier die zich aan boord bevinden zijn als pand verbonden voor de betaling van het passagegeld en, in voorkomend geval, van de onderhoudskosten.
§ 3. De kapitein moet zorg dragen voor de bewaring van de goederen van de passagier die onderweg komt te overlijden.
Art. 2.6.2.57. Biens du passager
§ 1er. Le transporteur peut vérifier la nature et la condition des bagages.
§ 2. Les biens du passager qui se trouvent à bord sont affectés, à titre de gage, au paiement du prix du passage et, le cas échéant, des frais d'entretien.
§ 3. Le capitaine doit veiller à la conservation des biens du passager qui vient à décéder au cours du voyage.
§ 1er. Le transporteur peut vérifier la nature et la condition des bagages.
§ 2. Les biens du passager qui se trouvent à bord sont affectés, à titre de gage, au paiement du prix du passage et, le cas échéant, des frais d'entretien.
§ 3. Le capitaine doit veiller à la conservation des biens du passager qui vient à décéder au cours du voyage.
Art. 2.6.2.58. Aansprakelijkheid van de passagier
§ 1. Onverminderd artikel [1 6.17]1 van het Burgerlijk Wetboek is de passagier verplicht de vervoerder de schade te vergoeden die hij of zijn bagage deze berokkende, behalve voor zover deze schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig passagier niet heeft kunnen vermijden en voor zover een zodanige passagier de gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen.
Om zich van zijn aansprakelijkheid te ontheffen kan de passagier zich niet beroepen op de hoedanigheid of een gebrek van zijn bagage.
§ 2. Ingeval personen van wier hulp de vervoerder bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakt, op verzoek van de passagier diensten bewijzen, waartoe de vervoerder niet is verplicht, worden zij beschouwd te handelen in opdracht van de passagier aan wie zij deze diensten bewijzen.
§ 1. Onverminderd artikel [1 6.17]1 van het Burgerlijk Wetboek is de passagier verplicht de vervoerder de schade te vergoeden die hij of zijn bagage deze berokkende, behalve voor zover deze schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig passagier niet heeft kunnen vermijden en voor zover een zodanige passagier de gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen.
Om zich van zijn aansprakelijkheid te ontheffen kan de passagier zich niet beroepen op de hoedanigheid of een gebrek van zijn bagage.
§ 2. Ingeval personen van wier hulp de vervoerder bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakt, op verzoek van de passagier diensten bewijzen, waartoe de vervoerder niet is verplicht, worden zij beschouwd te handelen in opdracht van de passagier aan wie zij deze diensten bewijzen.
Art. 2.6.2.58. Responsabilité du passager
§ 1er. Sans préjudice de l'article [1 6.17]1 du Code civil, le passager est tenu d'indemniser le transporteur pour les dommages causés occasionnés par lui ou par ses bagages, sauf dans la mesure où ces dommages résultent d'une circonstance inévitable pour un passager diligent et dans la mesure où un tel passager n'a pas pu en empêcher les conséquences.
Pour se dégager de sa responsabilité, le passager ne peut pas invoquer la qualité ou une défectuosité de ses bagages.
§ 2. Si des personnes auxquelles le transporteur fait appel dans le cadre de l'exécution de son engagement fournissent, à la demande du passager, des services auxquels le transporteur n'est pas tenu, elles sont considérées agir sur ordre du passager à qui elles fournissent ces services.
§ 1er. Sans préjudice de l'article [1 6.17]1 du Code civil, le passager est tenu d'indemniser le transporteur pour les dommages causés occasionnés par lui ou par ses bagages, sauf dans la mesure où ces dommages résultent d'une circonstance inévitable pour un passager diligent et dans la mesure où un tel passager n'a pas pu en empêcher les conséquences.
Pour se dégager de sa responsabilité, le passager ne peut pas invoquer la qualité ou une défectuosité de ses bagages.
§ 2. Si des personnes auxquelles le transporteur fait appel dans le cadre de l'exécution de son engagement fournissent, à la demande du passager, des services auxquels le transporteur n'est pas tenu, elles sont considérées agir sur ordre du passager à qui elles fournissent ces services.
Wijzigingen
Art. 2.6.2.59. Opzegging
§ 1. Ingeval zich vóór of tijdens het vervoer aan de zijde van de wederpartij van de vervoerder of de passagier omstandigheden voordoen, die de vervoerder bij het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien zij hem wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor hem grond hadden opgeleverd de overeenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, mag de vervoerder de overeenkomst opzeggen en de passagier van het schip verwijderen.
De opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke kennisgeving aan de wederpartij van de vervoerder of aan de passagier en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst van de eerst ontvangen kennisgeving.
§ 2. Ingeval zich vóór of tijdens het vervoer aan de zijde van de vervoerder omstandigheden voordoen, die diens wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de overeenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, mag deze wederpartij van de vervoerder de overeenkomst opzeggen.
De wederpartij van de vervoerder mag de overeenkomst ook buiten het in het vorige lid bedoelde geval opzeggen, behalve wanneer de reis van het schip daardoor zou worden vertraagd.
De in de vorige leden bedoelde opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke kennisgeving aan de vervoerder of de kapitein en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van de ontvangst daarvan.
§ 3. De voorgaande paragrafen gelden onverminderd het recht van de partijen om van elkaar vergoeding van de geleden schade te vorderen.
§ 1. Ingeval zich vóór of tijdens het vervoer aan de zijde van de wederpartij van de vervoerder of de passagier omstandigheden voordoen, die de vervoerder bij het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien zij hem wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor hem grond hadden opgeleverd de overeenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, mag de vervoerder de overeenkomst opzeggen en de passagier van het schip verwijderen.
De opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke kennisgeving aan de wederpartij van de vervoerder of aan de passagier en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst van de eerst ontvangen kennisgeving.
§ 2. Ingeval zich vóór of tijdens het vervoer aan de zijde van de vervoerder omstandigheden voordoen, die diens wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de overeenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, mag deze wederpartij van de vervoerder de overeenkomst opzeggen.
De wederpartij van de vervoerder mag de overeenkomst ook buiten het in het vorige lid bedoelde geval opzeggen, behalve wanneer de reis van het schip daardoor zou worden vertraagd.
De in de vorige leden bedoelde opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke kennisgeving aan de vervoerder of de kapitein en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van de ontvangst daarvan.
§ 3. De voorgaande paragrafen gelden onverminderd het recht van de partijen om van elkaar vergoeding van de geleden schade te vorderen.
Art. 2.6.2.59. Résiliation
§ 1er. Si des circonstances se produisent avant ou pendant le transport du côté du cocontractant du transporteur ou du passager, que le transporteur ne devait pas connaître au moment de la conclusion du contrat, mais qui, s'il en avait eu connaissance, auraient constitué pour lui une base raisonnable pour ne pas passer le contrat ou pour le conclure à d'autres conditions, le transporteur peut résilier le contrat et enlever le passager du navire.
La résiliation passe par une notification verbale ou écrite au cocontractant du transporteur ou au passager, et le contrat prend fin à la réception de la première notification reçue.
§ 2. Si des circonstances se produisent avant ou pendant le transport du côté du transporteur, que son cocontractant ne devait pas connaître au moment de la conclusion du contrat, mais qui, si elle en avait eu connaissance, auraient constitué pour elle une base raisonnable pour ne pas passer le contrat ou pour le conclure à d'autres conditions, ce cocontractant du transporteur peut résilier le contrat.
Le cocontractant du transporteur peut également résilier le contrat en dehors du cas visé à l'alinéa précédent, sauf si ceci entraîne le ralentissement du voyage du navire.
Le préavis visé aux alinéas précédents passe par une notification verbale ou écrite au transporteur ou au capitaine, et le contrat prend fin à sa réception.
§ 3. Les paragraphes précédents s'appliquent sans préjudice du droit des parties de se réclamer mutuellement une indemnisation pour le préjudice subi.
§ 1er. Si des circonstances se produisent avant ou pendant le transport du côté du cocontractant du transporteur ou du passager, que le transporteur ne devait pas connaître au moment de la conclusion du contrat, mais qui, s'il en avait eu connaissance, auraient constitué pour lui une base raisonnable pour ne pas passer le contrat ou pour le conclure à d'autres conditions, le transporteur peut résilier le contrat et enlever le passager du navire.
La résiliation passe par une notification verbale ou écrite au cocontractant du transporteur ou au passager, et le contrat prend fin à la réception de la première notification reçue.
§ 2. Si des circonstances se produisent avant ou pendant le transport du côté du transporteur, que son cocontractant ne devait pas connaître au moment de la conclusion du contrat, mais qui, si elle en avait eu connaissance, auraient constitué pour elle une base raisonnable pour ne pas passer le contrat ou pour le conclure à d'autres conditions, ce cocontractant du transporteur peut résilier le contrat.
Le cocontractant du transporteur peut également résilier le contrat en dehors du cas visé à l'alinéa précédent, sauf si ceci entraîne le ralentissement du voyage du navire.
Le préavis visé aux alinéas précédents passe par une notification verbale ou écrite au transporteur ou au capitaine, et le contrat prend fin à sa réception.
§ 3. Les paragraphes précédents s'appliquent sans préjudice du droit des parties de se réclamer mutuellement une indemnisation pour le préjudice subi.
TITEL 7. - SCHEEPVAARTVOORVALLEN
TITRE 7. - EVENEMENTS DE NAVIGATION
HOOFDSTUK 1. - Averij
CHAPITRE 1er. - Avarie
Art. 2.7.1.1. Internationale toepassing
§ 1. De tegenstelbaarheid aan derden van het retentierecht van de [1 reder of de scheepsgebruiker]1 bedoeld in artikel 2.7.1.7, § 2 wordt beheerst door het recht van de Staat op het grondgebied waarvan de goederen zich bevinden op het ogenblik waarop dat recht wordt uitgeoefend.
§ 2. De artikel en 2.7.1.5 en 2.7.1.6 zijn van toepassing op de rechtspleging in België.
§ 1. De tegenstelbaarheid aan derden van het retentierecht van de [1 reder of de scheepsgebruiker]1 bedoeld in artikel 2.7.1.7, § 2 wordt beheerst door het recht van de Staat op het grondgebied waarvan de goederen zich bevinden op het ogenblik waarop dat recht wordt uitgeoefend.
§ 2. De artikel en 2.7.1.5 en 2.7.1.6 zijn van toepassing op de rechtspleging in België.
Art. 2.7.1.1. Application internationale
§ 1er. L'opposabilité aux tiers du droit de rétention [1 de l'armateur ou de l'utilisateur du navire]1 visée à l'article 2.7.1.7, § 2, est régie par le droit de l'Etat sur le territoire duquel se trouvent les marchandises au moment où ce droit est exercé.
§ 2. Les articles 2.7.1.5 et 2.7.1.6 sont d'application à la procédure en Belgique.
§ 1er. L'opposabilité aux tiers du droit de rétention [1 de l'armateur ou de l'utilisateur du navire]1 visée à l'article 2.7.1.7, § 2, est régie par le droit de l'Etat sur le territoire duquel se trouvent les marchandises au moment où ce droit est exercé.
§ 2. Les articles 2.7.1.5 et 2.7.1.6 sont d'application à la procédure en Belgique.
Wijzigingen
Art. 2.7.1.2. Afwijkende bedingen
Deze titel geldt slechts voor zover geen voor [1 de]1 betrokken partijen bindende afwijkende bedingen zijn overeengekomen.
Deze titel geldt slechts voor zover geen voor [1 de]1 betrokken partijen bindende afwijkende bedingen zijn overeengekomen.
Art. 2.7.1.2. Clauses dérogatoires
Le présent titre ne s'applique que pour autant qu'aucune clause dérogatoire obligatoire pour [1 les]1 parties concernées n'a été convenue.
Le présent titre ne s'applique que pour autant qu'aucune clause dérogatoire obligatoire pour [1 les]1 parties concernées n'a été convenue.
Wijzigingen
Art. 2.7.1.3. Bijzondere averij
Onverminderd het eventuele recht op schadeloosstelling of terugbetaling, wordt bijzondere averij gedragen door de eigenaar van de zaak die de schade heeft geleden of betaald door degene die de kosten heeft gemaakt.
Onverminderd het eventuele recht op schadeloosstelling of terugbetaling, wordt bijzondere averij gedragen door de eigenaar van de zaak die de schade heeft geleden of betaald door degene die de kosten heeft gemaakt.
Art. 2.7.1.3. Avarie particulière
Sans préjudice du droit éventuel à une indemnisation ou à un remboursement, les avaries particulières sont supportées par le propriétaire de la chose qui a essuyé le dommage ou payées par celui qui a exposé les dépenses.
Sans préjudice du droit éventuel à une indemnisation ou à un remboursement, les avaries particulières sont supportées par le propriétaire de la chose qui a essuyé le dommage ou payées par celui qui a exposé les dépenses.
Art. 2.7.1.4. Regels van York en Antwerpen
§ 1. De averij-grosse waarbij enkel zeeschepen zijn betrokken, wordt geregeld overeenkomstig de Regels van York en Antwerpen.
§ 2. De Koning stelt de toepasselijke versie vast van de Regels van York en Antwerpen en, in voorkomend geval, van de bepalingen die deze regels vervangen.
§ 1. De averij-grosse waarbij enkel zeeschepen zijn betrokken, wordt geregeld overeenkomstig de Regels van York en Antwerpen.
§ 2. De Koning stelt de toepasselijke versie vast van de Regels van York en Antwerpen en, in voorkomend geval, van de bepalingen die deze regels vervangen.
Art. 2.7.1.4. Règles d'York et d'Anvers
§ 1er. Les avaries communes qui impliquent uniquement des navires de mer sont réglées conformément aux dispositions des Règles d'York et d'Anvers.
§ 2. Le Roi établit la version applicable des Règles d'York et d'Anvers et, le cas échéant, des dispositions qui remplacent ces règles.
§ 1er. Les avaries communes qui impliquent uniquement des navires de mer sont réglées conformément aux dispositions des Règles d'York et d'Anvers.
§ 2. Le Roi établit la version applicable des Règles d'York et d'Anvers et, le cas échéant, des dispositions qui remplacent ces règles.
Art. 2.7.1.5. Aanstelling van dispacheurs
§ 1. Indien zich naar zijn mening een geval van averij-grosse heeft voorgedaan, is de [1 reder of de scheepsgebruiker]1 gerechtigd om in een haven waar bij de averij-grosse betrokken goederen worden gelost of, ingeval geen dergelijke lossing plaatsgrijpt, in de eerstvolgende aanloophaven, binnen een redelijke termijn na de lossing respectievelijk het aanlopen een dispacheur aan te stellen. De [1 reder of de scheepsgebruiker]1 doet van de aanstelling tijdig mededeling aan alle andere betrokken partijen.
§ 2. Ingeval de [1 reder of de scheepsgebruiker]1 niet binnen een redelijke termijn een dispacheur heeft aangesteld en hiervan mededeling heeft gedaan, kan de meest gerede partij de aanstelling van een dispacheur vorderen. Het verzoek wordt bij eenzijdig verzoekschrift ingediend bij de voorzitter van de ondernemingsrechtbank die rechtsmacht heeft over het arrondissement waar één van de in de vorige paragraaf bedoelde havens is gelegen. Met betrekking tot de haven van Antwerpen, met inbegrip van de Waaslandhaven, wordt het verzoek ingediend bij de voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Antwerpen. De aangestelde dispacheur doet van de aanstelling mededeling aan alle betrokken partijen.
§ 1. Indien zich naar zijn mening een geval van averij-grosse heeft voorgedaan, is de [1 reder of de scheepsgebruiker]1 gerechtigd om in een haven waar bij de averij-grosse betrokken goederen worden gelost of, ingeval geen dergelijke lossing plaatsgrijpt, in de eerstvolgende aanloophaven, binnen een redelijke termijn na de lossing respectievelijk het aanlopen een dispacheur aan te stellen. De [1 reder of de scheepsgebruiker]1 doet van de aanstelling tijdig mededeling aan alle andere betrokken partijen.
§ 2. Ingeval de [1 reder of de scheepsgebruiker]1 niet binnen een redelijke termijn een dispacheur heeft aangesteld en hiervan mededeling heeft gedaan, kan de meest gerede partij de aanstelling van een dispacheur vorderen. Het verzoek wordt bij eenzijdig verzoekschrift ingediend bij de voorzitter van de ondernemingsrechtbank die rechtsmacht heeft over het arrondissement waar één van de in de vorige paragraaf bedoelde havens is gelegen. Met betrekking tot de haven van Antwerpen, met inbegrip van de Waaslandhaven, wordt het verzoek ingediend bij de voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Antwerpen. De aangestelde dispacheur doet van de aanstelling mededeling aan alle betrokken partijen.
Art. 2.7.1.5. Désignation des dispacheurs
§ 1er. Si à son avis un cas d'avarie commune s'est produit, [1 l'armateur ou l'utilisateur du navire]1 est habilité à désigner un dispacheur dans un port où des marchandises concernées par l'avarie commune sont déchargées ou, dans le cas où ce déchargement n'a pas lieu, dans le port d'escale suivant et ce, dans un délai raisonnable après le déchargement ou l'escale. [1 l'armateur ou l'utilisateur du navire]1 devra communiquer cette désignation à temps à toutes les autres parties concernées.
§ 2. Au cas où [1 l'armateur ou l'utilisateur du navire]1 n'a pas désigné de dispacheur et ne l'a pas communiqué dans un délai raisonnable, la partie la plus diligente peut réclamer la désignation d'un dispacheur. La demande est introduite par requête unilatérale auprès du président du tribunal de l'entreprise compétent pour l'arrondissement où est situé un des ports visés dans le paragraphe précédent. Concernant le port d'Anvers, y compris le Waaslandhaven, la demande est introduite auprès du président du tribunal de l'entreprise d'Anvers. Le dispacheur désigné communique sa désignation à toutes les parties concernées.
§ 1er. Si à son avis un cas d'avarie commune s'est produit, [1 l'armateur ou l'utilisateur du navire]1 est habilité à désigner un dispacheur dans un port où des marchandises concernées par l'avarie commune sont déchargées ou, dans le cas où ce déchargement n'a pas lieu, dans le port d'escale suivant et ce, dans un délai raisonnable après le déchargement ou l'escale. [1 l'armateur ou l'utilisateur du navire]1 devra communiquer cette désignation à temps à toutes les autres parties concernées.
§ 2. Au cas où [1 l'armateur ou l'utilisateur du navire]1 n'a pas désigné de dispacheur et ne l'a pas communiqué dans un délai raisonnable, la partie la plus diligente peut réclamer la désignation d'un dispacheur. La demande est introduite par requête unilatérale auprès du président du tribunal de l'entreprise compétent pour l'arrondissement où est situé un des ports visés dans le paragraphe précédent. Concernant le port d'Anvers, y compris le Waaslandhaven, la demande est introduite auprès du président du tribunal de l'entreprise d'Anvers. Le dispacheur désigné communique sa désignation à toutes les parties concernées.
Wijzigingen
Art. 2.7.1.6. Opmaak en neerlegging van de omslag
§ 1. De dispacheur maakt de omslag op.
§ 2. De goederen van de partijen die van de aanstelling van de dispacheur geen mededeling kregen, kunnen niet in de omslag worden opgenomen.
§ 3. Na afloop van zijn werkzaamheden stuurt de dispacheur zijn voorlopige omslag ter lezing aan alle betrokken partijen. Hij bepaalt een redelijke termijn waarbinnen de partijen hun opmerkingen moeten maken.
§ 4. In de definitieve omslag houdt de dispacheur rekening met de tijdig ontvangen opmerkingen.
§ 5. De definitieve omslag wordt door de dispacheur gedagtekend en ondertekend. Zijn handtekening wordt voorafgegaan door de volgende eed :
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb."
§ 6. De definitieve omslag wordt neergelegd ter griffie van de ondernemingsrechtbank die rechtsmacht heeft over het arrondissement waar de dispacheur werd aangesteld. Werd hij aangesteld in de haven van Antwerpen, met inbegrip van de Waaslandhaven, dan wordt de definitieve omslag neergelegd ter griffie van de ondernemingsrechtbank te Antwerpen.
Op de dag van de neerlegging van de omslag zendt de dispacheur bij een aangetekende zending een afschrift van de omslag aan de partijen.
De originele stukken die de partijen aan de dispacheur bezorgden, worden hen terugbezorgd.
§ 1. De dispacheur maakt de omslag op.
§ 2. De goederen van de partijen die van de aanstelling van de dispacheur geen mededeling kregen, kunnen niet in de omslag worden opgenomen.
§ 3. Na afloop van zijn werkzaamheden stuurt de dispacheur zijn voorlopige omslag ter lezing aan alle betrokken partijen. Hij bepaalt een redelijke termijn waarbinnen de partijen hun opmerkingen moeten maken.
§ 4. In de definitieve omslag houdt de dispacheur rekening met de tijdig ontvangen opmerkingen.
§ 5. De definitieve omslag wordt door de dispacheur gedagtekend en ondertekend. Zijn handtekening wordt voorafgegaan door de volgende eed :
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb."
§ 6. De definitieve omslag wordt neergelegd ter griffie van de ondernemingsrechtbank die rechtsmacht heeft over het arrondissement waar de dispacheur werd aangesteld. Werd hij aangesteld in de haven van Antwerpen, met inbegrip van de Waaslandhaven, dan wordt de definitieve omslag neergelegd ter griffie van de ondernemingsrechtbank te Antwerpen.
Op de dag van de neerlegging van de omslag zendt de dispacheur bij een aangetekende zending een afschrift van de omslag aan de partijen.
De originele stukken die de partijen aan de dispacheur bezorgden, worden hen terugbezorgd.
Art. 2.7.1.6. Rédaction et dépôt de la dispache
§ 1er. Le dispacheur rédige la dispache.
§ 2. Les marchandises des parties qui ne reçoivent pas de communication de la désignation du dispacheur ne peuvent être reprises dans la dispache.
§ 3. Une fois ses activités terminées, le dispacheur envoie sa dispache provisoire à toutes les parties concernées pour qu'elles la lisent. Il fixe un délai raisonnable dans lequel les parties doivent formuler leurs remarques.
§ 4. Dans la dispache définitive, le dispacheur tient compte des remarques reçues à temps.
§ 5. La dispache définitive est datée et signée par le dispacheur. Sa signature est précédée du serment suivant :
" Je jure d'accomplir mes missions en honneur et conscience, avec exactitude et probité. "
§ 6. La dispache définitive est déposée au greffe du tribunal de l'entreprise compétent pour l'arrondissement où le dispacheur a été désigné. S'il a été désigné dans le port d'Anvers, y compris le Waaslandhaven, la dispache définitive est déposée au greffe du tribunal de l'entreprise d'Anvers.
Le jour du dépôt de la dispache, le dispacheur envoie par envoi recommandé une copie de la dispache aux parties.
Les pièces originales que les parties ont fait parvenir au dispacheur leur sont retournées.
§ 1er. Le dispacheur rédige la dispache.
§ 2. Les marchandises des parties qui ne reçoivent pas de communication de la désignation du dispacheur ne peuvent être reprises dans la dispache.
§ 3. Une fois ses activités terminées, le dispacheur envoie sa dispache provisoire à toutes les parties concernées pour qu'elles la lisent. Il fixe un délai raisonnable dans lequel les parties doivent formuler leurs remarques.
§ 4. Dans la dispache définitive, le dispacheur tient compte des remarques reçues à temps.
§ 5. La dispache définitive est datée et signée par le dispacheur. Sa signature est précédée du serment suivant :
" Je jure d'accomplir mes missions en honneur et conscience, avec exactitude et probité. "
§ 6. La dispache définitive est déposée au greffe du tribunal de l'entreprise compétent pour l'arrondissement où le dispacheur a été désigné. S'il a été désigné dans le port d'Anvers, y compris le Waaslandhaven, la dispache définitive est déposée au greffe du tribunal de l'entreprise d'Anvers.
Le jour du dépôt de la dispache, le dispacheur envoie par envoi recommandé une copie de la dispache aux parties.
Les pièces originales que les parties ont fait parvenir au dispacheur leur sont retournées.
Art. 2.7.1.7. Voorrecht en retentierecht
§ 1. De vordering tot betaling van een vergoeding in averij-grosse is ten belope van de omslag bevoorrecht op de vervoerde goederen en hun verkoopprijs, op de bijdrageplichtige vracht en op alle bijdrageplichtige goederen aan boord die geen deel uitmaken van het scheepstoebehoren [1 , uitgezonderd de scheepsbrandstoffen]1.
§ 2. De [1 reder of de scheepsgebruiker]1 beschikt over een retentierecht op de vervoerde goederen en de andere goederen aan boord waarvoor een bijdrage in averij-grosse is verschuldigd.
Het retentierecht is tegenstelbaar aan de eigenaar van de goederen waarop dat recht wordt uitgeoefend.
§ 3. De [1 reder of de scheepsgebruiker]1 kan geen retentierecht meer uitoefenen wanneer een voldoende zekerheid is gesteld.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel worden containers, paletten en aanverwante tuigen evenals goederenbehandelingstuigen mede als goederen beschouwd.
§ 1. De vordering tot betaling van een vergoeding in averij-grosse is ten belope van de omslag bevoorrecht op de vervoerde goederen en hun verkoopprijs, op de bijdrageplichtige vracht en op alle bijdrageplichtige goederen aan boord die geen deel uitmaken van het scheepstoebehoren [1 , uitgezonderd de scheepsbrandstoffen]1.
§ 2. De [1 reder of de scheepsgebruiker]1 beschikt over een retentierecht op de vervoerde goederen en de andere goederen aan boord waarvoor een bijdrage in averij-grosse is verschuldigd.
Het retentierecht is tegenstelbaar aan de eigenaar van de goederen waarop dat recht wordt uitgeoefend.
§ 3. De [1 reder of de scheepsgebruiker]1 kan geen retentierecht meer uitoefenen wanneer een voldoende zekerheid is gesteld.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel worden containers, paletten en aanverwante tuigen evenals goederenbehandelingstuigen mede als goederen beschouwd.
Art. 2.7.1.7. Privilège et droit de rétention
§ 1er. La demande en paiement d'une indemnité en avarie commune est privilégiée, à concurrence de la dispache, sur les marchandises transportées et leur prix de vente, sur le fret contribuable et sur toutes les marchandises contribuables à bord qui ne font pas partie des accessoires du navire [1 , excepté les combustibles marins]1.
§ 2. [1 l'armateur ou l'utilisateur du navire]1 dispose d'un droit de rétention sur les marchandises transportées et sur les autres marchandises à bord pour lesquelles une contribution en avarie commune est due.
Le droit de rétention est opposable au propriétaire des marchandises sur lesquelles ce droit est exercé.
§ 3. [1 l'armateur ou l'utilisateur du navire]1 ne peut plus exercer de droit de rétention lorsqu'une garantie suffisante est constituée.
§ 4. Pour l'application du présent article, les conteneurs, palettes et matériel similaire ainsi que l'outillage de manutention des marchandises sont considérés également comme des marchandises.
§ 1er. La demande en paiement d'une indemnité en avarie commune est privilégiée, à concurrence de la dispache, sur les marchandises transportées et leur prix de vente, sur le fret contribuable et sur toutes les marchandises contribuables à bord qui ne font pas partie des accessoires du navire [1 , excepté les combustibles marins]1.
§ 2. [1 l'armateur ou l'utilisateur du navire]1 dispose d'un droit de rétention sur les marchandises transportées et sur les autres marchandises à bord pour lesquelles une contribution en avarie commune est due.
Le droit de rétention est opposable au propriétaire des marchandises sur lesquelles ce droit est exercé.
§ 3. [1 l'armateur ou l'utilisateur du navire]1 ne peut plus exercer de droit de rétention lorsqu'une garantie suffisante est constituée.
§ 4. Pour l'application du présent article, les conteneurs, palettes et matériel similaire ainsi que l'outillage de manutention des marchandises sont considérés également comme des marchandises.
Art. 2.7.1.8. Aflevering zonder voorbehoud
De houder van een cognossement, aan wie de goederen werden afgeleverd zonder voorbehoud omtrent averij-grosse, is niet verplicht bij te dragen in de omslag, indien hij bewijst dat hij de goederen in ontvangst nam voor rekening van een derde en ze niet meer in zijn bezit heeft. Alsdan kan de [2 reder of de scheepsgebruiker]2 rechtstreeks optreden tegen hem die op het ogenblik van de aflevering schuldenaar van de bijdrage was. De [2 reder of de scheepsgebruiker]2 is evenwel ten belope van de omslag aansprakelijk tegenover wie op een vergoeding in averij-grosse recht heeft.
De houder van een cognossement, aan wie de goederen werden afgeleverd zonder voorbehoud omtrent averij-grosse, is niet verplicht bij te dragen in de omslag, indien hij bewijst dat hij de goederen in ontvangst nam voor rekening van een derde en ze niet meer in zijn bezit heeft. Alsdan kan de [2 reder of de scheepsgebruiker]2 rechtstreeks optreden tegen hem die op het ogenblik van de aflevering schuldenaar van de bijdrage was. De [2 reder of de scheepsgebruiker]2 is evenwel ten belope van de omslag aansprakelijk tegenover wie op een vergoeding in averij-grosse recht heeft.
Art. 2.7.1.8. Livraison sans réserve
Le porteur d'un connaissement à qui les marchandises ont été livrées sans réserve concernant l'avarie commune, n'est pas tenu de contribuer à la dispache s'il prouve qu'il a réceptionné les marchandises pour le compte d'un tiers et ne les a plus en sa possession. [2 l'armateur ou l'utilisateur du navire]2 peut alors intervenir directement contre celui qui, au moment de la livraison, était débiteur de la contribution. [2 l'armateur ou l'utilisateur du navire]2 est cependant responsable à concurrence de la dispache à l'égard de celui qui a droit à une indemnité en avarie commune.
Le porteur d'un connaissement à qui les marchandises ont été livrées sans réserve concernant l'avarie commune, n'est pas tenu de contribuer à la dispache s'il prouve qu'il a réceptionné les marchandises pour le compte d'un tiers et ne les a plus en sa possession. [2 l'armateur ou l'utilisateur du navire]2 peut alors intervenir directement contre celui qui, au moment de la livraison, était débiteur de la contribution. [2 l'armateur ou l'utilisateur du navire]2 est cependant responsable à concurrence de la dispache à l'égard de celui qui a droit à une indemnité en avarie commune.
Art. 2.7.1.9. Naderhand ongedaan gemaakte schade of verliezen
Indien de schade of verliezen waarvoor een vergoeding werd toegekend na de uitvoering van de omslag geheel of gedeeltelijk ongedaan worden gemaakt, dient de actuele waarde van de gerecupereerde goederen of de ontvangen schadevergoeding, na aftrek van de gemaakte kosten, proportioneel te worden verdeeld over de partijen die hebben bijgedragen.
Indien de schade of verliezen waarvoor een vergoeding werd toegekend na de uitvoering van de omslag geheel of gedeeltelijk ongedaan worden gemaakt, dient de actuele waarde van de gerecupereerde goederen of de ontvangen schadevergoeding, na aftrek van de gemaakte kosten, proportioneel te worden verdeeld over de partijen die hebben bijgedragen.
Art. 2.7.1.9. Dommages ou pertes récupérés par la suite
Si les dommages ou les pertes pour lesquels une indemnité a été accordée sont récupérés entièrement ou partiellement après l'exécution de la dispache, la valeur actuelle des marchandises récupérées ou de l'indemnité reçue doit être répartie proportionnellement entre les parties qui ont contribué, après déduction des dépenses encourues.
Si les dommages ou les pertes pour lesquels une indemnité a été accordée sont récupérés entièrement ou partiellement après l'exécution de la dispache, la valeur actuelle des marchandises récupérées ou de l'indemnité reçue doit être répartie proportionnellement entre les parties qui ont contribué, après déduction des dépenses encourues.
Art. 2.7.1.10. Verjaring
De rechtsvorderingen wegens averij-grosse verjaren twee jaar na het einde van het voorval.
De aanstelling van een dispacheur of het instellen van een vordering tot aanstelling van een dispacheur stuit de verjaring tot op de dag dat de dispacheur de definitieve omslag heeft neergelegd.
De rechtsvorderingen wegens averij-grosse verjaren twee jaar na het einde van het voorval.
De aanstelling van een dispacheur of het instellen van een vordering tot aanstelling van een dispacheur stuit de verjaring tot op de dag dat de dispacheur de definitieve omslag heeft neergelegd.
Art. 2.7.1.10. Prescription
Les actions en justice pour avarie commune sont prescrites deux ans après la fin de l'événement.
La désignation d'un dispacheur ou la formation d'une demande en désignation d'un dispacheur interrompt la prescription jusqu'au jour où le dispacheur a déposé la dispache définitive.
Les actions en justice pour avarie commune sont prescrites deux ans après la fin de l'événement.
La désignation d'un dispacheur ou la formation d'une demande en désignation d'un dispacheur interrompt la prescription jusqu'au jour où le dispacheur a déposé la dispache définitive.
HOOFDSTUK 2. - Aanvaring
CHAPITRE 2. - Abordage
Art. 2.7.2.1. Internationale toepassing
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle voorvallen bedoeld in artikel 2.7.2.2 waarop noch het Aanvaringsverdrag 1910, noch het Aanvaringsverdrag 1960 van toepassing is.
In het bijzonder is dit hoofdstuk van toepassing op voorvallen waarbij minstens één zeeschip is betrokken, ingeval :
a) de betrokken schepen, desgevallend slechts één ervan, niet behoren tot een Staat die gebonden is door het Aanvaringsverdrag 1910 [1 of]1;
b) [1 al de betrokken schepen Belgische schepen zijn]1.
§ 2. Voor zover het toepasselijke recht niet wordt bepaald door de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen ("Rome II"), past de rechter het Belgisch recht toe.
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle voorvallen bedoeld in artikel 2.7.2.2 waarop noch het Aanvaringsverdrag 1910, noch het Aanvaringsverdrag 1960 van toepassing is.
In het bijzonder is dit hoofdstuk van toepassing op voorvallen waarbij minstens één zeeschip is betrokken, ingeval :
a) de betrokken schepen, desgevallend slechts één ervan, niet behoren tot een Staat die gebonden is door het Aanvaringsverdrag 1910 [1 of]1;
b) [1 al de betrokken schepen Belgische schepen zijn]1.
§ 2. Voor zover het toepasselijke recht niet wordt bepaald door de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen ("Rome II"), past de rechter het Belgisch recht toe.
Art. 2.7.2.1. Application internationale
§ 1er. Le présent chapitre s'applique à tous les événements visés à l'article 2.7.2.2 auxquels ni la Convention sur les Abordages 1910 ni la Convention sur les Abordages 1960 ne sont applicables.
Le présent chapitre s'applique en particulier aux événements impliquant au moins un navire de mer, si :
a) les navires concernés, le cas échéant au moins un d'entre eux, n'appartiennent pas à un Etat lié par la Convention sur les Abordages 1910 [1 ou]1;
b) [1 tous les navires concernés sont des navires belges]1.
§ 2. Pour autant que le droit applicable ne soit pas déterminé par le Règlement (CE) n° 864/2007 du Parlement européen et du Conseil du 11 juillet 2007 sur le droit applicable aux obligations non contractuelles (" Rome II "), le juge applique le droit belge.
§ 1er. Le présent chapitre s'applique à tous les événements visés à l'article 2.7.2.2 auxquels ni la Convention sur les Abordages 1910 ni la Convention sur les Abordages 1960 ne sont applicables.
Le présent chapitre s'applique en particulier aux événements impliquant au moins un navire de mer, si :
a) les navires concernés, le cas échéant au moins un d'entre eux, n'appartiennent pas à un Etat lié par la Convention sur les Abordages 1910 [1 ou]1;
b) [1 tous les navires concernés sont des navires belges]1.
§ 2. Pour autant que le droit applicable ne soit pas déterminé par le Règlement (CE) n° 864/2007 du Parlement européen et du Conseil du 11 juillet 2007 sur le droit applicable aux obligations non contractuelles (" Rome II "), le juge applique le droit belge.
Wijzigingen
Art. 2.7.2.2. Materiële toepassing
§ 1. Dit hoofdstuk regelt de vergoeding van de schade die door een aanvaring tussen twee of meer schepen wordt toegebracht aan schepen en aan de zaken en personen die zich aan boord bevinden.
Hij is van toepassing ongeacht de wateren waarin de aanvaring heeft plaatsgehad.
§ 2. Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op de vergoeding van de schade die een schip, hetzij door het uitvoeren of nalaten van een manoeuvre, hetzij door het niet nakomen van de reglementen, heeft veroorzaakt aan een ander schip of aan de zich aan boord bevindende zaken of personen, ook al heeft er geen aanvaring plaatsgehad.
§ 1. Dit hoofdstuk regelt de vergoeding van de schade die door een aanvaring tussen twee of meer schepen wordt toegebracht aan schepen en aan de zaken en personen die zich aan boord bevinden.
Hij is van toepassing ongeacht de wateren waarin de aanvaring heeft plaatsgehad.
§ 2. Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op de vergoeding van de schade die een schip, hetzij door het uitvoeren of nalaten van een manoeuvre, hetzij door het niet nakomen van de reglementen, heeft veroorzaakt aan een ander schip of aan de zich aan boord bevindende zaken of personen, ook al heeft er geen aanvaring plaatsgehad.
Art. 2.7.2.2. Application matérielle
§ 1er. Le présent chapitre règle les indemnités dues à raison des dommages causés par un abordage survenu entre deux ou plusieurs navires à des navires et aux choses ou personnes se trouvant à bord.
Il est d'application sans qu'il y ait à tenir compte des eaux où l'abordage s'est produit.
§ 2. Le présent chapitre s'étend à la réparation des dommages que, soit par exécution ou omission d'une manoeuvre, soit par inobservation des règlements, un navire a causé soit à un autre navire, soit aux choses ou personnes se trouvant à leur bord, alors même qu'il n'y aurait pas eu abordage.
§ 1er. Le présent chapitre règle les indemnités dues à raison des dommages causés par un abordage survenu entre deux ou plusieurs navires à des navires et aux choses ou personnes se trouvant à bord.
Il est d'application sans qu'il y ait à tenir compte des eaux où l'abordage s'est produit.
§ 2. Le présent chapitre s'étend à la réparation des dommages que, soit par exécution ou omission d'une manoeuvre, soit par inobservation des règlements, un navire a causé soit à un autre navire, soit aux choses ou personnes se trouvant à leur bord, alors même qu'il n'y aurait pas eu abordage.
Art. 2.7.2.3. Andere regelgeving
§ 1. De rechtstreeks werkende bepalingen van het Aanvaringsverdrag 1910 zijn van toepassing op voorvallen die vallen binnen het in artikel 12, eerste lid van dat verdrag omschreven toepassingsgebied.
§ 2. De rechtstreeks werkende bepalingen van het Aanvaringsverdrag 1960 zijn van toepassing op voorvallen die vallen binnen het in artikel 1 van dat verdrag omschreven toepassingsgebied.
§ 3. Voor dit hoofdstuk geldt onverminderd :
1° de bepalingen van dit wetboek betreffende de beperking van de aansprakelijkheid van scheepseigenaars en vervoerders en betreffende de bevrachtings- en vervoerovereenkomsten;
2° het Aanvaringsbevoegdheidsverdrag (Burgerlijke Zaken) 1952;
3° het Aanvaringsbevoegdheidsverdrag (Strafzaken) 1952;
4° artikel 637 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 4. Artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op de door het Aanvaringsverdrag 1910, het Aanvaringsverdrag 1960 of deze titel beheerste vorderingen.
§ 1. De rechtstreeks werkende bepalingen van het Aanvaringsverdrag 1910 zijn van toepassing op voorvallen die vallen binnen het in artikel 12, eerste lid van dat verdrag omschreven toepassingsgebied.
§ 2. De rechtstreeks werkende bepalingen van het Aanvaringsverdrag 1960 zijn van toepassing op voorvallen die vallen binnen het in artikel 1 van dat verdrag omschreven toepassingsgebied.
§ 3. Voor dit hoofdstuk geldt onverminderd :
1° de bepalingen van dit wetboek betreffende de beperking van de aansprakelijkheid van scheepseigenaars en vervoerders en betreffende de bevrachtings- en vervoerovereenkomsten;
2° het Aanvaringsbevoegdheidsverdrag (Burgerlijke Zaken) 1952;
3° het Aanvaringsbevoegdheidsverdrag (Strafzaken) 1952;
4° artikel 637 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 4. Artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op de door het Aanvaringsverdrag 1910, het Aanvaringsverdrag 1960 of deze titel beheerste vorderingen.
Art. 2.7.2.3. Autre réglementation
§ 1er. Les dispositions directement applicables de la Convention sur les Abordages 1910 s'appliquent aux événements qui relèvent du champ d'application décrit à l'article 12, alinéa 1er, de cette convention.
§ 2. Les dispositions directement applicables de la Convention sur les Abordages 1960 s'appliquent aux événements qui relèvent du champ d'application décrit à l'article 1er de cette convention.
§ 3. Le présent chapitre s'applique sans préjudice :
1° les dispositions du présent code relatives à la limitation de la responsabilité des propriétaires de navires et des transporteurs et relatives aux contrats d'affrètement et de transport;
2° la Convention sur la compétence civile en matière d'abordage 1952;
3° la Convention sur la compétence pénale en matière d'abordage 1952;
4° l'article 637 du Code judiciaire.
§ 4. L'article 26 du titre préliminaire du Code d'instruction criminelle ne s'applique pas aux créances régies par la Convention sur les Abordages 1910, la Convention sur les Abordages 1960 ou le présent titre.
§ 1er. Les dispositions directement applicables de la Convention sur les Abordages 1910 s'appliquent aux événements qui relèvent du champ d'application décrit à l'article 12, alinéa 1er, de cette convention.
§ 2. Les dispositions directement applicables de la Convention sur les Abordages 1960 s'appliquent aux événements qui relèvent du champ d'application décrit à l'article 1er de cette convention.
§ 3. Le présent chapitre s'applique sans préjudice :
1° les dispositions du présent code relatives à la limitation de la responsabilité des propriétaires de navires et des transporteurs et relatives aux contrats d'affrètement et de transport;
2° la Convention sur la compétence civile en matière d'abordage 1952;
3° la Convention sur la compétence pénale en matière d'abordage 1952;
4° l'article 637 du Code judiciaire.
§ 4. L'article 26 du titre préliminaire du Code d'instruction criminelle ne s'applique pas aux créances régies par la Convention sur les Abordages 1910, la Convention sur les Abordages 1960 ou le présent titre.
Art. 2.7.2.4. Fout van een schip
Ingeval de aanvaring is veroorzaakt door de fout van de bemanningsleden van één van de schepen, is de vergoeding van de schade ten laste van het schip waarmee de fout is begaan.
Ingeval de aanvaring is veroorzaakt door de fout van de bemanningsleden van één van de schepen, is de vergoeding van de schade ten laste van het schip waarmee de fout is begaan.
Art. 2.7.2.4. Faute d'un navire
Si l'abordage est causé par la faute des membres de l'équipage d'un des navires, la réparation des dommages incombe au navire avec lequel la faut a été commise.
Si l'abordage est causé par la faute des membres de l'équipage d'un des navires, la réparation des dommages incombe au navire avec lequel la faut a été commise.
Art. 2.7.2.5. Fout van twee of meer schepen
§ 1. In geval van fout van de bemanningsleden van twee of meer schepen is ieder schip aansprakelijk in verhouding tot de zwaarte van zijn fout. Ingeval de omstandigheden echter niet toelaten de verhouding vast te stellen of de fouten gelijkwaardig blijken te zijn, wordt de aansprakelijkheid gelijk verdeeld.
§ 2. De schade veroorzaakt hetzij aan de schepen, hetzij aan hun ladingen, hetzij aan de andere zaken die zich aan boord bevinden, wordt door de schepen in fout gedragen in de in paragraaf 1 bedoelde verhouding, zonder hoofdelijkheid.
§ 3. De schepen in fout zijn ten aanzien van derden in solidum aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door dood of verwonding.
Zij zijn in solidum aansprakelijk voor de schade veroorzaakt aan de schepen die geen schuld hebben aan de aanvaring en aan de zaken die zich aan boord van die schepen bevinden.
De vorige leden gelden onverminderd het recht van verhaal van het schip dat een groter deel betaald heeft dan het overeenkomstig het eerste lid van dit artikel uiteindelijk moet dragen. Dit recht van verhaal doet evenwel geen afbreuk aan wettelijke of contractuele ontheffingen of beperkingen van de aansprakelijkheid waarop de verweerder zich tegenover het slachtoffer zou kunnen beroepen.
§ 1. In geval van fout van de bemanningsleden van twee of meer schepen is ieder schip aansprakelijk in verhouding tot de zwaarte van zijn fout. Ingeval de omstandigheden echter niet toelaten de verhouding vast te stellen of de fouten gelijkwaardig blijken te zijn, wordt de aansprakelijkheid gelijk verdeeld.
§ 2. De schade veroorzaakt hetzij aan de schepen, hetzij aan hun ladingen, hetzij aan de andere zaken die zich aan boord bevinden, wordt door de schepen in fout gedragen in de in paragraaf 1 bedoelde verhouding, zonder hoofdelijkheid.
§ 3. De schepen in fout zijn ten aanzien van derden in solidum aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door dood of verwonding.
Zij zijn in solidum aansprakelijk voor de schade veroorzaakt aan de schepen die geen schuld hebben aan de aanvaring en aan de zaken die zich aan boord van die schepen bevinden.
De vorige leden gelden onverminderd het recht van verhaal van het schip dat een groter deel betaald heeft dan het overeenkomstig het eerste lid van dit artikel uiteindelijk moet dragen. Dit recht van verhaal doet evenwel geen afbreuk aan wettelijke of contractuele ontheffingen of beperkingen van de aansprakelijkheid waarop de verweerder zich tegenover het slachtoffer zou kunnen beroepen.
Art. 2.7.2.5. Faute de deux ou plusieurs navires
§ 1er. S'il y a faute commune des membres de l'équipage de deux ou plusieurs navires, la responsabilité de chacun des navires est proportionnelle à la gravité des fautes respectivement commises. Toutefois, si d'après les circonstances,la proportion ne peut pas être établie ou si les fautes apparaissent comme équivalentes, la responsabilité est partagée par parts égales.
§ 2. Les dommages causés soit aux navires, soit à leurs cargaisons, soit aux autres biens se trouvant à bord, sont supportés par les navires en faute, dans la proportion visée au paragraphe 1er.
§ 3. Les navires en faute sont tenus responsables in solidum à l'égard des tiers pour les dommages causés par mort ou blessures.
Ils sont responsables in solidum des dommages causés aux navires qui ne sont pas responsables de l'abordage et aux biens qui se trouvent à bord de ces navires.
Les alinéas précédents s'appliquent sans préjudice du droit de recours du navire qui a payé une part supérieure à celle que, conformément à l'alinéa 1er du présent article, il doit définitivement supporter. Ce droit de recours ne porte cependant pas atteinte aux exonérations ou limitations légales ou contractuelles de responsabilité que le défendeur pourrait invoquer à l'égard de la victime.
§ 1er. S'il y a faute commune des membres de l'équipage de deux ou plusieurs navires, la responsabilité de chacun des navires est proportionnelle à la gravité des fautes respectivement commises. Toutefois, si d'après les circonstances,la proportion ne peut pas être établie ou si les fautes apparaissent comme équivalentes, la responsabilité est partagée par parts égales.
§ 2. Les dommages causés soit aux navires, soit à leurs cargaisons, soit aux autres biens se trouvant à bord, sont supportés par les navires en faute, dans la proportion visée au paragraphe 1er.
§ 3. Les navires en faute sont tenus responsables in solidum à l'égard des tiers pour les dommages causés par mort ou blessures.
Ils sont responsables in solidum des dommages causés aux navires qui ne sont pas responsables de l'abordage et aux biens qui se trouvent à bord de ces navires.
Les alinéas précédents s'appliquent sans préjudice du droit de recours du navire qui a payé une part supérieure à celle que, conformément à l'alinéa 1er du présent article, il doit définitivement supporter. Ce droit de recours ne porte cependant pas atteinte aux exonérations ou limitations légales ou contractuelles de responsabilité que le défendeur pourrait invoquer à l'égard de la victime.
Art. 2.7.2.6. Vermoedens van fout
Ten aanzien van de aansprakelijkheid wegens aanvaring gelden geen wettelijke vermoedens van fout.
Ten aanzien van de aansprakelijkheid wegens aanvaring gelden geen wettelijke vermoedens van fout.
Art. 2.7.2.6. Présomptions de faute
Il n'y a point de présomptions légales de faute quant à la responsabilité de l'abordage.
Il n'y a point de présomptions légales de faute quant à la responsabilité de l'abordage.
Art. 2.7.2.7. Toeval, overmacht en twijfel
Ingeval de aanvaring is veroorzaakt door toeval of door overmacht, of ingeval de oorzaak van de aanvaring twijfelachtig is, draagt elk zijn eigen schade.
Ingeval de aanvaring is veroorzaakt door toeval of door overmacht, of ingeval de oorzaak van de aanvaring twijfelachtig is, draagt elk zijn eigen schade.
Art. 2.7.2.7. Cas fortuit, force majeure et doute
Si l'abordage est fortuit, s'il est dû à un cas de force majeure, ou s'il y a des doutes sur les causes de l'abordage, les dommages sont supportés par ceux qui les ont éprouvés.
Si l'abordage est fortuit, s'il est dû à un cas de force majeure, ou s'il y a des doutes sur les causes de l'abordage, les dommages sont supportés par ceux qui les ont éprouvés.
Art. 2.7.2.8. Geankerde [1 of gemeerde]1 schepen
Artikel 2.7.2.7 blijft van toepassing ingeval de schepen of één daarvan tijdens het ongeval voor anker liggen [1 of gemeerd zijn]1.
Artikel 2.7.2.7 blijft van toepassing ingeval de schepen of één daarvan tijdens het ongeval voor anker liggen [1 of gemeerd zijn]1.
Art. 2.7.2.8. Navires mouillés [1 ou amarrés]1
L'article 2.7.2.7 reste d'application au cas où les navires ou l'un d'entre eux sont au mouillage [1 ou amarrés]1 au moment de l'accident.
L'article 2.7.2.7 reste d'application au cas où les navires ou l'un d'entre eux sont au mouillage [1 ou amarrés]1 au moment de l'accident.
Wijzigingen
Art. 2.7.2.9. Protesten en formaliteiten
De rechtsvordering tot vergoeding van de door de aanvaring geleden schade is niet afhankelijk van een protest of enige andere bijzondere formaliteit.
De rechtsvordering tot vergoeding van de door de aanvaring geleden schade is niet afhankelijk van een protest of enige andere bijzondere formaliteit.
Art. 2.7.2.9. Protêts et formalités
L'action en réparation des dommages subis par suite d'un abordage n'est subordonnée ni à un protêt, ni à aucune autre formalité spéciale.
L'action en réparation des dommages subis par suite d'un abordage n'est subordonnée ni à un protêt, ni à aucune autre formalité spéciale.
Art. 2.7.2.10. Verplichting tot hulpverlening
De scheepseigenaar is niet aansprakelijk wegens de enkele overtreding door de gezagvoerder van artikel 2.4.5.35, § 2.
De scheepseigenaar is niet aansprakelijk wegens de enkele overtreding door de gezagvoerder van artikel 2.4.5.35, § 2.
Art. 2.7.2.10. Obligation de prêter assistance
Le propriétaire du navire n'est pas responsable en raison de la seule contravention à l'article 2.4.5.35, § 2, par le commandant.
Le propriétaire du navire n'est pas responsable en raison de la seule contravention à l'article 2.4.5.35, § 2, par le commandant.
Art. 2.7.2.11. Verjaring
De rechtsvordering tot vergoeding van door aanvaring veroorzaakte schade verjaart twee jaar na het voorval.
De verjaringstermijn voor het instellen van de rechtsvordering tot verhaal toegestaan door artikel 2.7.2.5, § 3, derde lid bedraagt één jaar. Deze verjaring begint eerst te lopen vanaf de dag van de betaling.
De rechtsvordering tot vergoeding van door aanvaring veroorzaakte schade verjaart twee jaar na het voorval.
De verjaringstermijn voor het instellen van de rechtsvordering tot verhaal toegestaan door artikel 2.7.2.5, § 3, derde lid bedraagt één jaar. Deze verjaring begint eerst te lopen vanaf de dag van de betaling.
Art. 2.7.2.11. Prescription
Les actions en réparation de dommages causés par l'abordage se prescrivent par deux ans à partir de l'événement.
Le délai de prescription pour intenter les actions en recours admises par l'article 2.7.2.5, § 3, alinéa 3, est d'une année. Cette prescription ne court que du jour du paiement.
Les actions en réparation de dommages causés par l'abordage se prescrivent par deux ans à partir de l'événement.
Le délai de prescription pour intenter les actions en recours admises par l'article 2.7.2.5, § 3, alinéa 3, est d'une année. Cette prescription ne court que du jour du paiement.
HOOFDSTUK 3. - Verontreiniging
CHAPITRE 3. - Pollution
Afdeling 1. - CLC-Verdrag 1992
Section 1ère. - Convention CLC 1992
Art. 2.7.3.1. Rechtsmacht en bevoegdheid
§ 1. Ingeval een voorval verontreinigingsschade binnen het toepassingsgebied van het CLC-Verdrag 1992 heeft veroorzaakt op het Belgische grondgebied, de territoriale zee inbegrepen, of binnen de Belgische exclusieve economische zone, dan wel preventieve maatregelen zijn genomen ter voorkoming of beperking van verontreinigingsschade in één van die gebieden, kunnen vorderingen tot schadevergoeding uitsluitend worden ingesteld voor de Belgische rechtbanken.
Ingeval ingevolge eenzelfde voorval verontreinigingsschade is veroorzaakt gedeeltelijk op het Belgische grondgebied, de territoriale zee inbegrepen, of binnen de Belgische exclusieve economische zone, en gedeeltelijk op het grondgebied van een andere Staat, de territoriale zee inbegrepen, of binnen een gebied van die Staat bedoeld in artikel II, a), ii) van het CLC-Verdrag 1992, zijn de Belgische rechtbanken bevoegd om kennis te nemen van vorderingen tot vergoeding van in deze laatste Staat veroorzaakte verontreinigingsschade op voorwaarde dat :
1° het beperkingsfonds, dat wordt ingeroepen tegen de schuldvorderingen welke het voorwerp van de vordering uitmaken, door de verweerder bij een Belgische rechtbank overeenkomstig artikel V.3 van het CLC-Verdrag 1992 is gevormd; en
2° de eiser ervan afziet tegen dezelfde verweerder een vordering tot vergoeding van door hetzelfde voorval veroorzaakte schade in te stellen voor een andere rechtsmacht van om het even welke andere Staat, of afstand van deze vordering doet.
§ 2. Nadat het fonds overeenkomstig artikel V.3 van het CLC-Verdrag 1992 is gevormd, is de rechter waar het fonds wordt gevormd bij uitsluiting bevoegd te beslissen in alle aangelegenheden betreffende de toedeling en verdeling van het fonds.
§ 3. Uitsluitend de ondernemingsrechtbank te Antwerpen neemt kennis van de in paragraaf 1 bedoelde vorderingen.
§ 1. Ingeval een voorval verontreinigingsschade binnen het toepassingsgebied van het CLC-Verdrag 1992 heeft veroorzaakt op het Belgische grondgebied, de territoriale zee inbegrepen, of binnen de Belgische exclusieve economische zone, dan wel preventieve maatregelen zijn genomen ter voorkoming of beperking van verontreinigingsschade in één van die gebieden, kunnen vorderingen tot schadevergoeding uitsluitend worden ingesteld voor de Belgische rechtbanken.
Ingeval ingevolge eenzelfde voorval verontreinigingsschade is veroorzaakt gedeeltelijk op het Belgische grondgebied, de territoriale zee inbegrepen, of binnen de Belgische exclusieve economische zone, en gedeeltelijk op het grondgebied van een andere Staat, de territoriale zee inbegrepen, of binnen een gebied van die Staat bedoeld in artikel II, a), ii) van het CLC-Verdrag 1992, zijn de Belgische rechtbanken bevoegd om kennis te nemen van vorderingen tot vergoeding van in deze laatste Staat veroorzaakte verontreinigingsschade op voorwaarde dat :
1° het beperkingsfonds, dat wordt ingeroepen tegen de schuldvorderingen welke het voorwerp van de vordering uitmaken, door de verweerder bij een Belgische rechtbank overeenkomstig artikel V.3 van het CLC-Verdrag 1992 is gevormd; en
2° de eiser ervan afziet tegen dezelfde verweerder een vordering tot vergoeding van door hetzelfde voorval veroorzaakte schade in te stellen voor een andere rechtsmacht van om het even welke andere Staat, of afstand van deze vordering doet.
§ 2. Nadat het fonds overeenkomstig artikel V.3 van het CLC-Verdrag 1992 is gevormd, is de rechter waar het fonds wordt gevormd bij uitsluiting bevoegd te beslissen in alle aangelegenheden betreffende de toedeling en verdeling van het fonds.
§ 3. Uitsluitend de ondernemingsrechtbank te Antwerpen neemt kennis van de in paragraaf 1 bedoelde vorderingen.
Art. 2.7.3.1. Juridiction et compétence
§ 1er. Lorsqu'un événement a causé un dommage par pollution dans le champ d'application de la Convention CLC 1992 sur le territoire belge, y compris la mer territoriale, ou dans la zone économique exclusive belge, ou que des mesures de sauvegarde ont été prises pour prévenir ou limiter tout dommage par pollution dans l'une de ces zones, il ne peut être présenté de demande d'indemnisation que devant les tribunaux belges.
Lorsqu'un même événement a causé un dommage par pollution en partie sur le territoire belge, y compris la mer territoriale, ou dans la zone économique exclusive belge et en partie sur le territoire d'un autre Etat, y compris la mer territoriale ou dans une zone de cet Etat visée à l'article II, a), ii) de la Convention CLC 1992, les tribunaux belges sont compétents pour connaître des actions en réparation de dommages par pollution causés dans ce dernier Etat à condition :
1° que le fonds de limitation opposé aux créances qui forment l'objet de l'action soit constitué par le défendeur auprès d'un tribunal belge conformément à l'article V.3 de la Convention CLC 1992; et
2° que le demandeur renonce d'intenter au même défendeur une action en réparation de dommages causés par le même événement devant une autre juridiction de tout autre Etat ou se désiste de cette action.
§ 2. Après la constitution du fonds conformément à l'article V.3 de la Convention CLC 1992, le tribunal où le fonds est constitué est seul compétent pour statuer sur toutes questions de répartition et de distribution du fonds.
§ 3. Le tribunal de l'entreprise d'Anvers est seul compétent pour connaître les actions visées aux paragraphe 1er.
§ 1er. Lorsqu'un événement a causé un dommage par pollution dans le champ d'application de la Convention CLC 1992 sur le territoire belge, y compris la mer territoriale, ou dans la zone économique exclusive belge, ou que des mesures de sauvegarde ont été prises pour prévenir ou limiter tout dommage par pollution dans l'une de ces zones, il ne peut être présenté de demande d'indemnisation que devant les tribunaux belges.
Lorsqu'un même événement a causé un dommage par pollution en partie sur le territoire belge, y compris la mer territoriale, ou dans la zone économique exclusive belge et en partie sur le territoire d'un autre Etat, y compris la mer territoriale ou dans une zone de cet Etat visée à l'article II, a), ii) de la Convention CLC 1992, les tribunaux belges sont compétents pour connaître des actions en réparation de dommages par pollution causés dans ce dernier Etat à condition :
1° que le fonds de limitation opposé aux créances qui forment l'objet de l'action soit constitué par le défendeur auprès d'un tribunal belge conformément à l'article V.3 de la Convention CLC 1992; et
2° que le demandeur renonce d'intenter au même défendeur une action en réparation de dommages causés par le même événement devant une autre juridiction de tout autre Etat ou se désiste de cette action.
§ 2. Après la constitution du fonds conformément à l'article V.3 de la Convention CLC 1992, le tribunal où le fonds est constitué est seul compétent pour statuer sur toutes questions de répartition et de distribution du fonds.
§ 3. Le tribunal de l'entreprise d'Anvers est seul compétent pour connaître les actions visées aux paragraphe 1er.
Art. 2.7.3.2. Andere regelgeving
De rechtstreeks werkende bepalingen van het CLC-Verdrag 1992 zijn van toepassing op voorvallen die vallen binnen het in artikel II van dat verdrag omschreven toepassingsgebied.
De rechtstreeks werkende bepalingen van het CLC-Verdrag 1992 zijn van toepassing op voorvallen die vallen binnen het in artikel II van dat verdrag omschreven toepassingsgebied.
Art. 2.7.3.2. Autre réglementation
Les dispositions directement applicables de la Convention CLC 1992 s'appliquent aux événements qui relèvent du champ d'application décrit à l'article II de cette convention.
Les dispositions directement applicables de la Convention CLC 1992 s'appliquent aux événements qui relèvent du champ d'application décrit à l'article II de cette convention.
Art. 2.7.3.3. Beperkingsfonds
De artikel en 2.3.2.49 tot 2.3.2.63 zijn van overeenkomstige toepassing op de vorming, de vereffening en de verdeling van het fonds bedoeld in artikel V.3 van het CLC-Verdrag 1992.
De artikel en 2.3.2.49 tot 2.3.2.63 zijn van overeenkomstige toepassing op de vorming, de vereffening en de verdeling van het fonds bedoeld in artikel V.3 van het CLC-Verdrag 1992.
Art. 2.7.3.3. Fonds de limitation
Les articles 2.3.2.49 à 2.3.2.63 sont d'application par analogie à la constitution, la liquidation et la distribution du fonds visé à l'article V.3 de la Convention CLC 1992.
Les articles 2.3.2.49 à 2.3.2.63 sont d'application par analogie à la constitution, la liquidation et la distribution du fonds visé à l'article V.3 de la Convention CLC 1992.
Art. 2.7.3.4. Rechtstreekse vordering
Vorderingen tot vergoeding van verontreinigingsschade kunnen rechtstreeks worden ingesteld tegen de verzekeraar of andere persoon die ter dekking van de aansprakelijkheid van de eigenaar wegens verontreinigingsschade financiële zekerheid stelt krachtens artikel VII.1 van het CLC-Verdrag 1992 of artikel 2.3.2.9, § 1 of 2.3.2.15, § 1 van dit wetboek. In dat geval kan de verweerder, zelfs indien de eigenaar overeenkomstig artikel V.2 van het CLC-Verdrag 1992 niet gerechtigd is zijn aansprakelijkheid te beperken, zich op de in artikel V.1 van dat verdrag omschreven beperking van aansprakelijkheid beroepen. De verweerder mag zich voorts beroepen op de verweermiddelen, het faillissement en de vereffening uitgezonderd, waarop de eigenaar zelf gerechtigd was zich te beroepen. Voorts kan de verweerder een beroep doen op het verweer dat de verontreinigingsschade het gevolg is van opzettelijk wangedrag van de eigenaar zelf, maar de verweerder kan zich niet beroepen op enig ander verweermiddel dat hij zou hebben kunnen aanvoeren in een door de eigenaar tegen hem aanhangig gemaakt rechtsgeding. De verweerder heeft steeds het recht te vorderen dat de eigenaar mede in het geding wordt betrokken.
Vorderingen tot vergoeding van verontreinigingsschade kunnen rechtstreeks worden ingesteld tegen de verzekeraar of andere persoon die ter dekking van de aansprakelijkheid van de eigenaar wegens verontreinigingsschade financiële zekerheid stelt krachtens artikel VII.1 van het CLC-Verdrag 1992 of artikel 2.3.2.9, § 1 of 2.3.2.15, § 1 van dit wetboek. In dat geval kan de verweerder, zelfs indien de eigenaar overeenkomstig artikel V.2 van het CLC-Verdrag 1992 niet gerechtigd is zijn aansprakelijkheid te beperken, zich op de in artikel V.1 van dat verdrag omschreven beperking van aansprakelijkheid beroepen. De verweerder mag zich voorts beroepen op de verweermiddelen, het faillissement en de vereffening uitgezonderd, waarop de eigenaar zelf gerechtigd was zich te beroepen. Voorts kan de verweerder een beroep doen op het verweer dat de verontreinigingsschade het gevolg is van opzettelijk wangedrag van de eigenaar zelf, maar de verweerder kan zich niet beroepen op enig ander verweermiddel dat hij zou hebben kunnen aanvoeren in een door de eigenaar tegen hem aanhangig gemaakt rechtsgeding. De verweerder heeft steeds het recht te vorderen dat de eigenaar mede in het geding wordt betrokken.
Art. 2.7.3.4. Action directe
Toute demande en réparation de dommages dus à la pollution peut être formée directement contre l'assureur ou la personne dont émane la garantie financière couvrant la responsabilité du propriétaire pour les dommages par pollution en vertu de l'article VII.1 de la Convention CLC 1992 ou de l'article 2.3.2.9, § 1er, ou 2.3.2.15, § 1er, du présent code. Dans un tel cas, le défendeur peut, même lorsque le propriétaire n'est pas en droit de limiter sa responsabilité conformément à l'article V.2 de la Convention CLC 1992, se prévaloir des limites de responsabilité décrites à l'article V.1 de cette convention. Le défendeur peut en outre se prévaloir des moyens de défense que le propriétaire serait lui-même fondé à invoquer, excepté ceux tirés de la faillite ou mise en liquidation du propriétaire. Le défendeur peut de surcroît se prévaloir du fait que les dommages par pollution résultent d'une faute intentionnelle du propriétaire lui-même, mais il ne peut se prévaloir d'aucun des autres moyens de défense qu'il aurait pu être fondé à invoquer dans une action intentée par le propriétaire contre lui. Le défendeur peut dans tous les cas obliger le propriétaire à se joindre à la procédure.
Toute demande en réparation de dommages dus à la pollution peut être formée directement contre l'assureur ou la personne dont émane la garantie financière couvrant la responsabilité du propriétaire pour les dommages par pollution en vertu de l'article VII.1 de la Convention CLC 1992 ou de l'article 2.3.2.9, § 1er, ou 2.3.2.15, § 1er, du présent code. Dans un tel cas, le défendeur peut, même lorsque le propriétaire n'est pas en droit de limiter sa responsabilité conformément à l'article V.2 de la Convention CLC 1992, se prévaloir des limites de responsabilité décrites à l'article V.1 de cette convention. Le défendeur peut en outre se prévaloir des moyens de défense que le propriétaire serait lui-même fondé à invoquer, excepté ceux tirés de la faillite ou mise en liquidation du propriétaire. Le défendeur peut de surcroît se prévaloir du fait que les dommages par pollution résultent d'une faute intentionnelle du propriétaire lui-même, mais il ne peut se prévaloir d'aucun des autres moyens de défense qu'il aurait pu être fondé à invoquer dans une action intentée par le propriétaire contre lui. Le défendeur peut dans tous les cas obliger le propriétaire à se joindre à la procédure.
Art. 2.7.3.5. Erkenning en tenuitvoerlegging
Onverminderd artikel 25 van het Wetboek van internationaal privaatrecht worden rechterlijke beslissingen uit Staten die niet door het CLC-Verdrag 1992 zijn gebonden, welke betrekking hebben op de vergoeding van verontreinigingsschade op het Belgische grondgebied, de territoriale zee daaronder begrepen, of binnen de Belgische exclusieve economische zone, in België niet erkend of uitvoerbaar verklaard.
Onverminderd artikel 25 van het Wetboek van internationaal privaatrecht worden rechterlijke beslissingen uit Staten die niet door het CLC-Verdrag 1992 zijn gebonden, welke betrekking hebben op de vergoeding van verontreinigingsschade op het Belgische grondgebied, de territoriale zee daaronder begrepen, of binnen de Belgische exclusieve economische zone, in België niet erkend of uitvoerbaar verklaard.
Art. 2.7.3.5. Reconnaissance et exécution
Sans préjudice de l'article 25 du Code de droit international privé, les décisions judiciaires d'Etats qui ne sont pas liés par la Convention CLC 1992 et qui concernent la réparation des dommages dus à la pollution sur le territoire belge, y compris la mer territoriale, ou dans la zone économique exclusive belge, ne sont pas reconnus ni déclarés exécutoires en Belgique.
Sans préjudice de l'article 25 du Code de droit international privé, les décisions judiciaires d'Etats qui ne sont pas liés par la Convention CLC 1992 et qui concernent la réparation des dommages dus à la pollution sur le territoire belge, y compris la mer territoriale, ou dans la zone économique exclusive belge, ne sont pas reconnus ni déclarés exécutoires en Belgique.
Afdeling 2. - FUND-Verdrag
Section 2. - Convention FUND
Art. 2.7.3.6. Begrippen
In deze afdeling en in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 wordt verstaan onder :
1° "Internationale Olieverontreinigingsfondsen" : het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds;
2° "Internationaal Olieverontreinigingsfonds" : het Internationaal Fonds voor vergoeding van olieverontreinigingsschade opgericht bij artikel 2 van het FUND-Verdrag 1992;
3° "Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds" : het Internationaal Bijkomend Fonds voor vergoeding van olieverontreinigingsschade opgericht bij artikel 2 van het FUND-Protocol 2003.
In deze afdeling en in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 wordt verstaan onder :
1° "Internationale Olieverontreinigingsfondsen" : het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds;
2° "Internationaal Olieverontreinigingsfonds" : het Internationaal Fonds voor vergoeding van olieverontreinigingsschade opgericht bij artikel 2 van het FUND-Verdrag 1992;
3° "Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds" : het Internationaal Bijkomend Fonds voor vergoeding van olieverontreinigingsschade opgericht bij artikel 2 van het FUND-Protocol 2003.
Art. 2.7.3.6. Notions
Dans la présente section et dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait, l'on entend par :
1° " Fonds internationaux Pollution par les hydrocarbures " : le Fonds international Pollution par les hydrocarbures et le Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures;
2° " Fonds international Pollution par les hydrocarbures " : le Fonds international d'indemnisation pour les dommages dus à la pollution par les hydrocarbures institué par l'article 2 de la Convention FUND 1992;
3° " Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures " : le Fonds complémentaire international d'indemnisation pour les dommages dus à la pollution par les hydrocarbures institué par l'article 2 du Protocole FUND 2003.
Dans la présente section et dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait, l'on entend par :
1° " Fonds internationaux Pollution par les hydrocarbures " : le Fonds international Pollution par les hydrocarbures et le Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures;
2° " Fonds international Pollution par les hydrocarbures " : le Fonds international d'indemnisation pour les dommages dus à la pollution par les hydrocarbures institué par l'article 2 de la Convention FUND 1992;
3° " Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures " : le Fonds complémentaire international d'indemnisation pour les dommages dus à la pollution par les hydrocarbures institué par l'article 2 du Protocole FUND 2003.
Art. 2.7.3.7. Andere regelgeving
De rechtstreeks werkende bepalingen van het FUND-Verdrag 1992 en het FUND-Protocol 2003 zijn van toepassing op voorvallen die vallen binnen het in artikel 3 van dat verdrag respectievelijk artikel 3 van dat protocol omschreven toepassingsgebied.
De rechtstreeks werkende bepalingen van het FUND-Verdrag 1992 en het FUND-Protocol 2003 zijn van toepassing op voorvallen die vallen binnen het in artikel 3 van dat verdrag respectievelijk artikel 3 van dat protocol omschreven toepassingsgebied.
Art. 2.7.3.7. Autre réglementation
Les dispositions directement applicables de la Convention FUND 1992 et du Protocole FUND 2003 s'appliquent aux événements qui relèvent du champ d'application décrit respectivement à l'article 3 de cette convention et à l'article 3 de ce protocole.
Les dispositions directement applicables de la Convention FUND 1992 et du Protocole FUND 2003 s'appliquent aux événements qui relèvent du champ d'application décrit respectivement à l'article 3 de cette convention et à l'article 3 de ce protocole.
Art. 2.7.3.8. Rechtspersoonlijkheid van de Internationale Olieverontreinigingsfondsen
Het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds zijn als rechtspersoon erkend.
De beheerder van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en de beheerder van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds zijn hun respectievelijke wettige vertegenwoordigers in België.
Het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds zijn als rechtspersoon erkend.
De beheerder van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en de beheerder van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds zijn hun respectievelijke wettige vertegenwoordigers in België.
Art. 2.7.3.8. Personnalité juridique des Fonds internationaux Pollution par les hydrocarbures
La personnalité juridique est reconnue au Fonds international Pollution par les hydrocarbures et au Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures.
L'administrateur du Fonds international Pollution par les hydrocarbures et l'administrateur du Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures en sont respectivement les représentants légaux en Belgique.
La personnalité juridique est reconnue au Fonds international Pollution par les hydrocarbures et au Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures.
L'administrateur du Fonds international Pollution par les hydrocarbures et l'administrateur du Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures en sont respectivement les représentants légaux en Belgique.
Art. 2.7.3.9. Bevoegdheid
Uitsluitend de ondernemingsrechtbank te Antwerpen neemt kennis van :
1° vorderingen tot vergoeding van verontreinigingsschade tegen het Internationaal Olieverontreinigingsfonds op grond van artikel 4 van het Fonds-Verdrag en tegen het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds op grond van artikel 4 van het Fonds-Protocol;
2° vorderingen van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds met het oog op de betaling van de bijdragen die moeten gestort worden door de personen bedoeld in artikel 2.7.3.12, § 1, eerste lid.
Een vordering tot vergoeding van verontreinigingsschade tegen het Internationaal Olieverontreinigingsfonds wordt beschouwd als een vordering ingesteld door dezelfde eiser tegen het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds.
Uitsluitend de ondernemingsrechtbank te Antwerpen neemt kennis van :
1° vorderingen tot vergoeding van verontreinigingsschade tegen het Internationaal Olieverontreinigingsfonds op grond van artikel 4 van het Fonds-Verdrag en tegen het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds op grond van artikel 4 van het Fonds-Protocol;
2° vorderingen van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds met het oog op de betaling van de bijdragen die moeten gestort worden door de personen bedoeld in artikel 2.7.3.12, § 1, eerste lid.
Een vordering tot vergoeding van verontreinigingsschade tegen het Internationaal Olieverontreinigingsfonds wordt beschouwd als een vordering ingesteld door dezelfde eiser tegen het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds.
Art. 2.7.3.9. Compétence
Le tribunal de l'entreprise d'Anvers est seul compétent pour connaître :
1° des actions en réparation des dommages causés par la pollution contre le Fonds international Pollution par les hydrocarbures en vertu de l'article 4 de la Convention Fonds et contre le Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures en vertu de l'article 4 du Protocole du Fonds;
2° des actions intentées par le Fonds international Pollution par les hydrocarbures et par le Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures en vue du paiement des contributions qui doivent être versées par les personnes visées à l'article 2.7.3.12, § 1er, alinéa 1er.
Une action en réparation des dommages causés par la pollution contre le Fonds international Pollution par les hydrocarbures est considérée comme une action introduite par le même demandeur contre le Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures.
Le tribunal de l'entreprise d'Anvers est seul compétent pour connaître :
1° des actions en réparation des dommages causés par la pollution contre le Fonds international Pollution par les hydrocarbures en vertu de l'article 4 de la Convention Fonds et contre le Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures en vertu de l'article 4 du Protocole du Fonds;
2° des actions intentées par le Fonds international Pollution par les hydrocarbures et par le Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures en vue du paiement des contributions qui doivent être versées par les personnes visées à l'article 2.7.3.12, § 1er, alinéa 1er.
Une action en réparation des dommages causés par la pollution contre le Fonds international Pollution par les hydrocarbures est considérée comme une action introduite par le même demandeur contre le Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures.
Art. 2.7.3.10. Tussenkomst van de Internationale Olieverontreinigingsfondsen
Het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds kunnen optreden als tussenkomende partij in elke procedure tot vergoeding van verontreinigingsschade die voor de ondernemingsrechtbank te Antwerpen tegen een eigenaar of zijn garant wordt gevoerd in overeenstemming met artikel 2.7.3.1.
Wanneer overeenkomstig artikel 2.7.3.1 tegen een eigenaar of zijn garant voor de ondernemingsrechtbank te Antwerpen een vordering tot vergoeding wordt ingesteld, kan elke procespartij deze vordering, bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, ter kennis van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds brengen.
Het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds kunnen optreden als tussenkomende partij in elke procedure tot vergoeding van verontreinigingsschade die voor de ondernemingsrechtbank te Antwerpen tegen een eigenaar of zijn garant wordt gevoerd in overeenstemming met artikel 2.7.3.1.
Wanneer overeenkomstig artikel 2.7.3.1 tegen een eigenaar of zijn garant voor de ondernemingsrechtbank te Antwerpen een vordering tot vergoeding wordt ingesteld, kan elke procespartij deze vordering, bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, ter kennis van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds brengen.
Art. 2.7.3.10. Intervention des fonds internationaux Pollution par les hydrocarbures
Le Fonds international Pollution par les hydrocarbures et le Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures peuvent se porter parties intervenantes à toute action en réparation de dommage dû à la pollution ouverte conformément à l'article 2.7.3.1 contre un propriétaire ou son garant, devant le tribunal de l'entreprise d'Anvers.
Lorsqu'une action en réparation est intentée conformément à l'article 2.7.3.1 contre un propriétaire ou son garant, devant le tribunal de l'entreprise d'Anvers, toute partie à la procédure peut notifier cette action au Fonds international Pollution par les hydrocarbures et au Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures, par envoi recommandé, avec accusé de réception.
Le Fonds international Pollution par les hydrocarbures et le Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures peuvent se porter parties intervenantes à toute action en réparation de dommage dû à la pollution ouverte conformément à l'article 2.7.3.1 contre un propriétaire ou son garant, devant le tribunal de l'entreprise d'Anvers.
Lorsqu'une action en réparation est intentée conformément à l'article 2.7.3.1 contre un propriétaire ou son garant, devant le tribunal de l'entreprise d'Anvers, toute partie à la procédure peut notifier cette action au Fonds international Pollution par les hydrocarbures et au Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures, par envoi recommandé, avec accusé de réception.
Art. 2.7.3.11. Subrogatie en verhaal
Het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds treden, ieder wat hem betreft, voor elk bedrag aan vergoeding dat zij op grond van artikel 4 van het FUND-Verdrag 1992 en artikel 4 van het FUND-Protocol 2003 hebben betaald, bij wege van subrogatie in de rechten die de persoon wiens verontreinigingsschade is vergoed, zou hebben kunnen doen gelden ten aanzien van de eigenaar of zijn garant.
Het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds verwerft bij subrogatie de rechten die de vergoede persoon heeft tegen het Internationaal Olieverontreinigingsfonds.
Onverminderd andere eventuele rechten van subrogatie of verhaal tegen het Internationaal Olieverontreinigingsfonds of het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds, treedt elke openbare dienst behorend tot de federale Regering of de Regeringen van de Gewesten of Gemeenschappen die vergoedingen voor verontreinigingsschade betaald heeft, in de rechten die de vergoede persoon zou hebben gehad krachtens het FUND-Verdrag 1992 en het FUND-Protocol 2003.
Het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds treden, ieder wat hem betreft, voor elk bedrag aan vergoeding dat zij op grond van artikel 4 van het FUND-Verdrag 1992 en artikel 4 van het FUND-Protocol 2003 hebben betaald, bij wege van subrogatie in de rechten die de persoon wiens verontreinigingsschade is vergoed, zou hebben kunnen doen gelden ten aanzien van de eigenaar of zijn garant.
Het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds verwerft bij subrogatie de rechten die de vergoede persoon heeft tegen het Internationaal Olieverontreinigingsfonds.
Onverminderd andere eventuele rechten van subrogatie of verhaal tegen het Internationaal Olieverontreinigingsfonds of het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds, treedt elke openbare dienst behorend tot de federale Regering of de Regeringen van de Gewesten of Gemeenschappen die vergoedingen voor verontreinigingsschade betaald heeft, in de rechten die de vergoede persoon zou hebben gehad krachtens het FUND-Verdrag 1992 en het FUND-Protocol 2003.
Art. 2.7.3.11. Subrogation et recours
Lors du versement de toute somme effectué par eux en vertu des articles 4 de la Convention FUND 1992 et du Protocole FUND 2003, le Fonds international Pollution par les hydrocarbures et le Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures sont subrogés, chacun en ce qui le concerne, dans les droits que la personne indemnisée aurait pu faire valoir, lors d'un dommage par pollution, à l'encontre du propriétaire ou de son garant.
Le Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures acquiert par subrogation les droits dont la personne indemnisée peut jouir à l'encontre du Fonds international Pollution par les hydrocarbures.
Sans préjudice des autres droits éventuels de subrogation ou de recours contre le Fonds international Pollution par les hydrocarbures ou le Fonds complémentaire Pollution par les hydrocarbures, tout service public relevant du Gouvernement fédéral ou des Gouvernements des Régions ou des Communautés qui a versé des indemnités pour des dommages dus à la pollution est subrogé aux droits que la personne indemnisée aurait eus en vertu de la Convention FUND 1992 et du Protocole FUND 2003.
Lors du versement de toute somme effectué par eux en vertu des articles 4 de la Convention FUND 1992 et du Protocole FUND 2003, le Fonds international Pollution par les hydrocarbures et le Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures sont subrogés, chacun en ce qui le concerne, dans les droits que la personne indemnisée aurait pu faire valoir, lors d'un dommage par pollution, à l'encontre du propriétaire ou de son garant.
Le Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures acquiert par subrogation les droits dont la personne indemnisée peut jouir à l'encontre du Fonds international Pollution par les hydrocarbures.
Sans préjudice des autres droits éventuels de subrogation ou de recours contre le Fonds international Pollution par les hydrocarbures ou le Fonds complémentaire Pollution par les hydrocarbures, tout service public relevant du Gouvernement fédéral ou des Gouvernements des Régions ou des Communautés qui a versé des indemnités pour des dommages dus à la pollution est subrogé aux droits que la personne indemnisée aurait eus en vertu de la Convention FUND 1992 et du Protocole FUND 2003.
Art. 2.7.3.12. Inning van bijdragen
§ 1. De Koning regelt de wijze van inning van de jaarlijkse bijdragen die krachtens artikel 10 van het FUND-Verdrag 1992 en artikel 10 van het FUND-Protocol 2003 moeten worden betaald door iedere persoon die op Belgisch grondgebied olie waarvoor een bijdrage verschuldigd is ontvangt.
De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder "geassocieerde persoon" in de zin van artikel 10 van het FUND-Verdrag 1992.
§ 2. Wanneer de totale hoeveelheid olie waarvoor een bijdrage verschuldigd is ontvangen in havens of laad- en losinstallaties gelegen op het Belgisch grondgebied minder dan 1.000.000 ton bedraagt, rusten op de Belgische Staat de verplichtingen die krachtens het FUND-Protocol 2003 zouden rusten op elke persoon die aan het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds een bijdrage moet betalen in zoverre de totale ontvangen hoeveelheid olie niet aan een of andere persoon kan worden toegeschreven.
§ 1. De Koning regelt de wijze van inning van de jaarlijkse bijdragen die krachtens artikel 10 van het FUND-Verdrag 1992 en artikel 10 van het FUND-Protocol 2003 moeten worden betaald door iedere persoon die op Belgisch grondgebied olie waarvoor een bijdrage verschuldigd is ontvangt.
De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder "geassocieerde persoon" in de zin van artikel 10 van het FUND-Verdrag 1992.
§ 2. Wanneer de totale hoeveelheid olie waarvoor een bijdrage verschuldigd is ontvangen in havens of laad- en losinstallaties gelegen op het Belgisch grondgebied minder dan 1.000.000 ton bedraagt, rusten op de Belgische Staat de verplichtingen die krachtens het FUND-Protocol 2003 zouden rusten op elke persoon die aan het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds een bijdrage moet betalen in zoverre de totale ontvangen hoeveelheid olie niet aan een of andere persoon kan worden toegeschreven.
Art. 2.7.3.12. Recouvrement des contributions
§ 1er. Le Roi règle les modalités de recouvrement des contributions annuelles dues, en vertu des articles 10 de la Convention FUND 1992 et du Protocole FUND 2003, par toute personne qui reçoit, sur le territoire belge, des hydrocarbures donnant lieu à contribution.
Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par " personne associée " au sens de l'article 10 de la Convention FUND 1992.
§ 2. Lorsque la quantité totale d'hydrocarbures donnant lieu à contribution reçue dans des ports ou installations terminales situées sur le territoire belge est inférieure à 1 .000 .000 de tonnes, l'Etat belge assume les obligations qui, en vertu du Protocole FUND 2003, incomberaient à toute personne tenue de contribuer au Fonds complémentaire Pollution par les hydrocarbures dans la mesure où la quantité totale reçue ne peut être imputée à quelque personne que ce soit.
§ 1er. Le Roi règle les modalités de recouvrement des contributions annuelles dues, en vertu des articles 10 de la Convention FUND 1992 et du Protocole FUND 2003, par toute personne qui reçoit, sur le territoire belge, des hydrocarbures donnant lieu à contribution.
Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par " personne associée " au sens de l'article 10 de la Convention FUND 1992.
§ 2. Lorsque la quantité totale d'hydrocarbures donnant lieu à contribution reçue dans des ports ou installations terminales situées sur le territoire belge est inférieure à 1 .000 .000 de tonnes, l'Etat belge assume les obligations qui, en vertu du Protocole FUND 2003, incomberaient à toute personne tenue de contribuer au Fonds complémentaire Pollution par les hydrocarbures dans la mesure où la quantité totale reçue ne peut être imputée à quelque personne que ce soit.
Art. 2.7.3.13. Aangiften
De persoon bedoeld in artikel 2.7.3.12, § 1 moet jaarlijks aan de bevoegde overheid aangifte doen van de hoeveelheden bijdragende olie die hij in de loop van het voorgaande kalenderjaar ontvangen heeft.
De Koning bepaalt de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de aangifte moet worden verricht.
De persoon bedoeld in artikel 2.7.3.12, § 1 moet jaarlijks aan de bevoegde overheid aangifte doen van de hoeveelheden bijdragende olie die hij in de loop van het voorgaande kalenderjaar ontvangen heeft.
De Koning bepaalt de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de aangifte moet worden verricht.
Art. 2.7.3.13. Déclarations
La personne visée à l'article 2.7.3.12, § 1er, doit déclarer annuellement à l'autorité compétente les quantités d'hydrocarbures donnant lieu à contribution qu'elle a reçues au cours d'année civile précédente.
Le Roi fixe les conditions et les modalités selon lesquelles est effectuée la déclaration.
La personne visée à l'article 2.7.3.12, § 1er, doit déclarer annuellement à l'autorité compétente les quantités d'hydrocarbures donnant lieu à contribution qu'elle a reçues au cours d'année civile précédente.
Le Roi fixe les conditions et les modalités selon lesquelles est effectuée la déclaration.
Art. 2.7.3.14. Mededelingen aan de Internationale Olieverontreinigingsfondsen
§ 1. Overeenkomstig artikel 15 van het FUND-Verdrag 1992 en artikel 13 van het FUND-Protocol 2003 deelt de bevoegde overheid aan de beheerder van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en aan de beheerder van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds de naam en het adres mee van iedere persoon bedoeld in 2.7.3.12, § 1, alsook de gegevens over de hoeveelheden bijdragende olie die deze persoon in de loop van het voorgaande kalenderjaar ontvangen heeft.
§ 2. Wanneer een persoon de in artikel 2.7.3.13 bedoelde verplichting niet of te laat nakomt, bepaalt de bevoegde overheid de gegevens over de olie waarvoor een bijdrage verschuldigd is voor deze persoon en deelt zij ze aan de beheerder van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en aan de beheerder van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds mee.
§ 3. Bij aangetekende zending deelt de bevoegde overheid aan iedere persoon de hem betreffende gegevens welke zij aan de beheerder van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en aan de beheerder van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds meedeelt krachtens paragraaf 1 en 2. Al de voormelde mededelingen gebeuren gelijktijdig. Ingeval in de mededelingen wordt afgeweken van de aangifte die verricht is overeenkomstig artikel 2.3.7.13 of ingeval de mededelingen worden verricht overeenkomstig paragraaf 2, wordt daarvan in de mededeling aan de betrokken persoon melding gemaakt.
De betrokken persoon kan aan de bevoegde overheid zijn opmerkingen bij de mededelingen aan de beheerder van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en aan de beheerder van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds meedelen bij een aangetekende zending welke moet worden verzonden binnen tien dagen nadat die persoon van de mededelingen overeenkomstig het vorige lid op de hoogte werd gebracht. Nadat de betrokken persoon werd gehoord, kan de bevoegde overheid de mededelingen wijzigen binnen dertig dagen nadat ze aan de beheerder van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en aan de beheerder van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds werden toegezonden. Na het verstrijken van voormelde termijn kan in de mededelingen geen enkele wijziging meer worden aangebracht.
De bevoegde overheid brengt de betrokken persoon op de hoogte van het gevolg dat aan zijn opmerkingen is gegeven bij een aangetekende zending welke moet worden verzonden binnen veertig dagen nadat de mededelingen hem werden toegezonden.
§ 1. Overeenkomstig artikel 15 van het FUND-Verdrag 1992 en artikel 13 van het FUND-Protocol 2003 deelt de bevoegde overheid aan de beheerder van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en aan de beheerder van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds de naam en het adres mee van iedere persoon bedoeld in 2.7.3.12, § 1, alsook de gegevens over de hoeveelheden bijdragende olie die deze persoon in de loop van het voorgaande kalenderjaar ontvangen heeft.
§ 2. Wanneer een persoon de in artikel 2.7.3.13 bedoelde verplichting niet of te laat nakomt, bepaalt de bevoegde overheid de gegevens over de olie waarvoor een bijdrage verschuldigd is voor deze persoon en deelt zij ze aan de beheerder van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en aan de beheerder van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds mee.
§ 3. Bij aangetekende zending deelt de bevoegde overheid aan iedere persoon de hem betreffende gegevens welke zij aan de beheerder van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en aan de beheerder van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds meedeelt krachtens paragraaf 1 en 2. Al de voormelde mededelingen gebeuren gelijktijdig. Ingeval in de mededelingen wordt afgeweken van de aangifte die verricht is overeenkomstig artikel 2.3.7.13 of ingeval de mededelingen worden verricht overeenkomstig paragraaf 2, wordt daarvan in de mededeling aan de betrokken persoon melding gemaakt.
De betrokken persoon kan aan de bevoegde overheid zijn opmerkingen bij de mededelingen aan de beheerder van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en aan de beheerder van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds meedelen bij een aangetekende zending welke moet worden verzonden binnen tien dagen nadat die persoon van de mededelingen overeenkomstig het vorige lid op de hoogte werd gebracht. Nadat de betrokken persoon werd gehoord, kan de bevoegde overheid de mededelingen wijzigen binnen dertig dagen nadat ze aan de beheerder van het Internationaal Olieverontreinigingsfonds en aan de beheerder van het Internationaal Bijkomend Olieverontreinigingsfonds werden toegezonden. Na het verstrijken van voormelde termijn kan in de mededelingen geen enkele wijziging meer worden aangebracht.
De bevoegde overheid brengt de betrokken persoon op de hoogte van het gevolg dat aan zijn opmerkingen is gegeven bij een aangetekende zending welke moet worden verzonden binnen veertig dagen nadat de mededelingen hem werden toegezonden.
Art. 2.7.3.14. Communications aux Fonds internationaux Pollution par les hydrocarbures
§ 1er. Conformément à l'article 15 de la Convention FUND 1992 et à l'article 13 du Protocole FUND 2003, l'autorité compétente communique à l'administrateur du Fonds international Pollution par les hydrocarbures et à l'administrateur du Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures le nom et l'adresse de toute personne visée à l'article 2.7.3.12, § 1er, ainsi que les indications sur les quantités d'hydrocarbures donnant lieu à contribution qui ont été reçues par cette personne au cours de l'année civile précédente.
§ 2. Lorsqu'une personne ne remplit pas ou remplit tardivement l'obligation visée à l'article 2.7.3.13, l'autorité compétente détermine les indications sur les quantités d'hydrocarbures donnant lieu à contribution relatives à cette personne et les communique à l'administrateur du Fonds international Pollution par les hydrocarbures et à l'administrateur du Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures.
§ 3. L'autorité compétente informe, par envoi recommandé, toute personne des communications qui leur sont relatives et qu'il adresse à l'administrateur du Fonds international Pollution par les hydrocarbures et à l'administrateur du Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures en vertu des paragraphes 1er et 2. Toutes les communications mentionnées ont lieu simultanément. Si dans ces communications, il est dérogé à la déclaration effectuée conformément à l'article 2.3.7.13 ou si ces communications sont réalisées en application du paragraaf 2, il en est fait mention dans l'information adressée à la personne concernée.
Sur ces communications adressées à l'administrateur du Fonds international Pollution par les hydrocarbures et à l'administrateur du Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures, la personne concernée peut présenter à l'autorité compétente, ses observations, par envoi recommandé, dans un délai de dix jours après en avoir été informée conformément à l'alinéa précédent. L'autorité compétente peut modifier ces communications dans un délai de trente jours à compter du jour où celles-ci ont été envoyées à l'administrateur du Fonds international Pollution par les hydrocarbures et à l'administrateur du Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures, la personne concernée étant entendue au préalable dans ses observations. Ce délai expiré, aucune modification ne peut plus être apportée à ces communications.
L'autorité compétente informe la personne concernée de la suite réservée à ses observations, par envoi recommandé, dans un délai de quarante jours prenant cours le jour où les communications lui ont été envoyées.
§ 1er. Conformément à l'article 15 de la Convention FUND 1992 et à l'article 13 du Protocole FUND 2003, l'autorité compétente communique à l'administrateur du Fonds international Pollution par les hydrocarbures et à l'administrateur du Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures le nom et l'adresse de toute personne visée à l'article 2.7.3.12, § 1er, ainsi que les indications sur les quantités d'hydrocarbures donnant lieu à contribution qui ont été reçues par cette personne au cours de l'année civile précédente.
§ 2. Lorsqu'une personne ne remplit pas ou remplit tardivement l'obligation visée à l'article 2.7.3.13, l'autorité compétente détermine les indications sur les quantités d'hydrocarbures donnant lieu à contribution relatives à cette personne et les communique à l'administrateur du Fonds international Pollution par les hydrocarbures et à l'administrateur du Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures.
§ 3. L'autorité compétente informe, par envoi recommandé, toute personne des communications qui leur sont relatives et qu'il adresse à l'administrateur du Fonds international Pollution par les hydrocarbures et à l'administrateur du Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures en vertu des paragraphes 1er et 2. Toutes les communications mentionnées ont lieu simultanément. Si dans ces communications, il est dérogé à la déclaration effectuée conformément à l'article 2.3.7.13 ou si ces communications sont réalisées en application du paragraaf 2, il en est fait mention dans l'information adressée à la personne concernée.
Sur ces communications adressées à l'administrateur du Fonds international Pollution par les hydrocarbures et à l'administrateur du Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures, la personne concernée peut présenter à l'autorité compétente, ses observations, par envoi recommandé, dans un délai de dix jours après en avoir été informée conformément à l'alinéa précédent. L'autorité compétente peut modifier ces communications dans un délai de trente jours à compter du jour où celles-ci ont été envoyées à l'administrateur du Fonds international Pollution par les hydrocarbures et à l'administrateur du Fonds complémentaire international Pollution par les hydrocarbures, la personne concernée étant entendue au préalable dans ses observations. Ce délai expiré, aucune modification ne peut plus être apportée à ces communications.
L'autorité compétente informe la personne concernée de la suite réservée à ses observations, par envoi recommandé, dans un délai de quarante jours prenant cours le jour où les communications lui ont été envoyées.
Afdeling 3. - BUNKER-Verdrag
Section 3. - Convention BUNKER
Art. 2.7.3.15. Rechtsmacht en bevoegdheid
§ 1. Ingeval een voorval verontreinigingsschade binnen het toepassingsgebied van het BUNKER-Verdrag heeft veroorzaakt op het Belgische grondgebied, de territoriale zee inbegrepen, of binnen de Belgische exclusieve economische zone, dan wel preventieve maatregelen zijn genomen ter voorkoming of beperking van verontreinigingsschade in één van die gebieden, kunnen vorderingen tot schadevergoeding tegen de scheepseigenaar, de verzekeraar of andere persoon die financiële zekerheid stelt voor de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar uitsluitend worden ingesteld voor de Belgische rechtbanken.
Ingeval ingevolge eenzelfde voorval verontreinigingsschade is veroorzaakt gedeeltelijk op het Belgische grondgebied, de territoriale zee inbegrepen, of binnen de Belgische exclusieve economische zone, en gedeeltelijk op het grondgebied van een andere Staat, de territoriale zee inbegrepen, of binnen een gebied van die Staat bedoeld in artikel 2, a), ii) van het BUNKER-Verdrag, zijn de in paragraaf 1 bedoelde rechtbanken bevoegd om kennis te nemen van vorderingen tot vergoeding van in deze laatste Staat veroorzaakte verontreinigingsschade op voorwaarde dat :
1° het beperkingsfonds, dat wordt ingeroepen tegen de schuldvorderingen welke het voorwerp van de vordering uitmaken, door de verweerder bij een Belgische rechtbank overeenkomstig artikel 2.3.2.50. is gevormd; en
2° de eiser ervan afziet tegen dezelfde verweerder een vordering tot vergoeding van door hetzelfde voorval veroorzaakte schade in te stellen voor een andere rechtsmacht van om het even welke andere Staat, of afstand van deze vordering doet.
§ 2. Uitsluitend de ondernemingsrechtbank te Antwerpen neemt kennis van de in paragraaf 1 bedoelde vorderingen.
§ 1. Ingeval een voorval verontreinigingsschade binnen het toepassingsgebied van het BUNKER-Verdrag heeft veroorzaakt op het Belgische grondgebied, de territoriale zee inbegrepen, of binnen de Belgische exclusieve economische zone, dan wel preventieve maatregelen zijn genomen ter voorkoming of beperking van verontreinigingsschade in één van die gebieden, kunnen vorderingen tot schadevergoeding tegen de scheepseigenaar, de verzekeraar of andere persoon die financiële zekerheid stelt voor de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar uitsluitend worden ingesteld voor de Belgische rechtbanken.
Ingeval ingevolge eenzelfde voorval verontreinigingsschade is veroorzaakt gedeeltelijk op het Belgische grondgebied, de territoriale zee inbegrepen, of binnen de Belgische exclusieve economische zone, en gedeeltelijk op het grondgebied van een andere Staat, de territoriale zee inbegrepen, of binnen een gebied van die Staat bedoeld in artikel 2, a), ii) van het BUNKER-Verdrag, zijn de in paragraaf 1 bedoelde rechtbanken bevoegd om kennis te nemen van vorderingen tot vergoeding van in deze laatste Staat veroorzaakte verontreinigingsschade op voorwaarde dat :
1° het beperkingsfonds, dat wordt ingeroepen tegen de schuldvorderingen welke het voorwerp van de vordering uitmaken, door de verweerder bij een Belgische rechtbank overeenkomstig artikel 2.3.2.50. is gevormd; en
2° de eiser ervan afziet tegen dezelfde verweerder een vordering tot vergoeding van door hetzelfde voorval veroorzaakte schade in te stellen voor een andere rechtsmacht van om het even welke andere Staat, of afstand van deze vordering doet.
§ 2. Uitsluitend de ondernemingsrechtbank te Antwerpen neemt kennis van de in paragraaf 1 bedoelde vorderingen.
Art. 2.7.3.15. Juridiction et compétence
§ 1er. Lorsqu'un événement a causé un dommage dû à la pollution dans le champ d'application de la Convention BUNKER sur le territoire belge, y compris la mer territoriale, ou dans la zone économique exclusive belge, ou que des mesures préventives ont été prises pour prévenir ou limiter tout dommage dû à la pollution dans l'une de ces zones, il ne peut être présenté de demande d'indemnisation contre le propriétaire de navire, l'assureur ou une autre personne dont émane la garantie financière couvrant la responsabilité du propriétaire de navire que devant les tribunaux belges.
Lorsqu'un même événement a causé un dommage dû à la pollution en partie sur le territoire belge, y compris la mer territoriale, ou dans la zone économique exclusive belge et en partie sur le territoire d'un autre Etat, y compris la mer territoriale ou dans une zone de cet Etat visée à l'article 2, a), ii) de la Convention BUNKER, les tribunaux visés au paragraphe 1er sont compétents pour connaître des actions en réparation de dommages par pollution causés dans ce dernier Etat à condition :
1° que le fonds de limitation opposé aux créances qui forment l'objet de l'action soit constitué par le défendeur auprès d'un tribunal belge conformément à l'article 2.3.2.50.; et
2° que le demandeur renonce d'intenter au même défendeur une action en réparation de dommages causés par le même événement devant une autre juridiction de tout autre Etat ou se désiste de cette action.
§ 2. Le tribunal de l'entreprise d'Anvers est seul compétent pour connaître les actions visées au paragraphe 1er.
§ 1er. Lorsqu'un événement a causé un dommage dû à la pollution dans le champ d'application de la Convention BUNKER sur le territoire belge, y compris la mer territoriale, ou dans la zone économique exclusive belge, ou que des mesures préventives ont été prises pour prévenir ou limiter tout dommage dû à la pollution dans l'une de ces zones, il ne peut être présenté de demande d'indemnisation contre le propriétaire de navire, l'assureur ou une autre personne dont émane la garantie financière couvrant la responsabilité du propriétaire de navire que devant les tribunaux belges.
Lorsqu'un même événement a causé un dommage dû à la pollution en partie sur le territoire belge, y compris la mer territoriale, ou dans la zone économique exclusive belge et en partie sur le territoire d'un autre Etat, y compris la mer territoriale ou dans une zone de cet Etat visée à l'article 2, a), ii) de la Convention BUNKER, les tribunaux visés au paragraphe 1er sont compétents pour connaître des actions en réparation de dommages par pollution causés dans ce dernier Etat à condition :
1° que le fonds de limitation opposé aux créances qui forment l'objet de l'action soit constitué par le défendeur auprès d'un tribunal belge conformément à l'article 2.3.2.50.; et
2° que le demandeur renonce d'intenter au même défendeur une action en réparation de dommages causés par le même événement devant une autre juridiction de tout autre Etat ou se désiste de cette action.
§ 2. Le tribunal de l'entreprise d'Anvers est seul compétent pour connaître les actions visées au paragraphe 1er.
Art. 2.7.3.16. Andere regelgeving
De rechtstreeks werkende bepalingen van het BUNKER-Verdrag zijn van toepassing op voorvallen die vallen binnen het in artikel 2 van dat verdrag omschreven toepassingsgebied.
De rechtstreeks werkende bepalingen van het BUNKER-Verdrag zijn van toepassing op voorvallen die vallen binnen het in artikel 2 van dat verdrag omschreven toepassingsgebied.
Art. 2.7.3.16. Autre réglementation
Les dispositions directement applicables de la Convention BUNKER s'appliquent aux événements qui relèvent du champ d'application décrit à l'article 2 de cette convention.
Les dispositions directement applicables de la Convention BUNKER s'appliquent aux événements qui relèvent du champ d'application décrit à l'article 2 de cette convention.
Art. 2.7.3.17. Immuniteit van aangestelden, lasthebbers en dienstverleners
Onverminderd artikel 3.6 van het BUNKER-Verdrag kan geen vordering tot schadevergoeding, al dan niet op basis van dit hoofdstuk, worden ingesteld tegen :
1° de aangestelden of lasthebbers van de scheepseigenaar of de bemanningsleden;
2° de loods of enige andere persoon die, zonder bemanningslid te zijn, diensten voor het [1 zeeschip]1 verricht;
3° elke persoon die met de instemming van de scheepseigenaar of in opdracht van een bevoegde openbare autoriteit bergingswerkzaamheden verricht;
4° elke persoon die preventieve maatregelen neemt; en
5° elke aangestelde of lasthebber van de onder 3° en 4° genoemde personen.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de schade het gevolg is van het persoonlijk handelen of nalaten van de betrokkenen, begaan hetzij met het opzet zodanige schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat zodanige schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Onverminderd artikel 3.6 van het BUNKER-Verdrag kan geen vordering tot schadevergoeding, al dan niet op basis van dit hoofdstuk, worden ingesteld tegen :
1° de aangestelden of lasthebbers van de scheepseigenaar of de bemanningsleden;
2° de loods of enige andere persoon die, zonder bemanningslid te zijn, diensten voor het [1 zeeschip]1 verricht;
3° elke persoon die met de instemming van de scheepseigenaar of in opdracht van een bevoegde openbare autoriteit bergingswerkzaamheden verricht;
4° elke persoon die preventieve maatregelen neemt; en
5° elke aangestelde of lasthebber van de onder 3° en 4° genoemde personen.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de schade het gevolg is van het persoonlijk handelen of nalaten van de betrokkenen, begaan hetzij met het opzet zodanige schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat zodanige schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Art. 2.7.3.17. Immunité des préposés, mandataires et prestataires de services
Sans préjudice de l'article 3.6 de la Convention BUNKER, aucune demande en réparation de dommage, qu'elle soit ou non fondée sur le présent chapitre, ne peut être introduite contre :
1° les préposés ou mandataires du propriétaire ou les membres de l'équipage;
2° le pilote ou une autre personne qui, sans être membre de l'équipage, s'acquitte de services pour le [1 navire de mer]1;
3° toute personne accomplissant des opérations d'assistance avec l'accord du propriétaire ou sur les instructions d'une autorité publique compétente;
4° toute personne prenant des mesures préventives; et
5° tous préposés ou mandataires des personnes mentionnées aux points 3° et 4°.
L'alinéa 1er n'est pas d'application si le dommage résulte du fait ou de l'omission personnels des personnes concernées, commis avec l'intention de provoquer un tel dommage, ou commis témérairement et avec conscience qu'un tel dommage en résulterait probablement.
Sans préjudice de l'article 3.6 de la Convention BUNKER, aucune demande en réparation de dommage, qu'elle soit ou non fondée sur le présent chapitre, ne peut être introduite contre :
1° les préposés ou mandataires du propriétaire ou les membres de l'équipage;
2° le pilote ou une autre personne qui, sans être membre de l'équipage, s'acquitte de services pour le [1 navire de mer]1;
3° toute personne accomplissant des opérations d'assistance avec l'accord du propriétaire ou sur les instructions d'une autorité publique compétente;
4° toute personne prenant des mesures préventives; et
5° tous préposés ou mandataires des personnes mentionnées aux points 3° et 4°.
L'alinéa 1er n'est pas d'application si le dommage résulte du fait ou de l'omission personnels des personnes concernées, commis avec l'intention de provoquer un tel dommage, ou commis témérairement et avec conscience qu'un tel dommage en résulterait probablement.
Wijzigingen
Art. 2.7.3.18. Rechtstreekse vordering
Vorderingen tot vergoeding van verontreinigingsschade kunnen rechtstreeks worden ingesteld tegen de verzekeraar of andere persoon die ter dekking van de aansprakelijkheid van de geregistreerde eigenaar wegens verontreinigingsschade financiële zekerheid stelt krachtens artikel 7.1 van het BUNKER-Verdrag of artikel 2.3.2.9, § 2 of artikel 2.3.2.15, § 2 van dit wetboek. In dat geval kan de verweerder zich beroepen op de verweermiddelen, (ander dan het faillissement of de vereffening van de eigenaar,) waarop de scheepseigenaar een beroep zou hebben kunnen doen, met inbegrip van beperking van de aansprakelijkheid krachtens artikel 6 van het BUNKER-Verdrag.
Voorts kan de verweerder, zelfs indien de scheepseigenaar overeenkomstig artikel 6 van het BUNKER-Verdrag niet gerechtigd is tot beperking van de aansprakelijkheid, de aansprakelijkheid beperken tot een bedrag gelijk aan het bedrag van de verzekering of andere financiële zekerheid die in overeenstemming met artikel 7.1 van het BUNKER-Verdrag of artikel 2.3.2.9, § 2 of 2.3.2.15, § 2 van dit wetboek in stand moet worden gehouden. De verweerder kan voorts een beroep doen op het verweer dat de verontreinigingsschade het gevolg is van opzettelijk wangedrag van de scheepseigenaar, maar de verweerder kan zich niet beroepen op enig ander verweermiddel dat de verweerder zou hebben kunnen aanvoeren in een door de scheepseigenaar tegen de verweerder aanhangig gemaakt rechtsgeding. De verweerder heeft steeds het recht de scheepseigenaar tot gedwongen tussenkomst op te roepen.
Vorderingen tot vergoeding van verontreinigingsschade kunnen rechtstreeks worden ingesteld tegen de verzekeraar of andere persoon die ter dekking van de aansprakelijkheid van de geregistreerde eigenaar wegens verontreinigingsschade financiële zekerheid stelt krachtens artikel 7.1 van het BUNKER-Verdrag of artikel 2.3.2.9, § 2 of artikel 2.3.2.15, § 2 van dit wetboek. In dat geval kan de verweerder zich beroepen op de verweermiddelen, (ander dan het faillissement of de vereffening van de eigenaar,) waarop de scheepseigenaar een beroep zou hebben kunnen doen, met inbegrip van beperking van de aansprakelijkheid krachtens artikel 6 van het BUNKER-Verdrag.
Voorts kan de verweerder, zelfs indien de scheepseigenaar overeenkomstig artikel 6 van het BUNKER-Verdrag niet gerechtigd is tot beperking van de aansprakelijkheid, de aansprakelijkheid beperken tot een bedrag gelijk aan het bedrag van de verzekering of andere financiële zekerheid die in overeenstemming met artikel 7.1 van het BUNKER-Verdrag of artikel 2.3.2.9, § 2 of 2.3.2.15, § 2 van dit wetboek in stand moet worden gehouden. De verweerder kan voorts een beroep doen op het verweer dat de verontreinigingsschade het gevolg is van opzettelijk wangedrag van de scheepseigenaar, maar de verweerder kan zich niet beroepen op enig ander verweermiddel dat de verweerder zou hebben kunnen aanvoeren in een door de scheepseigenaar tegen de verweerder aanhangig gemaakt rechtsgeding. De verweerder heeft steeds het recht de scheepseigenaar tot gedwongen tussenkomst op te roepen.
Art. 2.7.3.18. Action directe
Toute demande en réparation d'un dommage par pollution peut être formée directement contre l'assureur ou l'autre personne dont émane la garantie financière couvrant la responsabilité du propriétaire inscrit pour les dommages par pollution en vertu de l'article 7.1 de la Convention BUNKER ou de l'article 2.3.2.9, § 2, ou 2.3.2.15, § 2, du présent code. Dans un tel cas, le défendeur peut se prévaloir des moyens de défense que le propriétaire du navire serait fondé à invoquer (excepté ceux tirés de la faillite ou mise en liquidation du propriétaire du navire), y compris la limitation de la responsabilité en vertu de l'article 6 de la Convention BUNKER.
En outre, le défendeur peut, même si le propriétaire du navire n'est pas en droit de limiter sa responsabilité conformément à l'article 6 de la Convention BUNKER, limiter sa responsabilité à un montant égal à la valeur de l'assurance ou autre garantie financière qu'il est exigé de souscrire conformément à l'article 7.1 de la Convention BUNKER ou à l'article 2.3.2.9, § 2, ou 2.3.2.15, § 2, du présent code. De surcroît, le défendeur peut se prévaloir du fait que le dommage par pollution résulte d'une faute intentionnelle du propriétaire du navire, mais il ne peut se prévaloir d'aucun des autres moyens de défense qu'il aurait pu être fondé à invoquer dans une action intentée par le propriétaire du navire contre lui. Le défendeur peut dans tous les cas appeler le propriétaire du navire en intervention forcée.
Toute demande en réparation d'un dommage par pollution peut être formée directement contre l'assureur ou l'autre personne dont émane la garantie financière couvrant la responsabilité du propriétaire inscrit pour les dommages par pollution en vertu de l'article 7.1 de la Convention BUNKER ou de l'article 2.3.2.9, § 2, ou 2.3.2.15, § 2, du présent code. Dans un tel cas, le défendeur peut se prévaloir des moyens de défense que le propriétaire du navire serait fondé à invoquer (excepté ceux tirés de la faillite ou mise en liquidation du propriétaire du navire), y compris la limitation de la responsabilité en vertu de l'article 6 de la Convention BUNKER.
En outre, le défendeur peut, même si le propriétaire du navire n'est pas en droit de limiter sa responsabilité conformément à l'article 6 de la Convention BUNKER, limiter sa responsabilité à un montant égal à la valeur de l'assurance ou autre garantie financière qu'il est exigé de souscrire conformément à l'article 7.1 de la Convention BUNKER ou à l'article 2.3.2.9, § 2, ou 2.3.2.15, § 2, du présent code. De surcroît, le défendeur peut se prévaloir du fait que le dommage par pollution résulte d'une faute intentionnelle du propriétaire du navire, mais il ne peut se prévaloir d'aucun des autres moyens de défense qu'il aurait pu être fondé à invoquer dans une action intentée par le propriétaire du navire contre lui. Le défendeur peut dans tous les cas appeler le propriétaire du navire en intervention forcée.
Art. 2.7.3.19. Erkenning en tenuitvoerlegging
§ 1. Wanneer ze door een rechtsinstantie van een andere lidstaat van de Europese Unie, met uitzondering van Denemarken, zijn gegeven, worden de beslissingen over zaken die onder het BUNKER-Verdrag vallen, in België erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig de toepasselijke interne Unierechtelijke regelgeving ter zake.
§ 2. Onverminderd artikel 25 van het Wetboek van internationaal privaatrecht worden rechterlijke beslissingen uit Staten die niet door het BUNKER-Verdrag zijn gebonden, welke betrekking hebben op de vergoeding van verontreinigingsschade op het Belgische grondgebied, de territoriale zee inbegrepen, of binnen de Belgische exclusieve economische zone, niet in België erkend of uitvoerbaar verklaard.
§ 1. Wanneer ze door een rechtsinstantie van een andere lidstaat van de Europese Unie, met uitzondering van Denemarken, zijn gegeven, worden de beslissingen over zaken die onder het BUNKER-Verdrag vallen, in België erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig de toepasselijke interne Unierechtelijke regelgeving ter zake.
§ 2. Onverminderd artikel 25 van het Wetboek van internationaal privaatrecht worden rechterlijke beslissingen uit Staten die niet door het BUNKER-Verdrag zijn gebonden, welke betrekking hebben op de vergoeding van verontreinigingsschade op het Belgische grondgebied, de territoriale zee inbegrepen, of binnen de Belgische exclusieve economische zone, niet in België erkend of uitvoerbaar verklaard.
Art. 2.7.3.19. Reconnaissance et exécution
§ 1er. Les décisions portant sur des matières couvertes par la Convention BUNKER, lorsqu'elles sont rendues par un tribunal d'un autre Etat membre de l'Union européenne sauf le Danemark, sont reconnues et exécutées en Belgique conformément à la réglementation de l'Union européenne interne pertinente en la matière.
§ 2. Sans préjudice de l'article 25 du Code de droit international privé, les décisions judiciaires d'Etats qui ne sont pas liés par la Convention BUNKER et qui concernent la réparation des dommages dus à la pollution sur le territoire belge, y compris la mer territoriale, ou dans la zone économique exclusive belge, ne sont pas reconnus ni déclarés exécutoires en Belgique.
§ 1er. Les décisions portant sur des matières couvertes par la Convention BUNKER, lorsqu'elles sont rendues par un tribunal d'un autre Etat membre de l'Union européenne sauf le Danemark, sont reconnues et exécutées en Belgique conformément à la réglementation de l'Union européenne interne pertinente en la matière.
§ 2. Sans préjudice de l'article 25 du Code de droit international privé, les décisions judiciaires d'Etats qui ne sont pas liés par la Convention BUNKER et qui concernent la réparation des dommages dus à la pollution sur le territoire belge, y compris la mer territoriale, ou dans la zone économique exclusive belge, ne sont pas reconnus ni déclarés exécutoires en Belgique.
Afdeling 4. - Nucleaire schade
Section 4. - Dommage nucléaire
Art. 2.7.3.20. Schade door nucleaire schepen
§ 1. De exploitant van een nucleair aangedreven schip is objectief aansprakelijk voor elke schade waarvan is bewezen dat zij werd veroorzaakt door een kernongeval door dit schip teweeggebracht.
Alleen de exploitant van het nucleair aangedreven schip is voor de in het eerste lid bedoelde schade aansprakelijk.
§ 2. De aansprakelijkheid van de exploitant is ten aanzien van eenzelfde schip beperkt tot 800.000.000,00 euro voor eenzelfde atoomongeval. In dit bedrag zijn de gerechtskosten begrepen.
De Koning kan het in het eerste lid vermelde bedrag verhogen rekening houdend met de muntontwaarding.
§ 3. De rechtspersonen die krachtens de wetten en verordeningen financiële tegemoetkomingen of verstrekkingen zoals geneeskundige zorgen verlenen, treden in de rechten van de slachtoffers van een kernongeval of van hun rechtverkrijgenden ten aanzien van de exploitant van het nucleair aangedreven schip, tot het beloop van de sommen die ofwel als tegemoetkoming werden uitgekeerd, ofwel de onbetaald gebleven kosten vertegenwoordigen.
§ 4. Alleen de ondernemingsrechtbank te Antwerpen is bevoegd om in eerste aanleg kennis te nemen van vorderingen gegrond op de bepalingen van dit hoofdstuk en op de ter zake gesloten internationale verdragen.
§ 1. De exploitant van een nucleair aangedreven schip is objectief aansprakelijk voor elke schade waarvan is bewezen dat zij werd veroorzaakt door een kernongeval door dit schip teweeggebracht.
Alleen de exploitant van het nucleair aangedreven schip is voor de in het eerste lid bedoelde schade aansprakelijk.
§ 2. De aansprakelijkheid van de exploitant is ten aanzien van eenzelfde schip beperkt tot 800.000.000,00 euro voor eenzelfde atoomongeval. In dit bedrag zijn de gerechtskosten begrepen.
De Koning kan het in het eerste lid vermelde bedrag verhogen rekening houdend met de muntontwaarding.
§ 3. De rechtspersonen die krachtens de wetten en verordeningen financiële tegemoetkomingen of verstrekkingen zoals geneeskundige zorgen verlenen, treden in de rechten van de slachtoffers van een kernongeval of van hun rechtverkrijgenden ten aanzien van de exploitant van het nucleair aangedreven schip, tot het beloop van de sommen die ofwel als tegemoetkoming werden uitgekeerd, ofwel de onbetaald gebleven kosten vertegenwoordigen.
§ 4. Alleen de ondernemingsrechtbank te Antwerpen is bevoegd om in eerste aanleg kennis te nemen van vorderingen gegrond op de bepalingen van dit hoofdstuk en op de ter zake gesloten internationale verdragen.
Art. 2.7.3.20. Dommage par des navires nucléaires
§ 1er. L'exploitant d'un navire nucléaire est objectivement responsable de tout dommage dont il est prouvé qu'il a été causé par un accident nucléaire provoqué par ce navire.
Aucune personne autre que l'exploitant du navire nucléaire n'est responsable du dommage visé à l'alinéa 1er.
§ 2. La responsabilité de l'exploitant en ce qui concerne un même navire est limitée à 800 .000 .000,00 euros pour un même accident nucléaire. Ce montant comprend les frais de justice.
Le Roi peut augmenter le montant énoncé à l'alinéa 1er compte tenu de l'érosion monétaire.
§ 3. Les personnes morales qui, en vertu des lois et règlements, accordent des interventions financières ou effectuent des prestations telles que des soins médicaux, sont subrogées dans les droits des victimes d'un accident nucléaire ou de leurs ayants droit à l'égard de l'exploitant du navire nucléaire, jusqu'à concurrence des sommes qui ont été liquidées au titre d'intervention ou qui représentent les frais demeurés impayés.
§ 4. Le tribunal de l'entreprise d'Anvers est seul compétent pour connaître en premier ressort des actions fondées sur les dispositions du présent chapitre et sur les accords internationaux conclus en la matière.
§ 1er. L'exploitant d'un navire nucléaire est objectivement responsable de tout dommage dont il est prouvé qu'il a été causé par un accident nucléaire provoqué par ce navire.
Aucune personne autre que l'exploitant du navire nucléaire n'est responsable du dommage visé à l'alinéa 1er.
§ 2. La responsabilité de l'exploitant en ce qui concerne un même navire est limitée à 800 .000 .000,00 euros pour un même accident nucléaire. Ce montant comprend les frais de justice.
Le Roi peut augmenter le montant énoncé à l'alinéa 1er compte tenu de l'érosion monétaire.
§ 3. Les personnes morales qui, en vertu des lois et règlements, accordent des interventions financières ou effectuent des prestations telles que des soins médicaux, sont subrogées dans les droits des victimes d'un accident nucléaire ou de leurs ayants droit à l'égard de l'exploitant du navire nucléaire, jusqu'à concurrence des sommes qui ont été liquidées au titre d'intervention ou qui représentent les frais demeurés impayés.
§ 4. Le tribunal de l'entreprise d'Anvers est seul compétent pour connaître en premier ressort des actions fondées sur les dispositions du présent chapitre et sur les accords internationaux conclus en la matière.
Art. 2.7.3.21. Ontheffing van aansprakelijkheid overeenkomstig de NUCLEAR-Overeenkomst
De rechtstreeks werkende bepalingen van de NUCLEAR-Overeenkomst zijn van toepassing op de aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door een kernongeval in de gevallen bedoeld in artikel 1 en artikel 2, lid 1 van die overeenkomst.
De rechtstreeks werkende bepalingen van de NUCLEAR-Overeenkomst zijn van toepassing op de aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door een kernongeval in de gevallen bedoeld in artikel 1 en artikel 2, lid 1 van die overeenkomst.
Art. 2.7.3.21. Exonération de responsabilité conformément à la Convention NUCLEAR
Les dispositions directement applicables de la Convention NUCLEAR s'appliquent à la responsabilité pour un dommage causé par un accident nucléaire dans les cas visés à l'article 1er et à l'article 2, alinéa 1er, de cette convention.
Les dispositions directement applicables de la Convention NUCLEAR s'appliquent à la responsabilité pour un dommage causé par un accident nucléaire dans les cas visés à l'article 1er et à l'article 2, alinéa 1er, de cette convention.
Afdeling 5. [1 - Het HNS-Verdrag 2010]1
Section 5. [1 - La Convention HNS 2010]1
Art. 2.7.3.30. [1 Bijdragen
Elke persoon die in de loop van het voorgaande kalenderjaar de ontvanger is van schadelijke en gevaarlijke stoffen die aanleiding geven tot een bijdrage, stort de bijdragen aan het HNS-Fonds, overeenkomstig de artikelen 16 tot 20 van het HNS-Verdrag 2010.
De persoon bedoeld in het eerste lid geeft bij de Scheepvaartcontrole de jaarlijks ontvangen hoeveelheden schadelijke en gevaarlijke stoffen aan.]1
Elke persoon die in de loop van het voorgaande kalenderjaar de ontvanger is van schadelijke en gevaarlijke stoffen die aanleiding geven tot een bijdrage, stort de bijdragen aan het HNS-Fonds, overeenkomstig de artikelen 16 tot 20 van het HNS-Verdrag 2010.
De persoon bedoeld in het eerste lid geeft bij de Scheepvaartcontrole de jaarlijks ontvangen hoeveelheden schadelijke en gevaarlijke stoffen aan.]1
Art. 2.7.3.30. [1 Contributions
Toute personne qui, au cours de l'année civile précédente, est le réceptionnaire de quantités de substances nuisibles et potentiellement dangereuses donnant lieu à contribution, verse les contributions au Fonds HNS, conformément aux articles 16 à 20 de la Convention HNS 2010.
La personne visée à l'alinéa 1er déclare au Contrôle de la Navigation les quantités de substances nuisibles et potentiellement dangereuses reçues annuellement.]1
Toute personne qui, au cours de l'année civile précédente, est le réceptionnaire de quantités de substances nuisibles et potentiellement dangereuses donnant lieu à contribution, verse les contributions au Fonds HNS, conformément aux articles 16 à 20 de la Convention HNS 2010.
La personne visée à l'alinéa 1er déclare au Contrôle de la Navigation les quantités de substances nuisibles et potentiellement dangereuses reçues annuellement.]1
Art. 2.7.3.31. [1 Aangiften, mededeling en inning van bijdragen
De Koning regelt de wijze van inning van de bijdragen aan het HNS-Fonds, bedoeld in artikel 2.7.3.30, alsook de aangiften en de mededeling aan het HNS-Fonds overeenkomstig de artikelen 16 tot 21 van het HNS-Verdrag 2010.]1
De Koning regelt de wijze van inning van de bijdragen aan het HNS-Fonds, bedoeld in artikel 2.7.3.30, alsook de aangiften en de mededeling aan het HNS-Fonds overeenkomstig de artikelen 16 tot 21 van het HNS-Verdrag 2010.]1
Art. 2.7.3.31. [1 Déclarations, communication et recouvrement des contributions
Le Roi fixe les modalités de perception des contributions au Fonds HNS visées à l'article 2.7.3.30, ainsi que les déclarations et la communication avec le Fonds HNS selon les articles 16 à 21 de la Convention HNS 2010.]1
Le Roi fixe les modalités de perception des contributions au Fonds HNS visées à l'article 2.7.3.30, ainsi que les déclarations et la communication avec le Fonds HNS selon les articles 16 à 21 de la Convention HNS 2010.]1
HOOFDSTUK 4. - Toevluchtsoorden
CHAPITRE 4. - Lieux de refuge
Art. 2.7.4.1. Richtlijn 2002/59/EG
Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EG van de Raad.
Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EG van de Raad.
Art. 2.7.4.1. Directive 2002/59/CE
Le présent chapitre transpose partiellement la Directive 2002/59/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 juin 2002 relative à la mise en place d'un système communautaire de suivi du trafic des navires et d'information, et abrogeant la directive 93/75/CEE du Conseil.
Le présent chapitre transpose partiellement la Directive 2002/59/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 juin 2002 relative à la mise en place d'un système communautaire de suivi du trafic des navires et d'information, et abrogeant la directive 93/75/CEE du Conseil.
Art. 2.7.4.2. Begrippen
In dit hoofdstuk en in de erop betrekking hebbende bepalingen van deel 4 wordt verstaan onder :
1° "schip", in afwijking van artikel 1.1.1.3, § 1, 1° : een zeeschip of -vaartuig, alsook elk vast of drijvend kunstwerk;
2° "bijstandbehoevend schip" : onverminderd het SAR-Verdrag, een schip in omstandigheden die gevaar voor verlies van het schip, voor het milieu of voor de scheepvaart kunnen opleveren;
3° "toevluchtsoord" : een voor de opvang van bijstandbehoevende schepen aangewezen haven, deel van een haven of andere beschutte aanleg- of ankerplaats dan wel veilig gebied;
4° "exploitant" : de reder of beheerder van een schip;
5° "agent" : de persoon die opdracht of toestemming heeft om namens de exploitant van een schip informatie te verstrekken;
6° "verzekeringscertificaat" : het verzekeringscertificaat bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 2009/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de verzekering van scheepseigenaars tegen maritieme vorderingen;
7° "federale overheidsdiensten met bevoegdheid op zee" : de federale overheidsdiensten met bevoegdheid op zee bedoeld in artikel 7, § 1, 1°, van het Samenwerkingsakkoord Kustwacht, en de federale overheidsdienst Justitie;
8° "bevoegde instantie" : de instantie bevoegd voor de opvang van bijstandbehoevende schepen bedoeld in artikel 2.7.4.4.
In dit hoofdstuk en in de erop betrekking hebbende bepalingen van deel 4 wordt verstaan onder :
1° "schip", in afwijking van artikel 1.1.1.3, § 1, 1° : een zeeschip of -vaartuig, alsook elk vast of drijvend kunstwerk;
2° "bijstandbehoevend schip" : onverminderd het SAR-Verdrag, een schip in omstandigheden die gevaar voor verlies van het schip, voor het milieu of voor de scheepvaart kunnen opleveren;
3° "toevluchtsoord" : een voor de opvang van bijstandbehoevende schepen aangewezen haven, deel van een haven of andere beschutte aanleg- of ankerplaats dan wel veilig gebied;
4° "exploitant" : de reder of beheerder van een schip;
5° "agent" : de persoon die opdracht of toestemming heeft om namens de exploitant van een schip informatie te verstrekken;
6° "verzekeringscertificaat" : het verzekeringscertificaat bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 2009/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de verzekering van scheepseigenaars tegen maritieme vorderingen;
7° "federale overheidsdiensten met bevoegdheid op zee" : de federale overheidsdiensten met bevoegdheid op zee bedoeld in artikel 7, § 1, 1°, van het Samenwerkingsakkoord Kustwacht, en de federale overheidsdienst Justitie;
8° "bevoegde instantie" : de instantie bevoegd voor de opvang van bijstandbehoevende schepen bedoeld in artikel 2.7.4.4.
Art. 2.7.4.2. Notions
Dans le présent chapitre et dans les dispositions de la partie 4 qui y ont trait, l'on entend par :
1° " navire " : en dérogation à l'article 1.1.1.3, § 1er, 1° : tout bâtiment de mer ou engin de mer, ainsi que tout ouvrage d'art fixe ou flottant;
2° " navire ayant besoin d'assistance " : sans préjudice de la Convention SAR, un navire se trouvant dans une situation qui pourrait entraîner la perte du navire, ou constituer une menace pour l'environnement ou pour la navigation;
3° " lieu de refuge " : un port, une partie d'un port ou un autre mouillage ou ancrage de protection ou toute autre zone abritée, pour accueillir des navires ayant besoin d'assistance;
4° " exploitant " : l'armateur ou le gérant du navire;
5° " agent " : toute personne mandatée ou autorisée à délivrer l'information au nom de l'exploitant du navire;
6° " certificat d'assurance " : la preuve d'assurance visée à l'article 6 de la Directive 2009/20/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 relative à l'assurance des propriétaires de navires pour les créances maritimes;
7° " services publics fédéraux ayant compétence en mer " : les services publics fédéraux ayant compétence en mer, tels que visés à l'article 7, § 1er, 1°, de l'Accord de coopération Garde côtière, et le service public fédéral Justice;
8° " autorité compétente " : l'instance compétente de l'accueil des navires ayant besoin d'assistance visés à l'article 2.7.4.4.
Dans le présent chapitre et dans les dispositions de la partie 4 qui y ont trait, l'on entend par :
1° " navire " : en dérogation à l'article 1.1.1.3, § 1er, 1° : tout bâtiment de mer ou engin de mer, ainsi que tout ouvrage d'art fixe ou flottant;
2° " navire ayant besoin d'assistance " : sans préjudice de la Convention SAR, un navire se trouvant dans une situation qui pourrait entraîner la perte du navire, ou constituer une menace pour l'environnement ou pour la navigation;
3° " lieu de refuge " : un port, une partie d'un port ou un autre mouillage ou ancrage de protection ou toute autre zone abritée, pour accueillir des navires ayant besoin d'assistance;
4° " exploitant " : l'armateur ou le gérant du navire;
5° " agent " : toute personne mandatée ou autorisée à délivrer l'information au nom de l'exploitant du navire;
6° " certificat d'assurance " : la preuve d'assurance visée à l'article 6 de la Directive 2009/20/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 relative à l'assurance des propriétaires de navires pour les créances maritimes;
7° " services publics fédéraux ayant compétence en mer " : les services publics fédéraux ayant compétence en mer, tels que visés à l'article 7, § 1er, 1°, de l'Accord de coopération Garde côtière, et le service public fédéral Justice;
8° " autorité compétente " : l'instance compétente de l'accueil des navires ayant besoin d'assistance visés à l'article 2.7.4.4.
Art. 2.7.4.3. Materiële en ruimtelijke toepassing
Dit hoofdstuk is van toepassing op de opvang van bijstandbehoevende schepen die zich bevinden in de Belgische maritieme zones of in een Belgisch toevluchtsoord.
Dit hoofdstuk is van toepassing op de opvang van bijstandbehoevende schepen die zich bevinden in de Belgische maritieme zones of in een Belgisch toevluchtsoord.
Art. 2.7.4.3. Application matérielle et spatiale
Le présent chapitre s'applique à l'accueil des navires ayant besoin d'assistance qui se trouvent dans les zones maritimes belges ou dans un lieu de refuge belge.
Le présent chapitre s'applique à l'accueil des navires ayant besoin d'assistance qui se trouvent dans les zones maritimes belges ou dans un lieu de refuge belge.
Art. 2.7.4.4. Bevoegde instantie
§ 1. De gouverneur van de Provincie West-Vlaanderen wordt aangeduid als de bevoegde instantie.
De bevoegde instantie wordt bijgestaan door de door de Koning aan te wijzen vertegenwoordigers van de federale overheidsdiensten met bevoegdheid op zee.
§ 2. De bevoegde instantie beschikt over de vereiste deskundigheid en bevoegdheid om op het ogenblik van de operatie onafhankelijk en autonoom beslissingen te nemen betreffende de opvang van schepen die bijstand behoeven.
§ 3. Vanaf het ogenblik bepaald in de plannen bedoeld in artikel 2.7.4.6 oefent de bevoegde instantie de aan de federale overheidsdiensten met bevoegdheid op zee opgedragen bevoegdheden uit.
De bevoegdheid van de bevoegde instantie om op grond van de in het eerste lid toegekende bevoegdheden op te treden, strekt zich slechts uit tot het treffen van de maatregelen en de beslissingen bedoeld in de artikel en 2.7.4.5, § 1, eerste lid, en 2.7.4.7.
§ 4. De bevoegde instantie en de federale overheidsdiensten met bevoegdheid op zee komen regelmatig bijeen om ervaringen uit te wisselen en de toekomstige uitoefening van hun bevoegdheden te verbeteren. Zij kunnen steeds samenkomen naar aanleiding van bijzondere omstandigheden.
§ 1. De gouverneur van de Provincie West-Vlaanderen wordt aangeduid als de bevoegde instantie.
De bevoegde instantie wordt bijgestaan door de door de Koning aan te wijzen vertegenwoordigers van de federale overheidsdiensten met bevoegdheid op zee.
§ 2. De bevoegde instantie beschikt over de vereiste deskundigheid en bevoegdheid om op het ogenblik van de operatie onafhankelijk en autonoom beslissingen te nemen betreffende de opvang van schepen die bijstand behoeven.
§ 3. Vanaf het ogenblik bepaald in de plannen bedoeld in artikel 2.7.4.6 oefent de bevoegde instantie de aan de federale overheidsdiensten met bevoegdheid op zee opgedragen bevoegdheden uit.
De bevoegdheid van de bevoegde instantie om op grond van de in het eerste lid toegekende bevoegdheden op te treden, strekt zich slechts uit tot het treffen van de maatregelen en de beslissingen bedoeld in de artikel en 2.7.4.5, § 1, eerste lid, en 2.7.4.7.
§ 4. De bevoegde instantie en de federale overheidsdiensten met bevoegdheid op zee komen regelmatig bijeen om ervaringen uit te wisselen en de toekomstige uitoefening van hun bevoegdheden te verbeteren. Zij kunnen steeds samenkomen naar aanleiding van bijzondere omstandigheden.
Art. 2.7.4.4. Autorité compétente
§ 1er. Le gouverneur de la province de Flandre occidentale est désigné comme l'instance compétente.
L'autorité compétente est assistée par les représentants des services publics fédéraux ayant compétence en mer, à désigner par le Roi.
§ 2. L'instance compétente a l'expertise requise et le pouvoir, au moment de l'opération de prendre de sa propre initiative des décisions en toute indépendance en ce qui concerne l'accueil des navires ayant besoin d'assistance.
§ 3. A partir du moment établi dans les plans visés à l'article 2.7.4.6, l'instance compétente exerce les compétences dévolues aux services publics fédéraux ayant compétence en mer.
Le pouvoir de l'instance compétente d'exercer les compétences qui lui sont octroyées en vertu de l'alinéa 1er est limité aux mesures et aux décisions visées aux articles 2.7.4.5, § 1er, alinéa 1er, et 2.7.4.7.
§ 4. L'instance compétente et les services publics fédéraux ayant compétence en mer se réunissent régulièrement pour échanger des expériences et améliorer l'exercice futur de leurs compétences. Ils peuvent se réunir à tout moment en raison de circonstances particulières.
§ 1er. Le gouverneur de la province de Flandre occidentale est désigné comme l'instance compétente.
L'autorité compétente est assistée par les représentants des services publics fédéraux ayant compétence en mer, à désigner par le Roi.
§ 2. L'instance compétente a l'expertise requise et le pouvoir, au moment de l'opération de prendre de sa propre initiative des décisions en toute indépendance en ce qui concerne l'accueil des navires ayant besoin d'assistance.
§ 3. A partir du moment établi dans les plans visés à l'article 2.7.4.6, l'instance compétente exerce les compétences dévolues aux services publics fédéraux ayant compétence en mer.
Le pouvoir de l'instance compétente d'exercer les compétences qui lui sont octroyées en vertu de l'alinéa 1er est limité aux mesures et aux décisions visées aux articles 2.7.4.5, § 1er, alinéa 1er, et 2.7.4.7.
§ 4. L'instance compétente et les services publics fédéraux ayant compétence en mer se réunissent régulièrement pour échanger des expériences et améliorer l'exercice futur de leurs compétences. Ils peuvent se réunir à tout moment en raison de circonstances particulières.
Art. 2.7.4.5. Veiligheids- en milieumaatregelen
§ 1. Wanneer ze optreedt overeenkomstig artikel 2.7.4.4, § 3, mag de bevoegde instantie, met name wanneer de maritieme veiligheid of de bescherming van het mariene milieu in het gedrang komt, alle maatregelen nemen die door de Koning op een niet-exhaustieve wijze worden opgesomd in een besluit genomen na overleg in de Ministerraad.
§ 2. Om dwingende redenen van algemeen belang wordt het treffen en uitvoeren van de in paragraaf 1 bedoelde maatregelen niet verhinderd door beslag gelegd overeenkomstig het Scheepsbeslagverdrag 1952, titel 6 van boek 2 van dit deel of artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek, of door enige andere dwangmaatregel met betrekking het bijstandbehoevend schip.
§ 3. De Belgische Staat kan burgerrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor de al dan niet door de bevoegde instantie overeenkomstig artikel 2.7.4.4, § 3 genomen maatregelen.
§ 4. In het in artikel 2.7.4.4, § 3, bedoelde geval wint de bevoegde instantie onmiddellijk de met redenen omklede adviezen in van de federale overheidsdiensten met bevoegdheid op zee en van de door het Vlaams Gewest aangewezen instanties.
De federale overheidsdiensten met bevoegdheid op zee verstrekken aan de bevoegde instantie onmiddellijk de gevraagde adviezen.
Het ontbreken van de in het eerste lid bedoelde met redenen omklede adviezen ontslaat de bevoegde instantie niet van de voorafgaande beoordeling en de beslissingen bedoeld in de artikel en 2.7.4.5, § 1, eerste lid, en 2.7.4.7.
§ 1. Wanneer ze optreedt overeenkomstig artikel 2.7.4.4, § 3, mag de bevoegde instantie, met name wanneer de maritieme veiligheid of de bescherming van het mariene milieu in het gedrang komt, alle maatregelen nemen die door de Koning op een niet-exhaustieve wijze worden opgesomd in een besluit genomen na overleg in de Ministerraad.
§ 2. Om dwingende redenen van algemeen belang wordt het treffen en uitvoeren van de in paragraaf 1 bedoelde maatregelen niet verhinderd door beslag gelegd overeenkomstig het Scheepsbeslagverdrag 1952, titel 6 van boek 2 van dit deel of artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek, of door enige andere dwangmaatregel met betrekking het bijstandbehoevend schip.
§ 3. De Belgische Staat kan burgerrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor de al dan niet door de bevoegde instantie overeenkomstig artikel 2.7.4.4, § 3 genomen maatregelen.
§ 4. In het in artikel 2.7.4.4, § 3, bedoelde geval wint de bevoegde instantie onmiddellijk de met redenen omklede adviezen in van de federale overheidsdiensten met bevoegdheid op zee en van de door het Vlaams Gewest aangewezen instanties.
De federale overheidsdiensten met bevoegdheid op zee verstrekken aan de bevoegde instantie onmiddellijk de gevraagde adviezen.
Het ontbreken van de in het eerste lid bedoelde met redenen omklede adviezen ontslaat de bevoegde instantie niet van de voorafgaande beoordeling en de beslissingen bedoeld in de artikel en 2.7.4.5, § 1, eerste lid, en 2.7.4.7.
Art. 2.7.4.5. Mesures de sécurité et de protection de l'environnement
§ 1er. L'instance compétente agissant conformément à l'article 2.7.4.4, § 3 peut, le cas échéant et notamment lorsque la sécurité maritime ou la protection du milieu marin est menacée, prendre toutes les mesures énumérées de manière non exhaustive par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
§ 2. Pour des raisons impérieuses d'intérêt général, la saisie conformément à la Convention sur la saisie des navires 1952, au titre 6 du livre 2 du présent partie ou à l'article 1413 du Code judiciaire ou toute autre mesure de coercition appliquée au navire ayant besoin d'assistance n'empêche en aucun cas l'instance compétente de prendre et de mettre en oeuvre les mesures visées au paragraphe 1er.
§ 3. L'Etat belge peut être rendu civilement responsable des mesures que l'instance compétente a prises ou non conformément à l'article 2.7.4.4, § 3.
§ 4. Dans le cas visé à l'article 2.7.4.4, § 3, l'instance compétente recueille immédiatement les avis motivés des services publics fédéraux ayant compétence en mer et des instances désignées par la Région flamande.
Les services publics fédéraux ayant compétence en mer donnent immédiatement les avis demandés à l'autorité compétente.
L'absence des avis motivés visés à l'alinéa 1er n'exonère pas l'instance compétente de l'évaluation préalable et des décisions visées à l'article 2.7.4.5, § 1er, alinéa 1er, et 2.7.4.7.
§ 1er. L'instance compétente agissant conformément à l'article 2.7.4.4, § 3 peut, le cas échéant et notamment lorsque la sécurité maritime ou la protection du milieu marin est menacée, prendre toutes les mesures énumérées de manière non exhaustive par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
§ 2. Pour des raisons impérieuses d'intérêt général, la saisie conformément à la Convention sur la saisie des navires 1952, au titre 6 du livre 2 du présent partie ou à l'article 1413 du Code judiciaire ou toute autre mesure de coercition appliquée au navire ayant besoin d'assistance n'empêche en aucun cas l'instance compétente de prendre et de mettre en oeuvre les mesures visées au paragraphe 1er.
§ 3. L'Etat belge peut être rendu civilement responsable des mesures que l'instance compétente a prises ou non conformément à l'article 2.7.4.4, § 3.
§ 4. Dans le cas visé à l'article 2.7.4.4, § 3, l'instance compétente recueille immédiatement les avis motivés des services publics fédéraux ayant compétence en mer et des instances désignées par la Région flamande.
Les services publics fédéraux ayant compétence en mer donnent immédiatement les avis demandés à l'autorité compétente.
L'absence des avis motivés visés à l'alinéa 1er n'exonère pas l'instance compétente de l'évaluation préalable et des décisions visées à l'article 2.7.4.5, § 1er, alinéa 1er, et 2.7.4.7.
Art. 2.7.4.6. Plannen
De bevoegde instantie stelt plannen op voor de opvang van schepen, teneinde het hoofd te bieden aan de dreigingen die uitgaan van bijstandbehoevende schepenen die zich bevinden in de Belgische maritieme zones, met inbegrip van dreigingen voor mensenlevens en het milieu. Deze plannen zijn operationele plannen bedoeld in artikel 6, 6° van het Samenwerkingsakkoord Kustwacht.
De in het eerste lid bedoelde plannen worden opgesteld na raadpleging van de betrokkenen en in overeenstemming met de PoR-Richtsnoeren en de MAS-Richtsnoeren en omvatten ten minste de volgende informatie :
1° de identificatiegegevens betreffende de instantie of instanties die zijn belast met de ontvangst en de behandeling van noodsignalen;
2° de identificatiegegevens betreffende de instantie die verantwoordelijk is voor de beoordeling van de omstandigheden, en voor het nemen van de beslissing inzake het verlenen of weigeren van toegang tot het gekozen toevluchtsoord aan een bijstand behoevend schip;
3° informatie over de kustlijn van België en alle elementen die een voorafgaande beoordeling en een snelle besluitvorming over de keuze van een toevluchtsoord voor een schip moeten mogelijk maken, met inbegrip van een beschrijving van de milieufactoren en van de economische en sociale factoren en de natuurlijke omstandigheden;
4° de beoordelingsprocedures voor het verlenen of weigeren van toegang tot het toevluchtsoord aan een bijstand behoevend schip;
5° de middelen en uitrustingen die geschikt zijn voor hulpverlening, redding en bestrijding van verontreiniging;
6° procedures voor internationale coördinatie en besluitvorming;
7° de geldende procedures inzake financiële zekerheden en aansprakelijkheid in verband met de opvang van schepen in toevluchtsoorden.
De naam en contactadressen van de bevoegde instantie en de federale overheidsdiensten met bevoegdheid op zee, alsook van de in het tweede lid, 1°, bedoelde instanties belast met de ontvangst en behandeling van noodsignalen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De bevoegde instantie verstrekt, op verzoek, de relevante informatie over de in het eerste lid bedoelde plannen aan de aangrenzende lidstaten van de Europese Unie.
Bij de toepassing van de procedures op grond van de in het eerste lid bedoelde plannen zorgt de bevoegde instantie ervoor dat relevante informatie ter beschikking wordt gesteld van de bij de operaties betrokken partijen.
Indien een lidstaat van de Europese Unie daarom verzoekt, geldt voor degenen die overeenkomstig het vierde en het vijfde lid informatie ontvangen een vertrouwelijkheidsplicht.
De behandeling van geclassificeerde informatie gebeurt in overeenstemming met de bepalingen van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. Deze bepaling is enkel van toepassing op nationale informatie.Degene die de informatie aflevert, bepaalt of ze mag worden gedeeld.
De bevoegde instantie stelt plannen op voor de opvang van schepen, teneinde het hoofd te bieden aan de dreigingen die uitgaan van bijstandbehoevende schepenen die zich bevinden in de Belgische maritieme zones, met inbegrip van dreigingen voor mensenlevens en het milieu. Deze plannen zijn operationele plannen bedoeld in artikel 6, 6° van het Samenwerkingsakkoord Kustwacht.
De in het eerste lid bedoelde plannen worden opgesteld na raadpleging van de betrokkenen en in overeenstemming met de PoR-Richtsnoeren en de MAS-Richtsnoeren en omvatten ten minste de volgende informatie :
1° de identificatiegegevens betreffende de instantie of instanties die zijn belast met de ontvangst en de behandeling van noodsignalen;
2° de identificatiegegevens betreffende de instantie die verantwoordelijk is voor de beoordeling van de omstandigheden, en voor het nemen van de beslissing inzake het verlenen of weigeren van toegang tot het gekozen toevluchtsoord aan een bijstand behoevend schip;
3° informatie over de kustlijn van België en alle elementen die een voorafgaande beoordeling en een snelle besluitvorming over de keuze van een toevluchtsoord voor een schip moeten mogelijk maken, met inbegrip van een beschrijving van de milieufactoren en van de economische en sociale factoren en de natuurlijke omstandigheden;
4° de beoordelingsprocedures voor het verlenen of weigeren van toegang tot het toevluchtsoord aan een bijstand behoevend schip;
5° de middelen en uitrustingen die geschikt zijn voor hulpverlening, redding en bestrijding van verontreiniging;
6° procedures voor internationale coördinatie en besluitvorming;
7° de geldende procedures inzake financiële zekerheden en aansprakelijkheid in verband met de opvang van schepen in toevluchtsoorden.
De naam en contactadressen van de bevoegde instantie en de federale overheidsdiensten met bevoegdheid op zee, alsook van de in het tweede lid, 1°, bedoelde instanties belast met de ontvangst en behandeling van noodsignalen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De bevoegde instantie verstrekt, op verzoek, de relevante informatie over de in het eerste lid bedoelde plannen aan de aangrenzende lidstaten van de Europese Unie.
Bij de toepassing van de procedures op grond van de in het eerste lid bedoelde plannen zorgt de bevoegde instantie ervoor dat relevante informatie ter beschikking wordt gesteld van de bij de operaties betrokken partijen.
Indien een lidstaat van de Europese Unie daarom verzoekt, geldt voor degenen die overeenkomstig het vierde en het vijfde lid informatie ontvangen een vertrouwelijkheidsplicht.
De behandeling van geclassificeerde informatie gebeurt in overeenstemming met de bepalingen van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. Deze bepaling is enkel van toepassing op nationale informatie.Degene die de informatie aflevert, bepaalt of ze mag worden gedeeld.
Art. 2.7.4.6. Plans
L'instance compétente établit les plans aux fins de l'accueil des navires en vue de répondre aux risques que présentent les navires ayant besoin d'assistance qui se trouvent dans les zones maritimes belges, y compris les risques pour les vies humaines et l'environnement. Ces plans sont des plans opérationnels visés à l'article 6, 6°, de l'Accord de coopération Garde côtière.
Les plans visés à l'alinéa 1er sont élaborés, après consultation des parties concernées, conformément aux Directives PoR et aux Directives MAS, et comportent au minimum les éléments suivants :
1° l'identité de l'autorité ou des autorités chargées de recevoir et de traiter les alertes;
2° l'identité de l'autorité chargée d'évaluer la situation et de prendre une décision sur l'acceptation ou le refus d'un navire ayant besoin d'assistance dans le lieu de refuge choisi;
3° des informations relatives au littoral belge et tous les éléments facilitant une évaluation préalable et une décision rapide quant au choix du lieu de refuge pour un navire, y compris la description des facteurs environnementaux, économiques et sociaux ainsi que des conditions physiques;
4° les procédures d'évaluation aux fins de l'acceptation ou du refus d'un navire ayant besoin d'assistance dans un lieu de refuge;
5° les moyens et installations adéquats pour l'assistance, le sauvetage et la lutte contre la pollution;
6° les procédures relatives à la coordination et à la prise de décision au niveau international;
7° les procédures en vigueur relatives aux garanties financières et à la responsabilité pour les navires accueillis dans un lieu de refuge.
Le nom et les adresses de contact de l'autorité compétente et des services publics fédéraux ayant compétence en mer, ainsi que des autorités chargées de recevoir et de traiter les alertes visées à l'alinéa 2, 1°, sont publiés au Moniteur belge.
L'autorité compétente communique aux Etats membres voisins de l'Union européenne, à leur demande, les informations pertinentes concernant les plans visés à l'alinéa 1er.
Lors de la mise en oeuvre des procédures prévues dans les plans visés à l'alinéa 1er, l'autorité compétente veille à ce que les informations pertinentes soient mises à la disposition des parties concernées par les opérations.
A la demande d'un Etat membre de l'Union européen, les destinataires des informations visées aux alinéas 4 et 5 sont tenus à une obligation de confidentialité.
Le traitement des informations classées doit répondre aux dispositions de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité. Cette disposition est uniquement applicable à l'information nationale.Il appartient à celui qui la communique, de décider si elle peut être partagée.
L'instance compétente établit les plans aux fins de l'accueil des navires en vue de répondre aux risques que présentent les navires ayant besoin d'assistance qui se trouvent dans les zones maritimes belges, y compris les risques pour les vies humaines et l'environnement. Ces plans sont des plans opérationnels visés à l'article 6, 6°, de l'Accord de coopération Garde côtière.
Les plans visés à l'alinéa 1er sont élaborés, après consultation des parties concernées, conformément aux Directives PoR et aux Directives MAS, et comportent au minimum les éléments suivants :
1° l'identité de l'autorité ou des autorités chargées de recevoir et de traiter les alertes;
2° l'identité de l'autorité chargée d'évaluer la situation et de prendre une décision sur l'acceptation ou le refus d'un navire ayant besoin d'assistance dans le lieu de refuge choisi;
3° des informations relatives au littoral belge et tous les éléments facilitant une évaluation préalable et une décision rapide quant au choix du lieu de refuge pour un navire, y compris la description des facteurs environnementaux, économiques et sociaux ainsi que des conditions physiques;
4° les procédures d'évaluation aux fins de l'acceptation ou du refus d'un navire ayant besoin d'assistance dans un lieu de refuge;
5° les moyens et installations adéquats pour l'assistance, le sauvetage et la lutte contre la pollution;
6° les procédures relatives à la coordination et à la prise de décision au niveau international;
7° les procédures en vigueur relatives aux garanties financières et à la responsabilité pour les navires accueillis dans un lieu de refuge.
Le nom et les adresses de contact de l'autorité compétente et des services publics fédéraux ayant compétence en mer, ainsi que des autorités chargées de recevoir et de traiter les alertes visées à l'alinéa 2, 1°, sont publiés au Moniteur belge.
L'autorité compétente communique aux Etats membres voisins de l'Union européenne, à leur demande, les informations pertinentes concernant les plans visés à l'alinéa 1er.
Lors de la mise en oeuvre des procédures prévues dans les plans visés à l'alinéa 1er, l'autorité compétente veille à ce que les informations pertinentes soient mises à la disposition des parties concernées par les opérations.
A la demande d'un Etat membre de l'Union européen, les destinataires des informations visées aux alinéas 4 et 5 sont tenus à une obligation de confidentialité.
Le traitement des informations classées doit répondre aux dispositions de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité. Cette disposition est uniquement applicable à l'information nationale.Il appartient à celui qui la communique, de décider si elle peut être partagée.
Art. 2.7.4.7. Voorafgaande beoordeling
Wanneer de bevoegde instantie optreedt overeenkomstig artikel 2.7.4.4, § 3, beslist zij over de aanvaarding van een schip in een toevluchtsoord op grond van een voorafgaande beoordeling van de omstandigheden, verricht op basis van de in artikel 2.7.4.6, eerste lid, bedoelde plannen.
De bevoegde instantie zorgt ervoor dat schepen tot een toevluchtsoord worden toegelaten indien zij van oordeel is dat een dergelijke opvang de beste oplossing biedt voor de bescherming van mensenlevens en het milieu.
Wanneer de bevoegde instantie optreedt overeenkomstig artikel 2.7.4.4, § 3, beslist zij over de aanvaarding van een schip in een toevluchtsoord op grond van een voorafgaande beoordeling van de omstandigheden, verricht op basis van de in artikel 2.7.4.6, eerste lid, bedoelde plannen.
De bevoegde instantie zorgt ervoor dat schepen tot een toevluchtsoord worden toegelaten indien zij van oordeel is dat een dergelijke opvang de beste oplossing biedt voor de bescherming van mensenlevens en het milieu.
Art. 2.7.4.7. Evaluation préalable
L'instance compétente décide, lorsqu'elle agit conformément à l'article 2.7.4.4, § 3, de l'acceptation d'un navire dans un lieu de refuge suite à une évaluation préalable de la situation, réalisée sur la base des plans visés à l'article 2.7.4.6, alinéa 1er.
L'autorité compétente fait en sorte que les navires soient admis dans un lieu de refuge s'il considère qu'un tel accueil est la meilleure ligne d'action aux fins de protéger les vies humaines et l'environnement.
L'instance compétente décide, lorsqu'elle agit conformément à l'article 2.7.4.4, § 3, de l'acceptation d'un navire dans un lieu de refuge suite à une évaluation préalable de la situation, réalisée sur la base des plans visés à l'article 2.7.4.6, alinéa 1er.
L'autorité compétente fait en sorte que les navires soient admis dans un lieu de refuge s'il considère qu'un tel accueil est la meilleure ligne d'action aux fins de protéger les vies humaines et l'environnement.
Art. 2.7.4.8. Verzekeringscertificaat
Het ontbreken van een verzekeringscertificaat ontheft de bevoegde instantie niet van de voorafgaande beoordeling en beslissing bedoeld in artikel 2.7.4.7 en wordt door de bevoegde instantie op zich niet als een voldoende reden beschouwd om te weigeren een schip in een toevluchtsoord op te vangen.
Zonder afbreuk te doen aan het eerste lid, kan de bevoegde instantie, wanneer zij een schip opvangt in een toevluchtsoord, de exploitant, agent of gezagvoerder van het schip verzoeken een verzekeringscertificaat over te leggen. Het opvragen van het verzekeringscertificaat mag niet leiden tot vertraging bij de opvang van een bijstandbehoevend schip.
Het ontbreken van een verzekeringscertificaat ontheft de bevoegde instantie niet van de voorafgaande beoordeling en beslissing bedoeld in artikel 2.7.4.7 en wordt door de bevoegde instantie op zich niet als een voldoende reden beschouwd om te weigeren een schip in een toevluchtsoord op te vangen.
Zonder afbreuk te doen aan het eerste lid, kan de bevoegde instantie, wanneer zij een schip opvangt in een toevluchtsoord, de exploitant, agent of gezagvoerder van het schip verzoeken een verzekeringscertificaat over te leggen. Het opvragen van het verzekeringscertificaat mag niet leiden tot vertraging bij de opvang van een bijstandbehoevend schip.
Art. 2.7.4.8. Certificat d'assurance
L'absence d'un certificat d'assurance n'exonère pas l'instance compétente de l'évaluation préalable et de la décision visées à l'article 2.7.4.7 et n'est pas en soi considérée comme une raison suffisante pour que l'instance compétente refuse d'accueillir un navire dans un lieu de refuge.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, l'autorité compétente peut, quand elle accueille un navire dans un lieu de refuge, demander à l'exploitant, à l'agent ou au commandant du navire la présentation d'un certificat d'assurance. La demande de présentation de ce certificat ne peut pas avoir pour effet de retarder l'accueil du navire ayant besoin d'assistance.
L'absence d'un certificat d'assurance n'exonère pas l'instance compétente de l'évaluation préalable et de la décision visées à l'article 2.7.4.7 et n'est pas en soi considérée comme une raison suffisante pour que l'instance compétente refuse d'accueillir un navire dans un lieu de refuge.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, l'autorité compétente peut, quand elle accueille un navire dans un lieu de refuge, demander à l'exploitant, à l'agent ou au commandant du navire la présentation d'un certificat d'assurance. La demande de présentation de ce certificat ne peut pas avoir pour effet de retarder l'accueil du navire ayant besoin d'assistance.
HOOFDSTUK 5. - Berging
CHAPITRE 5. - Assistance
Art. 2.7.5.1. Begrippen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "berging" : iedere daad of werkzaamheid, verricht om hulp te verlenen aan een in een bevaarbaar water of in welk ander water dan ook in gevaar verkerend schip of andere zaak;
2° "schip" : ieder schip of ander vaartuig, dan wel iedere andere constructie waarmee kan worden gevaren;
3° "zaak" : iedere zaak die niet blijvend en opzettelijk aan de kust is bevestigd, daaronder begrepen de in risico zijnde vracht;
4° "milieuschade" : aanzienlijke fysieke schade aan de gezondheid van de mens, aan de fauna of flora in zee of aan hulpbronnen in kust- of binnenwateren of daaraan grenzende gebieden, veroorzaakt door verontreiniging, besmetting, brand, ontploffing of soortgelijke ingrijpende voorvallen;
5° "betaling" : iedere krachtens deze titel verschuldigde beloning, vergoeding of schadeloosstelling.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "berging" : iedere daad of werkzaamheid, verricht om hulp te verlenen aan een in een bevaarbaar water of in welk ander water dan ook in gevaar verkerend schip of andere zaak;
2° "schip" : ieder schip of ander vaartuig, dan wel iedere andere constructie waarmee kan worden gevaren;
3° "zaak" : iedere zaak die niet blijvend en opzettelijk aan de kust is bevestigd, daaronder begrepen de in risico zijnde vracht;
4° "milieuschade" : aanzienlijke fysieke schade aan de gezondheid van de mens, aan de fauna of flora in zee of aan hulpbronnen in kust- of binnenwateren of daaraan grenzende gebieden, veroorzaakt door verontreiniging, besmetting, brand, ontploffing of soortgelijke ingrijpende voorvallen;
5° "betaling" : iedere krachtens deze titel verschuldigde beloning, vergoeding of schadeloosstelling.
Art. 2.7.5.1. Notions
Dans le présent chapitre, l'on entend par :
1° " assistance " : tout acte ou activité entrepris pour assister un navire ou tout autre bien en danger dans des eaux navigables ou dans n'importe quelles autres eaux;
2° " navire " : tout bateau ou autre engin, ou toute structure capable de naviguer;
3° " bien " : tout bien qui n'est pas attaché de façon permanente et intentionnelle au littoral et comprend le fret en risque;
4° " dommage à l'environnement " : un préjudice matériel important à la santé de l'homme, à la faune ou la flore marines ou aux ressources de la mer dans les eaux côtières ou intérieures ou dans les zones adjacentes, causé par pollution, contamination, incendie, explosion ou de graves événements similaires.
5° " paiement " : le règlement de toute rémunération, récompense ou indemnité due en vertu du présent titre.
Dans le présent chapitre, l'on entend par :
1° " assistance " : tout acte ou activité entrepris pour assister un navire ou tout autre bien en danger dans des eaux navigables ou dans n'importe quelles autres eaux;
2° " navire " : tout bateau ou autre engin, ou toute structure capable de naviguer;
3° " bien " : tout bien qui n'est pas attaché de façon permanente et intentionnelle au littoral et comprend le fret en risque;
4° " dommage à l'environnement " : un préjudice matériel important à la santé de l'homme, à la faune ou la flore marines ou aux ressources de la mer dans les eaux côtières ou intérieures ou dans les zones adjacentes, causé par pollution, contamination, incendie, explosion ou de graves événements similaires.
5° " paiement " : le règlement de toute rémunération, récompense ou indemnité due en vertu du présent titre.
Art. 2.7.5.2. Rechtsmacht
Onverminderd andere bevoegdheidsgronden, zijn de Belgische rechters bevoegd om van een vordering inzake berging kennis te nemen ingeval de woonplaats van de eiser, de plaats waar het schip geregistreerd [1 ...]1 is dan wel waar het zijn gewone ligplaats heeft, de plaats waar de hulp is verleend of de plaats waarheen de geredde zaken werden gebracht, zich op het Belgisch grondgebied bevindt.
Onverminderd andere bevoegdheidsgronden, zijn de Belgische rechters bevoegd om van een vordering inzake berging kennis te nemen ingeval de woonplaats van de eiser, de plaats waar het schip geregistreerd [1 ...]1 is dan wel waar het zijn gewone ligplaats heeft, de plaats waar de hulp is verleend of de plaats waarheen de geredde zaken werden gebracht, zich op het Belgisch grondgebied bevindt.
Art. 2.7.5.2. Juridiction
Sans préjudice d'autres chefs de compétence, les juges belges sont compétents pour connaître des actions en matière d'assistance lorsque le domicile du requérant, le lieu où le navire a été enregistré [1 ...]1 ou est habituellement amarré, le lieu où l'assistance a été fournie ou le lieu où les biens sauvés ont été amenés, se situe sur le territoire belge.
Sans préjudice d'autres chefs de compétence, les juges belges sont compétents pour connaître des actions en matière d'assistance lorsque le domicile du requérant, le lieu où le navire a été enregistré [1 ...]1 ou est habituellement amarré, le lieu où l'assistance a été fournie ou le lieu où les biens sauvés ont été amenés, se situe sur le territoire belge.
Wijzigingen
Art. 2.7.5.3. Internationale toepassing
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing ingeval een gerechtelijke of scheidsrechterlijke procedure betreffende een in artikel 2.7.5.4, § 1, bedoelde aangelegenheid aanhangig wordt gemaakt in België.
§ 2. In het in artikel 2.7.5.6, § 1, bedoelde geval zijn de volgende bepalingen van deze titel overeenkomstige van toepassing :
1° artikel 2.7.5.3, § 4;
2° artikel 2.7.5.7, § 1;
3° artikel 2.7.5.8, § 2, in de mate dat de bepalingen waarnaar dat artikel verwijst zelf van toepassing zijn;
4° artikel 2.7.5.10, in de mate dat het van toepassing is op andere gezagvoerders dan kapiteins;
5° artikel 2.7.5.11, in de mate dat het van toepassing is op andere gezagvoerders dan kapiteins;
6° artikel 2.7.5.15, § 7;
7° artikel 2.7.5.17, § 1;
8° artikel 2.7.5.20, in de mate dat het van toepassing is op andere gezagvoerders dan kapiteins;
9° artikel 2.7.5.21, eerste lid;
10° artikel 2.7.5.24;
11° artikel 2.7.5.27 § 3.
§ 3. De verdeling van het bergloon tussen de scheepseigenaar, de gezagvoerder en de andere in dienst van ieder bergend schip staande personen wordt bepaald door het recht van de vlag van het bergend schip.
Indien de berging niet is verricht vanaf een schip, wordt de verdeling bepaald door het recht dat van toepassing is op de overeenkomst tussen de berger en zijn aangestelden.
§ 4. Artikel 2.7.5.7 is van toepassing op in België gevestigde overheden en op bergers die in opdracht van dergelijke overheden optreden.
§ 5. De mate waarin een buitenlandse publiekrechtelijke rechtspersoon op wie een verplichting rust om hulp te verlenen, gerechtigd is zich te beroepen op de in het Bergingsverdrag 1989 of deze titel bepaalde rechten en rechtsmiddelen, wordt bepaald door het recht van de Staat waar die overheid is gevestigd.
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing ingeval een gerechtelijke of scheidsrechterlijke procedure betreffende een in artikel 2.7.5.4, § 1, bedoelde aangelegenheid aanhangig wordt gemaakt in België.
§ 2. In het in artikel 2.7.5.6, § 1, bedoelde geval zijn de volgende bepalingen van deze titel overeenkomstige van toepassing :
1° artikel 2.7.5.3, § 4;
2° artikel 2.7.5.7, § 1;
3° artikel 2.7.5.8, § 2, in de mate dat de bepalingen waarnaar dat artikel verwijst zelf van toepassing zijn;
4° artikel 2.7.5.10, in de mate dat het van toepassing is op andere gezagvoerders dan kapiteins;
5° artikel 2.7.5.11, in de mate dat het van toepassing is op andere gezagvoerders dan kapiteins;
6° artikel 2.7.5.15, § 7;
7° artikel 2.7.5.17, § 1;
8° artikel 2.7.5.20, in de mate dat het van toepassing is op andere gezagvoerders dan kapiteins;
9° artikel 2.7.5.21, eerste lid;
10° artikel 2.7.5.24;
11° artikel 2.7.5.27 § 3.
§ 3. De verdeling van het bergloon tussen de scheepseigenaar, de gezagvoerder en de andere in dienst van ieder bergend schip staande personen wordt bepaald door het recht van de vlag van het bergend schip.
Indien de berging niet is verricht vanaf een schip, wordt de verdeling bepaald door het recht dat van toepassing is op de overeenkomst tussen de berger en zijn aangestelden.
§ 4. Artikel 2.7.5.7 is van toepassing op in België gevestigde overheden en op bergers die in opdracht van dergelijke overheden optreden.
§ 5. De mate waarin een buitenlandse publiekrechtelijke rechtspersoon op wie een verplichting rust om hulp te verlenen, gerechtigd is zich te beroepen op de in het Bergingsverdrag 1989 of deze titel bepaalde rechten en rechtsmiddelen, wordt bepaald door het recht van de Staat waar die overheid is gevestigd.
Art. 2.7.5.3. Application internationale
§ 1er. Le présent chapitre s'applique lorsqu'une procédure judiciaire ou arbitrale relative à la matière visée à l'article 2.7.5.4, § 1er, est introduite en Belgique.
§ 2. Dans le cas visé à l'article 2.7.5.6, § 1er, les dispositions suivantes du présent titre sont d'application par analogie :
1° l'article 2.7.5.3, § 4;
2° l'article 2.7.5.7, § 1er;
3° l'article 2.7.5.8, § 2, dans la mesure où les dispositions auxquelles cet article renvoie lui-même sont d'application;
4° l'article 2.7.5.10, dans la mesure où il s'applique à d'autres commandants que des capitaines;
5° l'article 2.7.5.11, dans la mesure où il s'applique à d'autres commandants que des capitaines;
6° l'article 2.7.5.15, § 7;
7° l'article 2.7.5.17, § 1er;
8° l'article 2.7.5.20, dans la mesure où il s'applique à d'autres commandants que des capitaines;
9° l'article 2.7.5.21, alinéa 1er;
10° article 2.7.5.24;
11° l'article 2.7.5.27, § 3.
§ 3. La répartition de la rémunération du chef d'assistance entre le propriétaire du navire, le commandant et les autres personnes au service de chaque navire assistant est déterminée par la législation du pavillon du navire prêtant assistance.
Si l'assistance n'a pas été effectuée à partir d'un navire, la répartition se fait suivant la législation régissant le contrat conclu entre l'assistant et ses préposés.
§ 4. L'article 2.7.5.7 s'applique aux autorités établies en Belgique et aux assistants qui agissent sur mission de telles autorités.
§ 5. La mesure dans laquelle une personne morale étrangère de droit public qui est obligée d'exécuter des opérations d'assistance peut se prévaloir des droits et des recours prévus par la Convention sur l'assistance 1989 ou le présent titre est déterminée par la législation de l'Etat où cette autorité est située.
§ 1er. Le présent chapitre s'applique lorsqu'une procédure judiciaire ou arbitrale relative à la matière visée à l'article 2.7.5.4, § 1er, est introduite en Belgique.
§ 2. Dans le cas visé à l'article 2.7.5.6, § 1er, les dispositions suivantes du présent titre sont d'application par analogie :
1° l'article 2.7.5.3, § 4;
2° l'article 2.7.5.7, § 1er;
3° l'article 2.7.5.8, § 2, dans la mesure où les dispositions auxquelles cet article renvoie lui-même sont d'application;
4° l'article 2.7.5.10, dans la mesure où il s'applique à d'autres commandants que des capitaines;
5° l'article 2.7.5.11, dans la mesure où il s'applique à d'autres commandants que des capitaines;
6° l'article 2.7.5.15, § 7;
7° l'article 2.7.5.17, § 1er;
8° l'article 2.7.5.20, dans la mesure où il s'applique à d'autres commandants que des capitaines;
9° l'article 2.7.5.21, alinéa 1er;
10° article 2.7.5.24;
11° l'article 2.7.5.27, § 3.
§ 3. La répartition de la rémunération du chef d'assistance entre le propriétaire du navire, le commandant et les autres personnes au service de chaque navire assistant est déterminée par la législation du pavillon du navire prêtant assistance.
Si l'assistance n'a pas été effectuée à partir d'un navire, la répartition se fait suivant la législation régissant le contrat conclu entre l'assistant et ses préposés.
§ 4. L'article 2.7.5.7 s'applique aux autorités établies en Belgique et aux assistants qui agissent sur mission de telles autorités.
§ 5. La mesure dans laquelle une personne morale étrangère de droit public qui est obligée d'exécuter des opérations d'assistance peut se prévaloir des droits et des recours prévus par la Convention sur l'assistance 1989 ou le présent titre est déterminée par la législation de l'Etat où cette autorité est située.
Art. 2.7.5.4. Materiële toepassing
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op :
1° de berging van schepen in de zin van artikel 2.1.1.3, § 1, 1° welke niet worden gevat onder de begripsomschrijving in artikel 1, b) van het Bergingsverdrag 1989;
2° de berging van vaste of drijvende platforms of verplaatsbare offshore boorinstallaties die schepen zijn in de zin van artikel 2.1.1.3, § 1, 1°, wanneer zij op lokatie in bedrijf zijn voor de exploratie, exploitatie of winning van minerale rijkdommen van de zeebodem;
3° onverminderd artikel 2.7.5.7, de berging van Belgische gezagsschepen.
§ 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op werkzaamheden in verband met cultureel erfgoed onder water in de Belgische wateren, tenzij zij :
1° door de bevoegde overheid werden toegelaten;
2° in overeenstemming zijn met, voor zover deze bepalingen van toepassing zijn :
a) het Verdrag ter bescherming van het cultureel erfgoed onder water, opgemaakt te Parijs op 2 november 2001 en waarmee ingestemd bij de wet van 6 juli 2013; en
b) [1 de wet van 23 april 2021 tot implementatie van het UNESCO-verdrag van 2 november 2001 ter bescherming van het cultureel erfgoed onder water en de bescherming van waardevolle wrakken;]1 en
3° verzekeren dat de berging van cultureel erfgoed onder water de best mogelijke bescherming daarvan met zich brengt.
Het vorige lid geldt onverminderd artikel 2.7.5.18, dat mede van toepassing is ingeval de werkzaamheden worden verricht ter uitvoering van een overeenkomst gesloten met de overheid.
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op :
1° de berging van schepen in de zin van artikel 2.1.1.3, § 1, 1° welke niet worden gevat onder de begripsomschrijving in artikel 1, b) van het Bergingsverdrag 1989;
2° de berging van vaste of drijvende platforms of verplaatsbare offshore boorinstallaties die schepen zijn in de zin van artikel 2.1.1.3, § 1, 1°, wanneer zij op lokatie in bedrijf zijn voor de exploratie, exploitatie of winning van minerale rijkdommen van de zeebodem;
3° onverminderd artikel 2.7.5.7, de berging van Belgische gezagsschepen.
§ 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op werkzaamheden in verband met cultureel erfgoed onder water in de Belgische wateren, tenzij zij :
1° door de bevoegde overheid werden toegelaten;
2° in overeenstemming zijn met, voor zover deze bepalingen van toepassing zijn :
a) het Verdrag ter bescherming van het cultureel erfgoed onder water, opgemaakt te Parijs op 2 november 2001 en waarmee ingestemd bij de wet van 6 juli 2013; en
b) [1 de wet van 23 april 2021 tot implementatie van het UNESCO-verdrag van 2 november 2001 ter bescherming van het cultureel erfgoed onder water en de bescherming van waardevolle wrakken;]1 en
3° verzekeren dat de berging van cultureel erfgoed onder water de best mogelijke bescherming daarvan met zich brengt.
Het vorige lid geldt onverminderd artikel 2.7.5.18, dat mede van toepassing is ingeval de werkzaamheden worden verricht ter uitvoering van een overeenkomst gesloten met de overheid.
Art. 2.7.5.4. Application matérielle
§ 1. Le présent chapitre s'applique :
1° à l'assistance aux navires au sens de l'article 2.1.1.3, § 1er, 1°, non repris sous la définition à l'article 1, b) de la Convention sur l'Assistance 1989;
2° à l'assistance aux plates-formes fixes ou flottantes ou aux unités mobiles de forage au large qui sont des navires au sens de l'article 2.1.1.3, § 1er, 1°, lorsqu'elles sont affectées, là où elles se trouvent, à l'exploration, à l'exploitation ou à l'extraction de ressources minérales du fond des mers;
3° sans préjudice de l'article 2.7.5.7, à l'assistance aux navires de souveraineté belges.
§ 2. Le présent chaptire ne s'applique pas aux activités liées au patrimoine culturel subaquatique dans les eaux belges :
1° sont autorisées par les services compétents;
2° sont conformes, dans la mesure où ces dispositions s'appliquent :
a) à la Convention relative à la protection du patrimoine culturel subaquatique, faite à Paris le 2 novembre 2001 et à laquelle la loi du 6 juillet 2013 a porté assentiment; et
b) [1 la loi du 23 avril 2021 relatif à la mise en oeuvre de la Convention de l'UNESCO du 2 novembre 2001 sur la protection du patrimoine culturel subaquatique et la protection d'épaves de valeur;]1 et
3° assurent que la protection maximale du patrimoine culturel subaquatique lors de toute opération de récupération soit garantie.
L'alinéa précédent s'applique sans préjudice de l'article 2.7.5.18, qui s'applique également en cas de travaux effectués en vue de l'exécution d'un contrat conclu avec une autorité publique.
§ 1. Le présent chapitre s'applique :
1° à l'assistance aux navires au sens de l'article 2.1.1.3, § 1er, 1°, non repris sous la définition à l'article 1, b) de la Convention sur l'Assistance 1989;
2° à l'assistance aux plates-formes fixes ou flottantes ou aux unités mobiles de forage au large qui sont des navires au sens de l'article 2.1.1.3, § 1er, 1°, lorsqu'elles sont affectées, là où elles se trouvent, à l'exploration, à l'exploitation ou à l'extraction de ressources minérales du fond des mers;
3° sans préjudice de l'article 2.7.5.7, à l'assistance aux navires de souveraineté belges.
§ 2. Le présent chaptire ne s'applique pas aux activités liées au patrimoine culturel subaquatique dans les eaux belges :
1° sont autorisées par les services compétents;
2° sont conformes, dans la mesure où ces dispositions s'appliquent :
a) à la Convention relative à la protection du patrimoine culturel subaquatique, faite à Paris le 2 novembre 2001 et à laquelle la loi du 6 juillet 2013 a porté assentiment; et
b) [1 la loi du 23 avril 2021 relatif à la mise en oeuvre de la Convention de l'UNESCO du 2 novembre 2001 sur la protection du patrimoine culturel subaquatique et la protection d'épaves de valeur;]1 et
3° assurent que la protection maximale du patrimoine culturel subaquatique lors de toute opération de récupération soit garantie.
L'alinéa précédent s'applique sans préjudice de l'article 2.7.5.18, qui s'applique également en cas de travaux effectués en vue de l'exécution d'un contrat conclu avec une autorité publique.
Wijzigingen
Art. 2.7.5.5. Andere regelgeving
§ 1. De rechtstreeks werkende bepalingen van het Bergingsverdrag 1989 zijn van toepassing ingeval een gerechtelijke of scheidsrechterlijke procedure aanhangig wordt gemaakt als bedoeld in artikel 2 van dat verdrag.
§ 2. Deze titel geldt onverminderd :
1° hoofdstuk 6 van dit boek;
2° [1 de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden;]1
3° de bepalingen betreffende de beperking van de aansprakelijkheid van bergers.
§ 3. Hoofdstuk I van titel IV en hoofdstuk III van titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op berging.
§ 1. De rechtstreeks werkende bepalingen van het Bergingsverdrag 1989 zijn van toepassing ingeval een gerechtelijke of scheidsrechterlijke procedure aanhangig wordt gemaakt als bedoeld in artikel 2 van dat verdrag.
§ 2. Deze titel geldt onverminderd :
1° hoofdstuk 6 van dit boek;
2° [1 de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden;]1
3° de bepalingen betreffende de beperking van de aansprakelijkheid van bergers.
§ 3. Hoofdstuk I van titel IV en hoofdstuk III van titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op berging.
Art. 2.7.5.5. Autre réglementation
§ 1er. Les dispositions directement applicables de la Convention sur l'Assistance 1989 s'appliquent dans le cas où une procédure judiciaire ou arbitrale est formée comme visé à l'article 2 de cette convention.
§ 2. Le présent chapitre s'applique sans préjudice :
1° du chapitre 6 du présent titre;
2° [1 la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges;]1
3° des dispositions relatives à la limitation de la responsabilité des assistants.
§ 3. Le chapitre I du titre IV et le chapitre III du titre VIII du livre III du Code civil ne s'appliquent pas à l'assistance.
§ 1er. Les dispositions directement applicables de la Convention sur l'Assistance 1989 s'appliquent dans le cas où une procédure judiciaire ou arbitrale est formée comme visé à l'article 2 de cette convention.
§ 2. Le présent chapitre s'applique sans préjudice :
1° du chapitre 6 du présent titre;
2° [1 la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges;]1
3° des dispositions relatives à la limitation de la responsabilité des assistants.
§ 3. Le chapitre I du titre IV et le chapitre III du titre VIII du livre III du Code civil ne s'appliquent pas à l'assistance.
Wijzigingen
Art. 2.7.5.6. Afwijkende bedingen
Bedingen die afwijken van artikel 2.7.5.9 of afbreuk doen aan de verplichting om milieuschade te voorkomen of te beperken zijn nietig.
Bedingen die afwijken van artikel 2.7.5.9 of afbreuk doen aan de verplichting om milieuschade te voorkomen of te beperken zijn nietig.
Art. 2.7.5.6. Clauses dérogatoires
Les clauses qui dérogent à l'article 2.7.5.9 ou portent préjudice à l'obligation de prévenir ou de limiter les dommages à l'environnement sont nulles.
Les clauses qui dérogent à l'article 2.7.5.9 ou portent préjudice à l'obligation de prévenir ou de limiter les dommages à l'environnement sont nulles.
Art. 2.7.5.7. Berging door of onder toezicht van de overheid
§ 1. Een overheid die optreedt als berger kan zich op de rechten en rechtsmiddelen bepaald in het Bergingsverdrag 1989 of deze titel beroepen, tenzij zij verplicht is de hulp kosteloos te verlenen of de vergoeding ervan is geregeld door bijzondere bepalingen.
§ 2. Een berger die optreedt onder toezicht van de overheid kan zich op de rechten en rechtsmiddelen bepaald in deze titel beroepen.
§ 1. Een overheid die optreedt als berger kan zich op de rechten en rechtsmiddelen bepaald in het Bergingsverdrag 1989 of deze titel beroepen, tenzij zij verplicht is de hulp kosteloos te verlenen of de vergoeding ervan is geregeld door bijzondere bepalingen.
§ 2. Een berger die optreedt onder toezicht van de overheid kan zich op de rechten en rechtsmiddelen bepaald in deze titel beroepen.
Art. 2.7.5.7. Assistance par ou sous le contrôle des autorités publiques
§ 1er. Une autorité publique intervenant comme assistant est habilité à se prévaloir des droits et des recours prévus dans la Convention sur l'Assistance 1989 ou le présent titre, sauf si elle est tenue de fournir l'assistance à titre gracieux ou si la rémunération du chef de cette assistance est régie par des dispositions particulières.
§ 2. Un assistant intervenant sous le contrôle de l'autorité publique est habilité à se prévaloir des droits et des recours prévus dans le présent titre.
§ 1er. Une autorité publique intervenant comme assistant est habilité à se prévaloir des droits et des recours prévus dans la Convention sur l'Assistance 1989 ou le présent titre, sauf si elle est tenue de fournir l'assistance à titre gracieux ou si la rémunération du chef de cette assistance est régie par des dispositions particulières.
§ 2. Un assistant intervenant sous le contrôle de l'autorité publique est habilité à se prévaloir des droits et des recours prévus dans le présent titre.
Art. 2.7.5.8. Sluiting van bergingsovereenkomsten
§ 1. De gezagvoerder is bevoegd om namens de scheepseigenaar een overeenkomst omtrent berging te sluiten.
De gezagvoerder en de scheepseigenaar zijn elk bevoegd een zodanige overeenkomst namens de eigenaar van de zaken aan boord van het schip te sluiten.
§ 2. Paragraaf 1 geldt onverminderd :
1° artikel 2.4.2.6 betreffende de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gezagvoerder, in de mate dat die dienovereenkomstig ruimer is;
2° artikel 2.3.1.22 betreffende de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar voor de door of voor de gezagvoerder gestelde handelingen.
§ 1. De gezagvoerder is bevoegd om namens de scheepseigenaar een overeenkomst omtrent berging te sluiten.
De gezagvoerder en de scheepseigenaar zijn elk bevoegd een zodanige overeenkomst namens de eigenaar van de zaken aan boord van het schip te sluiten.
§ 2. Paragraaf 1 geldt onverminderd :
1° artikel 2.4.2.6 betreffende de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gezagvoerder, in de mate dat die dienovereenkomstig ruimer is;
2° artikel 2.3.1.22 betreffende de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar voor de door of voor de gezagvoerder gestelde handelingen.
Art. 2.7.5.8. Conclusion de contrats d'assistance
§ 1er. Le commandant a le pouvoir de conclure des contrats d'assistance au nom du propriétaire du navire.
Le commandant et le propriétaire du navire ont tous deux le pouvoir de conclure de tels contrats au nom du propriétaire des biens se trouvant à bord du navire.
§ 2. Le paragraphe 1er est d'application sans préjudice :
1° de l'article 2.4.2.6 relatifs au pouvoir de représentation du commandant, dans la mesure où il est par conséquent plus large;
2° de l'article 2.3.1.22 relatif à la responsabilité du propriétaire du navire pour les actes posés par ou pour le commandant.
§ 1er. Le commandant a le pouvoir de conclure des contrats d'assistance au nom du propriétaire du navire.
Le commandant et le propriétaire du navire ont tous deux le pouvoir de conclure de tels contrats au nom du propriétaire des biens se trouvant à bord du navire.
§ 2. Le paragraphe 1er est d'application sans préjudice :
1° de l'article 2.4.2.6 relatifs au pouvoir de représentation du commandant, dans la mesure où il est par conséquent plus large;
2° de l'article 2.3.1.22 relatif à la responsabilité du propriétaire du navire pour les actes posés par ou pour le commandant.
Art. 2.7.5.9. Vernietiging en wijziging van bergingsovereenkomsten
Een overeenkomst of enig daarin voorkomend beding kan worden vernietigd of gewijzigd indien :
1° de overeenkomst is aangegaan onder misbruik van omstandigheden of onder invloed van gevaar en de overeengekomen bedingen onbillijk zijn; of
2° de overeengekomen betaling buitensporig hoog of laag is in verhouding tot de daadwerkelijk verleende diensten.
Een overeenkomst of enig daarin voorkomend beding kan worden vernietigd of gewijzigd indien :
1° de overeenkomst is aangegaan onder misbruik van omstandigheden of onder invloed van gevaar en de overeengekomen bedingen onbillijk zijn; of
2° de overeengekomen betaling buitensporig hoog of laag is in verhouding tot de daadwerkelijk verleende diensten.
Art. 2.7.5.9. Annulation et modification de contrats d'assistance
Un contrat ou l'une quelconque de ses clauses peut être annulé ou modifié si :
1° le contrat a été conclu sous une pression abusive ou sous l'influence du danger et que ses clauses ne sont pas équitables; ou si
2° le paiement convenu en vertu du contrat est beaucoup trop élevé ou beaucoup trop faible pour les services effectivement rendus.
Un contrat ou l'une quelconque de ses clauses peut être annulé ou modifié si :
1° le contrat a été conclu sous une pression abusive ou sous l'influence du danger et que ses clauses ne sont pas équitables; ou si
2° le paiement convenu en vertu du contrat est beaucoup trop élevé ou beaucoup trop faible pour les services effectivement rendus.
Art. 2.7.5.10. Plichten van de berger, de eigenaar en de gezagvoerder
§ 1. De berger is jegens de eigenaar van het schip of andere in gevaar verkerende zaak verplicht :
1° de berging met de nodige zorg uit te voeren;
2° bij de nakoming van de onder 1° bedoelde verplichting de nodige zorg uit te oefenen om milieuschade te voorkomen of te beperken;
3° in alle gevallen, waarin de omstandigheden dit redelijkerwijze vereisen, de bijstand in te roepen van andere bergers; en
4° de tussenkomst van andere bergers te aanvaarden, wanneer hierom redelijkerwijze wordt verzocht door de scheepseigenaar of de gezagvoerder van het schip of de eigenaar van de andere in gevaar verkerende zaak, met dien verstande dat het bedrag van zijn beloning niet wordt verminderd, indien mocht blijken dat het verzoek onredelijk was.
§ 2. De scheepseigenaar en de gezagvoerder van het schip of de eigenaar van andere in gevaar verkerende zaken zijn jegens de berger verplicht :
1° gedurende de berging volledig met hem samen te werken;
2° daarbij de nodige zorg uit te oefenen om milieuschade te voorkomen of te beperken; en
3° wanneer het schip of de andere zaken in veiligheid zijn gebracht, teruggave daarvan te aanvaarden wanneer daarom redelijkerwijze door de berger wordt verzocht.
§ 1. De berger is jegens de eigenaar van het schip of andere in gevaar verkerende zaak verplicht :
1° de berging met de nodige zorg uit te voeren;
2° bij de nakoming van de onder 1° bedoelde verplichting de nodige zorg uit te oefenen om milieuschade te voorkomen of te beperken;
3° in alle gevallen, waarin de omstandigheden dit redelijkerwijze vereisen, de bijstand in te roepen van andere bergers; en
4° de tussenkomst van andere bergers te aanvaarden, wanneer hierom redelijkerwijze wordt verzocht door de scheepseigenaar of de gezagvoerder van het schip of de eigenaar van de andere in gevaar verkerende zaak, met dien verstande dat het bedrag van zijn beloning niet wordt verminderd, indien mocht blijken dat het verzoek onredelijk was.
§ 2. De scheepseigenaar en de gezagvoerder van het schip of de eigenaar van andere in gevaar verkerende zaken zijn jegens de berger verplicht :
1° gedurende de berging volledig met hem samen te werken;
2° daarbij de nodige zorg uit te oefenen om milieuschade te voorkomen of te beperken; en
3° wanneer het schip of de andere zaken in veiligheid zijn gebracht, teruggave daarvan te aanvaarden wanneer daarom redelijkerwijze door de berger wordt verzocht.
Art. 2.7.5.10. Obligations de l'assistant, du propriétaire et du commandant
§ 1er. L'assistant a, envers le propriétaire du navire ou des autres biens en danger, l'obligation :
1° d'effectuer les opérations d'assistance avec le soin voulu;
2° lorsqu'il s'acquitte de l'obligation visée au 1°, d'agir avec le soin voulu pour prévenir ou limiter les dommages à l'environnement;
3° chaque fois que les circonstances l'exigent raisonnablement, de chercher à obtenir l'aide d'autres assistants; et
4° d'accepter l'intervention d'autres assistants lorsqu'il est raisonnablement prié de le faire par le commandant ou le propriétaire du navire ou des autres biens en danger; il est néanmoins entendu que le montant de sa rémunération n'est pas affecté s'il s'avère que cette demande n'était pas raisonnable.
§ 2. Le commandant et le propriétaire du navire ou le propriétaire des autres biens en danger ont, envers l'assistant, l'obligation :
1° de coopérer pleinement avec lui pendant les opérations d'assistance;
2° ce faisant, d'agir avec le soin voulu pour prévenir ou limiter les dommages à l'environnement; et
3° lorsque le navire ou les autres biens ont été conduits en lieu sûr, d'en accepter la restitution lorsque l'assistant le leur demande raisonnablement.
§ 1er. L'assistant a, envers le propriétaire du navire ou des autres biens en danger, l'obligation :
1° d'effectuer les opérations d'assistance avec le soin voulu;
2° lorsqu'il s'acquitte de l'obligation visée au 1°, d'agir avec le soin voulu pour prévenir ou limiter les dommages à l'environnement;
3° chaque fois que les circonstances l'exigent raisonnablement, de chercher à obtenir l'aide d'autres assistants; et
4° d'accepter l'intervention d'autres assistants lorsqu'il est raisonnablement prié de le faire par le commandant ou le propriétaire du navire ou des autres biens en danger; il est néanmoins entendu que le montant de sa rémunération n'est pas affecté s'il s'avère que cette demande n'était pas raisonnable.
§ 2. Le commandant et le propriétaire du navire ou le propriétaire des autres biens en danger ont, envers l'assistant, l'obligation :
1° de coopérer pleinement avec lui pendant les opérations d'assistance;
2° ce faisant, d'agir avec le soin voulu pour prévenir ou limiter les dommages à l'environnement; et
3° lorsque le navire ou les autres biens ont été conduits en lieu sûr, d'en accepter la restitution lorsque l'assistant le leur demande raisonnablement.
Art. 2.7.5.11. Verplichting tot hulpverlening
De scheepseigenaar is niet aansprakelijk voor de schending door de gezagvoerder van de in artikel 2.4.5.37, § 1, bedoelde verplichting.
De scheepseigenaar is niet aansprakelijk voor de schending door de gezagvoerder van de in artikel 2.4.5.37, § 1, bedoelde verplichting.
Art. 2.7.5.11. Obligation de prêter assistance
Le propriétaire du navire n'est pas responsable de la violation par le commandant de l'obligation énoncée à l'article 2.4.5.37, § 1er.
Le propriétaire du navire n'est pas responsable de la violation par le commandant de l'obligation énoncée à l'article 2.4.5.37, § 1er.
Art. 2.7.5.12. Samenwerking
Wanneer de bevoegde overheid regels uitvaardigt of een besluit neemt over een aangelegenheid betreffende berging, zoals de toelating in havens van in nood verkerende schepen of het treffen van voorzieningen ten behoeve van bergers, houdt zij rekening met de noodzaak tot samenwerking tussen bergers, andere belanghebbende partijen en de overheid teneinde een doelmatige en geslaagde uitvoering van de bergingswerkzaamheden te verzekeren met het oogmerk mensenlevens of in gevaar verkerende zaken te redden, alsmede schade aan het milieu in het algemeen te voorkomen.
Wanneer de bevoegde overheid regels uitvaardigt of een besluit neemt over een aangelegenheid betreffende berging, zoals de toelating in havens van in nood verkerende schepen of het treffen van voorzieningen ten behoeve van bergers, houdt zij rekening met de noodzaak tot samenwerking tussen bergers, andere belanghebbende partijen en de overheid teneinde een doelmatige en geslaagde uitvoering van de bergingswerkzaamheden te verzekeren met het oogmerk mensenlevens of in gevaar verkerende zaken te redden, alsmede schade aan het milieu in het algemeen te voorkomen.
Art. 2.7.5.12. Coopération
Lorsque l'autorité compétente édicte des règles ou prend des décisions sur des questions relatives à des opérations d'assistance, telles que l'admission dans les ports de navires en détresse ou la fourniture de moyens aux assistants, elle prend en considération la nécessité d'une coopération entre les assistants, les autres parties intéressées et les autorités publiques, afin d'assurer l'exécution efficace et réussie des opérations d'assistance en vue de sauver des vies ou des biens en danger, ainsi que pour prévenir les dommages à l'environnement en général.
Lorsque l'autorité compétente édicte des règles ou prend des décisions sur des questions relatives à des opérations d'assistance, telles que l'admission dans les ports de navires en détresse ou la fourniture de moyens aux assistants, elle prend en considération la nécessité d'une coopération entre les assistants, les autres parties intéressées et les autorités publiques, afin d'assurer l'exécution efficace et réussie des opérations d'assistance en vue de sauver des vies ou des biens en danger, ainsi que pour prévenir les dommages à l'environnement en général.
Art. 2.7.5.13. Voorwaarden voor het recht op bergloon
§ 1. Berging die met nuttig gevolg is uitgevoerd geeft recht op bergloon.
§ 2. Tenzij anders is bepaald, is geen betaling krachtens deze titel verschuldigd indien de berging geen nuttig gevolg heeft gehad.
De artikel en 2.7.5.13 tot 2.7.5.20 zijn ook van toepassing, indien het geborgen schip en het schip dat de berging heeft ondernomen aan dezelfde eigenaar toebehoren.
§ 1. Berging die met nuttig gevolg is uitgevoerd geeft recht op bergloon.
§ 2. Tenzij anders is bepaald, is geen betaling krachtens deze titel verschuldigd indien de berging geen nuttig gevolg heeft gehad.
De artikel en 2.7.5.13 tot 2.7.5.20 zijn ook van toepassing, indien het geborgen schip en het schip dat de berging heeft ondernomen aan dezelfde eigenaar toebehoren.
Art. 2.7.5.13. Conditions ouvrant droit à une rémunération
§ 1er. Les opérations d'assistance qui ont eu un résultat utile donnent droit à une rémunération.
§ 2. Sauf disposition contraire, aucun paiement n'est dû en vertu du présent titre si les opérations d'assistance n'ont pas eu de résultat utile.
Les articles 2.7.5.13 à 2.7.5.20 s'appliquent même si le navire assisté et le navire assistant appartiennent au même propriétaire.
§ 1er. Les opérations d'assistance qui ont eu un résultat utile donnent droit à une rémunération.
§ 2. Sauf disposition contraire, aucun paiement n'est dû en vertu du présent titre si les opérations d'assistance n'ont pas eu de résultat utile.
Les articles 2.7.5.13 à 2.7.5.20 s'appliquent même si le navire assisté et le navire assistant appartiennent au même propriétaire.
Art. 2.7.5.14. Criteria voor de vaststelling van het bergloon
§ 1. Het bergloon wordt vastgesteld met het oog op de aanmoediging van berging, rekening houdend met de volgende criteria, ongeacht de volgorde waarin zij hieronder zijn opgesomd :
1° de geredde waarde van het schip en de andere zaken;
2° de vakkundigheid en inspanningen van de bergers, betoond bij het voorkomen of beperken van milieuschade;
3° de mate waarin de berger een gunstige uitkomst verwezenlijkte;
4° de aard en ernst van het gevaar;
5° de vakkundigheid en inspanningen betoond door de bergers bij de redding van het schip, de andere zaken en mensenlevens;
6° de door de bergers gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen;
7° het risico van aansprakelijkheid en andere door de bergers of hun uitrusting gelopen risico's;
8° de snelheid van de verleende diensten;
9° de beschikbaarheid en het gebruik van schepen of andere voor berging bestemde uitrusting;
10° de staat van gereedheid alsmede de doelmatigheid en de waarde van de uitrusting van de bergers.
§ 2. De betaling van een in overeenstemming met paragraaf 1 vastgesteld bergloon moet worden uitgevoerd door alle belanghebbenden bij het schip en de andere zaken, in evenredigheid met de geredde waarden daarvan.
Niets in dit artikel belet de aanwending van enig verweermiddel.
§ 3. Het bergloon, met uitzondering van interesten en verhaalbare gerechtelijke kosten welke desgevallend verschuldigd zijn, mag de waarde van het geredde schip en de andere zaken niet overtreffen.
§ 1. Het bergloon wordt vastgesteld met het oog op de aanmoediging van berging, rekening houdend met de volgende criteria, ongeacht de volgorde waarin zij hieronder zijn opgesomd :
1° de geredde waarde van het schip en de andere zaken;
2° de vakkundigheid en inspanningen van de bergers, betoond bij het voorkomen of beperken van milieuschade;
3° de mate waarin de berger een gunstige uitkomst verwezenlijkte;
4° de aard en ernst van het gevaar;
5° de vakkundigheid en inspanningen betoond door de bergers bij de redding van het schip, de andere zaken en mensenlevens;
6° de door de bergers gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen;
7° het risico van aansprakelijkheid en andere door de bergers of hun uitrusting gelopen risico's;
8° de snelheid van de verleende diensten;
9° de beschikbaarheid en het gebruik van schepen of andere voor berging bestemde uitrusting;
10° de staat van gereedheid alsmede de doelmatigheid en de waarde van de uitrusting van de bergers.
§ 2. De betaling van een in overeenstemming met paragraaf 1 vastgesteld bergloon moet worden uitgevoerd door alle belanghebbenden bij het schip en de andere zaken, in evenredigheid met de geredde waarden daarvan.
Niets in dit artikel belet de aanwending van enig verweermiddel.
§ 3. Het bergloon, met uitzondering van interesten en verhaalbare gerechtelijke kosten welke desgevallend verschuldigd zijn, mag de waarde van het geredde schip en de andere zaken niet overtreffen.
Art. 2.7.5.14. Critères d'évaluation de la rémunération
§ 1er. La rémunération est fixée en vue d'encourager les opérations d'assistance compte tenu des critères suivants, sans égard à l'ordre dans lequel ils sont présentés ci-dessous :
1° la valeur du navire et des autres biens sauvés;
2° l'habileté et les efforts des assistants pour prévenir ou limiter les dommages à l'environnement;
3° l'étendue du succès obtenu par l'assistant;
4° la nature et l'importance du danger;
5° l'habileté et les efforts des assistants pour sauver le navire, les autres biens et les vies humaines;
6° le temps passé, les dépenses effectuées et les pertes subies par les assistants;
7° le risque de responsabilité et les autres risques courus par les assistants ou leur matériel;
8° la promptitude des services rendus;
9° la disponibilité et l'usage de navires ou d'autres matériels destinés aux opérations d'assistance;
10° l'état de préparation ainsi que l'efficacité et la valeur du matériel de l'assistant.
§ 2. Le paiement d'une rémunération fixée conformément au paragraphe 1er doit être effectué par toutes les parties intéressées au navire et aux autres biens sauvés en proportion de leur valeur respective.
Aucune disposition du présent article ne porte préjudice à l'exercice de tout droit de défense.
§ 3. Les rémunérations, à l'exclusion de tous intérêts et frais juridiques récupérables qui peuvent être dus à cet égard, ne dépassent pas la valeur du navire et des autres biens sauvés.
§ 1er. La rémunération est fixée en vue d'encourager les opérations d'assistance compte tenu des critères suivants, sans égard à l'ordre dans lequel ils sont présentés ci-dessous :
1° la valeur du navire et des autres biens sauvés;
2° l'habileté et les efforts des assistants pour prévenir ou limiter les dommages à l'environnement;
3° l'étendue du succès obtenu par l'assistant;
4° la nature et l'importance du danger;
5° l'habileté et les efforts des assistants pour sauver le navire, les autres biens et les vies humaines;
6° le temps passé, les dépenses effectuées et les pertes subies par les assistants;
7° le risque de responsabilité et les autres risques courus par les assistants ou leur matériel;
8° la promptitude des services rendus;
9° la disponibilité et l'usage de navires ou d'autres matériels destinés aux opérations d'assistance;
10° l'état de préparation ainsi que l'efficacité et la valeur du matériel de l'assistant.
§ 2. Le paiement d'une rémunération fixée conformément au paragraphe 1er doit être effectué par toutes les parties intéressées au navire et aux autres biens sauvés en proportion de leur valeur respective.
Aucune disposition du présent article ne porte préjudice à l'exercice de tout droit de défense.
§ 3. Les rémunérations, à l'exclusion de tous intérêts et frais juridiques récupérables qui peuvent être dus à cet égard, ne dépassent pas la valeur du navire et des autres biens sauvés.
Art. 2.7.5.15. Bijzondere vergoeding
§ 1. Indien een berger hulp heeft verleend aan een schip dat zelf of wegens zijn lading milieuschade dreigde te veroorzaken en hij geen bergloon heeft verkregen krachtens artikel 2.7.5.14 dat ten minste gelijk is aan de volgens dit artikel vast te stellen bijzondere vergoeding, heeft hij recht op een bijzondere vergoeding vanwege de scheepseigenaar, gelijk aan de door hem gemaakte kosten zoals in dit artikel omschreven.
§ 2. Indien de berger in de in paragraaf 1 bedoelde omstandigheden door zijn bergingswerkzaamheden milieuschade heeft voorkomen of heeft beperkt, kan de door de scheepseigenaar volgens paragraaf 1 aan de berger te betalen bijzondere vergoeding worden verhoogd tot een maximum van 30 % van de door de berger gemaakte kosten. Indien echter het gerecht, rekening houdend met de relevante in artikel 2.7.5.14, § 1 genoemde criteria, zulks billijk en rechtvaardig acht, kan het die bijzondere vergoeding verder verhogen, maar de totale verhoging mag in geen geval meer bedragen dan 100 % van de door de berger gemaakte kosten.
§ 3. Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 worden onder kosten van de berger verstaan de contante uitgaven die door de berger redelijkerwijze zijn gemaakt bij de berging en een billijk tarief voor uitrusting en personeel die daadwerkelijk en redelijkerwijze zijn ingezet tijdens de berging, in aanmerking nemend de criteria genoemd in artikel 2.7.5.14, § 1, 8°, 9° en 10°.
§ 4. De totale bijzondere vergoeding krachtens dit artikel wordt slechts betaald indien en voor zover deze vergoeding hoger is dan het bergloon dat de berger krachtens artikel 2.7.5.14 kan ontvangen.
§ 5. Indien de berger nalatig is geweest en daardoor in gebreke is gebleven milieuschade te voorkomen of te beperken, kan hem de krachtens dit artikel verschuldigde bijzondere vergoeding geheel of gedeeltelijk worden ontzegd.
§ 6. Geen bepaling van dit artikel doet afbreuk aan enig recht van verhaal van de scheepseigenaar.
§ 7. De rechter die een bergloon vaststelt krachtens artikel 2.7.5.14 en een bijzondere vergoeding bepaalt krachtens de voorgaande paragrafen, is niet verplicht om het bedrag van het bergloon bedoeld in artikel 2.7.5.14 vast te stellen tot het beloop van de maximale waarde van het schip en de andere geredde goederen alvorens het bedrag van de bijzondere vergoeding te bepalen.
§ 1. Indien een berger hulp heeft verleend aan een schip dat zelf of wegens zijn lading milieuschade dreigde te veroorzaken en hij geen bergloon heeft verkregen krachtens artikel 2.7.5.14 dat ten minste gelijk is aan de volgens dit artikel vast te stellen bijzondere vergoeding, heeft hij recht op een bijzondere vergoeding vanwege de scheepseigenaar, gelijk aan de door hem gemaakte kosten zoals in dit artikel omschreven.
§ 2. Indien de berger in de in paragraaf 1 bedoelde omstandigheden door zijn bergingswerkzaamheden milieuschade heeft voorkomen of heeft beperkt, kan de door de scheepseigenaar volgens paragraaf 1 aan de berger te betalen bijzondere vergoeding worden verhoogd tot een maximum van 30 % van de door de berger gemaakte kosten. Indien echter het gerecht, rekening houdend met de relevante in artikel 2.7.5.14, § 1 genoemde criteria, zulks billijk en rechtvaardig acht, kan het die bijzondere vergoeding verder verhogen, maar de totale verhoging mag in geen geval meer bedragen dan 100 % van de door de berger gemaakte kosten.
§ 3. Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 worden onder kosten van de berger verstaan de contante uitgaven die door de berger redelijkerwijze zijn gemaakt bij de berging en een billijk tarief voor uitrusting en personeel die daadwerkelijk en redelijkerwijze zijn ingezet tijdens de berging, in aanmerking nemend de criteria genoemd in artikel 2.7.5.14, § 1, 8°, 9° en 10°.
§ 4. De totale bijzondere vergoeding krachtens dit artikel wordt slechts betaald indien en voor zover deze vergoeding hoger is dan het bergloon dat de berger krachtens artikel 2.7.5.14 kan ontvangen.
§ 5. Indien de berger nalatig is geweest en daardoor in gebreke is gebleven milieuschade te voorkomen of te beperken, kan hem de krachtens dit artikel verschuldigde bijzondere vergoeding geheel of gedeeltelijk worden ontzegd.
§ 6. Geen bepaling van dit artikel doet afbreuk aan enig recht van verhaal van de scheepseigenaar.
§ 7. De rechter die een bergloon vaststelt krachtens artikel 2.7.5.14 en een bijzondere vergoeding bepaalt krachtens de voorgaande paragrafen, is niet verplicht om het bedrag van het bergloon bedoeld in artikel 2.7.5.14 vast te stellen tot het beloop van de maximale waarde van het schip en de andere geredde goederen alvorens het bedrag van de bijzondere vergoeding te bepalen.
Art. 2.7.5.15. Indemnité spéciale
§ 1er. Si l'assistant a effectué des opérations d'assistance à l'égard d'un navire qui par lui-même ou par sa cargaison menaçait de causer des dommages à l'environnement et n'a pu obtenir en vertu de l'article 2.7.5.14 une rémunération équivalant au moins à l'indemnité spéciale calculée conformément au présent article, il a droit de la part du propriétaire du navire à une indemnité spéciale équivalant à ses dépenses telles qu'ici définies.
§ 2. Si, dans les circonstances visées au paragraphe 1er, l'assistant a prévenu ou limité les dommages à l'environnement par ses opérations d'assistance, l'indemnité spéciale due par le propriétaire du navire à l'assistant en vertu du paragraphe 1er peut être augmentée jusqu'à un maximum de 30 % des dépenses engagées par l'assistant. Toutefois, si le tribunal le juge équitable et juste, compte tenu des critères pertinents énoncés à l'article 2.7.5.14, § 1er, il peut encore augmenter cette indemnité spéciale, mais l'augmentation totale ne doit en aucun cas représenter plus de 100 % des dépenses engagées par l'assistant.
§ 3. Les dépenses de l'assistant visent, aux fins des paragraphes 1er et 2, les débours raisonnablement engagés par l'assistant dans les opérations d'assistance ainsi qu'une somme équitable pour le matériel et le personnel effectivement et raisonnablement utilisés dans les opérations d'assistance, compte tenu des critères énoncés à l'article 2.7.5.14, § 1er, 8°, 9° et 10°.
§ 4. L'indemnité spéciale totale en vertu du présent article n'est payée que dans le cas et dans la mesure où elle excède la rémunération pouvant être obtenue par l'assistant en vertu de l'article 2.7.5.14.
§ 5. Si l'assistant a été négligent et n'a pu, de ce fait, prévenir ou limiter les dommages à l'environnement, il peut être privé de la totalité ou d'une partie de toute indemnité spéciale due en vertu du présent article.
§ 6. Aucune disposition du présent article ne porte atteinte aux droits de recours du propriétaire du navire.
§ 7. Le juge qui fixe une rémunération en vertu de l'article 2.7.5.14 et calcule une indemnité spéciale en vertu des paragraphes qui précèdent n'est pas tenu de fixer une rémunération en vertu de l'article 2.7.5.14 jusqu'à concurrence de la valeur maximale du navire et des autres biens sauvés avant calculer l'indemnité spéciale.
§ 1er. Si l'assistant a effectué des opérations d'assistance à l'égard d'un navire qui par lui-même ou par sa cargaison menaçait de causer des dommages à l'environnement et n'a pu obtenir en vertu de l'article 2.7.5.14 une rémunération équivalant au moins à l'indemnité spéciale calculée conformément au présent article, il a droit de la part du propriétaire du navire à une indemnité spéciale équivalant à ses dépenses telles qu'ici définies.
§ 2. Si, dans les circonstances visées au paragraphe 1er, l'assistant a prévenu ou limité les dommages à l'environnement par ses opérations d'assistance, l'indemnité spéciale due par le propriétaire du navire à l'assistant en vertu du paragraphe 1er peut être augmentée jusqu'à un maximum de 30 % des dépenses engagées par l'assistant. Toutefois, si le tribunal le juge équitable et juste, compte tenu des critères pertinents énoncés à l'article 2.7.5.14, § 1er, il peut encore augmenter cette indemnité spéciale, mais l'augmentation totale ne doit en aucun cas représenter plus de 100 % des dépenses engagées par l'assistant.
§ 3. Les dépenses de l'assistant visent, aux fins des paragraphes 1er et 2, les débours raisonnablement engagés par l'assistant dans les opérations d'assistance ainsi qu'une somme équitable pour le matériel et le personnel effectivement et raisonnablement utilisés dans les opérations d'assistance, compte tenu des critères énoncés à l'article 2.7.5.14, § 1er, 8°, 9° et 10°.
§ 4. L'indemnité spéciale totale en vertu du présent article n'est payée que dans le cas et dans la mesure où elle excède la rémunération pouvant être obtenue par l'assistant en vertu de l'article 2.7.5.14.
§ 5. Si l'assistant a été négligent et n'a pu, de ce fait, prévenir ou limiter les dommages à l'environnement, il peut être privé de la totalité ou d'une partie de toute indemnité spéciale due en vertu du présent article.
§ 6. Aucune disposition du présent article ne porte atteinte aux droits de recours du propriétaire du navire.
§ 7. Le juge qui fixe une rémunération en vertu de l'article 2.7.5.14 et calcule une indemnité spéciale en vertu des paragraphes qui précèdent n'est pas tenu de fixer une rémunération en vertu de l'article 2.7.5.14 jusqu'à concurrence de la valeur maximale du navire et des autres biens sauvés avant calculer l'indemnité spéciale.
Art. 2.7.5.16. Verdeling tussen bergers
De verdeling van een in artikel 2.7.5.14 bedoeld bergloon tussen bergers geschiedt volgens de in dat artikel genoemde criteria.
De verdeling van een in artikel 2.7.5.14 bedoeld bergloon tussen bergers geschiedt volgens de in dat artikel genoemde criteria.
Art. 2.7.5.16. Répartition entre assistants
La répartition entre assistants d'une rémunération visée à l'article 2.7.5.14 se fait sur la base des critères prévus dans cet article.
La répartition entre assistants d'une rémunération visée à l'article 2.7.5.14 se fait sur la base des critères prévus dans cet article.
Art. 2.7.5.17. Redding van personen
§ 1. Geen bergloon is verschuldigd door personen wier leven is gered.
§ 2. Degene die mensenlevens heeft gered en heeft deelgenomen aan de werkzaamheden die zijn verricht ter gelegenheid van het ongeval dat aanleiding heeft gegeven tot de berging, heeft recht op een billijk aandeel in de betaling die aan de berger is toegekend voor de redding van het schip of andere zaken of voor het voorkomen of beperken van milieuschade.
§ 1. Geen bergloon is verschuldigd door personen wier leven is gered.
§ 2. Degene die mensenlevens heeft gered en heeft deelgenomen aan de werkzaamheden die zijn verricht ter gelegenheid van het ongeval dat aanleiding heeft gegeven tot de berging, heeft recht op een billijk aandeel in de betaling die aan de berger is toegekend voor de redding van het schip of andere zaken of voor het voorkomen of beperken van milieuschade.
Art. 2.7.5.17. Sauvetage des personnes
§ 1er. Aucune rémunération n'est due par les personnes dont les vies ont été sauvées.
§ 2. Le sauveteur de vies humaines qui a participé aux services rendus à l'occasion de l'accident ayant donné lieu aux opérations d'assistance a droit à une part équitable du paiement alloué à l'assistant pour avoir sauvé le navire ou d'autres biens ou pour avoir prévenu ou limité les dommages à l'environnement.
§ 1er. Aucune rémunération n'est due par les personnes dont les vies ont été sauvées.
§ 2. Le sauveteur de vies humaines qui a participé aux services rendus à l'occasion de l'accident ayant donné lieu aux opérations d'assistance a droit à une part équitable du paiement alloué à l'assistant pour avoir sauvé le navire ou d'autres biens ou pour avoir prévenu ou limité les dommages à l'environnement.
Art. 2.7.5.18. Diensten verleend krachtens bestaande overeenkomsten
Geen betaling is verschuldigd krachtens deze titel tenzij de verleende diensten verder gaan dan wat redelijkerwijs kan worden aangemerkt als behoorlijke uitvoering van een overeenkomst die was gesloten voordat het gevaar ontstond.
Geen betaling is verschuldigd krachtens deze titel tenzij de verleende diensten verder gaan dan wat redelijkerwijs kan worden aangemerkt als behoorlijke uitvoering van een overeenkomst die was gesloten voordat het gevaar ontstond.
Art. 2.7.5.18. Services rendus en vertu de contrats existants
Aucun paiement n'est dû en vertu des dispositions du présent titre à moins que les services rendus ne dépassent ce qui peut raisonnablement être considéré comme l'exécution normale d'un contrat conclu avant que le danger ne survienne.
Aucun paiement n'est dû en vertu des dispositions du présent titre à moins que les services rendus ne dépassent ce qui peut raisonnablement être considéré comme l'exécution normale d'un contrat conclu avant que le danger ne survienne.
Art. 2.7.5.19. Gevolgen van fouten van de berger
Aan een berger kan een krachtens deze titel verschuldigde betaling geheel of gedeeltelijk worden ontzegd voor zover de berging noodzakelijk geworden of bemoeilijkt is door zijn fout of nalatigheid of de berger zich schuldig heeft gemaakt aan bedrog of ander oneerlijk gedrag.
Aan een berger kan een krachtens deze titel verschuldigde betaling geheel of gedeeltelijk worden ontzegd voor zover de berging noodzakelijk geworden of bemoeilijkt is door zijn fout of nalatigheid of de berger zich schuldig heeft gemaakt aan bedrog of ander oneerlijk gedrag.
Art. 2.7.5.19. Conséquences de la faute de l'assistant
Un assistant peut être privé de la totalité ou d'une partie du paiement dû en vertu du présent titre dans la mesure où les opérations d'assistance ont été rendues nécessaires ou plus difficiles par sa faute ou sa négligence, ou s'il s'est rendu coupable de fraude ou de malhonnêteté.
Un assistant peut être privé de la totalité ou d'une partie du paiement dû en vertu du présent titre dans la mesure où les opérations d'assistance ont été rendues nécessaires ou plus difficiles par sa faute ou sa négligence, ou s'il s'est rendu coupable de fraude ou de malhonnêteté.
Art. 2.7.5.20. Verbod tot berging
Diensten, verleend niettegenstaande het uitdrukkelijk en redelijk verbod van de scheepseigenaar of de gezagvoerder van het schip of van de eigenaar van enige andere in gevaar verkerende zaak die zich niet aan boord van het schip bevindt of heeft bevonden, geven geen recht op een betaling krachtens het Bergingsverdrag 1989 of deze titel.
Diensten, verleend niettegenstaande het uitdrukkelijk en redelijk verbod van de scheepseigenaar of de gezagvoerder van het schip of van de eigenaar van enige andere in gevaar verkerende zaak die zich niet aan boord van het schip bevindt of heeft bevonden, geven geen recht op een betaling krachtens het Bergingsverdrag 1989 of deze titel.
Art. 2.7.5.20. Défense d'effectuer des opérations d'assistance
Des services rendus malgré la défense expresse et raisonnable du propriétaire ou du commandant du navire ou du propriétaire de tout autre bien en danger qui n'est pas ou n'a pas été à bord du navire ne donnent pas droit à paiement en vertu de la Convention sur l'Assistance 1989 ou du présent titre.
Des services rendus malgré la défense expresse et raisonnable du propriétaire ou du commandant du navire ou du propriétaire de tout autre bien en danger qui n'est pas ou n'a pas été à bord du navire ne donnent pas droit à paiement en vertu de la Convention sur l'Assistance 1989 ou du présent titre.
Art. 2.7.5.21. Uitoefening van het scheepsvoorrecht
Geen bepaling van deze titel doet afbreuk aan het scheepsvoorrecht van de berger.
De berger kan zijn scheepsvoorrecht niet uitoefenen, wanneer hem op een behoorlijke wijze voldoende zekerheid voor zijn vordering, met inbegrip van interesten en kosten, is aangeboden of verstrekt.
Geen bepaling van deze titel doet afbreuk aan het scheepsvoorrecht van de berger.
De berger kan zijn scheepsvoorrecht niet uitoefenen, wanneer hem op een behoorlijke wijze voldoende zekerheid voor zijn vordering, met inbegrip van interesten en kosten, is aangeboden of verstrekt.
Art. 2.7.5.21. Exercice du privilège maritime
Aucune disposition du présent titre ne porte atteinte au privilège maritime de l'assistant.
L'assistant ne peut pas faire valoir son privilège maritime lorsqu'une garantie suffisante lui a été dûment offerte ou fournie pour le montant de sa créance, intérêts et frais compris.
Aucune disposition du présent titre ne porte atteinte au privilège maritime de l'assistant.
L'assistant ne peut pas faire valoir son privilège maritime lorsqu'une garantie suffisante lui a été dûment offerte ou fournie pour le montant de sa créance, intérêts et frais compris.
Art. 2.7.5.22. Verplichting tot het verstrekken van zekerheid
§ 1. Op verzoek van de berger moet degene die aansprakelijk is voor een betaling krachtens deze titel voldoende zekerheid stellen voor de voldoening van de vordering van de berger, met inbegrip van interesten en kosten.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 moet de scheepseigenaar van het schip waaraan de hulp is verleend zich inspannen om, voordat de lading wordt vrijgegeven, van de eigenaars daarvan voldoende zekerheid te verkrijgen voor de voldoening van de vorderingen, met inbegrip van interesten en kosten, die jegens hen geldend kunnen worden gemaakt.
§ 3. Het schip en de andere zaken waaraan de hulp is verleend mogen niet zonder toestemming van de berger worden verwijderd van de eerste haven of plaats waar zij na de beëindiging van de berging zijn aangekomen, totdat voldoende zekerheid is gesteld voor de voldoening van de vordering van de berger tegen het schip of de andere zaken.
§ 1. Op verzoek van de berger moet degene die aansprakelijk is voor een betaling krachtens deze titel voldoende zekerheid stellen voor de voldoening van de vordering van de berger, met inbegrip van interesten en kosten.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 moet de scheepseigenaar van het schip waaraan de hulp is verleend zich inspannen om, voordat de lading wordt vrijgegeven, van de eigenaars daarvan voldoende zekerheid te verkrijgen voor de voldoening van de vorderingen, met inbegrip van interesten en kosten, die jegens hen geldend kunnen worden gemaakt.
§ 3. Het schip en de andere zaken waaraan de hulp is verleend mogen niet zonder toestemming van de berger worden verwijderd van de eerste haven of plaats waar zij na de beëindiging van de berging zijn aangekomen, totdat voldoende zekerheid is gesteld voor de voldoening van de vordering van de berger tegen het schip of de andere zaken.
Art. 2.7.5.22. Obligation de fournir une garantie
§ 1er. A la demande de l'assistant, la personne redevable d'un paiement en vertu du présent titre fournit une garantie suffisante au titre de la créance de l'assistant, intérêts et frais compris.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, le propriétaire du navire sauvé fait de son mieux pour obtenir des propriétaires de la cargaison, avant que celle-ci ne soit libérée, une garantie suffisante au titre des créances pouvant être formées contre eux, intérêts et frais compris.
§ 3. Le navire et les autres biens sauvés ne doivent pas, sans le consentement de l'assistant, être enlevés du premier port ou lieu où ils sont arrivés après l'achèvement des opérations d'assistance, jusqu'à ce qu'ait été constituée une garantie suffisante au titre de la créance de l'assistant sur le navire ou les biens concernés.
§ 1er. A la demande de l'assistant, la personne redevable d'un paiement en vertu du présent titre fournit une garantie suffisante au titre de la créance de l'assistant, intérêts et frais compris.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, le propriétaire du navire sauvé fait de son mieux pour obtenir des propriétaires de la cargaison, avant que celle-ci ne soit libérée, une garantie suffisante au titre des créances pouvant être formées contre eux, intérêts et frais compris.
§ 3. Le navire et les autres biens sauvés ne doivent pas, sans le consentement de l'assistant, être enlevés du premier port ou lieu où ils sont arrivés après l'achèvement des opérations d'assistance, jusqu'à ce qu'ait été constituée une garantie suffisante au titre de la créance de l'assistant sur le navire ou les biens concernés.
Art. 2.7.5.23. Voorschot
Het gerecht dat bevoegd is kennis te nemen van de vordering van de berger kan bij tussenvonnis bevelen dat hem een billijk en rechtvaardig voorschot wordt verstrekt en wel onder voorwaarden, waaronder voorwaarden van zekerheidstelling, die gezien de omstandigheden van het geval billijk en rechtvaardig zijn.
In geval van een krachtens dit artikel verstrekt voorschot wordt de in artikel 2.7.5.22 bedoelde zekerheidstelling dienovereenkomstig verminderd.
Het gerecht dat bevoegd is kennis te nemen van de vordering van de berger kan bij tussenvonnis bevelen dat hem een billijk en rechtvaardig voorschot wordt verstrekt en wel onder voorwaarden, waaronder voorwaarden van zekerheidstelling, die gezien de omstandigheden van het geval billijk en rechtvaardig zijn.
In geval van een krachtens dit artikel verstrekt voorschot wordt de in artikel 2.7.5.22 bedoelde zekerheidstelling dienovereenkomstig verminderd.
Art. 2.7.5.23. Paiement provisoire
Le tribunal compétent pour statuer sur la créance de l'assistant peut, par une décision provisoire, ordonner que celui-ci reçoive un acompte équitable et juste, assorti de modalités, y compris d'une garantie s'il y a lieu, qui soient équitables et justes suivant les circonstances de l'affaire.
En cas d'acompte versé en vertu du présent article, la garantie prévue à l'article 2.7.5.22 est réduite proportionnellement.
Le tribunal compétent pour statuer sur la créance de l'assistant peut, par une décision provisoire, ordonner que celui-ci reçoive un acompte équitable et juste, assorti de modalités, y compris d'une garantie s'il y a lieu, qui soient équitables et justes suivant les circonstances de l'affaire.
En cas d'acompte versé en vertu du présent article, la garantie prévue à l'article 2.7.5.22 est réduite proportionnellement.
Art. 2.7.5.24. Interesten
De berger heeft recht op interesten op elke krachtens het Bergingsverdrag 1989 of deze titel verschuldigde betaling. Deze interesten wordt berekend aan de wettelijke interestvoet. Zij lopen van rechtswege vanaf de beëindiging van de berging.
De berger heeft recht op interesten op elke krachtens het Bergingsverdrag 1989 of deze titel verschuldigde betaling. Deze interesten wordt berekend aan de wettelijke interestvoet. Zij lopen van rechtswege vanaf de beëindiging van de berging.
Art. 2.7.5.24. Intérêts
L'assistant a droit à des intérêts sur tout paiement dû en vertu de la Convention sur l'Assistance 1989 ou du présent titre. Ces intérêts sont calculés au taux d'intérêt légal. Ils courent de plein droit à partir de l'achèvement des opérations d'assistance.
L'assistant a droit à des intérêts sur tout paiement dû en vertu de la Convention sur l'Assistance 1989 ou du présent titre. Ces intérêts sont calculés au taux d'intérêt légal. Ils courent de plein droit à partir de l'achèvement des opérations d'assistance.
Art. 2.7.5.25. Ladingen die toebehoren aan een Staat
Tenzij de Staat die er eigenaar van is daarin toestemt, kan geen bepaling van deze titel worden ingeroepen teneinde niet voor handelsdoeleinden bestemde ladingen die toebehoren aan een Staat en waarvan ten tijde van de berging volgens algemeen erkende beginselen van internationaal recht een beroep kan worden gedaan op staatsimmuniteit aan de hand van enige gerechtelijke maatregel in beslag te nemen, er beslag op te leggen of ze op te houden, of teneinde tegen dergelijke ladingen een vordering "in rem" in te stellen.
Tenzij de Staat die er eigenaar van is daarin toestemt, kan geen bepaling van deze titel worden ingeroepen teneinde niet voor handelsdoeleinden bestemde ladingen die toebehoren aan een Staat en waarvan ten tijde van de berging volgens algemeen erkende beginselen van internationaal recht een beroep kan worden gedaan op staatsimmuniteit aan de hand van enige gerechtelijke maatregel in beslag te nemen, er beslag op te leggen of ze op te houden, of teneinde tegen dergelijke ladingen een vordering "in rem" in te stellen.
Art. 2.7.5.25. Cargaisons appartenant à un Etat
A moins que l'Etat propriétaire n'y consente, aucune disposition du présent titre ne peut être invoquée pour saisir, arrêter ou détenir par une mesure de justice quelconque des cargaisons non commerciales appartenant à un Etat et ayant droit, lors des opérations d'assistance, à l'immunité souveraine en vertu des principes généralement reconnus du droit international, ni pour engager une action "in rem" à l'encontre de ces cargaisons.
A moins que l'Etat propriétaire n'y consente, aucune disposition du présent titre ne peut être invoquée pour saisir, arrêter ou détenir par une mesure de justice quelconque des cargaisons non commerciales appartenant à un Etat et ayant droit, lors des opérations d'assistance, à l'immunité souveraine en vertu des principes généralement reconnus du droit international, ni pour engager une action "in rem" à l'encontre de ces cargaisons.
Art. 2.7.5.26. Ladingen bestemd voor humanitaire doeleinden
Geen bepaling van deze titel kan worden ingeroepen om een lading die bestemd is voor humanitaire doeleinden en die geschonken is door een Staat in beslag te nemen of ze aan te houden, indien die Staat in betaling voor de ten aanzien van die lading verleende hulp heeft toegestemd.
Geen bepaling van deze titel kan worden ingeroepen om een lading die bestemd is voor humanitaire doeleinden en die geschonken is door een Staat in beslag te nemen of ze aan te houden, indien die Staat in betaling voor de ten aanzien van die lading verleende hulp heeft toegestemd.
Art. 2.7.5.26. Cargaisons humanitaires
Aucune disposition du présent titre ne peut être invoquée pour saisir, arrêter ou détenir des cargaisons humanitaires données par un Etat, si cet Etat a accepté de rémunérer les services d'assistance rendus à ces cargaisons.
Aucune disposition du présent titre ne peut être invoquée pour saisir, arrêter ou détenir des cargaisons humanitaires données par un Etat, si cet Etat a accepté de rémunérer les services d'assistance rendus à ces cargaisons.
Art. 2.7.5.27. Verjaring
§ 1. Iedere rechtsvordering betreffende een betaling krachtens deze titel verjaart indien niet binnen twee jaar een gerechtelijke of scheidsrechterlijke procedure aanhangig is gemaakt. De verjaringstermijn vangt aan op de dag waarop de berging is beëindigd.
§ 2. Degene tegen wie een vordering is ingesteld kan gedurende de termijn dat de verjaring loopt ten allen tijde die termijn verlengen door middel van een aan de eiser gerichte verklaring. Op dezelfde wijze kan deze termijn verder worden verlengd.
§ 3. Regresvorderingen kunnen, ook na de in paragraaf 1 bedoelde termijn, worden ingesteld binnen drie maanden nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
§ 1. Iedere rechtsvordering betreffende een betaling krachtens deze titel verjaart indien niet binnen twee jaar een gerechtelijke of scheidsrechterlijke procedure aanhangig is gemaakt. De verjaringstermijn vangt aan op de dag waarop de berging is beëindigd.
§ 2. Degene tegen wie een vordering is ingesteld kan gedurende de termijn dat de verjaring loopt ten allen tijde die termijn verlengen door middel van een aan de eiser gerichte verklaring. Op dezelfde wijze kan deze termijn verder worden verlengd.
§ 3. Regresvorderingen kunnen, ook na de in paragraaf 1 bedoelde termijn, worden ingesteld binnen drie maanden nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
Art. 2.7.5.27. Prescription
§ 1er. Toute action en paiement en vertu du présent titre est prescrite si une procédure judiciaire ou arbitrale n'a pas été engagée dans un délai de deux ans. Le délai de prescription court du jour où les opérations d'assistance ont été terminées.
§ 2. La personne contre laquelle une créance a été formée peut à tout moment, pendant le délai de prescription, prolonger celui-ci par une déclaration adressée au demandeur. Le délai peut de la même façon être à nouveau prolongé.
§ 3. Des actions récursoires peuvent, même après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, être introduites dans les trois mois à dater du moment où le demandeur a lui-même été rendu responsable ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
§ 1er. Toute action en paiement en vertu du présent titre est prescrite si une procédure judiciaire ou arbitrale n'a pas été engagée dans un délai de deux ans. Le délai de prescription court du jour où les opérations d'assistance ont été terminées.
§ 2. La personne contre laquelle une créance a été formée peut à tout moment, pendant le délai de prescription, prolonger celui-ci par une déclaration adressée au demandeur. Le délai peut de la même façon être à nouveau prolongé.
§ 3. Des actions récursoires peuvent, même après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, être introduites dans les trois mois à dater du moment où le demandeur a lui-même été rendu responsable ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
HOOFDSTUK 6. - Wrakverwijdering
CHAPITRE 6. - Enlèvement des épaves
Afdeling 1. - Territoriale zee
Section 1ère. - Mer territoriale
Art. 2.7.6.1. Toepassingsgebied
Deze afdeling is van toepassing op de wrakken in de territoriale zee.
Deze afdeling is van toepassing op de wrakken in de territoriale zee.
Art. 2.7.6.1. Champ d'application
La présente section est d'appliction aux épaves dans la mer territoriale.
La présente section est d'appliction aux épaves dans la mer territoriale.
Art. 2.7.6.2. Gehoudenheid in solidum
Telkens dit hoofdstuk verplichtingen, inbegrepen de verwijderingsplicht en financiële verplichtingen, oplegt aan de scheepseigenaar, zijn deze laatste, de reder, de scheepsgebruiker en de gezagvoerder in solidum gehouden deze verplichtingen na te komen, en kan de bevoegde overheid elk van hen aanspreken ten einde volledige genoegdoening te bekomen, onverminderd het recht van verhaal waarover de aangesprokene desgevallend beschikt.
Telkens dit hoofdstuk verplichtingen, inbegrepen de verwijderingsplicht en financiële verplichtingen, oplegt aan de scheepseigenaar, zijn deze laatste, de reder, de scheepsgebruiker en de gezagvoerder in solidum gehouden deze verplichtingen na te komen, en kan de bevoegde overheid elk van hen aanspreken ten einde volledige genoegdoening te bekomen, onverminderd het recht van verhaal waarover de aangesprokene desgevallend beschikt.
Art. 2.7.6.2. Obligation in solidum
Chaque fois que le présent chapitre impose des obligations au propriétaire du navire, en ce comprises l'obligation d'enlèvement et les obligations financières, le propriétaire du navire, l'armateur, l'utilisateur du navire et le commandant sont tenus in solidum de respecter ces obligations, et l'autorité compétente peut s'adresser à chacune de ces personnes afin d'être intégralement indemnisée, sans préjudice du droit de recours dont dispose, le cas échéant, la personne adressée.
Chaque fois que le présent chapitre impose des obligations au propriétaire du navire, en ce comprises l'obligation d'enlèvement et les obligations financières, le propriétaire du navire, l'armateur, l'utilisateur du navire et le commandant sont tenus in solidum de respecter ces obligations, et l'autorité compétente peut s'adresser à chacune de ces personnes afin d'être intégralement indemnisée, sans préjudice du droit de recours dont dispose, le cas échéant, la personne adressée.
Art. 2.7.6.3. Verwijderingsplicht
§ 1. De eigenaar van een [1 zeeschip]1 dat in de territoriale zee gezonken, vergaan, gestrand of verlaten is, moet dit [1 zeeschip]1, met inbegrip van alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, in het bijzonder de lading, en alles wat vanop een [1 zeeschip]1 in het water is terechtgekomen, vlot brengen, verwijderen en brengen naar de daartoe door de bevoegde overheid aangewezen plaats.
§ 2. De eigenaar van zich in de territoriale zee bevindende wrakken, wrakstukken of gezonken dan wel achtergelaten tuigen of voorwerpen moet deze vlot brengen, verwijderen en brengen naar de daartoe door de bevoegde overheid aangewezen plaats.
§ 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde verplichtingen moeten worden nagekomen met inachtneming van de maatregelen die worden opgelegd door de wetten en reglementen, in het bijzonder deze welke betrekking hebben op de verwijdering van gevaarlijke of schadelijke stoffen.
De bevoegde overheid kan de betrokken eigenaars nadere verplichtingen opleggen, met inbegrip van termijnen.
De uitvoering van de voormelde verplichtingen kan niet worden verhinderd door enig beslag- of dwangmaatregel.
De voorgaande leden gelden onverminderd de meldingsplichten bepaald in dit wetboek [2 ...]2.
§ 4. [2 ...]2
§ 1. De eigenaar van een [1 zeeschip]1 dat in de territoriale zee gezonken, vergaan, gestrand of verlaten is, moet dit [1 zeeschip]1, met inbegrip van alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, in het bijzonder de lading, en alles wat vanop een [1 zeeschip]1 in het water is terechtgekomen, vlot brengen, verwijderen en brengen naar de daartoe door de bevoegde overheid aangewezen plaats.
§ 2. De eigenaar van zich in de territoriale zee bevindende wrakken, wrakstukken of gezonken dan wel achtergelaten tuigen of voorwerpen moet deze vlot brengen, verwijderen en brengen naar de daartoe door de bevoegde overheid aangewezen plaats.
§ 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde verplichtingen moeten worden nagekomen met inachtneming van de maatregelen die worden opgelegd door de wetten en reglementen, in het bijzonder deze welke betrekking hebben op de verwijdering van gevaarlijke of schadelijke stoffen.
De bevoegde overheid kan de betrokken eigenaars nadere verplichtingen opleggen, met inbegrip van termijnen.
De uitvoering van de voormelde verplichtingen kan niet worden verhinderd door enig beslag- of dwangmaatregel.
De voorgaande leden gelden onverminderd de meldingsplichten bepaald in dit wetboek [2 ...]2.
§ 4. [2 ...]2
Art. 2.7.6.3. Obligation d'enlèvement
§ 1er. Le propriétaire d'un [1 navire de mer]1 coulé, naufragé, échoué ou abandonné dans la mer territoriale doit renflouer, enlever et apporter le [1 navire de mer]1 à l'endroit indiqué par l'autorité compétente, y compris tout ce qui se trouve ou se trouvait à bord, en particulier la cargaison, et tout ce qui est tombé à l'eau à partir du [1 navire de mer]1.
§ 2. Les épaves, débris d'épave, agrès ou objets coulés ou abandonnés qui se trouvent dans la mer territoriale doivent être renfloués, enlevés et apportés à l'endroit indiqué par l'autorité compétente par leur propriétaire respectif.
§ 3. Les obligations visées aux paragraphes 1er et 2 doivent être respectées en tenant compte des mesures imposées par les lois et règlements, en particulier celles relatives à l'enlèvement des matières dangereuses ou nocives.
L'autorité compétente peut imposer des conditions plus précises aux propriétaires concernés, y compris des délais.
L'exécution des obligations susvisées ne peut être empêchée ni par saisie ni par contrainte quelconques.
Les alinéas précédents s'appliquent sans préjudice des obligations de notification déterminées dans le présent code [2 ...]2.
§ 4. [2 ...]2
§ 1er. Le propriétaire d'un [1 navire de mer]1 coulé, naufragé, échoué ou abandonné dans la mer territoriale doit renflouer, enlever et apporter le [1 navire de mer]1 à l'endroit indiqué par l'autorité compétente, y compris tout ce qui se trouve ou se trouvait à bord, en particulier la cargaison, et tout ce qui est tombé à l'eau à partir du [1 navire de mer]1.
§ 2. Les épaves, débris d'épave, agrès ou objets coulés ou abandonnés qui se trouvent dans la mer territoriale doivent être renfloués, enlevés et apportés à l'endroit indiqué par l'autorité compétente par leur propriétaire respectif.
§ 3. Les obligations visées aux paragraphes 1er et 2 doivent être respectées en tenant compte des mesures imposées par les lois et règlements, en particulier celles relatives à l'enlèvement des matières dangereuses ou nocives.
L'autorité compétente peut imposer des conditions plus précises aux propriétaires concernés, y compris des délais.
L'exécution des obligations susvisées ne peut être empêchée ni par saisie ni par contrainte quelconques.
Les alinéas précédents s'appliquent sans préjudice des obligations de notification déterminées dans le présent code [2 ...]2.
§ 4. [2 ...]2
Art. 2.7.6.4. Ambtshalve optreden van de bevoegde overheid
§ 1. Ingeval de in artikel 2.7.6.3 bedoelde verplichtingen niet of gebrekkig worden nagekomen, in spoedgevallen waarover de bevoegde overheid oordeelt of ingeval de eigenaar onbekend is, kan de bevoegde overheid, ambtshalve en op risico van de eigenaar en van de verantwoordelijke voor de gebeurtenis waardoor het tuig of voorwerp op zee is terechtgekomen :
1° een gezonken, vergaan, gestrand of verlaten [1 zeeschip]1, met inbegrip van alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, in het bijzonder de lading, en alles wat vanop een [1 zeeschip]1 in het water is terechtgekomen, vlot brengen, verwijderen, vernietigen, onschadelijk maken, wegruimen of verplaatsen;
2° andere zich in de territoriale zee bevindende wrakken, wrakstukken of gezonken dan wel achtergelaten tuigen of voorwerpen vlot brengen, verwijderen, vernietigen, onschadelijk maken, wegruimen of verplaatsen;
3° alle andere voor de vlotheid en de veiligheid van de scheepvaart nodig geachte maatregelen nemen;
4° alle andere nodig geachte maatregelen nemen ter bescherming van het mariene milieu.
De uitoefening van de in het vorige lid bedoelde bevoegdheden kan niet worden verhinderd door enige beslag- of dwangmaatregel en doet geen afbreuk aan de primaire verwijderingsplicht van de eigenaar omschreven in artikel 2.7.6.3.
§ 2. Het besluit van de bevoegde overheid om, ten aanzien van een [1 zeeschip]1 of wrak, de in paragraaf 1 bedoelde bevoegdheden uit te oefenen wordt op een passende wijze bekendgemaakt.
In spoedgevallen waarover de bevoegde overheid oordeelt, kan de bekendmaking achterwege gelaten worden.
Zodra het besluit van de overheid werd bekendgemaakt, is het verboden de weg te ruimen zaken te verwijderen zonder vergunning van de bevoegde overheid.
§ 1. Ingeval de in artikel 2.7.6.3 bedoelde verplichtingen niet of gebrekkig worden nagekomen, in spoedgevallen waarover de bevoegde overheid oordeelt of ingeval de eigenaar onbekend is, kan de bevoegde overheid, ambtshalve en op risico van de eigenaar en van de verantwoordelijke voor de gebeurtenis waardoor het tuig of voorwerp op zee is terechtgekomen :
1° een gezonken, vergaan, gestrand of verlaten [1 zeeschip]1, met inbegrip van alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, in het bijzonder de lading, en alles wat vanop een [1 zeeschip]1 in het water is terechtgekomen, vlot brengen, verwijderen, vernietigen, onschadelijk maken, wegruimen of verplaatsen;
2° andere zich in de territoriale zee bevindende wrakken, wrakstukken of gezonken dan wel achtergelaten tuigen of voorwerpen vlot brengen, verwijderen, vernietigen, onschadelijk maken, wegruimen of verplaatsen;
3° alle andere voor de vlotheid en de veiligheid van de scheepvaart nodig geachte maatregelen nemen;
4° alle andere nodig geachte maatregelen nemen ter bescherming van het mariene milieu.
De uitoefening van de in het vorige lid bedoelde bevoegdheden kan niet worden verhinderd door enige beslag- of dwangmaatregel en doet geen afbreuk aan de primaire verwijderingsplicht van de eigenaar omschreven in artikel 2.7.6.3.
§ 2. Het besluit van de bevoegde overheid om, ten aanzien van een [1 zeeschip]1 of wrak, de in paragraaf 1 bedoelde bevoegdheden uit te oefenen wordt op een passende wijze bekendgemaakt.
In spoedgevallen waarover de bevoegde overheid oordeelt, kan de bekendmaking achterwege gelaten worden.
Zodra het besluit van de overheid werd bekendgemaakt, is het verboden de weg te ruimen zaken te verwijderen zonder vergunning van de bevoegde overheid.
Art. 2.7.6.4. Intervention d'office de l'autorité compétente
§ 1er. Si les obligations visées à l'article 2.7.6.3 ne sont pas ou pas suffisamment observées, ou dans les cas d'urgence jugés par l'autorité compétente, ou si le propriétaire est inconnu, l'autorité compétente peut d'office et aux risques et périls du propriétaire et du responsable de l'événement qui a fait tomber dans l'eau les agrès ou l'objet :
1° renflouer, enlever, détruire, rendre inoffensif, éliminer ou déplacer un [1 navire de mer]1 coulé, naufragé, échoué ou abandonné, y compris tout ce qui se trouve ou se trouvait à bord, notamment la cargaison, et tout ce qui est tombé à l'eau à partir du [1 navire de mer]1;
2° renflouer, enlever, détruire, rendre inoffensif, éliminer ou déplacer les épaves, débris, agrès ou objets coulés ou abandonnés dans la mer territoriale;
3° prendre toute autre mesure nécessaire pour assurer la fluidité et la sécurité de la navigation;
4° prendre toute autre mesure nécessaire afin de protéger le milieu marin.
L'exercice des compétences visées au paragraphe précédent ne peut être empêché ni par saisie, ni par contrainte quelconques, et ne porte pas préjudice à l'obligation d'enlèvement primaire du propriétaire telle que décrite à l'article 2.7.6.3.
§ 2. La décision de l'autorité compétente de faire usage à l'égard d'un [1 navire de mer]1 ou d'une épave des compétences visées au paragraphe 1er est publiée de manière adéquate.
Dans les cas d'urgence jugés par l'autorité compétente, la publication peut être omise.
Dès que la décision de l'autorité est rendue publique, il est interdit d'enlever les objets à éliminer sans autorisation de l'autorité.
§ 1er. Si les obligations visées à l'article 2.7.6.3 ne sont pas ou pas suffisamment observées, ou dans les cas d'urgence jugés par l'autorité compétente, ou si le propriétaire est inconnu, l'autorité compétente peut d'office et aux risques et périls du propriétaire et du responsable de l'événement qui a fait tomber dans l'eau les agrès ou l'objet :
1° renflouer, enlever, détruire, rendre inoffensif, éliminer ou déplacer un [1 navire de mer]1 coulé, naufragé, échoué ou abandonné, y compris tout ce qui se trouve ou se trouvait à bord, notamment la cargaison, et tout ce qui est tombé à l'eau à partir du [1 navire de mer]1;
2° renflouer, enlever, détruire, rendre inoffensif, éliminer ou déplacer les épaves, débris, agrès ou objets coulés ou abandonnés dans la mer territoriale;
3° prendre toute autre mesure nécessaire pour assurer la fluidité et la sécurité de la navigation;
4° prendre toute autre mesure nécessaire afin de protéger le milieu marin.
L'exercice des compétences visées au paragraphe précédent ne peut être empêché ni par saisie, ni par contrainte quelconques, et ne porte pas préjudice à l'obligation d'enlèvement primaire du propriétaire telle que décrite à l'article 2.7.6.3.
§ 2. La décision de l'autorité compétente de faire usage à l'égard d'un [1 navire de mer]1 ou d'une épave des compétences visées au paragraphe 1er est publiée de manière adéquate.
Dans les cas d'urgence jugés par l'autorité compétente, la publication peut être omise.
Dès que la décision de l'autorité est rendue publique, il est interdit d'enlever les objets à éliminer sans autorisation de l'autorité.
Wijzigingen
Art. 2.7.6.5. Voorschotten en zekerheden
§ 1. Voorafgaand aan de uitvoering van de in artikel 2.7.6.4 bedoelde maatregelen kan de bevoegde overheid eisen dat de eigenaar of enige persoon van wie de aansprakelijkheid in het geding kan komen dan wel, rechtstreeks, de verzekeraar van hun respectieve aansprakelijkheid, haar de som voorschiet die zij voldoende acht om de kosten van de betrokken maatregelen te dekken.
§ 2. Het in paragraaf 1 bedoelde voorschot kan, zonder lasten voor de bevoegde overheid, worden vervangen door het stellen van een zekerheid die de overheid aanvaardbaar en voldoende acht.
De zekerheid is aanvaardbaar indien redelijkerwijze mag worden aangenomen dat het bedrag ervan werkelijk beschikbaar en vrij overdraagbaar zal zijn zodra de zekerheid verstrekt is.
De zekerheid is voldoende indien haar bedrag overeenstemt met de in het eerste lid bedoelde som, vermeerderd met de wettelijke interesten voor een geschikt geachte tijdsduur.
§ 3. Het voorschot of de zekerheid verschaft door een van de personen waarvan de aansprakelijkheid in het gedrang kan komen, dan wel door zijn verzekeraar, wordt geacht te zijn verschaft door al deze personen.
§ 4. Het voorschot en de zekerheid mogen door de bevoegde overheid worden aangewend voor de bekostiging van de uitvoering van de in artikel 2.7.6.4 bedoelde maatregelen.
Het voorschot en de zekerheid zijn uitsluitend voor de vergoeding van de onkosten van de bevoegde overheid bestemd en zijn niet vatbaar voor beslag op verzoek van andere schuldeisers.
§ 5. Het vonnis dat na de verschaffing van het voorschot of de zekerheid het faillissement uitspreekt van degene die het voorschot of de zekerheid heeft verschaft, uitspraak doet over de aanvraag tot homologatie van diens reorganisatieplan of dat de overdracht onder gerechtelijk gezag beveelt, heeft voor het voorschot of de zekerheid geen gevolg.
§ 1. Voorafgaand aan de uitvoering van de in artikel 2.7.6.4 bedoelde maatregelen kan de bevoegde overheid eisen dat de eigenaar of enige persoon van wie de aansprakelijkheid in het geding kan komen dan wel, rechtstreeks, de verzekeraar van hun respectieve aansprakelijkheid, haar de som voorschiet die zij voldoende acht om de kosten van de betrokken maatregelen te dekken.
§ 2. Het in paragraaf 1 bedoelde voorschot kan, zonder lasten voor de bevoegde overheid, worden vervangen door het stellen van een zekerheid die de overheid aanvaardbaar en voldoende acht.
De zekerheid is aanvaardbaar indien redelijkerwijze mag worden aangenomen dat het bedrag ervan werkelijk beschikbaar en vrij overdraagbaar zal zijn zodra de zekerheid verstrekt is.
De zekerheid is voldoende indien haar bedrag overeenstemt met de in het eerste lid bedoelde som, vermeerderd met de wettelijke interesten voor een geschikt geachte tijdsduur.
§ 3. Het voorschot of de zekerheid verschaft door een van de personen waarvan de aansprakelijkheid in het gedrang kan komen, dan wel door zijn verzekeraar, wordt geacht te zijn verschaft door al deze personen.
§ 4. Het voorschot en de zekerheid mogen door de bevoegde overheid worden aangewend voor de bekostiging van de uitvoering van de in artikel 2.7.6.4 bedoelde maatregelen.
Het voorschot en de zekerheid zijn uitsluitend voor de vergoeding van de onkosten van de bevoegde overheid bestemd en zijn niet vatbaar voor beslag op verzoek van andere schuldeisers.
§ 5. Het vonnis dat na de verschaffing van het voorschot of de zekerheid het faillissement uitspreekt van degene die het voorschot of de zekerheid heeft verschaft, uitspraak doet over de aanvraag tot homologatie van diens reorganisatieplan of dat de overdracht onder gerechtelijk gezag beveelt, heeft voor het voorschot of de zekerheid geen gevolg.
Art. 2.7.6.5. Avances et garanties
§ 1er. Avant d'entamer l'exécution des mesures visées à l'article 2.7.6.4, l'autorité compétente peut exiger que le propriétaire ou toute personne dont la responsabilité peut être mise en cause ou, directement, que l'assureur de leur responsabilité respective, avance la somme qu'elle estime adéquate afin de couvrir les frais desdites mesures.
§ 2. L'avance visée au paragraphe 1er peut, sans occasionner de frais à l'autorité compétente, être remplacée par la constitution d'une garantie que l'autorité juge acceptable et adéquate.
La garantie est acceptable s'il peut être raisonnablement supposé que le montant couvert sera effectivement disponible et librement transférable dès que la garantie est constituée.
La garantie est adéquate si son montant correspond à la somme prévue à l'alinéa premier, majorée des intérêts légaux pour une durée jugée adéquate.
§ 3. La somme avancée ou la garantie fournie par une des personnes dont la responsabilité peut être engagée, ou par son assureur, est réputée fournie par toutes ces personnes.
§ 4. La somme avancée et la garantie peuvent être utilisées pour le financement par l'autorité compétente, de l'exécution des mesures visées à l'article 2.7.6.4.
La somme avancée et la garantie sont exclusivement destinées à satisfaire les créances de l'autorité compétente et ne peuvent être saisies à la demande d'autres créanciers.
§ 5. Le jugement qui, postérieurement à l'avance ou à la constitution de la garantie, déclare la faillite, homologue le plan de réorganisation ou ordonne le transfert sous autorité de justice de celui qui a avancé la somme ou qui a fourni la garantie, est sans effet sur cette somme ou cette garantie.
§ 1er. Avant d'entamer l'exécution des mesures visées à l'article 2.7.6.4, l'autorité compétente peut exiger que le propriétaire ou toute personne dont la responsabilité peut être mise en cause ou, directement, que l'assureur de leur responsabilité respective, avance la somme qu'elle estime adéquate afin de couvrir les frais desdites mesures.
§ 2. L'avance visée au paragraphe 1er peut, sans occasionner de frais à l'autorité compétente, être remplacée par la constitution d'une garantie que l'autorité juge acceptable et adéquate.
La garantie est acceptable s'il peut être raisonnablement supposé que le montant couvert sera effectivement disponible et librement transférable dès que la garantie est constituée.
La garantie est adéquate si son montant correspond à la somme prévue à l'alinéa premier, majorée des intérêts légaux pour une durée jugée adéquate.
§ 3. La somme avancée ou la garantie fournie par une des personnes dont la responsabilité peut être engagée, ou par son assureur, est réputée fournie par toutes ces personnes.
§ 4. La somme avancée et la garantie peuvent être utilisées pour le financement par l'autorité compétente, de l'exécution des mesures visées à l'article 2.7.6.4.
La somme avancée et la garantie sont exclusivement destinées à satisfaire les créances de l'autorité compétente et ne peuvent être saisies à la demande d'autres créanciers.
§ 5. Le jugement qui, postérieurement à l'avance ou à la constitution de la garantie, déclare la faillite, homologue le plan de réorganisation ou ordonne le transfert sous autorité de justice de celui qui a avancé la somme ou qui a fourni la garantie, est sans effet sur cette somme ou cette garantie.
Art. 2.7.6.6. Betaling van de door de bevoegde overheid gemaakte onkosten
§ 1. Degene die aansprakelijk is voor de gebeurtenis waardoor [1 een zeeschip]1 is gezonken, vergaan, gestrand of verlaten, en bij gebreke van dergelijke aansprakelijke, de scheepseigenaar, is aan de bevoegde overheid de betaling verschuldigd van de onkosten die voor deze overheid voortvloeien uit de ambtshalve, krachtens artikel 2.7.6.4 uitgevoerde maatregelen.
In geen geval zijn de in het vorige lid bedoelde schuldenaars gerechtigd hun aansprakelijkheid te beperken.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde vordering is bevoorrecht op de bedragen die, wegens het verlies van het [1 zeeschip]1 of wegens de gebeurtenis waardoor het [1 zeeschip]1 is gezonken, vergaan, gestrand of verlaten of waardoor de betrokken zaak in zee is terechtgekomen, verschuldigd zijn door de verzekeraars van de eigen schade of van de aansprakelijkheid van de personen die krachtens dit hoofdstuk van de bevoegde overheid schuldenaar zijn.
De bevoegde overheid mag deze verzekeraars rechtstreeks aanspreken.
Geen enkele betaling door deze verzekeraars bevrijdt zolang de vorderingen van de bevoegde overheid niet zijn voldaan.
§ 1. Degene die aansprakelijk is voor de gebeurtenis waardoor [1 een zeeschip]1 is gezonken, vergaan, gestrand of verlaten, en bij gebreke van dergelijke aansprakelijke, de scheepseigenaar, is aan de bevoegde overheid de betaling verschuldigd van de onkosten die voor deze overheid voortvloeien uit de ambtshalve, krachtens artikel 2.7.6.4 uitgevoerde maatregelen.
In geen geval zijn de in het vorige lid bedoelde schuldenaars gerechtigd hun aansprakelijkheid te beperken.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde vordering is bevoorrecht op de bedragen die, wegens het verlies van het [1 zeeschip]1 of wegens de gebeurtenis waardoor het [1 zeeschip]1 is gezonken, vergaan, gestrand of verlaten of waardoor de betrokken zaak in zee is terechtgekomen, verschuldigd zijn door de verzekeraars van de eigen schade of van de aansprakelijkheid van de personen die krachtens dit hoofdstuk van de bevoegde overheid schuldenaar zijn.
De bevoegde overheid mag deze verzekeraars rechtstreeks aanspreken.
Geen enkele betaling door deze verzekeraars bevrijdt zolang de vorderingen van de bevoegde overheid niet zijn voldaan.
Art. 2.7.6.6. Paiement des frais encourus par l'autorité compétente
§ 1er. Celui qui est responsable de l'événement qui a fait couler, naufrager, échouer ou abandonner [1 le navire de mer]1 ou, à défaut d'un tel responsable, le propriétaire du navire est tenu de payer à l'autorité les frais résultant pour celle-ci de l'exécution d'office des mesures exécutées en vertu de l'article 2.7.6.4.
En aucun cas, les débiteurs visés à l'alinéa 1er n'ont le droit de limiter leur responsabilité.
§ 2. La créance visée au paragraphe 1er est privilégiée sur les montants qui, à cause de la perte du [1 navire de mer]1 ou à cause de l'événement qui a fait couler, naufrager, échouer ou abandonner le [1 navire de mer]1 ou a fait tomber le bien impliqué à l'eau, sont dus par les assureurs des dommages propres ou de la responsabilité des personnes, débiteurs de l'autorité compétente en vertu du présent chapitre.
L'autorité compétente peut s'adresser directement à ces assureurs.
Aucun paiement par ces assureurs ne sera libératoire tant que les créances de l'autorité n'ont pas été payées.
§ 1er. Celui qui est responsable de l'événement qui a fait couler, naufrager, échouer ou abandonner [1 le navire de mer]1 ou, à défaut d'un tel responsable, le propriétaire du navire est tenu de payer à l'autorité les frais résultant pour celle-ci de l'exécution d'office des mesures exécutées en vertu de l'article 2.7.6.4.
En aucun cas, les débiteurs visés à l'alinéa 1er n'ont le droit de limiter leur responsabilité.
§ 2. La créance visée au paragraphe 1er est privilégiée sur les montants qui, à cause de la perte du [1 navire de mer]1 ou à cause de l'événement qui a fait couler, naufrager, échouer ou abandonner le [1 navire de mer]1 ou a fait tomber le bien impliqué à l'eau, sont dus par les assureurs des dommages propres ou de la responsabilité des personnes, débiteurs de l'autorité compétente en vertu du présent chapitre.
L'autorité compétente peut s'adresser directement à ces assureurs.
Aucun paiement par ces assureurs ne sera libératoire tant que les créances de l'autorité n'ont pas été payées.
Wijzigingen
Art. 2.7.6.7. Aanhouding, beslag en verkoop
§ 1. Bij de uitoefening van de in artikel 2.7.6.4 bedoelde bevoegdheden kan de bevoegde overheid het [1 zeeschip]1 of wrak en alle betrokken zaken ambtshalve en zonder rechterlijke machtiging aanhouden en in beslag nemen.
Ingeval de bevoegde overheid vermoedt door de schuld van een [1 zeeschip]1 schade te hebben geleden, kan zij elk [1 zeeschip]1 waarvan de aansprakelijkheid in het gedrang kan komen, ambtshalve en zonder rechterlijke machtiging aanhouden en in beslag nemen.
De personeelsleden van de overheid belast met het aanhouden en in beslag nemen worden aangeduid door de Koning.
§ 2. Het [1 zeeschip]1, het wrak of de zaak waarop overeenkomstig paragraaf 1 beslag is gelegd wordt vrijgegeven als overeenkomstig artikel 2.7.6.5 het voorschot of de zekerheid is verschaft.
§ 3. De bevoegde overheid die een [1 zeeschip]1, een wrak of een andere zaak heeft laten verwijderen of die schuldeiser is voor schade veroorzaakt door de schuld van een [1 zeeschip]1p, heeft in geval van niet-betaling het recht, het [1 zeeschip]1 of de andere zaken te verkopen en zich, bij voorrang op elke andere schuldeiser, te doen betalen uit de prijs.
Het saldo van de verkoopopbrengst wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort ten name van de eigenaars, indien deze gekend zijn, of van degene die van zijn rechten zal doen blijken.
§ 4. Ingeval het [1 zeeschip]1, het wrak of de zaak waarop overeenkomstig paragraaf 1 beslag is gelegd door zijn eigenaar niet wordt teruggenomen, kan de bevoegde overheid deze verkopen.
Daartoe laat de overheid, onverminderd paragraaf 6, voorafgaand aan de verkoop en met vijftien dagen tussentijd, twee mededelingen van de verrichte berging verschijnen, met opgave van de merken en kentekens van de zaken en met het verzoek tot elke rechthebbende, van zijn rechten te doen blijken en de kosten van de verwijdering, wegruiming of andere maatregelen te betalen binnen de dertig dagen te rekenen van de datum van verschijning van de laatste mededeling. De mededelingen worden bekendgemaakt :
1° ) in het Belgisch Staatsblad;
2° ) op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° ) op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
Na het verstrijken van die termijn verkoopt de overheid de wrakken, tuigen of zaken.
De opbrengst van de verkoop wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort ten name van degene die van zijn rechten zal doen blijken, onder aftrek van de door de bevoegde overheid gemaakte onkosten.
§ 5. De bedragen die bij toepassing van de paragrafen 3 en 4 in de Deposito- en Consignatiekas worden gestort, vervallen aan de bevoegde overheid na verloop van één jaar te rekenen van de datum van de storting, als binnen die periode niemand van zijn rechten heeft doen blijken.
§ 6. Is overeenkomstig het advies van de bevoegde overheid de geborgen lading aan bederf onderhevig of reeds beschadigd, of is van hetgeen verwijderd of opgeruimd bij onderhandse verkoop een grotere netto-opbrengst te verwachten dan kan de verkoop geheel of gedeeltelijk onderhands geschieden, zonder dat de in paragraaf 4 vermelde bekendmakings- en termijnvoorschriften moeten worden nageleefd.
§ 7. Voor de toepassing van dit artikel worden als schade geleden door de bevoegde overheid aangemerkt, onder meer :
1° schade aan kunstwerken, zelfs in volle zee gelegen, waarvoor deze overheid instaat;
2° de kosten van maatregelen genomen ter voorkoming of vermindering van schade alsook deze van maatregelen ter voorkoming of vermindering van door zulke maatregelen veroorzaakte schade;
3° schade berokkend bij de nakoming van de in artikel 2.7.6.3 bedoelde verplichtingen;
4° schade berokkend bij de uitoefening van de in artikel 2.7.6.4 bedoelde bevoegdheden;
5° de onkosten bedoeld in artikel 2.7.6.6;
6° schade bedoeld in [2 de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden]2.
§ 1. Bij de uitoefening van de in artikel 2.7.6.4 bedoelde bevoegdheden kan de bevoegde overheid het [1 zeeschip]1 of wrak en alle betrokken zaken ambtshalve en zonder rechterlijke machtiging aanhouden en in beslag nemen.
Ingeval de bevoegde overheid vermoedt door de schuld van een [1 zeeschip]1 schade te hebben geleden, kan zij elk [1 zeeschip]1 waarvan de aansprakelijkheid in het gedrang kan komen, ambtshalve en zonder rechterlijke machtiging aanhouden en in beslag nemen.
De personeelsleden van de overheid belast met het aanhouden en in beslag nemen worden aangeduid door de Koning.
§ 2. Het [1 zeeschip]1, het wrak of de zaak waarop overeenkomstig paragraaf 1 beslag is gelegd wordt vrijgegeven als overeenkomstig artikel 2.7.6.5 het voorschot of de zekerheid is verschaft.
§ 3. De bevoegde overheid die een [1 zeeschip]1, een wrak of een andere zaak heeft laten verwijderen of die schuldeiser is voor schade veroorzaakt door de schuld van een [1 zeeschip]1p, heeft in geval van niet-betaling het recht, het [1 zeeschip]1 of de andere zaken te verkopen en zich, bij voorrang op elke andere schuldeiser, te doen betalen uit de prijs.
Het saldo van de verkoopopbrengst wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort ten name van de eigenaars, indien deze gekend zijn, of van degene die van zijn rechten zal doen blijken.
§ 4. Ingeval het [1 zeeschip]1, het wrak of de zaak waarop overeenkomstig paragraaf 1 beslag is gelegd door zijn eigenaar niet wordt teruggenomen, kan de bevoegde overheid deze verkopen.
Daartoe laat de overheid, onverminderd paragraaf 6, voorafgaand aan de verkoop en met vijftien dagen tussentijd, twee mededelingen van de verrichte berging verschijnen, met opgave van de merken en kentekens van de zaken en met het verzoek tot elke rechthebbende, van zijn rechten te doen blijken en de kosten van de verwijdering, wegruiming of andere maatregelen te betalen binnen de dertig dagen te rekenen van de datum van verschijning van de laatste mededeling. De mededelingen worden bekendgemaakt :
1° ) in het Belgisch Staatsblad;
2° ) op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° ) op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
Na het verstrijken van die termijn verkoopt de overheid de wrakken, tuigen of zaken.
De opbrengst van de verkoop wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort ten name van degene die van zijn rechten zal doen blijken, onder aftrek van de door de bevoegde overheid gemaakte onkosten.
§ 5. De bedragen die bij toepassing van de paragrafen 3 en 4 in de Deposito- en Consignatiekas worden gestort, vervallen aan de bevoegde overheid na verloop van één jaar te rekenen van de datum van de storting, als binnen die periode niemand van zijn rechten heeft doen blijken.
§ 6. Is overeenkomstig het advies van de bevoegde overheid de geborgen lading aan bederf onderhevig of reeds beschadigd, of is van hetgeen verwijderd of opgeruimd bij onderhandse verkoop een grotere netto-opbrengst te verwachten dan kan de verkoop geheel of gedeeltelijk onderhands geschieden, zonder dat de in paragraaf 4 vermelde bekendmakings- en termijnvoorschriften moeten worden nageleefd.
§ 7. Voor de toepassing van dit artikel worden als schade geleden door de bevoegde overheid aangemerkt, onder meer :
1° schade aan kunstwerken, zelfs in volle zee gelegen, waarvoor deze overheid instaat;
2° de kosten van maatregelen genomen ter voorkoming of vermindering van schade alsook deze van maatregelen ter voorkoming of vermindering van door zulke maatregelen veroorzaakte schade;
3° schade berokkend bij de nakoming van de in artikel 2.7.6.3 bedoelde verplichtingen;
4° schade berokkend bij de uitoefening van de in artikel 2.7.6.4 bedoelde bevoegdheden;
5° de onkosten bedoeld in artikel 2.7.6.6;
6° schade bedoeld in [2 de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden]2.
Art. 2.7.6.7. Immobilisation, saisie et vente
§ 1er. Dans l'exercice des compétences visées à l'article 2.7.6.4, l'autorité compétente est habilitée à immobiliser et saisir d'office le [1 navire de mer]1 ou l'épave et tous les biens impliqués, et ce sans autorisation judiciaire.
Dans le cas où l'autorité compétente présume avoir subi un dommage par la faute d'un [1 navire de mer]1, elle peut immobiliser et saisir d'office tout [1 navire de mer]1 dont la responsabilité peut être engagée, et ce sans autorisation judiciaire.
Les membres du personnel de l'autorité chargés de l'immobilisation ou de la saisie sont désignés par le Roi.
§ 2. Le [1 navire de mer]1, l'épave ou le bien saisi conformément au paragraphe 1er est libéré lorsque l'avance a été payée ou la garantie a été constituée conformément à l'article 2.7.6.5.
§ 3. L'autorité compétente qui a fait enlever un [1 navire de mer]1, une épave ou un autre bien ou qui est créancier pour des dommages causés par la faute d'un [1 navire de mer]1 a le droit, en cas de non-paiement, de vendre le [1 navire de mer]1 ou les autres biens et de s'indemniser sur le prix, par préférence à tout autre créancier.
Le solde du produit de la vente est versé à la Caisse des Dépôts et Consignations au nom des propriétaires, s'ils sont connus, ou de celui qui justifiera de ses droits.
§ 4. Si le [1 navire de mer]1, l'épave ou le bien saisi conformément au paragraphe 1er n'est pas repris par son propriétaire respectif, l'autorité compétente peut procéder à sa vente.
A cet effet, et sans préjudice du paragraphe 6, l'autorité publie, avant la vente et à quinze jours d'intervalle, deux avis du renflouement opéré en indiquant les caractéristiques et signes distinctifs des biens et en invitant tout ayant droit à faire valoir ses titres et à payer les frais de l'enlèvement, de l'élimination ou de toute autre mesure dans un délai de trente jours à compter de la date de publication du dernier avis. Les avis sont publiés :
1° ) au Moniteur belge;
2° ) sur le site web du Registre naval belge;
3° ) le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
Après l'écoulement de ce délai, l'autorité vend les épaves, agrès ou biens.
Le produit de la vente est versé à la Caisse des Dépôts et Consignations, au profit de celui qui justifiera de ses droits, le tout après déduction du montant des frais supportés par l'autorité compétente.
§ 5. Si personne ne justifie de ses droits dans le délai imparti, les montants versés en application des paragraphes 3 et 4 à la Caisse des Dépôts et Consignations reviennent de plein droit à l'autorité compétente après un délai d'un an à compter de la date du versement.
§ 6. Lorsque de l'avis de l'autorité compétente, la cargaison récupérée est périssable ou déjà endommagée ou lorsqu'une vente de gré à gré des biens enlevés ou démontés s'avère plus rentable, il peut être procédé totalement ou en partie à une vente de gré à gré sans qu'il soit nécessaire de se conformer aux prescriptions de publicité et de délai visées au paragraphe 4.
§ 7. Pour l'application de cet article, sont notamment considérés comme des dommages subis par l'autorité compétente :
1° les dommages causés aux ouvrages d'art, même en haute mer, dont cette autorité est responsable;
2° les frais des mesures prises afin de prévenir ou de réduire un dommage ainsi que ceux des mesures prises afin de prévenir ou de réduire les dommages ultérieurement causés par ces mesures;
3° les dommages causés lors du respect des obligations visées à l'article 2.7.6.3;
4° les dommages causés lors de l'exercice des compétences visées à l'article 2.7.6.4;
5° les frais visés à l'article 2.7.6.6;
6° les dommages au sens de [2 la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges]2.
§ 1er. Dans l'exercice des compétences visées à l'article 2.7.6.4, l'autorité compétente est habilitée à immobiliser et saisir d'office le [1 navire de mer]1 ou l'épave et tous les biens impliqués, et ce sans autorisation judiciaire.
Dans le cas où l'autorité compétente présume avoir subi un dommage par la faute d'un [1 navire de mer]1, elle peut immobiliser et saisir d'office tout [1 navire de mer]1 dont la responsabilité peut être engagée, et ce sans autorisation judiciaire.
Les membres du personnel de l'autorité chargés de l'immobilisation ou de la saisie sont désignés par le Roi.
§ 2. Le [1 navire de mer]1, l'épave ou le bien saisi conformément au paragraphe 1er est libéré lorsque l'avance a été payée ou la garantie a été constituée conformément à l'article 2.7.6.5.
§ 3. L'autorité compétente qui a fait enlever un [1 navire de mer]1, une épave ou un autre bien ou qui est créancier pour des dommages causés par la faute d'un [1 navire de mer]1 a le droit, en cas de non-paiement, de vendre le [1 navire de mer]1 ou les autres biens et de s'indemniser sur le prix, par préférence à tout autre créancier.
Le solde du produit de la vente est versé à la Caisse des Dépôts et Consignations au nom des propriétaires, s'ils sont connus, ou de celui qui justifiera de ses droits.
§ 4. Si le [1 navire de mer]1, l'épave ou le bien saisi conformément au paragraphe 1er n'est pas repris par son propriétaire respectif, l'autorité compétente peut procéder à sa vente.
A cet effet, et sans préjudice du paragraphe 6, l'autorité publie, avant la vente et à quinze jours d'intervalle, deux avis du renflouement opéré en indiquant les caractéristiques et signes distinctifs des biens et en invitant tout ayant droit à faire valoir ses titres et à payer les frais de l'enlèvement, de l'élimination ou de toute autre mesure dans un délai de trente jours à compter de la date de publication du dernier avis. Les avis sont publiés :
1° ) au Moniteur belge;
2° ) sur le site web du Registre naval belge;
3° ) le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
Après l'écoulement de ce délai, l'autorité vend les épaves, agrès ou biens.
Le produit de la vente est versé à la Caisse des Dépôts et Consignations, au profit de celui qui justifiera de ses droits, le tout après déduction du montant des frais supportés par l'autorité compétente.
§ 5. Si personne ne justifie de ses droits dans le délai imparti, les montants versés en application des paragraphes 3 et 4 à la Caisse des Dépôts et Consignations reviennent de plein droit à l'autorité compétente après un délai d'un an à compter de la date du versement.
§ 6. Lorsque de l'avis de l'autorité compétente, la cargaison récupérée est périssable ou déjà endommagée ou lorsqu'une vente de gré à gré des biens enlevés ou démontés s'avère plus rentable, il peut être procédé totalement ou en partie à une vente de gré à gré sans qu'il soit nécessaire de se conformer aux prescriptions de publicité et de délai visées au paragraphe 4.
§ 7. Pour l'application de cet article, sont notamment considérés comme des dommages subis par l'autorité compétente :
1° les dommages causés aux ouvrages d'art, même en haute mer, dont cette autorité est responsable;
2° les frais des mesures prises afin de prévenir ou de réduire un dommage ainsi que ceux des mesures prises afin de prévenir ou de réduire les dommages ultérieurement causés par ces mesures;
3° les dommages causés lors du respect des obligations visées à l'article 2.7.6.3;
4° les dommages causés lors de l'exercice des compétences visées à l'article 2.7.6.4;
5° les frais visés à l'article 2.7.6.6;
6° les dommages au sens de [2 la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges]2.
Afdeling 2. - Exclusieve economische zone
Section 2. - Zone économique exclusive
Art. 2.7.6.8. WRC-Verdrag
De rechtstreeks werkende bepalingen van het WRC-Verdrag, in het bijzonder deze betreffende de bevoegdheden van de overheid en de verplichtingen van de geregistreerde eigenaar en de exploitant van het [1 zeeschip]1 zijn van toepassing op wrakken in de Belgische exclusieve economische zone.
In geen geval zijn de in het vorige lid bedoelde geregistreerde eigenaar en de exploitant gerechtigd hun aansprakelijkheid te beperken.
De rechtstreeks werkende bepalingen van het WRC-Verdrag, in het bijzonder deze betreffende de bevoegdheden van de overheid en de verplichtingen van de geregistreerde eigenaar en de exploitant van het [1 zeeschip]1 zijn van toepassing op wrakken in de Belgische exclusieve economische zone.
In geen geval zijn de in het vorige lid bedoelde geregistreerde eigenaar en de exploitant gerechtigd hun aansprakelijkheid te beperken.
Art. 2.7.6.8. Convention WRC
Les dispositions directement applicables de la Convention WRC, en particulier celles concernant les compétences de l'autorité et les obligations du propriétaire inscrit et l'exploitant du [1 navire de mer]1 s'appliquent aux épaves dans la zone économique exclusive belge.
En aucun cas, le propriétaire inscrit et l'exploitant visés à l'alinéa 1er n'ont le droit de limiter leur responsabilité.
Les dispositions directement applicables de la Convention WRC, en particulier celles concernant les compétences de l'autorité et les obligations du propriétaire inscrit et l'exploitant du [1 navire de mer]1 s'appliquent aux épaves dans la zone économique exclusive belge.
En aucun cas, le propriétaire inscrit et l'exploitant visés à l'alinéa 1er n'ont le droit de limiter leur responsabilité.
Wijzigingen
Art. 2.7.6.10. Bevoegdheden van de bevoegde overheid
§ 1. De bevoegde overheid oefent alle bevoegdheden uit die het WRC-Verdrag met betrekking tot wrakken in de Belgische economische zone toekent aan de Staat.
§ 2. In het bijzonder kan de bevoegde overheid met het oog op de lokalisering en markering van wrakken aan de geregistreerde eigenaar, de exploitant van het [1 zeeschip]1 en alle betrokken derden nadere verplichtingen opleggen, met inbegrip van termijnen.
§ 1. De bevoegde overheid oefent alle bevoegdheden uit die het WRC-Verdrag met betrekking tot wrakken in de Belgische economische zone toekent aan de Staat.
§ 2. In het bijzonder kan de bevoegde overheid met het oog op de lokalisering en markering van wrakken aan de geregistreerde eigenaar, de exploitant van het [1 zeeschip]1 en alle betrokken derden nadere verplichtingen opleggen, met inbegrip van termijnen.
Art. 2.7.6.10. Pouvoirs de l'autorité compétente
§ 1er. L'autorité compétente exerce tous les pouvoirs que la Convention WRC octroie à l'Etat concernant les épaves dans la zone économique belge.
§ 2. En particulier, l'autorité compétente peut imposer, en vue de la localisation et du marquage des épaves, au propriétaire inscrit, à l'exploitant du [1 navire de mer]1 et à tous les tiers concernés des obligations plus précises, y compris des délais.
§ 1er. L'autorité compétente exerce tous les pouvoirs que la Convention WRC octroie à l'Etat concernant les épaves dans la zone économique belge.
§ 2. En particulier, l'autorité compétente peut imposer, en vue de la localisation et du marquage des épaves, au propriétaire inscrit, à l'exploitant du [1 navire de mer]1 et à tous les tiers concernés des obligations plus précises, y compris des délais.
Wijzigingen
Art. 2.7.6.11. Beslag- en dwangmaatregelen
De naleving door de geregistreerde eigenaar en de exploitant van hun respectieve verplichtingen, noch de uitoefening door de bevoegde overheid van haar bevoegdheden, kan worden verhinderd door enig beslag- of dwangmaatregel.
De naleving door de geregistreerde eigenaar en de exploitant van hun respectieve verplichtingen, noch de uitoefening door de bevoegde overheid van haar bevoegdheden, kan worden verhinderd door enig beslag- of dwangmaatregel.
Art. 2.7.6.11. Mesures de saisie et de coercition
Ni le respect par le propriétaire inscrit et l'exploitant de leurs obligations respectives ni l'exercice par l'autorité compétente de ses pouvoirs ne peuvent être empêchés par une quelconque mesure de saisie ou de coercition.
Ni le respect par le propriétaire inscrit et l'exploitant de leurs obligations respectives ni l'exercice par l'autorité compétente de ses pouvoirs ne peuvent être empêchés par une quelconque mesure de saisie ou de coercition.
Art. 2.7.6.12. Melding van wrakken
§ 1. De kapitein en de exploitant van een Belgisch [1 zeeschip]1 dat betrokken is geraakt bij een maritiem ongeval, dat geleid heeft tot een wrak, moet dit onverwijld melden aan de bevoegde overheid van de getroffen Staat. Zodra door de kapitein of de exploitant van het [1 zeeschip]1 aan de meldingsplicht uit hoofde van dit artikel is voldaan, is de ander daarvan ontslagen.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde verplichting geldt in alle zeegebieden en andere delen van het grondgebied van de Partijen bij het WRC-Verdrag waarop de regeling van dat verdrag van toepassing is.
§ 3. In de in paragraaf 1 bedoelde meldingen worden de naam en het hoofdkantoor van de geregistreerde eigenaar en alle relevante gegevens aangegeven die voor de getroffen Staat nodig zijn ten einde te bepalen of het wrak een gevaar vormt in de zin van artikel 6 van het WRC-Verdrag, waaronder :
1° de precieze locatie van het wrak;
2° het type, de omvang en constructie van het wrak;
3° de aard van de schade aan en de toestand van het wrak;
4° de aard en kwantiteit van de lading, in het bijzonder alle gevaarlijke en schadelijke stoffen; en
5° de hoeveelheden en soorten olie, met inbegrip van bunkerolie en smeerolie, aan boord.
§ 1. De kapitein en de exploitant van een Belgisch [1 zeeschip]1 dat betrokken is geraakt bij een maritiem ongeval, dat geleid heeft tot een wrak, moet dit onverwijld melden aan de bevoegde overheid van de getroffen Staat. Zodra door de kapitein of de exploitant van het [1 zeeschip]1 aan de meldingsplicht uit hoofde van dit artikel is voldaan, is de ander daarvan ontslagen.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde verplichting geldt in alle zeegebieden en andere delen van het grondgebied van de Partijen bij het WRC-Verdrag waarop de regeling van dat verdrag van toepassing is.
§ 3. In de in paragraaf 1 bedoelde meldingen worden de naam en het hoofdkantoor van de geregistreerde eigenaar en alle relevante gegevens aangegeven die voor de getroffen Staat nodig zijn ten einde te bepalen of het wrak een gevaar vormt in de zin van artikel 6 van het WRC-Verdrag, waaronder :
1° de precieze locatie van het wrak;
2° het type, de omvang en constructie van het wrak;
3° de aard van de schade aan en de toestand van het wrak;
4° de aard en kwantiteit van de lading, in het bijzonder alle gevaarlijke en schadelijke stoffen; en
5° de hoeveelheden en soorten olie, met inbegrip van bunkerolie en smeerolie, aan boord.
Art. 2.7.6.12. Déclaration des épaves
§ 1er. Le capitaine et l'exploitant d'un [1 navire de mer]1 battant pavillon belge, qui a été impliqué dans un accident de mer qui a causé une épave, est tenu d'en informer sans tarder l'autorité compétente de l'Etat affecté. Dès que le capitaine ou l'exploitant du [1 navire de mer]1 s'acquitte de l'obligation de notification en vertu du présent article, l'autre n'est pas tenu de le faire.
§ 2. L'obligation visée au paragraphe 1er s'applique dans toutes les zones maritimes et toute autre partie du territoire des Parties à la Convention WRC auxquelles s'applique le régime de ladite convention.
§ 3. Les notifications visées au paragraphe 1er doivent indiquer le nom et l'établissement principal du propriétaire inscrit, ainsi que tous les renseignements pertinents nécessaires pour permettre à l'Etat affecté d'établir si l'épave présente un danger au sens de l'article 6 de la Convention WRC, y compris :
1° l'emplacement précis de l'épave;
2° le type, les dimensions et la construction de l'épave;
3° la nature des dommages causés à l'épave et son état;
4° la nature et la quantité de la cargaison, en particulier toutes substances nocives et potentiellement dangereuses; et
5° la quantité et les types d'hydrocarbures qui se trouvent à bord, y compris les hydrocarbures de soute et huiles de graissage.
§ 1er. Le capitaine et l'exploitant d'un [1 navire de mer]1 battant pavillon belge, qui a été impliqué dans un accident de mer qui a causé une épave, est tenu d'en informer sans tarder l'autorité compétente de l'Etat affecté. Dès que le capitaine ou l'exploitant du [1 navire de mer]1 s'acquitte de l'obligation de notification en vertu du présent article, l'autre n'est pas tenu de le faire.
§ 2. L'obligation visée au paragraphe 1er s'applique dans toutes les zones maritimes et toute autre partie du territoire des Parties à la Convention WRC auxquelles s'applique le régime de ladite convention.
§ 3. Les notifications visées au paragraphe 1er doivent indiquer le nom et l'établissement principal du propriétaire inscrit, ainsi que tous les renseignements pertinents nécessaires pour permettre à l'Etat affecté d'établir si l'épave présente un danger au sens de l'article 6 de la Convention WRC, y compris :
1° l'emplacement précis de l'épave;
2° le type, les dimensions et la construction de l'épave;
3° la nature des dommages causés à l'épave et son état;
4° la nature et la quantité de la cargaison, en particulier toutes substances nocives et potentiellement dangereuses; et
5° la quantité et les types d'hydrocarbures qui se trouvent à bord, y compris les hydrocarbures de soute et huiles de graissage.
Wijzigingen
Art. 2.7.6.13. Rechtstreekse vordering
§ 1. Elke vordering tot vergoeding van kosten die voortvloeit uit dit hoofdstuk kan rechtstreeks worden ingesteld tegen de verzekeraar of andere persoon die financiële zekerheid stelt ter dekking van de aansprakelijkheid van de geregistreerde eigenaar krachtens artikel 12.1 van het WRC-Verdrag of artikel 2.3.2.9, § 3 of 2.3.2.15, § 3 van dit wetboek. In een dergelijk geval kan de verweerder zich beroepen op de verweermiddelen waarop de geregistreerde eigenaar een beroep zou hebben kunnen doen, met inbegrip van beperking van aansprakelijkheid uit hoofde van een van toepassing zijnde nationale of internationale regeling. Voorts kan de verweerder, zelfs indien de geregistreerde eigenaar niet gerechtigd is tot beperking van zijn aansprakelijkheid, de aansprakelijkheid beperken tot een bedrag gelijk aan het bedrag van de verzekering of andere financiële zekerheid dat in overeenstemming met artikel 12.1 van het WRC-Verdrag of artikel 2.3.2.9, § 3 of 2.3.2.17, § 3 van dit wetboek in stand moet worden gehouden. De verweerder kan voorts een beroep doen op het verweer dat het maritieme ongeval veroorzaakt is door opzettelijk wangedrag van de geregistreerde eigenaar; maar de verweerder kan zich niet beroepen op enig ander verweermiddel dat de verweerder zou hebben kunnen aanvoeren in een door de geregistreerde eigenaar tegen de verweerder aangespannen rechtsgeding. De verweerder heeft evenwel het recht te vorderen dat de geregistreerde eigenaar mede in het geding wordt betrokken.
§ 1. Elke vordering tot vergoeding van kosten die voortvloeit uit dit hoofdstuk kan rechtstreeks worden ingesteld tegen de verzekeraar of andere persoon die financiële zekerheid stelt ter dekking van de aansprakelijkheid van de geregistreerde eigenaar krachtens artikel 12.1 van het WRC-Verdrag of artikel 2.3.2.9, § 3 of 2.3.2.15, § 3 van dit wetboek. In een dergelijk geval kan de verweerder zich beroepen op de verweermiddelen waarop de geregistreerde eigenaar een beroep zou hebben kunnen doen, met inbegrip van beperking van aansprakelijkheid uit hoofde van een van toepassing zijnde nationale of internationale regeling. Voorts kan de verweerder, zelfs indien de geregistreerde eigenaar niet gerechtigd is tot beperking van zijn aansprakelijkheid, de aansprakelijkheid beperken tot een bedrag gelijk aan het bedrag van de verzekering of andere financiële zekerheid dat in overeenstemming met artikel 12.1 van het WRC-Verdrag of artikel 2.3.2.9, § 3 of 2.3.2.17, § 3 van dit wetboek in stand moet worden gehouden. De verweerder kan voorts een beroep doen op het verweer dat het maritieme ongeval veroorzaakt is door opzettelijk wangedrag van de geregistreerde eigenaar; maar de verweerder kan zich niet beroepen op enig ander verweermiddel dat de verweerder zou hebben kunnen aanvoeren in een door de geregistreerde eigenaar tegen de verweerder aangespannen rechtsgeding. De verweerder heeft evenwel het recht te vorderen dat de geregistreerde eigenaar mede in het geding wordt betrokken.
Art. 2.7.6.13. Action directe
§ 1er. Toute demande de remboursement de frais découlant du présent chapitre peut être formulée directement contre l'assureur ou autre personne dont émane la garantie financière couvrant la responsabilité du propriétaire inscrit en vertu de l'article 12.1 de la Convention WRC ou de l'article 2.3.2.9, § 3, ou 2.3.2.15, § 3, du présent code. En pareil cas, le défendeur peut se prévaloir des moyens de défense que le propriétaire inscrit serait fondé à invoquer, parmi lesquels la limitation de la responsabilité en vertu d'un régime national ou international applicable. De plus, même si le propriétaire inscrit n'est pas en droit de limiter sa responsabilité, le défendeur peut limiter sa responsabilité à un montant égal à la valeur de l'assurance ou autre garantie financière qu'il est exigé de souscrire conformément à l'article 12.1 de la Convention WRC ou à l'article 2.3.2.9, § 3, ou 2.3.2.17, § 3, du présent code. De surcroît, le défendeur peut se prévaloir du fait que l'accident de mer résulte d'une faute intentionnelle du propriétaire inscrit; mais il ne peut se prévaloir d'aucun des autres moyens de défense qu'il aurait pu être fondé à invoquer dans une action intentée par le propriétaire inscrit contre lui. Le défendeur peut, en tout état de cause, obliger le propriétaire inscrit à être partie à la procédure.
§ 1er. Toute demande de remboursement de frais découlant du présent chapitre peut être formulée directement contre l'assureur ou autre personne dont émane la garantie financière couvrant la responsabilité du propriétaire inscrit en vertu de l'article 12.1 de la Convention WRC ou de l'article 2.3.2.9, § 3, ou 2.3.2.15, § 3, du présent code. En pareil cas, le défendeur peut se prévaloir des moyens de défense que le propriétaire inscrit serait fondé à invoquer, parmi lesquels la limitation de la responsabilité en vertu d'un régime national ou international applicable. De plus, même si le propriétaire inscrit n'est pas en droit de limiter sa responsabilité, le défendeur peut limiter sa responsabilité à un montant égal à la valeur de l'assurance ou autre garantie financière qu'il est exigé de souscrire conformément à l'article 12.1 de la Convention WRC ou à l'article 2.3.2.9, § 3, ou 2.3.2.17, § 3, du présent code. De surcroît, le défendeur peut se prévaloir du fait que l'accident de mer résulte d'une faute intentionnelle du propriétaire inscrit; mais il ne peut se prévaloir d'aucun des autres moyens de défense qu'il aurait pu être fondé à invoquer dans une action intentée par le propriétaire inscrit contre lui. Le défendeur peut, en tout état de cause, obliger le propriétaire inscrit à être partie à la procédure.
Art. 2.7.6.14. Opruiming van andere zaken dan wrakken
Op de opruiming in de exclusieve economische zone van andere zaken dan wrakken bedoeld in artikel 1.4 van het WRC-Verdrag, die rechtstreeks of onrechtstreeks gevaar opleveren voor het mariene milieu, zijn de artikel en 2.7.6.1 tot 2.7.6.7 van overeenkomstige toepassing.
Op de opruiming in de exclusieve economische zone van andere zaken dan wrakken bedoeld in artikel 1.4 van het WRC-Verdrag, die rechtstreeks of onrechtstreeks gevaar opleveren voor het mariene milieu, zijn de artikel en 2.7.6.1 tot 2.7.6.7 van overeenkomstige toepassing.
Art. 2.7.6.14. Enlèvement des biens autres que des épaves
L'enlèvement dans la zone économique exclusive de biens, autres que les épaves visées à l'article 1.4 de la Convention WRC qui constituent un danger direct ou indirect pour le milieu marin est soumis à l'application par analogie des articles 2.7.6.1 à 2.7.6.7.
L'enlèvement dans la zone économique exclusive de biens, autres que les épaves visées à l'article 1.4 de la Convention WRC qui constituent un danger direct ou indirect pour le milieu marin est soumis à l'application par analogie des articles 2.7.6.1 à 2.7.6.7.
HOOFDSTUK 7. - Onderzoeken
CHAPITRE 7. - Enquêtes
Art. 2.7.7.1. Richtlijn 2009/18/EG
Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad.
Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad.
Art. 2.7.7.1. Directive 2009/18/CE
Le présent chapitre prévoit une transposition partielle de la Directive 2009/18/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 établissant les principes fondamentaux régissant les enquêtes sur les accidents dans le secteur des transports maritimes et modifiant la Directive 1999/35/CE du Conseil et la Directive 2002/59/CE du Parlement européen et du Conseil.
Le présent chapitre prévoit une transposition partielle de la Directive 2009/18/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 établissant les principes fondamentaux régissant les enquêtes sur les accidents dans le secteur des transports maritimes et modifiant la Directive 1999/35/CE du Conseil et la Directive 2002/59/CE du Parlement européen et du Conseil.
Art. 2.7.7.2. Begrippen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "bevoegde onderzoeksinstantie" : een onderzoeksinstantie van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die is aangeduid als onderzoeksinstantie in uitvoering van artikel 8 van Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad;
2° "binnenschip", in afwijking van artikel 1.1.1.3, § 1, 9° : elk schip dat wegens zijn constructie uitsluitend of in hoofdzaak gebruikt wordt of geschikt is om te worden gebruikt op de binnenwateren;
3° "ro-ro-veerboot" : een zeeschip voor passagiersvervoer dat de nodige voorzieningen heeft om weg- of spoorvoertuigen het zeeschip op en af te laten rijden en dat meer dan twaalf passagiers [1 kan vervoeren]1;
4° "hogesnelheidspassagiersschip" : een zeeschip dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers, dat een maximale snelheid kan bereiken, in meter per seconde (m/s), gelijk of hoger dan 3,7 0,1667, waarbij "" gelijk is aan het volume van verplaatsing dat overeenstemt met de verwachte waterlijn (m3), met uitsluiting van schepen waarvan de romp in staat van exploitatie zonder diepgang volledig wordt gedragen boven het wateroppervlak door aerodynamische krachten die worden verwekt door het grondeffect;
5° "scheepvaartongeval" : een gebeurtenis of een opeenvolging van gebeurtenissen, die een van de volgende feiten, die rechtstreeks in verband staan met de activiteiten van een zeeschip, met zich heeft meegebracht :
a) de dood of ernstige verwondingen van een persoon ten gevolge van de exploitatie van een zeeschip of in verband daarmee; of
b) het overboord slaan van een persoon veroorzaakt door de bewegingen van het zeeschip of dat in verband staat met deze bewegingen; of
c) het verlies, het verondersteld verlies of het verlaten van een zeeschip; of
d) materiële schade geleden door een zeeschip; of
e) de stranding van een zeeschip, de beschadiging ervan of zijn betrokkenheid bij een aanvaring; of
f) materiële schade veroorzaakt door de exploitatie van een zeeschip of die verband houdt met deze exploitatie; of
g) milieuschade die voortvloeit uit de schade aan een of meer zeeschepen welke is veroorzaakt door de exploitatie van een of meer zeeschepen;
6° "ernstig scheepvaartongeval" : een scheepvaartongeval dat niet als een zeer ernstig scheepvaartongeval wordt beschouwd en dat ten gevolge van een brand, een ontploffing, een aanvaring, een stranding, een contact, schade door zwaar weer, ijsschade, een scheur of vermoedelijke schade aan de romp of een andere gebeurtenis met zich meegebracht heeft :
a) structurele schade die de zeewaardigheid van het zeeschip aantast; of
b) vervuiling, ongeacht de omvang ervan; of
c) een defect waardoor het zeeschip moet gesleept worden of waardoor er bijstand van de wal nodig is;
7° "zeer ernstig scheepvaartongeval" : een scheepvaartongeval dat met zich meegebracht heeft :
a) het volledig verlies van het zeeschip; of
b) het verlies van mensenlevens; of
c) zware vervuiling;
8° "incident" : een voorval veroorzaakt door de exploitatie van een zeeschip of in verband daarmee zodat het zeeschip of een persoon in gevaar wordt gebracht of waardoor ernstige schade zou kunnen worden toegebracht hetzij aan het zeeschip of zijn constructie, hetzij aan het leefmilieu;
9° "veiligheidsonderzoek" : een onderzoek, bij een scheepvaartongeval of incident, dat tot doel heeft ongevallen en incidenten met een zeeschip in de toekomst te voorkomen, met inbegrip van het verzamelen en het analyseren van gegevens, het identificeren van de oorzakelijke factoren en het doen van de nodige veiligheidsaanbevelingen;
10° "de voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijke Staat" : de Staat die de verantwoordelijkheid voor het veiligheidsonderzoek opneemt conform het onderling akkoord tussen de Staten die een aanzienlijk belang hebben;
11° "ernstige verwondingen" : verwondingen van een persoon opgelopen tijdens een scheepvaartongeval die een werkonbekwaamheid van [1 minstens]1 tweeënzeventig uur met zich brengen; deze werkonbekwaamheid vangt aan binnen zeven dagen volgend op de dag waarop de verwondingen veroorzaakt zijn;
12° "Staat die een aanzienlijk belang heeft" : een Staat :
a) die de vlagstaat is van het zeeschip dat het voorwerp van het onderzoek uitmaakt; of
b) in wiens binnenwateren of territoriale zee een scheepvaartongeval heeft plaatsgevonden; of
c) waar een scheepvaartongeval ernstige schade toegebracht heeft of gedreigd heeft toe te brengen aan het leefmilieu van de Staat of aan de zeegebieden waarover hij krachtens internationaal recht rechtsbevoegdheid heeft; of
d) waar de gevolgen van een scheepvaartongeval ernstige schade toegebracht hebben of gedreigd hebben toe te brengen hetzij aan de Staat zelf hetzij aan de kunstmatige eilanden, installaties of werken waarover hij rechtsbevoegdheid heeft; of
e) waarvan een scheepvaartongeval het leven gekost heeft of ernstige verwondingen heeft toegebracht aan onderdanen van deze Staat; of
f) die over belangrijke informatie beschikt die nuttig kan zijn voor het onderzoek; of
g) die laatst werd aangelopen door een ro-ro-veerboot of een hogesnelheidspassagiersschip, betrokken bij een scheepvaartongeval of incident buiten de territoriale zee van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte; of
h) die, om welke andere reden ook, belangen doet gelden die belangrijk worden geacht door de voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijke Staat;
13° "VDR" : een reisgegevensrecorder die voldoet aan de prestatienormen van Resolutie A.861 (20) van de algemene vergadering van de IMO van 27 november 1997 en van Resolutie MSC.163(78) van de maritieme veiligheidscommissie van de IMO en aan de keuringsnormen van IEC-norm Nr. 61996;
14° "veiligheidsaanbeveling" : elk voorstel, ook ten behoeve van registratie en controle :
a) van de bevoegde onderzoeksinstantie die het veiligheidsonderzoek verricht of leidt, dat gebaseerd is op uit dat onderzoek verkregen informatie; of, in voorkomend geval,
b) van de Europese Commissie op basis van een abstracte gegevensanalyse en de resultaten van uitgevoerde veiligheidsonderzoeken;
15° "EMCIP-databank" : de Europese elektronische databank die door de Europese Commissie wordt opgezet onder de naam "Europees Informatieplatform voor scheepvaartongevallen" (European Marine Casualty Information Platform - EMCIP);
16° "onderzoekers" : de met het uitvoeren van een veiligheidsonderzoek belaste personeelsleden van de Federale Instantie voor Onderzoek van Scheepvaartongevallen bedoeld in artikel II.4.38;
17° "exploitant" : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die, als eigenaar of voor rekening van de eigenaar, dan wel als rompbevrachter, één of meer zeeschepen exploiteert;
18° "havenbestuur" : de publiekrechtelijke rechtspersoon die door de bevoegde regelgever belast is met het beheer en de exploitatie van een haven;
19° [2 schip/land raakvlak]2 : interacties die plaatsvinden wanneer een zeeschip rechtstreeks en onmiddellijk betrokken is bij acties die gepaard gaan met de verplaatsing van personen of goederen, dan wel verlening van havendiensten aan of vanuit het zeeschip;
[1 20° "de Minister" : de minister bevoegd voor de Federale instantie voor onderzoek van Scheepvaartongevallen;
21° "exploitant": de natuurlijke of de rechtspersoon die, als eigenaar of voor rekening van de eigenaar dan wel als bevrachter, één of meer schepen exploiteert.]1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "bevoegde onderzoeksinstantie" : een onderzoeksinstantie van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die is aangeduid als onderzoeksinstantie in uitvoering van artikel 8 van Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad;
2° "binnenschip", in afwijking van artikel 1.1.1.3, § 1, 9° : elk schip dat wegens zijn constructie uitsluitend of in hoofdzaak gebruikt wordt of geschikt is om te worden gebruikt op de binnenwateren;
3° "ro-ro-veerboot" : een zeeschip voor passagiersvervoer dat de nodige voorzieningen heeft om weg- of spoorvoertuigen het zeeschip op en af te laten rijden en dat meer dan twaalf passagiers [1 kan vervoeren]1;
4° "hogesnelheidspassagiersschip" : een zeeschip dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers, dat een maximale snelheid kan bereiken, in meter per seconde (m/s), gelijk of hoger dan 3,7 0,1667, waarbij "" gelijk is aan het volume van verplaatsing dat overeenstemt met de verwachte waterlijn (m3), met uitsluiting van schepen waarvan de romp in staat van exploitatie zonder diepgang volledig wordt gedragen boven het wateroppervlak door aerodynamische krachten die worden verwekt door het grondeffect;
5° "scheepvaartongeval" : een gebeurtenis of een opeenvolging van gebeurtenissen, die een van de volgende feiten, die rechtstreeks in verband staan met de activiteiten van een zeeschip, met zich heeft meegebracht :
a) de dood of ernstige verwondingen van een persoon ten gevolge van de exploitatie van een zeeschip of in verband daarmee; of
b) het overboord slaan van een persoon veroorzaakt door de bewegingen van het zeeschip of dat in verband staat met deze bewegingen; of
c) het verlies, het verondersteld verlies of het verlaten van een zeeschip; of
d) materiële schade geleden door een zeeschip; of
e) de stranding van een zeeschip, de beschadiging ervan of zijn betrokkenheid bij een aanvaring; of
f) materiële schade veroorzaakt door de exploitatie van een zeeschip of die verband houdt met deze exploitatie; of
g) milieuschade die voortvloeit uit de schade aan een of meer zeeschepen welke is veroorzaakt door de exploitatie van een of meer zeeschepen;
6° "ernstig scheepvaartongeval" : een scheepvaartongeval dat niet als een zeer ernstig scheepvaartongeval wordt beschouwd en dat ten gevolge van een brand, een ontploffing, een aanvaring, een stranding, een contact, schade door zwaar weer, ijsschade, een scheur of vermoedelijke schade aan de romp of een andere gebeurtenis met zich meegebracht heeft :
a) structurele schade die de zeewaardigheid van het zeeschip aantast; of
b) vervuiling, ongeacht de omvang ervan; of
c) een defect waardoor het zeeschip moet gesleept worden of waardoor er bijstand van de wal nodig is;
7° "zeer ernstig scheepvaartongeval" : een scheepvaartongeval dat met zich meegebracht heeft :
a) het volledig verlies van het zeeschip; of
b) het verlies van mensenlevens; of
c) zware vervuiling;
8° "incident" : een voorval veroorzaakt door de exploitatie van een zeeschip of in verband daarmee zodat het zeeschip of een persoon in gevaar wordt gebracht of waardoor ernstige schade zou kunnen worden toegebracht hetzij aan het zeeschip of zijn constructie, hetzij aan het leefmilieu;
9° "veiligheidsonderzoek" : een onderzoek, bij een scheepvaartongeval of incident, dat tot doel heeft ongevallen en incidenten met een zeeschip in de toekomst te voorkomen, met inbegrip van het verzamelen en het analyseren van gegevens, het identificeren van de oorzakelijke factoren en het doen van de nodige veiligheidsaanbevelingen;
10° "de voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijke Staat" : de Staat die de verantwoordelijkheid voor het veiligheidsonderzoek opneemt conform het onderling akkoord tussen de Staten die een aanzienlijk belang hebben;
11° "ernstige verwondingen" : verwondingen van een persoon opgelopen tijdens een scheepvaartongeval die een werkonbekwaamheid van [1 minstens]1 tweeënzeventig uur met zich brengen; deze werkonbekwaamheid vangt aan binnen zeven dagen volgend op de dag waarop de verwondingen veroorzaakt zijn;
12° "Staat die een aanzienlijk belang heeft" : een Staat :
a) die de vlagstaat is van het zeeschip dat het voorwerp van het onderzoek uitmaakt; of
b) in wiens binnenwateren of territoriale zee een scheepvaartongeval heeft plaatsgevonden; of
c) waar een scheepvaartongeval ernstige schade toegebracht heeft of gedreigd heeft toe te brengen aan het leefmilieu van de Staat of aan de zeegebieden waarover hij krachtens internationaal recht rechtsbevoegdheid heeft; of
d) waar de gevolgen van een scheepvaartongeval ernstige schade toegebracht hebben of gedreigd hebben toe te brengen hetzij aan de Staat zelf hetzij aan de kunstmatige eilanden, installaties of werken waarover hij rechtsbevoegdheid heeft; of
e) waarvan een scheepvaartongeval het leven gekost heeft of ernstige verwondingen heeft toegebracht aan onderdanen van deze Staat; of
f) die over belangrijke informatie beschikt die nuttig kan zijn voor het onderzoek; of
g) die laatst werd aangelopen door een ro-ro-veerboot of een hogesnelheidspassagiersschip, betrokken bij een scheepvaartongeval of incident buiten de territoriale zee van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte; of
h) die, om welke andere reden ook, belangen doet gelden die belangrijk worden geacht door de voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijke Staat;
13° "VDR" : een reisgegevensrecorder die voldoet aan de prestatienormen van Resolutie A.861 (20) van de algemene vergadering van de IMO van 27 november 1997 en van Resolutie MSC.163(78) van de maritieme veiligheidscommissie van de IMO en aan de keuringsnormen van IEC-norm Nr. 61996;
14° "veiligheidsaanbeveling" : elk voorstel, ook ten behoeve van registratie en controle :
a) van de bevoegde onderzoeksinstantie die het veiligheidsonderzoek verricht of leidt, dat gebaseerd is op uit dat onderzoek verkregen informatie; of, in voorkomend geval,
b) van de Europese Commissie op basis van een abstracte gegevensanalyse en de resultaten van uitgevoerde veiligheidsonderzoeken;
15° "EMCIP-databank" : de Europese elektronische databank die door de Europese Commissie wordt opgezet onder de naam "Europees Informatieplatform voor scheepvaartongevallen" (European Marine Casualty Information Platform - EMCIP);
16° "onderzoekers" : de met het uitvoeren van een veiligheidsonderzoek belaste personeelsleden van de Federale Instantie voor Onderzoek van Scheepvaartongevallen bedoeld in artikel II.4.38;
17° "exploitant" : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die, als eigenaar of voor rekening van de eigenaar, dan wel als rompbevrachter, één of meer zeeschepen exploiteert;
18° "havenbestuur" : de publiekrechtelijke rechtspersoon die door de bevoegde regelgever belast is met het beheer en de exploitatie van een haven;
19° [2 schip/land raakvlak]2 : interacties die plaatsvinden wanneer een zeeschip rechtstreeks en onmiddellijk betrokken is bij acties die gepaard gaan met de verplaatsing van personen of goederen, dan wel verlening van havendiensten aan of vanuit het zeeschip;
[1 20° "de Minister" : de minister bevoegd voor de Federale instantie voor onderzoek van Scheepvaartongevallen;
21° "exploitant": de natuurlijke of de rechtspersoon die, als eigenaar of voor rekening van de eigenaar dan wel als bevrachter, één of meer schepen exploiteert.]1
Art. 2.7.7.2. Notions
Dans le présent chapitre, on entend par :
1° "organisme d'enquête compétent" : un organisme d'enquête d'un Etat membre de l'Espace économique européen qui est désigné comme organisme d'enquête en exécution de l'article 8 de la Directive 2009/18/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 établissant les principes fondamentaux régissant les enquêtes sur les accidents dans le secteur des transports maritimes et modifiant la Directive 1999/35/CE du Conseil et la Directive 2002/59/CE du Parlement européen et du Conseil;
2° "bateau de navigation intérieure", en dérogation de l'article 1.1.1.3, § 1er, 9° : tout navire qui en raison de sa construction est exclusivement ou principalement utilisé ou apte à être utilisé pour la navigation dans les eaux intérieures;
3° "transbordeur roulier" : un navire de mer pour le transport de passsagers équipé de dispositifs permettant aux véhicules routiers ou ferroviaires d'embarquer à bord et de débarquer en roulant, et [1 pouvant transporter]1 plus de douze passagers;
4° " engin à passagers à grande vitesse " : un navire de mer destiné à transporter plus de douze passagers, capable d'atteindre une vitesse maximale, en mètres par seconde (m/s), égale ou supérieure à 3,7 0,1667, "" étant le volume du déplacement correspondant à la flottaison prévue (m3), à l'exclusion des navires dont la coque, en mode d'exploitation sans tirant d'eau, est complètement soutenue au-dessus de la surface de l'eau par des forces aérodynamiques engendrées par l'effet du sol;
5° " accident de navigation " : un événement ou une succession d'événements ayant entraîné l'un des faits suivants, survenus directement en rapport avec les activités d'un navire de mer :
a) la mort ou des blessures graves d'une personne causées par l'exploitation d'un navire de mer ou en rapport avec celui-ci; ou
b) la chute par-dessus bord d'une personne qui a été causée du fait des mouvements du navire de mer ou en rapport avec ces mouvements; ou
c) la perte, la perte présumée ou l'abandon d'un navire de mer; ou
d) des dommages matériels subis par un navire de mer; ou
e) l'échouement ou l'avarie d'un navire de mer ou sa mise en cause dans un abordage; ou
f) des dommages matériels causés par l'exploitation d'un navire de mer ou en rapport avec celle-ci; ou
g) des dégâts à l'environnement, résultant des dommages subis par un ou plusieurs navires de mer causés par l'exploitation d'un ou plusieurs navires de mer;
6° " accident de navigation grave " : un accident de navigation qui n'est pas considéré comme un accident de navigation très grave et qui, à la suite d'un incendie, d'une explosion, d'un abordage, d'un échouement, d'un contact, d'une avarie due au gros temps, d'une avarie causée par les glaces, d'une fissuration ou d'une défectuosité présumée de la coque ou d'un autre évènement, a entraîné :
a) des dommages à la structure affectant la navigabilité du navire de mer; ou
b) pollution, quelle qu'en soit l'ampleur; ou
c) une panne du navire de mer nécessitant un remorquage ou l'assistance de services à terre;
7° " accident de navigation très grave " : un accident de navigation ayant entraîné :
a) la perte totale du navire de mer; ou
b) des pertes en vies humaines; ou
c) une pollution grave;
8° " incident " : un événement causé par l'exploitation d'un navire de mer ou en rapport avec celle-ci et qui met en danger le navire de mer ou une personne, ou à la suite duquel de graves dommages pourraient être causés soit au navire de mer ou à sa structure, soit à l'environnement;
9° " enquête de sécurité " : une enquête sur un accident de navigation ou un incident, effectuée dans le but de prévenir les accidents et les incidents futurs impliquant un navire de mer, en ce compris la collecte et l'analyse de données, l'identification des facteurs de causalité et la formulation des recommandations de sécurité nécessaires;
10° " Etat principalement responsable de l'enquête de sécurité " : l' Etat assumant la responsabilité de la conduite de l'enquête de sécurité conformément à l'accord mutuel entre les Etats ayant d'importants intérêts en jeu;
11° " blessures graves " : des blessures subies par d'une personne au cours d'un accident de navigation et qui entraînent l'incapacité de travail pendant plus de septante-deux heures, cette incapacité commençant dans les sept jours ayant suivi la date à laquelle les blessures ont été occasionnées;
12° "Etat ayant d'importants intérêts en jeu " : un Etat :
a) qui est l'Etat du pavillon du navire de mer faisant l'objet de l'enquête; ou
b) dans les eaux intérieures ou dans la mer territoriale duquel est survenu un accident de navigation; ou
c) dans lequel un accident de navigation a causé ou menacé de causer un grave préjudice à l'environnement de l'Etat ou aux zones maritimes sur lesquelles il est habilité à exercer sa juridiction en vertu du droit international; ou
d) dans lequel les conséquences d'un accident de navigation ont causé ou menacé de causer un grave préjudice soit à l'Etat lui-même, soit à des îles artificielles, installations ou ouvrages sur lesquels il est habilité à exercer sa juridiction; ou
e) dans lequel un accident de navigation a coûté la vie ou infligé de graves blessures à des ressortissants de cet Etat; ou
f) qui dispose de renseignements importants susceptibles d'être utiles à l'enquête; ou
g) visité en dernier par un transbordeur roulier ou engin à passagers à grande vitesse qui est impliqué dans un accident de navigation ou un incident en dehors des eaux territoriales des Etats membres de l'Espace économique européen; ou
h) qui, pour toute autre raison, fait valoir qu'il a des intérêts qui sont jugés importants par l'Etat responsable de l'enquête de sécurité;
13° " VDR " : un enregistreur des données du voyage conforme aux normes de performance de la Résolution A.861 (20) de l'assemblée générale de l'OMI du 27 novembre 1997 et de la Résolution MSC.163(78) du comité de la sécurité maritime de l'OMI ainsi qu'aux normes d'essai définies par la norme n° 61996 de la CEI;
14° " recommandation de sécurité " : toute proposition, également en matière d'enregistrement et de contrôle :
a) par l'organisme d'enquête compétent qui effectue ou qui prend la direction de l'enquête de sécurité sur la base des informations découlant de cette enquête; ou, le cas échéant,
b) par la Commission européenne sur base d'une analyse succincte des informations et des résultats des enquêtes de sécurité menées;
15° " base de données EMCIP " : la base de données électronique européenne établie par la Commission européenne et intitulée " Plate-forme européenne d'informations sur les accidents de mer " (European Marine Casualty Information Platform - EMCIP);
16° " enquêteurs " : les membres du personnel de l'Organisme Fédéral d'Enquête sur les Accidents de Navigation visé à l'article II.4.38 chargés de procéder à l'enquête de sécurité;
17° ° " exploitant " : la personne physique ou morale qui exploite, en tant que propriétaire ou pour le compte du propriétaire, ou bien comme affréteur coque nue, un ou plusieurs navires de mer;
18° "l'autorité du port " : la personne de droit public chargée par le législateur compétent de la gestion et de l'exploitation d'un port;
19° [2 " activité d'interface navire/terre "]2 : les interactions qui ont lieu lorsqu'un navire de mer est directement et immédiatement affecté par des activités entraînant le mouvement de personnes ou de marchandises ou la fourniture de services portuaires vers le navire ou à partir du navire de mer;
[1 20° " le Ministre " : le Ministre qui a l'Organisme fédéral d'enquête sur les accidents de navigation dans ses attributions ;
21° " exploitant " : la personne physique ou morale qui exploite, en tant que propriétaire ou pour le compte du propriétaire, ou bien comme affréteur, un ou plusieurs navires.]1
Dans le présent chapitre, on entend par :
1° "organisme d'enquête compétent" : un organisme d'enquête d'un Etat membre de l'Espace économique européen qui est désigné comme organisme d'enquête en exécution de l'article 8 de la Directive 2009/18/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 établissant les principes fondamentaux régissant les enquêtes sur les accidents dans le secteur des transports maritimes et modifiant la Directive 1999/35/CE du Conseil et la Directive 2002/59/CE du Parlement européen et du Conseil;
2° "bateau de navigation intérieure", en dérogation de l'article 1.1.1.3, § 1er, 9° : tout navire qui en raison de sa construction est exclusivement ou principalement utilisé ou apte à être utilisé pour la navigation dans les eaux intérieures;
3° "transbordeur roulier" : un navire de mer pour le transport de passsagers équipé de dispositifs permettant aux véhicules routiers ou ferroviaires d'embarquer à bord et de débarquer en roulant, et [1 pouvant transporter]1 plus de douze passagers;
4° " engin à passagers à grande vitesse " : un navire de mer destiné à transporter plus de douze passagers, capable d'atteindre une vitesse maximale, en mètres par seconde (m/s), égale ou supérieure à 3,7 0,1667, "" étant le volume du déplacement correspondant à la flottaison prévue (m3), à l'exclusion des navires dont la coque, en mode d'exploitation sans tirant d'eau, est complètement soutenue au-dessus de la surface de l'eau par des forces aérodynamiques engendrées par l'effet du sol;
5° " accident de navigation " : un événement ou une succession d'événements ayant entraîné l'un des faits suivants, survenus directement en rapport avec les activités d'un navire de mer :
a) la mort ou des blessures graves d'une personne causées par l'exploitation d'un navire de mer ou en rapport avec celui-ci; ou
b) la chute par-dessus bord d'une personne qui a été causée du fait des mouvements du navire de mer ou en rapport avec ces mouvements; ou
c) la perte, la perte présumée ou l'abandon d'un navire de mer; ou
d) des dommages matériels subis par un navire de mer; ou
e) l'échouement ou l'avarie d'un navire de mer ou sa mise en cause dans un abordage; ou
f) des dommages matériels causés par l'exploitation d'un navire de mer ou en rapport avec celle-ci; ou
g) des dégâts à l'environnement, résultant des dommages subis par un ou plusieurs navires de mer causés par l'exploitation d'un ou plusieurs navires de mer;
6° " accident de navigation grave " : un accident de navigation qui n'est pas considéré comme un accident de navigation très grave et qui, à la suite d'un incendie, d'une explosion, d'un abordage, d'un échouement, d'un contact, d'une avarie due au gros temps, d'une avarie causée par les glaces, d'une fissuration ou d'une défectuosité présumée de la coque ou d'un autre évènement, a entraîné :
a) des dommages à la structure affectant la navigabilité du navire de mer; ou
b) pollution, quelle qu'en soit l'ampleur; ou
c) une panne du navire de mer nécessitant un remorquage ou l'assistance de services à terre;
7° " accident de navigation très grave " : un accident de navigation ayant entraîné :
a) la perte totale du navire de mer; ou
b) des pertes en vies humaines; ou
c) une pollution grave;
8° " incident " : un événement causé par l'exploitation d'un navire de mer ou en rapport avec celle-ci et qui met en danger le navire de mer ou une personne, ou à la suite duquel de graves dommages pourraient être causés soit au navire de mer ou à sa structure, soit à l'environnement;
9° " enquête de sécurité " : une enquête sur un accident de navigation ou un incident, effectuée dans le but de prévenir les accidents et les incidents futurs impliquant un navire de mer, en ce compris la collecte et l'analyse de données, l'identification des facteurs de causalité et la formulation des recommandations de sécurité nécessaires;
10° " Etat principalement responsable de l'enquête de sécurité " : l' Etat assumant la responsabilité de la conduite de l'enquête de sécurité conformément à l'accord mutuel entre les Etats ayant d'importants intérêts en jeu;
11° " blessures graves " : des blessures subies par d'une personne au cours d'un accident de navigation et qui entraînent l'incapacité de travail pendant plus de septante-deux heures, cette incapacité commençant dans les sept jours ayant suivi la date à laquelle les blessures ont été occasionnées;
12° "Etat ayant d'importants intérêts en jeu " : un Etat :
a) qui est l'Etat du pavillon du navire de mer faisant l'objet de l'enquête; ou
b) dans les eaux intérieures ou dans la mer territoriale duquel est survenu un accident de navigation; ou
c) dans lequel un accident de navigation a causé ou menacé de causer un grave préjudice à l'environnement de l'Etat ou aux zones maritimes sur lesquelles il est habilité à exercer sa juridiction en vertu du droit international; ou
d) dans lequel les conséquences d'un accident de navigation ont causé ou menacé de causer un grave préjudice soit à l'Etat lui-même, soit à des îles artificielles, installations ou ouvrages sur lesquels il est habilité à exercer sa juridiction; ou
e) dans lequel un accident de navigation a coûté la vie ou infligé de graves blessures à des ressortissants de cet Etat; ou
f) qui dispose de renseignements importants susceptibles d'être utiles à l'enquête; ou
g) visité en dernier par un transbordeur roulier ou engin à passagers à grande vitesse qui est impliqué dans un accident de navigation ou un incident en dehors des eaux territoriales des Etats membres de l'Espace économique européen; ou
h) qui, pour toute autre raison, fait valoir qu'il a des intérêts qui sont jugés importants par l'Etat responsable de l'enquête de sécurité;
13° " VDR " : un enregistreur des données du voyage conforme aux normes de performance de la Résolution A.861 (20) de l'assemblée générale de l'OMI du 27 novembre 1997 et de la Résolution MSC.163(78) du comité de la sécurité maritime de l'OMI ainsi qu'aux normes d'essai définies par la norme n° 61996 de la CEI;
14° " recommandation de sécurité " : toute proposition, également en matière d'enregistrement et de contrôle :
a) par l'organisme d'enquête compétent qui effectue ou qui prend la direction de l'enquête de sécurité sur la base des informations découlant de cette enquête; ou, le cas échéant,
b) par la Commission européenne sur base d'une analyse succincte des informations et des résultats des enquêtes de sécurité menées;
15° " base de données EMCIP " : la base de données électronique européenne établie par la Commission européenne et intitulée " Plate-forme européenne d'informations sur les accidents de mer " (European Marine Casualty Information Platform - EMCIP);
16° " enquêteurs " : les membres du personnel de l'Organisme Fédéral d'Enquête sur les Accidents de Navigation visé à l'article II.4.38 chargés de procéder à l'enquête de sécurité;
17° ° " exploitant " : la personne physique ou morale qui exploite, en tant que propriétaire ou pour le compte du propriétaire, ou bien comme affréteur coque nue, un ou plusieurs navires de mer;
18° "l'autorité du port " : la personne de droit public chargée par le législateur compétent de la gestion et de l'exploitation d'un port;
19° [2 " activité d'interface navire/terre "]2 : les interactions qui ont lieu lorsqu'un navire de mer est directement et immédiatement affecté par des activités entraînant le mouvement de personnes ou de marchandises ou la fourniture de services portuaires vers le navire ou à partir du navire de mer;
[1 20° " le Ministre " : le Ministre qui a l'Organisme fédéral d'enquête sur les accidents de navigation dans ses attributions ;
21° " exploitant " : la personne physique ou morale qui exploite, en tant que propriétaire ou pour le compte du propriétaire, ou bien comme affréteur, un ou plusieurs navires.]1
Art. 2.7.7.3. Materiële en ruimtelijke toepassing
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op scheepvaartongevallen en incidenten :
1° waarbij Belgische zeeschepen zijn betrokken; of
2° die zich voordoen in de Belgische maritieme zones; of
3° die andere aanzienlijke belangen van België raken.
In afwijking van het eerste lid is dit hoofdstuk niet van toepassing op alle scheepvaartongevallen en incidenten die zich voordoen op de Belgische binnenwateren.
§ 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op scheepvaartongevallen en incidenten waarbij uitsluitend zijn betrokken :
1° oorlogsschepen, troepenschepen of andere schepen in eigendom van of geëxploiteerd door een Staat welke uitsluitend worden gebruikt voor een niet-commerciële overheidsdienst;
2° schepen die niet mechanisch worden voortgestuwd, houten schepen van eenvoudige bouw, en niet voor handel gebruikte plezierjachten en -schepen, tenzij deze voor commerciële doeleinden worden of zullen worden bemand en gebruikt voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;
3° binnenschepen die op de binnenwateren worden geëxploiteerd;
4° vissersschepen met een lengte van minder dan 15 meter;
5° vaste booreilanden.
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op scheepvaartongevallen en incidenten :
1° waarbij Belgische zeeschepen zijn betrokken; of
2° die zich voordoen in de Belgische maritieme zones; of
3° die andere aanzienlijke belangen van België raken.
In afwijking van het eerste lid is dit hoofdstuk niet van toepassing op alle scheepvaartongevallen en incidenten die zich voordoen op de Belgische binnenwateren.
§ 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op scheepvaartongevallen en incidenten waarbij uitsluitend zijn betrokken :
1° oorlogsschepen, troepenschepen of andere schepen in eigendom van of geëxploiteerd door een Staat welke uitsluitend worden gebruikt voor een niet-commerciële overheidsdienst;
2° schepen die niet mechanisch worden voortgestuwd, houten schepen van eenvoudige bouw, en niet voor handel gebruikte plezierjachten en -schepen, tenzij deze voor commerciële doeleinden worden of zullen worden bemand en gebruikt voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;
3° binnenschepen die op de binnenwateren worden geëxploiteerd;
4° vissersschepen met een lengte van minder dan 15 meter;
5° vaste booreilanden.
Art. 2.7.7.3. Application matérielle et spatiale
§ 1er. Le présent chapitre s'applique aux accidents de navigation et aux incidents qui :
1° impliquent des navires de mer belges; ou
2° surviennent dans les zones maritimes belges; ou
3° mettent en jeu d'autres intérêts importants de la Belgique.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le présent chapitre ne s'applique pas à tous les accidents de navigation et incidents qui surviennent dans les eaux intérieures belges.
§ 2. Le présent chapitre ne s'applique pas aux accidents de navigation et aux incidents qui impliquent uniquement :
1° des navires de guerre ou destinés au transport de troupes et d'autres navires appartenant à un Etat ou exploités par lui et utilisés exclusivement à des fins gouvernementales non commerciales;
2° des navires qui ne sont pas propulsés par des moyens mécaniques, des navires en bois de construction primitive, des yachts et des bateaux de plaisance utilisés à des fins non commerciales, sauf s'ils sont ou seront pourvus d'un équipage et s'ils transportent ou transporteront plus de douze passagers à des fins commerciales;
3° des bateaux de navigation intérieure exploités sur les eaux intérieures;
4° des navires de pêche d'une longueur inférieure à 15 mètres;
5° des unités fixes de forage au large.
§ 1er. Le présent chapitre s'applique aux accidents de navigation et aux incidents qui :
1° impliquent des navires de mer belges; ou
2° surviennent dans les zones maritimes belges; ou
3° mettent en jeu d'autres intérêts importants de la Belgique.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le présent chapitre ne s'applique pas à tous les accidents de navigation et incidents qui surviennent dans les eaux intérieures belges.
§ 2. Le présent chapitre ne s'applique pas aux accidents de navigation et aux incidents qui impliquent uniquement :
1° des navires de guerre ou destinés au transport de troupes et d'autres navires appartenant à un Etat ou exploités par lui et utilisés exclusivement à des fins gouvernementales non commerciales;
2° des navires qui ne sont pas propulsés par des moyens mécaniques, des navires en bois de construction primitive, des yachts et des bateaux de plaisance utilisés à des fins non commerciales, sauf s'ils sont ou seront pourvus d'un équipage et s'ils transportent ou transporteront plus de douze passagers à des fins commerciales;
3° des bateaux de navigation intérieure exploités sur les eaux intérieures;
4° des navires de pêche d'une longueur inférieure à 15 mètres;
5° des unités fixes de forage au large.
Art. 2.7.7.4. Doelstellingen
§ 1. Dit hoofdstuk heeft tot doel de maritieme veiligheid te verhogen en verontreiniging door zeeschepen te voorkomen en dusdoende de kans op toekomstige scheepvaartongevallen en incidenten te verminderen door :
1° een spoedige uitvoering van het veiligheidsonderzoek en een gedegen analyse van scheepvaartongevallen en incidenten te bevorderen, teneinde de oorzaken ervan vast te stellen;
2° ervoor te zorgen dat tijdig en nauwgezet verslag over het veiligheidsonderzoek wordt uitgebracht en voorstellen voor herstelmaatregelen worden gedaan;
3° ervoor te zorgen dat wordt nagegaan of er al dan niet gevolg wordt gegeven aan de veiligheidsaanbevelingen en de genomen herstelmaatregelen te onderzoeken ten einde desgevallend bijkomende veiligheidsaanbevelingen te doen.
§ 2. Het veiligheidsonderzoek uit hoofde van deze titel dient niet ter bepaling van de aansprakelijkheid, noch ter beantwoording van de schuldvraag.
§ 1. Dit hoofdstuk heeft tot doel de maritieme veiligheid te verhogen en verontreiniging door zeeschepen te voorkomen en dusdoende de kans op toekomstige scheepvaartongevallen en incidenten te verminderen door :
1° een spoedige uitvoering van het veiligheidsonderzoek en een gedegen analyse van scheepvaartongevallen en incidenten te bevorderen, teneinde de oorzaken ervan vast te stellen;
2° ervoor te zorgen dat tijdig en nauwgezet verslag over het veiligheidsonderzoek wordt uitgebracht en voorstellen voor herstelmaatregelen worden gedaan;
3° ervoor te zorgen dat wordt nagegaan of er al dan niet gevolg wordt gegeven aan de veiligheidsaanbevelingen en de genomen herstelmaatregelen te onderzoeken ten einde desgevallend bijkomende veiligheidsaanbevelingen te doen.
§ 2. Het veiligheidsonderzoek uit hoofde van deze titel dient niet ter bepaling van de aansprakelijkheid, noch ter beantwoording van de schuldvraag.
Art. 2.7.7.4. Objectifs
§ 1er. Le présent chapitre a pour objet d'améliorer la sécurité maritime et la prévention de la pollution par les navires de mer, de réduire ainsi les risques d'accidents de navigation et d'incidents à l'avenir :
1° en facilitant l'organisation diligente d'enquêtes de sécurité et une analyse correcte des accidents de navigation et des incidents, afin d'en déterminer les causes;
2° en veillant à ce qu'il soit rendu compte de manière précise et en temps opportun des conclusions des enquêtes de sécurité et des propositions de mesures correctives;
3° en veillant à ce qu'il soit vérifié s'il est donné suite ou non aux recommandations de sécurité et en examinant les mesures correctives prises en vue de fournir éventuellement d'autres recommandations de sécurité.
§ 2. L'enquête de sécurité effectuée en vertu de ce titre n'a pas pour but de déterminer les responsabilités ou d'attribuer les fautes.
§ 1er. Le présent chapitre a pour objet d'améliorer la sécurité maritime et la prévention de la pollution par les navires de mer, de réduire ainsi les risques d'accidents de navigation et d'incidents à l'avenir :
1° en facilitant l'organisation diligente d'enquêtes de sécurité et une analyse correcte des accidents de navigation et des incidents, afin d'en déterminer les causes;
2° en veillant à ce qu'il soit rendu compte de manière précise et en temps opportun des conclusions des enquêtes de sécurité et des propositions de mesures correctives;
3° en veillant à ce qu'il soit vérifié s'il est donné suite ou non aux recommandations de sécurité et en examinant les mesures correctives prises en vue de fournir éventuellement d'autres recommandations de sécurité.
§ 2. L'enquête de sécurité effectuée en vertu de ce titre n'a pas pour but de déterminer les responsabilités ou d'attribuer les fautes.
Art. 2.7.7.5. De Federale Instantie voor Onderzoek van Scheepvaartongevallen
Onder de benaming "Federale Instantie voor Onderzoek van Scheepvaartongevallen", afgekort "FOSO", wordt een onderzoeksinstantie opgericht [1 bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer]1.
De FOSO is wat betreft haar organisatie, juridische structuur en besluitvorming autonoom en functioneel onafhankelijk van iedere partij of instantie waarvan de belangen strijdig zouden kunnen zijn met de haar toevertrouwde opdrachten.
Onder de benaming "Federale Instantie voor Onderzoek van Scheepvaartongevallen", afgekort "FOSO", wordt een onderzoeksinstantie opgericht [1 bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer]1.
De FOSO is wat betreft haar organisatie, juridische structuur en besluitvorming autonoom en functioneel onafhankelijk van iedere partij of instantie waarvan de belangen strijdig zouden kunnen zijn met de haar toevertrouwde opdrachten.
Art. 2.7.7.5. L'Organisme Fédéral d'Enquête sur les Accidents de Navigation
Un organisme d'enquête est créé, dénommé " Organisme Fédéral d'Enquête sur les Accidents de Navigation " (en abrégé OFEAN) [1 auprès du Service public fédéral Mobilité et Transports]1.
L'OFEAN est autonome et fonctionnellement indépendant, sur le plan de son organisation, de sa structure juridique et de son mode de décision, de toute partie ou de tout organisme dont les intérêts pourraient être incompatibles avec les tâches qui lui sont confiées.
Un organisme d'enquête est créé, dénommé " Organisme Fédéral d'Enquête sur les Accidents de Navigation " (en abrégé OFEAN) [1 auprès du Service public fédéral Mobilité et Transports]1.
L'OFEAN est autonome et fonctionnellement indépendant, sur le plan de son organisation, de sa structure juridique et de son mode de décision, de toute partie ou de tout organisme dont les intérêts pourraient être incompatibles avec les tâches qui lui sont confiées.
Wijzigingen
Art. 2.7.7.6. Inrichting van de FOSO
§ 1. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de organisatie, de samenstelling en de werking van de FOSO en de bekwaamheden van het personeel van de FOSO.
De minister bevoegd voor de maritieme mobiliteit staat in voor de goede werking van de FOSO.
§ 2. Bij de uitoefening van hun taken zijn de personeelsleden van de FOSO en de extern aangestelde deskundigen, wat betreft de door hen verkregen informatie, onderworpen aan het beroepsgeheim.
§ 1. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de organisatie, de samenstelling en de werking van de FOSO en de bekwaamheden van het personeel van de FOSO.
De minister bevoegd voor de maritieme mobiliteit staat in voor de goede werking van de FOSO.
§ 2. Bij de uitoefening van hun taken zijn de personeelsleden van de FOSO en de extern aangestelde deskundigen, wat betreft de door hen verkregen informatie, onderworpen aan het beroepsgeheim.
Art. 2.7.7.6. Institution de l'OFEAN
§ 1er. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, l'organisation, la composition et le fonctionnement de l'OFEAN ainsi que les compétences du personnel de l'OFEAN.
Le ministre compétent pour la mobilité maritime veille au bon fonctionnement de l'OFEAN.
§ 2. Les membres du personnel de l'OFEAN et les experts externes désignés sont soumis au secret professionnel en ce qui concerne les informations obtenues lors de l'exercice de leurs tâches.
§ 1er. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, l'organisation, la composition et le fonctionnement de l'OFEAN ainsi que les compétences du personnel de l'OFEAN.
Le ministre compétent pour la mobilité maritime veille au bon fonctionnement de l'OFEAN.
§ 2. Les membres du personnel de l'OFEAN et les experts externes désignés sont soumis au secret professionnel en ce qui concerne les informations obtenues lors de l'exercice de leurs tâches.
Art. 2.7.7.7. Bevoegdheden van de FOSO
§ 1. De FOSO is bevoegd om veiligheidsonderzoeken in te stellen naar de scheepvaartongevallen en incidenten bedoeld in artikel 2.7.7.3. Tenzij anders bepaald in deze titel, wordt het veiligheidsonderzoek uitgevoerd in overeenstemming met de IMO-Code voor onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee en de IMO-Code van internationale standaarden en aanbevolen praktijken voor een veiligheidsonderzoek naar ongevallen en incidenten op zee.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 is de FOSO bevoegd om te onderzoeken hoe de betrokken natuurlijke personen, rechtspersonen of overheden, waarvan het handelen of nalaten blijkens het oordeel van de FOSO heeft bijgedragen tot het ontstaan van het scheepvaartongeval of incident, de veiligheidsaanbevelingen hebben opgevolgd. De FOSO kan de genomen herstelmaatregelen onderzoeken ten einde desgevallend bijkomende veiligheidsaanbevelingen te doen.
De FOSO rapporteert ten minste één maal per jaar schriftelijk over het in het eerste lid bedoelde onderzoek aan de Kamer van volksvertegenwoordigers op de door de Koning bepaalde wijze.
§ 3. De FOSO mag de haar toevertrouwde taken uitbreiden tot het verzamelen en analyseren van gegevens met betrekking tot de scheepvaartveiligheid, met name voor preventiedoeleinden, voor zover deze activiteiten geen afbreuk doen aan haar onafhankelijkheid en geen regelgevende, bestuurlijke of normgevende verantwoordelijkheden met zich brengen.
De FOSO mag haar taken uit hoofde van deze titel combineren met onderzoeken naar andere gebeurtenissen dan scheepvaartongevallen en incidenten, mits dergelijke onderzoeken haar onafhankelijkheid niet in gevaar brengen.
§ 1. De FOSO is bevoegd om veiligheidsonderzoeken in te stellen naar de scheepvaartongevallen en incidenten bedoeld in artikel 2.7.7.3. Tenzij anders bepaald in deze titel, wordt het veiligheidsonderzoek uitgevoerd in overeenstemming met de IMO-Code voor onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee en de IMO-Code van internationale standaarden en aanbevolen praktijken voor een veiligheidsonderzoek naar ongevallen en incidenten op zee.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 is de FOSO bevoegd om te onderzoeken hoe de betrokken natuurlijke personen, rechtspersonen of overheden, waarvan het handelen of nalaten blijkens het oordeel van de FOSO heeft bijgedragen tot het ontstaan van het scheepvaartongeval of incident, de veiligheidsaanbevelingen hebben opgevolgd. De FOSO kan de genomen herstelmaatregelen onderzoeken ten einde desgevallend bijkomende veiligheidsaanbevelingen te doen.
De FOSO rapporteert ten minste één maal per jaar schriftelijk over het in het eerste lid bedoelde onderzoek aan de Kamer van volksvertegenwoordigers op de door de Koning bepaalde wijze.
§ 3. De FOSO mag de haar toevertrouwde taken uitbreiden tot het verzamelen en analyseren van gegevens met betrekking tot de scheepvaartveiligheid, met name voor preventiedoeleinden, voor zover deze activiteiten geen afbreuk doen aan haar onafhankelijkheid en geen regelgevende, bestuurlijke of normgevende verantwoordelijkheden met zich brengen.
De FOSO mag haar taken uit hoofde van deze titel combineren met onderzoeken naar andere gebeurtenissen dan scheepvaartongevallen en incidenten, mits dergelijke onderzoeken haar onafhankelijkheid niet in gevaar brengen.
Art. 2.7.7.7. Compétences de l'OFEAN
§ 1er. L'OFEAN est compétent pour mener des enquêtes de sécurité sur les accidents de navigation et les incidents, visés à l'article 2.7.7.3. A moins que le présent titre n'en dispose autrement, l'enquête de sécurité est réalisée conformément au code de l'OMI pour la conduite des enquêtes sur les accidents et les incidents de mer et au code de l'OMI des normes internationales et pratiques recommandées applicables à une enquête de sécurité sur un accident ou un incident de mer.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, l'OFEAN est compétent pour examiner la façon dont les personnes physiques, les personnes morales ou les autorités, dont les actes ou les négligences ont contribué, selon l'OFEAN, à la survenance de l'accident de navigation ou de l'incident, ont suivi les recommandations de sécurité. L'OFEAN peut examiner les mesures correctives prises en vue de fournir éventuellement de recommandations de sécurité additionnelles.
L'OFEAN rend compte au moins une fois par an par écrit de l'examen visé à l'alinéa 1er à la Chambre des représentants selon les modalités déterminées par le Roi.
§ 3. L'OFEAN peut étendre les activités qui lui sont confiées à la collecte et à l'analyse de données relatives à la sécurité de la navigation, notamment à des fins de prévention, pour autant que ces activités ne nuisent pas à son indépendance ni n'engagent sa responsabilité sur des questions réglementaires, administratives ou normatives.
L'OFEAN peut combiner les tâches qui lui incombent en vertu de la présente loi avec le travail d'enquête sur des événements autres que des accidents de navigation et des incidents, à la condition que ces enquêtes ne compromettent pas son indépendance.
§ 1er. L'OFEAN est compétent pour mener des enquêtes de sécurité sur les accidents de navigation et les incidents, visés à l'article 2.7.7.3. A moins que le présent titre n'en dispose autrement, l'enquête de sécurité est réalisée conformément au code de l'OMI pour la conduite des enquêtes sur les accidents et les incidents de mer et au code de l'OMI des normes internationales et pratiques recommandées applicables à une enquête de sécurité sur un accident ou un incident de mer.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, l'OFEAN est compétent pour examiner la façon dont les personnes physiques, les personnes morales ou les autorités, dont les actes ou les négligences ont contribué, selon l'OFEAN, à la survenance de l'accident de navigation ou de l'incident, ont suivi les recommandations de sécurité. L'OFEAN peut examiner les mesures correctives prises en vue de fournir éventuellement de recommandations de sécurité additionnelles.
L'OFEAN rend compte au moins une fois par an par écrit de l'examen visé à l'alinéa 1er à la Chambre des représentants selon les modalités déterminées par le Roi.
§ 3. L'OFEAN peut étendre les activités qui lui sont confiées à la collecte et à l'analyse de données relatives à la sécurité de la navigation, notamment à des fins de prévention, pour autant que ces activités ne nuisent pas à son indépendance ni n'engagent sa responsabilité sur des questions réglementaires, administratives ou normatives.
L'OFEAN peut combiner les tâches qui lui incombent en vertu de la présente loi avec le travail d'enquête sur des événements autres que des accidents de navigation et des incidents, à la condition que ces enquêtes ne compromettent pas son indépendance.
Art. 2.7.7.8. Onderzoeksverplichting
§ 1. De FOSO stelt een veiligheidsonderzoek in na een zeer ernstig scheepvaartongeval :
1° waarbij een Belgisch zeeschip is betrokken, ongeacht de plaats van het scheepvaartongeval;
2° in de Belgische maritieme zones, ongeacht de vlag van het zeeschip dat bij het scheepvaartongeval betrokken is;
3° waarbij België een aanzienlijk belang heeft, ongeacht de plaats van het scheepvaartongeval of de vlag van het betrokken zeeschip.
§ 2. De FOSO verricht bij een ernstig scheepvaartongeval een voorafgaande beoordeling ten einde te besluiten om al dan niet een veiligheidsonderzoek te verrichten.
Wanneer de FOSO op basis van de voorafgaande beoordeling beslist geen veiligheidsonderzoek naar een ernstig ongeval te verrichten, zendt ze haar met redenen omkleed besluit toe aan de minister bevoegd voor de maritieme mobiliteit en aan de Europese Commissie.
§ 3. In het geval van een ander scheepvaartongeval of incident dan bedoeld in de paragrafen 1 of 2, beslist de FOSO of er al dan niet een veiligheidsonderzoek moet worden verricht.
§ 4. Bij de beslissingen bedoeld in paragraaf 2, tweede lid en paragraaf 3, houdt de FOSO rekening met de ernst van het scheepvaartongeval of incident, het type zeeschip en/of lading en de mogelijkheid dat de bevindingen van het veiligheidsonderzoek bijdragen tot de voorkoming van toekomstige scheepvaartongevallen en incidenten.
§ 1. De FOSO stelt een veiligheidsonderzoek in na een zeer ernstig scheepvaartongeval :
1° waarbij een Belgisch zeeschip is betrokken, ongeacht de plaats van het scheepvaartongeval;
2° in de Belgische maritieme zones, ongeacht de vlag van het zeeschip dat bij het scheepvaartongeval betrokken is;
3° waarbij België een aanzienlijk belang heeft, ongeacht de plaats van het scheepvaartongeval of de vlag van het betrokken zeeschip.
§ 2. De FOSO verricht bij een ernstig scheepvaartongeval een voorafgaande beoordeling ten einde te besluiten om al dan niet een veiligheidsonderzoek te verrichten.
Wanneer de FOSO op basis van de voorafgaande beoordeling beslist geen veiligheidsonderzoek naar een ernstig ongeval te verrichten, zendt ze haar met redenen omkleed besluit toe aan de minister bevoegd voor de maritieme mobiliteit en aan de Europese Commissie.
§ 3. In het geval van een ander scheepvaartongeval of incident dan bedoeld in de paragrafen 1 of 2, beslist de FOSO of er al dan niet een veiligheidsonderzoek moet worden verricht.
§ 4. Bij de beslissingen bedoeld in paragraaf 2, tweede lid en paragraaf 3, houdt de FOSO rekening met de ernst van het scheepvaartongeval of incident, het type zeeschip en/of lading en de mogelijkheid dat de bevindingen van het veiligheidsonderzoek bijdragen tot de voorkoming van toekomstige scheepvaartongevallen en incidenten.
Art. 2.7.7.8. Obligation d'enquête
§ 1er. L'OFEAN effectue une enquête de sécurité après un accident de navigation très grave :
1° impliquant un navire de mer belge, quel que soit le lieu de l'accident de navigation;
2° survenant dans les zones maritimes belges quel que soit le pavillon du navire de mer impliqué dans l'accident de navigation;
3° touchant d'importants intérêts de la Belgique, quel que soit le lieu de l'accident de navigation ou le pavillon du navire de mer impliqué.
§ 2. Dans le cas d'un accident de navigation grave, l'OFEAN effectue une évaluation préalable afin de décider de la nécessité de procéder ou non à une enquête de sécurité.
Lorsque l'OFEAN décide sur la base de l'évaluation préalable de ne pas effectuer d'enquête de sécurité après un accident grave, il envoie sa décision motivée au ministre compétent pour la mobilité maritime et à la Commission européenne.
Dans le cas de tout accident de navigation ou incident autre que celui visé aux paragraphe 1er ou 2, l'OFEAN décide de la nécessité de procéder ou non à une enquête de sécurité.
§ 4. Dans les décisions visées au paragraphe 2, alinéa 2 et au paragraphe 3, l'OFEAN tient compte de la gravité de l'accident de navigation ou de l'incident, du type de navire de mer et/ou de cargaison, et de la possibilité que les conclusions de l'enquête de sécurité soient susceptibles de conduire à la prévention d'accidents de navigation et d'incidents futurs.
§ 1er. L'OFEAN effectue une enquête de sécurité après un accident de navigation très grave :
1° impliquant un navire de mer belge, quel que soit le lieu de l'accident de navigation;
2° survenant dans les zones maritimes belges quel que soit le pavillon du navire de mer impliqué dans l'accident de navigation;
3° touchant d'importants intérêts de la Belgique, quel que soit le lieu de l'accident de navigation ou le pavillon du navire de mer impliqué.
§ 2. Dans le cas d'un accident de navigation grave, l'OFEAN effectue une évaluation préalable afin de décider de la nécessité de procéder ou non à une enquête de sécurité.
Lorsque l'OFEAN décide sur la base de l'évaluation préalable de ne pas effectuer d'enquête de sécurité après un accident grave, il envoie sa décision motivée au ministre compétent pour la mobilité maritime et à la Commission européenne.
Dans le cas de tout accident de navigation ou incident autre que celui visé aux paragraphe 1er ou 2, l'OFEAN décide de la nécessité de procéder ou non à une enquête de sécurité.
§ 4. Dans les décisions visées au paragraphe 2, alinéa 2 et au paragraphe 3, l'OFEAN tient compte de la gravité de l'accident de navigation ou de l'incident, du type de navire de mer et/ou de cargaison, et de la possibilité que les conclusions de l'enquête de sécurité soient susceptibles de conduire à la prévention d'accidents de navigation et d'incidents futurs.
Art. 2.7.7.9. Leiding van en deelname aan het veiligheidsonderzoek
§ 1. In beginsel wordt naar elk scheepvaartongeval of incident slechts één veiligheidsonderzoek verricht.
Bij veiligheidsonderzoeken waarbij twee of meer bevoegde onderzoeksinstanties, waaronder de FOSO, zijn betrokken, werkt de FOSO samen met de bevoegde overheidsinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben ten einde spoedig overeen te komen welke de verantwoordelijke bevoegde onderzoeksinstantie is die het veiligheidsonderzoek leidt. De FOSO stelt alles in het werk om overeenstemming over de onderzoeksprocedures te bereiken. In het kader van deze overeenstemming hebben de bevoegde onderzoeksinstanties van andere Staten die een aanzienlijk belang hebben, dezelfde rechten en toegang tot getuigen en bewijsmateriaal als de FOSO. De FOSO neemt het standpunt van de bevoegde onderzoeksinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben in overweging.
De FOSO beperkt het verrichten van parallelle veiligheidsonderzoeken naar eenzelfde scheepvaartongeval of incident strikt tot uitzonderlijke gevallen. In dergelijke gevallen meldt de FOSO de redenen voor het verrichten van zulke parallelle onderzoeken aan de Europese Commissie. De FOSO werkt samen met de bevoegde onderzoeksinstanties die parallelle veiligheidsonderzoeken verrichten. In het bijzonder wisselt de FOSO met de betrokken bevoegde onderzoeksinstanties alle relevante informatie uit welke zij in de loop van haar veiligheidsonderzoek vergaart, met name teneinde, voor zover mogelijk, gedeelde conclusies te bereiken.
De FOSO neemt geen maatregelen die de uitvoering van een veiligheidsonderzoek onrechtmatig beletten, opschorten of vertragen.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1, blijft de FOSO verantwoordelijk voor het veiligheidsonderzoek en de coördinatie met andere bevoegde onderzoeksinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben, totdat in onderling overleg is vastgesteld welke de in hoofdzaak voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijke bevoegde onderzoeksinstantie is.
§ 3. Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van deze titel en van het internationaal recht mag de FOSO de leiding van een veiligheidsonderzoek of specifieke taken voor het verrichten van zulk veiligheidsonderzoek, per geval en in onderlinge overeenstemming aan een andere bevoegde onderzoeksinstantie delegeren.
§ 4. Wanneer een ro-ro-veerboot of een hogesnelheidspassagiersschip bij een scheepvaartongeval of incident betrokken is, wordt de procedure tot veiligheidsonderzoek ingeleid door de FOSO indien het scheepvaartongeval of incident heeft plaatsgevonden in de Belgische maritieme zones of [1 ,]1 indien het in volle zee heeft plaatsgevonden en indien België het laatste land is dat door de ro-ro-veerboot of hogesnelheidspassagiersschip is aangelopen. De FOSO blijft verantwoordelijk voor het veiligheidsonderzoek en de coördinatie met de bevoegde onderzoeksinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben, totdat in onderlinge overeenstemming is vastgesteld welke bevoegde onderzoeksinstantie in hoofdzaak voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijk is.
§ 5. Wanneer twee of meer bevoegde onderzoeksinstanties, waaronder de FOSO, bij een veiligheidsonderzoek betrokken zijn, brengt de FOSO de kosten van haar activiteiten niet in rekening.
Indien de FOSO niet bij het veiligheidsonderzoek betrokken is en om bijstand wordt verzocht, maakt de FOSO met de bij het veiligheidsonderzoek betrokken bevoegde onderzoeksinstanties afspraken over de vergoeding van de kosten.
§ 6. Indien de FOSO de voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijk bevoegde onderzoeksinstantie is, stelt ze de omvang en praktische regelingen voor het verrichten van veiligheidsonderzoeken vast in samenwerking met de bevoegde onderzoeksinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben, op de wijze die de FOSO het meest geschikt acht om de doelstellingen bedoeld in artikel 2.7.7.4 te verwezenlijken en om toekomstige scheepvaartongevallen en incidenten te voorkomen.
§ 7. De medewerking van de FOSO aan een veiligheidsonderzoek dat wordt verricht door een derde land dat een aanzienlijk belang heeft, doet niets af aan de uit deze titel voortvloeiende gedrags- en rapportagevoorschriften inzake veiligheidsonderzoeken.
Indien een derde land met een aanzienlijk belang een veiligheidsonderzoek leidt waarbij de FOSO betrokken is, kan de FOSO beslissen om geen parallel veiligheidsonderzoek te verrichten, op voorwaarde dat het door het derde land geleide veiligheidsonderzoek wordt verricht overeenkomstig de IMO-Code voor onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee.
§ 8. Bij het uitvoeren van veiligheidsonderzoeken volgt de FOSO de gemeenschappelijke methodologie voor het onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee die is ontwikkeld uit hoofde van artikel 4, c), van de EMSA-Verordening. Onderzoekers van de FOSO mogen in specifieke gevallen van die methodologie afwijken wanneer dit, naar hun professioneel oordeel, noodzakelijk is teneinde de onderzoeksdoelstellingen te bereiken.
§ 9. De FOSO vangt het veiligheidsonderzoek zo spoedig mogelijk aan, en in elk geval uiterlijk binnen twee maanden nadat het scheepvaartongeval of incident plaatsvond.
§ 1. In beginsel wordt naar elk scheepvaartongeval of incident slechts één veiligheidsonderzoek verricht.
Bij veiligheidsonderzoeken waarbij twee of meer bevoegde onderzoeksinstanties, waaronder de FOSO, zijn betrokken, werkt de FOSO samen met de bevoegde overheidsinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben ten einde spoedig overeen te komen welke de verantwoordelijke bevoegde onderzoeksinstantie is die het veiligheidsonderzoek leidt. De FOSO stelt alles in het werk om overeenstemming over de onderzoeksprocedures te bereiken. In het kader van deze overeenstemming hebben de bevoegde onderzoeksinstanties van andere Staten die een aanzienlijk belang hebben, dezelfde rechten en toegang tot getuigen en bewijsmateriaal als de FOSO. De FOSO neemt het standpunt van de bevoegde onderzoeksinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben in overweging.
De FOSO beperkt het verrichten van parallelle veiligheidsonderzoeken naar eenzelfde scheepvaartongeval of incident strikt tot uitzonderlijke gevallen. In dergelijke gevallen meldt de FOSO de redenen voor het verrichten van zulke parallelle onderzoeken aan de Europese Commissie. De FOSO werkt samen met de bevoegde onderzoeksinstanties die parallelle veiligheidsonderzoeken verrichten. In het bijzonder wisselt de FOSO met de betrokken bevoegde onderzoeksinstanties alle relevante informatie uit welke zij in de loop van haar veiligheidsonderzoek vergaart, met name teneinde, voor zover mogelijk, gedeelde conclusies te bereiken.
De FOSO neemt geen maatregelen die de uitvoering van een veiligheidsonderzoek onrechtmatig beletten, opschorten of vertragen.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1, blijft de FOSO verantwoordelijk voor het veiligheidsonderzoek en de coördinatie met andere bevoegde onderzoeksinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben, totdat in onderling overleg is vastgesteld welke de in hoofdzaak voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijke bevoegde onderzoeksinstantie is.
§ 3. Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van deze titel en van het internationaal recht mag de FOSO de leiding van een veiligheidsonderzoek of specifieke taken voor het verrichten van zulk veiligheidsonderzoek, per geval en in onderlinge overeenstemming aan een andere bevoegde onderzoeksinstantie delegeren.
§ 4. Wanneer een ro-ro-veerboot of een hogesnelheidspassagiersschip bij een scheepvaartongeval of incident betrokken is, wordt de procedure tot veiligheidsonderzoek ingeleid door de FOSO indien het scheepvaartongeval of incident heeft plaatsgevonden in de Belgische maritieme zones of [1 ,]1 indien het in volle zee heeft plaatsgevonden en indien België het laatste land is dat door de ro-ro-veerboot of hogesnelheidspassagiersschip is aangelopen. De FOSO blijft verantwoordelijk voor het veiligheidsonderzoek en de coördinatie met de bevoegde onderzoeksinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben, totdat in onderlinge overeenstemming is vastgesteld welke bevoegde onderzoeksinstantie in hoofdzaak voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijk is.
§ 5. Wanneer twee of meer bevoegde onderzoeksinstanties, waaronder de FOSO, bij een veiligheidsonderzoek betrokken zijn, brengt de FOSO de kosten van haar activiteiten niet in rekening.
Indien de FOSO niet bij het veiligheidsonderzoek betrokken is en om bijstand wordt verzocht, maakt de FOSO met de bij het veiligheidsonderzoek betrokken bevoegde onderzoeksinstanties afspraken over de vergoeding van de kosten.
§ 6. Indien de FOSO de voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijk bevoegde onderzoeksinstantie is, stelt ze de omvang en praktische regelingen voor het verrichten van veiligheidsonderzoeken vast in samenwerking met de bevoegde onderzoeksinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben, op de wijze die de FOSO het meest geschikt acht om de doelstellingen bedoeld in artikel 2.7.7.4 te verwezenlijken en om toekomstige scheepvaartongevallen en incidenten te voorkomen.
§ 7. De medewerking van de FOSO aan een veiligheidsonderzoek dat wordt verricht door een derde land dat een aanzienlijk belang heeft, doet niets af aan de uit deze titel voortvloeiende gedrags- en rapportagevoorschriften inzake veiligheidsonderzoeken.
Indien een derde land met een aanzienlijk belang een veiligheidsonderzoek leidt waarbij de FOSO betrokken is, kan de FOSO beslissen om geen parallel veiligheidsonderzoek te verrichten, op voorwaarde dat het door het derde land geleide veiligheidsonderzoek wordt verricht overeenkomstig de IMO-Code voor onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee.
§ 8. Bij het uitvoeren van veiligheidsonderzoeken volgt de FOSO de gemeenschappelijke methodologie voor het onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee die is ontwikkeld uit hoofde van artikel 4, c), van de EMSA-Verordening. Onderzoekers van de FOSO mogen in specifieke gevallen van die methodologie afwijken wanneer dit, naar hun professioneel oordeel, noodzakelijk is teneinde de onderzoeksdoelstellingen te bereiken.
§ 9. De FOSO vangt het veiligheidsonderzoek zo spoedig mogelijk aan, en in elk geval uiterlijk binnen twee maanden nadat het scheepvaartongeval of incident plaatsvond.
Art. 2.7.7.9. Conduite de et participation à l'enquête de sécurité
§ 1er. En principe, chaque accident de navigation ou incident ne fait l'objet que d'une seule enquête.
Dans les cas d'enquêtes de sécurité faisant intervenir au moins deux organismes d'enquête compétents, parmi lesquels l'OFEAN, celui-ci coopère avec les organismes d'enquête compétents d'Etats ayant d'importants intérêts en jeu afin de décider rapidement lequel d'entre eux sera l'organisme d'enquête compétent qui conduit l'enquête de sécurité. L'OFEAN met tout en oeuvre pour s'accorder sur la procédure d'enquête. Dans le cadre de cet accord, les organismes d'enquête compétents d'autres Etats ayant d'importants intérêts en jeu bénéficient des mêmes droits et du même accès aux témoins et aux éléments de preuve que l'OFEAN. L'OFEAN prend en considération le point de vue des organismes d'enquête compétents d'Etats ayant d'importants intérêts en jeu.
L'OFEAN limite la conduite d'enquêtes de sécurité parallèles sur le même accident de navigation ou incident strictement aux cas exceptionnels. Dans de tels cas, l'OFEAN notifie à la Commission européenne les motifs de telles enquêtes parallèles. L'OFEAN coopère avec les organismes d'enquête compétents conduisant des enquêtes de sécurité parallèles. En particulier, l'OFEAN échange toutes informations pertinentes collectées lors de son enquête avec les organismes d'enquête de sécurité compétents concernés, notamment afin d'élaborer, autant que possible, des conclusions communes.
L'OFEAN s'abstient de toute mesure qui pourrait indûment empêcher, suspendre ou retarder la conduite d'une enquête de sécurité.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, l'OFEAN demeure responsable de l'enquête de sécurité et de la coordination avec les autres organismes d'enquête compétents d'Etats ayant d'importants intérêts en jeu jusqu'à ce que l'organisme d'enquête compétent principalement responsable de l'enquête de sécurité ait été désigné d'un commun accord.
§ 3. Sans préjudice des obligations qui lui incombent en vertu de la présente loi et du droit international, l'OFEAN peut, au cas par cas, déléguer à un autre organisme d'enquête compétent, d'un commun accord, la tâche de diriger une enquête de sécurité ou des tâches spécifiques relevant de cette enquête.
§ 4. Lorsqu'un transbordeur roulier ou un engin à passagers à grande vitesse est impliqué dans un accident de navigation ou un incident, la procédure d'enquête de sécurité est lancée par l'OFEAN si l'accident de navigation ou l'incident est survenu dans les zones maritimes belges ou, si celui-ci est survenu en haute mer et si la Belgique est le dernier pays visité par le transbordeur roulier ou l'engin à passagers à grande vitesse. L'OFEAN reste responsable de l'enquête de sécurité et de la coordination avec les organismes d'enquête compétents d'Etats ayant d'importants intérêts en jeu jusqu'à ce que l'organisme d'enquête compétent principalement responsable de l'enquête de sécurité ait été désigné d'un commun accord.
§ 5. Dans les cas d'enquêtes de sécurité faisant intervenir au moins deux organismes d'enquête compétents parmi lesquels l'OFEAN, le coût des activités de celui-ci n'est pas imputé.
Dans les cas où l'OFEAN ne participe pas à l'enquête de sécurité et où il est fait appel à son assistance, l'OFEAN convient du remboursement des frais avec les organismes d'enquête compétents associés à l'enquête de sécurité.
§ 6. Si l'OFEAN est l'organisme d'enquête compétent responsable de l'enquête de sécurité, il détermine la portée et les modalités pratiques de la conduite d'enquêtes de sécurité en collaboration avec les organismes d'enquête compétents d'Etats ayant d'importants intérêts en jeu, de la manière qui lui semble la plus adaptée pour atteindre les objectifs visés à l'article 2.7.7.4 et de manière à prévenir des accidents de navigation ou incidents futurs.
§ 7. La coopération de l'OFEAN à une enquête de sécurité effectuée par un pays tiers ayant d'importants intérêts en jeu est sans préjudice des obligations découlant du présent titre qui concernent la conduite des enquêtes de sécurité et les rapports d'enquête.
Lorsqu'un pays tiers ayant d'importants intérêts en jeu conduit une enquête de sécurité à laquelle participe l'OFEAN, ce dernier peut décider de ne pas mener d'enquête de sécurité en parallèle, à condition que l'enquête de sécurité dirigée par le pays tiers soit conduite conformément au code de l'OMI pour la conduite des enquêtes sur les accidents et les incidents de mer.
§ 8. Lorsqu'il mène les enquêtes de sécurité, l'OFEAN suit la méthodologie commune pour enquêter sur les accidents et incidents de mer, définie conformément à l'article 4, c) du règlement AESM. Les enquêteurs de l'OFEAN peuvent s'écarter de cette méthodologie dans un cas spécifique lorsque la nécessité peut en être justifiée, selon leur jugement professionnel, et si nécessaire pour réaliser les objectifs de l'enquête.
§ 9. L'OFEAN commence dès que possible l'enquête de sécurité et, en tout état de cause, dans les deux mois après la survenance de l'accident de navigation ou de l'incident.
§ 1er. En principe, chaque accident de navigation ou incident ne fait l'objet que d'une seule enquête.
Dans les cas d'enquêtes de sécurité faisant intervenir au moins deux organismes d'enquête compétents, parmi lesquels l'OFEAN, celui-ci coopère avec les organismes d'enquête compétents d'Etats ayant d'importants intérêts en jeu afin de décider rapidement lequel d'entre eux sera l'organisme d'enquête compétent qui conduit l'enquête de sécurité. L'OFEAN met tout en oeuvre pour s'accorder sur la procédure d'enquête. Dans le cadre de cet accord, les organismes d'enquête compétents d'autres Etats ayant d'importants intérêts en jeu bénéficient des mêmes droits et du même accès aux témoins et aux éléments de preuve que l'OFEAN. L'OFEAN prend en considération le point de vue des organismes d'enquête compétents d'Etats ayant d'importants intérêts en jeu.
L'OFEAN limite la conduite d'enquêtes de sécurité parallèles sur le même accident de navigation ou incident strictement aux cas exceptionnels. Dans de tels cas, l'OFEAN notifie à la Commission européenne les motifs de telles enquêtes parallèles. L'OFEAN coopère avec les organismes d'enquête compétents conduisant des enquêtes de sécurité parallèles. En particulier, l'OFEAN échange toutes informations pertinentes collectées lors de son enquête avec les organismes d'enquête de sécurité compétents concernés, notamment afin d'élaborer, autant que possible, des conclusions communes.
L'OFEAN s'abstient de toute mesure qui pourrait indûment empêcher, suspendre ou retarder la conduite d'une enquête de sécurité.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, l'OFEAN demeure responsable de l'enquête de sécurité et de la coordination avec les autres organismes d'enquête compétents d'Etats ayant d'importants intérêts en jeu jusqu'à ce que l'organisme d'enquête compétent principalement responsable de l'enquête de sécurité ait été désigné d'un commun accord.
§ 3. Sans préjudice des obligations qui lui incombent en vertu de la présente loi et du droit international, l'OFEAN peut, au cas par cas, déléguer à un autre organisme d'enquête compétent, d'un commun accord, la tâche de diriger une enquête de sécurité ou des tâches spécifiques relevant de cette enquête.
§ 4. Lorsqu'un transbordeur roulier ou un engin à passagers à grande vitesse est impliqué dans un accident de navigation ou un incident, la procédure d'enquête de sécurité est lancée par l'OFEAN si l'accident de navigation ou l'incident est survenu dans les zones maritimes belges ou, si celui-ci est survenu en haute mer et si la Belgique est le dernier pays visité par le transbordeur roulier ou l'engin à passagers à grande vitesse. L'OFEAN reste responsable de l'enquête de sécurité et de la coordination avec les organismes d'enquête compétents d'Etats ayant d'importants intérêts en jeu jusqu'à ce que l'organisme d'enquête compétent principalement responsable de l'enquête de sécurité ait été désigné d'un commun accord.
§ 5. Dans les cas d'enquêtes de sécurité faisant intervenir au moins deux organismes d'enquête compétents parmi lesquels l'OFEAN, le coût des activités de celui-ci n'est pas imputé.
Dans les cas où l'OFEAN ne participe pas à l'enquête de sécurité et où il est fait appel à son assistance, l'OFEAN convient du remboursement des frais avec les organismes d'enquête compétents associés à l'enquête de sécurité.
§ 6. Si l'OFEAN est l'organisme d'enquête compétent responsable de l'enquête de sécurité, il détermine la portée et les modalités pratiques de la conduite d'enquêtes de sécurité en collaboration avec les organismes d'enquête compétents d'Etats ayant d'importants intérêts en jeu, de la manière qui lui semble la plus adaptée pour atteindre les objectifs visés à l'article 2.7.7.4 et de manière à prévenir des accidents de navigation ou incidents futurs.
§ 7. La coopération de l'OFEAN à une enquête de sécurité effectuée par un pays tiers ayant d'importants intérêts en jeu est sans préjudice des obligations découlant du présent titre qui concernent la conduite des enquêtes de sécurité et les rapports d'enquête.
Lorsqu'un pays tiers ayant d'importants intérêts en jeu conduit une enquête de sécurité à laquelle participe l'OFEAN, ce dernier peut décider de ne pas mener d'enquête de sécurité en parallèle, à condition que l'enquête de sécurité dirigée par le pays tiers soit conduite conformément au code de l'OMI pour la conduite des enquêtes sur les accidents et les incidents de mer.
§ 8. Lorsqu'il mène les enquêtes de sécurité, l'OFEAN suit la méthodologie commune pour enquêter sur les accidents et incidents de mer, définie conformément à l'article 4, c) du règlement AESM. Les enquêteurs de l'OFEAN peuvent s'écarter de cette méthodologie dans un cas spécifique lorsque la nécessité peut en être justifiée, selon leur jugement professionnel, et si nécessaire pour réaliser les objectifs de l'enquête.
§ 9. L'OFEAN commence dès que possible l'enquête de sécurité et, en tout état de cause, dans les deux mois après la survenance de l'accident de navigation ou de l'incident.
Art. 2.7.7.10. Betrokkenheid van zeevarenden
[1 § 1.]1 Wanneer de FOSO overeenkomstig artikel 2.7.7.8, § 1, een veiligheidsonderzoek instelt naar een scheepvaartongeval waarbij een zeevarende op wie het MLC-Verdrag van toepassing is, overleden is of ernstige verwondingen heeft opgelopen, is dit tevens een onderzoek overeenkomstig voorschrift 5.1.6 van het MLC-Verdrag.
[1 § 2. De reder rapporteert onverwijld elk overlijden van zeevarenden die werkzaam zijn of zijn gecontracteerd of in enige hoedanigheid werkzaamheden verrichten aan boord van een schip dat onder Belgische vlag vaart aan FOSO.
Deze rapportering vermeldt:
1° de identificatiegegevens van de reder, en van de werkgever, indien deze anders is dan de reder;
2° de identificatiegegevens van de overleden zeevarenden, namelijk naam en voornaam (of voornamen), geboortedatum, geslacht, evenals de functie en de dienst van de zeevarende;
3° de naam, de thuishaven en het IMO-nummer van het schip;
4° het type schip en de brutotonnenmaat van het schip;
5° de doodsoorzaak zoals bepaald in de overlijdensakte, in zoverre deze beschikbaar is;
6° alle andere relevante informatie en documenten.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de rapportering vanwege de reders aan FOSO.
§ 3. De FOSO onderzoekt alle overlijdens van zeevarenden zoals bedoeld in paragraaf 2 van dit artikel.
Indien er reeds een onderzoek heeft plaatsgevonden op basis van artikel 94bis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, geldt dit als onderzoek zoals bedoeld in het eerste lid.
§ 4. De FOSO rapporteert jaarlijks alle overlijdens aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.
Deze rapportering bevat:
1° de informatie over het type overlijden;
2° het type en de brutotonnenmaat van het schip;
3° de plaats van het schip op het moment van de feiten;
4° het geslacht, de leeftijd, de functie en de dienst van de zeevarende.
Deze rapportering bevat geen enkel persoonsgegeven, noch de identificatiegegevens van het betrokken schip.
De Koning bepaalt de nadere regels op basis waarvan FOSO deze overlijdens rapporteert aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.]1
[1 § 1.]1 Wanneer de FOSO overeenkomstig artikel 2.7.7.8, § 1, een veiligheidsonderzoek instelt naar een scheepvaartongeval waarbij een zeevarende op wie het MLC-Verdrag van toepassing is, overleden is of ernstige verwondingen heeft opgelopen, is dit tevens een onderzoek overeenkomstig voorschrift 5.1.6 van het MLC-Verdrag.
[1 § 2. De reder rapporteert onverwijld elk overlijden van zeevarenden die werkzaam zijn of zijn gecontracteerd of in enige hoedanigheid werkzaamheden verrichten aan boord van een schip dat onder Belgische vlag vaart aan FOSO.
Deze rapportering vermeldt:
1° de identificatiegegevens van de reder, en van de werkgever, indien deze anders is dan de reder;
2° de identificatiegegevens van de overleden zeevarenden, namelijk naam en voornaam (of voornamen), geboortedatum, geslacht, evenals de functie en de dienst van de zeevarende;
3° de naam, de thuishaven en het IMO-nummer van het schip;
4° het type schip en de brutotonnenmaat van het schip;
5° de doodsoorzaak zoals bepaald in de overlijdensakte, in zoverre deze beschikbaar is;
6° alle andere relevante informatie en documenten.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de rapportering vanwege de reders aan FOSO.
§ 3. De FOSO onderzoekt alle overlijdens van zeevarenden zoals bedoeld in paragraaf 2 van dit artikel.
Indien er reeds een onderzoek heeft plaatsgevonden op basis van artikel 94bis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, geldt dit als onderzoek zoals bedoeld in het eerste lid.
§ 4. De FOSO rapporteert jaarlijks alle overlijdens aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.
Deze rapportering bevat:
1° de informatie over het type overlijden;
2° het type en de brutotonnenmaat van het schip;
3° de plaats van het schip op het moment van de feiten;
4° het geslacht, de leeftijd, de functie en de dienst van de zeevarende.
Deze rapportering bevat geen enkel persoonsgegeven, noch de identificatiegegevens van het betrokken schip.
De Koning bepaalt de nadere regels op basis waarvan FOSO deze overlijdens rapporteert aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.]1
Art. 2.7.7.10. Participation des marins
[1 § 1er.]1 Lorsque, conformément à l'article 2.7.7.8, § 1er, une enquête de sécurité est menée par l'OFEAN sur un accident de navigation ayant tué ou blessé grièvement un marin auquel s'applique la Convention MLC, elle est également considérée comme une enquête au sens de la règle 5.1.6 de la Convention MLC.
[1 § 2. L'armateur notifie immédiatement à l'OFEAN chaque décès de marin employé, engagé ou travaillant à quelque titre que ce soit à bord d'un navire battant pavillon belge.
Cette notification mentionne:
1° les données d'identification de l'armateur, et de l'employeur s'il est différent de l'armateur;
2° les données d'identification du marin décédé, à savoir les nom et prénom(s), la date de naissance, le sexe, ainsi que la fonction et le service du marin;
3° le nom, le port d'attache et le numéro OMI du navire;
4° le type du navire et la jauge brute du navire;
5° la cause du décès telle qu'indiquée dans l'acte de décès, dans la mesure où il est disponible;
6° tous autres informations et documents utiles.
Le Roi détermine les modalités de la notification des armateurs à l'OFEAN.
§ 3. L'OFEAN enquête sur tous les décès de marins tels que visés au paragraphe 2 du présent article.
Si une enquête a déjà eu lieu sur la base de l'article 94bis de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, elle équivaut à une enquête telle que visée à l'alinéa 1er.
§ 4. L'OFEAN rapporte chaque année tous les décès au Directeur général du Bureau international du travail.
Cette déclaration inclut:
1° des informations sur le type du décès;
2° le type et la jauge brute du navire;
3° la position de navire au moments des faits;
4° le sexe, l'âge, la fonction et le service du marin.
Cette déclaration ne peut contenir aucune donnée à caractère personnel, ni les données d'identification des navires concernés.
Le Roi détermine les modalités selon lesquelles l'OFEAN déclare ces décès au Directeur général du Bureau international du travail.]1
[1 § 1er.]1 Lorsque, conformément à l'article 2.7.7.8, § 1er, une enquête de sécurité est menée par l'OFEAN sur un accident de navigation ayant tué ou blessé grièvement un marin auquel s'applique la Convention MLC, elle est également considérée comme une enquête au sens de la règle 5.1.6 de la Convention MLC.
[1 § 2. L'armateur notifie immédiatement à l'OFEAN chaque décès de marin employé, engagé ou travaillant à quelque titre que ce soit à bord d'un navire battant pavillon belge.
Cette notification mentionne:
1° les données d'identification de l'armateur, et de l'employeur s'il est différent de l'armateur;
2° les données d'identification du marin décédé, à savoir les nom et prénom(s), la date de naissance, le sexe, ainsi que la fonction et le service du marin;
3° le nom, le port d'attache et le numéro OMI du navire;
4° le type du navire et la jauge brute du navire;
5° la cause du décès telle qu'indiquée dans l'acte de décès, dans la mesure où il est disponible;
6° tous autres informations et documents utiles.
Le Roi détermine les modalités de la notification des armateurs à l'OFEAN.
§ 3. L'OFEAN enquête sur tous les décès de marins tels que visés au paragraphe 2 du présent article.
Si une enquête a déjà eu lieu sur la base de l'article 94bis de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, elle équivaut à une enquête telle que visée à l'alinéa 1er.
§ 4. L'OFEAN rapporte chaque année tous les décès au Directeur général du Bureau international du travail.
Cette déclaration inclut:
1° des informations sur le type du décès;
2° le type et la jauge brute du navire;
3° la position de navire au moments des faits;
4° le sexe, l'âge, la fonction et le service du marin.
Cette déclaration ne peut contenir aucune donnée à caractère personnel, ni les données d'identification des navires concernés.
Le Roi détermine les modalités selon lesquelles l'OFEAN déclare ces décès au Directeur général du Bureau international du travail.]1
Wijzigingen
Art. 2.7.7.11. De FOSO-bijdrage
§ 1. Met het oog op de dekking van oprichtings-, personeels-, en werkingskosten van de FOSO is aan de FOSO een bijdrage verschuldigd.
De bijdrage bedoeld in het eerste lid is verschuldigd door de exploitanten van Belgische zeeschepen en door de exploitanten van vreemde zeeschepen die de haven van Antwerpen, Brussel, Gent, Luik, Oostende of Zeebrugge aanlopen.
§ 2. De bijdrage van de exploitanten van een Belgisch zeeschip is elk kalenderjaar verschuldigd.
De bijdrage is hoofdelijk verschuldigd door de exploitanten van het Belgisch zeeschip.
De bijdrage van de exploitanten bedraagt 0,013 euro per brutotonnenmaat van het Belgisch zeeschip waarvan zij de exploitant zijn op 1 januari van het kalenderjaar waarin de jaarlijkse bijdrage verschuldigd is.
De jaarlijkse bijdrage van de exploitanten bedoeld in het eerste lid wordt afgerond naar boven op de euro als het decimale gedeelte gelijk aan of meer dan vijftig cent is. Het bedrag wordt naar onder op de euro afgerond als dit gedeelte minder is dan vijftig cent.
De jaarlijkse bijdrage van de exploitanten bedraagt minimaal 25 euro en maximaal 1.500 euro per Belgisch zeeschip waarvan zij exploitant zijn.
§ 3. De bijdrage van een vreemd zeeschip dat de haven van Antwerpen, Brussel, Gent, Luik, Oostende, of Zeebrugge aanloopt wordt berekend volgens de volgende formule :
(250.000 - BE)/JA waarbij
BE = totale bijdrage van exploitanten van Belgische zeeschepen bedoeld in § 2, derde lid.
JA = totaal aantal aanlopen van vreemde zeeschepen in de havens van Antwerpen, Brussel, Gent, Luik, Oostende en Zeebrugge in de periode van 1 oktober van het vorige kalenderjaar tot 30 september van het lopende kalenderjaar waarin de bijdrage verschuldigd is.
De bijdrage is hoofdelijk verschuldigd door de exploitanten van het zeeschip onder vreemde vlag.
§ 4. De bedragen bedoeld in paragraaf 2, derde en vijfde lid, en in paragraaf 3, worden jaarlijks geïndexeerd volgens de volgende formule :
Bedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.
Het nieuwe indexcijfer is het indexcijfer van de gezondheidsindex van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bedrag wordt aangepast overeenkomstig het eerste lid.
Het aanvangsindexcijfer is het indexcijfer van de gezondheidsindex van november 2016.
Het bekomen resultaat voor de bedragen bedoeld in paragraaf 2, vijfde lid, en paragraaf 3, wordt afgerond naar de hogere euro indien het deel in decimalen groter of gelijk is aan vijftig cent. De afronding gebeurt naar de lagere euro indien dit deel kleiner is dan vijftig cent.
§ 5. [1 De Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer is belast met de inning van de bijdragen bedoeld in de paragrafen 2 en 3. Bij de inning boekt de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer deze bedragen onmiddellijk op het begrotingsfonds "Fonds betreffende de werking van de federale instantie voor onderzoek van scheepvaartongevallen" zoals bedoeld in rubriek 33 van de tabel bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van de begrotingsfondsen.]1
[1 De Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer zendt de aanslagen voor de inning van de bijdrage bedoeld in paragraaf 2 aan de bijdrageplichtigen toe vanaf 1 februari van het kalenderjaar waarin de bijdrage verschuldigd is. De bijdrage is uitvoerbaar binnen dertig dagen na het verzenden van de aanslag door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.]1
[1 De Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer zendt de aanslagen voor de inning van de bijdrage bedoeld in paragraaf 3 aan de bijdrageplichtigen toe vanaf 1 oktober van het kalenderjaar waarin de bijdrage verschuldigd is.]1
Met het oog op de inning van de bijdragen bedoeld in paragraaf 3 kan de minister bevoegd voor de maritieme mobiliteit met het betrokken havenbestuur een samenwerkingsovereenkomst sluiten.
[1 § 5/1. Beroep tegen de aanslag kan worden ingediend binnen de 30 dagen na het verzenden van de aanslag via aangetekend schrijven bij de FOSO. Het beroep schorst de betaling van de dat gedeelte van de aanslag waar er beroep voor aangetekend is. De FOSO stelt de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer hiervan onmiddellijk in kennis.
De FOSO beslist binnen de 30 dagen na ontvangst van het beroep en deelt deze mee aan de betrokkene en aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.]1
§ 6. Voor de toepassing van dit artikel wordt elk [2 schip/land raakvlak]2 als een aanloop van een haven beschouwd.
Het aantal aanlopen per individueel zeeschip en per haven waarvoor overeenkomstig paragraaf 3 de bijdrage verschuldigd is, wordt beperkt tot het aantal aanlopen per jaar die nodig zijn voor het verlenen van een door het bevoegde gewest toe te kennen "pilotage exemption certificate", ongeacht of het zeeschip loodsplichtig is of niet.
§ 1. Met het oog op de dekking van oprichtings-, personeels-, en werkingskosten van de FOSO is aan de FOSO een bijdrage verschuldigd.
De bijdrage bedoeld in het eerste lid is verschuldigd door de exploitanten van Belgische zeeschepen en door de exploitanten van vreemde zeeschepen die de haven van Antwerpen, Brussel, Gent, Luik, Oostende of Zeebrugge aanlopen.
§ 2. De bijdrage van de exploitanten van een Belgisch zeeschip is elk kalenderjaar verschuldigd.
De bijdrage is hoofdelijk verschuldigd door de exploitanten van het Belgisch zeeschip.
De bijdrage van de exploitanten bedraagt 0,013 euro per brutotonnenmaat van het Belgisch zeeschip waarvan zij de exploitant zijn op 1 januari van het kalenderjaar waarin de jaarlijkse bijdrage verschuldigd is.
De jaarlijkse bijdrage van de exploitanten bedoeld in het eerste lid wordt afgerond naar boven op de euro als het decimale gedeelte gelijk aan of meer dan vijftig cent is. Het bedrag wordt naar onder op de euro afgerond als dit gedeelte minder is dan vijftig cent.
De jaarlijkse bijdrage van de exploitanten bedraagt minimaal 25 euro en maximaal 1.500 euro per Belgisch zeeschip waarvan zij exploitant zijn.
§ 3. De bijdrage van een vreemd zeeschip dat de haven van Antwerpen, Brussel, Gent, Luik, Oostende, of Zeebrugge aanloopt wordt berekend volgens de volgende formule :
(250.000 - BE)/JA waarbij
BE = totale bijdrage van exploitanten van Belgische zeeschepen bedoeld in § 2, derde lid.
JA = totaal aantal aanlopen van vreemde zeeschepen in de havens van Antwerpen, Brussel, Gent, Luik, Oostende en Zeebrugge in de periode van 1 oktober van het vorige kalenderjaar tot 30 september van het lopende kalenderjaar waarin de bijdrage verschuldigd is.
De bijdrage is hoofdelijk verschuldigd door de exploitanten van het zeeschip onder vreemde vlag.
§ 4. De bedragen bedoeld in paragraaf 2, derde en vijfde lid, en in paragraaf 3, worden jaarlijks geïndexeerd volgens de volgende formule :
Bedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.
Het nieuwe indexcijfer is het indexcijfer van de gezondheidsindex van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bedrag wordt aangepast overeenkomstig het eerste lid.
Het aanvangsindexcijfer is het indexcijfer van de gezondheidsindex van november 2016.
Het bekomen resultaat voor de bedragen bedoeld in paragraaf 2, vijfde lid, en paragraaf 3, wordt afgerond naar de hogere euro indien het deel in decimalen groter of gelijk is aan vijftig cent. De afronding gebeurt naar de lagere euro indien dit deel kleiner is dan vijftig cent.
§ 5. [1 De Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer is belast met de inning van de bijdragen bedoeld in de paragrafen 2 en 3. Bij de inning boekt de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer deze bedragen onmiddellijk op het begrotingsfonds "Fonds betreffende de werking van de federale instantie voor onderzoek van scheepvaartongevallen" zoals bedoeld in rubriek 33 van de tabel bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van de begrotingsfondsen.]1
[1 De Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer zendt de aanslagen voor de inning van de bijdrage bedoeld in paragraaf 2 aan de bijdrageplichtigen toe vanaf 1 februari van het kalenderjaar waarin de bijdrage verschuldigd is. De bijdrage is uitvoerbaar binnen dertig dagen na het verzenden van de aanslag door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.]1
[1 De Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer zendt de aanslagen voor de inning van de bijdrage bedoeld in paragraaf 3 aan de bijdrageplichtigen toe vanaf 1 oktober van het kalenderjaar waarin de bijdrage verschuldigd is.]1
Met het oog op de inning van de bijdragen bedoeld in paragraaf 3 kan de minister bevoegd voor de maritieme mobiliteit met het betrokken havenbestuur een samenwerkingsovereenkomst sluiten.
[1 § 5/1. Beroep tegen de aanslag kan worden ingediend binnen de 30 dagen na het verzenden van de aanslag via aangetekend schrijven bij de FOSO. Het beroep schorst de betaling van de dat gedeelte van de aanslag waar er beroep voor aangetekend is. De FOSO stelt de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer hiervan onmiddellijk in kennis.
De FOSO beslist binnen de 30 dagen na ontvangst van het beroep en deelt deze mee aan de betrokkene en aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.]1
§ 6. Voor de toepassing van dit artikel wordt elk [2 schip/land raakvlak]2 als een aanloop van een haven beschouwd.
Het aantal aanlopen per individueel zeeschip en per haven waarvoor overeenkomstig paragraaf 3 de bijdrage verschuldigd is, wordt beperkt tot het aantal aanlopen per jaar die nodig zijn voor het verlenen van een door het bevoegde gewest toe te kennen "pilotage exemption certificate", ongeacht of het zeeschip loodsplichtig is of niet.
Art. 2.7.7.11. Contribution à l'OFEAN
§ 1er. Une contribution est due à l'OFEAN en vue de couvrir ses frais de création, de personnel et de fonctionnement.
La contribution visée à l'alinéa 1er est due par les exploitants de navires de mer belges et par les exploitants de navires de mer sous pavillon étranger faisant escale dans le port d'Anvers, de Bruxelles, de Gand, de Liège, d'Ostende ou de Zeebrugge.
§ 2. La contribution des exploitants d'un navire de mer belge est due chaque année civile.
La contribution est solidairement due par les exploitants du navire de mer belge.
La contribution des exploitants s'élève à 0,013 euro par jauge brute du navire de mer belge dont ils sont les exploitants au 1er janvier de l'année civile où la contribution annuelle est due.
La contribution annuelle des exploitants, visée à l'alinéa 1er, est arrondie à l'euro supérieur si la partie décimale est égale ou supérieure à cinquante cents. Le montant est arrondi à l'euro inférieur si cette partie est inférieure à cinquante cents.
La contribution annuelle des exploitants est de minimum 25 euros et de maximum 1.500 euros par navire belge de mer dont ils sont exploitants.
§ 3. La contribution d'un navire de mer sous pavillon étranger faisant escale dans le port d'Anvers, de Bruxelles, de Gand, de Liège, d'Ostende ou de Zeebrugge est calculée selon la formule suivante :
(250.000 - BE)/AN où
BE = contribution totale des exploitants de navires de mer belges visée au paragraphe 2, alinéa 3.
AN = nombre total d'escales de navires de mer sous pavillon étranger dans les ports d'Anvers, de Bruxelles, de Gand, de Liège, d'Ostende et de Zeebrugge durant la période du 1er octobre de l'année civile antérieure au 30 septembre de l'année civile en cours où la contribution est due
La contribution est solidairement due par les exploitants du navire de mer sous pavillon étranger.
§ 4. Les montants visés au paragraphe 2, alinéas 3 et 5, et au paragraphe 3 sont indexés annuellement selon la formule suivante :
Montant multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice initial.
Le nouvel indice est l'indice santé applicable au mois de novembre de l'année antérieure à l'année où le montant est adapté conformément à l'alinéa 1er.
L'indice de départ est l'indice santé du mois de novembre 2016.
Le résultat obtenu pour les montants visés au paragraphe 2, alinéa 5, et paragraphe 3, est arrondi à l'euro supérieur si la partie décimale est supérieure ou égale à cinquante cents. Il l'est à l'euro inférieur si cette partie est inférieure à cinquante cents.
§ 5. [1 Le Service public fédéral Mobilité et Transports est chargé de la perception des contribu-tions visées aux paragraphes 2 et 3. Lors de la perception, le Service public fédéral Mobi-lité et Transports impute immédiatement ces contributions sur le fonds budgétaire "Fonds relatif au fonctionnement de l'organisme fédéral d'enquête sur les accident de navigation" tel que visé à la rubrique 33 du tableau de la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires.]1
[1 Le Service public fédéral Mobilité et Transports envoie les avis de perception de la con-tribution visée au paragraphe 2 aux redevables de la contribution à partir du 1er février de l'année civile où la contribution est due. La contribution est exécutoire dans les trente jours suivant l'envoi de l'avis par le Service public fédéral Mobilité et Transports.]1
[1 Le Service public fédéral Mobilité et Transports envoie les avis de perception de la con-tribution visée au paragraphe 3 aux redevables de la contribution à partir du 1er octobre de l'année civile où la contribution est due.]1
En vue de la perception des contributions visées au paragraphe 3, le ministre compétent pour la mobilité maritime peut conclure un accord de coopération avec l'autorité du port concernée.
[1 § 5/1. Un recours contre l'avis peut être introduit auprès de l'OFEAN par lettre recomman-dée dans les 30 jours suivant l'envoi de l'avis. Le recours suspend le paiement de la partie de l'avis pour laquelle un recours a été introduit. l'OFEAN en informe immédiatement le Service public fédéral Mobilité et Transports.
L'OFEAN prend une décision dans les 30 jours suivant la réception du recours et la notifie à l'intéressé et au Service public fédéral Mobilité et Transports.]1
§ 6. Pour l'application du présent article, tout navire effectuant une [2 activité d'interface navire/terre]2 est considéré comme faisant une escale dans un port.
Le nombre d'escales par navire de mer individuel et par port pour lesquelles la contribution est due conformément au paragraphe 3, est limité au nombre d'escales annuelles qui sont nécessaires pour l'octroi d'un " pilotage exemption certificate " à délivrer par la région compétente, que le navire de mer soit soumis ou non à l'obligation de pilotage.
§ 1er. Une contribution est due à l'OFEAN en vue de couvrir ses frais de création, de personnel et de fonctionnement.
La contribution visée à l'alinéa 1er est due par les exploitants de navires de mer belges et par les exploitants de navires de mer sous pavillon étranger faisant escale dans le port d'Anvers, de Bruxelles, de Gand, de Liège, d'Ostende ou de Zeebrugge.
§ 2. La contribution des exploitants d'un navire de mer belge est due chaque année civile.
La contribution est solidairement due par les exploitants du navire de mer belge.
La contribution des exploitants s'élève à 0,013 euro par jauge brute du navire de mer belge dont ils sont les exploitants au 1er janvier de l'année civile où la contribution annuelle est due.
La contribution annuelle des exploitants, visée à l'alinéa 1er, est arrondie à l'euro supérieur si la partie décimale est égale ou supérieure à cinquante cents. Le montant est arrondi à l'euro inférieur si cette partie est inférieure à cinquante cents.
La contribution annuelle des exploitants est de minimum 25 euros et de maximum 1.500 euros par navire belge de mer dont ils sont exploitants.
§ 3. La contribution d'un navire de mer sous pavillon étranger faisant escale dans le port d'Anvers, de Bruxelles, de Gand, de Liège, d'Ostende ou de Zeebrugge est calculée selon la formule suivante :
(250.000 - BE)/AN où
BE = contribution totale des exploitants de navires de mer belges visée au paragraphe 2, alinéa 3.
AN = nombre total d'escales de navires de mer sous pavillon étranger dans les ports d'Anvers, de Bruxelles, de Gand, de Liège, d'Ostende et de Zeebrugge durant la période du 1er octobre de l'année civile antérieure au 30 septembre de l'année civile en cours où la contribution est due
La contribution est solidairement due par les exploitants du navire de mer sous pavillon étranger.
§ 4. Les montants visés au paragraphe 2, alinéas 3 et 5, et au paragraphe 3 sont indexés annuellement selon la formule suivante :
Montant multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice initial.
Le nouvel indice est l'indice santé applicable au mois de novembre de l'année antérieure à l'année où le montant est adapté conformément à l'alinéa 1er.
L'indice de départ est l'indice santé du mois de novembre 2016.
Le résultat obtenu pour les montants visés au paragraphe 2, alinéa 5, et paragraphe 3, est arrondi à l'euro supérieur si la partie décimale est supérieure ou égale à cinquante cents. Il l'est à l'euro inférieur si cette partie est inférieure à cinquante cents.
§ 5. [1 Le Service public fédéral Mobilité et Transports est chargé de la perception des contribu-tions visées aux paragraphes 2 et 3. Lors de la perception, le Service public fédéral Mobi-lité et Transports impute immédiatement ces contributions sur le fonds budgétaire "Fonds relatif au fonctionnement de l'organisme fédéral d'enquête sur les accident de navigation" tel que visé à la rubrique 33 du tableau de la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires.]1
[1 Le Service public fédéral Mobilité et Transports envoie les avis de perception de la con-tribution visée au paragraphe 2 aux redevables de la contribution à partir du 1er février de l'année civile où la contribution est due. La contribution est exécutoire dans les trente jours suivant l'envoi de l'avis par le Service public fédéral Mobilité et Transports.]1
[1 Le Service public fédéral Mobilité et Transports envoie les avis de perception de la con-tribution visée au paragraphe 3 aux redevables de la contribution à partir du 1er octobre de l'année civile où la contribution est due.]1
En vue de la perception des contributions visées au paragraphe 3, le ministre compétent pour la mobilité maritime peut conclure un accord de coopération avec l'autorité du port concernée.
[1 § 5/1. Un recours contre l'avis peut être introduit auprès de l'OFEAN par lettre recomman-dée dans les 30 jours suivant l'envoi de l'avis. Le recours suspend le paiement de la partie de l'avis pour laquelle un recours a été introduit. l'OFEAN en informe immédiatement le Service public fédéral Mobilité et Transports.
L'OFEAN prend une décision dans les 30 jours suivant la réception du recours et la notifie à l'intéressé et au Service public fédéral Mobilité et Transports.]1
§ 6. Pour l'application du présent article, tout navire effectuant une [2 activité d'interface navire/terre]2 est considéré comme faisant une escale dans un port.
Le nombre d'escales par navire de mer individuel et par port pour lesquelles la contribution est due conformément au paragraphe 3, est limité au nombre d'escales annuelles qui sont nécessaires pour l'octroi d'un " pilotage exemption certificate " à délivrer par la région compétente, que le navire de mer soit soumis ou non à l'obligation de pilotage.
Art. 2.7.7.12. Jaarverslag
Uiterlijk op 30 september van elk jaar dient de FOSO bij de minister bevoegd voor de maritieme mobiliteit, de Kamer van volksvertegenwoordigers en de parlementen van de Gewesten een jaarverslag in waarin verantwoording wordt afgelegd over de werking van de FOSO en over de veiligheidsonderzoeken die het voorafgaande jaar door de FOSO zijn verricht, de veiligheidsaanbevelingen die werden gedaan en de herstelmaatregelen die werden genomen naar aanleiding van eerdere veiligheidsaanbevelingen.
De FOSO maakt dit jaarverslag op elektronische wijze beschikbaar voor het publiek.
Uiterlijk op 30 september van elk jaar dient de FOSO bij de minister bevoegd voor de maritieme mobiliteit, de Kamer van volksvertegenwoordigers en de parlementen van de Gewesten een jaarverslag in waarin verantwoording wordt afgelegd over de werking van de FOSO en over de veiligheidsonderzoeken die het voorafgaande jaar door de FOSO zijn verricht, de veiligheidsaanbevelingen die werden gedaan en de herstelmaatregelen die werden genomen naar aanleiding van eerdere veiligheidsaanbevelingen.
De FOSO maakt dit jaarverslag op elektronische wijze beschikbaar voor het publiek.
Art. 2.7.7.12. Rapport annuel
Au plus tard le 30 septembre de chaque année, l'OFEAN remet un rapport annuel au ministre compétent pour la mobilité maritime, à la Chambre des représentants et aux parlements des Régions dans lequel il rend compte de son fonctionnement et des enquêtes de sécurité qu'il a effectuées l'année précédente, des recommandations de sécurité qui ont été formulées et des mesures correctives qui ont été prises à la suite de recommandations de sécurité antérieures.
L'OFEAN met ce rapport annuel à la disposition du public par voie électronique.
Au plus tard le 30 septembre de chaque année, l'OFEAN remet un rapport annuel au ministre compétent pour la mobilité maritime, à la Chambre des représentants et aux parlements des Régions dans lequel il rend compte de son fonctionnement et des enquêtes de sécurité qu'il a effectuées l'année précédente, des recommandations de sécurité qui ont été formulées et des mesures correctives qui ont été prises à la suite de recommandations de sécurité antérieures.
L'OFEAN met ce rapport annuel à la disposition du public par voie électronique.
Art. 2.7.7.13. Meldingsplichten
§ 1. Het MIK, iedere overheid en ieder personeelslid van de overheid dat in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een scheepvaartongeval of incident, meldt dit onverwijld aan de FOSO en verstrekt aan de FOSO alle relevante informatie en, in voorkomend geval, een afschrift van de processen-verbaal en van alle andere relevante documenten.
In geval van een scheepvaartongeval of incident waarbij een Belgisch zeeschip betrokken is, meldt de kapitein, de eigenaar, de bevrachter, de beheerder of de exploitant van dit zeeschip dit dadelijk aan de FOSO en verstrekt hij aan de FOSO alle relevante informatie en, in voorkomend geval, een afschrift van de processen-verbaal en van alle andere relevante documenten.
§ 2. In geval van een scheepvaartongeval of incident waarbij een Belgisch zeeschip en andere zeeschepen betrokken zijn, meldt de FOSO dit onverwijld aan de vlagstaat van het andere bij het scheepvaartongeval betrokken zeeschip.
§ 3. Indien de FOSO een veiligheidsonderzoek verricht naar een scheepvaartongeval of incident meldt de FOSO dit onverwijld aan de bevoegde onderzoeksinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben.
§ 1. Het MIK, iedere overheid en ieder personeelslid van de overheid dat in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een scheepvaartongeval of incident, meldt dit onverwijld aan de FOSO en verstrekt aan de FOSO alle relevante informatie en, in voorkomend geval, een afschrift van de processen-verbaal en van alle andere relevante documenten.
In geval van een scheepvaartongeval of incident waarbij een Belgisch zeeschip betrokken is, meldt de kapitein, de eigenaar, de bevrachter, de beheerder of de exploitant van dit zeeschip dit dadelijk aan de FOSO en verstrekt hij aan de FOSO alle relevante informatie en, in voorkomend geval, een afschrift van de processen-verbaal en van alle andere relevante documenten.
§ 2. In geval van een scheepvaartongeval of incident waarbij een Belgisch zeeschip en andere zeeschepen betrokken zijn, meldt de FOSO dit onverwijld aan de vlagstaat van het andere bij het scheepvaartongeval betrokken zeeschip.
§ 3. Indien de FOSO een veiligheidsonderzoek verricht naar een scheepvaartongeval of incident meldt de FOSO dit onverwijld aan de bevoegde onderzoeksinstanties van Staten die een aanzienlijk belang hebben.
Art. 2.7.7.13. Obligations de déclaration
§ 1er. Le MIK, toute autorité et tout membre du personnel d'une autorité qui, dans l'exercice de ses fonctions, a connaissance d'un accident de navigation ou d'un incident, en informe immédiatement l'OFEAN et lui fournit toutes les informations pertinentes ainsi que, le cas échéant, une copie des procès-verbaux et de tous les autres documents pertinents.
Dans le cas d'un accident de navigation ou d'un incident impliquant un navire de mer belge, le capitaine, le propriétaire, l'affréteur, le gestionnaire ou l'exploitant de ce navire de mer le notifie immédiatement à l'OFEAN et lui fournit toutes les informations pertinentes ainsi que, le cas échéant, une copie des procès-verbaux et de tous les autres documents pertinents.
§ 2. Dans le cas d'un accident de navigation ou d'un incident impliquant un navire de mer belge et d'autres navires, l'OFEAN le notifie immédiatement à l'Etat du pavillon de l'autre navire de mer impliqué dans l'accident de navigation.
§ 3. Si l'OFEAN effectue une enquête de sécurité sur un accident de navigation ou un incident, il le notifie immédiatement aux organismes d'enquête compétents d'Etats ayant d'importants intérêts en jeu.
§ 1er. Le MIK, toute autorité et tout membre du personnel d'une autorité qui, dans l'exercice de ses fonctions, a connaissance d'un accident de navigation ou d'un incident, en informe immédiatement l'OFEAN et lui fournit toutes les informations pertinentes ainsi que, le cas échéant, une copie des procès-verbaux et de tous les autres documents pertinents.
Dans le cas d'un accident de navigation ou d'un incident impliquant un navire de mer belge, le capitaine, le propriétaire, l'affréteur, le gestionnaire ou l'exploitant de ce navire de mer le notifie immédiatement à l'OFEAN et lui fournit toutes les informations pertinentes ainsi que, le cas échéant, une copie des procès-verbaux et de tous les autres documents pertinents.
§ 2. Dans le cas d'un accident de navigation ou d'un incident impliquant un navire de mer belge et d'autres navires, l'OFEAN le notifie immédiatement à l'Etat du pavillon de l'autre navire de mer impliqué dans l'accident de navigation.
§ 3. Si l'OFEAN effectue une enquête de sécurité sur un accident de navigation ou un incident, il le notifie immédiatement aux organismes d'enquête compétents d'Etats ayant d'importants intérêts en jeu.
Art. 2.7.7.14. Samenwerking met andere bevoegde onderzoeksinstanties
§ 1. Indien de FOSO overeenkomstig artikel 2.7.7.9 de voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijke bevoegde onderzoeksinstantie is, kan de FOSO op verzoek van een bevoegde onderzoeksinstantie van een Staat die een aanzienlijk belang heeft toestaan dat één of meer vertegenwoordigers van deze bevoegde onderzoeksinstantie aan het veiligheidsonderzoek deelnemen. De FOSO kan een dergelijk verzoek richten tot de voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijke bevoegde onderzoeksinstanties, indien België een Staat is die een aanzienlijk belang heeft.
De vertegenwoordigers bedoeld in het eerste lid, kunnen zich door deskundigen laten bijstaan.
De vertegenwoordigers en deskundigen bedoeld in het eerste en tweede lid, hebben toegang tot de tijdens het veiligheidsonderzoek vergaarde gegevens en informatie, mits zij zich tot geheimhouding verplichten en zij in de Staten of landen die zij vertegenwoordigen, niet tot een ruimere openbaarheid van gegevens zijn gehouden dan die waarin deze titel voorziet. Zij verstrekken aan de FOSO alle relevante informatie die zij ter beschikking hebben.
§ 2. De FOSO mag deelnemen aan een veiligheidsonderzoek buiten België dat wordt ingesteld door een bevoegde onderzoeksinstantie.
§ 1. Indien de FOSO overeenkomstig artikel 2.7.7.9 de voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijke bevoegde onderzoeksinstantie is, kan de FOSO op verzoek van een bevoegde onderzoeksinstantie van een Staat die een aanzienlijk belang heeft toestaan dat één of meer vertegenwoordigers van deze bevoegde onderzoeksinstantie aan het veiligheidsonderzoek deelnemen. De FOSO kan een dergelijk verzoek richten tot de voor het veiligheidsonderzoek verantwoordelijke bevoegde onderzoeksinstanties, indien België een Staat is die een aanzienlijk belang heeft.
De vertegenwoordigers bedoeld in het eerste lid, kunnen zich door deskundigen laten bijstaan.
De vertegenwoordigers en deskundigen bedoeld in het eerste en tweede lid, hebben toegang tot de tijdens het veiligheidsonderzoek vergaarde gegevens en informatie, mits zij zich tot geheimhouding verplichten en zij in de Staten of landen die zij vertegenwoordigen, niet tot een ruimere openbaarheid van gegevens zijn gehouden dan die waarin deze titel voorziet. Zij verstrekken aan de FOSO alle relevante informatie die zij ter beschikking hebben.
§ 2. De FOSO mag deelnemen aan een veiligheidsonderzoek buiten België dat wordt ingesteld door een bevoegde onderzoeksinstantie.
Art. 2.7.7.14. Coopération avec d'autres organismes d'enquête
§ 1er. Si, conformément à l'article 2.7.7.9, l'OFEAN est l'organisme d'enquête compétent responsable de l'enquête de sécurité, l'OFEAN peut autoriser à la demande d'un organisme d'enquête d'un Etat ayant d'importants intérêts en jeu qu'un ou plusieurs représentants de l'organisme d'enquête compétent y participent. L'OFEAN peut adresser une requête pareille aux organismes d'enquête compétents responsables de l'enquête de sécurité, si la Belgique est un Etat ayant d'importants intérêts en jeu.
Les représentants visés à l'alinéa 1er peuvent se faire assister par des experts.
Les représentants et experts visés aux alinéas 1er et 2 ont accès aux données et informations recueillies lors de l'enquête de sécurité, à condition qu'ils s'engagent à être discrets et qu'ils ne soient pas tenus dans les Etats ou pays qu'ils représentent d'accorder une plus grande publicité aux données que celle prévue par le présent titre. Ils fournissent à l'OFEAN toutes les informations pertinentes qu'ils ont en leur possession.
§ 2. L'OFEAN peut participer à une enquête de sécurité effectuée en dehors de la Belgique par un organisme d'enquête compétent.
§ 1er. Si, conformément à l'article 2.7.7.9, l'OFEAN est l'organisme d'enquête compétent responsable de l'enquête de sécurité, l'OFEAN peut autoriser à la demande d'un organisme d'enquête d'un Etat ayant d'importants intérêts en jeu qu'un ou plusieurs représentants de l'organisme d'enquête compétent y participent. L'OFEAN peut adresser une requête pareille aux organismes d'enquête compétents responsables de l'enquête de sécurité, si la Belgique est un Etat ayant d'importants intérêts en jeu.
Les représentants visés à l'alinéa 1er peuvent se faire assister par des experts.
Les représentants et experts visés aux alinéas 1er et 2 ont accès aux données et informations recueillies lors de l'enquête de sécurité, à condition qu'ils s'engagent à être discrets et qu'ils ne soient pas tenus dans les Etats ou pays qu'ils représentent d'accorder une plus grande publicité aux données que celle prévue par le présent titre. Ils fournissent à l'OFEAN toutes les informations pertinentes qu'ils ont en leur possession.
§ 2. L'OFEAN peut participer à une enquête de sécurité effectuée en dehors de la Belgique par un organisme d'enquête compétent.
Art. 2.7.7.15. Beheer van betrokken zaken
De FOSO bepaalt, in voorkomend geval in overleg met [1 de onderzoeksrechter of in zaken waarbij geen onderzoeksrechter werd aangesteld, het bevoegde openbaar ministerie of de betrokken politiediensten]1, de nadere regels voor :
1° het al dan niet ter beschikking stellen en houden van de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken door de FOSO voor de duur van het veiligheidsonderzoek of voor een duur die zo lang of zo kort is als de FOSO bedoeld in artikel 2.7.7.6, § 2, nodig oordeelt;
2° het bewaren van de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken die door de FOSO voor het veiligheidsonderzoek werden meegenomen;
3° de teruggave van de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken die door de FOSO voor het veiligheidsonderzoek werden meegenomen;
4° het vernietigen van de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken die door de FOSO voor het veiligheidsonderzoek werden meegenomen om redenen van veiligheid of volksgezondheid;
5° het opnieuw ter beschikking krijgen van de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken voor bijkomend onderzoek door de FOSO.
Het is verboden de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken te contamineren, te beschadigen, te vernietigen, te verwijderen, zonder toestemming van de FOSO te verplaatsen of op enige wijze aan het veiligheidsonderzoek door de FOSO te onttrekken.
De FOSO bepaalt, in voorkomend geval in overleg met [1 de onderzoeksrechter of in zaken waarbij geen onderzoeksrechter werd aangesteld, het bevoegde openbaar ministerie of de betrokken politiediensten]1, de nadere regels voor :
1° het al dan niet ter beschikking stellen en houden van de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken door de FOSO voor de duur van het veiligheidsonderzoek of voor een duur die zo lang of zo kort is als de FOSO bedoeld in artikel 2.7.7.6, § 2, nodig oordeelt;
2° het bewaren van de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken die door de FOSO voor het veiligheidsonderzoek werden meegenomen;
3° de teruggave van de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken die door de FOSO voor het veiligheidsonderzoek werden meegenomen;
4° het vernietigen van de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken die door de FOSO voor het veiligheidsonderzoek werden meegenomen om redenen van veiligheid of volksgezondheid;
5° het opnieuw ter beschikking krijgen van de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken voor bijkomend onderzoek door de FOSO.
Het is verboden de bij het scheepvaartongeval of incident betrokken zaken te contamineren, te beschadigen, te vernietigen, te verwijderen, zonder toestemming van de FOSO te verplaatsen of op enige wijze aan het veiligheidsonderzoek door de FOSO te onttrekken.
Art. 2.7.7.15. Gestion des biens concernés
L'OFEAN fixe, le cas échéant en concertation avec [1 le juge d'instruction ou, dans les cas où aucun juge d'instruction n'a été désigné, le ministère public compétent ou les services de police concernés]1, les modalités pour :
1° la mise à disposition et la conservation, ou non, par l'OFEAN des biens concernés par l'accident de navigation ou l'incident pour la durée de l'enquête de sécurité ou aussi longtemps que l'OFEAN, visé à l'article 2.7.7.6, § 2, le juge nécessaire;
2° la conservation des biens concernés par l'accident de navigation ou l'incident qui ont été emportés par l'OFEAN en vue de l'enquête de sécurité;
3° la restitution des biens concernés par l'accident de navigation ou l'incident qui ont été emportés par l'OFEAN en vue de l'enquête de sécurité;
4° la destruction des biens concernés par l'accident de navigation ou l'incident qui ont été emportés par l'OFEAN en vue de l'enquête de sécurité pour des raisons de sécurité ou de santé publique;
5° la récupération des biens concernés par l'accident de navigation ou l'incident en vue d'une enquête complémentaire par l'OFEAN.
Il est interdit de contaminer, d'endommager, de détruire, d'enlever, de déplacer sans l'autorisation de l'OFEAN ou de soustraire de quelque manière que ce soit à l'enquête de sécurité menée par l'OFEAN, les biens concernés par l'accident de navigation ou l'incident.
L'OFEAN fixe, le cas échéant en concertation avec [1 le juge d'instruction ou, dans les cas où aucun juge d'instruction n'a été désigné, le ministère public compétent ou les services de police concernés]1, les modalités pour :
1° la mise à disposition et la conservation, ou non, par l'OFEAN des biens concernés par l'accident de navigation ou l'incident pour la durée de l'enquête de sécurité ou aussi longtemps que l'OFEAN, visé à l'article 2.7.7.6, § 2, le juge nécessaire;
2° la conservation des biens concernés par l'accident de navigation ou l'incident qui ont été emportés par l'OFEAN en vue de l'enquête de sécurité;
3° la restitution des biens concernés par l'accident de navigation ou l'incident qui ont été emportés par l'OFEAN en vue de l'enquête de sécurité;
4° la destruction des biens concernés par l'accident de navigation ou l'incident qui ont été emportés par l'OFEAN en vue de l'enquête de sécurité pour des raisons de sécurité ou de santé publique;
5° la récupération des biens concernés par l'accident de navigation ou l'incident en vue d'une enquête complémentaire par l'OFEAN.
Il est interdit de contaminer, d'endommager, de détruire, d'enlever, de déplacer sans l'autorisation de l'OFEAN ou de soustraire de quelque manière que ce soit à l'enquête de sécurité menée par l'OFEAN, les biens concernés par l'accident de navigation ou l'incident.
Wijzigingen
Art. 2.7.7.16. Legitimatiekaart
De Koning bepaalt de vorm en inhoud van de legitimatiekaart van de onderzoekers van de FOSO.
De Koning bepaalt de vorm en inhoud van de legitimatiekaart van de onderzoekers van de FOSO.
Art. 2.7.7.16. Carte de légitimation
Le Roi détermine la forme et le contenu de la carte de légitimation des enquêteurs de l'OFEAN.
Le Roi détermine la forme et le contenu de la carte de légitimation des enquêteurs de l'OFEAN.
Art. 2.7.7.17. Onderzoeksbevoegdheden
De onderzoekers van de FOSO en van een andere bevoegde onderzoeksinstantie, waaraan zij overeenkomstig artikel 2.7.7.9, § 3, de onderzoekstaak heeft gedelegeerd hebben, waar nodig in samenwerking met de voor het gerechtelijk onderzoek verantwoordelijke overheden, de hiernavolgende bevoegdheden om in bezit te worden gesteld van alle voor het verrichten van het veiligheidsonderzoek relevante informatie, en zijn gemachtigd tot :
1° de vrije toegang tot de plaats van het scheepvaartongeval of incident evenals tot de inrichtingen, lokalen, vertrekken, het zeeschip, de inhoud ervan en tot het wrak of andere constructie, met inbegrip van het woongedeelte van een zeeschip, lading, uitrusting en wrakstukken. Een woning, al dan niet aan boord van een zeeschip, wordt slechts betreden met toestemming van de bewoner of mits voorafgaande machtiging van de onderzoeksrechter;
2° het zich zo nodig op elk ogenblik van de dag of nacht toegang verschaffen tot de onder 1° bedoelde plaatsen met bijstand van de politiediensten onder de onder 1° bedoelde voorwaarden;
3° het zich doen vergezellen door personen die daartoe door hen zijn aangeduid;
4° het onmiddellijk verzamelen van aanwijzingen, wrakstukken en onderdelen voor onderzoeks- en analysedoeleinden;
5° het vorderen van inlichtingen;
6° het onmiddellijk opstellen van een inventaris van bewijsmateriaal en het overgaan tot een gecontroleerde opsporing en verwijdering van wrakgoed, wrakstukken en andere onderdelen of materialen ten behoeve van onderzoek of analyse;
7° het laten onderzoeken of analyseren van de onder 6° bedoelde voorwerpen en de vrije toegang tot de resultaten van dergelijke onderzoeken of analyses;
8° het vrij inzien, kopiëren en gebruiken van alle relevante informatie en geregistreerde gegevens, met inbegrip van de gegevens van de VDR, met betrekking tot een zeeschip, reis, lading, bemanning of andere persoon, voorwerp, toestand of omstandigheid;
9° de vrije toegang tot de resultaten van de onderzoeken op de lichamen van slachtoffers of van testen op monsters genomen van de lichamen van slachtoffers;
10° de vrije toegang tot de resultaten van onderzoeken van personen die bij de exploitatie van een zeeschip zijn betrokken of van andere relevante personen, en tot de resultaten van analyses van op deze personen genomen monsters;
11° het horen van getuigen in afwezigheid van personen die er belang bij zouden kunnen hebben het veiligheidsonderzoek te belemmeren;
12° de vrije toegang tot archiefgegevens en tot relevante informatie waarover federale overheden, de vlagstaat, de eigenaars, de erkende organisaties en andere betrokken partijen beschikken, voor zover deze partijen of hun vertegenwoordigers in België zijn gevestigd;
13° het beroep doen op ondersteuning door de betrokken federale overheden, waaronder de scheepvaartcontroleurs en het MIK.
De onderzoekers van de FOSO en van een andere bevoegde onderzoeksinstantie, waaraan zij overeenkomstig artikel 2.7.7.9, § 3, de onderzoekstaak heeft gedelegeerd hebben, waar nodig in samenwerking met de voor het gerechtelijk onderzoek verantwoordelijke overheden, de hiernavolgende bevoegdheden om in bezit te worden gesteld van alle voor het verrichten van het veiligheidsonderzoek relevante informatie, en zijn gemachtigd tot :
1° de vrije toegang tot de plaats van het scheepvaartongeval of incident evenals tot de inrichtingen, lokalen, vertrekken, het zeeschip, de inhoud ervan en tot het wrak of andere constructie, met inbegrip van het woongedeelte van een zeeschip, lading, uitrusting en wrakstukken. Een woning, al dan niet aan boord van een zeeschip, wordt slechts betreden met toestemming van de bewoner of mits voorafgaande machtiging van de onderzoeksrechter;
2° het zich zo nodig op elk ogenblik van de dag of nacht toegang verschaffen tot de onder 1° bedoelde plaatsen met bijstand van de politiediensten onder de onder 1° bedoelde voorwaarden;
3° het zich doen vergezellen door personen die daartoe door hen zijn aangeduid;
4° het onmiddellijk verzamelen van aanwijzingen, wrakstukken en onderdelen voor onderzoeks- en analysedoeleinden;
5° het vorderen van inlichtingen;
6° het onmiddellijk opstellen van een inventaris van bewijsmateriaal en het overgaan tot een gecontroleerde opsporing en verwijdering van wrakgoed, wrakstukken en andere onderdelen of materialen ten behoeve van onderzoek of analyse;
7° het laten onderzoeken of analyseren van de onder 6° bedoelde voorwerpen en de vrije toegang tot de resultaten van dergelijke onderzoeken of analyses;
8° het vrij inzien, kopiëren en gebruiken van alle relevante informatie en geregistreerde gegevens, met inbegrip van de gegevens van de VDR, met betrekking tot een zeeschip, reis, lading, bemanning of andere persoon, voorwerp, toestand of omstandigheid;
9° de vrije toegang tot de resultaten van de onderzoeken op de lichamen van slachtoffers of van testen op monsters genomen van de lichamen van slachtoffers;
10° de vrije toegang tot de resultaten van onderzoeken van personen die bij de exploitatie van een zeeschip zijn betrokken of van andere relevante personen, en tot de resultaten van analyses van op deze personen genomen monsters;
11° het horen van getuigen in afwezigheid van personen die er belang bij zouden kunnen hebben het veiligheidsonderzoek te belemmeren;
12° de vrije toegang tot archiefgegevens en tot relevante informatie waarover federale overheden, de vlagstaat, de eigenaars, de erkende organisaties en andere betrokken partijen beschikken, voor zover deze partijen of hun vertegenwoordigers in België zijn gevestigd;
13° het beroep doen op ondersteuning door de betrokken federale overheden, waaronder de scheepvaartcontroleurs en het MIK.
Art. 2.7.7.17. Compétences d'enquête
Les enquêteurs de l'OFEAN ou d'un autre organisme d'enquête compétent, auquel l'OFEAN a délégué la conduite de l'enquête de sécurité conformément à l'article 2.7.7.9, § 3, exercent, le cas échéant en collaboration avec les autorités responsables chargées des enquêtes judiciaires les compétences suivantes pour recevoir toutes les informations pertinentes nécessaires à la conduite de l'enquête de sécurité et sont habilités à :
1° accéder librement au lieu de l'accident de navigation ou de l'incident ainsi qu'aux établissements, aux locaux, aux pièces, au navire de mer, à son contenu et à l'épave ou autre construction compris la partie habitable d'un navire de mer, la cargaison, les équipements et les débris. L'entrée dans une habitation, à bord ou non d'un navire de mer, n'a lieu qu'avec le consentement de l'occupant ou moyennant l'autorisation préalable du juge d'instruction;
2° pénétrer, le cas échéant, à toute heure du jour ou de la nuit dans les lieux visés au 1° avec l'assistance des services de police aux conditions visées au 1° ;
3° se faire accompagner par des personnes qu'ils ont désignées à cet effet;
4° effectuer un relevé immédiat des indices, des débris ou d'éléments aux fins d'examen ou d'analyse;
5° exiger des renseignements;
6° assurer immédiatement l'établissement de la liste des preuves et assurer la recherche et l'enlèvement contrôlés des épaves, débris ou autres éléments et matières aux fins d'examen ou d'analyse;
7° demander l'examen ou l'analyse des éléments visés au 6° et avoir libre accès aux résultats de ces examens ou analyses;
8° consulter librement, copier et utiliser toutes les informations et données enregistrées présentant de l'intérêt, y compris les informations recueillies par le VDR, se rapportant à un navire de mer, à un voyage, à une cargaison, à un équipage ou à tout autre personne, objet, situation ou circonstance;
9° accéder librement aux résultats de l'examen des corps des victimes ou aux résultats des analyses des prélèvements effectués sur ces corps;
10° accéder librement aux résultats de l'examen des personnes intervenant dans l'exploitation d'un navire de mer ou de toute autre personne concernée, et à ceux des analyses faites à partir des prélèvements effectués sur ces personnes;
11° auditionner les témoins en l'absence de toute personne qui pourrait être considérée comme ayant intérêt à entraver l'enquête de sécurité;
12° accéder librement aux registres des visites et les informations utiles détenues par état fédéral, l'Etat du pavillon, les propriétaires, les organismes agréés ou toute autre partie concernée, quand ces parties ou leurs représentants sont établis en Belgique;
13° demander l'aide des autorités concernées de l'état fédéral, notamment les contrôleurs de la navigation et du MIK.
Les enquêteurs de l'OFEAN ou d'un autre organisme d'enquête compétent, auquel l'OFEAN a délégué la conduite de l'enquête de sécurité conformément à l'article 2.7.7.9, § 3, exercent, le cas échéant en collaboration avec les autorités responsables chargées des enquêtes judiciaires les compétences suivantes pour recevoir toutes les informations pertinentes nécessaires à la conduite de l'enquête de sécurité et sont habilités à :
1° accéder librement au lieu de l'accident de navigation ou de l'incident ainsi qu'aux établissements, aux locaux, aux pièces, au navire de mer, à son contenu et à l'épave ou autre construction compris la partie habitable d'un navire de mer, la cargaison, les équipements et les débris. L'entrée dans une habitation, à bord ou non d'un navire de mer, n'a lieu qu'avec le consentement de l'occupant ou moyennant l'autorisation préalable du juge d'instruction;
2° pénétrer, le cas échéant, à toute heure du jour ou de la nuit dans les lieux visés au 1° avec l'assistance des services de police aux conditions visées au 1° ;
3° se faire accompagner par des personnes qu'ils ont désignées à cet effet;
4° effectuer un relevé immédiat des indices, des débris ou d'éléments aux fins d'examen ou d'analyse;
5° exiger des renseignements;
6° assurer immédiatement l'établissement de la liste des preuves et assurer la recherche et l'enlèvement contrôlés des épaves, débris ou autres éléments et matières aux fins d'examen ou d'analyse;
7° demander l'examen ou l'analyse des éléments visés au 6° et avoir libre accès aux résultats de ces examens ou analyses;
8° consulter librement, copier et utiliser toutes les informations et données enregistrées présentant de l'intérêt, y compris les informations recueillies par le VDR, se rapportant à un navire de mer, à un voyage, à une cargaison, à un équipage ou à tout autre personne, objet, situation ou circonstance;
9° accéder librement aux résultats de l'examen des corps des victimes ou aux résultats des analyses des prélèvements effectués sur ces corps;
10° accéder librement aux résultats de l'examen des personnes intervenant dans l'exploitation d'un navire de mer ou de toute autre personne concernée, et à ceux des analyses faites à partir des prélèvements effectués sur ces personnes;
11° auditionner les témoins en l'absence de toute personne qui pourrait être considérée comme ayant intérêt à entraver l'enquête de sécurité;
12° accéder librement aux registres des visites et les informations utiles détenues par état fédéral, l'Etat du pavillon, les propriétaires, les organismes agréés ou toute autre partie concernée, quand ces parties ou leurs représentants sont établis en Belgique;
13° demander l'aide des autorités concernées de l'état fédéral, notamment les contrôleurs de la navigation et du MIK.
Art. 2.7.7.18. Medewerkingsplichten
§ 1. Eenieder is verplicht aan een onderzoeker, binnen de door hem gestelde redelijke termijn, alle medewerking te verlenen die deze bij de uitoefening van zijn bevoegdheden redelijkerwijs kan vorderen.
Indien de informatieverstrekker hierom verzoekt wordt de informatie niet openbaar gemaakt.
§ 2. De onderzoekers en de externe deskundigen nemen de nodige maatregelen om de anonimiteit van de getuigen van een scheepvaartongeval te waarborgen indien de getuigen hierom verzoeken.
§ 1. Eenieder is verplicht aan een onderzoeker, binnen de door hem gestelde redelijke termijn, alle medewerking te verlenen die deze bij de uitoefening van zijn bevoegdheden redelijkerwijs kan vorderen.
Indien de informatieverstrekker hierom verzoekt wordt de informatie niet openbaar gemaakt.
§ 2. De onderzoekers en de externe deskundigen nemen de nodige maatregelen om de anonimiteit van de getuigen van een scheepvaartongeval te waarborgen indien de getuigen hierom verzoeken.
Art. 2.7.7.18. Obligations de collaboration
§ 1er. Chacun est tenu de fournir à un enquêteur, dans le délai raisonnable que celui-ci a fixé, toute collaboration que ce dernier peut raisonnablement exiger lors de l'exercice de ses compétences.
Si la personne qui communique des informations en fait la demande, celles-ci ne sont pas rendues publiques.
§ 2. Les enquêteurs et les experts externes prennent les mesures nécessaires pour garantir l'anonymat des témoins d'un accident de navigation si ceux-ci en font la demande.
§ 1er. Chacun est tenu de fournir à un enquêteur, dans le délai raisonnable que celui-ci a fixé, toute collaboration que ce dernier peut raisonnablement exiger lors de l'exercice de ses compétences.
Si la personne qui communique des informations en fait la demande, celles-ci ne sont pas rendues publiques.
§ 2. Les enquêteurs et les experts externes prennent les mesures nécessaires pour garantir l'anonymat des témoins d'un accident de navigation si ceux-ci en font la demande.
Art. 2.7.7.19. Vertrouwelijkheid
§ 1. Onverminderd de bepalingen van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van de richtlijn 95/46/EG, en van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, zorgt de FOSO ervoor dat de volgende gegevens niet voor andere doeleinden dan het veiligheidsonderzoek beschikbaar worden gesteld, tenzij de FOSO beslist dat met de openbaarmaking een hoger openbaar belang is gediend :
1° alle getuigenissen en andere verklaringen, verslagen en notities die door de FOSO in het kader van het veiligheidsonderzoek worden opgetekend of ontvangen;
2° documenten die de identiteit onthullen van personen die in het kader van het veiligheidsonderzoek zijn gehoord;
3° informatie betreffende bij het scheepvaartongeval of incident betrokken personen die bijzonder gevoelig of privé van aard is, onder meer informatie over hun gezondheid.
§ 2. De ontwerprapporten bedoeld in artikel 2.7.7.23 en de informatie verzameld ten behoeve van de veiligheidsonderzoeken door de FOSO zijn niet openbaar.
[1 § 3. De gegevens zoals bedoeld in artikel 2.7.7.10, § 2 en § 3 worden verzameld, verwerkt en bewaard om FOSO in staat te stellen de onderzoeken uit te voeren zoals bedoeld in artikel 2.7.7.10, § 3 en de gegevens bedoeld in artikel 2.7.7.10, § 4 te bezorgen met het oog op de publicatie ervan in een mondiaal register.
De gegevens bedoeld in artikel 2.7.7.10, §§ 2 en 3 worden niet langer bewaard dan de periode die strikt noodzakelijk is om de doeleinden vermeld in het eerste lid te verwezenlijken, zonder dat de periode langer mag zijn dan 10 jaar.
De gegevens zijn enkel beschikbaar voor FOSO, het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, de Algemene Directie Toezicht op het welzijn op het werk en de Directie van de juridische studiën en de geschillen van de Algemene Directie Arbeidsrecht en juridische studiën van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en IAO.
De verwerkingsverantwoordelijke is het Directoraat-Generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
De Koning kan de nadere regels van de gegevensverwerking bepalen.]1
§ 1. Onverminderd de bepalingen van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van de richtlijn 95/46/EG, en van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, zorgt de FOSO ervoor dat de volgende gegevens niet voor andere doeleinden dan het veiligheidsonderzoek beschikbaar worden gesteld, tenzij de FOSO beslist dat met de openbaarmaking een hoger openbaar belang is gediend :
1° alle getuigenissen en andere verklaringen, verslagen en notities die door de FOSO in het kader van het veiligheidsonderzoek worden opgetekend of ontvangen;
2° documenten die de identiteit onthullen van personen die in het kader van het veiligheidsonderzoek zijn gehoord;
3° informatie betreffende bij het scheepvaartongeval of incident betrokken personen die bijzonder gevoelig of privé van aard is, onder meer informatie over hun gezondheid.
§ 2. De ontwerprapporten bedoeld in artikel 2.7.7.23 en de informatie verzameld ten behoeve van de veiligheidsonderzoeken door de FOSO zijn niet openbaar.
[1 § 3. De gegevens zoals bedoeld in artikel 2.7.7.10, § 2 en § 3 worden verzameld, verwerkt en bewaard om FOSO in staat te stellen de onderzoeken uit te voeren zoals bedoeld in artikel 2.7.7.10, § 3 en de gegevens bedoeld in artikel 2.7.7.10, § 4 te bezorgen met het oog op de publicatie ervan in een mondiaal register.
De gegevens bedoeld in artikel 2.7.7.10, §§ 2 en 3 worden niet langer bewaard dan de periode die strikt noodzakelijk is om de doeleinden vermeld in het eerste lid te verwezenlijken, zonder dat de periode langer mag zijn dan 10 jaar.
De gegevens zijn enkel beschikbaar voor FOSO, het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, de Algemene Directie Toezicht op het welzijn op het werk en de Directie van de juridische studiën en de geschillen van de Algemene Directie Arbeidsrecht en juridische studiën van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en IAO.
De verwerkingsverantwoordelijke is het Directoraat-Generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
De Koning kan de nadere regels van de gegevensverwerking bepalen.]1
Art. 2.7.7.19. Confidentialité
§ 1er. Sans préjudice des dispositions du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE, et de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, l'OFEAN s'assure que les informations ci-dessous ne sont pas divulguées à des fins autres que l'enquête de sécurité, à moins que l'OFEAN ne décide qu'un intérêt public supérieur en justifie la divulgation :
1° toutes les dépositions des témoins et autres déclarations, comptes rendus et notes enregistrés ou reçus par l'OFEAN au cours de l'enquête de sécurité;
2° documents révélant l'identité des personnes ayant témoigné dans le cadre de l'enquête de sécurité;
3° les informations relatives aux personnes impliquées dans l'accident de navigation ou l'incident qui sont particulièrement sensibles et d'ordre privé, notamment les informations concernant leur santé.
§ 2. Les projets de rapport visés à l'article 2.7.7.23 et les renseignements recueillis par l'OFEAN en vue des enquêtes de sécurité ne sont pas publics.
[1 § 3. Les données visées à l'article 2.7.7.7.10, §§ 2 et 3 sont collectées, traitées et conservées en vue de permettre à l'OFEAN de réaliser les enquêtes visées à l'article 2.7.7.10, § 3 et de fournir au Directeur général du Bureau international du travail les données visées à l'article 2.7.7.10, § 4 en vue de leur publication dans un registre mondial.
Les données visées à l'article 2.7.7.10, §§ 2 et 3 ne sont pas conservées plus longtemps que la durée strictement nécessaire à la réalisation des finalités telles que précisées à l'alinéa premier, sans que le délai n'excède 10 ans.
Les données sont uniquement disponibles pour l'OFEAN, la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports, la Direction générale Contrôle du bien-être au travail et la direction des études juridiques et du contentieux de la direction générale Droit du travail et études juridiques du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale et l'OIT.
Le responsable du traitement est la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports.
Le Roi peut déterminer les autres modalités du traitement de données.]1
§ 1er. Sans préjudice des dispositions du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE, et de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, l'OFEAN s'assure que les informations ci-dessous ne sont pas divulguées à des fins autres que l'enquête de sécurité, à moins que l'OFEAN ne décide qu'un intérêt public supérieur en justifie la divulgation :
1° toutes les dépositions des témoins et autres déclarations, comptes rendus et notes enregistrés ou reçus par l'OFEAN au cours de l'enquête de sécurité;
2° documents révélant l'identité des personnes ayant témoigné dans le cadre de l'enquête de sécurité;
3° les informations relatives aux personnes impliquées dans l'accident de navigation ou l'incident qui sont particulièrement sensibles et d'ordre privé, notamment les informations concernant leur santé.
§ 2. Les projets de rapport visés à l'article 2.7.7.23 et les renseignements recueillis par l'OFEAN en vue des enquêtes de sécurité ne sont pas publics.
[1 § 3. Les données visées à l'article 2.7.7.7.10, §§ 2 et 3 sont collectées, traitées et conservées en vue de permettre à l'OFEAN de réaliser les enquêtes visées à l'article 2.7.7.10, § 3 et de fournir au Directeur général du Bureau international du travail les données visées à l'article 2.7.7.10, § 4 en vue de leur publication dans un registre mondial.
Les données visées à l'article 2.7.7.10, §§ 2 et 3 ne sont pas conservées plus longtemps que la durée strictement nécessaire à la réalisation des finalités telles que précisées à l'alinéa premier, sans que le délai n'excède 10 ans.
Les données sont uniquement disponibles pour l'OFEAN, la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports, la Direction générale Contrôle du bien-être au travail et la direction des études juridiques et du contentieux de la direction générale Droit du travail et études juridiques du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale et l'OIT.
Le responsable du traitement est la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports.
Le Roi peut déterminer les autres modalités du traitement de données.]1
Wijzigingen
Art. 2.7.7.20. Vernietiging of verdwijning van informatie
Het is verboden om na een scheepvaartongeval of incident desbetreffende informatie te vernietigen of te laten verdwijnen.
Het is verboden om na een scheepvaartongeval of incident desbetreffende informatie te vernietigen of te laten verdwijnen.
Art. 2.7.7.20. Destruction ou disparition d'information
Il est interdit, après un accident de navigation ou un incident, de détruire ou de faire disparaître des informations y relatives.
Il est interdit, après un accident de navigation ou un incident, de détruire ou de faire disparaître des informations y relatives.
Art. 2.7.7.21. Verslaggeving
§ 1. Over een veiligheidsonderzoek dat uit hoofde van deze titel wordt verricht, wordt in de door de FOSO bepaalde vorm en overeenkomstig de door de Koning bepaalde inhoud een verslag bekendgemaakt, dat via een website toegankelijk is voor het publiek.
De FOSO kan over een veiligheidsonderzoek dat geen betrekking heeft op een zeer ernstig dan wel ernstig scheepvaartongeval waarvan de bevindingen niet kunnen leiden tot het voorkomen van toekomstige scheepvaartongevallen of incidenten, besluiten om een vereenvoudigd verslag bekend te maken, dat via een website toegankelijk is voor het publiek.
§ 2. De FOSO doet al het mogelijke om de in paragraaf 1 bedoelde verslagen, met inbegrip van de conclusies ervan en eventuele veiligheidsaanbevelingen, binnen twaalf maanden vanaf de dag van het scheepvaartongeval of incident voor het publiek beschikbaar te maken, en met name voor de scheepvaartsector. Indien het niet mogelijk is het verslag bedoeld in paragraaf 1 binnen die termijn beschikbaar te maken, wordt binnen twaalf maanden na de dag van het scheepvaartongeval een tussentijds verslag opgesteld, dat via een website toegankelijk is voor het publiek.
§ 3. De FOSO zendt aan de Europese Commissie, aan de minister bevoegd voor de maritieme mobiliteit en aan de betrokken partijen een afschrift toe van het verslag, het vereenvoudigde verslag of het tussentijdse verslag, bedoeld in de paragrafen 1 en 2. Ter verbetering van de kwaliteit van de in paragraaf 1 bedoelde verslagen op de wijze die het meest geschikt is ten einde de in artikel 2.7.7.4 bedoelde doelstellingen te verwezenlijken, houdt de FOSO, ongeacht de bevindingen ten gronde, rekening met de desgevallend door de Commissie bij deze verslagen gemaakte technische opmerkingen.
§ 1. Over een veiligheidsonderzoek dat uit hoofde van deze titel wordt verricht, wordt in de door de FOSO bepaalde vorm en overeenkomstig de door de Koning bepaalde inhoud een verslag bekendgemaakt, dat via een website toegankelijk is voor het publiek.
De FOSO kan over een veiligheidsonderzoek dat geen betrekking heeft op een zeer ernstig dan wel ernstig scheepvaartongeval waarvan de bevindingen niet kunnen leiden tot het voorkomen van toekomstige scheepvaartongevallen of incidenten, besluiten om een vereenvoudigd verslag bekend te maken, dat via een website toegankelijk is voor het publiek.
§ 2. De FOSO doet al het mogelijke om de in paragraaf 1 bedoelde verslagen, met inbegrip van de conclusies ervan en eventuele veiligheidsaanbevelingen, binnen twaalf maanden vanaf de dag van het scheepvaartongeval of incident voor het publiek beschikbaar te maken, en met name voor de scheepvaartsector. Indien het niet mogelijk is het verslag bedoeld in paragraaf 1 binnen die termijn beschikbaar te maken, wordt binnen twaalf maanden na de dag van het scheepvaartongeval een tussentijds verslag opgesteld, dat via een website toegankelijk is voor het publiek.
§ 3. De FOSO zendt aan de Europese Commissie, aan de minister bevoegd voor de maritieme mobiliteit en aan de betrokken partijen een afschrift toe van het verslag, het vereenvoudigde verslag of het tussentijdse verslag, bedoeld in de paragrafen 1 en 2. Ter verbetering van de kwaliteit van de in paragraaf 1 bedoelde verslagen op de wijze die het meest geschikt is ten einde de in artikel 2.7.7.4 bedoelde doelstellingen te verwezenlijken, houdt de FOSO, ongeacht de bevindingen ten gronde, rekening met de desgevallend door de Commissie bij deze verslagen gemaakte technische opmerkingen.
Art. 2.7.7.21. Rapportage
§ 1er. Les enquêtes de sécurité effectuées en vertu du présent titre donnent lieu à la publication d'un rapport, accessible au public via un site web, présenté selon un modèle défini par l'OFEAN et conformément au contenu défini par le Roi.
L'OFEAN peut décider qu'une enquête de sécurité qui ne concerne pas un accident de navigation très grave ou grave, selon le cas, et dont les conclusions ne sont pas susceptibles de conduire à la prévention d'accidents de navigation et d'incidents futurs donne lieu à la publication d'un rapport simplifié, accessible au public via un site internet.
§ 2. L'OFEAN met tout en oeuvre pour présenter au public, et plus particulièrement au secteur de la navigation, les rapports visé au paragraphe 1er, y compris ses conclusions et toute recommandation de sécurité éventuelle, dans les douze mois suivant le jour de l'accident de navigation ou de l'incident. S'il est impossible de présenter le rapport visé au paragraphe 1er dans ce délai, un rapport intermédiaire, accessible au public via un site web, est établi dans les douze mois qui suivent la date de l'accident de navigation.
§ 3. L'OFEAN envoie une copie du rapport, du rapport simplifié ou du rapport intermédiaire, visés aux paragraphes 1er et 2, à la Commission européenne, au ministre compétent pour la mobilité maritime et aux parties concernées. L'OFEAN tient compte des remarques techniques que la Commission européenne pourrait formuler sur les rapports, visés au paragraphe 1er, en n'affectant pas la substance des conclusions, afin d'améliorer la qualité de ces rapports de la manière la mieux à même d'atteindre les objectifs visés à l'article 2.7.7.4.
§ 1er. Les enquêtes de sécurité effectuées en vertu du présent titre donnent lieu à la publication d'un rapport, accessible au public via un site web, présenté selon un modèle défini par l'OFEAN et conformément au contenu défini par le Roi.
L'OFEAN peut décider qu'une enquête de sécurité qui ne concerne pas un accident de navigation très grave ou grave, selon le cas, et dont les conclusions ne sont pas susceptibles de conduire à la prévention d'accidents de navigation et d'incidents futurs donne lieu à la publication d'un rapport simplifié, accessible au public via un site internet.
§ 2. L'OFEAN met tout en oeuvre pour présenter au public, et plus particulièrement au secteur de la navigation, les rapports visé au paragraphe 1er, y compris ses conclusions et toute recommandation de sécurité éventuelle, dans les douze mois suivant le jour de l'accident de navigation ou de l'incident. S'il est impossible de présenter le rapport visé au paragraphe 1er dans ce délai, un rapport intermédiaire, accessible au public via un site web, est établi dans les douze mois qui suivent la date de l'accident de navigation.
§ 3. L'OFEAN envoie une copie du rapport, du rapport simplifié ou du rapport intermédiaire, visés aux paragraphes 1er et 2, à la Commission européenne, au ministre compétent pour la mobilité maritime et aux parties concernées. L'OFEAN tient compte des remarques techniques que la Commission européenne pourrait formuler sur les rapports, visés au paragraphe 1er, en n'affectant pas la substance des conclusions, afin d'améliorer la qualité de ces rapports de la manière la mieux à même d'atteindre les objectifs visés à l'article 2.7.7.4.
Art. 2.7.7.22. Bewijs in andere rechtsprocedures
De verslagen van de FOSO en de veiligheidsaanbevelingen kunnen niet als bewijs worden gebruikt in een strafrechtelijke, tuchtrechtelijke of civielrechtelijke procedure.
Een onderzoeker en een externe deskundige mogen niet als getuige of deskundige worden opgeroepen in een gerechtelijke procedure betreffende een scheepvaartongeval of incident bij het veiligheidsonderzoek waarvan de onderzoeker van de FOSO respectievelijk de externe deskundige betrokken zijn of geweest zijn.
De verslagen van de FOSO en de veiligheidsaanbevelingen kunnen niet als bewijs worden gebruikt in een strafrechtelijke, tuchtrechtelijke of civielrechtelijke procedure.
Een onderzoeker en een externe deskundige mogen niet als getuige of deskundige worden opgeroepen in een gerechtelijke procedure betreffende een scheepvaartongeval of incident bij het veiligheidsonderzoek waarvan de onderzoeker van de FOSO respectievelijk de externe deskundige betrokken zijn of geweest zijn.
Art. 2.7.7.22. Preuve dans d'autres procédures de droit
Les rapports de l'OFEAN 'et les recommandations de sécurité ne peuvent pas être utilisées comme preuve dans le cadre d'une procédure pénale, disciplinaire ou civile.
Un enquêteur et un expert externe ne peuvent pas être convoqués comme témoin ou expert dans le cadre d'une procédure judiciaire relative à un accident de navigation ou un incident si respectivement l'enquêteur de l'OFEAN ou l'expert externe sont associés ou ont été associé à l'enquête de sécurité.
Les rapports de l'OFEAN 'et les recommandations de sécurité ne peuvent pas être utilisées comme preuve dans le cadre d'une procédure pénale, disciplinaire ou civile.
Un enquêteur et un expert externe ne peuvent pas être convoqués comme témoin ou expert dans le cadre d'une procédure judiciaire relative à un accident de navigation ou un incident si respectivement l'enquêteur de l'OFEAN ou l'expert externe sont associés ou ont été associé à l'enquête de sécurité.
Art. 2.7.7.23. Veiligheidsaanbevelingen
§ 1. De FOSO doet, wanneer zulks noodzakelijk is, veiligheidsaanbevelingen op basis van een abstracte analyse van gegevens en de algemene resultaten van uitgevoerde veiligheidsonderzoeken.
Met de veiligheidsaanbevelingen van de FOSO wordt op passende wijze rekening gehouden door degenen aan wie zij gericht deze laatsten geven er, waar nodig, een passend gevolg aan overeenkomstig het Belgisch recht, het recht van de Europese Unie en het internationaal recht.
§ 2. In een veiligheidsaanbeveling wordt onder geen beding de aansprakelijkheid voor een scheepvaartongeval of incident bepaald of de schuldvraag beantwoord.
§ 1. De FOSO doet, wanneer zulks noodzakelijk is, veiligheidsaanbevelingen op basis van een abstracte analyse van gegevens en de algemene resultaten van uitgevoerde veiligheidsonderzoeken.
Met de veiligheidsaanbevelingen van de FOSO wordt op passende wijze rekening gehouden door degenen aan wie zij gericht deze laatsten geven er, waar nodig, een passend gevolg aan overeenkomstig het Belgisch recht, het recht van de Europese Unie en het internationaal recht.
§ 2. In een veiligheidsaanbeveling wordt onder geen beding de aansprakelijkheid voor een scheepvaartongeval of incident bepaald of de schuldvraag beantwoord.
Art. 2.7.7.23. Recommandations de sécurité
§ 1er. S'il y a lieu, l'OFEAN formule des recommandations de sécurité en se fondant sur une analyse succincte des informations et sur les résultats globaux de toutes les enquêtes de sécurité menées.
Les recommandations de sécurité formulées par l'OFEAN sont dûment prises en considération par leurs destinataires qui, le cas échéant; ces derniers assurent un suivi adéquat conformément au droit belge en vigueur, au droit de l'Union européenne et au droit international.
§ 2. En aucun cas, une recommandation de sécurité ne détermine la responsabilité ou n'impute la faute d'un accident de navigation ou d'un incident.
§ 1er. S'il y a lieu, l'OFEAN formule des recommandations de sécurité en se fondant sur une analyse succincte des informations et sur les résultats globaux de toutes les enquêtes de sécurité menées.
Les recommandations de sécurité formulées par l'OFEAN sont dûment prises en considération par leurs destinataires qui, le cas échéant; ces derniers assurent un suivi adéquat conformément au droit belge en vigueur, au droit de l'Union européenne et au droit international.
§ 2. En aucun cas, une recommandation de sécurité ne détermine la responsabilité ou n'impute la faute d'un accident de navigation ou d'un incident.
Art. 2.7.7.24. Informatieverstrekking aan de Europese Commissie
§ 1. Onverminderd haar recht om een vroegtijdige waarschuwing te geven, brengt de FOSO, ongeacht de fase van het veiligheidsonderzoek, de Europese Commissie onverwijld op de hoogte van de noodzaak om een vroegtijdige waarschuwing te geven wanneer zij van mening is dat er op het niveau van de Europese Unie dringende maatregelen moeten worden genomen ten einde het risico van nieuwe scheepvaartongevallen te voorkomen.
§ 2. De FOSO brengt de Europese Commissie op de hoogte van scheepvaartongevallen en incidenten in de door de Koning beschreven vorm. De FOSO verstrekt de Europese Commissie tevens gegevens die het veiligheidsonderzoek oplevert overeenkomstig de regeling van de EMCIP-databank.
§ 1. Onverminderd haar recht om een vroegtijdige waarschuwing te geven, brengt de FOSO, ongeacht de fase van het veiligheidsonderzoek, de Europese Commissie onverwijld op de hoogte van de noodzaak om een vroegtijdige waarschuwing te geven wanneer zij van mening is dat er op het niveau van de Europese Unie dringende maatregelen moeten worden genomen ten einde het risico van nieuwe scheepvaartongevallen te voorkomen.
§ 2. De FOSO brengt de Europese Commissie op de hoogte van scheepvaartongevallen en incidenten in de door de Koning beschreven vorm. De FOSO verstrekt de Europese Commissie tevens gegevens die het veiligheidsonderzoek oplevert overeenkomstig de regeling van de EMCIP-databank.
Art. 2.7.7.24. Information de la Commission européenne
§ 1er. Sans préjudice de son droit de lancer une alerte précoce, l'OFEAN, s'il estime que des mesures urgentes doivent être prises au niveau de l'Union européenne pour prévenir d'autres accidents de navigation, informe sans tarder la Commission européenne, à n'importe quel stade de l'enquête de sécurité, de la nécessité de lancer une alerte précoce.
§ 2. L'OFEAN notifie à la Commission européenne les accidents de navigation et incidents en respectant le modèle défini par le Roi. L'OFEAN communique en outre à la Commission européenne les données recueillies dans le cadre des enquêtes de sécurité conformément au schéma de la base de données EMCIP.
§ 1er. Sans préjudice de son droit de lancer une alerte précoce, l'OFEAN, s'il estime que des mesures urgentes doivent être prises au niveau de l'Union européenne pour prévenir d'autres accidents de navigation, informe sans tarder la Commission européenne, à n'importe quel stade de l'enquête de sécurité, de la nécessité de lancer une alerte précoce.
§ 2. L'OFEAN notifie à la Commission européenne les accidents de navigation et incidents en respectant le modèle défini par le Roi. L'OFEAN communique en outre à la Commission européenne les données recueillies dans le cadre des enquêtes de sécurité conformément au schéma de la base de données EMCIP.
Art. 2.7.7.25. Billijke behandeling van zeelieden
Overeenkomstig de toepasselijke wetgeving wordt in het geval van een scheepvaartongeval of incident rekening gehouden met de relevante bepalingen van de IMO-Richtsnoeren betreffende de billijke behandeling van zeelieden bij ongevallen op zee.
Overeenkomstig de toepasselijke wetgeving wordt in het geval van een scheepvaartongeval of incident rekening gehouden met de relevante bepalingen van de IMO-Richtsnoeren betreffende de billijke behandeling van zeelieden bij ongevallen op zee.
Art. 2.7.7.25. Traitement équitable des marins
Conformément à la législation en vigueur, il est tenu compte, en cas d'accident de navigation ou d'incident, des dispositions pertinentes des Directives de l'OMI sur le traitement équitable des marins en cas d'accident de mer.
Conformément à la législation en vigueur, il est tenu compte, en cas d'accident de navigation ou d'incident, des dispositions pertinentes des Directives de l'OMI sur le traitement équitable des marins en cas d'accident de mer.
HOOFDSTUK 8. [1 - Ongevallen]1
CHAPITRE 8. [1 - Accidents]1
Art. 2.7.8.1. [1 Meldingsplicht
§ 1. Onverminderd artikel 43 van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum en artikelen 4, 5 en 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 oktober 2007 betreffende het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum, dient de gezagvoerder, de scheepseigenaar of de exploitant van een schip dat betrokken is bij een scheepvaartongeval in de Belgische maritieme zones dit onverwijld te melden aan het Maritiem Informatiekruispunt. Met de exploitant wordt in dit artikel bedoeld de eigenaar van het schip of elke andere organisatie of persoon, zoals de manager of rompbevrachter, die namens de eigenaar de verantwoordelijkheid heeft aanvaard voor de exploitatie van het schip en die bij de aanvaarding van die verantwoordelijkheid de verplichting op zich heeft genomen zich te kwijten van alle bijbehorende taken en verantwoordelijkheden die worden opgelegd door de ISM-Code.
§ 2. De gezagvoerder, de scheepseigenaar en de exploitant zijn verplicht alle in verband met het ongeval gevraagde gegevens terstond te verstrekken en desgevraagd onmiddellijk alle informatie te verschaffen over de maatregelen die door het schip in verband met het ongeval reeds zijn genomen.]1
§ 1. Onverminderd artikel 43 van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum en artikelen 4, 5 en 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 oktober 2007 betreffende het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum, dient de gezagvoerder, de scheepseigenaar of de exploitant van een schip dat betrokken is bij een scheepvaartongeval in de Belgische maritieme zones dit onverwijld te melden aan het Maritiem Informatiekruispunt. Met de exploitant wordt in dit artikel bedoeld de eigenaar van het schip of elke andere organisatie of persoon, zoals de manager of rompbevrachter, die namens de eigenaar de verantwoordelijkheid heeft aanvaard voor de exploitatie van het schip en die bij de aanvaarding van die verantwoordelijkheid de verplichting op zich heeft genomen zich te kwijten van alle bijbehorende taken en verantwoordelijkheden die worden opgelegd door de ISM-Code.
§ 2. De gezagvoerder, de scheepseigenaar en de exploitant zijn verplicht alle in verband met het ongeval gevraagde gegevens terstond te verstrekken en desgevraagd onmiddellijk alle informatie te verschaffen over de maatregelen die door het schip in verband met het ongeval reeds zijn genomen.]1
Art. 2.7.8.1. [1 Obligation de notification
§ 1er. Sans préjudice de l'article 43 du décret du 16 juin 2006 relatif au guidage de la navigation sur les voies d'accès maritimes et à l'organisation du centre de coordination et de sauvetage maritime et les articles 4, 5 et 6 de l'arrêté du gouvernement flamand du 26 octobre 2007 relatif au centre de coordination et de sauvetage maritime, le commandant, le propriétaire ou l'exploitant d'un navire impliqué dans un accident maritime dans les zones maritimes belges doit le signaler sans délai au carrefour d'information maritime. Au présent article, l'on entend par exploitant le propriétaire du navire ou toute autre organisation ou personne, comme le gérant ou l'affréteur coque nue, qui a accepté au nom du propriétaire la responsabilité de l'exploitation du navire et qui par l'acceptation de cette responsabilité s'est engagé à s'acquitter de toutes les tâches et responsabilités connexes imposées par le Code ISM.
§ 2. Le commandant, le propriétaire du navire et l'exploitant sont tenus de fournir sur le champ toutes les informations relatives à l'accident et, sur demande, toutes les informations relatives aux mesures qui ont déjà été prises par le navire en rapport avec l'accident.]1
§ 1er. Sans préjudice de l'article 43 du décret du 16 juin 2006 relatif au guidage de la navigation sur les voies d'accès maritimes et à l'organisation du centre de coordination et de sauvetage maritime et les articles 4, 5 et 6 de l'arrêté du gouvernement flamand du 26 octobre 2007 relatif au centre de coordination et de sauvetage maritime, le commandant, le propriétaire ou l'exploitant d'un navire impliqué dans un accident maritime dans les zones maritimes belges doit le signaler sans délai au carrefour d'information maritime. Au présent article, l'on entend par exploitant le propriétaire du navire ou toute autre organisation ou personne, comme le gérant ou l'affréteur coque nue, qui a accepté au nom du propriétaire la responsabilité de l'exploitation du navire et qui par l'acceptation de cette responsabilité s'est engagé à s'acquitter de toutes les tâches et responsabilités connexes imposées par le Code ISM.
§ 2. Le commandant, le propriétaire du navire et l'exploitant sont tenus de fournir sur le champ toutes les informations relatives à l'accident et, sur demande, toutes les informations relatives aux mesures qui ont déjà été prises par le navire en rapport avec l'accident.]1
Art. 2.7.8.2. [1 Preventieve maatregelen
§ 1. De gezagvoerder, de scheepseigenaar of de exploitant treft elke redelijke preventieve maatregel of inperkingsmaatregel om schade of verontreiniging aan het marien milieu te voorkomen.
Met preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen worden de maatregelen bedoeld in artikel 3, 29° en 30°, van de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden.
§ 2. Indien de bevoegde overheid oordeelt dat de door de gezagvoerder, de scheepseigenaar of de exploitant genomen maatregelen de verontreiniging of het risico op verontreiniging niet voorkomen, in onvoldoende mate beperken of niet ongedaan maken, kan de bevoegde overheid aan de gezagvoerder, de scheepseigenaar of de exploitant, of aan diegene die hulp verlenen aan het desbetreffende schip, instructies geven tot het nemen van preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen tot het voorkomen, beperken of ongedaan maken van de verontreiniging of het risico op verontreiniging veroorzaakt door het ongeval.
De aan de gezagvoerder, scheepseigenaar of exploitant te geven instructies kunnen betrekking hebben op:
1° de aanwezigheid op een bepaalde plaats of in een bepaald gebied van het schip en de zaken die zich aan boord daarvan bevinden;
2° het verplaatsen van het schip en de zaken die zich aan boord daarvan bevinden;
3° het verlenen van hulp aan het schip.
§ 3. De instructies aan diegenen die hulp verlenen aan het schip kunnen geen verbod tot het uitvoeren van de overeengekomen hulpverlening of het voortzetten van de reeds aangevangen hulpverlening inhouden.]1
§ 1. De gezagvoerder, de scheepseigenaar of de exploitant treft elke redelijke preventieve maatregel of inperkingsmaatregel om schade of verontreiniging aan het marien milieu te voorkomen.
Met preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen worden de maatregelen bedoeld in artikel 3, 29° en 30°, van de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden.
§ 2. Indien de bevoegde overheid oordeelt dat de door de gezagvoerder, de scheepseigenaar of de exploitant genomen maatregelen de verontreiniging of het risico op verontreiniging niet voorkomen, in onvoldoende mate beperken of niet ongedaan maken, kan de bevoegde overheid aan de gezagvoerder, de scheepseigenaar of de exploitant, of aan diegene die hulp verlenen aan het desbetreffende schip, instructies geven tot het nemen van preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen tot het voorkomen, beperken of ongedaan maken van de verontreiniging of het risico op verontreiniging veroorzaakt door het ongeval.
De aan de gezagvoerder, scheepseigenaar of exploitant te geven instructies kunnen betrekking hebben op:
1° de aanwezigheid op een bepaalde plaats of in een bepaald gebied van het schip en de zaken die zich aan boord daarvan bevinden;
2° het verplaatsen van het schip en de zaken die zich aan boord daarvan bevinden;
3° het verlenen van hulp aan het schip.
§ 3. De instructies aan diegenen die hulp verlenen aan het schip kunnen geen verbod tot het uitvoeren van de overeengekomen hulpverlening of het voortzetten van de reeds aangevangen hulpverlening inhouden.]1
Art. 2.7.8.2. [1 Mesures préventives
§ 1er. Le commandant, le propriétaire de navire ou l'exploitant prend toute mesure préventive ou mesure de confinement raisonnable afin de prévenir un dommage ou une pollution du milieu marin.
Par mesures de prévention ou mesures de confinement, on entend les mesures visées à l'article 3, 29° et 30°, de la loi du 11 décembre 2022 pour la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement de l'espace marin dans les zones marines belges.
§ 2. Si l'autorité compétente est d'avis que les mesures prises par le commandant, le propriétaire de navire ou l'exploitant n'évitent pas, ne réduisent que de façon insuffisante ou n'arrêtent pas la pollution ou le risque de pollution, elle peut donner des instructions au commandant, au propriétaire de navire ou à l'exploitant, ou à ceux qui prêtent assistance au navire concerné, en vue de la prise de mesures de prévention ou de mesures de confinement, afin de prévenir, de réduire ou d'arrêter la pollution ou le risque de pollution causé par l'accident.
Les instructions données au commandant, au propriétaire de navire ou à l'exploitant peuvent avoir trait:
1° à la présence du navire et des biens qui sont à son bord à un endroit déterminé ou dans une zone déterminée;
2° au déplacement du navire et des biens qui se trouvent à son bord;
3° à la prestation d'assistance au navire.
§ 3. Les instructions à ceux qui prêtent assistance au navire ne peuvent impliquer l'interdiction de la mise en oeuvre de l'assistance convenue ou de la continuation de l'assistance entamée.]1
§ 1er. Le commandant, le propriétaire de navire ou l'exploitant prend toute mesure préventive ou mesure de confinement raisonnable afin de prévenir un dommage ou une pollution du milieu marin.
Par mesures de prévention ou mesures de confinement, on entend les mesures visées à l'article 3, 29° et 30°, de la loi du 11 décembre 2022 pour la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement de l'espace marin dans les zones marines belges.
§ 2. Si l'autorité compétente est d'avis que les mesures prises par le commandant, le propriétaire de navire ou l'exploitant n'évitent pas, ne réduisent que de façon insuffisante ou n'arrêtent pas la pollution ou le risque de pollution, elle peut donner des instructions au commandant, au propriétaire de navire ou à l'exploitant, ou à ceux qui prêtent assistance au navire concerné, en vue de la prise de mesures de prévention ou de mesures de confinement, afin de prévenir, de réduire ou d'arrêter la pollution ou le risque de pollution causé par l'accident.
Les instructions données au commandant, au propriétaire de navire ou à l'exploitant peuvent avoir trait:
1° à la présence du navire et des biens qui sont à son bord à un endroit déterminé ou dans une zone déterminée;
2° au déplacement du navire et des biens qui se trouvent à son bord;
3° à la prestation d'assistance au navire.
§ 3. Les instructions à ceux qui prêtent assistance au navire ne peuvent impliquer l'interdiction de la mise en oeuvre de l'assistance convenue ou de la continuation de l'assistance entamée.]1
Art. 2.7.8.3. [1 Ambtshalve maatregelen
§ 1. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 33 tot en met 39 van de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijk planning in de Belgische zeegebieden, kan de bevoegde overheid, indien de instructies in uitvoering van artikel 2.7.8.2 niet tot gevolg hebben dat verontreiniging door het ongeval kan worden voorkomen, in voldoende mate worden beperkt of ongedaan worden gemaakt, of indien de gevolgen voor het marien milieu dermate groot zijn, ambtshalve alle nodige preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen, nemen tot het voorkomen, beperken of ongedaan maken van de schadelijke gevolgen van het ongeval.
Deze maatregelen kunnen onder meer inhouden:
1° het verrichten van onderzoek naar de toestand aan boord van het schip en de aard en toestand van de zaken die zich aan boord bevinden;
2° het brengen van het schip naar een haven, indien daardoor de schadelijke gevolgen beter kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt.
§ 2. De maatregelen moeten evenredig zijn met de schadelijke of mogelijke schadelijke gevolgen van het scheepvaartongeval en mogen niet verder gaan dan redelijkerwijs noodzakelijk om die schadelijke gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.
§ 3. De scheepseigenaar en de exploitant dragen de kosten voor de overeenkomstig deze afdeling genomen preventieve maatregelen en inperkingsmaatregelen. De scheepseigenaar en de exploitant zijn in solidum gehouden deze verplichtingen na te komen, en de bevoegde overheid kan elk van hen aanspreken ten einde volledige genoegdoening te bekomen, onverminderd het recht van verhaal waarover de aangesprokene desgevallend beschikt.]1
§ 1. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 33 tot en met 39 van de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijk planning in de Belgische zeegebieden, kan de bevoegde overheid, indien de instructies in uitvoering van artikel 2.7.8.2 niet tot gevolg hebben dat verontreiniging door het ongeval kan worden voorkomen, in voldoende mate worden beperkt of ongedaan worden gemaakt, of indien de gevolgen voor het marien milieu dermate groot zijn, ambtshalve alle nodige preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen, nemen tot het voorkomen, beperken of ongedaan maken van de schadelijke gevolgen van het ongeval.
Deze maatregelen kunnen onder meer inhouden:
1° het verrichten van onderzoek naar de toestand aan boord van het schip en de aard en toestand van de zaken die zich aan boord bevinden;
2° het brengen van het schip naar een haven, indien daardoor de schadelijke gevolgen beter kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt.
§ 2. De maatregelen moeten evenredig zijn met de schadelijke of mogelijke schadelijke gevolgen van het scheepvaartongeval en mogen niet verder gaan dan redelijkerwijs noodzakelijk om die schadelijke gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.
§ 3. De scheepseigenaar en de exploitant dragen de kosten voor de overeenkomstig deze afdeling genomen preventieve maatregelen en inperkingsmaatregelen. De scheepseigenaar en de exploitant zijn in solidum gehouden deze verplichtingen na te komen, en de bevoegde overheid kan elk van hen aanspreken ten einde volledige genoegdoening te bekomen, onverminderd het recht van verhaal waarover de aangesprokene desgevallend beschikt.]1
Art. 2.7.8.3. [1 Mesures d'office
§ 1er. Sans préjudice des dispositions des articles 33 à 39 de la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins dans les espaces marins belges, si les instructions données en exécution de l'article 2.7.8.2 ne réussissent pas à prévenir, à réduire à un degré suffisant ou à arrêter la pollution causée par l'accident, ou si les conséquences sont tellement importantes pour le milieu marin, l'autorité compétente peut prendre d'office toute mesure de prévention ou de confinement nécessaire afin de prévenir, de réduire ou d'arrêter les conséquences dommageables de l'accident.
Ces mesures peuvent entre autres inclure:
1° de faire une enquête sur la situation à bord du navire et sur la nature et l'état des biens qui se trouvent à son bord;
2° de ramener le navire dans un port, si par cette mesure les conséquences dommageables peuvent être mieux prévenues, réduites ou arrêtées.
§ 2. Les mesures doivent être proportionnelles aux conséquences dommageables ou potentiellement dommageables de l'accident de navigation et ne peuvent excéder ce qui est raisonnablement nécessaire pour éviter, réduire ou arrêter ces conséquences dommageables.
§ 3. Le propriétaire de navire et l'exploitant supportent les coûts des mesures de prévention et de confinement prises conformément à la présente section. Le propriétaire de navire et l'exploitant sont tenus in solidum de respecter ces obligations, et l'autorité compétente peut s'adresser à chacune de ces personnes afin d'être intégralement indemnisée, sans préjudice du droit de recours dont dispose, le cas échéant, la personne adressée.]1
§ 1er. Sans préjudice des dispositions des articles 33 à 39 de la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins dans les espaces marins belges, si les instructions données en exécution de l'article 2.7.8.2 ne réussissent pas à prévenir, à réduire à un degré suffisant ou à arrêter la pollution causée par l'accident, ou si les conséquences sont tellement importantes pour le milieu marin, l'autorité compétente peut prendre d'office toute mesure de prévention ou de confinement nécessaire afin de prévenir, de réduire ou d'arrêter les conséquences dommageables de l'accident.
Ces mesures peuvent entre autres inclure:
1° de faire une enquête sur la situation à bord du navire et sur la nature et l'état des biens qui se trouvent à son bord;
2° de ramener le navire dans un port, si par cette mesure les conséquences dommageables peuvent être mieux prévenues, réduites ou arrêtées.
§ 2. Les mesures doivent être proportionnelles aux conséquences dommageables ou potentiellement dommageables de l'accident de navigation et ne peuvent excéder ce qui est raisonnablement nécessaire pour éviter, réduire ou arrêter ces conséquences dommageables.
§ 3. Le propriétaire de navire et l'exploitant supportent les coûts des mesures de prévention et de confinement prises conformément à la présente section. Le propriétaire de navire et l'exploitant sont tenus in solidum de respecter ces obligations, et l'autorité compétente peut s'adresser à chacune de ces personnes afin d'être intégralement indemnisée, sans préjudice du droit de recours dont dispose, le cas échéant, la personne adressée.]1
Art. 2.7.8.4. [1 Financiële zekerheid
§ 1. De bevoegde overheid kan eisen dat de gezagvoerder, de scheepseigenaar of de exploitant, betrokken bij een scheepvaartongeval met dreigende of ingetreden verontreiniging of schade, een financiële zekerheid moet stellen. Deze zekerheid kan gesteld worden op de volgende wijze:
1° het storten van een geldsom die geconsigneerd wordt bij de Deposito- en Consignatiekas overeenkomstig de bepalingen van de wet van 11 juli 2018 op de Deposito- en Consignatiekas;
2° een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank;
3° een getekende garantie verleend door een lid van de "International Group of Protection and Indemnity Clubs" en die aanvaard wordt door de bevoegde overheid.
§ 2. Bij weigering tot het stellen van een financiële zekerheid kan de bevoegde overheid overgaan tot het vasthouden van het schip.
§ 3. Indien het schip is gezonken of zich niet in een Belgische haven bevindt, kan de bevoegde overheid de borgsom of bankgarantie afdwingen door bewarend beslag te leggen op een ander schip van dezelfde scheepseigenaar of exploitant, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek.]1
§ 1. De bevoegde overheid kan eisen dat de gezagvoerder, de scheepseigenaar of de exploitant, betrokken bij een scheepvaartongeval met dreigende of ingetreden verontreiniging of schade, een financiële zekerheid moet stellen. Deze zekerheid kan gesteld worden op de volgende wijze:
1° het storten van een geldsom die geconsigneerd wordt bij de Deposito- en Consignatiekas overeenkomstig de bepalingen van de wet van 11 juli 2018 op de Deposito- en Consignatiekas;
2° een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank;
3° een getekende garantie verleend door een lid van de "International Group of Protection and Indemnity Clubs" en die aanvaard wordt door de bevoegde overheid.
§ 2. Bij weigering tot het stellen van een financiële zekerheid kan de bevoegde overheid overgaan tot het vasthouden van het schip.
§ 3. Indien het schip is gezonken of zich niet in een Belgische haven bevindt, kan de bevoegde overheid de borgsom of bankgarantie afdwingen door bewarend beslag te leggen op een ander schip van dezelfde scheepseigenaar of exploitant, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek.]1
Art. 2.7.8.4. [1 Garantie financière
§ 1er. L'autorité compétente peut exiger que le commandant, le propriétaire de navire ou l'exploitant impliqué dans un accident de navigation avec une pollution ou un dommage imminent ou effectif doive constituer une garantie financière. Cette garantie peut être assurée de la manière suivante:
1° le versement d'une somme consignée auprès de la Caisse des Dépôts et Consignations conformément aux dispositions de la loi du 11 juillet 2018 sur la Caisse des Dépôts et Consignations;
2° une garantie bancaire accordée par une banque établie en Belgique;
3° une garantie signée accordée par un membre du "International Group of Protection and Indemnity Clubs" et acceptée par l'autorité compétente.
§ 2. En cas de refus de constitution d'une garantie financière, l'autorité compétente peut procéder à la rétention du navire.
§ 3. Si le navire a coulé ou ne se trouve pas dans un port belge, l'autorité compétente peut faire valoir la caution ou la garantie bancaire en opérant une saisie conservatoire sur un autre navire du même propriétaire de navire ou exploitant, conformément aux dispositions de ce code.]1
§ 1er. L'autorité compétente peut exiger que le commandant, le propriétaire de navire ou l'exploitant impliqué dans un accident de navigation avec une pollution ou un dommage imminent ou effectif doive constituer une garantie financière. Cette garantie peut être assurée de la manière suivante:
1° le versement d'une somme consignée auprès de la Caisse des Dépôts et Consignations conformément aux dispositions de la loi du 11 juillet 2018 sur la Caisse des Dépôts et Consignations;
2° une garantie bancaire accordée par une banque établie en Belgique;
3° une garantie signée accordée par un membre du "International Group of Protection and Indemnity Clubs" et acceptée par l'autorité compétente.
§ 2. En cas de refus de constitution d'une garantie financière, l'autorité compétente peut procéder à la rétention du navire.
§ 3. Si le navire a coulé ou ne se trouve pas dans un port belge, l'autorité compétente peut faire valoir la caution ou la garantie bancaire en opérant une saisie conservatoire sur un autre navire du même propriétaire de navire ou exploitant, conformément aux dispositions de ce code.]1
BOEK 3. - BINNENVAART
LIVRE 3. - NAVIGATION INTERIEURE
Titel 1. - Algemene Bepalingen
TITRE 1er. . - DISPOSITIONS GENERALES
Art. 3.1.1.1. Toepassingsgebied
De bepalingen van dit deel zijn van toepassing op binnenschepen en op het vervoer met binnenschepen.
De bepalingen van dit deel zijn van toepassing op binnenschepen en op het vervoer met binnenschepen.
Art. 3.1.1.1. Champs d'application
Les dispositions de la présente partie sont applicables aux bateaux de navigation intérieure et au transport par bateau de navigation intérieure.
Les dispositions de la présente partie sont applicables aux bateaux de navigation intérieure et au transport par bateau de navigation intérieure.
Art. 3.1.1.2. Beheer
In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° "scheepseigenaar" : de persoon of de personen die eigenaar zijn van het schip;
2° "exploitant" : degene die als eigenaar, vruchtgebruiker rompbevrachter of huurkoper het economisch zeggenschap heeft over het binnenschip;
3° [1 Economisch zeggenschap: het zelf of voor eigen rekening gebruiken of exploiteren van het binnenschip, waarbij diegene op wie het economisch zeggenschap rust, instaat voor de risico's verband houdende met het gebruik of de exploitatie van het binnenschip; het economisch zeggenschap omvat niet mede het recht tot overdracht van de eigendom van het binnenschip noch tot het vestigen van enig zakelijk recht op het binnenschip.
De verklaring, uitgereikt op grond van het Toepassingsreglement van het bepaalde in het derde lid van artikel 2 van de Herziene Rijnvaartakte en van het eerste en het derde lid van het op 17 oktober 1979 ondertekende Protocol van Ondertekening bij Aanvullend Protocol nr. 2 bij de Herziene Rijnvaartakte, geldt als bewijs van de hoedanigheid van exploitant van het binnenschip waarvoor dit certificaat werd afgeleverd.
Bij gebreke aan dergelijke verklaring, wordt de onderneming vermeld op de vlootverklaring bedoeld in artikel 3.3.2.5, § 1, 1° of 2°, tot bewijs van het tegendeel geacht de exploitant van het binnenschip te zijn;]1
4° "scheepsmede-eigendom" : de eigendom van een schip dat onverdeeld toebehoort aan verscheidene personen die elk één of meer scheepsaandelen bezitten;
5° "scheepsmede-eigenaar" : elke eigenaar van een schip in scheepsmede-eigendom;
6° "scheepsaandeel" : elk kleinste deel van de scheepsmede-eigendom dat een scheepsmede-eigenaar toebehoort.
In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° "scheepseigenaar" : de persoon of de personen die eigenaar zijn van het schip;
2° "exploitant" : degene die als eigenaar, vruchtgebruiker rompbevrachter of huurkoper het economisch zeggenschap heeft over het binnenschip;
3° [1 Economisch zeggenschap: het zelf of voor eigen rekening gebruiken of exploiteren van het binnenschip, waarbij diegene op wie het economisch zeggenschap rust, instaat voor de risico's verband houdende met het gebruik of de exploitatie van het binnenschip; het economisch zeggenschap omvat niet mede het recht tot overdracht van de eigendom van het binnenschip noch tot het vestigen van enig zakelijk recht op het binnenschip.
De verklaring, uitgereikt op grond van het Toepassingsreglement van het bepaalde in het derde lid van artikel 2 van de Herziene Rijnvaartakte en van het eerste en het derde lid van het op 17 oktober 1979 ondertekende Protocol van Ondertekening bij Aanvullend Protocol nr. 2 bij de Herziene Rijnvaartakte, geldt als bewijs van de hoedanigheid van exploitant van het binnenschip waarvoor dit certificaat werd afgeleverd.
Bij gebreke aan dergelijke verklaring, wordt de onderneming vermeld op de vlootverklaring bedoeld in artikel 3.3.2.5, § 1, 1° of 2°, tot bewijs van het tegendeel geacht de exploitant van het binnenschip te zijn;]1
4° "scheepsmede-eigendom" : de eigendom van een schip dat onverdeeld toebehoort aan verscheidene personen die elk één of meer scheepsaandelen bezitten;
5° "scheepsmede-eigenaar" : elke eigenaar van een schip in scheepsmede-eigendom;
6° "scheepsaandeel" : elk kleinste deel van de scheepsmede-eigendom dat een scheepsmede-eigenaar toebehoort.
Art. 3.1.1.2. Gestion
Dans le présent livre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférentes, l'on entend par :
1° " propriétaire de navire " : la personne ou les personnes qui sont propriétaires du navire;
2° " exploitant " :celui qui en tant que propriétaire, usufruitier affréteur coque nue ou acquéreur en location-vente a le pouvoir économique sur le bateau de navigation intérieure;
3° [1 "pouvoir économique": l'utilisation ou l'exploitation par soi-même ou pour son propre compte du bateau de navigation intérieure, où celui qui a le pouvoir économique couvre les risques liés à l'utilisation ou l'exploitation du bateau de navigation intérieure; le pouvoir économique ne comporte pas le droit de transfert de propriété d'un bateau de navigation intérieure, ni l'établissement d'un quelconque droit réel sur le bateau de navigation intérieure.
Le document délivré en vertu du Règlement d'application des dispositions du troisième alinéa de l'article 2 de la Convention révisée pour la navigation du Rhin et des chiffres 1 et 3 du protocole de signature du protocole additionnel n° 2, à ladite Convention révisée pour la navigation du Rhin, signé le 17 octobre 1979, fait foi de la qualité d'exploitant du bateau de navigation intérieure pour lequel il a été délivré.
En l'absence d'un tel document, l'entreprise mentionnée sur l'attestation d'appartenance à la flotte visée à l'article 3.3.2.5, § 1er, 1° ou 2°, est réputée être l'exploitant du bateau de navigation intérieure jusqu'à preuve du contraire;]1
4° " copropriété quirataire " : la propriété d'un navire qui appartient de façon indivise à diverses personnes qui possèdent chacune une ou plusieurs quirats;
5° " copropriétaire quirataire " : tout propriétaire d'un navire en copropriété quirataire;
6° " quirat " : la plus petite part d'une copropriété quirataire appartenant à un copropriétaire quirataire.
Dans le présent livre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférentes, l'on entend par :
1° " propriétaire de navire " : la personne ou les personnes qui sont propriétaires du navire;
2° " exploitant " :celui qui en tant que propriétaire, usufruitier affréteur coque nue ou acquéreur en location-vente a le pouvoir économique sur le bateau de navigation intérieure;
3° [1 "pouvoir économique": l'utilisation ou l'exploitation par soi-même ou pour son propre compte du bateau de navigation intérieure, où celui qui a le pouvoir économique couvre les risques liés à l'utilisation ou l'exploitation du bateau de navigation intérieure; le pouvoir économique ne comporte pas le droit de transfert de propriété d'un bateau de navigation intérieure, ni l'établissement d'un quelconque droit réel sur le bateau de navigation intérieure.
Le document délivré en vertu du Règlement d'application des dispositions du troisième alinéa de l'article 2 de la Convention révisée pour la navigation du Rhin et des chiffres 1 et 3 du protocole de signature du protocole additionnel n° 2, à ladite Convention révisée pour la navigation du Rhin, signé le 17 octobre 1979, fait foi de la qualité d'exploitant du bateau de navigation intérieure pour lequel il a été délivré.
En l'absence d'un tel document, l'entreprise mentionnée sur l'attestation d'appartenance à la flotte visée à l'article 3.3.2.5, § 1er, 1° ou 2°, est réputée être l'exploitant du bateau de navigation intérieure jusqu'à preuve du contraire;]1
4° " copropriété quirataire " : la propriété d'un navire qui appartient de façon indivise à diverses personnes qui possèdent chacune une ou plusieurs quirats;
5° " copropriétaire quirataire " : tout propriétaire d'un navire en copropriété quirataire;
6° " quirat " : la plus petite part d'une copropriété quirataire appartenant à un copropriétaire quirataire.
Wijzigingen
Art. 3.1.1.3. Opvarenden
In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° "schipper" : het bemanningslid dat gekwalificeerd is om een binnenschip te besturen en om aan boord de algemene verantwoordelijkheid te dragen;
2° "bemanningslid" : elke persoon die met het oog op de bediening van een binnenschip werkzaamheden aan boord uitvoert of daartoe is voorzien;
3° "bemanning" : alle bemanningsleden;
4° "boordpersoneel" : alle werkzame personen aan boord van een passagiersschip die niet tot de bemanning behoren;
5° "verstekeling" : elke persoon die zich zonder toelating van de schipper aan boord van een binnenschip bevindt;
6° "passagier" : elke persoon die zich aan boord van een binnenschip bevindt zonder deel uit te maken van de bemanning of het boordpersoneel noch verstekeling te zijn;
7° "opvarende" : elk bemanningslid, elk lid van het boordpersoneel, elke passagier en elke verstekeling.
§ 2. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit :
1° bepalingen van dit wetboek of zijn uitvoeringsbesluiten voor aangeduide schippers, bemanningsleden, boordpersoneel, verstekelingen, passagiers of opvarenden buiten toepassing verklaren;
2° de begrippen schippers, bemanningsleden, boordpersoneel, verstekelingen, passagiers of opvarenden nader of, waar noodzakelijk met het oog op de toepassing van aangeduide bepalingen, afwijkend omschrijven.
In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° "schipper" : het bemanningslid dat gekwalificeerd is om een binnenschip te besturen en om aan boord de algemene verantwoordelijkheid te dragen;
2° "bemanningslid" : elke persoon die met het oog op de bediening van een binnenschip werkzaamheden aan boord uitvoert of daartoe is voorzien;
3° "bemanning" : alle bemanningsleden;
4° "boordpersoneel" : alle werkzame personen aan boord van een passagiersschip die niet tot de bemanning behoren;
5° "verstekeling" : elke persoon die zich zonder toelating van de schipper aan boord van een binnenschip bevindt;
6° "passagier" : elke persoon die zich aan boord van een binnenschip bevindt zonder deel uit te maken van de bemanning of het boordpersoneel noch verstekeling te zijn;
7° "opvarende" : elk bemanningslid, elk lid van het boordpersoneel, elke passagier en elke verstekeling.
§ 2. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit :
1° bepalingen van dit wetboek of zijn uitvoeringsbesluiten voor aangeduide schippers, bemanningsleden, boordpersoneel, verstekelingen, passagiers of opvarenden buiten toepassing verklaren;
2° de begrippen schippers, bemanningsleden, boordpersoneel, verstekelingen, passagiers of opvarenden nader of, waar noodzakelijk met het oog op de toepassing van aangeduide bepalingen, afwijkend omschrijven.
Art. 3.1.1.3. Personnes embarquées
Dans le présent livre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférentes, l'on entend par :
1° " batelier " : le membre d'équipage qui est qualifié pour conduire un bateau de navigation intérieure et pour prendre la responsabilité générale à bord;
2° " membre d'équipage " : toute personne qui en vue de l'exploitation d'un bateau de navigation intérieure effectue des activités à bord ou qui est prévu à cet effet;
3° " équipage " : l'ensemble des membres d'équipage;
4° " personnel de bord " : toutes les personnes travaillant à bord d'un bateau à passagers qui ne font pas partie de l'équipage;
5° " passager clandestin " : toute personne qui se trouve sans autorisation du batelier à bord d'un bateau de navigation intérieure;
6° " passager " : toute personne qui se trouve à bord d'un bateau de navigation intérieure, qui ne fait pas partie de l'équipage ou du personnel de bord et sans être passager clandestin;
7° " personne embarquée " : tout membre d'équipage, tout membre de personnel de bord, tout passager et tout passager clandestin.
§ 2. Le Roi peut par arrêté délibéré en Conseil des Ministres :
1° déclarer inapplicables les dispositions du présent code ou de ses arrêtés d'exécution pour des bateliers, membres d'équipage, personnel de bord, passagers clandestins, passagers ou personnes embarquées;
2° définir de manière plus précise ou, le cas échéant en vue de l'application des dispositions indiquées, de manière dérogatoire les notions de batelier, membre d'équipage, personnel de bord, passager clandestin, passager ou personne embarquée.
Dans le présent livre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférentes, l'on entend par :
1° " batelier " : le membre d'équipage qui est qualifié pour conduire un bateau de navigation intérieure et pour prendre la responsabilité générale à bord;
2° " membre d'équipage " : toute personne qui en vue de l'exploitation d'un bateau de navigation intérieure effectue des activités à bord ou qui est prévu à cet effet;
3° " équipage " : l'ensemble des membres d'équipage;
4° " personnel de bord " : toutes les personnes travaillant à bord d'un bateau à passagers qui ne font pas partie de l'équipage;
5° " passager clandestin " : toute personne qui se trouve sans autorisation du batelier à bord d'un bateau de navigation intérieure;
6° " passager " : toute personne qui se trouve à bord d'un bateau de navigation intérieure, qui ne fait pas partie de l'équipage ou du personnel de bord et sans être passager clandestin;
7° " personne embarquée " : tout membre d'équipage, tout membre de personnel de bord, tout passager et tout passager clandestin.
§ 2. Le Roi peut par arrêté délibéré en Conseil des Ministres :
1° déclarer inapplicables les dispositions du présent code ou de ses arrêtés d'exécution pour des bateliers, membres d'équipage, personnel de bord, passagers clandestins, passagers ou personnes embarquées;
2° définir de manière plus précise ou, le cas échéant en vue de l'application des dispositions indiquées, de manière dérogatoire les notions de batelier, membre d'équipage, personnel de bord, passager clandestin, passager ou personne embarquée.
Art. 3.1.1.4. Bevrachtingen
In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° "bevrachtingsovereenkomst" : een overeenkomst, waarbij tegen vergoeding de ene partij, de vervrachter genaamd, al dan niet met overdracht van het economisch zeggenschap, het binnenschip of een bestanddeel daarvan aan een andere partij, de bevrachter genaamd, ter beschikking stelt;
2° "rompbevrachtingsovereenkomst" : de bevrachtingsovereenkomst waarbij de vervrachter met overdracht van het economisch zeggenschap het binnenschip ter beschikking stelt van de bevrachter;
3° [1 "scheepshuurkoopovereenkomst": de overeenkomst waarbij de scheepshuurverkoper, met overdracht van het economisch zeggenschap, gedurende de tussen partijen overeengekomen periode het binnenschip ter beschikking stelt van de scheepshuurkoper tegen betaling van periodieke vergoedingen, gespreid over de duurtijd van de overeenkomst, en waarbij de scheepshuurkoper zich ertoe verbindt tot aankoop van het binnenschip op het einde van deze periode tegen een in de overeenkomst bepaalde of bepaalbare prijs, gelijk aan het totaal van de periodieke vergoedingen, al dan niet vermeerderd met een resterend te betalen bedrag;]1
[1 4° "reis- of tijdbevrachtingsovereenkomst": de bevrachtingsovereenkomst waarbij de vervrachter, zonder overdracht van het economisch zeggenschap, het binnenschip, voor één reis of meerdere reizen of voor een bepaalde tijd, geheel of gedeeltelijk, ter beschikking stelt van de bevrachter met het oog op vervoer van goederen door de vervrachter;
5° "Tonnageovereenkomst": de tijdbevrachtingsovereenkomst, waarbij de vervrachter zich ertoe verbindt, gedurende een in de overeenkomst vastgelegde periode een bepaalde hoeveelheid lading te vervoeren tegen betaling van een vrachtprijs per ton;
6° "ligovereenkomst": de bevrachtingsovereenkomst waarbij de vervrachter, zonder overdracht van het economisch zeggenschap, het binnenschip voor bepaalde of onbepaalde tijd ter beschikking stelt van de bevrachter teneinde aan boord daarvan goederen te laden, op te slaan en daaruit te lossen;
7° "overeenkomst om te liggen en/of te varen": de bevrachtingsovereenkomst waarbij de vervrachter, zonder overdracht van het economisch zeggenschap, voor bepaalde of onbepaalde tijd, het binnenschip ter beschikking stelt van de bevrachter teneinde aan boord daarvan goederen te laden, op te slaan en daaruit te lossen en/of te vervoeren;
8° "duwovereenkomst": de overeenkomst waarbij de opdrachtnemer, zonder overdracht van het economisch zeggenschap, zich tegenover de opdrachtgever ertoe verbindt, eenmalig of voor een bepaalde tijd, tegen vergoeding één of meerdere overeengekomen duwwerkzaamheden te verrichten;
9° "sleepovereenkomst": de overeenkomst waarbij de opdrachtnemer, zonder overdracht van het economisch zeggenschap, zich tegenover de opdrachtgever ertoe verbindt, eenmalig of voor een bepaalde tijd, tegen vergoeding één of meerdere overeengekomen sleepwerkzaamheden te verrichten;
10° "overeenkomst voor langszij gekoppeld meenemen": de overeenkomst waarbij de opdrachtnemer, zonder overdracht van het economisch zeggenschap, zich tegenover de opdrachtgever ertoe verbindt, eenmalig of voor een bepaalde tijd, tegen vergoeding, een ander binnenschip in een samenstel langszij gekoppeld mee te nemen;
11° "scheepstreinovereenkomst": de overeenkomst waarbij de opdrachtnemer, zonder overdracht van het economisch zeggenschap, zich tegenover de opdrachtgever ertoe verbindt tegen vergoeding één of meerdere werkzaamheden met betrekking tot een scheepstrein te verrichten;
12° "meenemen": het in een duwstel, gekoppeld samenstel of scheepstrein meenemen van één of meerdere binnenschepen.]1
In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° "bevrachtingsovereenkomst" : een overeenkomst, waarbij tegen vergoeding de ene partij, de vervrachter genaamd, al dan niet met overdracht van het economisch zeggenschap, het binnenschip of een bestanddeel daarvan aan een andere partij, de bevrachter genaamd, ter beschikking stelt;
2° "rompbevrachtingsovereenkomst" : de bevrachtingsovereenkomst waarbij de vervrachter met overdracht van het economisch zeggenschap het binnenschip ter beschikking stelt van de bevrachter;
3° [1 "scheepshuurkoopovereenkomst": de overeenkomst waarbij de scheepshuurverkoper, met overdracht van het economisch zeggenschap, gedurende de tussen partijen overeengekomen periode het binnenschip ter beschikking stelt van de scheepshuurkoper tegen betaling van periodieke vergoedingen, gespreid over de duurtijd van de overeenkomst, en waarbij de scheepshuurkoper zich ertoe verbindt tot aankoop van het binnenschip op het einde van deze periode tegen een in de overeenkomst bepaalde of bepaalbare prijs, gelijk aan het totaal van de periodieke vergoedingen, al dan niet vermeerderd met een resterend te betalen bedrag;]1
[1 4° "reis- of tijdbevrachtingsovereenkomst": de bevrachtingsovereenkomst waarbij de vervrachter, zonder overdracht van het economisch zeggenschap, het binnenschip, voor één reis of meerdere reizen of voor een bepaalde tijd, geheel of gedeeltelijk, ter beschikking stelt van de bevrachter met het oog op vervoer van goederen door de vervrachter;
5° "Tonnageovereenkomst": de tijdbevrachtingsovereenkomst, waarbij de vervrachter zich ertoe verbindt, gedurende een in de overeenkomst vastgelegde periode een bepaalde hoeveelheid lading te vervoeren tegen betaling van een vrachtprijs per ton;
6° "ligovereenkomst": de bevrachtingsovereenkomst waarbij de vervrachter, zonder overdracht van het economisch zeggenschap, het binnenschip voor bepaalde of onbepaalde tijd ter beschikking stelt van de bevrachter teneinde aan boord daarvan goederen te laden, op te slaan en daaruit te lossen;
7° "overeenkomst om te liggen en/of te varen": de bevrachtingsovereenkomst waarbij de vervrachter, zonder overdracht van het economisch zeggenschap, voor bepaalde of onbepaalde tijd, het binnenschip ter beschikking stelt van de bevrachter teneinde aan boord daarvan goederen te laden, op te slaan en daaruit te lossen en/of te vervoeren;
8° "duwovereenkomst": de overeenkomst waarbij de opdrachtnemer, zonder overdracht van het economisch zeggenschap, zich tegenover de opdrachtgever ertoe verbindt, eenmalig of voor een bepaalde tijd, tegen vergoeding één of meerdere overeengekomen duwwerkzaamheden te verrichten;
9° "sleepovereenkomst": de overeenkomst waarbij de opdrachtnemer, zonder overdracht van het economisch zeggenschap, zich tegenover de opdrachtgever ertoe verbindt, eenmalig of voor een bepaalde tijd, tegen vergoeding één of meerdere overeengekomen sleepwerkzaamheden te verrichten;
10° "overeenkomst voor langszij gekoppeld meenemen": de overeenkomst waarbij de opdrachtnemer, zonder overdracht van het economisch zeggenschap, zich tegenover de opdrachtgever ertoe verbindt, eenmalig of voor een bepaalde tijd, tegen vergoeding, een ander binnenschip in een samenstel langszij gekoppeld mee te nemen;
11° "scheepstreinovereenkomst": de overeenkomst waarbij de opdrachtnemer, zonder overdracht van het economisch zeggenschap, zich tegenover de opdrachtgever ertoe verbindt tegen vergoeding één of meerdere werkzaamheden met betrekking tot een scheepstrein te verrichten;
12° "meenemen": het in een duwstel, gekoppeld samenstel of scheepstrein meenemen van één of meerdere binnenschepen.]1
Art. 3.1.1.4. Affrètements
Dans le présent livre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférentes, l'on entend par :
1° " contrat d'affrètement " : un contrat, dans lequel l'une des parties, le fréteur, met à disposition à titre onéreux, avec un transfert du pouvoir économique ou non, le bateau de navigation intérieure ou une partie de celui-ci, à l'autre partie, l'affréteur;
2° " contrat d'affrètement coque nue " : le contrat d'affrètement par lequel le fréteur met à disposition de l'affréteur l'ensemble du bateau de navigation intérieure sans équipage, et lui cède la pouvoir économique;
3° [1 "contrat de location-vente de navires": le contrat par lequel le vendeur en location-vente du navire avec transfert du contrôle économique, met le bateau de navigation intérieure à la disposition de l'acquéreur en location-vente du navire pour la période convenue entre les parties moyennant le paiement de redevances périodiques réparties sur la durée du contrat, et par lequel l'acquéreur en location-vente du navire s'engage à acheter le bateau de navigation intérieure à la fin de cette période à un prix déterminé ou déterminable dans le contrat, égal au total des redevances périodiques, majoré ou non d'un montant résiduel à payer;]1
[1 4° "contrat au voyage ou à temps": le contrat d'affrètement par lequel le fréteur met, en tout ou en partie, à disposition de l'affréteur, sans transfert du pouvoir économique, le bateau de navigation intérieure pour un ou plusieurs voyages ou pour une durée déterminée en vue du transport de marchandises par le fréteur;
5° "Contrats au tonnage": le contrat d'affrètement à temps où le fréteur s'engage à transporter, pendant une période fixée dans le contrat, un tonnage déterminé contre le paiement d'un fret à la tonne;
6° "contrat de séjour": le contrat d'affrètement par lequel le fréteur met à disposition de l'affréteur, sans transfert du pouvoir économique, le bateau de navigation intérieure pour une durée déterminée ou indéterminée en vue du chargement, de l'entreposage et du déchargement des marchandises;
7° "contrat en séjour et/ou navigation": le contrat d'affrètement par lequel le fréteur met à disposition de l'affréteur, sans transfert du pouvoir économique, le bateau de navigation intérieure pour une durée déterminée ou indéterminée en vue du chargement, de l'entreposage et du déchargement des marchandises et/ou de leur transport;
8° "contrat de poussage": le contrat par lequel le prestataire, sans transfert du pouvoir économique, s'engage à l'égard du donneur d'ordre, une seule fois ou pour une durée déterminée, à effectuer contre rémunération une ou plusieurs opérations de poussage convenues;
9° "contrat de remorquage": le contrat par lequel le prestataire, sans transfert du pouvoir économique, s'engage à l'égard du donneur d'ordre, une seule fois ou pour une durée déterminée, à effectuer contre rémunération une ou plusieurs opérations de remorquage convenues;
10° "contrat d'emport par formation à couple": le contrat par lequel le prestataire, sans transfert du pouvoir économique, s'engage à l'égard du donneur d'ordre, une seule fois ou pour une durée déterminée, à emporter contre rémunération un autre bateau de navigation intérieure dans un assemblage par formation à couple;
11° "contrat de train de bateaux": le contrat par lequel le prestataire, sans transfert du pouvoir économique, s'engage à l'égard du donneur d'ordre à effectuer contre rémunération une ou plusieurs opérations liées à un train de bateaux;
12° "emport": l'emport d'un ou plusieurs bateaux de navigation intérieures en convoi poussé, formation à couple ou train de bateaux.]1
Dans le présent livre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférentes, l'on entend par :
1° " contrat d'affrètement " : un contrat, dans lequel l'une des parties, le fréteur, met à disposition à titre onéreux, avec un transfert du pouvoir économique ou non, le bateau de navigation intérieure ou une partie de celui-ci, à l'autre partie, l'affréteur;
2° " contrat d'affrètement coque nue " : le contrat d'affrètement par lequel le fréteur met à disposition de l'affréteur l'ensemble du bateau de navigation intérieure sans équipage, et lui cède la pouvoir économique;
3° [1 "contrat de location-vente de navires": le contrat par lequel le vendeur en location-vente du navire avec transfert du contrôle économique, met le bateau de navigation intérieure à la disposition de l'acquéreur en location-vente du navire pour la période convenue entre les parties moyennant le paiement de redevances périodiques réparties sur la durée du contrat, et par lequel l'acquéreur en location-vente du navire s'engage à acheter le bateau de navigation intérieure à la fin de cette période à un prix déterminé ou déterminable dans le contrat, égal au total des redevances périodiques, majoré ou non d'un montant résiduel à payer;]1
[1 4° "contrat au voyage ou à temps": le contrat d'affrètement par lequel le fréteur met, en tout ou en partie, à disposition de l'affréteur, sans transfert du pouvoir économique, le bateau de navigation intérieure pour un ou plusieurs voyages ou pour une durée déterminée en vue du transport de marchandises par le fréteur;
5° "Contrats au tonnage": le contrat d'affrètement à temps où le fréteur s'engage à transporter, pendant une période fixée dans le contrat, un tonnage déterminé contre le paiement d'un fret à la tonne;
6° "contrat de séjour": le contrat d'affrètement par lequel le fréteur met à disposition de l'affréteur, sans transfert du pouvoir économique, le bateau de navigation intérieure pour une durée déterminée ou indéterminée en vue du chargement, de l'entreposage et du déchargement des marchandises;
7° "contrat en séjour et/ou navigation": le contrat d'affrètement par lequel le fréteur met à disposition de l'affréteur, sans transfert du pouvoir économique, le bateau de navigation intérieure pour une durée déterminée ou indéterminée en vue du chargement, de l'entreposage et du déchargement des marchandises et/ou de leur transport;
8° "contrat de poussage": le contrat par lequel le prestataire, sans transfert du pouvoir économique, s'engage à l'égard du donneur d'ordre, une seule fois ou pour une durée déterminée, à effectuer contre rémunération une ou plusieurs opérations de poussage convenues;
9° "contrat de remorquage": le contrat par lequel le prestataire, sans transfert du pouvoir économique, s'engage à l'égard du donneur d'ordre, une seule fois ou pour une durée déterminée, à effectuer contre rémunération une ou plusieurs opérations de remorquage convenues;
10° "contrat d'emport par formation à couple": le contrat par lequel le prestataire, sans transfert du pouvoir économique, s'engage à l'égard du donneur d'ordre, une seule fois ou pour une durée déterminée, à emporter contre rémunération un autre bateau de navigation intérieure dans un assemblage par formation à couple;
11° "contrat de train de bateaux": le contrat par lequel le prestataire, sans transfert du pouvoir économique, s'engage à l'égard du donneur d'ordre à effectuer contre rémunération une ou plusieurs opérations liées à un train de bateaux;
12° "emport": l'emport d'un ou plusieurs bateaux de navigation intérieures en convoi poussé, formation à couple ou train de bateaux.]1
Wijzigingen
Art.3.1.1.5. [1 Tussenpersonen
In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder:
1° "vervoercommissionair": elke natuurlijke of rechtspersoon die, tegen vergoeding, de verbintenis aangaat een transport van goederen te verrichten en dit transport in eigen naam door derden laat uitvoeren;
2° "vervoersmakelaar": elke natuurlijke of rechtspersoon die, tegen vergoeding, twee of meer personen met elkaar in contact brengt met het oog op het wederzijds sluiten van een overeenkomst geregeld in titel 6 en die, ingeval hij bij het sluiten van die overeenkomst optreedt, dit slechts doet in hoedanigheid van vertegenwoordiger van zijn lastgevers.]1
In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder:
1° "vervoercommissionair": elke natuurlijke of rechtspersoon die, tegen vergoeding, de verbintenis aangaat een transport van goederen te verrichten en dit transport in eigen naam door derden laat uitvoeren;
2° "vervoersmakelaar": elke natuurlijke of rechtspersoon die, tegen vergoeding, twee of meer personen met elkaar in contact brengt met het oog op het wederzijds sluiten van een overeenkomst geregeld in titel 6 en die, ingeval hij bij het sluiten van die overeenkomst optreedt, dit slechts doet in hoedanigheid van vertegenwoordiger van zijn lastgevers.]1
Art.3.1.1.5. [1 Intermédiaires
Dans le présent livre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférents, l'on entend par:
1° "commissionnaire de transport": toute personne physique ou morale qui, moyennant rémunération, s'engage à effectuer un transport de marchandises et fait exécuter ce transport en son propre nom par des tiers;
2° "courtier de transport": toute personne physique ou morale qui, moyennant rémunération, met en rapport deux personnes ou plus en vue de la conclusion entre elles d'un contrat régi dans le titre 6 et qui n'intervient éventuellement dans la conclusion de ce contrat qu'en qualité de représentant de ses mandants.]1
Dans le présent livre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférents, l'on entend par:
1° "commissionnaire de transport": toute personne physique ou morale qui, moyennant rémunération, s'engage à effectuer un transport de marchandises et fait exécuter ce transport en son propre nom par des tiers;
2° "courtier de transport": toute personne physique ou morale qui, moyennant rémunération, met en rapport deux personnes ou plus en vue de la conclusion entre elles d'un contrat régi dans le titre 6 et qui n'intervient éventuellement dans la conclusion de ce contrat qu'en qualité de représentant de ses mandants.]1
Art.3.1.1.6. [1 Binnenschepen
In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder:
1° "duwstel": een hecht samenstel van binnenschepen, waarvan er ten minste één geplaatst is vóór het motorschip dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel voor de beide motorschepen die dienen voor het voortbewegen van het samenstel, en die worden aangeduid als `duwboot' of `duwboten'. Hieronder wordt ook een duwstel verstaan dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd binnenschip waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;
2° "langszij gekoppeld samenstel": een samenstel van langszijde aan elkaar vastgemaakte binnenschepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het motorschip dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;
3° "sleep": een samenstel van één of meer binnenschepen, dat door één of meer motorschepen wordt gesleept;
4° "scheepstrein": een samenstel van elektronisch of automatisch aangestuurde binnenschepen, waarbij de navigatie in handen is van één van deze schepen dan wel vanop afstand geschiedt.]1
In dit boek, in de erop betrekking hebbende bepalingen van boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder:
1° "duwstel": een hecht samenstel van binnenschepen, waarvan er ten minste één geplaatst is vóór het motorschip dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel voor de beide motorschepen die dienen voor het voortbewegen van het samenstel, en die worden aangeduid als `duwboot' of `duwboten'. Hieronder wordt ook een duwstel verstaan dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd binnenschip waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;
2° "langszij gekoppeld samenstel": een samenstel van langszijde aan elkaar vastgemaakte binnenschepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het motorschip dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;
3° "sleep": een samenstel van één of meer binnenschepen, dat door één of meer motorschepen wordt gesleept;
4° "scheepstrein": een samenstel van elektronisch of automatisch aangestuurde binnenschepen, waarbij de navigatie in handen is van één van deze schepen dan wel vanop afstand geschiedt.]1
Art.3.1.1.6. [1 Bateaux de navigation intérieure
Dans le présent livre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférents, l'on entend par:
1° "convoi poussé ": un assemblage rigide composé de bateaux de navigation intérieure dont un au moins est placé devant le ou les deux bateaux motorisés qui assurent la propulsion du convoi et qui sont appelés "pousseurs"; est également considéré comme convoi poussé un convoi composé d'un bateau de navigation intérieure pousseur et d'un autre poussé accouplés de manière à permettre une articulation guidée;
2° "formation à couple": un assemblage composé de bateaux de navigation intérieure accouplés bord à bord dont aucun n'est placé devant le bateau motorisé qui assure la propulsion de la formation;
3° "convoi remorqué": un assemblage composé d'un ou plusieurs bateaux de navigation intérieure et remorqué par un ou plusieurs bateaux motorisés;
4° "train de bateaux": un assemblage de bateaux de navigation intérieure guidés de manière électronique ou automatique et dont la navigation est entre les mains d'un de ces bateaux ou réalisée à distance.]1
Dans le présent livre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférents, l'on entend par:
1° "convoi poussé ": un assemblage rigide composé de bateaux de navigation intérieure dont un au moins est placé devant le ou les deux bateaux motorisés qui assurent la propulsion du convoi et qui sont appelés "pousseurs"; est également considéré comme convoi poussé un convoi composé d'un bateau de navigation intérieure pousseur et d'un autre poussé accouplés de manière à permettre une articulation guidée;
2° "formation à couple": un assemblage composé de bateaux de navigation intérieure accouplés bord à bord dont aucun n'est placé devant le bateau motorisé qui assure la propulsion de la formation;
3° "convoi remorqué": un assemblage composé d'un ou plusieurs bateaux de navigation intérieure et remorqué par un ou plusieurs bateaux motorisés;
4° "train de bateaux": un assemblage de bateaux de navigation intérieure guidés de manière électronique ou automatique et dont la navigation est entre les mains d'un de ces bateaux ou réalisée à distance.]1
Art.3.1.1.7. [1 Commissie Binnenvaart
§ 1. Bij de administratie die bevoegd is voor de binnenvaart wordt onder de benaming "Commissie Binnenvaart" een commissie ingesteld.
§ 2. De minister die bevoegd is voor de binnenvaart kan de Commissie Binnenvaart raadplegen voor alle aangelegenheden geregeld in dit boek en in de uitvoeringsbesluiten ervan.
De taken van de Commissie Binnenvaart zijn voorts:
1° het plegen van overleg en het uitbrengen, op verzoek van de minister bevoegd voor de binnenvaart, van een met redenen omkleed advies over aangelegenheden die verband houden met de binnenvaartsector en met de toepassing van titel 6, waaronder het vaststellen van indicatoren die behulpzaam kunnen zijn voor de toepassing van die titel;
De adviezen van de Commissie Binnenvaart binden de minister niet.
2° de bijkomende door de Koning toegekende taken.
§ 3. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de Commissie Binnenvaart.]1
§ 1. Bij de administratie die bevoegd is voor de binnenvaart wordt onder de benaming "Commissie Binnenvaart" een commissie ingesteld.
§ 2. De minister die bevoegd is voor de binnenvaart kan de Commissie Binnenvaart raadplegen voor alle aangelegenheden geregeld in dit boek en in de uitvoeringsbesluiten ervan.
De taken van de Commissie Binnenvaart zijn voorts:
1° het plegen van overleg en het uitbrengen, op verzoek van de minister bevoegd voor de binnenvaart, van een met redenen omkleed advies over aangelegenheden die verband houden met de binnenvaartsector en met de toepassing van titel 6, waaronder het vaststellen van indicatoren die behulpzaam kunnen zijn voor de toepassing van die titel;
De adviezen van de Commissie Binnenvaart binden de minister niet.
2° de bijkomende door de Koning toegekende taken.
§ 3. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de Commissie Binnenvaart.]1
Art.3.1.1.7. [1 Commission navigation intérieure
§ 1er. Auprès de l'administration qui a la navigation intérieure dans ses attributions, il est institué une commission sous la dénomination "Commission navigation intérieure".
§ 2. Le ministre qui a la navigation intérieure dans ses attributions peut consulter la Commission navigation intérieure pour toutes les matières régies dans le présent livre et dans ses arrêtés d'exécution.
De plus, la Commission navigation intérieure remplit les fonctions suivantes:
1° la concertation et la remise, à la demande du ministre qui a la navigation intérieure dans ses attributions, d'un avis motivé sur les matières liées au secteur de la navigation intérieure et à l'application du titre 6, y compris l'établissement d'indicateurs pouvant être utiles à l'application de ce titre;
Les avis de la Commission Navigation Intérieure ne lient pas le ministre.
2° les fonctions supplémentaires attribuées par le Roi.
§ 3. Le Roi détermine la composition et le fonctionnement de la Commission navigation intérieure.]1
§ 1er. Auprès de l'administration qui a la navigation intérieure dans ses attributions, il est institué une commission sous la dénomination "Commission navigation intérieure".
§ 2. Le ministre qui a la navigation intérieure dans ses attributions peut consulter la Commission navigation intérieure pour toutes les matières régies dans le présent livre et dans ses arrêtés d'exécution.
De plus, la Commission navigation intérieure remplit les fonctions suivantes:
1° la concertation et la remise, à la demande du ministre qui a la navigation intérieure dans ses attributions, d'un avis motivé sur les matières liées au secteur de la navigation intérieure et à l'application du titre 6, y compris l'établissement d'indicateurs pouvant être utiles à l'application de ce titre;
Les avis de la Commission Navigation Intérieure ne lient pas le ministre.
2° les fonctions supplémentaires attribuées par le Roi.
§ 3. Le Roi détermine la composition et le fonctionnement de la Commission navigation intérieure.]1
TITEL 2. - BINNENSCHEPEN
TITRE 2. - BATEAU DE NAVIGATION INTERIEURE
HOOFDSTUK 1. - Teboekstelling en openbaarheid
CHAPITRE 1er. - Immatriculation et publicité
Afdeling 1. - Teboekstelling van binnenschepen
Section 1ère. - Immatriculation des bateaux de navigation intérieure
Art. 3.2.1.1. Certificaat van teboekstelling
§ 1. Het certificaat van teboekstelling wordt uitgereikt door het Belgisch Scheepsregister.
Het is onbeperkt geldig en kan enkel worden ingetrokken in de gevallen voorzien in paragraaf 3, 1°.
§ 2. Het certificaat van teboekstelling moet aan boord worden gehouden en op elk verzoek van de bevoegde overheden worden vertoond.
§ 3. De Koning bepaalt :
1° de gevallen waarin het certificaat van teboekstelling vervalt of ambtshalve kan worden ingetrokken;
2° de verplichtingen verbonden aan het bezit van het certificaat van teboekstelling;
3° de retributie verschuldigd voor het afleveren van het certificaat van teboekstelling;
4° de vorm en de afgifte van het certificaat van teboekstelling.
§ 1. Het certificaat van teboekstelling wordt uitgereikt door het Belgisch Scheepsregister.
Het is onbeperkt geldig en kan enkel worden ingetrokken in de gevallen voorzien in paragraaf 3, 1°.
§ 2. Het certificaat van teboekstelling moet aan boord worden gehouden en op elk verzoek van de bevoegde overheden worden vertoond.
§ 3. De Koning bepaalt :
1° de gevallen waarin het certificaat van teboekstelling vervalt of ambtshalve kan worden ingetrokken;
2° de verplichtingen verbonden aan het bezit van het certificaat van teboekstelling;
3° de retributie verschuldigd voor het afleveren van het certificaat van teboekstelling;
4° de vorm en de afgifte van het certificaat van teboekstelling.
Art. 3.2.1.1. Certificat d'immatriculation
§ 1er. Le certificat d'immatriculation est délivré par le Registre naval belge.
Il est valable de manière illimitée et peut uniquement être retiré dans les cas prévus au paragraphe 3, 1°.
§ 2. Le certificat d'immatriculation doit être conservé à bord et produit à toute réquisition des autorités compétentes.
§ 3. Le Roi détermine:
1° les cas dans lesquels le certificat d'immatriculation cesse d'être valable ou peut être retiré d'office;
2° les obligations liées à la possession du certificat d'immatriculation;
3° la redevance due pour la délivrance du certificat d'immatriculation;
4° la forme et la déliverance du certificat d'immatriculation.
§ 1er. Le certificat d'immatriculation est délivré par le Registre naval belge.
Il est valable de manière illimitée et peut uniquement être retiré dans les cas prévus au paragraphe 3, 1°.
§ 2. Le certificat d'immatriculation doit être conservé à bord et produit à toute réquisition des autorités compétentes.
§ 3. Le Roi détermine:
1° les cas dans lesquels le certificat d'immatriculation cesse d'être valable ou peut être retiré d'office;
2° les obligations liées à la possession du certificat d'immatriculation;
3° la redevance due pour la délivrance du certificat d'immatriculation;
4° la forme et la déliverance du certificat d'immatriculation.
Art. 3.2.1.2. Teboekstelling
De Koning :
1° bepaalt welke binnenschepen moeten of mogen teboekgesteld worden alsook de voorwaarden waaraan het binnenschip, zijn eigenaar of zijn exploitant daartoe vooraf moeten voldoen waarbij in het bijzonder vereisten inzake de nationaliteit, de woon- of verblijfplaats of de vestiging van de hoofdinrichting, alsook inzake de samenstelling van het maatschappelijk kapitaal of van de organen van verenigingen of vennootschappen kunnen worden opgelegd;
2° stelt de vorm en de inhoud vast van de aanvraag die bij het Belgisch Scheepsregister met het oog op de teboekstelling moet worden gedaan;
3° duidt aan welke documenten bij de aanvraag moeten worden gevoegd of waarvan de voorlegging bij het onderzoek daarvan kan worden geëist;
4° kan bepalen dat het Belgisch Scheepsregister het nummer waaronder het binnenschip is teboekgesteld en de datum van de teboekstelling moet aantekenen op het document van teboekstelling;
5° wijst de personen aan die gehouden zijn of gemachtigd worden om de aanvraag in te dienen en stelt daartoe een termijn vast;
6° stelt de termijn vast waarin de aanvraag moet gebeuren;
7° bepaalt welke documenten moeten worden ingeschreven of doorgehaald.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een binnenschip in aanbouw als schip beschouwd zodra de aanbouw ervan begonnen is.
De Koning :
1° bepaalt welke binnenschepen moeten of mogen teboekgesteld worden alsook de voorwaarden waaraan het binnenschip, zijn eigenaar of zijn exploitant daartoe vooraf moeten voldoen waarbij in het bijzonder vereisten inzake de nationaliteit, de woon- of verblijfplaats of de vestiging van de hoofdinrichting, alsook inzake de samenstelling van het maatschappelijk kapitaal of van de organen van verenigingen of vennootschappen kunnen worden opgelegd;
2° stelt de vorm en de inhoud vast van de aanvraag die bij het Belgisch Scheepsregister met het oog op de teboekstelling moet worden gedaan;
3° duidt aan welke documenten bij de aanvraag moeten worden gevoegd of waarvan de voorlegging bij het onderzoek daarvan kan worden geëist;
4° kan bepalen dat het Belgisch Scheepsregister het nummer waaronder het binnenschip is teboekgesteld en de datum van de teboekstelling moet aantekenen op het document van teboekstelling;
5° wijst de personen aan die gehouden zijn of gemachtigd worden om de aanvraag in te dienen en stelt daartoe een termijn vast;
6° stelt de termijn vast waarin de aanvraag moet gebeuren;
7° bepaalt welke documenten moeten worden ingeschreven of doorgehaald.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een binnenschip in aanbouw als schip beschouwd zodra de aanbouw ervan begonnen is.
Art. 3.2.1.2. Immatriculation
Le Roi :
1° détermine les bateaux de navigation intérieure qui doivent ou peuvent être immatriculés ainsi que les conditions auxquelles les bateaux de navigation intérieure, leur propriétaire ou leur exploitant doivent préalablement satisfaire à cet effet; dans ce contexte, des conditions de nationalité, de domicile, de résidence ou d'établissement du siège principal, ainsi que de composition du capital social ou des organes des associations ou sociétés peuvent en particulier être prescrites;
2° fixe la forme et la teneur de la demande à déposer auprès du Registre naval belge en vue de l'immatriculation;
3° indique les documents qui doivent être annexés à la demande ou dont la production peut être exigée à l'occasion de l'examen de celle-ci;
4° peut déterminer que le Registre naval belge doit noter sur le document d'enregistrement le numéro sous lequel le bateau de navigation intérieure est immatriculé ainsi que la date de l'immatriculation;
5° désigne les personnes qui sont tenues ou habilitées à déposer la demande et fixe un délai à cet effet;
6° fixe le délai dans lequel la demande doit avoir lieu;
7° détermine les documents à inscrire ou à radier.
En vue de l'application du présent article, un bateau de navigation intérieure en construction est considéré comme bateau dès le début de sa construction.
Le Roi :
1° détermine les bateaux de navigation intérieure qui doivent ou peuvent être immatriculés ainsi que les conditions auxquelles les bateaux de navigation intérieure, leur propriétaire ou leur exploitant doivent préalablement satisfaire à cet effet; dans ce contexte, des conditions de nationalité, de domicile, de résidence ou d'établissement du siège principal, ainsi que de composition du capital social ou des organes des associations ou sociétés peuvent en particulier être prescrites;
2° fixe la forme et la teneur de la demande à déposer auprès du Registre naval belge en vue de l'immatriculation;
3° indique les documents qui doivent être annexés à la demande ou dont la production peut être exigée à l'occasion de l'examen de celle-ci;
4° peut déterminer que le Registre naval belge doit noter sur le document d'enregistrement le numéro sous lequel le bateau de navigation intérieure est immatriculé ainsi que la date de l'immatriculation;
5° désigne les personnes qui sont tenues ou habilitées à déposer la demande et fixe un délai à cet effet;
6° fixe le délai dans lequel la demande doit avoir lieu;
7° détermine les documents à inscrire ou à radier.
En vue de l'application du présent article, un bateau de navigation intérieure en construction est considéré comme bateau dès le début de sa construction.
Art. 3.2.1.3. Wijzigingen
De Koning bepaalt de wijzigingen die bij het Belgisch Scheepsregister moeten worden aangemeld alsook de modaliteiten en de termijn van indiening van de betreffende wijzigende aanmelding.
De Koning bepaalt de wijzigingen die bij het Belgisch Scheepsregister moeten worden aangemeld alsook de modaliteiten en de termijn van indiening van de betreffende wijzigende aanmelding.
Art. 3.2.1.3. Modifications
Le Roi détermine les modifications qui doivent être portées à la connaissance du Registre naval belge, ainsi que les modalités et le délai d'introduction de l'annonce modificative concernée.
Le Roi détermine les modifications qui doivent être portées à la connaissance du Registre naval belge, ainsi que les modalités et le délai d'introduction de l'annonce modificative concernée.
Art. 3.2.1.4. Doorhaling
§ 1. De teboekstelling van een binnenschip wordt doorgehaald :
1° op verzoek van degene die in het register als eigenaar vermeld staat;
2° op aangifte van de eigenaar of ambtshalve :
a) ingeval het binnenschip is vergaan, gesloopt of blijvend ongeschikt om te drijven;
b) ingeval het niet meer voldoet aan de door de Koning bepaalde voorwaarden om teboekgesteld te kunnen worden;
3° ambtshalve in de andere gevallen die de Koning bepaalt.
§ 2. Niettegenstaande de doorhaling blijven de inschrijvingen betreffende de zakelijke rechten waarmee het binnenschip is bezwaard bestaan en kunnen zij naderhand worden doorgehaald, verminderd of hernieuwd.
§ 3. Geen teboekstelling mag worden doorgehaald dan dertig dagen na de dag waarop alle bij het Belgisch Scheepsregister ingeschreven schuldeisers en alle derden die er een exploot van beslag lieten inschrijven, door het Belgisch Scheepsregister op de hoogte zijn gebracht op de wijze door de Koning bepaald.
Deze termijn geldt niet voor de doorhaling op verzoek of aangifte van de eigenaar, als deze daarbij de schriftelijke toestemming van de voormelde schuldeisers en derden voegt.
§ 1. De teboekstelling van een binnenschip wordt doorgehaald :
1° op verzoek van degene die in het register als eigenaar vermeld staat;
2° op aangifte van de eigenaar of ambtshalve :
a) ingeval het binnenschip is vergaan, gesloopt of blijvend ongeschikt om te drijven;
b) ingeval het niet meer voldoet aan de door de Koning bepaalde voorwaarden om teboekgesteld te kunnen worden;
3° ambtshalve in de andere gevallen die de Koning bepaalt.
§ 2. Niettegenstaande de doorhaling blijven de inschrijvingen betreffende de zakelijke rechten waarmee het binnenschip is bezwaard bestaan en kunnen zij naderhand worden doorgehaald, verminderd of hernieuwd.
§ 3. Geen teboekstelling mag worden doorgehaald dan dertig dagen na de dag waarop alle bij het Belgisch Scheepsregister ingeschreven schuldeisers en alle derden die er een exploot van beslag lieten inschrijven, door het Belgisch Scheepsregister op de hoogte zijn gebracht op de wijze door de Koning bepaald.
Deze termijn geldt niet voor de doorhaling op verzoek of aangifte van de eigenaar, als deze daarbij de schriftelijke toestemming van de voormelde schuldeisers en derden voegt.
Art. 3.2.1.4. Radiation
§ 1er. L'immatriculation d'un bateau de navigation intérieure peut être radiée :
1° à la demande du propriétaire mentionné comme tel dans le registre;
2° sur déclaration du propriétaire ou d'office :
a) dans le cas où le bateau de navigation intérieure est naufragé, démoli ou définitivement inapte à flotter;
b) dans le cas où il ne répond plus aux conditions définies par le Roi pour pouvoir être immatriculé;
3° d'office dans les autres cas que le Roi détermine.
§ 2. Toutefois, la radiation de l'enregistrement laisse subsister les inscriptions relatives aux droits réels qui grèvent le bateau de navigation intérieure et n'empêche pas la radiation, la réduction ou le renouvellement ultérieur de ces inscriptions.
§ 3. Aucune radiation de l'immatriculation ne peut être effectuée que trente jours après le jour où tous les créanciers inscrits au Registre naval belge et tous les tiers qui y ont fait inscrire un exploit de saisie ont été avisés par le Registre naval belge conformément aux modalités arrêtées par le Roi.
Ce délai n'est pas applicable en cas de radiation à la demande ou sur déclaration du propriétaire, si celui-ci produit en même temps l'accord écrit des créanciers et des tiers susvisés.
§ 1er. L'immatriculation d'un bateau de navigation intérieure peut être radiée :
1° à la demande du propriétaire mentionné comme tel dans le registre;
2° sur déclaration du propriétaire ou d'office :
a) dans le cas où le bateau de navigation intérieure est naufragé, démoli ou définitivement inapte à flotter;
b) dans le cas où il ne répond plus aux conditions définies par le Roi pour pouvoir être immatriculé;
3° d'office dans les autres cas que le Roi détermine.
§ 2. Toutefois, la radiation de l'enregistrement laisse subsister les inscriptions relatives aux droits réels qui grèvent le bateau de navigation intérieure et n'empêche pas la radiation, la réduction ou le renouvellement ultérieur de ces inscriptions.
§ 3. Aucune radiation de l'immatriculation ne peut être effectuée que trente jours après le jour où tous les créanciers inscrits au Registre naval belge et tous les tiers qui y ont fait inscrire un exploit de saisie ont été avisés par le Registre naval belge conformément aux modalités arrêtées par le Roi.
Ce délai n'est pas applicable en cas de radiation à la demande ou sur déclaration du propriétaire, si celui-ci produit en même temps l'accord écrit des créanciers et des tiers susvisés.
Art. 3.2.1.5. Bijzondere registers voor bepaalde binnenschepen
De Koning kan bepalen dat nader aangeduide binnenschepen moeten of mogen worden teboekgesteld in een of meer bijzondere registers. Daarbij kan de Koning :
1° de voorwaarden bepalen waaraan het binnenschip, zijn eigenaar [1 ...]1 of zijn exploitant daartoe vooraf moeten voldoen;
2° de overmaking van gegevens en de vorm van de daartoe opgemaakte registers regelen, evenals de wijze waarop het register of de registers worden beheerd.
De Koning kan bepalen dat nader aangeduide binnenschepen moeten of mogen worden teboekgesteld in een of meer bijzondere registers. Daarbij kan de Koning :
1° de voorwaarden bepalen waaraan het binnenschip, zijn eigenaar [1 ...]1 of zijn exploitant daartoe vooraf moeten voldoen;
2° de overmaking van gegevens en de vorm van de daartoe opgemaakte registers regelen, evenals de wijze waarop het register of de registers worden beheerd.
Art. 3.2.1.5. Registres particuliers pour certains bateaux de navigation intérieure
Le Roi peut déterminer que des bateaux de navigation intérieure spécifiés doivent ou peuvent être immatriculées dans un ou plusieurs registres spéciaux. A cet égard, le Roi peut :
1° déterminer les conditions auxquelles le bateau de navigation intérieure, son propriétaire [1 ...]1 ou son exploitant doivent se conformer au préalable;
2° réglementer la présentation de données et la forme des registres créés à cet effet, ainsi que la manière dont le ou les registres sont gérés.
Le Roi peut déterminer que des bateaux de navigation intérieure spécifiés doivent ou peuvent être immatriculées dans un ou plusieurs registres spéciaux. A cet égard, le Roi peut :
1° déterminer les conditions auxquelles le bateau de navigation intérieure, son propriétaire [1 ...]1 ou son exploitant doivent se conformer au préalable;
2° réglementer la présentation de données et la forme des registres créés à cet effet, ainsi que la manière dont le ou les registres sont gérés.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Openbaarheid van rechten
Section 2. - Publicité des droits
Art. 3.2.1.6. Toepassingsgebied
De artikel en 2.2.1.12 tot en met 2.2.1.28 zijn van overeenkomstige toepassing op binnenschepen.
[1 De artikelen 2.2.1.11 tot en met 2.2.1.27 zijn van overeenkomstige toepassing op binnenschepen.
Waar in die artikelen sprake is van het zeeschepenregister dient dit gelezen te worden als het binnenschepenregister.
Behoudens de in artikel 2.2.1.12 bedoelde akten en vonnissen kunnen tevens huurkoopovereenkomsten en rompbevrachtingovereenkomsten alsook akten en vonnissen die het bewijs opleveren van een recht op bewoning op het binnenschip in het binnenschepenregister ingeschreven worden.
De ondernemingsrechtbank van de plaats waar het binnenschip is teboekgesteld in het Belgisch binnenschepenregister en deze waar de verweerder zijn woonplaats of zetel in België heeft, zijn bevoegd om kennis te nemen van eisen die betrekking hebben op de geldigheid van de teboekstelling in het Belgisch binnenschepenregister.]1
De artikel en 2.2.1.12 tot en met 2.2.1.28 zijn van overeenkomstige toepassing op binnenschepen.
[1 De artikelen 2.2.1.11 tot en met 2.2.1.27 zijn van overeenkomstige toepassing op binnenschepen.
Waar in die artikelen sprake is van het zeeschepenregister dient dit gelezen te worden als het binnenschepenregister.
Behoudens de in artikel 2.2.1.12 bedoelde akten en vonnissen kunnen tevens huurkoopovereenkomsten en rompbevrachtingovereenkomsten alsook akten en vonnissen die het bewijs opleveren van een recht op bewoning op het binnenschip in het binnenschepenregister ingeschreven worden.
De ondernemingsrechtbank van de plaats waar het binnenschip is teboekgesteld in het Belgisch binnenschepenregister en deze waar de verweerder zijn woonplaats of zetel in België heeft, zijn bevoegd om kennis te nemen van eisen die betrekking hebben op de geldigheid van de teboekstelling in het Belgisch binnenschepenregister.]1
Art. 3.2.1.6. Champs d'application
Les articles 2.2.1.12 à 2.2.1.28 s'appliquent par analogie aux bateaux de navigation intérieure.
[1 Les articles 2.2.1.11 à 2.2.1.27 s'appliquent par analogie aux bateaux de navigation intérieure.
Lorsqu'il est fait référence dans ces articles au registre des navires de mer, il convient de le lire comme étant le registre des bateaux de navigation intérieure.
Hormis les actes et jugements visés à l'article 2.2.1.12, les contrats de location-vente et d'affrètement coque nue ainsi que les actes et jugements qui justifient d'un droit d'habitation sur le bateau de navigation intérieure peuvent également être inscrit au registre des bateaux de navigation intérieure.
Le tribunal de l'entreprise du lieu où le bateau de navigation intérieure est immatriculé au registre belge des bateaux de navigation intérieure et celui où le défendeur a son domicile ou son siège en Belgique, sont compétents à prendre connaissance des demandes relatives à la validité de l'immatriculation dans le registre belge des bateaux de navigation intérieure.]1
Les articles 2.2.1.12 à 2.2.1.28 s'appliquent par analogie aux bateaux de navigation intérieure.
[1 Les articles 2.2.1.11 à 2.2.1.27 s'appliquent par analogie aux bateaux de navigation intérieure.
Lorsqu'il est fait référence dans ces articles au registre des navires de mer, il convient de le lire comme étant le registre des bateaux de navigation intérieure.
Hormis les actes et jugements visés à l'article 2.2.1.12, les contrats de location-vente et d'affrètement coque nue ainsi que les actes et jugements qui justifient d'un droit d'habitation sur le bateau de navigation intérieure peuvent également être inscrit au registre des bateaux de navigation intérieure.
Le tribunal de l'entreprise du lieu où le bateau de navigation intérieure est immatriculé au registre belge des bateaux de navigation intérieure et celui où le défendeur a son domicile ou son siège en Belgique, sont compétents à prendre connaissance des demandes relatives à la validité de l'immatriculation dans le registre belge des bateaux de navigation intérieure.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 2. - Zaakstatuut
CHAPITRE 2. - Statut réel
Art. 3.2.2.1. Internationale toepassing
§ 1. De rechten op een binnenschip worden beheerst door :
1° het recht van de Staat waar het binnenschip teboekgesteld is;
2° bij gebreke van teboekstelling, het recht van de Staat waar het binnenschip gewoonlijk wordt gebruikt of, indien die Staat niet kan worden vastgesteld, het recht van de Staat waar het binnenschip zich bevindt.
§ 2. De rechten op een binnenschip in aanbouw of in verbouwing worden beheerst door het recht van de Staat waar het binnenschip is teboekgesteld en, bij gebreke van teboekstelling, door het recht van de Staat waar het binnenschip wordt gebouwd of verbouwd.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een binnenschip in aanbouw als schip beschouwd zodra de aanbouw ervan begonnen is.
§ 3. Het in het vorige paragrafen bedoelde recht is het recht dat geldt op het ogenblik waarop de rechten op het binnenschip wordt ingeroepen.
De verwerving en het verlies van rechten op een binnenschip worden evenwel beheerst door het recht dat geldt op het ogenblik waarop de handelingen of feiten die worden ingeroepen als grond van verwerving of verlies van die rechten zich voordoen.
§ 4. Het in de vorige paragrafen bedoelde recht bepaalt in het bijzonder :
1° of het binnenschip roerend of onroerend is;
2° wat een bestanddeel en een toebehoren van het binnenschip is;
3° welke rechten op een binnenschip kunnen rusten en welke de aard en de inhoud van die rechten zijn;
4° op welke wijze die rechten ontstaan, wijzigen, overgaan en tenietgaan en welke hun onderlinge verhouding is;
5° de titularissen van die rechten;
6° de beschikbaarheid van die rechten;
7° de openbaarmaking en de tegenstelbaarheid van die rechten.
§ 5. De paragrafen 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op rechten op binnenschepen in aanbouw of in verbouwing.
§ 1. De rechten op een binnenschip worden beheerst door :
1° het recht van de Staat waar het binnenschip teboekgesteld is;
2° bij gebreke van teboekstelling, het recht van de Staat waar het binnenschip gewoonlijk wordt gebruikt of, indien die Staat niet kan worden vastgesteld, het recht van de Staat waar het binnenschip zich bevindt.
§ 2. De rechten op een binnenschip in aanbouw of in verbouwing worden beheerst door het recht van de Staat waar het binnenschip is teboekgesteld en, bij gebreke van teboekstelling, door het recht van de Staat waar het binnenschip wordt gebouwd of verbouwd.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een binnenschip in aanbouw als schip beschouwd zodra de aanbouw ervan begonnen is.
§ 3. Het in het vorige paragrafen bedoelde recht is het recht dat geldt op het ogenblik waarop de rechten op het binnenschip wordt ingeroepen.
De verwerving en het verlies van rechten op een binnenschip worden evenwel beheerst door het recht dat geldt op het ogenblik waarop de handelingen of feiten die worden ingeroepen als grond van verwerving of verlies van die rechten zich voordoen.
§ 4. Het in de vorige paragrafen bedoelde recht bepaalt in het bijzonder :
1° of het binnenschip roerend of onroerend is;
2° wat een bestanddeel en een toebehoren van het binnenschip is;
3° welke rechten op een binnenschip kunnen rusten en welke de aard en de inhoud van die rechten zijn;
4° op welke wijze die rechten ontstaan, wijzigen, overgaan en tenietgaan en welke hun onderlinge verhouding is;
5° de titularissen van die rechten;
6° de beschikbaarheid van die rechten;
7° de openbaarmaking en de tegenstelbaarheid van die rechten.
§ 5. De paragrafen 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op rechten op binnenschepen in aanbouw of in verbouwing.
Art. 3.2.2.1. Application internationale
§ 1er. Les droits sur un bateau de navigation intérieure sont régis par :
1° faute d'inscription dans un registre d'affrètements coque nue, le droit de l'Etat où le le bateau de navigation intérieure est enregistré ou immatriculé;
2° faute de port d'attache, le droit de l'Etat où le bateau de navigation intérieur est habituellement utilisé ou, si cet Etat ne peut pas être déterminé, le droit de l'Etat où le bateau de navigation intérieure se trouve.
§ 2. Les droits sur un bateau de navigation intérieure en construction ou en transformation sont régis par le droit de l'Etat où le bateau de navigation intérieure est enregistré ou immatriculé et, faute d'enregistrement ou d'immatriculation, par le droit de l'Etat où le bateau de navigation intérieure est, respectivement, construit ou transformé.
En vue de l'application du présent article, un bateau de navigation intérieure en construction est considéré comme bateau dès le début de sa construction.
§ 3. Le droit visé aux paragraphes précédents est le droit qui s'applique au moment où les droits sur le navire sont invoqués.
Toutefois, l'acquisition et la perte de droits sur un navire sont régies par le droit qui s'applique au moment de la survenance des actes ou des faits invoqués pour fonder l'acquisition ou la perte de ces droits.
§ 4. Le droit visé aux paragraphes précédents détermine en particulier :
1° le caractère mobilier ou immobilier du navire;
2° ce qui constitue un élément du navire ou un accessoire du navire;
3° quels droits peuvent exister sur un navire, et quelle est la nature et quel est le contenu de ces droits;
4° de quelle façon ces droits naissent, changent, se transmettent et s'éteignent, et quel est leur rapport réciproque;
5° les titulaires de ces droits;
6° la disponibilité de ces droits;
7° la publication et l'opposabilité de ces droits.
§ 5. Les paragraphes 3 et 4 s'appliquent également aux droits sur les navires en construction ou en transformation.
§ 1er. Les droits sur un bateau de navigation intérieure sont régis par :
1° faute d'inscription dans un registre d'affrètements coque nue, le droit de l'Etat où le le bateau de navigation intérieure est enregistré ou immatriculé;
2° faute de port d'attache, le droit de l'Etat où le bateau de navigation intérieur est habituellement utilisé ou, si cet Etat ne peut pas être déterminé, le droit de l'Etat où le bateau de navigation intérieure se trouve.
§ 2. Les droits sur un bateau de navigation intérieure en construction ou en transformation sont régis par le droit de l'Etat où le bateau de navigation intérieure est enregistré ou immatriculé et, faute d'enregistrement ou d'immatriculation, par le droit de l'Etat où le bateau de navigation intérieure est, respectivement, construit ou transformé.
En vue de l'application du présent article, un bateau de navigation intérieure en construction est considéré comme bateau dès le début de sa construction.
§ 3. Le droit visé aux paragraphes précédents est le droit qui s'applique au moment où les droits sur le navire sont invoqués.
Toutefois, l'acquisition et la perte de droits sur un navire sont régies par le droit qui s'applique au moment de la survenance des actes ou des faits invoqués pour fonder l'acquisition ou la perte de ces droits.
§ 4. Le droit visé aux paragraphes précédents détermine en particulier :
1° le caractère mobilier ou immobilier du navire;
2° ce qui constitue un élément du navire ou un accessoire du navire;
3° quels droits peuvent exister sur un navire, et quelle est la nature et quel est le contenu de ces droits;
4° de quelle façon ces droits naissent, changent, se transmettent et s'éteignent, et quel est leur rapport réciproque;
5° les titulaires de ces droits;
6° la disponibilité de ces droits;
7° la publication et l'opposabilité de ces droits.
§ 5. Les paragraphes 3 et 4 s'appliquent également aux droits sur les navires en construction ou en transformation.
Art. 3.2.2.2. Andere regelgeving
Zijn niet van toepassing op binnenschepen :
1° [1 ...]1
2° artikel 87 en 89 van het Wetboek van internationaal privaatrecht.
Zijn niet van toepassing op binnenschepen :
1° [1 ...]1
2° artikel 87 en 89 van het Wetboek van internationaal privaatrecht.
Art. 3.2.2.2. Autre réglementation
Ne s'appliquent pas aux bateaux de navigation intérieure :
1° [1 ...]1
2° les articles 87 et 89 du Code de droit international privé.
Ne s'appliquent pas aux bateaux de navigation intérieure :
1° [1 ...]1
2° les articles 87 et 89 du Code de droit international privé.
Wijzigingen
Art. 3.2.2.3. Afwijkende bedingen
Bedingen die afwijken van deze titel zijn nietig.
Bedingen die afwijken van deze titel zijn nietig.
Art. 3.2.2.3. Clauses dérogatoires
Les clauses qui dérogent au présent titre sont nulles.
Les clauses qui dérogent au présent titre sont nulles.
Art. 3.2.2.4. Roerend goed
Binnenschepen zijn roerende goederen.
Zij worden alleen onroerend door incorporatie wanneer zij daardoor een vast tuig worden.
Zij worden niet onroerend door bestemming.
Binnenschepen zijn roerende goederen.
Zij worden alleen onroerend door incorporatie wanneer zij daardoor een vast tuig worden.
Zij worden niet onroerend door bestemming.
Art. 3.2.2.4. Bien meuble
Les bateaux de navigation intérieure sont meubles.
Ils ne deviennent immeubles par incorporation que s'ils deviennent des engins fixes par suite de cette incorporation.
Ils ne deviennent pas immeubles par destination.
Les bateaux de navigation intérieure sont meubles.
Ils ne deviennent immeubles par incorporation que s'ils deviennent des engins fixes par suite de cette incorporation.
Ils ne deviennent pas immeubles par destination.
Art. 3.2.2.5. Verkrijging van eigendom
§ 1. De eigendom van een binnenschip wordt verkregen :
1° behoudens de afwijkingen bepaald in de paragrafen 2 en 3, overeenkomstig het landrecht;
2° door abandonnement, [2 ...]2 verbeurdverklaring en op andere wijzen, overeenkomstig bijzondere wetten.
§ 2. Een teboekgesteld binnenschip kan niet het voorwerp uitmaken van een handgift.
§ 3. Met betrekking tot een teboekgesteld binnenschip geldt het bezit niet als titel.
De bezitter van een niet teboekgesteld binnenschip verkrijgt slechts rechten op dat binnenschip door dertigjarige verjaring [1 overeenkomstig de artikelen 3.26 en 3.27 van het Burgerlijk Wetboek]1.
§ 1. De eigendom van een binnenschip wordt verkregen :
1° behoudens de afwijkingen bepaald in de paragrafen 2 en 3, overeenkomstig het landrecht;
2° door abandonnement, [2 ...]2 verbeurdverklaring en op andere wijzen, overeenkomstig bijzondere wetten.
§ 2. Een teboekgesteld binnenschip kan niet het voorwerp uitmaken van een handgift.
§ 3. Met betrekking tot een teboekgesteld binnenschip geldt het bezit niet als titel.
De bezitter van een niet teboekgesteld binnenschip verkrijgt slechts rechten op dat binnenschip door dertigjarige verjaring [1 overeenkomstig de artikelen 3.26 en 3.27 van het Burgerlijk Wetboek]1.
Art. 3.2.2.5. Manières dont on acquiert la propriété
§ 1er. La propriété d'un bateau de navitation intérieure s'acquiert :
1° exception faite des dérogations des paragraphes 2 et 3, par les manières du droit terrestre;
2° par délaissement, [2 ...]2 confiscation et par d'autres manières conformément à des lois spéciales.
§ 2. Un bateau de navigation intérieure immatriculé ne peut faire l'objet d'un don manuel.
§ 3. En matière de bateau de navigation intérieure immatriculé, la possession ne vaut pas titre.
Le possesseur d'un bateau de navigation intérieure non immatriculé n'acquiert des droits sur ce bateau de navigation intérieureque par prescription trentenaire [1 conformément aux articles 3.26 et 3.27 du Code civil]1.
§ 1er. La propriété d'un bateau de navitation intérieure s'acquiert :
1° exception faite des dérogations des paragraphes 2 et 3, par les manières du droit terrestre;
2° par délaissement, [2 ...]2 confiscation et par d'autres manières conformément à des lois spéciales.
§ 2. Un bateau de navigation intérieure immatriculé ne peut faire l'objet d'un don manuel.
§ 3. En matière de bateau de navigation intérieure immatriculé, la possession ne vaut pas titre.
Le possesseur d'un bateau de navigation intérieure non immatriculé n'acquiert des droits sur ce bateau de navigation intérieureque par prescription trentenaire [1 conformément aux articles 3.26 et 3.27 du Code civil]1.
Art. 3.2.2.6. Bewijs van eigendom
Onverminderd andere bepalingen betreffende het bewijs en betreffende de tegenstelbaarheid van in een scheepsregister ingeschreven akten en vonnissen, kan de rechter uit de ter uitvoering van de bepalingen betreffende de teboekstelling van binnenschepen in een scheepsregister opgenomen vermeldingen en uit door een overheid uitgereikte documenten betreffende een binnenschip in alle gevallen feitelijke vermoedens omtrent de eigendom van dat [1 binnenschip]1 afleiden.
Onverminderd andere bepalingen betreffende het bewijs en betreffende de tegenstelbaarheid van in een scheepsregister ingeschreven akten en vonnissen, kan de rechter uit de ter uitvoering van de bepalingen betreffende de teboekstelling van binnenschepen in een scheepsregister opgenomen vermeldingen en uit door een overheid uitgereikte documenten betreffende een binnenschip in alle gevallen feitelijke vermoedens omtrent de eigendom van dat [1 binnenschip]1 afleiden.
Art. 3.2.2.6. Preuve de la propriété
Sans préjudice d'autres dispositions relatives à la preuve et à l'opposabilité des actes et jugements inscrits dans un registre naval, le juge peut dans tous les cas déduire des mentions reprises en exécution des dispositions relatives à l'immatriculation des bateaux de navigation intérieure dans un registre naval ainsi que des documents délivrés par des autorités relativement à un bateau de navigation intérieure des présomptions de fait concernant la propriété du bateau de navigation intérieure.
Sans préjudice d'autres dispositions relatives à la preuve et à l'opposabilité des actes et jugements inscrits dans un registre naval, le juge peut dans tous les cas déduire des mentions reprises en exécution des dispositions relatives à l'immatriculation des bateaux de navigation intérieure dans un registre naval ainsi que des documents délivrés par des autorités relativement à un bateau de navigation intérieure des présomptions de fait concernant la propriété du bateau de navigation intérieure.
Art. 3.2.2.7. Andere rechten op binnenschepen
§ 1. Op binnenschepen kunnen alle beperkte zakelijke rechten worden gevestigd die naar landrecht kunnen worden gevestigd op roerende goederen.
Bovendien kan op binnenschepen een recht van bewoning worden gevestigd.
§ 2. [1 Artikel 3.2.2.6 is op de bewijsvoering met betrekking tot beperkte zakelijke rechten en persoonlijke rechten op binnenschepen van overeenkomstige toepassing.]1
§ 1. Op binnenschepen kunnen alle beperkte zakelijke rechten worden gevestigd die naar landrecht kunnen worden gevestigd op roerende goederen.
Bovendien kan op binnenschepen een recht van bewoning worden gevestigd.
§ 2. [1 Artikel 3.2.2.6 is op de bewijsvoering met betrekking tot beperkte zakelijke rechten en persoonlijke rechten op binnenschepen van overeenkomstige toepassing.]1
Art. 3.2.2.7. Autres droits sur des bateau de navigation intérieure
§ 1er. Tous les droits réels limités qui peuvent être constitués en droit terrestre sur des meubles peuvent être constitués sur des bateaux de navigation intérieure.
En outre, il peut être constitué un droit d'habitation sur des bateaux de navigation intérieure.
§ 2. [1 L'article 3.2.2.6 s'applique par analogie à l'administration de la preuve relative aux droits réels limités et droits personnels sur des bateaux de navigawtion intérieure.]1
§ 1er. Tous les droits réels limités qui peuvent être constitués en droit terrestre sur des meubles peuvent être constitués sur des bateaux de navigation intérieure.
En outre, il peut être constitué un droit d'habitation sur des bateaux de navigation intérieure.
§ 2. [1 L'article 3.2.2.6 s'applique par analogie à l'administration de la preuve relative aux droits réels limités et droits personnels sur des bateaux de navigawtion intérieure.]1
Wijzigingen
Art. 3.2.2.8. Rechten op scheepsbestanddelen en scheepstoebehoren
De rechten op een binnenschip strekken zich uit tot de scheepsbestanddelen en, behoudens afwijkend beding, tot het scheepstoebehoren.
De rechten op een binnenschip strekken zich uit tot de scheepsbestanddelen en, behoudens afwijkend beding, tot het scheepstoebehoren.
Art. 3.2.2.8. Droits sur éléments et accessoires des navires
Les droits sur un bateau de navigation intérieure s'étendent aux éléments du navire et, à moins de convention contraire, aux accessoires du navire.
Les droits sur un bateau de navigation intérieure s'étendent aux éléments du navire et, à moins de convention contraire, aux accessoires du navire.
HOOFDSTUK 3. - Scheepszekerheidsrechten
CHAPITRE 3. - Sûretés sur navires
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1ère. - Dispostions générales
Art. 3.2.3.1. Internationale toepassing
§ 1. Voorrangsrechten, voorrechten, hypotheken, scheepsverbanden en inschrijfbare of anderszins registreerbare lasten van dezelfde aard op een binnenschip of een binnenschip in aanbouw worden beheerst door het recht van de Staat waar het binnenschip respectievelijk het binnenschip in aanbouw is geregistreerd.
Het in het vorige lid bedoelde recht is het recht dat geldt op het ogenblik waarop de rechten op het binnenschip wordt ingeroepen. De verwerving en het verlies van rechten op een binnenschip worden evenwel beheerst door het recht dat geldt op het ogenblik waarop de handelingen of feiten die worden ingeroepen als grond van verwerving of verlies van die rechten zich voordoen.
Het in de vorige leden bedoelde recht regelt in het bijzonder :
1° welke van de in het eerste lid bedoelde zekerheidsrechten op een binnenschip of een binnenschip in aanbouw of in verbouwing kunnen rusten en welke de aard en de inhoud van die rechten zijn;
2° op welke wijze die zekerheidsrechten ontstaan, wijzigen, overgaan en tenietgaan en welke hun onderlinge verhouding is;
3° de titularissen van die zekerheidsrechten;
4° de openbaarmaking en de tegenstelbaarheid van die zekerheidsrechten;
5° onverminderd van paragraaf 2, hun onderlinge rang.
§ 2. De tegenstelbaarheid aan derden van scheepsretentierechten wordt beheerst door het recht van de Staat op het grondgebied waarvan het binnenschip, of het binnenschip in aanbouw of in verbouwing, zich bevindt op het ogenblik waarop dat recht wordt uitgeoefend.
§ 3. De rechtspleging ter zake van de uitoefening van scheepszekerheidsrechten wordt beheerst door het recht van de Staat voor de rechtbank waarvan zij wordt gevoerd.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt een binnenschip als schip beschouwd zodra de aanbouw ervan begonnen is.
§ 1. Voorrangsrechten, voorrechten, hypotheken, scheepsverbanden en inschrijfbare of anderszins registreerbare lasten van dezelfde aard op een binnenschip of een binnenschip in aanbouw worden beheerst door het recht van de Staat waar het binnenschip respectievelijk het binnenschip in aanbouw is geregistreerd.
Het in het vorige lid bedoelde recht is het recht dat geldt op het ogenblik waarop de rechten op het binnenschip wordt ingeroepen. De verwerving en het verlies van rechten op een binnenschip worden evenwel beheerst door het recht dat geldt op het ogenblik waarop de handelingen of feiten die worden ingeroepen als grond van verwerving of verlies van die rechten zich voordoen.
Het in de vorige leden bedoelde recht regelt in het bijzonder :
1° welke van de in het eerste lid bedoelde zekerheidsrechten op een binnenschip of een binnenschip in aanbouw of in verbouwing kunnen rusten en welke de aard en de inhoud van die rechten zijn;
2° op welke wijze die zekerheidsrechten ontstaan, wijzigen, overgaan en tenietgaan en welke hun onderlinge verhouding is;
3° de titularissen van die zekerheidsrechten;
4° de openbaarmaking en de tegenstelbaarheid van die zekerheidsrechten;
5° onverminderd van paragraaf 2, hun onderlinge rang.
§ 2. De tegenstelbaarheid aan derden van scheepsretentierechten wordt beheerst door het recht van de Staat op het grondgebied waarvan het binnenschip, of het binnenschip in aanbouw of in verbouwing, zich bevindt op het ogenblik waarop dat recht wordt uitgeoefend.
§ 3. De rechtspleging ter zake van de uitoefening van scheepszekerheidsrechten wordt beheerst door het recht van de Staat voor de rechtbank waarvan zij wordt gevoerd.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt een binnenschip als schip beschouwd zodra de aanbouw ervan begonnen is.
Art. 3.2.3.1. Application internationale
§ 1er. Les droits de priorité, privilèges, hypothèques, mortgages et charges de même nature, inscriptibles ou enregistrables d'une autre manière sur un bateau de navigation intérieure ou sur un bateau de navigation intérieure en construction sont régis par le droit de l'Etat où, respectivement, le bateau de navigation intérieure ou le bateau de navigation intérieure en construction a été enregistré.
Le droit visé à l'alinéa précédent est le droit applicable lorsque les droits sur le bateau de navigation intérieure sont invoqués. Toutefois, l'acquisition et la perte de droits sur un bateau de navigation intérieuresont régies par le droit qui s'applique au moment de la survenance des actes ou des faits invoqués pour fonder l'acquisition ou la perte de ces droits.
Le droit visé aux alinéas précédents règle notamment :
1° les sûretés visées à l'alinéa 1er qui peuvent grever un bateau de navigation intérieure, un bateau de navigation intérieure en construction ou un bateau de navigation intérieure en transformation, ainsi que la nature et le contenu de ces sûretés;
2° la manière dont ces sûretés s'établissent, se modifient, se transmettent et s'éteignent, et leurs rapports mutuels;
3° les titulaires de ces sûretés;
4° la publicité et l'opposabilité de ces sûretés;
5° leurs rangs respectifs, sans préjudice du paragraphe 2.
§ 2. L'opposabilité aux tiers des droits de rétention sur navires est régie par le droit de l'Etat sur le territoire duquel bateau de navigation intérieure, bateau de navigation intérieureen construction ou le bateau de navigation intérieure en transformation se trouve lorsque ces droits sont invoqués.
§ 3. La procédure relative à l'exercice des sûretés sur navires est régie par le droit de l'Etat du tribunal devant lequel elle est menée.
§ 4. Pour l'application du présent article, le bateau de navigation intérieure est considéré comme bateau dès le début de sa construction.
§ 1er. Les droits de priorité, privilèges, hypothèques, mortgages et charges de même nature, inscriptibles ou enregistrables d'une autre manière sur un bateau de navigation intérieure ou sur un bateau de navigation intérieure en construction sont régis par le droit de l'Etat où, respectivement, le bateau de navigation intérieure ou le bateau de navigation intérieure en construction a été enregistré.
Le droit visé à l'alinéa précédent est le droit applicable lorsque les droits sur le bateau de navigation intérieure sont invoqués. Toutefois, l'acquisition et la perte de droits sur un bateau de navigation intérieuresont régies par le droit qui s'applique au moment de la survenance des actes ou des faits invoqués pour fonder l'acquisition ou la perte de ces droits.
Le droit visé aux alinéas précédents règle notamment :
1° les sûretés visées à l'alinéa 1er qui peuvent grever un bateau de navigation intérieure, un bateau de navigation intérieure en construction ou un bateau de navigation intérieure en transformation, ainsi que la nature et le contenu de ces sûretés;
2° la manière dont ces sûretés s'établissent, se modifient, se transmettent et s'éteignent, et leurs rapports mutuels;
3° les titulaires de ces sûretés;
4° la publicité et l'opposabilité de ces sûretés;
5° leurs rangs respectifs, sans préjudice du paragraphe 2.
§ 2. L'opposabilité aux tiers des droits de rétention sur navires est régie par le droit de l'Etat sur le territoire duquel bateau de navigation intérieure, bateau de navigation intérieureen construction ou le bateau de navigation intérieure en transformation se trouve lorsque ces droits sont invoqués.
§ 3. La procédure relative à l'exercice des sûretés sur navires est régie par le droit de l'Etat du tribunal devant lequel elle est menée.
§ 4. Pour l'application du présent article, le bateau de navigation intérieure est considéré comme bateau dès le début de sa construction.
Art. 3.2.3.2. Uitlegging
De scheepsvoorrangsrechten, scheepsvoorrechten en scheepsretentierechten worden uitgelegd in beperkende zin.
De scheepsvoorrangsrechten, scheepsvoorrechten en scheepsretentierechten worden uitgelegd in beperkende zin.
Art. 3.2.3.2. Interprétation
Les droits de priorité sur navires, les privilèges sur navires et les droits de rétention sur navires sont interprétés de manière restrictive.
Les droits de priorité sur navires, les privilèges sur navires et les droits de rétention sur navires sont interprétés de manière restrictive.
Art. 3.2.3.3. Andere regelgeving
§ 1. Deze afdeling geldt onverminderd :
1° Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking);
2° artikel 119 van het Wetboek van internationaal privaatrecht.
§ 2. Behoudens uitdrukkelijke afwijking is de Hypotheekwet niet van toepassing op scheepszekerheidsrechten.
§ 1. Deze afdeling geldt onverminderd :
1° Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking);
2° artikel 119 van het Wetboek van internationaal privaatrecht.
§ 2. Behoudens uitdrukkelijke afwijking is de Hypotheekwet niet van toepassing op scheepszekerheidsrechten.
Art. 3.2.3.3. Autre réglementation
§ 1er. La présente section s'applique sans préjudice :
1° du Règlement (UE) 2015/848 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 relatif aux procédures d'insolvabilité (refonte);
2° de l'article 119 du Code de droit international privé.
§ 2. Sauf dérogation expresse, la loi hypothécaire ne s'applique pas aux sûretés sur navires.
§ 1er. La présente section s'applique sans préjudice :
1° du Règlement (UE) 2015/848 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 relatif aux procédures d'insolvabilité (refonte);
2° de l'article 119 du Code de droit international privé.
§ 2. Sauf dérogation expresse, la loi hypothécaire ne s'applique pas aux sûretés sur navires.
Art. 3.2.3.4. Afwijkende bedingen
Behoudens uitdrukkelijke uitzondering, zijn bedingen die van dit hoofdstuk afwijken nietig.
Behoudens uitdrukkelijke uitzondering, zijn bedingen die van dit hoofdstuk afwijken nietig.
Art. 3.2.3.4. Clauses dérogatoires
Sauf exception expresse, les clauses qui dérogent au présent chapitre sont nulles.
Sauf exception expresse, les clauses qui dérogent au présent chapitre sont nulles.
Art. 3.2.3.5. Soorten zekerheden op schepen
§ 1. Onverminderd een beding van eigendomsvoorbehoud, vloeit voorrang tussen de schuldeisers van een binnenschip of een binnenschip in aanbouw of in verbouwing uitsluitend voort uit scheepszekerheidsrechten of uit een pandrecht bedoeld in paragraaf 2.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een binnenschip in aanbouw of in verbouwing als binnenschip beschouwd zodra de bouwovereenkomst respectievelijk de verbouwingsovereenkomst is ondertekend.
§ 2. Uitsluitend een niet-geregistreerd binnenschip kan het voorwerp zijn van een pandrecht in de zin van titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek.
§ 1. Onverminderd een beding van eigendomsvoorbehoud, vloeit voorrang tussen de schuldeisers van een binnenschip of een binnenschip in aanbouw of in verbouwing uitsluitend voort uit scheepszekerheidsrechten of uit een pandrecht bedoeld in paragraaf 2.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een binnenschip in aanbouw of in verbouwing als binnenschip beschouwd zodra de bouwovereenkomst respectievelijk de verbouwingsovereenkomst is ondertekend.
§ 2. Uitsluitend een niet-geregistreerd binnenschip kan het voorwerp zijn van een pandrecht in de zin van titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 3.2.3.5. Types de sûretés sur navires
§ 1er. Sans préjudice d'une clause de réserve de propriété, les droits de priorité entre les créanciers d'un bateau de navigation intérieure, un bateau de navigation intérieure en construction ou un bateau de navigation intérieure en transformation résultent exclusivement de sûretés sur navires ou d'un gage visé au paragraphe 2.
En vue de l'application du présent article, un bateau de navigation intérieure en construction ou en transformation est considéré comme un bateau de navigation intérieure dès la signature du contrat de construction ou de transformation.
§ 2. Seul un bateau de navigation intérieure non enregistré peut faire l'objet d'un gage au sens du titre XVII du livre III du Code civil.
§ 1er. Sans préjudice d'une clause de réserve de propriété, les droits de priorité entre les créanciers d'un bateau de navigation intérieure, un bateau de navigation intérieure en construction ou un bateau de navigation intérieure en transformation résultent exclusivement de sûretés sur navires ou d'un gage visé au paragraphe 2.
En vue de l'application du présent article, un bateau de navigation intérieure en construction ou en transformation est considéré comme un bateau de navigation intérieure dès la signature du contrat de construction ou de transformation.
§ 2. Seul un bateau de navigation intérieure non enregistré peut faire l'objet d'un gage au sens du titre XVII du livre III du Code civil.
Art. 3.2.3.6. Ontstaan en bewijs van scheepsvoorrangsrechten en scheepsvoorrechten
Scheepsvoorrangsrechten en scheepsvoorrechten ontstaan uit de wet en zijn verbonden aan de aard van de schuldvordering. Zij zijn aan geen formaliteit en aan geen bijzonder bewijsvoorschrift onderworpen.
Scheepsvoorrangsrechten en scheepsvoorrechten ontstaan uit de wet en zijn verbonden aan de aard van de schuldvordering. Zij zijn aan geen formaliteit en aan geen bijzonder bewijsvoorschrift onderworpen.
Art. 3.2.3.6. Naissance et preuve des droits de priorité sur navires et des privilèges sur navires
Les droits de priorité sur navires et les privilèges sur navires résultent de la loi et sont attachés à la qualité de la créance. Ils ne sont soumis à aucune formalité ni à aucune condition spéciale de preuve.
Les droits de priorité sur navires et les privilèges sur navires résultent de la loi et sont attachés à la qualité de la créance. Ils ne sont soumis à aucune formalité ni à aucune condition spéciale de preuve.
Art. 3.2.3.7. Hoedanigheid van de schuldenaar
Scheepsvoorrangsrechten en scheepsvoorrechten ontstaan wanneer de schuldenaar hetzij eigenaar, hetzij mede-eigenaar, hetzij exploitant van het binnenschip of het binnenschip in aanbouw of in verbouwing, hetzij werkgever van het betrokken bemanningslid is.
Indien de schuldenaar evenwel buiten het bezit van het binnenschip is gesteld door een onrechtmatige daad en de schuldeiser of zijn rechtsopvolger niet te goeder trouw is, kan geen scheepsvoorrangsrecht of scheepsvoorrecht worden uitgeoefend.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een binnenschip in aanbouw of in verbouwing als binnenschip beschouwd zodra de bouwovereenkomst respectievelijk de verbouwingsovereenkomst is ondertekend.
Scheepsvoorrangsrechten en scheepsvoorrechten ontstaan wanneer de schuldenaar hetzij eigenaar, hetzij mede-eigenaar, hetzij exploitant van het binnenschip of het binnenschip in aanbouw of in verbouwing, hetzij werkgever van het betrokken bemanningslid is.
Indien de schuldenaar evenwel buiten het bezit van het binnenschip is gesteld door een onrechtmatige daad en de schuldeiser of zijn rechtsopvolger niet te goeder trouw is, kan geen scheepsvoorrangsrecht of scheepsvoorrecht worden uitgeoefend.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een binnenschip in aanbouw of in verbouwing als binnenschip beschouwd zodra de bouwovereenkomst respectievelijk de verbouwingsovereenkomst is ondertekend.
Art. 3.2.3.7. Qualité du débiteur
Les droits de priorité sur navires et les privilèges sur navires s'établissent lorsque le débiteur est soit propriétaire, soit copropriétaire, soit l'exploitant du bateau de navigation intérieure, du bateau de navigation intérieure en construction ou du bateau de navigation intérieure en transformation, soit employeur du membre d'équipage concerné.
Toutefois, lorsque le débiteur s'est trouvé désaisi du bateau de navigation intérieure par un acte illicite et que le créancier ou son successeur n'est pas de bonne foi, aucun droit de priorité sur navire ou privilège sur navire ne peut être exercé.
En vue de l'application du présent article, un bateau de navigation intérieure en construction ou en transformation est considéré comme bateau de navigation intérieure dès la signature du contrat de construction ou de transformation.
Les droits de priorité sur navires et les privilèges sur navires s'établissent lorsque le débiteur est soit propriétaire, soit copropriétaire, soit l'exploitant du bateau de navigation intérieure, du bateau de navigation intérieure en construction ou du bateau de navigation intérieure en transformation, soit employeur du membre d'équipage concerné.
Toutefois, lorsque le débiteur s'est trouvé désaisi du bateau de navigation intérieure par un acte illicite et que le créancier ou son successeur n'est pas de bonne foi, aucun droit de priorité sur navire ou privilège sur navire ne peut être exercé.
En vue de l'application du présent article, un bateau de navigation intérieure en construction ou en transformation est considéré comme bateau de navigation intérieure dès la signature du contrat de construction ou de transformation.
Art. 3.2.3.8. Overdracht en subrogatie
De overdracht van een schuldvordering waaraan een scheepsvoorrangsrecht of een scheepsvoorrecht is verbonden of de subrogatie in de rechten van de houder van een dergelijke vordering heeft de overdracht van het scheepsvoorrangsrecht respectievelijk het scheepsvoorrecht tot gevolg.
De overdracht van een schuldvordering waaraan een scheepsvoorrangsrecht of een scheepsvoorrecht is verbonden of de subrogatie in de rechten van de houder van een dergelijke vordering heeft de overdracht van het scheepsvoorrangsrecht respectievelijk het scheepsvoorrecht tot gevolg.
Art. 3.2.3.8. Cession et subrogation
La cession d'une créance assortie d'un droit de priorité sur navire ou d'un privilège sur navire, ou la subrogation dans les droits du titulaire d'une telle créance, entraîne la cession du droit de priorité sur navire ou du privilège sur navire.
La cession d'une créance assortie d'un droit de priorité sur navire ou d'un privilège sur navire, ou la subrogation dans les droits du titulaire d'une telle créance, entraîne la cession du droit de priorité sur navire ou du privilège sur navire.
Art. 3.2.3.9. Volgrecht
§ 1. De scheepszekerheidsrechten volgen het binnenschip, ook in geval van verandering van eigendom of teboekstelling.
§ 2. Indien de derde-bezitter de bevoorrechte en hypothecaire schulden niet betaalt binnen de betalings- en uitsteltermijnen aan de schuldenaar verleend of de hierna te bepalen formaliteiten om zijn eigendom te zuiveren niet vervult, heeft elke schuldeiser het recht om het bezwaarde binnenschip te doen verkopen.
§ 1. De scheepszekerheidsrechten volgen het binnenschip, ook in geval van verandering van eigendom of teboekstelling.
§ 2. Indien de derde-bezitter de bevoorrechte en hypothecaire schulden niet betaalt binnen de betalings- en uitsteltermijnen aan de schuldenaar verleend of de hierna te bepalen formaliteiten om zijn eigendom te zuiveren niet vervult, heeft elke schuldeiser het recht om het bezwaarde binnenschip te doen verkopen.
Art. 3.2.3.9. Droit de suite
§ 1er. Les sûretés sur navires suivent le bateau de navigation intérieure, nonobstant tout changement de propriété, ou d'immatriculation.
§ 2. Faute par le tiers détenteur de payer les dettes privilégiées et hypothécaires dans les termes et délais accordés au débiteur, ou de remplir les formalités qui seront établies ci-après pour purger sa propriété, chaque créancier a le droit de faire vendre le bateau de navigation intérieure grevé.
§ 1er. Les sûretés sur navires suivent le bateau de navigation intérieure, nonobstant tout changement de propriété, ou d'immatriculation.
§ 2. Faute par le tiers détenteur de payer les dettes privilégiées et hypothécaires dans les termes et délais accordés au débiteur, ou de remplir les formalités qui seront établies ci-après pour purger sa propriété, chaque créancier a le droit de faire vendre le bateau de navigation intérieure grevé.
Art. 3.2.3.10. Oorzaken van tenietgaan van scheepsvoorrechten en scheepshypotheken
De scheepsvoorrechten en de scheepshypotheken gaan teniet :
1° door het tenietgaan van de hoofdverbintenis;
2° door afstand door de schuldeiser;
3° door de gedwongen verkoop van het binnenschip;
4° door de vrijwillige vervreemding van het binnenschip, gevolgd door de vervulling van de formaliteiten en voorwaarden bedoeld in de artikel en 3.2.3.19 respectievelijk 3.2.3.44.
De scheepsvoorrechten en de scheepshypotheken gaan teniet :
1° door het tenietgaan van de hoofdverbintenis;
2° door afstand door de schuldeiser;
3° door de gedwongen verkoop van het binnenschip;
4° door de vrijwillige vervreemding van het binnenschip, gevolgd door de vervulling van de formaliteiten en voorwaarden bedoeld in de artikel en 3.2.3.19 respectievelijk 3.2.3.44.
Art. 3.2.3.10. Causes d'extinction de privilèges sur navires et d'hypothèques sur navires
Les privilèges sur navires et les hypothèques sur navires s'éteignent :
1° par l'extinction de l'obligation principale;
2° par la renonciation du créancier;
3° par la vente forcée du bateau de navigation intérieure;
4° par l'aliénation volontaire du bateau de navigation intérieure, suivie de l'accomplissement des formalités et conditions visées aux articles 3.2.3.19 et 3.2.3.44.
Les privilèges sur navires et les hypothèques sur navires s'éteignent :
1° par l'extinction de l'obligation principale;
2° par la renonciation du créancier;
3° par la vente forcée du bateau de navigation intérieure;
4° par l'aliénation volontaire du bateau de navigation intérieure, suivie de l'accomplissement des formalités et conditions visées aux articles 3.2.3.19 et 3.2.3.44.
Afdeling 2. - Scheepsvoorrangsrechten
Section 2. - Droits de priorité sur navires
Art. 3.2.3.11. Kosten waarvoor een scheepsvoorrangsrecht geldt
§ 1. In geval van uitvoerend beslag op een binnenschip worden de aan de overheid verschuldigde gerechtskosten en de in de laatste haven gemaakte kosten van bewaking en behoud, evenals de desgevallend door de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever aangewezen aan de overheid verschuldigde kosten, uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere vorderingen, op voorwaarde dat deze gerechtskosten en kosten :
1° werden gemaakt vanaf het bevel tot betaling, tenzij in geval van omzetting van een bewarend beslag, in welk geval de kosten vanaf dat laatste beslag in aanmerking komen;
2° betrekking hadden op het in beslag genomen binnenschip;
3° werden gemaakt in het gemeenschappelijk belang van de schuldeisers; en
4° noodzakelijk waren met het oog op de verkoop, de rangregeling en de verdeling van de opbrengst.
§ 2. Onder de in de eerste paragraaf bedoelde kosten kunnen onder meer vallen :
1° de kosten van het eerste bewarend beslag op het betrokken binnenschip;
2° de kosten van een gerechtelijk sekwester;
3° de kosten van berging, onderhoud en herstelling van het betrokken binnenschip;
4° de kosten van de levering van verbruiksgoederen met het oog op het verblijf in de haven;
5° de bedragen die aan de schipper en de bemanningsleden verschuldigd zijn in verband met hun werkzaamheden aan boord van het betrokken binnenschip in de haven, met inbegrip van de aan deze personen verschuldigde terugbetalingen van in deze paragraaf bedoelde kosten en van repatriëringskosten;
6° de kosten van het in de haven aan boord plaatsen van personen ter vervanging van de kapitein of de bemanning en teneinde het binnenschip te bewaken of manoeuvres uit te voeren;
7° de verzekeringspremies voor de periode van het verblijf in de haven tot aan de gedwongen verkoop.
§ 3. Onder de in de eerste paragraaf bedoelde kosten vallen in geen geval :
1° de kosten van een opgeheven bewarend beslag;
2° de kosten van een bewarend beslag gelegd na het eerste bewarend beslag;
3° de kosten om een uitvoerbare titel te bekomen;
4° de kosten in verband met scheepstoebehoren dat zich niet meer aan boord bevindt, tenzij wanneer deze werden gemaakt in het raam van onderhoud of herstelling van het schip;
5° de kosten gemaakt met het oog op het gebruik van het binnenschip na de gedwongen verkoop;
6° de verzekeringspremies voor de periode na de gedwongen verkoop.
§ 1. In geval van uitvoerend beslag op een binnenschip worden de aan de overheid verschuldigde gerechtskosten en de in de laatste haven gemaakte kosten van bewaking en behoud, evenals de desgevallend door de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever aangewezen aan de overheid verschuldigde kosten, uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere vorderingen, op voorwaarde dat deze gerechtskosten en kosten :
1° werden gemaakt vanaf het bevel tot betaling, tenzij in geval van omzetting van een bewarend beslag, in welk geval de kosten vanaf dat laatste beslag in aanmerking komen;
2° betrekking hadden op het in beslag genomen binnenschip;
3° werden gemaakt in het gemeenschappelijk belang van de schuldeisers; en
4° noodzakelijk waren met het oog op de verkoop, de rangregeling en de verdeling van de opbrengst.
§ 2. Onder de in de eerste paragraaf bedoelde kosten kunnen onder meer vallen :
1° de kosten van het eerste bewarend beslag op het betrokken binnenschip;
2° de kosten van een gerechtelijk sekwester;
3° de kosten van berging, onderhoud en herstelling van het betrokken binnenschip;
4° de kosten van de levering van verbruiksgoederen met het oog op het verblijf in de haven;
5° de bedragen die aan de schipper en de bemanningsleden verschuldigd zijn in verband met hun werkzaamheden aan boord van het betrokken binnenschip in de haven, met inbegrip van de aan deze personen verschuldigde terugbetalingen van in deze paragraaf bedoelde kosten en van repatriëringskosten;
6° de kosten van het in de haven aan boord plaatsen van personen ter vervanging van de kapitein of de bemanning en teneinde het binnenschip te bewaken of manoeuvres uit te voeren;
7° de verzekeringspremies voor de periode van het verblijf in de haven tot aan de gedwongen verkoop.
§ 3. Onder de in de eerste paragraaf bedoelde kosten vallen in geen geval :
1° de kosten van een opgeheven bewarend beslag;
2° de kosten van een bewarend beslag gelegd na het eerste bewarend beslag;
3° de kosten om een uitvoerbare titel te bekomen;
4° de kosten in verband met scheepstoebehoren dat zich niet meer aan boord bevindt, tenzij wanneer deze werden gemaakt in het raam van onderhoud of herstelling van het schip;
5° de kosten gemaakt met het oog op het gebruik van het binnenschip na de gedwongen verkoop;
6° de verzekeringspremies voor de periode na de gedwongen verkoop.
Art. 3.2.3.11. Frais visés par un droit de priorité sur navire
§ 1er. En cas de saisie-exécution sur bateau de navigation intérieure, les frais de justice dus à l'autorité et les frais de garde et de conservation exposés dans le dernier port, ainsi que les éventuels frais dus à une autorité indiqués le cas échéant par le législateur régional ou communautaire compétent sont réglés sur le produit de la vente par préférence à toute autre créance, pourvu que ces frais de justice et ces frais :
1° aient été exposés à partir du commandement de payer, sauf en cas de transformation de saisie conservatoire, auquel cas les frais exposés à partir de cette dernière saisie seront pris en compte;
2° aient été liés au bateau de navigation intérieure saisi;
3° aient été exposés dans l'intérêt commun des créanciers; et
4° aient été nécessaires en vue de la vente, de la détermination du rang et du partage du produit de la vente.
§ 2. Peuvent notamment être visés par les frais au premier paragraphe :
1° les frais de la première saisie conservatoire sur le bateau de navigation intérieure concerné;
2° les frais de séquestre judiciaire;
3° les frais d'assistance, d'entretien et de réparation du bateau de navigation intérieure concerné;
4° les frais de livraison des biens de consommation en vue du séjour dans le port;
5° les sommes dues au batelier et aux membres de l'équipage, liées à leurs activités à bord du bateau de navigation intérieure concerné dans le port, en ce compris les remboursements dus à ces personnes des frais visés au présent paragraphe et des frais de rapatriement;
6° les frais de placement à bord, dans le port, de personnes en remplacement du capitaine ou de l'équipage et en vue de la garde du bateau de navigation intérieure ou de l'exécution de manoeuvres;
7° les primes d'assurance pour la période du séjour dans le port jusqu'à la vente forcée.
§ 3. Ne sont en aucun cas visés par les frais au premier alinéa :
1° les frais de saisie conservatoire levée;
2° les frais de saisie conservatoire pratiquée après la première saisie conservatoire;
3° les frais exposés en vue de l'obtention d'un titre exécutoire;
4° les frais relatifs aux accessoires du navire ne se trouvant plus à bord, sauf lorsqu'ils ont été exposés dans le cadre de l'entretien ou de la réparation du navire;
5° les frais exposés en vue de l'usage du bateau de navigation intérieure après la vente forcée;
6° les primes d'assurance pour la période après la vente forcée.
§ 1er. En cas de saisie-exécution sur bateau de navigation intérieure, les frais de justice dus à l'autorité et les frais de garde et de conservation exposés dans le dernier port, ainsi que les éventuels frais dus à une autorité indiqués le cas échéant par le législateur régional ou communautaire compétent sont réglés sur le produit de la vente par préférence à toute autre créance, pourvu que ces frais de justice et ces frais :
1° aient été exposés à partir du commandement de payer, sauf en cas de transformation de saisie conservatoire, auquel cas les frais exposés à partir de cette dernière saisie seront pris en compte;
2° aient été liés au bateau de navigation intérieure saisi;
3° aient été exposés dans l'intérêt commun des créanciers; et
4° aient été nécessaires en vue de la vente, de la détermination du rang et du partage du produit de la vente.
§ 2. Peuvent notamment être visés par les frais au premier paragraphe :
1° les frais de la première saisie conservatoire sur le bateau de navigation intérieure concerné;
2° les frais de séquestre judiciaire;
3° les frais d'assistance, d'entretien et de réparation du bateau de navigation intérieure concerné;
4° les frais de livraison des biens de consommation en vue du séjour dans le port;
5° les sommes dues au batelier et aux membres de l'équipage, liées à leurs activités à bord du bateau de navigation intérieure concerné dans le port, en ce compris les remboursements dus à ces personnes des frais visés au présent paragraphe et des frais de rapatriement;
6° les frais de placement à bord, dans le port, de personnes en remplacement du capitaine ou de l'équipage et en vue de la garde du bateau de navigation intérieure ou de l'exécution de manoeuvres;
7° les primes d'assurance pour la période du séjour dans le port jusqu'à la vente forcée.
§ 3. Ne sont en aucun cas visés par les frais au premier alinéa :
1° les frais de saisie conservatoire levée;
2° les frais de saisie conservatoire pratiquée après la première saisie conservatoire;
3° les frais exposés en vue de l'obtention d'un titre exécutoire;
4° les frais relatifs aux accessoires du navire ne se trouvant plus à bord, sauf lorsqu'ils ont été exposés dans le cadre de l'entretien ou de la réparation du navire;
5° les frais exposés en vue de l'usage du bateau de navigation intérieure après la vente forcée;
6° les primes d'assurance pour la période après la vente forcée.
Art. 3.2.3.12. Onderlinge rang
De vorderingen waarvoor een scheepsvoorrangsrecht geldt staan in rang gelijk en worden pondspondsgewijs betaald.
De vorderingen waarvoor een scheepsvoorrangsrecht geldt staan in rang gelijk en worden pondspondsgewijs betaald.
Art. 3.2.3.12. Rang
Les créances visées par le droit de priorité sur navire sont de rang égal et payées au marc le franc.
Les créances visées par le droit de priorité sur navire sont de rang égal et payées au marc le franc.
Afdeling 3. [1 - Scheepsvoorrechten]1
Section 3. [1 - Privilèges sur navires]1
Art. 3.2.3.13. Begrip
In dit hoofdstuk wordt onder "reis" verstaan elke verplaatsing van een schip tussen twee havens.
In dit hoofdstuk wordt onder "reis" verstaan elke verplaatsing van een schip tussen twee havens.
Art. 3.2.3.13. Notion
Dans le présent chapitre, l'on entend par " voyage " tout déplacement d'un navire entre deux ports.
Dans le présent chapitre, l'on entend par " voyage " tout déplacement d'un navire entre deux ports.
Art. 3.2.3.14. Vorderingen waarvoor een scheepsvoorrecht geldt
§ 1. Onder voorbehoud van de door de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever ingestelde scheepsvoorrechten, zijn uitsluitend de volgende vorderingen bevoorrecht op het binnenschip en, behoudens afwijkend beding als bedoeld in artikel 3.2.2.8, op het scheepstoebehoren :
1° de vorderingen van de schipper en de bemanningsleden die voortspruiten uit een arbeidsovereenkomst en die verband houden met arbeid aan boord van het betrokken binnenschip, inbegrepen deze ter vergoeding van overlijden of letselschade, voor de terugbetaling van kosten en voor repatriëringskosten;
2° de tijdens de laatste reis ontstane vorderingen tot betaling van :
a) bergloon; en
b) de bijdrage van het binnenschip in averij-grosse;
3° de vorderingen tot vergoeding van :
a) schade veroorzaakt door aanvaring of andere scheepvaartongevallen;
b) overlijden of letselschade van de passagiers;
c) verlies of beschadiging van lading of bagage.
§ 2. De in de eerste paragraaf bedoelde vorderingen zijn alleen bevoorrecht in hoofdsom.
§ 1. Onder voorbehoud van de door de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever ingestelde scheepsvoorrechten, zijn uitsluitend de volgende vorderingen bevoorrecht op het binnenschip en, behoudens afwijkend beding als bedoeld in artikel 3.2.2.8, op het scheepstoebehoren :
1° de vorderingen van de schipper en de bemanningsleden die voortspruiten uit een arbeidsovereenkomst en die verband houden met arbeid aan boord van het betrokken binnenschip, inbegrepen deze ter vergoeding van overlijden of letselschade, voor de terugbetaling van kosten en voor repatriëringskosten;
2° de tijdens de laatste reis ontstane vorderingen tot betaling van :
a) bergloon; en
b) de bijdrage van het binnenschip in averij-grosse;
3° de vorderingen tot vergoeding van :
a) schade veroorzaakt door aanvaring of andere scheepvaartongevallen;
b) overlijden of letselschade van de passagiers;
c) verlies of beschadiging van lading of bagage.
§ 2. De in de eerste paragraaf bedoelde vorderingen zijn alleen bevoorrecht in hoofdsom.
Art. 3.2.3.14. Créances visées par un privilège sur navire
§ 1er. Sous réserve des privilèges sur navires instaurés par le législateur régional ou communautaire compétent, sont exclusivement privilégiées sur le bateau de navigation intérieure et, sauf clause dérogatoire telle que visée à l'article 3.2.2.8, sur les accessoires du navire les créances suivantes :
1° les créances du batelier et des membres de l'équipage résultant d'un contrat d'engagement maritime, en rapport avec l'emploi à bord du bateau de navigation intérieure concerné, en ce compris celles destinées à indemniser un décès ou des lésions corporelles, celles destinées à rembourser des frais et celles issues de frais de rapatriement;
2° les créances nées au cours du dernier voyage pour le paiement de :
a) la rémunération du chef d'assistance; et
b) la contribution du bateau de navigation intérieure en avarie commune;
3° les créances indemnisant :
a) le dommage causé par un abordage ou un autre accident de la navigation;
b) le décès ou les lésions corporelles des passagers;
c) la perte ou le dommage à la cargaison ou aux bagages.
§ 2. Les créances visées au paragraphe 1er sont uniquement privilégiées en principal.
§ 1er. Sous réserve des privilèges sur navires instaurés par le législateur régional ou communautaire compétent, sont exclusivement privilégiées sur le bateau de navigation intérieure et, sauf clause dérogatoire telle que visée à l'article 3.2.2.8, sur les accessoires du navire les créances suivantes :
1° les créances du batelier et des membres de l'équipage résultant d'un contrat d'engagement maritime, en rapport avec l'emploi à bord du bateau de navigation intérieure concerné, en ce compris celles destinées à indemniser un décès ou des lésions corporelles, celles destinées à rembourser des frais et celles issues de frais de rapatriement;
2° les créances nées au cours du dernier voyage pour le paiement de :
a) la rémunération du chef d'assistance; et
b) la contribution du bateau de navigation intérieure en avarie commune;
3° les créances indemnisant :
a) le dommage causé par un abordage ou un autre accident de la navigation;
b) le décès ou les lésions corporelles des passagers;
c) la perte ou le dommage à la cargaison ou aux bagages.
§ 2. Les créances visées au paragraphe 1er sont uniquement privilégiées en principal.
Art. 3.2.3.15. Uitsluiting van voorrechten voor bepaalde soorten schade
In afwijking van artikel 3.2.3.14 is geen scheepsvoorrecht verbonden aan de vorderingen die betrekking hebben op :
1° schade in verband met het vervoer over zee van olie, bunkerolie of andere gevaarlijke of schadelijke stoffen waarvoor aan de schuldeiser een vergoeding verschuldigd is op grond van een internationaal verdrag of een nationale wet waardoor een objectieve aansprakelijkheid wordt ingevoerd alsmede een verplichte verzekering of een andere zekerheid;
2° schade als gevolg van de radioactieve eigenschappen of een combinatie van radioactieve eigenschappen met toxische, explosieve of andere gevaarlijke eigenschappen van hetzij nucleaire brandstof, hetzij radioactieve producten of afval.
In afwijking van artikel 3.2.3.14 is geen scheepsvoorrecht verbonden aan de vorderingen die betrekking hebben op :
1° schade in verband met het vervoer over zee van olie, bunkerolie of andere gevaarlijke of schadelijke stoffen waarvoor aan de schuldeiser een vergoeding verschuldigd is op grond van een internationaal verdrag of een nationale wet waardoor een objectieve aansprakelijkheid wordt ingevoerd alsmede een verplichte verzekering of een andere zekerheid;
2° schade als gevolg van de radioactieve eigenschappen of een combinatie van radioactieve eigenschappen met toxische, explosieve of andere gevaarlijke eigenschappen van hetzij nucleaire brandstof, hetzij radioactieve producten of afval.
Art. 3.2.3.15. Exclusion des privilèges pour certains types de dommages
Par dérogation à l'article 3.2.3.14, aucun privilège n'est lié aux créances qui proviennent ou résultent :
1° d'un dommage découlant du transport maritime d'hydrocarbures, d'hydrocarbures de soute ou autres substances dangereuses ou nocives, pour lesquels des indemnités sont payables aux créanciers en application de conventions internationales ou de lois nationales qui prévoient un régime de responsabilité objective et une assurance obligatoire ou une autre sûreté;
2° d'un dommage provenant des propriétés radioactives ou d'une combinaison de propriétés radioactives avec des propriétés toxiques, explosives ou autres propriétés dangereuses d'un combustible nucléaire ou de produits ou déchets radioactifs.
Par dérogation à l'article 3.2.3.14, aucun privilège n'est lié aux créances qui proviennent ou résultent :
1° d'un dommage découlant du transport maritime d'hydrocarbures, d'hydrocarbures de soute ou autres substances dangereuses ou nocives, pour lesquels des indemnités sont payables aux créanciers en application de conventions internationales ou de lois nationales qui prévoient un régime de responsabilité objective et une assurance obligatoire ou une autre sûreté;
2° d'un dommage provenant des propriétés radioactives ou d'une combinaison de propriétés radioactives avec des propriétés toxiques, explosives ou autres propriétés dangereuses d'un combustible nucléaire ou de produits ou déchets radioactifs.
Art. 3.2.3.16. Rang boven scheepshypotheken
De scheepsvoorrechten gaan altijd boven scheepshypotheken, erkende scheepsverbanden en inschrijfbare of anderszins registreerbare lasten van dezelfde aard en een pandrecht bedoeld in artikel 3.2.3.5, § 2.
De scheepsvoorrechten gaan altijd boven scheepshypotheken, erkende scheepsverbanden en inschrijfbare of anderszins registreerbare lasten van dezelfde aard en een pandrecht bedoeld in artikel 3.2.3.5, § 2.
Art. 3.2.3.16. Rang primant les hypothèques sur navires
Les privilèges sur navires priment toujours les hypothèques sur navires, les mortgages reconnus et les charges de même nature, inscriptibles ou enregistrables d'une autre manière, ainsi que le gage visé à l'article 3.2.3.5, § 2.
Les privilèges sur navires priment toujours les hypothèques sur navires, les mortgages reconnus et les charges de même nature, inscriptibles ou enregistrables d'une autre manière, ainsi que le gage visé à l'article 3.2.3.5, § 2.
Art. 3.2.3.17. Onderlinge rang
§ 1. De bevoorrechte schuldeisers worden gerangschikt en betaald volgens de door de volgende paragrafen bepaalde rang van hun schuldvordering.
§ 2. Bevoorrechte schuldvorderingen van de laatste reis hebben voorrang boven die van de voorgaande reizen.
Schuldvorderingen uit een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst aangegaan voor verscheidene reizen, staan met de schuldvorderingen van de laatste reis evenwel in rang gelijk.
§ 3. Schuldvorderingen die overeenkomstig paragraaf 2 dezelfde rang genieten, nemen onderling rang in naar de volgorde waarin zij in artikel 3.2.3.14 zijn vermeld.
De schuldvorderingen vermeld onder eenzelfde nummer staan in rang gelijk.
In afwijking van het vorige lid, worden schuldvorderingen bedoeld in artikel 3.2.3.14, § 1, 2° in die categorie bij voorrang betaald in omgekeerde volgorde van de tijdstippen waarop zij ontstaan zijn. Schuldvorderingen die betrekking hebben op eenzelfde voorval, worden geacht gelijktijdig te zijn ontstaan.
Voor de toepassing van deze paragraaf, en behoudens andersluidende regeling door de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever :
1° gaan de vorderingen met betrekking tot belastingen, sociaal zekerheidsbijdragen, retributies of soortgelijke door de overheid of de Europese Unie opgelegde heffingen of vergoedingen waaraan de wet of de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever desgevallend een scheepsvoorrecht heeft verbonden maar waaraan geen scheepsvoorrangsrecht is verbonden, voor op alle andere scheepsvoorrechten; en
2° worden de vorderingen tot vergoeding van schade waaraan de wet of de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever desgevallend een scheepsvoorrecht heeft verbonden, gelijkgesteld met de in artikel 3.2.3.14, § 1, 3° bedoelde vorderingen.
§ 4. Indien de opbrengst ontoereikend is, worden de in rang gelijkstaande vorderingen betaald naar evenredigheid.
§ 1. De bevoorrechte schuldeisers worden gerangschikt en betaald volgens de door de volgende paragrafen bepaalde rang van hun schuldvordering.
§ 2. Bevoorrechte schuldvorderingen van de laatste reis hebben voorrang boven die van de voorgaande reizen.
Schuldvorderingen uit een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst aangegaan voor verscheidene reizen, staan met de schuldvorderingen van de laatste reis evenwel in rang gelijk.
§ 3. Schuldvorderingen die overeenkomstig paragraaf 2 dezelfde rang genieten, nemen onderling rang in naar de volgorde waarin zij in artikel 3.2.3.14 zijn vermeld.
De schuldvorderingen vermeld onder eenzelfde nummer staan in rang gelijk.
In afwijking van het vorige lid, worden schuldvorderingen bedoeld in artikel 3.2.3.14, § 1, 2° in die categorie bij voorrang betaald in omgekeerde volgorde van de tijdstippen waarop zij ontstaan zijn. Schuldvorderingen die betrekking hebben op eenzelfde voorval, worden geacht gelijktijdig te zijn ontstaan.
Voor de toepassing van deze paragraaf, en behoudens andersluidende regeling door de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever :
1° gaan de vorderingen met betrekking tot belastingen, sociaal zekerheidsbijdragen, retributies of soortgelijke door de overheid of de Europese Unie opgelegde heffingen of vergoedingen waaraan de wet of de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever desgevallend een scheepsvoorrecht heeft verbonden maar waaraan geen scheepsvoorrangsrecht is verbonden, voor op alle andere scheepsvoorrechten; en
2° worden de vorderingen tot vergoeding van schade waaraan de wet of de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever desgevallend een scheepsvoorrecht heeft verbonden, gelijkgesteld met de in artikel 3.2.3.14, § 1, 3° bedoelde vorderingen.
§ 4. Indien de opbrengst ontoereikend is, worden de in rang gelijkstaande vorderingen betaald naar evenredigheid.
Art. 3.2.3.17. Rang
§ 1er. Les créanciers privilégiés prennent rang et sont payés conformément au rang de leur créance déterminé dans les paragraphes suivants.
§ 2. Les créances privilégiées du dernier voyage sont préférées à celles des voyages précédents.
Toutefois, les créances résultant d'un contrat d'engagement maritime portant sur plusieurs voyages viennent au même rang avec les créances du dernier voyage.
§ 3. Les créances qui bénéficient du même rang en vertu du paragraphe 2 prennent rang entre elles dans l'ordre où elles sont mentionnées à l'article 3.2.3.14.
Les créances reprises sous un même numéro viennent en concurrence.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les créances visées à l'article 3.2.3.14, § 1er, 2°, dans cette catégorie, sont remboursées par préférence dans l'ordre inverse des dates où elles sont nées. Les créances se rattachant à un même événement sont réputées nées en même temps.
Pour l'application du présent paragraphe, et sauf régime contraire instauré par le législateur régional ou communautaire compétent :
1° les créances se rattachant aux impositions, aux cotisations de sécurité sociale, aux redevances ou aux perceptions ou indemnités de même nature imposées par les pouvoirs publics ou l'Union européen auxquelles la loi ou le législateur régional ou communautaire compétent a lié, le cas échéant, un privilège sur navire, mais auxquelles aucun droit de priorité sur navire n'est lié, priment tous les autres privilèges sur navires; et
2° les demandes d'indemnisation de dommage auxquelles la loi ou le législateur régional ou communautaire compétent a, le cas échéant, lié un privilège sur navire, sont assimilées aux créances visées à l'article 3.2.3.14, § 1er, 3°.
§ 4. En cas d'insuffisance du prix, les créances qui viennent au même rang sont payées au marc le franc.
§ 1er. Les créanciers privilégiés prennent rang et sont payés conformément au rang de leur créance déterminé dans les paragraphes suivants.
§ 2. Les créances privilégiées du dernier voyage sont préférées à celles des voyages précédents.
Toutefois, les créances résultant d'un contrat d'engagement maritime portant sur plusieurs voyages viennent au même rang avec les créances du dernier voyage.
§ 3. Les créances qui bénéficient du même rang en vertu du paragraphe 2 prennent rang entre elles dans l'ordre où elles sont mentionnées à l'article 3.2.3.14.
Les créances reprises sous un même numéro viennent en concurrence.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les créances visées à l'article 3.2.3.14, § 1er, 2°, dans cette catégorie, sont remboursées par préférence dans l'ordre inverse des dates où elles sont nées. Les créances se rattachant à un même événement sont réputées nées en même temps.
Pour l'application du présent paragraphe, et sauf régime contraire instauré par le législateur régional ou communautaire compétent :
1° les créances se rattachant aux impositions, aux cotisations de sécurité sociale, aux redevances ou aux perceptions ou indemnités de même nature imposées par les pouvoirs publics ou l'Union européen auxquelles la loi ou le législateur régional ou communautaire compétent a lié, le cas échéant, un privilège sur navire, mais auxquelles aucun droit de priorité sur navire n'est lié, priment tous les autres privilèges sur navires; et
2° les demandes d'indemnisation de dommage auxquelles la loi ou le législateur régional ou communautaire compétent a, le cas échéant, lié un privilège sur navire, sont assimilées aux créances visées à l'article 3.2.3.14, § 1er, 3°.
§ 4. En cas d'insuffisance du prix, les créances qui viennent au même rang sont payées au marc le franc.
Art. 3.2.3.18. Oorzaken van tenietgaan
Behalve in de gevallen bedoeld in artikel 3.2.3.10, gaan de scheepsvoorrechten teniet :
1° door het verloop van een vervaltermijn van één jaar;
2° ten aanzien van de betrokken schuldeisers en de betrokken, daadwerkelijk voor beperking van aansprakelijkheid vatbare vorderingen, door de vorming van een beperkingsfonds als bedoeld in de artikel en 2. 3.3.3.17.
Behalve in de gevallen bedoeld in artikel 3.2.3.10, gaan de scheepsvoorrechten teniet :
1° door het verloop van een vervaltermijn van één jaar;
2° ten aanzien van de betrokken schuldeisers en de betrokken, daadwerkelijk voor beperking van aansprakelijkheid vatbare vorderingen, door de vorming van een beperkingsfonds als bedoeld in de artikel en 2. 3.3.3.17.
Art. 3.2.3.18. Causes d'extinction
Sauf dans les cas visés à l'article 3.2.3.10, les privilèges sur navires s'éteignent :
1° à l'expiration du délai de déchéance d'un an;
2° par la constitution du fonds de limitation tel que visé à l'article 2.3.3.17 à l'égard des créanciers concernés et des créances concernées qui sont effectivement soumises à la limitation de responsabilité.
Sauf dans les cas visés à l'article 3.2.3.10, les privilèges sur navires s'éteignent :
1° à l'expiration du délai de déchéance d'un an;
2° par la constitution du fonds de limitation tel que visé à l'article 2.3.3.17 à l'égard des créanciers concernés et des créances concernées qui sont effectivement soumises à la limitation de responsabilité.
Art. 3.2.3.19. Tenietgaan door vrijwillige vervreemding
De scheepsvoorrechten gaan teniet door vrijwillige vervreemding, mits :
1° de akte van vervreemding wordt ingeschreven overeenkomstig artikel 2.2.1.13;
2° de vervreemding tweemaal en met een tussentijd van ten minste acht dagen wordt bekendgemaakt :
a) in het Belgisch Staatsblad;
b) op de website van het Belgisch Scheepsregister;
c) op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze;
3° de schuldeiser binnen een maand na de inschrijving of na de laatste bekendmaking geen verzet betekent aan de vroegere of aan de nieuwe eigenaar.
Het recht van voorrang van de schuldeiser blijft echter bestaan op de koopprijs, zolang deze niet is betaald of verdeeld.
De scheepsvoorrechten gaan teniet door vrijwillige vervreemding, mits :
1° de akte van vervreemding wordt ingeschreven overeenkomstig artikel 2.2.1.13;
2° de vervreemding tweemaal en met een tussentijd van ten minste acht dagen wordt bekendgemaakt :
a) in het Belgisch Staatsblad;
b) op de website van het Belgisch Scheepsregister;
c) op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze;
3° de schuldeiser binnen een maand na de inschrijving of na de laatste bekendmaking geen verzet betekent aan de vroegere of aan de nieuwe eigenaar.
Het recht van voorrang van de schuldeiser blijft echter bestaan op de koopprijs, zolang deze niet is betaald of verdeeld.
Art. 3.2.3.19. Extinction par aliénation volontaire
Les privilèges sur navires s'éteignent par l'aliénation volontaire, dans les conditions suivantes :
1° que l'acte d'aliénation soit inscrit conformément à l'article 2.2.1.13;
2° que l'aliénation soit publiée à deux reprises et à au moins huit jours d'intervalle :
a) au Moniteur belge;
b) sur le site web du Registre naval belge;
c) le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi;
3° qu'aucune opposition ne soit notifiée par le créancier, tant à l'ancien qu'au nouveau propriétaire, dans le mois de l'inscription ou de la dernière publication.
Néanmoins, le droit de priorité du créancier subsiste sur le prix de vente, tant que celui-ci n'a pas été payé ou distribué.
Les privilèges sur navires s'éteignent par l'aliénation volontaire, dans les conditions suivantes :
1° que l'acte d'aliénation soit inscrit conformément à l'article 2.2.1.13;
2° que l'aliénation soit publiée à deux reprises et à au moins huit jours d'intervalle :
a) au Moniteur belge;
b) sur le site web du Registre naval belge;
c) le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi;
3° qu'aucune opposition ne soit notifiée par le créancier, tant à l'ancien qu'au nouveau propriétaire, dans le mois de l'inscription ou de la dernière publication.
Néanmoins, le droit de priorité du créancier subsiste sur le prix de vente, tant que celui-ci n'a pas été payé ou distribué.
Art. 3.2.3.20. Tenietgaan door verval
§ 1. De in artikel 3.2.3.18, 1°, bedoelde vervaltermijn loopt :
1° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 3.2.3.14, eerste lid, 1°, van de dag waarop de arbeidsovereenkomst is beëindigd of, in het geval van overlijden of letselschade, van de dag van het overlijden respectievelijk van het ontstaan van het letsel;
2° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 3.2.3.14, § 1, 2°, a), van de dag waarop de verrichtingen beëindigd zijn;
3° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 3.2.3.14, § 1, 2°, b), van de dag waarop de bijdrage opeisbaar is;
4° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 3.2.3.14, § 1, 3°, a), van de dag waarop de schade veroorzaakt is;
5° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 3.2.3.14, § 1, 3°, b), van de dag van het overlijden respectievelijk van het ontstaan van het letsel;
6° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 3.2.3.14, § 1, 3°, c), van de dag waarop de lading of de bagage is of moest worden afgeleverd;
7° met betrekking tot de door de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever ingestelde scheepsvoorrechten, behoudens andersluidende regeling, van de dag waarop de bevoorrechte schuldvordering is ontstaan.
§ 2. Het verloop van de in artikel 3.2.3.18, 1° bedoelde vervaltermijn doet het scheepsvoorrecht niet teniet indien :
1° door een bevoorrechte schuldeiser voor de afloop ervan een bewarend beslag op het binnenschip wordt gelegd dat wordt gehandhaafd en leidt tot de gedwongen verkoop; of
2° voor de afloop ervan op het binnenschip uitvoerend beslag wordt gelegd; of
3° bewarend of uitvoerend beslag op het binnenschip wordt verhinderd door de wet, in welk geval de vervaltermijn gedurende de verhindering niet loopt.
§ 1. De in artikel 3.2.3.18, 1°, bedoelde vervaltermijn loopt :
1° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 3.2.3.14, eerste lid, 1°, van de dag waarop de arbeidsovereenkomst is beëindigd of, in het geval van overlijden of letselschade, van de dag van het overlijden respectievelijk van het ontstaan van het letsel;
2° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 3.2.3.14, § 1, 2°, a), van de dag waarop de verrichtingen beëindigd zijn;
3° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 3.2.3.14, § 1, 2°, b), van de dag waarop de bijdrage opeisbaar is;
4° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 3.2.3.14, § 1, 3°, a), van de dag waarop de schade veroorzaakt is;
5° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 3.2.3.14, § 1, 3°, b), van de dag van het overlijden respectievelijk van het ontstaan van het letsel;
6° met betrekking tot het scheepsvoorrecht bedoeld in artikel 3.2.3.14, § 1, 3°, c), van de dag waarop de lading of de bagage is of moest worden afgeleverd;
7° met betrekking tot de door de bevoegde gewestelijke of gemeenschapsregelgever ingestelde scheepsvoorrechten, behoudens andersluidende regeling, van de dag waarop de bevoorrechte schuldvordering is ontstaan.
§ 2. Het verloop van de in artikel 3.2.3.18, 1° bedoelde vervaltermijn doet het scheepsvoorrecht niet teniet indien :
1° door een bevoorrechte schuldeiser voor de afloop ervan een bewarend beslag op het binnenschip wordt gelegd dat wordt gehandhaafd en leidt tot de gedwongen verkoop; of
2° voor de afloop ervan op het binnenschip uitvoerend beslag wordt gelegd; of
3° bewarend of uitvoerend beslag op het binnenschip wordt verhinderd door de wet, in welk geval de vervaltermijn gedurende de verhindering niet loopt.
Art. 3.2.3.20. Extinction par déchéance
§ 1er. Le délai d'extinction visé à l'article 3.2.3.18, 1°, court :
1° pour le privilège sur navire visé à l'article 3.2.3.14, § 1er, 1°, à partir du jour de la terminaison ou, en cas de décès ou de lésions corporelles, à partir du jour du décès ou de la naissance des lésions;
2° pour le privilège sur navire visé à l'article 3.2.3.14, § 1er, 2°, a), à partir du jour où les opérations sont terminées;
3° pour le privilège sur navire visé à l'article 3.2.3.14, § 1er, 2°, b), à partir du jour où la contribution devient exigible;
4° pour le privilège sur navire visé à l'article 3.2.3.14, § 1er, 3°, a), à partir du jour où le dommage a été causé;
5° pour le privilège sur navire visé à l'article 3.2.3.14, § 1er, 3°, b), à partir du jour du décès ou de la naissance des lésions;
6° pour le privilège sur navire visé à l'article 3.2.3.14, § 1er, 3°, c), à partir du jour de la délivrance de la cargaison ou des bagages, ou de la date à laquelle ils auraient dû être délivrés;
7° pour le privilège sur navire introduit par le législateur régional ou communautaire compétent, sauf régime contraire, à partir du jour de la naissance de la créance privilégiée.
§ 2. L'expiration du délai visé à l'article 3.2.3.18, 1°, n'éteint pas le privilège sur navire si :
1° avant l'expiration, le créancier privilégié pratique une saisie conservatoire sur le bateau de navigation intérieure, maintenue et conduisant à une vente forcée; ou
2° avant l'expiration, le bateau de navigation intérieure fait l'objet d'une saisie-exécution; ou
3° l'exercice d'une saisie conservatoire ou d'une saisie-exécution sur le bateau de navigation intérieure est interdit par la loi, auquel cas le délai d'extinction ne court pas tant que l'interdiction perdure.
§ 1er. Le délai d'extinction visé à l'article 3.2.3.18, 1°, court :
1° pour le privilège sur navire visé à l'article 3.2.3.14, § 1er, 1°, à partir du jour de la terminaison ou, en cas de décès ou de lésions corporelles, à partir du jour du décès ou de la naissance des lésions;
2° pour le privilège sur navire visé à l'article 3.2.3.14, § 1er, 2°, a), à partir du jour où les opérations sont terminées;
3° pour le privilège sur navire visé à l'article 3.2.3.14, § 1er, 2°, b), à partir du jour où la contribution devient exigible;
4° pour le privilège sur navire visé à l'article 3.2.3.14, § 1er, 3°, a), à partir du jour où le dommage a été causé;
5° pour le privilège sur navire visé à l'article 3.2.3.14, § 1er, 3°, b), à partir du jour du décès ou de la naissance des lésions;
6° pour le privilège sur navire visé à l'article 3.2.3.14, § 1er, 3°, c), à partir du jour de la délivrance de la cargaison ou des bagages, ou de la date à laquelle ils auraient dû être délivrés;
7° pour le privilège sur navire introduit par le législateur régional ou communautaire compétent, sauf régime contraire, à partir du jour de la naissance de la créance privilégiée.
§ 2. L'expiration du délai visé à l'article 3.2.3.18, 1°, n'éteint pas le privilège sur navire si :
1° avant l'expiration, le créancier privilégié pratique une saisie conservatoire sur le bateau de navigation intérieure, maintenue et conduisant à une vente forcée; ou
2° avant l'expiration, le bateau de navigation intérieure fait l'objet d'une saisie-exécution; ou
3° l'exercice d'une saisie conservatoire ou d'une saisie-exécution sur le bateau de navigation intérieure est interdit par la loi, auquel cas le délai d'extinction ne court pas tant que l'interdiction perdure.
Afdeling 4. - Scheepsretentierechten
Section 4. - Droits de rétention sur navires
Art. 3.2.3.21. Andere regelgeving
Hoofdstuk III van titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek is niet op het in artikel 3.2.3.22 bedoelde scheepsretentierecht van toepassing.
Hoofdstuk III van titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek is niet op het in artikel 3.2.3.22 bedoelde scheepsretentierecht van toepassing.
Art. 3.2.3.21. Autre réglementation
Le chapitre III du titre XVII du livre III du Code civil ne s'applique pas au droit de rétention sur navire visé à l'article 3.2.3.22.
Le chapitre III du titre XVII du livre III du Code civil ne s'applique pas au droit de rétention sur navire visé à l'article 3.2.3.22.
Art. 3.2.3.22. Scheepsretentierecht van de scheepswerf
§ 1. Behoudens afwijkend beding beschikt de met de bouw, uitrusting, ombouw of herstelling van een binnenschip belaste scheepswerf over een scheepsretentierecht.
§ 2. Het scheepsretentierecht geeft de scheepswerf het recht om de afgifte van het binnenschip dat hij in zijn bezit heeft en waarop zijn schuldvordering betrekking heeft op te schorten totdat deze vordering is voldaan.
§ 3. In geval van gedwongen verkoop van het binnenschip na beslag, moet de scheepswerf het binnenschip aan de koper afgeven.
De scheepswerf die zijn scheepsretentierecht liet inschrijven, heeft evenwel recht op betaling van zijn vordering uit de opbrengst van de verkoop, nadat de schuldeisers met een scheepsvoorrangsrecht, een scheepsvoorrecht zijn betaald, doch voordat de scheepshypotheekhouders worden betaald.
Is het binnenschip waarop het scheepsretentierecht betrekking heeft, niet in België teboekgesteld, dan beperkt het Belgisch Scheepsregister zich tot de neerlegging van de betrokken akte in het register van neerlegging. Het Belgisch Scheepsregister gaat alsnog tot de inschrijving van het scheepsretentierecht over zodra het binnenschip is teboekgesteld. In afwachting daarvan heeft de neerlegging het in het tweede lid bedoelde gevolg. Vanaf de neerlegging heeft de scheepswerf bovendien voorrang op de nadien geregistreerde pandhouders in de zin van titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek.
§ 4. Het scheepsretentierecht gaat teniet wanneer het binnenschip, anders dan ten gevolge van gedwongen verkoop, ophoudt zich in het bezit van de scheepswerf te bevinden.
§ 1. Behoudens afwijkend beding beschikt de met de bouw, uitrusting, ombouw of herstelling van een binnenschip belaste scheepswerf over een scheepsretentierecht.
§ 2. Het scheepsretentierecht geeft de scheepswerf het recht om de afgifte van het binnenschip dat hij in zijn bezit heeft en waarop zijn schuldvordering betrekking heeft op te schorten totdat deze vordering is voldaan.
§ 3. In geval van gedwongen verkoop van het binnenschip na beslag, moet de scheepswerf het binnenschip aan de koper afgeven.
De scheepswerf die zijn scheepsretentierecht liet inschrijven, heeft evenwel recht op betaling van zijn vordering uit de opbrengst van de verkoop, nadat de schuldeisers met een scheepsvoorrangsrecht, een scheepsvoorrecht zijn betaald, doch voordat de scheepshypotheekhouders worden betaald.
Is het binnenschip waarop het scheepsretentierecht betrekking heeft, niet in België teboekgesteld, dan beperkt het Belgisch Scheepsregister zich tot de neerlegging van de betrokken akte in het register van neerlegging. Het Belgisch Scheepsregister gaat alsnog tot de inschrijving van het scheepsretentierecht over zodra het binnenschip is teboekgesteld. In afwachting daarvan heeft de neerlegging het in het tweede lid bedoelde gevolg. Vanaf de neerlegging heeft de scheepswerf bovendien voorrang op de nadien geregistreerde pandhouders in de zin van titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek.
§ 4. Het scheepsretentierecht gaat teniet wanneer het binnenschip, anders dan ten gevolge van gedwongen verkoop, ophoudt zich in het bezit van de scheepswerf te bevinden.
Art. 3.2.3.22. Droit de rétention du chantier naval
§ 1er. Sauf disposition dérogatoire, le chantier naval chargé de la construction, de l'équipement, de la transformation ou de la réparation d'un bateau de navigation intérieure dispose d'un droit de rétention sur le navire.
§ 2. Le droit de rétention sur navire octroie au chantier naval le droit de suspendre la délivrance du bateau de navigation intérieure qu'il a en sa possession et auquel sa créance se rapporte, jusqu'à ce que sa créance soit réglée.
§ 3. En cas de vente forcée du bateau de navigation intérieure après saisie, le chantier naval doit délivrer le bateau de navigation intérieure à l'acquéreur.
Le chantier naval qui a fait inscrire son droit de rétention a toutefois le droit au paiement de sa créance sur le produit de la vente, après le règlement des créanciers qui disposent d'un droit de priorité sur navire, d'un privilège sur navire, mais avant les créanciers hypothécaires.
Si le bateau de navigation intérieure auquel le droit de rétention se rapporte n'a pas été immatriculé en Belgique, le Registre naval belge se limite alors au dépôt de l'acte concerné dans le registre de dépôts. Le Registre naval belge procède à l'inscription du droit de rétention dès l'immatriculation du bateau de navigation intérieure. Dans l'attente, le dépôt entraîne la conséquence visée à l'alinéa 2. A compter du dépôt, le chantier naval a en outre priorité sur les créanciers enregistrés ultérieurement au sens du titre XVII du livre III du Code civil.
§ 4. Le droit de rétention sur navire de mer s'éteint lorsque le bateau de navigation intérieure, autrement qu'à la suite d'une vente forcée, cesse d'être en la possession du chantier naval.
§ 1er. Sauf disposition dérogatoire, le chantier naval chargé de la construction, de l'équipement, de la transformation ou de la réparation d'un bateau de navigation intérieure dispose d'un droit de rétention sur le navire.
§ 2. Le droit de rétention sur navire octroie au chantier naval le droit de suspendre la délivrance du bateau de navigation intérieure qu'il a en sa possession et auquel sa créance se rapporte, jusqu'à ce que sa créance soit réglée.
§ 3. En cas de vente forcée du bateau de navigation intérieure après saisie, le chantier naval doit délivrer le bateau de navigation intérieure à l'acquéreur.
Le chantier naval qui a fait inscrire son droit de rétention a toutefois le droit au paiement de sa créance sur le produit de la vente, après le règlement des créanciers qui disposent d'un droit de priorité sur navire, d'un privilège sur navire, mais avant les créanciers hypothécaires.
Si le bateau de navigation intérieure auquel le droit de rétention se rapporte n'a pas été immatriculé en Belgique, le Registre naval belge se limite alors au dépôt de l'acte concerné dans le registre de dépôts. Le Registre naval belge procède à l'inscription du droit de rétention dès l'immatriculation du bateau de navigation intérieure. Dans l'attente, le dépôt entraîne la conséquence visée à l'alinéa 2. A compter du dépôt, le chantier naval a en outre priorité sur les créanciers enregistrés ultérieurement au sens du titre XVII du livre III du Code civil.
§ 4. Le droit de rétention sur navire de mer s'éteint lorsque le bateau de navigation intérieure, autrement qu'à la suite d'une vente forcée, cesse d'être en la possession du chantier naval.
Art. 3.2.3.23. Andere retentierechten
Andere retentierechten dan dit bedoeld in artikel 3.2.3.22 kunnen niet aan derden worden tegengesteld.
Andere retentierechten dan dit bedoeld in artikel 3.2.3.22 kunnen niet aan derden worden tegengesteld.
Art. 3.2.3.23. Autres droits de rétention
Aucun autre droit de rétention que celui visé à l'article 3.2.3.22 n'est opposable aux tiers.
Aucun autre droit de rétention que celui visé à l'article 3.2.3.22 n'est opposable aux tiers.
Afdeling 5. - Scheepshypotheken
Section 5. - Hypothèques sur navires
Art. 3.2.3.24. Toepasselijk recht
Onder voorbehoud van artikel 3.2.3.25. is afdeling 5 van hoofdstuk 5 van boek 2 van overeenkomstige toepassing op hypotheken op binnenschepen.
Onder voorbehoud van artikel 3.2.3.25. is afdeling 5 van hoofdstuk 5 van boek 2 van overeenkomstige toepassing op hypotheken op binnenschepen.
Art. 3.2.3.24. Droit applicable
Sous reserve de l'article 3.2.3.25, la section 5 de la chapitre 5 du livre 2 s'applique par analogie aux hypothèques sur les bateaux de navigation intérieure.
Sous reserve de l'article 3.2.3.25, la section 5 de la chapitre 5 du livre 2 s'applique par analogie aux hypothèques sur les bateaux de navigation intérieure.
Art. 3.2.3.25. [1 Bevoegde rechtbank
In afwijking van de artikelen 2.2.5.43, § 2, en 2.2.5.52 zijn naar keuze van de eiser de ondernemingsrechtbank van de plaats waar het binnenschip is teboekgesteld in het binnenschepenregister en deze waar de verweerder zijn woonplaats of zetel in België heeft, bevoegd.]1
In afwijking van de artikelen 2.2.5.43, § 2, en 2.2.5.52 zijn naar keuze van de eiser de ondernemingsrechtbank van de plaats waar het binnenschip is teboekgesteld in het binnenschepenregister en deze waar de verweerder zijn woonplaats of zetel in België heeft, bevoegd.]1
Art. 3.2.3.25. [1 Tribunal compétent
Par dérogation aux articles 2.2.5.43, § 2 et 2.2.5.52, le tribunal de l'entreprise du lieu où le bateau de navigation intérieure est immatriculé au registre des bateaux de navigation intérieure et celui où le défendeur a son domicile ou son siège en Belgique sont compétents, au choix du requérant.]1
Par dérogation aux articles 2.2.5.43, § 2 et 2.2.5.52, le tribunal de l'entreprise du lieu où le bateau de navigation intérieure est immatriculé au registre des bateaux de navigation intérieure et celui où le défendeur a son domicile ou son siège en Belgique sont compétents, au choix du requérant.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 4. - Scheepsbeslag
CHAPITRE 4. - Saisie sur navire
Afdeling 1. - Bewarend beslag
Section 1ère. - Saisie conservatoire
Onderafdeling 1. - Bewarend beslag op binnenschepen
Sous-Section 1ère. - Saisie conservatoire sur bateaux de navigation intérieure
Art. 3.2.4.1. Materiële toepassing
Dit hoofdstuk is van toepassing op het bewarend beslag op binnenschepen, waarop de rechtstreeks werkende bepalingen van het Scheepsbeslagverdrag 1952 niet van toepassing zijn.
Dit hoofdstuk is van toepassing op het bewarend beslag op binnenschepen, waarop de rechtstreeks werkende bepalingen van het Scheepsbeslagverdrag 1952 niet van toepassing zijn.
Art. 3.2.4.1. Application matérielle
Le présent chapitre s'applique à la saisie conservatoire sur les bateaux de navigation intérieure, à laquelle les dispositions directement applicables de la Convention sur la saisie des navires 1952 ne s'appliquent pas.
Le présent chapitre s'applique à la saisie conservatoire sur les bateaux de navigation intérieure, à laquelle les dispositions directement applicables de la Convention sur la saisie des navires 1952 ne s'appliquent pas.
Art. 3.2.4.2. Grondvereisten
Op een binnenschip kan uitsluitend bewarend beslag worden gelegd indien is voldaan aan de grondvereisten bepaald in hoofdstuk I van titel II van deel V van het Gerechtelijk Wetboek.
Op een binnenschip kan uitsluitend bewarend beslag worden gelegd indien is voldaan aan de grondvereisten bepaald in hoofdstuk I van titel II van deel V van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 3.2.4.2. Exigences de base
Une saisie conservatoire peut exclusivement être pratiquée sur un bateau de navigation intérieure s'il est satisfait aux exigences de base stipulées au chapitre I du titre II de la partie V du Code judiciaire.
Une saisie conservatoire peut exclusivement être pratiquée sur un bateau de navigation intérieure s'il est satisfait aux exigences de base stipulées au chapitre I du titre II de la partie V du Code judiciaire.
Art. 3.2.4.3. Procedure
Op het bewarend beslag op binnenschepen zijn de artikel en 2.2.6.2, § 3, 2.2.6.3, § 2 tot 6, 2.2.6.7, 2.2.6.8, 2.2.6.9, 2.2.6.10, 2.2.6.11, 2.2.6.12, 2.2.6.13, 2.2.6.14, 2.2.6.15, 2.2.6.16, 2.2.6.17, 2.2.6.18, 2.2.6.19 en 2.2.6.20 van overeenkomstige toepassing.
In afwijking van artikel 2.2.6.8, § 2, is de betekening van het beslag aan de scheepseigenaar verplicht.
Op het bewarend beslag op binnenschepen zijn de artikel en 2.2.6.2, § 3, 2.2.6.3, § 2 tot 6, 2.2.6.7, 2.2.6.8, 2.2.6.9, 2.2.6.10, 2.2.6.11, 2.2.6.12, 2.2.6.13, 2.2.6.14, 2.2.6.15, 2.2.6.16, 2.2.6.17, 2.2.6.18, 2.2.6.19 en 2.2.6.20 van overeenkomstige toepassing.
In afwijking van artikel 2.2.6.8, § 2, is de betekening van het beslag aan de scheepseigenaar verplicht.
Art. 3.2.4.3. Procédure
Les articles 2.2.6.2, § 3, 2.2.6.3, § 2 tot 6, 2.2.6.7, 2.2.6.8, 2.2.6.9, 2.2.6.10, 2.2.6.11, 2.2.6.12, 2.2.6.13, 2.2.6.14, 2.2.6.15, 2.2.6.16, 2.2.6.17, 2.2.6.18, 2.2.6.19 et 2.2.6.20 sont d'application par analogie à la saisie conservatoire sur les bateaux de navigation intérieure.
Par dérogation à l'article 2.2.6.8, § 2, la signification de la saisie au propriétaire du navire est obligatoire.
Les articles 2.2.6.2, § 3, 2.2.6.3, § 2 tot 6, 2.2.6.7, 2.2.6.8, 2.2.6.9, 2.2.6.10, 2.2.6.11, 2.2.6.12, 2.2.6.13, 2.2.6.14, 2.2.6.15, 2.2.6.16, 2.2.6.17, 2.2.6.18, 2.2.6.19 et 2.2.6.20 sont d'application par analogie à la saisie conservatoire sur les bateaux de navigation intérieure.
Par dérogation à l'article 2.2.6.8, § 2, la signification de la saisie au propriétaire du navire est obligatoire.
Art. 3.2.4.4. Varend beslag
De beslagrechter kan de exploitatie van het schip regelen zonder het beslag op te heffen. Te dien einde kan hij onder meer bevelen dat een door hem bepaalde borgtocht of zekerheid wordt gesteld.
De beslagrechter kan de exploitatie van het schip regelen zonder het beslag op te heffen. Te dien einde kan hij onder meer bevelen dat een door hem bepaalde borgtocht of zekerheid wordt gesteld.
Art. 3.2.4.4. Saisie navigatoire
Le juge peut régler l'exploitation du navire sans lever la saisie. Il peut à cette fin imposer par exemple une caution ou sûreté déterminée par ses soins.
Le juge peut régler l'exploitation du navire sans lever la saisie. Il peut à cette fin imposer par exemple une caution ou sûreté déterminée par ses soins.
Afdeling 2. - Bewarend beslag op goederen aan boord
Section 2. - Saisie conservatoire sur les biens à bord
Art. 3.2.4.5. Toepasselijk recht
Op het bewarend beslag op goederen aan boord van een binnenschepen zijn de artikel en 2.2.6.24 en 2.2.6.25 van overeenkomstige toepassing.
Op het bewarend beslag op goederen aan boord van een binnenschepen zijn de artikel en 2.2.6.24 en 2.2.6.25 van overeenkomstige toepassing.
Art. 3.2.4.5. Droit applicable
Les articles 2.2.6.24 et 2.2.6.25 sont d'appllication par analogie à la saisie conservatoire sur les biens à bord d'un bateau de navigation intérieure.
Les articles 2.2.6.24 et 2.2.6.25 sont d'appllication par analogie à la saisie conservatoire sur les biens à bord d'un bateau de navigation intérieure.
HOOFDSTUK 2. - Uitvoerend scheepsbeslag
CHAPITRE 2. - Saisie-exécution sur navire
Art. 3.2.4.6. Toepasselijk recht
Op het uitvoerend beslag op binnenschepen zijn de artikel en 2.2.6.26 tot en met 2.2.6.68 van overeenkomstige toepassing.
Op het uitvoerend beslag op binnenschepen zijn de artikel en 2.2.6.26 tot en met 2.2.6.68 van overeenkomstige toepassing.
Art. 3.2.4.6. Droit applicable
Les articles 2.2.6.26 jà 2.2.6.68 sont d'application par analogie à la saisie-exécution sur les bateaux de navigation intérieure.
Les articles 2.2.6.26 jà 2.2.6.68 sont d'application par analogie à la saisie-exécution sur les bateaux de navigation intérieure.
Titel 3. - Exploitanten
TITRE 3. - Exploitants
HOOFDSTUK 1. - Algemene Bepalingen
CHAPITRE 1er. . - Dispositions générales
Afdeling 1. - Scheepsmede-eigendom
Section 1ère. - Copropriété quirataire
Art. 3.3.1.1. Toepasselijk recht
Op de mede-eigendom van binnenschepen zijn de artikel en 2.3.1.1 tot en met 2.3.1.18 van overeenkomstige toepassing.
[1 In afwijking van de artikelen 2.3.1.12, § 4, 2.3.1.16 en 2.3.1.17, § 2, zijn de ondernemingsrechtbank van de plaats waar het binnenschip is teboekgesteld in het binnenschepenregister en deze waar de verweerder zijn woonplaats of zetel in België heeft, bevoegd.]1
Op de mede-eigendom van binnenschepen zijn de artikel en 2.3.1.1 tot en met 2.3.1.18 van overeenkomstige toepassing.
[1 In afwijking van de artikelen 2.3.1.12, § 4, 2.3.1.16 en 2.3.1.17, § 2, zijn de ondernemingsrechtbank van de plaats waar het binnenschip is teboekgesteld in het binnenschepenregister en deze waar de verweerder zijn woonplaats of zetel in België heeft, bevoegd.]1
Art. 3.3.1.1. Droit applicable
Les articles 2.3.1.1 à 2.3.1.18 s'appliquent par analogie à la copropriété quirataire des bateaux de navigation intérieure.
[1 Par dérogation aux articles 2.3.1.12, § 4, 2.3.1.16 et 2.3.1.17, § 2, le tribunal de l'entreprise du lieu où le bateau de navigation intérieure est immatriculé au registre des bateaux de navigation intérieure et celui où le défendeur a son domicile ou son siège en Belgique sont compétents.]1
Les articles 2.3.1.1 à 2.3.1.18 s'appliquent par analogie à la copropriété quirataire des bateaux de navigation intérieure.
[1 Par dérogation aux articles 2.3.1.12, § 4, 2.3.1.16 et 2.3.1.17, § 2, le tribunal de l'entreprise du lieu où le bateau de navigation intérieure est immatriculé au registre des bateaux de navigation intérieure et celui où le défendeur a son domicile ou son siège en Belgique sont compétents.]1
Wijzigingen
Afdeling 2. - Aansprakelijkheid van de exploitant
Section 2. - Responsabilité de l'exploitant
Art. 3.3.1.2. Andere regelgeving
Deze afdeling geldt onverminderd :
1° de hoofdstukken 3 en 4 van titel 2 van dit boek, in het bijzonder de bepalingen betreffende de scheepszekerheidsrechten, het scheepsbeslag en de overheidsschepen;
2° afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel, in het bijzonder de bepalingen betreffende de aansprakelijkheidsbeperking;
3° titel 7 van dit boek;
4° [1 6.14]1 van het Burgerlijk Wetboek;
5° de bepalingen betreffende de strafrechtelijke aansprakelijkheid, de burgerlijke aansprakelijkheid voor de betaling van geldboeten, en de administratieve sancties;
6° de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
7° de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen;
8° de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser;
9° de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen.
Artikel 3 van de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen is mede van toepassing op openbare rechtspersonen die optreden als scheepseigenaar, reder of scheepsgebruiker.
Deze afdeling geldt onverminderd :
1° de hoofdstukken 3 en 4 van titel 2 van dit boek, in het bijzonder de bepalingen betreffende de scheepszekerheidsrechten, het scheepsbeslag en de overheidsschepen;
2° afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel, in het bijzonder de bepalingen betreffende de aansprakelijkheidsbeperking;
3° titel 7 van dit boek;
4° [1 6.14]1 van het Burgerlijk Wetboek;
5° de bepalingen betreffende de strafrechtelijke aansprakelijkheid, de burgerlijke aansprakelijkheid voor de betaling van geldboeten, en de administratieve sancties;
6° de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
7° de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen;
8° de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser;
9° de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen.
Artikel 3 van de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen is mede van toepassing op openbare rechtspersonen die optreden als scheepseigenaar, reder of scheepsgebruiker.
Art. 3.3.1.2. Autre réglementation
La présente section s'applique sans préjudice :
1° des chapitres 3 et 4 du titre 2 du préseent livre, en particulier les dispositions concernant les sûretés sur navires, la saisie sur navires et les navires publics;
2° la section 2 du chapitre 3 du présent titre, en particulier les dispositions concernant la limitation de responsabilité;
3° du titre 7 du présent livre;
4° l'article [2 6.14]2 du Code civil;
5° des dispositions relatives à la responsabilité pénale, à la responsabilité civile pour le paiement des amendes, et aux sanctions administratives;
6° la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
7° la loi du 10 février 2003 relative à la responsabilité des et pour les membres du personnel au service des personnes publiques;
8° la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur;
9° la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail.
L'article 3 de la loi du 10 février 2003 relative à la responsabilité des et pour les membres du personnel au service des personnes publiques [1 ...]1 s'applique également aux personnes morales de droit public agissant en qualité de propriétaire de navire, armateur ou utilisateur de navire.
La présente section s'applique sans préjudice :
1° des chapitres 3 et 4 du titre 2 du préseent livre, en particulier les dispositions concernant les sûretés sur navires, la saisie sur navires et les navires publics;
2° la section 2 du chapitre 3 du présent titre, en particulier les dispositions concernant la limitation de responsabilité;
3° du titre 7 du présent livre;
4° l'article [2 6.14]2 du Code civil;
5° des dispositions relatives à la responsabilité pénale, à la responsabilité civile pour le paiement des amendes, et aux sanctions administratives;
6° la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
7° la loi du 10 février 2003 relative à la responsabilité des et pour les membres du personnel au service des personnes publiques;
8° la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur;
9° la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail.
L'article 3 de la loi du 10 février 2003 relative à la responsabilité des et pour les membres du personnel au service des personnes publiques [1 ...]1 s'applique également aux personnes morales de droit public agissant en qualité de propriétaire de navire, armateur ou utilisateur de navire.
Art. 3.3.1.3. Afwijkende bedingen
Bedingen die afwijken van artikel 3.3.1.2 zijn nietig [1 artikel 3.3.1.5 en 3.3.1.9, tweede lid]1.
Bedingen die afwijken van artikel 3.3.1.2 zijn nietig [1 artikel 3.3.1.5 en 3.3.1.9, tweede lid]1.
Art. 3.3.1.3. Clauses dérogatoires
Les clauses qui dérogent à l'article 3.3.1.2 sont nulles [1 , l'article 3.3.1.5 et l'article 3.3.1.9, alinéa 2]1.
Les clauses qui dérogent à l'article 3.3.1.2 sont nulles [1 , l'article 3.3.1.5 et l'article 3.3.1.9, alinéa 2]1.
Wijzigingen
Art. 3.3.1.4. Eigen daden
De scheepseigenaar en de exploitant staan in voor de nakoming van de door henzelf aangegane verbintenissen en zijn aansprakelijk voor hun eigen onrechtmatige daden waardoor aan derden schade wordt berokkend.
De scheepseigenaar en de exploitant staan in voor de nakoming van de door henzelf aangegane verbintenissen en zijn aansprakelijk voor hun eigen onrechtmatige daden waardoor aan derden schade wordt berokkend.
Art. 3.3.1.4. Propres faits
Le propriétaire de navire et l'exploitant sont tenus de l'exécution des obligations qu'ils ont contractées eux-mêmes et sont responsables de leurs propres faits illicites qui causent un dommage à autrui.
Le propriétaire de navire et l'exploitant sont tenus de l'exécution des obligations qu'ils ont contractées eux-mêmes et sont responsables de leurs propres faits illicites qui causent un dommage à autrui.
Art. 3.3.1.5. [1 Daden van de bemanning en het boordpersoneel
Een lid van de bemanning of van het boordpersoneel is niet aansprakelijk voor schade berokkend naar aanleiding van de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij in geval van bedrog, zware schuld, of lichte schuld die bij deze eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.
Het eerste lid is tevens van toepassing op eenieder die vanop afstand taken van bemanning of boordpersoneel uitvoert.]1
Een lid van de bemanning of van het boordpersoneel is niet aansprakelijk voor schade berokkend naar aanleiding van de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij in geval van bedrog, zware schuld, of lichte schuld die bij deze eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.
Het eerste lid is tevens van toepassing op eenieder die vanop afstand taken van bemanning of boordpersoneel uitvoert.]1
Art. 3.3.1.5. [1 Faits de l'équipage et du personnel de bord
Un membre de l'équipage ou du personnel de bord n'est pas responsable du dommage causé dans l'exercice de ses activités, sauf en cas de dol, de faute lourde ou de faute légère plus habituelle qu'accidentelle.
L'alinéa 1er s'applique également à chacun qui exerce à distance des fonctions de membre d'équipage ou de personnel de bord.]1
Un membre de l'équipage ou du personnel de bord n'est pas responsable du dommage causé dans l'exercice de ses activités, sauf en cas de dol, de faute lourde ou de faute légère plus habituelle qu'accidentelle.
L'alinéa 1er s'applique également à chacun qui exerce à distance des fonctions de membre d'équipage ou de personnel de bord.]1
Wijzigingen
Art. 3.3.1.6. [1 Aansprakelijkheid voor daden van de bemanning en het boordpersoneel]1
§ 1. [1 De exploitant is aansprakelijk voor de door de bemanning of het boordpersoneel gestelde onrechtmatige daden binnen de uitoefening van hun taak waardoor aan derden schade wordt berokkend.
De exploitant is tevens aansprakelijk voor de fouten of nalatigheden begaan door eenieder die vanop afstand taken van bemanning of boordpersoneel uitvoert, onverminderd diens eventueel verhaal op de aansteller ervan.]1
§ 2. Onverminderd de bijzondere bepalingen betreffende de betrokken dienstverlening, is de [1 scheepsexploitant]1 aansprakelijk voor de onrechtmatige daden van de verstrekkers van loods-, sleep- en vast- en losmaakdiensten en hun personeelsleden waardoor aan derden schade wordt berokkend.
Het vorige lid is niet van toepassing wanneer de dienstverstrekker de leiding van de vaarmanoeuvres heeft.
[1 § 3. De scheepseigenaar is in solidum met de exploitant gehouden voor schade uit onrechtmatige daad, indien:
1° de volledige identiteit van de exploitant en de verzekeraars niet tijdig aan de schadelijder zijn kenbaar gemaakt; of
2° de exploitant niet bekend of niet solvabel is; of
3° het voorval onvoldoende verzekerd is.
Deze bepaling laat onverlet het recht op verhaal tussen scheepseigenaar en exploitant.
De vordering tot verhaal moet ingesteld worden binnen de termijn voorzien in het "Aanvaringsverdrag 1910" dan wel het "Aanvaringsverdrag 1960". Indien deze verdragen niet van toepassing zijn, moet de vordering tot verhaal ingesteld worden binnen het jaar vanaf de dag van de betaling die tot het verhaal aanleiding heeft gegeven.]1
§ 1. [1 De exploitant is aansprakelijk voor de door de bemanning of het boordpersoneel gestelde onrechtmatige daden binnen de uitoefening van hun taak waardoor aan derden schade wordt berokkend.
De exploitant is tevens aansprakelijk voor de fouten of nalatigheden begaan door eenieder die vanop afstand taken van bemanning of boordpersoneel uitvoert, onverminderd diens eventueel verhaal op de aansteller ervan.]1
§ 2. Onverminderd de bijzondere bepalingen betreffende de betrokken dienstverlening, is de [1 scheepsexploitant]1 aansprakelijk voor de onrechtmatige daden van de verstrekkers van loods-, sleep- en vast- en losmaakdiensten en hun personeelsleden waardoor aan derden schade wordt berokkend.
Het vorige lid is niet van toepassing wanneer de dienstverstrekker de leiding van de vaarmanoeuvres heeft.
[1 § 3. De scheepseigenaar is in solidum met de exploitant gehouden voor schade uit onrechtmatige daad, indien:
1° de volledige identiteit van de exploitant en de verzekeraars niet tijdig aan de schadelijder zijn kenbaar gemaakt; of
2° de exploitant niet bekend of niet solvabel is; of
3° het voorval onvoldoende verzekerd is.
Deze bepaling laat onverlet het recht op verhaal tussen scheepseigenaar en exploitant.
De vordering tot verhaal moet ingesteld worden binnen de termijn voorzien in het "Aanvaringsverdrag 1910" dan wel het "Aanvaringsverdrag 1960". Indien deze verdragen niet van toepassing zijn, moet de vordering tot verhaal ingesteld worden binnen het jaar vanaf de dag van de betaling die tot het verhaal aanleiding heeft gegeven.]1
Art. 3.3.1.6. [1 Responsabilité pour les faits de l'équipage et du personnel de bord]1
§ 1er. [1 L'exploitant est responsable des faits illicites commis par l'équipage ou le personnel de bord dans l'exercice de leur tâche et qui causent à autrui un dommage.
L'exploitant est également responsable des erreurs ou omissions commises par chacun qui exerce à distance des fonctions de membre d'équipage ou de personnel de bord, sans préjudice de tout recours contre son commettant.]1
§ 2. Sans préjudice des dispositions particulières concernant la prestation de services concernée, le [1 exploitant du navire]1 est responsable pour les faits illicites du fournisseur de services de pilotage, de remorquage et de lamanage et des membres du personnel de ceux-ci qui causent à autrui un dommage.
L'alinéa précédent ne s'applique pas lorsque le fournisseur de services a la direction des manoeuvres de navigation.
[1 § 3. Le propriétaire du navire est responsable in solidum avec l'exploitant pour les dommages résultant de faits illicites, si:
1° l'identité complète de l'exploitant et des assureurs n'a pas été communiquée à la personne lésée en temps utile; ou
2° l'exploitant est inconnu ou non solvable; ou
3° l'événement n'est pas suffisamment assuré.
Cette disposition n'affecte pas le droit de recours entre le propriétaire du navire et l'exploitant.
L'action en recours doit être introduite dans le délai prévu par "la Convention sur les Abordages 1910" ou la "Convention sur les Abordages 1960". Si ces conventions ne sont pas applicables, elle doit être introduite dans un délai d'un an à compter de la date du paiement ayant donné lieu au recours.]1
§ 1er. [1 L'exploitant est responsable des faits illicites commis par l'équipage ou le personnel de bord dans l'exercice de leur tâche et qui causent à autrui un dommage.
L'exploitant est également responsable des erreurs ou omissions commises par chacun qui exerce à distance des fonctions de membre d'équipage ou de personnel de bord, sans préjudice de tout recours contre son commettant.]1
§ 2. Sans préjudice des dispositions particulières concernant la prestation de services concernée, le [1 exploitant du navire]1 est responsable pour les faits illicites du fournisseur de services de pilotage, de remorquage et de lamanage et des membres du personnel de ceux-ci qui causent à autrui un dommage.
L'alinéa précédent ne s'applique pas lorsque le fournisseur de services a la direction des manoeuvres de navigation.
[1 § 3. Le propriétaire du navire est responsable in solidum avec l'exploitant pour les dommages résultant de faits illicites, si:
1° l'identité complète de l'exploitant et des assureurs n'a pas été communiquée à la personne lésée en temps utile; ou
2° l'exploitant est inconnu ou non solvable; ou
3° l'événement n'est pas suffisamment assuré.
Cette disposition n'affecte pas le droit de recours entre le propriétaire du navire et l'exploitant.
L'action en recours doit être introduite dans le délai prévu par "la Convention sur les Abordages 1910" ou la "Convention sur les Abordages 1960". Si ces conventions ne sont pas applicables, elle doit être introduite dans un délai d'un an à compter de la date du paiement ayant donné lieu au recours.]1
Wijzigingen
Art. 3.3.1.7. [1 Aansprakelijkheid na eigendomsoverdracht
Onverminderd de toepassing van artikel 3.3.1.6, § 3, blijft na eigendomsoverdracht de aansprakelijkheid rusten op degene die exploitant was op het ogenblik waarop de onrechtmatige daad werd gesteld of de verbintenis werd aangegaan.]1
Onverminderd de toepassing van artikel 3.3.1.6, § 3, blijft na eigendomsoverdracht de aansprakelijkheid rusten op degene die exploitant was op het ogenblik waarop de onrechtmatige daad werd gesteld of de verbintenis werd aangegaan.]1
Art. 3.3.1.7. [1 Responsabilité après cession de propriété
Sans préjudice de l'application de l'article 3.3.1.6, § 3, après le transfert de propriété, la responsabilité continue à incomber à la personne qui était l'exploitant au moment où l'acte illicite a été commis ou au moment où l'obligation a été contractée.]1
Sans préjudice de l'application de l'article 3.3.1.6, § 3, après le transfert de propriété, la responsabilité continue à incomber à la personne qui était l'exploitant au moment où l'acte illicite a été commis ou au moment où l'obligation a été contractée.]1
Wijzigingen
Art. 3.3.1.8. Gehoudenheid in solidum
Ingeval naast de op grond van de voorgaande artikel en aansprakelijke [1 exploitant of]1 scheepseigenaar een andere persoon voor dezelfde verbintenissen instaat of voor dezelfde schade aansprakelijk is, zijn de [1 exploitant of]1 scheepseigenaar en deze andere persoon in solidum aansprakelijk.
Ingeval naast de op grond van de voorgaande artikel en aansprakelijke [1 exploitant of]1 scheepseigenaar een andere persoon voor dezelfde verbintenissen instaat of voor dezelfde schade aansprakelijk is, zijn de [1 exploitant of]1 scheepseigenaar en deze andere persoon in solidum aansprakelijk.
Art. 3.3.1.8. Obligation in solidum
Au cas où, en dehors [1 de l'exploitant ou]1 du propriétaire de navire responsable sur la base des articles précédents, une autre personne est tenue pour les mêmes obligations ou est responsable pour le même dommage, [1 l'exploitant ou]1 le propriétaire de navire et cette autre personne sont responsables in solidum.
Au cas où, en dehors [1 de l'exploitant ou]1 du propriétaire de navire responsable sur la base des articles précédents, une autre personne est tenue pour les mêmes obligations ou est responsable pour le même dommage, [1 l'exploitant ou]1 le propriétaire de navire et cette autre personne sont responsables in solidum.
Wijzigingen
Art. 3.3.1.9. [1 Verhaalsrecht
De exploitant of scheepseigenaar die op grond van artikel 3.3.1.6 of 3.3.1.7 gehouden is voor de schade, kan, met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 3.3.1.2 en 3.3.1.5, verhaal uitoefenen tegen de aansprakelijke schadeveroorzaker.
De vordering tot verhaal moet ingesteld worden binnen de in artikel 3.3.1.6, § 3, bedoelde termijnen, al naargelang het geval.]1
De exploitant of scheepseigenaar die op grond van artikel 3.3.1.6 of 3.3.1.7 gehouden is voor de schade, kan, met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 3.3.1.2 en 3.3.1.5, verhaal uitoefenen tegen de aansprakelijke schadeveroorzaker.
De vordering tot verhaal moet ingesteld worden binnen de in artikel 3.3.1.6, § 3, bedoelde termijnen, al naargelang het geval.]1
Art. 3.3.1.9. [1 Droit de recours
L'exploitant ou le propriétaire du navire qui est responsable du dommage en vertu de l'article 3.3.1.6 ou 3.3.1.7 peut, compte tenu des dispositions des articles 3.3.1.2 et 3.3.1.5, exercer un recours contre celui qui a causé le dommage.
L'action en recours doit être introduite dans les délais visés à l'article 3.3.1.6, § 3, selon le cas.]1
L'exploitant ou le propriétaire du navire qui est responsable du dommage en vertu de l'article 3.3.1.6 ou 3.3.1.7 peut, compte tenu des dispositions des articles 3.3.1.2 et 3.3.1.5, exercer un recours contre celui qui a causé le dommage.
L'action en recours doit être introduite dans les délais visés à l'article 3.3.1.6, § 3, selon le cas.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 2. - Toegang tot het vervoer
CHAPITRE 2. - Accès au transport
Art.3.3.2.1.Exploitatievergunning
Van een exploitatievergunning moet voorzien zijn :
1° elk binnenschip dat gewoonlijk en met winstoogmerk gebruikt wordt of bestemd is voor het vervoer of de opslag van goederen of het slepen of duwen [1 of anderszins meenemen]1 van binnenschepen dat in volle eigendom toebehoort :
a) aan natuurlijke personen die in België hun woonplaats hebben;
b) aan rechtspersonen die in België hun maatschappelijke zetel hebben;
2° elk binnenschip dat met winstoogmerk gebruikt wordt om ook in België binnenlands goederenvervoer te verrichten.
Van een exploitatievergunning moet voorzien zijn :
1° elk binnenschip dat gewoonlijk en met winstoogmerk gebruikt wordt of bestemd is voor het vervoer of de opslag van goederen of het slepen of duwen [1 of anderszins meenemen]1 van binnenschepen dat in volle eigendom toebehoort :
a) aan natuurlijke personen die in België hun woonplaats hebben;
b) aan rechtspersonen die in België hun maatschappelijke zetel hebben;
2° elk binnenschip dat met winstoogmerk gebruikt wordt om ook in België binnenlands goederenvervoer te verrichten.
Art. 3.3.2.1. Licence d'exploitation
Doit être pourvu d'une licence d'exploitation :
1° tout bateau de navigation intérieure qui fait ou est destiné à faire habituellement et à titre lucratif le transport ou l'entreposage de marchandises, le remorquage ou le poussage [1 ou l'emport d'une autre manière]1 de bateaux de navigation intérieure et qui appartient en pleine propriété :
a) à des personnes physiques qui ont leur domicile en Belgique;
b) à des personnes morales qui ont leur siège social en Belgique;
2° tout bateau de navigation intérieure qui est utilisé à titre lucratif pour effectuer également du transport intérieur de marchandises en Belgique.
Doit être pourvu d'une licence d'exploitation :
1° tout bateau de navigation intérieure qui fait ou est destiné à faire habituellement et à titre lucratif le transport ou l'entreposage de marchandises, le remorquage ou le poussage [1 ou l'emport d'une autre manière]1 de bateaux de navigation intérieure et qui appartient en pleine propriété :
a) à des personnes physiques qui ont leur domicile en Belgique;
b) à des personnes morales qui ont leur siège social en Belgique;
2° tout bateau de navigation intérieure qui est utilisé à titre lucratif pour effectuer également du transport intérieur de marchandises en Belgique.
Wijzigingen
Art. 3.3.2.2. Uitreiking van de exploitatievergunning
De exploitatievergunning wordt op overlegging van de meetbrief en een eigendomsbewijs door de bevoegde overheid uitgereikt voor elk binnenschip dat technisch in goede staat bevonden wordt overeenkomstig de door de bevoegde overheid bepaalde maatstaven.
De vergunning is geldig voor een jaar.
De exploitatievergunning wordt op overlegging van de meetbrief en een eigendomsbewijs door de bevoegde overheid uitgereikt voor elk binnenschip dat technisch in goede staat bevonden wordt overeenkomstig de door de bevoegde overheid bepaalde maatstaven.
De vergunning is geldig voor een jaar.
Art. 3.3.2.2. Délivrance de la licence d'exploitation
La licence d'exploitation est délivrée sur production du certificat de jaugeage et un titre de propriété par l'autorité compétente pour tout bateau de navigation intérieure jugé techniquement en bon état conformément aux critères fixés par l'autorité compétente.
La licence est valable pendant un an.
La licence d'exploitation est délivrée sur production du certificat de jaugeage et un titre de propriété par l'autorité compétente pour tout bateau de navigation intérieure jugé techniquement en bon état conformément aux critères fixés par l'autorité compétente.
La licence est valable pendant un an.
Art. 3.3.2.3. Betaling van een jaarlijkse belasting
De uitreiking van de vergunning geschiedt na de betaling van een jaarlijkse belasting waarvan het bedrag wordt vastgesteld aan de hand van de tonnenmaat van het binnenschip en het motorvermogen in kilowatt, zoals die blijken uit de meetbrief.
De belasting wordt berekend op basis van een bedrag van 0,11 euro per ton en 0,29 euro per kilowatt. De Koning kan deze bedragen aanpassen in functie van de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen.
De Koning bepaalt de nadere regels voor het heffen van de belasting.
De uitreiking van de vergunning geschiedt na de betaling van een jaarlijkse belasting waarvan het bedrag wordt vastgesteld aan de hand van de tonnenmaat van het binnenschip en het motorvermogen in kilowatt, zoals die blijken uit de meetbrief.
De belasting wordt berekend op basis van een bedrag van 0,11 euro per ton en 0,29 euro per kilowatt. De Koning kan deze bedragen aanpassen in functie van de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen.
De Koning bepaalt de nadere regels voor het heffen van de belasting.
Art. 3.3.2.3. Paiement d'une taxe annuelle
La délivrance de la licence a lieu après le paiement d'une taxe annuelle dont le montant est fixé en tenant compte du tonnage du bateau de navigation intérieure et de la puissance du moteur en kilowatts, tels qu'ils résultent du certificat de jaugeage.
La taxe est calculée sur base d'un montant de 0,11 euro par tonne et 0,29 euro par kilowatt. Le Roi peut adapter ces montants en fonction de l'évolution de l'indice des prix à la consommation.
Le Roi fixe les modalités de la perception de la taxe.
La délivrance de la licence a lieu après le paiement d'une taxe annuelle dont le montant est fixé en tenant compte du tonnage du bateau de navigation intérieure et de la puissance du moteur en kilowatts, tels qu'ils résultent du certificat de jaugeage.
La taxe est calculée sur base d'un montant de 0,11 euro par tonne et 0,29 euro par kilowatt. Le Roi peut adapter ces montants en fonction de l'évolution de l'indice des prix à la consommation.
Le Roi fixe les modalités de la perception de la taxe.
Art. 3.3.2.4. Instituut voor het transport langs de binnenwateren
De opbrengst van het in artikel 3.3.2.3 bedoelde belasting dient ter dekking van de werkingskosten van het Instituut voor het transport langs de binnenwateren. Hiertoe wordt het bedrag van deze opbrengst gestort op een rekening van dit instituut.
De opbrengst van het in artikel 3.3.2.3 bedoelde belasting dient ter dekking van de werkingskosten van het Instituut voor het transport langs de binnenwateren. Hiertoe wordt het bedrag van deze opbrengst gestort op een rekening van dit instituut.
Art. 3.3.2.4. Institut pour le transport par batellerie
Le paiement de la taxe visée à l'article 3.3.2.3. est destiné à couvrir les frais de fonctionnement de l'Institut pour le transport par batellerie. A cette fin, le montant de ce paiement est versé sur un compte de cet Institut.
Le paiement de la taxe visée à l'article 3.3.2.3. est destiné à couvrir les frais de fonctionnement de l'Institut pour le transport par batellerie. A cette fin, le montant de ce paiement est versé sur un compte de cet Institut.
Art. 3.3.2.5. Vlootverklaring
§ 1. Elk binnenschip dat gewoonlijk en met winstoogmerk gebruikt wordt of bestemd is voor goederen- of personenvervoer [1 of enige andere verrichting van scheepvaart]1 voor rekening van derden over de scheepvaartwegen van het Rijk moet voorzien zijn van :
1° een verklaring inzake het behoren tot de Belgische vloot; of
2° [1 een verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart, uitgereikt in uitvoering van het Toepassingsreglement van de bepalingen in het derde lid van artikel 2 van de Herziene Rijnvaartakte en van het eerste en derde lid van het op 17 oktober 1979 ondertekende Protocol van Ondertekening bij het Aanvullend Protocol nr. 2 van de voormelde Herziene Rijnvaartakte; of]1
3° een document uitgereikt door een andere lidstaat in uitvoering van Verordening (EEG) nr. 3921/91 van de Raad van 16 december 1991 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands goederen- en personenvervoer over de binnenwateren in een Lidstaat waar zij niet gevestigd zijn; of
4° een ander door de Koning erkend document.
§ 2. De verklaringen of documenten bedoeld in paragraaf 1 moeten zich aan boord bevinden van het binnenschip en moeten worden vertoond telkens daarom wordt verzocht door een scheepvaartcontroleur of een personeelslid van de Scheepvaartpolitie.
§ 3. De verklaring inzake het behoren tot de Belgische vloot en van de Belgische verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart wordt slechts uitgereikt indien het binnenschip is teboekgesteld in het Belgisch binnenschepenregister. De Koning bepaalt de modaliteiten van de aanvraag en het model van de verklaringen.
[1 De verklaring bedoeld in artikel 5 van het Toepassings-reglement van de bepalingen in het derde lid van artikel 2 van de Herziene Rijnvaartakte en van het eerste en het derde lid van het op 17 oktober 1979 ondertekende Protocol van Ondertekening bij het Aanvullend Protocol nr. 2 bij de Herziene Rijnvaartakte, wordt uitgereikt indien de aanvrager zijn zetel of woonplaats in België heeft en aan de voorwaarden van het betreffend reglement voldoet.]1
§ 1. Elk binnenschip dat gewoonlijk en met winstoogmerk gebruikt wordt of bestemd is voor goederen- of personenvervoer [1 of enige andere verrichting van scheepvaart]1 voor rekening van derden over de scheepvaartwegen van het Rijk moet voorzien zijn van :
1° een verklaring inzake het behoren tot de Belgische vloot; of
2° [1 een verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart, uitgereikt in uitvoering van het Toepassingsreglement van de bepalingen in het derde lid van artikel 2 van de Herziene Rijnvaartakte en van het eerste en derde lid van het op 17 oktober 1979 ondertekende Protocol van Ondertekening bij het Aanvullend Protocol nr. 2 van de voormelde Herziene Rijnvaartakte; of]1
3° een document uitgereikt door een andere lidstaat in uitvoering van Verordening (EEG) nr. 3921/91 van de Raad van 16 december 1991 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands goederen- en personenvervoer over de binnenwateren in een Lidstaat waar zij niet gevestigd zijn; of
4° een ander door de Koning erkend document.
§ 2. De verklaringen of documenten bedoeld in paragraaf 1 moeten zich aan boord bevinden van het binnenschip en moeten worden vertoond telkens daarom wordt verzocht door een scheepvaartcontroleur of een personeelslid van de Scheepvaartpolitie.
§ 3. De verklaring inzake het behoren tot de Belgische vloot en van de Belgische verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart wordt slechts uitgereikt indien het binnenschip is teboekgesteld in het Belgisch binnenschepenregister. De Koning bepaalt de modaliteiten van de aanvraag en het model van de verklaringen.
[1 De verklaring bedoeld in artikel 5 van het Toepassings-reglement van de bepalingen in het derde lid van artikel 2 van de Herziene Rijnvaartakte en van het eerste en het derde lid van het op 17 oktober 1979 ondertekende Protocol van Ondertekening bij het Aanvullend Protocol nr. 2 bij de Herziene Rijnvaartakte, wordt uitgereikt indien de aanvrager zijn zetel of woonplaats in België heeft en aan de voorwaarden van het betreffend reglement voldoet.]1
Art. 3.3.2.5. Attestation d'appartenance à la flotte
§ 1er. Tout bateau de navigation intérieure qui fait ou est destiné à faire habituellement et à titre lucratif le transport de marchandises ou de personnes [1 ou toute autre opération de navigation]1 pour compte d'autrui sur les voies navigables du Royaume doit être pourvu :
1° d'une attestation d'appartenance à la flotte belge; ou
2° [1 d'une attestation d'appartenance à la navigation du Rhin, délivrée en exécution du Règlement d'application des dispositions du troisième alinéa de l'article 2 de la Convention révisée pour la navigation du Rhin et des chiffres 1 et 3 du protocole de signature du protocole additionnel n° 2 à ladite Convention révisée pour la navigation du Rhin, signé le 17 octobre 1979; ou]1
3° d'un document délivré par un autre Etat membre en exécution du Règlement (CEE) n° 3921/91 du Conseil, du 16 décembre 1991, fixant les conditions de l'admission de transporteurs non résidents aux transports nationaux de marchandises ou de personnes par voie navigable dans un Etat membre, ou
4° d'un autre document reconnu par le Roi.
§ 2. Les attestations ou documents visés au paragraphe 1er doivent se trouver à bord du bateau de navigation intérieure et être dès lors présentés chaque fois qu'un contrôleur de la navigation ou un membre du personnel de la Police de la Navigation en fait la demande.
§ 3. L'attestation d'appartenance à la flotte belge et de l'attestation belge en matière d'appartenance à la navigation du Rhin n'est délivrée que si le bateau de navigation intérieure a été immatriculé dans le registre belge des bateaux de navigation intérieure. Le Roi détermine les modalités de la demande et le modèle des attestations.
[1 Le document visé à l'article 5 du Règlement d'application des dispositions du troisième alinéa de l'article 2 de la Convention révisée pour la navigation du Rhin et des chiffres 1 et 3 du protocole de signature du protocole additionnel n° 2 à ladite Convention révisée pour la navigation du Rhin, signé le 17 octobre 1979, est délivré si le demandeur a son siège ou son domicile en Belgique et s'il répond aux conditions dudit règlement.]1
§ 1er. Tout bateau de navigation intérieure qui fait ou est destiné à faire habituellement et à titre lucratif le transport de marchandises ou de personnes [1 ou toute autre opération de navigation]1 pour compte d'autrui sur les voies navigables du Royaume doit être pourvu :
1° d'une attestation d'appartenance à la flotte belge; ou
2° [1 d'une attestation d'appartenance à la navigation du Rhin, délivrée en exécution du Règlement d'application des dispositions du troisième alinéa de l'article 2 de la Convention révisée pour la navigation du Rhin et des chiffres 1 et 3 du protocole de signature du protocole additionnel n° 2 à ladite Convention révisée pour la navigation du Rhin, signé le 17 octobre 1979; ou]1
3° d'un document délivré par un autre Etat membre en exécution du Règlement (CEE) n° 3921/91 du Conseil, du 16 décembre 1991, fixant les conditions de l'admission de transporteurs non résidents aux transports nationaux de marchandises ou de personnes par voie navigable dans un Etat membre, ou
4° d'un autre document reconnu par le Roi.
§ 2. Les attestations ou documents visés au paragraphe 1er doivent se trouver à bord du bateau de navigation intérieure et être dès lors présentés chaque fois qu'un contrôleur de la navigation ou un membre du personnel de la Police de la Navigation en fait la demande.
§ 3. L'attestation d'appartenance à la flotte belge et de l'attestation belge en matière d'appartenance à la navigation du Rhin n'est délivrée que si le bateau de navigation intérieure a été immatriculé dans le registre belge des bateaux de navigation intérieure. Le Roi détermine les modalités de la demande et le modèle des attestations.
[1 Le document visé à l'article 5 du Règlement d'application des dispositions du troisième alinéa de l'article 2 de la Convention révisée pour la navigation du Rhin et des chiffres 1 et 3 du protocole de signature du protocole additionnel n° 2 à ladite Convention révisée pour la navigation du Rhin, signé le 17 octobre 1979, est délivré si le demandeur a son siège ou son domicile en Belgique et s'il répond aux conditions dudit règlement.]1
Wijzigingen
Art.3.3.2.6. [1 De bepalingen van titel 6 van het Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen, zoals gewijzigd bij de artikelen 16 en 17 van de wet van 8 mei 2019 tot invoering van het Belgisch Scheepvaartwetboek zijn van toepassing op binnenschepen die gewoonlijk gebruikt of bestemd zijn tot winstgevende verrichtingen van scheepvaart in de binnenwateren, alsook op schepen van minder dan 25 ton die gewoonlijk op zee voor soortgelijke verrichtingen worden gebruikt.]1
Art.3.3.2.6. [1 Les dispositions du titre 6 du Code des privilèges maritimes déterminés et des dispositions diverses, telles que modifiées par les articles 16 et 17 de la loi du 8 mai 2019 introduisant le Code belge de la Navigation, s'appliquent aux bateaux de navigation intérieure normalement utilisés ou destinés à des opérations lucratives de navigation dans les eaux intérieures, ainsi qu'aux navires de moins de 25 tonnes, normalement utilisés pour des opérations similaires en mer.]1
HOOFDSTUK 3. - Beperking van Aansprakelijkheid
CHAPITRE 3. - Limitation de responsablité
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1ère. - Dispositions générales
Art. 3.3.3.1. Begrippen
§ 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "scheepseigenaar" : de eigenaar, huurder, of bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, alsmede de exploitant van een schip;
2° "berger" : iedere persoon die diensten verricht rechtstreeks verband houdende met bergingswerkzaamheden waaronder volgende werkzaamheden :
a) het vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van een gezonken, vergaan, gestrand of verlaten schip, daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden;
b) het verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van de lading van het schip;
3° "gevaarlijke stoffen" : gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk 3.2 van het Reglement gevoegd bij het ADN-Verdrag;
4° "waterweg" : elk binnenwater, met inbegrip van elk meer;
5° "vorderingen ter zake van dood of letsel van passagiers van een schip" : alle vorderingen die door of namens een aan boord van dat schip vervoerde persoon zijn ingesteld :
a) krachtens een overeenkomst tot het vervoer van passagiers; of,
b) die, met toestemming van de vervoerder, een voertuig of levende dieren begeleidt, waarvoor een overeenkomst van goederenvervoer is gesloten;
6° "rekeneenheid" : het bijzonder trekkingsrecht zoals omschreven door het Internationaal Monetair Fonds.
§ 2. In dit hoofdstuk omvat "de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar" de aansprakelijkheid die voortvloeit uit een tegen het schip zelf ingestelde rechtsvordering.
§ 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "scheepseigenaar" : de eigenaar, huurder, of bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, alsmede de exploitant van een schip;
2° "berger" : iedere persoon die diensten verricht rechtstreeks verband houdende met bergingswerkzaamheden waaronder volgende werkzaamheden :
a) het vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van een gezonken, vergaan, gestrand of verlaten schip, daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden;
b) het verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van de lading van het schip;
3° "gevaarlijke stoffen" : gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk 3.2 van het Reglement gevoegd bij het ADN-Verdrag;
4° "waterweg" : elk binnenwater, met inbegrip van elk meer;
5° "vorderingen ter zake van dood of letsel van passagiers van een schip" : alle vorderingen die door of namens een aan boord van dat schip vervoerde persoon zijn ingesteld :
a) krachtens een overeenkomst tot het vervoer van passagiers; of,
b) die, met toestemming van de vervoerder, een voertuig of levende dieren begeleidt, waarvoor een overeenkomst van goederenvervoer is gesloten;
6° "rekeneenheid" : het bijzonder trekkingsrecht zoals omschreven door het Internationaal Monetair Fonds.
§ 2. In dit hoofdstuk omvat "de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar" de aansprakelijkheid die voortvloeit uit een tegen het schip zelf ingestelde rechtsvordering.
Art. 3.3.3.1. Notions
§ 1er. Dans le présent chapitre, l'on entend par :
1° " propriétaire de bateau " : le propriétaire, le locataire, ou l'affréteur à qui est confiée l'utilisation du bateau, ainsi que l'exploitant d'un bateau;
2° " assistant " : toute personne fournissant des services en relation directe avec les opérations d'assistance comprennant également les opérations suivantes :
a) renflouer, enlever, détruire ou rendre inoffensif un bateau coulé, naufragé, échoué ou abandonné, y compris tout ce qui se trouve ou s'est trouvé à bord;
b) enlever, détruire ou rendre inoffensive la cargaison du bateau;
3° " marchandises dangereuses " : les marchandises dangereuses au sens du chapitre 3.2 du Règlement annexé à l'Accord ADN;
4° " voie d'eau " : toute voie d'eau intérieure, y compris tout lac;
5° " créances résultant de la mort ou de lésions corporelles des passagers d'un bateau " : toute créance formée par toute personne transportée sur ce bateau ou pour le compte de cette personne :
a) en vertu d'un contrat de transport de passager; ou,
b) qui, avec le consentement du transporteur, accompagne un véhicule ou des animaux vivants faisant l'objet d'un contrat de transport de marchandises;
6° " unité de compte " : le droit de tirage spécial tel que défini par le Fonds monétaire international.
§ 2. Dans le présent chapitre, l'expression " responsabilité du propriétaire de bateau " comprend la responsabilité résultant d'une action formée contre le bateau lui-même.
§ 1er. Dans le présent chapitre, l'on entend par :
1° " propriétaire de bateau " : le propriétaire, le locataire, ou l'affréteur à qui est confiée l'utilisation du bateau, ainsi que l'exploitant d'un bateau;
2° " assistant " : toute personne fournissant des services en relation directe avec les opérations d'assistance comprennant également les opérations suivantes :
a) renflouer, enlever, détruire ou rendre inoffensif un bateau coulé, naufragé, échoué ou abandonné, y compris tout ce qui se trouve ou s'est trouvé à bord;
b) enlever, détruire ou rendre inoffensive la cargaison du bateau;
3° " marchandises dangereuses " : les marchandises dangereuses au sens du chapitre 3.2 du Règlement annexé à l'Accord ADN;
4° " voie d'eau " : toute voie d'eau intérieure, y compris tout lac;
5° " créances résultant de la mort ou de lésions corporelles des passagers d'un bateau " : toute créance formée par toute personne transportée sur ce bateau ou pour le compte de cette personne :
a) en vertu d'un contrat de transport de passager; ou,
b) qui, avec le consentement du transporteur, accompagne un véhicule ou des animaux vivants faisant l'objet d'un contrat de transport de marchandises;
6° " unité de compte " : le droit de tirage spécial tel que défini par le Fonds monétaire international.
§ 2. Dans le présent chapitre, l'expression " responsabilité du propriétaire de bateau " comprend la responsabilité résultant d'une action formée contre le bateau lui-même.
Art. 3.3.3.2. Internationale en materiële toepassing
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de beperking van aansprakelijkheid ter zake van alle binnenschepen waarop het CLNI-Verdrag 2012 niet van toepassing is, met inbegrip van, in voorkomend geval, estuaire schepen.
Dit hoofdstuk is mede van toepassing op de beperking van aansprakelijkheid van een berger die vanaf een in het vorige lid bedoeld schip hulp verleent aan een zeeschip dat in het gebied van een van de op het grondgebied van een Staat die Partij is bij het CLNI-Verdrag 2012 gelegen waterwegen in gevaar verkeert of aan de lading van een dergelijk schip.
§ 2. In het in artikel 3.3.3.3, eerste lid, bedoelde geval zijn de volgende bepalingen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing :
1° artikel 3.3.3.2, § 3;
2° artikel 3.3.3.3, tweede lid;
3° artikel 3.3.3.15, tweede lid;
4° artikel 3.3.3.17, § 2, 4, tweede tot vijfde lid, 7 en 8;
5° artikel 3.3.3.18;
6° artikel 3.3.3.19;
7° artikel 3.3.3.20;
8° artikel 3.3.3.21;
9° artikel 3.3.3.22;
10° artikel 3.3.3.23;
11° artikel 3.3.3.24, § 4;
12° artikel 3.3.3.25;
13° artikel 3.3.3.26;
14° artikel 3.3.3.27;
15° artikel 3.3.3.28, § 2, 3, 4, 8 en 9;
16° artikel 3.3.3.29;
17° artikel 3.3.3.30;
18° artikel 3.3.3.31.
§ 3. De rechtspleging wordt beheerst door de Belgische wet.
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de beperking van aansprakelijkheid ter zake van alle binnenschepen waarop het CLNI-Verdrag 2012 niet van toepassing is, met inbegrip van, in voorkomend geval, estuaire schepen.
Dit hoofdstuk is mede van toepassing op de beperking van aansprakelijkheid van een berger die vanaf een in het vorige lid bedoeld schip hulp verleent aan een zeeschip dat in het gebied van een van de op het grondgebied van een Staat die Partij is bij het CLNI-Verdrag 2012 gelegen waterwegen in gevaar verkeert of aan de lading van een dergelijk schip.
§ 2. In het in artikel 3.3.3.3, eerste lid, bedoelde geval zijn de volgende bepalingen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing :
1° artikel 3.3.3.2, § 3;
2° artikel 3.3.3.3, tweede lid;
3° artikel 3.3.3.15, tweede lid;
4° artikel 3.3.3.17, § 2, 4, tweede tot vijfde lid, 7 en 8;
5° artikel 3.3.3.18;
6° artikel 3.3.3.19;
7° artikel 3.3.3.20;
8° artikel 3.3.3.21;
9° artikel 3.3.3.22;
10° artikel 3.3.3.23;
11° artikel 3.3.3.24, § 4;
12° artikel 3.3.3.25;
13° artikel 3.3.3.26;
14° artikel 3.3.3.27;
15° artikel 3.3.3.28, § 2, 3, 4, 8 en 9;
16° artikel 3.3.3.29;
17° artikel 3.3.3.30;
18° artikel 3.3.3.31.
§ 3. De rechtspleging wordt beheerst door de Belgische wet.
Art. 3.3.3.2. Application internationale et matérielle
§ 1er. Le présent chapitre s'applique à la limitation de responsabilité de tous les bateaux de navigation intérieure auxquels la Convention CLNI 2012 ne s'applique pas, en ce compris, le cas échéant, les navires estuaires.
Le présent chapitre s'applique également à la limitation de responsabilité d'un assistant fournissant des services d'assistance d'un bateau visé à l'alinéa précédent à un navire de mer en danger dans l'étendue d'une des voies d'eau situées sur le territoire d'un Etat partie à la Convention CLNI 2012 ou à la cargaison d'un tel navire.
§ 2. Dans le cas visé à l'article 3.3.3.3, alinéa 1er, les dispositions suivantes du présent chapitre sont d'application par analogie :
1° l'article 3.3.3.2, § 3;
2° l'article 3.3.3.3, alinéa 2;
3° l'article 3.3.3.15, alinéa 2;
4° l'article 3.3.3.17, § 2, 4, alinéas 2 à 5, 7 et 8;
5° l'article 3.3.3.18;
6° l'article 3.3.3.19;
7° l'article 3.3.3.20;
8° l'article 3.3.3.21;
9° l'article 3.3.3.22;
10° l'article 3.3.3.23;
11° l'article 3.3.3.24, § 4;
12° l'article 3.3.3.25;
13° l'article 3.3.3.26;
14° l'article 3.3.3.27;
15° l'article 3.3.3.28, § 2, 3, 4, 8 et 9;
16° l'article 3.3.3.29;
17° l'article 3.3.3.30;
18° l'article 3.3.3.31.
§ 3. La procédure est régie par la loi belge.
§ 1er. Le présent chapitre s'applique à la limitation de responsabilité de tous les bateaux de navigation intérieure auxquels la Convention CLNI 2012 ne s'applique pas, en ce compris, le cas échéant, les navires estuaires.
Le présent chapitre s'applique également à la limitation de responsabilité d'un assistant fournissant des services d'assistance d'un bateau visé à l'alinéa précédent à un navire de mer en danger dans l'étendue d'une des voies d'eau situées sur le territoire d'un Etat partie à la Convention CLNI 2012 ou à la cargaison d'un tel navire.
§ 2. Dans le cas visé à l'article 3.3.3.3, alinéa 1er, les dispositions suivantes du présent chapitre sont d'application par analogie :
1° l'article 3.3.3.2, § 3;
2° l'article 3.3.3.3, alinéa 2;
3° l'article 3.3.3.15, alinéa 2;
4° l'article 3.3.3.17, § 2, 4, alinéas 2 à 5, 7 et 8;
5° l'article 3.3.3.18;
6° l'article 3.3.3.19;
7° l'article 3.3.3.20;
8° l'article 3.3.3.21;
9° l'article 3.3.3.22;
10° l'article 3.3.3.23;
11° l'article 3.3.3.24, § 4;
12° l'article 3.3.3.25;
13° l'article 3.3.3.26;
14° l'article 3.3.3.27;
15° l'article 3.3.3.28, § 2, 3, 4, 8 et 9;
16° l'article 3.3.3.29;
17° l'article 3.3.3.30;
18° l'article 3.3.3.31.
§ 3. La procédure est régie par la loi belge.
Art. 3.3.3.3. Andere regelgeving
De rechtstreeks werkende bepalingen van het CLNI-Verdrag 2012 zijn van toepassing op het in artikel 15.1 van dat verdrag bedoelde geval.
In hetzelfde geval zijn de vorderingen voor schade, veroorzaakt door de wijziging van de fysische, chemische of biologische kwaliteit van het water niet voor beperking van aansprakelijkheid vatbaar.
De rechtstreeks werkende bepalingen van het CLNI-Verdrag 2012 zijn van toepassing op het in artikel 15.1 van dat verdrag bedoelde geval.
In hetzelfde geval zijn de vorderingen voor schade, veroorzaakt door de wijziging van de fysische, chemische of biologische kwaliteit van het water niet voor beperking van aansprakelijkheid vatbaar.
Art. 3.3.3.3. Autre réglementation
Les dispositions directement applicables de la Convention CLNI 2012 s'appliquent au cas visé à l'article 15.1 de cette convention.
Dans le même cas, les créances pour dommages dus au changement de la qualité physique, chimique ou biologique de l'eau ne sont pas soumises à la limitation de responsabilité.
Les dispositions directement applicables de la Convention CLNI 2012 s'appliquent au cas visé à l'article 15.1 de cette convention.
Dans le même cas, les créances pour dommages dus au changement de la qualité physique, chimique ou biologique de l'eau ne sont pas soumises à la limitation de responsabilité.
Afdeling 2. - Het recht op beperking
Section 2. - Le droit à la limitation
Art. 3.3.3.4. Personen die gerechtigd zijn hun aansprakelijkheid te beperken
§ 1. Scheepseigenaars en bergers kunnen hun aansprakelijkheid overeenkomstig deze titel beperken voor de in artikel 3.3.3.6 genoemde vorderingen.
§ 2. Indien een van de vorderingen genoemd in artikel 3.3.3.6 wordt ingesteld tegen een persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid de scheepseigenaar of berger aansprakelijk is, is die persoon gerechtigd zich te beroepen op de beperking van aansprakelijkheid bedoeld in dit hoofdstuk.
§ 3. Een verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt voor vorderingen waarvoor overeenkomstig dit hoofdstuk beperking geldt, kan op die beperking in gelijke mate een beroep doen als de verzekerde zelf.
§ 1. Scheepseigenaars en bergers kunnen hun aansprakelijkheid overeenkomstig deze titel beperken voor de in artikel 3.3.3.6 genoemde vorderingen.
§ 2. Indien een van de vorderingen genoemd in artikel 3.3.3.6 wordt ingesteld tegen een persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid de scheepseigenaar of berger aansprakelijk is, is die persoon gerechtigd zich te beroepen op de beperking van aansprakelijkheid bedoeld in dit hoofdstuk.
§ 3. Een verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt voor vorderingen waarvoor overeenkomstig dit hoofdstuk beperking geldt, kan op die beperking in gelijke mate een beroep doen als de verzekerde zelf.
Art. 3.3.3.4. Personnes en droit de limiter leur responsabilité
§ 1er. Les propriétaires de bateaux et les assistants peuvent limiter leur responsabilité conformément au présent titre à l'égard des créances visées à l'article 3.3.3.6.
§ 2. Si l'une quelconque des créances prévues à l'article 3.3.3.6 est formée contre toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité du propriétaire ou de l'assistant, cette personne est en droit de se prévaloir de la limitation de la responsabilité prévue dans le présent chapitre.
§ 3. L'assureur qui couvre la responsabilité à l'égard des créances soumises à limitation conformément au présent chapitre est en droit de se prévaloir de celle-ci dans la même mesure que l'assuré lui-même.
§ 1er. Les propriétaires de bateaux et les assistants peuvent limiter leur responsabilité conformément au présent titre à l'égard des créances visées à l'article 3.3.3.6.
§ 2. Si l'une quelconque des créances prévues à l'article 3.3.3.6 est formée contre toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité du propriétaire ou de l'assistant, cette personne est en droit de se prévaloir de la limitation de la responsabilité prévue dans le présent chapitre.
§ 3. L'assureur qui couvre la responsabilité à l'égard des créances soumises à limitation conformément au présent chapitre est en droit de se prévaloir de celle-ci dans la même mesure que l'assuré lui-même.
Art. 3.3.3.5. Erkenning van aansprakelijkheid
Het beroep op beperking van aansprakelijkheid houdt geen erkenning van aansprakelijkheid in.
Het beroep op beperking van aansprakelijkheid houdt geen erkenning van aansprakelijkheid in.
Art. 3.3.3.5. Reconnaissance de responsabilité
Le fait d'invoquer la limitation de la responsabilité n'emporte pas la reconnaissance de cette responsabilité.
Le fait d'invoquer la limitation de la responsabilité n'emporte pas la reconnaissance de cette responsabilité.
Art. 3.3.3.6. Vorderingen vatbaar voor beperking
§ 1. Behoudens de artikel en 3.3.3.7 en 3.3.3.8 zijn de volgende vorderingen, ongeacht de grondslag van de aansprakelijkheid, vatbaar voor beperking van aansprakelijkheid :
1° vorderingen met betrekking tot dood of letsel dan wel verlies of beschadiging van zaken (hieronder begrepen schade aan kunstwerken van havens, aan dokken, waterwegen, sluizen, stuwen, bruggen en hulpmiddelen bij de navigatie), ontstaan aan boord van het schip of in rechtstreeks verband met de exploitatie daarvan of met bergingswerkzaamheden, alsmede alle andere daaruit voortvloeiende schade;
2° vorderingen met betrekking tot schade voortvloeiend uit vertraging bij het vervoer van lading, passagiers of hun bagage;
3° vorderingen met betrekking tot andere schade die voortvloeit uit inbreuk op andere rechten dan die uit overeenkomst en die ontstaat in rechtstreeks verband met de exploitatie van het schip of met bergingswerkzaamheden;
4° vorderingen van een andere persoon dan de aansprakelijke persoon met betrekking tot maatregelen die zijn genomen ter voorkoming of vermindering van schade, waarvoor de aansprakelijke persoon zijn aansprakelijkheid overeenkomstig dit hoofdstuk kan beperken, alsmede andere door zulke maatregelen veroorzaakte schade.
§ 2. De in § 1 genoemde vorderingen zijn vatbaar voor beperking van aansprakelijkheid, zelfs indien zij, al dan niet op grond van een overeenkomst, worden ingesteld bij wijze van verhaal of vrijwaring. Vorderingen genoemd in § 1, 4°, zijn echter niet vatbaar voor beperking van aansprakelijkheid voor zover zij betrekking hebben op beloning krachtens een met de aansprakelijke persoon gesloten overeenkomst.
§ 1. Behoudens de artikel en 3.3.3.7 en 3.3.3.8 zijn de volgende vorderingen, ongeacht de grondslag van de aansprakelijkheid, vatbaar voor beperking van aansprakelijkheid :
1° vorderingen met betrekking tot dood of letsel dan wel verlies of beschadiging van zaken (hieronder begrepen schade aan kunstwerken van havens, aan dokken, waterwegen, sluizen, stuwen, bruggen en hulpmiddelen bij de navigatie), ontstaan aan boord van het schip of in rechtstreeks verband met de exploitatie daarvan of met bergingswerkzaamheden, alsmede alle andere daaruit voortvloeiende schade;
2° vorderingen met betrekking tot schade voortvloeiend uit vertraging bij het vervoer van lading, passagiers of hun bagage;
3° vorderingen met betrekking tot andere schade die voortvloeit uit inbreuk op andere rechten dan die uit overeenkomst en die ontstaat in rechtstreeks verband met de exploitatie van het schip of met bergingswerkzaamheden;
4° vorderingen van een andere persoon dan de aansprakelijke persoon met betrekking tot maatregelen die zijn genomen ter voorkoming of vermindering van schade, waarvoor de aansprakelijke persoon zijn aansprakelijkheid overeenkomstig dit hoofdstuk kan beperken, alsmede andere door zulke maatregelen veroorzaakte schade.
§ 2. De in § 1 genoemde vorderingen zijn vatbaar voor beperking van aansprakelijkheid, zelfs indien zij, al dan niet op grond van een overeenkomst, worden ingesteld bij wijze van verhaal of vrijwaring. Vorderingen genoemd in § 1, 4°, zijn echter niet vatbaar voor beperking van aansprakelijkheid voor zover zij betrekking hebben op beloning krachtens een met de aansprakelijke persoon gesloten overeenkomst.
Art. 3.3.3.6. Créances soumises à la limitation
§ 1er. Sous réserve des articles 3.3.3.7 et 3.3.3.8, les créances suivantes, quel que soit le fondement de la responsabilité, sont soumises à la limitation de la responsabilité :
1° créances pour mort, pour lésions corporelles, pour pertes ou dommages à tous biens (y compris les dommages causés aux ouvrages d'art des ports, bassins, voies navigables, écluses, barrages, ponts et aides à la navigation), survenus à bord du bateau ou en relation directe avec l'exploitation de celui-ci ou avec des opérations d'assistance, ainsi que pour tout autre préjudice en résultant;
2° créances pour tout préjudice résultant d'un retard dans le transport de la cargaison, des passagers ou de leurs bagages;
3° créances pour d'autres préjudices résultant de l'atteinte à tous droits de source extracontractuelle et survenus en relation directe avec l'exploitation du bateau ou avec des opérations d'assistance;
4° créances produites par une autre personne que la personne responsable pour les mesures prises afin de prévenir ou de réduire un dommage pour lequel la personne responsable peut limiter sa responsabilité conformément au présent chapitre et pour les dommages ultérieurement causés par ces mesures.
§ 2. Les créances visées au § 1er sont soumises à la limitation de la responsabilité même si elles font l'objet d'une action, contractuelle ou non, récursoire ou en garantie. Toutefois, les créances produites aux termes du § 1er, 4°, ne sont pas soumises à la limitation de responsabilité dans la mesure où elles sont relatives à la rémunération en application d'un contrat conclu avec la personne responsable.
§ 1er. Sous réserve des articles 3.3.3.7 et 3.3.3.8, les créances suivantes, quel que soit le fondement de la responsabilité, sont soumises à la limitation de la responsabilité :
1° créances pour mort, pour lésions corporelles, pour pertes ou dommages à tous biens (y compris les dommages causés aux ouvrages d'art des ports, bassins, voies navigables, écluses, barrages, ponts et aides à la navigation), survenus à bord du bateau ou en relation directe avec l'exploitation de celui-ci ou avec des opérations d'assistance, ainsi que pour tout autre préjudice en résultant;
2° créances pour tout préjudice résultant d'un retard dans le transport de la cargaison, des passagers ou de leurs bagages;
3° créances pour d'autres préjudices résultant de l'atteinte à tous droits de source extracontractuelle et survenus en relation directe avec l'exploitation du bateau ou avec des opérations d'assistance;
4° créances produites par une autre personne que la personne responsable pour les mesures prises afin de prévenir ou de réduire un dommage pour lequel la personne responsable peut limiter sa responsabilité conformément au présent chapitre et pour les dommages ultérieurement causés par ces mesures.
§ 2. Les créances visées au § 1er sont soumises à la limitation de la responsabilité même si elles font l'objet d'une action, contractuelle ou non, récursoire ou en garantie. Toutefois, les créances produites aux termes du § 1er, 4°, ne sont pas soumises à la limitation de responsabilité dans la mesure où elles sont relatives à la rémunération en application d'un contrat conclu avec la personne responsable.
Art. 3.3.3.7. Vorderingen uitgesloten van beperking
Deze titel is niet van toepassing op :
1° vorderingen uit hoofde van berging, met inbegrip van, indien van toepassing, een bijzondere vergoeding voor hulp aan een schip dat zelf of door zijn lading schade aan het milieu dreigde te berokkenen;
2° vorderingen wegens bijdrage in averij-grosse;
3° vorderingen, onderworpen aan een internationaal verdrag of nationale wetgeving, waardoor beperking van aansprakelijkheid voor kernschade geregeld of verboden wordt;
4° vorderingen tegen de eigenaar van een nucleair schip voor kernschade;
5° vorderingen van ondergeschikten van de scheepseigenaar of hulpverlener, wier werkzaamheden verband houden met het schip of de hulpverleningswerkzaamheden, daaronder begrepen vorderingen van hun erfgenamen, rechtverkrijgenden of andere personen die gerechtigd zijn zulke vorderingen in te stellen, indien de scheepseigenaar of hulpverlener volgens de wet die op de arbeidsovereenkomst tussen de scheepseigenaar of de hulpverlener en de ondergeschikten van toepassing is, niet gerechtigd is zijn aansprakelijkheid voor zulke vorderingen te beperken, of indien hij dit volgens die wet slechts kan doen tot een hoger bedrag dan dat bedoeld in artikel 3.3.3.10, of voor vorderingen in de zin van artikel 3.3.3.11 en dit bedrag hoger is dan de overeenkomstig artikel 3.3.3.11 berekende aansprakelijkheidsgrens;
6° vorderingen voor schade, veroorzaakt door de wijziging van de fysische, chemische of biologische kwaliteit van het water.
Deze titel is niet van toepassing op :
1° vorderingen uit hoofde van berging, met inbegrip van, indien van toepassing, een bijzondere vergoeding voor hulp aan een schip dat zelf of door zijn lading schade aan het milieu dreigde te berokkenen;
2° vorderingen wegens bijdrage in averij-grosse;
3° vorderingen, onderworpen aan een internationaal verdrag of nationale wetgeving, waardoor beperking van aansprakelijkheid voor kernschade geregeld of verboden wordt;
4° vorderingen tegen de eigenaar van een nucleair schip voor kernschade;
5° vorderingen van ondergeschikten van de scheepseigenaar of hulpverlener, wier werkzaamheden verband houden met het schip of de hulpverleningswerkzaamheden, daaronder begrepen vorderingen van hun erfgenamen, rechtverkrijgenden of andere personen die gerechtigd zijn zulke vorderingen in te stellen, indien de scheepseigenaar of hulpverlener volgens de wet die op de arbeidsovereenkomst tussen de scheepseigenaar of de hulpverlener en de ondergeschikten van toepassing is, niet gerechtigd is zijn aansprakelijkheid voor zulke vorderingen te beperken, of indien hij dit volgens die wet slechts kan doen tot een hoger bedrag dan dat bedoeld in artikel 3.3.3.10, of voor vorderingen in de zin van artikel 3.3.3.11 en dit bedrag hoger is dan de overeenkomstig artikel 3.3.3.11 berekende aansprakelijkheidsgrens;
6° vorderingen voor schade, veroorzaakt door de wijziging van de fysische, chemische of biologische kwaliteit van het water.
Art. 3.3.3.7. Créances exclues de la limitation
Le présent titre ne s'applique pas :
1° aux créances du chef d'assistance, y compris, si applicable, l'indemnité spéciale concernant des opérations de sauvetage ou d'assistance à l'égard d'un bateau qui par lui-même ou par sa cargaison menaçait de causer des dommages à l'environnement;
2° aux créances du chef de contribution en avarie commune;
3° aux créances soumises à toute convention internationale ou législation nationale régissant ou interdisant la limitation de la responsabilité pour dommages nucléaires;
4° aux créances contre le propriétaire d'un bateau à propulsion nucléaire pour dommages nucléaires;
5° aux créances des préposés du propriétaire du bateau ou de l'assistant dont les fonctions se rattachent au service du bateau ou aux opérations d'assistance ainsi qu'aux créances de leurs héritiers, ayants cause ou autres personnes fondées à former de telles créances si, selon la loi régissant le contrat d'engagement conclu entre le propriétaire du bateau ou l'assistant et les préposés, le propriétaire du bateau ou l'assistant n'a pas le droit de limiter sa responsabilité relativement à ces créances, ou, si, selon cette loi, il ne peut le faire qu'à concurrence d'un montant supérieur à celui calculé conformément à l'article 3.3.3.10 ou, pour les créances au sens de l'article 3.3.3.11, d'un montant supérieur à la limite de responsabilité calculée conformément à l'article 3.3.3.11.
6° aux créances pour dommages dus au changement de la qualité physique, chimique ou biologique de l'eau.
Le présent titre ne s'applique pas :
1° aux créances du chef d'assistance, y compris, si applicable, l'indemnité spéciale concernant des opérations de sauvetage ou d'assistance à l'égard d'un bateau qui par lui-même ou par sa cargaison menaçait de causer des dommages à l'environnement;
2° aux créances du chef de contribution en avarie commune;
3° aux créances soumises à toute convention internationale ou législation nationale régissant ou interdisant la limitation de la responsabilité pour dommages nucléaires;
4° aux créances contre le propriétaire d'un bateau à propulsion nucléaire pour dommages nucléaires;
5° aux créances des préposés du propriétaire du bateau ou de l'assistant dont les fonctions se rattachent au service du bateau ou aux opérations d'assistance ainsi qu'aux créances de leurs héritiers, ayants cause ou autres personnes fondées à former de telles créances si, selon la loi régissant le contrat d'engagement conclu entre le propriétaire du bateau ou l'assistant et les préposés, le propriétaire du bateau ou l'assistant n'a pas le droit de limiter sa responsabilité relativement à ces créances, ou, si, selon cette loi, il ne peut le faire qu'à concurrence d'un montant supérieur à celui calculé conformément à l'article 3.3.3.10 ou, pour les créances au sens de l'article 3.3.3.11, d'un montant supérieur à la limite de responsabilité calculée conformément à l'article 3.3.3.11.
6° aux créances pour dommages dus au changement de la qualité physique, chimique ou biologique de l'eau.
Art. 3.3.3.8. Gedragingen die de beperking opheffen
Een aansprakelijke persoon is niet gerechtigd zijn aansprakelijkheid te beperken, indien bewezen wordt dat de schade het gevolg is van zijn persoonlijk handelen of nalaten, gepleegd hetzij met het opzet zodanige schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat zodanige schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Een aansprakelijke persoon is niet gerechtigd zijn aansprakelijkheid te beperken, indien bewezen wordt dat de schade het gevolg is van zijn persoonlijk handelen of nalaten, gepleegd hetzij met het opzet zodanige schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat zodanige schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Art. 3.3.3.8. Conduite supprimant la limitation
Une personne responsable n'est pas en droit de limiter sa responsabilité s'il est prouvé que le dommage résulte de son fait ou de son omission personnels, commis avec l'intention de provoquer un tel dommage, ou commis témérairement et avec conscience qu'un tel dommage en résulterait probablement.
Une personne responsable n'est pas en droit de limiter sa responsabilité s'il est prouvé que le dommage résulte de son fait ou de son omission personnels, commis avec l'intention de provoquer un tel dommage, ou commis témérairement et avec conscience qu'un tel dommage en résulterait probablement.
Art. 3.3.3.9. Verrekening van vorderingen
Wanneer een persoon, die krachtens dit hoofdstuk gerechtigd is zijn aansprakelijkheid te beperken, tegen de schuldeiser een vordering heeft die voortkomt uit dezelfde gebeurtenis, worden de respectieve vorderingen met elkaar verrekend en de bepalingen van dit hoofdstuk zijn in dat geval slechts van toepassing op het eventuele saldo.
Wanneer een persoon, die krachtens dit hoofdstuk gerechtigd is zijn aansprakelijkheid te beperken, tegen de schuldeiser een vordering heeft die voortkomt uit dezelfde gebeurtenis, worden de respectieve vorderingen met elkaar verrekend en de bepalingen van dit hoofdstuk zijn in dat geval slechts van toepassing op het eventuele saldo.
Art. 3.3.3.9. Compensation de créances
Si une personne en droit de limiter sa responsabilité selon du présent chapitre a contre son créancier une créance née du même événement, leurs créances respectives se compensent et les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent qu'au solde éventuel.
Si une personne en droit de limiter sa responsabilité selon du présent chapitre a contre son créancier une créance née du même événement, leurs créances respectives se compensent et les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent qu'au solde éventuel.
Afdeling 3. - Aansprakelijkheidsgrenzen
Section 3. - Limites de la responsabilité
Art. 3.3.3.10. Algemene aansprakelijkheidsgrenzen
§ 1. De aansprakelijkheidsgrenzen voor andere vorderingen dan die genoemd in de artikel 3.3.3.11 en 3.3.3.12, die voortkomen uit eenzelfde gebeurtenis, worden als volgt berekend :
1° met betrekking tot vorderingen ter zake van dood of letsel :
a) voor een schip, niet bestemd voor het vervoer van goederen, in het bijzonder een passagiersschip, 400 rekeneenheden per kubieke meter waterverplaatsing tot het vlak van de grootste toegelaten diepgang, vermeerderd voor schepen voorzien van mechanische voortbewegingswerktuigen met 1.400 rekeneenheden voor elke KW van het vermogen van de voortbewegingswerktuigen;
b) voor een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, 400 rekeneenheden per ton laadvermogen van het schip, vermeerderd voor schepen voorzien van mechanische voortbewegingswerktuigen met 1.400 rekeneenheden voor elke KW van het vermogen van de voortbewegingswerktuigen;
c) voor een duw- of sleepboot, 1.400 rekeneenheden voor elke KW van het vermogen van de voortbewegingswerktuigen;
d) voor een duwboot die op het tijdstip waarop de schade is veroorzaakt, hecht met duwbakken in een duweenheid was gekoppeld, wordt de overeenkomstig de bepaling onder c) berekende aansprakelijkheidsgrens vermeerderd met 200 rekeneenheden per ton laadvermogen van de geduwde bakken; deze vermeerdering vindt niet plaats, indien bewezen wordt dat de duwboot hulp heeft verleend aan een of meer van deze duwbakken;
e) voor een schip voorzien van mechanische voortbewegingswerktuigen, dat op het tijdstip waarop de schade is veroorzaakt, andere hecht met dit schip gekoppelde schepen voortbeweegt, wordt de overeenkomstig de bepalingen onder a), b) of c) berekende aansprakelijkheidsgrens vermeerderd met 200 rekeneenheden per ton laadvermogen of per kubieke meter waterverplaatsing van de andere schepen; deze vermeerdering vindt niet plaats, indien bewezen wordt dat dit schip hulp heeft verleend aan een of meer van de gekoppelde schepen;
f) voor drijvende en verplaatsbare werktuigen en materiaal, hun waarde op het tijdstip van het voorval;
2° met betrekking tot alle andere vorderingen, de helft van de overeenkomstig het 1° berekende aansprakelijkheidsgrens;
3° wanneer de aansprakelijkheidsgrens, berekend overeenkomstig het 1°, onvoldoende is voor de volledige voldoening van de daarin genoemde vorderingen, is de aansprakelijkheidsgrens berekend overeenkomstig het 2° beschikbaar voor de voldoening van het onbetaalde saldo van de onder het 1° genoemde vorderingen en deelt dit onbetaalde saldo naar evenredigheid mee met de onder het 2° genoemde vorderingen;
4° in geen geval kunnen de aansprakelijkheidsgrenzen lager zijn dan 400.000 rekeneenheden met betrekking tot vorderingen ter zake van dood of letsel en dan 200.000 rekeneenheden met betrekking tot alle andere vorderingen.
§ 2. De in paragraaf 1, 4°, genoemde aansprakelijkheidsgrenzen zijn eveneens van toepassing op een berger die hulp verleent aan een binnenschip en die geen werkzaamheden verricht vanaf een binnenschip of zeeschip of op een berger die uitsluitend werkzaamheden verricht aan boord van het binnenschip waaraan hij hulp verleent.
§ 1. De aansprakelijkheidsgrenzen voor andere vorderingen dan die genoemd in de artikel 3.3.3.11 en 3.3.3.12, die voortkomen uit eenzelfde gebeurtenis, worden als volgt berekend :
1° met betrekking tot vorderingen ter zake van dood of letsel :
a) voor een schip, niet bestemd voor het vervoer van goederen, in het bijzonder een passagiersschip, 400 rekeneenheden per kubieke meter waterverplaatsing tot het vlak van de grootste toegelaten diepgang, vermeerderd voor schepen voorzien van mechanische voortbewegingswerktuigen met 1.400 rekeneenheden voor elke KW van het vermogen van de voortbewegingswerktuigen;
b) voor een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, 400 rekeneenheden per ton laadvermogen van het schip, vermeerderd voor schepen voorzien van mechanische voortbewegingswerktuigen met 1.400 rekeneenheden voor elke KW van het vermogen van de voortbewegingswerktuigen;
c) voor een duw- of sleepboot, 1.400 rekeneenheden voor elke KW van het vermogen van de voortbewegingswerktuigen;
d) voor een duwboot die op het tijdstip waarop de schade is veroorzaakt, hecht met duwbakken in een duweenheid was gekoppeld, wordt de overeenkomstig de bepaling onder c) berekende aansprakelijkheidsgrens vermeerderd met 200 rekeneenheden per ton laadvermogen van de geduwde bakken; deze vermeerdering vindt niet plaats, indien bewezen wordt dat de duwboot hulp heeft verleend aan een of meer van deze duwbakken;
e) voor een schip voorzien van mechanische voortbewegingswerktuigen, dat op het tijdstip waarop de schade is veroorzaakt, andere hecht met dit schip gekoppelde schepen voortbeweegt, wordt de overeenkomstig de bepalingen onder a), b) of c) berekende aansprakelijkheidsgrens vermeerderd met 200 rekeneenheden per ton laadvermogen of per kubieke meter waterverplaatsing van de andere schepen; deze vermeerdering vindt niet plaats, indien bewezen wordt dat dit schip hulp heeft verleend aan een of meer van de gekoppelde schepen;
f) voor drijvende en verplaatsbare werktuigen en materiaal, hun waarde op het tijdstip van het voorval;
2° met betrekking tot alle andere vorderingen, de helft van de overeenkomstig het 1° berekende aansprakelijkheidsgrens;
3° wanneer de aansprakelijkheidsgrens, berekend overeenkomstig het 1°, onvoldoende is voor de volledige voldoening van de daarin genoemde vorderingen, is de aansprakelijkheidsgrens berekend overeenkomstig het 2° beschikbaar voor de voldoening van het onbetaalde saldo van de onder het 1° genoemde vorderingen en deelt dit onbetaalde saldo naar evenredigheid mee met de onder het 2° genoemde vorderingen;
4° in geen geval kunnen de aansprakelijkheidsgrenzen lager zijn dan 400.000 rekeneenheden met betrekking tot vorderingen ter zake van dood of letsel en dan 200.000 rekeneenheden met betrekking tot alle andere vorderingen.
§ 2. De in paragraaf 1, 4°, genoemde aansprakelijkheidsgrenzen zijn eveneens van toepassing op een berger die hulp verleent aan een binnenschip en die geen werkzaamheden verricht vanaf een binnenschip of zeeschip of op een berger die uitsluitend werkzaamheden verricht aan boord van het binnenschip waaraan hij hulp verleent.
Art. 3.3.3.10. Limites générales de la responsabilité
§ 1er. Les limites de responsabilité à l'égard des créances autres que celles mentionnées aux articles 3.3.3.11 et 3.3.3.12, nées d'un même événement, sont calculées comme suit :
1° à l'égard des créances pour mort ou lésions corporelles :
a) pour un bateau, non destiné au transport de marchandises, notamment un bateau à passagers, 400 unités de compte pour chaque mètre cube de déplacement d'eau du bateau à l'enfoncement maximal autorisé, majoré pour les bateaux munis de moyens mécaniques de propulsion de 1 .400 unités de compte pour chaque KW de la puissance de leurs machines de propulsion;
b) pour un bateau destiné au transport de marchandises, 400 unités de compte par tonne de port en lourd du bateau, majoré pour les bateaux munis de moyens mécaniques de propulsion de 1 .400 unités de compte pour chaque KW de la puissance de leurs machines de propulsion;
c) pour un pousseur ou remorqueur, 1 .400 unités de compte pour chaque KW de la puissance de leurs machines de propulsion;
d) pour un pousseur qui, au moment où le dommage a été causé, était accouplé avec des barges en convoi poussé, la limite de responsabilité calculée conformément à la dispositions sous c) est majorée de 200 unités de compte par tonne de port en lourd des barges poussées; cette majoration n'est pas applicable dans la mesure où il est prouvé que le pousseur a fourni à l'une ou plusieurs de ces barges des services d'assistance;
e) pour un bateau muni de moyens mécaniques de propulsion qui, au moment où le dommage a été causé, assurait la propulsion d'autres bateaux accouplés à ce bateau, la limite de responsabilité calculée conformément aux dispositions sous a), b) ou c) est majorée de 200 unités de compte par tonne de port en lourd ou par mètre cube de déplacement d'eau des autres bateaux; cette majoration n'est pas applicable dans la mesure où il est prouvé que ce bateaux a fourni à l'un ou plusieurs des bateaux accouplés des services d'assistance ou de sauvetage;
f) pour les engins ou outillages flottants et mobiles, leur valeur au moment de l'événement;
2° à l'égard de toutes les autres créances, la moitié de la limite de responsabilité calculée conformément au point 1° ;
3° lorsque la limite de responsabilité calculée conformément au point 1° est insuffisante pour régler intégralement les créances y visées, la limite de responsabilité calculée conformément au point 2° peut être utilisée pour régler le solde impayé des créances visées au point 1° et ce solde impayé vient en concurrence avec les créances visées au point 2° ;
4° en aucun cas, les limites de responsabilité ne peuvent être inférieures à 400 .000 unités de compte à l'égard des créances pour mort ou lésions corporelles et à 200 .000 unités de compte à l'égard de toutes les autres créances.
§ 2. Les limites de responsabilité visées au paragraphes 1er, 4°, s'appliquent aussi à tout assistant fournissant des services d'assistance à un bateau de navigation intérieure et n'agissant ni à partir d'un bateau de navigation intérieure ni à partir d'un navire de mer ou à tout assistant agissant exclusivement à bord du bateau auquel il fournit des services d'assistance.
§ 1er. Les limites de responsabilité à l'égard des créances autres que celles mentionnées aux articles 3.3.3.11 et 3.3.3.12, nées d'un même événement, sont calculées comme suit :
1° à l'égard des créances pour mort ou lésions corporelles :
a) pour un bateau, non destiné au transport de marchandises, notamment un bateau à passagers, 400 unités de compte pour chaque mètre cube de déplacement d'eau du bateau à l'enfoncement maximal autorisé, majoré pour les bateaux munis de moyens mécaniques de propulsion de 1 .400 unités de compte pour chaque KW de la puissance de leurs machines de propulsion;
b) pour un bateau destiné au transport de marchandises, 400 unités de compte par tonne de port en lourd du bateau, majoré pour les bateaux munis de moyens mécaniques de propulsion de 1 .400 unités de compte pour chaque KW de la puissance de leurs machines de propulsion;
c) pour un pousseur ou remorqueur, 1 .400 unités de compte pour chaque KW de la puissance de leurs machines de propulsion;
d) pour un pousseur qui, au moment où le dommage a été causé, était accouplé avec des barges en convoi poussé, la limite de responsabilité calculée conformément à la dispositions sous c) est majorée de 200 unités de compte par tonne de port en lourd des barges poussées; cette majoration n'est pas applicable dans la mesure où il est prouvé que le pousseur a fourni à l'une ou plusieurs de ces barges des services d'assistance;
e) pour un bateau muni de moyens mécaniques de propulsion qui, au moment où le dommage a été causé, assurait la propulsion d'autres bateaux accouplés à ce bateau, la limite de responsabilité calculée conformément aux dispositions sous a), b) ou c) est majorée de 200 unités de compte par tonne de port en lourd ou par mètre cube de déplacement d'eau des autres bateaux; cette majoration n'est pas applicable dans la mesure où il est prouvé que ce bateaux a fourni à l'un ou plusieurs des bateaux accouplés des services d'assistance ou de sauvetage;
f) pour les engins ou outillages flottants et mobiles, leur valeur au moment de l'événement;
2° à l'égard de toutes les autres créances, la moitié de la limite de responsabilité calculée conformément au point 1° ;
3° lorsque la limite de responsabilité calculée conformément au point 1° est insuffisante pour régler intégralement les créances y visées, la limite de responsabilité calculée conformément au point 2° peut être utilisée pour régler le solde impayé des créances visées au point 1° et ce solde impayé vient en concurrence avec les créances visées au point 2° ;
4° en aucun cas, les limites de responsabilité ne peuvent être inférieures à 400 .000 unités de compte à l'égard des créances pour mort ou lésions corporelles et à 200 .000 unités de compte à l'égard de toutes les autres créances.
§ 2. Les limites de responsabilité visées au paragraphes 1er, 4°, s'appliquent aussi à tout assistant fournissant des services d'assistance à un bateau de navigation intérieure et n'agissant ni à partir d'un bateau de navigation intérieure ni à partir d'un navire de mer ou à tout assistant agissant exclusivement à bord du bateau auquel il fournit des services d'assistance.
Art. 3.3.3.11. Aansprakelijkheidsgrenzen voor vorderingen wegens schade die uit het transport van schadelijke stoffen voortvloeit
§ 1. De aansprakelijkheidsgrenzen voor een schip dat gevaarlijke stoffen vervoert voor vorderingen wegens schade die direct of indirect veroorzaakt is door de gevaarlijke aard van deze stoffen, worden als volgt berekend :
1° voor vorderingen met betrekking tot dood of letsel : het dubbele van de overeenkomstig artikel 3.3.3.10, § 1, 1°, berekende aansprakelijkheidsgrens, maar niet minder dan 10 miljoen rekeneenheden;
2° voor alle overige vorderingen : het dubbele van de overeenkomstig artikel 3.3.3.10, § 1, 2°, berekende aansprakelijkheidsgrens, maar niet minder dan 10 miljoen rekeneenheden.
§ 2. Wanneer de aansprakelijkheidsgrens, berekend overeenkomstig paragraaf 1, 1°, onvoldoende is voor de volledige voldoening van de daarin genoemde vorderingen, is de aansprakelijkheidsgrens berekend overeenkomstig paragraaf 1, 2°, mede beschikbaar voor de voldoening van het onbetaalde saldo van de in paragraaf 1, 1°, genoemde vorderingen en deelt dit onbetaalde saldo naar evenredigheid mee met de in paragraaf 1, 2°, genoemde vorderingen.
§ 1. De aansprakelijkheidsgrenzen voor een schip dat gevaarlijke stoffen vervoert voor vorderingen wegens schade die direct of indirect veroorzaakt is door de gevaarlijke aard van deze stoffen, worden als volgt berekend :
1° voor vorderingen met betrekking tot dood of letsel : het dubbele van de overeenkomstig artikel 3.3.3.10, § 1, 1°, berekende aansprakelijkheidsgrens, maar niet minder dan 10 miljoen rekeneenheden;
2° voor alle overige vorderingen : het dubbele van de overeenkomstig artikel 3.3.3.10, § 1, 2°, berekende aansprakelijkheidsgrens, maar niet minder dan 10 miljoen rekeneenheden.
§ 2. Wanneer de aansprakelijkheidsgrens, berekend overeenkomstig paragraaf 1, 1°, onvoldoende is voor de volledige voldoening van de daarin genoemde vorderingen, is de aansprakelijkheidsgrens berekend overeenkomstig paragraaf 1, 2°, mede beschikbaar voor de voldoening van het onbetaalde saldo van de in paragraaf 1, 1°, genoemde vorderingen en deelt dit onbetaalde saldo naar evenredigheid mee met de in paragraaf 1, 2°, genoemde vorderingen.
Art. 3.3.3.11. Limites applicables aux créances dues à un dommage découlant du transport de marchandises dangereuses
§ 1er. Les limites de responsabilité pour un bateau transportant des marchandises dangereuses à l'égard des créances nées de dommages découlant directement ou indirectement de la nature dangereuse de ces marchandises, sont calculées comme suit :
1° à l'égard des créances pour mort ou lésions corporelles : le double de la limite de responsabilité calculée conformément à l'article 3.3.3.10, § 1er, 1°, mais au minimum 10 millions d'unités de compte;
2° à l'égard de toutes les autres créances : le double de la limite de responsabilité calculée conformément à l'article 3.3.3.10, § 1er, 2°, mais au minimum 10 millions d'unités de compte.
§ 2. Lorsque la limite de responsabilité calculée conformément au paragraphes 1er, 1°, est insuffisante pour régler intégralement les créances y visées, la limite de responsabilité calculée conformément au paragraphe 1er, 2°, peut être utilisée pour régler le solde impayé des créances visées au point paragraphe 1er, 1°, ce solde impayé venant en concurrence avec les créances visées au paragraphes 1er, 2°.
§ 1er. Les limites de responsabilité pour un bateau transportant des marchandises dangereuses à l'égard des créances nées de dommages découlant directement ou indirectement de la nature dangereuse de ces marchandises, sont calculées comme suit :
1° à l'égard des créances pour mort ou lésions corporelles : le double de la limite de responsabilité calculée conformément à l'article 3.3.3.10, § 1er, 1°, mais au minimum 10 millions d'unités de compte;
2° à l'égard de toutes les autres créances : le double de la limite de responsabilité calculée conformément à l'article 3.3.3.10, § 1er, 2°, mais au minimum 10 millions d'unités de compte.
§ 2. Lorsque la limite de responsabilité calculée conformément au paragraphes 1er, 1°, est insuffisante pour régler intégralement les créances y visées, la limite de responsabilité calculée conformément au paragraphe 1er, 2°, peut être utilisée pour régler le solde impayé des créances visées au point paragraphe 1er, 1°, ce solde impayé venant en concurrence avec les créances visées au paragraphes 1er, 2°.
Art. 3.3.3.12. Aansprakelijkheidsgrens voor vorderingen van passagiers
Met betrekking tot vorderingen die voortkomen uit eenzelfde gebeurtenis, ter zake van dood of letsel van passagiers van een schip, beloopt de aansprakelijkheidsgrens voor dit schip een bedrag van 100.000 rekeneenheden, vermenigvuldigd met :
1° het aantal passagiers dat het schip volgens zijn veiligheidscertificaat gerechtigd is te vervoeren; of,
2° het daadwerkelijke aantal passagiers dat op het moment van de gebeurtenis werd vervoerd wanneer het aantal passagiers dat het schip gerechtigd is te vervoeren niet voorgeschreven is.
De aansprakelijkheidsgrens mag evenwel niet lager zijn dan 2 miljoen rekeneenheden.
Met betrekking tot vorderingen die voortkomen uit eenzelfde gebeurtenis, ter zake van dood of letsel van passagiers van een schip, beloopt de aansprakelijkheidsgrens voor dit schip een bedrag van 100.000 rekeneenheden, vermenigvuldigd met :
1° het aantal passagiers dat het schip volgens zijn veiligheidscertificaat gerechtigd is te vervoeren; of,
2° het daadwerkelijke aantal passagiers dat op het moment van de gebeurtenis werd vervoerd wanneer het aantal passagiers dat het schip gerechtigd is te vervoeren niet voorgeschreven is.
De aansprakelijkheidsgrens mag evenwel niet lager zijn dan 2 miljoen rekeneenheden.
Art. 3.3.3.12. Limite applicable aux créances des passagers
A l'égard des créances résultant de la mort ou de lésions corporelles des passagers d'un bateau et nées d'un même événement, la limite de la responsabilité pour ce bateau est fixée à une somme de 100 . 000 unités de compte, multipliée par :
1° le nombre de passagers que le bateau est autorisé à transporter d'après le certificat du bateau; ou
2° si le nombre de passagers que le bateau est autorisé à transporter n'est pas prescrit, le nombre de passagers effectivement transportés au moment de l'événement.
Toutefois, la limite de responsabilité ne peut pas être inférieure à 2 millions d'unités de compte.
A l'égard des créances résultant de la mort ou de lésions corporelles des passagers d'un bateau et nées d'un même événement, la limite de la responsabilité pour ce bateau est fixée à une somme de 100 . 000 unités de compte, multipliée par :
1° le nombre de passagers que le bateau est autorisé à transporter d'après le certificat du bateau; ou
2° si le nombre de passagers que le bateau est autorisé à transporter n'est pas prescrit, le nombre de passagers effectivement transportés au moment de l'événement.
Toutefois, la limite de responsabilité ne peut pas être inférieure à 2 millions d'unités de compte.
Art. 3.3.3.13. Omrekening van rekeneenheden
De in de artikel en 3.3.3.10 tot en met 3.3.3.12 en 3.3.3.14 genoemde bedragen worden omgerekend in euro volgens de waarde van die munteenheid op de datum waarop het beperkingsfonds is gevormd, de betaling is verricht of de in artikel 3.3.3.17 bedoelde garantie is verstrekt.
De waarde van de euro, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend volgens de waarderingsmethode die door het Internationaal Monetair Fonds op de desbetreffende datum wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties.
De in de artikel en 3.3.3.10 tot en met 3.3.3.12 en 3.3.3.14 genoemde bedragen worden omgerekend in euro volgens de waarde van die munteenheid op de datum waarop het beperkingsfonds is gevormd, de betaling is verricht of de in artikel 3.3.3.17 bedoelde garantie is verstrekt.
De waarde van de euro, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend volgens de waarderingsmethode die door het Internationaal Monetair Fonds op de desbetreffende datum wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties.
Art. 3.3.3.13. Conversion des unités de compte
Les montants mentionnés aux articles 3.3.3.10 à 3.3.3.12 et 3.3.3.14 inclus sont convertis en euros suivant la valeur de cette monnaie à la date où le fonds a été constitué, le paiement effectué ou la garantie visée à l'article 3.3.3.17 fournie.
La valeur, en en droits de tirage spéciaux, de l'euro est calculée selon la méthode d'évaluation appliquée par le Fonds monétaire international à la date en question pour ses propres opérations et transactions.
Les montants mentionnés aux articles 3.3.3.10 à 3.3.3.12 et 3.3.3.14 inclus sont convertis en euros suivant la valeur de cette monnaie à la date où le fonds a été constitué, le paiement effectué ou la garantie visée à l'article 3.3.3.17 fournie.
La valeur, en en droits de tirage spéciaux, de l'euro est calculée selon la méthode d'évaluation appliquée par le Fonds monétaire international à la date en question pour ses propres opérations et transactions.
Art. 3.3.3.14. Samenloop van vorderingen
§ 1. Onder voorbehoud van § 2 en 3, zijn de overeenkomstig artikel 3.3.3.10 vastgestelde aansprakelijkheidsgrenzen van toepassing op het totaal van alle vorderingen die voortkomen uit eenzelfde gebeurtenis :
1° tegen de persoon of de personen, genoemd in artikel 3.3.3.1, § 1, 1° en iedere persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid hij of zij aansprakelijk is of zijn; of
2° tegen de eigenaar van een schip die hulp verleent vanaf dat schip en tegen de berger of bergers die vanaf genoemd schip werkzaamheden verricht of verrichten en iedere persoon, voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid hij of zij aansprakelijk is of zijn; of
3° tegen de berger of bergers die niet vanaf een binnenschip of een zeeschip werkzaamheden verricht of verrichten of die uitsluitend werkzaamheden verricht of verrichten aan boord van het schip waaraan hulp wordt verleend en iedere persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid hij of zij aansprakelijk is of zijn.
§ 2. Wordt volgens artikel 3.3.3.10, § 1, 1°, d), de aansprakelijkheidsgrens voor een duwboot die, op het tijdstip waarop de schade is veroorzaakt, hecht met duwbakken in een duweenheid was gekoppeld, met betrekking tot vorderingen, die voortkomen uit eenzelfde voorval, verhoogd met 200 rekeneenheden per ton laadvermogen van de duwbakken, dan wordt met betrekking tot vorderingen, die voortkomen uit datzelfde voorval, de aansprakelijkheidsgrens voor iedere duwbak verminderd met 200 rekeneenheden per ton laadvermogen van de duwbak.
§ 3. Wordt volgens artikel 3.3.3.10, § 1, 1°, e), de aansprakelijkheidsgrens voor een schip, voorzien van voortbewegingswerktuigen, dat op het tijdstip waarop de schade is veroorzaakt, andere hecht met dit schip gekoppelde schepen voortbewoog, met betrekking tot vorderingen, die voortkomen uit hetzelfde voorval, vermeerderd met 200 rekeneenheden per ton laadvermogen of per kubieke meter waterverplaatsing van de andere met dit schip gekoppelde schepen, dan wordt met betrekking tot vorderingen die voortkomen uit datzelfde voorval, de aansprakelijkheidsgrens voor ieder gekoppeld schip verminderd met 200 rekeneenheden per ton laadvermogen of per kubieke meter waterverplaatsing van het gekoppelde schip.
§ 4. De voorgaande paragrafen zijn van overeenkomstige toepassing op de overeenkomstig artikel 3.3.3.11 berekende aansprakelijkheidsgrenzen. Voor § 2 en 3 geldt echter dat in plaats van 200 rekeneenheden van 400 rekeneenheden moet worden uitgegaan.
§ 5. De overeenkomstig artikel 3.3.3.12 vastgestelde aansprakelijkheidsgrens is van toepassing op het totaal van alle vorderingen die voortkomen uit eenzelfde voorval en ingesteld worden tegen in artikel 3.3.3.1, § 1, 1° genoemde persoon of personen, met betrekking tot het in artikel 3.3.3.12 bedoelde schip en iedere persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid hij of zij aansprakelijk is of zijn.
§ 1. Onder voorbehoud van § 2 en 3, zijn de overeenkomstig artikel 3.3.3.10 vastgestelde aansprakelijkheidsgrenzen van toepassing op het totaal van alle vorderingen die voortkomen uit eenzelfde gebeurtenis :
1° tegen de persoon of de personen, genoemd in artikel 3.3.3.1, § 1, 1° en iedere persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid hij of zij aansprakelijk is of zijn; of
2° tegen de eigenaar van een schip die hulp verleent vanaf dat schip en tegen de berger of bergers die vanaf genoemd schip werkzaamheden verricht of verrichten en iedere persoon, voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid hij of zij aansprakelijk is of zijn; of
3° tegen de berger of bergers die niet vanaf een binnenschip of een zeeschip werkzaamheden verricht of verrichten of die uitsluitend werkzaamheden verricht of verrichten aan boord van het schip waaraan hulp wordt verleend en iedere persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid hij of zij aansprakelijk is of zijn.
§ 2. Wordt volgens artikel 3.3.3.10, § 1, 1°, d), de aansprakelijkheidsgrens voor een duwboot die, op het tijdstip waarop de schade is veroorzaakt, hecht met duwbakken in een duweenheid was gekoppeld, met betrekking tot vorderingen, die voortkomen uit eenzelfde voorval, verhoogd met 200 rekeneenheden per ton laadvermogen van de duwbakken, dan wordt met betrekking tot vorderingen, die voortkomen uit datzelfde voorval, de aansprakelijkheidsgrens voor iedere duwbak verminderd met 200 rekeneenheden per ton laadvermogen van de duwbak.
§ 3. Wordt volgens artikel 3.3.3.10, § 1, 1°, e), de aansprakelijkheidsgrens voor een schip, voorzien van voortbewegingswerktuigen, dat op het tijdstip waarop de schade is veroorzaakt, andere hecht met dit schip gekoppelde schepen voortbewoog, met betrekking tot vorderingen, die voortkomen uit hetzelfde voorval, vermeerderd met 200 rekeneenheden per ton laadvermogen of per kubieke meter waterverplaatsing van de andere met dit schip gekoppelde schepen, dan wordt met betrekking tot vorderingen die voortkomen uit datzelfde voorval, de aansprakelijkheidsgrens voor ieder gekoppeld schip verminderd met 200 rekeneenheden per ton laadvermogen of per kubieke meter waterverplaatsing van het gekoppelde schip.
§ 4. De voorgaande paragrafen zijn van overeenkomstige toepassing op de overeenkomstig artikel 3.3.3.11 berekende aansprakelijkheidsgrenzen. Voor § 2 en 3 geldt echter dat in plaats van 200 rekeneenheden van 400 rekeneenheden moet worden uitgegaan.
§ 5. De overeenkomstig artikel 3.3.3.12 vastgestelde aansprakelijkheidsgrens is van toepassing op het totaal van alle vorderingen die voortkomen uit eenzelfde voorval en ingesteld worden tegen in artikel 3.3.3.1, § 1, 1° genoemde persoon of personen, met betrekking tot het in artikel 3.3.3.12 bedoelde schip en iedere persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid hij of zij aansprakelijk is of zijn.
Art. 3.3.3.14. Concours de créances
§ 1er. Sans préjudice des § 2 et 3, les limites de la responsabilité calculées conformément à l'article 3.3.3.10 s'appliquent à l'ensemble de toutes les créances nées d'un même événement :
1° à l'égard de la personne ou des personnes visées à l'article 3.3.3.1, § 1er, 1°, et de toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité de celui-ci ou de ceux-ci; ou
2° à l'égard du propriétaire d'un bateau qui prête assistance à partir de ce bateau et à l'égard de l'assistant ou des assistants agissant à partir dudit bateau et de toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité de celui-ci ou de ceux-ci; ou
3° à l'égard de l'assistant ou des assistants n'agissant pas à partir d'un bateau de navigation intérieure ou d'un navire de mer ou agissant uniquement à bord du bateau auquel des services d'assistance sont fournis et de toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité de celui-ci ou de ceux-ci.
§ 2. Lorsque, conformément à l'article 3.3.3.10, § 1er, 1°, d), la limite de responsabilité pour un pousseur qui, au moment où le dommage a été causé, était accouplé avec des barges en convoi poussé, est majorée, à l'égard des créances nées de l'événement, de 200 unités de compte par tonne de port en lourd des barges poussées, la limite de responsabilité de chacune des barges est réduite, à l'égard des créances nées de ce même événement, de 200 unités de compte pour chaque tonne de port en lourd de la barge poussée.
§ 3. Lorsque, conformément à l'article 3.3.3.10, § 1er, 1°, e), la limite de responsabilité pour un bateau muni de moyens mécaniques de propulsion qui, au moment où le dommage a été causé, assurait la propulsion d'autres bateaux accouplés à ce bateau, est majoré, à l'égard des créances nées de l'événement, de 200 unités de compte par tonne de port en lourd ou par mètre cube de déplacement d'eau des bateaux accouplés, la limite de responsabilité pour chaque bateau accouplé est réduite, à l'égard des créances nées de ce même événement, de 200 unités de compte pour chaque tonne de port en lourd ou pour chaque mètre cube de déplacement d'eau du bateau accouplé.
§ 4. Les paragraphes précédents s'appliquent par analogie aux limites de responsabilité calculées conformément à l'article 3.3.3.11. Les paragraphes 2 et 3 s'appliquent toutefois en prenant pour base 400 unités de compte au lieu de 200 unités de compte.
§ 5. La limite de responsabilité calculée conformément à l'article 3.3.3.12 s'applique à l'ensemble de toutes les créances nées d'un même événement à l'égard de la personne ou des personnes visées à l'article 3.3.3.1, § 1er, 1°, s'agissant du bateau auquel il est fait référence à l'article 3.3.3.12 et de toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité de celle-ci ou de celles-ci.
§ 1er. Sans préjudice des § 2 et 3, les limites de la responsabilité calculées conformément à l'article 3.3.3.10 s'appliquent à l'ensemble de toutes les créances nées d'un même événement :
1° à l'égard de la personne ou des personnes visées à l'article 3.3.3.1, § 1er, 1°, et de toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité de celui-ci ou de ceux-ci; ou
2° à l'égard du propriétaire d'un bateau qui prête assistance à partir de ce bateau et à l'égard de l'assistant ou des assistants agissant à partir dudit bateau et de toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité de celui-ci ou de ceux-ci; ou
3° à l'égard de l'assistant ou des assistants n'agissant pas à partir d'un bateau de navigation intérieure ou d'un navire de mer ou agissant uniquement à bord du bateau auquel des services d'assistance sont fournis et de toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité de celui-ci ou de ceux-ci.
§ 2. Lorsque, conformément à l'article 3.3.3.10, § 1er, 1°, d), la limite de responsabilité pour un pousseur qui, au moment où le dommage a été causé, était accouplé avec des barges en convoi poussé, est majorée, à l'égard des créances nées de l'événement, de 200 unités de compte par tonne de port en lourd des barges poussées, la limite de responsabilité de chacune des barges est réduite, à l'égard des créances nées de ce même événement, de 200 unités de compte pour chaque tonne de port en lourd de la barge poussée.
§ 3. Lorsque, conformément à l'article 3.3.3.10, § 1er, 1°, e), la limite de responsabilité pour un bateau muni de moyens mécaniques de propulsion qui, au moment où le dommage a été causé, assurait la propulsion d'autres bateaux accouplés à ce bateau, est majoré, à l'égard des créances nées de l'événement, de 200 unités de compte par tonne de port en lourd ou par mètre cube de déplacement d'eau des bateaux accouplés, la limite de responsabilité pour chaque bateau accouplé est réduite, à l'égard des créances nées de ce même événement, de 200 unités de compte pour chaque tonne de port en lourd ou pour chaque mètre cube de déplacement d'eau du bateau accouplé.
§ 4. Les paragraphes précédents s'appliquent par analogie aux limites de responsabilité calculées conformément à l'article 3.3.3.11. Les paragraphes 2 et 3 s'appliquent toutefois en prenant pour base 400 unités de compte au lieu de 200 unités de compte.
§ 5. La limite de responsabilité calculée conformément à l'article 3.3.3.12 s'applique à l'ensemble de toutes les créances nées d'un même événement à l'égard de la personne ou des personnes visées à l'article 3.3.3.1, § 1er, 1°, s'agissant du bateau auquel il est fait référence à l'article 3.3.3.12 et de toute personne dont les faits, négligences ou fautes entraînent la responsabilité de celle-ci ou de celles-ci.
Afdeling 4. - Beperkingsprocedure zonder fondsvorming
Section 4. - Procédure de limitation sans constitution d'un fonds
Art. 3.3.3.15. Inroeping
De beperking van aansprakelijkheid kan worden ingeroepen ondanks het feit dat er geen beperkingsfonds, zoals bedoeld in artikel 3.3.3.17, is gevormd.
Zulks kan gebeuren in elke procedure, met inbegrip van een beslagprocedure, en tot aan de sluiting van de debatten.
De beperking van aansprakelijkheid kan worden ingeroepen ondanks het feit dat er geen beperkingsfonds, zoals bedoeld in artikel 3.3.3.17, is gevormd.
Zulks kan gebeuren in elke procedure, met inbegrip van een beslagprocedure, en tot aan de sluiting van de debatten.
Art. 3.3.3.15. Invocation
La limitation de la responsabilité peut être invoquée même si le fonds de limitation visé à l'article 3.3.3.17 n'a pas été constitué.
Cette démarche est possible dans toute procédure, en ce compris une procédure de saisie, et jusqu'à la clôture des débats.
La limitation de la responsabilité peut être invoquée même si le fonds de limitation visé à l'article 3.3.3.17 n'a pas été constitué.
Cette démarche est possible dans toute procédure, en ce compris une procédure de saisie, et jusqu'à la clôture des débats.
Art. 3.3.3.16. Rechtsgevolgen
Indien beperking van aansprakelijkheid wordt ingeroepen zonder de vorming van een beperkingsfonds, zijn de bepalingen van artikel 3.3.3.28, § 1, 5, 6 en 7 van overeenkomstige toepassing.
Indien beperking van aansprakelijkheid wordt ingeroepen zonder de vorming van een beperkingsfonds, zijn de bepalingen van artikel 3.3.3.28, § 1, 5, 6 en 7 van overeenkomstige toepassing.
Art. 3.3.3.16. Effets juridiques
Si la limitation de la responsabilité est invoquée sans constitution d'un fonds de limitation, les dispositions de l'article 3.3.3.28, § 1er, 5, 6 et 7 s'appliquent.
Si la limitation de la responsabilité est invoquée sans constitution d'un fonds de limitation, les dispositions de l'article 3.3.3.28, § 1er, 5, 6 et 7 s'appliquent.
Afdeling 5. - Beperkingsprocedure met fondsvorming
Section 5. - Procédure de limitation avec constitution du fonds
Art. 3.3.3.17. Het beperkingsfonds
§ 1. Iedere persoon, die aansprakelijk gehouden wordt, kan een of meer beperkingsfondsen vormen.
§ 2. Het beperkingsfonds kan slechts worden gevormd zodra de voorzitter van de ondernemingsrechtbank een beperkingsprocedure heeft geopend.
§ 3. Ieder beperkingsfonds moet gevormd worden ten belope van het bedrag van de overeenkomstig de artikel en 3.3.3.10 tot en met 3.3.3.12 en 3.3.3.14 berekende aansprakelijkheidsgrens die van toepassing is op de vorderingen waarvoor de persoon die het fonds vormt, aansprakelijk kan zijn, vermeerderd met de wettelijke interesten daarover te rekenen vanaf de datum van de gebeurtenis die tot de aansprakelijkheid heeft geleid, tot aan de datum waarop het fonds wordt gevormd. Elk aldus gevormd fonds is uitsluitend bestemd voor de voldoening van vorderingen met betrekking waartoe beperking van aansprakelijkheid kan worden ingeroepen.
§ 4. Een fonds kan worden gevormd, hetzij door het storten van de geldsom, hetzij door het verstrekken van een garantie die aanvaardbaar is en door de rechter voldoende wordt geacht.
De garantie is aanvaardbaar indien redelijkerwijze mag worden aangenomen dat het fonds werkelijk beschikbaar en vrij overdraagbaar zal zijn zodra de garantie verstrekt is.
De garantie is voldoende indien haar bedrag overeenstemt met het bedrag waartoe de aansprakelijkheid kan worden beperkt, vermeerderd met de wettelijke interesten voor een door de voorzitter geschikt geachte tijdsduur.
De derde die zich borg stelt of een andere garantie verschaft, kan niet de uitwinning van de hoofdschuldenaar vorderen.
De Koning kan betreffende de in de vorige leden bedoelde garanties nadere regels vaststellen. In het bijzonder kan Hij regels vaststellen betreffende de zetel of de vestigingsplaats van de banken die een garantie kunnen verschaffen, en bepalen welke andere garanties dan bankgaranties kunnen worden verstrekt en aan welke voorwaarden deze moeten voldoen.
§ 5. Elk overeenkomstig dit hoofdstuk gevormd beperkingsfonds is uitsluitend bestemd voor de voldoening van vorderingen met betrekking waartoe beperking van aansprakelijkheid kan worden ingeroepen.
§ 6. Een fonds dat is gevormd door een van de personen, genoemd in artikel 3.3.3.14, § 1, 1°, 2° of 3° of in artikel 3.3.3.14, § 4 dan wel door zijn verzekeraar wordt geacht te zijn gevormd door alle in artikel 3.3.3.14, § 1, 1°, 2° of 3° of in artikel 3.3.3.14, § 4 genoemde personen.
§ 7. Schuldeisers die vorderingen hebben tegen personen die aansprakelijk zijn met betrekking tot meer dan één schip kunnen deze in elke beperkingsprocedure aangeven voor het volledige bedrag.
§ 8. Vorderingen die niet vatbaar zijn voor beperking worden vervolgd onafhankelijk van de beperkingsprocedure.
§ 1. Iedere persoon, die aansprakelijk gehouden wordt, kan een of meer beperkingsfondsen vormen.
§ 2. Het beperkingsfonds kan slechts worden gevormd zodra de voorzitter van de ondernemingsrechtbank een beperkingsprocedure heeft geopend.
§ 3. Ieder beperkingsfonds moet gevormd worden ten belope van het bedrag van de overeenkomstig de artikel en 3.3.3.10 tot en met 3.3.3.12 en 3.3.3.14 berekende aansprakelijkheidsgrens die van toepassing is op de vorderingen waarvoor de persoon die het fonds vormt, aansprakelijk kan zijn, vermeerderd met de wettelijke interesten daarover te rekenen vanaf de datum van de gebeurtenis die tot de aansprakelijkheid heeft geleid, tot aan de datum waarop het fonds wordt gevormd. Elk aldus gevormd fonds is uitsluitend bestemd voor de voldoening van vorderingen met betrekking waartoe beperking van aansprakelijkheid kan worden ingeroepen.
§ 4. Een fonds kan worden gevormd, hetzij door het storten van de geldsom, hetzij door het verstrekken van een garantie die aanvaardbaar is en door de rechter voldoende wordt geacht.
De garantie is aanvaardbaar indien redelijkerwijze mag worden aangenomen dat het fonds werkelijk beschikbaar en vrij overdraagbaar zal zijn zodra de garantie verstrekt is.
De garantie is voldoende indien haar bedrag overeenstemt met het bedrag waartoe de aansprakelijkheid kan worden beperkt, vermeerderd met de wettelijke interesten voor een door de voorzitter geschikt geachte tijdsduur.
De derde die zich borg stelt of een andere garantie verschaft, kan niet de uitwinning van de hoofdschuldenaar vorderen.
De Koning kan betreffende de in de vorige leden bedoelde garanties nadere regels vaststellen. In het bijzonder kan Hij regels vaststellen betreffende de zetel of de vestigingsplaats van de banken die een garantie kunnen verschaffen, en bepalen welke andere garanties dan bankgaranties kunnen worden verstrekt en aan welke voorwaarden deze moeten voldoen.
§ 5. Elk overeenkomstig dit hoofdstuk gevormd beperkingsfonds is uitsluitend bestemd voor de voldoening van vorderingen met betrekking waartoe beperking van aansprakelijkheid kan worden ingeroepen.
§ 6. Een fonds dat is gevormd door een van de personen, genoemd in artikel 3.3.3.14, § 1, 1°, 2° of 3° of in artikel 3.3.3.14, § 4 dan wel door zijn verzekeraar wordt geacht te zijn gevormd door alle in artikel 3.3.3.14, § 1, 1°, 2° of 3° of in artikel 3.3.3.14, § 4 genoemde personen.
§ 7. Schuldeisers die vorderingen hebben tegen personen die aansprakelijk zijn met betrekking tot meer dan één schip kunnen deze in elke beperkingsprocedure aangeven voor het volledige bedrag.
§ 8. Vorderingen die niet vatbaar zijn voor beperking worden vervolgd onafhankelijk van de beperkingsprocedure.
Art. 3.3.3.17. Le fonds de limitation
§ 1er. Toute personne dont la responsabilité peut être mise en cause peut constituer un ou plusieurs fonds de limitation.
§ 2. Le fonds de limitation ne peut être constitué qu'une fois que le président du tribunal de l'entreprise a ouvert une procédure de limitation.
§ 3. Tout fonds de limitation doit être constitué à concurrence du montant de la limite de responsabilité tel que calculée conformément aux articles 3.3.3.10 à 3.3.3.12 et 3.3.3.14 applicables aux créances dont la personne qui constitue le ou les fonds peut être responsable, augmentée des intérêts légaux courus depuis la date de l'événement donnant naissance à la responsabilité jusqu'à celle de la constitution du fonds. Un fonds ainsi constitué n'est disponible que pour payer les créances à l'égard desquelles la limitation de responsabilité peut être invoquée.
§ 4. Un fonds peut être constitué, soit en consignant la somme, soit en fournissant une garantie acceptable et considérée comme adéquate par le juge.
La garantie est acceptable si l'on peut raisonnablement admettre que le fonds sera réellement disponible et aisément transférable aussitôt que la garantie est fournie.
La garantie est adéquate si son montant correspond au montant auquel la responsabilité peut être limitée, augmenté des intérêts légaux pour une durée jugée adéquate par le président.
Le tiers qui se porte caution ou qui fournit une autre garantie ne peut demander la discussion du débiteur principal.
Le Roi peut fixer d'autres règles concernant les garanties visées dans les alinéas précédents. En particulier, Il peut fixer des règles concernant le siège ou le lieu d'établissement des banques qui peuvent fournir une garantie et déterminer quelles autres garanties que des garanties bancaires peuvent être fournies et à quelles conditions ces garanties doivent satisfaire.
§ 5. Tout fonds de limitation constitué conformément au présent chapitre n'est disponible que pour payer les créances à l'égard desquelles la limitation de responsabilité peut être invoquée.
§ 6. Un fonds constitué par l'une des personnes mentionnées à l'article 3.3.3.14, § 1er, 1°, 2° ou 3° ou à l'article 3.3.3.14, § 4, ou par son assureur, est réputé constitué par toutes les personnes visées à l'article 3.3.3.14, § 1er, 1°, 2° ou 3° ou à l'article 3.3.3.14, § 4.
§ 7. Les créanciers ayant des demandes à faire valoir à l'égard de personnes qui sont responsables de plus d'un bateau peuvent les déclarer dans chaque procédure de limitation pour la totalité du montant.
§ 8. Les créances qui ne peuvent faire l'objet d'une limitation sont poursuivies indépendamment de la procédure de limitation.
§ 1er. Toute personne dont la responsabilité peut être mise en cause peut constituer un ou plusieurs fonds de limitation.
§ 2. Le fonds de limitation ne peut être constitué qu'une fois que le président du tribunal de l'entreprise a ouvert une procédure de limitation.
§ 3. Tout fonds de limitation doit être constitué à concurrence du montant de la limite de responsabilité tel que calculée conformément aux articles 3.3.3.10 à 3.3.3.12 et 3.3.3.14 applicables aux créances dont la personne qui constitue le ou les fonds peut être responsable, augmentée des intérêts légaux courus depuis la date de l'événement donnant naissance à la responsabilité jusqu'à celle de la constitution du fonds. Un fonds ainsi constitué n'est disponible que pour payer les créances à l'égard desquelles la limitation de responsabilité peut être invoquée.
§ 4. Un fonds peut être constitué, soit en consignant la somme, soit en fournissant une garantie acceptable et considérée comme adéquate par le juge.
La garantie est acceptable si l'on peut raisonnablement admettre que le fonds sera réellement disponible et aisément transférable aussitôt que la garantie est fournie.
La garantie est adéquate si son montant correspond au montant auquel la responsabilité peut être limitée, augmenté des intérêts légaux pour une durée jugée adéquate par le président.
Le tiers qui se porte caution ou qui fournit une autre garantie ne peut demander la discussion du débiteur principal.
Le Roi peut fixer d'autres règles concernant les garanties visées dans les alinéas précédents. En particulier, Il peut fixer des règles concernant le siège ou le lieu d'établissement des banques qui peuvent fournir une garantie et déterminer quelles autres garanties que des garanties bancaires peuvent être fournies et à quelles conditions ces garanties doivent satisfaire.
§ 5. Tout fonds de limitation constitué conformément au présent chapitre n'est disponible que pour payer les créances à l'égard desquelles la limitation de responsabilité peut être invoquée.
§ 6. Un fonds constitué par l'une des personnes mentionnées à l'article 3.3.3.14, § 1er, 1°, 2° ou 3° ou à l'article 3.3.3.14, § 4, ou par son assureur, est réputé constitué par toutes les personnes visées à l'article 3.3.3.14, § 1er, 1°, 2° ou 3° ou à l'article 3.3.3.14, § 4.
§ 7. Les créanciers ayant des demandes à faire valoir à l'égard de personnes qui sont responsables de plus d'un bateau peuvent les déclarer dans chaque procédure de limitation pour la totalité du montant.
§ 8. Les créances qui ne peuvent faire l'objet d'une limitation sont poursuivies indépendamment de la procédure de limitation.
Art. 3.3.3.18. Verzoekschrift tot opening van een beperkingsprocedure
§ 1. De vordering tot opening van een beperkingsprocedure met fondsvorming wordt ingesteld door de neerlegging van een verzoekschrift gericht aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank.
§ 2. De territoriale bevoegdheid van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank wordt bepaald door artikel 627, 10°, van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 3. Op het in § 1 bedoelde verzoekschrift is artikel 1026 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.
Bovendien vermeldt het verzoekschrift, evenwel niet op straffe van nietigheid :
1° de nationaliteit en de naam van het schip;
2° het schadeverwekkend voorval, met vermelding van datum en plaats;
3° het bedrag van de aansprakelijkheidsbeperking zoals de verzoeker het heeft geraamd; en
4° de wijze waarop de verzoeker voornemens is het beperkingsfonds te vormen, met name in speciën of door het verstrekken van een garantie.
§ 4. Bij het verzoekschrift worden gevoegd :
1° de door de verzoeker gewaarmerkte lijst van de hem bekende schuldeisers ten aanzien van wie hij de beperking van zijn aansprakelijkheid wenst in te roepen, met vermelding, zo mogelijk, van eenieders woonplaats, alsook van het definitief of voorlopig bedrag en van de aard van elke schuldvordering;
2° alle stukken tot staving van de berekening van het bedrag van de aansprakelijkheidsbeperking.
§ 5. In één verzoekschrift kan de opening van een beperkingsprocedure voor meer dan één fonds worden gevorderd.
De opening van door verschillende internationale verdragen of daarop berustende onderdelen van dit wetboek geregelde beperkingsfondsen kan echter niet in hetzelfde verzoekschrift worden gevorderd.
§ 1. De vordering tot opening van een beperkingsprocedure met fondsvorming wordt ingesteld door de neerlegging van een verzoekschrift gericht aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank.
§ 2. De territoriale bevoegdheid van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank wordt bepaald door artikel 627, 10°, van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 3. Op het in § 1 bedoelde verzoekschrift is artikel 1026 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.
Bovendien vermeldt het verzoekschrift, evenwel niet op straffe van nietigheid :
1° de nationaliteit en de naam van het schip;
2° het schadeverwekkend voorval, met vermelding van datum en plaats;
3° het bedrag van de aansprakelijkheidsbeperking zoals de verzoeker het heeft geraamd; en
4° de wijze waarop de verzoeker voornemens is het beperkingsfonds te vormen, met name in speciën of door het verstrekken van een garantie.
§ 4. Bij het verzoekschrift worden gevoegd :
1° de door de verzoeker gewaarmerkte lijst van de hem bekende schuldeisers ten aanzien van wie hij de beperking van zijn aansprakelijkheid wenst in te roepen, met vermelding, zo mogelijk, van eenieders woonplaats, alsook van het definitief of voorlopig bedrag en van de aard van elke schuldvordering;
2° alle stukken tot staving van de berekening van het bedrag van de aansprakelijkheidsbeperking.
§ 5. In één verzoekschrift kan de opening van een beperkingsprocedure voor meer dan één fonds worden gevorderd.
De opening van door verschillende internationale verdragen of daarop berustende onderdelen van dit wetboek geregelde beperkingsfondsen kan echter niet in hetzelfde verzoekschrift worden gevorderd.
Art. 3.3.3.18. Requête en ouverture d'une procédure de limitation
§ 1er. La demande d'ouverture d'une procédure de limitation avec constitution du fonds est introduite par le dépôt d'une requête adressée au président du tribunal de l'entreprise.
§ 2. La compétence territoriale du président du tribunal de l'entreprise est déterminée par l'article 627, 10°, du Code judiciaire.
§ 3. L'article 1026 du Code judiciaire s'applique à la requête visée au § 1er.
De plus, la requête mentionne, cependant pas à peine de nullité :
1° la nationalité et le nom du bateau;
2° l'événement dommageable, avec mention de la date et du lieu;
3° le montant de la limitation de responsabilité évalué par le requérant; et
4° la manière dont le requérant entend constituer le fonds de limitation, à savoir en espèces ou par la fourniture d'une garantie.
§ 4. A la requête sont annexées :
1° la liste, certifiée conforme par le requérant, des créanciers connus de lui à l'égard desquels il souhaite opposer la limitation de sa responsabilité, avec l'indication si possible du domicile de chacun d'eux ainsi que du montant, à titre définitif ou provisoire, de chaque créance et de la nature de celle-ci;
2° toutes pièces justificatives du calcul du montant de la limitation de responsabilité.
§ 5. Une même requête permet de demander l'ouverture d'une procédure de limitation pour plus d'un fonds.
L'ouverture de fonds de limitation régis par différentes conventions internationales ou des parties du présent code basées sur celles-ci dessus ne peut cependant être demandée dans la même requête.
§ 1er. La demande d'ouverture d'une procédure de limitation avec constitution du fonds est introduite par le dépôt d'une requête adressée au président du tribunal de l'entreprise.
§ 2. La compétence territoriale du président du tribunal de l'entreprise est déterminée par l'article 627, 10°, du Code judiciaire.
§ 3. L'article 1026 du Code judiciaire s'applique à la requête visée au § 1er.
De plus, la requête mentionne, cependant pas à peine de nullité :
1° la nationalité et le nom du bateau;
2° l'événement dommageable, avec mention de la date et du lieu;
3° le montant de la limitation de responsabilité évalué par le requérant; et
4° la manière dont le requérant entend constituer le fonds de limitation, à savoir en espèces ou par la fourniture d'une garantie.
§ 4. A la requête sont annexées :
1° la liste, certifiée conforme par le requérant, des créanciers connus de lui à l'égard desquels il souhaite opposer la limitation de sa responsabilité, avec l'indication si possible du domicile de chacun d'eux ainsi que du montant, à titre définitif ou provisoire, de chaque créance et de la nature de celle-ci;
2° toutes pièces justificatives du calcul du montant de la limitation de responsabilité.
§ 5. Une même requête permet de demander l'ouverture d'une procédure de limitation pour plus d'un fonds.
L'ouverture de fonds de limitation régis par différentes conventions internationales ou des parties du présent code basées sur celles-ci dessus ne peut cependant être demandée dans la même requête.
Art. 3.3.3.19. Dossier ter griffie
Voor elk beperkingsfonds wordt ter griffie een dossier gehouden waarin minstens worden opgenomen :
1° een voor eensluidend verklaard afschrift van de beschikkingen van de voorzitter en van de vonnissen gewezen op bezwaar;
2° een voor eensluidend verklaard afschrift van de bekendmakingen bedoeld in artikel 3.3.3.23, § 3 en van de brieven bedoeld in artikel 3.3.3.23, § 4;
3° een overzichtstabel van de ingediende schuldvorderingen, die wordt opgemaakt onder de verantwoordelijkheid van de griffier; en
4° de adviezen van de vereffenaar.
Elke belanghebbende kan kosteloos inzage nemen van het dossier en er, tegen betaling van de griffierechten, een afschrift van ontvangen.
Voor elk beperkingsfonds wordt ter griffie een dossier gehouden waarin minstens worden opgenomen :
1° een voor eensluidend verklaard afschrift van de beschikkingen van de voorzitter en van de vonnissen gewezen op bezwaar;
2° een voor eensluidend verklaard afschrift van de bekendmakingen bedoeld in artikel 3.3.3.23, § 3 en van de brieven bedoeld in artikel 3.3.3.23, § 4;
3° een overzichtstabel van de ingediende schuldvorderingen, die wordt opgemaakt onder de verantwoordelijkheid van de griffier; en
4° de adviezen van de vereffenaar.
Elke belanghebbende kan kosteloos inzage nemen van het dossier en er, tegen betaling van de griffierechten, een afschrift van ontvangen.
Art. 3.3.3.19. Dossier au greffe
Pour chaque fonds de limitation, un dossier est conservé au greffe, qui doit au moins contenir :
1° une copie certifiée conforme des ordonnances du président et des jugements rendus contradictoirement;
2° une copie certifiée conforme des publications visées à l'article 3.3.3.23, § 3 et des lettres visées à l'article 3.3.3.23, § 4;
3° un tableau récapitulatif des créances introduites, établi sous la responsabilité du greffier; et
4° les avis du liquidateur;
Chaque ayant droit peut gratuitement consulter le dossier et, pour autant qu'il paie les droits de greffe, en recevoir une copie.
Pour chaque fonds de limitation, un dossier est conservé au greffe, qui doit au moins contenir :
1° une copie certifiée conforme des ordonnances du président et des jugements rendus contradictoirement;
2° une copie certifiée conforme des publications visées à l'article 3.3.3.23, § 3 et des lettres visées à l'article 3.3.3.23, § 4;
3° un tableau récapitulatif des créances introduites, établi sous la responsabilité du greffier; et
4° les avis du liquidateur;
Chaque ayant droit peut gratuitement consulter le dossier et, pour autant qu'il paie les droits de greffe, en recevoir une copie.
Art. 3.3.3.20. Openingsbeschikking
§ 1. Op voorwaarde dat het aangeboden beperkingsfonds en de wijze waarop het wordt gesteld in overeenstemming zijn met de wet en in het bijzonder met artikel 3.3.3.17, § 3 en 4, verleent de voorzitter van de ondernemingsrechtbank een beschikking waarbij de beperkingsprocedure met fondsvorming wordt geopend.
Wanneer niet aan de in het vorige lid bepaalde voorwaarden is voldaan, kan de voorzitter de verzoeker machtigen om het fonds te vormen voor een ander bedrag of op een andere wijze.
§ 2. De openingsbeschikking bepaalt op welke wijze het beperkingsfonds kan worden gevormd en vermeldt de termijn waarbinnen de storting moet worden gedaan respectievelijk de garantie moet worden verstrekt.
De in het eerste lid bedoelde termijn bedraagt ten hoogste één maand :
1° vanaf de mededeling door de vereffenaar van de rekening waarop moet worden gestort; hetzij
2° vanaf de datum van de openingsbeschikking, ingeval een garantie moet worden verstrekt.
Wanneer de storting niet tijdig gedaan is of de garantie niet tijdig is verstrekt, vervalt de openingsbeschikking.
§ 3. In de openingsbeschikking worden een of meer vereffenaars van het fonds aangesteld.
§ 4. De openingsbeschikking bepaalt de door de verzoeker aan de vereffenaar te betalen provisie voor de kosten van de beperkingsprocedure. De betaling moet gebeuren binnen de termijn bedoeld in § 2.
§ 1. Op voorwaarde dat het aangeboden beperkingsfonds en de wijze waarop het wordt gesteld in overeenstemming zijn met de wet en in het bijzonder met artikel 3.3.3.17, § 3 en 4, verleent de voorzitter van de ondernemingsrechtbank een beschikking waarbij de beperkingsprocedure met fondsvorming wordt geopend.
Wanneer niet aan de in het vorige lid bepaalde voorwaarden is voldaan, kan de voorzitter de verzoeker machtigen om het fonds te vormen voor een ander bedrag of op een andere wijze.
§ 2. De openingsbeschikking bepaalt op welke wijze het beperkingsfonds kan worden gevormd en vermeldt de termijn waarbinnen de storting moet worden gedaan respectievelijk de garantie moet worden verstrekt.
De in het eerste lid bedoelde termijn bedraagt ten hoogste één maand :
1° vanaf de mededeling door de vereffenaar van de rekening waarop moet worden gestort; hetzij
2° vanaf de datum van de openingsbeschikking, ingeval een garantie moet worden verstrekt.
Wanneer de storting niet tijdig gedaan is of de garantie niet tijdig is verstrekt, vervalt de openingsbeschikking.
§ 3. In de openingsbeschikking worden een of meer vereffenaars van het fonds aangesteld.
§ 4. De openingsbeschikking bepaalt de door de verzoeker aan de vereffenaar te betalen provisie voor de kosten van de beperkingsprocedure. De betaling moet gebeuren binnen de termijn bedoeld in § 2.
Art. 3.3.3.20. Ordonnance d'ouverture
§ 1er. A la condition que le fonds de limitation proposé et la manière dont il est constitué soient conformes à la loi, en particulier à l'article 3.3.3.17, § 3 et 4, le président du tribunal de l'entreprise rend une ordonnance par laquelle il ouvre la procédure de limitation avec constitution du fonds.
Lorsqu'il n'est pas satisfait aux conditions stipulées au précédent alinéa, le président peut autoriser le requérant à constituer le fonds pour un autre montant ou selon d'autres modalités.
§ 2. L'ordonnance d'ouverture détermine de quelle manière le fonds de limitation peut être constitué et mentionne le délai dans lequel le versement doit être effectué ou la garantie doit être fournie.
Le délai visé à l'alinéa 1er ne peut excéder un mois :
1° à compter de la communication par le liquidateur du compte sur lequel le versement doit être effectué; ou
2° à compter de la date de l'ordonnance d'ouverture, si une garantie doit être fournie.
Si le versement n'est pas effectué à temps ou que la garantie n'est pas fournie à temps, l'ordonnance d'ouverture est caduque.
§ 3. L'ordonnance d'ouverture désigne un ou plusieurs liquidateurs du fonds.
§ 4. L'ordonnance d'ouverture détermine la provision à payer par le requérant au liquidateur pour les coûts de la procédure de limitation. Le paiement doit s'effectuer dans le délai visé au § 2.
§ 1er. A la condition que le fonds de limitation proposé et la manière dont il est constitué soient conformes à la loi, en particulier à l'article 3.3.3.17, § 3 et 4, le président du tribunal de l'entreprise rend une ordonnance par laquelle il ouvre la procédure de limitation avec constitution du fonds.
Lorsqu'il n'est pas satisfait aux conditions stipulées au précédent alinéa, le président peut autoriser le requérant à constituer le fonds pour un autre montant ou selon d'autres modalités.
§ 2. L'ordonnance d'ouverture détermine de quelle manière le fonds de limitation peut être constitué et mentionne le délai dans lequel le versement doit être effectué ou la garantie doit être fournie.
Le délai visé à l'alinéa 1er ne peut excéder un mois :
1° à compter de la communication par le liquidateur du compte sur lequel le versement doit être effectué; ou
2° à compter de la date de l'ordonnance d'ouverture, si une garantie doit être fournie.
Si le versement n'est pas effectué à temps ou que la garantie n'est pas fournie à temps, l'ordonnance d'ouverture est caduque.
§ 3. L'ordonnance d'ouverture désigne un ou plusieurs liquidateurs du fonds.
§ 4. L'ordonnance d'ouverture détermine la provision à payer par le requérant au liquidateur pour les coûts de la procédure de limitation. Le paiement doit s'effectuer dans le délai visé au § 2.
Art. 3.3.3.21. Vereffenaars
§ 1. De vereffenaars van een beperkingsfonds worden gekozen uit de personen ingeschreven op een lijst bijgehouden door de algemene vergadering van de territoriaal bevoegde ondernemingsrechtbank. De Koning kan de procedure van voordracht van de kandidaten en de opleidings- en bekwaamheidsvereisten nader regelen.
§ 2. Tegen elke beslissing waarbij de inschrijving op de lijst van vereffenaars wordt geweigerd of waarbij een inschrijving wordt weggelaten, kan hoger beroep worden ingesteld voor het hof van beroep. De debatten hebben plaats met gesloten deuren als de belanghebbende erom verzoekt. De termijn van hoger beroep is één maand te rekenen van de dag van de kennisgeving van de beslissing. In voorkomend geval beveelt het hof de inschrijving op de lijst.
§ 3. Een persoon die op de lijst staat, kan op eigen verzoek door de algemene vergadering van de ondernemingsrechtbank van de lijst worden weggelaten. Een persoon kan eveneens van de lijst worden weggelaten ter uitvoering van een vonnis dat is gewezen op dagvaarding door het openbaar ministerie. De debatten hebben plaats met gesloten deuren als de belanghebbende erom verzoekt.
§ 4. Bij de inschrijving op de lijst leggen de vereffenaars ten overstaan van de voorzitter van de rechtbank de bij het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af, onder bijvoeging van de woorden :
"Ik zweer mijn opdrachten in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk te vervullen."
§ 5. De vereffenaar kan worden belast met de vereffening van meer dan één beperkingsfonds.
§ 6. De vereffenaar bevestigt dat hij zijn ambt in een bepaalde zaak aanvaardt door uiterlijk de vijfde werkdag volgend op de aanstelling ter griffie het proces-verbaal van aanstelling te ondertekenen.
De vereffenaar meldt elke vorm van tegenstrijdigheid van belangen of schijn van partijdigheid aan de voorzitter van de rechtbank. De voorzitter oordeelt of de gemelde tegenstrijdigheid van belangen of schijn van partijdigheid de uitvoering van de opdracht als vereffenaar verhindert.
§ 7. De ondernemingsrechtbank kan te allen tijde de vereffenaar of één van hen vervangen of hun aantal vermeerderen of verminderen.
De vereffenaar van wie de vervanging wordt overwogen, wordt vooraf opgeroepen en gehoord in raadkamer. Het vonnis wordt uitgesproken in openbare terechtzitting.
Het vonnis waarbij de vervanging van een vereffenaar wordt uitgesproken, wordt door toedoen van de griffier te zijner kennis gebracht. Het wordt door toedoen van de griffier binnen vijf dagen na de dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Indien de vereffenaar wordt vervangen op eigen verzoek, wordt dit uitdrukkelijk in de voornoemde bekendmaking vermeld.
§ 8. Het ereloon van de vereffenaar wordt door de voorzitter bepaald in de in artikel 3.3.3.29, § 4 bedoelde beschikking. Dit geschiedt met inachtneming van de aard en de complexiteit van de beperkingsprocedure. Het ereloon mag niet uitsluitend worden uitgedrukt in een procentuele vergoeding op basis van het bedrag van het beperkingsfonds.
§ 1. De vereffenaars van een beperkingsfonds worden gekozen uit de personen ingeschreven op een lijst bijgehouden door de algemene vergadering van de territoriaal bevoegde ondernemingsrechtbank. De Koning kan de procedure van voordracht van de kandidaten en de opleidings- en bekwaamheidsvereisten nader regelen.
§ 2. Tegen elke beslissing waarbij de inschrijving op de lijst van vereffenaars wordt geweigerd of waarbij een inschrijving wordt weggelaten, kan hoger beroep worden ingesteld voor het hof van beroep. De debatten hebben plaats met gesloten deuren als de belanghebbende erom verzoekt. De termijn van hoger beroep is één maand te rekenen van de dag van de kennisgeving van de beslissing. In voorkomend geval beveelt het hof de inschrijving op de lijst.
§ 3. Een persoon die op de lijst staat, kan op eigen verzoek door de algemene vergadering van de ondernemingsrechtbank van de lijst worden weggelaten. Een persoon kan eveneens van de lijst worden weggelaten ter uitvoering van een vonnis dat is gewezen op dagvaarding door het openbaar ministerie. De debatten hebben plaats met gesloten deuren als de belanghebbende erom verzoekt.
§ 4. Bij de inschrijving op de lijst leggen de vereffenaars ten overstaan van de voorzitter van de rechtbank de bij het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af, onder bijvoeging van de woorden :
"Ik zweer mijn opdrachten in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk te vervullen."
§ 5. De vereffenaar kan worden belast met de vereffening van meer dan één beperkingsfonds.
§ 6. De vereffenaar bevestigt dat hij zijn ambt in een bepaalde zaak aanvaardt door uiterlijk de vijfde werkdag volgend op de aanstelling ter griffie het proces-verbaal van aanstelling te ondertekenen.
De vereffenaar meldt elke vorm van tegenstrijdigheid van belangen of schijn van partijdigheid aan de voorzitter van de rechtbank. De voorzitter oordeelt of de gemelde tegenstrijdigheid van belangen of schijn van partijdigheid de uitvoering van de opdracht als vereffenaar verhindert.
§ 7. De ondernemingsrechtbank kan te allen tijde de vereffenaar of één van hen vervangen of hun aantal vermeerderen of verminderen.
De vereffenaar van wie de vervanging wordt overwogen, wordt vooraf opgeroepen en gehoord in raadkamer. Het vonnis wordt uitgesproken in openbare terechtzitting.
Het vonnis waarbij de vervanging van een vereffenaar wordt uitgesproken, wordt door toedoen van de griffier te zijner kennis gebracht. Het wordt door toedoen van de griffier binnen vijf dagen na de dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Indien de vereffenaar wordt vervangen op eigen verzoek, wordt dit uitdrukkelijk in de voornoemde bekendmaking vermeld.
§ 8. Het ereloon van de vereffenaar wordt door de voorzitter bepaald in de in artikel 3.3.3.29, § 4 bedoelde beschikking. Dit geschiedt met inachtneming van de aard en de complexiteit van de beperkingsprocedure. Het ereloon mag niet uitsluitend worden uitgedrukt in een procentuele vergoeding op basis van het bedrag van het beperkingsfonds.
Art. 3.3.3.21. Liquidateurs
§ 1. Les liquidateurs d'un fonds de limitation sont choisis parmi les personnes inscrites sur une liste tenue par l'assemblée générale du tribunal de l'entreprise territorialement compétent. Le Roi peut réglementer plus précisément la procédure de nomination des candidats et les exigences en matière de formation et de compétences.
§ 2. Un appel peut être interjeté devant la Cour d'appel contre toute décision refusant ou radiant une inscription sur la liste des liquidateurs. Les débats sont menés à huis clos si l'intéressé en fait la demande. Le délai d'appel est d'un mois à compter du jour de la notification de la décision. Le cas échéant, la Cour ordonne l'inscription sur la liste.
§ 3. Une personne qui figure sur la liste peut, à sa propre demande, être rayée de la liste par l'assemblée générale du tribunal de l'entreprise. Une personne peut également être radiée de la liste en exécution d'un jugement rendu sur citation par le ministère public. Les débats sont menés à huis clos si l'intéressé en fait la demande.
§ 4. Lors de l'inscription sur la liste, les liquidateurs prêtent serment devant le président du tribunal de la façon prescrite par le décret du 20 juillet 1831, en ajoutant les formules suivantes :
" Je jure d'accomplir mes missions en honneur et conscience, avec exactitude et probité. "
§ 5. Le liquidateur peut être chargé de la liquidation de plusieurs fonds de limitation.
§ 6. Le liquidateur confirme qu'il accepte de sa mission dans une affaire déterminée en signant au greffe, au plus tard le cinquième jour ouvrable suivant la désignation, le procès-verbal de désignation.
Le liquidateur mentionne au président du tribunal toutes les formes de conflit d'intérêts ou d'apparence de partialité. Le président évalue si le conflit d'intérêts ou l'apparence de partialité en question empêchent l'exécution de la mission en tant que liquidateur.
§ 7. Le tribunal de l'entreprise peut à tout moment remplacer le liquidateur ou l'un d'eux, ou augmenter ou réduire le nombre des liquidateurs.
Le liquidateur dont le remplacement est envisagé est préalablement convoqué et entendu en chambre du conseil. Le jugement est prononcé en audience publique.
Le jugement qui prononce le remplacement des liquidateurs est porté à sa connaissance par les soins du greffier. Il est publié par les soins du greffier dans les cinq jours à compter de sa date par extrait au Moniteur belge.
Si le liquidateur est remplacé à sa propre demande, cet élément doit être explicitement mentionné dans la publication précitée.
§ 8. La rémunération du liquidateur est déterminée par le président dans l'ordonnance visée à l'article 3.3.3.29, § 4. Cette détermination tient compte de la nature et de la complexité de la procédure de limitation. La rémunération ne peut être exclusivement exprimée en pourcentage du montant du fonds de limitation.
§ 1. Les liquidateurs d'un fonds de limitation sont choisis parmi les personnes inscrites sur une liste tenue par l'assemblée générale du tribunal de l'entreprise territorialement compétent. Le Roi peut réglementer plus précisément la procédure de nomination des candidats et les exigences en matière de formation et de compétences.
§ 2. Un appel peut être interjeté devant la Cour d'appel contre toute décision refusant ou radiant une inscription sur la liste des liquidateurs. Les débats sont menés à huis clos si l'intéressé en fait la demande. Le délai d'appel est d'un mois à compter du jour de la notification de la décision. Le cas échéant, la Cour ordonne l'inscription sur la liste.
§ 3. Une personne qui figure sur la liste peut, à sa propre demande, être rayée de la liste par l'assemblée générale du tribunal de l'entreprise. Une personne peut également être radiée de la liste en exécution d'un jugement rendu sur citation par le ministère public. Les débats sont menés à huis clos si l'intéressé en fait la demande.
§ 4. Lors de l'inscription sur la liste, les liquidateurs prêtent serment devant le président du tribunal de la façon prescrite par le décret du 20 juillet 1831, en ajoutant les formules suivantes :
" Je jure d'accomplir mes missions en honneur et conscience, avec exactitude et probité. "
§ 5. Le liquidateur peut être chargé de la liquidation de plusieurs fonds de limitation.
§ 6. Le liquidateur confirme qu'il accepte de sa mission dans une affaire déterminée en signant au greffe, au plus tard le cinquième jour ouvrable suivant la désignation, le procès-verbal de désignation.
Le liquidateur mentionne au président du tribunal toutes les formes de conflit d'intérêts ou d'apparence de partialité. Le président évalue si le conflit d'intérêts ou l'apparence de partialité en question empêchent l'exécution de la mission en tant que liquidateur.
§ 7. Le tribunal de l'entreprise peut à tout moment remplacer le liquidateur ou l'un d'eux, ou augmenter ou réduire le nombre des liquidateurs.
Le liquidateur dont le remplacement est envisagé est préalablement convoqué et entendu en chambre du conseil. Le jugement est prononcé en audience publique.
Le jugement qui prononce le remplacement des liquidateurs est porté à sa connaissance par les soins du greffier. Il est publié par les soins du greffier dans les cinq jours à compter de sa date par extrait au Moniteur belge.
Si le liquidateur est remplacé à sa propre demande, cet élément doit être explicitement mentionné dans la publication précitée.
§ 8. La rémunération du liquidateur est déterminée par le président dans l'ordonnance visée à l'article 3.3.3.29, § 4. Cette détermination tient compte de la nature et de la complexité de la procédure de limitation. La rémunération ne peut être exclusivement exprimée en pourcentage du montant du fonds de limitation.
Art. 3.3.3.22. Vorming van het beperkingsfonds
§ 1. Ingeval het beperkingfonds wordt gevormd in speciën, duidt de vereffenaar de instelling aan waarbij het geld wordt gestort. Deze storting geschiedt op naam van de vereffenaar in zijn hoedanigheid van vereffenaar. De interesten op de gestorte bedragen maken van het beperkingsfonds deel uit.
§ 2. Ingeval het beperkingsfonds wordt gevormd door het verstrekken van een garantie, geschiedt zulks in het voordeel van de vereffenaar in zijn hoedanigheid van vereffenaar.
§ 1. Ingeval het beperkingfonds wordt gevormd in speciën, duidt de vereffenaar de instelling aan waarbij het geld wordt gestort. Deze storting geschiedt op naam van de vereffenaar in zijn hoedanigheid van vereffenaar. De interesten op de gestorte bedragen maken van het beperkingsfonds deel uit.
§ 2. Ingeval het beperkingsfonds wordt gevormd door het verstrekken van een garantie, geschiedt zulks in het voordeel van de vereffenaar in zijn hoedanigheid van vereffenaar.
Art. 3.3.3.22. Constitution du fonds de limitation
§ 1er. En cas de versement en espèces, le liquidateur désigne l'organisme auprès duquel celles-ci seront déposées. Ce dépôt se fait au nom du liquidateur en sa qualité de liquidateur. Les intérêts sur les montants versés font partie du fonds de limitation.
§ 2. Dans le cas où le fonds de limitation est constitué en fournissant une garantie, celle-ci est constituée en faveur du liquidateur en sa quailité de liquidateur.
§ 1er. En cas de versement en espèces, le liquidateur désigne l'organisme auprès duquel celles-ci seront déposées. Ce dépôt se fait au nom du liquidateur en sa qualité de liquidateur. Les intérêts sur les montants versés font partie du fonds de limitation.
§ 2. Dans le cas où le fonds de limitation est constitué en fournissant une garantie, celle-ci est constituée en faveur du liquidateur en sa quailité de liquidateur.
Art. 3.3.3.23. Beschikbaarheidsbeschikking
§ 1. Op verslag van de vereffenaar waarin wordt bevestigd dat de bedragen zijn gestort respectievelijk de garantie is verstrekt, en waarin wordt medegedeeld dat de kostenprovisie is betaald, stelt de voorzitter in een beschikking vast dat het fonds is gevormd.
§ 2. Indien de vereffenaar de omrekening in euro door de fondssteller niet correct acht, maakt hij hiervan melding in zijn verslag. In dat geval kan de voorzitter bij beschikking de nodige aanpassingen bevelen en de termijn vaststellen waarbinnen deze moeten worden uitgevoerd. Op verslag van de vereffenaar waarin vervolgens wordt bevestigd dat de aanpassingen zijn uitgevoerd, stelt de voorzitter in een beschikking vast dat het fonds is gevormd.
§ 3. De beschikking wordt door de zorg van de vereffenaar binnen de acht dagen na haar dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
Het uittreksel vermeldt :
1° de naam, de rechtsvorm, de zetel en de verdere identificatiegegevens van de verzoeker, of, indien het een natuurlijke persoon betreft, zijn naam, voornamen, plaats van geboorte en woonplaats;
2° de datum en het rolnummer van de beschikking en de voorzitter die de beschikking heeft gewezen;
3° het bedrag van het beperkingsfonds;
4° de naam, de voornamen en het adres van de vereffenaar; en
5° de door de vereffenaar bepaalde termijn om aangifte van schuldvordering te doen; indien te verwachten valt dat buitenlandse schuldeisers aangifte zullen doen, bedraagt deze termijn minstens zes maanden.
§ 4. Bovendien zendt de vereffenaar binnen de vijf dagen na de dagtekening van de beschikking een aangetekende zending aan de bekende schuldeisers. De zending bevat dezelfde gegevens als het uittreksel bedoeld in § 3.
§ 5. Een eventueel faillissement, uitstel van betaling of gerechtelijke reorganisatie van de fondssteller heeft voor het fonds geen gevolgen.
§ 1. Op verslag van de vereffenaar waarin wordt bevestigd dat de bedragen zijn gestort respectievelijk de garantie is verstrekt, en waarin wordt medegedeeld dat de kostenprovisie is betaald, stelt de voorzitter in een beschikking vast dat het fonds is gevormd.
§ 2. Indien de vereffenaar de omrekening in euro door de fondssteller niet correct acht, maakt hij hiervan melding in zijn verslag. In dat geval kan de voorzitter bij beschikking de nodige aanpassingen bevelen en de termijn vaststellen waarbinnen deze moeten worden uitgevoerd. Op verslag van de vereffenaar waarin vervolgens wordt bevestigd dat de aanpassingen zijn uitgevoerd, stelt de voorzitter in een beschikking vast dat het fonds is gevormd.
§ 3. De beschikking wordt door de zorg van de vereffenaar binnen de acht dagen na haar dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
Het uittreksel vermeldt :
1° de naam, de rechtsvorm, de zetel en de verdere identificatiegegevens van de verzoeker, of, indien het een natuurlijke persoon betreft, zijn naam, voornamen, plaats van geboorte en woonplaats;
2° de datum en het rolnummer van de beschikking en de voorzitter die de beschikking heeft gewezen;
3° het bedrag van het beperkingsfonds;
4° de naam, de voornamen en het adres van de vereffenaar; en
5° de door de vereffenaar bepaalde termijn om aangifte van schuldvordering te doen; indien te verwachten valt dat buitenlandse schuldeisers aangifte zullen doen, bedraagt deze termijn minstens zes maanden.
§ 4. Bovendien zendt de vereffenaar binnen de vijf dagen na de dagtekening van de beschikking een aangetekende zending aan de bekende schuldeisers. De zending bevat dezelfde gegevens als het uittreksel bedoeld in § 3.
§ 5. Een eventueel faillissement, uitstel van betaling of gerechtelijke reorganisatie van de fondssteller heeft voor het fonds geen gevolgen.
Art. 3.3.3.23. Ordonnance de disponibilité
§ 1er. Sur rapport du liquidateur confirmant que les montants ont été versés ou que la garantie a été fournie, et dans lequel il est communiqué que la provision pour les coûts a été payée, le président constate dans une ordonnance que le fonds est constitué.
§ 2. Si le liquidateur estime que la conversion en euros effectuée par le constituant du fonds n'est pas correcte, il en fait mention dans son rapport. En pareil cas, le président peut, par ordonnance, ordonner les adaptations nécessaires et fixer les délais dans lesquels ces adaptations doivent être mises en oeuvre. Sur rapport du liquidateur confirmant ensuite que les adaptations ont été exécutées, le président constate dans une ordonnance que le fonds est constitué.
§ 3. L'ordonnance est publiée par les soins du liquidateur, dans les huit jours de sa date, par extrait :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
L'extrait mentionne :
1° le nom, la forme juridique, le siège et les autres données d'identification du demandeur ou, s'il s'agit d'une personne physique, son nom, ses prénoms, son lieu de naissance et son domicile;
2° la date et le numéro du rôle de l'ordonnance et le président qui a rendu l'ordonnance;
3° le montant du fonds de limitation;
4° le nom, les prénoms et l'adresse du liquidateur; et
5° le délai fixé par le liquidateur pour faire la déclaration de créance; si l'on s'attend à ce que des créanciers étrangers fassent une déclaration, ce délai doit être d'au moins six mois.
§ 4. En outre, le liquidateur envoie dans les cinq jours à compter de la date de l'ordonnance un envoi recommandé aux créanciers connus. L'envoi comprend les mêmes données que l'extrait visé au § 3.
§ 5. Une éventuelle faillite, un report de paiement ou une réorganisation judiciaire du constituant du fonds n'ont pas de conséquences pour le fonds.
§ 1er. Sur rapport du liquidateur confirmant que les montants ont été versés ou que la garantie a été fournie, et dans lequel il est communiqué que la provision pour les coûts a été payée, le président constate dans une ordonnance que le fonds est constitué.
§ 2. Si le liquidateur estime que la conversion en euros effectuée par le constituant du fonds n'est pas correcte, il en fait mention dans son rapport. En pareil cas, le président peut, par ordonnance, ordonner les adaptations nécessaires et fixer les délais dans lesquels ces adaptations doivent être mises en oeuvre. Sur rapport du liquidateur confirmant ensuite que les adaptations ont été exécutées, le président constate dans une ordonnance que le fonds est constitué.
§ 3. L'ordonnance est publiée par les soins du liquidateur, dans les huit jours de sa date, par extrait :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
L'extrait mentionne :
1° le nom, la forme juridique, le siège et les autres données d'identification du demandeur ou, s'il s'agit d'une personne physique, son nom, ses prénoms, son lieu de naissance et son domicile;
2° la date et le numéro du rôle de l'ordonnance et le président qui a rendu l'ordonnance;
3° le montant du fonds de limitation;
4° le nom, les prénoms et l'adresse du liquidateur; et
5° le délai fixé par le liquidateur pour faire la déclaration de créance; si l'on s'attend à ce que des créanciers étrangers fassent une déclaration, ce délai doit être d'au moins six mois.
§ 4. En outre, le liquidateur envoie dans les cinq jours à compter de la date de l'ordonnance un envoi recommandé aux créanciers connus. L'envoi comprend les mêmes données que l'extrait visé au § 3.
§ 5. Une éventuelle faillite, un report de paiement ou une réorganisation judiciaire du constituant du fonds n'ont pas de conséquences pour le fonds.
Art. 3.3.3.24. Gevolgen van de fondsvorming
§ 1. Wanneer overeenkomstig artikel 3.3.3.17 een fonds is gevormd, is het een persoon die een vordering tegen het fonds heeft ingediend, niet toegestaan om enig recht met betrekking tot deze vordering uit te oefenen ten aanzien van andere goederen van een persoon door of namens wie het fonds is gevormd.
§ 2. Nadat een fonds is gevormd overeenkomstig artikel 3.3.3.17, moet elk schip of moeten andere goederen van een persoon ten wiens bate het fonds is gevormd waarop in België beslag is gelegd ter zake van een vordering die tegen het fonds kan worden ingesteld, of enige gestelde zekerheid worden vrijgegeven op bevel van de rechter.
§ 3. De paragrafen 1 en 2 zijn alleen van toepassing indien de schuldeiser een vordering tegen het fonds kan indienen bij het gerecht dat het fonds beheert en indien het fonds werkelijk beschikbaar en vrij overdraagbaar is met betrekking tot die vordering.
§ 4. De in paragrafen 1 en 2 bedoelde rechtsgevolgen treden slechts in op de datum van de beschikbaarheidsbeschikking.
§ 1. Wanneer overeenkomstig artikel 3.3.3.17 een fonds is gevormd, is het een persoon die een vordering tegen het fonds heeft ingediend, niet toegestaan om enig recht met betrekking tot deze vordering uit te oefenen ten aanzien van andere goederen van een persoon door of namens wie het fonds is gevormd.
§ 2. Nadat een fonds is gevormd overeenkomstig artikel 3.3.3.17, moet elk schip of moeten andere goederen van een persoon ten wiens bate het fonds is gevormd waarop in België beslag is gelegd ter zake van een vordering die tegen het fonds kan worden ingesteld, of enige gestelde zekerheid worden vrijgegeven op bevel van de rechter.
§ 3. De paragrafen 1 en 2 zijn alleen van toepassing indien de schuldeiser een vordering tegen het fonds kan indienen bij het gerecht dat het fonds beheert en indien het fonds werkelijk beschikbaar en vrij overdraagbaar is met betrekking tot die vordering.
§ 4. De in paragrafen 1 en 2 bedoelde rechtsgevolgen treden slechts in op de datum van de beschikbaarheidsbeschikking.
Art. 3.3.3.24. Conséquences de la constitution de fonds
§ 1er. Si un fonds a été constitué conformément à l'article 3.3.3.17, aucune personne ayant produit une créance contre le fonds ne peut être admise à exercer des droits relatifs à cette créance sur d'autres biens d'une personne par qui ou au nom de laquelle le fonds a été constitué.
§ 2. Après la constitution d'un fonds conformément à l'article 3.3.3.17, tout bateau ou tout autre bien appartenant à une personne au profit de laquelle le fonds a été constitué, qui a fait l'objet d'une saisie en Belgique pour une créance qui peut être opposée au fonds, ainsi que toute garantie fournie doit faire l'objet d'une mainlevée ordonnée par le juge.
§ 3. Les paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent que si le créancier peut produire une créance contre le fonds devant le tribunal administrant ce fonds et si ce dernier est effectivement disponible et librement transférable en ce qui concerne cette créance.
§ 4. Les effets juridiques visées aux paragraphes 1er et 2 entrent seulement en vigueur à la date de l'ordonnance de disponibilité.
§ 1er. Si un fonds a été constitué conformément à l'article 3.3.3.17, aucune personne ayant produit une créance contre le fonds ne peut être admise à exercer des droits relatifs à cette créance sur d'autres biens d'une personne par qui ou au nom de laquelle le fonds a été constitué.
§ 2. Après la constitution d'un fonds conformément à l'article 3.3.3.17, tout bateau ou tout autre bien appartenant à une personne au profit de laquelle le fonds a été constitué, qui a fait l'objet d'une saisie en Belgique pour une créance qui peut être opposée au fonds, ainsi que toute garantie fournie doit faire l'objet d'une mainlevée ordonnée par le juge.
§ 3. Les paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent que si le créancier peut produire une créance contre le fonds devant le tribunal administrant ce fonds et si ce dernier est effectivement disponible et librement transférable en ce qui concerne cette créance.
§ 4. Les effets juridiques visées aux paragraphes 1er et 2 entrent seulement en vigueur à la date de l'ordonnance de disponibilité.
Art. 3.3.3.25. Aangifte van schuldvorderingen
§ 1. Uiterlijk op de door de vereffenaar bepaalde dag leggen de schuldeisers een aangifte van hun schuldvordering, samen met hun stavingstukken, bij aangetekende zending of tegen ontvangstbewijs, op het kantooradres van de vereffenaar zoals in het vonnis aangegeven.
Elke aangifte vermeldt :
1° de naam, de rechtsvorm, de zetel en de verdere identificatiegegevens van de schuldeiser, of, indien het een natuurlijke persoon betreft, zijn naam, voornamen, plaats van geboorte en woonplaats;
2° het bedrag en de oorzaken van de schuldvordering.
Zij wordt getekend door de schuldeiser of door diens advocaat.
Onder voorbehoud van de toepassing van internationale verdragen, bevat de aangifte van een schuldeiser die zijn woonplaats of zetel niet heeft in een lidstaat van de Europese Unie, keuze van woonplaats in het rechtsgebied van de rechtbank waar de aangifte van schuldvordering moet gebeuren. Heeft hij geen woonplaats gekozen, dan kunnen alle aan hem gerichte betekeningen en mededelingen worden gedaan ter griffie van de rechtbank.
§ 2. Indien de schuldeiser zijn schuldvordering, behalve tegen de fondssteller, ook tegen één of meer andere schuldenaars kan instellen, dient hij de vereffenaar op de hoogte te houden van de stappen die hij tegen deze medeschuldenaars onderneemt en van de betalingen die hij van deze medeschuldenaars bekomt.
§ 3. De aangifte van schuldvordering stuit de verjaring, ook wanneer later wordt vastgesteld dat er geen recht op aansprakelijkheidsbeperking bestaat. De verjaring begint slechts opnieuw te lopen vanaf de sluiting van het fonds.
§ 4. Vanaf de beschikbaarheidsbeschikking houden de wettelijke interesten op de gevorderde bedragen op te lopen.
§ 5. De bekende of onbekende schuldeisers die in gebreke blijven hun schuldvorderingen aan te geven, komen niet voor de verdeling in aanmerking. Zij kunnen hun vordering echter aangeven zolang het fonds niet volledig is verdeeld. Laattijdige aangiftes hebben geen invloed op reeds uitgevoerde of definitief besliste verdelingen. De schuldeisers die hun vordering laattijdig aangeven, kunnen het recht op aansprakelijkheidsbeperking en de berekening van het beperkingsbedrag niet meer betwisten en hebben slechts recht op een uitkering berekend op het nog niet verdeelde deel van het fonds.
§ 1. Uiterlijk op de door de vereffenaar bepaalde dag leggen de schuldeisers een aangifte van hun schuldvordering, samen met hun stavingstukken, bij aangetekende zending of tegen ontvangstbewijs, op het kantooradres van de vereffenaar zoals in het vonnis aangegeven.
Elke aangifte vermeldt :
1° de naam, de rechtsvorm, de zetel en de verdere identificatiegegevens van de schuldeiser, of, indien het een natuurlijke persoon betreft, zijn naam, voornamen, plaats van geboorte en woonplaats;
2° het bedrag en de oorzaken van de schuldvordering.
Zij wordt getekend door de schuldeiser of door diens advocaat.
Onder voorbehoud van de toepassing van internationale verdragen, bevat de aangifte van een schuldeiser die zijn woonplaats of zetel niet heeft in een lidstaat van de Europese Unie, keuze van woonplaats in het rechtsgebied van de rechtbank waar de aangifte van schuldvordering moet gebeuren. Heeft hij geen woonplaats gekozen, dan kunnen alle aan hem gerichte betekeningen en mededelingen worden gedaan ter griffie van de rechtbank.
§ 2. Indien de schuldeiser zijn schuldvordering, behalve tegen de fondssteller, ook tegen één of meer andere schuldenaars kan instellen, dient hij de vereffenaar op de hoogte te houden van de stappen die hij tegen deze medeschuldenaars onderneemt en van de betalingen die hij van deze medeschuldenaars bekomt.
§ 3. De aangifte van schuldvordering stuit de verjaring, ook wanneer later wordt vastgesteld dat er geen recht op aansprakelijkheidsbeperking bestaat. De verjaring begint slechts opnieuw te lopen vanaf de sluiting van het fonds.
§ 4. Vanaf de beschikbaarheidsbeschikking houden de wettelijke interesten op de gevorderde bedragen op te lopen.
§ 5. De bekende of onbekende schuldeisers die in gebreke blijven hun schuldvorderingen aan te geven, komen niet voor de verdeling in aanmerking. Zij kunnen hun vordering echter aangeven zolang het fonds niet volledig is verdeeld. Laattijdige aangiftes hebben geen invloed op reeds uitgevoerde of definitief besliste verdelingen. De schuldeisers die hun vordering laattijdig aangeven, kunnen het recht op aansprakelijkheidsbeperking en de berekening van het beperkingsbedrag niet meer betwisten en hebben slechts recht op een uitkering berekend op het nog niet verdeelde deel van het fonds.
Art. 3.3.3.25. Déclaration de créances
§ 1er. Au plus tard le jour fixé par le liquidateur, les créanciers déposent une déclaration de leur créance, avec leurs pièces justificatives, par envoi recommandé ou contre récépissé, à l'adresse du bureau du liquidateur telle que mentionnée dans le jugement.
Chaque déclaration mentionne :
1° le nom, la forme juridique, le siège et les autres données d'identification du créancier ou, s'il s'agit d'une personne physique, son nom, ses prénoms, son lieu de naissance et son domicile;
2° le montant et les causes de la créance.
Elle est signée par le créancier ou par son avocat.
Sous réserve de l'application des conventions internationales, la déclaration contient, de la part du créancier qui n'a pas son domicile ou son siège dans un Etat membre de l'Union européenne, élection de domicile dans le ressort du tribunal auprès duquel la déclaration de créance doit s'effectuer. A défaut d'avoir élu domicile, toutes significations et toutes informations qui lui sont adressées peuvent être faites au greffe du tribunal.
§ 2. Si le créancier peut introduire sa créance à l'encontre non seulement du constituant du fonds, mais aussi d'un ou de plusieurs autres débiteurs, il doit informer le liquidateur des démarches qu'il entreprend à l'encontre de ses codébiteurs et des paiements qu'il obtient des dits codébiteurs.
§ 3. La déclaration de créance interrompt la prescription, y compris s'il est constaté ultérieurement qu'il n'existe aucun droit à la limitation de la responsabilité. La prescription ne recommence à courir qu'à compter de la clôture du fonds.
§ 4. Les intérêts légaux sur les sommes réclamées cessent d'augmenter à compter de l'ordonnance de disponibilité.
§ 5. Les créanciers connus ou inconnus qui ne déclarent pas leurs créances ne sont pas pris en considération pour la répartition. Ils peuvent cependant déclarer leurs créances aussi longtemps que le fonds n'est pas entièrement réparti. Les déclarations tardives n'ont pas d'influence sur les répartitions déjà effectuées ou définitivement arrêtées. Les créanciers qui ont déclaré tardivement leurs créances ne peuvent plus contester le droit à la limitation de la responsabilité ou le calcul du montant de la limitation, et ils ont seulement droit à un versement calculé sur la partie non encore répartie du fonds.
§ 1er. Au plus tard le jour fixé par le liquidateur, les créanciers déposent une déclaration de leur créance, avec leurs pièces justificatives, par envoi recommandé ou contre récépissé, à l'adresse du bureau du liquidateur telle que mentionnée dans le jugement.
Chaque déclaration mentionne :
1° le nom, la forme juridique, le siège et les autres données d'identification du créancier ou, s'il s'agit d'une personne physique, son nom, ses prénoms, son lieu de naissance et son domicile;
2° le montant et les causes de la créance.
Elle est signée par le créancier ou par son avocat.
Sous réserve de l'application des conventions internationales, la déclaration contient, de la part du créancier qui n'a pas son domicile ou son siège dans un Etat membre de l'Union européenne, élection de domicile dans le ressort du tribunal auprès duquel la déclaration de créance doit s'effectuer. A défaut d'avoir élu domicile, toutes significations et toutes informations qui lui sont adressées peuvent être faites au greffe du tribunal.
§ 2. Si le créancier peut introduire sa créance à l'encontre non seulement du constituant du fonds, mais aussi d'un ou de plusieurs autres débiteurs, il doit informer le liquidateur des démarches qu'il entreprend à l'encontre de ses codébiteurs et des paiements qu'il obtient des dits codébiteurs.
§ 3. La déclaration de créance interrompt la prescription, y compris s'il est constaté ultérieurement qu'il n'existe aucun droit à la limitation de la responsabilité. La prescription ne recommence à courir qu'à compter de la clôture du fonds.
§ 4. Les intérêts légaux sur les sommes réclamées cessent d'augmenter à compter de l'ordonnance de disponibilité.
§ 5. Les créanciers connus ou inconnus qui ne déclarent pas leurs créances ne sont pas pris en considération pour la répartition. Ils peuvent cependant déclarer leurs créances aussi longtemps que le fonds n'est pas entièrement réparti. Les déclarations tardives n'ont pas d'influence sur les répartitions déjà effectuées ou définitivement arrêtées. Les créanciers qui ont déclaré tardivement leurs créances ne peuvent plus contester le droit à la limitation de la responsabilité ou le calcul du montant de la limitation, et ils ont seulement droit à un versement calculé sur la partie non encore répartie du fonds.
Art. 3.3.3.26. Verificatie van schuldvorderingen
§ 1. Zodra mogelijk verifieert de vereffenaar de ingediende schuldvorderingen. Indien de schuldeiser zijn vordering niet kan steunen op een gerechtelijke of arbitrale uitspraak, beoordeelt de vereffenaar de gegrondheid van de vordering zelf. De vereffenaar kan met de schuldeisers en de schuldenaren in overleg treden en is bevoegd van hen, binnen de termijn die hij bepaalt, de overlegging van ontbrekende of andere relevante stukken te vorderen.
§ 2. De vereffenaar stelt betreffende de ingediende schuldvorderingen een advies op waarin de ingediende schuldvorderingen worden aanvaard dan wel verworpen en dat, wanneer daartoe aanleiding bestaat, tevens een ontwerp van verdeling inhoudt. Hij legt dit advies neer ter griffie, en deelt het terzelfdertijd mee aan de schuldeisers, de fondssteller en, zo mogelijk, de andere personen door wie het fonds wordt geacht gevormd te zijn. Alle voornoemde partijen beschikken te rekenen vanaf de datum van het advies over een termijn van één maand om hun eventuele bezwaren ter griffie neer te leggen en terzelfdertijd aan de vereffenaar mee te delen.
§ 3. De vereffenaar verwijst de ingediende bezwaren naar de ondernemingsrechtbank die ze ten gronde beoordeelt. De aldus gevatte rechtbank is steeds bevoegd om over de gegrondheid en de omvang van de ingediende schuldvorderingen te oordelen.
§ 4. Indien binnen de termijn geen bezwaren worden ingediend, wordt het advies van de vereffenaar definitief en bindend en zijn de aanvaarde vorderingen, ook ten overstaan van andere rechtbanken als gegrond beschouwd.
§ 5. De vereffenaar kan over bepaalde aangelegenheden een tussentijds advies of een deeladvies uitbrengen. De paragrafen 2 tot 4 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 1. Zodra mogelijk verifieert de vereffenaar de ingediende schuldvorderingen. Indien de schuldeiser zijn vordering niet kan steunen op een gerechtelijke of arbitrale uitspraak, beoordeelt de vereffenaar de gegrondheid van de vordering zelf. De vereffenaar kan met de schuldeisers en de schuldenaren in overleg treden en is bevoegd van hen, binnen de termijn die hij bepaalt, de overlegging van ontbrekende of andere relevante stukken te vorderen.
§ 2. De vereffenaar stelt betreffende de ingediende schuldvorderingen een advies op waarin de ingediende schuldvorderingen worden aanvaard dan wel verworpen en dat, wanneer daartoe aanleiding bestaat, tevens een ontwerp van verdeling inhoudt. Hij legt dit advies neer ter griffie, en deelt het terzelfdertijd mee aan de schuldeisers, de fondssteller en, zo mogelijk, de andere personen door wie het fonds wordt geacht gevormd te zijn. Alle voornoemde partijen beschikken te rekenen vanaf de datum van het advies over een termijn van één maand om hun eventuele bezwaren ter griffie neer te leggen en terzelfdertijd aan de vereffenaar mee te delen.
§ 3. De vereffenaar verwijst de ingediende bezwaren naar de ondernemingsrechtbank die ze ten gronde beoordeelt. De aldus gevatte rechtbank is steeds bevoegd om over de gegrondheid en de omvang van de ingediende schuldvorderingen te oordelen.
§ 4. Indien binnen de termijn geen bezwaren worden ingediend, wordt het advies van de vereffenaar definitief en bindend en zijn de aanvaarde vorderingen, ook ten overstaan van andere rechtbanken als gegrond beschouwd.
§ 5. De vereffenaar kan over bepaalde aangelegenheden een tussentijds advies of een deeladvies uitbrengen. De paragrafen 2 tot 4 zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 3.3.3.26. Vérification des créances
§ 1er. Dès que possible, le liquidateur vérifie les créances introduites. Si le créancier ne peut appuyer sa créance sur une décision judiciaire ou arbitrale, le liquidateur évalue le bien-fondé de la créance elle-même. Le liquidateur peut se concerter avec les créanciers et les débiteurs et il a le pouvoir d'exiger, dans le délai qu'il détermine, la transmission de pièces manquantes ou d'autres pièces pertinentes.
§ 2. Le liquidateur rédige un avis concernant les créances introduites dans lequel ces créances sont rejetées ou acceptées et qui, le cas échéant, contient également un projet de répartition. Il dépose cet avis au greffe et dans le même temps il le communique aux créanciers, au constituant du fonds et si possible aux autres personnes par qui le fonds est estimé avoir été constitué. Toutes les parties précitées disposent d'un délai d'un mois, à compter de la date de l'avis, pour déposer leurs éventuelles objections au greffe et les communiquer dans le même temps au liquidateur.
§ 3. Le liquidateur renvoie les objections introduites au tribunal de l'entreprise qui les évalue sur le fond. Le tribunal ainsi saisi est toujours compétent pour statuer sur le bien-fondé et sur l'importance des créances introduites.
§ 4. Si aucune objection n'a été introduite dans le délai fixé, l'avis du liquidateur est définitif et contraignant et les créances acceptées sont considérées comme fondées, y compris vis-à-vis des autres tribunaux.
§ 5. Le liquidateur peut, sur certaines matières, fournir un avis provisoire ou un avis partiel. Les paragraphes 2 à 4 sont d'application par analogie.
§ 1er. Dès que possible, le liquidateur vérifie les créances introduites. Si le créancier ne peut appuyer sa créance sur une décision judiciaire ou arbitrale, le liquidateur évalue le bien-fondé de la créance elle-même. Le liquidateur peut se concerter avec les créanciers et les débiteurs et il a le pouvoir d'exiger, dans le délai qu'il détermine, la transmission de pièces manquantes ou d'autres pièces pertinentes.
§ 2. Le liquidateur rédige un avis concernant les créances introduites dans lequel ces créances sont rejetées ou acceptées et qui, le cas échéant, contient également un projet de répartition. Il dépose cet avis au greffe et dans le même temps il le communique aux créanciers, au constituant du fonds et si possible aux autres personnes par qui le fonds est estimé avoir été constitué. Toutes les parties précitées disposent d'un délai d'un mois, à compter de la date de l'avis, pour déposer leurs éventuelles objections au greffe et les communiquer dans le même temps au liquidateur.
§ 3. Le liquidateur renvoie les objections introduites au tribunal de l'entreprise qui les évalue sur le fond. Le tribunal ainsi saisi est toujours compétent pour statuer sur le bien-fondé et sur l'importance des créances introduites.
§ 4. Si aucune objection n'a été introduite dans le délai fixé, l'avis du liquidateur est définitif et contraignant et les créances acceptées sont considérées comme fondées, y compris vis-à-vis des autres tribunaux.
§ 5. Le liquidateur peut, sur certaines matières, fournir un avis provisoire ou un avis partiel. Les paragraphes 2 à 4 sont d'application par analogie.
Art. 3.3.3.27. Betwisting van veroordelingen ten gronde
§ 1. Indien de schuldeiser beschikt over een in kracht van gewijsde getreden Belgische of buitenlandse veroordeling van de fondssteller of een andere persoon door wie het beperkingsfonds wordt geacht gevormd te zijn, staan de gegrondheid en de omvang van de toegekende vordering vast, ook ten opzichte van de vereffenaar en de schuldeisers of andere personen die in deze procedure geen partij waren.
In afwijking van het eerste lid, kan de veroordeling door de vereffenaar of de schuldeisers of andere personen die in de procedure geen partij waren wel nog worden betwist indien wordt aangetoond :
1° dat de schuldenaar met de schuldeiser bedrieglijk heeft samengewerkt, om deze laatste een ongeoorloofd voordeel te verschaffen; of
2° dat de schuldenaar de procedure heeft gevoerd op een ernstig nalatige wijze.
§ 2. Paragraaf 1 geldt onder voorbehoud van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het derdenverzet en artikel 25 van het Wetboek van internationaal privaatrecht.
§ 1. Indien de schuldeiser beschikt over een in kracht van gewijsde getreden Belgische of buitenlandse veroordeling van de fondssteller of een andere persoon door wie het beperkingsfonds wordt geacht gevormd te zijn, staan de gegrondheid en de omvang van de toegekende vordering vast, ook ten opzichte van de vereffenaar en de schuldeisers of andere personen die in deze procedure geen partij waren.
In afwijking van het eerste lid, kan de veroordeling door de vereffenaar of de schuldeisers of andere personen die in de procedure geen partij waren wel nog worden betwist indien wordt aangetoond :
1° dat de schuldenaar met de schuldeiser bedrieglijk heeft samengewerkt, om deze laatste een ongeoorloofd voordeel te verschaffen; of
2° dat de schuldenaar de procedure heeft gevoerd op een ernstig nalatige wijze.
§ 2. Paragraaf 1 geldt onder voorbehoud van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het derdenverzet en artikel 25 van het Wetboek van internationaal privaatrecht.
Art. 3.3.3.27. Contestation des condamnations sur le fond
§ 1er. Si le créancier dispose d'une condamnation belge ou étrangère, passée en force de chose jugée, du constituant du fonds ou d'une autre personne par qui le fonds de limitation est estimé avoir été constitué, le bien-fondé et l'étendue de la créance attribuée sont constatés, y compris vis-à-vis du liquidateur et des créanciers ou d'autres personnes qui n'étaient pas parties à la procédure en question.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la condamnation peut encore être contestée par le liquidateur, ou par les créanciers, ou par d'autres personnes qui n'étaient pas parties à la procédure, s'il est établi :
1° que le débiteur a collaboré de manière frauduleuse avec le créancier pour permettre à ce dernier d'obtenir un avantage injustifié; ou
2° que le débiteur a mené la procédure en faisant preuve d'une extrême négligence.
§ 2. Le paragraphe 1er s'applique sous réserve des dispositions du Code judiciaire concernant la tierce-opposition et de l'article 25 du Code de droit international privé.
§ 1er. Si le créancier dispose d'une condamnation belge ou étrangère, passée en force de chose jugée, du constituant du fonds ou d'une autre personne par qui le fonds de limitation est estimé avoir été constitué, le bien-fondé et l'étendue de la créance attribuée sont constatés, y compris vis-à-vis du liquidateur et des créanciers ou d'autres personnes qui n'étaient pas parties à la procédure en question.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la condamnation peut encore être contestée par le liquidateur, ou par les créanciers, ou par d'autres personnes qui n'étaient pas parties à la procédure, s'il est établi :
1° que le débiteur a collaboré de manière frauduleuse avec le créancier pour permettre à ce dernier d'obtenir un avantage injustifié; ou
2° que le débiteur a mené la procédure en faisant preuve d'une extrême négligence.
§ 2. Le paragraphe 1er s'applique sous réserve des dispositions du Code judiciaire concernant la tierce-opposition et de l'article 25 du Code de droit international privé.
Art. 3.3.3.28. Verdeling van het fonds
§ 1. Behoudens artikel 3.3.3.10, § 1 en 2, alsook de artikel en 3.3.3.11, 3.3.3.12 en 3.3.3.14 en de desgevallend toepasselijke voorrang van vorderingen met betrekking tot schade aan kunstwerken van havens, aan dokken, waterwegen, sluizen, stuwen, bruggen en hulpmiddelen bij de navigatie, wordt het beperkingsfonds verdeeld onder de schuldeisers in evenredigheid met de bedragen van hun erkende vorderingen op het fonds.
§ 2. De betaling aan elke schuldeiser van het deel van het beperkingsfonds dat hem toekomt, doet zijn schuldvordering uitdoven.
§ 3. De vereffenaar kan tussentijdse of gedeeltelijke verdelingen verrichten.
§ 4. De verdeelde bedragen zijn vrij overdraagbaar.
§ 5. Indien voor de verdeling van het fonds de aansprakelijke persoon of zijn verzekeraar een vordering op het fonds heeft voldaan, wordt deze persoon gesubrogeerd tot het bedrag dat hij heeft betaald in de rechten die de door hem schadeloos gestelde persoon op grond van dit hoofdstuk zou hebben gehad.
§ 6. Het recht van subrogatie, bedoeld in paragraaf 5, kan ook worden uitgeoefend door andere dan de daarin genoemde personen met betrekking tot elk bedrag aan vergoeding dat zij mochten hebben betaald, maar alleen voor zover die subrogatie volgens de toepasselijke nationale wet geoorloofd is.
§ 7. Wanneer de aansprakelijke persoon of enige andere persoon aantoont dat hij gedwongen zou kunnen worden op een later tijdstip een zodanig bedrag aan vergoeding te betalen waarvan hij, indien de vergoeding zou zijn betaald voor de verdeling van het fonds, ingevolge de paragrafen 5 en 6 bij wege van subrogatie rechten zou hebben verkregen, dan kan de rechter bevelen dat voorlopig een bedrag terzijde wordt gesteld dat voldoende is om het deze persoon mogelijk te maken op dat latere tijdstip zijn rechten tegen het fonds geldend te maken.
§ 8. Ingeval de aansprakelijke persoon een definitief gegrond bevonden tegenvordering heeft, vindt verrekening plaats en is de uitkering aan de betrokken schuldeiser beperkt tot het saldo.
§ 9. Ingeval de schuldeiser reeds gedeeltelijk werd betaald buiten de beperkingsprocedure om, wordt de uitkering uit het beperkingsfonds beperkt tot het saldo.
§ 1. Behoudens artikel 3.3.3.10, § 1 en 2, alsook de artikel en 3.3.3.11, 3.3.3.12 en 3.3.3.14 en de desgevallend toepasselijke voorrang van vorderingen met betrekking tot schade aan kunstwerken van havens, aan dokken, waterwegen, sluizen, stuwen, bruggen en hulpmiddelen bij de navigatie, wordt het beperkingsfonds verdeeld onder de schuldeisers in evenredigheid met de bedragen van hun erkende vorderingen op het fonds.
§ 2. De betaling aan elke schuldeiser van het deel van het beperkingsfonds dat hem toekomt, doet zijn schuldvordering uitdoven.
§ 3. De vereffenaar kan tussentijdse of gedeeltelijke verdelingen verrichten.
§ 4. De verdeelde bedragen zijn vrij overdraagbaar.
§ 5. Indien voor de verdeling van het fonds de aansprakelijke persoon of zijn verzekeraar een vordering op het fonds heeft voldaan, wordt deze persoon gesubrogeerd tot het bedrag dat hij heeft betaald in de rechten die de door hem schadeloos gestelde persoon op grond van dit hoofdstuk zou hebben gehad.
§ 6. Het recht van subrogatie, bedoeld in paragraaf 5, kan ook worden uitgeoefend door andere dan de daarin genoemde personen met betrekking tot elk bedrag aan vergoeding dat zij mochten hebben betaald, maar alleen voor zover die subrogatie volgens de toepasselijke nationale wet geoorloofd is.
§ 7. Wanneer de aansprakelijke persoon of enige andere persoon aantoont dat hij gedwongen zou kunnen worden op een later tijdstip een zodanig bedrag aan vergoeding te betalen waarvan hij, indien de vergoeding zou zijn betaald voor de verdeling van het fonds, ingevolge de paragrafen 5 en 6 bij wege van subrogatie rechten zou hebben verkregen, dan kan de rechter bevelen dat voorlopig een bedrag terzijde wordt gesteld dat voldoende is om het deze persoon mogelijk te maken op dat latere tijdstip zijn rechten tegen het fonds geldend te maken.
§ 8. Ingeval de aansprakelijke persoon een definitief gegrond bevonden tegenvordering heeft, vindt verrekening plaats en is de uitkering aan de betrokken schuldeiser beperkt tot het saldo.
§ 9. Ingeval de schuldeiser reeds gedeeltelijk werd betaald buiten de beperkingsprocedure om, wordt de uitkering uit het beperkingsfonds beperkt tot het saldo.
Art. 3.3.3.28. Répartition du fonds
§ 1. Sous réserve des articles 3.3.3.10, § 1er et 2 de même que des articles 3.3.3.11, 3.3.3.12 et 3.3.3.14 et, le cas échéant, la priorité applicable aux créances pour dommages causés aux ouvrages d'art des ports, aux bassins, voies navigables, écluses, barrages, ponts et aides à la navigation, le fonds de limitation est réparti entre les créanciers, proportionnellement aux montants de leurs créances reconnues contre le fonds.
§ 2. Le paiement à chaque créancier de la partie du fonds qui lui revient, éteint sa créance vis-à-vis du requérant.
§ 3. Le liquidateur peut procéder à des répartitions intermédiaires ou partielles.
§ 4. Les montants répartis sont librement cessibles.
§ 5. Si, avant la répartition du fonds, la personne responsable, ou son assureur, a réglé une créance contre le fonds, cette personne est subrogée jusqu'à concurrence du montant qu'elle a réglé, dans les droits dont le bénéficiaire de ce règlement aurait joui en vertu du présent chapitre.
§ 6. Le droit de subrogation prévu au paragraphe 5 peut aussi être exercé par des personnes autres que celles ci-dessus mentionnées, pour toute somme qu'elles auraient versée à titre de réparation, mais seulement dans la mesure où une telle subrogation est autorisée selon la loi nationale applicable.
§ 7. Si la personne responsable ou toute autre personne établit qu'elle pourrait être ultérieurement contrainte de verser à titre de réparation une somme pour laquelle elle aurait joui d'un droit de subrogation en application des paragraphes 5 et 6 si cette somme avait été versée avant la distribution du fonds, le juge peut ordonner qu'une somme suffisante soit provisoirement réservée pour permettre à cette personne de faire valoir à cette date ultérieure ses droits contre le fonds.
§ 8. Si la personne responsable a intenté une action reconventionnelle jugée définitivement fondée, une compensation a lieu et le versement au créancier concerné est limité au solde.
§ 9. Si le créancier a déjà été partiellement payé en dehors de la procédure de limitation, le versement issu de la procédure de limitation est limité au solde.
§ 1. Sous réserve des articles 3.3.3.10, § 1er et 2 de même que des articles 3.3.3.11, 3.3.3.12 et 3.3.3.14 et, le cas échéant, la priorité applicable aux créances pour dommages causés aux ouvrages d'art des ports, aux bassins, voies navigables, écluses, barrages, ponts et aides à la navigation, le fonds de limitation est réparti entre les créanciers, proportionnellement aux montants de leurs créances reconnues contre le fonds.
§ 2. Le paiement à chaque créancier de la partie du fonds qui lui revient, éteint sa créance vis-à-vis du requérant.
§ 3. Le liquidateur peut procéder à des répartitions intermédiaires ou partielles.
§ 4. Les montants répartis sont librement cessibles.
§ 5. Si, avant la répartition du fonds, la personne responsable, ou son assureur, a réglé une créance contre le fonds, cette personne est subrogée jusqu'à concurrence du montant qu'elle a réglé, dans les droits dont le bénéficiaire de ce règlement aurait joui en vertu du présent chapitre.
§ 6. Le droit de subrogation prévu au paragraphe 5 peut aussi être exercé par des personnes autres que celles ci-dessus mentionnées, pour toute somme qu'elles auraient versée à titre de réparation, mais seulement dans la mesure où une telle subrogation est autorisée selon la loi nationale applicable.
§ 7. Si la personne responsable ou toute autre personne établit qu'elle pourrait être ultérieurement contrainte de verser à titre de réparation une somme pour laquelle elle aurait joui d'un droit de subrogation en application des paragraphes 5 et 6 si cette somme avait été versée avant la distribution du fonds, le juge peut ordonner qu'une somme suffisante soit provisoirement réservée pour permettre à cette personne de faire valoir à cette date ultérieure ses droits contre le fonds.
§ 8. Si la personne responsable a intenté une action reconventionnelle jugée définitivement fondée, une compensation a lieu et le versement au créancier concerné est limité au solde.
§ 9. Si le créancier a déjà été partiellement payé en dehors de la procédure de limitation, le versement issu de la procédure de limitation est limité au solde.
Art. 3.3.3.29. Sluiting van het beperkingsfonds
§ 1. Nadat alle schuldvorderingen werden vereffend, komt het eventuele saldo van het fonds toe aan degene die het fonds heeft gevormd of aan degene die in diens plaats daarop rechten kan laten gelden.
§ 2. Indien wordt vastgesteld dat er geen recht op aansprakelijkheidsbeperking bestaat of het beperkingsfonds niet meer voldoet aan de vereisten, blijft het reeds gevormde fonds desalniettemin bestaan en wordt het alsnog in het raam van de beperkingsprocedure verdeeld. De vereffenaar verzoekt de voorzitter om toelating om daartoe over te gaan, en beoordeelt de aangegeven vorderingen vervolgens op dezelfde wijze en volgens dezelfde procedure alsof het recht op aansprakelijkheidsbeperking niet verloren was gegaan respectievelijk het beperkingsfonds nog steeds aan de vereisten voldeed. Indien het fonds werd gevormd door het verstrekken van een garantie, wordt deze garantie van rechtswege en ongeacht haar bewoordingen opeisbaar in het voordeel van de vereffenaar. De schuldeisers zijn gerechtigd om zich onmiddellijk garanties te verschaffen ten aanzien van de goederen van personen door of namens wie het fonds werd gevormd, en om hun vorderingen voor het saldo van hun aanvaarde vorderingen ten uitvoer te leggen ten aanzien van de goederen van de aansprakelijke persoon. De fondssteller kan zich niet langer op de in artikel 3.3.3.24 bepaalde rechtsgevolgen beroepen.
§ 3. Indien paragraaf 2 geen toepassing vindt en het beperkingsfonds, om welke reden ook, wordt ontbonden, herwinnen de schuldeisers alle rechten en uitvoeringsmogelijkheden waarover zij beschikten vóór de fondsvorming.
§ 4. Na volledige verdeling van het fonds, of indien het fonds op enige andere wijze wordt ontbonden, stelt de vereffenaar een eindadvies op. Hij legt het neer ter griffie en deelt het tezelfdertijd mee aan de schuldeisers, de fondssteller en, zo mogelijk, de andere personen die worden geacht het fonds te hebben gevormd.
De schuldeisers, de fondssteller en de andere personen die worden geacht het fonds te hebben gevormd, kunnen tegen dit eindadvies bezwaar indienen binnen de termijn en op de wijze bepaald in artikel 3.3.3.31. De bezwaren worden behandeld overeenkomstig hetzelfde artikel .
Op verslag van de vereffenaar waarin wordt medegedeeld dat tegen het eindadvies geen bezwaar werd ingediend of dat over de bezwaren daartegen definitief is geoordeeld, stelt de voorzitter in een beschikking vast dat het fonds is gesloten.
§ 1. Nadat alle schuldvorderingen werden vereffend, komt het eventuele saldo van het fonds toe aan degene die het fonds heeft gevormd of aan degene die in diens plaats daarop rechten kan laten gelden.
§ 2. Indien wordt vastgesteld dat er geen recht op aansprakelijkheidsbeperking bestaat of het beperkingsfonds niet meer voldoet aan de vereisten, blijft het reeds gevormde fonds desalniettemin bestaan en wordt het alsnog in het raam van de beperkingsprocedure verdeeld. De vereffenaar verzoekt de voorzitter om toelating om daartoe over te gaan, en beoordeelt de aangegeven vorderingen vervolgens op dezelfde wijze en volgens dezelfde procedure alsof het recht op aansprakelijkheidsbeperking niet verloren was gegaan respectievelijk het beperkingsfonds nog steeds aan de vereisten voldeed. Indien het fonds werd gevormd door het verstrekken van een garantie, wordt deze garantie van rechtswege en ongeacht haar bewoordingen opeisbaar in het voordeel van de vereffenaar. De schuldeisers zijn gerechtigd om zich onmiddellijk garanties te verschaffen ten aanzien van de goederen van personen door of namens wie het fonds werd gevormd, en om hun vorderingen voor het saldo van hun aanvaarde vorderingen ten uitvoer te leggen ten aanzien van de goederen van de aansprakelijke persoon. De fondssteller kan zich niet langer op de in artikel 3.3.3.24 bepaalde rechtsgevolgen beroepen.
§ 3. Indien paragraaf 2 geen toepassing vindt en het beperkingsfonds, om welke reden ook, wordt ontbonden, herwinnen de schuldeisers alle rechten en uitvoeringsmogelijkheden waarover zij beschikten vóór de fondsvorming.
§ 4. Na volledige verdeling van het fonds, of indien het fonds op enige andere wijze wordt ontbonden, stelt de vereffenaar een eindadvies op. Hij legt het neer ter griffie en deelt het tezelfdertijd mee aan de schuldeisers, de fondssteller en, zo mogelijk, de andere personen die worden geacht het fonds te hebben gevormd.
De schuldeisers, de fondssteller en de andere personen die worden geacht het fonds te hebben gevormd, kunnen tegen dit eindadvies bezwaar indienen binnen de termijn en op de wijze bepaald in artikel 3.3.3.31. De bezwaren worden behandeld overeenkomstig hetzelfde artikel .
Op verslag van de vereffenaar waarin wordt medegedeeld dat tegen het eindadvies geen bezwaar werd ingediend of dat over de bezwaren daartegen definitief is geoordeeld, stelt de voorzitter in een beschikking vast dat het fonds is gesloten.
Art. 3.3.3.29. Clôture du fonds de limitation
§ 1er. Après le paiement de toutes les créances, le surplus éventuel du fonds revient à celui qui l'a constitué ou à celui qui peut faire valoir ses droits à sa place.
§ 2. S'il est constaté qu'il n'existe pas de droit à la limitation de la responsabilité, ou que le fonds de limitation ne répond plus aux exigences, le fonds déjà constitué continue néanmoins d'exister et il est encore réparti dans le cadre de la procédure de limitation. Le liquidateur demande au président l'autorisation d'y procéder et il évalue ensuite les créances déclarées de la même manière et selon la même procédure que si le droit à la limitation de la responsabilité n'avait pas été perdu ou si le fonds de limitation continuait encore à répondre aux exigences. Si le fonds avait été constitué par la fourniture d'une garantie, cette garantie, de plein droit et quelle que soit sa formulation, est exigible à l'avantage du liquidateur. Les créanciers sont autorisés à se procurer immédiatement des garanties vis-à-vis de biens de personnes par lesquelles ou au nom desquelles le fonds avait été constitué, et à faire exécuter leurs créances pour le solde de leurs créances acceptées vis-à-vis des biens de la personne responsable. Le constituant du fonds ne peut plus invoquer les effets juridiques déterminées à l'article 3.3.3.24.
§ 3. Si le paragraphe 2 ne trouve pas à s'appliquer et que le fonds de limitation, pour quelque raison que ce soit, est dissous, les créanciers récupèrent tous les droits et les possibilités d'exécution dont ils disposaient avant la constitution du fonds.
§ 4. Après la répartition intégrale du fonds, ou si le fonds est dissous de toute autre manière, le liquidateur rend un avis final. Il le dépose au greffe et le communique dans le même temps aux créanciers, au constituant du fonds, et, si possible, aux autres personnes qui sont estimées avoir constitué le fonds.
Les créanciers, le constituant du fonds et les autres personnes qui sont estimées avoir constitué le fonds peuvent introduire des objections à l'encontre de cet avis final, dans le délai et selon les modalités déterminés à l'article 3.3.3.31. Ces objections sont traitées conformément au même article.
Sur le rapport du liquidateur suivant lequel aucune objection n'a été introduite à l'encontre de l'avis final ou en cas d'appréciation définitive sur les réclamations à l'encontre de cet avis, le président indique dans une ordonnance que le fonds est clôturé.
§ 1er. Après le paiement de toutes les créances, le surplus éventuel du fonds revient à celui qui l'a constitué ou à celui qui peut faire valoir ses droits à sa place.
§ 2. S'il est constaté qu'il n'existe pas de droit à la limitation de la responsabilité, ou que le fonds de limitation ne répond plus aux exigences, le fonds déjà constitué continue néanmoins d'exister et il est encore réparti dans le cadre de la procédure de limitation. Le liquidateur demande au président l'autorisation d'y procéder et il évalue ensuite les créances déclarées de la même manière et selon la même procédure que si le droit à la limitation de la responsabilité n'avait pas été perdu ou si le fonds de limitation continuait encore à répondre aux exigences. Si le fonds avait été constitué par la fourniture d'une garantie, cette garantie, de plein droit et quelle que soit sa formulation, est exigible à l'avantage du liquidateur. Les créanciers sont autorisés à se procurer immédiatement des garanties vis-à-vis de biens de personnes par lesquelles ou au nom desquelles le fonds avait été constitué, et à faire exécuter leurs créances pour le solde de leurs créances acceptées vis-à-vis des biens de la personne responsable. Le constituant du fonds ne peut plus invoquer les effets juridiques déterminées à l'article 3.3.3.24.
§ 3. Si le paragraphe 2 ne trouve pas à s'appliquer et que le fonds de limitation, pour quelque raison que ce soit, est dissous, les créanciers récupèrent tous les droits et les possibilités d'exécution dont ils disposaient avant la constitution du fonds.
§ 4. Après la répartition intégrale du fonds, ou si le fonds est dissous de toute autre manière, le liquidateur rend un avis final. Il le dépose au greffe et le communique dans le même temps aux créanciers, au constituant du fonds, et, si possible, aux autres personnes qui sont estimées avoir constitué le fonds.
Les créanciers, le constituant du fonds et les autres personnes qui sont estimées avoir constitué le fonds peuvent introduire des objections à l'encontre de cet avis final, dans le délai et selon les modalités déterminés à l'article 3.3.3.31. Ces objections sont traitées conformément au même article.
Sur le rapport du liquidateur suivant lequel aucune objection n'a été introduite à l'encontre de l'avis final ou en cas d'appréciation définitive sur les réclamations à l'encontre de cet avis, le président indique dans une ordonnance que le fonds est clôturé.
Art. 3.3.3.30. Bijkomende garantie
Wanneer in de loop van de vereffeningsprocedure blijkt dat de verstrekte garantie voor de betaling van de wettelijke interesten ontoereikend zal zijn, kan de vereffenaar of iedere schuldeiser bij verzoekschrift gericht aan de voorzitter die de openingsbeschikking heeft gegeven vorderen dat de verstrekking van een bijkomende garantie wordt opgelegd.
De beschikking vermeldt de termijn waarbinnen de bijkomende garantie moet worden verstrekt. De griffier brengt de beschikking bij gerechtsbrief ter kennis van de fondssteller.
Wanneer de bijkomende garantie niet tijdig wordt verstrekt, wordt toepassing gemaakt van artikel 3.3.3.29, § 2.
Wanneer in de loop van de vereffeningsprocedure blijkt dat de verstrekte garantie voor de betaling van de wettelijke interesten ontoereikend zal zijn, kan de vereffenaar of iedere schuldeiser bij verzoekschrift gericht aan de voorzitter die de openingsbeschikking heeft gegeven vorderen dat de verstrekking van een bijkomende garantie wordt opgelegd.
De beschikking vermeldt de termijn waarbinnen de bijkomende garantie moet worden verstrekt. De griffier brengt de beschikking bij gerechtsbrief ter kennis van de fondssteller.
Wanneer de bijkomende garantie niet tijdig wordt verstrekt, wordt toepassing gemaakt van artikel 3.3.3.29, § 2.
Art. 3.3.3.30. Garantie additionnelle
Lorsque, dans le courant de la procédure de liquidation, il s'avère que la garantie fournie pour le paiement des intérêts légaux sera insuffisante, le liquidateur ou chaque créancier peut, par une requête adressée au président qui a rendu l'ordonnance d'ouverture, demander que la fourniture d'une garantie additionnelle soit imposé.
L'ordonnance mentionne le délai dans lequel la garantie additionnelle doit être fournie. Le greffier porte par pli judiciaire l'ordonnance à la connaissance du constituant du fonds.
Si la garantie additionnelle n'est pas fournie à temps, il est fait application de l'article 3.3.3.29, § 2.
Lorsque, dans le courant de la procédure de liquidation, il s'avère que la garantie fournie pour le paiement des intérêts légaux sera insuffisante, le liquidateur ou chaque créancier peut, par une requête adressée au président qui a rendu l'ordonnance d'ouverture, demander que la fourniture d'une garantie additionnelle soit imposé.
L'ordonnance mentionne le délai dans lequel la garantie additionnelle doit être fournie. Le greffier porte par pli judiciaire l'ordonnance à la connaissance du constituant du fonds.
Si la garantie additionnelle n'est pas fournie à temps, il est fait application de l'article 3.3.3.29, § 2.
Art. 3.3.3.31. Rechtskracht van en bezwaar tegen de beschikkingen
§ 1. De beschikkingen van de voorzitter brengen geen nadeel toe aan de zaak zelf. Zij zijn uitvoerbaar bij voorraad.
§ 2. Tegen de beschikkingen van de voorzitter kan uitsluitend bezwaar worden ingediend op de wijze bepaald in de hieronder volgende paragrafen.
§ 3. Het bezwaar tegen de openingsbeschikking en de beschikbaarheidsbeschikking wordt gebracht voor de ondernemingsrechtbank waarvan de voorzitter de beschikking gewezen heeft. Het bezwaar moet worden ingediend uiterlijk drie maanden na de in artikel 3.3.3.23, § 3 voorgeschreven bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. In voorkomend geval wordt deze termijn verlengd overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek.
Het bezwaar wordt ingediend door de neerlegging van een verzoekschrift ter griffie.
Het verzoekschrift wordt door de griffie bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de vereffenaar, de bekende schuldeisers, de fondssteller en, zo mogelijk, de andere personen door wie het fonds wordt geacht te zijn gevormd.
Het bezwaar is van rechtswege gericht tegen zowel de openingsbeschikking als de beschikbaarheidsbeschikking.
Het bezwaar wordt ingeleid op de eerstvolgende zitting van de rechtbank.
Na afloop van de in het eerste lid bepaalde termijn, worden alle bezwaren door de rechtbank gevoegd.
De ondernemingsrechtbank oordeelt ten gronde over alle betwistingen betreffende de vorming van het beperkingsfonds, zonder daarbij gebonden te zijn door de beschikkingen van de voorzitter.
Zij kan beslissen :
1° dat het beperkingsfonds op rechtsgeldige wijze werd gevormd; of
2° dat het beperkingsfonds niet mag worden gevormd of dat het wordt ontbonden; of
3° dat het bedrag van het beperkingsfonds of de wijze waarop het werd gevormd moeten worden aangepast.
In het geval bedoeld in het achtste lid, 3°, bepaalt de rechtbank de termijn waarbinnen de aanpassing moet worden uitgevoerd. Het vonnis wordt door de zorg van de vereffenaar binnen de acht dagen na zijn dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt in :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
Wanneer de aanpassing niet tijdig wordt uitgevoerd, wordt toepassing gemaakt van artikel 3.3.3.29, § 2.
Hangende de bezwaarprocedure blijven de in artikel 3.3.3.24 bepaalde rechtsgevolgen van de fondsvorming gelden en kunnen in voorkomend geval tussentijdse of gedeeltelijke verdelingen worden verricht.
§ 4. Het bezwaar tegen andere beschikkingen van de voorzitter inzake een beperkingsfonds dan deze bedoeld in § 3, zoals deze bedoeld in artikel 3.3.3.24, wordt eveneens voor de ondernemingsrechtbank gebracht. Dit bezwaar moet worden ingediend uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking. In voorkomend geval wordt deze termijn verlengd overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek.
De ondernemingsrechtbank oordeelt ten gronde, zonder door de beschikkingen van de voorzitter gebonden te zijn.
§ 5. Het vonnis van de rechtbank op bezwaar tegen beschikkingen van de voorzitter betreffende het beperkingsfonds heeft gezag van gewijsde jegens eenieder.
§ 1. De beschikkingen van de voorzitter brengen geen nadeel toe aan de zaak zelf. Zij zijn uitvoerbaar bij voorraad.
§ 2. Tegen de beschikkingen van de voorzitter kan uitsluitend bezwaar worden ingediend op de wijze bepaald in de hieronder volgende paragrafen.
§ 3. Het bezwaar tegen de openingsbeschikking en de beschikbaarheidsbeschikking wordt gebracht voor de ondernemingsrechtbank waarvan de voorzitter de beschikking gewezen heeft. Het bezwaar moet worden ingediend uiterlijk drie maanden na de in artikel 3.3.3.23, § 3 voorgeschreven bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. In voorkomend geval wordt deze termijn verlengd overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek.
Het bezwaar wordt ingediend door de neerlegging van een verzoekschrift ter griffie.
Het verzoekschrift wordt door de griffie bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de vereffenaar, de bekende schuldeisers, de fondssteller en, zo mogelijk, de andere personen door wie het fonds wordt geacht te zijn gevormd.
Het bezwaar is van rechtswege gericht tegen zowel de openingsbeschikking als de beschikbaarheidsbeschikking.
Het bezwaar wordt ingeleid op de eerstvolgende zitting van de rechtbank.
Na afloop van de in het eerste lid bepaalde termijn, worden alle bezwaren door de rechtbank gevoegd.
De ondernemingsrechtbank oordeelt ten gronde over alle betwistingen betreffende de vorming van het beperkingsfonds, zonder daarbij gebonden te zijn door de beschikkingen van de voorzitter.
Zij kan beslissen :
1° dat het beperkingsfonds op rechtsgeldige wijze werd gevormd; of
2° dat het beperkingsfonds niet mag worden gevormd of dat het wordt ontbonden; of
3° dat het bedrag van het beperkingsfonds of de wijze waarop het werd gevormd moeten worden aangepast.
In het geval bedoeld in het achtste lid, 3°, bepaalt de rechtbank de termijn waarbinnen de aanpassing moet worden uitgevoerd. Het vonnis wordt door de zorg van de vereffenaar binnen de acht dagen na zijn dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt in :
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van het Belgisch Scheepsregister;
3° op de desgevallend bijkomend door de Koning voorgeschreven elektronische wijze.
Wanneer de aanpassing niet tijdig wordt uitgevoerd, wordt toepassing gemaakt van artikel 3.3.3.29, § 2.
Hangende de bezwaarprocedure blijven de in artikel 3.3.3.24 bepaalde rechtsgevolgen van de fondsvorming gelden en kunnen in voorkomend geval tussentijdse of gedeeltelijke verdelingen worden verricht.
§ 4. Het bezwaar tegen andere beschikkingen van de voorzitter inzake een beperkingsfonds dan deze bedoeld in § 3, zoals deze bedoeld in artikel 3.3.3.24, wordt eveneens voor de ondernemingsrechtbank gebracht. Dit bezwaar moet worden ingediend uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking. In voorkomend geval wordt deze termijn verlengd overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek.
De ondernemingsrechtbank oordeelt ten gronde, zonder door de beschikkingen van de voorzitter gebonden te zijn.
§ 5. Het vonnis van de rechtbank op bezwaar tegen beschikkingen van de voorzitter betreffende het beperkingsfonds heeft gezag van gewijsde jegens eenieder.
Art. 3.3.3.31. Force juridique des ordonnances et objection contre les ordonnances
§ 1er. Les ordonnances du président ne portent préjudice au principal. Elles sont exécutoires par provision.
§ 2. Il ne peut être introduit d'objection aux ordonnances du président que selon les modalités déterminées dans les paragraphes ci-après.
§ 3. L'objection formulée contre l'ordonnance d'ouverture et l'ordonnance de disponibilité est présentée devant le tribunal de l'entreprise dont le président a rendu l'ordonnance en question. L'objection doit être introduite au plus tard trois mois après la publication prescrite par l'article 3.3.3.23, § 3, au Moniteur belge. Le cas échéant, ce délai est prolongé conformément à l'article 55 du Code judiciaire.
L'objection est introduite par le dépôt d'une requête au greffe.
Le greffe, par pli judiciaire, porte la requête à la connaissance du liquidateur, des créanciers connus, du constituant du fonds et, si possible, des autres personnes par lesquelles le fonds est présumé avoir été constitué.
L'objection vise de plein droit aussi bien l'ordonnance d'ouverture que l'ordonnance de disponibilité.
L'objection est introduite à la première audience qui suit du tribunal.
A l'expiration du délai mentionné à l'alinéa 1er, toutes les objections sont jointes par le tribunal.
Le tribunal de l'entreprise se prononce sur le fond sur toutes les contestations relatives à la constitution du fonds de limitation, sans être lié à cet égard par les ordonnances du président.
Il peut décider :
1° que le fonds de limitation a été valablement constitué; ou
2° que le fonds de limitation ne peut être constitué ou qu'il doit être dissous; ou
3° que le montant du fonds de limitation ou les modalités de sa constitution doivent être adaptés.
Dans le cas visé à l'alinéa 8, 3°, le tribunal détermine le délai dans lequel l'adaptation doit être effectuée. Le jugement est publié par extrait, par les soins du liquidateur, dans les huit jours à compter de sa date :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
Si l'adaptation n'est pas exécutée dans les délais, il est fait application de l'article 3.3.3.29, § 2.
Durant la procédure d'objection, les effets juridiques de la constitution du fonds, déterminées à l'article 3.3.3.24, restent d'application et, le cas échéant, des répartitions intermédiaires ou partielles peuvent être effectuées.
§ 4. L'objection contre des ordonnances du président relatives à un fonds de limitation, autres que celles visées au § 3, telles que celles qui sont visées à l'article 3.3.3.24, est également portée devant le tribunal de l'entreprise. Cette objection doit être introduite au plus tard trois mois après la date de l'ordonnance. Le cas échéant, ce délai est prolongé conformément à l'article 55 du Code judiciaire.
Le tribunal de l'entreprise juge sur le fond, sans être lié par les ordonnances du président.
§ 5. Le jugement du tribunal relativement à l'objection élevée contre les ordonnances du président concernant le fonds de limitation a autorité de chose jugée vis-à-vis de chacun.
§ 1er. Les ordonnances du président ne portent préjudice au principal. Elles sont exécutoires par provision.
§ 2. Il ne peut être introduit d'objection aux ordonnances du président que selon les modalités déterminées dans les paragraphes ci-après.
§ 3. L'objection formulée contre l'ordonnance d'ouverture et l'ordonnance de disponibilité est présentée devant le tribunal de l'entreprise dont le président a rendu l'ordonnance en question. L'objection doit être introduite au plus tard trois mois après la publication prescrite par l'article 3.3.3.23, § 3, au Moniteur belge. Le cas échéant, ce délai est prolongé conformément à l'article 55 du Code judiciaire.
L'objection est introduite par le dépôt d'une requête au greffe.
Le greffe, par pli judiciaire, porte la requête à la connaissance du liquidateur, des créanciers connus, du constituant du fonds et, si possible, des autres personnes par lesquelles le fonds est présumé avoir été constitué.
L'objection vise de plein droit aussi bien l'ordonnance d'ouverture que l'ordonnance de disponibilité.
L'objection est introduite à la première audience qui suit du tribunal.
A l'expiration du délai mentionné à l'alinéa 1er, toutes les objections sont jointes par le tribunal.
Le tribunal de l'entreprise se prononce sur le fond sur toutes les contestations relatives à la constitution du fonds de limitation, sans être lié à cet égard par les ordonnances du président.
Il peut décider :
1° que le fonds de limitation a été valablement constitué; ou
2° que le fonds de limitation ne peut être constitué ou qu'il doit être dissous; ou
3° que le montant du fonds de limitation ou les modalités de sa constitution doivent être adaptés.
Dans le cas visé à l'alinéa 8, 3°, le tribunal détermine le délai dans lequel l'adaptation doit être effectuée. Le jugement est publié par extrait, par les soins du liquidateur, dans les huit jours à compter de sa date :
1° au Moniteur belge;
2° sur le site web du Registre naval belge;
3° le cas échéant, par la voie électronique supplémentaire prescrite par le Roi.
Si l'adaptation n'est pas exécutée dans les délais, il est fait application de l'article 3.3.3.29, § 2.
Durant la procédure d'objection, les effets juridiques de la constitution du fonds, déterminées à l'article 3.3.3.24, restent d'application et, le cas échéant, des répartitions intermédiaires ou partielles peuvent être effectuées.
§ 4. L'objection contre des ordonnances du président relatives à un fonds de limitation, autres que celles visées au § 3, telles que celles qui sont visées à l'article 3.3.3.24, est également portée devant le tribunal de l'entreprise. Cette objection doit être introduite au plus tard trois mois après la date de l'ordonnance. Le cas échéant, ce délai est prolongé conformément à l'article 55 du Code judiciaire.
Le tribunal de l'entreprise juge sur le fond, sans être lié par les ordonnances du président.
§ 5. Le jugement du tribunal relativement à l'objection élevée contre les ordonnances du président concernant le fonds de limitation a autorité de chose jugée vis-à-vis de chacun.
HOOFDSTUK 4. - Maritieme vorderingen voor estuaire schepen
CHAPITRE 4. - Créances maritimes pour les navires estuaires
Art. 3.3.4.1. Estuaire schepen
De bepalingen van afdeling 1 van hoofdstuk 2 van titel 3 van boek 2 zijn van toepassing op estuaire schepen [1 , wanneer zij zich in zeewateren bevinden]1. Voor ongevallen in de [1 zeewateren]1 kunnen de exploitanten hun aansprakelijkheid beperken overeenkomstig afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 3 van boek 2.
De bepalingen van afdeling 1 van hoofdstuk 2 van titel 3 van boek 2 zijn van toepassing op estuaire schepen [1 , wanneer zij zich in zeewateren bevinden]1. Voor ongevallen in de [1 zeewateren]1 kunnen de exploitanten hun aansprakelijkheid beperken overeenkomstig afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 3 van boek 2.
Art. 3.3.4.1. Navires estuaires
Les dispositions de la section 1re du chapitre 2 du titre 3 du livre 2 s'appliquent aux navires estuaires [1 , lorsqu'ils se trouvent dans les eaux maritimes]1. Les exploitants peuvent limiter les responsabilité conformément à la section 2 du chapitre 2 du titre 3 du livre 2 concernants les accidents dans [1 les eaux maritimes]1.
Les dispositions de la section 1re du chapitre 2 du titre 3 du livre 2 s'appliquent aux navires estuaires [1 , lorsqu'ils se trouvent dans les eaux maritimes]1. Les exploitants peuvent limiter les responsabilité conformément à la section 2 du chapitre 2 du titre 3 du livre 2 concernants les accidents dans [1 les eaux maritimes]1.
Wijzigingen
Titel 4. - Opvarenden (voorbehouden)
TITRE 4. - Personnes embarquées (réservé)
Titel 5. - Zee en havens
TITRE 5. - La mer et les ports
Art. 3.5.4.1. Estuaire schepen
De bepalingen van hoofdstuk 3 van titel 5 van boek 2 zijn van toepassing op estuaire schepen.
De bepalingen van hoofdstuk 3 van titel 5 van boek 2 zijn van toepassing op estuaire schepen.
Art. 3.5.4.1. Navires estuaires
Les dispositions du chapitre 3 du titre 5 du livre 2 s'appliquent aux navires estuaires.
Les dispositions du chapitre 3 du titre 5 du livre 2 s'appliquent aux navires estuaires.
Titel 6. [1 - Bevrachting en vervoer]1
TITRE 6. [1 - Affrètement et transport]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Algemene bepalingen]1
CHAPITRE 1er. [1 - Dispositions générales]1
Art. 3.6.1.1. [1 Uitlegging
§ 1. Indien alle of bepaalde bedingen van de overeenkomst schriftelijk zijn, moeten ze duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld.
Een overeenkomst kan onder meer worden geïnterpreteerd aan de hand van de marktpraktijken die er rechtstreeks verband mee houden.
§ 2. De uit het "CMNI-Verdrag" overgenomen bepalingen worden uitgelegd in overeenstemming met dat verdrag.]1
§ 1. Indien alle of bepaalde bedingen van de overeenkomst schriftelijk zijn, moeten ze duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld.
Een overeenkomst kan onder meer worden geïnterpreteerd aan de hand van de marktpraktijken die er rechtstreeks verband mee houden.
§ 2. De uit het "CMNI-Verdrag" overgenomen bepalingen worden uitgelegd in overeenstemming met dat verdrag.]1
Art. 3.6.1.1. [1 Interprétation
§ 1er. Lorsque toutes ou certaines clauses du contrat sont écrites, elles doivent être rédigées de manière claire et compréhensible.
Un contrat peut être interprété notamment en fonction des pratiques du marché en relation directe avec celui-ci.
§ 2. Les dispositions reprises de "la Convention CMNI" sont interprétées conformément à cette convention.]1
§ 1er. Lorsque toutes ou certaines clauses du contrat sont écrites, elles doivent être rédigées de manière claire et compréhensible.
Un contrat peut être interprété notamment en fonction des pratiques du marché en relation directe avec celui-ci.
§ 2. Les dispositions reprises de "la Convention CMNI" sont interprétées conformément à cette convention.]1
Wijzigingen
Art. 3.6.1.2. [1 Onrechtmatige bedingen
§ 1. Voor de toepassing van deze titel is elk beding van een overeenkomst gesloten tussen ondernemingen dat, alleen of in samenhang met één of meer andere bedingen, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen, onrechtmatig. Voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter van een beding van een overeenkomst worden alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, de algemene economie van de overeenkomst, alle geldende handelsgebruiken, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de producten waarop de overeenkomst betrekking heeft.
§ 2. Voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter wordt tevens rekening gehouden met de in artikel 3.6.1.1, § 1, bepaalde vereiste van duidelijkheid en begrijpelijkheid van het beding.
De beoordeling van het onrechtmatige karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.
§ 3. Zijn onrechtmatig, de bedingen die ertoe strekken:
1° te voorzien in een onherroepelijke verbintenis van de andere partij terwijl de uitvoering van de prestaties van de onderneming onderworpen is aan een voorwaarde waarvan de verwezenlijking uitsluitend afhankelijk is van haar wil;
2° de onderneming het eenzijdige recht te geven om een of ander beding van de overeenkomst te interpreteren;
3° in geval van betwisting, de andere partij te doen afzien van elk middel van verhaal tegen de onderneming;
4° op onweerlegbare wijze de kennisname of de aanvaarding van de andere partij vast te stellen met bedingen waarvan deze niet daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen vóór het sluiten van de overeenkomst.".
§ 4. Worden behoudens bewijs van het tegendeel vermoed onrechtmatig te zijn de bedingen die ertoe strekken:
1° de onderneming het recht te verlenen om zonder geldige reden de prijs, de kenmerken of de voorwaarden van de overeenkomst eenzijdig te wijzigen;
2° een overeenkomst van bepaalde duur stilzwijgend te verlengen of te vernieuwen, zonder opgave van een redelijke opzegtermijn;
3° zonder tegenprestatie het economische risico op een partij leggen indien die normaliter op de andere onderneming of op een andere partij bij de overeenkomst rust;
4° op ongepaste wijze de wettelijke rechten van een partij uit te sluiten of te beperken in geval van volledige of gedeelde wanprestatie of gebrekkige uitvoering door de andere onderneming van een van haar contractuele verplichtingen;
5° onverminderd de artikelen 5.90 tot 5.96 van het Burgerlijk Wetboek, de partijen te verbinden zonder opgave van een redelijke opzegtermijn;
6° de onderneming te ontslaan van haar aansprakelijkheid voor haar opzet, haar zware fout of voor die van haar aangestelden of, behoudens overmacht, voor het niet-uitvoeren van de essentiële verbintenissen die het voorwerp van de overeenkomst uitmaken;
7° de bewijsmiddelen waarop de andere partij een beroep kan doen te beperken;
8° in geval van niet-uitvoering of vertraging in de uitvoering van de verbintenissen van de andere partij, schadevergoedingsbedragen vast te stellen die kennelijk niet evenredig zijn aan het nadeel dat door de onderneming kan worden geleden.
§ 5. Elk onrechtmatig beding is verboden en nietig. De overeenkomst blijft bindend voor de partijen indien ze zonder de onrechtmatige bedingen kan blijven voortbestaan.
§ 6. De in de paragrafen 3 en 4 opgenomen lijsten kunnen worden aangevuld overeenkomstig de bepalingen van boek VI, titel 3/1, van het Wetboek van Economisch Recht.]1
§ 1. Voor de toepassing van deze titel is elk beding van een overeenkomst gesloten tussen ondernemingen dat, alleen of in samenhang met één of meer andere bedingen, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen, onrechtmatig. Voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter van een beding van een overeenkomst worden alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, de algemene economie van de overeenkomst, alle geldende handelsgebruiken, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de producten waarop de overeenkomst betrekking heeft.
§ 2. Voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter wordt tevens rekening gehouden met de in artikel 3.6.1.1, § 1, bepaalde vereiste van duidelijkheid en begrijpelijkheid van het beding.
De beoordeling van het onrechtmatige karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.
§ 3. Zijn onrechtmatig, de bedingen die ertoe strekken:
1° te voorzien in een onherroepelijke verbintenis van de andere partij terwijl de uitvoering van de prestaties van de onderneming onderworpen is aan een voorwaarde waarvan de verwezenlijking uitsluitend afhankelijk is van haar wil;
2° de onderneming het eenzijdige recht te geven om een of ander beding van de overeenkomst te interpreteren;
3° in geval van betwisting, de andere partij te doen afzien van elk middel van verhaal tegen de onderneming;
4° op onweerlegbare wijze de kennisname of de aanvaarding van de andere partij vast te stellen met bedingen waarvan deze niet daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen vóór het sluiten van de overeenkomst.".
§ 4. Worden behoudens bewijs van het tegendeel vermoed onrechtmatig te zijn de bedingen die ertoe strekken:
1° de onderneming het recht te verlenen om zonder geldige reden de prijs, de kenmerken of de voorwaarden van de overeenkomst eenzijdig te wijzigen;
2° een overeenkomst van bepaalde duur stilzwijgend te verlengen of te vernieuwen, zonder opgave van een redelijke opzegtermijn;
3° zonder tegenprestatie het economische risico op een partij leggen indien die normaliter op de andere onderneming of op een andere partij bij de overeenkomst rust;
4° op ongepaste wijze de wettelijke rechten van een partij uit te sluiten of te beperken in geval van volledige of gedeelde wanprestatie of gebrekkige uitvoering door de andere onderneming van een van haar contractuele verplichtingen;
5° onverminderd de artikelen 5.90 tot 5.96 van het Burgerlijk Wetboek, de partijen te verbinden zonder opgave van een redelijke opzegtermijn;
6° de onderneming te ontslaan van haar aansprakelijkheid voor haar opzet, haar zware fout of voor die van haar aangestelden of, behoudens overmacht, voor het niet-uitvoeren van de essentiële verbintenissen die het voorwerp van de overeenkomst uitmaken;
7° de bewijsmiddelen waarop de andere partij een beroep kan doen te beperken;
8° in geval van niet-uitvoering of vertraging in de uitvoering van de verbintenissen van de andere partij, schadevergoedingsbedragen vast te stellen die kennelijk niet evenredig zijn aan het nadeel dat door de onderneming kan worden geleden.
§ 5. Elk onrechtmatig beding is verboden en nietig. De overeenkomst blijft bindend voor de partijen indien ze zonder de onrechtmatige bedingen kan blijven voortbestaan.
§ 6. De in de paragrafen 3 en 4 opgenomen lijsten kunnen worden aangevuld overeenkomstig de bepalingen van boek VI, titel 3/1, van het Wetboek van Economisch Recht.]1
Art. 3.6.1.2. [1 Clauses abusives
§ 1er. Pour l'application du présent titre, toute clause d'un contrat conclu entre entreprises est abusive lorsque, à elle seule ou combinée avec une ou plusieurs autres clauses, elle crée un déséquilibre manifeste entre les droits et obligations des parties. Le caractère abusif d'une clause contractuelle est apprécié en tenant compte de la nature des produits qui font l'objet du contrat et en se référant, au moment de la conclusion du contrat, à toutes les circonstances qui entourent sa conclusion, à l'économie générale du contrat, aux usages commerciaux qui s'appliquent, de même qu'à toutes les autres clauses du contrat, ou d'un autre contrat dont il dépend.
§ 2. Pour l'appréciation du caractère abusif, il est également tenu compte de l'exigence de clarté et de compréhension visée à l'article 3.6.1.1, § 1.
L'appréciation du caractère abusif des clauses ne porte ni sur la définition de l'objet principal du contrat ni sur l'adéquation entre le prix ou la rémunération, d'une part, et les services à fournir en contrepartie, d'autre part, pour autant que ces clauses soient rédigées de façon claire et compréhensible.
§ 3. Sont abusives, les clauses qui ont pour objet de:
1° prévoir un engagement irrévocable de l'autre partie, alors que l'exécution des prestations de l'entreprise est soumise à une condition dont la réalisation dépend de sa seule volonté;
2° conférer à l'entreprise le droit unilatéral d'interpréter une quelconque clause du contrat;
3° en cas de conflit, faire renoncer l'autre partie à tout moyen de recours contre l'entreprise;
4° constater de manière irréfragable la connaissance ou l'adhésion de l'autre partie à des clauses dont elle n'a pas eu, effectivement, l'occasion de prendre connaissance avant la conclusion du contrat.
§ 4. Sont présumées abusives, sauf preuve contraire, les clauses qui ont pour objet de:
1° autoriser l'entreprise à modifier unilatéralement sans raison valable le prix, les caractéristiques ou les conditions du contrat;
2° proroger ou renouveler tacitement un contrat à durée déterminée sans spécification d'un délai raisonnable de résiliation;
3° placer, sans contrepartie, le risque économique sur une partie alors que celui-ci incombe normalement à l'autre entreprise ou à une autre partie au contrat;
4° exclure ou limiter de façon inappropriée les droits légaux d'une partie, en cas de non-exécution totale ou partielle ou d'exécution défectueuse par l'autre entreprise d'une de ses obligations contractuelles;
5° sans préjudice des articles 5.90 à 5.96 du Code civil, engager les parties sans spécification d'un délai raisonnable de résiliation;
6° libérer l'entreprise de sa responsabilité du fait de son dol, de sa faute grave ou de celle de ses préposés ou, sauf en cas de force majeure, du fait de toute inexécution des engagements essentiels qui font l'objet du contrat;
7° limiter les moyens de preuve que l'autre partie peut utiliser;
8° fixer des montants de dommages et intérêts réclamés en cas d'inexécution ou de retard dans l'exécution des obligations de l'autre partie qui dépassent manifestement l'étendue du préjudice susceptible d'être subi par l'entreprise.
§ 5. Toute clause abusive est interdite et nulle. Le contrat reste contraignant pour les parties s'il peut subsister sans les clauses abusives.
§ 6. Les listes reprises dans les paragraphes 3 et 4 peuvent être complétées conformément aux dispositions du livre VI, titre 3/1, du Code de droit économique.]1
§ 1er. Pour l'application du présent titre, toute clause d'un contrat conclu entre entreprises est abusive lorsque, à elle seule ou combinée avec une ou plusieurs autres clauses, elle crée un déséquilibre manifeste entre les droits et obligations des parties. Le caractère abusif d'une clause contractuelle est apprécié en tenant compte de la nature des produits qui font l'objet du contrat et en se référant, au moment de la conclusion du contrat, à toutes les circonstances qui entourent sa conclusion, à l'économie générale du contrat, aux usages commerciaux qui s'appliquent, de même qu'à toutes les autres clauses du contrat, ou d'un autre contrat dont il dépend.
§ 2. Pour l'appréciation du caractère abusif, il est également tenu compte de l'exigence de clarté et de compréhension visée à l'article 3.6.1.1, § 1.
L'appréciation du caractère abusif des clauses ne porte ni sur la définition de l'objet principal du contrat ni sur l'adéquation entre le prix ou la rémunération, d'une part, et les services à fournir en contrepartie, d'autre part, pour autant que ces clauses soient rédigées de façon claire et compréhensible.
§ 3. Sont abusives, les clauses qui ont pour objet de:
1° prévoir un engagement irrévocable de l'autre partie, alors que l'exécution des prestations de l'entreprise est soumise à une condition dont la réalisation dépend de sa seule volonté;
2° conférer à l'entreprise le droit unilatéral d'interpréter une quelconque clause du contrat;
3° en cas de conflit, faire renoncer l'autre partie à tout moyen de recours contre l'entreprise;
4° constater de manière irréfragable la connaissance ou l'adhésion de l'autre partie à des clauses dont elle n'a pas eu, effectivement, l'occasion de prendre connaissance avant la conclusion du contrat.
§ 4. Sont présumées abusives, sauf preuve contraire, les clauses qui ont pour objet de:
1° autoriser l'entreprise à modifier unilatéralement sans raison valable le prix, les caractéristiques ou les conditions du contrat;
2° proroger ou renouveler tacitement un contrat à durée déterminée sans spécification d'un délai raisonnable de résiliation;
3° placer, sans contrepartie, le risque économique sur une partie alors que celui-ci incombe normalement à l'autre entreprise ou à une autre partie au contrat;
4° exclure ou limiter de façon inappropriée les droits légaux d'une partie, en cas de non-exécution totale ou partielle ou d'exécution défectueuse par l'autre entreprise d'une de ses obligations contractuelles;
5° sans préjudice des articles 5.90 à 5.96 du Code civil, engager les parties sans spécification d'un délai raisonnable de résiliation;
6° libérer l'entreprise de sa responsabilité du fait de son dol, de sa faute grave ou de celle de ses préposés ou, sauf en cas de force majeure, du fait de toute inexécution des engagements essentiels qui font l'objet du contrat;
7° limiter les moyens de preuve que l'autre partie peut utiliser;
8° fixer des montants de dommages et intérêts réclamés en cas d'inexécution ou de retard dans l'exécution des obligations de l'autre partie qui dépassent manifestement l'étendue du préjudice susceptible d'être subi par l'entreprise.
§ 5. Toute clause abusive est interdite et nulle. Le contrat reste contraignant pour les parties s'il peut subsister sans les clauses abusives.
§ 6. Les listes reprises dans les paragraphes 3 et 4 peuvent être complétées conformément aux dispositions du livre VI, titre 3/1, du Code de droit économique.]1
Wijzigingen
Art. 3.6.1.3. [1 Nietige bedingen
Nietig zijn tevens bedingen die in de tussen partijen gesloten overeenkomsten waarvan sprake in deze titel afbreuk doen aan de bepalingen van het CDNI-verdrag en het ADN-verdrag, alsook aan regels van openbare orde of dwingend recht of op straffe van verval voorgeschreven door deze titel, dit boek of andere regelgeving.]1
Nietig zijn tevens bedingen die in de tussen partijen gesloten overeenkomsten waarvan sprake in deze titel afbreuk doen aan de bepalingen van het CDNI-verdrag en het ADN-verdrag, alsook aan regels van openbare orde of dwingend recht of op straffe van verval voorgeschreven door deze titel, dit boek of andere regelgeving.]1
Art. 3.6.1.3. [1 Clauses frappées de nullité
Sont également nulles les clauses des contrats conclus entre les parties et visés au présent titre qui portent atteinte aux dispositions de la Convention CDNI et de l'Accord ADN, ainsi qu'aux dispositions d'ordre public ou de droit impératif ou prescrites sous peine de déchéance par le présent titre, le présent livre ou par toute autre réglementation.]1
Sont également nulles les clauses des contrats conclus entre les parties et visés au présent titre qui portent atteinte aux dispositions de la Convention CDNI et de l'Accord ADN, ainsi qu'aux dispositions d'ordre public ou de droit impératif ou prescrites sous peine de déchéance par le présent titre, le présent livre ou par toute autre réglementation.]1
Wijzigingen
Art. 3.6.1.4. [1 Andere regelgeving
Art. 3.6.1.4. [1 Autre réglementation
Le titre VIII du livre III du Code Civil, les dispositions de location-financement et le livre X, titre 4, du Code de droit économique ne s'appliquent pas aux contrats du présent titre.
Des bateaux de navigation intérieures vendus avec une clause suspendant le transfert de propriété jusqu'au paiement intégral du prix peuvent être revendiqués lorsque l'acheteur reste en défaut de payer le prix d'achat, pour autant que cette clause ait été établie par écrit au plus tard au moment de la délivrance des biens.]1
Le titre VIII du livre III du Code Civil, les dispositions de location-financement et le livre X, titre 4, du Code de droit économique ne s'appliquent pas aux contrats du présent titre.
Des bateaux de navigation intérieures vendus avec une clause suspendant le transfert de propriété jusqu'au paiement intégral du prix peuvent être revendiqués lorsque l'acheteur reste en défaut de payer le prix d'achat, pour autant que cette clause ait été établie par écrit au plus tard au moment de la délivrance des biens.]1
Wijzigingen
Titel VIII van Boek III van het Burgerlijk Wetboek, de bepalingen inzake financieringshuur en boek X, titel 4, van het Wetboek van economisch recht zijn niet van toepassing op overeenkomsten in deze titel. Binnenschepen, verkocht met een beding dat de eigendomsoverdracht opschort tot de volledige betaling van de prijs, kunnen worden teruggevorderd wanneer de koper in gebreke blijft de koopprijs te betalen voor zover dit beding schriftelijk is opgesteld uiterlijk op het ogenblik van de levering van de goederen.]1
-
Art. 3.6.1.5. [1 Vervoercommissionair
De vervoercommissionair wordt gelijkgesteld met een vervoerder, wat zijn contractuele verplichtingen en verantwoordelijkheden betreft ten aanzien van zijn opdrachtgever, en met een afzender, wat zijn contractuele verplichtingen en verantwoordelijkheden betreft ten aanzien van de ondervervoerder.
Wie als vervoercommissionair optreedt in een in deze titel geregelde overeenkomst kan niet tegelijk als vervoermakelaar optreden.]1
De vervoercommissionair wordt gelijkgesteld met een vervoerder, wat zijn contractuele verplichtingen en verantwoordelijkheden betreft ten aanzien van zijn opdrachtgever, en met een afzender, wat zijn contractuele verplichtingen en verantwoordelijkheden betreft ten aanzien van de ondervervoerder.
Wie als vervoercommissionair optreedt in een in deze titel geregelde overeenkomst kan niet tegelijk als vervoermakelaar optreden.]1
Art. 3.6.1.5. [1 Commissionnaire de transport
Le commissionnaire de transport est assimilé à un transporteur, en ce qui concerne ses obligations et responsabilités contractuelles envers son donneur d'ordre, et à un expéditeur, en ce qui concerne ses obligations et responsabilités contractuelles envers le transporteur substitué.
Tout qui intervient comme commissionnaire de transport dans un contrat régi par le présent titre ne peut pas intervenir en même temps comme courtier de transport.]1
Le commissionnaire de transport est assimilé à un transporteur, en ce qui concerne ses obligations et responsabilités contractuelles envers son donneur d'ordre, et à un expéditeur, en ce qui concerne ses obligations et responsabilités contractuelles envers le transporteur substitué.
Tout qui intervient comme commissionnaire de transport dans un contrat régi par le présent titre ne peut pas intervenir en même temps comme courtier de transport.]1
Wijzigingen
Art. 3.6.1.6. [1 Vervoermakelaar
§ 1. De vervoermakelaar heeft voor zijn tussenkomst recht op een vergoeding die, indien hieromtrent niets overeengekomen is, gelijk is aan 5 ten honderd van de vracht. Zij mag in geen geval meer dan 10 ten honderd van de vracht te boven gaan, op straffe van verval van alle recht op provisie en verplichting tot terugbetaling van de ontvangen bedragen.
Indien meer dan één makelaar tussenkomt, mag het totaal van de provisies niet meer dan 10 ten honderd van de vracht te boven gaan, op straffe van verval van alle recht op provisie en verplichting tot terugbetaling van de ontvangen bedragen.
§ 2. Behoudens andersluidend beding, is de provisie verschuldigd door het louter sluiten van de overeenkomst tussen de partijen.
§ 3. Het beding dat bepaalt dat de vracht betaalbaar is door of bij de makelaar, laat onverlet het vorderingsrecht van de vervoerder tegen de afzender en de geadresseerde en van de vervrachter tegen de bevrachter.
§ 4. Indien de overeenkomst wordt afgesloten voor rekening van wie het behoort of van wie het zal behoren, is de vervoermakelaar gehouden uiterlijk bij aanvang van de uitvoering van de overeenkomst de naam van de opdrachtgever mede te delen aan de derde-medecontractant.
Het niet meedelen of een verkeerde of laattijdige mededeling laat onverlet dat de overeenkomst gesloten wordt met de opdrachtgever, zoals deze blijkt uit het vervoersdocument.
In dat geval is de vervoermakelaar gehouden tot vergoeding van alle daardoor geleden schade.]1
§ 1. De vervoermakelaar heeft voor zijn tussenkomst recht op een vergoeding die, indien hieromtrent niets overeengekomen is, gelijk is aan 5 ten honderd van de vracht. Zij mag in geen geval meer dan 10 ten honderd van de vracht te boven gaan, op straffe van verval van alle recht op provisie en verplichting tot terugbetaling van de ontvangen bedragen.
Indien meer dan één makelaar tussenkomt, mag het totaal van de provisies niet meer dan 10 ten honderd van de vracht te boven gaan, op straffe van verval van alle recht op provisie en verplichting tot terugbetaling van de ontvangen bedragen.
§ 2. Behoudens andersluidend beding, is de provisie verschuldigd door het louter sluiten van de overeenkomst tussen de partijen.
§ 3. Het beding dat bepaalt dat de vracht betaalbaar is door of bij de makelaar, laat onverlet het vorderingsrecht van de vervoerder tegen de afzender en de geadresseerde en van de vervrachter tegen de bevrachter.
§ 4. Indien de overeenkomst wordt afgesloten voor rekening van wie het behoort of van wie het zal behoren, is de vervoermakelaar gehouden uiterlijk bij aanvang van de uitvoering van de overeenkomst de naam van de opdrachtgever mede te delen aan de derde-medecontractant.
Het niet meedelen of een verkeerde of laattijdige mededeling laat onverlet dat de overeenkomst gesloten wordt met de opdrachtgever, zoals deze blijkt uit het vervoersdocument.
In dat geval is de vervoermakelaar gehouden tot vergoeding van alle daardoor geleden schade.]1
Art. 3.6.1.6. [1 Courtier de transport
§ 1er. Le courtier de transport a droit pour son intervention à une rémunération qui, à défaut de stipulation, sera équivalente à 5 pour cent du fret. Elle ne peut en aucun cas excéder 10 pour cent du fret, sous peine de déchéance de tout droit à commission et sous peine de l'obligation de restituer les sommes reçues.
Si plus d'un courtier intervient, le total des commissions ne peut excéder 10 pour cent du fret, sous peine de déchéance de tout droit à commission et sous peine de l'obligation de restituer les sommes reçues.
§ 2. Sauf stipulation contraire, la commission est due par la simple conclusion du contrat entre les parties.
§ 3. La clause stipulant que le fret est payable par ou auprès du courtier n'affecte pas le droit d'action du transporteur contre l'expéditeur et le destinataire et du fréteur contre l'affréteur.
§ 4. Si le contrat est conclu pour le compte de qui il appartient ou appartiendra, le courtier de transport est tenu de communiquer le nom de son donneur d'ordre au tiers cocontractant, au plus tard au début de l'exécution du contrat.
Une non-communication, une communication fautive ou une communication tardive ne change rien au fait que le contrat est conclu avec le donneur d'ordre, tel que mentionné dans le document de transport.
Dans ce cas le courtier de transport est responsable de tout dommage en résultant.]1
§ 1er. Le courtier de transport a droit pour son intervention à une rémunération qui, à défaut de stipulation, sera équivalente à 5 pour cent du fret. Elle ne peut en aucun cas excéder 10 pour cent du fret, sous peine de déchéance de tout droit à commission et sous peine de l'obligation de restituer les sommes reçues.
Si plus d'un courtier intervient, le total des commissions ne peut excéder 10 pour cent du fret, sous peine de déchéance de tout droit à commission et sous peine de l'obligation de restituer les sommes reçues.
§ 2. Sauf stipulation contraire, la commission est due par la simple conclusion du contrat entre les parties.
§ 3. La clause stipulant que le fret est payable par ou auprès du courtier n'affecte pas le droit d'action du transporteur contre l'expéditeur et le destinataire et du fréteur contre l'affréteur.
§ 4. Si le contrat est conclu pour le compte de qui il appartient ou appartiendra, le courtier de transport est tenu de communiquer le nom de son donneur d'ordre au tiers cocontractant, au plus tard au début de l'exécution du contrat.
Une non-communication, une communication fautive ou une communication tardive ne change rien au fait que le contrat est conclu avec le donneur d'ordre, tel que mentionné dans le document de transport.
Dans ce cas le courtier de transport est responsable de tout dommage en résultant.]1
Wijzigingen
Art. 3.6.1.7. [1 Vracht
Voor de toepassing van deze titel wordt onder "vracht" verstaan: de tussen partijen overeengekomen prijs, onverschillig de benaming ervan en de wijze van berekening.]1
Voor de toepassing van deze titel wordt onder "vracht" verstaan: de tussen partijen overeengekomen prijs, onverschillig de benaming ervan en de wijze van berekening.]1
Art. 3.6.1.7. [1 Fret
Pour l'application du présent titre, on entend par "fret" le prix convenu entre les parties, quels que soient sa dénomination et son mode de calcul.]1
Pour l'application du présent titre, on entend par "fret" le prix convenu entre les parties, quels que soient sa dénomination et son mode de calcul.]1
Wijzigingen
Art.3.6.1.8. [1 Averij-grosse
§ 1. De berekening van de schade en van de verplichte bijdrage van averij-grosse met betrekking tot de in deze afdeling geregelde overeenkomsten geschiedt overeenkomstig de bepalingen van titel 7, hoofdstuk 1.
§ 2. De bepalingen van hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 5, zijn daarbij van toepassing op de verhaalvordering van de ladingbelanghebbenden.
De bijdrage in averij-grosse alsook hulploon wordt aangemerkt als een waardevermindering van die zaak.
Nietig is elk beding dat van de bepaling van het eerste lid afwijkt.]1
§ 1. De berekening van de schade en van de verplichte bijdrage van averij-grosse met betrekking tot de in deze afdeling geregelde overeenkomsten geschiedt overeenkomstig de bepalingen van titel 7, hoofdstuk 1.
§ 2. De bepalingen van hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 5, zijn daarbij van toepassing op de verhaalvordering van de ladingbelanghebbenden.
De bijdrage in averij-grosse alsook hulploon wordt aangemerkt als een waardevermindering van die zaak.
Nietig is elk beding dat van de bepaling van het eerste lid afwijkt.]1
Art.3.6.1.8. [1 Avarie commune
§ 1er. Les dommages et la contribution obligatoire en avarie commune pour les contrats régis dans la présente section sont calculés conformément aux dispositions du titre 7, chapitre 1er.
§ 2. Les dispositions du chapitre 3, section 1re, sous-section 5, s'appliquent à l'action en recours des intéressés à la cargaison.
La contribution en avarie commune ainsi que la rémunération pour assistance sont considérées comme une réduction de la valeur de cette chose.
Toute clause qui déroge à la disposition de l'alinéa 1er est nulle.]1
§ 1er. Les dommages et la contribution obligatoire en avarie commune pour les contrats régis dans la présente section sont calculés conformément aux dispositions du titre 7, chapitre 1er.
§ 2. Les dispositions du chapitre 3, section 1re, sous-section 5, s'appliquent à l'action en recours des intéressés à la cargaison.
La contribution en avarie commune ainsi que la rémunération pour assistance sont considérées comme une réduction de la valeur de cette chose.
Toute clause qui déroge à la disposition de l'alinéa 1er est nulle.]1
Art.3.6.1.9. [1 Instructies en delegatie van bevoegdheid
In alle gevallen waarin deze titel, de daaronder vallende overeenkomsten of de uitvoering ervan voorzien in of noodzaken tot instructies, schriftelijke kennisgeving, verstrekking van informatie of overlegging, ondertekening en clausulering van documenten door de ene partij aan de andere partij, kunnen deze namens de vervrachter, vervoerder of opdrachtnemer rechtsgeldig geschieden door of aan de schipper of degene die vanop afstand instaat voor de navigatie. Eén en ander geldt niet als uitoefening van werkgeversgezag of terbeschikkingstelling van personeel.]1
In alle gevallen waarin deze titel, de daaronder vallende overeenkomsten of de uitvoering ervan voorzien in of noodzaken tot instructies, schriftelijke kennisgeving, verstrekking van informatie of overlegging, ondertekening en clausulering van documenten door de ene partij aan de andere partij, kunnen deze namens de vervrachter, vervoerder of opdrachtnemer rechtsgeldig geschieden door of aan de schipper of degene die vanop afstand instaat voor de navigatie. Eén en ander geldt niet als uitoefening van werkgeversgezag of terbeschikkingstelling van personeel.]1
Art.3.6.1.9. [1 Instructions et délégation de compétence
Dans tous les cas où le présent titre, les contrats qui y sont régis ou leur exécution prévoient ou nécessitent des instructions, une notification écrite, la fourniture d'informations, ou la remise et la signature de documents et la stipulation de clauses dans de tels documents par une partie à l'autre, ces actes peuvent être valablement réalisés au nom du fréteur, du transporteur ou du donneur d'ordre par ou au conducteur ou la personne responsable à distance de la navigation. Ces actes ne constituent pas un exercice de l'autorité patronale ni une mise à disposition de personnel.]1
Dans tous les cas où le présent titre, les contrats qui y sont régis ou leur exécution prévoient ou nécessitent des instructions, une notification écrite, la fourniture d'informations, ou la remise et la signature de documents et la stipulation de clauses dans de tels documents par une partie à l'autre, ces actes peuvent être valablement réalisés au nom du fréteur, du transporteur ou du donneur d'ordre par ou au conducteur ou la personne responsable à distance de la navigation. Ces actes ne constituent pas un exercice de l'autorité patronale ni une mise à disposition de personnel.]1
Art.3.6.1.10. [1 Bevrachting en prijsvorming
§ 1. Op het gebied van het nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren worden door de betrokken partijen vrij overeenkomsten gesloten en wordt vrij over de prijzen onderhandeld, en wordt het eigen vervoer vrij verricht.
Onder "eigen vervoer" wordt verstaan: het vervoer van goederen dat door een onderneming wordt verricht voor haar eigen behoeften en waarbij:
1° de onderneming eigenaar is van het binnenschip of er de uitsluitende beschikking over heeft verworven;
2° het binnenschip bemand is met personeel van de onderneming;
3° het vervoer slechts een bijkomstige activiteit van de onderneming is;
4° de vervoerde goederen aan de onderneming toebehoren of door haar gekocht, verkocht, geproduceerd of bewerkt werden in het kader van haar hoofdactiviteit.
§ 2. Het is verboden in hoofde van één of meer ondernemingen misbruik te maken van een positie van economische afhankelijkheid waarin één of meerdere ondernemingen zich bevinden waardoor de mededinging kan worden aangetast op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel daarvan. Er kan sprake zijn van misbruik bij: het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke tarieven of van andere onbillijke contractuele voorwaarden.
Onder "positie van economische afhankelijkheid" wordt verstaan: de positie van onderworpenheid van een onderneming ten aanzien van één of meerdere andere ondernemingen gekenmerkt door de afwezigheid van een redelijk equivalent alternatief dat beschikbaar is binnen een redelijke termijn, en onder redelijke voorwaarden en kosten, wat die onderneming of elk van die ondernemingen toelaat om prestaties of voorwaarden op te leggen die niet kunnen verkregen worden in normale marktomstandigheden.
Eenieder die het verbod bedoeld in het eerste lid overtreedt, is gehouden tot voldoening van de tijdens het gebruik van het binnenschip ontstane en onbetaald gebleven kosten welke voortvloeien uit wettelijke en reglementaire verplichtingen van sociale en fiscale aard.
§ 3. Het is eenieder eveneens verboden een binnenschip met het oog op het vervoer en/of de opslag van goederen te gebruiken of te laten gebruiken zonder dat het verzekerd is tegen alle risico's van de vaart en voldoet aan alle wettelijke voorwaarden.
Deze bepaling is tevens van toepassing op elke verrichting van meenemen.]1
§ 1. Op het gebied van het nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren worden door de betrokken partijen vrij overeenkomsten gesloten en wordt vrij over de prijzen onderhandeld, en wordt het eigen vervoer vrij verricht.
Onder "eigen vervoer" wordt verstaan: het vervoer van goederen dat door een onderneming wordt verricht voor haar eigen behoeften en waarbij:
1° de onderneming eigenaar is van het binnenschip of er de uitsluitende beschikking over heeft verworven;
2° het binnenschip bemand is met personeel van de onderneming;
3° het vervoer slechts een bijkomstige activiteit van de onderneming is;
4° de vervoerde goederen aan de onderneming toebehoren of door haar gekocht, verkocht, geproduceerd of bewerkt werden in het kader van haar hoofdactiviteit.
§ 2. Het is verboden in hoofde van één of meer ondernemingen misbruik te maken van een positie van economische afhankelijkheid waarin één of meerdere ondernemingen zich bevinden waardoor de mededinging kan worden aangetast op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel daarvan. Er kan sprake zijn van misbruik bij: het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke tarieven of van andere onbillijke contractuele voorwaarden.
Onder "positie van economische afhankelijkheid" wordt verstaan: de positie van onderworpenheid van een onderneming ten aanzien van één of meerdere andere ondernemingen gekenmerkt door de afwezigheid van een redelijk equivalent alternatief dat beschikbaar is binnen een redelijke termijn, en onder redelijke voorwaarden en kosten, wat die onderneming of elk van die ondernemingen toelaat om prestaties of voorwaarden op te leggen die niet kunnen verkregen worden in normale marktomstandigheden.
Eenieder die het verbod bedoeld in het eerste lid overtreedt, is gehouden tot voldoening van de tijdens het gebruik van het binnenschip ontstane en onbetaald gebleven kosten welke voortvloeien uit wettelijke en reglementaire verplichtingen van sociale en fiscale aard.
§ 3. Het is eenieder eveneens verboden een binnenschip met het oog op het vervoer en/of de opslag van goederen te gebruiken of te laten gebruiken zonder dat het verzekerd is tegen alle risico's van de vaart en voldoet aan alle wettelijke voorwaarden.
Deze bepaling is tevens van toepassing op elke verrichting van meenemen.]1
Art.3.6.1.10. [1 Affrètement et formation des prix
§ 1er. Dans le domaine des transports nationaux et internationaux de marchandises par voie navigable, les contrats sont librement conclus entre les parties concernées et les prix librement négociés et le transport pour compte propre est librement effectué.
Par "transport pour compte propre", l'on entend le transport de marchandises effectué par une entreprise pour assurer ses besoins propres lorsque:
1° l'entreprise est propriétaire du bateau de navigation intérieure ou en a acquis la disposition exclusive;
2° le bateau de navigation intérieure est armé avec du personnel de l'entreprise;
3° le transport ne constitue qu'une activité accessoire de l'entreprise;
4° les marchandises transportées appartiennent à l'entreprise ou sont achetées, vendues, produites ou manufacturées par elle dans le cadre de son activité principale.
§ 2. Est interdit pour une ou plusieurs entreprises d'exploiter de façon abusive une position de dépendance économique dans laquelle se trouvent une ou plusieurs entreprises à son ou à leur égard, des lors que la concurrence est susceptible d'en être affectée sur le marché belge concerné ou une partie substantielle de celui-ci. Peut être considérée comme une pratique abusive: l'imposition de façon directe ou indirecte de tarifs ou d'autres conditions de transaction non équitables.
On entend par "position de dépendance économique", la position de sujétion d'une entreprise à l'égard d'une ou plusieurs autres entreprises caractérisée par l'absence d'alternative raisonnablement équivalente et disponible dans un délai, à des conditions et à des coûts raisonnables, permettant à celle-ci ou à chacune de celles-ci d'imposer des prestations ou des conditions qui ne pourraient pas être obtenues dans des circonstances normales de marché.
Quiconque enfreint l'interdiction visée à l'alinéa 1er est tenu de l'acquittement des coûts survenus et restés impayés résultant des obligations légales et règlementaires de nature sociale et fiscale pendant l'utilisation du bateau de navigation intérieure.
§ 3. Il est également interdit à quiconque d'utiliser ou de faire utiliser un bateau de navigation intérieure en vue du transport et/ou de l'entreposage de marchandises sans qu'il soit assuré contre tous les risques de la navigation et qu'il remplisse toutes les prescriptions légales.
Cette disposition s'applique également à toute opération d'emport.]1
§ 1er. Dans le domaine des transports nationaux et internationaux de marchandises par voie navigable, les contrats sont librement conclus entre les parties concernées et les prix librement négociés et le transport pour compte propre est librement effectué.
Par "transport pour compte propre", l'on entend le transport de marchandises effectué par une entreprise pour assurer ses besoins propres lorsque:
1° l'entreprise est propriétaire du bateau de navigation intérieure ou en a acquis la disposition exclusive;
2° le bateau de navigation intérieure est armé avec du personnel de l'entreprise;
3° le transport ne constitue qu'une activité accessoire de l'entreprise;
4° les marchandises transportées appartiennent à l'entreprise ou sont achetées, vendues, produites ou manufacturées par elle dans le cadre de son activité principale.
§ 2. Est interdit pour une ou plusieurs entreprises d'exploiter de façon abusive une position de dépendance économique dans laquelle se trouvent une ou plusieurs entreprises à son ou à leur égard, des lors que la concurrence est susceptible d'en être affectée sur le marché belge concerné ou une partie substantielle de celui-ci. Peut être considérée comme une pratique abusive: l'imposition de façon directe ou indirecte de tarifs ou d'autres conditions de transaction non équitables.
On entend par "position de dépendance économique", la position de sujétion d'une entreprise à l'égard d'une ou plusieurs autres entreprises caractérisée par l'absence d'alternative raisonnablement équivalente et disponible dans un délai, à des conditions et à des coûts raisonnables, permettant à celle-ci ou à chacune de celles-ci d'imposer des prestations ou des conditions qui ne pourraient pas être obtenues dans des circonstances normales de marché.
Quiconque enfreint l'interdiction visée à l'alinéa 1er est tenu de l'acquittement des coûts survenus et restés impayés résultant des obligations légales et règlementaires de nature sociale et fiscale pendant l'utilisation du bateau de navigation intérieure.
§ 3. Il est également interdit à quiconque d'utiliser ou de faire utiliser un bateau de navigation intérieure en vue du transport et/ou de l'entreposage de marchandises sans qu'il soit assuré contre tous les risques de la navigation et qu'il remplisse toutes les prescriptions légales.
Cette disposition s'applique également à toute opération d'emport.]1
HOOFDSTUK 2. [1 - Bevrachtingsovereenkomsten]1
CHAPITRE 2. [1 - Contrats d'affrètement]1
Afdeling 1. [1 - Rompbevrachting en scheepshuurkoop]1
Section 1re. [1 - Affrètement coque nue et location-vente de navires]1
Art.3.6.2.1. [1 Materiële toepassing
Onder voorbehoud van de artikelen 3.6.1.2 en 3.6.1.3 en van andere dwingende wettelijke en reglementaire bepalingen kunnen partijen contractueel anders bepalen dan voorzien in deze afdeling.
Zodra de overeenkomst van scheepshuurkoop is ingeschreven in het scheepsregister waar het binnenschip is teboekgesteld, kan een faillissement, gerechtelijk concordaat, staking van betaling of kennelijk onvermogen of ander gevallen van insolventie van de scheepshuurverkoper of een pand, beslag of retentie op het binnenschip ten laste van deze laatste, niet tegen de scheepshuurkoper worden ingeroepen tenzij het feit dat aan de grond ligt van een pand, beslag of retentie op het binnenschip aan de huurkoper toe te rekenen is.]1
Onder voorbehoud van de artikelen 3.6.1.2 en 3.6.1.3 en van andere dwingende wettelijke en reglementaire bepalingen kunnen partijen contractueel anders bepalen dan voorzien in deze afdeling.
Zodra de overeenkomst van scheepshuurkoop is ingeschreven in het scheepsregister waar het binnenschip is teboekgesteld, kan een faillissement, gerechtelijk concordaat, staking van betaling of kennelijk onvermogen of ander gevallen van insolventie van de scheepshuurverkoper of een pand, beslag of retentie op het binnenschip ten laste van deze laatste, niet tegen de scheepshuurkoper worden ingeroepen tenzij het feit dat aan de grond ligt van een pand, beslag of retentie op het binnenschip aan de huurkoper toe te rekenen is.]1
Art.3.6.2.1. [1 Application matérielle
Sous réserve des articles 3.6.1.2 et 3.6.1.3 et d'autres dispositions législatives et réglementaires contraignantes, les parties peuvent décider autrement contractuellement que prévu dans la présente section.
Une fois le contrat de location-vente de navires inscrit au registre naval où le bateau de navigation intérieure est immatriculé, la faillite, le concordat judiciaire, la cessation de paiement ou l'insolvabilité apparente ou autres cas d'insolvabilité du vendeur en location-vente du navire ou un gage, une saisie ou un privilège sur le bateau de navigation intérieure aux dépens de ce dernier ne peuvent être opposés à l'acquéreur en location-vente du navire, à moins que le fait donnant lieu à un gage, une saisie ou un privilège sur le bateau de navigation intérieure ne soit imputable à l'acheteur-locataire du navire.]1
Sous réserve des articles 3.6.1.2 et 3.6.1.3 et d'autres dispositions législatives et réglementaires contraignantes, les parties peuvent décider autrement contractuellement que prévu dans la présente section.
Une fois le contrat de location-vente de navires inscrit au registre naval où le bateau de navigation intérieure est immatriculé, la faillite, le concordat judiciaire, la cessation de paiement ou l'insolvabilité apparente ou autres cas d'insolvabilité du vendeur en location-vente du navire ou un gage, une saisie ou un privilège sur le bateau de navigation intérieure aux dépens de ce dernier ne peuvent être opposés à l'acquéreur en location-vente du navire, à moins que le fait donnant lieu à un gage, une saisie ou un privilège sur le bateau de navigation intérieure ne soit imputable à l'acheteur-locataire du navire.]1
Onderafdeling 1. [1 - Rompbevrachting]1
Sous-section 1re. [1 - Affrètement coque nue]1
Art.3.6.2.2. [1 Vermeldingen
§ 1. De rompbevrachtingsovereenkomst vermeldt:
1° de naam en de woonplaats of de zetel van de vervrachter en de bevrachter;
2° de volgende gegevens betreffende het binnenschip: naam, uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI), nummer teboekstelling, type, tonnenmaat en afmetingen, bouwplaats, bouwjaar, Uniebinnenvaartcertificaat of certificaat van onderzoek, gevestigde scheepshypotheken en verdere bijzonderheden;
3° de haven of plaats, en het vroegste en het laatste tijdstip voor levering en teruggave;
4° desgevallend, het toegelaten vaargebied;
5° de duur van de bevrachting;
6° de huurprijs;
7° de plaats en het tijdstip van ondertekening.
§ 2. Het ontbreken van één of meer in dit lid bedoelde gegevens tast de geldigheid van de overeenkomst niet aan.]1
§ 1. De rompbevrachtingsovereenkomst vermeldt:
1° de naam en de woonplaats of de zetel van de vervrachter en de bevrachter;
2° de volgende gegevens betreffende het binnenschip: naam, uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI), nummer teboekstelling, type, tonnenmaat en afmetingen, bouwplaats, bouwjaar, Uniebinnenvaartcertificaat of certificaat van onderzoek, gevestigde scheepshypotheken en verdere bijzonderheden;
3° de haven of plaats, en het vroegste en het laatste tijdstip voor levering en teruggave;
4° desgevallend, het toegelaten vaargebied;
5° de duur van de bevrachting;
6° de huurprijs;
7° de plaats en het tijdstip van ondertekening.
§ 2. Het ontbreken van één of meer in dit lid bedoelde gegevens tast de geldigheid van de overeenkomst niet aan.]1
Art.3.6.2.2. [1 Mentions
§ 1er. Le contrat d'affrètement coque nue mentionne:
1° les nom et domicile ou le siège du fréteur et de l'affréteur;
2° les données suivantes concernant le bateau de navigation intérieure: nom, numéro européen unique d'identification des bateaux (ENI), numéro d'immatriculation, type, tonnage et dimensions, lieu de construction, année de construction, certificat de l'Union pour bateaux de navigation intérieure ou certificat de visite, hypothèques sur navires constituées et d'autres particularités;
3° le port ou le lieu, et la première et la dernière heure possibles pour la livraison et la restitution;
4° le cas échéant, la zone de navigation autorisée;
5° la durée de l'affrètement;
6° le loyer;
7° le lieu et la date de signature.
§ 2. L'absence d'une ou de plusieurs des données visées au présent alinéa n'affecte pas la validité du contrat.]1
§ 1er. Le contrat d'affrètement coque nue mentionne:
1° les nom et domicile ou le siège du fréteur et de l'affréteur;
2° les données suivantes concernant le bateau de navigation intérieure: nom, numéro européen unique d'identification des bateaux (ENI), numéro d'immatriculation, type, tonnage et dimensions, lieu de construction, année de construction, certificat de l'Union pour bateaux de navigation intérieure ou certificat de visite, hypothèques sur navires constituées et d'autres particularités;
3° le port ou le lieu, et la première et la dernière heure possibles pour la livraison et la restitution;
4° le cas échéant, la zone de navigation autorisée;
5° la durée de l'affrètement;
6° le loyer;
7° le lieu et la date de signature.
§ 2. L'absence d'une ou de plusieurs des données visées au présent alinéa n'affecte pas la validité du contrat.]1
Art.3.6.2.3. [1 Levering
De vervrachter moet behoorlijke zorg aanwenden om het binnenschip bij levering vaarwaardig te maken, en om de romp en het scheepstoebehoren klaar voor de dienst te maken.
De vervrachter moet het binnenschip leveren, en de bevrachter moet het overnemen in de overeengekomen haven of plaats, op een veilige ligplaats die desgevallend door de bevrachter wordt aangeduid.
De vervrachter moet ervoor zorgen dat het binnenschip beschikt over de nodige scheepsdocumenten.]1
De vervrachter moet behoorlijke zorg aanwenden om het binnenschip bij levering vaarwaardig te maken, en om de romp en het scheepstoebehoren klaar voor de dienst te maken.
De vervrachter moet het binnenschip leveren, en de bevrachter moet het overnemen in de overeengekomen haven of plaats, op een veilige ligplaats die desgevallend door de bevrachter wordt aangeduid.
De vervrachter moet ervoor zorgen dat het binnenschip beschikt over de nodige scheepsdocumenten.]1
Art.3.6.2.3. [1 Livraison
Le fréteur doit apporter la diligence raisonnable afin que le bateau de navigation intérieure soit en état de navigabilité lors de la livraison et afin de rendre la coque et les accessoires du bateau prêts pour le service.
Le fréteur doit livrer le bateau de navigation intérieure et l'affréteur doit le reprendre dans le port ou à l'endroit convenu, sur un poste d'amarrage sûr, indiqué le cas échéant par l'affréteur.
Le fréteur doit veiller à ce que le bateau de navigation intérieure dispose des documents de navigation nécessaires.]1
Le fréteur doit apporter la diligence raisonnable afin que le bateau de navigation intérieure soit en état de navigabilité lors de la livraison et afin de rendre la coque et les accessoires du bateau prêts pour le service.
Le fréteur doit livrer le bateau de navigation intérieure et l'affréteur doit le reprendre dans le port ou à l'endroit convenu, sur un poste d'amarrage sûr, indiqué le cas échéant par l'affréteur.
Le fréteur doit veiller à ce que le bateau de navigation intérieure dispose des documents de navigation nécessaires.]1
Art.3.6.2.4. [1 Teruggave
De bevrachter moet het binnenschip teruggeven in de overeengekomen haven of plaats, op een veilige ligplaats die desgevallend door de vervrachter wordt aangeduid.
De bevrachter moet de vervrachter van het verwachte tijdstip van teruggave op de hoogte brengen.]1
De bevrachter moet het binnenschip teruggeven in de overeengekomen haven of plaats, op een veilige ligplaats die desgevallend door de vervrachter wordt aangeduid.
De bevrachter moet de vervrachter van het verwachte tijdstip van teruggave op de hoogte brengen.]1
Art.3.6.2.4. [1 Restitution
L'affréteur doit restituer le bateau de navigation intérieure dans le port ou à l'endroit convenu, à un poste d'amarrage sûr indiqué le cas échéant par le fréteur.
L'affréteur doit informer le fréteur du moment prévu pour la restitution.]1
L'affréteur doit restituer le bateau de navigation intérieure dans le port ou à l'endroit convenu, à un poste d'amarrage sûr indiqué le cas échéant par le fréteur.
L'affréteur doit informer le fréteur du moment prévu pour la restitution.]1
Art.3.6.2.5. [1 Onderzoek bij levering en teruggave
De staat van het binnenschip bij levering en teruggave wordt vastgesteld door een deskundige, gezamenlijk aangeduid door de vervrachter en de bevrachter.
De kosten van de onderzoeken worden gedragen door de vervrachter en de bevrachter, elk voor de helft.]1
De staat van het binnenschip bij levering en teruggave wordt vastgesteld door een deskundige, gezamenlijk aangeduid door de vervrachter en de bevrachter.
De kosten van de onderzoeken worden gedragen door de vervrachter en de bevrachter, elk voor de helft.]1
Art.3.6.2.5. [1 Examen lors de la livraison et de la restitution
L'état du bateau de navigation intérieure lors de la livraison et de la restitution est constaté par un expert, désigné conjointement par le fréteur et l'affréteur.
Les coûts des examens sont supportés par le fréteur et l'affréteur, chacun pour moitié.]1
L'état du bateau de navigation intérieure lors de la livraison et de la restitution est constaté par un expert, désigné conjointement par le fréteur et l'affréteur.
Les coûts des examens sont supportés par le fréteur et l'affréteur, chacun pour moitié.]1
Art.3.6.2.6. [1 Onderhoud en uitbating
§ 1. Tijdens de duur van de overeenkomst is het binnenschip in het volle bezit van de bevrachter, staat het volstrekt en voor alle doeleinden te zijner beschikking en staat het in alle opzichten onder zijn volledig toezicht.
De bevrachter moet het binnenschip en het scheepstoebehoren onderhouden in een goede staat, in een doelmatige gebruikstoestand en overeenkomstig goede onderhoudspraktijk. Hij moet de klasse van het binnenschip in stand houden en ervoor zorgen dat alle nodige certificaten geldig blijven.
§ 2. De bevrachter moet het binnenschip op eigen kosten en risico uitbaten.
De bevrachter staat in voor alle lasten, van welke aard ook, die in verband staan met het gebruik en de uitbating.
De bemanning is voor alle doeleinden aangestelde van de bevrachter, zelfs wanneer deze werden aangeduid door de vervrachter.
De bevrachter staat in voor de naleving van de wettelijke bepalingen inzake de bemanning.
§ 3. De bevrachter houdt de vervrachter redelijkerwijze op de hoogte van het voorgenomen gebruik, droogzetting en belangrijke herstellingen.
Belangrijke herstellingen gebeuren in overleg met de vervrachter.
§ 4. De bevrachter mag het binnenschip op zijn kosten schilderen in diens kleuren, er zijn herkenningstekens op aanbrengen en diens eigen vlag voeren.
§ 5. Zonder instemming van de vervrachter mag de bevrachter aan het binnenschip en het scheepstoebehoren geen structurele veranderingen aanbrengen. De vervrachter mag opleggen dat deze wijzigingen bij teruggave ongedaan zijn gemaakt.
§ 6. De bevrachter mag gebruik maken van alle scheepstoebehoren, met dien verstande dat versleten of beschadigde zaken vervangen of hersteld moeten worden
.]1
§ 1. Tijdens de duur van de overeenkomst is het binnenschip in het volle bezit van de bevrachter, staat het volstrekt en voor alle doeleinden te zijner beschikking en staat het in alle opzichten onder zijn volledig toezicht.
De bevrachter moet het binnenschip en het scheepstoebehoren onderhouden in een goede staat, in een doelmatige gebruikstoestand en overeenkomstig goede onderhoudspraktijk. Hij moet de klasse van het binnenschip in stand houden en ervoor zorgen dat alle nodige certificaten geldig blijven.
§ 2. De bevrachter moet het binnenschip op eigen kosten en risico uitbaten.
De bevrachter staat in voor alle lasten, van welke aard ook, die in verband staan met het gebruik en de uitbating.
De bemanning is voor alle doeleinden aangestelde van de bevrachter, zelfs wanneer deze werden aangeduid door de vervrachter.
De bevrachter staat in voor de naleving van de wettelijke bepalingen inzake de bemanning.
§ 3. De bevrachter houdt de vervrachter redelijkerwijze op de hoogte van het voorgenomen gebruik, droogzetting en belangrijke herstellingen.
Belangrijke herstellingen gebeuren in overleg met de vervrachter.
§ 4. De bevrachter mag het binnenschip op zijn kosten schilderen in diens kleuren, er zijn herkenningstekens op aanbrengen en diens eigen vlag voeren.
§ 5. Zonder instemming van de vervrachter mag de bevrachter aan het binnenschip en het scheepstoebehoren geen structurele veranderingen aanbrengen. De vervrachter mag opleggen dat deze wijzigingen bij teruggave ongedaan zijn gemaakt.
§ 6. De bevrachter mag gebruik maken van alle scheepstoebehoren, met dien verstande dat versleten of beschadigde zaken vervangen of hersteld moeten worden
.]1
Art.3.6.2.6. [1 Entretien et exploitation
§ 1er. Pendant la durée du contrat, le bateau de navigation intérieure est en pleine possession de l'affréteur et il est, entièrement et à toutes fins, à sa disposition et sous son entière surveillance à tous les égards.
L'affréteur doit entretenir le bateau de navigation intérieure et les accessoires du bateau dans un bon état, dans un état d'utilisation convenable et conformément à de bonnes pratiques d'entretien. Il doit maintenir la classe du bateau de navigation intérieure et veiller à ce que tous les certificats nécessaires restent valables.
§ 2. L'affréteur doit exploiter le bateau de navigation intérieure à ses propres frais et à ses propres risques.
L'affréteur assume toutes les charges, de quelque nature que ce soit, ayant trait à l'utilisation et à l'exploitation.
Les membres d'équipage sont, à toutes fins, des préposés de l'affréteur, même lorsqu'ils ont été désignés par le fréteur.
L'affréteur assure le respect des dispositions légales relatives à l'équipage.
§ 3. L'affréteur informe raisonnablement le fréteur de l'utilisation envisagée, de la mise en cale sèche et de réparations importantes.
Les réparations importantes sont réalisées en concertation avec le fréteur.
§ 4. L'affréteur peut, à ses frais, peindre le bateau de navigation intérieure dans ses couleurs, y appliquer ses signes distinctifs et battre son propre pavillon.
§ 5. Sans autorisation du fréteur, l'affréteur ne peut pas apporter de modifications structurelles au bateau de navigation intérieure et à ses accessoires. Le fréteur peut imposer que ces modifications soient retirées lors de la restitution.
§ 6. L'affréteur peut utiliser tous les accessoires du bateau, étant entendu que les éléments usés ou endommagés doivent être remplacés ou réparés.]1
§ 1er. Pendant la durée du contrat, le bateau de navigation intérieure est en pleine possession de l'affréteur et il est, entièrement et à toutes fins, à sa disposition et sous son entière surveillance à tous les égards.
L'affréteur doit entretenir le bateau de navigation intérieure et les accessoires du bateau dans un bon état, dans un état d'utilisation convenable et conformément à de bonnes pratiques d'entretien. Il doit maintenir la classe du bateau de navigation intérieure et veiller à ce que tous les certificats nécessaires restent valables.
§ 2. L'affréteur doit exploiter le bateau de navigation intérieure à ses propres frais et à ses propres risques.
L'affréteur assume toutes les charges, de quelque nature que ce soit, ayant trait à l'utilisation et à l'exploitation.
Les membres d'équipage sont, à toutes fins, des préposés de l'affréteur, même lorsqu'ils ont été désignés par le fréteur.
L'affréteur assure le respect des dispositions légales relatives à l'équipage.
§ 3. L'affréteur informe raisonnablement le fréteur de l'utilisation envisagée, de la mise en cale sèche et de réparations importantes.
Les réparations importantes sont réalisées en concertation avec le fréteur.
§ 4. L'affréteur peut, à ses frais, peindre le bateau de navigation intérieure dans ses couleurs, y appliquer ses signes distinctifs et battre son propre pavillon.
§ 5. Sans autorisation du fréteur, l'affréteur ne peut pas apporter de modifications structurelles au bateau de navigation intérieure et à ses accessoires. Le fréteur peut imposer que ces modifications soient retirées lors de la restitution.
§ 6. L'affréteur peut utiliser tous les accessoires du bateau, étant entendu que les éléments usés ou endommagés doivent être remplacés ou réparés.]1
Art.3.6.2.7. [1 Verzekering
De bevrachter moet het binnenschip op zijn kosten verzekerd houden tegen risico's in verband met casco en machines, oorlog, aansprakelijkheden met betrekking tot bemanning, lading, verontreiniging en schade aan derden, alsmede tegen verplicht te verzekeren risico's.
De verzekeringen moeten zowel de bevrachter, de vervrachter als, in voorkomend geval, de hypotheekhouder begunstigen.
De vervrachter en de bevrachter moeten elkaar alle in het raam van de verzekering vereiste inlichtingen en stukken verschaffen.]1
De bevrachter moet het binnenschip op zijn kosten verzekerd houden tegen risico's in verband met casco en machines, oorlog, aansprakelijkheden met betrekking tot bemanning, lading, verontreiniging en schade aan derden, alsmede tegen verplicht te verzekeren risico's.
De verzekeringen moeten zowel de bevrachter, de vervrachter als, in voorkomend geval, de hypotheekhouder begunstigen.
De vervrachter en de bevrachter moeten elkaar alle in het raam van de verzekering vereiste inlichtingen en stukken verschaffen.]1
Art.3.6.2.7. [1 Assurance
L'affréteur veille à ce que le bateau de navigation intérieure reste assuré, à ses frais, contre des risques en rapport avec la coque et les machines, la guerre, les responsabilités relatives à l'équipage, la cargaison, la pollution et des dommages occasionnés à des tiers ainsi que contre les risques à assurer obligatoirement.
Les assurances doivent bénéficier à la fois à l'affréteur, au fréteur et, le cas échéant, au créancier hypothécaire.
Le fréteur et l'affréteur doivent se fournir mutuellement tous les renseignements et pièces exigés dans le cadre de l'assurance.]1
L'affréteur veille à ce que le bateau de navigation intérieure reste assuré, à ses frais, contre des risques en rapport avec la coque et les machines, la guerre, les responsabilités relatives à l'équipage, la cargaison, la pollution et des dommages occasionnés à des tiers ainsi que contre les risques à assurer obligatoirement.
Les assurances doivent bénéficier à la fois à l'affréteur, au fréteur et, le cas échéant, au créancier hypothécaire.
Le fréteur et l'affréteur doivent se fournir mutuellement tous les renseignements et pièces exigés dans le cadre de l'assurance.]1
Art.3.6.2.8. [1 Zekerheidsrechten
De bevrachter staat ervoor in dat de rechten en de titel op het binnenschip van de vervrachter niet worden bezwaard door zekerheidsrechten.]1
De bevrachter staat ervoor in dat de rechten en de titel op het binnenschip van de vervrachter niet worden bezwaard door zekerheidsrechten.]1
Art.3.6.2.8. [1 Sûretés
L'affréteur doit veiller à ce que les droits et le titre du fréteur sur le bateau de navigation intérieure ne soient pas grevés par des sûretés.]1
L'affréteur doit veiller à ce que les droits et le titre du fréteur sur le bateau de navigation intérieure ne soient pas grevés par des sûretés.]1
Art.3.6.2.9. [1 Vrijwaring en beslag
§ 1. In het geval van beslag, aanhouding of retentie uit hoofde van aanspraken tegen de bevrachter moet deze de vervrachter vergoeden voor alle verlies, schaden en kosten die in verband met de uitbating van het binnenschip ontstaan. In geval van beslag, aanhouding of retentie moet de bevrachter deze binnen een redelijke tijd laten opheffen en daartoe zo nodig een borg of zekerheid stellen.
§ 2. In het geval van beslag, aanhouding of retentie uit hoofde van aanspraken tegen de vervrachter moet de vervrachter dit beslag, aanhouding of retentie binnen een redelijke tijd laten opheffen en daartoe zo nodig een borg of zekerheid stellen. Alsdan moet de vervrachter de bevrachter vergoeden voor alle verlies, schaden en kosten, met inbegrip van betaalde huur, die rechtstreeks uit het beslag, aanhouding of retentie voortvloeien.]1
§ 1. In het geval van beslag, aanhouding of retentie uit hoofde van aanspraken tegen de bevrachter moet deze de vervrachter vergoeden voor alle verlies, schaden en kosten die in verband met de uitbating van het binnenschip ontstaan. In geval van beslag, aanhouding of retentie moet de bevrachter deze binnen een redelijke tijd laten opheffen en daartoe zo nodig een borg of zekerheid stellen.
§ 2. In het geval van beslag, aanhouding of retentie uit hoofde van aanspraken tegen de vervrachter moet de vervrachter dit beslag, aanhouding of retentie binnen een redelijke tijd laten opheffen en daartoe zo nodig een borg of zekerheid stellen. Alsdan moet de vervrachter de bevrachter vergoeden voor alle verlies, schaden en kosten, met inbegrip van betaalde huur, die rechtstreeks uit het beslag, aanhouding of retentie voortvloeien.]1
Art.3.6.2.9. [1 Garantie et saisie
§ 1er. En cas de saisie, d'immobilisation ou de rétention suite à des revendications à l'encontre de l'affréteur, ce dernier doit indemniser le fréteur de toute perte, de tout dommage et de tous frais résultant de l'exploitation du bateau de navigation intérieure. En cas de saisie, d'immobilisation ou de rétention, l'affréteur doit la faire lever dans des délais raisonnables et déposer au besoin une caution ou une sûreté à cet effet.
§ 2. En cas de saisie, d'immobilisation ou de rétention suite à des revendications à l'encontre du fréteur, le fréteur doit faire lever cette saisie, cette immobilisation ou cette rétention dans des délais raisonnables et déposer au besoin une caution ou une sûreté à cet effet. Dans ce cas, le fréteur doit indemniser l'affréteur de toute perte, de tout dommage et de tous frais, y compris le loyer payé, qui découlent directement de la saisie, de l'immobilisation ou de la rétention.]1
§ 1er. En cas de saisie, d'immobilisation ou de rétention suite à des revendications à l'encontre de l'affréteur, ce dernier doit indemniser le fréteur de toute perte, de tout dommage et de tous frais résultant de l'exploitation du bateau de navigation intérieure. En cas de saisie, d'immobilisation ou de rétention, l'affréteur doit la faire lever dans des délais raisonnables et déposer au besoin une caution ou une sûreté à cet effet.
§ 2. En cas de saisie, d'immobilisation ou de rétention suite à des revendications à l'encontre du fréteur, le fréteur doit faire lever cette saisie, cette immobilisation ou cette rétention dans des délais raisonnables et déposer au besoin une caution ou une sûreté à cet effet. Dans ce cas, le fréteur doit indemniser l'affréteur de toute perte, de tout dommage et de tous frais, y compris le loyer payé, qui découlent directement de la saisie, de l'immobilisation ou de la rétention.]1
Art.3.6.2.10. [1 Ladingvoorrecht
De vorderingen van de vervrachter uit hoofde van de overeenkomst zijn verhaalbaar en bevoorrecht op elke lading die toebehoort aan de bevrachter.]1
De vorderingen van de vervrachter uit hoofde van de overeenkomst zijn verhaalbaar en bevoorrecht op elke lading die toebehoort aan de bevrachter.]1
Art.3.6.2.10. [1 Privilège sur la cargaison
Les créances du fréteur du chef du contrat sont récupérables et privilégiées sur toute cargaison appartenant à l'affréteur.]1
Les créances du fréteur du chef du contrat sont récupérables et privilégiées sur toute cargaison appartenant à l'affréteur.]1
Art.3.6.2.11. [1 Berging
Hulp- en sleeploon komt toe aan de bevrachter.]1
Hulp- en sleeploon komt toe aan de bevrachter.]1
Art.3.6.2.11. [1 Assistance
La rémunération du chef d'assistance et de remorquage revient à l'affréteur.]1
La rémunération du chef d'assistance et de remorquage revient à l'affréteur.]1
Art.3.6.2.12. [1 Wrakkenopruiming
De bevrachter moet de vervrachter vergoeden en vrijwaren voor alle kosten in verband met de ruiming van wrakken of hindernissen.]1
De bevrachter moet de vervrachter vergoeden en vrijwaren voor alle kosten in verband met de ruiming van wrakken of hindernissen.]1
Art.3.6.2.12. [1 Enlèvement d'épaves
L'affréteur doit indemniser et garantir le fréteur contre tous les frais associés à l'enlèvement d'épaves ou d'obstacles.]1
L'affréteur doit indemniser et garantir le fréteur contre tous les frais associés à l'enlèvement d'épaves ou d'obstacles.]1
Art.3.6.2.13. [1 Averij-grosse
De bevrachter dient de vervrachter te vrijwaren voor de bijdrage in averij-grosse.]1
De bevrachter dient de vervrachter te vrijwaren voor de bijdrage in averij-grosse.]1
Art.3.6.2.13. [1 Avarie commune
L'affréteur doit garantir le fréteur pour la contribution en avarie commune.]1
L'affréteur doit garantir le fréteur pour la contribution en avarie commune.]1
Art.3.6.2.14. [1 Overdracht, onderbevrachting en verkoop
§ 1. Zonder instemming van de vervrachter mag de bevrachter de rompbevrachting niet overdragen of een onderrompbevrachting toestaan.
§ 2. Zonder instemming van de bevrachter en overname van de rompbevrachting door de koper, mag de vervrachter het binnenschip niet verkopen.]1
§ 1. Zonder instemming van de vervrachter mag de bevrachter de rompbevrachting niet overdragen of een onderrompbevrachting toestaan.
§ 2. Zonder instemming van de bevrachter en overname van de rompbevrachting door de koper, mag de vervrachter het binnenschip niet verkopen.]1
Art.3.6.2.14. [1 Transfert, sous-affrètement et vente
§ 1er. Sans autorisation du fréteur, l'affréteur ne peut pas céder l'affrètement coque nue ou autoriser un sous-affrètement coque nue.
§ 2. Sans autorisation de l'affréteur et reprise de l'affrètement coque nue par l'acheteur, le fréteur ne peut pas vendre le bateau de navigation intérieure.]1
§ 1er. Sans autorisation du fréteur, l'affréteur ne peut pas céder l'affrètement coque nue ou autoriser un sous-affrètement coque nue.
§ 2. Sans autorisation de l'affréteur et reprise de l'affrètement coque nue par l'acheteur, le fréteur ne peut pas vendre le bateau de navigation intérieure.]1
Art.3.6.2.15. [1 Oorlog
Zonder instemming van de vervrachter mag de bevrachter het binnenschip niet doen varen in gebieden waarin het binnenschip, de lading, de bemanning of de opvarenden worden blootgesteld aan risico's van oorlog, burgeroorlog, vijandelijkheden, oproer, mijnen, terrorisme of blokkade veroorzaakt door publieke of private personen.]1
Zonder instemming van de vervrachter mag de bevrachter het binnenschip niet doen varen in gebieden waarin het binnenschip, de lading, de bemanning of de opvarenden worden blootgesteld aan risico's van oorlog, burgeroorlog, vijandelijkheden, oproer, mijnen, terrorisme of blokkade veroorzaakt door publieke of private personen.]1
Art.3.6.2.15. [1 Guerre
Sans autorisation du fréteur, l'affréteur ne peut pas faire naviguer le bateau de navigation intérieure dans des zones où le bateau, la cargaison, l'équipage ou les personnes embarquées sont exposés à des risques de guerre, de guerre civile, d'hostilités, d'insurrection, de mines, de terrorisme ou de blocus provoqués par des personnes publiques ou privées.]1
Sans autorisation du fréteur, l'affréteur ne peut pas faire naviguer le bateau de navigation intérieure dans des zones où le bateau, la cargaison, l'équipage ou les personnes embarquées sont exposés à des risques de guerre, de guerre civile, d'hostilités, d'insurrection, de mines, de terrorisme ou de blocus provoqués par des personnes publiques ou privées.]1
Art.3.6.2.16. [1 Beëindiging
§ 1. De vervrachter mag de overeenkomst beëindigen wanneer de bevrachter geen gevolg geeft aan een redelijke ingebrekestelling om:
1° de huurprijs te betalen;
2° zijn verplichtingen in verband met het toegelaten vaargebied of de verzekering na te komen; of
3° het binnenschip en het scheepstoebehoren te onderhouden.
§ 2. De bevrachter mag de overeenkomst beëindigen wanneer de vervrachter, ondanks een ingebrekestelling, nalaat aan zijn verplichtingen te voldoen.
§ 3. De overeenkomst wordt vermoed te zijn beëindigd wanneer het binnenschip volledig verloren is of wanneer het binnenschip zodanig beschadigd is dat de partijen of de verzekeraar de schade met volledig verlies gelijkstellen, of zich in een dusdanige toestand bevindt dat herstelling redelijkerwijze niet kan worden verlangd.
§ 4. Elke partij mag de overeenkomst beëindigen in geval van ontbinding, vereffening, faillissement of enige andere insolventieprocedure in hoofde van de andere partij.
§ 5. Bij beëindiging overeenkomstig de vorige paragrafen heeft de vervrachter het recht om het binnenschip in de huidige of de eerstvolgende haven terug in bezit te nemen.
§ 6. De beëindiging van de overeenkomst doet geen afbreuk aan de door partijen verworven rechten en aan de vorderingen welke zij desgevallend bezitten.]1
§ 1. De vervrachter mag de overeenkomst beëindigen wanneer de bevrachter geen gevolg geeft aan een redelijke ingebrekestelling om:
1° de huurprijs te betalen;
2° zijn verplichtingen in verband met het toegelaten vaargebied of de verzekering na te komen; of
3° het binnenschip en het scheepstoebehoren te onderhouden.
§ 2. De bevrachter mag de overeenkomst beëindigen wanneer de vervrachter, ondanks een ingebrekestelling, nalaat aan zijn verplichtingen te voldoen.
§ 3. De overeenkomst wordt vermoed te zijn beëindigd wanneer het binnenschip volledig verloren is of wanneer het binnenschip zodanig beschadigd is dat de partijen of de verzekeraar de schade met volledig verlies gelijkstellen, of zich in een dusdanige toestand bevindt dat herstelling redelijkerwijze niet kan worden verlangd.
§ 4. Elke partij mag de overeenkomst beëindigen in geval van ontbinding, vereffening, faillissement of enige andere insolventieprocedure in hoofde van de andere partij.
§ 5. Bij beëindiging overeenkomstig de vorige paragrafen heeft de vervrachter het recht om het binnenschip in de huidige of de eerstvolgende haven terug in bezit te nemen.
§ 6. De beëindiging van de overeenkomst doet geen afbreuk aan de door partijen verworven rechten en aan de vorderingen welke zij desgevallend bezitten.]1
Art.3.6.2.16. [1 Résiliation
§ 1er. Le fréteur peut résilier le contrat lorsque l'affréteur ne donne pas suite à une mise en demeure raisonnable:
1° de payer le loyer;
2° de respecter ses obligations relatives à la zone de navigation autorisée ou à l'assurance; ou
3° d'entretenir le bateau de navigation intérieure et ses accessoires.
§ 2. L'affréteur peut résilier le contrat lorsque, malgré une mise en demeure, le fréteur néglige de satisfaire à ses obligations.
§ 3. Le contrat est réputé avoir été résilié lorsque le bateau de navigation intérieure a été entièrement perdu ou lorsqu'il a été endommagé de façon telle que les parties ou l'assureur assimilent le dommage à une perte totale ou lorsqu'il se trouve dans un état tel qu'une réparation ne peut raisonnablement pas être souhaitée.
§ 4. Chaque partie peut résilier le contrat en cas de dissolution, de liquidation, de faillite ou de toute autre procédure d'insolvabilité dans le chef de l'autre partie.
§ 5. En cas de résiliation conformément aux paragraphes précédents, le fréteur a le droit de reprendre possession du bateau de navigation intérieure dans le port actuel ou le premier port suivant.
§ 6. La résiliation du contrat ne porte pas atteinte aux droits acquis par les parties ni aux créances qu'elles possèdent le cas échéant.]1
§ 1er. Le fréteur peut résilier le contrat lorsque l'affréteur ne donne pas suite à une mise en demeure raisonnable:
1° de payer le loyer;
2° de respecter ses obligations relatives à la zone de navigation autorisée ou à l'assurance; ou
3° d'entretenir le bateau de navigation intérieure et ses accessoires.
§ 2. L'affréteur peut résilier le contrat lorsque, malgré une mise en demeure, le fréteur néglige de satisfaire à ses obligations.
§ 3. Le contrat est réputé avoir été résilié lorsque le bateau de navigation intérieure a été entièrement perdu ou lorsqu'il a été endommagé de façon telle que les parties ou l'assureur assimilent le dommage à une perte totale ou lorsqu'il se trouve dans un état tel qu'une réparation ne peut raisonnablement pas être souhaitée.
§ 4. Chaque partie peut résilier le contrat en cas de dissolution, de liquidation, de faillite ou de toute autre procédure d'insolvabilité dans le chef de l'autre partie.
§ 5. En cas de résiliation conformément aux paragraphes précédents, le fréteur a le droit de reprendre possession du bateau de navigation intérieure dans le port actuel ou le premier port suivant.
§ 6. La résiliation du contrat ne porte pas atteinte aux droits acquis par les parties ni aux créances qu'elles possèdent le cas échéant.]1
Art.3.6.2.17. [1 Verjaring
§ 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 3.6.3.24., verjaren alle vorderingen die verband houden met een rompbevrachtingsovereenkomst door verloop van vijf jaar na beëindiging van de rompbevrachtingsovereenkomst.
De verjaringstermijn kan worden geschorst en gestuit.
§ 2. Vorderingen tot verhaal in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een rompbevrachtingsovereenkomst kunnen, ook na de in paragraaf 1 bedoelde termijn, worden ingesteld binnen negentig dagen nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
§ 3. Elk beding tot verkorting van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde termijnen is nietig.]1
§ 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 3.6.3.24., verjaren alle vorderingen die verband houden met een rompbevrachtingsovereenkomst door verloop van vijf jaar na beëindiging van de rompbevrachtingsovereenkomst.
De verjaringstermijn kan worden geschorst en gestuit.
§ 2. Vorderingen tot verhaal in verband met de totstandkoming, uitvoering en beëindiging van een rompbevrachtingsovereenkomst kunnen, ook na de in paragraaf 1 bedoelde termijn, worden ingesteld binnen negentig dagen nadat tegen de eiser een rechtsvordering is ingesteld of nadat hij het schadegeval in der minne heeft geregeld.
§ 3. Elk beding tot verkorting van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde termijnen is nietig.]1
Art.3.6.2.17. [1 Prescription
§ 1er. Sous réserve des dispositions de l'article 3.6.3.24., toutes les actions relatives à un contrat d'affrètement coque nue se prescrivent par cinq ans à dater de la résiliation du contrat.
Le délai de prescription peut être suspendu et interrompu.
§ 2. Des actions récursoires relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat d'affrètement coque nue peuvent, même après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, être introduites dans les nonante jours à dater du moment où une action en justice a été intentée à l'encontre du demandeur ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
§ 3. Toute clause visant à raccourcir les délais visés aux paragraphes 1er et 2 est nulle.]1
§ 1er. Sous réserve des dispositions de l'article 3.6.3.24., toutes les actions relatives à un contrat d'affrètement coque nue se prescrivent par cinq ans à dater de la résiliation du contrat.
Le délai de prescription peut être suspendu et interrompu.
§ 2. Des actions récursoires relatives à l'établissement, à l'exécution et à la résiliation d'un contrat d'affrètement coque nue peuvent, même après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, être introduites dans les nonante jours à dater du moment où une action en justice a été intentée à l'encontre du demandeur ou du moment où le sinistre a été réglé à l'amiable.
§ 3. Toute clause visant à raccourcir les délais visés aux paragraphes 1er et 2 est nulle.]1
Onderafdeling 2. [1 - Scheepshuurkoop]1
Sous-section 2. [1 - Location-vente de navires]1
Art.3.6.2.18. [1 Rechten en plichten tijdens de huur.
De bepalingen van onderafdeling 1 van afdeling 1, hoofdstuk 2, titel 6, boek 3 zijn eveneens van toepassing op de periode waarin de scheepshuurkoper het binnenschip huurt.]1
De bepalingen van onderafdeling 1 van afdeling 1, hoofdstuk 2, titel 6, boek 3 zijn eveneens van toepassing op de periode waarin de scheepshuurkoper het binnenschip huurt.]1
Art.3.6.2.18. [1 Droits et obligations pendant la locatio
Les dispositions de la sous-section 1re, section 1, chapitre 2, titre 6, livre 3 s'appliquent également à la période pendant laquelle l'acquéreur en location-vente du navire loue le bateau de navigation intérieure.]1
Les dispositions de la sous-section 1re, section 1, chapitre 2, titre 6, livre 3 s'appliquent également à la période pendant laquelle l'acquéreur en location-vente du navire loue le bateau de navigation intérieure.]1
Art.3.6.2.19. [1 Rechten en plichten bij de koop.
Het binnenschip wordt geleverd vrij van scheepszekerheidsrechten en andere lasten en in de staat waarin het zich bevindt, met al zijn zichtbare en onzichtbare gebreken.
Elk beding in de overeenkomst volgens hetwelk de in de overeenkomst bepaalde of bepaalbare koopprijs tijdens de duur van de overeenkomst kan worden gewijzigd, is nietig.
De eigendom van het binnenschip gaat over tegen betaling van de resterende koopprijs.]1
Het binnenschip wordt geleverd vrij van scheepszekerheidsrechten en andere lasten en in de staat waarin het zich bevindt, met al zijn zichtbare en onzichtbare gebreken.
Elk beding in de overeenkomst volgens hetwelk de in de overeenkomst bepaalde of bepaalbare koopprijs tijdens de duur van de overeenkomst kan worden gewijzigd, is nietig.
De eigendom van het binnenschip gaat over tegen betaling van de resterende koopprijs.]1
Art.3.6.2.19. [1 Droits et obligations lors de l'achat
Le bateau de navigation intérieure est livré libre de sûretés et d'autres charges et dans l'état dans lequel il se trouve, avec toutes ses défectuosités apparentes et non apparentes.
Toute clause dans le contrat selon laquelle le prix d'achat déterminé ou déterminable peut être modifié pendant la durée du contrat est nulle.
La propriété du bateau de navigation intérieure est transférée contre le paiement du solde du prix de vente.]1
Le bateau de navigation intérieure est livré libre de sûretés et d'autres charges et dans l'état dans lequel il se trouve, avec toutes ses défectuosités apparentes et non apparentes.
Toute clause dans le contrat selon laquelle le prix d'achat déterminé ou déterminable peut être modifié pendant la durée du contrat est nulle.
La propriété du bateau de navigation intérieure est transférée contre le paiement du solde du prix de vente.]1
Afdeling 2. [1 - Tijd- en reisbevrachting]1
Section 2. [1 - Affrètement à temps et au voyage]1
Onderafdeling 1. [1 - Tijdbevrachting]1
Sous-section 1re. [1 - Affrètement à temps]1
Art.3.6.2.20. [1 Materiële toepassing
Onder voorbehoud van de artikelen 3.6.1.2. en 3.6.1.3. en van andere dwingende wettelijke en reglementaire bepalingen kunnen partijen contractueel anders bepalen dan voorzien in deze onderafdeling.]1
Onder voorbehoud van de artikelen 3.6.1.2. en 3.6.1.3. en van andere dwingende wettelijke en reglementaire bepalingen kunnen partijen contractueel anders bepalen dan voorzien in deze onderafdeling.]1
Art.3.6.2.20. [1 Application matérielle
Sous réserve des articles 3.6.1.2 et 3.6.1.3. et d'autres dispositions législatives et réglementaires contraignantes, les parties peuvent décider autrement contractuellement que prévu dans la présente sous-section.]1
Sous réserve des articles 3.6.1.2 et 3.6.1.3. et d'autres dispositions législatives et réglementaires contraignantes, les parties peuvent décider autrement contractuellement que prévu dans la présente sous-section.]1
Art.3.6.2.21. [1 Vermeldingen
§ 1. De bevrachtingsovereenkomst vermeldt:
1° de naam en de woonplaats of de zetel van de vervrachter en de bevrachter;
2° de volgende gegevens betreffende het binnenschip: naam, uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI), nummer teboekstelling, type, tonnenmaat en afmetingen, bouwplaats, bouwjaar, Uniebinnenvaartcertificaat of certificaat van onderzoek, gevestigde scheepshypotheken en verdere bijzonderheden;
3° de haven of plaats, en het vroegste en het laatste tijdstip voor levering en teruggave;
4° desgevallend, het toegelaten vaargebied;
5° de duur van de bevrachting;
6° de vracht;
7° de plaats en het tijdstip van ondertekening.
§ 2. Het ontbreken van één of meer in dit lid bedoelde gegevens tast de geldigheid van de overeenkomst niet aan.]1
§ 1. De bevrachtingsovereenkomst vermeldt:
1° de naam en de woonplaats of de zetel van de vervrachter en de bevrachter;
2° de volgende gegevens betreffende het binnenschip: naam, uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI), nummer teboekstelling, type, tonnenmaat en afmetingen, bouwplaats, bouwjaar, Uniebinnenvaartcertificaat of certificaat van onderzoek, gevestigde scheepshypotheken en verdere bijzonderheden;
3° de haven of plaats, en het vroegste en het laatste tijdstip voor levering en teruggave;
4° desgevallend, het toegelaten vaargebied;
5° de duur van de bevrachting;
6° de vracht;
7° de plaats en het tijdstip van ondertekening.
§ 2. Het ontbreken van één of meer in dit lid bedoelde gegevens tast de geldigheid van de overeenkomst niet aan.]1
Art.3.6.2.21. [1 Mentions
§ 1er. Le contrat d'affrètement mentionne:
1° les nom et domicile ou le siège du fréteur et de l'affréteur;
2° les données suivantes concernant le bateau de navigation intérieure: nom, numéro européen unique d'identification des bateaux (ENI), numéro d'immatriculation, type, tonnage et dimensions, lieu de construction, année de construction, certificat de l'Union pour bateaux de navigation intérieure ou certificat de visite, hypothèques sur navires constituées et d'autres particularités;
3° le port ou le lieu et la première et la dernière heure possibles pour la livraison et la restitution;
4° le cas échéant, la zone de navigation autorisée;
5° la durée de l'affrètement;
6° le fret;
7° le lieu et la date de signature.
§ 2. L'absence d'une ou de plusieurs des données visées au présent alinéa n'affecte pas la validité du contrat.]1
§ 1er. Le contrat d'affrètement mentionne:
1° les nom et domicile ou le siège du fréteur et de l'affréteur;
2° les données suivantes concernant le bateau de navigation intérieure: nom, numéro européen unique d'identification des bateaux (ENI), numéro d'immatriculation, type, tonnage et dimensions, lieu de construction, année de construction, certificat de l'Union pour bateaux de navigation intérieure ou certificat de visite, hypothèques sur navires constituées et d'autres particularités;
3° le port ou le lieu et la première et la dernière heure possibles pour la livraison et la restitution;
4° le cas échéant, la zone de navigation autorisée;
5° la durée de l'affrètement;
6° le fret;
7° le lieu et la date de signature.
§ 2. L'absence d'une ou de plusieurs des données visées au présent alinéa n'affecte pas la validité du contrat.]1
Art.3.6.2.22. [1 Duur
Het binnenschip wordt bevracht voor de bedongen duur die ingaat op het tussen partijen overeengekomen tijdstip.]1
Het binnenschip wordt bevracht voor de bedongen duur die ingaat op het tussen partijen overeengekomen tijdstip.]1
Art.3.6.2.22. [1 Durée
Le bateau de navigation intérieure est affrété pour la durée stipulée, qui prend cours au moment convenu entre les parties.]1
Le bateau de navigation intérieure est affrété pour la durée stipulée, qui prend cours au moment convenu entre les parties.]1
Art.3.6.2.23. [1 Vaargebied
Het binnenschip wordt ingezet op vaarwegen waarvoor het toegelaten is.]1
Het binnenschip wordt ingezet op vaarwegen waarvoor het toegelaten is.]1
Art.3.6.2.23. [1 Zone de navigation
Le bateau de navigation intérieure est utilisé sur les voies navigables sur lesquelles il est autorisé.]1
Le bateau de navigation intérieure est utilisé sur les voies navigables sur lesquelles il est autorisé.]1
Art.3.6.2.24. [1 Onderbevrachting
Onverminderd zijn verplichtingen onder de bevrachtingsovereenkomst, mag de bevrachter het binnenschip onderbevrachten.]1
Onverminderd zijn verplichtingen onder de bevrachtingsovereenkomst, mag de bevrachter het binnenschip onderbevrachten.]1
Art.3.6.2.24. [1 Sous-affrètement
Sans préjudice de ses obligations en vertu du contrat d'affrètement, l'affréteur peut sous-affréter le bateau de navigation intérieure.]1
Sans préjudice de ses obligations en vertu du contrat d'affrètement, l'affréteur peut sous-affréter le bateau de navigation intérieure.]1
Art.3.6.2.25. [1 Verplichtingen van de vervrachter
§ 1. Het binnenschip moet vaarwaardig en geschikt zijn, en beschikken over de nodige scheepsdocumenten en verzekering.
§ 2. De ruimen van het binnenschip moeten zuiver zijn, en klaar om lading aan boord te nemen.]1
§ 1. Het binnenschip moet vaarwaardig en geschikt zijn, en beschikken over de nodige scheepsdocumenten en verzekering.
§ 2. De ruimen van het binnenschip moeten zuiver zijn, en klaar om lading aan boord te nemen.]1
Art.3.6.2.25. [1 Obligations du fréteur
§ 1er. Le bateau de navigation intérieure doit être en état de navigabilité et approprié, et disposer des documents de navigation et d'assurance nécessaires.
§ 2. Les cales du bateau de navigation intérieure doivent être propres et prêtes à prendre à bord la cargaison.]1
§ 1er. Le bateau de navigation intérieure doit être en état de navigabilité et approprié, et disposer des documents de navigation et d'assurance nécessaires.
§ 2. Les cales du bateau de navigation intérieure doivent être propres et prêtes à prendre à bord la cargaison.]1
Art.3.6.2.26. [1 Teruggave
De bevrachter moet bij beëindiging van de overeenkomst het binnenschip aan de vervrachter teruggeven in dezelfde staat, rekening houdend met normale sleet.
De bevrachter staat echter niet in voor schade toerekenbaar aan de vervrachter of veroorzaakt door derden, andere dan de ondergeschikten, lasthebbers of uitvoeringsagenten van de bevrachter.]1
De bevrachter moet bij beëindiging van de overeenkomst het binnenschip aan de vervrachter teruggeven in dezelfde staat, rekening houdend met normale sleet.
De bevrachter staat echter niet in voor schade toerekenbaar aan de vervrachter of veroorzaakt door derden, andere dan de ondergeschikten, lasthebbers of uitvoeringsagenten van de bevrachter.]1
Art.3.6.2.26. [1 Restitution
A la résiliation du contrat, l'affréteur doit restituer le bateau de navigation intérieure au fréteur dans l'état où il se trouvait, compte tenu d'une usure normale.
Toutefois, l'affréteur n'est pas responsable des dommages qui sont imputables au fréteur ou qui sont causés par des tiers autres que les préposés, mandataires ou agents d'exécution de l'affréteur.]1
A la résiliation du contrat, l'affréteur doit restituer le bateau de navigation intérieure au fréteur dans l'état où il se trouvait, compte tenu d'une usure normale.
Toutefois, l'affréteur n'est pas responsable des dommages qui sont imputables au fréteur ou qui sont causés par des tiers autres que les préposés, mandataires ou agents d'exécution de l'affréteur.]1
Art.3.6.2.27. [1 Onderzoek bij levering en teruggave
De staat van het binnenschip bij levering en teruggave wordt vastgesteld door een deskundige, gezamenlijk aangeduid door de vervrachter en de bevrachter.
De kosten van de onderzoeken worden gedragen door de vervrachter en de bevrachter, elk voor de helft.]1
De staat van het binnenschip bij levering en teruggave wordt vastgesteld door een deskundige, gezamenlijk aangeduid door de vervrachter en de bevrachter.
De kosten van de onderzoeken worden gedragen door de vervrachter en de bevrachter, elk voor de helft.]1
Art.3.6.2.27. [1 Examen lors de la livraison et de la restitution
L'état du bateau de navigation intérieure lors de la livraison et de la restitution est constaté par un expert, désigné conjointement par le fréteur et l'affréteur.
Les coûts des examens sont supportés par le fréteur et l'affréteur, chacun pour moitié.]1
L'état du bateau de navigation intérieure lors de la livraison et de la restitution est constaté par un expert, désigné conjointement par le fréteur et l'affréteur.
Les coûts des examens sont supportés par le fréteur et l'affréteur, chacun pour moitié.]1
Art.3.6.2.28. [1 Verplichtingen van de bevrachter
De bevrachter staat op zijn kosten in voor geschikte brandstoffen, smeeroliën, alsmede voor de vaartrechten, haven-, loods-, en sleepgelden.
Oponthoud en kosten veroorzaakt door de weersomstandigheden of varen in ondiep water zijn ten laste van de bevrachter.]1
De bevrachter staat op zijn kosten in voor geschikte brandstoffen, smeeroliën, alsmede voor de vaartrechten, haven-, loods-, en sleepgelden.
Oponthoud en kosten veroorzaakt door de weersomstandigheden of varen in ondiep water zijn ten laste van de bevrachter.]1
Art.3.6.2.28. [1 Obligations de l'affréteur
L'affréteur fournit à ses frais les carburants et huiles de graissage appropriés et paie les droits de navigation, de port, de pilotage et de remorquage.
Les retards et les frais causés par les conditions météorologiques ou la navigation en eau peu profonde sont à charge de l'affréteur.]1
L'affréteur fournit à ses frais les carburants et huiles de graissage appropriés et paie les droits de navigation, de port, de pilotage et de remorquage.
Les retards et les frais causés par les conditions météorologiques ou la navigation en eau peu profonde sont à charge de l'affréteur.]1
Art.3.6.2.29. [1 Brandstof
§ 1. Bij levering en teruggave van het binnenschip wordt de stand van de aan boord aanwezige brandstof vastgesteld. Bij beëindiging van de overeenkomst wordt het verschil tussen partijen afgerekend.
§ 2. De bevrachter is aansprakelijk voor de schade die de vervrachter lijdt ingevolgde het aan boord nemen van brandstof die ongeschikt is of niet de overeengekomen kwaliteit bezit, alsook voor de kosten van het verwijderen van deze brandstof en de vervanging ervan.]1
§ 1. Bij levering en teruggave van het binnenschip wordt de stand van de aan boord aanwezige brandstof vastgesteld. Bij beëindiging van de overeenkomst wordt het verschil tussen partijen afgerekend.
§ 2. De bevrachter is aansprakelijk voor de schade die de vervrachter lijdt ingevolgde het aan boord nemen van brandstof die ongeschikt is of niet de overeengekomen kwaliteit bezit, alsook voor de kosten van het verwijderen van deze brandstof en de vervanging ervan.]1
Art.3.6.2.29. [1 Carburant
§ 1er. Le niveau du carburant présent à bord est constaté lors de livraison et la restitution du bateau de navigation intérieure. La différence est réglée entre les parties à la résiliation du contrat.
§ 2. L'affréteur assume la responsabilité des dommages subis par le fréteur des suites d'un carburant inapproprié pris à bord ou ne possédant pas la qualité convenue, ainsi que des frais d'élimination de ce carburant et son remplacement.]1
§ 1er. Le niveau du carburant présent à bord est constaté lors de livraison et la restitution du bateau de navigation intérieure. La différence est réglée entre les parties à la résiliation du contrat.
§ 2. L'affréteur assume la responsabilité des dommages subis par le fréteur des suites d'un carburant inapproprié pris à bord ou ne possédant pas la qualité convenue, ainsi que des frais d'élimination de ce carburant et son remplacement.]1
Art.3.6.2.30. [1 Vracht
De bevrachter moet de overeengekomen vracht betalen.
Behoudens afwijkend beding is de vracht verschuldigd per dag.
De vracht is opeisbaar uiterlijk de laatste dag van de maand waarop hij betrekking heeft.
Compensatie tussen de verschuldigde vracht en een betwiste vordering van de bevrachter is niet toegelaten.]1
De bevrachter moet de overeengekomen vracht betalen.
Behoudens afwijkend beding is de vracht verschuldigd per dag.
De vracht is opeisbaar uiterlijk de laatste dag van de maand waarop hij betrekking heeft.
Compensatie tussen de verschuldigde vracht en een betwiste vordering van de bevrachter is niet toegelaten.]1
Art.3.6.2.30. [1 Fret
L'affréteur doit payer le fret convenu.
Sauf stipulation contraire, le fret est dû par jour.
Le fret est exigible au plus tard le dernier jour du mois auquel il se rapporte.
Une compensation entre le fret dû et une créance contestée de l'affréteur n'est pas autorisée.]1
L'affréteur doit payer le fret convenu.
Sauf stipulation contraire, le fret est dû par jour.
Le fret est exigible au plus tard le dernier jour du mois auquel il se rapporte.
Une compensation entre le fret dû et une créance contestée de l'affréteur n'est pas autorisée.]1
Art.3.6.2.31. [1 Opschorting
Bij gebreke aan betaling na verloop van drie dagen volgend op een ingebrekestelling mag de vervrachter, onverminderd zijn recht op schadevergoeding, het binnenschip terugtrekken uit de dienst.
Bij elk in gebreke blijven van de bevrachter om de vracht te betalen mag de vervrachter, onverminderd het recht het binnenschip uit dienst te nemen, de uitvoering van al zijn verplichtingen opschorten. De vracht loopt evenwel door en de bevrachter is aansprakelijk voor alle gevolgen.]1
Bij gebreke aan betaling na verloop van drie dagen volgend op een ingebrekestelling mag de vervrachter, onverminderd zijn recht op schadevergoeding, het binnenschip terugtrekken uit de dienst.
Bij elk in gebreke blijven van de bevrachter om de vracht te betalen mag de vervrachter, onverminderd het recht het binnenschip uit dienst te nemen, de uitvoering van al zijn verplichtingen opschorten. De vracht loopt evenwel door en de bevrachter is aansprakelijk voor alle gevolgen.]1
Art.3.6.2.31. [1 Suspension
A défaut de paiement à la fin des trois jours qui suivent une mise en demeure, le fréteur peut, sans préjudice de son droit à des dommages-intérêts, retirer le bateau de navigation intérieure du service.
En cas de manquement de l'affréteur à payer le fret, le fréteur peut, sans préjudice du droit de mettre le bateau de navigation intérieure hors service, suspendre l'exécution de toutes ses obligations. Le fret se poursuit toutefois et l'affréteur est responsable de toutes les conséquences.]1
A défaut de paiement à la fin des trois jours qui suivent une mise en demeure, le fréteur peut, sans préjudice de son droit à des dommages-intérêts, retirer le bateau de navigation intérieure du service.
En cas de manquement de l'affréteur à payer le fret, le fréteur peut, sans préjudice du droit de mettre le bateau de navigation intérieure hors service, suspendre l'exécution de toutes ses obligations. Le fret se poursuit toutefois et l'affréteur est responsable de toutes les conséquences.]1
Art.3.6.2.32. [1 Onderbreking van de vracht
De vracht is niet verschuldigd voor de periode waarin het binnenschip niet kan worden ingezet wegens een aan de vervrachter toerekenbare tekortkoming.
Tijdens de duur van de onderbreking van de vracht zijn alle brandstoffen ten laste van de vervrachter.]1
De vracht is niet verschuldigd voor de periode waarin het binnenschip niet kan worden ingezet wegens een aan de vervrachter toerekenbare tekortkoming.
Tijdens de duur van de onderbreking van de vracht zijn alle brandstoffen ten laste van de vervrachter.]1
Art.3.6.2.32. [1 Interruption du fret
Le fret n'est pas dû pour la période pendant laquelle le bateau de navigation intérieure ne peut pas être utilisé en raison d'un manquement imputable au fréteur.
Pendant la durée d'interruption du fret, tous les carburants sont à charge du fréteur.]1
Le fret n'est pas dû pour la période pendant laquelle le bateau de navigation intérieure ne peut pas être utilisé en raison d'un manquement imputable au fréteur.
Pendant la durée d'interruption du fret, tous les carburants sont à charge du fréteur.]1
Art.3.6.2.33. [1 Ontheffingen
De vervrachter en de bevrachter zijn jegens elkaar van aansprakelijkheid ontheven in geval van overmacht.]1
De vervrachter en de bevrachter zijn jegens elkaar van aansprakelijkheid ontheven in geval van overmacht.]1
Art.3.6.2.33. [1 Exonérations
Le fréteur et l'affréteur sont déchargés de responsabilité mutuelle en cas de force majeure.]1
Le fréteur et l'affréteur sont déchargés de responsabilité mutuelle en cas de force majeure.]1
Art.3.6.2.34. [1 Zekerheidsrechten
De vorderingen van de vervrachter uit hoofde van de overeenkomst zijn verhaalbaar en bevoorrecht op alle aan de bevrachter toebehorende lading.
De bevrachter staat ervoor in dat de rechten en de titel op het binnenschip van de vervrachter niet worden bezwaard door zekerheidsrechten.]1
De vorderingen van de vervrachter uit hoofde van de overeenkomst zijn verhaalbaar en bevoorrecht op alle aan de bevrachter toebehorende lading.
De bevrachter staat ervoor in dat de rechten en de titel op het binnenschip van de vervrachter niet worden bezwaard door zekerheidsrechten.]1
Art.3.6.2.34. [1 Sûretés
Les créances du fréteur du chef du contrat sont récupérables et privilégiées sur toute cargaison appartenant à l'affréteur.
L'affréteur veille à ce que les droits et le titre du fréteur sur le bateau de navigation intérieure ne soient pas grevés par des sûretés.]1
Les créances du fréteur du chef du contrat sont récupérables et privilégiées sur toute cargaison appartenant à l'affréteur.
L'affréteur veille à ce que les droits et le titre du fréteur sur le bateau de navigation intérieure ne soient pas grevés par des sûretés.]1
Art.3.6.2.35. [1 Navigatie
De vervrachter blijft verantwoordelijk voor de navigatie, daden van loodsen en slepers, verzekering, bemanning en alle andere aangelegenheden die verband houden met de exploitatie van het binnenschip.]1
De vervrachter blijft verantwoordelijk voor de navigatie, daden van loodsen en slepers, verzekering, bemanning en alle andere aangelegenheden die verband houden met de exploitatie van het binnenschip.]1
Art.3.6.2.35. [1 Navigation
Le fréteur reste responsable de la navigation, des actes des pilotes et des remorqueurs, de l'assurance, de l'équipage et de toutes les autres matières liées à l'exploitation du bateau de navigation intérieure.]1
Le fréteur reste responsable de la navigation, des actes des pilotes et des remorqueurs, de l'assurance, de l'équipage et de toutes les autres matières liées à l'exploitation du bateau de navigation intérieure.]1
Art.3.6.2.36. [1 Oorlog
Ingeval de vervrachter oordeelt dat het binnenschip op een plaats of in een gebied kan worden blootgesteld aan oorlogsrisico's of aan risico's van burgeroorlog, omwenteling, terrorisme, blokkade of vergelijkbare gebeurtenissen, is hij niet verplicht zich daarheen te begeven, en mag het binnenschip dergelijke plaats of gebied verlaten.]1
Ingeval de vervrachter oordeelt dat het binnenschip op een plaats of in een gebied kan worden blootgesteld aan oorlogsrisico's of aan risico's van burgeroorlog, omwenteling, terrorisme, blokkade of vergelijkbare gebeurtenissen, is hij niet verplicht zich daarheen te begeven, en mag het binnenschip dergelijke plaats of gebied verlaten.]1
Art.3.6.2.36. [1 Guerre
Si le fréteur estime que le bateau de navigation intérieure peut être exposé, à un endroit ou dans une zone, à des risques de guerre ou à des risques de guerre civile, de révolution, de terrorisme, de blocus ou d'événements comparables, il n'est pas tenu de s'y rendre, et le bateau de navigation intérieure peut quitter ledit lieu ou ladite zone.]1
Si le fréteur estime que le bateau de navigation intérieure peut être exposé, à un endroit ou dans une zone, à des risques de guerre ou à des risques de guerre civile, de révolution, de terrorisme, de blocus ou d'événements comparables, il n'est pas tenu de s'y rendre, et le bateau de navigation intérieure peut quitter ledit lieu ou ladite zone.]1
Art.3.6.2.37. [1 Uitvoeringsagenten, lasthebbers of ondergeschikten
De bevrachter moet de schade vergoeden die aan het binnenschip wordt berokkend door uitvoeringsagenten, lasthebbers of ondergeschikten.
Ingeval de schade de vaarwaardigheid, de veiligheid van de bemanning of de bedrijfsklaarheid van het binnenschip in het gedrang brengt, moet de bevrachter onmiddellijk en op zijn kosten overgaan tot herstellingen, tijdens welke geen onderbreking van de vracht intreedt.]1
De bevrachter moet de schade vergoeden die aan het binnenschip wordt berokkend door uitvoeringsagenten, lasthebbers of ondergeschikten.
Ingeval de schade de vaarwaardigheid, de veiligheid van de bemanning of de bedrijfsklaarheid van het binnenschip in het gedrang brengt, moet de bevrachter onmiddellijk en op zijn kosten overgaan tot herstellingen, tijdens welke geen onderbreking van de vracht intreedt.]1
Art.3.6.2.37. [1 Agents d'exécution, mandataires ou préposés
L'affréteur doit indemniser les dommages occasionnés au bateau de navigation intérieure par des agents d'exécution, mandataires ou préposés.
Si les dommages mettent en péril la navigabilité, la sécurité de l'équipage ou l'opérationnalité du bateau de navigation intérieure, l'affréteur doit procéder immédiatement et à ses frais à des réparations, pendant lesquelles aucune interruption du fret ne s'applique.]1
L'affréteur doit indemniser les dommages occasionnés au bateau de navigation intérieure par des agents d'exécution, mandataires ou préposés.
Si les dommages mettent en péril la navigabilité, la sécurité de l'équipage ou l'opérationnalité du bateau de navigation intérieure, l'affréteur doit procéder immédiatement et à ses frais à des réparations, pendant lesquelles aucune interruption du fret ne s'applique.]1
Art.3.6.2.38. [1 Economisch varen
De vervrachter moet behoorlijke zorg aanwenden opdat het brandstofverbruik van het binnenschip, met inachtneming van de noodwendigheden van de reis, wordt beperkt.]1
De vervrachter moet behoorlijke zorg aanwenden opdat het brandstofverbruik van het binnenschip, met inachtneming van de noodwendigheden van de reis, wordt beperkt.]1
Art.3.6.2.38. [1 Navigation économique
Le fréteur doit apporter la diligence nécessaire pour que la consommation de carburant du bateau de navigation intérieure soit limitée, compte tenu des nécessités du voyage.]1
Le fréteur doit apporter la diligence nécessaire pour que la consommation de carburant du bateau de navigation intérieure soit limitée, compte tenu des nécessités du voyage.]1
Art.3.6.2.39. [1 Arbeidsonderbrekingen
In geval van staking, arbeidsonderbreking, boycot of enige andere moeilijkheid in verband met de tewerkstelling van de bemanning, geldt het tijdverlies als onderbreking van de vracht.]1
In geval van staking, arbeidsonderbreking, boycot of enige andere moeilijkheid in verband met de tewerkstelling van de bemanning, geldt het tijdverlies als onderbreking van de vracht.]1
Art.3.6.2.39. [1 Interruptions de travail
En cas de grève, d'interruption de travail, de boycott ou de tout autre problème en lien avec l'occupation de l'équipage, la perte de temps vaut interruption du paiement du fret.]1
En cas de grève, d'interruption de travail, de boycott ou de tout autre problème en lien avec l'occupation de l'équipage, la perte de temps vaut interruption du paiement du fret.]1
Art.3.6.2.40. [1 Verjaring
§ 1. Alle vorderingen die voortvloeien uit aangelegenheden geregeld in hoofdstuk 3 verjaren overeenkomstig art. 3.6.3.24.
Alle overige vorderingen verjaren door verloop van één jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan.
§ 2. De persoon tegen wie een vordering is ingesteld kan de termijn te allen tijde gedurende de verjaringstermijn verlengen door middel van een schriftelijke verklaring aan de benadeelde. Deze termijn kan opnieuw door één of meerdere verklaringen worden verlengd.
§ 3. De verjaringstermijn kan tevens geschorst en gestuit worden overeenkomstig de regels van gemeen recht.
De instelling van een vordering bij een procedure ter verdeling van de beperkte aansprakelijkheid van alle uit een schadegeval voortvloeiende vorderingen schorst de verjaring.
§ 4. Een vordering tot verhaal door een persoon die ingevolge deze onderafdeling aansprakelijk wordt gesteld, kan ook na afloop van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde verjaringstermijn worden ingesteld, indien een procedure wordt ingesteld binnen negentig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de persoon die de vordering tot verhaal instelt de vordering heeft voldaan of waarop de vordering aan hem is betekend.
§ 5. Een verjaarde vordering kan niet worden ingesteld in de vorm van een tegenvordering of exceptie.
§ 6. Elk beding dat strekt tot verkorting van de in dit artikel bedoelde termijnen, is nietig.]1
§ 1. Alle vorderingen die voortvloeien uit aangelegenheden geregeld in hoofdstuk 3 verjaren overeenkomstig art. 3.6.3.24.
Alle overige vorderingen verjaren door verloop van één jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan.
§ 2. De persoon tegen wie een vordering is ingesteld kan de termijn te allen tijde gedurende de verjaringstermijn verlengen door middel van een schriftelijke verklaring aan de benadeelde. Deze termijn kan opnieuw door één of meerdere verklaringen worden verlengd.
§ 3. De verjaringstermijn kan tevens geschorst en gestuit worden overeenkomstig de regels van gemeen recht.
De instelling van een vordering bij een procedure ter verdeling van de beperkte aansprakelijkheid van alle uit een schadegeval voortvloeiende vorderingen schorst de verjaring.
§ 4. Een vordering tot verhaal door een persoon die ingevolge deze onderafdeling aansprakelijk wordt gesteld, kan ook na afloop van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde verjaringstermijn worden ingesteld, indien een procedure wordt ingesteld binnen negentig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de persoon die de vordering tot verhaal instelt de vordering heeft voldaan of waarop de vordering aan hem is betekend.
§ 5. Een verjaarde vordering kan niet worden ingesteld in de vorm van een tegenvordering of exceptie.
§ 6. Elk beding dat strekt tot verkorting van de in dit artikel bedoelde termijnen, is nietig.]1
Art.3.6.2.40. [1 Prescription
§ 1er. Toutes les actions découlant des matières régies au chapitre 3 se prescrivent conformément à l'article 3.6.3.24.
Toutes les autres actions se prescrivent par un an à dater du fait donnant lieu à l'action.
§ 2. La personne contre laquelle une action a été engagée peut à tout moment, pendant le délai de prescription, prolonger ce délai par une déclaration adressée par écrit à la personne lésée. Ce délai peut être de nouveau prolongé par une ou plusieurs déclarations.
§ 3. Le délai de prescription peut également être suspendu et interrompu conformément aux règles du droit commun.
L'introduction d'un recours, lors d'une procédure de répartition en vue de la mise en oeuvre de la responsabilité limitée pour toutes créances résultant d'un événement ayant entraîné des dommages, suspend la prescription.
§ 4. Une action récursoire d'une personne tenue pour responsable en vertu de la présente sous-section pourra être exercée même après l'expiration du délai de prescription prévu aux paragraphes 1er et 2, si une procédure est engagée dans un délai de nonante jours à compter du jour où la personne qui exerce l'action récursoire a fait droit à la réclamation ou a été assignée.
§ 5. L'action prescrite ne peut pas être exercée sous forme de demande reconventionnelle ou d'exception.
§ 6. Toute clause visant à raccourcir les délais visés au présent article est nulle.]1
§ 1er. Toutes les actions découlant des matières régies au chapitre 3 se prescrivent conformément à l'article 3.6.3.24.
Toutes les autres actions se prescrivent par un an à dater du fait donnant lieu à l'action.
§ 2. La personne contre laquelle une action a été engagée peut à tout moment, pendant le délai de prescription, prolonger ce délai par une déclaration adressée par écrit à la personne lésée. Ce délai peut être de nouveau prolongé par une ou plusieurs déclarations.
§ 3. Le délai de prescription peut également être suspendu et interrompu conformément aux règles du droit commun.
L'introduction d'un recours, lors d'une procédure de répartition en vue de la mise en oeuvre de la responsabilité limitée pour toutes créances résultant d'un événement ayant entraîné des dommages, suspend la prescription.
§ 4. Une action récursoire d'une personne tenue pour responsable en vertu de la présente sous-section pourra être exercée même après l'expiration du délai de prescription prévu aux paragraphes 1er et 2, si une procédure est engagée dans un délai de nonante jours à compter du jour où la personne qui exerce l'action récursoire a fait droit à la réclamation ou a été assignée.
§ 5. L'action prescrite ne peut pas être exercée sous forme de demande reconventionnelle ou d'exception.
§ 6. Toute clause visant à raccourcir les délais visés au présent article est nulle.]1
Onderafdeling 2. [1 - Reisbevrachting]1
Sous-section 2. [1 - Affrètement au voyage]1
Art.3.6.2.41. [1 Materiële toepassing
Tenzij anders overeengekomen, zijn de artikelen 3.6.2.20, 3.6.2.21, 3.6.2.24, 3.6.2.25, 3.6.2.33 tot en met 3.6.2.38 eerste lid, 3.6.2.40 van toepassing.]1
Tenzij anders overeengekomen, zijn de artikelen 3.6.2.20, 3.6.2.21, 3.6.2.24, 3.6.2.25, 3.6.2.33 tot en met 3.6.2.38 eerste lid, 3.6.2.40 van toepassing.]1
Art.3.6.2.41. [1 Application matérielle
Sauf stipulation contraire, les articles 3.6.2.20, 3.6.2.21, 3.6.2.24, 3.6.2.25, 3.6.2.33 à 3.6.2.38 alinéa 1er, 3.6.2.40 sont d'application.]1
Sauf stipulation contraire, les articles 3.6.2.20, 3.6.2.21, 3.6.2.24, 3.6.2.25, 3.6.2.33 à 3.6.2.38 alinéa 1er, 3.6.2.40 sont d'application.]1
Afdeling 3. [1 - Ligovereenkomst en overeenkomst om te liggen en/of te varen]1
Section 3. [1 - Contrat de séjour et contrat en séjour et/ou navigation]1
Art.3.6.2.42. [1 Materiële toepassing
Onder voorbehoud van de artikelen 3.6.1.2 en 3.6.1.3 en van andere dwingende wettelijke en reglementaire bepalingen kunnen partijen contractueel anders bepalen dan voorzien in deze afdeling.]1
Onder voorbehoud van de artikelen 3.6.1.2 en 3.6.1.3 en van andere dwingende wettelijke en reglementaire bepalingen kunnen partijen contractueel anders bepalen dan voorzien in deze afdeling.]1
Art.3.6.2.42. [1 Application matérielle
Sous réserve des articles 3.6.1.2 et 3.6.1.3 et d'autres dispositions législatives et réglementaires contraignantes, les parties peuvent décider autrement contractuellement que prévu dans la présente section.]1
Sous réserve des articles 3.6.1.2 et 3.6.1.3 et d'autres dispositions législatives et réglementaires contraignantes, les parties peuvent décider autrement contractuellement que prévu dans la présente section.]1
Onderafdeling 1. [1 - Ligovereenkomst]1
Sous-section 1re. [1 - Contrat de séjour]1
Art.3.6.2.43. [1 Vermeldingen
§ 1 De ligovereenkomst vermeldt:
1° de naam en de woonplaats of de zetel van de vervrachter en de bevrachter;
2° de volgende gegevens betreffende het binnenschip: naam, uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI), nummer teboekstelling, type, tonnenmaat en afmetingen, bouwplaats, bouwjaar, Uniebinnenvaartcertificaat of certificaat van onderzoek, gevestigde scheepshypotheken en verdere bijzonderheden;
3° de haven of plaats, en het vroegste en het laatste tijdstip voor levering en teruggave;
4° desgevallend, het toegelaten vaargebied;
5° de duur van de bevrachting;
6° de vracht;
7° de plaats en het tijdstip van ondertekening.
§ 2. Het ontbreken van één of meer in dit lid bedoelde gegevens tast de geldigheid van de overeenkomst niet aan.]1
§ 1 De ligovereenkomst vermeldt:
1° de naam en de woonplaats of de zetel van de vervrachter en de bevrachter;
2° de volgende gegevens betreffende het binnenschip: naam, uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI), nummer teboekstelling, type, tonnenmaat en afmetingen, bouwplaats, bouwjaar, Uniebinnenvaartcertificaat of certificaat van onderzoek, gevestigde scheepshypotheken en verdere bijzonderheden;
3° de haven of plaats, en het vroegste en het laatste tijdstip voor levering en teruggave;
4° desgevallend, het toegelaten vaargebied;
5° de duur van de bevrachting;
6° de vracht;
7° de plaats en het tijdstip van ondertekening.
§ 2. Het ontbreken van één of meer in dit lid bedoelde gegevens tast de geldigheid van de overeenkomst niet aan.]1
Art.3.6.2.43. [1 Mentions
§ 1er. Le contrat de séjour mentionne:
1° les nom et domicile ou le siège du fréteur et de l'affréteur;
2° les données suivantes concernant le bateau de navigation intérieure: nom, numéro européen unique d'identification des bateaux (ENI), numéro d'immatriculation, type, tonnage et dimensions, lieu de construction, année de construction, certificat de l'Union pour bateaux de navigation intérieure ou certificat de visite, hypothèques sur navires constituées et d'autres particularités;
3° le port ou le lieu et la première et la dernière heure possibles pour la livraison et la restitution;
4° le cas échéant, la zone de navigation autorisée;
5° la durée de l'affrètement;
6° le fret;
7° le lieu et la date de signature.
§ 2. L'absence d'une ou de plusieurs des données visées au présent alinéa n'affecte pas la validité du contrat.]1
§ 1er. Le contrat de séjour mentionne:
1° les nom et domicile ou le siège du fréteur et de l'affréteur;
2° les données suivantes concernant le bateau de navigation intérieure: nom, numéro européen unique d'identification des bateaux (ENI), numéro d'immatriculation, type, tonnage et dimensions, lieu de construction, année de construction, certificat de l'Union pour bateaux de navigation intérieure ou certificat de visite, hypothèques sur navires constituées et d'autres particularités;
3° le port ou le lieu et la première et la dernière heure possibles pour la livraison et la restitution;
4° le cas échéant, la zone de navigation autorisée;
5° la durée de l'affrètement;
6° le fret;
7° le lieu et la date de signature.
§ 2. L'absence d'une ou de plusieurs des données visées au présent alinéa n'affecte pas la validité du contrat.]1
Art.3.6.2.44. [1 Duur van de overeenkomst
De overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde of onbepaalde duur.
Indien de overeenkomst voor onbepaalde duur is, heeft elke partij het recht deze op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van vijftien dagen.
Indien op het tijdstip waarop de overeenkomst eindigt, de lading niet geheel gelost is, heeft de vervrachter recht op vergoeding van alle schade die hij daardoor lijdt.]1
De overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde of onbepaalde duur.
Indien de overeenkomst voor onbepaalde duur is, heeft elke partij het recht deze op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van vijftien dagen.
Indien op het tijdstip waarop de overeenkomst eindigt, de lading niet geheel gelost is, heeft de vervrachter recht op vergoeding van alle schade die hij daardoor lijdt.]1
Art.3.6.2.44. [1 Durée du contrat
Le contrat est conclu pour une durée déterminée ou indéterminée.
Si le contrat est de durée indéterminée, chaque partie a le droit de le résilier moyennant un préavis de quinze jours.
Si, à l'expiration du contrat, la cargaison n'a pas été complètement déchargée, le fréteur a droit à une indemnisation pour tous les dommages qu'il subit de ce fait.]1
Le contrat est conclu pour une durée déterminée ou indéterminée.
Si le contrat est de durée indéterminée, chaque partie a le droit de le résilier moyennant un préavis de quinze jours.
Si, à l'expiration du contrat, la cargaison n'a pas été complètement déchargée, le fréteur a droit à une indemnisation pour tous les dommages qu'il subit de ce fait.]1
Art.3.6.2.45. [1 Staat van het binnenschip
§ 1. De vervrachter moet het binnenschip in goede staat van onderhoud en ladinggeschikt ter beschikking stellen van de bevrachter.
§ 2. Ingeval het binnenschip niet in goede staat is, mag de bevrachter de overeenkomst voor de belading opzeggen zonder enige vergoeding verschuldigd te zijn.
De bewijslast in verband met de gebrekkige staat van het binnenschip rust op de bevrachter.
§ 3. De bevrachter die het binnenschip in slechte staat van onderhoud aanvaardt, doet dit op eigen risico en kan zich daar niet op beroepen om de vervrachter aansprakelijk te stellen voor de beschadiging die er het gevolg van zou zijn.]1
§ 1. De vervrachter moet het binnenschip in goede staat van onderhoud en ladinggeschikt ter beschikking stellen van de bevrachter.
§ 2. Ingeval het binnenschip niet in goede staat is, mag de bevrachter de overeenkomst voor de belading opzeggen zonder enige vergoeding verschuldigd te zijn.
De bewijslast in verband met de gebrekkige staat van het binnenschip rust op de bevrachter.
§ 3. De bevrachter die het binnenschip in slechte staat van onderhoud aanvaardt, doet dit op eigen risico en kan zich daar niet op beroepen om de vervrachter aansprakelijk te stellen voor de beschadiging die er het gevolg van zou zijn.]1
Art.3.6.2.45. [1 Etat du bateau de navigation intérieure
§ 1er. Le fréteur doit mettre le bateau de navigation intérieure à la disposition de l'affréteur en bon état d'entretien et de manière appropriée pour la cargaison.
§ 2. Si le bateau de navigation intérieure n'est pas en bon état, l'affréteur peut résilier le contrat avant le chargement sans être redevable d'une quelconque indemnité.
La charge de la preuve de l'état défectueux du bateau de navigation intérieure incombe à l'affréteur.
§ 3. L'affréteur qui a accepté un bateau de navigation intérieure en mauvais état d'entretien le fait à ses risques et périls et ne peut s'en prévaloir pour rendre le fréteur responsable des avaries qui en seraient la conséquence.]1
§ 1er. Le fréteur doit mettre le bateau de navigation intérieure à la disposition de l'affréteur en bon état d'entretien et de manière appropriée pour la cargaison.
§ 2. Si le bateau de navigation intérieure n'est pas en bon état, l'affréteur peut résilier le contrat avant le chargement sans être redevable d'une quelconque indemnité.
La charge de la preuve de l'état défectueux du bateau de navigation intérieure incombe à l'affréteur.
§ 3. L'affréteur qui a accepté un bateau de navigation intérieure en mauvais état d'entretien le fait à ses risques et périls et ne peut s'en prévaloir pour rendre le fréteur responsable des avaries qui en seraient la conséquence.]1
Art.3.6.2.46. [1 Ligplaats
§ 1. De vervrachter moet het binnenschip op eigen kosten op de plaats brengen die voor het liggen is aangewezen.
Indien hij meent dat de aangewezen plaats niet geschikt is of gevaar oplevert voor schade aan het binnenschip, mag hij weigeren erheen te varen, tenzij de bevrachter zich er schriftelijk toe verbindt de aansprakelijkheid op zich te nemen voor de schade die het binnenschip ten gevolge van de aan die plaats verbonden risico's mocht overkomen.
Indien de gevaren van de plaats niet zichtbaar zijn, is de bevrachter die de vervrachter beveelt zijn binnenschip aldaar te leggen, van rechtswege aansprakelijk voor de aan die plaats verbonden risico's.
Onverminderd het voorgaande is de bevrachter verplicht gedurende de ganse tijd dat het binnenschip zich op de aangewezen laad- of losplaats bevindt, er voor te zorgen dat het veilig kan afmeren, liggen, verhalen, laden en vertrekken.]1
§ 1. De vervrachter moet het binnenschip op eigen kosten op de plaats brengen die voor het liggen is aangewezen.
Indien hij meent dat de aangewezen plaats niet geschikt is of gevaar oplevert voor schade aan het binnenschip, mag hij weigeren erheen te varen, tenzij de bevrachter zich er schriftelijk toe verbindt de aansprakelijkheid op zich te nemen voor de schade die het binnenschip ten gevolge van de aan die plaats verbonden risico's mocht overkomen.
Indien de gevaren van de plaats niet zichtbaar zijn, is de bevrachter die de vervrachter beveelt zijn binnenschip aldaar te leggen, van rechtswege aansprakelijk voor de aan die plaats verbonden risico's.
Onverminderd het voorgaande is de bevrachter verplicht gedurende de ganse tijd dat het binnenschip zich op de aangewezen laad- of losplaats bevindt, er voor te zorgen dat het veilig kan afmeren, liggen, verhalen, laden en vertrekken.]1
Art.3.6.2.46. [1 Emplacement de séjour
§ 1er. Le fréteur doit, à ses frais, amener le bateau de navigation intérieure à l'endroit désigné pour le séjour.
S'il estime que l'emplacement désigné n'est pas approprié ou expose le bateau de navigation intérieure à des dégâts, il peut refuser de s'y rendre, à moins que l'affréteur s'engage par écrit à assumer la responsabilité des dégâts qui seraient occasionnés au bateau de navigation intérieure par suite des risques inhérents à cet emplacement.
Si les dangers de l'emplacement ne sont pas apparents, l'affréteur qui ordonne au fréteur d'y placer son bateau de navigation intérieure est de plein droit responsable des risques inhérents à cet emplacement.
Sans préjudice de ce qui précède, l'affréteur est tenu de veiller, pendant tout le temps où le bateau de navigation intérieure se trouve au lieu de chargement ou de déchargement désigné, à ce qu'il puisse s'amarrer, séjourner, déhaler, charger et repartir en toute sécurité.]1
§ 1er. Le fréteur doit, à ses frais, amener le bateau de navigation intérieure à l'endroit désigné pour le séjour.
S'il estime que l'emplacement désigné n'est pas approprié ou expose le bateau de navigation intérieure à des dégâts, il peut refuser de s'y rendre, à moins que l'affréteur s'engage par écrit à assumer la responsabilité des dégâts qui seraient occasionnés au bateau de navigation intérieure par suite des risques inhérents à cet emplacement.
Si les dangers de l'emplacement ne sont pas apparents, l'affréteur qui ordonne au fréteur d'y placer son bateau de navigation intérieure est de plein droit responsable des risques inhérents à cet emplacement.
Sans préjudice de ce qui précède, l'affréteur est tenu de veiller, pendant tout le temps où le bateau de navigation intérieure se trouve au lieu de chargement ou de déchargement désigné, à ce qu'il puisse s'amarrer, séjourner, déhaler, charger et repartir en toute sécurité.]1
Art.3.6.2.47. [1 Laden en lossen
§ 1. De bevrachter staat in voor het laden en lossen van de goederen.
Onder laden wordt mede verstaan het stuwen en vastzetten van de lading.
Tot het lossen van een binnenschip behoren tevens de maatregelen tot nalossen en wassen, ontgassen en ventileren en inname van afval, en tot afgifte van een losverklaring, indien deze maatregelen op grond van het "CDNI-Verdrag" verplicht zijn.
§ 2. De vervrachter staat ervoor in dat het laden, het stuwen en het vastzetten van de goederen de veiligheid van het binnenschip niet in gevaar brengt.]1
§ 1. De bevrachter staat in voor het laden en lossen van de goederen.
Onder laden wordt mede verstaan het stuwen en vastzetten van de lading.
Tot het lossen van een binnenschip behoren tevens de maatregelen tot nalossen en wassen, ontgassen en ventileren en inname van afval, en tot afgifte van een losverklaring, indien deze maatregelen op grond van het "CDNI-Verdrag" verplicht zijn.
§ 2. De vervrachter staat ervoor in dat het laden, het stuwen en het vastzetten van de goederen de veiligheid van het binnenschip niet in gevaar brengt.]1
Art.3.6.2.47. [1 Chargement et déchargement
§ 1er. L'affréteur est responsable du chargement et du déchargement des marchandises.
Par chargement, on entend également l'arrimage et le calage de la cargaison.
Le déchargement d'un bateau de navigation intérieure comprend également les mesures nécessaires au déchargement des restes et au lavage, au dégazage et à la ventilation et à la réception des déchets ainsi que les mesures nécessaires à la délivrance d'une attestation de déchargement, si ces mesures sont obligatoires en vertu de "la Convention CDNI".
§ 2. Le fréteur doit garantir que le chargement, l'arrimage et le calage des marchandises n'affectent pas la sécurité du bateau de navigation intérieure.]1
§ 1er. L'affréteur est responsable du chargement et du déchargement des marchandises.
Par chargement, on entend également l'arrimage et le calage de la cargaison.
Le déchargement d'un bateau de navigation intérieure comprend également les mesures nécessaires au déchargement des restes et au lavage, au dégazage et à la ventilation et à la réception des déchets ainsi que les mesures nécessaires à la délivrance d'une attestation de déchargement, si ces mesures sont obligatoires en vertu de "la Convention CDNI".
§ 2. Le fréteur doit garantir que le chargement, l'arrimage et le calage des marchandises n'affectent pas la sécurité du bateau de navigation intérieure.]1
Art.3.6.2.48. [1 Informatieplicht m.b.t. de goederen
De bevrachter is met betrekking tot de goederen gehouden tot dezelfde informatie-verplichtingen als de afzender onder onderafdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel.
Indien de bevrachter die verplichting niet nakomt, is de vervrachter gerechtigd de overeenkomst te ontbinden en de goederen op kosten van de bevrachter te lossen, onverminderd het recht op vergoeding van alle schade die hij lijdt.]1
De bevrachter is met betrekking tot de goederen gehouden tot dezelfde informatie-verplichtingen als de afzender onder onderafdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel.
Indien de bevrachter die verplichting niet nakomt, is de vervrachter gerechtigd de overeenkomst te ontbinden en de goederen op kosten van de bevrachter te lossen, onverminderd het recht op vergoeding van alle schade die hij lijdt.]1
Art.3.6.2.48. [1 Obligation d'information concernant les marchandises
L'affréteur est soumis aux mêmes obligations d'information concernant les marchandises que l'expéditeur en vertu de la sous-section 2 du chapitre 3 du présent titre.
Si l'affréteur ne respecte pas cette obligation, le fréteur a le droit de résilier le contrat et de décharger les marchandises aux frais de l'affréteur, sans préjudice du droit à indemnisation pour tous les dommages qu'il subit.]1
L'affréteur est soumis aux mêmes obligations d'information concernant les marchandises que l'expéditeur en vertu de la sous-section 2 du chapitre 3 du présent titre.
Si l'affréteur ne respecte pas cette obligation, le fréteur a le droit de résilier le contrat et de décharger les marchandises aux frais de l'affréteur, sans préjudice du droit à indemnisation pour tous les dommages qu'il subit.]1
Art.3.6.2.49. [1 Inontvangstneming en aflevering goederen
Tenzij anders overeengekomen, vindt de inontvangstneming en de aflevering van goederen plaats aan boord van het binnenschip.]1
Tenzij anders overeengekomen, vindt de inontvangstneming en de aflevering van goederen plaats aan boord van het binnenschip.]1
Art.3.6.2.49. [1 Réception et livraison des marchandises
Sauf s'il en a été convenu autrement, la réception et la livraison des marchandises ont lieu à bord du bateau de navigation intérieure.]1
Sauf s'il en a été convenu autrement, la réception et la livraison des marchandises ont lieu à bord du bateau de navigation intérieure.]1
Art.3.6.2.50. [1 Aansprakelijkheid van de vervrachter
De aansprakelijkheid van de vervrachter, zijn ondergeschikten en lasthebbers voor schade aan de lading wordt geregeld door de bepalingen van hoofdstuk 3.
Nietig is elk beding dat van deze bepaling afwijkt.]1
De aansprakelijkheid van de vervrachter, zijn ondergeschikten en lasthebbers voor schade aan de lading wordt geregeld door de bepalingen van hoofdstuk 3.
Nietig is elk beding dat van deze bepaling afwijkt.]1
Art.3.6.2.50. [1 Responsabilité du fréteur
La responsabilité du fréteur, de ses préposés et de ses mandataires pour les dommages causés à la cargaison est régie par les dispositions du chapitre 3.
Toute clause dérogeant à la présente disposition est nulle.]1
La responsabilité du fréteur, de ses préposés et de ses mandataires pour les dommages causés à la cargaison est régie par les dispositions du chapitre 3.
Toute clause dérogeant à la présente disposition est nulle.]1
Art.3.6.2.51. [1 Vracht
§ 1. De vracht is voor de gehele dag verschuldigd, onverschillig op welk uur het laden of het lossen eindigt.
§ 2. De vervrachter heeft tevens recht op vergoeding van alle sleep- en verhaalkosten alsook alle andere kosten die met het oog op het liggen redelijkerwijs zijn gemaakt.
§ 3. De vracht en de overige op de goederen rustende vorderingen en kosten zijn verschuldigd zonder recht van de bevrachter op verrekening met betwiste schade aan of verlies van lading.
§ 4. Indien de bevrachting betrekking heeft op varen en liggen kan de vervrachter niet verplicht worden de reis aan te vatten alvorens de vracht voor het liggen en de desgevallend gemaakte kosten betaald zijn.]1
§ 1. De vracht is voor de gehele dag verschuldigd, onverschillig op welk uur het laden of het lossen eindigt.
§ 2. De vervrachter heeft tevens recht op vergoeding van alle sleep- en verhaalkosten alsook alle andere kosten die met het oog op het liggen redelijkerwijs zijn gemaakt.
§ 3. De vracht en de overige op de goederen rustende vorderingen en kosten zijn verschuldigd zonder recht van de bevrachter op verrekening met betwiste schade aan of verlies van lading.
§ 4. Indien de bevrachting betrekking heeft op varen en liggen kan de vervrachter niet verplicht worden de reis aan te vatten alvorens de vracht voor het liggen en de desgevallend gemaakte kosten betaald zijn.]1
Art.3.6.2.51. [1 Fret
§ 1er. Quelle que soit l'heure à laquelle finit le chargement ou le déchargement, le fret est dû pour la journée entière.
§ 2. Le fréteur a également droit à une indemnisation pour tous les frais de remorquage et de déhalage ainsi que pour tous les autres frais raisonnablement engagés en vue du séjour.
§ 3. Le fret et les autres créances et frais grevant les marchandises sont dus sans que l'affréteur ait droit à compensation avec les dommages contestés à la cargaison ou la perte de la cargaison.
§ 4. Si l'affrètement porte sur la navigation et le séjour, le fréteur ne peut être tenu de commencer le voyage avant que le fret pour le séjour et les frais engagés le cas échéant aient été payés.]1
§ 1er. Quelle que soit l'heure à laquelle finit le chargement ou le déchargement, le fret est dû pour la journée entière.
§ 2. Le fréteur a également droit à une indemnisation pour tous les frais de remorquage et de déhalage ainsi que pour tous les autres frais raisonnablement engagés en vue du séjour.
§ 3. Le fret et les autres créances et frais grevant les marchandises sont dus sans que l'affréteur ait droit à compensation avec les dommages contestés à la cargaison ou la perte de la cargaison.
§ 4. Si l'affrètement porte sur la navigation et le séjour, le fréteur ne peut être tenu de commencer le voyage avant que le fret pour le séjour et les frais engagés le cas échéant aient été payés.]1
Art.3.6.2.52. [1 Verjaring
§ 1. Alle vorderingen die voortvloeien uit een overeenkomst waarop deze onderafdeling van toepassing is, verjaren na een jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de goederen zijn of hadden moeten zijn afgeleverd.
De dag waarop de verjaringstermijn aanvangt, wordt niet meegerekend.
§ 2. De persoon tegen wie een vordering is ingesteld, kan de termijn te allen tijde gedurende de verjaringstermijn verlengen door middel van een schriftelijke verklaring aan de benadeelde. Deze termijn kan opnieuw door één of meerdere verklaringen worden verlengd.
§ 3. De verjaringstermijn kan tevens geschorst en gestuit worden overeenkomstig de regels van gemeen recht.
De instelling van een vordering bij een procedure ter verdeling van de beperkte aansprakelijkheid van alle uit een schadegeval voortvloeiende vorderingen schorst de verjaring.
§ 4. Een vordering tot verhaal door een persoon die ingevolge deze onderafdeling aansprakelijk wordt gesteld, kan ook na afloop van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde verjaringstermijn worden ingesteld, indien een procedure wordt ingesteld binnen negentig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de persoon die de vordering tot verhaal instelt de vordering heeft voldaan of waarop de vordering aan hem is betekend.
§ 5. Een verjaarde vordering kan niet worden ingesteld in de vorm van een tegenvordering of exceptie.
§ 6. Elk beding dat strekt tot verkorting van de in dit artikel bedoelde termijnen, is nietig.]1
§ 1. Alle vorderingen die voortvloeien uit een overeenkomst waarop deze onderafdeling van toepassing is, verjaren na een jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de goederen zijn of hadden moeten zijn afgeleverd.
De dag waarop de verjaringstermijn aanvangt, wordt niet meegerekend.
§ 2. De persoon tegen wie een vordering is ingesteld, kan de termijn te allen tijde gedurende de verjaringstermijn verlengen door middel van een schriftelijke verklaring aan de benadeelde. Deze termijn kan opnieuw door één of meerdere verklaringen worden verlengd.
§ 3. De verjaringstermijn kan tevens geschorst en gestuit worden overeenkomstig de regels van gemeen recht.
De instelling van een vordering bij een procedure ter verdeling van de beperkte aansprakelijkheid van alle uit een schadegeval voortvloeiende vorderingen schorst de verjaring.
§ 4. Een vordering tot verhaal door een persoon die ingevolge deze onderafdeling aansprakelijk wordt gesteld, kan ook na afloop van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde verjaringstermijn worden ingesteld, indien een procedure wordt ingesteld binnen negentig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de persoon die de vordering tot verhaal instelt de vordering heeft voldaan of waarop de vordering aan hem is betekend.
§ 5. Een verjaarde vordering kan niet worden ingesteld in de vorm van een tegenvordering of exceptie.
§ 6. Elk beding dat strekt tot verkorting van de in dit artikel bedoelde termijnen, is nietig.]1
Art.3.6.2.52. [1 Prescription
§ 1er. Toutes les actions nées d'un contrat régi par la présente sous-section se prescrivent dans le délai d'un an à compter du jour où les marchandises ont été ou auraient dû être livrées.
Le jour du départ de la prescription n'est pas compris dans le délai.
§ 2. La personne contre laquelle une action a été engagée peut à tout moment, pendant le délai de prescription, prolonger ce délai par une déclaration adressée par écrit à la personne lésée. Ce délai peut être de nouveau prolongé par une ou plusieurs autres déclarations.
§ 3. Le délai de prescription peut également être suspendu et interrompu conformément aux règles du droit commun.
L'introduction d'un recours, lors d'une procédure de répartition en vue de la mise en oeuvre de la responsabilité limitée pour toutes créances résultant d'un événement ayant entraîné des dommages, interrompt la prescription.
§ 4. Une action récursoire d'une personne tenue pour responsable en vertu de la présente sous-section pourra être exercée même après l'expiration du délai de prescription prévu aux paragraphes 1er et 2, si une procédure est engagée dans un délai de nonante jours à compter du jour où la personne qui exerce l'action récursoire a fait droit à la réclamation ou a été assignée.
§ 5. L'action prescrite ne peut pas être exercée sous forme de demande reconventionnelle ou d'exception.
§ 6. Toute clause visant à raccourcir les délais visés au présent article est nulle.]1
§ 1er. Toutes les actions nées d'un contrat régi par la présente sous-section se prescrivent dans le délai d'un an à compter du jour où les marchandises ont été ou auraient dû être livrées.
Le jour du départ de la prescription n'est pas compris dans le délai.
§ 2. La personne contre laquelle une action a été engagée peut à tout moment, pendant le délai de prescription, prolonger ce délai par une déclaration adressée par écrit à la personne lésée. Ce délai peut être de nouveau prolongé par une ou plusieurs autres déclarations.
§ 3. Le délai de prescription peut également être suspendu et interrompu conformément aux règles du droit commun.
L'introduction d'un recours, lors d'une procédure de répartition en vue de la mise en oeuvre de la responsabilité limitée pour toutes créances résultant d'un événement ayant entraîné des dommages, interrompt la prescription.
§ 4. Une action récursoire d'une personne tenue pour responsable en vertu de la présente sous-section pourra être exercée même après l'expiration du délai de prescription prévu aux paragraphes 1er et 2, si une procédure est engagée dans un délai de nonante jours à compter du jour où la personne qui exerce l'action récursoire a fait droit à la réclamation ou a été assignée.
§ 5. L'action prescrite ne peut pas être exercée sous forme de demande reconventionnelle ou d'exception.
§ 6. Toute clause visant à raccourcir les délais visés au présent article est nulle.]1
Onderafdeling 2. [1 - Overeenkomst om te liggen en/of te varen]1
Sous-section 2. [1 - Contrat en séjour et/ou navigation]1
Art.3.6.2.53. [1 Toepasselijke bepalingen
De bepalingen van onderafdeling 1 zijn eveneens van toepassing op het liggen onder een overeenkomst om te liggen en/of te varen.
Het varen wordt geregeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.6.3.2.]1
De bepalingen van onderafdeling 1 zijn eveneens van toepassing op het liggen onder een overeenkomst om te liggen en/of te varen.
Het varen wordt geregeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.6.3.2.]1
Art.3.6.2.53. [1 Dispositions applicables
Les dispositions de la sous-section 1re s'appliquent également au séjour dans le cadre d'un contrat en séjour et/ou navigation.
La navigation est régie conformément aux dispositions de l'article 3.6.3.2.]1
Les dispositions de la sous-section 1re s'appliquent également au séjour dans le cadre d'un contrat en séjour et/ou navigation.
La navigation est régie conformément aux dispositions de l'article 3.6.3.2.]1
HOOFDSTUK 3. [1 - Vervoerovereenkomsten]1
CHAPITRE 3. [1 - Contrats de transport]1
Afdeling 1. [1 - Goederenvervoer]1
Section 1re. [1 - Transport de marchandises]1
Onderafdeling 1. [1 Algemene bepalingen]1
Sous-section 1ère. [1 - Dispositions générales]1
Art.3.6.3.1. [1 Begrippen
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
1° "vervoerovereenkomst": elke overeenkomst, ongeacht hoe deze wordt aangeduid, waarbij een vervoerder zich verbindt tegen betaling van vracht goederen te vervoeren over de binnenwateren;
2° "vervoerder": een ieder door wie of namens wie een vervoerovereenkomst is gesloten met een afzender;
3° "ondervervoerder": een ieder, anders dan de ondergeschikte of lasthebber van de vervoerder, aan wie de uitvoering van het vervoer geheel of gedeeltelijk door de vervoerder is toevertrouwd;
4° "afzender": een ieder door wie of namens wie of voor wiens rekening een vervoerovereenkomst is gesloten met een vervoerder;
5° "geadresseerde": de persoon die gerechtigd is de goederen in ontvangst te nemen;
6° "vervoersdocument": een document dat het bewijs vormt van een vervoerovereenkomst en dat de inontvangstneming of het aan boord nemen van goederen door een vervoerder aantoont, opgemaakt in de vorm van een cognossement of vrachtbrief of in de vorm van elk ander in de handel gebruikelijk document;
7° "goederen": wordt onder goederen niet begrepen gesleepte of geduwde schepen, noch de bagage noch de voertuigen van de vervoerde personen; indien de goederen in een container, op een pallet of in of op een soortgelijke vervoerseenheid zijn samengebracht of indien zij zijn verpakt, wordt onder "goederen" eveneens deze vervoerseenheid of verpakking verstaan, indien deze door de afzender wordt verschaft;
8° "schriftelijk": tenzij de betrokken personen anders zijn overeengekomen, ook de situatie waarbij informatie wordt doorgegeven via elektronische, optische of soortgelijke communicatiemiddelen, met inbegrip van, doch niet beperkt tot telegrammen, telefaxen, telexberichten, elektronische post of elektronische gegevensuitwisseling (EDI), mits de informatie beschikbaar blijft om vervolgens als referentie te worden gebruikt;
9° "rekeneenheden": het bijzonder trekkingsrecht vastgesteld door het Internationaal Monetair Fonds;
10° "ligtijd": de termijn om te laden en/of te lossen;
11° "overliggeld": de schadevergoeding verschuldigd wegens de overschrijding van de lig-, laad- of lostijd, al naargelang wat bedongen is;
12° "overeenkomst van multimodaal goederenvervoer": de overeenkomst van goederenvervoer waarbij de vervoerder (Multimodale vervoerder) zich bij een en dezelfde overeenkomst tegenover de afzender verbindt dat het vervoer deels over zee, over binnenwateren, over de weg, over spoorwegen, door de lucht of door een pijpleiding dan wel door middel van enige andere vervoerstechniek zal geschieden;
13° "overeenkomst van fleximodaal goederenvervoer": de overeenkomst van goederenvervoer waarbij de vervoerder zich tegenover de afzender verbindt te vervoeren en waarbij de vervoerwijze onbepaald is.]1
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
1° "vervoerovereenkomst": elke overeenkomst, ongeacht hoe deze wordt aangeduid, waarbij een vervoerder zich verbindt tegen betaling van vracht goederen te vervoeren over de binnenwateren;
2° "vervoerder": een ieder door wie of namens wie een vervoerovereenkomst is gesloten met een afzender;
3° "ondervervoerder": een ieder, anders dan de ondergeschikte of lasthebber van de vervoerder, aan wie de uitvoering van het vervoer geheel of gedeeltelijk door de vervoerder is toevertrouwd;
4° "afzender": een ieder door wie of namens wie of voor wiens rekening een vervoerovereenkomst is gesloten met een vervoerder;
5° "geadresseerde": de persoon die gerechtigd is de goederen in ontvangst te nemen;
6° "vervoersdocument": een document dat het bewijs vormt van een vervoerovereenkomst en dat de inontvangstneming of het aan boord nemen van goederen door een vervoerder aantoont, opgemaakt in de vorm van een cognossement of vrachtbrief of in de vorm van elk ander in de handel gebruikelijk document;
7° "goederen": wordt onder goederen niet begrepen gesleepte of geduwde schepen, noch de bagage noch de voertuigen van de vervoerde personen; indien de goederen in een container, op een pallet of in of op een soortgelijke vervoerseenheid zijn samengebracht of indien zij zijn verpakt, wordt onder "goederen" eveneens deze vervoerseenheid of verpakking verstaan, indien deze door de afzender wordt verschaft;
8° "schriftelijk": tenzij de betrokken personen anders zijn overeengekomen, ook de situatie waarbij informatie wordt doorgegeven via elektronische, optische of soortgelijke communicatiemiddelen, met inbegrip van, doch niet beperkt tot telegrammen, telefaxen, telexberichten, elektronische post of elektronische gegevensuitwisseling (EDI), mits de informatie beschikbaar blijft om vervolgens als referentie te worden gebruikt;
9° "rekeneenheden": het bijzonder trekkingsrecht vastgesteld door het Internationaal Monetair Fonds;
10° "ligtijd": de termijn om te laden en/of te lossen;
11° "overliggeld": de schadevergoeding verschuldigd wegens de overschrijding van de lig-, laad- of lostijd, al naargelang wat bedongen is;
12° "overeenkomst van multimodaal goederenvervoer": de overeenkomst van goederenvervoer waarbij de vervoerder (Multimodale vervoerder) zich bij een en dezelfde overeenkomst tegenover de afzender verbindt dat het vervoer deels over zee, over binnenwateren, over de weg, over spoorwegen, door de lucht of door een pijpleiding dan wel door middel van enige andere vervoerstechniek zal geschieden;
13° "overeenkomst van fleximodaal goederenvervoer": de overeenkomst van goederenvervoer waarbij de vervoerder zich tegenover de afzender verbindt te vervoeren en waarbij de vervoerwijze onbepaald is.]1
Art.3.6.3.1. [1 Définitions
Pour l'application de la présente section, on l'entend par:
1° "contrat de transport": tout contrat, quelle que soit sa dénomination, par lequel un transporteur s'engage contre paiement d'un fret, à transporter des marchandises par voies d'eau intérieures;
2° "transporteur": toute personne par laquelle ou au nom de laquelle un contrat de transport a été conclu avec un expéditeur;
3° "transporteur substitué": toute personne, autre que le préposé ou le mandataire du transporteur, à laquelle l'exécution du transport ou d'une partie du transport a été confiée par le transporteur;
4° "expéditeur": toute personne par laquelle ou au nom de laquelle ou pour le compte de laquelle un contrat de transport a été conclu avec un transporteur;
5° "destinataire": la personne habilitée à prendre livraison des marchandises;
6° "document de transport": un document faisant preuve d'un contrat de transport et constatant la prise en charge ou la mise à bord des marchandises par un transporteur, établi sous la forme d'un connaissement ou d'une lettre de voiture ou de tout autre document en usage dans le commerce;
7° "marchandises": ne comprend ni les navires remorqués ou poussés ni les bagages et véhicules des passagers; lorsque les marchandises sont réunies dans un conteneur, sur une palette ou dans ou sur un dispositif de transport similaire ou lorsqu'elles sont emballées, le terme "marchandises" s'entend également dudit dispositif de transport ou dudit emballage s'il est fourni par l'expéditeur;
8° l'expression "par écrit": à moins que les personnes concernées n'en disposent autrement, comprend la situation dans laquelle l'information est transmise par un moyen électronique, optique ou tout autre moyen de communication similaire, y compris mais non exclusivement, par télégramme, télécopie, télex, courrier électronique ou par échange de données informatisées (EDI), pour autant que l'information reste accessible pour être utilisée ultérieurement comme référence;
9° "unités de compte": le droit de tirage spécial fixé par le Fonds monétaire international;
10° "délai de starie": le délai de chargement et/ou déchargement;
11° "surestaries": l'indemnité due pour le dépassement du délai de starie, de chargement ou de déchargement, selon ce qui a été stipulé;
12° "contrat de transport multimodal de marchandises": le contrat de transport de marchandises, par lequel le transporteur (transporteur multimodal) s'engage au moyen du même et unique contrat envers l'expéditeur que le transport sera effectué en partie par mer, par voies navigables intérieures, par route, par chemin de fer, par air ou par pipeline ou au moyen de toute autre technique de transport;
13° "contrat de transport flexi modal de marchandises": le contrat de transport de marchandises, par lequel le transporteur s'engage à transporter vis-à-vis de l'expéditeur et dont le mode de transport est indéterminé.]1
Pour l'application de la présente section, on l'entend par:
1° "contrat de transport": tout contrat, quelle que soit sa dénomination, par lequel un transporteur s'engage contre paiement d'un fret, à transporter des marchandises par voies d'eau intérieures;
2° "transporteur": toute personne par laquelle ou au nom de laquelle un contrat de transport a été conclu avec un expéditeur;
3° "transporteur substitué": toute personne, autre que le préposé ou le mandataire du transporteur, à laquelle l'exécution du transport ou d'une partie du transport a été confiée par le transporteur;
4° "expéditeur": toute personne par laquelle ou au nom de laquelle ou pour le compte de laquelle un contrat de transport a été conclu avec un transporteur;
5° "destinataire": la personne habilitée à prendre livraison des marchandises;
6° "document de transport": un document faisant preuve d'un contrat de transport et constatant la prise en charge ou la mise à bord des marchandises par un transporteur, établi sous la forme d'un connaissement ou d'une lettre de voiture ou de tout autre document en usage dans le commerce;
7° "marchandises": ne comprend ni les navires remorqués ou poussés ni les bagages et véhicules des passagers; lorsque les marchandises sont réunies dans un conteneur, sur une palette ou dans ou sur un dispositif de transport similaire ou lorsqu'elles sont emballées, le terme "marchandises" s'entend également dudit dispositif de transport ou dudit emballage s'il est fourni par l'expéditeur;
8° l'expression "par écrit": à moins que les personnes concernées n'en disposent autrement, comprend la situation dans laquelle l'information est transmise par un moyen électronique, optique ou tout autre moyen de communication similaire, y compris mais non exclusivement, par télégramme, télécopie, télex, courrier électronique ou par échange de données informatisées (EDI), pour autant que l'information reste accessible pour être utilisée ultérieurement comme référence;
9° "unités de compte": le droit de tirage spécial fixé par le Fonds monétaire international;
10° "délai de starie": le délai de chargement et/ou déchargement;
11° "surestaries": l'indemnité due pour le dépassement du délai de starie, de chargement ou de déchargement, selon ce qui a été stipulé;
12° "contrat de transport multimodal de marchandises": le contrat de transport de marchandises, par lequel le transporteur (transporteur multimodal) s'engage au moyen du même et unique contrat envers l'expéditeur que le transport sera effectué en partie par mer, par voies navigables intérieures, par route, par chemin de fer, par air ou par pipeline ou au moyen de toute autre technique de transport;
13° "contrat de transport flexi modal de marchandises": le contrat de transport de marchandises, par lequel le transporteur s'engage à transporter vis-à-vis de l'expéditeur et dont le mode de transport est indéterminé.]1
Art.3.6.3.2. [1 Internationale en materiële toepassing
§ 1. Ongeacht de benaming van de overeenkomst, is deze afdeling van toepassing op elk vervoer per binnenschip dat niet valt onder de bepalingen van het "CMNI-Verdrag", met inbegrip van vervoer per binnenschip in het kader van een multimodaal of fleximodaal vervoer.
§ 2. Op vervoersovereenkomsten waarvan sprake in het "CMNI-Verdrag", zijn de bepalingen van dat verdrag van toepassing alsmede, ingeval van vervoer per binnenschip, de onderafdelingen 8 en 9.
§ 3. Met inachtneming van de artikelen 3.6.1.2 en 3.6.1.3, kunnen partijen contractueel afwijken van onderafdeling 8.
§ 4. Bij elk vervoer verricht onder een bevrachtingsovereenkomst wordt onder bevrachter de afzender verstaan en onder vervrachter de vervoerder.
§ 5. Deze afdeling laat de rechten en verplichtingen van de vervoerder die voortvloeien uit internationale verdragen of uit het nationale recht inzake de beperking van de aansprakelijkheid van eigenaren van binnenvaart- of zeeschepen onverlet.]1
§ 1. Ongeacht de benaming van de overeenkomst, is deze afdeling van toepassing op elk vervoer per binnenschip dat niet valt onder de bepalingen van het "CMNI-Verdrag", met inbegrip van vervoer per binnenschip in het kader van een multimodaal of fleximodaal vervoer.
§ 2. Op vervoersovereenkomsten waarvan sprake in het "CMNI-Verdrag", zijn de bepalingen van dat verdrag van toepassing alsmede, ingeval van vervoer per binnenschip, de onderafdelingen 8 en 9.
§ 3. Met inachtneming van de artikelen 3.6.1.2 en 3.6.1.3, kunnen partijen contractueel afwijken van onderafdeling 8.
§ 4. Bij elk vervoer verricht onder een bevrachtingsovereenkomst wordt onder bevrachter de afzender verstaan en onder vervrachter de vervoerder.
§ 5. Deze afdeling laat de rechten en verplichtingen van de vervoerder die voortvloeien uit internationale verdragen of uit het nationale recht inzake de beperking van de aansprakelijkheid van eigenaren van binnenvaart- of zeeschepen onverlet.]1
Art.3.6.3.2. [1 Application internationale et matérielle
§ 1er. Indépendamment de la dénomination du contrat, la présente section s'applique à tout transport par bateau de navigation intérieure non visé par les dispositions de "la Convention CMNI", y compris le transport par bateau de navigation intérieure faisant partie d'un transport multimodal ou flexi modal.
§ 2. Les contrats de transport visés par "la convention CMNI" sont soumis aux dispositions de cette convention et, en cas de transport par bateau de navigation intérieure, aux sous-sections 8 et 9.
§ 3. Sous réserve des articles 3.6.1.2 et 3.6.1.3, les parties peuvent contractuellement déroger à la sous-section 8.
§ 4. Dans tout transport effectué en vertu d'une charte-partie, le terme affréteur désigne l'expéditeur et le terme fréteur désigne le transporteur.
§ 5. La présente section n'affecte pas les droits et obligations du transporteur en vertu des conventions internationales ou du droit national sur la limitation de la responsabilité des propriétaires de bateaux de navigation intérieure ou maritime.]1
§ 1er. Indépendamment de la dénomination du contrat, la présente section s'applique à tout transport par bateau de navigation intérieure non visé par les dispositions de "la Convention CMNI", y compris le transport par bateau de navigation intérieure faisant partie d'un transport multimodal ou flexi modal.
§ 2. Les contrats de transport visés par "la convention CMNI" sont soumis aux dispositions de cette convention et, en cas de transport par bateau de navigation intérieure, aux sous-sections 8 et 9.
§ 3. Sous réserve des articles 3.6.1.2 et 3.6.1.3, les parties peuvent contractuellement déroger à la sous-section 8.
§ 4. Dans tout transport effectué en vertu d'une charte-partie, le terme affréteur désigne l'expéditeur et le terme fréteur désigne le transporteur.
§ 5. La présente section n'affecte pas les droits et obligations du transporteur en vertu des conventions internationales ou du droit national sur la limitation de la responsabilité des propriétaires de bateaux de navigation intérieure ou maritime.]1
Onderafdeling 2. [1 - Rechten en verplichtingen van de overeenkomst sluitende partijen]1
Sous-section 2. [1 - Droits et obligations des parties contractantes]1
Art.3.6.3.3. [1 Inontvangstneming, vervoer en aflevering van de goederen
§ 1. De vervoerder is verplicht de goederen binnen de gestelde termijn naar de plaats van aflevering te vervoeren en deze bij de geadresseerde af te leveren in dezelfde staat als waarin hij ze heeft overhandigd gekregen.
§ 2. Tenzij anders is overeengekomen, vinden de inontvangstneming en aflevering van de goederen plaats aan boord van het binnenschip.
§ 3. De vervoerder bepaalt welk binnenschip moet worden gebruikt. Hij is verplicht, voorafgaand aan en bij aanvang van de reis, er naar behoren op toe te zien dat het binnenschip, rekening houdend met de te vervoeren goederen, geschikt is om de lading in te nemen, geschikt is om te varen en voorzien is van de ingevolge de geldende regelgeving vereiste uitrusting en bemanning en dat de voor het vervoer van de betrokken goederen vereiste nationale en internationale vergunningen aanwezig zijn.
§ 4. Indien is overeengekomen het vervoer te verrichten met een bepaald binnenschip of een bepaald type binnenschip, is de vervoerder, zonder toestemming van de afzender, slechts gerechtigd de goederen geheel of gedeeltelijk te laden of over te laden op een ander binnenschip of een ander type binnenschip:
1° bij omstandigheden zoals laagwater, aanvaringen of andere stremmingen van het scheepsverkeer die ten tijde van het sluiten van de vervoerovereenkomst niet te voorzien waren en die het laden of overladen van de goederen noodzakelijk maken voor de uitvoering van de vervoerovereenkomst en wanneer de vervoerder niet binnen een passende termijn instructies van de afzender kan verkrijgen; of
2° wanneer dit in overeenstemming is met de gebruiken in de haven waarin het binnenschip zich bevindt.
§ 5. Onverminderd de verplichtingen van de afzender, staat de vervoerder ervoor in dat het laden, het stuwen en het vastzetten van de goederen de veiligheid van het binnenschip niet in gevaar brengt.
§ 6. De vervoerder mag de goederen slechts vervoeren op het dek of in open ruimen indien dit met de afzender is overeengekomen of indien dit in overeenstemming is met het handelsgebruik of vereist is op grond van geldende voorschriften.]1
§ 1. De vervoerder is verplicht de goederen binnen de gestelde termijn naar de plaats van aflevering te vervoeren en deze bij de geadresseerde af te leveren in dezelfde staat als waarin hij ze heeft overhandigd gekregen.
§ 2. Tenzij anders is overeengekomen, vinden de inontvangstneming en aflevering van de goederen plaats aan boord van het binnenschip.
§ 3. De vervoerder bepaalt welk binnenschip moet worden gebruikt. Hij is verplicht, voorafgaand aan en bij aanvang van de reis, er naar behoren op toe te zien dat het binnenschip, rekening houdend met de te vervoeren goederen, geschikt is om de lading in te nemen, geschikt is om te varen en voorzien is van de ingevolge de geldende regelgeving vereiste uitrusting en bemanning en dat de voor het vervoer van de betrokken goederen vereiste nationale en internationale vergunningen aanwezig zijn.
§ 4. Indien is overeengekomen het vervoer te verrichten met een bepaald binnenschip of een bepaald type binnenschip, is de vervoerder, zonder toestemming van de afzender, slechts gerechtigd de goederen geheel of gedeeltelijk te laden of over te laden op een ander binnenschip of een ander type binnenschip:
1° bij omstandigheden zoals laagwater, aanvaringen of andere stremmingen van het scheepsverkeer die ten tijde van het sluiten van de vervoerovereenkomst niet te voorzien waren en die het laden of overladen van de goederen noodzakelijk maken voor de uitvoering van de vervoerovereenkomst en wanneer de vervoerder niet binnen een passende termijn instructies van de afzender kan verkrijgen; of
2° wanneer dit in overeenstemming is met de gebruiken in de haven waarin het binnenschip zich bevindt.
§ 5. Onverminderd de verplichtingen van de afzender, staat de vervoerder ervoor in dat het laden, het stuwen en het vastzetten van de goederen de veiligheid van het binnenschip niet in gevaar brengt.
§ 6. De vervoerder mag de goederen slechts vervoeren op het dek of in open ruimen indien dit met de afzender is overeengekomen of indien dit in overeenstemming is met het handelsgebruik of vereist is op grond van geldende voorschriften.]1
Art.3.6.3.3. [1 Prise en charge, transport et livraison des marchandises
§ 1er. Le transporteur doit transporter les marchandises au lieu de livraison dans les délais impartis et les livrer au destinataire dans l'état dans lequel elles lui ont été confiées.
§ 2. Sauf s'il en a été convenu autrement, la prise en charge des marchandises et leur livraison ont lieu à bord du bateau de navigation intérieure.
§ 3. Le transporteur décide du bateau de navigation intérieure à utiliser. Il est tenu, avant le voyage et au départ de celui-ci, de faire preuve de la diligence requise afin que, compte tenu des marchandises à transporter, le bateau de navigation intérieure soit en état de recevoir la cargaison, en état de navigabilité, pourvu du gréement et de l'équipage prescrits par les réglementations en vigueur et muni des autorisations nationales et internationales nécessaires pour le transport des marchandises concernées.
§ 4. Lorsqu'il a été convenu d'effectuer le transport avec un bateau de navigation intérieure ou type de bateau de navigation intérieure déterminé, le transporteur ne peut charger ou transborder les marchandises en tout ou en partie sur un autre bateau de navigation intérieure ou type de bateau de navigation intérieure sans l'accord de l'expéditeur:
1° qu'en présence de circonstances telles que des basses eaux, abordages ou autres obstacles à la navigation qui étaient imprévisibles au moment de la conclusion du contrat de transport et qui exigent le chargement ou le transbordement des marchandises pour l'exécution du contrat de transport et si le transporteur ne peut, dans un délai approprié, obtenir des instructions de l'expéditeur; ou
2° si cela est conforme aux usages du port dans lequel se trouve le bateau de navigation intérieure.
§ 5. Sous réserve des obligations incombant à l'expéditeur, le transporteur doit garantir que le chargement, l'arrimage et le calage des marchandises n'affectent pas la sécurité du bateau de navigation intérieure.
§ 6. Le transporteur ne peut transporter les marchandises en pontée ou en cales ouvertes que si cela a été convenu avec l'expéditeur ou est conforme aux usages du commerce considéré ou est exigé par les prescriptions en vigueur.]1
§ 1er. Le transporteur doit transporter les marchandises au lieu de livraison dans les délais impartis et les livrer au destinataire dans l'état dans lequel elles lui ont été confiées.
§ 2. Sauf s'il en a été convenu autrement, la prise en charge des marchandises et leur livraison ont lieu à bord du bateau de navigation intérieure.
§ 3. Le transporteur décide du bateau de navigation intérieure à utiliser. Il est tenu, avant le voyage et au départ de celui-ci, de faire preuve de la diligence requise afin que, compte tenu des marchandises à transporter, le bateau de navigation intérieure soit en état de recevoir la cargaison, en état de navigabilité, pourvu du gréement et de l'équipage prescrits par les réglementations en vigueur et muni des autorisations nationales et internationales nécessaires pour le transport des marchandises concernées.
§ 4. Lorsqu'il a été convenu d'effectuer le transport avec un bateau de navigation intérieure ou type de bateau de navigation intérieure déterminé, le transporteur ne peut charger ou transborder les marchandises en tout ou en partie sur un autre bateau de navigation intérieure ou type de bateau de navigation intérieure sans l'accord de l'expéditeur:
1° qu'en présence de circonstances telles que des basses eaux, abordages ou autres obstacles à la navigation qui étaient imprévisibles au moment de la conclusion du contrat de transport et qui exigent le chargement ou le transbordement des marchandises pour l'exécution du contrat de transport et si le transporteur ne peut, dans un délai approprié, obtenir des instructions de l'expéditeur; ou
2° si cela est conforme aux usages du port dans lequel se trouve le bateau de navigation intérieure.
§ 5. Sous réserve des obligations incombant à l'expéditeur, le transporteur doit garantir que le chargement, l'arrimage et le calage des marchandises n'affectent pas la sécurité du bateau de navigation intérieure.
§ 6. Le transporteur ne peut transporter les marchandises en pontée ou en cales ouvertes que si cela a été convenu avec l'expéditeur ou est conforme aux usages du commerce considéré ou est exigé par les prescriptions en vigueur.]1
Art.3.6.3.4. [1 Ondervervoerder
§ 1. De overeenkomst die beantwoordt aan de begripsomschrijving van artikel 3.6.3.1, 1°, gesloten tussen een vervoerder en een ondervervoerder moet worden beschouwd als een vervoerovereenkomst in de zin van deze afdeling. Met betrekking tot deze overeenkomst zijn alle bepalingen van deze afdeling die betrekking hebben op de afzender van toepassing op de vervoerder en alle bepalingen van deze afdeling die betrekking hebben op de vervoerder op de ondervervoerder.
§ 2. Wanneer de vervoerder de uitvoering van het vervoer geheel of gedeeltelijk heeft toevertrouwd aan een ondervervoerder, ongeacht of dit gebeurt ter uitvoering van een hem in de vervoerovereenkomst toegekend recht of niet, blijft de vervoerder, overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling, aansprakelijk voor het gehele vervoer. Alle bepalingen van deze afdeling die betrekking hebben op de aansprakelijkheid van de vervoerder zijn ook van toepassing op de aansprakelijkheid van de ondervervoerder met betrekking tot het door deze laatste verrichte vervoer.
§ 3. De vervoerder dient de afzender in elk geval informeren wanneer hij de uitvoering van het vervoer geheel of gedeeltelijk toevertrouwt aan een ondervervoerder.
§ 4. Iedere afspraak met de afzender of de geadresseerde waardoor de aansprakelijkheid van de vervoerder wordt uitgebreid in overeenstemming met de bepalingen van deze afdeling, is alleen bindend voor de ondervervoerder voor zover deze hiermee uitdrukkelijk en schriftelijk heeft ingestemd. De ondervervoerder kan zich beroepen op alle verweren die de vervoerder op grond van de vervoerovereenkomst ter beschikking staan.
§ 5. Indien en voor zover zowel de vervoerder als de ondervervoerder aansprakelijk zijn, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk. Niets in dit artikel doet afbreuk aan het recht van verhaal tussen hen.]1
§ 1. De overeenkomst die beantwoordt aan de begripsomschrijving van artikel 3.6.3.1, 1°, gesloten tussen een vervoerder en een ondervervoerder moet worden beschouwd als een vervoerovereenkomst in de zin van deze afdeling. Met betrekking tot deze overeenkomst zijn alle bepalingen van deze afdeling die betrekking hebben op de afzender van toepassing op de vervoerder en alle bepalingen van deze afdeling die betrekking hebben op de vervoerder op de ondervervoerder.
§ 2. Wanneer de vervoerder de uitvoering van het vervoer geheel of gedeeltelijk heeft toevertrouwd aan een ondervervoerder, ongeacht of dit gebeurt ter uitvoering van een hem in de vervoerovereenkomst toegekend recht of niet, blijft de vervoerder, overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling, aansprakelijk voor het gehele vervoer. Alle bepalingen van deze afdeling die betrekking hebben op de aansprakelijkheid van de vervoerder zijn ook van toepassing op de aansprakelijkheid van de ondervervoerder met betrekking tot het door deze laatste verrichte vervoer.
§ 3. De vervoerder dient de afzender in elk geval informeren wanneer hij de uitvoering van het vervoer geheel of gedeeltelijk toevertrouwt aan een ondervervoerder.
§ 4. Iedere afspraak met de afzender of de geadresseerde waardoor de aansprakelijkheid van de vervoerder wordt uitgebreid in overeenstemming met de bepalingen van deze afdeling, is alleen bindend voor de ondervervoerder voor zover deze hiermee uitdrukkelijk en schriftelijk heeft ingestemd. De ondervervoerder kan zich beroepen op alle verweren die de vervoerder op grond van de vervoerovereenkomst ter beschikking staan.
§ 5. Indien en voor zover zowel de vervoerder als de ondervervoerder aansprakelijk zijn, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk. Niets in dit artikel doet afbreuk aan het recht van verhaal tussen hen.]1
Art.3.6.3.4. [1 Transporteur substitué
§ 1er. Le contrat répondant à la définition de l'article 3.6.3.1, 1°, conclu entre un transporteur et un transporteur substitué constitue un contrat de transport au sens de la présente section. Dans le cadre de ce contrat, toutes les dispositions de la présente section relatives à l'expéditeur s'appliquent au transporteur et celles relatives au transporteur au transporteur substitué.
§ 2. Lorsque le transporteur a confié l'exécution du transport ou d'une partie du transport à un transporteur substitué, que ce soit ou non dans l'exercice d'un droit qui lui est reconnu dans le contrat de transport, le transporteur demeure responsable de la totalité du transport, conformément aux dispositions de la présente section. Toutes les dispositions de la présente section régissant la responsabilité du transporteur s'appliquent également à la responsabilité du transporteur substitué pour le transport effectué par ce dernier.
§ 3. Le transporteur est tenu, dans tous les cas, d'informer l'expéditeur lorsqu'il confie l'exécution du transport ou d'une partie du transport à un transporteur substitué.
§ 4. Tout accord avec l'expéditeur ou le destinataire étendant la responsabilité du transporteur conformément aux dispositions de la présente section ne lie le transporteur substitué que dans la mesure où ce dernier l'a accepté expressément et par écrit. Le transporteur substitué peut faire valoir toutes les objections opposables par le transporteur en vertu du contrat de transport.
§ 5. Lorsque et dans la mesure où le transporteur et le transporteur substitué répondent, ils répondent solidairement. Aucune disposition du présent article ne porte atteinte aux droits de recours entre eux.]1
§ 1er. Le contrat répondant à la définition de l'article 3.6.3.1, 1°, conclu entre un transporteur et un transporteur substitué constitue un contrat de transport au sens de la présente section. Dans le cadre de ce contrat, toutes les dispositions de la présente section relatives à l'expéditeur s'appliquent au transporteur et celles relatives au transporteur au transporteur substitué.
§ 2. Lorsque le transporteur a confié l'exécution du transport ou d'une partie du transport à un transporteur substitué, que ce soit ou non dans l'exercice d'un droit qui lui est reconnu dans le contrat de transport, le transporteur demeure responsable de la totalité du transport, conformément aux dispositions de la présente section. Toutes les dispositions de la présente section régissant la responsabilité du transporteur s'appliquent également à la responsabilité du transporteur substitué pour le transport effectué par ce dernier.
§ 3. Le transporteur est tenu, dans tous les cas, d'informer l'expéditeur lorsqu'il confie l'exécution du transport ou d'une partie du transport à un transporteur substitué.
§ 4. Tout accord avec l'expéditeur ou le destinataire étendant la responsabilité du transporteur conformément aux dispositions de la présente section ne lie le transporteur substitué que dans la mesure où ce dernier l'a accepté expressément et par écrit. Le transporteur substitué peut faire valoir toutes les objections opposables par le transporteur en vertu du contrat de transport.
§ 5. Lorsque et dans la mesure où le transporteur et le transporteur substitué répondent, ils répondent solidairement. Aucune disposition du présent article ne porte atteinte aux droits de recours entre eux.]1
Art.3.6.3.. [1 Afleveringstermijn
De vervoerder is verplicht de goederen af te leveren binnen de in de vervoerovereenkomst overeengekomen termijn of, indien geen termijn is overeengekomen, binnen de termijn die redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder mag worden verlangd, rekening houdend met de omstandigheden van de reis en met een ongehinderde vaart.]1
De vervoerder is verplicht de goederen af te leveren binnen de in de vervoerovereenkomst overeengekomen termijn of, indien geen termijn is overeengekomen, binnen de termijn die redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder mag worden verlangd, rekening houdend met de omstandigheden van de reis en met een ongehinderde vaart.]1
Art.3.6.3.5. [1 Délai de livraison
Le transporteur doit livrer les marchandises dans le délai convenu dans le contrat de transport ou, s'il n'a pas été convenu de délai, dans le délai qu'il serait raisonnable d'exiger d'un transporteur diligent, compte tenu des circonstances du voyage et d'une navigation sans entraves.]1
Le transporteur doit livrer les marchandises dans le délai convenu dans le contrat de transport ou, s'il n'a pas été convenu de délai, dans le délai qu'il serait raisonnable d'exiger d'un transporteur diligent, compte tenu des circonstances du voyage et d'une navigation sans entraves.]1
Art.3.6.3.6. [1 Verplichtingen van de afzender
§ 1. De afzender is verplicht de uit hoofde van de vervoerovereenkomst verschuldigde bedragen te voldoen.
§ 2. De afzender verschaft de vervoerder, voorafgaand aan de overhandiging van de goederen, schriftelijk de volgende gegevens met betrekking tot de te vervoeren goederen:
1° afmetingen, aantal of gewicht en stuwfactor van de goederen;
2° markeringen die nodig zijn voor de identificatie van de goederen;
3° aard, kenmerken en eigenschappen van de goederen;
4° instructies voor de douanerechtelijke of administratieve behandeling van de goederen;
5° andere noodzakelijke gegevens die in het vervoersdocument moeten worden vermeld.
De afzender verschaft bovendien aan de vervoerder, bij overhandiging van de goederen, alle voorgeschreven begeleidende documenten.
§ 3. De afzender verpakt, indien de aard van de goederen dit vereist, rekening houdend met het overeengekomen vervoer, de goederen zodanig dat deze niet verloren kunnen gaan of kunnen worden beschadigd in de periode tussen de inontvangstneming en de aflevering door de vervoerder, en zodanig dat zij geen schade aan het binnenschip of aan andere goederen kunnen veroorzaken. Bovendien draagt de afzender, rekening houdend met het overeengekomen vervoer, zorg voor een passende markering in overeenstemming met de toepasselijke internationale of nationale regelgeving of, bij gebrek aan dergelijke regelgeving, in overeenstemming met de in de binnenvaart algemeen erkende regels en gebruiken.
§ 4. Onverminderd de verplichtingen van de vervoerder, moet de afzender de goederen laden, stuwen en vastzetten in overeenstemming met de gebruiken in de binnenvaart, tenzij in de vervoerovereenkomst anders is bepaald.]1
§ 1. De afzender is verplicht de uit hoofde van de vervoerovereenkomst verschuldigde bedragen te voldoen.
§ 2. De afzender verschaft de vervoerder, voorafgaand aan de overhandiging van de goederen, schriftelijk de volgende gegevens met betrekking tot de te vervoeren goederen:
1° afmetingen, aantal of gewicht en stuwfactor van de goederen;
2° markeringen die nodig zijn voor de identificatie van de goederen;
3° aard, kenmerken en eigenschappen van de goederen;
4° instructies voor de douanerechtelijke of administratieve behandeling van de goederen;
5° andere noodzakelijke gegevens die in het vervoersdocument moeten worden vermeld.
De afzender verschaft bovendien aan de vervoerder, bij overhandiging van de goederen, alle voorgeschreven begeleidende documenten.
§ 3. De afzender verpakt, indien de aard van de goederen dit vereist, rekening houdend met het overeengekomen vervoer, de goederen zodanig dat deze niet verloren kunnen gaan of kunnen worden beschadigd in de periode tussen de inontvangstneming en de aflevering door de vervoerder, en zodanig dat zij geen schade aan het binnenschip of aan andere goederen kunnen veroorzaken. Bovendien draagt de afzender, rekening houdend met het overeengekomen vervoer, zorg voor een passende markering in overeenstemming met de toepasselijke internationale of nationale regelgeving of, bij gebrek aan dergelijke regelgeving, in overeenstemming met de in de binnenvaart algemeen erkende regels en gebruiken.
§ 4. Onverminderd de verplichtingen van de vervoerder, moet de afzender de goederen laden, stuwen en vastzetten in overeenstemming met de gebruiken in de binnenvaart, tenzij in de vervoerovereenkomst anders is bepaald.]1
Art.3.6.3.6. [1 Obligations de l'expéditeur
§ 1er. L'expéditeur est tenu au paiement des sommes dues en vertu du contrat de transport.
§ 2. L'expéditeur fournit au transporteur, avant la remise des marchandises et par écrit, les indications suivantes relatives aux marchandises à transporter:
1° dimensions, nombre ou poids et coefficient d'arrimage des marchandises;
2° marques qui sont nécessaires à l'identification des marchandises;
3° nature, caractéristiques et propriétés des marchandises;
4° instructions relatives au traitement douanier ou administratif des marchandises;
5° autres indications nécessaires devant figurer dans le document de transport.
L'expéditeur remet en outre au transporteur, lors de la remise des marchandises, tous les documents d'accompagnement prescrits.
§ 3. Si la nature des marchandises l'exige, compte tenu du transport convenu, l'expéditeur emballe les marchandises de sorte à prévenir leur perte ou avarie depuis la prise en charge jusqu'à la livraison par le transporteur et de sorte qu'elles ne puissent causer de dommages au bateau de navigation intérieure ou aux autres marchandises. L'expéditeur doit, en outre, compte tenu du transport convenu, prévoir un marquage approprié conforme à la réglementation internationale ou nationale applicable ou, en l'absence de telles réglementations, suivant les règles et usages généralement reconnus en navigation intérieure.
§ 4. Sous réserve des obligations incombant au transporteur, l'expéditeur doit charger les marchandises, les arrimer et les caler conformément aux usages de la navigation intérieure à moins que le contrat de transport n'en dispose autrement.]1
§ 1er. L'expéditeur est tenu au paiement des sommes dues en vertu du contrat de transport.
§ 2. L'expéditeur fournit au transporteur, avant la remise des marchandises et par écrit, les indications suivantes relatives aux marchandises à transporter:
1° dimensions, nombre ou poids et coefficient d'arrimage des marchandises;
2° marques qui sont nécessaires à l'identification des marchandises;
3° nature, caractéristiques et propriétés des marchandises;
4° instructions relatives au traitement douanier ou administratif des marchandises;
5° autres indications nécessaires devant figurer dans le document de transport.
L'expéditeur remet en outre au transporteur, lors de la remise des marchandises, tous les documents d'accompagnement prescrits.
§ 3. Si la nature des marchandises l'exige, compte tenu du transport convenu, l'expéditeur emballe les marchandises de sorte à prévenir leur perte ou avarie depuis la prise en charge jusqu'à la livraison par le transporteur et de sorte qu'elles ne puissent causer de dommages au bateau de navigation intérieure ou aux autres marchandises. L'expéditeur doit, en outre, compte tenu du transport convenu, prévoir un marquage approprié conforme à la réglementation internationale ou nationale applicable ou, en l'absence de telles réglementations, suivant les règles et usages généralement reconnus en navigation intérieure.
§ 4. Sous réserve des obligations incombant au transporteur, l'expéditeur doit charger les marchandises, les arrimer et les caler conformément aux usages de la navigation intérieure à moins que le contrat de transport n'en dispose autrement.]1
Art.3.6.3.7. [1 Gevaarlijke of milieuschadelijke goederen
§ 1. Indien gevaarlijke of milieuschadelijke goederen moeten worden vervoerd is de afzender verplicht, alvorens de goederen te overhandigen, en in aanvulling op de in artikel 3.6.3.6, § 2, bedoelde gegevens, de vervoerder schriftelijk en uitdrukkelijk in te lichten over het gevaar en de milieurisico's inherent aan de goederen, alsmede over de te nemen voorzorgsmaatregelen.
§ 2. Indien voor het vervoer van de gevaarlijke of milieuschadelijke goederen een vergunning vereist is, verschaft de afzender de noodzakelijke documenten uiterlijk bij de overhandiging van de goederen.
§ 3. Wanneer gevaarlijke of milieuschadelijke goederen door het ontbreken van een administratieve vergunning niet verder vervoerd, gelost of afgeleverd kunnen worden, komen de kosten voor de terugreis van de goederen naar de laadhaven of naar een meer nabijgelegen plaats waar ze kunnen worden gelost en afgeleverd of verwijderd, ten laste van de afzender.
§ 4. In geval van onmiddellijk gevaar voor personen, materiële zaken of het milieu, is de vervoerder gerechtigd de goederen te lossen, onschadelijk te maken, of, mits een dergelijke maatregel met betrekking tot het gevaar dat van de goederen uitgaat niet onevenredig is, te vernietigen, ook indien hij vóór hij de goederen in ontvangst nam in kennis was gesteld of op grond van andere informatie op de hoogte was van de aard van het gevaar of de milieurisico's, inherent aan deze goederen.
§ 5. De vervoerder heeft recht op vergoeding van de door hem geleden schade, indien hij gerechtigd is om de in paragraaf 3 of 4 bedoelde maatregelen te nemen.]1
§ 1. Indien gevaarlijke of milieuschadelijke goederen moeten worden vervoerd is de afzender verplicht, alvorens de goederen te overhandigen, en in aanvulling op de in artikel 3.6.3.6, § 2, bedoelde gegevens, de vervoerder schriftelijk en uitdrukkelijk in te lichten over het gevaar en de milieurisico's inherent aan de goederen, alsmede over de te nemen voorzorgsmaatregelen.
§ 2. Indien voor het vervoer van de gevaarlijke of milieuschadelijke goederen een vergunning vereist is, verschaft de afzender de noodzakelijke documenten uiterlijk bij de overhandiging van de goederen.
§ 3. Wanneer gevaarlijke of milieuschadelijke goederen door het ontbreken van een administratieve vergunning niet verder vervoerd, gelost of afgeleverd kunnen worden, komen de kosten voor de terugreis van de goederen naar de laadhaven of naar een meer nabijgelegen plaats waar ze kunnen worden gelost en afgeleverd of verwijderd, ten laste van de afzender.
§ 4. In geval van onmiddellijk gevaar voor personen, materiële zaken of het milieu, is de vervoerder gerechtigd de goederen te lossen, onschadelijk te maken, of, mits een dergelijke maatregel met betrekking tot het gevaar dat van de goederen uitgaat niet onevenredig is, te vernietigen, ook indien hij vóór hij de goederen in ontvangst nam in kennis was gesteld of op grond van andere informatie op de hoogte was van de aard van het gevaar of de milieurisico's, inherent aan deze goederen.
§ 5. De vervoerder heeft recht op vergoeding van de door hem geleden schade, indien hij gerechtigd is om de in paragraaf 3 of 4 bedoelde maatregelen te nemen.]1
Art.3.6.3.7. [1 Marchandises dangereuses ou polluantes
§ 1er. Si des marchandises dangereuses ou polluantes doivent être transportées, l'expéditeur doit, avant la remise des marchandises, et en plus des indications prévues à l'article 3.6.3.6, § 2, préciser par écrit au transporteur le danger et les risques de pollution inhérents aux marchandises ainsi que les précautions à prendre.
§ 2. Si le transport des marchandises dangereuses ou polluantes requiert une autorisation, l'expéditeur remet les documents nécessaires au plus tard lors de la remise des marchandises.
§ 3. Lorsque la poursuite du transport, le déchargement ou la livraison des marchandises dangereuses ou polluantes sont rendus impossibles par l'absence d'une autorisation administrative, les frais occasionnés par le retour des marchandises au port de chargement ou à un lieu plus proche où elles peuvent être déchargées et livrées ou éliminées, sont à la charge de l'expéditeur.
§ 4. En cas de danger immédiat pour les personnes, les biens ou l'environnement, le transporteur est en droit de débarquer, de rendre inoffensives les marchandises ou, à condition qu'une telle mesure ne soit pas disproportionnée au regard du danger qu'elles représentent, de détruire celles-ci même si, avant leur prise en charge, il a été informé ou a eu connaissance par d'autres moyens de la nature du danger ou des risques de pollution inhérents à ces marchandises.
§ 5. Le transporteur peut prétendre au dédommagement du préjudice subi s'il est en droit de prendre les mesures visées au paragraphe 3 ou 4.]1
§ 1er. Si des marchandises dangereuses ou polluantes doivent être transportées, l'expéditeur doit, avant la remise des marchandises, et en plus des indications prévues à l'article 3.6.3.6, § 2, préciser par écrit au transporteur le danger et les risques de pollution inhérents aux marchandises ainsi que les précautions à prendre.
§ 2. Si le transport des marchandises dangereuses ou polluantes requiert une autorisation, l'expéditeur remet les documents nécessaires au plus tard lors de la remise des marchandises.
§ 3. Lorsque la poursuite du transport, le déchargement ou la livraison des marchandises dangereuses ou polluantes sont rendus impossibles par l'absence d'une autorisation administrative, les frais occasionnés par le retour des marchandises au port de chargement ou à un lieu plus proche où elles peuvent être déchargées et livrées ou éliminées, sont à la charge de l'expéditeur.
§ 4. En cas de danger immédiat pour les personnes, les biens ou l'environnement, le transporteur est en droit de débarquer, de rendre inoffensives les marchandises ou, à condition qu'une telle mesure ne soit pas disproportionnée au regard du danger qu'elles représentent, de détruire celles-ci même si, avant leur prise en charge, il a été informé ou a eu connaissance par d'autres moyens de la nature du danger ou des risques de pollution inhérents à ces marchandises.
§ 5. Le transporteur peut prétendre au dédommagement du préjudice subi s'il est en droit de prendre les mesures visées au paragraphe 3 ou 4.]1
Art.3.6.3.8. [1 Aansprakelijkheid van de afzender
§ 1. De afzender, ook al heeft deze geen schuld, is aansprakelijk voor alle schaden en kosten die voor de vervoerder of ondervervoerder zijn ontstaan als gevolg van het feit dat:
1° de in artikel 3.6.3.6, § 2, of artikel 3.6.3.7, § 1, bedoelde gegevens of bijzonderheden ontbreken, onjuist of onvolledig zijn;
2° de gevaarlijke of milieuschadelijke goederen niet in overeenstemming met de toepasselijke internationale of nationale regelgeving of, bij gebrek aan dergelijke regelgeving, in overeenstemming met de in de binnenvaart algemeen erkende regels en gebruiken gemarkeerd of geëtiketteerd zijn;
3° de noodzakelijke begeleidende documenten ontbreken, onjuist of onvolledig zijn.
De vervoerder kan zich niet beroepen op de aansprakelijkheid van de afzender, indien bewezen wordt dat de schuld aan hemzelf, zijn ondergeschikten of lasthebbers te wijten is. Hetzelfde geldt voor de ondervervoerder.
§ 2. De afzender is op gelijke wijze als voor zijn eigen handelen en nalaten, aansprakelijk voor het handelen en nalaten van de personen van wie hij zich bedient bij het verrichten van de taken en het nakomen van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 3.6.3.6 en 3.6.3.7, voor zover deze personen handelen in de uitoefening van hun functie.]1
§ 1. De afzender, ook al heeft deze geen schuld, is aansprakelijk voor alle schaden en kosten die voor de vervoerder of ondervervoerder zijn ontstaan als gevolg van het feit dat:
1° de in artikel 3.6.3.6, § 2, of artikel 3.6.3.7, § 1, bedoelde gegevens of bijzonderheden ontbreken, onjuist of onvolledig zijn;
2° de gevaarlijke of milieuschadelijke goederen niet in overeenstemming met de toepasselijke internationale of nationale regelgeving of, bij gebrek aan dergelijke regelgeving, in overeenstemming met de in de binnenvaart algemeen erkende regels en gebruiken gemarkeerd of geëtiketteerd zijn;
3° de noodzakelijke begeleidende documenten ontbreken, onjuist of onvolledig zijn.
De vervoerder kan zich niet beroepen op de aansprakelijkheid van de afzender, indien bewezen wordt dat de schuld aan hemzelf, zijn ondergeschikten of lasthebbers te wijten is. Hetzelfde geldt voor de ondervervoerder.
§ 2. De afzender is op gelijke wijze als voor zijn eigen handelen en nalaten, aansprakelijk voor het handelen en nalaten van de personen van wie hij zich bedient bij het verrichten van de taken en het nakomen van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 3.6.3.6 en 3.6.3.7, voor zover deze personen handelen in de uitoefening van hun functie.]1
Art.3.6.3.8. [1 Responsabilité de l'expéditeur
§ 1er. L'expéditeur, même si aucune faute ne peut lui être imputée, répond de tous les dommages et dépenses occasionnés au transporteur ou au transporteur substitué par le fait que:
1° les indications ou précisions visées à l'article 3.6.3.6, § 2, ou à l'article 3.6.3.7, § 1er, sont manquantes, inexactes ou incomplètes;
2° les marchandises dangereuses ou polluantes ne sont pas marquées ou étiquetées conformément à la réglementation internationale ou nationale applicable ou, en l'absence de telles réglementations, suivant les règles et usages généralement reconnus en navigation intérieure;
3° les documents d'accompagnement nécessaires sont manquants, inexacts ou incomplets.
Le transporteur ne peut pas invoquer la responsabilité de l'expéditeur s'il est démontré que la faute est imputable à lui-même, à ses préposés ou mandataires. Il en est de même pour le transporteur substitué.
§ 2. L'expéditeur répond des actes et omissions des personnes auxquelles il a recours pour assurer les tâches et satisfaire aux obligations visées aux articles 3.6.3.6 et 3.6.3.7, comme s'il s'agissait de ses propres actes et omissions pour autant que ces personnes agissent dans l'accomplissement de leurs fonctions.]1
§ 1er. L'expéditeur, même si aucune faute ne peut lui être imputée, répond de tous les dommages et dépenses occasionnés au transporteur ou au transporteur substitué par le fait que:
1° les indications ou précisions visées à l'article 3.6.3.6, § 2, ou à l'article 3.6.3.7, § 1er, sont manquantes, inexactes ou incomplètes;
2° les marchandises dangereuses ou polluantes ne sont pas marquées ou étiquetées conformément à la réglementation internationale ou nationale applicable ou, en l'absence de telles réglementations, suivant les règles et usages généralement reconnus en navigation intérieure;
3° les documents d'accompagnement nécessaires sont manquants, inexacts ou incomplets.
Le transporteur ne peut pas invoquer la responsabilité de l'expéditeur s'il est démontré que la faute est imputable à lui-même, à ses préposés ou mandataires. Il en est de même pour le transporteur substitué.
§ 2. L'expéditeur répond des actes et omissions des personnes auxquelles il a recours pour assurer les tâches et satisfaire aux obligations visées aux articles 3.6.3.6 et 3.6.3.7, comme s'il s'agissait de ses propres actes et omissions pour autant que ces personnes agissent dans l'accomplissement de leurs fonctions.]1
Art.3.6.3.9. [1 Ontbinding van de vervoerovereenkomst door de vervoerder
§ 1. De vervoerder kan de vervoerovereenkomst ontbinden wanneer de afzender zijn in artikel 3.6.3.6, § 2, of in artikel 3.6.3.7, §§ 1 en 2, bedoelde verplichtingen niet nagekomen is.
§ 2. Indien de vervoerder gebruikmaakt van zijn recht tot ontbinding, kan hij de goederen op kosten van de afzender lossen en, naar keuze, betaling van de volgende bedragen verlangen:
1° een derde van de overeengekomen vracht; of
2° naast de eventuele overliggelden, een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de gemaakte kosten en de ontstane schade alsmede, wanneer de reis is aangevangen, de evenredige vracht voor het reeds afgelegde deel van de reis.]1
§ 1. De vervoerder kan de vervoerovereenkomst ontbinden wanneer de afzender zijn in artikel 3.6.3.6, § 2, of in artikel 3.6.3.7, §§ 1 en 2, bedoelde verplichtingen niet nagekomen is.
§ 2. Indien de vervoerder gebruikmaakt van zijn recht tot ontbinding, kan hij de goederen op kosten van de afzender lossen en, naar keuze, betaling van de volgende bedragen verlangen:
1° een derde van de overeengekomen vracht; of
2° naast de eventuele overliggelden, een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de gemaakte kosten en de ontstane schade alsmede, wanneer de reis is aangevangen, de evenredige vracht voor het reeds afgelegde deel van de reis.]1
Art.3.6.3.9. [1 Résiliation du contrat de transport par le transporteur
§ 1er. Le transporteur peut résilier le contrat de transport si l'expéditeur a manqué à ses obligations visées à l'article 3.6.3.6, § 2, ou à l'article 3.6.3.7, §§ 1er et 2.
§ 2. Si le transporteur fait usage de son droit de résiliation, il peut débarquer les marchandises aux frais de l'expéditeur et prétendre, au choix, au paiement des montants suivants:
1° un tiers du fret convenu, ou
2° en plus des surestaries éventuelles, une indemnisation égale au montant des frais engagés et du préjudice causé, ainsi que, lorsque le voyage a débuté, le fret proportionnel pour la partie du voyage déjà effectuée.]1
§ 1er. Le transporteur peut résilier le contrat de transport si l'expéditeur a manqué à ses obligations visées à l'article 3.6.3.6, § 2, ou à l'article 3.6.3.7, §§ 1er et 2.
§ 2. Si le transporteur fait usage de son droit de résiliation, il peut débarquer les marchandises aux frais de l'expéditeur et prétendre, au choix, au paiement des montants suivants:
1° un tiers du fret convenu, ou
2° en plus des surestaries éventuelles, une indemnisation égale au montant des frais engagés et du préjudice causé, ainsi que, lorsque le voyage a débuté, le fret proportionnel pour la partie du voyage déjà effectuée.]1
Art.3.6.3.10. [1 Aflevering van de goederen
§ 1. Behoudens de verplichting van de afzender bedoeld in artikel 3.6.3.6, § 1, is de geadresseerde, die na aankomst van de goederen op de plaats van aflevering om aflevering van de goederen verzoekt, in overeenstemming met de vervoerovereenkomst aansprakelijk voor de vracht en de overige op de goederen rustende vorderingen, alsmede voor zijn bijdragen in geval van avarij-grosse. Bij het ontbreken van een vervoersdocument of wanneer dit document niet is overgelegd, is de geadresseerde aansprakelijk voor de met de afzender overeengekomen vracht, indien deze overeenkomt met hetgeen in de handel gebruikelijk is.
§ 2. De terbeschikkingstelling van de goederen aan de geadresseerde in overeenstemming met de vervoerovereenkomst of met de in de desbetreffende handel geldende gebruiken of met de in de loshaven geldende voorschriften wordt als aflevering beschouwd. De voorgeschreven overhandiging van de goederen aan een autoriteit of aan een derde wordt eveneens als aflevering beschouwd.]1
§ 1. Behoudens de verplichting van de afzender bedoeld in artikel 3.6.3.6, § 1, is de geadresseerde, die na aankomst van de goederen op de plaats van aflevering om aflevering van de goederen verzoekt, in overeenstemming met de vervoerovereenkomst aansprakelijk voor de vracht en de overige op de goederen rustende vorderingen, alsmede voor zijn bijdragen in geval van avarij-grosse. Bij het ontbreken van een vervoersdocument of wanneer dit document niet is overgelegd, is de geadresseerde aansprakelijk voor de met de afzender overeengekomen vracht, indien deze overeenkomt met hetgeen in de handel gebruikelijk is.
§ 2. De terbeschikkingstelling van de goederen aan de geadresseerde in overeenstemming met de vervoerovereenkomst of met de in de desbetreffende handel geldende gebruiken of met de in de loshaven geldende voorschriften wordt als aflevering beschouwd. De voorgeschreven overhandiging van de goederen aan een autoriteit of aan een derde wordt eveneens als aflevering beschouwd.]1
Art.3.6.3.10. [1 Livraison des marchandises
§ 1er. Nonobstant l'obligation de l'expéditeur visée à l'article 3.6.3.6, § 1er, le destinataire qui, après l'arrivée des marchandises sur le lieu de livraison, en demande la livraison, répond, conformément au contrat de transport, du fret et des autres créances pesant sur les marchandises ainsi que de sa contribution en cas d'avarie commune. En l'absence d'un document de transport ou si celui-ci n'a pas été présenté, le destinataire répond du fret convenu avec l'expéditeur si celui-ci correspond à la pratique du marché.
§ 2. Est considérée comme livraison, la mise à disposition des marchandises au destinataire conformément au contrat de transport ou aux usages du commerce considéré ou aux prescriptions en vigueur au port de déchargement. Est également considérée comme livraison la remise imposée à une autorité ou à un tiers.]1
§ 1er. Nonobstant l'obligation de l'expéditeur visée à l'article 3.6.3.6, § 1er, le destinataire qui, après l'arrivée des marchandises sur le lieu de livraison, en demande la livraison, répond, conformément au contrat de transport, du fret et des autres créances pesant sur les marchandises ainsi que de sa contribution en cas d'avarie commune. En l'absence d'un document de transport ou si celui-ci n'a pas été présenté, le destinataire répond du fret convenu avec l'expéditeur si celui-ci correspond à la pratique du marché.
§ 2. Est considérée comme livraison, la mise à disposition des marchandises au destinataire conformément au contrat de transport ou aux usages du commerce considéré ou aux prescriptions en vigueur au port de déchargement. Est également considérée comme livraison la remise imposée à une autorité ou à un tiers.]1
Onderafdeling 3. [1 - Vervoersdocumenten]1
Sous-section 3. [1 - Documents de transport]1
Art.3.6.3.11. [1 Aard en inhoud
§ 1. De vervoerder is verplicht voor elk vervoer van goederen waarop deze afdeling van toepassing is een vervoersdocument op te maken; hij is alleen verplicht een cognossement op te maken indien de afzender daarom verzoekt en indien dit is overeengekomen voorafgaand aan het laden van de goederen of voor hun inontvangstneming ten vervoer. De afwezigheid of onvolledigheid van een vervoersdocument tast niet de geldigheid van de vervoerovereenkomst aan.
§ 2. Het originele exemplaar van het vervoersdocument moet door de vervoerder, de schipper of door een door de vervoerder gemachtigde persoon worden ondertekend. De vervoerder kan eisen dat de afzender het origineel of een afschrift mede ondertekent. De ondertekening mag handgeschreven zijn, gedrukt in facsimile, aangebracht door middel van perforatie of stempel, worden weergegeven in de vorm van symbolen of door elk ander mechanisch of elektronisch middel, mits het procedé niet in strijd is met het recht van de Staat waar het vervoersdocument is uitgegeven.
§ 3. Het vervoersdocument levert bewijs, behoudens tegenbewijs, van het sluiten en de inhoud van de vervoerovereenkomst alsmede van de inontvangstneming van de goederen door de vervoerder. Het vervoersdocument levert in het bijzonder het vermoeden op dat de goederen als omschreven in het document ten vervoer in ontvangst werden genomen.
§ 4. Indien het vervoersdocument een cognossement is, levert alleen dit bewijs in de betrekkingen tussen de vervoerder en de geadresseerde. Voor de betrekkingen tussen de vervoerder en de afzender blijven de voorwaarden van de vervoerovereenkomst doorslaggevend.
§ 5. Het vervoersdocument bevat behalve de aanduiding ervan, de volgende gegevens:
a. de naam, woonplaats, zetel of verblijfplaats van de vervoerder en van de afzender;
b. de geadresseerde van de goederen;
c. de naam of het nummer van het binnenschip, ingeval de goederen aan boord zijn genomen, of de vermelding in het vervoersdocument dat de goederen door de vervoerder in ontvangst zijn genomen, maar nog niet aan boord van het binnenschip zijn geladen;
d. de laadhaven of de plaats van inontvangstneming en de loshaven of de plaats van aflevering;
e. de gebruikelijke aanduiding van het soort goederen en hun verpakking en, voor gevaarlijke of milieuschadelijke goederen, hun aanduiding overeenkomstig de geldende voorschriften, of bij gebreke hiervan, hun algemene aanduiding;
f. de afmetingen, het aantal of het gewicht alsmede de identificatiemarkeringen van de aan boord genomen of ten vervoer in ontvangst genomen goederen;
g. de vermelding, in voorkomend geval, dat de goederen aan dek of in open ruimen kunnen of moeten worden vervoerd;
h. de ten aanzien van de vracht overeengekomen bepalingen;
i. in geval van vrachtbrieven, de aanduiding dat het een origineel of een afschrift betreft; in geval van cognossementen, het aantal originele exemplaren;
j. de dag en de plaats van uitgifte.
Het ontbreken van één of meer in deze paragraaf bedoelde gegevens tast de juridische aard van een vervoersdocument in de zin van artikel 3.6.3.1, 6°, niet aan.]1
§ 1. De vervoerder is verplicht voor elk vervoer van goederen waarop deze afdeling van toepassing is een vervoersdocument op te maken; hij is alleen verplicht een cognossement op te maken indien de afzender daarom verzoekt en indien dit is overeengekomen voorafgaand aan het laden van de goederen of voor hun inontvangstneming ten vervoer. De afwezigheid of onvolledigheid van een vervoersdocument tast niet de geldigheid van de vervoerovereenkomst aan.
§ 2. Het originele exemplaar van het vervoersdocument moet door de vervoerder, de schipper of door een door de vervoerder gemachtigde persoon worden ondertekend. De vervoerder kan eisen dat de afzender het origineel of een afschrift mede ondertekent. De ondertekening mag handgeschreven zijn, gedrukt in facsimile, aangebracht door middel van perforatie of stempel, worden weergegeven in de vorm van symbolen of door elk ander mechanisch of elektronisch middel, mits het procedé niet in strijd is met het recht van de Staat waar het vervoersdocument is uitgegeven.
§ 3. Het vervoersdocument levert bewijs, behoudens tegenbewijs, van het sluiten en de inhoud van de vervoerovereenkomst alsmede van de inontvangstneming van de goederen door de vervoerder. Het vervoersdocument levert in het bijzonder het vermoeden op dat de goederen als omschreven in het document ten vervoer in ontvangst werden genomen.
§ 4. Indien het vervoersdocument een cognossement is, levert alleen dit bewijs in de betrekkingen tussen de vervoerder en de geadresseerde. Voor de betrekkingen tussen de vervoerder en de afzender blijven de voorwaarden van de vervoerovereenkomst doorslaggevend.
§ 5. Het vervoersdocument bevat behalve de aanduiding ervan, de volgende gegevens:
a. de naam, woonplaats, zetel of verblijfplaats van de vervoerder en van de afzender;
b. de geadresseerde van de goederen;
c. de naam of het nummer van het binnenschip, ingeval de goederen aan boord zijn genomen, of de vermelding in het vervoersdocument dat de goederen door de vervoerder in ontvangst zijn genomen, maar nog niet aan boord van het binnenschip zijn geladen;
d. de laadhaven of de plaats van inontvangstneming en de loshaven of de plaats van aflevering;
e. de gebruikelijke aanduiding van het soort goederen en hun verpakking en, voor gevaarlijke of milieuschadelijke goederen, hun aanduiding overeenkomstig de geldende voorschriften, of bij gebreke hiervan, hun algemene aanduiding;
f. de afmetingen, het aantal of het gewicht alsmede de identificatiemarkeringen van de aan boord genomen of ten vervoer in ontvangst genomen goederen;
g. de vermelding, in voorkomend geval, dat de goederen aan dek of in open ruimen kunnen of moeten worden vervoerd;
h. de ten aanzien van de vracht overeengekomen bepalingen;
i. in geval van vrachtbrieven, de aanduiding dat het een origineel of een afschrift betreft; in geval van cognossementen, het aantal originele exemplaren;
j. de dag en de plaats van uitgifte.
Het ontbreken van één of meer in deze paragraaf bedoelde gegevens tast de juridische aard van een vervoersdocument in de zin van artikel 3.6.3.1, 6°, niet aan.]1
Art.3.6.3.11. [1 Nature et contenu
§ 1er. Le transporteur doit établir pour chaque transport de marchandises régi par la présente section un document de transport; il ne devra établir un connaissement que si l'expéditeur le demande et s'il en a été convenu ainsi avant le chargement des marchandises ou avant leur prise en charge en vue du transport. L'absence d'un document de transport ou le fait que celui-ci soit incomplet n'affecte pas la validité du contrat de transport.
§ 2. L'exemplaire original du document de transport doit être signé par le transporteur, le conducteur du bateau ou une personne habilitée par le transporteur. Le transporteur peut exiger que l'expéditeur contresigne l'original ou une copie. La signature apposée peut être manuscrite, imprimée en fac-similé, appliquée par perforation ou par tampon, se présenter sous forme de symboles ou être reproduite par tout autre moyen mécanique ou électronique si ceci n'est pas interdit par la loi de l'Etat où le document de transport est émis.
§ 3. Le document de transport fait foi, jusqu'à preuve du contraire, de la conclusion et du contenu du contrat de transport ainsi que de la prise en charge des marchandises par le transporteur. Il fonde notamment la présomption que les marchandises ont été prises en charge en vue du transport telles qu'elles sont décrites dans le document de transport.
§ 4. Lorsque le document de transport est un connaissement, seul celui-ci fait foi dans les relations entre le transporteur et le destinataire. Les conditions du contrat de transport restent déterminantes dans les relations entre le transporteur et l'expéditeur.
§ 5. Le document de transport contient, outre sa dénomination, les indications suivantes:
a. les noms, domiciles, sièges ou lieux de résidence du transporteur et de l'expéditeur;
b. le destinataire des marchandises;
c. le nom ou le numéro du bateau de navigation intérieure, au cas où les marchandises seraient prises à bord, ou la mention, dans le document de transport, que les marchandises ont été prises en charge par le transporteur mais n'ont pas encore été chargées à bord du bateau de navigation intérieure;
d. le port de chargement ou le lieu de prise en charge et le port de déchargement ou le lieu de livraison;
e. la désignation usuelle du type de marchandises et de leur emballage et, pour les marchandises dangereuses ou polluantes, leur désignation conformément aux prescriptions en vigueur ou, à défaut, leur désignation générale;
f. les dimensions, le nombre ou le poids ainsi que les marques d'identification des marchandises prises à bord ou prises en charge en vue du transport;
g. l'indication, le cas échéant, que les marchandises peuvent ou doivent être transportées en pontée ou en cales ouvertes;
h. les dispositions convenues relatives au fret;
i. s'agissant d'une lettre de voiture, la précision qu'il s'agit d'un original ou d'une copie; s'agissant d'un connaissement, le nombre d'exemplaires originaux;
j. le lieu et le jour de l'émission.
La nature juridique d'un document de transport au sens de l'article 3.6.3.1, 6°, n'est pas affectée par le défaut d'une ou plusieurs des indications visées par le présent paragraphe.]1
§ 1er. Le transporteur doit établir pour chaque transport de marchandises régi par la présente section un document de transport; il ne devra établir un connaissement que si l'expéditeur le demande et s'il en a été convenu ainsi avant le chargement des marchandises ou avant leur prise en charge en vue du transport. L'absence d'un document de transport ou le fait que celui-ci soit incomplet n'affecte pas la validité du contrat de transport.
§ 2. L'exemplaire original du document de transport doit être signé par le transporteur, le conducteur du bateau ou une personne habilitée par le transporteur. Le transporteur peut exiger que l'expéditeur contresigne l'original ou une copie. La signature apposée peut être manuscrite, imprimée en fac-similé, appliquée par perforation ou par tampon, se présenter sous forme de symboles ou être reproduite par tout autre moyen mécanique ou électronique si ceci n'est pas interdit par la loi de l'Etat où le document de transport est émis.
§ 3. Le document de transport fait foi, jusqu'à preuve du contraire, de la conclusion et du contenu du contrat de transport ainsi que de la prise en charge des marchandises par le transporteur. Il fonde notamment la présomption que les marchandises ont été prises en charge en vue du transport telles qu'elles sont décrites dans le document de transport.
§ 4. Lorsque le document de transport est un connaissement, seul celui-ci fait foi dans les relations entre le transporteur et le destinataire. Les conditions du contrat de transport restent déterminantes dans les relations entre le transporteur et l'expéditeur.
§ 5. Le document de transport contient, outre sa dénomination, les indications suivantes:
a. les noms, domiciles, sièges ou lieux de résidence du transporteur et de l'expéditeur;
b. le destinataire des marchandises;
c. le nom ou le numéro du bateau de navigation intérieure, au cas où les marchandises seraient prises à bord, ou la mention, dans le document de transport, que les marchandises ont été prises en charge par le transporteur mais n'ont pas encore été chargées à bord du bateau de navigation intérieure;
d. le port de chargement ou le lieu de prise en charge et le port de déchargement ou le lieu de livraison;
e. la désignation usuelle du type de marchandises et de leur emballage et, pour les marchandises dangereuses ou polluantes, leur désignation conformément aux prescriptions en vigueur ou, à défaut, leur désignation générale;
f. les dimensions, le nombre ou le poids ainsi que les marques d'identification des marchandises prises à bord ou prises en charge en vue du transport;
g. l'indication, le cas échéant, que les marchandises peuvent ou doivent être transportées en pontée ou en cales ouvertes;
h. les dispositions convenues relatives au fret;
i. s'agissant d'une lettre de voiture, la précision qu'il s'agit d'un original ou d'une copie; s'agissant d'un connaissement, le nombre d'exemplaires originaux;
j. le lieu et le jour de l'émission.
La nature juridique d'un document de transport au sens de l'article 3.6.3.1, 6°, n'est pas affectée par le défaut d'une ou plusieurs des indications visées par le présent paragraphe.]1
Art.3.6.3.12. [1 Voorbehouden in de vervoersdocumenten
§ 1. De vervoerder is gerechtigd in het vervoersdocument voorbehouden op te nemen:
a. betreffende de afmetingen, het aantal of het gewicht van de goederen, indien hij redenen heeft om te vermoeden dat de door de afzender verschafte gegevens onjuist zijn of indien hij onvoldoende middelen heeft gehad om deze gegevens te controleren, met name omdat de goederen niet in zijn aanwezigheid zijn geteld, gemeten of gewogen, alsmede omdat de afmetingen of het gewicht zonder uitdrukkelijke overeenstemming zijn vastgesteld door middel van scheepsmeting;
b. betreffende de identificatiemarkeringen, ingeval deze niet duidelijk en duurzaam op de goederen zelf of, ingeval de goederen zijn verpakt, op de vaten of de verpakkingen zijn aangebracht;
c. betreffende de zichtbare staat van de goederen.
§ 2. Indien de vervoerder geen melding maakt van de zichtbare staat van de goederen of ten aanzien hiervan geen voorbehoud maakt, wordt hij geacht in het vervoersdocument te hebben vermeld dat de goederen zich in een zichtbaar goede staat bevonden.
§ 3. Indien de goederen, in overeenstemming met de gegevens in het vervoersdocument, in een container of in ruimen van het binnenschip zijn gestuwd die door andere personen dan de vervoerder, zijn ondergeschikten of lasthebbers zijn verzegeld, en de container of de zegels niet beschadigd of verbroken zijn tot aan de loshaven of de plaats van aflevering, wordt vermoed dat het verlies of de beschadiging van de goederen niet tijdens het vervoer heeft plaatsgevonden.]1
§ 1. De vervoerder is gerechtigd in het vervoersdocument voorbehouden op te nemen:
a. betreffende de afmetingen, het aantal of het gewicht van de goederen, indien hij redenen heeft om te vermoeden dat de door de afzender verschafte gegevens onjuist zijn of indien hij onvoldoende middelen heeft gehad om deze gegevens te controleren, met name omdat de goederen niet in zijn aanwezigheid zijn geteld, gemeten of gewogen, alsmede omdat de afmetingen of het gewicht zonder uitdrukkelijke overeenstemming zijn vastgesteld door middel van scheepsmeting;
b. betreffende de identificatiemarkeringen, ingeval deze niet duidelijk en duurzaam op de goederen zelf of, ingeval de goederen zijn verpakt, op de vaten of de verpakkingen zijn aangebracht;
c. betreffende de zichtbare staat van de goederen.
§ 2. Indien de vervoerder geen melding maakt van de zichtbare staat van de goederen of ten aanzien hiervan geen voorbehoud maakt, wordt hij geacht in het vervoersdocument te hebben vermeld dat de goederen zich in een zichtbaar goede staat bevonden.
§ 3. Indien de goederen, in overeenstemming met de gegevens in het vervoersdocument, in een container of in ruimen van het binnenschip zijn gestuwd die door andere personen dan de vervoerder, zijn ondergeschikten of lasthebbers zijn verzegeld, en de container of de zegels niet beschadigd of verbroken zijn tot aan de loshaven of de plaats van aflevering, wordt vermoed dat het verlies of de beschadiging van de goederen niet tijdens het vervoer heeft plaatsgevonden.]1
Art.3.6.3.12. [1 Inscription de réserves sur les documents de transport
§ 1er. Le transporteur est en droit d'inscrire des réserves sur le document de transport:
a. concernant les dimensions, le nombre ou le poids des marchandises, s'il a des raisons de soupçonner que les indications de l'expéditeur sont inexactes ou s'il n'a pas eu de moyens suffisants pour contrôler ces indications, notamment parce que les marchandises n'ont pas été comptées, mesurées ou pesées en sa présence, de même que parce que, sans accord exprès, les dimensions ou le poids ont été déterminés par jaugeage;
b. concernant les marques d'identification si elles n'ont pas été apposées clairement et durablement sur les marchandises mêmes ou, si elles sont emballées, sur les récipients ou emballages;
c. concernant l'état apparent des marchandises.
§ 2. Lorsque le transporteur ne fait pas mention de l'état apparent des marchandises ou n'émet pas de réserves à ce sujet, il est réputé avoir mentionné dans le document de transport que les marchandises étaient en bon état apparent.
§ 3. Lorsque, conformément aux indications figurant dans le document de transport, les marchandises ont été placées dans un conteneur ou dans des cales du bateau de navigation intérieure scellées par des personnes autres que le transporteur, ses préposés ou mandataires, et lorsque ni le conteneur ni les scellés ne sont endommagés ou brisés jusqu'au port de déchargement ou au lieu de livraison, il est présumé que la perte de marchandises ou les dommages n'ont pas été occasionnés pendant le transport.]1
§ 1er. Le transporteur est en droit d'inscrire des réserves sur le document de transport:
a. concernant les dimensions, le nombre ou le poids des marchandises, s'il a des raisons de soupçonner que les indications de l'expéditeur sont inexactes ou s'il n'a pas eu de moyens suffisants pour contrôler ces indications, notamment parce que les marchandises n'ont pas été comptées, mesurées ou pesées en sa présence, de même que parce que, sans accord exprès, les dimensions ou le poids ont été déterminés par jaugeage;
b. concernant les marques d'identification si elles n'ont pas été apposées clairement et durablement sur les marchandises mêmes ou, si elles sont emballées, sur les récipients ou emballages;
c. concernant l'état apparent des marchandises.
§ 2. Lorsque le transporteur ne fait pas mention de l'état apparent des marchandises ou n'émet pas de réserves à ce sujet, il est réputé avoir mentionné dans le document de transport que les marchandises étaient en bon état apparent.
§ 3. Lorsque, conformément aux indications figurant dans le document de transport, les marchandises ont été placées dans un conteneur ou dans des cales du bateau de navigation intérieure scellées par des personnes autres que le transporteur, ses préposés ou mandataires, et lorsque ni le conteneur ni les scellés ne sont endommagés ou brisés jusqu'au port de déchargement ou au lieu de livraison, il est présumé que la perte de marchandises ou les dommages n'ont pas été occasionnés pendant le transport.]1
Art.3.6.3.13. [1 Cognossement
§ 1. De originele exemplaren van een cognossement zijn waardepapieren die zijn gesteld op naam van de geadresseerde, aan order of aan toonder.
§ 2. Op de plaats van aflevering worden de goederen slechts afgeleverd tegen overhandiging van het eerst overgelegde originele exemplaar van het cognossement; daarna kan de aflevering niet meer worden geëist tegen overhandiging van de overige originele exemplaren.
§ 3. Wanneer de goederen door de vervoerder in ontvangst zijn genomen, heeft de overhandiging van het cognossement aan een persoon die daardoor gerechtigd is de goederen te ontvangen, wat betreft het verkrijgen van rechten ten aanzien van de goederen, dezelfde gevolgen als de overhandiging van de goederen zelf.
§ 4. Wanneer het cognossement is overgedragen aan een derde, met inbegrip van de geadresseerde, die te goeder trouw heeft gehandeld door zich te baseren op de in het cognossement vermelde omschrijving van de goederen, kan het bewijs van het tegengestelde van het vermoeden van artikel 3.6.3.11, § 3, en artikel 3.6.3.12, § 2, niet tegen hem worden ingeroepen.]1
§ 1. De originele exemplaren van een cognossement zijn waardepapieren die zijn gesteld op naam van de geadresseerde, aan order of aan toonder.
§ 2. Op de plaats van aflevering worden de goederen slechts afgeleverd tegen overhandiging van het eerst overgelegde originele exemplaar van het cognossement; daarna kan de aflevering niet meer worden geëist tegen overhandiging van de overige originele exemplaren.
§ 3. Wanneer de goederen door de vervoerder in ontvangst zijn genomen, heeft de overhandiging van het cognossement aan een persoon die daardoor gerechtigd is de goederen te ontvangen, wat betreft het verkrijgen van rechten ten aanzien van de goederen, dezelfde gevolgen als de overhandiging van de goederen zelf.
§ 4. Wanneer het cognossement is overgedragen aan een derde, met inbegrip van de geadresseerde, die te goeder trouw heeft gehandeld door zich te baseren op de in het cognossement vermelde omschrijving van de goederen, kan het bewijs van het tegengestelde van het vermoeden van artikel 3.6.3.11, § 3, en artikel 3.6.3.12, § 2, niet tegen hem worden ingeroepen.]1
Art.3.6.3.13. [1 Connaissement
§ 1er. Les exemplaires originaux d'un connaissement constituent des titres de valeur émis au nom du destinataire, à ordre ou au porteur.
§ 2. Au lieu de livraison, les marchandises ne sont livrées que contre remise de l'exemplaire original du connaissement présenté en premier lieu; par la suite, la livraison ne peut plus être exigée contre remise des autres exemplaires originaux.
§ 3. Lorsque les marchandises sont prises en charge par le transporteur, la remise du connaissement à une personne habilitée en vertu de celui-ci à recevoir les marchandises, produit les mêmes effets que la remise des marchandises pour ce qui concerne l'acquisition de droits sur celles-ci.
§ 4. Lorsque le connaissement a été transmis à un tiers, y compris le destinataire, qui a agi de bonne foi en se fondant sur la description des marchandises contenue dans le connaissement, il ne peut lui être opposé la preuve contraire à la présomption de l'article 3.6.3.11, § 3, et de l'article 3.6.3.12, § 2.]1
§ 1er. Les exemplaires originaux d'un connaissement constituent des titres de valeur émis au nom du destinataire, à ordre ou au porteur.
§ 2. Au lieu de livraison, les marchandises ne sont livrées que contre remise de l'exemplaire original du connaissement présenté en premier lieu; par la suite, la livraison ne peut plus être exigée contre remise des autres exemplaires originaux.
§ 3. Lorsque les marchandises sont prises en charge par le transporteur, la remise du connaissement à une personne habilitée en vertu de celui-ci à recevoir les marchandises, produit les mêmes effets que la remise des marchandises pour ce qui concerne l'acquisition de droits sur celles-ci.
§ 4. Lorsque le connaissement a été transmis à un tiers, y compris le destinataire, qui a agi de bonne foi en se fondant sur la description des marchandises contenue dans le connaissement, il ne peut lui être opposé la preuve contraire à la présomption de l'article 3.6.3.11, § 3, et de l'article 3.6.3.12, § 2.]1
Onderafdeling 4. [1 - Het recht om over de goederen te beschikken]1
Sous-section 4. [1 - Droit de disposer des marchandises]1
Art.3.6.3.14. [1 Beschikkingsgerechtigde
§ 1. De afzender heeft het recht over de goederen te beschikken; hij kan met name eisen dat de vervoerder het vervoer van de goederen niet voortzet, dat hij de plaats van aflevering wijzigt of dat hij de goederen aan een andere geadresseerde aflevert dan die in het vervoersdocument vermeld staat.
§ 2. Het beschikkingsrecht van de afzender vervalt zodra de geadresseerde, na aankomst van de goederen op de voorziene afleveringsplaats, om aflevering van de goederen heeft verzocht en,
1° bij vervoer onder vrachtbrief, zodra het origineel aan de geadresseerde is overhandigd;
2° bij vervoer onder cognossement, zodra de afzender zich heeft ontdaan van alle in zijn bezit zijnde originele exemplaren door deze aan een andere persoon te overhandigen.
§ 3. Door een daartoe strekkende vermelding in de vrachtbrief kan de afzender bij de uitgifte hiervan ten gunste van de geadresseerde afzien van zijn beschikkingsrecht.]1
§ 1. De afzender heeft het recht over de goederen te beschikken; hij kan met name eisen dat de vervoerder het vervoer van de goederen niet voortzet, dat hij de plaats van aflevering wijzigt of dat hij de goederen aan een andere geadresseerde aflevert dan die in het vervoersdocument vermeld staat.
§ 2. Het beschikkingsrecht van de afzender vervalt zodra de geadresseerde, na aankomst van de goederen op de voorziene afleveringsplaats, om aflevering van de goederen heeft verzocht en,
1° bij vervoer onder vrachtbrief, zodra het origineel aan de geadresseerde is overhandigd;
2° bij vervoer onder cognossement, zodra de afzender zich heeft ontdaan van alle in zijn bezit zijnde originele exemplaren door deze aan een andere persoon te overhandigen.
§ 3. Door een daartoe strekkende vermelding in de vrachtbrief kan de afzender bij de uitgifte hiervan ten gunste van de geadresseerde afzien van zijn beschikkingsrecht.]1
Art.3.6.3.14. [1 Titulaire du droit de disposer
§ 1er. L'expéditeur est autorisé à disposer des marchandises; il peut exiger notamment que le transporteur ne poursuive pas le transport des marchandises, qu'il modifie le lieu de livraison ou livre les marchandises à un destinataire autre que celui indiqué dans le document de transport.
§ 2. Le droit de disposer dont bénéficie l'expéditeur s'éteint dès que le destinataire, après l'arrivée des marchandises au lieu de livraison prévu, aura demandé la livraison des marchandises et,
1° s'agissant d'un transport sous couvert d'une lettre de voiture, dès que l'original aura été remis au destinataire;
2° s'agissant d'un transport sous couvert d'un connaissement, dès que l'expéditeur se sera dessaisi de tous les exemplaires originaux en sa possession en les remettant à une autre personne.
§ 3. Par une mention correspondante dans la lettre de voiture, l'expéditeur peut, au moment de l'émission de celle-ci, renoncer à son droit de disposer au bénéfice du destinataire.]1
§ 1er. L'expéditeur est autorisé à disposer des marchandises; il peut exiger notamment que le transporteur ne poursuive pas le transport des marchandises, qu'il modifie le lieu de livraison ou livre les marchandises à un destinataire autre que celui indiqué dans le document de transport.
§ 2. Le droit de disposer dont bénéficie l'expéditeur s'éteint dès que le destinataire, après l'arrivée des marchandises au lieu de livraison prévu, aura demandé la livraison des marchandises et,
1° s'agissant d'un transport sous couvert d'une lettre de voiture, dès que l'original aura été remis au destinataire;
2° s'agissant d'un transport sous couvert d'un connaissement, dès que l'expéditeur se sera dessaisi de tous les exemplaires originaux en sa possession en les remettant à une autre personne.
§ 3. Par une mention correspondante dans la lettre de voiture, l'expéditeur peut, au moment de l'émission de celle-ci, renoncer à son droit de disposer au bénéfice du destinataire.]1
Art.3.6.3.15. [1 Voorwaarden voor het uitoefenen van het beschikkingsrecht
De afzender of, in de gevallen van artikel 3.6.3.14, paragrafen 2 en 3, de geadresseerde, dient, indien hij zijn beschikkingsrecht wenst uit te oefenen,
a. wanneer het een cognossement betreft, hiervan alle originele exemplaren over te leggen vóór de aankomst van de goederen op de geplande plaats van aflevering;
b. wanneer het een ander vervoersdocument betreft dan een cognossement, het vervoersdocument over te leggen waarin de nieuwe aan de vervoerder gegeven instructies dienen te worden vermeld;
c. aan de vervoerder alle door de uitvoering van de instructies ontstane kosten en schaden te vergoeden;
d. bij lossing van de goederen vóór aankomst op de geplande plaats van aflevering, de totale overeengekomen vracht betalen, tenzij in de vervoerovereenkomst anders is bepaald.]1
De afzender of, in de gevallen van artikel 3.6.3.14, paragrafen 2 en 3, de geadresseerde, dient, indien hij zijn beschikkingsrecht wenst uit te oefenen,
a. wanneer het een cognossement betreft, hiervan alle originele exemplaren over te leggen vóór de aankomst van de goederen op de geplande plaats van aflevering;
b. wanneer het een ander vervoersdocument betreft dan een cognossement, het vervoersdocument over te leggen waarin de nieuwe aan de vervoerder gegeven instructies dienen te worden vermeld;
c. aan de vervoerder alle door de uitvoering van de instructies ontstane kosten en schaden te vergoeden;
d. bij lossing van de goederen vóór aankomst op de geplande plaats van aflevering, de totale overeengekomen vracht betalen, tenzij in de vervoerovereenkomst anders is bepaald.]1
Art.3.6.3.15. [1 Conditions de l'exercice du droit de disposer
L'expéditeur ou, dans les cas de l'article 3.6.3.14, les paragraphes 2 et 3, le destinataire doit, s'il veut exercer son droit de disposer:
a. s'agissant d'un connaissement, en présenter tous les exemplaires originaux avant l'arrivée des marchandises au lieu de livraison prévu;
b. s'agissant d'un document de transport autre qu'un connaissement, présenter ce document dans lequel doivent être inscrites les nouvelles instructions données au transporteur;
c. rembourser au transporteur tous les frais et compenser tous les dommages occasionnés par l'exécution des instructions;
d. payer, dans le cas d'un déchargement des marchandises avant l'arrivée au lieu de livraison prévu, la totalité du fret convenu, à moins qu'il en ait été disposé autrement dans le contrat de transport.]1
L'expéditeur ou, dans les cas de l'article 3.6.3.14, les paragraphes 2 et 3, le destinataire doit, s'il veut exercer son droit de disposer:
a. s'agissant d'un connaissement, en présenter tous les exemplaires originaux avant l'arrivée des marchandises au lieu de livraison prévu;
b. s'agissant d'un document de transport autre qu'un connaissement, présenter ce document dans lequel doivent être inscrites les nouvelles instructions données au transporteur;
c. rembourser au transporteur tous les frais et compenser tous les dommages occasionnés par l'exécution des instructions;
d. payer, dans le cas d'un déchargement des marchandises avant l'arrivée au lieu de livraison prévu, la totalité du fret convenu, à moins qu'il en ait été disposé autrement dans le contrat de transport.]1
Onderafdeling 5. [1 - Aansprakelijkheid van de vervoerder]1
Sous-section 5. [1 - Responsabilité du transporteur]1
Art.3.6.3.16. [1 Aansprakelijkheid voor schade
§ 1. De vervoerder is aansprakelijk voor schade door verlies of door beschadiging van de goederen die ontstaat tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen ten vervoer en het ogenblik van hun aflevering, alsmede voor vertraging in de aflevering, voor zover hij niet bewijst dat de schade voortvloeit uit omstandigheden die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen.
§ 2. De vervoerder is niet aansprakelijk voor schade door verlies of door beschadiging van de goederen die ontstaat vóór het ogenblik van laden in het binnenschip of na het ogenblik van lossing, tenzij anders overeengekomen.]1
§ 1. De vervoerder is aansprakelijk voor schade door verlies of door beschadiging van de goederen die ontstaat tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen ten vervoer en het ogenblik van hun aflevering, alsmede voor vertraging in de aflevering, voor zover hij niet bewijst dat de schade voortvloeit uit omstandigheden die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen.
§ 2. De vervoerder is niet aansprakelijk voor schade door verlies of door beschadiging van de goederen die ontstaat vóór het ogenblik van laden in het binnenschip of na het ogenblik van lossing, tenzij anders overeengekomen.]1
Art.3.6.3.16. [1 Responsabilité pour préjudice
§ 1er. Le transporteur est responsable du préjudice résultant des pertes ou dommages subis par les marchandises depuis leur prise en charge en vue du transport jusqu'à leur livraison ou résultant d'un dépassement du délai de livraison, à moins qu'il ne prouve que le préjudice résulte de circonstances qu'un transporteur diligent n'aurait pu éviter et aux conséquences desquelles il n'aurait pu obvier.
§ 2. Le transporteur n'est pas responsable pour préjudice résultant des pertes ou dommages subis par les marchandises causés pendant la période avant leur chargement à bord du bateau de navigation intérieure ou après leur déchargement, sauf stipulation contraire.]1
§ 1er. Le transporteur est responsable du préjudice résultant des pertes ou dommages subis par les marchandises depuis leur prise en charge en vue du transport jusqu'à leur livraison ou résultant d'un dépassement du délai de livraison, à moins qu'il ne prouve que le préjudice résulte de circonstances qu'un transporteur diligent n'aurait pu éviter et aux conséquences desquelles il n'aurait pu obvier.
§ 2. Le transporteur n'est pas responsable pour préjudice résultant des pertes ou dommages subis par les marchandises causés pendant la période avant leur chargement à bord du bateau de navigation intérieure ou après leur déchargement, sauf stipulation contraire.]1
Art.3.6.3.17. [1 Ondergeschikten en lasthebbers
§ 1. De vervoerder is op gelijke wijze als voor zijn eigen handelen en nalaten, aansprakelijk voor het handelen en nalaten van zijn ondergeschikten en lasthebbers van wier diensten hij gebruik maakt tijdens de uitvoering van de vervoerovereenkomst, indien deze personen in de uitoefening van hun functie hebben gehandeld.
§ 2. Indien het vervoer wordt verricht door een ondervervoerder als bedoeld in artikel 3.6.3.4, is de vervoerder eveneens aansprakelijk voor het handelen en nalaten van de ondervervoerder en diens ondergeschikten en lasthebbers, indien deze personen in de uitoefening van hun functie hebben gehandeld.
§ 3. Indien een vordering wordt ingesteld tegen de ondergeschikten en lasthebbers van de vervoerder of van de ondervervoerder, hebben deze personen, indien zij bewijzen dat zij hebben gehandeld in de uitoefening van hun functie, recht op dezelfde ontheffingen en dezelfde beperkingen van aansprakelijkheid als die waarop de vervoerder of de ondervervoerder zich krachtens deze afdeling kan beroepen.
§ 4. Een loods die door een autoriteit wordt aangewezen en niet vrij kan worden gekozen, wordt niet beschouwd als ondergeschikte of lasthebber in de zin van de eerste paragraaf.]1
§ 1. De vervoerder is op gelijke wijze als voor zijn eigen handelen en nalaten, aansprakelijk voor het handelen en nalaten van zijn ondergeschikten en lasthebbers van wier diensten hij gebruik maakt tijdens de uitvoering van de vervoerovereenkomst, indien deze personen in de uitoefening van hun functie hebben gehandeld.
§ 2. Indien het vervoer wordt verricht door een ondervervoerder als bedoeld in artikel 3.6.3.4, is de vervoerder eveneens aansprakelijk voor het handelen en nalaten van de ondervervoerder en diens ondergeschikten en lasthebbers, indien deze personen in de uitoefening van hun functie hebben gehandeld.
§ 3. Indien een vordering wordt ingesteld tegen de ondergeschikten en lasthebbers van de vervoerder of van de ondervervoerder, hebben deze personen, indien zij bewijzen dat zij hebben gehandeld in de uitoefening van hun functie, recht op dezelfde ontheffingen en dezelfde beperkingen van aansprakelijkheid als die waarop de vervoerder of de ondervervoerder zich krachtens deze afdeling kan beroepen.
§ 4. Een loods die door een autoriteit wordt aangewezen en niet vrij kan worden gekozen, wordt niet beschouwd als ondergeschikte of lasthebber in de zin van de eerste paragraaf.]1
Art.3.6.3.17. [1 Préposés et mandataires
§ 1er. Le transporteur répond des actes et omissions de ses préposés et mandataires auxquels il recourt lors de l'exécution du contrat de transport, de la même manière que de ses propres actes et omissions, lorsque ces personnes ont agi dans l'accomplissement de leurs fonctions.
§ 2. Lorsque le transport est effectué par un transporteur substitué selon l'article 3.6.3.4, le transporteur répond également des actes et omissions du transporteur substitué et des préposés et mandataires du transporteur substitué, lorsque ces personnes ont agi dans l'accomplissement de leurs fonctions.
§ 3. Lorsqu'une action est engagée contre les préposés et mandataires du transporteur ou du transporteur substitué, ces personnes peuvent, si elles apportent la preuve qu'elles ont agi dans l'accomplissement de leurs fonctions, se prévaloir des mêmes exonérations et des mêmes limitations de responsabilité que celles dont le transporteur ou le transporteur substitué peut se prévaloir en vertu de la présente section.
§ 4. Un pilote désigné par une autorité et ne pouvant être choisi librement n'est pas considéré comme un préposé ou un mandataire au sens du paragraphe 1er.]1
§ 1er. Le transporteur répond des actes et omissions de ses préposés et mandataires auxquels il recourt lors de l'exécution du contrat de transport, de la même manière que de ses propres actes et omissions, lorsque ces personnes ont agi dans l'accomplissement de leurs fonctions.
§ 2. Lorsque le transport est effectué par un transporteur substitué selon l'article 3.6.3.4, le transporteur répond également des actes et omissions du transporteur substitué et des préposés et mandataires du transporteur substitué, lorsque ces personnes ont agi dans l'accomplissement de leurs fonctions.
§ 3. Lorsqu'une action est engagée contre les préposés et mandataires du transporteur ou du transporteur substitué, ces personnes peuvent, si elles apportent la preuve qu'elles ont agi dans l'accomplissement de leurs fonctions, se prévaloir des mêmes exonérations et des mêmes limitations de responsabilité que celles dont le transporteur ou le transporteur substitué peut se prévaloir en vertu de la présente section.
§ 4. Un pilote désigné par une autorité et ne pouvant être choisi librement n'est pas considéré comme un préposé ou un mandataire au sens du paragraphe 1er.]1
Art.3.6.3.18. [1 Bijzondere ontheffingen van aansprake- lijkheid
§ 1. De vervoerder en de ondervervoerder zijn ontheven van aansprakelijkheid indien het verlies, de schade of de vertraging het gevolg is van één van de hierna opgesomde omstandigheden of risico's:
a. het handelen of nalaten van de afzender, van de geadresseerde of van de persoon die beschikkingsbevoegd is;
b. het behandelen, laden, stuwen of lossen van de goederen door de afzender of de geadresseerde of derden die handelen voor de afzender of de geadresseerde;
c. het vervoer van goederen op het dek of in open ruimen, indien dit overeengekomen is met de afzender, of in overeenstemming is met de desbetreffende handelsgebruiken of indien dit vereist is op grond van de geldende regelgeving;
d. de aard van de goederen waardoor zij geheel of gedeeltelijk blootstaan aan verlies of schade, met name door breuk, roest, intern bederf, uitdroging, lekkage, normaal verlies tijdens het vervoer (in volume of gewicht) of door ongedierte of knaagdieren;
e. het ontbreken of gebrekkigheid van de verpakking bij goederen, die door hun aard aan verlies of schade blootstaan, indien zij niet of ondeugdelijk zijn verpakt;
f. onvoldoende of gebrekkige identificatiemarkeringen van de goederen;
g. hulp- of reddingsoperaties of pogingen daartoe op de vaarwegen;
h. vervoer van levende dieren, tenzij de vervoerder de maatregelen niet heeft getroffen of de instructies niet heeft nageleefd die in de vervoerovereenkomst overeengekomen zijn.
§ 2. Wanneer, gelet op de omstandigheden van het geval, schade een gevolg heeft kunnen zijn van één van de in paragraaf 1 genoemde omstandigheden of risico's, wordt vermoed dat de schade is ontstaan door deze omstandigheid of dit risico. Dit vermoeden vervalt, indien de benadeelde bewijst dat de schade niet of niet uitsluitend voortvloeit uit één van de in paragraaf 1 van dit artikel genoemde omstandigheden of risico's.]1
§ 1. De vervoerder en de ondervervoerder zijn ontheven van aansprakelijkheid indien het verlies, de schade of de vertraging het gevolg is van één van de hierna opgesomde omstandigheden of risico's:
a. het handelen of nalaten van de afzender, van de geadresseerde of van de persoon die beschikkingsbevoegd is;
b. het behandelen, laden, stuwen of lossen van de goederen door de afzender of de geadresseerde of derden die handelen voor de afzender of de geadresseerde;
c. het vervoer van goederen op het dek of in open ruimen, indien dit overeengekomen is met de afzender, of in overeenstemming is met de desbetreffende handelsgebruiken of indien dit vereist is op grond van de geldende regelgeving;
d. de aard van de goederen waardoor zij geheel of gedeeltelijk blootstaan aan verlies of schade, met name door breuk, roest, intern bederf, uitdroging, lekkage, normaal verlies tijdens het vervoer (in volume of gewicht) of door ongedierte of knaagdieren;
e. het ontbreken of gebrekkigheid van de verpakking bij goederen, die door hun aard aan verlies of schade blootstaan, indien zij niet of ondeugdelijk zijn verpakt;
f. onvoldoende of gebrekkige identificatiemarkeringen van de goederen;
g. hulp- of reddingsoperaties of pogingen daartoe op de vaarwegen;
h. vervoer van levende dieren, tenzij de vervoerder de maatregelen niet heeft getroffen of de instructies niet heeft nageleefd die in de vervoerovereenkomst overeengekomen zijn.
§ 2. Wanneer, gelet op de omstandigheden van het geval, schade een gevolg heeft kunnen zijn van één van de in paragraaf 1 genoemde omstandigheden of risico's, wordt vermoed dat de schade is ontstaan door deze omstandigheid of dit risico. Dit vermoeden vervalt, indien de benadeelde bewijst dat de schade niet of niet uitsluitend voortvloeit uit één van de in paragraaf 1 van dit artikel genoemde omstandigheden of risico's.]1
Art.3.6.3.18. [1 Exonérations particulières de responsa- bilité
§ 1er. Le transporteur et le transporteur substitué sont exonérés de leur responsabilité lorsque la perte, les dommages ou le retard résultent de l'une des circonstances ou risques énumérés ci-après:
a. actes ou omissions de l'expéditeur, du destinataire ou de la personne habilitée à disposer;
b. manutention, chargement, l'arrimage ou ldéchargement des marchandises par l'expéditeur ou le destinataire ou par des tiers agissant pour le compte de l'expéditeur ou du destinataire;
c. transport des marchandises en pontée ou en cales ouvertes, si cela a été convenu avec l'expéditeur ou est conforme aux usages du commerce considéré ou est exigé par les prescriptions en vigueur;
d. nature des marchandises exposées en totalité ou partiellement à la perte ou l'avarie, notamment par bris, rouille, détérioration interne, dessiccation, coulage, freinte de route normale (en volume ou en poids) ou par action de la vermine ou de rongeurs;
e. absence ou défectuosité de l'emballage, lorsque les marchandises de par leur nature sont exposées à des pertes ou avaries en l'absence d'emballage ou en cas d'emballages défectueux;
f. insuffisance ou imperfection des marques d'identification des marchandises;
g. opérations ou tentatives d'opération de secours ou de sauvetage sur les voies navigables;
h. transport d'animaux vivants, sauf si le transporteur n'a pas pris les mesures ou observé les instructions convenues dans le contrat de transport.
§ 2. Lorsque, eu égard aux circonstances de fait, un dommage a pu être causé par l'une des circonstances ou l'un des risques énumérés au paragraphe 1er, il est présumé avoir été causé par cette circonstance ou par ce risque. Cette présomption disparaît si la victime prouve que le préjudice ne résulte pas ou pas exclusivement de l'une des circonstances ou de l'un des risques énumérés au paragraphe 1er du présent article.]1
§ 1er. Le transporteur et le transporteur substitué sont exonérés de leur responsabilité lorsque la perte, les dommages ou le retard résultent de l'une des circonstances ou risques énumérés ci-après:
a. actes ou omissions de l'expéditeur, du destinataire ou de la personne habilitée à disposer;
b. manutention, chargement, l'arrimage ou ldéchargement des marchandises par l'expéditeur ou le destinataire ou par des tiers agissant pour le compte de l'expéditeur ou du destinataire;
c. transport des marchandises en pontée ou en cales ouvertes, si cela a été convenu avec l'expéditeur ou est conforme aux usages du commerce considéré ou est exigé par les prescriptions en vigueur;
d. nature des marchandises exposées en totalité ou partiellement à la perte ou l'avarie, notamment par bris, rouille, détérioration interne, dessiccation, coulage, freinte de route normale (en volume ou en poids) ou par action de la vermine ou de rongeurs;
e. absence ou défectuosité de l'emballage, lorsque les marchandises de par leur nature sont exposées à des pertes ou avaries en l'absence d'emballage ou en cas d'emballages défectueux;
f. insuffisance ou imperfection des marques d'identification des marchandises;
g. opérations ou tentatives d'opération de secours ou de sauvetage sur les voies navigables;
h. transport d'animaux vivants, sauf si le transporteur n'a pas pris les mesures ou observé les instructions convenues dans le contrat de transport.
§ 2. Lorsque, eu égard aux circonstances de fait, un dommage a pu être causé par l'une des circonstances ou l'un des risques énumérés au paragraphe 1er, il est présumé avoir été causé par cette circonstance ou par ce risque. Cette présomption disparaît si la victime prouve que le préjudice ne résulte pas ou pas exclusivement de l'une des circonstances ou de l'un des risques énumérés au paragraphe 1er du présent article.]1
Art.3.6.3.19. [1 Berekening van de schadevergoeding
§ 1. Indien de vervoerder aansprakelijk is voor het volledige verlies van de goederen, is de door hem verschuldigde schadevergoeding gelijk aan de waarde van de goederen op de plaats en dag van aflevering zoals vermeld in de vervoerovereenkomst. De aflevering aan een andere persoon dan de rechthebbende wordt beschouwd als een verlies.
§ 2. Bij gedeeltelijk verlies van of schade aan de goederen, is de vervoerder slechts aansprakelijk voor de waardevermindering.
§ 3. De waarde van de goederen wordt bepaald volgens de beursprijs of, bij gebreke daarvan, volgens de marktprijs, of, bij gebreke van beide, volgens de gebruikelijke waarde van goederen van dezelfde aard en kwaliteit op de plaats van aflevering.
§ 4. Voor goederen die ingevolge hun aard aan verlies tijdens het vervoer onderhevig zijn, is de vervoerder, ongeacht de duur van het vervoer, slechts aansprakelijk voor dat gedeelte van het verlies dat groter is dan het normale verlies tijdens het vervoer (in volume of gewicht) zoals in de vervoerovereenkomst is overeengekomen of dat, bij gebreke daarvan, op grond van de op de plaats van aflevering geldende regelgeving of gebruiken wordt vastgesteld.
§ 5. Het bepaalde in dit artikel doet geen afbreuk aan het recht van de vervoerder op de vracht zoals voorzien in de vervoerovereenkomst of, bij gebrek aan bijzondere afspraken op dit punt, in toepasselijke nationale regelgeving of gebruiken.]1
§ 1. Indien de vervoerder aansprakelijk is voor het volledige verlies van de goederen, is de door hem verschuldigde schadevergoeding gelijk aan de waarde van de goederen op de plaats en dag van aflevering zoals vermeld in de vervoerovereenkomst. De aflevering aan een andere persoon dan de rechthebbende wordt beschouwd als een verlies.
§ 2. Bij gedeeltelijk verlies van of schade aan de goederen, is de vervoerder slechts aansprakelijk voor de waardevermindering.
§ 3. De waarde van de goederen wordt bepaald volgens de beursprijs of, bij gebreke daarvan, volgens de marktprijs, of, bij gebreke van beide, volgens de gebruikelijke waarde van goederen van dezelfde aard en kwaliteit op de plaats van aflevering.
§ 4. Voor goederen die ingevolge hun aard aan verlies tijdens het vervoer onderhevig zijn, is de vervoerder, ongeacht de duur van het vervoer, slechts aansprakelijk voor dat gedeelte van het verlies dat groter is dan het normale verlies tijdens het vervoer (in volume of gewicht) zoals in de vervoerovereenkomst is overeengekomen of dat, bij gebreke daarvan, op grond van de op de plaats van aflevering geldende regelgeving of gebruiken wordt vastgesteld.
§ 5. Het bepaalde in dit artikel doet geen afbreuk aan het recht van de vervoerder op de vracht zoals voorzien in de vervoerovereenkomst of, bij gebrek aan bijzondere afspraken op dit punt, in toepasselijke nationale regelgeving of gebruiken.]1
Art.3.6.3.19. [1 Calcul de l'indemnité
§ 1er. Lorsque le transporteur est responsable de la perte totale des marchandises, l'indemnité due par lui est égale à la valeur des marchandises au lieu et au jour de livraison selon le contrat de transport. La livraison à une personne autre qu'un ayant droit est considérée comme une perte.
§ 2. Lors d'une perte partielle ou d'un dommage aux marchandises, le transporteur ne répond qu'à hauteur de la perte de valeur.
§ 3. La valeur des marchandises est déterminée selon la valeur en bourse, à défaut de celle-ci, selon le prix du marché et, à défaut de l'une et de l'autre, selon la valeur usuelle de marchandises de même nature et qualité au lieu de livraison.
§ 4. Pour les marchandises qui, par leur nature même, sont exposées à une freinte de route, le transporteur n'est tenu pour responsable, quelle que soit la durée du transport, que pour la part de freinte qui dépasse la freinte de route normale (en volume ou en poids) telle qu'elle est fixée par les parties au contrat de transport ou, à défaut, par les règlements ou usages en vigueur au lieu de destination.
§ 5. Les dispositions du présent article n'affectent pas le droit du transporteur concernant le fret tel que prévu par le contrat de transport ou, à défaut d'accords particuliers sur ce point, par les réglementations nationales ou les usages applicables.]1
§ 1er. Lorsque le transporteur est responsable de la perte totale des marchandises, l'indemnité due par lui est égale à la valeur des marchandises au lieu et au jour de livraison selon le contrat de transport. La livraison à une personne autre qu'un ayant droit est considérée comme une perte.
§ 2. Lors d'une perte partielle ou d'un dommage aux marchandises, le transporteur ne répond qu'à hauteur de la perte de valeur.
§ 3. La valeur des marchandises est déterminée selon la valeur en bourse, à défaut de celle-ci, selon le prix du marché et, à défaut de l'une et de l'autre, selon la valeur usuelle de marchandises de même nature et qualité au lieu de livraison.
§ 4. Pour les marchandises qui, par leur nature même, sont exposées à une freinte de route, le transporteur n'est tenu pour responsable, quelle que soit la durée du transport, que pour la part de freinte qui dépasse la freinte de route normale (en volume ou en poids) telle qu'elle est fixée par les parties au contrat de transport ou, à défaut, par les règlements ou usages en vigueur au lieu de destination.
§ 5. Les dispositions du présent article n'affectent pas le droit du transporteur concernant le fret tel que prévu par le contrat de transport ou, à défaut d'accords particuliers sur ce point, par les réglementations nationales ou les usages applicables.]1
Art.3.6.3.20. [1 Maximale aansprakelijkheidsgrenzen
§ 1. Onverminderd artikel 3.6.3.21 en paragraaf 4 en ongeacht de tegen hem ingestelde vordering, is de vervoerder in geen geval aansprakelijk voor bedragen hoger dan 666,67 rekeneenheden voor elk collo of elke andere laadeenheid of 2 rekeneenheden voor elke kilogram van het in het vervoersdocument genoemde gewicht van de verloren gegane of beschadigde goederen, naargelang het hoogste bedrag. Indien het collo of de andere laadeenheid een container is en in het vervoersdocument geen colli of laadeenheden worden aangegeven als zijnde verpakt in een container, komt in de plaats van 666,67 rekeneenheden een bedrag van 1.500 rekeneenheden voor de container zonder de daarin samengebrachte goederen, plus 25.000 rekeneenheden extra voor de in de container samengebrachte goederen.
§ 2. Indien een container, pallet of soortgelijke vervoerseenheid wordt gebruikt voor het samenbrengen van goederen, wordt elk collo of laadeenheid waarvan in het vervoersdocument is aangegeven dat deze zich in of op die vervoerseenheid bevindt, beschouwd als een collo of een andere laadeenheid. In de andere gevallen worden de goederen die zich in of op een dergelijke vervoerseenheid bevinden beschouwd als een enkele laadeenheid. Indien de vervoerseenheid zelf verloren gaat of wordt beschadigd, wordt deze eenheid, ingeval deze niet aan de vervoerder toebehoort of door hem is verschaft, beschouwd als een aparte laadeenheid.
§ 3. In geval van schade als gevolg van te late aflevering is de vervoerder slechts aansprakelijk voor enkel het bedrag van de vracht. De ingevolge paragraaf 1 en de eerste volzin van deze paragraaf verschuldigde schadevergoedingen mogen echter tezamen het bedrag niet te boven gaan dat voortvloeit uit paragraaf 1 in geval van volledig verlies van de goederen waarvoor de aansprakelijkheid ontstaan is.
§ 4. De in paragraaf 1 genoemde maximale aansprakelijkheidsgrenzen zijn niet van toepassing:
a. indien de aard en hogere waarde van de goederen of de vervoerseenheden uitdrukkelijk zijn vermeld in het vervoersdocument en de vervoerder deze bijzonderheden niet heeft weerlegd; of
b. indien de partijen uitdrukkelijk hogere maximale aansprakelijkheidsgrenzen zijn overeengekomen.
§ 5. Het totale bedrag dat voor dezelfde schade door de vervoerder, de ondervervoerder en hun ondergeschikten en lasthebbers als vergoeding verschuldigd is, mag de som van de in dit artikel bedoelde maximale aansprakelijkheidsgrenzen niet te boven gaan.
§ 6. De in dit artikel genoemde bedragen worden geconverteerd in euro op basis van de waarde van de euro op de datum van de uitspraak of op een door de partijen overeengekomen datum. De waarde, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, van de euro wordt berekend volgens de waarderingsmethode die het Internationale Monetaire Fonds op de desbetreffende datum toepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties.]1
§ 1. Onverminderd artikel 3.6.3.21 en paragraaf 4 en ongeacht de tegen hem ingestelde vordering, is de vervoerder in geen geval aansprakelijk voor bedragen hoger dan 666,67 rekeneenheden voor elk collo of elke andere laadeenheid of 2 rekeneenheden voor elke kilogram van het in het vervoersdocument genoemde gewicht van de verloren gegane of beschadigde goederen, naargelang het hoogste bedrag. Indien het collo of de andere laadeenheid een container is en in het vervoersdocument geen colli of laadeenheden worden aangegeven als zijnde verpakt in een container, komt in de plaats van 666,67 rekeneenheden een bedrag van 1.500 rekeneenheden voor de container zonder de daarin samengebrachte goederen, plus 25.000 rekeneenheden extra voor de in de container samengebrachte goederen.
§ 2. Indien een container, pallet of soortgelijke vervoerseenheid wordt gebruikt voor het samenbrengen van goederen, wordt elk collo of laadeenheid waarvan in het vervoersdocument is aangegeven dat deze zich in of op die vervoerseenheid bevindt, beschouwd als een collo of een andere laadeenheid. In de andere gevallen worden de goederen die zich in of op een dergelijke vervoerseenheid bevinden beschouwd als een enkele laadeenheid. Indien de vervoerseenheid zelf verloren gaat of wordt beschadigd, wordt deze eenheid, ingeval deze niet aan de vervoerder toebehoort of door hem is verschaft, beschouwd als een aparte laadeenheid.
§ 3. In geval van schade als gevolg van te late aflevering is de vervoerder slechts aansprakelijk voor enkel het bedrag van de vracht. De ingevolge paragraaf 1 en de eerste volzin van deze paragraaf verschuldigde schadevergoedingen mogen echter tezamen het bedrag niet te boven gaan dat voortvloeit uit paragraaf 1 in geval van volledig verlies van de goederen waarvoor de aansprakelijkheid ontstaan is.
§ 4. De in paragraaf 1 genoemde maximale aansprakelijkheidsgrenzen zijn niet van toepassing:
a. indien de aard en hogere waarde van de goederen of de vervoerseenheden uitdrukkelijk zijn vermeld in het vervoersdocument en de vervoerder deze bijzonderheden niet heeft weerlegd; of
b. indien de partijen uitdrukkelijk hogere maximale aansprakelijkheidsgrenzen zijn overeengekomen.
§ 5. Het totale bedrag dat voor dezelfde schade door de vervoerder, de ondervervoerder en hun ondergeschikten en lasthebbers als vergoeding verschuldigd is, mag de som van de in dit artikel bedoelde maximale aansprakelijkheidsgrenzen niet te boven gaan.
§ 6. De in dit artikel genoemde bedragen worden geconverteerd in euro op basis van de waarde van de euro op de datum van de uitspraak of op een door de partijen overeengekomen datum. De waarde, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, van de euro wordt berekend volgens de waarderingsmethode die het Internationale Monetaire Fonds op de desbetreffende datum toepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties.]1
Art.3.6.3.20. [1 Limites maximales de responsabilité
§ 1er. Sous réserve de l'article 3.6.3.21 et du paragraphe 4 du présent article et quelle que soit l'action menée contre lui, le transporteur ne répond en aucun cas de montants excédant 666,67 unités de compte pour chaque colis ou autre unité de chargement ou 2 unités de compte pour chaque kilogramme du poids mentionné dans le document de transport, des marchandises perdues ou endommagées, selon le montant le plus élevé. Si le colis ou l'autre unité de chargement est un conteneur et s'il n'est pas fait mention dans le document de transport d'autres colis ou unités de chargement réunis dans le conteneur, le montant de 666,67 unités de compte est remplacé par le montant de 1.500 unités de compte pour le conteneur sans les marchandises qu'il contient et, en plus, le montant de 25.000 unités de compte pour les marchandises y contenues.
§ 2. Lorsqu'un conteneur, une palette ou tout dispositif de transport similaire est utilisé pour réunir des marchandises, tout colis ou unité de chargement dont il est indiqué dans le document de transport qu'il se trouve dans ou sur ce dispositif de transport est considéré comme un colis ou une autre unité de chargement. Dans les autres cas, les marchandises se trouvant dans ou sur un tel dispositif sont considérées comme une seule unité de chargement. Lorsque ce dispositif de transport lui-même a été perdu ou endommagé, ledit dispositif est considéré, s'il n'appartient pas au transporteur ou n'est pas fourni par lui, comme une unité de chargement distincte.
§ 3. En cas de préjudice dû à un retard de livraison, le transporteur ne répond que jusqu'à concurrence du montant du fret. Toutefois, le cumul des indemnités dues en vertu du paragraphe 1er et de la première phrase du présent paragraphe, ne peut excéder la limite qui serait applicable en vertu du paragraphe 1er en cas de perte totale des marchandises pour lesquelles la responsabilité est engagée.
§ 4. Les limites maximales de responsabilité visées au paragraphe 1er ne s'appliquent pas:
a. lorsque la nature et la valeur plus élevée des marchandises ou des dispositifs de transport ont été expressément mentionnées dans le document de transport et que le transporteur n'a pas réfuté ces précisions; ou
b. lorsque les parties sont convenues expressément de limites maximales de responsabilité supérieures.
§ 5. Le montant total des indemnités dues pour le même préjudice par le transporteur, le transporteur substitué et leurs préposés et mandataires ne peut excéder au total les limites de responsabilité prévues par le présent article.
§ 6. Les montants mentionnés au présent article sont à convertir en euro suivant la valeur de l'euro à la date du jugement ou à une date convenue par les parties. La valeur, en droits de tirage spéciaux, de l'euro est calculée selon la méthode d'évaluation appliquée effectivement par le Fonds monétaire international à la date en question pour ses propres opérations et transactions.]1
§ 1er. Sous réserve de l'article 3.6.3.21 et du paragraphe 4 du présent article et quelle que soit l'action menée contre lui, le transporteur ne répond en aucun cas de montants excédant 666,67 unités de compte pour chaque colis ou autre unité de chargement ou 2 unités de compte pour chaque kilogramme du poids mentionné dans le document de transport, des marchandises perdues ou endommagées, selon le montant le plus élevé. Si le colis ou l'autre unité de chargement est un conteneur et s'il n'est pas fait mention dans le document de transport d'autres colis ou unités de chargement réunis dans le conteneur, le montant de 666,67 unités de compte est remplacé par le montant de 1.500 unités de compte pour le conteneur sans les marchandises qu'il contient et, en plus, le montant de 25.000 unités de compte pour les marchandises y contenues.
§ 2. Lorsqu'un conteneur, une palette ou tout dispositif de transport similaire est utilisé pour réunir des marchandises, tout colis ou unité de chargement dont il est indiqué dans le document de transport qu'il se trouve dans ou sur ce dispositif de transport est considéré comme un colis ou une autre unité de chargement. Dans les autres cas, les marchandises se trouvant dans ou sur un tel dispositif sont considérées comme une seule unité de chargement. Lorsque ce dispositif de transport lui-même a été perdu ou endommagé, ledit dispositif est considéré, s'il n'appartient pas au transporteur ou n'est pas fourni par lui, comme une unité de chargement distincte.
§ 3. En cas de préjudice dû à un retard de livraison, le transporteur ne répond que jusqu'à concurrence du montant du fret. Toutefois, le cumul des indemnités dues en vertu du paragraphe 1er et de la première phrase du présent paragraphe, ne peut excéder la limite qui serait applicable en vertu du paragraphe 1er en cas de perte totale des marchandises pour lesquelles la responsabilité est engagée.
§ 4. Les limites maximales de responsabilité visées au paragraphe 1er ne s'appliquent pas:
a. lorsque la nature et la valeur plus élevée des marchandises ou des dispositifs de transport ont été expressément mentionnées dans le document de transport et que le transporteur n'a pas réfuté ces précisions; ou
b. lorsque les parties sont convenues expressément de limites maximales de responsabilité supérieures.
§ 5. Le montant total des indemnités dues pour le même préjudice par le transporteur, le transporteur substitué et leurs préposés et mandataires ne peut excéder au total les limites de responsabilité prévues par le présent article.
§ 6. Les montants mentionnés au présent article sont à convertir en euro suivant la valeur de l'euro à la date du jugement ou à une date convenue par les parties. La valeur, en droits de tirage spéciaux, de l'euro est calculée selon la méthode d'évaluation appliquée effectivement par le Fonds monétaire international à la date en question pour ses propres opérations et transactions.]1
Art.3.6.3.21. [1 Verval van het recht op beperking van aansprakelijkheid
§ 1. De vervoerder of de ondervervoerder kan geen aanspraak maken op de in deze afdeling of in de vervoerovereenkomst bedoelde ontheffingen en beperkingen van aansprakelijkheid, indien wordt bewezen dat de schade veroorzaakt is door een handelen of nalaten van hemzelf, hetzij met de opzet een dergelijke schade te veroorzaken, hetzij als gevolg van roekeloos gedrag en in de wetenschap dat een dergelijke schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
§ 2. De voor de vervoerder of ondervervoerder optredende ondergeschikten en lasthebbers kunnen evenmin aanspraak maken op de in deze afdeling of in de vervoerovereenkomst bedoelde ontheffingen en beperkingen van aansprakelijkheid, indien wordt bewezen dat zij de schade hebben veroorzaakt op de in paragraaf 1 omschreven wijze.]1
§ 1. De vervoerder of de ondervervoerder kan geen aanspraak maken op de in deze afdeling of in de vervoerovereenkomst bedoelde ontheffingen en beperkingen van aansprakelijkheid, indien wordt bewezen dat de schade veroorzaakt is door een handelen of nalaten van hemzelf, hetzij met de opzet een dergelijke schade te veroorzaken, hetzij als gevolg van roekeloos gedrag en in de wetenschap dat een dergelijke schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
§ 2. De voor de vervoerder of ondervervoerder optredende ondergeschikten en lasthebbers kunnen evenmin aanspraak maken op de in deze afdeling of in de vervoerovereenkomst bedoelde ontheffingen en beperkingen van aansprakelijkheid, indien wordt bewezen dat zij de schade hebben veroorzaakt op de in paragraaf 1 omschreven wijze.]1
Art.3.6.3.21. [1 Déchéance du droit de limiter la responsabilité
§ 1er. Le transporteur ou le transporteur substitué ne peut pas se prévaloir des exonérations et des limites de responsabilité prévues par la présente section ou dans le contrat de transport s'il est prouvé qu'il a lui-même causé le dommage par un acte ou une omission commis, soit avec l'intention de provoquer un tel dommage, soit témérairement et avec conscience qu'un tel dommage en résulterait probablement.
§ 2. De même, les préposés et mandataires agissant pour le compte du transporteur ou du transporteur substitué ne peuvent pas se prévaloir des exonérations et des limites de responsabilité prévues par la présente section ou dans le contrat de transport, s'il est prouvé qu'ils ont causé le dommage de la manière décrite au paragraphe 1er.]1
§ 1er. Le transporteur ou le transporteur substitué ne peut pas se prévaloir des exonérations et des limites de responsabilité prévues par la présente section ou dans le contrat de transport s'il est prouvé qu'il a lui-même causé le dommage par un acte ou une omission commis, soit avec l'intention de provoquer un tel dommage, soit témérairement et avec conscience qu'un tel dommage en résulterait probablement.
§ 2. De même, les préposés et mandataires agissant pour le compte du transporteur ou du transporteur substitué ne peuvent pas se prévaloir des exonérations et des limites de responsabilité prévues par la présente section ou dans le contrat de transport, s'il est prouvé qu'ils ont causé le dommage de la manière décrite au paragraphe 1er.]1
Art.3.6.3.22. [1 Toepassing van de ontheffingen en beperkingen van aansprakelijkheid
De in deze afdeling voorziene of in de vervoerovereenkomst overeengekomen ontheffingen en beperkingen zijn van toepassing op elke vordering wegens verlies, schade of te late aflevering van de in de vervoerovereenkomst bedoelde goederen, ongeacht of deze vordering is gebaseerd op een vervoerovereenkomst, op onrechtmatige daad of op een andere rechtsgrond.]1
De in deze afdeling voorziene of in de vervoerovereenkomst overeengekomen ontheffingen en beperkingen zijn van toepassing op elke vordering wegens verlies, schade of te late aflevering van de in de vervoerovereenkomst bedoelde goederen, ongeacht of deze vordering is gebaseerd op een vervoerovereenkomst, op onrechtmatige daad of op een andere rechtsgrond.]1
Art.3.6.3.22. [1 Application des exonérations et des limites de responsabilité
Les exonérations et limites de responsabilité prévues par la présente section ou au contrat de transport sont applicables pour toute action pour perte, dommages ou livraison tardive des marchandises faisant l'objet du contrat de transport, que l'action soit fondée sur la responsabilité délictuelle ou contractuelle ou sur tout autre fondement.]1
Les exonérations et limites de responsabilité prévues par la présente section ou au contrat de transport sont applicables pour toute action pour perte, dommages ou livraison tardive des marchandises faisant l'objet du contrat de transport, que l'action soit fondée sur la responsabilité délictuelle ou contractuelle ou sur tout autre fondement.]1
Onderafdeling 6. [1 - Termijn voor het instellen van vorderingen]1
Sous-section 6. [1 - Délais de réclamation]1
Art.3.6.3.23. [1 Mededeling van schade
§ 1. De aanvaarding van de goederen zonder voorbehoud door de geadresseerde levert het vermoeden op dat de vervoerder de goederen heeft afgeleverd in dezelfde staat en hoeveelheid als waarin deze aan hem ten vervoer werden overhandigd.
§ 2. De vervoerder en de geadresseerde kunnen eisen dat de staat en hoeveelheid van de goederen ten tijde van de aflevering in aanwezigheid van beide partijen worden vastgesteld.
§ 3. Indien het verlies van of de schade aan de goederen zichtbaar is, moet elk voorbehoud van de geadresseerde schriftelijk worden gemaakt onder vermelding van de algemene aard van de schade, uiterlijk op het moment van aflevering, tenzij de geadresseerde en de vervoerder de toestand van de goederen gezamenlijk hebben vastgesteld.
§ 4. Indien het verlies van of de schade aan de goederen niet zichtbaar is, moet elk voorbehoud van de geadresseerde schriftelijk worden gemaakt onder vermelding van de algemene aard van de schade, uiterlijk binnen zeven opeenvolgende dagen te rekenen vanaf het moment van aflevering, waarbij de benadeelde in dit geval moet bewijzen dat de schade ontstaan is terwijl de goederen zich onder de hoede van de vervoerder bevonden.
§ 5. Voor schade die is ontstaan door vertraging in de aflevering is geen schadevergoeding verschuldigd, tenzij de geadresseerde kan bewijzen dat hij de vertraging binnen een termijn van eenentwintig opeenvolgende dagen na de aflevering van de goederen heeft gemeld aan de vervoerder en de vervoerder deze mededeling ontvangen heeft.]1
§ 1. De aanvaarding van de goederen zonder voorbehoud door de geadresseerde levert het vermoeden op dat de vervoerder de goederen heeft afgeleverd in dezelfde staat en hoeveelheid als waarin deze aan hem ten vervoer werden overhandigd.
§ 2. De vervoerder en de geadresseerde kunnen eisen dat de staat en hoeveelheid van de goederen ten tijde van de aflevering in aanwezigheid van beide partijen worden vastgesteld.
§ 3. Indien het verlies van of de schade aan de goederen zichtbaar is, moet elk voorbehoud van de geadresseerde schriftelijk worden gemaakt onder vermelding van de algemene aard van de schade, uiterlijk op het moment van aflevering, tenzij de geadresseerde en de vervoerder de toestand van de goederen gezamenlijk hebben vastgesteld.
§ 4. Indien het verlies van of de schade aan de goederen niet zichtbaar is, moet elk voorbehoud van de geadresseerde schriftelijk worden gemaakt onder vermelding van de algemene aard van de schade, uiterlijk binnen zeven opeenvolgende dagen te rekenen vanaf het moment van aflevering, waarbij de benadeelde in dit geval moet bewijzen dat de schade ontstaan is terwijl de goederen zich onder de hoede van de vervoerder bevonden.
§ 5. Voor schade die is ontstaan door vertraging in de aflevering is geen schadevergoeding verschuldigd, tenzij de geadresseerde kan bewijzen dat hij de vertraging binnen een termijn van eenentwintig opeenvolgende dagen na de aflevering van de goederen heeft gemeld aan de vervoerder en de vervoerder deze mededeling ontvangen heeft.]1
Art.3.6.3.23. [1 Avis de dommage
§ 1er. L'acceptation sans réserve des marchandises par le destinataire constitue une présomption que le transporteur a livré les marchandises dans l'état et dans la quantité tels qu'elles lui ont été remises en vue du transport.
§ 2. Le transporteur et le destinataire peuvent exiger que l'état et la quantité des marchandises soient constatés au moment de la livraison en présence des deux parties.
§ 3. Si les pertes ou les dommages aux marchandises sont apparents, toute réserve du destinataire doit, à moins que le destinataire et le transporteur n'aient constaté contradictoirement l'état des marchandises, être formulée par écrit en indiquant la nature générale du dommage, au plus tard au moment de la livraison.
§ 4. Si les pertes ou les dommages aux marchandises ne sont pas apparents, toute réserve du destinataire doit être émise par écrit en indiquant la nature générale du dommage, au plus tard dans un délai de sept jours consécutifs à compter du moment de la livraison, la personne lésée devant prouver dans ce cas que le dommage a été causé pendant que ces marchandises étaient sous la garde du transporteur.
§ 5. Aucune réparation n'est due pour les dommages causés par un retard à la livraison, à moins que le destinataire ne prouve avoir informé le transporteur du retard dans un délai de vingt-et-un jours consécutifs suivant la livraison des marchandises et que l'avis en est parvenu au transporteur.]1
§ 1er. L'acceptation sans réserve des marchandises par le destinataire constitue une présomption que le transporteur a livré les marchandises dans l'état et dans la quantité tels qu'elles lui ont été remises en vue du transport.
§ 2. Le transporteur et le destinataire peuvent exiger que l'état et la quantité des marchandises soient constatés au moment de la livraison en présence des deux parties.
§ 3. Si les pertes ou les dommages aux marchandises sont apparents, toute réserve du destinataire doit, à moins que le destinataire et le transporteur n'aient constaté contradictoirement l'état des marchandises, être formulée par écrit en indiquant la nature générale du dommage, au plus tard au moment de la livraison.
§ 4. Si les pertes ou les dommages aux marchandises ne sont pas apparents, toute réserve du destinataire doit être émise par écrit en indiquant la nature générale du dommage, au plus tard dans un délai de sept jours consécutifs à compter du moment de la livraison, la personne lésée devant prouver dans ce cas que le dommage a été causé pendant que ces marchandises étaient sous la garde du transporteur.
§ 5. Aucune réparation n'est due pour les dommages causés par un retard à la livraison, à moins que le destinataire ne prouve avoir informé le transporteur du retard dans un délai de vingt-et-un jours consécutifs suivant la livraison des marchandises et que l'avis en est parvenu au transporteur.]1
Art.3.6.3.24. [1 Verjaring
§ 1. Alle vorderingen die voortvloeien uit een overeenkomst waarop deze afdeling van toepassing is, verjaren na een jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de goederen zijn of hadden moeten zijn afgeleverd bij de geadresseerde. De dag waarop de verjaringstermijn aanvangt, wordt niet meegerekend.
§ 2. De persoon tegen wie een vordering is ingesteld, kan de termijn te allen tijde gedurende de verjaringstermijn verlengen door middel van een schriftelijke verklaring aan de benadeelde. Deze termijn kan opnieuw door één of meerdere verklaringen worden verlengd.
§ 3. De verjaringstermijn kan tevens geschorst en gestuit worden overeenkomstig de regels van gemeen recht.
De instelling van een vordering bij een procedure ter verdeling van de beperkte aansprakelijkheid van alle uit een schadegeval voortvloeiende vorderingen schorst de verjaring.
§ 4. Een vordering tot verhaal door een persoon die ingevolge deze afdeling aansprakelijk wordt gesteld, kan ook na afloop van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde verjaringstermijn worden ingesteld, indien een procedure wordt ingesteld binnen 90 dagen te rekenen vanaf de dag waarop de persoon die de vordering tot verhaal instelt de vordering heeft voldaan of waarop de vordering aan hem is betekend of, indien een procedure wordt ingesteld binnen een langere termijn als het recht van de Staat waar de procedure wordt ingesteld daarin voorziet.
§ 5. Een verjaarde vordering kan niet worden ingesteld in de vorm van een tegenvordering of exceptie.]1
§ 1. Alle vorderingen die voortvloeien uit een overeenkomst waarop deze afdeling van toepassing is, verjaren na een jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de goederen zijn of hadden moeten zijn afgeleverd bij de geadresseerde. De dag waarop de verjaringstermijn aanvangt, wordt niet meegerekend.
§ 2. De persoon tegen wie een vordering is ingesteld, kan de termijn te allen tijde gedurende de verjaringstermijn verlengen door middel van een schriftelijke verklaring aan de benadeelde. Deze termijn kan opnieuw door één of meerdere verklaringen worden verlengd.
§ 3. De verjaringstermijn kan tevens geschorst en gestuit worden overeenkomstig de regels van gemeen recht.
De instelling van een vordering bij een procedure ter verdeling van de beperkte aansprakelijkheid van alle uit een schadegeval voortvloeiende vorderingen schorst de verjaring.
§ 4. Een vordering tot verhaal door een persoon die ingevolge deze afdeling aansprakelijk wordt gesteld, kan ook na afloop van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde verjaringstermijn worden ingesteld, indien een procedure wordt ingesteld binnen 90 dagen te rekenen vanaf de dag waarop de persoon die de vordering tot verhaal instelt de vordering heeft voldaan of waarop de vordering aan hem is betekend of, indien een procedure wordt ingesteld binnen een langere termijn als het recht van de Staat waar de procedure wordt ingesteld daarin voorziet.
§ 5. Een verjaarde vordering kan niet worden ingesteld in de vorm van een tegenvordering of exceptie.]1
Art.3.6.3.24. [1 Prescription
§ 1er. Toutes les actions nées d'un contrat régi par la présente section se prescrivent dans le délai d'un an à compter du jour où les marchandises ont été ou auraient dû être livrées au destinataire. Le jour du départ de la prescription n'est pas compris dans le délai.
§ 2. La personne contre laquelle une action a été engagée peut à tout moment, pendant le délai de prescription, prolonger ce délai par une déclaration adressée par écrit à la personne lésée. Ce délai peut être de nouveau prolongé par une ou plusieurs autres déclarations.
§ 3. Le délai de prescription peut également être suspendu et interrompu conformément aux règles du droit commun.
L'introduction d'un recours, lors d'une procédure de répartition en vue de la mise en oeuvre de la responsabilité limitée pour toutes créances résultant d'un événement ayant entraîné des dommages, interrompt la prescription.
§ 4. Une action récursoire d'une personne tenue pour responsable en vertu de la présente section pourra être exercée même après l'expiration du délai de prescription prévu aux paragraphes 1er et 2 du présent article,, si une procédure est engagée dans un délai de 90 jours à compter du jour où la personne qui exerce l'action récursoire a fait droit à la réclamation ou a été assignée ou si une procédure est engagée dans un délai plus long prévu par la loi de l'Etat où la procédure est engagée.
§ 5. L'action prescrite ne peut pas être exercée sous forme de demande reconventionnelle ou d'exception.]1
§ 1er. Toutes les actions nées d'un contrat régi par la présente section se prescrivent dans le délai d'un an à compter du jour où les marchandises ont été ou auraient dû être livrées au destinataire. Le jour du départ de la prescription n'est pas compris dans le délai.
§ 2. La personne contre laquelle une action a été engagée peut à tout moment, pendant le délai de prescription, prolonger ce délai par une déclaration adressée par écrit à la personne lésée. Ce délai peut être de nouveau prolongé par une ou plusieurs autres déclarations.
§ 3. Le délai de prescription peut également être suspendu et interrompu conformément aux règles du droit commun.
L'introduction d'un recours, lors d'une procédure de répartition en vue de la mise en oeuvre de la responsabilité limitée pour toutes créances résultant d'un événement ayant entraîné des dommages, interrompt la prescription.
§ 4. Une action récursoire d'une personne tenue pour responsable en vertu de la présente section pourra être exercée même après l'expiration du délai de prescription prévu aux paragraphes 1er et 2 du présent article,, si une procédure est engagée dans un délai de 90 jours à compter du jour où la personne qui exerce l'action récursoire a fait droit à la réclamation ou a été assignée ou si une procédure est engagée dans un délai plus long prévu par la loi de l'Etat où la procédure est engagée.
§ 5. L'action prescrite ne peut pas être exercée sous forme de demande reconventionnelle ou d'exception.]1
Onderafdeling 7. [1 - Beperking van de contractuele vrijheid]1
Sous-section 7. [1 - Limites de la liberté contractuelle]1
Art.3.6.3.25. [1 Nietige bedingen
§ 1. Elk beding dat strekt tot uitsluiting, beperking of, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 3.6.3.20, § 4, uitbreiding van de aansprakelijkheid in de zin van hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdelingen 1 tot 7, van de vervoerder, de ondervervoerder of van hun ondergeschikten of lasthebbers, of die strekt tot omkering van de bewijslast of tot verkorting van de in de artikelen 3.6.3.23 en 3.6.3.24 bedoelde vorderings- en verjaringstermijnen, is nietig. Elk beding dat aanspraken uit hoofde van de verzekering van de goederen toewijst aan de vervoerder is eveneens nietig.
§ 2. Behoudens andersluidend beding, is de vervoerder in een overeenkomst die niet valt onder de bepalingen van het "CMNI-Verdrag" ontheven van aansprakelijkheid voor:
a. een handelen of nalaten van de schipper van het binnenschip, de loods of elke andere persoon in dienst van het binnenschip of van de duwboot of de sleepboot tijdens de navigatie of bij de samenstelling of ontkoppeling van een duw- of sleepkonvooi, mits de vervoerder zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 3.6.3.3 § 3, ten aanzien van de bemanning is nagekomen, tenzij het handelen of nalaten het gevolg was van een opzettelijke poging de schade te veroorzaken of van roekeloos gedrag in de wetenschap dat een dergelijke schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien;
b. brand of een explosie aan boord van het binnenschip, zonder dat kan worden aangetoond dat de brand of de explosie door schuld van de vervoerder, de ondervervoerder of van hun ondergeschikten of lasthebbers, of door een gebrek aan het binnenschip is veroorzaakt;
c. gebreken aan zijn binnenschip of aan een gehuurd of bevracht binnenschip die bestonden voor de aanvang van de reis, indien hij bewijst dat deze gebreken, ondanks inachtneming van de nodige zorgvuldigheid, vóór de aanvang van de reis niet konden worden ontdekt.
§ 3. De vervoerder is ontheven van de aansprakelijkheid uit hoofde van deze afdeling voor schade veroorzaakt door een kernongeval, indien de exploitant van een kerninstallatie of een voor hem in de plaats tredende persoon voor die schade aansprakelijk is.]1
§ 1. Elk beding dat strekt tot uitsluiting, beperking of, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 3.6.3.20, § 4, uitbreiding van de aansprakelijkheid in de zin van hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdelingen 1 tot 7, van de vervoerder, de ondervervoerder of van hun ondergeschikten of lasthebbers, of die strekt tot omkering van de bewijslast of tot verkorting van de in de artikelen 3.6.3.23 en 3.6.3.24 bedoelde vorderings- en verjaringstermijnen, is nietig. Elk beding dat aanspraken uit hoofde van de verzekering van de goederen toewijst aan de vervoerder is eveneens nietig.
§ 2. Behoudens andersluidend beding, is de vervoerder in een overeenkomst die niet valt onder de bepalingen van het "CMNI-Verdrag" ontheven van aansprakelijkheid voor:
a. een handelen of nalaten van de schipper van het binnenschip, de loods of elke andere persoon in dienst van het binnenschip of van de duwboot of de sleepboot tijdens de navigatie of bij de samenstelling of ontkoppeling van een duw- of sleepkonvooi, mits de vervoerder zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 3.6.3.3 § 3, ten aanzien van de bemanning is nagekomen, tenzij het handelen of nalaten het gevolg was van een opzettelijke poging de schade te veroorzaken of van roekeloos gedrag in de wetenschap dat een dergelijke schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien;
b. brand of een explosie aan boord van het binnenschip, zonder dat kan worden aangetoond dat de brand of de explosie door schuld van de vervoerder, de ondervervoerder of van hun ondergeschikten of lasthebbers, of door een gebrek aan het binnenschip is veroorzaakt;
c. gebreken aan zijn binnenschip of aan een gehuurd of bevracht binnenschip die bestonden voor de aanvang van de reis, indien hij bewijst dat deze gebreken, ondanks inachtneming van de nodige zorgvuldigheid, vóór de aanvang van de reis niet konden worden ontdekt.
§ 3. De vervoerder is ontheven van de aansprakelijkheid uit hoofde van deze afdeling voor schade veroorzaakt door een kernongeval, indien de exploitant van een kerninstallatie of een voor hem in de plaats tredende persoon voor die schade aansprakelijk is.]1
Art.3.6.3.25. [1 Clauses frappées de nullité
§ 1er. Toute stipulation contractuelle visant à exclure ou à limiter ou, sous réserve des dispositions de l'article 3.6.3.20, § 4, à aggraver la responsabilité, au sens du chapitre 3, section 1re, sous-sections 1re à 7, du transporteur, du transporteur substitué ou de leurs préposés ou mandataires, à renverser la charge de la preuve ou à réduire les délais de réclamation et de prescription visés aux articles 3.6.3.23 et 3.6.3.24 est nulle. Est nulle également toute clause visant à céder au transporteur le bénéfice de l'assurance des marchandises.
§ 2. Sauf stipulation contraire, le transporteur, dans un contrat qui n'est pas régi par les dispositions de la "la Convention CMNI", est dégagé de toute responsabilité pour:
a. un acte ou une omission commis par le conducteur du bateau, le pilote ou toute autre personne au service du bateau de navigation intérieure ou du pousseur ou du remorqueur lors de la conduite nautique ou lors de la formation ou de la dissolution d'un convoi poussé ou d'un convoi remorqué, à condition que le transporteur ait rempli les obligations relatives à l'équipage prévues à l'article 3.6.3.3, § 3, à moins que l'acte ou l'omission ne résulte d'une intention de provoquer le dommage ou d'un comportement téméraire avec conscience qu'un tel dommage en résulterait probablement;
b. le feu ou une explosion à bord du bateau de navigation intérieure sans qu'il soit possible de prouver que le feu ou l'explosion résulte de la faute du transporteur, du transporteur substitué ou de leurs préposés ou mandataires ou d'une défectuosité du bateau de navigation intérieure;
c. des défectuosités de son bateau de navigation intérieure ou d'un bateau de navigation intérieure loué ou affrété existant antérieurement au voyage s'il prouve que ces défectuosités n'ont pu être décelées avant le début du voyage en dépit de la due diligence.
§ 3. Le transporteur est dégagé de la responsabilité en vertu de la présente section à raison d'un dommage causé par un accident nucléaire si l'exploitant d'une installation nucléaire ou une autre personne autorisée répond de ce dommage.]1
§ 1er. Toute stipulation contractuelle visant à exclure ou à limiter ou, sous réserve des dispositions de l'article 3.6.3.20, § 4, à aggraver la responsabilité, au sens du chapitre 3, section 1re, sous-sections 1re à 7, du transporteur, du transporteur substitué ou de leurs préposés ou mandataires, à renverser la charge de la preuve ou à réduire les délais de réclamation et de prescription visés aux articles 3.6.3.23 et 3.6.3.24 est nulle. Est nulle également toute clause visant à céder au transporteur le bénéfice de l'assurance des marchandises.
§ 2. Sauf stipulation contraire, le transporteur, dans un contrat qui n'est pas régi par les dispositions de la "la Convention CMNI", est dégagé de toute responsabilité pour:
a. un acte ou une omission commis par le conducteur du bateau, le pilote ou toute autre personne au service du bateau de navigation intérieure ou du pousseur ou du remorqueur lors de la conduite nautique ou lors de la formation ou de la dissolution d'un convoi poussé ou d'un convoi remorqué, à condition que le transporteur ait rempli les obligations relatives à l'équipage prévues à l'article 3.6.3.3, § 3, à moins que l'acte ou l'omission ne résulte d'une intention de provoquer le dommage ou d'un comportement téméraire avec conscience qu'un tel dommage en résulterait probablement;
b. le feu ou une explosion à bord du bateau de navigation intérieure sans qu'il soit possible de prouver que le feu ou l'explosion résulte de la faute du transporteur, du transporteur substitué ou de leurs préposés ou mandataires ou d'une défectuosité du bateau de navigation intérieure;
c. des défectuosités de son bateau de navigation intérieure ou d'un bateau de navigation intérieure loué ou affrété existant antérieurement au voyage s'il prouve que ces défectuosités n'ont pu être décelées avant le début du voyage en dépit de la due diligence.
§ 3. Le transporteur est dégagé de la responsabilité en vertu de la présente section à raison d'un dommage causé par un accident nucléaire si l'exploitant d'une installation nucléaire ou une autre personne autorisée répond de ce dommage.]1
Onderafdeling 8. [1 - Bijzondere bepalingen]1
Sous-section 8. [1 - Dispositions particulières]1
Art.3.6.3.26. [1 Laad- en losplaats
§ 1. De vervoerder moet het binnenschip op eigen kosten op de plaats brengen die voor het laden of het lossen is aangewezen.
Indien hij meent dat de aangewezen plaats niet geschikt is of gevaar oplevert voor schade aan het binnenschip, mag hij weigeren erheen te varen, tenzij de afzender of de geadresseerde zich er schriftelijk toe verbindt de aansprakelijkheid op zich te nemen voor de schade die het binnenschip ten gevolge van de aan die plaats verbonden risico's mocht overkomen.
Indien de gevaren van de plaats niet zichtbaar zijn, is de afzender of de geadresseerde die de vervoerder beveelt zijn binnenschip aldaar te leggen, van rechtswege aansprakelijk voor de aan die plaats verbonden risico's.
Onverminderd het voorgaande is de afzender of geadresseerde verplicht gedurende de ganse tijd dat het binnenschip zich op de aangewezen laad- of losplaats bevindt, er voor te zorgen dat zulks veilig kan gebeuren.
§ 2. Ingeval de overeenkomst slechts één laad- of één losplaats bepaalt, moet de vervoerder niettemin, desgevraagd, in de ladingshaven laden en in de bestemmingshaven lossen op de verschillende plaatsen die door de afzender respectievelijk de geadresseerde worden aangewezen. Het daartoe nodige verhalen geschiedt op verzoek en op kosten van de afzender of van de geadresseerde.
Ingeval de overeenkomst bepaalt dat het binnenschip op meer dan een plaats of langszij van meer dan een ander schip moet worden geladen of gelost, moet de vervoerder zich op eigen kosten eenmaal naar elk van de aangewezen plaatsen of langszij van elk schip begeven, terwijl het verdere verhalen voor rekening is van de afzender of van de geadresseerde.
De bepalingen van paragraaf 1 zijn eveneens van toepassing.
§ 3. Zodra het binnenschip op de laad- of losplaats is aangekomen, dient de vervoerder zich ter plaatse aan de exploitant van de overslaginstallatie aan te melden door hiervan schriftelijk kennis te geven. Indien op dat ogenblik op de laad- of losplaats niemand aanwezig of bereikbaar is om de aankomst van het binnenschip vast te stellen of de overeenkomst niet bepaalt aan wie de kennisgeving dient te geschieden, geschiedt deze rechtsgeldig aan de afzender of geadresseerde.
In geval van betwisting of het binnenschip zich op het tijdstip van de kennisgeving op de laad- of losplaats bevindt, mag de vervoerder hiervan het bewijs leveren door alle middelen van recht.
Elk recht op betwisting vervalt indien deze niet binnen de vierentwintig uren na de hiervoor genoemde kennisgeving schriftelijk aan de vervoerder wordt ter kennis gebracht. Indien de termijn verstrijkt op een zon- of feestdag waarop niet gewerkt wordt, wordt deze termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag om 10 uur `s ochtends.]1
§ 1. De vervoerder moet het binnenschip op eigen kosten op de plaats brengen die voor het laden of het lossen is aangewezen.
Indien hij meent dat de aangewezen plaats niet geschikt is of gevaar oplevert voor schade aan het binnenschip, mag hij weigeren erheen te varen, tenzij de afzender of de geadresseerde zich er schriftelijk toe verbindt de aansprakelijkheid op zich te nemen voor de schade die het binnenschip ten gevolge van de aan die plaats verbonden risico's mocht overkomen.
Indien de gevaren van de plaats niet zichtbaar zijn, is de afzender of de geadresseerde die de vervoerder beveelt zijn binnenschip aldaar te leggen, van rechtswege aansprakelijk voor de aan die plaats verbonden risico's.
Onverminderd het voorgaande is de afzender of geadresseerde verplicht gedurende de ganse tijd dat het binnenschip zich op de aangewezen laad- of losplaats bevindt, er voor te zorgen dat zulks veilig kan gebeuren.
§ 2. Ingeval de overeenkomst slechts één laad- of één losplaats bepaalt, moet de vervoerder niettemin, desgevraagd, in de ladingshaven laden en in de bestemmingshaven lossen op de verschillende plaatsen die door de afzender respectievelijk de geadresseerde worden aangewezen. Het daartoe nodige verhalen geschiedt op verzoek en op kosten van de afzender of van de geadresseerde.
Ingeval de overeenkomst bepaalt dat het binnenschip op meer dan een plaats of langszij van meer dan een ander schip moet worden geladen of gelost, moet de vervoerder zich op eigen kosten eenmaal naar elk van de aangewezen plaatsen of langszij van elk schip begeven, terwijl het verdere verhalen voor rekening is van de afzender of van de geadresseerde.
De bepalingen van paragraaf 1 zijn eveneens van toepassing.
§ 3. Zodra het binnenschip op de laad- of losplaats is aangekomen, dient de vervoerder zich ter plaatse aan de exploitant van de overslaginstallatie aan te melden door hiervan schriftelijk kennis te geven. Indien op dat ogenblik op de laad- of losplaats niemand aanwezig of bereikbaar is om de aankomst van het binnenschip vast te stellen of de overeenkomst niet bepaalt aan wie de kennisgeving dient te geschieden, geschiedt deze rechtsgeldig aan de afzender of geadresseerde.
In geval van betwisting of het binnenschip zich op het tijdstip van de kennisgeving op de laad- of losplaats bevindt, mag de vervoerder hiervan het bewijs leveren door alle middelen van recht.
Elk recht op betwisting vervalt indien deze niet binnen de vierentwintig uren na de hiervoor genoemde kennisgeving schriftelijk aan de vervoerder wordt ter kennis gebracht. Indien de termijn verstrijkt op een zon- of feestdag waarop niet gewerkt wordt, wordt deze termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag om 10 uur `s ochtends.]1
Art.3.6.3.26. [1 Lieu de chargement et de déchargement
§ 1er. Le transporteur doit, à ses frais, amener le bateau de navigation intérieure à l'endroit désigné pour le chargement ou le déchargement.
S'il estime que l'emplacement désigné n'est pas approprié ou expose le bateau de navigation intérieure à des dommages, il peut refuser de s'y rendre, à moins que l'expéditeur ou le destinataire s'engage par écrit à assumer la responsabilité des dégâts qui seraient occasionnés au bateau de navigation intérieure par suite des risques inhérents à cet emplacement.
Si les dangers de l'emplacement ne sont pas apparents, l'expéditeur ou le destinataire qui ordonne au transporteur d'y placer son bateau de navigation intérieure est de plein droit responsable des risques inhérents à cet emplacement.
Sans préjudice de ce qui précède, l'expéditeur ou le destinataire est tenu de veiller, pendant tout le temps où le bateau de navigation intérieure se trouve au lieu de chargement ou de déchargement désigné, à ce que cela puisse se faire en toute sécurité.
§ 2. Si le contrat ne stipule qu'un lieu de chargement ou de déchargement, le transporteur doit néanmoins, s'il en est requis, charger au port de charge et décharger au port de destination aux différents emplacements désignés respectivement par l'expéditeur et le destinataire. Ces déhalages se font à la diligence et aux frais respectifs de l'expéditeur ou du destinataire.
Si le contrat stipule que le bateau de navigation intérieure doit être chargé ou déchargé à plusieurs endroits, ou le long de plusieurs autres navires, le transporteur doit se rendre à ses frais une seule fois à chacun des endroits désignés ou le long de chaque navire, les déhalages subséquents restant à charge de l'expéditeur ou du destinataire.
Les dispositions du paragraphe 1er sont également d'application.
§ 3. Dès l'arrivée du bateau de navigation intérieure sur le lieu de chargement ou de déchargement, le transporteur doit annoncer sa présence sur place en le notifiant par écrit. Si, à ce moment, personne n'est présent ou accessible sur le lieu de chargement ou de déchargement pour constater l'arrivée du bateau de navigation intérieure ou si le contrat ne précise pas à qui la notification doit être faite, elle est valablement faite à l'expéditeur ou au destinataire.
En cas de contestation sur le fait de savoir si le bateau de navigation intérieure se trouve sur le lieu de chargement ou de déchargement au moment de la notification, le transporteur peut en apporter la preuve par tous moyens de droit.
Tout droit de contestation s'éteint si celle-ci n'est pas communiquée par écrit au transporteur dans les vingt-quatre heures suivant la notification susmentionnée. Si le délai expire un dimanche ou un jour férié où il n'est pas travaillé, ce délai est prolongé jusqu'au jour ouvrable suivant à 10 heures.]1
§ 1er. Le transporteur doit, à ses frais, amener le bateau de navigation intérieure à l'endroit désigné pour le chargement ou le déchargement.
S'il estime que l'emplacement désigné n'est pas approprié ou expose le bateau de navigation intérieure à des dommages, il peut refuser de s'y rendre, à moins que l'expéditeur ou le destinataire s'engage par écrit à assumer la responsabilité des dégâts qui seraient occasionnés au bateau de navigation intérieure par suite des risques inhérents à cet emplacement.
Si les dangers de l'emplacement ne sont pas apparents, l'expéditeur ou le destinataire qui ordonne au transporteur d'y placer son bateau de navigation intérieure est de plein droit responsable des risques inhérents à cet emplacement.
Sans préjudice de ce qui précède, l'expéditeur ou le destinataire est tenu de veiller, pendant tout le temps où le bateau de navigation intérieure se trouve au lieu de chargement ou de déchargement désigné, à ce que cela puisse se faire en toute sécurité.
§ 2. Si le contrat ne stipule qu'un lieu de chargement ou de déchargement, le transporteur doit néanmoins, s'il en est requis, charger au port de charge et décharger au port de destination aux différents emplacements désignés respectivement par l'expéditeur et le destinataire. Ces déhalages se font à la diligence et aux frais respectifs de l'expéditeur ou du destinataire.
Si le contrat stipule que le bateau de navigation intérieure doit être chargé ou déchargé à plusieurs endroits, ou le long de plusieurs autres navires, le transporteur doit se rendre à ses frais une seule fois à chacun des endroits désignés ou le long de chaque navire, les déhalages subséquents restant à charge de l'expéditeur ou du destinataire.
Les dispositions du paragraphe 1er sont également d'application.
§ 3. Dès l'arrivée du bateau de navigation intérieure sur le lieu de chargement ou de déchargement, le transporteur doit annoncer sa présence sur place en le notifiant par écrit. Si, à ce moment, personne n'est présent ou accessible sur le lieu de chargement ou de déchargement pour constater l'arrivée du bateau de navigation intérieure ou si le contrat ne précise pas à qui la notification doit être faite, elle est valablement faite à l'expéditeur ou au destinataire.
En cas de contestation sur le fait de savoir si le bateau de navigation intérieure se trouve sur le lieu de chargement ou de déchargement au moment de la notification, le transporteur peut en apporter la preuve par tous moyens de droit.
Tout droit de contestation s'éteint si celle-ci n'est pas communiquée par écrit au transporteur dans les vingt-quatre heures suivant la notification susmentionnée. Si le délai expire un dimanche ou un jour férié où il n'est pas travaillé, ce délai est prolongé jusqu'au jour ouvrable suivant à 10 heures.]1
Art.3.6.3.27. [1 Laden en lossen
§ 1. Onder laden wordt mede verstaan het stuwen en vastzetten van de lading.
Tot het lossen van een binnenschip behoren tevens de maatregelen tot nalossen en wassen, ontgassen en ventileren en inname van afval, en tot afgifte van een losverklaring, indien deze op grond van het "CDNI-Verdrag" verplicht zijn.
§ 2. De afzender heeft het recht het binnenschip, de ruimen of tanks en alle andere laad- en losuitrusting van het binnenschip voorafgaand aan belading op hun geschiktheid te keuren. Het laden van het binnenschip, zonder dat voorafgaand enige opmerking werd geformuleerd, geldt als vermoeden dat het binnenschip, de ruimen of tanks en alle andere laad- en losuitrusting van het binnenschip geschikt zijn om de lading in te nemen, onbelemmerd te vervoeren en af te leveren.
Het binnenschip wordt vermoed geschikt te zijn om te varen indien het voorzien is van een geldig Uniebinnenvaartcertificaat of certificaat van onderzoek of, in afwachting van de uitreiking hiervan, van een voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat of voorlopig certificaat van onderzoek, zonder voorbehouden die op de geschiktheid om te varen invloed kunnen hebben.
§ 3. De vervoerder is niet verplicht, met het oog op het laden en lossen, de laad- en losuitrusting van het binnenschip kosteloos ter beschikking te stellen van de afzender of geadresseerde.
§ 4. De vervoerder dient het binnenschip op de laadplaats laadgereed en op de losplaats losgereed ter beschikking te stellen en op de laad- of losplaats de aldaar toepasselijke veiligheidsvoorschriften in acht te nemen, voor zover deze de veiligheid van het binnenschip niet in gedrang brengen noch kosten of verplichtingen inhouden die verder reiken dan noodzakelijk is met het oog op de veiligheid.
§ 5. De vervoerder bepaalt, al naar de stuwing, de volgorde bij het laden en lossen.
Voor degene die het eerst moet laden of lossen, begint de laad- of lostijd volgens de regel van artikel 3.6.3.28, § 3, en voor elk der volgende afzenders of geadresseerden bij het verstrijken van de termijn die aan de vorige toegestaan werd of, ingeval deze niet binnen de bepaalde termijn met het laden of lossen van zijn goederen gereedkomt, op het ogenblik waarop hij daarmee klaar is.
§ 6. Voor stortgoederen geschieden de vaststellingen van tellen, wegen en meten door beëdigde wegers of meters. Indien er geen beëdigde wegers of meters zijn, dan geschieden de vaststellingen door wegers of meters aangewezen door de partijen.
Er worden gewichts- of meetbiljetten opgemaakt naar mate van het laden en aan iedere partij overhandigd.
Indien na de lossing het binnenschip leeg moet worden gemeten, moet zulks op de dag van lossing geschieden.
§ 7. De afzender of geadresseerde is aansprakelijk voor schade aan het binnenschip die door het laden of lossen wordt veroorzaakt, tenzij de schade is ontstaan door de schuld van de vervoerder.
§ 8. De lossing is beëindigd wanneer de lading geheel gelost is en daarbij aan alle verplichtingen opgenomen in het "CDNI-Verdrag" is voldaan, met inbegrip van de afgifte van een losverklaring, indien verplicht.]1
§ 1. Onder laden wordt mede verstaan het stuwen en vastzetten van de lading.
Tot het lossen van een binnenschip behoren tevens de maatregelen tot nalossen en wassen, ontgassen en ventileren en inname van afval, en tot afgifte van een losverklaring, indien deze op grond van het "CDNI-Verdrag" verplicht zijn.
§ 2. De afzender heeft het recht het binnenschip, de ruimen of tanks en alle andere laad- en losuitrusting van het binnenschip voorafgaand aan belading op hun geschiktheid te keuren. Het laden van het binnenschip, zonder dat voorafgaand enige opmerking werd geformuleerd, geldt als vermoeden dat het binnenschip, de ruimen of tanks en alle andere laad- en losuitrusting van het binnenschip geschikt zijn om de lading in te nemen, onbelemmerd te vervoeren en af te leveren.
Het binnenschip wordt vermoed geschikt te zijn om te varen indien het voorzien is van een geldig Uniebinnenvaartcertificaat of certificaat van onderzoek of, in afwachting van de uitreiking hiervan, van een voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat of voorlopig certificaat van onderzoek, zonder voorbehouden die op de geschiktheid om te varen invloed kunnen hebben.
§ 3. De vervoerder is niet verplicht, met het oog op het laden en lossen, de laad- en losuitrusting van het binnenschip kosteloos ter beschikking te stellen van de afzender of geadresseerde.
§ 4. De vervoerder dient het binnenschip op de laadplaats laadgereed en op de losplaats losgereed ter beschikking te stellen en op de laad- of losplaats de aldaar toepasselijke veiligheidsvoorschriften in acht te nemen, voor zover deze de veiligheid van het binnenschip niet in gedrang brengen noch kosten of verplichtingen inhouden die verder reiken dan noodzakelijk is met het oog op de veiligheid.
§ 5. De vervoerder bepaalt, al naar de stuwing, de volgorde bij het laden en lossen.
Voor degene die het eerst moet laden of lossen, begint de laad- of lostijd volgens de regel van artikel 3.6.3.28, § 3, en voor elk der volgende afzenders of geadresseerden bij het verstrijken van de termijn die aan de vorige toegestaan werd of, ingeval deze niet binnen de bepaalde termijn met het laden of lossen van zijn goederen gereedkomt, op het ogenblik waarop hij daarmee klaar is.
§ 6. Voor stortgoederen geschieden de vaststellingen van tellen, wegen en meten door beëdigde wegers of meters. Indien er geen beëdigde wegers of meters zijn, dan geschieden de vaststellingen door wegers of meters aangewezen door de partijen.
Er worden gewichts- of meetbiljetten opgemaakt naar mate van het laden en aan iedere partij overhandigd.
Indien na de lossing het binnenschip leeg moet worden gemeten, moet zulks op de dag van lossing geschieden.
§ 7. De afzender of geadresseerde is aansprakelijk voor schade aan het binnenschip die door het laden of lossen wordt veroorzaakt, tenzij de schade is ontstaan door de schuld van de vervoerder.
§ 8. De lossing is beëindigd wanneer de lading geheel gelost is en daarbij aan alle verplichtingen opgenomen in het "CDNI-Verdrag" is voldaan, met inbegrip van de afgifte van een losverklaring, indien verplicht.]1
Art.3.6.3.27. [1 Chargement et déchargement
§ 1er. Par chargement, on entend également l'arrimage et le calage de la cargaison.
Le déchargement d'un bateau de navigation intérieure comprend également les mesures nécessaires au déchargement des restes et au lavage, au dégazage et à la ventilation et à la réception des déchets ainsi que les mesures nécessaires à la délivrance d'une attestation de déchargement, si ces mesures sont obligatoires en vertu de "la Convention CDNI".
§ 2. L'expéditeur a le droit d'inspecter le bateau de navigation intérieure, les cales ou les réservoirs et tout autre équipement de chargement et de déchargement du bateau de navigation intérieure pour s'assurer qu'ils sont appropriés avant le chargement. Le chargement du bateau de navigation intérieure, sans qu'aucune remarque ait été formulée au préalable, est considéré comme une présomption que le bateau de navigation intérieure, les cales ou les réservoirs et tous les autres équipements de chargement et de déchargement du bateau de navigation intérieure sont appropriés pour recevoir la cargaison, la transporter sans entraves et la livrer.
Le bateau de navigation intérieure est présumé être apte à la navigation s'il s'y trouve un certificat de l'Union pour bateaux de navigation intérieure ou un certificat de visite valide ou, dans l'attente de la délivrance d'un tel certificat, un certificat de l'Union provisoire pour bateaux de navigation intérieure ou un certificat de visite provisoire, sans réserve susceptibles d'affecter son aptitude à la navigation.
§ 3. Le transporteur n'est pas tenu de mettre gratuitement à la disposition de l'expéditeur ou du destinataire les équipements de chargement et de déchargement du bateau de navigation intérieure en vue du chargement et du déchargement.
§ 4. Le transporteur doit mettre le bateau de navigation intérieure à disposition au lieu de chargement, prêt à être chargé, et au lieu de déchargement, prêt à être déchargé, et respecter les règles de sécurité qui y sont applicables, à condition que la sécurité du bateau de navigation intérieure ne soit pas compromise et qu'il n'en résulte pas des coûts ou des obligations allant au-delà de ce qui est nécessaire pour la sécurité.
§ 5. Le transporteur détermine d'après l'arrimage l'ordre de chargement et de déchargement.
Le délai de chargement ou de déchargement pour celui qui doit charger ou décharger le premier court suivant la règle établie à l'article 3.6.3.28, § 3, et, pour chacun des expéditeurs et destinataires suivants, au moment où expire le délai imparti à celui qui le précède, ou, pour le cas où celui-ci n'aurait pas terminé dans le délai, au moment où l' expéditeur ou destinataire précédent aura terminé le chargement ou le déchargement de son lot.
§ 6. Pour les marchandises en vrac, il est procédé aux constatations de comptage, mesurage ou jaugeage par des peseurs, jaugeurs ou mesureurs jurés. S'il n'y a pas jaugeurs ou mesureurs jurés, les constatations sont faites par des peseurs, jaugeurs ou mesureurs désignés par les parties.
Des notes de poids, de jaugeage ou de mesurage sont dressées au fur et à mesure du chargement et remises à chacune des parties.
Si après le déchargement le bateau de navigation intérieure doit être jaugé à vide, cette opération doit se faire le jour du déchargement.
§ 7. L'expéditeur ou le destinataire est responsable des dommages causés au bateau de navigation intérieure par le chargement ou le déchargement, à moins que les dommages ne soient dus à une faute du transporteur.
§ 8. Le déchargement est terminé lorsque la cargaison a été complètement déchargée et que toutes les obligations énoncées dans "la Convention CDNI" ont été remplies, y compris, s'il y a lieu, la délivrance d'une attestation de déchargement.]1
§ 1er. Par chargement, on entend également l'arrimage et le calage de la cargaison.
Le déchargement d'un bateau de navigation intérieure comprend également les mesures nécessaires au déchargement des restes et au lavage, au dégazage et à la ventilation et à la réception des déchets ainsi que les mesures nécessaires à la délivrance d'une attestation de déchargement, si ces mesures sont obligatoires en vertu de "la Convention CDNI".
§ 2. L'expéditeur a le droit d'inspecter le bateau de navigation intérieure, les cales ou les réservoirs et tout autre équipement de chargement et de déchargement du bateau de navigation intérieure pour s'assurer qu'ils sont appropriés avant le chargement. Le chargement du bateau de navigation intérieure, sans qu'aucune remarque ait été formulée au préalable, est considéré comme une présomption que le bateau de navigation intérieure, les cales ou les réservoirs et tous les autres équipements de chargement et de déchargement du bateau de navigation intérieure sont appropriés pour recevoir la cargaison, la transporter sans entraves et la livrer.
Le bateau de navigation intérieure est présumé être apte à la navigation s'il s'y trouve un certificat de l'Union pour bateaux de navigation intérieure ou un certificat de visite valide ou, dans l'attente de la délivrance d'un tel certificat, un certificat de l'Union provisoire pour bateaux de navigation intérieure ou un certificat de visite provisoire, sans réserve susceptibles d'affecter son aptitude à la navigation.
§ 3. Le transporteur n'est pas tenu de mettre gratuitement à la disposition de l'expéditeur ou du destinataire les équipements de chargement et de déchargement du bateau de navigation intérieure en vue du chargement et du déchargement.
§ 4. Le transporteur doit mettre le bateau de navigation intérieure à disposition au lieu de chargement, prêt à être chargé, et au lieu de déchargement, prêt à être déchargé, et respecter les règles de sécurité qui y sont applicables, à condition que la sécurité du bateau de navigation intérieure ne soit pas compromise et qu'il n'en résulte pas des coûts ou des obligations allant au-delà de ce qui est nécessaire pour la sécurité.
§ 5. Le transporteur détermine d'après l'arrimage l'ordre de chargement et de déchargement.
Le délai de chargement ou de déchargement pour celui qui doit charger ou décharger le premier court suivant la règle établie à l'article 3.6.3.28, § 3, et, pour chacun des expéditeurs et destinataires suivants, au moment où expire le délai imparti à celui qui le précède, ou, pour le cas où celui-ci n'aurait pas terminé dans le délai, au moment où l' expéditeur ou destinataire précédent aura terminé le chargement ou le déchargement de son lot.
§ 6. Pour les marchandises en vrac, il est procédé aux constatations de comptage, mesurage ou jaugeage par des peseurs, jaugeurs ou mesureurs jurés. S'il n'y a pas jaugeurs ou mesureurs jurés, les constatations sont faites par des peseurs, jaugeurs ou mesureurs désignés par les parties.
Des notes de poids, de jaugeage ou de mesurage sont dressées au fur et à mesure du chargement et remises à chacune des parties.
Si après le déchargement le bateau de navigation intérieure doit être jaugé à vide, cette opération doit se faire le jour du déchargement.
§ 7. L'expéditeur ou le destinataire est responsable des dommages causés au bateau de navigation intérieure par le chargement ou le déchargement, à moins que les dommages ne soient dus à une faute du transporteur.
§ 8. Le déchargement est terminé lorsque la cargaison a été complètement déchargée et que toutes les obligations énoncées dans "la Convention CDNI" ont été remplies, y compris, s'il y a lieu, la délivrance d'une attestation de déchargement.]1
Art.3.6.3.28. [1 Ligtijd
§ 1. De ligtijd wordt door partijen in de overeenkomst vastgelegd en uitgedrukt in volle dagen of in delen van een dag. De ligtijd kan afzonderlijk worden bepaald voor het laden en voor het lossen of gezamenlijk.
Indien er verscheidene laad- en losplaatsen zijn, mag de totale ligtijd niet meer bedragen dan wanneer er slechts één afzender of geadresseerde is.
§ 2. Indien geen ligtijd in de overeenkomst werd bedongen, wordt deze vastgesteld op de tijd die redelijkerwijs nodig is om de betreffende goederen te laden of te lossen.
De Koning kan daarbij indicatoren vaststellen voor het bepalen van de ligtijd.
§ 3. De lig-, laad- of lostijd gaat in na aankomstmelding, mits laad- of losgereed, tenzij anders overeengekomen.
In dat geval gaat de lig-, laad- of lostijd in op het overeengekomen tijdstip. Indien echter eerder met laden of lossen wordt begonnen, gaat hij op dat ogenblik in.
De lig-, laad- of lostijd loopt ononderbroken voort, tenzij anders overeengekomen.
Indien bedongen werd dat de lig-, laad- en/of lostijd onderbroken wordt, loopt die tijd niettemin ononderbroken door indien deze gebruikt wordt.
Indien een onderbreking werd overeengekomen, maar de overeengekomen lig-, laad- en/of lostijd niet werd nageleefd, buiten schuld van de vervoerder of wegens overmacht, kan hierop geen beroep worden gedaan.
§ 4. In alle gevallen waarin het binnenschip vanaf de kennisgeving van de aankomst op de laad- of losplaats tot aan het vertrek aldaar langer verblijft dan de laad- of lostijd, is de vervoerder gerechtigd op vergoeding van alle schade die hij daardoor lijdt, tenzij het oponthoud te wijten is aan overmacht of schuld van de vervoerder zelf.
De schadevergoeding, overliggeld genaamd, kan in de overeenkomst worden bepaald, bij gebreke waarvan de vervoerder de schade dient te bewijzen.
De schadevergoeding is van rechtswege verschuldigd na afloop van de laad- of lostijd, zonder ingebrekestelling.
De Koning kan indicatoren aanduiden ter berekening van de schadevergoeding.
§ 5. De in voorgaande paragrafen opgenomen bepalingen gelden niet indien de vracht is bepaald op basis van een dag- of maandhuur.
Indien echter de vracht gebaseerd is op een bepaald aantal uren inzet van het binnenschip per dag en dit aantal uren overschreden wordt, heeft de vervoerder recht op vergoeding van de bijkomende uren pro rata berekend ten opzichte van het aantal overeengekomen uren.]1
§ 1. De ligtijd wordt door partijen in de overeenkomst vastgelegd en uitgedrukt in volle dagen of in delen van een dag. De ligtijd kan afzonderlijk worden bepaald voor het laden en voor het lossen of gezamenlijk.
Indien er verscheidene laad- en losplaatsen zijn, mag de totale ligtijd niet meer bedragen dan wanneer er slechts één afzender of geadresseerde is.
§ 2. Indien geen ligtijd in de overeenkomst werd bedongen, wordt deze vastgesteld op de tijd die redelijkerwijs nodig is om de betreffende goederen te laden of te lossen.
De Koning kan daarbij indicatoren vaststellen voor het bepalen van de ligtijd.
§ 3. De lig-, laad- of lostijd gaat in na aankomstmelding, mits laad- of losgereed, tenzij anders overeengekomen.
In dat geval gaat de lig-, laad- of lostijd in op het overeengekomen tijdstip. Indien echter eerder met laden of lossen wordt begonnen, gaat hij op dat ogenblik in.
De lig-, laad- of lostijd loopt ononderbroken voort, tenzij anders overeengekomen.
Indien bedongen werd dat de lig-, laad- en/of lostijd onderbroken wordt, loopt die tijd niettemin ononderbroken door indien deze gebruikt wordt.
Indien een onderbreking werd overeengekomen, maar de overeengekomen lig-, laad- en/of lostijd niet werd nageleefd, buiten schuld van de vervoerder of wegens overmacht, kan hierop geen beroep worden gedaan.
§ 4. In alle gevallen waarin het binnenschip vanaf de kennisgeving van de aankomst op de laad- of losplaats tot aan het vertrek aldaar langer verblijft dan de laad- of lostijd, is de vervoerder gerechtigd op vergoeding van alle schade die hij daardoor lijdt, tenzij het oponthoud te wijten is aan overmacht of schuld van de vervoerder zelf.
De schadevergoeding, overliggeld genaamd, kan in de overeenkomst worden bepaald, bij gebreke waarvan de vervoerder de schade dient te bewijzen.
De schadevergoeding is van rechtswege verschuldigd na afloop van de laad- of lostijd, zonder ingebrekestelling.
De Koning kan indicatoren aanduiden ter berekening van de schadevergoeding.
§ 5. De in voorgaande paragrafen opgenomen bepalingen gelden niet indien de vracht is bepaald op basis van een dag- of maandhuur.
Indien echter de vracht gebaseerd is op een bepaald aantal uren inzet van het binnenschip per dag en dit aantal uren overschreden wordt, heeft de vervoerder recht op vergoeding van de bijkomende uren pro rata berekend ten opzichte van het aantal overeengekomen uren.]1
Art.3.6.3.28. [1 Délai de starie
§ 1er. Le délai de starie est fixé par les parties dans le contrat et est exprimé en jours entiers ou en parties de jour. Le délai de starie peut être fixé séparément pour le chargement et pour le déchargement ou conjointement.
S'il y a plusieurs lieux de chargement et de déchargement, le délai de starie total ne peut être plus long que lorsqu'il n'y a qu'un seul expéditeur ou destinataire.
§ 2 Si aucun délai de starie n'a été convenu dans le contrat, il sera déterminé en fonction du temps raisonnablement nécessaire pour charger ou décharger les marchandises en question.
Le Roi peut définir des indicateurs pour déterminer le délai de starie.
§ 3. Le délai de starie, de chargement ou de déchargement prend cours après la notification d'arrivée, à condition que le bateau soit prêt à être chargé ou déchargé, sauf s'il en est convenu autrement.
Dans ce cas, le délai de starie, de chargement ou de déchargement prend cours à l'heure convenue. Si le chargement ou le déchargement commence plus tôt, il prend cours à ce moment.
Le délai de starie, de chargement ou de déchargement se poursuit sans interruption, sauf s'il en est convenu autrement.
S'il a été stipulé que le délai de starie, de chargement et/ou de déchargement est interrompu, ce délai se poursuivra néanmoins sans interruption s'il est utilisé.
Si une interruption a été convenue, mais que le délai convenu de starie, de chargement et/ou de déchargement n'a pas été respecté, sans faute du transporteur ou par force majeure, cela ne peut être invoqué.
§ 4. Dans tous les cas où le bateau de navigation intérieure reste plus longtemps que le délai de chargement ou de déchargement depuis la notification d'arrivée au lieu de chargement ou de déchargement jusqu'au départ de celui-ci, le transporteur a le droit d'être indemnisé pour tous les dommages qu'il subit de ce fait, à moins que le retard ne soit dû à un cas de force majeure ou à une faute du transporteur lui-même.
L'indemnité, appelée surestaries, peut être fixée dans le contrat, à défaut de quoi le transporteur devra prouver le dommage.
L'indemnité est due de plein droit après l'expiration du délai de chargement ou de déchargement, sans mise en demeure.
Le Roi peut définir des indicateurs pour calculer l'indemnité.
§ 5. Les dispositions reprises dans les paragraphes précédents ne s'appliquent pas si le fret est déterminé sur la base d'une location journalière ou mensuelle.
Toutefois, si le fret est basé sur un nombre donné d'heures d'utilisation du bateau de navigation intérieure par jour et que ce nombre d'heures est dépassé, le transporteur a droit à une indemnisation pour les heures supplémentaires calculée au pro rata par rapport au nombre d'heures convenu.]1
§ 1er. Le délai de starie est fixé par les parties dans le contrat et est exprimé en jours entiers ou en parties de jour. Le délai de starie peut être fixé séparément pour le chargement et pour le déchargement ou conjointement.
S'il y a plusieurs lieux de chargement et de déchargement, le délai de starie total ne peut être plus long que lorsqu'il n'y a qu'un seul expéditeur ou destinataire.
§ 2 Si aucun délai de starie n'a été convenu dans le contrat, il sera déterminé en fonction du temps raisonnablement nécessaire pour charger ou décharger les marchandises en question.
Le Roi peut définir des indicateurs pour déterminer le délai de starie.
§ 3. Le délai de starie, de chargement ou de déchargement prend cours après la notification d'arrivée, à condition que le bateau soit prêt à être chargé ou déchargé, sauf s'il en est convenu autrement.
Dans ce cas, le délai de starie, de chargement ou de déchargement prend cours à l'heure convenue. Si le chargement ou le déchargement commence plus tôt, il prend cours à ce moment.
Le délai de starie, de chargement ou de déchargement se poursuit sans interruption, sauf s'il en est convenu autrement.
S'il a été stipulé que le délai de starie, de chargement et/ou de déchargement est interrompu, ce délai se poursuivra néanmoins sans interruption s'il est utilisé.
Si une interruption a été convenue, mais que le délai convenu de starie, de chargement et/ou de déchargement n'a pas été respecté, sans faute du transporteur ou par force majeure, cela ne peut être invoqué.
§ 4. Dans tous les cas où le bateau de navigation intérieure reste plus longtemps que le délai de chargement ou de déchargement depuis la notification d'arrivée au lieu de chargement ou de déchargement jusqu'au départ de celui-ci, le transporteur a le droit d'être indemnisé pour tous les dommages qu'il subit de ce fait, à moins que le retard ne soit dû à un cas de force majeure ou à une faute du transporteur lui-même.
L'indemnité, appelée surestaries, peut être fixée dans le contrat, à défaut de quoi le transporteur devra prouver le dommage.
L'indemnité est due de plein droit après l'expiration du délai de chargement ou de déchargement, sans mise en demeure.
Le Roi peut définir des indicateurs pour calculer l'indemnité.
§ 5. Les dispositions reprises dans les paragraphes précédents ne s'appliquent pas si le fret est déterminé sur la base d'une location journalière ou mensuelle.
Toutefois, si le fret est basé sur un nombre donné d'heures d'utilisation du bateau de navigation intérieure par jour et que ce nombre d'heures est dépassé, le transporteur a droit à une indemnisation pour les heures supplémentaires calculée au pro rata par rapport au nombre d'heures convenu.]1
Art.3.6.3.29. [1 Bepalingen met betrekking tot de te laden goederen
§ 1. Het is de afzender niet toegelaten goederen ten vervoer aan te bieden waarvan het vervoer krachtens internationale of nationale wetgeving of plaatselijke reglementen niet toegelaten is.
Het is de afzender niet toegelaten andere goederen te laden dan deze bepaald in de overeenkomst.
§ 2. Indien de overeenkomst de vermelding "ongeveer" bevat, kan de afzender tweeëneenhalf procent meer of minder inladen, voor zover het vermogen van het binnenschip zulks toelaat en mits een vrachttoeslag voor het meerdere.]1
§ 1. Het is de afzender niet toegelaten goederen ten vervoer aan te bieden waarvan het vervoer krachtens internationale of nationale wetgeving of plaatselijke reglementen niet toegelaten is.
Het is de afzender niet toegelaten andere goederen te laden dan deze bepaald in de overeenkomst.
§ 2. Indien de overeenkomst de vermelding "ongeveer" bevat, kan de afzender tweeëneenhalf procent meer of minder inladen, voor zover het vermogen van het binnenschip zulks toelaat en mits een vrachttoeslag voor het meerdere.]1
Art.3.6.3.29. [1 Dispositions relatives aux marchandises à charger
§ 1er. L'expéditeur n'est pas autorisé à proposer au transport des marchandises dont le transport n'est pas autorisé en vertu de la législation internationale ou nationale ou de règlements locaux.
L'expéditeur n'est pas autorisé à charger des marchandises autres que celles spécifiées dans le contrat.
§ 2. Si le contrat contient la clause "environ", l'expéditeur peut charger deux pourcent et demi en moins ou en plus, pour autant que la capacité du bateau de navigation intérieure le permette et qu'il y ait un supplément de fret pour le surplus.]1
§ 1er. L'expéditeur n'est pas autorisé à proposer au transport des marchandises dont le transport n'est pas autorisé en vertu de la législation internationale ou nationale ou de règlements locaux.
L'expéditeur n'est pas autorisé à charger des marchandises autres que celles spécifiées dans le contrat.
§ 2. Si le contrat contient la clause "environ", l'expéditeur peut charger deux pourcent et demi en moins ou en plus, pour autant que la capacité du bateau de navigation intérieure le permette et qu'il y ait un supplément de fret pour le surplus.]1
Art.3.6.3.30. [1 Bepalingen met betrekking tot een ongehinderde vaart
§ 1. Wanneer het binnenschip op een stroom of rivier met vrije loop moet varen om de haven van bestemming te bereiken, kan de vervoerder niet verplicht worden de gehele bedongen hoeveelheid in te laden, indien het binnenschip ten gevolge van de waterstand niet met een volle lading ter bestemming zou geraken.
§ 2. Het binnenschip kan niet worden verplicht zich een weg te banen door het ijs of een niet-ijsvrije haven of een niet ijsvrij gebied in te varen.
§ 3. De vervoerder heeft het recht om de goederen geheel of ten dele over te laden in andere schepen op of op te slaan in andere schepen of aan wal voor zover dit onder de gegeven omstandigheden in het belang van het binnenschip of de lading noodzakelijk lijkt te zijn. De afzender en de geadresseerde zijn hoofdelijk aansprakelijk tegenover de vervoerder voor de extra kosten die daardoor ontstaan, voor zover de betreffende maatregelen niet door schuld van de vervoerder moesten worden getroffen.
Het overslaan of de opslag geschieden namens en voor rekening en risico van de afzender en de geadresseerde.]1
§ 1. Wanneer het binnenschip op een stroom of rivier met vrije loop moet varen om de haven van bestemming te bereiken, kan de vervoerder niet verplicht worden de gehele bedongen hoeveelheid in te laden, indien het binnenschip ten gevolge van de waterstand niet met een volle lading ter bestemming zou geraken.
§ 2. Het binnenschip kan niet worden verplicht zich een weg te banen door het ijs of een niet-ijsvrije haven of een niet ijsvrij gebied in te varen.
§ 3. De vervoerder heeft het recht om de goederen geheel of ten dele over te laden in andere schepen op of op te slaan in andere schepen of aan wal voor zover dit onder de gegeven omstandigheden in het belang van het binnenschip of de lading noodzakelijk lijkt te zijn. De afzender en de geadresseerde zijn hoofdelijk aansprakelijk tegenover de vervoerder voor de extra kosten die daardoor ontstaan, voor zover de betreffende maatregelen niet door schuld van de vervoerder moesten worden getroffen.
Het overslaan of de opslag geschieden namens en voor rekening en risico van de afzender en de geadresseerde.]1
Art.3.6.3.30. [1 Dispositions relatives à une navigation sans entraves
§ 1er. Lorsque, pour atteindre le port de destination, le bateau de navigation intérieure doit naviguer sur un fleuve ou sur une rivière à courant libre, le transporteur ne peut pas être obligé de charger la totalité de la quantité stipulée si le niveau d'eau est tel que le bateau de navigation intérieure ne pourrait, avec un plein chargement, arriver à destination.
§ 2. Le bateau de navigation intérieure ne peut pas être tenu de se frayer un chemin à travers les glaces ou de naviguer dans un port ou une zone non libre de glaces.
§ 3. Le transporteur a le droit de transborder les marchandises en tout ou en partie dans d'autres navires ou de les entreposer dans d'autres navires ou à quai, dans la mesure où cela semble nécessaire, compte tenu des circonstances, dans l'intérêt du bateau de navigation intérieure ou de la cargaison. L'expéditeur et le destinataire sont solidairement responsables envers le transporteur des frais supplémentaires encourus, pour autant que les mesures en question ne soient pas dues à une faute du transporteur.
Le transbordement ou l'entreposage s'effectue au nom et pour le compte et aux risques de l'expéditeur et du destinataire.]1
§ 1er. Lorsque, pour atteindre le port de destination, le bateau de navigation intérieure doit naviguer sur un fleuve ou sur une rivière à courant libre, le transporteur ne peut pas être obligé de charger la totalité de la quantité stipulée si le niveau d'eau est tel que le bateau de navigation intérieure ne pourrait, avec un plein chargement, arriver à destination.
§ 2. Le bateau de navigation intérieure ne peut pas être tenu de se frayer un chemin à travers les glaces ou de naviguer dans un port ou une zone non libre de glaces.
§ 3. Le transporteur a le droit de transborder les marchandises en tout ou en partie dans d'autres navires ou de les entreposer dans d'autres navires ou à quai, dans la mesure où cela semble nécessaire, compte tenu des circonstances, dans l'intérêt du bateau de navigation intérieure ou de la cargaison. L'expéditeur et le destinataire sont solidairement responsables envers le transporteur des frais supplémentaires encourus, pour autant que les mesures en question ne soient pas dues à une faute du transporteur.
Le transbordement ou l'entreposage s'effectue au nom et pour le compte et aux risques de l'expéditeur et du destinataire.]1
Art.3.6.3.31. [1 Vracht en de overige op de goederen rustende vorderingen
§ 1. Wanneer de afzender de in de overeenkomst vermelde hoeveelheid goederen niet heeft ingeladen, is de afzender verplicht de vracht voor de niet geladen hoeveelheid voor het begin van het vervoer te voldoen. De voorliggende bepaling is niet van toepassing indien een blokvracht of een vracht per dag of deel van een dag werd afgesproken.
De vervoerder kan tevens op het tijdstip van beëindiging van de belading een voorschot gelijk aan een derde van de vracht eisen.
De vervoerder is gerechtigd de afvaart niet aan te vatten, zolang de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen niet zijn voldaan.
§ 2. Onverminderd de bepalingen van paragraaf 1 is de vracht opeisbaar zodra de lostijd is verstreken.
De overige op de goederen rustende vorderingen waartoe de overeenkomst aanleiding geeft, zoals bijkomende kosten, overliggelden en andere schadevergoedingen, alsmede desgevallend de bijdrage in averij-grosse, zijn opeisbaar zodra het feit dat tot de vordering aanleiding heeft gegeven, zich heeft voorgedaan en mits de verschuldigdheid niet wordt betwist.
Worden de in het eerste of tweede lid bedoelde bedragen of de verschuldigdheid ervan betwist of is afgeweken van de voorgaande leden van deze paragraaf, kan de vervoerder het stellen van een zekerheid eisen en mag hij de afvaart of de voortzetting van de reis of de aflevering van de goederen weigeren zolang deze niet wordt gesteld.
Behoudens indien door de vervoerder, of in geval van ondervervoer door de ondervervoerder, in het vervoersdocument werd bevestigd dat op de goederen rustende vorderingen voldaan zijn, is elk beding dat het recht op het stellen van zekerheid en het recht om van de geadresseerde, die om aflevering verzoekt, betaling van de in dit artikel bedoelde bedragen te vorderen, uitsluit, nietig.
§ 3. Aanvaarding door de vervoerder van het saldo van de vracht, berekend naar het uitgeleverd gewicht, sluit geen erkenning in van manco.
§ 4. Ingeval een deel van de goederen niet ter bestemmingsplaats aankomt, is slechts een evenredige vracht verschuldigd, die niet minder mag bedragen dan een derde van de overeengekomen vracht.
Is een deel van de goederen over boord geworpen tot gemeen behoud van het binnenschip en lading, dan is de volle vracht verschuldigd, maar draagt zij bij in de averij-grosse.
Deze regels doen geen afbreuk aan het recht van verhaal op degenen door wier schuld de goederen verloren gegaan of niet aangekomen zijn.
§ 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 3.6.3.19, § 5, doet verlies of beschadiging van de goederen of vertraging in de aflevering geen afbreuk aan het recht van de vervoerder op de overige op de goederen rustende vorderingen.]1
§ 1. Wanneer de afzender de in de overeenkomst vermelde hoeveelheid goederen niet heeft ingeladen, is de afzender verplicht de vracht voor de niet geladen hoeveelheid voor het begin van het vervoer te voldoen. De voorliggende bepaling is niet van toepassing indien een blokvracht of een vracht per dag of deel van een dag werd afgesproken.
De vervoerder kan tevens op het tijdstip van beëindiging van de belading een voorschot gelijk aan een derde van de vracht eisen.
De vervoerder is gerechtigd de afvaart niet aan te vatten, zolang de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen niet zijn voldaan.
§ 2. Onverminderd de bepalingen van paragraaf 1 is de vracht opeisbaar zodra de lostijd is verstreken.
De overige op de goederen rustende vorderingen waartoe de overeenkomst aanleiding geeft, zoals bijkomende kosten, overliggelden en andere schadevergoedingen, alsmede desgevallend de bijdrage in averij-grosse, zijn opeisbaar zodra het feit dat tot de vordering aanleiding heeft gegeven, zich heeft voorgedaan en mits de verschuldigdheid niet wordt betwist.
Worden de in het eerste of tweede lid bedoelde bedragen of de verschuldigdheid ervan betwist of is afgeweken van de voorgaande leden van deze paragraaf, kan de vervoerder het stellen van een zekerheid eisen en mag hij de afvaart of de voortzetting van de reis of de aflevering van de goederen weigeren zolang deze niet wordt gesteld.
Behoudens indien door de vervoerder, of in geval van ondervervoer door de ondervervoerder, in het vervoersdocument werd bevestigd dat op de goederen rustende vorderingen voldaan zijn, is elk beding dat het recht op het stellen van zekerheid en het recht om van de geadresseerde, die om aflevering verzoekt, betaling van de in dit artikel bedoelde bedragen te vorderen, uitsluit, nietig.
§ 3. Aanvaarding door de vervoerder van het saldo van de vracht, berekend naar het uitgeleverd gewicht, sluit geen erkenning in van manco.
§ 4. Ingeval een deel van de goederen niet ter bestemmingsplaats aankomt, is slechts een evenredige vracht verschuldigd, die niet minder mag bedragen dan een derde van de overeengekomen vracht.
Is een deel van de goederen over boord geworpen tot gemeen behoud van het binnenschip en lading, dan is de volle vracht verschuldigd, maar draagt zij bij in de averij-grosse.
Deze regels doen geen afbreuk aan het recht van verhaal op degenen door wier schuld de goederen verloren gegaan of niet aangekomen zijn.
§ 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 3.6.3.19, § 5, doet verlies of beschadiging van de goederen of vertraging in de aflevering geen afbreuk aan het recht van de vervoerder op de overige op de goederen rustende vorderingen.]1
Art.3.6.3.31. [1 Fret et autres créances sur les marchandises
§ 1er. Lorsque l'expéditeur n'a pas chargé la quantité de marchandises mentionnée au contrat, il est tenu d'acquitter le fret pour la quantité non chargée avant le début du transport. La présente disposition ne s'applique pas si un fret en bloc ou un fret par jour ou partie de jour a été convenu.
Le transporteur peut également exiger un acompte égal à un tiers du fret au moment où le chargement est terminé.
Le transporteur a le droit de ne pas commencer à naviguer tant que les montants visés aux alinéas 1er et 2 n'ont pas été payés.
§ 2. Sans préjudice des dispositions du paragraphe 1er, le fret est exigible dès l'expiration du délai de déchargement.
Les autres créances sur les marchandises auxquelles le contrat donne lieu, telles que les frais supplémentaires, les surestaries et autres indemnités, ainsi que la contribution en avarie commune le cas échéant, sont exigibles dès que le fait générateur de la créance s'est produit et pour autant que son exigibilité ne soit pas contestée.
Si les montants visés à l'alinéa 1er ou 2 ou leur exigibilité sont contestés ou s'il est dérogé aux alinéas précédents du présent paragraphe, le transporteur peut exiger la constitution d'une sûreté et refuser l'appareillage ou la poursuite du voyage ou la livraison des marchandises tant que cette sûreté n'a pas été constituée.
A moins que le transporteur ou, en cas de transport substitué, le transporteur substitué, n'ait confirmé dans le document de transport que les créances sur les marchandises ont été acquittées, toute clause excluant le droit de constituer une sûreté et le droit d'exiger du destinataire demandant la livraison le paiement des montants visés au présent article est nulle.
§ 3. L'acceptation, par le transporteur, du solde du fret calculé sur le poids débarqué n'implique pas la reconnaissance du manquant.
§ 4. Lorsqu'une partie des marchandises ne parvient pas à destination, il n'est dû qu'un fret proportionnel, ce fret proportionnel ne pouvant être inférieur au tiers du fret convenu.
Si des marchandises ont dû être jetées par-dessus bord pour le salut commun du bateau de navigation intérieure et de la cargaison, le fret entier est dû mais contribue à l'avarie commune.
Ces règles ne préjudicient pas aux recours éventuels contre ceux dont la faute a provoqué la perte ou la non-arrivée de la marchandise.
§ 5. Sans préjudice à l'article 3.6.3.19, § 5, la perte ou les dommages subis par les marchandises ou un retard de livraison ne portent nullement préjudice au droit du transporteur aux autres créances sur les marchandises.]1
§ 1er. Lorsque l'expéditeur n'a pas chargé la quantité de marchandises mentionnée au contrat, il est tenu d'acquitter le fret pour la quantité non chargée avant le début du transport. La présente disposition ne s'applique pas si un fret en bloc ou un fret par jour ou partie de jour a été convenu.
Le transporteur peut également exiger un acompte égal à un tiers du fret au moment où le chargement est terminé.
Le transporteur a le droit de ne pas commencer à naviguer tant que les montants visés aux alinéas 1er et 2 n'ont pas été payés.
§ 2. Sans préjudice des dispositions du paragraphe 1er, le fret est exigible dès l'expiration du délai de déchargement.
Les autres créances sur les marchandises auxquelles le contrat donne lieu, telles que les frais supplémentaires, les surestaries et autres indemnités, ainsi que la contribution en avarie commune le cas échéant, sont exigibles dès que le fait générateur de la créance s'est produit et pour autant que son exigibilité ne soit pas contestée.
Si les montants visés à l'alinéa 1er ou 2 ou leur exigibilité sont contestés ou s'il est dérogé aux alinéas précédents du présent paragraphe, le transporteur peut exiger la constitution d'une sûreté et refuser l'appareillage ou la poursuite du voyage ou la livraison des marchandises tant que cette sûreté n'a pas été constituée.
A moins que le transporteur ou, en cas de transport substitué, le transporteur substitué, n'ait confirmé dans le document de transport que les créances sur les marchandises ont été acquittées, toute clause excluant le droit de constituer une sûreté et le droit d'exiger du destinataire demandant la livraison le paiement des montants visés au présent article est nulle.
§ 3. L'acceptation, par le transporteur, du solde du fret calculé sur le poids débarqué n'implique pas la reconnaissance du manquant.
§ 4. Lorsqu'une partie des marchandises ne parvient pas à destination, il n'est dû qu'un fret proportionnel, ce fret proportionnel ne pouvant être inférieur au tiers du fret convenu.
Si des marchandises ont dû être jetées par-dessus bord pour le salut commun du bateau de navigation intérieure et de la cargaison, le fret entier est dû mais contribue à l'avarie commune.
Ces règles ne préjudicient pas aux recours éventuels contre ceux dont la faute a provoqué la perte ou la non-arrivée de la marchandise.
§ 5. Sans préjudice à l'article 3.6.3.19, § 5, la perte ou les dommages subis par les marchandises ou un retard de livraison ne portent nullement préjudice au droit du transporteur aux autres créances sur les marchandises.]1
Art.3.6.3.32. [1 Beëindigingsrechten in hoofde van de afzender
§ 1. De afzender mag de overeenkomst zonder vergoeding ontbinden, ingeval de vervoerder zich niet op de overeengekomen tijd op de aangewezen laadplaats bevindt.
§ 2. De afzender mag de overeenkomst zonder vergoeding ontbinden, ingeval het binnenschip niet geschikt is om de lading in te nemen of niet geschikt is om te varen of niet voorzien is van de ingevolge de geldende regelgeving vereiste uitrusting en bemanning of zeewaardig of van de voor het vervoer van de betrokken goederen vereiste nationale en internationale vergunningen en de vervoerder niet het nodige doet om na ingebrekestelling hieraan te verhelpen. Indien betwisting rijst of het binnenschip daartoe geschikt is, wordt de staat van geschiktheid bindend tussen partijen vastgesteld door een daartoe tussen partijen of op eenzijdig verzoekschrift bij beschikking van de rechtbank aangestelde deskundige. De kosten hieraan verbonden zijn voor rekening van de in het ongelijk gestelde partij.
Indien de vervoerder in het ongelijk wordt gesteld of de ongeschiktheid om de lading in te nemen niet betwist, moet hij tevens de schade vergoeden die de afzender lijdt wegens vrachtverschil en kosten, tenzij hij overmacht kan bewijzen. Indien de afzender in het ongelijk wordt gesteld dient hij de schade te vergoeden die de vervoerder hierdoor lijdt.
§ 3. De afzender is tevens gerechtigd, zolang niet met belading een aanvang is genomen, de overeenkomst te ontbinden, mits betaling van een schadevergoeding gelijk aan de helft van de vracht, desgevallend vermeerderd met de schadevergoeding waarvan sprake in artikel 3.6.3.28, § 4.
§ 4. De afzender is tevens gerechtigd, zodra met belading een aanvang is genomen, het laden niet verder te zetten en op zijn kosten en risico de reeds geladen goederen opnieuw te lossen. De overeenkomst wordt als ontbonden beschouwd zodra het binnenschip geheel gelost is en aan alle eventuele verplichtingen van het "CDNI-Verdrag" is voldaan.
Indien de afzender van dit recht gebruik maakt, heeft de vervoerder recht op betaling van de gehele vracht, desgevallend vermeerderd met de schadevergoeding waarvan sprake in artikel 3.6.3.28, § 4.]1
§ 1. De afzender mag de overeenkomst zonder vergoeding ontbinden, ingeval de vervoerder zich niet op de overeengekomen tijd op de aangewezen laadplaats bevindt.
§ 2. De afzender mag de overeenkomst zonder vergoeding ontbinden, ingeval het binnenschip niet geschikt is om de lading in te nemen of niet geschikt is om te varen of niet voorzien is van de ingevolge de geldende regelgeving vereiste uitrusting en bemanning of zeewaardig of van de voor het vervoer van de betrokken goederen vereiste nationale en internationale vergunningen en de vervoerder niet het nodige doet om na ingebrekestelling hieraan te verhelpen. Indien betwisting rijst of het binnenschip daartoe geschikt is, wordt de staat van geschiktheid bindend tussen partijen vastgesteld door een daartoe tussen partijen of op eenzijdig verzoekschrift bij beschikking van de rechtbank aangestelde deskundige. De kosten hieraan verbonden zijn voor rekening van de in het ongelijk gestelde partij.
Indien de vervoerder in het ongelijk wordt gesteld of de ongeschiktheid om de lading in te nemen niet betwist, moet hij tevens de schade vergoeden die de afzender lijdt wegens vrachtverschil en kosten, tenzij hij overmacht kan bewijzen. Indien de afzender in het ongelijk wordt gesteld dient hij de schade te vergoeden die de vervoerder hierdoor lijdt.
§ 3. De afzender is tevens gerechtigd, zolang niet met belading een aanvang is genomen, de overeenkomst te ontbinden, mits betaling van een schadevergoeding gelijk aan de helft van de vracht, desgevallend vermeerderd met de schadevergoeding waarvan sprake in artikel 3.6.3.28, § 4.
§ 4. De afzender is tevens gerechtigd, zodra met belading een aanvang is genomen, het laden niet verder te zetten en op zijn kosten en risico de reeds geladen goederen opnieuw te lossen. De overeenkomst wordt als ontbonden beschouwd zodra het binnenschip geheel gelost is en aan alle eventuele verplichtingen van het "CDNI-Verdrag" is voldaan.
Indien de afzender van dit recht gebruik maakt, heeft de vervoerder recht op betaling van de gehele vracht, desgevallend vermeerderd met de schadevergoeding waarvan sprake in artikel 3.6.3.28, § 4.]1
Art.3.6.3.32. [1 Droits de résiliation dans le chef de l' expéditeur
§ 1er. L'expéditeur peut résilier le contrat sans indemnité si le transporteur ne se trouve pas au lieu de chargement désigné à l'heure convenue.
§ 2. L'expéditeur peut résilier le contrat sans indemnité si le bateau de navigation intérieure n'est pas approprié pour recevoir la cargaison ou n'est pas apte à naviguer ou n'a pas l'équipement et l'équipage requis en vertu de la réglementation en vigueur ou les licences nationales et internationales nécessaires au transport des marchandises en question et si le transporteur ne prend pas les mesures nécessaires pour remédier à la situation après mise en demeure. Si l'aptitude du bateau de navigation intérieure est contestée, l'état d'aptitude est déterminé de manière contraignante entre les parties par un expert désigné à cet effet entre les parties ou sur requête unilatérale par ordonnance du tribunal. Les frais y afférents sont à la charge de la partie reconnue en tort.
Si le transporteur est reconnu en tort ou ne conteste pas l'inaptitude à recevoir la cargaison, il doit également indemniser les dommages subis par l'expéditeur en raison de la différence de fret et des frais exposés, sauf s'il peut prouver la force majeure. Si l'expéditeur est reconnu en tort, il doit indemniser le transporteur pour les dommages subis.
§ 3. L'expéditeur a également le droit, tant que le chargement n'a pas commencé, de résilier le contrat moyennant le paiement d'une indemnité égale à la moitié du fret, le cas échéant augmentée de l'indemnité visée à l'article 3.6.3.28, § 4.
§ 4. L'expéditeur a également le droit, dès que le chargement a commencé, de ne pas poursuivre le chargement et de décharger de nouveau les marchandises déjà chargées à ses frais et risques. Le contrat est considéré comme résilié dès que le bateau de navigation intérieure est complètement déchargé et qu'il a été satisfait à toutes les obligations éventuelles de "la Convention CDNI".
Si l'expéditeur fait usage de ce droit, le transporteur a droit au paiement de la totalité du fret, le cas échéant augmentée de l'indemnité visée à l'article 3.6.3.28, § 4.]1
§ 1er. L'expéditeur peut résilier le contrat sans indemnité si le transporteur ne se trouve pas au lieu de chargement désigné à l'heure convenue.
§ 2. L'expéditeur peut résilier le contrat sans indemnité si le bateau de navigation intérieure n'est pas approprié pour recevoir la cargaison ou n'est pas apte à naviguer ou n'a pas l'équipement et l'équipage requis en vertu de la réglementation en vigueur ou les licences nationales et internationales nécessaires au transport des marchandises en question et si le transporteur ne prend pas les mesures nécessaires pour remédier à la situation après mise en demeure. Si l'aptitude du bateau de navigation intérieure est contestée, l'état d'aptitude est déterminé de manière contraignante entre les parties par un expert désigné à cet effet entre les parties ou sur requête unilatérale par ordonnance du tribunal. Les frais y afférents sont à la charge de la partie reconnue en tort.
Si le transporteur est reconnu en tort ou ne conteste pas l'inaptitude à recevoir la cargaison, il doit également indemniser les dommages subis par l'expéditeur en raison de la différence de fret et des frais exposés, sauf s'il peut prouver la force majeure. Si l'expéditeur est reconnu en tort, il doit indemniser le transporteur pour les dommages subis.
§ 3. L'expéditeur a également le droit, tant que le chargement n'a pas commencé, de résilier le contrat moyennant le paiement d'une indemnité égale à la moitié du fret, le cas échéant augmentée de l'indemnité visée à l'article 3.6.3.28, § 4.
§ 4. L'expéditeur a également le droit, dès que le chargement a commencé, de ne pas poursuivre le chargement et de décharger de nouveau les marchandises déjà chargées à ses frais et risques. Le contrat est considéré comme résilié dès que le bateau de navigation intérieure est complètement déchargé et qu'il a été satisfait à toutes les obligations éventuelles de "la Convention CDNI".
Si l'expéditeur fait usage de ce droit, le transporteur a droit au paiement de la totalité du fret, le cas échéant augmentée de l'indemnité visée à l'article 3.6.3.28, § 4.]1
Art.3.6.3.33. [1 Beëindigingsrechten in hoofde van de vervoerder
§ 1. Indien een melddatum voor belading is overeengekomen en de vervoerder, door overmacht, deze niet kan nakomen, is de vervoerder gerechtigd, zonder enige schadevergoeding verschuldigd te zijn en zonder zelf op enige vergoeding aanspraak te kunnen maken, de overeenkomst te ontbinden, tenzij partijen een andere melddatum overeenkomen.
§ 2. Indien het binnenschip tijdens de uitvoering van de overeenkomst vergaat, eindigt deze van rechtswege.
Wanneer het binnenschip, zonder dat het vergaan is, tijdens de uitvoering van de overeenkomst zodanig beschadigd blijkt te zijn dat het, naar het oordeel van de vervoerder, het herstel, nodig voor de uitvoering van de overeenkomst, niet waard is of dit herstel binnen redelijke termijn niet mogelijk is, is de vervoerder gerechtigd de overeenkomst op te zeggen.
Indien zich een omstandigheid voordoet, zoals bepaald in de vorige leden van dit artikel, en deze zich voordoet tijdens de vaart om zich naar de laad- of losplaats te begeven, wordt tot bewijs van het tegendeel vermoed dat deze omstandigheid te wijten is aan schuld van de vervoerder.
§ 3. Tevens is de vervoerder gerechtigd op de laadplaats de overeenkomst te ontbinden, zonder ingebrekestelling, indien de laadtijd of bij een gezamenlijke laad- en lostijd de helft van de ligtijd, met 48 uren overschreden is.
In dat geval heeft de vervoerder recht op betaling van de helft van de overeengekomen vracht alsmede de schadevergoeding waarvan sprake in artikel 3.6.3.28, § 4.
§ 4. Tevens is de vervoerder gerechtigd op de losplaats, zonder ingebrekestelling, de overeenkomst te beëindigen en op risico en kosten van wie het behoort de lading te lossen, indien de ligtijd of bij een gezamenlijke laad- en lostijd de helft van de ligtijd sedert het tijdstip van aankomst op de losplaats, met 48 uren overschreden is, zonder dat met lossing een aanvang is genomen.
In dat geval heeft de vervoerder recht op betaling van de overeengekomen vracht alsmede de in artikel 3.6.3.28, § 4, bedoelde schadevergoeding indien van toepassing, alsmede vergoeding van alle overige schade die hij daardoor lijdt en kosten die hij heeft uitgestaan.
Tevens kan toepassing worden gemaakt van artikel 3.6.3.34.
§ 5. In alle gevallen waarin de overeengekomen vracht is bepaald op basis van een dag- of maandhuur, zijn de bepalingen van de paragrafen 3 en 4 niet van toepassing.
In de overige gevallen waarin de vervoerder onder dit artikel tot ontbinding kan overgaan, heeft de vervoerder recht op vergoeding voor elke dag vanaf het tijdstip dat het binnenschip zich naar de laadplaats heeft begeven tot op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst, onverminderd vergoeding van andere schade en kosten.
§ 6. De hiervoor genoemde ontbindingsgronden alsmede paragraaf 5 doen geen afbreuk aan het recht tot ontbinding vermeld in artikel 3.6.3.9 en de vergoedingen waarop de vervoerder in dat geval aanspraak kan maken.]1
§ 1. Indien een melddatum voor belading is overeengekomen en de vervoerder, door overmacht, deze niet kan nakomen, is de vervoerder gerechtigd, zonder enige schadevergoeding verschuldigd te zijn en zonder zelf op enige vergoeding aanspraak te kunnen maken, de overeenkomst te ontbinden, tenzij partijen een andere melddatum overeenkomen.
§ 2. Indien het binnenschip tijdens de uitvoering van de overeenkomst vergaat, eindigt deze van rechtswege.
Wanneer het binnenschip, zonder dat het vergaan is, tijdens de uitvoering van de overeenkomst zodanig beschadigd blijkt te zijn dat het, naar het oordeel van de vervoerder, het herstel, nodig voor de uitvoering van de overeenkomst, niet waard is of dit herstel binnen redelijke termijn niet mogelijk is, is de vervoerder gerechtigd de overeenkomst op te zeggen.
Indien zich een omstandigheid voordoet, zoals bepaald in de vorige leden van dit artikel, en deze zich voordoet tijdens de vaart om zich naar de laad- of losplaats te begeven, wordt tot bewijs van het tegendeel vermoed dat deze omstandigheid te wijten is aan schuld van de vervoerder.
§ 3. Tevens is de vervoerder gerechtigd op de laadplaats de overeenkomst te ontbinden, zonder ingebrekestelling, indien de laadtijd of bij een gezamenlijke laad- en lostijd de helft van de ligtijd, met 48 uren overschreden is.
In dat geval heeft de vervoerder recht op betaling van de helft van de overeengekomen vracht alsmede de schadevergoeding waarvan sprake in artikel 3.6.3.28, § 4.
§ 4. Tevens is de vervoerder gerechtigd op de losplaats, zonder ingebrekestelling, de overeenkomst te beëindigen en op risico en kosten van wie het behoort de lading te lossen, indien de ligtijd of bij een gezamenlijke laad- en lostijd de helft van de ligtijd sedert het tijdstip van aankomst op de losplaats, met 48 uren overschreden is, zonder dat met lossing een aanvang is genomen.
In dat geval heeft de vervoerder recht op betaling van de overeengekomen vracht alsmede de in artikel 3.6.3.28, § 4, bedoelde schadevergoeding indien van toepassing, alsmede vergoeding van alle overige schade die hij daardoor lijdt en kosten die hij heeft uitgestaan.
Tevens kan toepassing worden gemaakt van artikel 3.6.3.34.
§ 5. In alle gevallen waarin de overeengekomen vracht is bepaald op basis van een dag- of maandhuur, zijn de bepalingen van de paragrafen 3 en 4 niet van toepassing.
In de overige gevallen waarin de vervoerder onder dit artikel tot ontbinding kan overgaan, heeft de vervoerder recht op vergoeding voor elke dag vanaf het tijdstip dat het binnenschip zich naar de laadplaats heeft begeven tot op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst, onverminderd vergoeding van andere schade en kosten.
§ 6. De hiervoor genoemde ontbindingsgronden alsmede paragraaf 5 doen geen afbreuk aan het recht tot ontbinding vermeld in artikel 3.6.3.9 en de vergoedingen waarop de vervoerder in dat geval aanspraak kan maken.]1
Art.3.6.3.33. [1 Droits de résiliation dans le chef du transporteur
§ 1er. Si une date de notification pour le chargement a été convenue et que le transporteur, en raison d'un cas de force majeure, ne peut la respecter, le transporteur a le droit de résilier le contrat, sans être redevable d'aucune indemnité et sans pouvoir prétendre lui-même à une quelconque indemnité, à moins que les parties ne conviennent d'une autre date de notification.
§ 2. Si le bateau de navigation intérieure fait naufrage pendant l'exécution du contrat, celui-ci prend fin de plein droit.
Si, au cours de l'exécution du contrat, le bateau de navigation intérieure, sans avoir fait naufrage, est endommagé à un point tel que, de l'avis du transporteur, il ne vaut pas la peine de procéder aux réparations nécessaires pour l'exécution du contrat ou que ces réparations ne sont pas possibles dans un délai raisonnable, le transporteur a le droit de résilier le contrat.
Si une circonstance visée aux alinéas précédents du présent article se produit pendant la navigation jusqu'au lieu de chargement ou de déchargement, il est présumé, jusqu'à preuve du contraire, que cette circonstance est due à la faute du transporteur.
§ 3. De plus, le transporteur a le droit de résilier le contrat, sans mise en demeure, au lieu de chargement, si le délai de chargement ou en cas de délai de chargement et de déchargement conjoint, la moitié du délai de starie, est dépassé(e) de 48 heures.
Dans ce cas, le transporteur a droit au paiement de la moitié du fret convenu ainsi qu'à l'indemnité visée à l'article 3.6.3.28, § 4.
§ 4. De plus, le transporteur a le droit de résilier le contrat, sans mise en demeure, au lieu de déchargement, et de décharger la cargaison aux risques et frais de celui à qui elle appartient si le délai de starie ou, en cas de délai de chargement et de déchargement conjoint, la moitié du délai de starie depuis l'heure d'arrivée au lieu de déchargement, est dépassé(e) de 48 heures, sans que le déchargement ait commencé.
Dans ce cas, le transporteur a droit au paiement du fret convenu et à l'indemnité visée à l'article 3.6.3.28, § 4, s'il y a lieu, ainsi qu'à l'indemnisation de tous les autres dommages subis et des frais qu'il a engagés.
L'article 3.6.3.34 peut également être appliqué.
§ 5. Dans tous les cas où le fret convenu est déterminé sur la base d'une location journalière ou mensuelle, les dispositions des paragraphes 3 et 4 ne sont pas applicables.
Dans les autres cas où le transporteur peut procéder à la résiliation en vertu du présent article, le transporteur a droit à une indemnité pour chaque jour écoulé depuis le moment où le bateau de navigation intérieure s'est rendu au lieu de chargement jusqu'à la résiliation du contrat, sans préjudice de l'indemnisation d'autres dommages et frais.
§ 6. Les motifs de résiliation susmentionnés ainsi que le paragraphe 5 ne portent nullement préjudice au droit de résiliation visé à l'article 3.6.3.9 et aux indemnités auxquelles le transporteur peut prétendre dans ce cas.]1
§ 1er. Si une date de notification pour le chargement a été convenue et que le transporteur, en raison d'un cas de force majeure, ne peut la respecter, le transporteur a le droit de résilier le contrat, sans être redevable d'aucune indemnité et sans pouvoir prétendre lui-même à une quelconque indemnité, à moins que les parties ne conviennent d'une autre date de notification.
§ 2. Si le bateau de navigation intérieure fait naufrage pendant l'exécution du contrat, celui-ci prend fin de plein droit.
Si, au cours de l'exécution du contrat, le bateau de navigation intérieure, sans avoir fait naufrage, est endommagé à un point tel que, de l'avis du transporteur, il ne vaut pas la peine de procéder aux réparations nécessaires pour l'exécution du contrat ou que ces réparations ne sont pas possibles dans un délai raisonnable, le transporteur a le droit de résilier le contrat.
Si une circonstance visée aux alinéas précédents du présent article se produit pendant la navigation jusqu'au lieu de chargement ou de déchargement, il est présumé, jusqu'à preuve du contraire, que cette circonstance est due à la faute du transporteur.
§ 3. De plus, le transporteur a le droit de résilier le contrat, sans mise en demeure, au lieu de chargement, si le délai de chargement ou en cas de délai de chargement et de déchargement conjoint, la moitié du délai de starie, est dépassé(e) de 48 heures.
Dans ce cas, le transporteur a droit au paiement de la moitié du fret convenu ainsi qu'à l'indemnité visée à l'article 3.6.3.28, § 4.
§ 4. De plus, le transporteur a le droit de résilier le contrat, sans mise en demeure, au lieu de déchargement, et de décharger la cargaison aux risques et frais de celui à qui elle appartient si le délai de starie ou, en cas de délai de chargement et de déchargement conjoint, la moitié du délai de starie depuis l'heure d'arrivée au lieu de déchargement, est dépassé(e) de 48 heures, sans que le déchargement ait commencé.
Dans ce cas, le transporteur a droit au paiement du fret convenu et à l'indemnité visée à l'article 3.6.3.28, § 4, s'il y a lieu, ainsi qu'à l'indemnisation de tous les autres dommages subis et des frais qu'il a engagés.
L'article 3.6.3.34 peut également être appliqué.
§ 5. Dans tous les cas où le fret convenu est déterminé sur la base d'une location journalière ou mensuelle, les dispositions des paragraphes 3 et 4 ne sont pas applicables.
Dans les autres cas où le transporteur peut procéder à la résiliation en vertu du présent article, le transporteur a droit à une indemnité pour chaque jour écoulé depuis le moment où le bateau de navigation intérieure s'est rendu au lieu de chargement jusqu'à la résiliation du contrat, sans préjudice de l'indemnisation d'autres dommages et frais.
§ 6. Les motifs de résiliation susmentionnés ainsi que le paragraphe 5 ne portent nullement préjudice au droit de résiliation visé à l'article 3.6.3.9 et aux indemnités auxquelles le transporteur peut prétendre dans ce cas.]1
Art.3.6.3.34. [1 Geschillen bij aflevering
§ 1. Wanneer de vervoerde goederen worden geweigerd of aangaande de inontvangstneming daarvan geschil is ontstaan, wordt de staat van de goederen, indien een belanghebbende het vordert, onderzocht door een deskundige in der minne aangesteld door partijen of bij beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank.
§ 2. De beschikking kan, al naargelang het geval, bevelen dat de goederen:
1° in bewaring zullen worden gegeven of onder sekwester gesteld, alsook dat zij naar een openbare of particuliere opslagplaats zullen worden gebracht;
2° hetzij onderhands of openbaar onder de door de voorzitter bepaalde voorwaarden zullen worden verkocht;
3° in geval van onmiddellijk gevaar voor personen, zaken of het milieu, onschadelijk zullen worden gemaakt, of, mits een dergelijke maatregel met betrekking tot het gevaar dat van de van goederen uitgaat niet onevenredig is, vernietigd zullen worden.
§ 3. De opbrengst van de verkoop zal bij voorrang worden besteed ter voldoening van hetgeen aan de vervoerder verschuldigd is.]1
§ 1. Wanneer de vervoerde goederen worden geweigerd of aangaande de inontvangstneming daarvan geschil is ontstaan, wordt de staat van de goederen, indien een belanghebbende het vordert, onderzocht door een deskundige in der minne aangesteld door partijen of bij beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank.
§ 2. De beschikking kan, al naargelang het geval, bevelen dat de goederen:
1° in bewaring zullen worden gegeven of onder sekwester gesteld, alsook dat zij naar een openbare of particuliere opslagplaats zullen worden gebracht;
2° hetzij onderhands of openbaar onder de door de voorzitter bepaalde voorwaarden zullen worden verkocht;
3° in geval van onmiddellijk gevaar voor personen, zaken of het milieu, onschadelijk zullen worden gemaakt, of, mits een dergelijke maatregel met betrekking tot het gevaar dat van de van goederen uitgaat niet onevenredig is, vernietigd zullen worden.
§ 3. De opbrengst van de verkoop zal bij voorrang worden besteed ter voldoening van hetgeen aan de vervoerder verschuldigd is.]1
Art.3.6.3.34. [1 Litiges à la livraison
§ 1er. En cas de refus des objets transportés ou de contestation pour leur réception, leur état est vérifié, si un intéressé le demande, par un expert désigné à l'amiable par les parties ou nommé par une ordonnance du Président du tribunal de l'entreprise.
§ 2. L'ordonnance peut, le cas échéant, ordonner que les marchandises:
1° seront déposées ou mises sous séquestre, ainsi que qu'elles seront emmenées dans un dépôt public ou privé;
2° seront vendues soit sous seing privée, soit publiquement, aux conditions déterminées par le président;
3° en cas de danger imminent pour les personnes, les biens ou l'environnement, soient rendues inoffensives ou, à condition qu'une telle mesure ne soit pas disproportionnée par rapport au danger que présente le bien, soient détruites.
§ 3. Le produit de la vente sera utilisé en priorité pour payer ce qui est dû au transporteur.]1
§ 1er. En cas de refus des objets transportés ou de contestation pour leur réception, leur état est vérifié, si un intéressé le demande, par un expert désigné à l'amiable par les parties ou nommé par une ordonnance du Président du tribunal de l'entreprise.
§ 2. L'ordonnance peut, le cas échéant, ordonner que les marchandises:
1° seront déposées ou mises sous séquestre, ainsi que qu'elles seront emmenées dans un dépôt public ou privé;
2° seront vendues soit sous seing privée, soit publiquement, aux conditions déterminées par le président;
3° en cas de danger imminent pour les personnes, les biens ou l'environnement, soient rendues inoffensives ou, à condition qu'une telle mesure ne soit pas disproportionnée par rapport au danger que présente le bien, soient détruites.
§ 3. Le produit de la vente sera utilisé en priorité pour payer ce qui est dû au transporteur.]1
Art.3.6.3.35. [1 Vorderingsgerechtigdheid van de afzender en geadresseerde
Zowel de afzender als geadresseerde zijn vorderingsgerechtigd wegens schade door verlies of beschadiging van de goederen of wegens vertraging in de aflevering.]1
Zowel de afzender als geadresseerde zijn vorderingsgerechtigd wegens schade door verlies of beschadiging van de goederen of wegens vertraging in de aflevering.]1
Art.3.6.3.35. [1 Droit d'action de l'expéditeur et du destinataire
Tant l'expéditeur que le destinataire sont en droit de réclamer des dommages causés par la perte ou l'endommagement de la marchandise ou pour retard de livraison.]1
Tant l'expéditeur que le destinataire sont en droit de réclamer des dommages causés par la perte ou l'endommagement de la marchandise ou pour retard de livraison.]1
Onderafdeling 9. [1 - Zekerheidsrechten van de vervoerder]1
Sous-section 9. [1 - Sûretés du transporteur]1
Art.3.6.3.36. [1 Zekerheidsrechten van de vervoerder
§ 1. De vracht, de overige op de goederen rustende vorderingen, alsmede de bijdrage in avarij-grosse zijn bevoorrecht op de goederen gedurende de tijd dat deze in het bezit zijn van de vervoerder en gedurende de vierentwintig uren die op de afgifte aan de geadresseerde volgen, mits laatstgenoemde er het bezit van behoudt.
Dit voorrecht heeft dezelfde rang als het voorrecht ingesteld bij artikel 20, 7°, van de Hypotheekwet.
§ 2. Tevens is de vervoerder gerechtigd een retentierecht uit te oefenen op de lading zolang zijn op de goederen rustende vorderingen niet zijn voldaan.
§ 3. Elk beding dat de toepassing van dit artikel uitsluit is nietig.]1
§ 1. De vracht, de overige op de goederen rustende vorderingen, alsmede de bijdrage in avarij-grosse zijn bevoorrecht op de goederen gedurende de tijd dat deze in het bezit zijn van de vervoerder en gedurende de vierentwintig uren die op de afgifte aan de geadresseerde volgen, mits laatstgenoemde er het bezit van behoudt.
Dit voorrecht heeft dezelfde rang als het voorrecht ingesteld bij artikel 20, 7°, van de Hypotheekwet.
§ 2. Tevens is de vervoerder gerechtigd een retentierecht uit te oefenen op de lading zolang zijn op de goederen rustende vorderingen niet zijn voldaan.
§ 3. Elk beding dat de toepassing van dit artikel uitsluit is nietig.]1
Art.3.6.3.36. [1 Sûretés du transporteur
§ 1er. Le fret, les autres créances sur les marchandises ainsi que la contribution en avarie commune sont privilégiés sur les marchandises pendant qu'elles se trouvent en la possession du transporteur et pendant les vingt-quatre heures qui suivent la remise au destinataire, pourvu que celui-ci en conserve la possession.
Ce privilège a le rang du privilège prévu par l'article 20, 7°, de la loi hypothécaire.
§ 2. Le transporteur a également le droit d'exercer un droit de rétention sur la cargaison tant que les créances sur les marchandises n'ont pas été acquittées.
§ 3. Toute clause qui exclut l'application du présent article est nulle.]1
§ 1er. Le fret, les autres créances sur les marchandises ainsi que la contribution en avarie commune sont privilégiés sur les marchandises pendant qu'elles se trouvent en la possession du transporteur et pendant les vingt-quatre heures qui suivent la remise au destinataire, pourvu que celui-ci en conserve la possession.
Ce privilège a le rang du privilège prévu par l'article 20, 7°, de la loi hypothécaire.
§ 2. Le transporteur a également le droit d'exercer un droit de rétention sur la cargaison tant que les créances sur les marchandises n'ont pas été acquittées.
§ 3. Toute clause qui exclut l'application du présent article est nulle.]1
HOOFDSTUK 4. [1 - Overeenkomsten tot meenemen of slepen]1
CHAPITRE 4. [1 - Contrats d'emport ou de remorquage]1
Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Section 1re. [1 - Dispositions générales]1
Art.3.6.4.1. [1 Materiële en internationale toepassing
De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op overeenkomsten tot meenemen alsook tot slepen van binnenschepen.
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn ook van toepassing indien het duwen geschiedt met een ander binnenschip dan een duwboot.
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op meenemen of slepen van een schip, wanneer dit geschiedt in het kader van hulp of berging.
Onder voorbehoud van de artikelen 3.6.1.2. en 3.6.1.3. en van andere dwingende wettelijke en reglementaire bepalingen, kunnen partijen contractueel anders bepalen dan voorzien in dit hoofdstuk.]1
De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op overeenkomsten tot meenemen alsook tot slepen van binnenschepen.
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn ook van toepassing indien het duwen geschiedt met een ander binnenschip dan een duwboot.
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op meenemen of slepen van een schip, wanneer dit geschiedt in het kader van hulp of berging.
Onder voorbehoud van de artikelen 3.6.1.2. en 3.6.1.3. en van andere dwingende wettelijke en reglementaire bepalingen, kunnen partijen contractueel anders bepalen dan voorzien in dit hoofdstuk.]1
Art.3.6.4.1. [1 Application matérielle et internationale
Les dispositions de la présente section s'appliquent aux contrats d'emport, ainsi qu'aux contrats de remorquage de bateaux de navigation intérieure.
Les dispositions du présent chapitre s'appliquent également si le poussage est effectué par un bateau de navigation intérieure autre qu'un pousseur.
Les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent pas à l'emport ou au remorquage d'un navire, qui est réalisé dans le cadre d'une opération d'assistance ou de sauvetage.
Sous réserve des articles 3.6.1.2 et 3.6.1.3. et d'autres dispositions législatives et réglementaires contraignantes, les parties peuvent décider autrement contractuellement que prévu dans le présent chapitre.]1
Les dispositions de la présente section s'appliquent aux contrats d'emport, ainsi qu'aux contrats de remorquage de bateaux de navigation intérieure.
Les dispositions du présent chapitre s'appliquent également si le poussage est effectué par un bateau de navigation intérieure autre qu'un pousseur.
Les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent pas à l'emport ou au remorquage d'un navire, qui est réalisé dans le cadre d'une opération d'assistance ou de sauvetage.
Sous réserve des articles 3.6.1.2 et 3.6.1.3. et d'autres dispositions législatives et réglementaires contraignantes, les parties peuvent décider autrement contractuellement que prévu dans le présent chapitre.]1
Art.3.6.4.2. [1 Begrippen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° "opdrachtnemer": degene die zich tot het meenemen of slepen verplicht, ongeacht of hij de eigenaar is of niet van het binnenschip dat voor de uitvoering van die werkzaamheden wordt ingezet;
2° "opdrachtgever": de medecontractant van degene die zich verbindt tot het meenemen of slepen, ongeacht of hij de eigenaar is van het mee te nemen of te slepen binnenschip;
3° "schade aan derden": schade aan andere voorwerpen dan de bij de overeenkomst betrokken binnenschepen en hun lading.]1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° "opdrachtnemer": degene die zich tot het meenemen of slepen verplicht, ongeacht of hij de eigenaar is of niet van het binnenschip dat voor de uitvoering van die werkzaamheden wordt ingezet;
2° "opdrachtgever": de medecontractant van degene die zich verbindt tot het meenemen of slepen, ongeacht of hij de eigenaar is van het mee te nemen of te slepen binnenschip;
3° "schade aan derden": schade aan andere voorwerpen dan de bij de overeenkomst betrokken binnenschepen en hun lading.]1
Art.3.6.4.2. [1 Définitions
Dans le présent chapitre, l'on entend par:
1° "prestataire": celui qui s'oblige à l'emport ou au remorquage, qu'il soit ou non propriétaire du bateau de navigation intérieure utilisé pour l'exécution de ces opérations;
2° "donneur d'ordre": le cocontractant de celui qui s'engage à l'emport ou au remorquage, qu'il soit ou non le propriétaire du bateau de navigation intérieure à emporter ou remorquer;
3° "dommages aux tiers": dommages à des objets autres que les bateaux de navigation intérieure concernés par le contrat et leur cargaison.]1
Dans le présent chapitre, l'on entend par:
1° "prestataire": celui qui s'oblige à l'emport ou au remorquage, qu'il soit ou non propriétaire du bateau de navigation intérieure utilisé pour l'exécution de ces opérations;
2° "donneur d'ordre": le cocontractant de celui qui s'engage à l'emport ou au remorquage, qu'il soit ou non le propriétaire du bateau de navigation intérieure à emporter ou remorquer;
3° "dommages aux tiers": dommages à des objets autres que les bateaux de navigation intérieure concernés par le contrat et leur cargaison.]1
Art.3.6.4.3. [1 Vermeldingen
De overeenkomst vermeldt:
1° de naam en de woonplaats of de zetel van de opdrachtgever en de opdrachtnemer;
2° de volgende gegevens betreffende het binnenschip: naam, uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI), nummer teboekstelling, type, tonnenmaat en afmetingen, bouwplaats, bouwjaar, Uniebinnenvaartcertificaat of certificaat van onderzoek, gevestigde scheepshypotheken en verdere bijzonderheden;
3° de haven of plaats, en het vroegste en het laatste tijdstip voor levering en teruggave;
4° desgevallend, het toegelaten vaargebied;
5° de duur van de overeenkomst;
6° de vergoeding;
7° de plaats en het tijdstip van ondertekening.]1
De overeenkomst vermeldt:
1° de naam en de woonplaats of de zetel van de opdrachtgever en de opdrachtnemer;
2° de volgende gegevens betreffende het binnenschip: naam, uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI), nummer teboekstelling, type, tonnenmaat en afmetingen, bouwplaats, bouwjaar, Uniebinnenvaartcertificaat of certificaat van onderzoek, gevestigde scheepshypotheken en verdere bijzonderheden;
3° de haven of plaats, en het vroegste en het laatste tijdstip voor levering en teruggave;
4° desgevallend, het toegelaten vaargebied;
5° de duur van de overeenkomst;
6° de vergoeding;
7° de plaats en het tijdstip van ondertekening.]1
Art.3.6.4.3. [1 Mentions
Le contrat mentionne:
1° les nom et domicile ou le siège du donneur d'ordre et du prestataire;
2° les données suivantes concernant le bateau de navigation intérieure: nom, numéro européen unique d'identification des bateaux (ENI), numéro d'immatriculation, type, tonnage et dimensions, lieu de construction, année de construction, certificat de l'Union pour bateaux de navigation intérieure ou certificat de visite, hypothèques sur navires constituées et d'autres particularités;
3° le port ou le lieu et la première et la dernière heure possibles pour la livraison et la restitution;
4° le cas échéant, la zone de navigation autorisée;
5° la durée du contrat;
6° la rémunération;
7° le lieu et la date de signature.]1
Le contrat mentionne:
1° les nom et domicile ou le siège du donneur d'ordre et du prestataire;
2° les données suivantes concernant le bateau de navigation intérieure: nom, numéro européen unique d'identification des bateaux (ENI), numéro d'immatriculation, type, tonnage et dimensions, lieu de construction, année de construction, certificat de l'Union pour bateaux de navigation intérieure ou certificat de visite, hypothèques sur navires constituées et d'autres particularités;
3° le port ou le lieu et la première et la dernière heure possibles pour la livraison et la restitution;
4° le cas échéant, la zone de navigation autorisée;
5° la durée du contrat;
6° la rémunération;
7° le lieu et la date de signature.]1
Art.3.6.4.4. [1 Bewijs van het bestaan en de inhoud van de overeenkomst
De afwezigheid of onvolledigheid van een geschrift tast de geldigheid van een overeenkomst vallend onder dit hoofdstuk niet aan.
Het bestaan en de inhoud van een onder dit hoofdstuk vallende overeenkomst wordt, bij gebreke aan een geschrift, geleverd door alle middelen van recht toegelaten in handelszaken.
Indien een geschrift is opgemaakt, gelden de bepalingen ervan tot bewijs van het tegendeel.]1
De afwezigheid of onvolledigheid van een geschrift tast de geldigheid van een overeenkomst vallend onder dit hoofdstuk niet aan.
Het bestaan en de inhoud van een onder dit hoofdstuk vallende overeenkomst wordt, bij gebreke aan een geschrift, geleverd door alle middelen van recht toegelaten in handelszaken.
Indien een geschrift is opgemaakt, gelden de bepalingen ervan tot bewijs van het tegendeel.]1
Art.3.6.4.4. [1 Preuve de l'existence et du contenu du contrat
L'absence ou le caractère incomplet d'un écrit n'affecte pas la validité d'un contrat relevant du présent chapitre.
L'existence et le contenu d'un contrat relevant du présent chapitre sont, à défaut d'écrit, prouvés par tous les moyens de droit admis en matière commerciale.
Si un écrit a été établi, ses dispositions s'appliquent jusqu'à preuve du contraire.]1
L'absence ou le caractère incomplet d'un écrit n'affecte pas la validité d'un contrat relevant du présent chapitre.
L'existence et le contenu d'un contrat relevant du présent chapitre sont, à défaut d'écrit, prouvés par tous les moyens de droit admis en matière commerciale.
Si un écrit a été établi, ses dispositions s'appliquent jusqu'à preuve du contraire.]1
Art.3.6.4.5. [1 Verplichtingen van partijen
§ 1. De opdrachtnemer moet:
1° een binnenschip inzetten dat geschikt is om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten en voldoet aan alle wettelijke bepalingen;
2° de opdracht uitvoeren volgens de regels van de kunst;
3° de opdracht uitvoeren binnen de overeengekomen termijn, of, bij gebreke van dergelijke termijn, binnen een redelijke tijd rekening houdend met alle relevante omstandigheden.
§ 2 De opdrachtgever moet:
1° alle voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke informatie, met inbegrip van deze met betrekking tot de lading, indien het mee te nemen of te slepen binnenschip geladen is, voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden aan de opdrachtnemer bezorgen;
2° het mee te nemen of te slepen binnenschip ter beschikking stellen dat geschikt is om te varen, voldoet aan alle wettelijke bepalingen en, indien het bevracht is voor opslag of vervoer, geschikt is om de betreffende lading, zowel de aard ervan als de hoeveelheid, te laden;
3° bij de uitvoering van de opdracht de redelijkerwijze noodzakelijke medewerking verlenen;
4° de overeengekomen vracht en alle door de uitvoering van de instructies ontstane kosten en schade te betalen.]1
§ 1. De opdrachtnemer moet:
1° een binnenschip inzetten dat geschikt is om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten en voldoet aan alle wettelijke bepalingen;
2° de opdracht uitvoeren volgens de regels van de kunst;
3° de opdracht uitvoeren binnen de overeengekomen termijn, of, bij gebreke van dergelijke termijn, binnen een redelijke tijd rekening houdend met alle relevante omstandigheden.
§ 2 De opdrachtgever moet:
1° alle voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke informatie, met inbegrip van deze met betrekking tot de lading, indien het mee te nemen of te slepen binnenschip geladen is, voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden aan de opdrachtnemer bezorgen;
2° het mee te nemen of te slepen binnenschip ter beschikking stellen dat geschikt is om te varen, voldoet aan alle wettelijke bepalingen en, indien het bevracht is voor opslag of vervoer, geschikt is om de betreffende lading, zowel de aard ervan als de hoeveelheid, te laden;
3° bij de uitvoering van de opdracht de redelijkerwijze noodzakelijke medewerking verlenen;
4° de overeengekomen vracht en alle door de uitvoering van de instructies ontstane kosten en schade te betalen.]1
Art.3.6.4.5. [1 Obligations des parties
§ 1er. Le prestataire doit:
1° utiliser un bateau de navigation intérieure approprié pour réaliser les opérations convenues et répondant à toutes les exigences légales;
2° exécuter la tâche conformément aux règles de l'art;
3° exécuter la tâche dans le délai convenu ou, en l'absence d'un tel délai, dans un délai raisonnable compte tenu de toutes les circonstances pertinentes.
§ 2 Le donneur d'ordre doit:
1° communiquer au prestataire tous les renseignements nécessaires à l'exécution de l'opération, y compris ceux relatifs à la cargaison, si le bateau de navigation intérieure à emporter ou remorquer est chargé, avant l'exécution des opérations;
2° mettre à disposition le bateau de navigation intérieure à emporter ou remorquer apte à naviguer, conforme à toutes les dispositions légales et, s'il est affrété pour l'entreposage ou le transport, approprié pour charger la cargaison concernée, tant du point de vue de sa nature que de sa quantité;
3° fournir toute coopération raisonnablement nécessaire pour l'exécution de la tâche;
4° payer le fret convenu et tous les frais et dommages occasionnés par l'exécution des instructions.]1
§ 1er. Le prestataire doit:
1° utiliser un bateau de navigation intérieure approprié pour réaliser les opérations convenues et répondant à toutes les exigences légales;
2° exécuter la tâche conformément aux règles de l'art;
3° exécuter la tâche dans le délai convenu ou, en l'absence d'un tel délai, dans un délai raisonnable compte tenu de toutes les circonstances pertinentes.
§ 2 Le donneur d'ordre doit:
1° communiquer au prestataire tous les renseignements nécessaires à l'exécution de l'opération, y compris ceux relatifs à la cargaison, si le bateau de navigation intérieure à emporter ou remorquer est chargé, avant l'exécution des opérations;
2° mettre à disposition le bateau de navigation intérieure à emporter ou remorquer apte à naviguer, conforme à toutes les dispositions légales et, s'il est affrété pour l'entreposage ou le transport, approprié pour charger la cargaison concernée, tant du point de vue de sa nature que de sa quantité;
3° fournir toute coopération raisonnablement nécessaire pour l'exécution de la tâche;
4° payer le fret convenu et tous les frais et dommages occasionnés par l'exécution des instructions.]1
Art.3.6.4.6. [1 Beëindiging van de overeenkomst
§ 1. De opdrachtgever is gerechtigd de overeenkomst te ontbinden alvorens enige overeengekomen werkzaamheid heeft plaatsgevonden, mits betaling van de helft van de overeengekomen prijs, onverminderd het recht van de opdrachtnemer om meerdere schade aan te tonen.
§ 2. De opdrachtgever is gerechtigd de overeenkomst te ontbinden zonder tot enige vergoeding jegens de opdrachtnemer gehouden te zijn, indien hij bewijst dat het binnenschip dat de opdrachtnemer inzet, hiervoor niet geschikt is of niet voldoet aan alle wettelijke bepalingen of, behoudens in geval van overmacht, na het afgesproken tijdstip zich niet bevindt op de afgesproken plaats.
§ 3. De opdrachtnemer is gerechtigd de overeenkomst te ontbinden zonder tot enige vergoeding jegens de opdrachtgever gehouden te zijn, in de gevallen waarin ook de vervoerder daartoe gerechtigd is op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van artikel 9.1 "CMNI-Verdrag" of van artikel 3.6.3.9 van hoofdstuk 3 van deze titel. In beide gevallen is de opdrachtnemer gerechtigd tot het nemen van de in die bepalingen opgenomen maatregelen, met recht op vergoeding van de daarbij geleden schade en uitgestane kosten.
§ 4. Indien het meenemen of slepen plaatsvindt binnen het kader van een overeenkomst van bepaalde duur zijn de bepalingen van de paragrafen 1 en 2 alsook het ontbindingsrecht in paragraaf 3 niet van toepassing.]1
§ 1. De opdrachtgever is gerechtigd de overeenkomst te ontbinden alvorens enige overeengekomen werkzaamheid heeft plaatsgevonden, mits betaling van de helft van de overeengekomen prijs, onverminderd het recht van de opdrachtnemer om meerdere schade aan te tonen.
§ 2. De opdrachtgever is gerechtigd de overeenkomst te ontbinden zonder tot enige vergoeding jegens de opdrachtnemer gehouden te zijn, indien hij bewijst dat het binnenschip dat de opdrachtnemer inzet, hiervoor niet geschikt is of niet voldoet aan alle wettelijke bepalingen of, behoudens in geval van overmacht, na het afgesproken tijdstip zich niet bevindt op de afgesproken plaats.
§ 3. De opdrachtnemer is gerechtigd de overeenkomst te ontbinden zonder tot enige vergoeding jegens de opdrachtgever gehouden te zijn, in de gevallen waarin ook de vervoerder daartoe gerechtigd is op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van artikel 9.1 "CMNI-Verdrag" of van artikel 3.6.3.9 van hoofdstuk 3 van deze titel. In beide gevallen is de opdrachtnemer gerechtigd tot het nemen van de in die bepalingen opgenomen maatregelen, met recht op vergoeding van de daarbij geleden schade en uitgestane kosten.
§ 4. Indien het meenemen of slepen plaatsvindt binnen het kader van een overeenkomst van bepaalde duur zijn de bepalingen van de paragrafen 1 en 2 alsook het ontbindingsrecht in paragraaf 3 niet van toepassing.]1
Art.3.6.4.6. [1 Résiliation du contrat
§ 1er. Le donneur d'ordre a le droit de résilier le contrat avant toute exécution d'une opération convenue, moyennant le paiement de la moitié du prix convenu, sans préjudice du droit du prestataire de démontrer un dommage plus important.
§ 2. Le donneur d'ordre a le droit de résilier le contrat sans être tenu de verser une quelconque indemnité au prestataire, s'il prouve que le bateau de navigation intérieure utilisé par le prestataire n'est pas approprié à cet effet ou ne respecte pas toutes les dispositions légales ou, sauf cas de force majeure, ne se trouve pas, après l'heure convenue, à l'endroit convenu.
§ 3. Le prestataire a le droit de résilier le contrat sans être tenu de verser une quelconque indemnité au donneur d'ordre, dans les cas où le transporteur a également le droit de le faire en vertu de la disposition directement applicable de l'article 9.1 de "la Convention CMNI" ou de l'article 3.6.3.9 du Chapitre 3 du présent titre. Dans les deux cas, le prestataire a le droit de prendre les mesures reprises dans ces dispositions, avec droit à indemnisation des dommages subis et des frais engagés à cet égard.
§ 4. Si l'emport ou le remorquage a lieu dans le cadre d'un contrat à durée déterminée, les dispositions des paragraphes 1er et 2 ainsi que le droit de résiliation du paragraphe 3 ne sont pas d'application.]1
§ 1er. Le donneur d'ordre a le droit de résilier le contrat avant toute exécution d'une opération convenue, moyennant le paiement de la moitié du prix convenu, sans préjudice du droit du prestataire de démontrer un dommage plus important.
§ 2. Le donneur d'ordre a le droit de résilier le contrat sans être tenu de verser une quelconque indemnité au prestataire, s'il prouve que le bateau de navigation intérieure utilisé par le prestataire n'est pas approprié à cet effet ou ne respecte pas toutes les dispositions légales ou, sauf cas de force majeure, ne se trouve pas, après l'heure convenue, à l'endroit convenu.
§ 3. Le prestataire a le droit de résilier le contrat sans être tenu de verser une quelconque indemnité au donneur d'ordre, dans les cas où le transporteur a également le droit de le faire en vertu de la disposition directement applicable de l'article 9.1 de "la Convention CMNI" ou de l'article 3.6.3.9 du Chapitre 3 du présent titre. Dans les deux cas, le prestataire a le droit de prendre les mesures reprises dans ces dispositions, avec droit à indemnisation des dommages subis et des frais engagés à cet égard.
§ 4. Si l'emport ou le remorquage a lieu dans le cadre d'un contrat à durée déterminée, les dispositions des paragraphes 1er et 2 ainsi que le droit de résiliation du paragraphe 3 ne sont pas d'application.]1
Art.3.6.4.7. [1 Verjaring
§ 1. Alle vorderingen die voortvloeien uit een overeenkomst waarop dit hoofdstuk van toepassing is, verjaren na één jaar, te rekenen vanaf de dag waarop diegene die de vordering stelt, kennis heeft of kan hebben van het feit dat tot die vordering aanleiding geeft, zonder dat de termijn één jaar na het beëindigen van de overeenkomst mag overschrijden, naar gelang welk tijdstip het vroegst valt.
De dag waarop de verjaringstermijn aanvangt, wordt niet meegerekend.
§ 2. De persoon tegen wie een vordering is ingesteld kan de termijn te allen tijde gedurende de verjaringstermijn verlengen door middel van een schriftelijk verklaring aan de andere partij. Deze termijn kan opnieuw door één of meerdere verklaringen worden verlengd.
§ 3. De verjaringstermijn kan tevens geschorst en gestuit worden overeenkomstig de regels van schorsing en stuiting naar Belgisch recht.
§ 4. Een vordering tot verhaal van de ene tegen de andere bij de overeenkomst betrokken partij, kan nog worden ingesteld binnen 90 dagen te rekenen vanaf de dag waarop tegen de partij die de verhaalvordering stelt, een rechtsvordering is ingesteld of door de verhaal doende partij een schadegeval is geregeld, waarvoor de aansprakelijkheid van de andere bij de overeenkomst betrokken partij in het geding kan zijn.
§ 5. Een verjaarde vordering kan niet worden ingesteld in de vorm van een tegenvordering of exceptie.
§ 6. Elk beding dat strekt tot verkorting van de in dit artikel bedoelde termijnen, is nietig.]1
§ 1. Alle vorderingen die voortvloeien uit een overeenkomst waarop dit hoofdstuk van toepassing is, verjaren na één jaar, te rekenen vanaf de dag waarop diegene die de vordering stelt, kennis heeft of kan hebben van het feit dat tot die vordering aanleiding geeft, zonder dat de termijn één jaar na het beëindigen van de overeenkomst mag overschrijden, naar gelang welk tijdstip het vroegst valt.
De dag waarop de verjaringstermijn aanvangt, wordt niet meegerekend.
§ 2. De persoon tegen wie een vordering is ingesteld kan de termijn te allen tijde gedurende de verjaringstermijn verlengen door middel van een schriftelijk verklaring aan de andere partij. Deze termijn kan opnieuw door één of meerdere verklaringen worden verlengd.
§ 3. De verjaringstermijn kan tevens geschorst en gestuit worden overeenkomstig de regels van schorsing en stuiting naar Belgisch recht.
§ 4. Een vordering tot verhaal van de ene tegen de andere bij de overeenkomst betrokken partij, kan nog worden ingesteld binnen 90 dagen te rekenen vanaf de dag waarop tegen de partij die de verhaalvordering stelt, een rechtsvordering is ingesteld of door de verhaal doende partij een schadegeval is geregeld, waarvoor de aansprakelijkheid van de andere bij de overeenkomst betrokken partij in het geding kan zijn.
§ 5. Een verjaarde vordering kan niet worden ingesteld in de vorm van een tegenvordering of exceptie.
§ 6. Elk beding dat strekt tot verkorting van de in dit artikel bedoelde termijnen, is nietig.]1
Art.3.6.4.7. [1 Prescription
§ 1er. Toutes les actions nées d'un contrat régi par le présent chapitre se prescrivent après un an, à compter du jour où celui qui exerce l'action a ou peut avoir connaissance du fait qui entraîne l'action, sans que le délai puisse excéder un an à compter de la résiliation du contrat, la date la plus proche étant retenue.
Le jour du départ de la prescription n'est pas compris dans le délai.
§ 2. La personne contre laquelle une action a été engagée peut à tout moment, pendant le délai de prescription, prolonger ce délai par une déclaration adressée par écrit à l'autre partie. Ce délai peut être de nouveau prolongé par une ou plusieurs autres déclarations.
§ 3. Le délai de prescription peut également être suspendu et interrompu conformément aux règles de suspension et d'interruption du droit belge.
§ 4. Une action récursoire d'une partie contractante contre l'autre partie contractante peut encore être engagée dans les 90 jours à compter du jour où une action en justice est intentée à l'encontre de la partie qui engage l'action récursoire ou à compter du jour où la partie introduisant le recours règle un sinistre pour lequel la responsabilité de l'autre partie contractante peut être engagée.
§ 5. L'action prescrite ne peut pas être exercée sous forme de demande reconventionnelle ou d'exception.
§ 6. Toute clause visant à raccourcir les délais visés au présent article est nulle.]1
§ 1er. Toutes les actions nées d'un contrat régi par le présent chapitre se prescrivent après un an, à compter du jour où celui qui exerce l'action a ou peut avoir connaissance du fait qui entraîne l'action, sans que le délai puisse excéder un an à compter de la résiliation du contrat, la date la plus proche étant retenue.
Le jour du départ de la prescription n'est pas compris dans le délai.
§ 2. La personne contre laquelle une action a été engagée peut à tout moment, pendant le délai de prescription, prolonger ce délai par une déclaration adressée par écrit à l'autre partie. Ce délai peut être de nouveau prolongé par une ou plusieurs autres déclarations.
§ 3. Le délai de prescription peut également être suspendu et interrompu conformément aux règles de suspension et d'interruption du droit belge.
§ 4. Une action récursoire d'une partie contractante contre l'autre partie contractante peut encore être engagée dans les 90 jours à compter du jour où une action en justice est intentée à l'encontre de la partie qui engage l'action récursoire ou à compter du jour où la partie introduisant le recours règle un sinistre pour lequel la responsabilité de l'autre partie contractante peut être engagée.
§ 5. L'action prescrite ne peut pas être exercée sous forme de demande reconventionnelle ou d'exception.
§ 6. Toute clause visant à raccourcir les délais visés au présent article est nulle.]1
Art.3.6.4.8. [1 Andere regelgeving
Dit hoofdstuk laat de rechten en verplichtingen van de opdrachtnemer die voortvloeien uit internationale verdragen of uit het nationale recht inzake de beperking van de aansprakelijkheid van eigenaren van binnenvaart- of zeeschepen onverlet.
De beperking van de aansprakelijkheid geldt, voor zover deze van toepassing is, onder de aldaar bepaalde voorwaarden ook voor de bemanning of voor diegene die instaat voor de navigatie op afstand.]1
Dit hoofdstuk laat de rechten en verplichtingen van de opdrachtnemer die voortvloeien uit internationale verdragen of uit het nationale recht inzake de beperking van de aansprakelijkheid van eigenaren van binnenvaart- of zeeschepen onverlet.
De beperking van de aansprakelijkheid geldt, voor zover deze van toepassing is, onder de aldaar bepaalde voorwaarden ook voor de bemanning of voor diegene die instaat voor de navigatie op afstand.]1
Art.3.6.4.8. [1 Autre réglementation
Le présent chapitre n'affecte pas les droits et obligations du prestataire résultant des conventions internationales ou de dispositions de droit interne concernant la limitation de la responsabilité des propriétaires de bateaux de navigation intérieure ou navires de mer.
La limitation de la responsabilité, pour autant qu'elle soit d'application, s'applique également à l'équipage ou à celui qui est responsable de la navigation à distance aux conditions qu'elles prévoient.]1
Le présent chapitre n'affecte pas les droits et obligations du prestataire résultant des conventions internationales ou de dispositions de droit interne concernant la limitation de la responsabilité des propriétaires de bateaux de navigation intérieure ou navires de mer.
La limitation de la responsabilité, pour autant qu'elle soit d'application, s'applique également à l'équipage ou à celui qui est responsable de la navigation à distance aux conditions qu'elles prévoient.]1
Afdeling 2. [1 - Bijzondere bepalingen met betrekking tot overeenkomsten tot meenemen]1
Section 2. [1 - Dispositions particulières relatives aux contrats d'emport]1
Art.3.6.4.9. [1 Rechten en verplichtingen van partijen
§ 1. Onder meenemen wordt naast het duwen of anderszins meenemen mede verstaan het koppelen en ontkoppelen dan wel in een scheepstrein opnemen of eruit verwijderen, verhalen en ter bestemming neerleggen van het binnenschip, maar niet, behoudens andersluidend beding, diensten aan boord van het meegenomen binnenschip, zoals het verlenen van toezicht of assistentie bij het laden, stuwen, vastzetten en lossen van de goederen.
Indien tevens toezicht of assistentie bij het laden en lossen van de goederen als onderdeel van de overeenkomst is overeengekomen, zijn op die werkzaamheden de bepalingen van hoofdstuk 3 van toepassing.
§ 2. Indien de opdrachtnemer meent dat de aangewezen plaats om het mee te nemen binnenschip te koppelen, te ontkoppelen, op te nemen in of te verwijderen uit een scheepstrein, te verhalen en ter bestemming neer te leggen niet geschikt is of gevaar oplevert voor schade aan het samenstel of een onderdeel daarvan, is hij gerechtigd te weigeren de betreffende werkzaamheden uit te voeren, tenzij de opdrachtgever zich schriftelijk verbindt de aansprakelijkheid op zich te nemen voor de schade die aan het samenstel of een onderdeel ervan wordt berokkend.
§ 3. Behoudens andersluidend beding staat de opdrachtnemer in voor het bemannen dan wel de navigatie op afstand van het samenstel tijdens de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden conform de ter plaatse geldende voorschriften.
Eén en ander kan echter niet worden beschouwd als een terbeschikkingstelling van personeel noch overdracht van het economische zeggenschap in hoofde van de opdrachtgever. Dit geldt tevens ook in hoofde van de opdrachtnemer indien het mee te nemen binnenschip van een bemanning is voorzien, die voor de werkzaamheden wordt ingezet.
§ 4. De overeengekomen vracht is verschuldigd, ook indien vertraging in de uitvoering plaatsvindt of het mee te nemen binnenschip en/of diens lading tijdens de uitvoering wordt beschadigd of verloren gaat.
Voor het wegens ijsgang binnen- en buiten brengen van een geduwd of anderszins meegenomen binnenschip, voor zover niet begrepen onder hulpverlening, is een afzonderlijk nader overeen te komen vergoeding verschuldigd. Indien zulks niet is overeengekomen, dient deze begroot te worden naar redelijkheid en billijkheid rekening houdend met de duurtijd en de omvang van de uitgevoerde werkzaamheden alsmede de daaraan verbonden risico's.
§ 5. De opdrachtnemer is gehouden de opdrachtgever onmiddellijk in te lichten, zodra hij kennis heeft van enige schade die zich tijdens de werkzaamheden voordoet of enig ander feit dat invloed kan hebben op de uitvoering van de overeenkomst.
Evenzo is de opdrachtgever gehouden de ondernemer onmiddellijk in te lichten, zodra hij kennis heeft van enig feit dat invloed kan hebben op de uitvoering van de overeenkomst.
In alle gevallen waarin een mededeling van de ene partij aan de andere dient gegeven te worden, kan deze rechtsgeldig geschieden aan of door de schipper van het samenstel of aan degene die met de navigatie op afstand werd gelast.]1
§ 1. Onder meenemen wordt naast het duwen of anderszins meenemen mede verstaan het koppelen en ontkoppelen dan wel in een scheepstrein opnemen of eruit verwijderen, verhalen en ter bestemming neerleggen van het binnenschip, maar niet, behoudens andersluidend beding, diensten aan boord van het meegenomen binnenschip, zoals het verlenen van toezicht of assistentie bij het laden, stuwen, vastzetten en lossen van de goederen.
Indien tevens toezicht of assistentie bij het laden en lossen van de goederen als onderdeel van de overeenkomst is overeengekomen, zijn op die werkzaamheden de bepalingen van hoofdstuk 3 van toepassing.
§ 2. Indien de opdrachtnemer meent dat de aangewezen plaats om het mee te nemen binnenschip te koppelen, te ontkoppelen, op te nemen in of te verwijderen uit een scheepstrein, te verhalen en ter bestemming neer te leggen niet geschikt is of gevaar oplevert voor schade aan het samenstel of een onderdeel daarvan, is hij gerechtigd te weigeren de betreffende werkzaamheden uit te voeren, tenzij de opdrachtgever zich schriftelijk verbindt de aansprakelijkheid op zich te nemen voor de schade die aan het samenstel of een onderdeel ervan wordt berokkend.
§ 3. Behoudens andersluidend beding staat de opdrachtnemer in voor het bemannen dan wel de navigatie op afstand van het samenstel tijdens de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden conform de ter plaatse geldende voorschriften.
Eén en ander kan echter niet worden beschouwd als een terbeschikkingstelling van personeel noch overdracht van het economische zeggenschap in hoofde van de opdrachtgever. Dit geldt tevens ook in hoofde van de opdrachtnemer indien het mee te nemen binnenschip van een bemanning is voorzien, die voor de werkzaamheden wordt ingezet.
§ 4. De overeengekomen vracht is verschuldigd, ook indien vertraging in de uitvoering plaatsvindt of het mee te nemen binnenschip en/of diens lading tijdens de uitvoering wordt beschadigd of verloren gaat.
Voor het wegens ijsgang binnen- en buiten brengen van een geduwd of anderszins meegenomen binnenschip, voor zover niet begrepen onder hulpverlening, is een afzonderlijk nader overeen te komen vergoeding verschuldigd. Indien zulks niet is overeengekomen, dient deze begroot te worden naar redelijkheid en billijkheid rekening houdend met de duurtijd en de omvang van de uitgevoerde werkzaamheden alsmede de daaraan verbonden risico's.
§ 5. De opdrachtnemer is gehouden de opdrachtgever onmiddellijk in te lichten, zodra hij kennis heeft van enige schade die zich tijdens de werkzaamheden voordoet of enig ander feit dat invloed kan hebben op de uitvoering van de overeenkomst.
Evenzo is de opdrachtgever gehouden de ondernemer onmiddellijk in te lichten, zodra hij kennis heeft van enig feit dat invloed kan hebben op de uitvoering van de overeenkomst.
In alle gevallen waarin een mededeling van de ene partij aan de andere dient gegeven te worden, kan deze rechtsgeldig geschieden aan of door de schipper van het samenstel of aan degene die met de navigatie op afstand werd gelast.]1
Art.3.6.4.9. [1 Droit et obligations des parties
§ 1er. Par emport, on entend également, outre le poussage ou l'emport d'une autre manière, l'accouplement et le désaccouplement ou l'inclusion dans un train de bateaux ou le retrait de celui-ci, le déhalage et le dépôt du bateau de navigation intérieure à sa destination, mais pas, sauf stipulation contraire, les services à bord du bateau de navigation intérieure emporté, tels que la surveillance ou l'assistance pour le chargement, l'arrimage, le calage et le déchargement des marchandises.
Si la surveillance ou l'assistance pour le chargement et le déchargement des marchandises est également convenue dans le cadre du contrat, les dispositions du chapitre 3 s'appliquent à ces opérations.
§ 2. Si le prestataire est d'avis que le lieu désigné pour l'accouplement, le désaccouplement, l'inclusion dans un train de bateaux ou le retrait de celui-ci, le déhalage et le dépôt à destination du bateau de navigation intérieure à emporter n'est pas approprié ou présente un risque de dommages au convoi ou à une partie de celui-ci, il a le droit de refuser d'exécuter les opérations en question, à moins que le donneur d'ordre ne s'engage par écrit à assumer la responsabilité des dommages causés au convoi ou à une partie de celui-ci.
§ 3. Sauf stipulation contraire, le prestataire se charge d'équiper ou d'assurer la navigation à distance du convoi pendant l'exécution des opérations convenues, conformément aux règles applicables sur place.
Toutefois, ce qui précède ne peut être considéré comme une mise à disposition de personnel ni comme un transfert du pouvoir économique dans le chef du donneur d'ordre. Cette disposition s'applique également dans le chef du prestataire si le bateau de navigation intérieure à emporter est doté d'un équipage affecté aux opérations concernées.
§ 4. Le fret convenu est dû même s'il y a du retard dans l'exécution ou si le bateau de navigation intérieure à emporter et/ou sa cargaison à transporter est endommagé(e) ou perdu(e) pendant l'exécution des opérations.
Pour rentrer ou sortir, pour cause de débâcle, un bateau de navigation intérieure poussé ou emporté d'une autre manière, dans la mesure où cela n'est pas compris dans l'assistance, une indemnité distincte à convenir est due. Si elle n'a pas été convenue, elle doit être estimée de manière raisonnable et équitable en tenant compte de la durée et de l'ampleur des opérations réalisées ainsi que des risques y afférents.
§ 5. Le prestataire est tenu d'informer immédiatement le donneur d'ordre dès qu'il a connaissance d'un dommage quelconque survenu pendant les opérations ou de tout autre fait susceptible d'affecter l'exécution du contrat.
De même, le donneur d'ordre est tenu d'informer immédiatement le prestataire dès qu'il a connaissance de tout fait susceptible d'affecter l'exécution du contrat.
Dans tous les cas où une communication d'une partie à l'autre doit être faite, elle peut se faire valablement au ou par le conducteur du convoi ou à celui qui est chargé de la navigation à distance.]1
§ 1er. Par emport, on entend également, outre le poussage ou l'emport d'une autre manière, l'accouplement et le désaccouplement ou l'inclusion dans un train de bateaux ou le retrait de celui-ci, le déhalage et le dépôt du bateau de navigation intérieure à sa destination, mais pas, sauf stipulation contraire, les services à bord du bateau de navigation intérieure emporté, tels que la surveillance ou l'assistance pour le chargement, l'arrimage, le calage et le déchargement des marchandises.
Si la surveillance ou l'assistance pour le chargement et le déchargement des marchandises est également convenue dans le cadre du contrat, les dispositions du chapitre 3 s'appliquent à ces opérations.
§ 2. Si le prestataire est d'avis que le lieu désigné pour l'accouplement, le désaccouplement, l'inclusion dans un train de bateaux ou le retrait de celui-ci, le déhalage et le dépôt à destination du bateau de navigation intérieure à emporter n'est pas approprié ou présente un risque de dommages au convoi ou à une partie de celui-ci, il a le droit de refuser d'exécuter les opérations en question, à moins que le donneur d'ordre ne s'engage par écrit à assumer la responsabilité des dommages causés au convoi ou à une partie de celui-ci.
§ 3. Sauf stipulation contraire, le prestataire se charge d'équiper ou d'assurer la navigation à distance du convoi pendant l'exécution des opérations convenues, conformément aux règles applicables sur place.
Toutefois, ce qui précède ne peut être considéré comme une mise à disposition de personnel ni comme un transfert du pouvoir économique dans le chef du donneur d'ordre. Cette disposition s'applique également dans le chef du prestataire si le bateau de navigation intérieure à emporter est doté d'un équipage affecté aux opérations concernées.
§ 4. Le fret convenu est dû même s'il y a du retard dans l'exécution ou si le bateau de navigation intérieure à emporter et/ou sa cargaison à transporter est endommagé(e) ou perdu(e) pendant l'exécution des opérations.
Pour rentrer ou sortir, pour cause de débâcle, un bateau de navigation intérieure poussé ou emporté d'une autre manière, dans la mesure où cela n'est pas compris dans l'assistance, une indemnité distincte à convenir est due. Si elle n'a pas été convenue, elle doit être estimée de manière raisonnable et équitable en tenant compte de la durée et de l'ampleur des opérations réalisées ainsi que des risques y afférents.
§ 5. Le prestataire est tenu d'informer immédiatement le donneur d'ordre dès qu'il a connaissance d'un dommage quelconque survenu pendant les opérations ou de tout autre fait susceptible d'affecter l'exécution du contrat.
De même, le donneur d'ordre est tenu d'informer immédiatement le prestataire dès qu'il a connaissance de tout fait susceptible d'affecter l'exécution du contrat.
Dans tous les cas où une communication d'une partie à l'autre doit être faite, elle peut se faire valablement au ou par le conducteur du convoi ou à celui qui est chargé de la navigation à distance.]1
Art.3.6.4.10. [1 Aansprakelijkheid voor ladingschade
Indien tijdens het meenemen en de eventuele andere werkzaamheden waartoe de opdrachtnemer zich verbonden heeft, schade ontstaat aan de lading van het mee te nemen binnenschip of zich vertraging voordoet, wordt de aansprakelijkheid van de opdrachtnemer, zijn aangestelden en lasthebbers, geregeld door de bepalingen van hoofdstuk 3, afdeling 1.
Elk beding dat hiervan afwijkt, is nietig.]1
Indien tijdens het meenemen en de eventuele andere werkzaamheden waartoe de opdrachtnemer zich verbonden heeft, schade ontstaat aan de lading van het mee te nemen binnenschip of zich vertraging voordoet, wordt de aansprakelijkheid van de opdrachtnemer, zijn aangestelden en lasthebbers, geregeld door de bepalingen van hoofdstuk 3, afdeling 1.
Elk beding dat hiervan afwijkt, is nietig.]1
Art.3.6.4.10. [1 Responsabilité pour les dommages causés à la cargaison
Si, pendant l'emport et les éventuelles autres opérations que le prestataire s'est engagé à exécuter, des dommages surviennent à la cargaison du bateau de navigation intérieure à emporter ou des retards se produisent, la responsabilité du prestataire, de ses préposés et mandataires est régie par les dispositions du chapitre 3, section 1re.
Toute stipulation contraire est nulle.]1
Si, pendant l'emport et les éventuelles autres opérations que le prestataire s'est engagé à exécuter, des dommages surviennent à la cargaison du bateau de navigation intérieure à emporter ou des retards se produisent, la responsabilité du prestataire, de ses préposés et mandataires est régie par les dispositions du chapitre 3, section 1re.
Toute stipulation contraire est nulle.]1
Art.3.6.4.11. [1 Aansprakelijkheid voor schade aan de mee te nemen binnenschepen
§ 1. De opdrachtnemer is tegenover de opdrachtgever aansprakelijk voor schade, die door zijn schuld aan het mee te nemen binnenschip is veroorzaakt, voor zover hij niet bewijst dat de schade voortvloeit uit omstandigheden die een zorgvuldig opdrachtnemer niet heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen.
Ingeval gebreken van het mee te nemen binnenschip gedurende het meenemen schade aan andere binnenschepen van het samenstel en/of hun lading veroorzaken, is de opdrachtgever tegenover de opdrachtnemer daarvoor aansprakelijk, ongeacht of deze rechtstreeks zelf schade lijdt of tegenover een derde tot schadevergoeding verplicht is. Rechtstreekse aanspraken van de schadelijdende derde blijven onaangetast.
Indien schade aan een binnenschip van het samenstel en/of diens lading, zowel door toedoen van de opdrachtnemer als de opdrachtgever is veroorzaakt, dan zijn beiden jegens elkaar in de onderlinge verhouding overeenkomstig hun schuldaandeel aansprakelijk, onverminderd artikel 3.6.4.10.
§ 2. Voor schade aan het meegenomen binnenschip en/of diens lading, die is ontstaan na beëindiging van de opdracht is de opdrachtnemer slechts aansprakelijk indien door schuld van de opdrachtnemer of diens bemanning het binnenschip niet zoals voorgeschreven op de voorziene plaats is ontkoppeld en de schade hierdoor is veroorzaakt, onverminderd artikel 3.6.4.10.
Behoudens andersluidend beding is de opdrachtnemer niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt aan het mee te nemen binnenschip:
1° door een handeling of nalaten van de schipper, loods of andere personen handelend voor rekening van de opdrachtnemer in de navigatie naar aanleiding van het meenemen van het binnenschip mits de opdrachtnemer zijn verplichting aangaande de bemanning of navigatie op afstand, al naar gelang het geval, is nagekomen;
2° door vuur of explosie aan boord van een onderdeel van het hecht samenstel, zonder dat bewezen is dat het vuur of de explosie door schuld van de opdrachtnemer of diens ondergeschikten of lasthebbers of door een gebrek van een onderdeel van het hecht samenstel veroorzaakt wordt;
3° door met gebreken aan een onderdeel van het hecht samenstel aanwezig voor het begin van de reis, indien hij bewijst dat deze gebreken ondanks inachtneming van de nodige zorgvuldigheid voor begin van de reis niet te ontdekken waren.
Onder schuld of toedoen van de opdrachtgever of opdrachtnemer in dit artikel wordt mede verstaan handelen of nalaten van hun ondergeschikten en lasthebbers van wier diensten zij gebruik maken tijdens de uitvoering van de overeenkomst, indien deze personen in de uitoefening van hun functie hebben gehandeld.
De ondergeschikten en lasthebbers kunnen zich op dezelfde weren, ontheffingen en beperkingen beroepen waarop de opdrachtgever of de opdrachtnemer zich kan beroepen.
§ 4. Geen beroep op de in dit artikel bedoelde ontheffingen en beperkingen is mogelijk in hoofde van de opdrachtnemer of opdrachtgever, indien wordt bewezen dat de schade veroorzaakt is door een handelen of nalaten van hemzelf, hetzij met de opzet een dergelijke schade te veroorzaken, hetzij als gevolg van roekeloos gedrag en in de wetenschap dat een dergelijke schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Hetzelfde geldt in hoofde van de ondergeschikte of lasthebber, indien wordt bewezen dat hij de schade heeft veroorzaakt op de in het eerste lid omschreven wijze.]1
§ 1. De opdrachtnemer is tegenover de opdrachtgever aansprakelijk voor schade, die door zijn schuld aan het mee te nemen binnenschip is veroorzaakt, voor zover hij niet bewijst dat de schade voortvloeit uit omstandigheden die een zorgvuldig opdrachtnemer niet heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen.
Ingeval gebreken van het mee te nemen binnenschip gedurende het meenemen schade aan andere binnenschepen van het samenstel en/of hun lading veroorzaken, is de opdrachtgever tegenover de opdrachtnemer daarvoor aansprakelijk, ongeacht of deze rechtstreeks zelf schade lijdt of tegenover een derde tot schadevergoeding verplicht is. Rechtstreekse aanspraken van de schadelijdende derde blijven onaangetast.
Indien schade aan een binnenschip van het samenstel en/of diens lading, zowel door toedoen van de opdrachtnemer als de opdrachtgever is veroorzaakt, dan zijn beiden jegens elkaar in de onderlinge verhouding overeenkomstig hun schuldaandeel aansprakelijk, onverminderd artikel 3.6.4.10.
§ 2. Voor schade aan het meegenomen binnenschip en/of diens lading, die is ontstaan na beëindiging van de opdracht is de opdrachtnemer slechts aansprakelijk indien door schuld van de opdrachtnemer of diens bemanning het binnenschip niet zoals voorgeschreven op de voorziene plaats is ontkoppeld en de schade hierdoor is veroorzaakt, onverminderd artikel 3.6.4.10.
Behoudens andersluidend beding is de opdrachtnemer niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt aan het mee te nemen binnenschip:
1° door een handeling of nalaten van de schipper, loods of andere personen handelend voor rekening van de opdrachtnemer in de navigatie naar aanleiding van het meenemen van het binnenschip mits de opdrachtnemer zijn verplichting aangaande de bemanning of navigatie op afstand, al naar gelang het geval, is nagekomen;
2° door vuur of explosie aan boord van een onderdeel van het hecht samenstel, zonder dat bewezen is dat het vuur of de explosie door schuld van de opdrachtnemer of diens ondergeschikten of lasthebbers of door een gebrek van een onderdeel van het hecht samenstel veroorzaakt wordt;
3° door met gebreken aan een onderdeel van het hecht samenstel aanwezig voor het begin van de reis, indien hij bewijst dat deze gebreken ondanks inachtneming van de nodige zorgvuldigheid voor begin van de reis niet te ontdekken waren.
Onder schuld of toedoen van de opdrachtgever of opdrachtnemer in dit artikel wordt mede verstaan handelen of nalaten van hun ondergeschikten en lasthebbers van wier diensten zij gebruik maken tijdens de uitvoering van de overeenkomst, indien deze personen in de uitoefening van hun functie hebben gehandeld.
De ondergeschikten en lasthebbers kunnen zich op dezelfde weren, ontheffingen en beperkingen beroepen waarop de opdrachtgever of de opdrachtnemer zich kan beroepen.
§ 4. Geen beroep op de in dit artikel bedoelde ontheffingen en beperkingen is mogelijk in hoofde van de opdrachtnemer of opdrachtgever, indien wordt bewezen dat de schade veroorzaakt is door een handelen of nalaten van hemzelf, hetzij met de opzet een dergelijke schade te veroorzaken, hetzij als gevolg van roekeloos gedrag en in de wetenschap dat een dergelijke schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Hetzelfde geldt in hoofde van de ondergeschikte of lasthebber, indien wordt bewezen dat hij de schade heeft veroorzaakt op de in het eerste lid omschreven wijze.]1
Art.3.6.4.11. [1 Responsabilité pour les dommages causés aux bateaux de navigation intérieure à emporter
§ 1er. Le prestataire est responsable envers le donneur d'ordre des dommages causés par sa faute au bateau de navigation intérieure à emporter, à moins qu'il ne prouve que les dommages résultent de circonstances qu'un prestataire diligent n'aurait pu éviter et aux conséquences desquelles il n'aurait pu obvier.
Si des défectuosités du bateau de navigation intérieure à emporter causent des dommages à d'autres bateaux de navigation intérieure du convoi et/ou à leur cargaison durant l'emport, le donneur d'ordre en est responsable vis-à-vis du prestataire, que ce dernier subisse lui-même directement des dommages ou qu'il soit obligé de verser une indemnité à un tiers. Les droits directs du tiers lésé n'en sont pas affectés.
Si des dommages sont causés à un bateau de navigation intérieure du convoi et/ou à sa cargaison aussi bien par le fait du prestataire que par celui du donneur d'ordre, tous deux sont responsables l'un envers l'autre en proportion de leur part de responsabilité, sans préjudice de l'article 3.6.4.10.
§ 2. En ce qui concerne les dommages au bateau de navigation intérieure emporté et/ou à sa cargaison qui sont survenus après la fin du contrat, le prestataire est seulement responsable si le bateau de navigation intérieure n'a pas été découplé à l'endroit prévu par la faute du prestataire ou de son équipage et si les dommages en ont résulté, sans préjudice de l'article 3.6.4.10.
Sauf stipulation contraire, le prestataire n'est pas responsable des dommages causés au bateau de navigation intérieure à emporter:
1° par un acte ou une omission commise par le conducteur du bateau de navigation intérieure, le pilote ou d'autres personnes agissant pour le compte du prestataire lors de la conduite nautique à l'occasion de l'emport du bateau de navigation intérieure, à condition que le prestataire ait rempli son obligation relative à l'équipage ou à la navigation à distance, selon le cas;
2° par le feu ou une explosion à bord d'une partie du convoi rigide sans qu'il soit prouvé que le feu ou l'explosion résulte de la faute du prestataire ou de ses préposés ou mandataires ou d'une défectuosité d'une partie du convoi rigide;
3° par des défectuosités à une partie du convoi rigide existant antérieurement au voyage s'il prouve que ces défectuosités ne pouvaient être décelées avant le début du voyage en dépit de la due diligence.
Par le fait ou la faute du donneur d'ordre ou du prestataire dans le présent article, on entend également les actes et omissions de leurs préposés et mandataires auxquels ils recourent lors de l'exécution du contrat, lorsque ces personnes ont agi dans l'accomplissement de leurs fonctions.
Les préposés et mandataires peuvent se prévaloir des mêmes défenses, exonérations et limitations que le donneur d'ordre ou le prestataire.
§ 4. Le prestataire ou le donneur d'ordre ne peut pas se prévaloir des exonérations et des limitations prévues dans le présent article s'il est prouvé qu'il a lui-même causé le dommage par un acte ou une omission commis, soit avec l'intention de provoquer un tel dommage, soit témérairement et avec conscience qu'un tel dommage en résulterait probablement.
Il en va de même dans le chef du préposé ou mandataire, s'il est prouvé qu'il a causé le dommage de la manière décrite à l'alinéa 1er.]1
§ 1er. Le prestataire est responsable envers le donneur d'ordre des dommages causés par sa faute au bateau de navigation intérieure à emporter, à moins qu'il ne prouve que les dommages résultent de circonstances qu'un prestataire diligent n'aurait pu éviter et aux conséquences desquelles il n'aurait pu obvier.
Si des défectuosités du bateau de navigation intérieure à emporter causent des dommages à d'autres bateaux de navigation intérieure du convoi et/ou à leur cargaison durant l'emport, le donneur d'ordre en est responsable vis-à-vis du prestataire, que ce dernier subisse lui-même directement des dommages ou qu'il soit obligé de verser une indemnité à un tiers. Les droits directs du tiers lésé n'en sont pas affectés.
Si des dommages sont causés à un bateau de navigation intérieure du convoi et/ou à sa cargaison aussi bien par le fait du prestataire que par celui du donneur d'ordre, tous deux sont responsables l'un envers l'autre en proportion de leur part de responsabilité, sans préjudice de l'article 3.6.4.10.
§ 2. En ce qui concerne les dommages au bateau de navigation intérieure emporté et/ou à sa cargaison qui sont survenus après la fin du contrat, le prestataire est seulement responsable si le bateau de navigation intérieure n'a pas été découplé à l'endroit prévu par la faute du prestataire ou de son équipage et si les dommages en ont résulté, sans préjudice de l'article 3.6.4.10.
Sauf stipulation contraire, le prestataire n'est pas responsable des dommages causés au bateau de navigation intérieure à emporter:
1° par un acte ou une omission commise par le conducteur du bateau de navigation intérieure, le pilote ou d'autres personnes agissant pour le compte du prestataire lors de la conduite nautique à l'occasion de l'emport du bateau de navigation intérieure, à condition que le prestataire ait rempli son obligation relative à l'équipage ou à la navigation à distance, selon le cas;
2° par le feu ou une explosion à bord d'une partie du convoi rigide sans qu'il soit prouvé que le feu ou l'explosion résulte de la faute du prestataire ou de ses préposés ou mandataires ou d'une défectuosité d'une partie du convoi rigide;
3° par des défectuosités à une partie du convoi rigide existant antérieurement au voyage s'il prouve que ces défectuosités ne pouvaient être décelées avant le début du voyage en dépit de la due diligence.
Par le fait ou la faute du donneur d'ordre ou du prestataire dans le présent article, on entend également les actes et omissions de leurs préposés et mandataires auxquels ils recourent lors de l'exécution du contrat, lorsque ces personnes ont agi dans l'accomplissement de leurs fonctions.
Les préposés et mandataires peuvent se prévaloir des mêmes défenses, exonérations et limitations que le donneur d'ordre ou le prestataire.
§ 4. Le prestataire ou le donneur d'ordre ne peut pas se prévaloir des exonérations et des limitations prévues dans le présent article s'il est prouvé qu'il a lui-même causé le dommage par un acte ou une omission commis, soit avec l'intention de provoquer un tel dommage, soit témérairement et avec conscience qu'un tel dommage en résulterait probablement.
Il en va de même dans le chef du préposé ou mandataire, s'il est prouvé qu'il a causé le dommage de la manière décrite à l'alinéa 1er.]1
Art.3.6.4.12. [1 Aansprakelijkheid tegenover derden
§ 1. De onderdelen van het samenstel zijn, wanneer zij een samenstel vormen, in solidum aansprakelijk voor de tijdens de uitvoering van de overeenkomst aan derden berokkende schade.
In de verhouding tussen de onderdelen van het samenstel is diegene aansprakelijk die de schade door schuld heeft veroorzaakt en dient deze de andere te vrijwaren voor aansprakelijkheid jegens derden.
§ 2. Elke vordering ingesteld tegen een onderdeel van het samenstel stuit de eventuele verjaringstermijn ten aanzien van elk onderdeel van het samenstel.
§ 3. Eén en ander laat onverlet voor elk onderdeel van het samenstel om zijn aansprakelijkheid tegenover derden te beperken overeenkomstig de krachtens deze wet of rechtstreeks werkende internationale bepalingen geldende voorschriften inzake beperking van aansprakelijkheid van de scheepseigenaar.]1
§ 1. De onderdelen van het samenstel zijn, wanneer zij een samenstel vormen, in solidum aansprakelijk voor de tijdens de uitvoering van de overeenkomst aan derden berokkende schade.
In de verhouding tussen de onderdelen van het samenstel is diegene aansprakelijk die de schade door schuld heeft veroorzaakt en dient deze de andere te vrijwaren voor aansprakelijkheid jegens derden.
§ 2. Elke vordering ingesteld tegen een onderdeel van het samenstel stuit de eventuele verjaringstermijn ten aanzien van elk onderdeel van het samenstel.
§ 3. Eén en ander laat onverlet voor elk onderdeel van het samenstel om zijn aansprakelijkheid tegenover derden te beperken overeenkomstig de krachtens deze wet of rechtstreeks werkende internationale bepalingen geldende voorschriften inzake beperking van aansprakelijkheid van de scheepseigenaar.]1
Art.3.6.4.12. [1 Responsabilité à l'égard des tiers
§ 1er. Les éléments du convoi sont, lorsqu'ils forment un convoi, solidairement responsables des dommages causés aux tiers lors de l'exécution du contrat.
Dans les rapports entre les éléments du convoi, celui qui a causé le dommage par sa faute est responsable et garantit les autres contre toute responsabilité envers les tiers.
§ 2. Toute action intentée contre un élément du convoi interrompt le délai de prescription éventuel à l'égard de chaque élément du convoi.
§ 3. Ce qui précède n'empêche nullement chaque élément du convoi de limiter sa responsabilité à l'égard des tiers conformément aux règles applicables en matière de limitation de la responsabilité du propriétaire du bateau de navigation intérieure en vertu de la présente loi ou des dispositions internationales directement applicables.]1
§ 1er. Les éléments du convoi sont, lorsqu'ils forment un convoi, solidairement responsables des dommages causés aux tiers lors de l'exécution du contrat.
Dans les rapports entre les éléments du convoi, celui qui a causé le dommage par sa faute est responsable et garantit les autres contre toute responsabilité envers les tiers.
§ 2. Toute action intentée contre un élément du convoi interrompt le délai de prescription éventuel à l'égard de chaque élément du convoi.
§ 3. Ce qui précède n'empêche nullement chaque élément du convoi de limiter sa responsabilité à l'égard des tiers conformément aux règles applicables en matière de limitation de la responsabilité du propriétaire du bateau de navigation intérieure en vertu de la présente loi ou des dispositions internationales directement applicables.]1
Afdeling 3. [1 - Bijzondere bepalingen met betrekking tot sleepovereenkomsten]1
Section 3. [1 - Dispositions particulières relatives aux contrats de remorquage]1
Art.3.6.4.13. [1 Aansprakelijkheid voor ladingschade en schade aan gesleepte binnenschepen
De bepalingen van de artikelen 3.6.4.10 en 3.6.4.11 zijn eveneens van toepassing op aansprakelijkheid voor ladingschade en schade aan gesleepte binnenschepen.]1
De bepalingen van de artikelen 3.6.4.10 en 3.6.4.11 zijn eveneens van toepassing op aansprakelijkheid voor ladingschade en schade aan gesleepte binnenschepen.]1
Art.3.6.4.13. [1 Responsabilité pour les dommages causés à la cargaison et aux bateaux de navigation intérieures remorqués
Les dispositions des articles 3.6.4.10 et 3.6.4.11 sont également applicables quant à la responsabilité pour les dommages causés à la cargaison et aux bateaux de navigation intérieures remorqués.]1
Les dispositions des articles 3.6.4.10 et 3.6.4.11 sont également applicables quant à la responsabilité pour les dommages causés à la cargaison et aux bateaux de navigation intérieures remorqués.]1
Art.3.6.4.14. [1 Aansprakelijkheid tegenover derden
§ 1. De sleepboot is niet aansprakelijk voor de tijdens de uitvoering van de sleepovereenkomst door het gesleepte binnenschip aan derden berokkende schade, tenzij wanneer hij de nautische leiding van de sleep had. In dat geval zijn de sleepboot en het gesleepte binnenschip in solidum aansprakelijk.
§ 2. Eén en ander laat onverlet voor elk onderdeel van de sleep dat tot schadevergoeding gehouden is om zijn aansprakelijkheid tegenover derden te beperken overeenkomstig de krachtens deze wet of rechtstreeks werkende internationale bepalingen geldende voorschriften inzake beperking van aansprakelijkheid van de scheepseigenaar.]1
§ 1. De sleepboot is niet aansprakelijk voor de tijdens de uitvoering van de sleepovereenkomst door het gesleepte binnenschip aan derden berokkende schade, tenzij wanneer hij de nautische leiding van de sleep had. In dat geval zijn de sleepboot en het gesleepte binnenschip in solidum aansprakelijk.
§ 2. Eén en ander laat onverlet voor elk onderdeel van de sleep dat tot schadevergoeding gehouden is om zijn aansprakelijkheid tegenover derden te beperken overeenkomstig de krachtens deze wet of rechtstreeks werkende internationale bepalingen geldende voorschriften inzake beperking van aansprakelijkheid van de scheepseigenaar.]1
Art.3.6.4.14. [1 Responsabilité à l'égard des tiers
§ 1er. Le remorqueur n'est pas responsable des dommages causés par le bateau de navigation intérieure remorqué à des tiers pendant l'exécution du contrat de remorquage, sauf s'il était chargé de la conduite nautique du convoi remorqué. Dans ce cas, le remorqueur et le bateau de navigation intérieure remorqué sont solidairement responsables.
§ 2. Ce qui précède n'empêche nullement chaque élément du convoi remorqué tenue à indemnisation de limiter sa responsabilité à l'égard des tiers conformément aux règles applicables en matière de limitation de la responsabilité du propriétaire du navire en vertu de la présente loi ou des dispositions internationales directement applicables.]1
§ 1er. Le remorqueur n'est pas responsable des dommages causés par le bateau de navigation intérieure remorqué à des tiers pendant l'exécution du contrat de remorquage, sauf s'il était chargé de la conduite nautique du convoi remorqué. Dans ce cas, le remorqueur et le bateau de navigation intérieure remorqué sont solidairement responsables.
§ 2. Ce qui précède n'empêche nullement chaque élément du convoi remorqué tenue à indemnisation de limiter sa responsabilité à l'égard des tiers conformément aux règles applicables en matière de limitation de la responsabilité du propriétaire du navire en vertu de la présente loi ou des dispositions internationales directement applicables.]1
TITEL 7. - Scheepvaartvoorvallen
TITRE 7. - EVENEMENTS DE NAVIGATION
HOOFDSTUK 1. - Averij
CHAPITRE 1er. - Avarie
Art. 3.7.1.1. Internationale toepassing
§ 1. De tegenstelbaarheid aan derden van het retentierecht van de exploitant, bedoeld in artikel 3.7.1.7, § 2, wordt beheerst door het recht van de Staat op het grondgebied waarvan de goederen zich bevinden op het ogenblik waarop dat recht wordt uitgeoefend.
§ 2. De artikel en 3.7.1.5. en 3.7.1.6 zijn van toepassing op de rechtspleging in België.
§ 1. De tegenstelbaarheid aan derden van het retentierecht van de exploitant, bedoeld in artikel 3.7.1.7, § 2, wordt beheerst door het recht van de Staat op het grondgebied waarvan de goederen zich bevinden op het ogenblik waarop dat recht wordt uitgeoefend.
§ 2. De artikel en 3.7.1.5. en 3.7.1.6 zijn van toepassing op de rechtspleging in België.
Art. 3.7.1.1. Application internationale
§ 1er. L'opposabilité aux tiers du droit de rétention de l'exploitant, visée à l'article 3.7.1.7, § 2, est régie par le droit de l'Etat sur le territoire duquel se trouvent les marchandises au moment où ce droit est exercé.
§ 2. Les articles 3.7.1.5. et 3.7.1.6 sont d'application à la procédure en Belgique.
§ 1er. L'opposabilité aux tiers du droit de rétention de l'exploitant, visée à l'article 3.7.1.7, § 2, est régie par le droit de l'Etat sur le territoire duquel se trouvent les marchandises au moment où ce droit est exercé.
§ 2. Les articles 3.7.1.5. et 3.7.1.6 sont d'application à la procédure en Belgique.
Art. 3.7.1.2. Afwijkende bedingen
Dit hoofdstuk geldt slechts voor zover geen voor alle betrokken partijen bindende afwijkende bedingen zijn overeengekomen.
Dit hoofdstuk geldt slechts voor zover geen voor alle betrokken partijen bindende afwijkende bedingen zijn overeengekomen.
Art. 3.7.1.2. Clauses dérogatoires
Le présent chapitre ne s'applique que pour autant qu'aucune clause dérogatoire obligatoire pour toutes les parties concernées n'a été convenue.
Le présent chapitre ne s'applique que pour autant qu'aucune clause dérogatoire obligatoire pour toutes les parties concernées n'a été convenue.
Art. 3.7.1.3. Bijzondere averij
Onverminderd het eventuele recht op schadeloosstelling of terugbetaling, wordt bijzondere averij gedragen door de eigenaar van de zaak die de schade heeft geleden of betaald door degene die de kosten heeft gemaakt.
Onverminderd het eventuele recht op schadeloosstelling of terugbetaling, wordt bijzondere averij gedragen door de eigenaar van de zaak die de schade heeft geleden of betaald door degene die de kosten heeft gemaakt.
Art. 3.7.1.3. Avarie particulière
Sans préjudice du droit éventuel à une indemnisation ou à un remboursement, les avaries particulières sont supportées par le propriétaire de la chose qui a essuyé le dommage ou payées par celui qui a exposé les dépenses.
Sans préjudice du droit éventuel à une indemnisation ou à un remboursement, les avaries particulières sont supportées par le propriétaire de la chose qui a essuyé le dommage ou payées par celui qui a exposé les dépenses.
Art. 3.7.1.4. Avarij-Grosse Regels IVR
§ 1. De averij-grosse waarbij enkel binnenschepen zijn betrokken, wordt geregeld overeenkomstig de Avarij-Grosse Regels IVR.
§ 2. De Koning stelt de toepasselijke versie vast van Avarij-Grosse Regels IVR en, in voorkomend geval, van de bepalingen die deze regels vervangen.
§ 1. De averij-grosse waarbij enkel binnenschepen zijn betrokken, wordt geregeld overeenkomstig de Avarij-Grosse Regels IVR.
§ 2. De Koning stelt de toepasselijke versie vast van Avarij-Grosse Regels IVR en, in voorkomend geval, van de bepalingen die deze regels vervangen.
Art. 3.7.1.4. Règles d'Avarie Commune IVR
§ 1er. Les avaries communes qui impliquent uniquement des bateaux de navigation intérieure sont réglées conformément aux dispositions des Règles d'Avarie Commune IVR.
§ 2. Le Roi établit la version applicable Règles d'Avarie Commune IVR et, le cas échéant, des dispositions qui remplacent ces règles.
§ 1er. Les avaries communes qui impliquent uniquement des bateaux de navigation intérieure sont réglées conformément aux dispositions des Règles d'Avarie Commune IVR.
§ 2. Le Roi établit la version applicable Règles d'Avarie Commune IVR et, le cas échéant, des dispositions qui remplacent ces règles.
Art. 3.7.1.5. Aanstelling van dispacheurs
§ 1. Indien zich naar zijn mening een geval van averij-grosse heeft voorgedaan, is de exploitant gerechtigd om in een haven waar bij de averij-grosse betrokken goederen worden gelost of, ingeval geen dergelijke lossing plaatsgrijpt, in de eerstvolgende aanloophaven, binnen een redelijke termijn na de lossing respectievelijk het aanlopen een dispacheur aan te stellen. De exploitant doet van de aanstelling tijdig mededeling aan alle andere betrokken partijen.
§ 2. Ingeval de exploitant niet binnen een redelijke termijn een dispacheur heeft aangesteld en hiervan mededeling heeft gedaan, kan de meest gerede partij de aanstelling van een dispacheur vorderen. Het verzoek wordt bij eenzijdig verzoekschrift ingediend bij de voorzitter van de ondernemingsrechtbank die rechtsmacht heeft over het arrondissement waar één van de in de vorige paragraaf bedoelde havens is gelegen. Met betrekking tot de haven van Antwerpen, met inbegrip van de Waaslandhaven, wordt het verzoek ingediend bij de voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Antwerpen. De aangestelde dispacheur doet van de aanstelling mededeling aan alle betrokken partijen.
§ 1. Indien zich naar zijn mening een geval van averij-grosse heeft voorgedaan, is de exploitant gerechtigd om in een haven waar bij de averij-grosse betrokken goederen worden gelost of, ingeval geen dergelijke lossing plaatsgrijpt, in de eerstvolgende aanloophaven, binnen een redelijke termijn na de lossing respectievelijk het aanlopen een dispacheur aan te stellen. De exploitant doet van de aanstelling tijdig mededeling aan alle andere betrokken partijen.
§ 2. Ingeval de exploitant niet binnen een redelijke termijn een dispacheur heeft aangesteld en hiervan mededeling heeft gedaan, kan de meest gerede partij de aanstelling van een dispacheur vorderen. Het verzoek wordt bij eenzijdig verzoekschrift ingediend bij de voorzitter van de ondernemingsrechtbank die rechtsmacht heeft over het arrondissement waar één van de in de vorige paragraaf bedoelde havens is gelegen. Met betrekking tot de haven van Antwerpen, met inbegrip van de Waaslandhaven, wordt het verzoek ingediend bij de voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Antwerpen. De aangestelde dispacheur doet van de aanstelling mededeling aan alle betrokken partijen.
Art. 3.7.1.5. Désignation des dispacheurs
§ 1er. Si à son avis un cas d'avarie commune s'est produit, l'exploitant est habilité à désigner un dispacheur dans un port où des marchandises concernées par l'avarie commune sont déchargées ou, dans le cas où ce déchargement n'a pas lieu, dans le port d'escale suivant et ce, dans un délai raisonnable après le déchargement ou l'escale. L'exploitant devra communiquer cette désignation à temps à toutes les autres parties concernées.
§ 2. Au cas où l'exploitant n'a pas désigné de dispacheur et ne l'a pas communiqué dans un délai raisonnable, la partie la plus diligente peut réclamer la désignation d'un dispacheur. La demande est introduite par requête unilatérale auprès du président du tribunal de l'entreprise compétent pour l'arrondissement où est situé un des ports visés dans le paragraphe précédent. Concernant le port d'Anvers, y compris le Waaslandhaven, la demande est introduite auprès du président du tribunal de l'entreprise d'Anvers. Le dispacheur désigné communique sa désignation à toutes les parties concernées.
§ 1er. Si à son avis un cas d'avarie commune s'est produit, l'exploitant est habilité à désigner un dispacheur dans un port où des marchandises concernées par l'avarie commune sont déchargées ou, dans le cas où ce déchargement n'a pas lieu, dans le port d'escale suivant et ce, dans un délai raisonnable après le déchargement ou l'escale. L'exploitant devra communiquer cette désignation à temps à toutes les autres parties concernées.
§ 2. Au cas où l'exploitant n'a pas désigné de dispacheur et ne l'a pas communiqué dans un délai raisonnable, la partie la plus diligente peut réclamer la désignation d'un dispacheur. La demande est introduite par requête unilatérale auprès du président du tribunal de l'entreprise compétent pour l'arrondissement où est situé un des ports visés dans le paragraphe précédent. Concernant le port d'Anvers, y compris le Waaslandhaven, la demande est introduite auprès du président du tribunal de l'entreprise d'Anvers. Le dispacheur désigné communique sa désignation à toutes les parties concernées.
Art. 3.7.1.6. Opmaak en neerlegging van de omslag
§ 1. De dispacheur maakt de omslag op.
§ 2. De goederen van de partijen die van de aanstelling van de dispacheur geen mededeling kregen, kunnen niet in de omslag worden opgenomen.
§ 3. Na afloop van zijn werkzaamheden stuurt de dispacheur zijn voorlopige omslag ter lezing aan alle betrokken partijen. Hij bepaalt een redelijke termijn waarbinnen de partijen hun opmerkingen moeten maken.
§ 4. In de definitieve omslag houdt de dispacheur rekening met de tijdig ontvangen opmerkingen.
§ 5. De definitieve omslag wordt door de dispacheur gedagtekend en ondertekend. Zijn handtekening wordt voorafgegaan door de volgende eed :
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb."
§ 6. De definitieve omslag wordt neergelegd ter griffie van de ondernemingsrechtbank die rechtsmacht heeft over het arrondissement waar de dispacheur werd aangesteld. Werd hij aangesteld in de haven van Antwerpen, met inbegrip van de Waaslandhaven, dan wordt de definitieve omslag neergelegd ter griffie van de ondernemingsrechtbank te Antwerpen.
Op de dag van de neerlegging van de omslag zendt de dispacheur bij een aangetekende zending een afschrift van de omslag aan de partijen.
De originele stukken die de partijen aan de dispacheur bezorgden, worden hen terugbezorgd.
§ 1. De dispacheur maakt de omslag op.
§ 2. De goederen van de partijen die van de aanstelling van de dispacheur geen mededeling kregen, kunnen niet in de omslag worden opgenomen.
§ 3. Na afloop van zijn werkzaamheden stuurt de dispacheur zijn voorlopige omslag ter lezing aan alle betrokken partijen. Hij bepaalt een redelijke termijn waarbinnen de partijen hun opmerkingen moeten maken.
§ 4. In de definitieve omslag houdt de dispacheur rekening met de tijdig ontvangen opmerkingen.
§ 5. De definitieve omslag wordt door de dispacheur gedagtekend en ondertekend. Zijn handtekening wordt voorafgegaan door de volgende eed :
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb."
§ 6. De definitieve omslag wordt neergelegd ter griffie van de ondernemingsrechtbank die rechtsmacht heeft over het arrondissement waar de dispacheur werd aangesteld. Werd hij aangesteld in de haven van Antwerpen, met inbegrip van de Waaslandhaven, dan wordt de definitieve omslag neergelegd ter griffie van de ondernemingsrechtbank te Antwerpen.
Op de dag van de neerlegging van de omslag zendt de dispacheur bij een aangetekende zending een afschrift van de omslag aan de partijen.
De originele stukken die de partijen aan de dispacheur bezorgden, worden hen terugbezorgd.
Art. 3.7.1.6. Rédaction et dépôt de la dispache
§ 1er. Le dispacheur rédige la dispache.
§ 2. Les marchandises des parties qui ne reçoivent pas de communication de la désignation du dispacheur ne peuvent être reprises dans la dispache.
§ 3. Une fois ses activités terminées, le dispacheur envoie sa dispache provisoire à toutes les parties concernées pour qu'elles la lisent. Il fixe un délai raisonnable dans lequel les parties doivent formuler leurs remarques.
§ 4. Dans la dispache définitive, le dispacheur tient compte des remarques reçues à temps.
§ 5. La dispache définitive est datée et signée par le dispacheur. Sa signature est précédée du serment suivant :
" Je jure d'accomplir mes missions en honneur et conscience, avec exactitude et probité. "
§ 6. La dispache définitive est déposée au greffe du tribunal de l'entreprise compétent pour l'arrondissement où le dispacheur a été désigné. S'il a été désigné dans le port d'Anvers, y compris le Waaslandhaven, la dispache définitive est déposée au greffe du tribunal de l'entreprise d'Anvers.
Le jour du dépôt de la dispache, le dispacheur envoie par envoi recommandé une copie de la dispache aux parties.
Les pièces originales que les parties ont fait parvenir au dispacheur leur sont retournées.
§ 1er. Le dispacheur rédige la dispache.
§ 2. Les marchandises des parties qui ne reçoivent pas de communication de la désignation du dispacheur ne peuvent être reprises dans la dispache.
§ 3. Une fois ses activités terminées, le dispacheur envoie sa dispache provisoire à toutes les parties concernées pour qu'elles la lisent. Il fixe un délai raisonnable dans lequel les parties doivent formuler leurs remarques.
§ 4. Dans la dispache définitive, le dispacheur tient compte des remarques reçues à temps.
§ 5. La dispache définitive est datée et signée par le dispacheur. Sa signature est précédée du serment suivant :
" Je jure d'accomplir mes missions en honneur et conscience, avec exactitude et probité. "
§ 6. La dispache définitive est déposée au greffe du tribunal de l'entreprise compétent pour l'arrondissement où le dispacheur a été désigné. S'il a été désigné dans le port d'Anvers, y compris le Waaslandhaven, la dispache définitive est déposée au greffe du tribunal de l'entreprise d'Anvers.
Le jour du dépôt de la dispache, le dispacheur envoie par envoi recommandé une copie de la dispache aux parties.
Les pièces originales que les parties ont fait parvenir au dispacheur leur sont retournées.
Art. 3.7.1.7. Voorrecht en retentierecht
§ 1. De vordering tot betaling van een vergoeding in averij-grosse is ten belope van de omslag bevoorrecht op de vervoerde goederen en hun verkoopprijs, op de bijdrageplichtige vracht en op alle bijdrageplichtige goederen aan boord die geen deel uitmaken van het scheepstoebehoren.
§ 2. De exploitant beschikt over een retentierecht op de vervoerde goederen en de andere goederen aan boord waarvoor een bijdrage in averij-grosse is verschuldigd.
Het retentierecht is tegenstelbaar aan de eigenaar van de goederen waarop dat recht wordt uitgeoefend.
§ 3. De exploitant kan geen retentierecht meer uitoefenen wanneer een voldoende zekerheid is gesteld.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel worden containers, paletten en aanverwante tuigen evenals goederenbehandelingstuigen mede als goederen beschouwd.
§ 1. De vordering tot betaling van een vergoeding in averij-grosse is ten belope van de omslag bevoorrecht op de vervoerde goederen en hun verkoopprijs, op de bijdrageplichtige vracht en op alle bijdrageplichtige goederen aan boord die geen deel uitmaken van het scheepstoebehoren.
§ 2. De exploitant beschikt over een retentierecht op de vervoerde goederen en de andere goederen aan boord waarvoor een bijdrage in averij-grosse is verschuldigd.
Het retentierecht is tegenstelbaar aan de eigenaar van de goederen waarop dat recht wordt uitgeoefend.
§ 3. De exploitant kan geen retentierecht meer uitoefenen wanneer een voldoende zekerheid is gesteld.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel worden containers, paletten en aanverwante tuigen evenals goederenbehandelingstuigen mede als goederen beschouwd.
Art. 3.7.1.7. Privilège et droit de rétention
§ 1er. La demande en paiement d'une indemnité en avarie commune est privilégiée, à concurrence de la dispache, sur les marchandises transportées et leur prix de vente, sur le fret contribuable et sur toutes les marchandises contribuables à bord qui ne font pas partie des accessoires du navire.
§ 2. L'exploitant dispose d'un droit de rétention sur les marchandises transportées et sur les autres marchandises à bord pour lesquelles une contribution en avarie commune est due.
Le droit de rétention est opposable au propriétaire des marchandises sur lesquelles ce droit est exercé.
§ 3. L'exploitant ne peut plus exercer de droit de rétention lorsqu'une garantie suffisante est constituée.
§ 4. Pour l'application du présent article, les conteneurs, palettes et matériel similaire ainsi que l'outillage de manutention des marchandises sont considérés également comme des marchandises.
§ 1er. La demande en paiement d'une indemnité en avarie commune est privilégiée, à concurrence de la dispache, sur les marchandises transportées et leur prix de vente, sur le fret contribuable et sur toutes les marchandises contribuables à bord qui ne font pas partie des accessoires du navire.
§ 2. L'exploitant dispose d'un droit de rétention sur les marchandises transportées et sur les autres marchandises à bord pour lesquelles une contribution en avarie commune est due.
Le droit de rétention est opposable au propriétaire des marchandises sur lesquelles ce droit est exercé.
§ 3. L'exploitant ne peut plus exercer de droit de rétention lorsqu'une garantie suffisante est constituée.
§ 4. Pour l'application du présent article, les conteneurs, palettes et matériel similaire ainsi que l'outillage de manutention des marchandises sont considérés également comme des marchandises.
Art. 3.7.1.8. Aflevering zonder voorbehoud
De houder van een cognossement, aan wie de goederen werden afgeleverd zonder voorbehoud omtrent averij-grosse, is niet verplicht bij te dragen in de omslag, indien hij bewijst dat hij de goederen in ontvangst nam voor rekening van een derde en ze niet meer in zijn bezit heeft. Alsdan kan de exploitant rechtstreeks optreden tegen hem die op het ogenblik van de aflevering schuldenaar van de bijdrage was. De exploitant is evenwel ten belope van de omslag aansprakelijk tegenover wie op een vergoeding in averij-grosse recht heeft.
De houder van een cognossement, aan wie de goederen werden afgeleverd zonder voorbehoud omtrent averij-grosse, is niet verplicht bij te dragen in de omslag, indien hij bewijst dat hij de goederen in ontvangst nam voor rekening van een derde en ze niet meer in zijn bezit heeft. Alsdan kan de exploitant rechtstreeks optreden tegen hem die op het ogenblik van de aflevering schuldenaar van de bijdrage was. De exploitant is evenwel ten belope van de omslag aansprakelijk tegenover wie op een vergoeding in averij-grosse recht heeft.
Art. 3.7.1.8. Livraison sans réserve
Le porteur d'un connaissement à qui les marchandises ont été livrées sans réserve concernant l'avarie commune, n'est pas tenu de contribuer à la dispache s'il prouve qu'il a réceptionné les marchandises pour le compte d'un tiers et ne les a plus en sa possession. L'exploitant peut alors intervenir directement contre celui qui, au moment de la livraison, était débiteur de la contribution. L'exploitant est cependant responsable à concurrence de la dispache à l'égard de celui qui a droit à une indemnité en avarie commune.
Le porteur d'un connaissement à qui les marchandises ont été livrées sans réserve concernant l'avarie commune, n'est pas tenu de contribuer à la dispache s'il prouve qu'il a réceptionné les marchandises pour le compte d'un tiers et ne les a plus en sa possession. L'exploitant peut alors intervenir directement contre celui qui, au moment de la livraison, était débiteur de la contribution. L'exploitant est cependant responsable à concurrence de la dispache à l'égard de celui qui a droit à une indemnité en avarie commune.
Art. 3.7.1.9. Naderhand ongedaan gemaakte schade of verliezen
Indien de schade of verliezen waarvoor een vergoeding werd toegekend na de uitvoering van de omslag geheel of gedeeltelijk ongedaan worden gemaakt, dient de actuele waarde van de gerecupereerde goederen of de ontvangen schadevergoeding, na aftrek van de gemaakte kosten, proportioneel te worden verdeeld over de partijen die hebben bijgedragen.
Indien de schade of verliezen waarvoor een vergoeding werd toegekend na de uitvoering van de omslag geheel of gedeeltelijk ongedaan worden gemaakt, dient de actuele waarde van de gerecupereerde goederen of de ontvangen schadevergoeding, na aftrek van de gemaakte kosten, proportioneel te worden verdeeld over de partijen die hebben bijgedragen.
Art. 3.7.1.9. Dommages ou pertes récupérés par la suite
Si les dommages ou les pertes pour lesquels une indemnité a été accordée sont récupérés entièrement ou partiellement après l'exécution de la dispache, la valeur actuelle des marchandises récupérées ou de l'indemnité reçue doit être répartie proportionnellement entre les parties qui ont contribué, après déduction des dépenses encourues.
Si les dommages ou les pertes pour lesquels une indemnité a été accordée sont récupérés entièrement ou partiellement après l'exécution de la dispache, la valeur actuelle des marchandises récupérées ou de l'indemnité reçue doit être répartie proportionnellement entre les parties qui ont contribué, après déduction des dépenses encourues.
Art. 3.7.1.10. Verjaring
De rechtsvorderingen wegens averij-grosse verjaren twee jaar na het einde van het voorval.
De aanstelling van een dispacheur of het instellen van een vordering tot aanstelling van een dispacheur stuit de verjaring tot op de dag dat de dispacheur de definitieve omslag heeft neergelegd.
De rechtsvorderingen wegens averij-grosse verjaren twee jaar na het einde van het voorval.
De aanstelling van een dispacheur of het instellen van een vordering tot aanstelling van een dispacheur stuit de verjaring tot op de dag dat de dispacheur de definitieve omslag heeft neergelegd.
Art. 3.7.1.10. Prescription
Les actions en justice pour avarie commune sont prescrites deux ans après la fin de l'événement.
La désignation d'un dispacheur ou la formation d'une demande en désignation d'un dispacheur interrompt la prescription jusqu'au jour où le dispacheur a déposé la dispache définitive.
Les actions en justice pour avarie commune sont prescrites deux ans après la fin de l'événement.
La désignation d'un dispacheur ou la formation d'une demande en désignation d'un dispacheur interrompt la prescription jusqu'au jour où le dispacheur a déposé la dispache définitive.
HOOFDSTUK 2. - Aanvaring
CHAPITRE 2. - Abordage
Art. 3.7.2.1. - Toepasselijk recht
De artikel en 2.7.2.1 tot en met 2.7.2.11 zijn van overeenkomstige toepassing op aanvaringen met binnenschepen.
Voor de toepassing van het vorige lid omvat het begrip "binnenschip" mede kleine vaartuigen, en worden de volgende tuigen met binnenschepen gelijkgesteld : draagvleugelboten, vlotten, veerponten, de beweegbare gedeelten van schipbruggen, voorts baggermolens, kranen, elevators en alle soortgelijke drijvende machines en inrichtingen.
De artikel en 2.7.2.1 tot en met 2.7.2.11 zijn van overeenkomstige toepassing op aanvaringen met binnenschepen.
Voor de toepassing van het vorige lid omvat het begrip "binnenschip" mede kleine vaartuigen, en worden de volgende tuigen met binnenschepen gelijkgesteld : draagvleugelboten, vlotten, veerponten, de beweegbare gedeelten van schipbruggen, voorts baggermolens, kranen, elevators en alle soortgelijke drijvende machines en inrichtingen.
Art. 3.7.2.1. - Droit applicable
Les articles 2.7.2.1 à 2.7.2.11 s'appliquent par analogie aux abordages avec les bateaux de navigation intérieure.
Pour l'application de l'alinéa précédent, la notion de " bateaux de navigation intérieure " comprend également les petites embarcations, et les engins suivants sont assimilés à des bateaux de navigation intérieure : les hydroglisseurs, les radeaux, les bacs et les sections mobiles de ponts de bateaux, ainsi que les dragues, grues, élévateurs et tous engins ou outillages flottants de nature analogue.
Les articles 2.7.2.1 à 2.7.2.11 s'appliquent par analogie aux abordages avec les bateaux de navigation intérieure.
Pour l'application de l'alinéa précédent, la notion de " bateaux de navigation intérieure " comprend également les petites embarcations, et les engins suivants sont assimilés à des bateaux de navigation intérieure : les hydroglisseurs, les radeaux, les bacs et les sections mobiles de ponts de bateaux, ainsi que les dragues, grues, élévateurs et tous engins ou outillages flottants de nature analogue.
BOEK 4. - HANDHAVING
LIVRE 4. - MISE EN APPLICATION
Titel 1. - Sancties
TITRE 1. - Sanctions
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Afdeling 1. - Sanctiematen
Section 1ère. - Degrés de sanction
Art. 4.1.1.1. Strafrechtelijke en administratieve sancties
§ 1. De in dit wetboek omschreven inbreuken worden bestraft met een sanctie van niveau 1, 2, 3, 4, 5, 6 of 7.
De sanctie van niveau 1 bestaat in een administratieve geldboete van 10 tot 200 euro.
De sanctie van niveau 2 bestaat in hetzij een strafrechtelijke geldboete van 26 tot 1.000 euro, hetzij een administratieve geldboete van 26 tot 1.000 euro.
De sanctie van niveau 3 bestaat in hetzij een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 5.000 euro of in een van die straffen alleen, hetzij een administratieve geldboete van 50 tot 5.000 euro.
De sanctie van niveau 4 bestaat in hetzij een gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en een strafrechtelijke geldboete van 500 tot 30.000 euro of in een van die straffen alleen, hetzij een administratieve geldboete van 500 tot 30.000 euro.
De sanctie van niveau 5 bestaat in hetzij een opsluiting van vijf jaar tot vijftien jaar en een strafrechtelijke geldboete van 5.000 tot 100.000 euro of in een van die straffen alleen, hetzij een administratieve geldboete van 5.000 tot 100.000 euro.
De sanctie van niveau 6 bestaat uit een opsluiting van twintig jaar tot levenslang en een strafrechtelijke geldboete van 5.000 tot 100.000 euro.
De sanctie van niveau 7 bestaat in hetzij een strafrechtelijke geldboete van 250.000 tot 1.000.000 euro, hetzij een administratieve geldboete van 250.000 tot 1.000.000 euro.
§ 2. De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op strafrechtelijke geldboeten zijn eveneens van toepassing op de in dit wetboek bedoelde administratieve geldboeten.
De sanctionerende overheid maakt in haar beslissing melding van de vermenigvuldiging overeenkomstig de voormelde wet van 5 maart 1952 en vermeldt het bedrag dat van deze verhoging het gevolg is.
§ 1. De in dit wetboek omschreven inbreuken worden bestraft met een sanctie van niveau 1, 2, 3, 4, 5, 6 of 7.
De sanctie van niveau 1 bestaat in een administratieve geldboete van 10 tot 200 euro.
De sanctie van niveau 2 bestaat in hetzij een strafrechtelijke geldboete van 26 tot 1.000 euro, hetzij een administratieve geldboete van 26 tot 1.000 euro.
De sanctie van niveau 3 bestaat in hetzij een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 5.000 euro of in een van die straffen alleen, hetzij een administratieve geldboete van 50 tot 5.000 euro.
De sanctie van niveau 4 bestaat in hetzij een gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en een strafrechtelijke geldboete van 500 tot 30.000 euro of in een van die straffen alleen, hetzij een administratieve geldboete van 500 tot 30.000 euro.
De sanctie van niveau 5 bestaat in hetzij een opsluiting van vijf jaar tot vijftien jaar en een strafrechtelijke geldboete van 5.000 tot 100.000 euro of in een van die straffen alleen, hetzij een administratieve geldboete van 5.000 tot 100.000 euro.
De sanctie van niveau 6 bestaat uit een opsluiting van twintig jaar tot levenslang en een strafrechtelijke geldboete van 5.000 tot 100.000 euro.
De sanctie van niveau 7 bestaat in hetzij een strafrechtelijke geldboete van 250.000 tot 1.000.000 euro, hetzij een administratieve geldboete van 250.000 tot 1.000.000 euro.
§ 2. De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op strafrechtelijke geldboeten zijn eveneens van toepassing op de in dit wetboek bedoelde administratieve geldboeten.
De sanctionerende overheid maakt in haar beslissing melding van de vermenigvuldiging overeenkomstig de voormelde wet van 5 maart 1952 en vermeldt het bedrag dat van deze verhoging het gevolg is.
Art. 4.1.1.1. Sanctions pénales et administratives
§ 1er. Les infractions décrites dans le présent code sont punies d'une sanction de niveau 1, 2, 3, 4, 5, 6 ou 7.
La sanction de niveau 1 consiste en une amende administrative de 10 à 200 euros.
La sanction de niveau 2 consiste soit en une amende pénale de 26 à 1.000 euros, soit en une amende administrative de 26 à 1.000 euros.
La sanction de niveau 3 consiste soit en [1 un emprisonnement]1 de six mois à deux ans et une amende pénale de 50 à 5.000 euros, ou en l'une de ces peines seulement, soit en une amende administrative de 50 à 5.000 euros.
La sanction de niveau 4 consiste soit en [1 un emprisonnement]1 de six mois à cinq ans et une amende pénale de 500 à 30 .000 euros, ou en l'une de ces peines seulement, soit en une amende administrative de 500 à 30 .000 euros.
La sanction de niveau 5 consiste soit en [1 un emprisonnement]1 de cinq ans à quinze ans et une amende pénale de 5.000 à 100 .000 euros, ou en l'une de ces peines seulement, soit en une amende administrative de 5.000 à 100 .000 euros.
La sanction de niveau 6 consiste en une réclusion de vingt ans à perpétuité et une amende pénale de 5.000 à 100.000 euros.
Le sanction de niveau 7 consiste soit en une amende de pénale de 250.000 euros à 1 .000 .000 euros, soit une amende administrative de 250 .000 euros à 1 .000 .000 euros.
§ 2. Les décimes additionnels visés à l'article 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales sont également applicables aux amendes administratives visées dans le présent code.
L'autorité de sanction communique dans sa décision le coefficient de multiplication conformément à la loi précitée du 5 mars 1952 et mentionne le montant résultant de cette majoration.
§ 1er. Les infractions décrites dans le présent code sont punies d'une sanction de niveau 1, 2, 3, 4, 5, 6 ou 7.
La sanction de niveau 1 consiste en une amende administrative de 10 à 200 euros.
La sanction de niveau 2 consiste soit en une amende pénale de 26 à 1.000 euros, soit en une amende administrative de 26 à 1.000 euros.
La sanction de niveau 3 consiste soit en [1 un emprisonnement]1 de six mois à deux ans et une amende pénale de 50 à 5.000 euros, ou en l'une de ces peines seulement, soit en une amende administrative de 50 à 5.000 euros.
La sanction de niveau 4 consiste soit en [1 un emprisonnement]1 de six mois à cinq ans et une amende pénale de 500 à 30 .000 euros, ou en l'une de ces peines seulement, soit en une amende administrative de 500 à 30 .000 euros.
La sanction de niveau 5 consiste soit en [1 un emprisonnement]1 de cinq ans à quinze ans et une amende pénale de 5.000 à 100 .000 euros, ou en l'une de ces peines seulement, soit en une amende administrative de 5.000 à 100 .000 euros.
La sanction de niveau 6 consiste en une réclusion de vingt ans à perpétuité et une amende pénale de 5.000 à 100.000 euros.
Le sanction de niveau 7 consiste soit en une amende de pénale de 250.000 euros à 1 .000 .000 euros, soit une amende administrative de 250 .000 euros à 1 .000 .000 euros.
§ 2. Les décimes additionnels visés à l'article 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales sont également applicables aux amendes administratives visées dans le présent code.
L'autorité de sanction communique dans sa décision le coefficient de multiplication conformément à la loi précitée du 5 mars 1952 et mentionne le montant résultant de cette majoration.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Strafrechtelijke sanctionering
Section 2. - Sanctions pénales
Art. 4.1.1.2. Herhaling
Bij herhaling binnen het jaar dat volgt op een veroordeling, kan de straf op het dubbele van het maximum worden gebracht.
HOOFDSTUK V van Boek 1 van het Strafwetboek is niet van toepassing.
Bij herhaling binnen het jaar dat volgt op een veroordeling, kan de straf op het dubbele van het maximum worden gebracht.
HOOFDSTUK V van Boek 1 van het Strafwetboek is niet van toepassing.
Art. 4.1.1.2. Récidive
En cas de récidive dans l'année qui suit une condamnation, la peine pourra être portée au double du maximum.
Le CHAPITRE V du Livre 1 du Code pénal n'est pas d'application.
En cas de récidive dans l'année qui suit une condamnation, la peine pourra être portée au double du maximum.
Le CHAPITRE V du Livre 1 du Code pénal n'est pas d'application.
Art. 4.1.1.3. Deelneming
HOOFDSTUK VII van Boek 1 van het Strafwetboek is van toepassing.
In afwijking van artikel 69 van het Strafwetboek, kan de straf voor medeplichtigen aan een misdaad of een wanbedrijf niet hoger zijn dan twee derden van die welke op hen zou worden toegepast, indien zij de daders van die misdaad of dat wanbedrijf waren.
HOOFDSTUK VII van Boek 1 van het Strafwetboek is van toepassing.
In afwijking van artikel 69 van het Strafwetboek, kan de straf voor medeplichtigen aan een misdaad of een wanbedrijf niet hoger zijn dan twee derden van die welke op hen zou worden toegepast, indien zij de daders van die misdaad of dat wanbedrijf waren.
Art. 4.1.1.3. Participation
Le CHAPITRE VII du Livre 1 du Code pénal est d'application.
Par dérogation à l'article 69 du Code pénal, la sanction à l'encontre des complices d'un crime ou d'un délit ne peut excéder deux tiers de celle qui leur serait appliquée, s'ils étaient les auteurs de ce crime ou délit.
Le CHAPITRE VII du Livre 1 du Code pénal est d'application.
Par dérogation à l'article 69 du Code pénal, la sanction à l'encontre des complices d'un crime ou d'un délit ne peut excéder deux tiers de celle qui leur serait appliquée, s'ils étaient les auteurs de ce crime ou délit.
Art. 4.1.1.4. Verzachtende omstandigheden
Indien verzachtende omstandigheden voorhanden zijn, kan de geldboete worden verminderd tot een bedrag onder het wettelijk minimum dat echter niet lager mag zijn dan 26 euro.
Ingeval verzachtende omstandigheden voorhanden zijn, kan de gevangenisstraf worden verminderd overeenkomstig artikel 85 van het Strafwetboek.
Indien verzachtende omstandigheden voorhanden zijn, kan de geldboete worden verminderd tot een bedrag onder het wettelijk minimum dat echter niet lager mag zijn dan 26 euro.
Ingeval verzachtende omstandigheden voorhanden zijn, kan de gevangenisstraf worden verminderd overeenkomstig artikel 85 van het Strafwetboek.
Art. 4.1.1.4. Circonstances atténuantes
S'il existe des circonstances atténuantes, l'amende peut être réduite au-dessous du montant minimal porté par la loi, sans qu'elle puisse toutefois être inférieure à 26 euros.
S'il existe des circonstances atténuantes, la peine d'emprisonnement peut être réduite conformément à l'article 85 du Code pénal.
S'il existe des circonstances atténuantes, l'amende peut être réduite au-dessous du montant minimal porté par la loi, sans qu'elle puisse toutefois être inférieure à 26 euros.
S'il existe des circonstances atténuantes, la peine d'emprisonnement peut être réduite conformément à l'article 85 du Code pénal.
Art. 4.1.1.5. Burgerrechtelijke aansprakelijkheid
De personen die op grond van artikel [1 6.14]1 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk zijn voor de schadevergoeding en de kosten, zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de strafrechtelijke geldboeten waartoe hun aangestelden of lasthebbers zijn veroordeeld.
De personen die op grond van artikel [1 6.14]1 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk zijn voor de schadevergoeding en de kosten, zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de strafrechtelijke geldboeten waartoe hun aangestelden of lasthebbers zijn veroordeeld.
Art. 4.1.1.5. Responsabilité civile
Les personnes qui, en vertu de l'article [1 6.14]1 du Code civil, sont responsables des dommages-intérêts et des frais sont civilement responsables du paiement des amendes pénales auxquelles leurs préposés ou mandataires ont été condamnés.
Les personnes qui, en vertu de l'article [1 6.14]1 du Code civil, sont responsables des dommages-intérêts et des frais sont civilement responsables du paiement des amendes pénales auxquelles leurs préposés ou mandataires ont été condamnés.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Administratieve sanctionering
Section 3. - Sanctions administratives
Art. 4.1.1.6. Procedure
Voor zover de feiten strafrechtelijk kunnen worden vervolgd overeenkomstig artikel 4.1.1.1. kan er een administratieve geldboete worden opgelegd overeenkomstig de procedure vastgelegd in hoofdstuk 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.
Het bestraffen van feiten, die uitsluitend kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete, moet gebeuren overeenkomstig de procedure vastgelegd in hoofdstuk 3 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.
Voor zover de feiten strafrechtelijk kunnen worden vervolgd overeenkomstig artikel 4.1.1.1. kan er een administratieve geldboete worden opgelegd overeenkomstig de procedure vastgelegd in hoofdstuk 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.
Het bestraffen van feiten, die uitsluitend kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete, moet gebeuren overeenkomstig de procedure vastgelegd in hoofdstuk 3 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.
Art. 4.1.1.6. Procédure
Pour autant que les faits peuvent faire l'objet de poursuites pénales conformément à l'article 4.1.1.1, une amende peut être infligée conformément à la procédure prévue dans le chapitre 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation.
Sanctionner des faits qui sont uniquement punnissables par une amende administrative, doit s'effectuer conformément à la procédure prévue au chapitre 3 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation.
Pour autant que les faits peuvent faire l'objet de poursuites pénales conformément à l'article 4.1.1.1, une amende peut être infligée conformément à la procédure prévue dans le chapitre 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation.
Sanctionner des faits qui sont uniquement punnissables par une amende administrative, doit s'effectuer conformément à la procédure prévue au chapitre 3 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation.
Art. 4.1.1.7. [1 Burgerrechtelijke aansprakelijkheid
De personen die op grond van artikel [2 6.14]2 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk zijn voor de schadevergoeding en de kosten, zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboeten waartoe hun aangestelden of lasthebbers zijn veroordeeld.]1
De personen die op grond van artikel [2 6.14]2 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk zijn voor de schadevergoeding en de kosten, zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboeten waartoe hun aangestelden of lasthebbers zijn veroordeeld.]1
Art. 4.1.1.7. [1 Responsabilité civile
Les personnes civilement responsables, aux termes de l'article [2 6.14]2 du Code civil, des dommages-intérêts et frais, sont civilement responsables du paiement des amendes administratives auxquelles leurs préposés ou mandataires ont été condamnés.]1
Les personnes civilement responsables, aux termes de l'article [2 6.14]2 du Code civil, des dommages-intérêts et frais, sont civilement responsables du paiement des amendes administratives auxquelles leurs préposés ou mandataires ont été condamnés.]1
Art. 4.1.1.8. [1 Administratieve maatregel
Het bestraffen van feiten die bestraft kunnen worden met het verval van het recht tot besturen, het recht om een bestuurder te begeleiden met het oog op scholing of het recht om actief dienst te doen op een schip moet gebeuren overeenkomstig de procedure vastgelegd in hoofdstuk 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.]1
Het bestraffen van feiten die bestraft kunnen worden met het verval van het recht tot besturen, het recht om een bestuurder te begeleiden met het oog op scholing of het recht om actief dienst te doen op een schip moet gebeuren overeenkomstig de procedure vastgelegd in hoofdstuk 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.]1
Art. 4.1.1.8. [1 Mesure administrative
Sanctionner des faits qui peuvent être punis par la déchéance du droit de conduire, du droit d'accompagner un conducteur en vue de l'apprentissage ou du droit d'effectuer un service actif sur un navire doit se faire conformément à la procédure définie dans le cha-pitre 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation.]1
Sanctionner des faits qui peuvent être punis par la déchéance du droit de conduire, du droit d'accompagner un conducteur en vue de l'apprentissage ou du droit d'effectuer un service actif sur un navire doit se faire conformément à la procédure définie dans le cha-pitre 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation.]1
HOOFDSTUK 2. - Sanctionering van de inbreuken
CHAPITRE 2. - Sanctions des infractions
Afdeling 1. - Internationale verdragen en akten
Section 1ère. - Conventions et actes internationaux
Art. 4.1.2.1. Inbreuk op artikel 1.1.2.4
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die een overtreding begaat van de besluiten die werden genomen bij toepassing van artikel 1.1.2.4.
§ 2. Met een sanctie van niveau 7 wordt bestraft :
1° eenieder die een productnorm, vastgesteld in toepassing van artikel 1.1.2.4 en aangenomen in uitvoering van de communautaire wetgeving vermeld in bijlage bij de Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht, overtreedt, indien die wederrechtelijke handeling of nalatigheid begaan wordt met het oogmerk het lozen, uitstoten of storten van een hoeveelheid materie in de lucht, de grond of het water te veroorzaken, waardoor de dood van of ernstige letsels aan personen, dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten wordt of kan worden veroorzaakt;
2° eenieder die opzettelijk aanzet tot het plegen van de inbreuk bepaald onder 1°.
In afwijking van artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek, kan de rechter in de door de Koning bepaalde gevallen de verbeurdverklaring of de aanhouding van het schip bevelen. De aanhouding geschiedt op de plaats en voor de duur bepaald door de rechter en op kosten en risico van de eigenaar.
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die een overtreding begaat van de besluiten die werden genomen bij toepassing van artikel 1.1.2.4.
§ 2. Met een sanctie van niveau 7 wordt bestraft :
1° eenieder die een productnorm, vastgesteld in toepassing van artikel 1.1.2.4 en aangenomen in uitvoering van de communautaire wetgeving vermeld in bijlage bij de Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht, overtreedt, indien die wederrechtelijke handeling of nalatigheid begaan wordt met het oogmerk het lozen, uitstoten of storten van een hoeveelheid materie in de lucht, de grond of het water te veroorzaken, waardoor de dood van of ernstige letsels aan personen, dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten wordt of kan worden veroorzaakt;
2° eenieder die opzettelijk aanzet tot het plegen van de inbreuk bepaald onder 1°.
In afwijking van artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek, kan de rechter in de door de Koning bepaalde gevallen de verbeurdverklaring of de aanhouding van het schip bevelen. De aanhouding geschiedt op de plaats en voor de duur bepaald door de rechter en op kosten en risico van de eigenaar.
Art. 4.1.2.1. Infraction à l'article 1.1.2.4
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque commet une infraction aux arrêtés ayant été pris en application de l'article 1.1.2.4.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 7 :
1° quiconque enfreint une norme de produit prise en application de l'article 1.1.2.4 et adoptée en exécution de la législation communautaire mentionnée en annexe de la Directive 2008/99/CE du Parlement européen et du Conseil du 19 novembre 2008 relative à la protection de l'environnement par le droit pénal, si cet acte ou cette négligence illicite a eu lieu avec l'intention de provoquer le rejet, l'émission ou l'introduction d'une quantité de substances dans l'atmosphère, le sol ou les eaux, causant ou susceptibles de causer la mort ou de graves lésions à des personnes, ou une dégradation substantielle de la qualité de l'air, de la qualité du sol, ou de la qualité de l'eau, ou bien de la faune ou de la flore;
2° quiconque aura incité de manière intentionnelle à commettre l'infraction prévue au point 1°.
Par dérogation à l'article 43, alinéa 1er, du Code pénal, le juge peut ordonner, dans les cas déterminés par le Roi, la confiscation ou l'immobilisation du navire. L'immobilisation s'effectue à l'endroit et pour la durée déterminée par le juge, ainsi qu'aux frais et au risque du propriétaire.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque commet une infraction aux arrêtés ayant été pris en application de l'article 1.1.2.4.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 7 :
1° quiconque enfreint une norme de produit prise en application de l'article 1.1.2.4 et adoptée en exécution de la législation communautaire mentionnée en annexe de la Directive 2008/99/CE du Parlement européen et du Conseil du 19 novembre 2008 relative à la protection de l'environnement par le droit pénal, si cet acte ou cette négligence illicite a eu lieu avec l'intention de provoquer le rejet, l'émission ou l'introduction d'une quantité de substances dans l'atmosphère, le sol ou les eaux, causant ou susceptibles de causer la mort ou de graves lésions à des personnes, ou une dégradation substantielle de la qualité de l'air, de la qualité du sol, ou de la qualité de l'eau, ou bien de la faune ou de la flore;
2° quiconque aura incité de manière intentionnelle à commettre l'infraction prévue au point 1°.
Par dérogation à l'article 43, alinéa 1er, du Code pénal, le juge peut ordonner, dans les cas déterminés par le Roi, la confiscation ou l'immobilisation du navire. L'immobilisation s'effectue à l'endroit et pour la durée déterminée par le juge, ainsi qu'aux frais et au risque du propriétaire.
Afdeling 2. - Zeevaart
Section 2. - Navigation maritime
Onderafdeling 1. - Schepen
Sous-Section 1ère. - Navires
Art. 4.1.2.2. Inbreuk op de artikel en 2.2.1.2 tot 2.2.1.11
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft de scheepseigenaar, de reder, de exploitant, de bevrachter, de kapitein en eenieder die de artikel en 2.2.1.2 tot 2.2.1.10 of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt.
[1 In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde inbreuken enkel worden bestraft met een administratieve geldboete]1
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, eenieder die bij de toepassing van de artikel en 2.2.1.2 tot 2.2.1.10 wetens en willens foutieve informatie aan het Belgisch Scheepsregister bezorgt.
§ 3. [1 ...]1
§ 4. De zeeschepen die niet voldoen aan de door of krachtens de artikel en 2.2.1.2 tot 2.2.1.10 opgelegde verplichting tot registratie, kunnen door de scheepvaartcontroleurs worden aanhouden tot die verplichting is nagekomen.
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft de scheepseigenaar, de reder, de exploitant, de bevrachter, de kapitein en eenieder die de artikel en 2.2.1.2 tot 2.2.1.10 of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt.
[1 In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde inbreuken enkel worden bestraft met een administratieve geldboete]1
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, eenieder die bij de toepassing van de artikel en 2.2.1.2 tot 2.2.1.10 wetens en willens foutieve informatie aan het Belgisch Scheepsregister bezorgt.
§ 3. [1 ...]1
§ 4. De zeeschepen die niet voldoen aan de door of krachtens de artikel en 2.2.1.2 tot 2.2.1.10 opgelegde verplichting tot registratie, kunnen door de scheepvaartcontroleurs worden aanhouden tot die verplichting is nagekomen.
Art. 4.1.2.2. Infraction aux articles 2.2.1.2 à 2.2.1.11
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3 le propriétaire du navire, l'armateur, l'exploitant, l'affréteur, le capitaine et quiconque enfreignant les articles 2.2.1.2 à 2.2.1.10 ou les arrêtés d'exécution y afférents.
[1 Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article peuvent uniquement être punies d'une amende administrative. ]1
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1 quiconque fournit, en application des articles 2.2.1.2 à 2.2.1.10 des informations erronées sciemment et volontairement au Registre naval belge.
§ 3. [1 ...]1
§ 4. Les navires qui ne satisfont pas à l'obligation relative à l'enregistrement qui leur est imposée par les articles 2.2.1.2 à 2.2.1.10 ou en vertu de ceux-ci peuvent être immobilisés par les agents chargés du contrôle de la navigation jusqu'à l'accomplissement de cette obligation.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3 le propriétaire du navire, l'armateur, l'exploitant, l'affréteur, le capitaine et quiconque enfreignant les articles 2.2.1.2 à 2.2.1.10 ou les arrêtés d'exécution y afférents.
[1 Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article peuvent uniquement être punies d'une amende administrative. ]1
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1 quiconque fournit, en application des articles 2.2.1.2 à 2.2.1.10 des informations erronées sciemment et volontairement au Registre naval belge.
§ 3. [1 ...]1
§ 4. Les navires qui ne satisfont pas à l'obligation relative à l'enregistrement qui leur est imposée par les articles 2.2.1.2 à 2.2.1.10 ou en vertu de ceux-ci peuvent être immobilisés par les agents chargés du contrôle de la navigation jusqu'à l'accomplissement de cette obligation.
Wijzigingen
Art. 4.1.2.3. Inbreuk op de artikel en 2.2.2.3 of 2.2.2.5
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° de kapitein of de eigenaar van een Belgisch zeeschip dat niet voorzien is van een geldige meetbrief, andere dan een Suez- of Panamameetbrief;
2° de kapitein of de eigenaar van een Belgisch zeeschip die de in artikel 2.2.2.5 bedoelde verplichting niet naleeft.
Er wordt echter geen gevangenisstraf opgelegd
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° de kapitein of de eigenaar van een Belgisch zeeschip dat niet voorzien is van een geldige meetbrief, andere dan een Suez- of Panamameetbrief;
2° de kapitein of de eigenaar van een Belgisch zeeschip die de in artikel 2.2.2.5 bedoelde verplichting niet naleeft.
Er wordt echter geen gevangenisstraf opgelegd
Art. 4.1.2.3. Infraction à l'article 2.2.2.3 ou 2.2.2.5
Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° le capitaine ou le propriétaire d'un navire belge qui n'est pas pourvu d'un certificat de jaugeage valable, autre qu'un certificat de jaugeage Suez ou Panama;
2° le capitaine ou le propriétaire d'un navire belge qui ne respecte pas l'obligation visée à l'article 2.2.2.5.
Aucune peine d'emprisonnement n'est cependant imposée.
Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° le capitaine ou le propriétaire d'un navire belge qui n'est pas pourvu d'un certificat de jaugeage valable, autre qu'un certificat de jaugeage Suez ou Panama;
2° le capitaine ou le propriétaire d'un navire belge qui ne respecte pas l'obligation visée à l'article 2.2.2.5.
Aucune peine d'emprisonnement n'est cependant imposée.
Art. 4.1.2.4. Inbreuk op artikel 2.2.2.9
Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de kapitein of zijn lasthebber die artikel 2.2.2.9 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, de kapitein of zijn lasthebber die artikel 2.2.2.9 overtreedt.
Art. 4.1.2.4. Infraction à l'article 2.2.2.9
Est puni d'une sanction de niveau 1 le capitaine ou son mandataire qui enfreint l'article 2.2.2.9.
Est puni d'une sanction de niveau 1 le capitaine ou son mandataire qui enfreint l'article 2.2.2.9.
Art. 4.1.2.5. Inbreuk op de artikel en 2.2.2.10 of 4.2.1.27
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° eenieder die de in artikel 4.2.1.27, § 1 en 2 bedoelde inspectie verhindert of belemmert;
2° eenieder die weigert in te gaan op de in artikel 2.2.2.10 bedoelde vordering tot vaststelling van de bruto- of nettotonnenmaat van het zeeschip.
[1 In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde inbreuken enkel worden bestraft met een administratieve geldboete.]1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° eenieder die de in artikel 4.2.1.27, § 1 en 2 bedoelde inspectie verhindert of belemmert;
2° eenieder die weigert in te gaan op de in artikel 2.2.2.10 bedoelde vordering tot vaststelling van de bruto- of nettotonnenmaat van het zeeschip.
[1 In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde inbreuken enkel worden bestraft met een administratieve geldboete.]1
Art. 4.1.2.5. Infraction à l'article 2.2.2.10 ou 4.2.1.27
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° quiconque empêche ou entrave l'inspection visée à l'article 4.2.1.27, § 1er et 2;
2° quiconque refuse de donner suite à la demande de constatation de la jauge brute ou de la jauge nette du navire, visée à l'article 2.2.2.10.
[1 Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article peuvent uniquement être punies d'une amende administrative.]1
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° quiconque empêche ou entrave l'inspection visée à l'article 4.2.1.27, § 1er et 2;
2° quiconque refuse de donner suite à la demande de constatation de la jauge brute ou de la jauge nette du navire, visée à l'article 2.2.2.10.
[1 Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article peuvent uniquement être punies d'une amende administrative.]1
Wijzigingen
Art. 4.1.2.6. Inbreuk op de artikel en 2.2.3.1 tot [1 2.2.3.16]1, 4.2.1.28 of 4.2.4.1
§ 1. Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft :
1° de kapitein of de scheepseigenaar die, zelfs buiten België, een schip zee doet kiezen of in de Belgische zeewateren of Belgische binnenwateren een schip doet varen, als de toestand ervan de veiligheid van de bemanning, van de passagiers of van de lading of het mariene milieu in gevaar brengt;
2° de kapitein of de scheepseigenaar die, zelfs buiten België, een schip zonder een krachtens de artikel en 2.2.3.6 tot 2.2.3.9 of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten opgelegd certificaat van deugdelijkheid of in weerwil van een door de bevoegde overheid opgelegd verbod of uitgeoefend recht tot aanhouding doet varen of het zonder toelating tot afvaart zee doet kiezen.
De in dit artikel bepaalde sancties kunnen ten aanzien van de kapitein worden verminderd tot één vierde van de straffen waarmee de scheepseigenaar kan worden gestraft, indien bewezen is dat de kapitein van de scheepseigenaar schriftelijk of mondeling bevel heeft gekregen de inbreuk te plegen.
[2 § 1/1. In afwijking van paragraaf 1 wordt bestraft met sanctie van niveau 3 de kapitein of de scheepseigenaar die het artikel 2.2.3.9., 1°, f) of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt.]2
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft :
1° eenieder die de artikel en 2.2.3.1 tot [1 2.2.3.16]1, 4.2.1.28 of 4.2.4.1, § 2 en 3, of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt;
2° eenieder die de opdracht van de bevoegde overheid of van deskundigen, uitgevoerd krachtens voormelde bepalingen, verhindert of belemmert.
De in dit artikel bepaalde sancties zijn ook van toepassing wanneer de strafbare feiten door de kapitein, de officieren of personen van Belgische nationaliteit buiten België zijn gepleegd.
De in dit artikel bepaalde sancties kunnen ten aanzien van de kapitein worden verminderd tot één vierde van de straffen waarmee de scheepseigenaar kan worden gestraft, indien bewezen is dat de kapitein van de scheepseigenaar schriftelijk of mondeling bevel heeft gekregen de inbreuk te plegen.
§ 3. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, iedere schepeling die de aanhouding of het verbod tot afvaart van een schip uitlokt door onjuist bevonden beweringen.
Indien de onjuiste beweringen willens en wetens zijn geuit, wordt de schuldige gestraft met een sanctie van niveau 3.
§ 4. [1 In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde inbreuken enkel worden bestraft met een administratieve geldboete.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft :
1° de kapitein of de scheepseigenaar die, zelfs buiten België, een schip zee doet kiezen of in de Belgische zeewateren of Belgische binnenwateren een schip doet varen, als de toestand ervan de veiligheid van de bemanning, van de passagiers of van de lading of het mariene milieu in gevaar brengt;
2° de kapitein of de scheepseigenaar die, zelfs buiten België, een schip zonder een krachtens de artikel en 2.2.3.6 tot 2.2.3.9 of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten opgelegd certificaat van deugdelijkheid of in weerwil van een door de bevoegde overheid opgelegd verbod of uitgeoefend recht tot aanhouding doet varen of het zonder toelating tot afvaart zee doet kiezen.
De in dit artikel bepaalde sancties kunnen ten aanzien van de kapitein worden verminderd tot één vierde van de straffen waarmee de scheepseigenaar kan worden gestraft, indien bewezen is dat de kapitein van de scheepseigenaar schriftelijk of mondeling bevel heeft gekregen de inbreuk te plegen.
[2 § 1/1. In afwijking van paragraaf 1 wordt bestraft met sanctie van niveau 3 de kapitein of de scheepseigenaar die het artikel 2.2.3.9., 1°, f) of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt.]2
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft :
1° eenieder die de artikel en 2.2.3.1 tot [1 2.2.3.16]1, 4.2.1.28 of 4.2.4.1, § 2 en 3, of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt;
2° eenieder die de opdracht van de bevoegde overheid of van deskundigen, uitgevoerd krachtens voormelde bepalingen, verhindert of belemmert.
De in dit artikel bepaalde sancties zijn ook van toepassing wanneer de strafbare feiten door de kapitein, de officieren of personen van Belgische nationaliteit buiten België zijn gepleegd.
De in dit artikel bepaalde sancties kunnen ten aanzien van de kapitein worden verminderd tot één vierde van de straffen waarmee de scheepseigenaar kan worden gestraft, indien bewezen is dat de kapitein van de scheepseigenaar schriftelijk of mondeling bevel heeft gekregen de inbreuk te plegen.
§ 3. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, iedere schepeling die de aanhouding of het verbod tot afvaart van een schip uitlokt door onjuist bevonden beweringen.
Indien de onjuiste beweringen willens en wetens zijn geuit, wordt de schuldige gestraft met een sanctie van niveau 3.
§ 4. [1 In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde inbreuken enkel worden bestraft met een administratieve geldboete.]1
Art. 4.1.2.6. Infraction aux articles 2.2.3.1 à [1 2.2.3.16]1, 4.2.1.28 ou 4.2.4.1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 5 :
1° le capitaine ou le propriétaire qui, même en dehors de la Belgique, fait prendre la mer à un navire ou fait naviguer dans les eaux maritimes belges ou les eaux intérieures belges un navire dont l'état compromet la sécurité de l'équipage, des passagers ou de la cargaison ou de l'environnement marin;
2° le capitaine ou le propriétaire qui, même en dehors de la Belgique, fait naviguer un navire sans certificat de navigabilité imposé en vertu des articles 2.2.3.6 à 2.2.3.9 ou des arrêtés d'exécution y afférents, ou au mépris de l'interdiction imposée par l'autorité compétente ou de son droit d'immobilisation exercé ou le fait prendre la mer sans une autorisation de départ.
Les sanctions déterminées dans le présent article peuvent être réduites à l'égard du capitaine à un quart des sanctions susceptibles d'être infligées au propriétaire, s'il est démontré que le capitaine a reçu l'ordre écrit ou oral du propriétaire du navire de commettre l'infraction.
[2 § 1er/1. Par dérogation au paragraphe 1er, est puni d'une sanction de niveau 3 le capitaine ou le propriétaire enfreignant l'articles 2.2.3.9., 1°, f) ou les arrêtés d'exécution y affé-rents.]2
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4 :
1° quiconque enfreint les articles 2.2.3.1 à [1 2.2.3.16]1, 4.2.1.28 ou 4.2.4.1, § 2 et 3, ou les arrêtés d'exécution y afférents;
2° quiconque empêche ou entrave la mission confiée à l'autorité compétente ou à des experts, effectuée en exécution des dispositions précitées.
Les sanctions visées au présent article sont également applicables lorsque les faits punissables ont été commis en dehors de la Belgique par le capitaine, les officiers ou par des personnes de nationalité belge.
Les sanctions déterminées dans le présent article peuvent être réduites à l'égard du capitaine à un quart des sanctions susceptibles d'être infligées au propriétaire, s'il est démontré que le capitaine a reçu l'ordre écrit ou oral du propriétaire du navire de commettre l'infraction.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 2 tout homme d'équipage qui provoque l'immobilisation ou l'interdiction de départ d'un navire par des allégations reconnues inexactes.
Si les allégations inexactes ont été faites sciemment, le coupable est puni d'une sanction de niveau 3.
§ 4. [1 Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article peuvent uniquement être punies d'une amende administrative.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 5 :
1° le capitaine ou le propriétaire qui, même en dehors de la Belgique, fait prendre la mer à un navire ou fait naviguer dans les eaux maritimes belges ou les eaux intérieures belges un navire dont l'état compromet la sécurité de l'équipage, des passagers ou de la cargaison ou de l'environnement marin;
2° le capitaine ou le propriétaire qui, même en dehors de la Belgique, fait naviguer un navire sans certificat de navigabilité imposé en vertu des articles 2.2.3.6 à 2.2.3.9 ou des arrêtés d'exécution y afférents, ou au mépris de l'interdiction imposée par l'autorité compétente ou de son droit d'immobilisation exercé ou le fait prendre la mer sans une autorisation de départ.
Les sanctions déterminées dans le présent article peuvent être réduites à l'égard du capitaine à un quart des sanctions susceptibles d'être infligées au propriétaire, s'il est démontré que le capitaine a reçu l'ordre écrit ou oral du propriétaire du navire de commettre l'infraction.
[2 § 1er/1. Par dérogation au paragraphe 1er, est puni d'une sanction de niveau 3 le capitaine ou le propriétaire enfreignant l'articles 2.2.3.9., 1°, f) ou les arrêtés d'exécution y affé-rents.]2
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4 :
1° quiconque enfreint les articles 2.2.3.1 à [1 2.2.3.16]1, 4.2.1.28 ou 4.2.4.1, § 2 et 3, ou les arrêtés d'exécution y afférents;
2° quiconque empêche ou entrave la mission confiée à l'autorité compétente ou à des experts, effectuée en exécution des dispositions précitées.
Les sanctions visées au présent article sont également applicables lorsque les faits punissables ont été commis en dehors de la Belgique par le capitaine, les officiers ou par des personnes de nationalité belge.
Les sanctions déterminées dans le présent article peuvent être réduites à l'égard du capitaine à un quart des sanctions susceptibles d'être infligées au propriétaire, s'il est démontré que le capitaine a reçu l'ordre écrit ou oral du propriétaire du navire de commettre l'infraction.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 2 tout homme d'équipage qui provoque l'immobilisation ou l'interdiction de départ d'un navire par des allégations reconnues inexactes.
Si les allégations inexactes ont été faites sciemment, le coupable est puni d'une sanction de niveau 3.
§ 4. [1 Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article peuvent uniquement être punies d'une amende administrative.]1
Art. 4.1.2.7. Inbreuk op artikel 2.2.5.43
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de gezagvoerder en eenieder die, kennis hebbende van de beschikking, het vonnis of het arrest bedoeld in artikel 2.2.5.43, zich tegen de tenuitvoerlegging daarvan verzet.
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de gezagvoerder en eenieder die, kennis hebbende van de beschikking, het vonnis of het arrest bedoeld in artikel 2.2.5.43, zich tegen de tenuitvoerlegging daarvan verzet.
Art. 4.1.2.7. Infraction à l'article 2.2.5.43
Sont punis d'une sanction de niveau 3 le commandant et quiconque, ayant connaissance de l'ordonnance, du jugement ou de l'arrêt visé à l'article 2.2.5.43, s'oppose à sa mise en oeuvre.
Sont punis d'une sanction de niveau 3 le commandant et quiconque, ayant connaissance de l'ordonnance, du jugement ou de l'arrêt visé à l'article 2.2.5.43, s'oppose à sa mise en oeuvre.
Art. 4.1.2.8. Inbreuken op de SRC-Verordening
§ 1. Onverminderd de toepassing van de strengere straffen in paragraaf 2 wordt met een sanctie van niveau 4 bestraft, eenieder die een inbreuk begaat op de SRC-Verordening.
§ 2. Met een sanctie van niveau 7 wordt bestraft, een scheepseigenaar, zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, 14°, van de SRC-Verordening, van een Belgisch schip :
1° dat gerecycled wordt in een scheepsrecyclinginrichting die niet opgenomen is in de Europese lijst van scheepsrecyclinginrichtingen overeenkomstig artikel 16 van de SRC-Verordening; of
2° dat gerecycled wordt en niet in het bezit is van een "Geschikt voor recycling-certificaat" als bedoeld in artikel 3, eerste lid, 22°, van de SRC-Verordening.
§ 3. [1 In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde inbreuken enkel worden bestraft met een administratieve geldboete.]1
§ 1. Onverminderd de toepassing van de strengere straffen in paragraaf 2 wordt met een sanctie van niveau 4 bestraft, eenieder die een inbreuk begaat op de SRC-Verordening.
§ 2. Met een sanctie van niveau 7 wordt bestraft, een scheepseigenaar, zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, 14°, van de SRC-Verordening, van een Belgisch schip :
1° dat gerecycled wordt in een scheepsrecyclinginrichting die niet opgenomen is in de Europese lijst van scheepsrecyclinginrichtingen overeenkomstig artikel 16 van de SRC-Verordening; of
2° dat gerecycled wordt en niet in het bezit is van een "Geschikt voor recycling-certificaat" als bedoeld in artikel 3, eerste lid, 22°, van de SRC-Verordening.
§ 3. [1 In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde inbreuken enkel worden bestraft met een administratieve geldboete.]1
Art. 4.1.2.8. Infractions au Règlement SRC
§ 1er. Sans préjudice de l'application des peines plus strictes contenues dans le paragraphe 2, est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint le Règlement SRC.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 7 un propriétaire de navire, tel que visé à l'article 3, alinéa 1er, 14°, du Règlement SRC, d'un navire belge :
1° recyclé dans une installation de recyclage de navires non reprise dans la liste européenne des installations de recyclage de navires conformément à l'article 16 du Règlement SRC; ou
2° recyclé et non en possession d'un certificat " Convient au recyclage " tel que visé à l'article 3, alinéa 1er, 22°, du Règlement SRC.
§ 3. [1 Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article peuvent uniquement être punies d'une amende administrative.]1
§ 1er. Sans préjudice de l'application des peines plus strictes contenues dans le paragraphe 2, est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint le Règlement SRC.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 7 un propriétaire de navire, tel que visé à l'article 3, alinéa 1er, 14°, du Règlement SRC, d'un navire belge :
1° recyclé dans une installation de recyclage de navires non reprise dans la liste européenne des installations de recyclage de navires conformément à l'article 16 du Règlement SRC; ou
2° recyclé et non en possession d'un certificat " Convient au recyclage " tel que visé à l'article 3, alinéa 1er, 22°, du Règlement SRC.
§ 3. [1 Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article peuvent uniquement être punies d'une amende administrative.]1
Wijzigingen
Art. 4.1.2.8 /1. [1 Inbreuken op de Dubbelwand-Verordening
Met een sanctie van niveau 7 wordt bestraft, de scheepseigenaar en/of de exploitant die de Dubbelwand-Verordening overtreedt.]1
Met een sanctie van niveau 7 wordt bestraft, de scheepseigenaar en/of de exploitant die de Dubbelwand-Verordening overtreedt.]1
Art. 4.1.2.8 /1. [1 Infractions au Règlement double coque
Est puni d'une sanction de niveau 7, le propriétaire de navire et/ou l'exploitant qui enfreint le Règlement double coque.]1
Est puni d'une sanction de niveau 7, le propriétaire de navire et/ou l'exploitant qui enfreint le Règlement double coque.]1
Art. 4.1.2.8 /2.[1 Inbreuken op internationale verdragen
Rekening houdend met de internationale voorschriften wordt bestraft met een sanctie van niveau 5 eenieder die, [2 internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart]2 overtreedt. Indien voor deze inbreuken een specifieke sanctie is opgenomen in dit wetboek of in een andere wet, heeft deze specifieke sanctie voorrang op dit artikel.
Het eerste lid is eveneens van toepassing op inbreuken die gebeuren op volle zee en het schip zich vrijwillig in een Belgische haven of offshore-terminal bevindt, rekening houden met de geldende internationale voorschriften.]1
Rekening houdend met de internationale voorschriften wordt bestraft met een sanctie van niveau 5 eenieder die, [2 internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart]2 overtreedt. Indien voor deze inbreuken een specifieke sanctie is opgenomen in dit wetboek of in een andere wet, heeft deze specifieke sanctie voorrang op dit artikel.
Het eerste lid is eveneens van toepassing op inbreuken die gebeuren op volle zee en het schip zich vrijwillig in een Belgische haven of offshore-terminal bevindt, rekening houden met de geldende internationale voorschriften.]1
Art. 4.1.2.8 /2.[1 Infractions aux conventions internationales
Compte tenu des règles internationales, est puni d'une sanction de niveau 5, tout qui enfreint, [2 les traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation]2. Si une sanction spécifique est reprise dans le présent code ou dans une autre loi pour ces infractions, cette sanction spécifique prime le présent article.
L'alinéa 1er s'applique également aux infractions qui sont commises en pleine mer et lorsque le navire se trouve volontairement dans un port ou un terminal offshore belge, compte tenu des règles internationales en vigueur.]1
Compte tenu des règles internationales, est puni d'une sanction de niveau 5, tout qui enfreint, [2 les traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation]2. Si une sanction spécifique est reprise dans le présent code ou dans une autre loi pour ces infractions, cette sanction spécifique prime le présent article.
L'alinéa 1er s'applique également aux infractions qui sont commises en pleine mer et lorsque le navire se trouve volontairement dans un port ou un terminal offshore belge, compte tenu des règles internationales en vigueur.]1
Art. 4.1.2.8 /3. [1 Drugs en Alcohol
§ 1. Onderstaande sancties zijn van toepassing op:
1° Belgische zeeschepen, met uitzondering van Belgische zeeschepen die zich bevinden in de Belgische binnenwateren;
2° pleziervaartuigen die ingeschreven zijn overeenkomstig artikel 5.2.1.2., met uitzondering van pleziervaartuigen die zich bevinden in de Belgisch binnenwateren;
3° zeeschepen en pleziervaartuigen die opereren in Belgische maritieme zones;
4° zeeschepen en pleziervaartuigen die vertrekken vanuit België naar de Belgische maritieme zones;
5° zeeschepen en pleziervaartuigen die vanuit maritieme zones aankomen in België.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft
1° iedereen die vaart, een bestuurder begeleidt met het oog op scholing of actief dienst doet op een schip;
2° iedereen die op het punt staat te varen, een bestuurder te begeleiden met het oog op scholing of actief dienst te doen op een schip;
wanneer de ademanalyse een alcoholconcentratie meet van ten minste 0,22 milligram en minder dan 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,5 gram en minder dan 0,8 gram per liter bloed aangeeft.
§ 3. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft
1° iedereen die vaart, een bestuurder begeleidt met het oog op scholing of actief dienst doet op een schip;
2° iedereen die op het punt staat te varen, een bestuurder te begeleiden met het oog op scholing of actief dienst te doen op een schip;
wanneer de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet, de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,8 gram per liter bloed aangeeft, wanneer de speekselanalyse de aanwezigheid aantoont van de hieronder vermelde stoffen en waarvan het gehalte gelijk is aan of hoger is dan de hieronder vermelde gehaltes:
Stof Gehalte (ng/ml)
Delta-9-tetrahydrocannabinol (THC) 10
Amfetamine 25
Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) 25
Morfine (vrij) of 6-acetylmorfine 5
Cocaïne of Benzoylecgonine 10
Of wanneer de bloedanalyse de aanwezigheid aantoont van de hieronder vermelde stoffen en waarvan het gehalte gelijk is aan of hoger is dan de hieronder vermelde gehaltes:
Stof Gehalte (ng/ml)
Delta-9-tetrahydrocannabinol (THC) 1
Amfetamine 25
Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) 25
Morfine (vrij) of 6-acetylmorfine 10
Cocaïne of Benzoylecgonine 10
3° iedereen die geweigerd heeft zich te onderwerpen aan de ademtest of aan de ademanalyse, of, zonder wettige reden, geweigerd heeft de bloedproef te laten nemen;
4° iedereen die het brevet, vaarbevoegdheidsbewijs of het als zodanig geldend bewijs waarvan die houder is, niet heeft afgegeven, of het schip heeft bestuurd, een bestuurder begeleidt met het oog op scholing of actief dienst doet op een schip wanneer dit verboden is.
§ 4. De personen die door de Koning zijn belast met het toezicht kunnen het brevet, vaarbevoegdheidsbewijs of het als zodanig geldend bewijs waarvan de betrokkene houder is inhouden overeenkomstig de door de Koning bepaalde duur waarvoor het verboden is om het schip te besturen, een bestuurder te begeleiden met het oog op scholing of actief dienst te doen op een schip. De Koning bepaalt de wijze waarop de vaststellingen moeten gebeuren.
§ 5. De voorgaande sancties kunnen worden aangevuld met het verval van het recht tot besturen, het recht om een bestuurder te begeleiden met het oog op scholing of het recht om actief dienst te doen op een schip voor een duur van een maand en ten hoogste vijf jaar of levenslang. Het brevet, vaarbevoegdheidsbewijs of het als zodanig geldend bewijs waarvan de betrokkene houder is, moet gedurende die periode worden afgegeven bij de scheepvaartpolitie.
De voorgaande sancties kunnen worden aangevuld met de vereiste dat er een medisch certificaat wordt voorgelegd om de geschiktheid aan te tonen om een schip te besturen, een persoon te begeleiden met het oog op scholing of actief dienst te doen op een schip.
§ 6. Het verval van het recht tot besturen, het recht om een bestuurder te begeleiden met het oog op scholing of het recht om actief dienst te doen op een schip wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid wordt opgelegd als de schuldige lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden om een vaartuig te besturen naar aanleiding van een veroordeling wegens overtreding van dit artikel.
De duur van het verval van het recht tot sturen is afhankelijk van het bewijs dat de betrokkene niet meer ongeschikt is om een schip te besturen.
§ 7. Behalve dan bij samenloop wordt er voor bovenstaande inbreuken geen gevangenisstraf opgelegd.]1
§ 1. Onderstaande sancties zijn van toepassing op:
1° Belgische zeeschepen, met uitzondering van Belgische zeeschepen die zich bevinden in de Belgische binnenwateren;
2° pleziervaartuigen die ingeschreven zijn overeenkomstig artikel 5.2.1.2., met uitzondering van pleziervaartuigen die zich bevinden in de Belgisch binnenwateren;
3° zeeschepen en pleziervaartuigen die opereren in Belgische maritieme zones;
4° zeeschepen en pleziervaartuigen die vertrekken vanuit België naar de Belgische maritieme zones;
5° zeeschepen en pleziervaartuigen die vanuit maritieme zones aankomen in België.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft
1° iedereen die vaart, een bestuurder begeleidt met het oog op scholing of actief dienst doet op een schip;
2° iedereen die op het punt staat te varen, een bestuurder te begeleiden met het oog op scholing of actief dienst te doen op een schip;
wanneer de ademanalyse een alcoholconcentratie meet van ten minste 0,22 milligram en minder dan 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,5 gram en minder dan 0,8 gram per liter bloed aangeeft.
§ 3. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft
1° iedereen die vaart, een bestuurder begeleidt met het oog op scholing of actief dienst doet op een schip;
2° iedereen die op het punt staat te varen, een bestuurder te begeleiden met het oog op scholing of actief dienst te doen op een schip;
wanneer de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet, de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,8 gram per liter bloed aangeeft, wanneer de speekselanalyse de aanwezigheid aantoont van de hieronder vermelde stoffen en waarvan het gehalte gelijk is aan of hoger is dan de hieronder vermelde gehaltes:
Stof Gehalte (ng/ml)
Delta-9-tetrahydrocannabinol (THC) 10
Amfetamine 25
Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) 25
Morfine (vrij) of 6-acetylmorfine 5
Cocaïne of Benzoylecgonine 10
Of wanneer de bloedanalyse de aanwezigheid aantoont van de hieronder vermelde stoffen en waarvan het gehalte gelijk is aan of hoger is dan de hieronder vermelde gehaltes:
Stof Gehalte (ng/ml)
Delta-9-tetrahydrocannabinol (THC) 1
Amfetamine 25
Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) 25
Morfine (vrij) of 6-acetylmorfine 10
Cocaïne of Benzoylecgonine 10
3° iedereen die geweigerd heeft zich te onderwerpen aan de ademtest of aan de ademanalyse, of, zonder wettige reden, geweigerd heeft de bloedproef te laten nemen;
4° iedereen die het brevet, vaarbevoegdheidsbewijs of het als zodanig geldend bewijs waarvan die houder is, niet heeft afgegeven, of het schip heeft bestuurd, een bestuurder begeleidt met het oog op scholing of actief dienst doet op een schip wanneer dit verboden is.
§ 4. De personen die door de Koning zijn belast met het toezicht kunnen het brevet, vaarbevoegdheidsbewijs of het als zodanig geldend bewijs waarvan de betrokkene houder is inhouden overeenkomstig de door de Koning bepaalde duur waarvoor het verboden is om het schip te besturen, een bestuurder te begeleiden met het oog op scholing of actief dienst te doen op een schip. De Koning bepaalt de wijze waarop de vaststellingen moeten gebeuren.
§ 5. De voorgaande sancties kunnen worden aangevuld met het verval van het recht tot besturen, het recht om een bestuurder te begeleiden met het oog op scholing of het recht om actief dienst te doen op een schip voor een duur van een maand en ten hoogste vijf jaar of levenslang. Het brevet, vaarbevoegdheidsbewijs of het als zodanig geldend bewijs waarvan de betrokkene houder is, moet gedurende die periode worden afgegeven bij de scheepvaartpolitie.
De voorgaande sancties kunnen worden aangevuld met de vereiste dat er een medisch certificaat wordt voorgelegd om de geschiktheid aan te tonen om een schip te besturen, een persoon te begeleiden met het oog op scholing of actief dienst te doen op een schip.
§ 6. Het verval van het recht tot besturen, het recht om een bestuurder te begeleiden met het oog op scholing of het recht om actief dienst te doen op een schip wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid wordt opgelegd als de schuldige lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden om een vaartuig te besturen naar aanleiding van een veroordeling wegens overtreding van dit artikel.
De duur van het verval van het recht tot sturen is afhankelijk van het bewijs dat de betrokkene niet meer ongeschikt is om een schip te besturen.
§ 7. Behalve dan bij samenloop wordt er voor bovenstaande inbreuken geen gevangenisstraf opgelegd.]1
Art. 4.1.2.8 /3. [1 Drogues et Alcool
§ 1er. Les sanctions suivantes sont applicables:
1° aux navires de mer belges, à l'exception des navires de mer belges qui se trouvent dans les eaux intérieures belges;
2° aux navires de plaisance inscrits conformément à l'article 5.2.1.2., à l'exception des navires de plaisance qui se trouvent dans les eaux intérieures belges;
3 ° aux navires de mer et aux navires de plaisance opérant dans les zones maritimes belges;
4° aux navires de mer et aux navires de plaisance quittant la Belgique vers les zones mari-times belges;
5° aux navires de mer et aux navires de plaisance arrivant en Belgique depuis des zones maritimes.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2:
1° quiconque navigue, accompagne un conducteur en vue de l'apprentissage ou est en service actif sur un navire;
2° quiconque sur le point de naviguer, d'accompagner un conducteur en vue de l'apprentissage ou d'être en service actif sur un navire;
lorsque l'analyse de l'haleine détecte une concentration d'alcool d'au moins 0,22 milli-gramme et inférieure à 0,35 milligramme par litre d'air alvéolaire expiré ou que l'analyse sanguine révèle une concentration d'alcool d'au moins 0,5 gramme et inférieure à 0,8 gramme par litre de sang.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 3:
1° quiconque navigue, accompagne un conducteur en vue de l'apprentissage ou est en service actif sur un navire;
2° quiconque sur le point de naviguer, d'accompagner un conducteur en vue de l'apprentissage ou d'être en service actif sur un navire;
lorsque l'analyse de l'haleine mesure une concentration d'alcool d'au moins 0,35 milli-gramme par litre d'air alvéolaire expiré, que l'analyse sanguine révèle une concentration d'alcool d'au moins 0,8 gramme par litre de sang, lorsque l'analyse de salive démontre la présence des substances reprises ci-dessous et dont le taux est égal ou supérieur à celui fixé ci-dessous:
Substance Taux (ng/ml)
Delta-9-tétrahydrocannabinol (THC) 10
Amphétamine 25
Méthylènedioxyméthylamphétamine (MDMA) 25
Morphine (libre) ou 6-acétylmorphine 5
Cocaïne ou Benzoylecgonine 10
Ou lorsque l'analyse sanguine démontre la présence des substances reprises ci-dessous et dont le taux est égal ou supérieur à celui fixé ci-dessous:
Substance Taux (ng/ml)
Delta-9-tétrahydrocannabinol (THC) 1
Amphétamine 25
Méthylènedioxyméthylamphétamine (MDMA) 25
Morphine (libre) ou 6-acétylmorphine 10
Cocaïne ou Benzoylecgonine 10
3° quiconque a refusé de se soumettre au test de l'haleine ou à l'analyse de l'haleine, ou, sans motif légitime, a refusé de se soumettre au prélèvement sanguin;
4° quiconque a omis de remettre le brevet, le brevet d'aptitude pour la conduite d'un navire ou toute autre qualification équivalente qu'il détient, ou a conduit le navire, accompagné un conducteur en vue de l'apprentissage ou effectué un service actif sur un navire lorsque cela est interdit.
§ 4. Les personnes chargées de la surveillance par le Roi peuvent retirer le brevet, le brevet d'aptitude pour la conduite d'un navire ou toute autre qualification équivalente détenu par l'intéressé conformément à la durée déterminée par le Roi pour laquelle il est interdit de conduire le navire, d'accompagner un conducteur en vue de l'apprentissage ou d'effectuer un service actif sur un navire. Le Roi détermine la manière dont les constatations doivent être faites.
§ 5. Les sanctions précédentes peuvent être complétées par la déchéance du droit de conduire, du droit d'accompagner un conducteur en vue de l'apprentissage ou du droit d'effectuer un service actif sur un navire pour une durée d'un mois à maximum 5 ans ou à perpétuité. Le brevet, le brevet d'aptitude pour la conduite d'un navire ou toute autre quali-fication équivalente détenu par l'intéressé doit être remis pendant cette période à la police de la navigation.
Les sanctions précédentes peuvent être complétées par l'obligation de produire un certifi-cat médical attestant l'aptitude à conduire un navire, à accompagner un conducteur en vue de l'apprentissage ou à effectuer un service actif sur un navire.
§ 6. La déchéance du droit de conduire, du droit d'accompagner un conducteur en vue de l'apprentissage ou du droit d'effectuer un service actif sur un navire pour incapacité phy-sique ou mentale est imposée si le coupable est physiquement ou mentalement inapte à conduire un navire à la suite d'une condamnation pour une infraction au présent article.
La durée de la déchéance du droit de conduire dépend de la preuve que l'intéressé n'est plus inapte à conduire un navire.
§ 7. Aucune peine d'emprisonnement n'est imposée pour les infractions susmentionnées, sauf en cas de concours d'infractions.]1
§ 1er. Les sanctions suivantes sont applicables:
1° aux navires de mer belges, à l'exception des navires de mer belges qui se trouvent dans les eaux intérieures belges;
2° aux navires de plaisance inscrits conformément à l'article 5.2.1.2., à l'exception des navires de plaisance qui se trouvent dans les eaux intérieures belges;
3 ° aux navires de mer et aux navires de plaisance opérant dans les zones maritimes belges;
4° aux navires de mer et aux navires de plaisance quittant la Belgique vers les zones mari-times belges;
5° aux navires de mer et aux navires de plaisance arrivant en Belgique depuis des zones maritimes.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2:
1° quiconque navigue, accompagne un conducteur en vue de l'apprentissage ou est en service actif sur un navire;
2° quiconque sur le point de naviguer, d'accompagner un conducteur en vue de l'apprentissage ou d'être en service actif sur un navire;
lorsque l'analyse de l'haleine détecte une concentration d'alcool d'au moins 0,22 milli-gramme et inférieure à 0,35 milligramme par litre d'air alvéolaire expiré ou que l'analyse sanguine révèle une concentration d'alcool d'au moins 0,5 gramme et inférieure à 0,8 gramme par litre de sang.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 3:
1° quiconque navigue, accompagne un conducteur en vue de l'apprentissage ou est en service actif sur un navire;
2° quiconque sur le point de naviguer, d'accompagner un conducteur en vue de l'apprentissage ou d'être en service actif sur un navire;
lorsque l'analyse de l'haleine mesure une concentration d'alcool d'au moins 0,35 milli-gramme par litre d'air alvéolaire expiré, que l'analyse sanguine révèle une concentration d'alcool d'au moins 0,8 gramme par litre de sang, lorsque l'analyse de salive démontre la présence des substances reprises ci-dessous et dont le taux est égal ou supérieur à celui fixé ci-dessous:
Substance Taux (ng/ml)
Delta-9-tétrahydrocannabinol (THC) 10
Amphétamine 25
Méthylènedioxyméthylamphétamine (MDMA) 25
Morphine (libre) ou 6-acétylmorphine 5
Cocaïne ou Benzoylecgonine 10
Ou lorsque l'analyse sanguine démontre la présence des substances reprises ci-dessous et dont le taux est égal ou supérieur à celui fixé ci-dessous:
Substance Taux (ng/ml)
Delta-9-tétrahydrocannabinol (THC) 1
Amphétamine 25
Méthylènedioxyméthylamphétamine (MDMA) 25
Morphine (libre) ou 6-acétylmorphine 10
Cocaïne ou Benzoylecgonine 10
3° quiconque a refusé de se soumettre au test de l'haleine ou à l'analyse de l'haleine, ou, sans motif légitime, a refusé de se soumettre au prélèvement sanguin;
4° quiconque a omis de remettre le brevet, le brevet d'aptitude pour la conduite d'un navire ou toute autre qualification équivalente qu'il détient, ou a conduit le navire, accompagné un conducteur en vue de l'apprentissage ou effectué un service actif sur un navire lorsque cela est interdit.
§ 4. Les personnes chargées de la surveillance par le Roi peuvent retirer le brevet, le brevet d'aptitude pour la conduite d'un navire ou toute autre qualification équivalente détenu par l'intéressé conformément à la durée déterminée par le Roi pour laquelle il est interdit de conduire le navire, d'accompagner un conducteur en vue de l'apprentissage ou d'effectuer un service actif sur un navire. Le Roi détermine la manière dont les constatations doivent être faites.
§ 5. Les sanctions précédentes peuvent être complétées par la déchéance du droit de conduire, du droit d'accompagner un conducteur en vue de l'apprentissage ou du droit d'effectuer un service actif sur un navire pour une durée d'un mois à maximum 5 ans ou à perpétuité. Le brevet, le brevet d'aptitude pour la conduite d'un navire ou toute autre quali-fication équivalente détenu par l'intéressé doit être remis pendant cette période à la police de la navigation.
Les sanctions précédentes peuvent être complétées par l'obligation de produire un certifi-cat médical attestant l'aptitude à conduire un navire, à accompagner un conducteur en vue de l'apprentissage ou à effectuer un service actif sur un navire.
§ 6. La déchéance du droit de conduire, du droit d'accompagner un conducteur en vue de l'apprentissage ou du droit d'effectuer un service actif sur un navire pour incapacité phy-sique ou mentale est imposée si le coupable est physiquement ou mentalement inapte à conduire un navire à la suite d'une condamnation pour une infraction au présent article.
La durée de la déchéance du droit de conduire dépend de la preuve que l'intéressé n'est plus inapte à conduire un navire.
§ 7. Aucune peine d'emprisonnement n'est imposée pour les infractions susmentionnées, sauf en cas de concours d'infractions.]1
Onderafdeling 2. - Reders
Sous-Section 2. - Armateurs
Art. 4.1.2.9. Inbreuk op de artikel en 2.3.2.4 of 4.2.1.29
Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.3.2.4 of het verwijderingsbevel bedoeld in artikel 4.2.1.29 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.3.2.4 of het verwijderingsbevel bedoeld in artikel 4.2.1.29 overtreedt.
Art. 4.1.2.9. Infraction à l'article 2.3.2.4 ou 4.2.1.29
Est puni d'une sanction de niveau 5 quiconque enfreint l'article 2.3.2.4 ou la décision d'expulsion visé à l'article 4.2.1.29.
Est puni d'une sanction de niveau 5 quiconque enfreint l'article 2.3.2.4 ou la décision d'expulsion visé à l'article 4.2.1.29.
Art. 4.1.2.10. Inbreuk op de artikel en 2.3.2.6 tot 2.3.2.17
Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft, eenieder die een [1 zeeschip]1 exploiteert zonder dat alle door het BUNKER-Verdrag, het CLC-Verdrag, het WRC-Verdrag of de artikel en 2.3.2.6 tot 2.3.2.17 van dit wetboek voorgeschreven geldige certificaten aan boord zijn of in overeenstemming met artikel 2.3.2.14, § 4 in een elektronisch register beschikbaar zijn; er wordt echter geen opsluiting of gevangenisstraf opgelegd.
Het eerste lid is van toepassing op :
1° Belgische [1 zeeschepen]1, ongeacht de plaats waar de inbreuk is gepleegd;
2° vreemde [1 zeeschepen]1, ingeval het [1 zeeschip]1 een haven op het Belgisch grondgebied of een buitengaatse in de territoriale zee gelegen installatie aanloopt, zal aanlopen of verlaat.
Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft, eenieder die een [1 zeeschip]1 exploiteert zonder dat alle door het BUNKER-Verdrag, het CLC-Verdrag, het WRC-Verdrag of de artikel en 2.3.2.6 tot 2.3.2.17 van dit wetboek voorgeschreven geldige certificaten aan boord zijn of in overeenstemming met artikel 2.3.2.14, § 4 in een elektronisch register beschikbaar zijn; er wordt echter geen opsluiting of gevangenisstraf opgelegd.
Het eerste lid is van toepassing op :
1° Belgische [1 zeeschepen]1, ongeacht de plaats waar de inbreuk is gepleegd;
2° vreemde [1 zeeschepen]1, ingeval het [1 zeeschip]1 een haven op het Belgisch grondgebied of een buitengaatse in de territoriale zee gelegen installatie aanloopt, zal aanlopen of verlaat.
Art. 4.1.2.10. Infraction aux articles 2.3.2.6 à 2.3.2.17
Est puni d'une sanction de niveau 5 quiconque exploite un [1 navire de mer]1 sans que tous les certificats valables prescrits par la Convention BUNKER, la Convention CLC, la Convention WRC ou les articles 2.3.2.6 à 2.3.2.17 du présent code soient à bord ou soient disponibles dans un registre électronique conformément à l'article 2.3.2.14, § 4; aucune réclusion ou peine d'emprisonnement n'est cependant imposée.
L'alinéa 1er est d'application :
1° aux [1 navires de mer]1 belges, indépendamment de l'endroit où est commise l'infraction;
2° aux [1 navires de mer]1 étrangers, si le [1 navire de mer]1 touche, touchera ou quitte un port du territoire belge ou une installation au large située dans la mer territoriale.
Est puni d'une sanction de niveau 5 quiconque exploite un [1 navire de mer]1 sans que tous les certificats valables prescrits par la Convention BUNKER, la Convention CLC, la Convention WRC ou les articles 2.3.2.6 à 2.3.2.17 du présent code soient à bord ou soient disponibles dans un registre électronique conformément à l'article 2.3.2.14, § 4; aucune réclusion ou peine d'emprisonnement n'est cependant imposée.
L'alinéa 1er est d'application :
1° aux [1 navires de mer]1 belges, indépendamment de l'endroit où est commise l'infraction;
2° aux [1 navires de mer]1 étrangers, si le [1 navire de mer]1 touche, touchera ou quitte un port du territoire belge ou une installation au large située dans la mer territoriale.
Wijzigingen
Art. 4.1.2.11. Inbreuk op de artikel en 2.3.2.19 tot 2.3.2.28
Met een sanctie van niveau 7 wordt bestraft :
1° eenieder die een [1 zeeschip]1 exploiteert zonder dat alle door het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening, de artikel en 2.3.2.19 tot 2.3.2.28 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten voorgeschreven geldige certificaten aan boord zijn of in overeenstemming met artikel 2.3.2.26, § 3 in een elektronisch register beschikbaar zijn;
2° eenieder die een [1 zeeschip]1 exploiteert zonder de door het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening, de artikel en 2.3.2.19 tot 2.3.2.28 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten voorgeschreven verzekering of andere financiële zekerheid.
Het eerste lid is van toepassing op :
1° Belgische [1 zeeschepen]1, ongeacht de plaats waar de inbreuk is gepleegd;
2° vreemde [1 zeeschepen]1, ingeval het [1 zeeschip]1 een haven op het Belgisch grondgebied aanloopt, zal aanlopen of verlaat.
Met een sanctie van niveau 7 wordt bestraft :
1° eenieder die een [1 zeeschip]1 exploiteert zonder dat alle door het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening, de artikel en 2.3.2.19 tot 2.3.2.28 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten voorgeschreven geldige certificaten aan boord zijn of in overeenstemming met artikel 2.3.2.26, § 3 in een elektronisch register beschikbaar zijn;
2° eenieder die een [1 zeeschip]1 exploiteert zonder de door het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening, de artikel en 2.3.2.19 tot 2.3.2.28 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten voorgeschreven verzekering of andere financiële zekerheid.
Het eerste lid is van toepassing op :
1° Belgische [1 zeeschepen]1, ongeacht de plaats waar de inbreuk is gepleegd;
2° vreemde [1 zeeschepen]1, ingeval het [1 zeeschip]1 een haven op het Belgisch grondgebied aanloopt, zal aanlopen of verlaat.
Art. 4.1.2.11. Infraction aux articles 2.3.2.19 à 2.3.2.28
Est puni d'une sanction de niveau 7 :
1° quiconque exploite un [1 navire de mer]1 sans que tous les certificats valables prescrits par la Convention PAL, le Règlement PAL, les articles 2.3.2.19 à 2.3.2.28 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents soient à bord ou soient disponibles dans un registre électronique conformément à l'article 2.3.2.26, § 3.
2° quiconque exploite un [1 navire de mer]1 sans disposer de l'assurance ou de toute autre sûreté financière prescrite par la Convention PAL, le Règlement PAL, les articles 2.3.2.19 à 2.3.2.28 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents.
L'alinéa 1er est d'application :
1° aux [1 navires de mer]1 belges, indépendamment de l'endroit où est commise l'infraction;
2° aux [1 navires de mer]1 étrangers, si le [1 navire de mer]1 touche, touchera ou quitte un port du territoire belge.
Est puni d'une sanction de niveau 7 :
1° quiconque exploite un [1 navire de mer]1 sans que tous les certificats valables prescrits par la Convention PAL, le Règlement PAL, les articles 2.3.2.19 à 2.3.2.28 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents soient à bord ou soient disponibles dans un registre électronique conformément à l'article 2.3.2.26, § 3.
2° quiconque exploite un [1 navire de mer]1 sans disposer de l'assurance ou de toute autre sûreté financière prescrite par la Convention PAL, le Règlement PAL, les articles 2.3.2.19 à 2.3.2.28 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents.
L'alinéa 1er est d'application :
1° aux [1 navires de mer]1 belges, indépendamment de l'endroit où est commise l'infraction;
2° aux [1 navires de mer]1 étrangers, si le [1 navire de mer]1 touche, touchera ou quitte un port du territoire belge.
Wijzigingen
Onderafdeling 3. - Opvarenden
Sous-Section 3. - Personnes embarquées
Art. 4.1.2.12. Inbreuk op de artikel en 2.4.3.1 tot 2.4.3.6.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de scheepseigenaar of exploitant die een maritieme veiligheidsonderneming inzet zonder aan de voorwaarden van artikel 2.4.3.3. en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten te voldoen.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de scheepseigenaar of exploitant die een inbreuk op de meldingsplicht heeft begaan bedoeld in artikel 2.4.3.4 of de schriftelijke overeenkomst in artikel 2.4.3.5 niet heeft gesloten.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de scheepseigenaar of exploitant die een maritieme veiligheidsonderneming inzet zonder aan de voorwaarden van artikel 2.4.3.3. en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten te voldoen.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de scheepseigenaar of exploitant die een inbreuk op de meldingsplicht heeft begaan bedoeld in artikel 2.4.3.4 of de schriftelijke overeenkomst in artikel 2.4.3.5 niet heeft gesloten.
Art. 4.1.2.12. Inbreuk op de artikelen 2.4.3.1 tot 2.4.3.6.
Le propriétaire ou exploitant du navire qui active une société de sécurité maritime sans remplir les conditions prévues à l'article 2.4.3.3. et ses arrêtés d'exécution, est sanctionné par une sanction du niveau 4.
Le propriétaire ou exploitant du navire qui a commis une infraction sur l'obligation de déclaration prévue à l'article 2.4.3.4. ou qui n'a pas conclu l'accord écrit dans l'article 2.4.3.5, est sanctionné par une sanction du niveau 2.
Le propriétaire ou exploitant du navire qui active une société de sécurité maritime sans remplir les conditions prévues à l'article 2.4.3.3. et ses arrêtés d'exécution, est sanctionné par une sanction du niveau 4.
Le propriétaire ou exploitant du navire qui a commis une infraction sur l'obligation de déclaration prévue à l'article 2.4.3.4. ou qui n'a pas conclu l'accord écrit dans l'article 2.4.3.5, est sanctionné par une sanction du niveau 2.
Art. 4.1.2.13. Inbreuk op de artikel en 2.4.4.1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die de bepalingen van artikel 2.4.4.1. overtreedt.
In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde misdrijven niet worden bestraft met een administratieve geldboete.
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die de bepalingen van artikel 2.4.4.1. overtreedt.
In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde misdrijven niet worden bestraft met een administratieve geldboete.
Art. 4.1.2.13. Infraction à l'article 2.4.4.1
Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque enfreint l'article 2.4.4.1.
Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article ne peuvent pas être punies d'une amende administrative.
Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque enfreint l'article 2.4.4.1.
Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article ne peuvent pas être punies d'une amende administrative.
Art. 4.1.2.14. Inbreuk op de artikel en 2.4.4.2 en 2.4.4.3
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die de bepalingen van artikel 2.4.4.2 of 2.4.4.3 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die de bepalingen van artikel 2.4.4.2 of 2.4.4.3 overtreedt.
Art. 4.1.2.14. Infraction aux articles 2.4.4.2 à 2.4.4.3
Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint les articles 2.4.4.2 ou 2.4.4.3.
Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint les articles 2.4.4.2 ou 2.4.4.3.
Art. 4.1.2.15. Herhaalde inbreuk op artikel 2.4.5.3
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de schepeling die zich tijdens éénzelfde reis schuldig maakt aan herhaalde scheepvaarttuchtvergrijpen als bepaald in artikel 2.4.5.3.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de schepeling die zich tijdens éénzelfde reis schuldig maakt aan herhaalde scheepvaarttuchtvergrijpen als bepaald in artikel 2.4.5.3.
Art. 4.1.2.15. Infraction répétée à l'article 2.4.5.3
Est puni d'une sanction de niveau 2 tout homme de l'équipage qui, durant un même voyage, commet à plusieurs reprises des fautes de discipline de maritimes telles que visées à l'article 2.4.5.3.
Est puni d'une sanction de niveau 2 tout homme de l'équipage qui, durant un même voyage, commet à plusieurs reprises des fautes de discipline de maritimes telles que visées à l'article 2.4.5.3.
Art. 4.1.2.17. Inbreuk op artikel 2.4.5.5
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.5 overtreedt.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die de in paragraaf 1 genoemde inbreuk begaat indien door die handelingen aan boord brand is ontstaan.
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.5 overtreedt.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die de in paragraaf 1 genoemde inbreuk begaat indien door die handelingen aan boord brand is ontstaan.
Art. 4.1.2.17. Infraction à l'article 2.4.5.5
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint l'article 2.4.5.5.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque commet l'infraction mentionnée au paragraphe 1er si les faits ont eu pour conséquence un incendie à bord.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint l'article 2.4.5.5.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque commet l'infraction mentionnée au paragraphe 1er si les faits ont eu pour conséquence un incendie à bord.
Art. 4.1.2.18. Inbreuk op de artikel en 2.4.5.6 of 2.4.5.7
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die de artikel en 2.4.5.6 of 2.4.5.7 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die de artikel en 2.4.5.6 of 2.4.5.7 overtreedt.
Art. 4.1.2.18. Infraction à l'article 2.4.5.6 ou 2.4.5.7
Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque enfreint l'article 2.4.5.6 ou 2.4.5.7.
Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque enfreint l'article 2.4.5.6 ou 2.4.5.7.
Art. 4.1.2.19. Inbreuk op artikel 2.4.5.8
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.8 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.8 overtreedt.
Art. 4.1.2.19. Infraction à l'article 2.4.5.8
Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint l'article 2.4.5.8.
Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint l'article 2.4.5.8.
Art. 4.1.2.20. Inbreuk op artikel 2.4.5.9
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.9 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.9 overtreedt.
Art. 4.1.2.20. Infraction à l'article 2.4.5.9
Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.9.
Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.9.
Art. 4.1.2.21. Inbreuk op artikel 2.4.5.10
Met de straffen bepaald in hoofdstuk I van titel IX van boek II van het Strafwetboek wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.10 overtreedt. Ingeval het misdrijf wordt gepleegd door de gezagvoerder of door een schepeling, mogen die straffen echter niet lager zijn dan die voor huisdiefstal.
Met de straffen bepaald in hoofdstuk I van titel IX van boek II van het Strafwetboek wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.10 overtreedt. Ingeval het misdrijf wordt gepleegd door de gezagvoerder of door een schepeling, mogen die straffen echter niet lager zijn dan die voor huisdiefstal.
Art. 4.1.2.21. Infraction à l'article 2.4.5.10
Est puni des sanctions déterminées dans chapitre I du titre IX du livre II du Code pénal quiconque enfreint l'article 2.4.5.10. Si le délit est commis par le commandant ou par un homme d'équipage, ces peines ne peuvent toutefois pas être inférieures à celles prévues pour les vols domestiques.
Est puni des sanctions déterminées dans chapitre I du titre IX du livre II du Code pénal quiconque enfreint l'article 2.4.5.10. Si le délit est commis par le commandant ou par un homme d'équipage, ces peines ne peuvent toutefois pas être inférieures à celles prévues pour les vols domestiques.
Art. 4.1.2.22. Inbreuk op artikel 2.4.5.11
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.11 overtreedt door vermenging van de levensmiddelen met niet schadelijke stoffen.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.11 overtreedt door middel van schadelijke stoffen.
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.11 overtreedt door vermenging van de levensmiddelen met niet schadelijke stoffen.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.11 overtreedt door middel van schadelijke stoffen.
Art. 4.1.2.22. Infraction à l'article 2.4.5.11
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque enfreint l'article 2.4.5.11 en mélangeant des vivres à des matières non nocives.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.11 à l'aide de matières nocives.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque enfreint l'article 2.4.5.11 en mélangeant des vivres à des matières non nocives.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.11 à l'aide de matières nocives.
Art. 4.1.2.23. Inbreuk op artikel 2.4.5.12, § 1 of 2
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.12, § 1 of 2 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.12, § 1 of 2 overtreedt.
Art. 4.1.2.23. Infraction à l'article 2.4.5.12, § 1er ou 2
Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint l'article 2.4.5.12, § 1er ou 2.
Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint l'article 2.4.5.12, § 1er ou 2.
Art. 4.1.2.24. Inbreuk op artikel 2.4.5.12, § 3
Onverminderd de artikel en 66 en 67 van het Strafwetboek wordt met een sanctie van niveau 2 bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.12, § 3 overtreedt.
Onverminderd de artikel en 66 en 67 van het Strafwetboek wordt met een sanctie van niveau 2 bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.12, § 3 overtreedt.
Art. 4.1.2.24. Infraction à l'article 2.4.5.12, § 3
Sans préjudice des articles 66 et 67, du Code pénal, est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint l'article 2.4.5.12, § 3.
Sans préjudice des articles 66 et 67, du Code pénal, est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint l'article 2.4.5.12, § 3.
Art. 4.1.2.25. Inbreuk op artikel 2.4.5.13
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.13 overtreedt terwijl het schip veilig in een haven ligt.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.13 overtreedt terwijl het schip op een open rede ligt of in zee is. In het laatste geval wordt de minimumstraf verdubbeld.
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.13 overtreedt terwijl het schip veilig in een haven ligt.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.13 overtreedt terwijl het schip op een open rede ligt of in zee is. In het laatste geval wordt de minimumstraf verdubbeld.
Art. 4.1.2.25. Infraction à l'article 2.4.5.13
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque enfreint l'article 2.4.5.13 lorsque le navire est à l'abri dans un port.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.13 lorsque le navire est en rade foraine ou en mer. Dans ce dernier cas, la peine minimale sera doublée.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque enfreint l'article 2.4.5.13 lorsque le navire est à l'abri dans un port.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.13 lorsque le navire est en rade foraine ou en mer. Dans ce dernier cas, la peine minimale sera doublée.
Art. 4.1.2.26. Inbreuk op artikel 2.4.5.14
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.14 overtreedt.
Ingeval de inbreuk door schepelingen gezamenlijk wordt begaan, wordt de minimumstraf verdubbeld. Ingeval het officieren zijn, worden zij bestraft met een sanctie van niveau 5.
Geen straf wordt echter uitgesproken tegen hen die aan de feiten deelnemen, zonder daartoe te hebben opgeruid of de leiding te hebben genomen, en zich verwijderen op de eerste waarschuwing van de gezagvoerder of van een officier.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.14 overtreedt.
Ingeval de inbreuk door schepelingen gezamenlijk wordt begaan, wordt de minimumstraf verdubbeld. Ingeval het officieren zijn, worden zij bestraft met een sanctie van niveau 5.
Geen straf wordt echter uitgesproken tegen hen die aan de feiten deelnemen, zonder daartoe te hebben opgeruid of de leiding te hebben genomen, en zich verwijderen op de eerste waarschuwing van de gezagvoerder of van een officier.
Art. 4.1.2.26. Infraction à l'article 2.4.5.14
Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.14.
Si l'infraction est commise conjointement par des hommes d'équipage, la peine minimale sera doublée. S'il s'agit d'officiers, ils sont punis d'une sanction de niveau 5.
Il ne sera toutefois prononcé aucune peine contre ceux qui, ayant pris part aux faits énoncés, sans les avoir fomentés ou en avoir pris la direction, se seront retirés au premier avertissement du commandant ou d'un officier.
Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.14.
Si l'infraction est commise conjointement par des hommes d'équipage, la peine minimale sera doublée. S'il s'agit d'officiers, ils sont punis d'une sanction de niveau 5.
Il ne sera toutefois prononcé aucune peine contre ceux qui, ayant pris part aux faits énoncés, sans les avoir fomentés ou en avoir pris la direction, se seront retirés au premier avertissement du commandant ou d'un officier.
Art. 4.1.2.27. Inbreuk op artikel 2.4.5.15
Met de straffen bepaald in de artikel en 271, 272 en 274 van het Strafwetboek en volgens de aldaar gemaakte onderscheidingen wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.15 overtreedt.
Wordt de inbreuk gepleegd door meer dan een derde van de bemanning, dan wordt zij bestraft met een sanctie van niveau 5.
Geen straf wordt echter uitgesproken tegen hen die aan de feiten deelnemen, zonder daartoe te hebben opgeruid of de leiding te hebben genomen, en zich verwijderen op de eerste waarschuwing van de gezagvoerder of van een officier.
Met de straffen bepaald in de artikel en 271, 272 en 274 van het Strafwetboek en volgens de aldaar gemaakte onderscheidingen wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.15 overtreedt.
Wordt de inbreuk gepleegd door meer dan een derde van de bemanning, dan wordt zij bestraft met een sanctie van niveau 5.
Geen straf wordt echter uitgesproken tegen hen die aan de feiten deelnemen, zonder daartoe te hebben opgeruid of de leiding te hebben genomen, en zich verwijderen op de eerste waarschuwing van de gezagvoerder of van een officier.
Art. 4.1.2.27. Infraction à l'article 2.4.5.15
Est puni des sanctions prévues aux articles 271, 272 et 274 du Code pénal et suivant les distinctions y établies quiconque enfreint l'article 2.4.5.15
Si l'infraction est commise par plus d'un tiers de l'équipage, elle sera punie d'une sanction de niveau 5.
Il ne sera toutefois prononcé aucune peine contre ceux qui, ayant pris part aux faits énoncés, sans les avoir fomentés ou en avoir pris la direction, se seront retirés au premier avertissement du commandant ou d'un officier.
Est puni des sanctions prévues aux articles 271, 272 et 274 du Code pénal et suivant les distinctions y établies quiconque enfreint l'article 2.4.5.15
Si l'infraction est commise par plus d'un tiers de l'équipage, elle sera punie d'une sanction de niveau 5.
Il ne sera toutefois prononcé aucune peine contre ceux qui, ayant pris part aux faits énoncés, sans les avoir fomentés ou en avoir pris la direction, se seront retirés au premier avertissement du commandant ou d'un officier.
Art. 4.1.2.28. Inbreuk op artikel 2.4.5.16
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.16 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.16 overtreedt.
Art. 4.1.2.28. Infraction à l'article 2.4.5.16
Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint l'article 2.4.5.16.
Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint l'article 2.4.5.16.
Art. 4.1.2.29. Inbreuk op artikel 2.4.5.17
Met de straffen bepaald in artikel 280 van het Strafwetboek, volgens de aldaar gemaakte onderscheidingen en onverminderd de toepassing van de artikel en 399, tweede lid, 400 en 401 van hetzelfde wetboek wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.17 overtreedt.
Met de straffen bepaald in artikel 280 van het Strafwetboek, volgens de aldaar gemaakte onderscheidingen en onverminderd de toepassing van de artikel en 399, tweede lid, 400 en 401 van hetzelfde wetboek wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.17 overtreedt.
Art. 4.1.2.29. Infraction à l'article 2.4.5.17
Est puni des sanctions prévues à l'article 280 du Code pénal, suivant les distinctions y établies et sans préjudice de l'application des articles 399, alinéa 2, 400 et 401 du même Code quiconque enfreint l'article 2.4.5.17.
Est puni des sanctions prévues à l'article 280 du Code pénal, suivant les distinctions y établies et sans préjudice de l'application des articles 399, alinéa 2, 400 et 401 du même Code quiconque enfreint l'article 2.4.5.17.
Art. 4.1.2.30. Inbreuk op artikel 2.4.5.18
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.18 overtreedt.
Geen straf wordt echter uitgesproken tegen hen die aan de feiten deelnemen, zonder daartoe te hebben opgeruid of de leiding te hebben genomen, en zich verwijderen op de eerste waarschuwing van de gezagvoerder of van een officier.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.18 overtreedt.
Geen straf wordt echter uitgesproken tegen hen die aan de feiten deelnemen, zonder daartoe te hebben opgeruid of de leiding te hebben genomen, en zich verwijderen op de eerste waarschuwing van de gezagvoerder of van een officier.
Art. 4.1.2.30. Infraction à l'article 2.4.5.18
Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.18.
Il ne sera toutefois prononcé aucune peine contre ceux qui, ayant pris part aux faits énoncés, sans les avoir fomentés ou en avoir pris la direction, se seront retirés au premier avertissement du commandant ou d'un officier.
Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.18.
Il ne sera toutefois prononcé aucune peine contre ceux qui, ayant pris part aux faits énoncés, sans les avoir fomentés ou en avoir pris la direction, se seront retirés au premier avertissement du commandant ou d'un officier.
Art. 4.1.2.31. Inbreuk op artikel 2.4.5.19
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° eenieder die artikel 2.4.5.19, § 1 overtreedt;
2° eenieder die artikel 2.4.5.19, § 2 overtreedt.
§ 2. Met de in de artikel en 257 en 266 van het Strafwetboek bepaalde straffen wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.19, § 3 overtreedt.
§ 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° eenieder die artikel 2.4.5.19, § 1 overtreedt;
2° eenieder die artikel 2.4.5.19, § 2 overtreedt.
§ 2. Met de in de artikel en 257 en 266 van het Strafwetboek bepaalde straffen wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.19, § 3 overtreedt.
Art. 4.1.2.31. Infraction à l'article 2.4.5.19
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° quiconque enfreint l'article 2.4.5.19, § 1er;
2° quiconque enfreint l'article 2.4.5.19, § 2.
§ 2. Est puni des sanctions prévues aux articles 257 et 266 du Code pénal quiconque enfreint l'article 2.4.5.19, § 3.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° quiconque enfreint l'article 2.4.5.19, § 1er;
2° quiconque enfreint l'article 2.4.5.19, § 2.
§ 2. Est puni des sanctions prévues aux articles 257 et 266 du Code pénal quiconque enfreint l'article 2.4.5.19, § 3.
Art. 4.1.2.32. Inbreuk op artikel 2.4.5.20
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.20 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.20 overtreedt.
Art. 4.1.2.32. Infraction à l'article 2.4.5.20
Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint l'article 2.4.5.20.
Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint l'article 2.4.5.20.
Art. 4.1.2.33. Inbreuk op artikel 2.4.5.21
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.21 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.21 overtreedt.
Art. 4.1.2.33. Infraction à l'article 2.4.5.21
Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint l'article 2.4.5.21.
Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint l'article 2.4.5.21.
Art. 4.1.2.34. Inbreuk op artikel 2.4.5.22, § 1
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.22, § 1 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.22, § 1 overtreedt.
Art. 4.1.2.34. Infraction à l'article 2.4.5.22, § 1er
Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint l'article 2.4.5.22, § 1er.
Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint l'article 2.4.5.22, § 1er.
Art. 4.1.2.35. Inbreuk op artikel 2.4.5.22, § 2 of 3
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° eenieder die artikel 2.4.5.22, § 2 overtreedt;
2° eenieder die artikel 2.4.5.22, § 3 overtreedt.
§ 2. Maakt de schuldige bedoeld in paragraaf 1 deel uit van de bemanning van een Belgisch schip, dan bedraagt het minimale bedrag van de strafrechtelijke of administratieve geldboete 500 euro.
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° eenieder die artikel 2.4.5.22, § 2 overtreedt;
2° eenieder die artikel 2.4.5.22, § 3 overtreedt.
§ 2. Maakt de schuldige bedoeld in paragraaf 1 deel uit van de bemanning van een Belgisch schip, dan bedraagt het minimale bedrag van de strafrechtelijke of administratieve geldboete 500 euro.
Art. 4.1.2.35. Infraction à l'article 2.4.5.22, § 2 ou 3
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° quiconque enfreint l'article 2.4.5.22, § 2er;
2° quiconque enfreint l'article 2.4.5.22, § 3.
§ 2. Si le coupable visé au paragraphe 1er fait partie de l'équipage d'un navire belge, le minimum de l'amende pénal ou administrative sera 500 euros.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° quiconque enfreint l'article 2.4.5.22, § 2er;
2° quiconque enfreint l'article 2.4.5.22, § 3.
§ 2. Si le coupable visé au paragraphe 1er fait partie de l'équipage d'un navire belge, le minimum de l'amende pénal ou administrative sera 500 euros.
Art. 4.1.2.36. Inbreuk op artikel 2.4.5.23
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.23 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.23 overtreedt.
Art. 4.1.2.36. Infraction à l'article 2.4.5.23
Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.23.
Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.23.
Art. 4.1.2.37. Inbreuk op artikel 2.4.5.24 tot 2.4.5.27
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° eenieder die artikel 2.4.5.24 overtreedt;
2° eenieder die artikel 2.4.5.25 overtreedt;
3° eenieder die artikel 2.4.5.26 overtreedt;
4° eenieder die artikel 2.4.5.27 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° eenieder die artikel 2.4.5.24 overtreedt;
2° eenieder die artikel 2.4.5.25 overtreedt;
3° eenieder die artikel 2.4.5.26 overtreedt;
4° eenieder die artikel 2.4.5.27 overtreedt.
Art. 4.1.2.37. Infraction aux articles 2.4.5.24 à 2.4.5.27
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° quiconque enfreint l'article 2.4.5.24;
2° quiconque enfreint l'article 2.4.5.25;
3° quiconque enfreint l'article 2.4.5.26;
4° quiconque enfreint l'article 2.4.5.27.
Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° quiconque enfreint l'article 2.4.5.24;
2° quiconque enfreint l'article 2.4.5.25;
3° quiconque enfreint l'article 2.4.5.26;
4° quiconque enfreint l'article 2.4.5.27.
Art. 4.1.2.38. Inbreuk op artikel 2.4.5.28
Met de straffen bepaald in artikel 501 van het Strafwetboek wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.28 overtreedt.
Met de straffen bepaald in artikel 501 van het Strafwetboek wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.28 overtreedt.
Art. 4.1.2.38. Infraction à l'article 2.4.5.28
Est puni des sanctions déterminées à l'article 501 du Code pénal quiconque enfreint l'article 2.4.5.28.
Est puni des sanctions déterminées à l'article 501 du Code pénal quiconque enfreint l'article 2.4.5.28.
Art. 4.1.2.39. Inbreuk op artikel 2.4.5.29
Met de straffen bepaald in de artikel en 16 en 17, § 2, van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.29 overtreedt.
Met de straffen bepaald in de artikel en 16 en 17, § 2, van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.29 overtreedt.
Art. 4.1.2.39. Infraction à l'article 2.4.5.29
Est puni des sanctions visées aux articles 16 et 17, § 2, de la loi du 24 janvier 1977 relative à la protection de la santé des consommateurs en ce qui concerne les denrées alimentaires et les autres produits quiconque enfreint l'article 2.4.5.29.
Est puni des sanctions visées aux articles 16 et 17, § 2, de la loi du 24 janvier 1977 relative à la protection de la santé des consommateurs en ce qui concerne les denrées alimentaires et les autres produits quiconque enfreint l'article 2.4.5.29.
Art. 4.1.2.40. Inbreuk op artikel 2.4.5.30
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft eenieder die artikel 2.4.5.30 overtreedt
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft eenieder die artikel 2.4.5.30 overtreedt
Art. 4.1.2.40. Infraction à l'article 2.4.5.30
Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque enfreint l'article 2.4.5.30.
Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque enfreint l'article 2.4.5.30.
Art. 4.1.2.41. Inbreuk op artikel 2.4.5.31 tot 2.4.5.37, artikel 8 van het Aanvaringsverdrag 1910 en artikel 10.1 van het Bergingsverdrag 1989
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° eenieder die artikel 2.4.5.31 overtreedt;
2° eenieder die artikel 2.4.5.32 overtreedt;
3° eenieder die artikel 2.4.5.33 overtreedt;
4° eenieder die artikel 2.4.5.34 overtreedt;
5° eenieder die artikel 2.4.5.35 overtreedt;
6° eenieder die artikel 8 van het Aanvaringsverdrag 1910 overtreedt;
7° eenieder die artikel 10.1 van het Bergingsverdrag 1989 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° eenieder die artikel 2.4.5.31 overtreedt;
2° eenieder die artikel 2.4.5.32 overtreedt;
3° eenieder die artikel 2.4.5.33 overtreedt;
4° eenieder die artikel 2.4.5.34 overtreedt;
5° eenieder die artikel 2.4.5.35 overtreedt;
6° eenieder die artikel 8 van het Aanvaringsverdrag 1910 overtreedt;
7° eenieder die artikel 10.1 van het Bergingsverdrag 1989 overtreedt.
Art. 4.1.2.41. Infraction aux articles 2.4.5.31 à 2.4.5.37, à l'article 8 de la Convention sur les Abordages 1910 et à l'article 10.1 de la Convention d'assistance 1989
Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° quiconque enfreint l'article 2.4.5.31;
2° quiconque enfreint l'article 2.4.5.32;
3° quiconque enfreint l'article 2.4.5.33;
4° quiconque enfreint l'article 2.4.5.34;
5° quiconque enfreint l'article 2.4.5.35;
6° quiconque enfreint l'article 8 de la Convention sur les Abordages 1910;
7° quiconque enfreint l'article 10.1 de la Convention sur l'assistance 1989.
Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° quiconque enfreint l'article 2.4.5.31;
2° quiconque enfreint l'article 2.4.5.32;
3° quiconque enfreint l'article 2.4.5.33;
4° quiconque enfreint l'article 2.4.5.34;
5° quiconque enfreint l'article 2.4.5.35;
6° quiconque enfreint l'article 8 de la Convention sur les Abordages 1910;
7° quiconque enfreint l'article 10.1 de la Convention sur l'assistance 1989.
Art. 4.1.2.42. Inbreuk op artikel 2.4.5.36
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.36, § 1 of artikel 2.4.5.36, § 2 overtreedt.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die een inbreuk begaat op artikel 2.4.5.36, § 3.
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.36, § 1 of artikel 2.4.5.36, § 2 overtreedt.
§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die een inbreuk begaat op artikel 2.4.5.36, § 3.
Art. 4.1.2.42. Infraction à l'article 2.4.5.36
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.36, § 1er, ou l'article 2.4.5.36, § 2.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque commet une infraction à l'article 2.4.5.36, § 3.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.36, § 1er, ou l'article 2.4.5.36, § 2.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque commet une infraction à l'article 2.4.5.36, § 3.
Art. 4.1.2.43. Inbreuk op artikel 2.4.5.37
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.37 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.37 overtreedt.
Art. 4.1.2.43. Infraction à l'article 2.4.5.37
Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.37.
Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.37.
Art. 4.1.2.44. Inbreuk op artikel 2.4.5.38 of 2.4.5.39
Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft :
1° eenieder die artikel 2.4.5.38 overtreedt;
2° eenieder die artikel 2.4.5.39 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft :
1° eenieder die artikel 2.4.5.38 overtreedt;
2° eenieder die artikel 2.4.5.39 overtreedt.
Art. 4.1.2.44. Infraction à l'article 2.4.5.38 ou 2.4.5.39
Est puni d'une sanction de niveau 5 :
1° quiconque enfreint l'article 2.4.5.38;
2° quiconque enfreint l'article 2.4.5.39.
Est puni d'une sanction de niveau 5 :
1° quiconque enfreint l'article 2.4.5.38;
2° quiconque enfreint l'article 2.4.5.39.
Art. 4.1.2.45. Inbreuk op artikel 2.4.5.40
Met de straffen bepaald in de artikel en 510, 511, 513, 514 en 518 van het Strafwetboek, en volgens de aldaar gemaakte onderscheidingen, wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.40, § 1 overtreedt.
Opvarenden die artikel 2.4.5.40, § 2 overtreden worden gestraft met de onmiddellijk lagere straf behalve in geval van een misdaad die strafbaar is met levenslange opsluiting. In dat geval worden die personen gestraft met twintig jaar tot dertig jaar opsluiting.
De in artikel 510 van het Strafwetboek bepaalde straffen zijn van toepassing op eenieder die artikel 2.4.5.40, § 3 overtreedt.
De in artikel 516 van het Strafwetboek bepaalde straffen zijn van toepassing op eenieder die artikel 2.4.5.40, § 4 overtreedt.
Met de straffen bepaald in de artikel en 510, 511, 513, 514 en 518 van het Strafwetboek, en volgens de aldaar gemaakte onderscheidingen, wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.40, § 1 overtreedt.
Opvarenden die artikel 2.4.5.40, § 2 overtreden worden gestraft met de onmiddellijk lagere straf behalve in geval van een misdaad die strafbaar is met levenslange opsluiting. In dat geval worden die personen gestraft met twintig jaar tot dertig jaar opsluiting.
De in artikel 510 van het Strafwetboek bepaalde straffen zijn van toepassing op eenieder die artikel 2.4.5.40, § 3 overtreedt.
De in artikel 516 van het Strafwetboek bepaalde straffen zijn van toepassing op eenieder die artikel 2.4.5.40, § 4 overtreedt.
Art. 4.1.2.45. Infraction à l'article 2.4.5.40
Est puni des sanctions prévues aux articles 510, 511, 513, 514 et 518 du Code pénal et suivant les distinctions y établies quiconque enfreint l'article 2.4.5.40, § 1er.
Les personnes embarquées qui enfreignent l'article 2.4.5.40, § 2, sont punies de la sanction directement inférieure, sauf en cas de crime punissable d'une réclusion à perpétuité. Dans ce cas, ces personnes sont punies de vingt à trente ans de réclusion.
Les sanctions déterminées à l'article 510 du Code pénal s'appliquent à quiconque enfreint l'article 2.4.5.40, § 3.
Les sanctions déterminées à l'article 516 du Code pénal s'appliquent à quiconque enfreint l'article 2.4.5.40, § 4.
Est puni des sanctions prévues aux articles 510, 511, 513, 514 et 518 du Code pénal et suivant les distinctions y établies quiconque enfreint l'article 2.4.5.40, § 1er.
Les personnes embarquées qui enfreignent l'article 2.4.5.40, § 2, sont punies de la sanction directement inférieure, sauf en cas de crime punissable d'une réclusion à perpétuité. Dans ce cas, ces personnes sont punies de vingt à trente ans de réclusion.
Les sanctions déterminées à l'article 510 du Code pénal s'appliquent à quiconque enfreint l'article 2.4.5.40, § 3.
Les sanctions déterminées à l'article 516 du Code pénal s'appliquent à quiconque enfreint l'article 2.4.5.40, § 4.
Art. 4.1.2.46. Inbreuk op artikel 2.4.5.41
§ 1. Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.41, § 1 overtreedt;
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.41, § 2 overtreedt.
§ 1. Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.41, § 1 overtreedt;
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die artikel 2.4.5.41, § 2 overtreedt.
Art. 4.1.2.46. Infraction à l'article 2.4.5.41
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 5 quiconque enfreint l'article 2.4.5.41, § 1er.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.41, § 2.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 5 quiconque enfreint l'article 2.4.5.41, § 1er.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint l'article 2.4.5.41, § 2.
Onderafdeling 4. - Zee en havens
Sous-Section 4. - Mer et ports
Art. 4.1.2.47. Inbreuk op artikel 2.5.1.2
Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft, eenieder die het COLREG-Verdrag, artikel 2.5.1.2 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt.
[1 In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde inbreuken enkel worden bestraft met een administratieve geldboete.]1
Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft, eenieder die het COLREG-Verdrag, artikel 2.5.1.2 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt.
[1 In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde inbreuken enkel worden bestraft met een administratieve geldboete.]1
Art. 4.1.2.47. Infraction à l'article 2.5.1.2
Est puni d'une sanction de niveau 5 quiconque enfreint la Convention COLREG, l'article 2.5.1.2 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents.
[1 Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article peuvent uniquement être punies d'une amende administrative.]1
Est puni d'une sanction de niveau 5 quiconque enfreint la Convention COLREG, l'article 2.5.1.2 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents.
[1 Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article peuvent uniquement être punies d'une amende administrative.]1
Wijzigingen
Art. 4.1.2.48. [1 Inbreuk op de ISPS-Verordeningen of de artikelen 2.5.2.1 tot 2.5.2.71
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft:
1° eenieder die de ISPS-Verordening overtreedt;
2° eenieder die de artikelen 2.5.2.1 tot 2.5.2.71 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt;
3° eenieder die de opdrachten van de NAMB, LCMB, scheepvaartcontrole, Cel Maritieme Beveiliging [2 , de Scheepvaartpolitie]2 of de inspectiediensten, uitgevoerd krachtens de ISPS-Verordening of de artikelen 2.5.2.1 tot 2.5.2.71 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, verhindert of belemmert.
§ 2. Eenieder die een ongeoorloofde actie heeft gesteld wordt gestraft met de sanctie uit het Strafwetboek [2 of de bijzondere strafwetten]2 die hierop is gesteld of met een sanctie van niveau 5, welke van de 2 de zwaarste is.
§ 3. Met een sanctie van niveau 5 wordt gestraft, eenieder die medewerking heeft verleend door handelingen te stellen of door het nalaten te handelen ongeoorloofde acties heeft toegelaten of vergemakkelijkt.
§ 4. Bij veroordeling wegens een van de misdrijven bedoeld in paragraaf 2 en 3 kan de rechter het tijdelijk verbod uitspreken om zich [3 binnen de Belgische havens of havenfaciliteiten]3 in de zin van artikel 2.5.2.3, 4° en 5° te begeven overeenkomstig de modaliteiten van artikel 4, § 3bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.
[3 Elke overtreding van het verbod bedoeld in het eerste lid wordt gestraft met de straf bepaalt in artikel 4, § 5, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.]3
§ 5. De overtredingen bedoeld in paragraaf 2 en 3 zijn niet strafbaar met een administratieve sanctie.
§ 6. De procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de federale procureur of de procureur-generaal bij het hof van beroep, al naar het geval, kan, wanneer het noodzakelijk is voor de openbare veiligheid dat ondernemingen die een havenfaciliteit exploiteren administratieve maatregelen kunnen nemen tegen verdachten van een overtreding bedoeld in de paragrafen 1 of 2, aan deze ondernemingen meedelen dat er een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek loopt naar een overtreding bedoeld in de paragrafen 1 of 2. Indien het een gerechtelijk onderzoek betreft, kan deze mededeling slechts worden gedaan met akkoord van de onderzoeksrechter.]1
[2 § 7. Personen die het verbod bedoeld in artikel 2.5.2.98 overtreden worden gestraft met een sanctie van niveau 4 en kunnen gestraft worden met het havenverbod overeenkomstig de nadere regels van artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Werkgevers die personen tewerkstellen in een beroep, functie of mandaat zoals bedoeld in artikel 2.5.2.97 zonder over een positief veiligheidsadvies te beschikken, worden gestraft met een sanctie van niveau 4.]2
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft:
1° eenieder die de ISPS-Verordening overtreedt;
2° eenieder die de artikelen 2.5.2.1 tot 2.5.2.71 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt;
3° eenieder die de opdrachten van de NAMB, LCMB, scheepvaartcontrole, Cel Maritieme Beveiliging [2 , de Scheepvaartpolitie]2 of de inspectiediensten, uitgevoerd krachtens de ISPS-Verordening of de artikelen 2.5.2.1 tot 2.5.2.71 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, verhindert of belemmert.
§ 2. Eenieder die een ongeoorloofde actie heeft gesteld wordt gestraft met de sanctie uit het Strafwetboek [2 of de bijzondere strafwetten]2 die hierop is gesteld of met een sanctie van niveau 5, welke van de 2 de zwaarste is.
§ 3. Met een sanctie van niveau 5 wordt gestraft, eenieder die medewerking heeft verleend door handelingen te stellen of door het nalaten te handelen ongeoorloofde acties heeft toegelaten of vergemakkelijkt.
§ 4. Bij veroordeling wegens een van de misdrijven bedoeld in paragraaf 2 en 3 kan de rechter het tijdelijk verbod uitspreken om zich [3 binnen de Belgische havens of havenfaciliteiten]3 in de zin van artikel 2.5.2.3, 4° en 5° te begeven overeenkomstig de modaliteiten van artikel 4, § 3bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.
[3 Elke overtreding van het verbod bedoeld in het eerste lid wordt gestraft met de straf bepaalt in artikel 4, § 5, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.]3
§ 5. De overtredingen bedoeld in paragraaf 2 en 3 zijn niet strafbaar met een administratieve sanctie.
§ 6. De procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de federale procureur of de procureur-generaal bij het hof van beroep, al naar het geval, kan, wanneer het noodzakelijk is voor de openbare veiligheid dat ondernemingen die een havenfaciliteit exploiteren administratieve maatregelen kunnen nemen tegen verdachten van een overtreding bedoeld in de paragrafen 1 of 2, aan deze ondernemingen meedelen dat er een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek loopt naar een overtreding bedoeld in de paragrafen 1 of 2. Indien het een gerechtelijk onderzoek betreft, kan deze mededeling slechts worden gedaan met akkoord van de onderzoeksrechter.]1
[2 § 7. Personen die het verbod bedoeld in artikel 2.5.2.98 overtreden worden gestraft met een sanctie van niveau 4 en kunnen gestraft worden met het havenverbod overeenkomstig de nadere regels van artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Werkgevers die personen tewerkstellen in een beroep, functie of mandaat zoals bedoeld in artikel 2.5.2.97 zonder over een positief veiligheidsadvies te beschikken, worden gestraft met een sanctie van niveau 4.]2
Art. 4.1.2.48. [1 Infraction au Règlement ISPS ou aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4 :
1° quiconque enfreint le Règlement ISPS ;
2° quiconque enfreint les articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents ;
3° quiconque empêche ou entrave les missions confiées à l'ANSM, au CLSM, au Contrôle de la navigation, à la Cellule de la Sûreté maritime [2 , à la Police de la navigation]2 ou aux services d'inspection, exécutées en vertu du Règlement ISPS, des articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents.
§ 2. Quiconque a commis une action illicite est puni de la sanction prévue par le Code pénal [2 ou les lois pénales spéciales]2 ou d'une sanction de niveau 5, laquelle des 2 est la plus lourde.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 5, quiconque a coopéré en agissant ou en s'abstenant d'agir, a autorisé ou facilité des actions illicites.
§ 4. En cas de condamnation pour l'un des délits visés aux paragraphes 2 et 3, le juge peut prononcer une interdiction temporaire de se rendre [3 dans les ports belges ou les installations portuaires]3 au sens de l'article 2.5.2.3, 4° et 5° conformément aux modalités de l'article 4, § 3bis de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes.
[3 Toute infraction à l'interdiction visée à l'alinéa 1er est punie d'une sanction visée à l'article 4, § 5, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes.]3
§ 5. Les infractions visées aux paragraphes 2 et 3 ne sont pas passibles d'une sanction administrative.
§ 6. Le procureur du Roi, l'auditeur du travail, le procureur fédéral ou le procureur général près la Cour d'Appel, selon le cas, peut, lorsqu'il est nécessaire pour la sûreté publique que les entreprises qui exploitent une installation portuaire puissent prendre des mesures administratives à l'encontre des suspects d'infractions visées aux paragraphes 1er ou 2, communiquer à ces entreprises qu'une information ou une instruction judiciaire sur une infraction visée aux paragraphes 1er ou 2 est en cours. Si cela concerne une instruction judiciaire, cette communication ne peut se faire qu'avec l'accord du juge d'instruction.]1
[2 § 7. Les personnes qui enfreignent l'interdiction visée à l'article 2.5.2.98 sont punies d'une sanction de niveau 4 et peuvent être punies de l'interdiction portuaire conformément aux modalités de l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes.
Les employeurs qui occupent des personnes dans une profession, une fonction ou un mandat visé à l'article 2.5.2.97 sans disposer d'un avis de sécurité positif sont punis d'une sanction de niveau 4.]2
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4 :
1° quiconque enfreint le Règlement ISPS ;
2° quiconque enfreint les articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents ;
3° quiconque empêche ou entrave les missions confiées à l'ANSM, au CLSM, au Contrôle de la navigation, à la Cellule de la Sûreté maritime [2 , à la Police de la navigation]2 ou aux services d'inspection, exécutées en vertu du Règlement ISPS, des articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents.
§ 2. Quiconque a commis une action illicite est puni de la sanction prévue par le Code pénal [2 ou les lois pénales spéciales]2 ou d'une sanction de niveau 5, laquelle des 2 est la plus lourde.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 5, quiconque a coopéré en agissant ou en s'abstenant d'agir, a autorisé ou facilité des actions illicites.
§ 4. En cas de condamnation pour l'un des délits visés aux paragraphes 2 et 3, le juge peut prononcer une interdiction temporaire de se rendre [3 dans les ports belges ou les installations portuaires]3 au sens de l'article 2.5.2.3, 4° et 5° conformément aux modalités de l'article 4, § 3bis de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes.
[3 Toute infraction à l'interdiction visée à l'alinéa 1er est punie d'une sanction visée à l'article 4, § 5, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes.]3
§ 5. Les infractions visées aux paragraphes 2 et 3 ne sont pas passibles d'une sanction administrative.
§ 6. Le procureur du Roi, l'auditeur du travail, le procureur fédéral ou le procureur général près la Cour d'Appel, selon le cas, peut, lorsqu'il est nécessaire pour la sûreté publique que les entreprises qui exploitent une installation portuaire puissent prendre des mesures administratives à l'encontre des suspects d'infractions visées aux paragraphes 1er ou 2, communiquer à ces entreprises qu'une information ou une instruction judiciaire sur une infraction visée aux paragraphes 1er ou 2 est en cours. Si cela concerne une instruction judiciaire, cette communication ne peut se faire qu'avec l'accord du juge d'instruction.]1
[2 § 7. Les personnes qui enfreignent l'interdiction visée à l'article 2.5.2.98 sont punies d'une sanction de niveau 4 et peuvent être punies de l'interdiction portuaire conformément aux modalités de l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes.
Les employeurs qui occupent des personnes dans une profession, une fonction ou un mandat visé à l'article 2.5.2.97 sans disposer d'un avis de sécurité positif sont punis d'une sanction de niveau 4.]2
Art. 4.1.2.48 /1.[1 Beeldopnames van havens en havenfaciliteiten
Eenieder die op welke wijze dan ook beeldopnames maakt [2 van een haven, een havenfaciliteit of de terminal gelegen in het binnenland zoals bedoeld in artikel 2.5.2.3, 4°, 5° en 16°, zonder de toelating van de havenbeheerder of de exploitant van de havenfaciliteit of de terminal gelegen in het binnenland]2, en waarop de delen van de beveiligingsinfrastructuur duidelijk herkenbaar zijn wordt gestraft met een sanctie van niveau 2.
Indien deze beeldopnames worden gemaakt met het oogmerk om ongeoorloofde acties zoals bedoeld in artikel 2.5.2.2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek te plegen of te vergemakkelijken wordt de betrokkene gestraft met de sanctie zoals bedoeld in artikel 4.1.2.48, § 3.]1
Eenieder die op welke wijze dan ook beeldopnames maakt [2 van een haven, een havenfaciliteit of de terminal gelegen in het binnenland zoals bedoeld in artikel 2.5.2.3, 4°, 5° en 16°, zonder de toelating van de havenbeheerder of de exploitant van de havenfaciliteit of de terminal gelegen in het binnenland]2, en waarop de delen van de beveiligingsinfrastructuur duidelijk herkenbaar zijn wordt gestraft met een sanctie van niveau 2.
Indien deze beeldopnames worden gemaakt met het oogmerk om ongeoorloofde acties zoals bedoeld in artikel 2.5.2.2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek te plegen of te vergemakkelijken wordt de betrokkene gestraft met de sanctie zoals bedoeld in artikel 4.1.2.48, § 3.]1
Art.4.1.2.48/1.[1 Prises d'images des ports et installations portuaires
Quiconque, de quelque manière que ce soit, prend des images [2 d'un port, d'une installation portuaire ou d'un terminal intérieur comme visé à l'article 2.5.2.3, 4°, 5° et 16°, sans l'autorisation du gestionnaire du port ou de l'exploitant de l'installation portuaire ou du terminal intérieur]2, et sur lesquelles des parties de l'infrastructure de sûreté sont clairement identifiables, est puni d'une sanction de niveau 2.
Si ces prises d'images sont réalisées dans le but de commettre ou de faciliter des actions illicites telles que visées à l'article 2.5.2.2 du Code belge de la Navigation, l'intéressé est puni de la sanction telle que visée à l'article 4.1.2.48, § 3.]1
Quiconque, de quelque manière que ce soit, prend des images [2 d'un port, d'une installation portuaire ou d'un terminal intérieur comme visé à l'article 2.5.2.3, 4°, 5° et 16°, sans l'autorisation du gestionnaire du port ou de l'exploitant de l'installation portuaire ou du terminal intérieur]2, et sur lesquelles des parties de l'infrastructure de sûreté sont clairement identifiables, est puni d'une sanction de niveau 2.
Si ces prises d'images sont réalisées dans le but de commettre ou de faciliter des actions illicites telles que visées à l'article 2.5.2.2 du Code belge de la Navigation, l'intéressé est puni de la sanction telle que visée à l'article 4.1.2.48, § 3.]1
Art. 4.1.2.48 /2. [1 Schending van de "ISPS-restricted"
Eenieder die een document dat krachtens artikel 2.5.2.13 met "ISPS-restricted" werd aangemerkt, gebruikt buiten het kader van het doel waarvoor het is opgesteld, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van 100 euro tot 1.000 euro of met een van die straffen alleen.
Indien de schending bedoeld in het eerste lid heeft geleid tot een ongeoorloofde actie wordt de maximale straf verdubbeld.]1
Eenieder die een document dat krachtens artikel 2.5.2.13 met "ISPS-restricted" werd aangemerkt, gebruikt buiten het kader van het doel waarvoor het is opgesteld, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van 100 euro tot 1.000 euro of met een van die straffen alleen.
Indien de schending bedoeld in het eerste lid heeft geleid tot een ongeoorloofde actie wordt de maximale straf verdubbeld.]1
Art.4.1.2.48/2.[1 Violation de la " ISPS-restricted "
Quiconque utilise un document portant la mention " ISPS-restricted " en vertu de l'article 2.5.2.13 en dehors du cadre de l'objectif pour lequel il est élaboré, est puni [2 d'un emprisonnement]2 d'un an à trois ans et d'une amende de 100 euros à 1.000 euros ou d'une de ces peines seulement.
Si la violation visée à l'alinéa 1er a mené à une action illicite, la peine maximale est doublée]1
Quiconque utilise un document portant la mention " ISPS-restricted " en vertu de l'article 2.5.2.13 en dehors du cadre de l'objectif pour lequel il est élaboré, est puni [2 d'un emprisonnement]2 d'un an à trois ans et d'une amende de 100 euros à 1.000 euros ou d'une de ces peines seulement.
Si la violation visée à l'alinéa 1er a mené à une action illicite, la peine maximale est doublée]1
Art. 4.1.2.49. Inbreuk op de artikel en 2.5.3.1 tot [1 2.5.3.12]1, 4.2.1.9, § 1, 4.2.1.10, 4.2.1.14 of 4.2.1.32 tot 4.2.1.41
§ 1. Met een sanctie van niveau 7 wordt bestraft :
1° de scheepseigenaar, de reder, de exploitant, de beheerder of de bevrachter van een schip aan boord waarvan de artikel en 2.5.3.4 of 2.5.3.10 [1 ...]1 niet werden nageleefd;
2° onverminderd paragraaf 2, iedere andere persoon die artikel 2.5.3.5 [1 ...]1 overtreedt;
[1 3° de scheepseigenaar, de reder, de exploitant, de beheerder of de bevrachter van een schip die de uitvoeringsbesluiten van boek 2, titel 5, hoofdstuk 3 overtreedt.]1
Ingeval het schip een pleziervaartuig of een vissersschip is, worden de inbreuken bestraft met een sanctie van niveau 4.
Ingeval de overtreding wordt begaan tussen zonsondergang en zonsopgang, wordt het bedrag van de maximale strafrechtelijke of administratieve geldboete verdubbeld.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft :
1° de kapitein van een schip ander dan een pleziervaartuig of een vissersschip die de artikel en 2.5.3.4, 2.5.3.7, 2.5.3.8 of 2.5.3.10 [1 ...]1 overtreedt, zich verzet tegen het bepaalde in de artikel en 4.2.1.9, § 1, 4.2.1.10, 4.2.1.14, 4.2.1.33 en 4.2.1.34, § 2 tot 7 of zich niet houdt aan de door die bepalingen opgelegde verplichtingen;
2° de schipper of voerder van een pleziervaartuig of vissersschip die artikel 2.5.3.4 overtreedt, zich verzet tegen het instellen van een onderzoek of zich onttrekt aan de aanhouding als bedoeld in artikel 4.2.1.34, § 6 tot 7;
3° de officieren of andere bemanningsleden van een schip die de artikel en 2.5.3.4, 2.5.3.7 of 2.5.3.10 [1 ...]1 overtreden, zich verzetten tegen het bepaalde in de artikel en 4.2.1.9, § 1, 4.2.1.10, 4.2.1.14, 4.2.1.33 en 4.2.1.34, § 2 tot 7 of zich de door die bepalingen opgelegde verplichtingen niet nakomen;
[1 4° de gezagvoerder, officieren of andere bemanningsleden die de uitvoeringsbesluiten van boek 2, titel 5, hoofdstuk 3 overtreden.]1
§ 3. In de volgende gevallen spreekt de rechter hoe dan ook een gevangenisstraf uit :
1° de inbreuk heeft over een uitgestrekt gebied grote schade veroorzaakt aan de kwaliteit van water of aan dier- en plantensoorten of delen daarvan;
2° de inbreuk is gepleegd in het kader van een criminele organisatie gedefinieerd door artikel 324bis van het Strafwetboek.
3° de inbreuk heeft de dood van een persoon veroorzaakt.
§ 4. De vorige paragraaf is van toepassing onder voorbehoud van het internationaal recht, met name artikel 230 van het VN-Zeerechtverdrag.
§ 5. Diegene die wordt gestraft met een in de paragrafen 1 of 2 bedoelde strafrechtelijke geldboete of instemt met een in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering bedoelde minnelijke schikking moet [2 dertig procent]2 van het bedrag van de uitgesproken geldboete of van de minnelijke schikking rechtstreeks storten in het Fonds Leefmilieu.
§ 6. Onverminderd de toepassing van Boek I van het Strafwetboek, kan de geïdentificeerde natuurlijke persoon, in afwijking van artikel 5, tweede lid van het Strafwetboek, steeds samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld wegens de overtreding van de artikel en 2.5.3.1 tot [1 2.5.3.12]1 of 4.2.1.32 tot 4.2.1.41 van dit wetboek [1 of de uitvoeringsbesluiten van boek 2, titel 5, hoofdstuk 3]1.
§ 7. Schepen die op zee of in Belgische havens worden aangehouden krachtens artikel 4.2.1.34, § 6 tot 7, worden onmiddellijk vrijgegeven nadat in de Deposito- en Consignatiekas een borgsom wordt gestort ten bedrage van de door de paragrafen 1 en 2 bepaalde maximale geldboeten, verhoogd met de opdeciemen. Het storten van de borgsom kan, zonder kosten voor de overheid, worden vervangen door een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank.
§ 8. De geldboete die is opgelegd door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing, een minnelijke schikking of een definitieve beslissing ingevolge administratieve vervolging, naargelang het geval, wordt op de borgsom verhaald.
Het overblijvende gedeelte wordt onmiddellijk terugbetaald.
De interesten van de in consignatie gegeven som worden bij de borgsom gevoegd.
[1 § 9. In afwijking van artikel 4.1.1.1. en paragrafen 1 en 2 worden lozingen van verboden schadelijke stoffen in de atmosfeer door schepen enkel bestraft met een administratieve geldboete]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 7 wordt bestraft :
1° de scheepseigenaar, de reder, de exploitant, de beheerder of de bevrachter van een schip aan boord waarvan de artikel en 2.5.3.4 of 2.5.3.10 [1 ...]1 niet werden nageleefd;
2° onverminderd paragraaf 2, iedere andere persoon die artikel 2.5.3.5 [1 ...]1 overtreedt;
[1 3° de scheepseigenaar, de reder, de exploitant, de beheerder of de bevrachter van een schip die de uitvoeringsbesluiten van boek 2, titel 5, hoofdstuk 3 overtreedt.]1
Ingeval het schip een pleziervaartuig of een vissersschip is, worden de inbreuken bestraft met een sanctie van niveau 4.
Ingeval de overtreding wordt begaan tussen zonsondergang en zonsopgang, wordt het bedrag van de maximale strafrechtelijke of administratieve geldboete verdubbeld.
§ 2. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft :
1° de kapitein van een schip ander dan een pleziervaartuig of een vissersschip die de artikel en 2.5.3.4, 2.5.3.7, 2.5.3.8 of 2.5.3.10 [1 ...]1 overtreedt, zich verzet tegen het bepaalde in de artikel en 4.2.1.9, § 1, 4.2.1.10, 4.2.1.14, 4.2.1.33 en 4.2.1.34, § 2 tot 7 of zich niet houdt aan de door die bepalingen opgelegde verplichtingen;
2° de schipper of voerder van een pleziervaartuig of vissersschip die artikel 2.5.3.4 overtreedt, zich verzet tegen het instellen van een onderzoek of zich onttrekt aan de aanhouding als bedoeld in artikel 4.2.1.34, § 6 tot 7;
3° de officieren of andere bemanningsleden van een schip die de artikel en 2.5.3.4, 2.5.3.7 of 2.5.3.10 [1 ...]1 overtreden, zich verzetten tegen het bepaalde in de artikel en 4.2.1.9, § 1, 4.2.1.10, 4.2.1.14, 4.2.1.33 en 4.2.1.34, § 2 tot 7 of zich de door die bepalingen opgelegde verplichtingen niet nakomen;
[1 4° de gezagvoerder, officieren of andere bemanningsleden die de uitvoeringsbesluiten van boek 2, titel 5, hoofdstuk 3 overtreden.]1
§ 3. In de volgende gevallen spreekt de rechter hoe dan ook een gevangenisstraf uit :
1° de inbreuk heeft over een uitgestrekt gebied grote schade veroorzaakt aan de kwaliteit van water of aan dier- en plantensoorten of delen daarvan;
2° de inbreuk is gepleegd in het kader van een criminele organisatie gedefinieerd door artikel 324bis van het Strafwetboek.
3° de inbreuk heeft de dood van een persoon veroorzaakt.
§ 4. De vorige paragraaf is van toepassing onder voorbehoud van het internationaal recht, met name artikel 230 van het VN-Zeerechtverdrag.
§ 5. Diegene die wordt gestraft met een in de paragrafen 1 of 2 bedoelde strafrechtelijke geldboete of instemt met een in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering bedoelde minnelijke schikking moet [2 dertig procent]2 van het bedrag van de uitgesproken geldboete of van de minnelijke schikking rechtstreeks storten in het Fonds Leefmilieu.
§ 6. Onverminderd de toepassing van Boek I van het Strafwetboek, kan de geïdentificeerde natuurlijke persoon, in afwijking van artikel 5, tweede lid van het Strafwetboek, steeds samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld wegens de overtreding van de artikel en 2.5.3.1 tot [1 2.5.3.12]1 of 4.2.1.32 tot 4.2.1.41 van dit wetboek [1 of de uitvoeringsbesluiten van boek 2, titel 5, hoofdstuk 3]1.
§ 7. Schepen die op zee of in Belgische havens worden aangehouden krachtens artikel 4.2.1.34, § 6 tot 7, worden onmiddellijk vrijgegeven nadat in de Deposito- en Consignatiekas een borgsom wordt gestort ten bedrage van de door de paragrafen 1 en 2 bepaalde maximale geldboeten, verhoogd met de opdeciemen. Het storten van de borgsom kan, zonder kosten voor de overheid, worden vervangen door een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank.
§ 8. De geldboete die is opgelegd door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing, een minnelijke schikking of een definitieve beslissing ingevolge administratieve vervolging, naargelang het geval, wordt op de borgsom verhaald.
Het overblijvende gedeelte wordt onmiddellijk terugbetaald.
De interesten van de in consignatie gegeven som worden bij de borgsom gevoegd.
[1 § 9. In afwijking van artikel 4.1.1.1. en paragrafen 1 en 2 worden lozingen van verboden schadelijke stoffen in de atmosfeer door schepen enkel bestraft met een administratieve geldboete]1
Art. 4.1.2.49. Infraction aux articles 2.5.3.1 à [1 2.5.3.12]1, 4.2.1.9, § 1er, 4.2.1.10, 4.2.1.14 ou 4.2.1.32 à 4.2.1.41
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 7 :
1° le propriétaire de navire, l'armateur, l'exploitant, le gestionnaire ou l'affréteur d'un navire à bord duquel les articles 2.5.3.4 ou 2.5.3.10 [1 ...]1 n'ont pas été respectés;
2° sans préjudice du paragraphe 2, toute autre personne qui enfreint l'article 2.5.3.5 [1 ...]1.
[1 3° le propriétaire de navire, l'armateur, l'exploitant, le gestionnaire ou l'affréteur d'un navire qui enfreint les arrêtés d'exécution du livre 2, titre 5, chapitre 3.]1
Si le navire est un navire de plaisance ou un navire de pêche, les infractions seront punies d'une sanction de niveau 4.
Si l'infraction est commise entre le coucher et le lever du soleil, le maximum de l'amende pénal ou administrative sera doublé.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4 :
1° le capitaine d'un navire autre qu'un navire de plaisance ou de pêche qui enfreint l'article 2.5.3.4, 2.5.3.7, 2.5.3.8 ou 2.5.3.10 [1 ...]1, qui s'oppose aux dispositions des articles 4.2.1.9, § 1er, 4.2.1.10, 4.2.1.14, 4.2.1.33 et 4.2.1.34, § 2 à 7, ou qui n'observe pas les obligations imposées par ces dispositions;
2° le patron ou le conducteur d'un navire de plaisance ou d'un navire de pêche qui enfreint l'article 2.5.3.4, qui s'oppose à l'ouverture d'une enquête ou se dérobe à l'immobilisation telle que visée à l'article 4.2.1.34, § 6 à 7;
3° les officiers ou d'autres membres de l'équipage d'un navire qui enfreignent l'article 2.5.3.4, 2.5.3.7 ou 2.5.3.10 [1 ...]1, qui s'opposent aux dispositions des articles 4.2.1.9, § 1er, 4.2.1.10, 4.2.1.14, 4.2.1.33 et 4.2.1.34, § 2 à 7, ou qui n'observent pas les obligations imposées par ces dispositions;
[1 4° le commandant, les officiers ou d'autres membres de l'équipage qui enfreignent les arrêtés d'exécution du livre 2, titre 5, chapitre 3.]1
§ 3. Dans les cas suivants, le juge prononce de quelque façon que ce soit une peine d'emprisonnement :
1° l'infraction a causé des dommages significatifs et étendus à la qualité des eaux, à des espèces animales et végétales ou à des parties de celles-ci;
2° l'infraction a été commise dans le cadre d'une organisation criminelle définie par l'article 324bis du Code pénal.
3° l'infraction a causé la mort d'une personne.
§ 4. Le paragraphe précédent s'applique sous réserve du droit international, notamment l'article 230 de la Convention de l'ONU sur le droit de la mer.
§ 5. Celui qui est condamné à une amende pénale visée au paragraphe 1 ou 2 ou qui consent à conclure une transaction conformément à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle est tenu de verser directement [2 trente pour cent]2 du montant de l'amende prononcée ou de la transaction au Fonds environnement.
§ 6. Sans préjudice de l'application du Livre I du Code pénal, la personne physique identifiée, par dérogation à l'article 5, alinéa 2, du Code pénal, peut toujours être condamnée, en même temps que la personne morale responsable, pour l'infraction aux articles 2.5.3.1 à [1 2.5.3.12]1 ou 4.2.1.32 à 4.2.1.41 du présent code [1 ou les arrêtés d'exécution du livre 2, titre 5, chapitre 3]1.
§ 7. Les navires immobilisés en mer ou dans des ports belges en vertu de l'article 4.2.1.34, § 6 à 7, sont libérés aussitôt qu'une somme est déposée à titre de cautionnement à la Caisse de dépôts et consignations, d'un montant égal aux amendes maximales prévues aux paragraphes 1er et 2, majoré des décimes additionnels. Le versement de la caution peut, sans occasionner de frais pour l'autorité, être remplacé par une garantie bancaire, accordée par une banque établie en Belgique.
§ 8. L'amende imposée par une décision judiciaire coulée en force de chose jugée, une transaction ou une décision définitive consécutive à une poursuite administrative, selon le cas, est récupérée sur le cautionnement.
Le solde du montant est immédiatement restitué.
Les intérêts de la somme consignée s'ajoutent au cautionnement.
[1 § 9. Par dérogation à l'article 4.1.1.1 et aux paragraphes 1er et 2, les rejets de substances nocives interdites dans l'atmosphère par les navires sont uniquement punis d'une amende administrative.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 7 :
1° le propriétaire de navire, l'armateur, l'exploitant, le gestionnaire ou l'affréteur d'un navire à bord duquel les articles 2.5.3.4 ou 2.5.3.10 [1 ...]1 n'ont pas été respectés;
2° sans préjudice du paragraphe 2, toute autre personne qui enfreint l'article 2.5.3.5 [1 ...]1.
[1 3° le propriétaire de navire, l'armateur, l'exploitant, le gestionnaire ou l'affréteur d'un navire qui enfreint les arrêtés d'exécution du livre 2, titre 5, chapitre 3.]1
Si le navire est un navire de plaisance ou un navire de pêche, les infractions seront punies d'une sanction de niveau 4.
Si l'infraction est commise entre le coucher et le lever du soleil, le maximum de l'amende pénal ou administrative sera doublé.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 4 :
1° le capitaine d'un navire autre qu'un navire de plaisance ou de pêche qui enfreint l'article 2.5.3.4, 2.5.3.7, 2.5.3.8 ou 2.5.3.10 [1 ...]1, qui s'oppose aux dispositions des articles 4.2.1.9, § 1er, 4.2.1.10, 4.2.1.14, 4.2.1.33 et 4.2.1.34, § 2 à 7, ou qui n'observe pas les obligations imposées par ces dispositions;
2° le patron ou le conducteur d'un navire de plaisance ou d'un navire de pêche qui enfreint l'article 2.5.3.4, qui s'oppose à l'ouverture d'une enquête ou se dérobe à l'immobilisation telle que visée à l'article 4.2.1.34, § 6 à 7;
3° les officiers ou d'autres membres de l'équipage d'un navire qui enfreignent l'article 2.5.3.4, 2.5.3.7 ou 2.5.3.10 [1 ...]1, qui s'opposent aux dispositions des articles 4.2.1.9, § 1er, 4.2.1.10, 4.2.1.14, 4.2.1.33 et 4.2.1.34, § 2 à 7, ou qui n'observent pas les obligations imposées par ces dispositions;
[1 4° le commandant, les officiers ou d'autres membres de l'équipage qui enfreignent les arrêtés d'exécution du livre 2, titre 5, chapitre 3.]1
§ 3. Dans les cas suivants, le juge prononce de quelque façon que ce soit une peine d'emprisonnement :
1° l'infraction a causé des dommages significatifs et étendus à la qualité des eaux, à des espèces animales et végétales ou à des parties de celles-ci;
2° l'infraction a été commise dans le cadre d'une organisation criminelle définie par l'article 324bis du Code pénal.
3° l'infraction a causé la mort d'une personne.
§ 4. Le paragraphe précédent s'applique sous réserve du droit international, notamment l'article 230 de la Convention de l'ONU sur le droit de la mer.
§ 5. Celui qui est condamné à une amende pénale visée au paragraphe 1 ou 2 ou qui consent à conclure une transaction conformément à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle est tenu de verser directement [2 trente pour cent]2 du montant de l'amende prononcée ou de la transaction au Fonds environnement.
§ 6. Sans préjudice de l'application du Livre I du Code pénal, la personne physique identifiée, par dérogation à l'article 5, alinéa 2, du Code pénal, peut toujours être condamnée, en même temps que la personne morale responsable, pour l'infraction aux articles 2.5.3.1 à [1 2.5.3.12]1 ou 4.2.1.32 à 4.2.1.41 du présent code [1 ou les arrêtés d'exécution du livre 2, titre 5, chapitre 3]1.
§ 7. Les navires immobilisés en mer ou dans des ports belges en vertu de l'article 4.2.1.34, § 6 à 7, sont libérés aussitôt qu'une somme est déposée à titre de cautionnement à la Caisse de dépôts et consignations, d'un montant égal aux amendes maximales prévues aux paragraphes 1er et 2, majoré des décimes additionnels. Le versement de la caution peut, sans occasionner de frais pour l'autorité, être remplacé par une garantie bancaire, accordée par une banque établie en Belgique.
§ 8. L'amende imposée par une décision judiciaire coulée en force de chose jugée, une transaction ou une décision définitive consécutive à une poursuite administrative, selon le cas, est récupérée sur le cautionnement.
Le solde du montant est immédiatement restitué.
Les intérêts de la somme consignée s'ajoutent au cautionnement.
[1 § 9. Par dérogation à l'article 4.1.1.1 et aux paragraphes 1er et 2, les rejets de substances nocives interdites dans l'atmosphère par les navires sont uniquement punis d'une amende administrative.]1
Onderafdeling 5. - Bevrachting en vervoer
Sous-Section 5. - Affrètement et transport
Art. 4.1.2.50. Inbreuk op de Passagiersrechtenverordening
§ 1. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft :
1° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 4, eerste lid van de Passagiersrechtenverordening;
2° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 12 van de Passagiersrechtenverordening.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 6 van de Passagiersrechtenverordening;
2° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 8 van de Passagiersrechtenverordening;
3° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 15 van de Passagiersrechtenverordening;
4° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 16 van de Passagiersrechtenverordening;
5° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 17 van de Passagiersrechtenverordening;
6° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 18 van de Passagiersrechtenverordening;
7° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 19 van de Passagiersrechtenverordening;
8° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 22 van de Passagiersrechtenverordening.
§ 3. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 7, eerste lid van de Passagiersrechtenverordening;
2° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 9 van de Passagiersrechtenverordening;
3° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 10 van de Passagiersrechtenverordening;
4° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 11 van de Passagiersrechtenverordening;
5° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 13 van de Passagiersrechtenverordening;
6° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 23 van de Passagiersrechtenverordening.
§ 4. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft :
1° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 4, tweede lid van de Passagiersrechtenverordening;
2° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 7, tweede lid van de Passagiersrechtenverordening;
3° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 14 van de Passagiersrechtenverordening;
4° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 24 van de Passagiersrechtenverordening.
[1 § 5. In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde inbreuken enkel worden bestraft met een administratieve geldboete.]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft :
1° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 4, eerste lid van de Passagiersrechtenverordening;
2° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 12 van de Passagiersrechtenverordening.
§ 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft :
1° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 6 van de Passagiersrechtenverordening;
2° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 8 van de Passagiersrechtenverordening;
3° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 15 van de Passagiersrechtenverordening;
4° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 16 van de Passagiersrechtenverordening;
5° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 17 van de Passagiersrechtenverordening;
6° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 18 van de Passagiersrechtenverordening;
7° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 19 van de Passagiersrechtenverordening;
8° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 22 van de Passagiersrechtenverordening.
§ 3. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft :
1° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 7, eerste lid van de Passagiersrechtenverordening;
2° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 9 van de Passagiersrechtenverordening;
3° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 10 van de Passagiersrechtenverordening;
4° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 11 van de Passagiersrechtenverordening;
5° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 13 van de Passagiersrechtenverordening;
6° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 23 van de Passagiersrechtenverordening.
§ 4. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft :
1° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 4, tweede lid van de Passagiersrechtenverordening;
2° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 7, tweede lid van de Passagiersrechtenverordening;
3° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 14 van de Passagiersrechtenverordening;
4° eenieder die een inbreuk begaat op artikel 24 van de Passagiersrechtenverordening.
[1 § 5. In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde inbreuken enkel worden bestraft met een administratieve geldboete.]1
Art. 4.1.2.50. Infraction au Règlement concernant les droits des passagers
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 1 :
1° quiconque commet une infraction à l'article 4, alinéa 1er, du Règlement concernant les droits des passagers;
2° quiconque commet une infraction à l'article 12 du Règlement concernant les droits des passagers;
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° quiconque commet une infraction à l'article 6 du Règlement concernant les droits des passagers;
2° quiconque commet une infraction à l'article 8 du Règlement concernant les droits des passagers;
3° quiconque commet une infraction à l'article 15 du Règlement concernant les droits des passagers;
4° quiconque commet une infraction à l'article 16 du Règlement concernant les droits des passagers;
5° quiconque commet une infraction à l'article 17 du Règlement concernant les droits des passagers;
6° quiconque commet une infraction à l'article 18 du Règlement concernant les droits des passagers;
7° quiconque commet une infraction à l'article 19 du Règlement concernant les droits des passagers;
8° quiconque commet une infraction à l'article 22 du Règlement concernant les droits des passagers;
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° quiconque commet une infraction à l'article 7, alinéa 1er, du Règlement concernant les droits des passagers;
2° quiconque commet une infraction à l'article 9 du Règlement concernant les droits des passagers;
3° quiconque commet une infraction à l'article 10 du Règlement concernant les droits des passagers;
4° quiconque commet une infraction à l'article 11 du Règlement concernant les droits des passagers;
5° quiconque commet une infraction à l'article 13 du Règlement concernant les droits des passagers;
6° quiconque commet une infraction à l'article 23 du Règlement concernant les droits des passagers;
§ 4. Est puni d'une sanction de niveau 4 :
1° quiconque commet une infraction à l'article 4, alinéa 2, du Règlement concernant les droits des passagers;
2° quiconque commet une infraction à l'article 7, alinéa 2, du Règlement concernant les droits des passagers;
3° quiconque commet une infraction à l'article 14 du Règlement concernant les droits des passagers;
4° quiconque commet une infraction à l'article 24 du Règlement concernant les droits des passagers.
[1 § 5. Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article peuvent uniquement être punies d'une amende administrative.]1
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 1 :
1° quiconque commet une infraction à l'article 4, alinéa 1er, du Règlement concernant les droits des passagers;
2° quiconque commet une infraction à l'article 12 du Règlement concernant les droits des passagers;
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 2 :
1° quiconque commet une infraction à l'article 6 du Règlement concernant les droits des passagers;
2° quiconque commet une infraction à l'article 8 du Règlement concernant les droits des passagers;
3° quiconque commet une infraction à l'article 15 du Règlement concernant les droits des passagers;
4° quiconque commet une infraction à l'article 16 du Règlement concernant les droits des passagers;
5° quiconque commet une infraction à l'article 17 du Règlement concernant les droits des passagers;
6° quiconque commet une infraction à l'article 18 du Règlement concernant les droits des passagers;
7° quiconque commet une infraction à l'article 19 du Règlement concernant les droits des passagers;
8° quiconque commet une infraction à l'article 22 du Règlement concernant les droits des passagers;
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 3 :
1° quiconque commet une infraction à l'article 7, alinéa 1er, du Règlement concernant les droits des passagers;
2° quiconque commet une infraction à l'article 9 du Règlement concernant les droits des passagers;
3° quiconque commet une infraction à l'article 10 du Règlement concernant les droits des passagers;
4° quiconque commet une infraction à l'article 11 du Règlement concernant les droits des passagers;
5° quiconque commet une infraction à l'article 13 du Règlement concernant les droits des passagers;
6° quiconque commet une infraction à l'article 23 du Règlement concernant les droits des passagers;
§ 4. Est puni d'une sanction de niveau 4 :
1° quiconque commet une infraction à l'article 4, alinéa 2, du Règlement concernant les droits des passagers;
2° quiconque commet une infraction à l'article 7, alinéa 2, du Règlement concernant les droits des passagers;
3° quiconque commet une infraction à l'article 14 du Règlement concernant les droits des passagers;
4° quiconque commet une infraction à l'article 24 du Règlement concernant les droits des passagers.
[1 § 5. Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article peuvent uniquement être punies d'une amende administrative.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 6. - Scheepvaartvoorvallen
Sous-Section 6. - Evénements de navigation
Art. 4.1.2.51. Inbreuk op het FUND-Verdrag, het FUND-Protocol 2003 en de artikel en 2.7.3.12, 2.7.3.13, 2.7.3.14 en 4.2.4.2
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, iedere persoon die op Belgisch grondgebied bijdragende olie ontvangt en die de artikel en 10 van het FUND-Verdrag 1992 en van het FUND-Protocol 2003 overtreedt, alsook eenieder die de artikel en 2.7.3.12, 2.7.3.13, 2.7.3.14 en 4.2.4.2, § 1, derde lid, of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt.
§ 2. De personen bedoeld in artikel 2.7.3.12, eerste lid, zijn burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboete en kosten waartoe hun organen, aangestelden, lasthebbers of vertegenwoordigers zijn veroordeeld.
De burgerlijk aansprakelijke personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van geldboeten en kosten die op grond van paragraaf 1 zijn uitgesproken.
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, iedere persoon die op Belgisch grondgebied bijdragende olie ontvangt en die de artikel en 10 van het FUND-Verdrag 1992 en van het FUND-Protocol 2003 overtreedt, alsook eenieder die de artikel en 2.7.3.12, 2.7.3.13, 2.7.3.14 en 4.2.4.2, § 1, derde lid, of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt.
§ 2. De personen bedoeld in artikel 2.7.3.12, eerste lid, zijn burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboete en kosten waartoe hun organen, aangestelden, lasthebbers of vertegenwoordigers zijn veroordeeld.
De burgerlijk aansprakelijke personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van geldboeten en kosten die op grond van paragraaf 1 zijn uitgesproken.
Art. 4.1.2.51. Infraction à la Convention FUND, au Protocole FUND 2003 et aux articles 2.7.3.12, 2.7.3.13, 2.7.3.14 et 4.2.4.2
§ 1er. Est punie d'une sanction de niveau 4 toute personne qui reçoit des hydrocarbures donnant lieu à contribution sur le territoire belge et qui enfreint les articles 10 de la Convention FUND 1992 et du Protocole FUND 2003, ainsi que quiconque enfreint les articles 2.7.3.12, 2.7.3.13, 2.7.3.14 et 4.2.4.2, § 1er, alinéa 3, ou les arrêtés d'exécutiony afférents.
§ 2. Les personnes visées à l'article 2.7.3.12, alinéa 1er, sont civilement responsables du paiement de l'amende et des frais auxquels leurs organes, préposés, mandataires ou représentants ont été condamnés.
Les personnes civilement responsables sont solidairement responsables du paiement d'amendes et de frais prononcés en vertu du paragraphe 1er.
§ 1er. Est punie d'une sanction de niveau 4 toute personne qui reçoit des hydrocarbures donnant lieu à contribution sur le territoire belge et qui enfreint les articles 10 de la Convention FUND 1992 et du Protocole FUND 2003, ainsi que quiconque enfreint les articles 2.7.3.12, 2.7.3.13, 2.7.3.14 et 4.2.4.2, § 1er, alinéa 3, ou les arrêtés d'exécutiony afférents.
§ 2. Les personnes visées à l'article 2.7.3.12, alinéa 1er, sont civilement responsables du paiement de l'amende et des frais auxquels leurs organes, préposés, mandataires ou représentants ont été condamnés.
Les personnes civilement responsables sont solidairement responsables du paiement d'amendes et de frais prononcés en vertu du paragraphe 1er.
Art. 4.1.2.52. Inbreuk op de artikel en 2.7.6.3 tot 2.7.6.7 of artikel 2.7.6.14
Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft, eenieder die :
1° de artikel en 2.7.6.3 tot 2.7.6.7, al dan niet in samenhang met artikel 2.7.6.14 overtreedt;
2° de besluiten genomen ter uitvoering van de artikel en 2.7.6.2 tot 2.7.6.7, al dan niet in samenhang met artikel 2.7.6.14 overtreedt.
Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft, eenieder die :
1° de artikel en 2.7.6.3 tot 2.7.6.7, al dan niet in samenhang met artikel 2.7.6.14 overtreedt;
2° de besluiten genomen ter uitvoering van de artikel en 2.7.6.2 tot 2.7.6.7, al dan niet in samenhang met artikel 2.7.6.14 overtreedt.
Art. 4.1.2.52. Infraction aux articles 2.7.6.3 à 2.7.6.7 ou à l'article 2.7.6.14
Est puni d'une sanction de niveau 5 quiconque :
1° enfreint les articles 2.7.6.3 à 2.7.6.7, en combinaison ou non avec l'article 2.7.6.14;
2° enfreint les arrêtés pris en exécution des articles 2.7.6.2 à 2.7.6.7, en combinaison ou non avec l'article 2.7.6.14.
Est puni d'une sanction de niveau 5 quiconque :
1° enfreint les articles 2.7.6.3 à 2.7.6.7, en combinaison ou non avec l'article 2.7.6.14;
2° enfreint les arrêtés pris en exécution des articles 2.7.6.2 à 2.7.6.7, en combinaison ou non avec l'article 2.7.6.14.
Art. 4.1.2.53. Inbreuk op het WRC-Verdrag en de artikel en 2.3.2.8, 2.3.2.11, 2.7.6.10 en 2.7.6.12
§ 1. Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft :
1° eenieder die artikel 9.2 en 9.3 van het WRC-Verdrag overtreedt;
2° eenieder die de artikel en 2.3.2.8, § 8 of 2.3.2.14, § 3 overtreedt;
3° eenieder die artikel 2.7.6.12 overtreedt.
De in deze paragraaf bedoelde inbreuken kunnen worden vervolgd in België.
§ 2. Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft, eenieder die de bij artikel 2.7.6.10, § 2 opgelegde verplichtingen niet naleeft.
§ 1. Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft :
1° eenieder die artikel 9.2 en 9.3 van het WRC-Verdrag overtreedt;
2° eenieder die de artikel en 2.3.2.8, § 8 of 2.3.2.14, § 3 overtreedt;
3° eenieder die artikel 2.7.6.12 overtreedt.
De in deze paragraaf bedoelde inbreuken kunnen worden vervolgd in België.
§ 2. Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft, eenieder die de bij artikel 2.7.6.10, § 2 opgelegde verplichtingen niet naleeft.
Art. 4.1.2.53. Infraction à la Convention WRC et aux articles 2.3.2.8, 2.3.2.11, 2.7.6.10 et 2.7.6.12
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 5 :
1° quiconque enfreint les articles 9.2 et 9.3, de la Convention WRC;
2° quiconque enfreint l'article 2.3.2.8, § 8, ou 2.3.2.14, § 3;
3° quiconque enfreint l'article 2.7.6.12.
Les infractions visées au présent paragraphe peuvent être poursuivies en Belgique.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 5 quiconque ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.7.6.10, § 2.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 5 :
1° quiconque enfreint les articles 9.2 et 9.3, de la Convention WRC;
2° quiconque enfreint l'article 2.3.2.8, § 8, ou 2.3.2.14, § 3;
3° quiconque enfreint l'article 2.7.6.12.
Les infractions visées au présent paragraphe peuvent être poursuivies en Belgique.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 5 quiconque ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.7.6.10, § 2.
Art. 4.1.2.54. Inbreuk op de artikel en 2.7.7.1 tot 2.7.7.25
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die de artikel en 2.7.7.1 tot 2.7.7.25 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt, of die de uitvoering van de opdracht van de FOSO of een andere bevoegde onderzoeksinstantie uitgeoefend krachtens deze bepalingen belemmert.
§ 2. Elke schending van het beroepsgeheim bedoeld in artikel 2.7.7.6, § 2, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.
Onverminderd artikel 458 van het Strafwetboek wordt met een sanctie van niveau 4 bestraft, de persoon die de identiteit onthult van een persoon die om anonimiteit verzoekt overeenkomstig artikel 2.7.7.18, § 2.
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die de artikel en 2.7.7.1 tot 2.7.7.25 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt, of die de uitvoering van de opdracht van de FOSO of een andere bevoegde onderzoeksinstantie uitgeoefend krachtens deze bepalingen belemmert.
§ 2. Elke schending van het beroepsgeheim bedoeld in artikel 2.7.7.6, § 2, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.
Onverminderd artikel 458 van het Strafwetboek wordt met een sanctie van niveau 4 bestraft, de persoon die de identiteit onthult van een persoon die om anonimiteit verzoekt overeenkomstig artikel 2.7.7.18, § 2.
Art. 4.1.2.54. Infraction aux articles 2.7.7.1 à 2.7.7.25
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque enfreint les articles 2.7.7.1 à 2.7.7.25 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents, ou qui entrave l'exécution de la mission de l'OFEAN ou d'un autre organisme d'enquête compétent effectuée en vertu de ces dispositions.
§ 2. Toute violation du secret professionnel visé à l'article 2.7.7.6, § 2, est punie des sanctions déterminées à l'article 458 du Code pénal.
Sans préjudice de l'article 458 du Code pénal, est punie d'une sanction de niveau 4 la personne qui dévoile l'identité d'une personne qui requiert l'anonymat conformément à l'article 2.7.7.18, § 2.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque enfreint les articles 2.7.7.1 à 2.7.7.25 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents, ou qui entrave l'exécution de la mission de l'OFEAN ou d'un autre organisme d'enquête compétent effectuée en vertu de ces dispositions.
§ 2. Toute violation du secret professionnel visé à l'article 2.7.7.6, § 2, est punie des sanctions déterminées à l'article 458 du Code pénal.
Sans préjudice de l'article 458 du Code pénal, est punie d'une sanction de niveau 4 la personne qui dévoile l'identité d'une personne qui requiert l'anonymat conformément à l'article 2.7.7.18, § 2.
Afdeling 3. - Binnenvaart
Section 3. - Navigation intérieure
Art. 4.1.2.55. Inbreuk op de artikel en 3.2.1.1 tot 3.2.1.5.
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die de artikel en 3.2.1.1 tot 3.2.1.5 of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, eenieder die bij de toepassing van de artikel en 3.2.1.1 tot 3.2.1.5 wetens en willens foutieve informatie aan het Belgisch Scheepsregister bezorgt.
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die de artikel en 3.2.1.1 tot 3.2.1.5 of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt.
§ 2. Met een sanctie van niveau 1 wordt bestraft, eenieder die bij de toepassing van de artikel en 3.2.1.1 tot 3.2.1.5 wetens en willens foutieve informatie aan het Belgisch Scheepsregister bezorgt.
Art. 4.1.2.55. Infraction aux articles 3.2.1.1 à 3.2.1.5
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint les articles 3.2.1.1. à 3.2.1.5 ou les arrêtés d'exécution y afférents.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1 quiconque fournit, en application des articles 3.2.1.1 à 3.2.1.5, des informations erronées sciemment et volontairement au Registre naval belge.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint les articles 3.2.1.1. à 3.2.1.5 ou les arrêtés d'exécution y afférents.
§ 2. Est puni d'une sanction de niveau 1 quiconque fournit, en application des articles 3.2.1.1 à 3.2.1.5, des informations erronées sciemment et volontairement au Registre naval belge.
Art. 4.1.2.56. Inbreuk op de artikel en 3.3.2.1 tot 3.3.2.5
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die de artikel en 3.3.2.1 tot 3.3.2.5 of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt.
[1 In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde inbreuken enkel worden bestraft met een administratieve geldboete.]1
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die de artikel en 3.3.2.1 tot 3.3.2.5 of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt.
[1 In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde inbreuken enkel worden bestraft met een administratieve geldboete.]1
Art. 4.1.2.56. Infraction aux articles 3.3.2.1 à 3.3.2.5
Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque enfreint les articles 3.3.2.1 à 3.3.2.5 ou les arrêtés d'exécution y afférents.
[1 Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article peuvent uniquement être punies d'une amende administrative.]1
Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque enfreint les articles 3.3.2.1 à 3.3.2.5 ou les arrêtés d'exécution y afférents.
[1 Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article peuvent uniquement être punies d'une amende administrative.]1
Wijzigingen
Art. 4.1.2.57. Inbreuk op de artikel en 3.3.4.1
Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft, eenieder die een estauair schip exploiteert zonder dat de volgens artikel 3.3.4.1 geldige certificaten aan boord zijn of in overeenstemming met artikel 2.3.2.14, § 4 in een elektronisch register beschikbaar zijn. [1 In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde inbreuken enkel worden bestraft met een administratieve geldboete]1.
Met een sanctie van niveau 5 wordt bestraft, eenieder die een estauair schip exploiteert zonder dat de volgens artikel 3.3.4.1 geldige certificaten aan boord zijn of in overeenstemming met artikel 2.3.2.14, § 4 in een elektronisch register beschikbaar zijn. [1 In afwijking van artikel 4.1.1.1, kunnen de in dit artikel bedoelde inbreuken enkel worden bestraft met een administratieve geldboete]1.
Art. 4.1.2.57. Infraction aux articles 3.3.4.1
Toute personne qui exploite un navire estuaire sans avoir à bord les certificats valables conformément à l'article 3.3.4.1. ou conformément à l'article 2.3.2.14, § 4, disponibles dans un registre électronique, est sanctionné par une sanction du niveau 5. [1 Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article peuvent uniquement être punies d'une amende administrative.]1
Toute personne qui exploite un navire estuaire sans avoir à bord les certificats valables conformément à l'article 3.3.4.1. ou conformément à l'article 2.3.2.14, § 4, disponibles dans un registre électronique, est sanctionné par une sanction du niveau 5. [1 Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées au présent article peuvent uniquement être punies d'une amende administrative.]1
Wijzigingen
Art. 4.1.2.58. Inbreuk op [1 artikel 3.6.1.10]1
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die [1 artikel 3.6.1.10]1 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt.
§ 2. In afwijking van artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek, kan de rechter niet uitsluitend op grond van voornoemde inbreuk de bijzondere verbeurdverklaring van het schip uitspreken.
Bij een veroordeling van de vervoerder kan de rechter wel het tijdelijk verbod opleggen om van het schip dat gediend heeft tot het plegen van het misdrijf met het oog op vervoer of opslag van goederen gebruik te maken op Belgische binnenwateren. Het verbod mag niet meer dan twee jaar en mag niet minder dan één maand duren.
Het verbod neemt een aanvang zodra de veroordeling op tegenspraak of bij verstek in kracht van gewijsde is gegaan.
§ 3. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die een inbreuk begaat op de beschikking van het vonnis of van het arrest waarbij een verbod wordt opgelegd met toepassing van § 2.
Tevens zijn, in geval van vaststelling van niet naleving van het krachtens § 2 vastgesteld verbod, de scheepvaartcontroleurs gerechtigd het betrokken schip, op kosten en risico van de scheepseigenaar, aan te houden voor een duurtijd gelijk aan deze tijdens welke het verbod niet werd nageleefd.
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die [1 artikel 3.6.1.10]1 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt.
§ 2. In afwijking van artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek, kan de rechter niet uitsluitend op grond van voornoemde inbreuk de bijzondere verbeurdverklaring van het schip uitspreken.
Bij een veroordeling van de vervoerder kan de rechter wel het tijdelijk verbod opleggen om van het schip dat gediend heeft tot het plegen van het misdrijf met het oog op vervoer of opslag van goederen gebruik te maken op Belgische binnenwateren. Het verbod mag niet meer dan twee jaar en mag niet minder dan één maand duren.
Het verbod neemt een aanvang zodra de veroordeling op tegenspraak of bij verstek in kracht van gewijsde is gegaan.
§ 3. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die een inbreuk begaat op de beschikking van het vonnis of van het arrest waarbij een verbod wordt opgelegd met toepassing van § 2.
Tevens zijn, in geval van vaststelling van niet naleving van het krachtens § 2 vastgesteld verbod, de scheepvaartcontroleurs gerechtigd het betrokken schip, op kosten en risico van de scheepseigenaar, aan te houden voor een duurtijd gelijk aan deze tijdens welke het verbod niet werd nageleefd.
Art. 4.1.2.58. Infraction [1 à l'article 3.6.1.10]1
§ 1. Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint [1 l'article 3.6.1.10]1 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents.
§ 2. Par dérogation à l'article 43, alinéa 1er, du Code pénal, le juge ne peut pas prononcer la confiscation spéciale du navire en s'appuyant uniquement sur l'infraction précitée.
En cas de condamnation du transporteur, le juge peut toutefois imposer l'interdiction temporaire d'utiliser le navire ayant servi à commettre l'infraction en vue du transport ou de l'entreposage de marchandises par les eaux intérieures belges. Cette interdiction ne peut pas dépasser les deux ans et ne peut être inférieure à un mois.
L'interdiction commence à compter du jour où la condamnation contradictoire ou par défaut ayant force de chose jugée.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque enfreint la disposition du jugement ou de l'arrêt imposant une interdiction en application du § 2.
De plus, en cas de constatation du non-respect de l'interdiction fixée en vertu du § 2, les agents chargés du contrôle de la navigation sont habilités à immobiliser temporairement le navire concerné aux frais et risques du propriétaire, pour une durée égale à celle pendant laquelle l'interdiction n'a pas été respectée.
§ 1. Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque enfreint [1 l'article 3.6.1.10]1 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents.
§ 2. Par dérogation à l'article 43, alinéa 1er, du Code pénal, le juge ne peut pas prononcer la confiscation spéciale du navire en s'appuyant uniquement sur l'infraction précitée.
En cas de condamnation du transporteur, le juge peut toutefois imposer l'interdiction temporaire d'utiliser le navire ayant servi à commettre l'infraction en vue du transport ou de l'entreposage de marchandises par les eaux intérieures belges. Cette interdiction ne peut pas dépasser les deux ans et ne peut être inférieure à un mois.
L'interdiction commence à compter du jour où la condamnation contradictoire ou par défaut ayant force de chose jugée.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque enfreint la disposition du jugement ou de l'arrêt imposant une interdiction en application du § 2.
De plus, en cas de constatation du non-respect de l'interdiction fixée en vertu du § 2, les agents chargés du contrôle de la navigation sont habilités à immobiliser temporairement le navire concerné aux frais et risques du propriétaire, pour une durée égale à celle pendant laquelle l'interdiction n'a pas été respectée.
Wijzigingen
Art. 4.1.2.59. Inbreuk op het CDNI-Verdrag
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, eenieder die het CDNI-Verdrag of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt, onverminderd de eventuele schadevergoeding.
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, eenieder die het CDNI-Verdrag of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt, onverminderd de eventuele schadevergoeding.
Art. 4.1.2.59. Infraction à la Convention CDNI
Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint la Convention CDNI ou ses arrêtés d'exécution, sans préjudice de l'indemnisation éventuelle.
Est puni d'une sanction de niveau 2 quiconque enfreint la Convention CDNI ou ses arrêtés d'exécution, sans préjudice de l'indemnisation éventuelle.
Afdeling 4. - Handhaving
Section 4. - Mise en application
Art. 4.1.2.60. Verhindering of belemmering van handhaving
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die de door of krachtens dit wetboek geregelde handhaving, met inbegrip van de vaststelling van inbreuken en het onderzoek door de bevoegde personeelsleden van de overheid en de door de overheid aangestelde deskundigen, verhindert of belemmert.
Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die de door of krachtens dit wetboek geregelde handhaving, met inbegrip van de vaststelling van inbreuken en het onderzoek door de bevoegde personeelsleden van de overheid en de door de overheid aangestelde deskundigen, verhindert of belemmert.
Art. 4.1.2.60. Empêchement ou entrave d'application
Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque empêche ou entrave la mise en application régie par le présent code ou en vertu de celui-ci, y compris le constat d'infractions et l'enquête par les membres du personnel des autorités compétents et par les experts désignés par les autorités.
Est puni d'une sanction de niveau 4 quiconque empêche ou entrave la mise en application régie par le présent code ou en vertu de celui-ci, y compris le constat d'infractions et l'enquête par les membres du personnel des autorités compétents et par les experts désignés par les autorités.
Art. 4.1.2.61. Smaden of slaan van scheepvaartcontroleurs of de Scheepvaartpolitie
Met de straffen bepaald in de artikel en 276 en 280 van het Strafwetboek, naar het aldaar voorziene onderscheid en onverminderd de toepassing van artikel en 299, 400 en 401 van hetzelfde Wetboek en de artikel en 2.4.5.16 en 2.4.5.17 van dit wetboek, wordt gestraft eenieder die de scheepvaartcontroleurs of de Scheepvaartpolitie in de uitoefening of naar aanleiding van de uitoefening van hun ambt smaadt of slaat.
Met de straffen bepaald in de artikel en 276 en 280 van het Strafwetboek, naar het aldaar voorziene onderscheid en onverminderd de toepassing van artikel en 299, 400 en 401 van hetzelfde Wetboek en de artikel en 2.4.5.16 en 2.4.5.17 van dit wetboek, wordt gestraft eenieder die de scheepvaartcontroleurs of de Scheepvaartpolitie in de uitoefening of naar aanleiding van de uitoefening van hun ambt smaadt of slaat.
Art. 4.1.2.61. Outrage ou coup envers les contrôleurs de la navigation ou de la Police de la navigation
Est punie des sanctions prévues aux articles 276 et 280 du Code pénal, selon les distinctions y établies et sans préjudice de l'application des articles 299, 400 et 401 du même Code, ainsi que des articles 2.4.5.16 et 2.4.5.17 du présent code, toute personne outrageant ou frappant les contrôleurs de la navigation ou de la Police de la navigation dans l'exercice ou dans le cadre de l'exercice de leurs fonctions.
Est punie des sanctions prévues aux articles 276 et 280 du Code pénal, selon les distinctions y établies et sans préjudice de l'application des articles 299, 400 et 401 du même Code, ainsi que des articles 2.4.5.16 et 2.4.5.17 du présent code, toute personne outrageant ou frappant les contrôleurs de la navigation ou de la Police de la navigation dans l'exercice ou dans le cadre de l'exercice de leurs fonctions.
Art. 4.1.2.62. Inbreuk op artikel 4.2.1.15
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die de met toepassing van artikel 4.2.1.15 voorgeschreven maatregelen niet naleeft.
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die de met toepassing van artikel 4.2.1.15 voorgeschreven maatregelen niet naleeft.
Art. 4.1.2.62. Infraction à l'article 4.2.1.15
Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque ne respecte pas les mesures prescrites en application de l'article 4.2.1.15.
Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque ne respecte pas les mesures prescrites en application de l'article 4.2.1.15.
Art. 4.1.2.63. Inbreuk op artikel 4.2.2.6
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die een inbreuk begaat op de besluiten genomen in uitvoering van artikel 4.2.2.6.
§ 2. Bij het vaststellen van een van de in paragraaf 1 bedoelde inbreuken kan, indien het feit geen schade aan derden heeft veroorzaakt, en indien de overtreder ermee instemt, onmiddellijk een som worden geïnd. De Koning bepaalt :
1° het bedrag van voornoemde som, dat niet lager mag zijn dan 500 euro en niet hoger dan het maximum van de op de inbreuk toepasselijke geldboete, vermeerderd met de opdeciemen;
2° de nadere regels inzake de inning van de som.
Door betaling van de som vervalt de strafvordering en de administratieve vervolging, tenzij het Openbaar Ministerie binnen een maand, te rekenen vanaf de dag van de betaling, de betrokkene in kennis stelt van zijn voornemen de strafvordering in te stellen. Deze kennisgeving geschiedt bij een aangetekende zending; zij wordt geacht te zijn gedaan de eerste werkdag na de dag van afgifte.
§ 3. Indien de overtreder of zijn wettelijke vertegenwoordiger in België de voorgestelde som niet onmiddellijk betaalt, moet hij aan de optredende scheepvaartcontroleurs of personeelsleden van de Scheepvaartpolitie een som in consignatie geven bestemd om de desgevallend verschuldigde geldboete en de gerechtskosten te dekken.
De Koning bepaalt het bedrag van de som die in consignatie moet worden gegeven en de nadere regels inzake de inning.
Het door de overtreder bestuurde schip wordt op zijn kosten en risico aangehouden tot de voornoemde som betaald is en het bewijs geleverd wordt dat de desgevallend voor de bewaring van het schip gemaakte kosten betaald zijn.
Wanneer de voornoemde som niet is betaald na verloop van 96 uren vanaf de vaststelling van de inbreuk, kan het Openbaar Ministerie de inbeslagname van het schip bevelen.
Een bericht van inbeslagname wordt binnen de twee werkdagen gezonden aan de scheepseigenaar of zijn vertegenwoordiger in België.
Het risico en de kosten voor het schip blijven tijdens de duur van het beslag ten laste van de overtreder.
Het beslag wordt opgeheven nadat het bewijs wordt geleverd dat de som die in consignatie moet worden gegeven en de desgevallend gemaakte bewaringskosten betaald werden.
§ 4. Ingeval de strafvordering tot veroordeling van de betrokkene of zijn vertegenwoordiger in België leidt of de administratieve vervolging tot het opleggen van een administratieve geldboete leidt, zijn de volgende bepalingen van toepassing :
1° de geïnde of in consignatie gegeven som wordt toegerekend op de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten, geldboeten en wettelijke bijdragen verschuldigd aan de Staat; het eventuele overschot wordt terugbetaald;
2° indien het schip in beslag genomen is, wordt bij vonnis bevolen dat de administratie bevoegd voor het beheer van de Domeinen het schip ingeval van niet-betaling van de geldboete, de gerechtskosten en de wettelijke bijdragen verschuldigd aan de Staat moet verkopen binnen een termijn van veertig dagen vanaf de uitspraak van het vonnis; deze beslissing is uitvoerbaar niettegenstaande elk rechtsmiddel.
De opbrengst van de verkoop van het schip behoort van rechtswege toe aan de Staat voor het gedeelte van de uitgesproken geldboeten, gerechtskosten, kosten van slepen en bewaring van het schip en wettelijke bijdragen verschuldigd aan de Staat. Het overschot wordt aan de eigenaar van het verkochte schip terugbetaald.
§ 5. In geval van vrijspraak of, in geval van administratieve vervolging, zo geen administratieve geldboete wordt opgelegd, wordt de geïnde of in consignatie gegeven som of het in beslag genomen schip teruggegeven; de eventuele bewaringskosten met inbegrip van sleepkosten vallen ten laste van de Staat.
§ 6. In geval van voorwaardelijke veroordeling dan wel opschorting van de uitspraak, of ingeval voor de gehele opgelegde administratieve geldboete uitstel van tenuitvoerlegging wordt toegestaan of de sanctionerende overheid overgaat tot een eenvoudige schuldigverklaring, wordt de geïnde of in consignatie gegeven som teruggegeven onder aftrek van de desgevallend verschuldigde gerechtskosten; het in beslag genomen schip wordt teruggegeven nadat het bewijs is geleverd dat de eventuele aan de Staat verschuldigde bewaringskosten, met inbegrip van sleepkosten, en de gerechtskosten betaald zijn.
§ 7. De in consignatie gegeven som of het in beslag genomen schip wordt teruggegeven wanneer het Openbaar Ministerie beslist geen vervolging in te stellen en de sanctionerende overheid de zaak klasseert zonder gevolg, of wanneer de strafvordering en de administratieve vervolging vervallen of verjaard is.
§ 8. De scheepvaartcontroleurs en de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie zijn met de uitvoering van de paragrafen 2 tot 7 belast voor zover zij daartoe individueel zijn gemachtigd door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep van het rechtsgebied waar zij hun standplaats hebben.
§ 1. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, eenieder die een inbreuk begaat op de besluiten genomen in uitvoering van artikel 4.2.2.6.
§ 2. Bij het vaststellen van een van de in paragraaf 1 bedoelde inbreuken kan, indien het feit geen schade aan derden heeft veroorzaakt, en indien de overtreder ermee instemt, onmiddellijk een som worden geïnd. De Koning bepaalt :
1° het bedrag van voornoemde som, dat niet lager mag zijn dan 500 euro en niet hoger dan het maximum van de op de inbreuk toepasselijke geldboete, vermeerderd met de opdeciemen;
2° de nadere regels inzake de inning van de som.
Door betaling van de som vervalt de strafvordering en de administratieve vervolging, tenzij het Openbaar Ministerie binnen een maand, te rekenen vanaf de dag van de betaling, de betrokkene in kennis stelt van zijn voornemen de strafvordering in te stellen. Deze kennisgeving geschiedt bij een aangetekende zending; zij wordt geacht te zijn gedaan de eerste werkdag na de dag van afgifte.
§ 3. Indien de overtreder of zijn wettelijke vertegenwoordiger in België de voorgestelde som niet onmiddellijk betaalt, moet hij aan de optredende scheepvaartcontroleurs of personeelsleden van de Scheepvaartpolitie een som in consignatie geven bestemd om de desgevallend verschuldigde geldboete en de gerechtskosten te dekken.
De Koning bepaalt het bedrag van de som die in consignatie moet worden gegeven en de nadere regels inzake de inning.
Het door de overtreder bestuurde schip wordt op zijn kosten en risico aangehouden tot de voornoemde som betaald is en het bewijs geleverd wordt dat de desgevallend voor de bewaring van het schip gemaakte kosten betaald zijn.
Wanneer de voornoemde som niet is betaald na verloop van 96 uren vanaf de vaststelling van de inbreuk, kan het Openbaar Ministerie de inbeslagname van het schip bevelen.
Een bericht van inbeslagname wordt binnen de twee werkdagen gezonden aan de scheepseigenaar of zijn vertegenwoordiger in België.
Het risico en de kosten voor het schip blijven tijdens de duur van het beslag ten laste van de overtreder.
Het beslag wordt opgeheven nadat het bewijs wordt geleverd dat de som die in consignatie moet worden gegeven en de desgevallend gemaakte bewaringskosten betaald werden.
§ 4. Ingeval de strafvordering tot veroordeling van de betrokkene of zijn vertegenwoordiger in België leidt of de administratieve vervolging tot het opleggen van een administratieve geldboete leidt, zijn de volgende bepalingen van toepassing :
1° de geïnde of in consignatie gegeven som wordt toegerekend op de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten, geldboeten en wettelijke bijdragen verschuldigd aan de Staat; het eventuele overschot wordt terugbetaald;
2° indien het schip in beslag genomen is, wordt bij vonnis bevolen dat de administratie bevoegd voor het beheer van de Domeinen het schip ingeval van niet-betaling van de geldboete, de gerechtskosten en de wettelijke bijdragen verschuldigd aan de Staat moet verkopen binnen een termijn van veertig dagen vanaf de uitspraak van het vonnis; deze beslissing is uitvoerbaar niettegenstaande elk rechtsmiddel.
De opbrengst van de verkoop van het schip behoort van rechtswege toe aan de Staat voor het gedeelte van de uitgesproken geldboeten, gerechtskosten, kosten van slepen en bewaring van het schip en wettelijke bijdragen verschuldigd aan de Staat. Het overschot wordt aan de eigenaar van het verkochte schip terugbetaald.
§ 5. In geval van vrijspraak of, in geval van administratieve vervolging, zo geen administratieve geldboete wordt opgelegd, wordt de geïnde of in consignatie gegeven som of het in beslag genomen schip teruggegeven; de eventuele bewaringskosten met inbegrip van sleepkosten vallen ten laste van de Staat.
§ 6. In geval van voorwaardelijke veroordeling dan wel opschorting van de uitspraak, of ingeval voor de gehele opgelegde administratieve geldboete uitstel van tenuitvoerlegging wordt toegestaan of de sanctionerende overheid overgaat tot een eenvoudige schuldigverklaring, wordt de geïnde of in consignatie gegeven som teruggegeven onder aftrek van de desgevallend verschuldigde gerechtskosten; het in beslag genomen schip wordt teruggegeven nadat het bewijs is geleverd dat de eventuele aan de Staat verschuldigde bewaringskosten, met inbegrip van sleepkosten, en de gerechtskosten betaald zijn.
§ 7. De in consignatie gegeven som of het in beslag genomen schip wordt teruggegeven wanneer het Openbaar Ministerie beslist geen vervolging in te stellen en de sanctionerende overheid de zaak klasseert zonder gevolg, of wanneer de strafvordering en de administratieve vervolging vervallen of verjaard is.
§ 8. De scheepvaartcontroleurs en de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie zijn met de uitvoering van de paragrafen 2 tot 7 belast voor zover zij daartoe individueel zijn gemachtigd door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep van het rechtsgebied waar zij hun standplaats hebben.
Art. 4.1.2.63. Infraction à l'article 4.2.2.6
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque commet une infraction aux décisions prises en exécution de l'article 4.2.2.6.
§ 2. Lors de la constatation d'une des infractions visées au paragraphe 1er, si le fait n'a pas causé de dommage à des tiers et moyennant l'accord du contrevenant, une somme peut être immédiatement perçue. Le Roi détermine :
1° le montant de la somme précitée, qui ne peut pas être inférieur à 500 euros sans toutefois dépasser le maximum de l'amende applicable à l'infraction, majoré des décimes additionnels;
2° les autres règles relatives au recouvrement de la somme.
Le paiement de la somme éteint l'action publique et les poursuites administratives, sauf si le Ministère public notifie à l'intéressé, dans le mois à compter du jour du paiement, qu'il entend exercer l'action publique. Cette notification a lieu par un envoi recommandé; elle est réputée faite le premier jour ouvrable suivant celui du dépôt.
§ 3. Si le contrevenant ou son représentant légal en Belgique ne paie pas immédiatement la somme proposée, il devra consigner entre les mains des contrôleurs de la navigation agissant ou des membres du personnel de la Police de la navigation une somme destinée à couvrir l'amende due et les frais de justice éventuels.
Le Roi détermine le montant de la somme à consigner, ainsi que les modalités de sa perception.
Le navire piloté par le contrevenant sera immobilisé, à ses frais et à ses risques, jusqu'au paiement de la somme précitée et jusqu'à la fourniture de la preuve que les coûts exposés le cas échéant pour la garde du navire ont été payés.
Si la somme précitée n'est pas payée à l'expiration d'un délai de 96 heures à compter du constat de l'infraction, le Ministère public pourra ordonner la saisie du navire.
Un avis de saisie est envoyé au propriétaire du navire ou à son représentant en Belgique dans les deux jours ouvrables.
Les risques et les frais afférents au navire restent à charge du contrevenant pendant la durée de la saisie.
La saisie est levée après justification du paiement de la somme à consigner et des frais de conservation éventuellement exposés.
§ 4. Si cette action publique aboutit à une condamnation de l'intéressé ou de son présentant en Belgique ou si la poursuite administrative aboutit à l'imposition d'une amende administrative, les dispositions suivantes seront d'application :
1° la somme perçue ou consignée est imputée sur les frais de justice, l'amende prononcée et les contributions légales dues à l'Etat; l'excédent éventuel est restitué;
2° si le navire est saisi, le jugement ordonne que l'administration compétente pour la gestion des Domaines procède à la vente du navire, à défaut du paiement de l'amende, des frais de justice et des contributions légales dues à l'Etat dans un délai de quarante jours du prononcé du jugement; cette décision est exécutoire nonobstant tout recours.
La recette de la vente du navire appartient de plein droit à l'Etat pour la partie des amendes prononcées, des frais de justice, ainsi que les frais éventuels de remorquage et de conservation du navire et les contributions légales dues à l'Etat. L'excédent éventuel est restitué au propriétaire du navire vendu.
§ 5. En cas d'acquittement de l'intéressé, ou, en cas de poursuite administrative, si aucune amende administrative n'est imposée, la somme perçue ou consignée ou le navire saisi est restitué; les frais éventuels de conservation, y compris les coûts de remorquage, sont à charge de l'Etat.
§ 6. En cas de condamnation conditionnelle de l'intéressé ou de suspension du prononcé, si, pour l'intégralité de l'amende administrative imposée, un sursis d'exécution est accordé ou l'autorité de sanction procède à une simple déclaration de culpabilité, la somme perçue ou consignée est restituée après déduction des frais de justice éventuellement dus; le navire saisi est restitué après justification du paiement des frais éventuels de conservation, y compris les coûts de remorquage, et des frais de justice dus à l'Etat.
§ 7. Lorsque le Ministère public décide de ne pas poursuivre, que l'autorité de sanction classe l'affaire sans suite ou lorsque l'action publique et les poursuites administratives sont éteintes ou prescrites, la somme consignée ou le navire saisi est restitué.
§ 8. Les contrôleurs de la navigation et les membres du personnel de la Police de la navigation sont chargés de l'exécution des paragraphes 2 à 7, pour autant qu'ils aient été individuellement mandatés à cette fin par le procureur général près la Cour d'Appel dans le ressort de laquelle ces agents ont leur lieu d'affectation.
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 3 quiconque commet une infraction aux décisions prises en exécution de l'article 4.2.2.6.
§ 2. Lors de la constatation d'une des infractions visées au paragraphe 1er, si le fait n'a pas causé de dommage à des tiers et moyennant l'accord du contrevenant, une somme peut être immédiatement perçue. Le Roi détermine :
1° le montant de la somme précitée, qui ne peut pas être inférieur à 500 euros sans toutefois dépasser le maximum de l'amende applicable à l'infraction, majoré des décimes additionnels;
2° les autres règles relatives au recouvrement de la somme.
Le paiement de la somme éteint l'action publique et les poursuites administratives, sauf si le Ministère public notifie à l'intéressé, dans le mois à compter du jour du paiement, qu'il entend exercer l'action publique. Cette notification a lieu par un envoi recommandé; elle est réputée faite le premier jour ouvrable suivant celui du dépôt.
§ 3. Si le contrevenant ou son représentant légal en Belgique ne paie pas immédiatement la somme proposée, il devra consigner entre les mains des contrôleurs de la navigation agissant ou des membres du personnel de la Police de la navigation une somme destinée à couvrir l'amende due et les frais de justice éventuels.
Le Roi détermine le montant de la somme à consigner, ainsi que les modalités de sa perception.
Le navire piloté par le contrevenant sera immobilisé, à ses frais et à ses risques, jusqu'au paiement de la somme précitée et jusqu'à la fourniture de la preuve que les coûts exposés le cas échéant pour la garde du navire ont été payés.
Si la somme précitée n'est pas payée à l'expiration d'un délai de 96 heures à compter du constat de l'infraction, le Ministère public pourra ordonner la saisie du navire.
Un avis de saisie est envoyé au propriétaire du navire ou à son représentant en Belgique dans les deux jours ouvrables.
Les risques et les frais afférents au navire restent à charge du contrevenant pendant la durée de la saisie.
La saisie est levée après justification du paiement de la somme à consigner et des frais de conservation éventuellement exposés.
§ 4. Si cette action publique aboutit à une condamnation de l'intéressé ou de son présentant en Belgique ou si la poursuite administrative aboutit à l'imposition d'une amende administrative, les dispositions suivantes seront d'application :
1° la somme perçue ou consignée est imputée sur les frais de justice, l'amende prononcée et les contributions légales dues à l'Etat; l'excédent éventuel est restitué;
2° si le navire est saisi, le jugement ordonne que l'administration compétente pour la gestion des Domaines procède à la vente du navire, à défaut du paiement de l'amende, des frais de justice et des contributions légales dues à l'Etat dans un délai de quarante jours du prononcé du jugement; cette décision est exécutoire nonobstant tout recours.
La recette de la vente du navire appartient de plein droit à l'Etat pour la partie des amendes prononcées, des frais de justice, ainsi que les frais éventuels de remorquage et de conservation du navire et les contributions légales dues à l'Etat. L'excédent éventuel est restitué au propriétaire du navire vendu.
§ 5. En cas d'acquittement de l'intéressé, ou, en cas de poursuite administrative, si aucune amende administrative n'est imposée, la somme perçue ou consignée ou le navire saisi est restitué; les frais éventuels de conservation, y compris les coûts de remorquage, sont à charge de l'Etat.
§ 6. En cas de condamnation conditionnelle de l'intéressé ou de suspension du prononcé, si, pour l'intégralité de l'amende administrative imposée, un sursis d'exécution est accordé ou l'autorité de sanction procède à une simple déclaration de culpabilité, la somme perçue ou consignée est restituée après déduction des frais de justice éventuellement dus; le navire saisi est restitué après justification du paiement des frais éventuels de conservation, y compris les coûts de remorquage, et des frais de justice dus à l'Etat.
§ 7. Lorsque le Ministère public décide de ne pas poursuivre, que l'autorité de sanction classe l'affaire sans suite ou lorsque l'action publique et les poursuites administratives sont éteintes ou prescrites, la somme consignée ou le navire saisi est restitué.
§ 8. Les contrôleurs de la navigation et les membres du personnel de la Police de la navigation sont chargés de l'exécution des paragraphes 2 à 7, pour autant qu'ils aient été individuellement mandatés à cette fin par le procureur général près la Cour d'Appel dans le ressort de laquelle ces agents ont leur lieu d'affectation.
Afdeling 5. [1 - Pleziervaart]1
Section 5. [1 - Navigation de plaisance]1
Art. 4.1.2.64. [1 Inbreuken op Boek 5
§ 1. De eigenaar van een pleziervaartuig dat in de Belgische wateren uitgezonderd de EEZ wordt gebruikt en dat niet ingeschreven is overeenkomstig artikel 5.2.1.1 en de persoon die er op dat ogenblik mee vaart, worden gestraft met een administratieve geldboete van niveau 2.
§ 2. Inbreuken op de andere bepalingen van afdeling 1 van hoofdstuk 1 van titel 2 van boek 5 en zijn uitvoeringsbesluiten worden gestraft met een administratieve geldboete van niveau 1.
§ 3. Inbreuken op de bepalingen van afdeling 1 van hoofdstuk 2 van titel 2 van boek 5 en zijn uitvoeringsbesluiten worden gestraft met een administratieve geldboete van niveau 3.
§ 4. Het varen met een pleziervaartuig zonder over het correcte vaarbevoegdheidsbewijs te beschikken wordt gestraft met een administratieve geldboete van niveau 2.
§ 5. Inbreuken op de andere bepalingen van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 2 van boek 5 en zijn uitvoeringsbesluiten worden gestraft met een administratieve geldboete van niveau 1.
§ 6. Inbreuken op artikel 5.5.2.1 worden gestraft met een administratieve geldboete van niveau 3. Inbreuken op de bepalingen vastgesteld in uitvoering van artikel 5.5.2.2, 2°, worden gestraft met een administratieve geldboete van niveau 2.
§ 7. Inbreuken op de uitvoeringsbesluiten vastgesteld in uitvoering van artikel 5.1.1.2, § 3, en artikel 5.3.1.2, worden gestraft met een administratieve geldboete van niveau 2.
§ 8. Indien de inbreuken gepleegd worden met een pleziervaartuig bestemd voor bedrijfs- of beroepsmatig gebruik worden de bedragen bedoeld in de paragrafen 1 tot 7 verdubbeld.]1
§ 1. De eigenaar van een pleziervaartuig dat in de Belgische wateren uitgezonderd de EEZ wordt gebruikt en dat niet ingeschreven is overeenkomstig artikel 5.2.1.1 en de persoon die er op dat ogenblik mee vaart, worden gestraft met een administratieve geldboete van niveau 2.
§ 2. Inbreuken op de andere bepalingen van afdeling 1 van hoofdstuk 1 van titel 2 van boek 5 en zijn uitvoeringsbesluiten worden gestraft met een administratieve geldboete van niveau 1.
§ 3. Inbreuken op de bepalingen van afdeling 1 van hoofdstuk 2 van titel 2 van boek 5 en zijn uitvoeringsbesluiten worden gestraft met een administratieve geldboete van niveau 3.
§ 4. Het varen met een pleziervaartuig zonder over het correcte vaarbevoegdheidsbewijs te beschikken wordt gestraft met een administratieve geldboete van niveau 2.
§ 5. Inbreuken op de andere bepalingen van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van titel 2 van boek 5 en zijn uitvoeringsbesluiten worden gestraft met een administratieve geldboete van niveau 1.
§ 6. Inbreuken op artikel 5.5.2.1 worden gestraft met een administratieve geldboete van niveau 3. Inbreuken op de bepalingen vastgesteld in uitvoering van artikel 5.5.2.2, 2°, worden gestraft met een administratieve geldboete van niveau 2.
§ 7. Inbreuken op de uitvoeringsbesluiten vastgesteld in uitvoering van artikel 5.1.1.2, § 3, en artikel 5.3.1.2, worden gestraft met een administratieve geldboete van niveau 2.
§ 8. Indien de inbreuken gepleegd worden met een pleziervaartuig bestemd voor bedrijfs- of beroepsmatig gebruik worden de bedragen bedoeld in de paragrafen 1 tot 7 verdubbeld.]1
Art. 4.1.2.64. [1 Infractions au Livre 5
§ 1er. Le propriétaire d'un navire de plaisance utilisé dans les eaux belges, excepté la ZEE, et non inscrit conformément à l'article 5.2.1.1 et la personne qui navigue avec ce navire à ce moment-là sont sanctionnés par une amende administrative de niveau 2.
§ 2. Les infractions aux autres dispositions de la section 1re du chapitre 1er du titre 2 du livre 5 et ses arrêtés d'exécution sont sanctionnées par une amende administrative de niveau 1.
§ 3. Les infractions aux dispositions de la section 1re du chapitre 2 du titre 2 du livre 5 et ses arrêtés d'exécution sont sanctionnées par une amende administrative de niveau 3.
§ 4. Naviguer avec un navire de plaisance sans disposer du brevet d'aptitude pour la conduite d'un navire correct est sanctionné par une amende administrative de niveau 2.
§ 5. Les infractions aux autres dispositions de la section 2 du chapitre 2 du titre 2 du livre 5 et ses arrêtés d'exécution sont sanctionnées par une amende administrative de niveau 1.
§ 6. Les infractions à l'article 5.5.2.1 sont sanctionnées par une amende administrative de niveau 3. Les infractions aux dispositions déterminées en exécution de l'article 5.5.2.2, 2° sont sanctionnées par une amende administrative de niveau 2.
§ 7. Les infractions aux arrêtés d'exécution déterminés en exécution de l'article 5.1.1.2, § 3 et de l'article 5.3.1.2 sont sanctionnées par une amende administrative de niveau 2.
§ 8. Si les infractions sont commises avec un navire de plaisance utilisé à des fins professionnelles, les montants visés aux paragraphes 1 à 7 sont doublés.]1
§ 1er. Le propriétaire d'un navire de plaisance utilisé dans les eaux belges, excepté la ZEE, et non inscrit conformément à l'article 5.2.1.1 et la personne qui navigue avec ce navire à ce moment-là sont sanctionnés par une amende administrative de niveau 2.
§ 2. Les infractions aux autres dispositions de la section 1re du chapitre 1er du titre 2 du livre 5 et ses arrêtés d'exécution sont sanctionnées par une amende administrative de niveau 1.
§ 3. Les infractions aux dispositions de la section 1re du chapitre 2 du titre 2 du livre 5 et ses arrêtés d'exécution sont sanctionnées par une amende administrative de niveau 3.
§ 4. Naviguer avec un navire de plaisance sans disposer du brevet d'aptitude pour la conduite d'un navire correct est sanctionné par une amende administrative de niveau 2.
§ 5. Les infractions aux autres dispositions de la section 2 du chapitre 2 du titre 2 du livre 5 et ses arrêtés d'exécution sont sanctionnées par une amende administrative de niveau 1.
§ 6. Les infractions à l'article 5.5.2.1 sont sanctionnées par une amende administrative de niveau 3. Les infractions aux dispositions déterminées en exécution de l'article 5.5.2.2, 2° sont sanctionnées par une amende administrative de niveau 2.
§ 7. Les infractions aux arrêtés d'exécution déterminés en exécution de l'article 5.1.1.2, § 3 et de l'article 5.3.1.2 sont sanctionnées par une amende administrative de niveau 2.
§ 8. Si les infractions sont commises avec un navire de plaisance utilisé à des fins professionnelles, les montants visés aux paragraphes 1 à 7 sont doublés.]1
Titel 2. - Vaststelling van inbreuken
TITRE 2. - Constatation des infractions
HOOFDSTUK 1. - De Scheepvaartcontrole
CHAPITRE 1er. - Le Contrôle de la navigation
Afdeling 1. - Inrichting en algemene bevoegdheden
Section 1ère. - Organisation et compétences générales
Art. 4.2.1.1. Inrichting
De Koning regelt de inrichting van de Scheepvaartcontrole en bepaalt in het bijzonder zijn hiërarchische structuur. Hij kan nader bepalen hoe zij de er deel van uitmakende scheepvaartcontroleurs hun taken dienen te vervullen.
De Koning regelt de inrichting van de Scheepvaartcontrole en bepaalt in het bijzonder zijn hiërarchische structuur. Hij kan nader bepalen hoe zij de er deel van uitmakende scheepvaartcontroleurs hun taken dienen te vervullen.
Art. 4.2.1.1. Organisation
Le Roi règle l'organisation du Contrôle de la navigation et détermine plus particulièrement sa structure hiérarchique. Il peut déterminer plus précisément la manière dont les contrôleurs de la navigation qui en font partie doivent accomplir leurs tâches.
Le Roi règle l'organisation du Contrôle de la navigation et détermine plus particulièrement sa structure hiérarchique. Il peut déterminer plus précisément la manière dont les contrôleurs de la navigation qui en font partie doivent accomplir leurs tâches.
Art. 4.2.1.2. Bevoegdheden
§ 1. De door de Koning aangeduide scheepvaartcontroleurs oefenen de volgende bevoegdheden uit :
1° het toezicht op de naleving van de door en krachtens dit wetboek, door de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart en door de wet bepaalde verplichtingen [1 en desbetreffende uitvoeringsbesluiten]1;
2° in het bijzonder :
a) het in ontvangst nemen van de arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst aan boord van zeeschepen, overgezonden op grond van artikel 37 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen;
b) het opmaken van de wettelijke of reglementaire akten bij het verlies van de bemanning of een gedeelte ervan;
c) het toezicht met het oog op de naleving van de artikel en 2.3.2.1 tot 2.3.2.28 van dit wetboek en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten en van het BUNKER-Verdrag, het CLC-Verdrag 1992, het PAL-Verdrag, het WRC-Verdrag en de PAL-Verordening;
d) het toezicht met het oog op de naleving van de artikel en 4.4.1.1 tot 4.4.1.7 van dit wetboek en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten en van de Passagiersrechtenverordening;
e) [2 het toezicht met het oog op de naleving van de artikelen 2.5.2.47 tot en met 2.5.2.62 voor wat betreft het toezicht aan boord van schepen; de daartoe aangeduide scheepvaartcontroleurs personeelsleden rapporteren aan de Voorzitter van de NAMB;]2
3° [1 ...]1 het nemen van alle bestuursrechtelijke maatregelen die zij nodig achten ten einde de toepasselijke regelgeving te doen naleven en de veiligheid van de scheepvaart te verzekeren;
4° de opsporing en vaststelling van de door of krachtens dit wetboek door de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart en de wet omschreven inbreuken.
§ 2. De scheepvaartcontroleurs kunnen, naar eigen oordeel, onder meer overgaan tot :
1° het verschaffen van inlichtingen en adviezen, met name met betrekking tot de meest doeltreffende middelen voor de naleving van de door of krachtens dit wetboek of de wet vastgestelde bepalingen;
2° het geven van waarschuwingen;
3° het verlenen van een termijn aan de overtreder ten einde hem toe te laten zijn verplichtingen na te komen;
4° het nemen van de in de artikel en 4.2.1.5 tot 4.2.1.18 bedoelde maatregelen;
5° het opmaken van proces-verbaal van inbreuken.
§ 1. De door de Koning aangeduide scheepvaartcontroleurs oefenen de volgende bevoegdheden uit :
1° het toezicht op de naleving van de door en krachtens dit wetboek, door de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart en door de wet bepaalde verplichtingen [1 en desbetreffende uitvoeringsbesluiten]1;
2° in het bijzonder :
a) het in ontvangst nemen van de arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst aan boord van zeeschepen, overgezonden op grond van artikel 37 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen;
b) het opmaken van de wettelijke of reglementaire akten bij het verlies van de bemanning of een gedeelte ervan;
c) het toezicht met het oog op de naleving van de artikel en 2.3.2.1 tot 2.3.2.28 van dit wetboek en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten en van het BUNKER-Verdrag, het CLC-Verdrag 1992, het PAL-Verdrag, het WRC-Verdrag en de PAL-Verordening;
d) het toezicht met het oog op de naleving van de artikel en 4.4.1.1 tot 4.4.1.7 van dit wetboek en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten en van de Passagiersrechtenverordening;
e) [2 het toezicht met het oog op de naleving van de artikelen 2.5.2.47 tot en met 2.5.2.62 voor wat betreft het toezicht aan boord van schepen; de daartoe aangeduide scheepvaartcontroleurs personeelsleden rapporteren aan de Voorzitter van de NAMB;]2
3° [1 ...]1 het nemen van alle bestuursrechtelijke maatregelen die zij nodig achten ten einde de toepasselijke regelgeving te doen naleven en de veiligheid van de scheepvaart te verzekeren;
4° de opsporing en vaststelling van de door of krachtens dit wetboek door de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart en de wet omschreven inbreuken.
§ 2. De scheepvaartcontroleurs kunnen, naar eigen oordeel, onder meer overgaan tot :
1° het verschaffen van inlichtingen en adviezen, met name met betrekking tot de meest doeltreffende middelen voor de naleving van de door of krachtens dit wetboek of de wet vastgestelde bepalingen;
2° het geven van waarschuwingen;
3° het verlenen van een termijn aan de overtreder ten einde hem toe te laten zijn verplichtingen na te komen;
4° het nemen van de in de artikel en 4.2.1.5 tot 4.2.1.18 bedoelde maatregelen;
5° het opmaken van proces-verbaal van inbreuken.
Art. 4.2.1.2. Compétences
§ 1er. Les contrôleurs de la navigation désignés par le Roi exercent les compétences suivantes :
1° le contrôle du respect des obligations déterminées par et en vertu du présent code et par la loi, ainsi que par les traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation [1 et les arrêtés d'exécution y affé-rents]1;
2° plus particulièrement :
a) la réception des contrats d'engagement maritime à bord des navires, envoyés en exécution des dispositions de l'article 37 de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail;
b) l'établissement des documents légaux et réglementaires en cas de perte de l'équipage ou d'une partie de celui-ci;
c) le contrôle du respect des articles 2.3.2.1 à 2.3.2.28 du présent code et les arrêtés d'exécution y afférents, ainsi que de la Convention BUNKER, de la Convention CLC 1992, de la Convention PAL, de la Convention WRC et du Règlement PAL;
d) le contrôle du respect des articles 4.4.1.1 à 4.4.1.7 du présent code et des arrêtés d'exécution y afférents, ainsi que du Règlement concernant les droits des passagers;
e) [2 le contrôle du respect des articles 2.5.2.47 à 2.5.2.62 en ce qui concerne la surveillance à bord des navires; les membres du personnel des contrôleurs de la navigation désignés font rapport au Président de l'ANSM ;]2
3° [1 ...]1 la prise de toutes les mesures administratives qu'ils estiment nécessaires afin de faire respecter la réglementation applicable et de garantir la sécurité de la navigation;
4° la recherche et la constatation des infractions décrites par ou en vertu du présent code et la loi, ainsi que par les traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation;
§ 2. Les contrôleurs de la navigation peuvent, de leur propre avis, notamment procéder :
1° à la fourniture de renseignements et de conseils, ayant trait notamment aux moyens les plus efficaces pour le respect des dispositions déterminées par ou en vertu du présent code ou de la loi;
2° à la fourniture d'avertissements;
3° à l'octroi au contrevenant d'un délai pour lui permettre de respecter ses obligations;
4° à la prise des mesures visées aux articles 4.2.1.5 à 4.2.1.18;
5° à l'établissement d'un procès-verbal d'infractions.
§ 1er. Les contrôleurs de la navigation désignés par le Roi exercent les compétences suivantes :
1° le contrôle du respect des obligations déterminées par et en vertu du présent code et par la loi, ainsi que par les traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation [1 et les arrêtés d'exécution y affé-rents]1;
2° plus particulièrement :
a) la réception des contrats d'engagement maritime à bord des navires, envoyés en exécution des dispositions de l'article 37 de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail;
b) l'établissement des documents légaux et réglementaires en cas de perte de l'équipage ou d'une partie de celui-ci;
c) le contrôle du respect des articles 2.3.2.1 à 2.3.2.28 du présent code et les arrêtés d'exécution y afférents, ainsi que de la Convention BUNKER, de la Convention CLC 1992, de la Convention PAL, de la Convention WRC et du Règlement PAL;
d) le contrôle du respect des articles 4.4.1.1 à 4.4.1.7 du présent code et des arrêtés d'exécution y afférents, ainsi que du Règlement concernant les droits des passagers;
e) [2 le contrôle du respect des articles 2.5.2.47 à 2.5.2.62 en ce qui concerne la surveillance à bord des navires; les membres du personnel des contrôleurs de la navigation désignés font rapport au Président de l'ANSM ;]2
3° [1 ...]1 la prise de toutes les mesures administratives qu'ils estiment nécessaires afin de faire respecter la réglementation applicable et de garantir la sécurité de la navigation;
4° la recherche et la constatation des infractions décrites par ou en vertu du présent code et la loi, ainsi que par les traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation;
§ 2. Les contrôleurs de la navigation peuvent, de leur propre avis, notamment procéder :
1° à la fourniture de renseignements et de conseils, ayant trait notamment aux moyens les plus efficaces pour le respect des dispositions déterminées par ou en vertu du présent code ou de la loi;
2° à la fourniture d'avertissements;
3° à l'octroi au contrevenant d'un délai pour lui permettre de respecter ses obligations;
4° à la prise des mesures visées aux articles 4.2.1.5 à 4.2.1.18;
5° à l'établissement d'un procès-verbal d'infractions.
Art. 4.2.1.3. Hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie
§ 1. De Koning kan aan bepaalde scheepvaartcontroleurs de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings toekennen.
De bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, toegekend aan de door de Koning aangeduide scheepvaartcontroleurs, kunnen slechts worden uitgeoefend met het oog op de opsporing en vaststelling van de in dit wetboek of de wet bedoelde inbreuken.
§ 2. Teneinde hun bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie te kunnen uitoefenen, leggen de in paragraaf 1 bedoelde scheepvaartcontroleurs in handen van de procureur-generaal van het rechtsgebied van hun woonplaats, de bij het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af, onder bijvoeging van de woorden :
"Ik zweer het mij opgedragen ambt in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk te vervullen."
§ 3. Ongeacht of zij als officier van gerechtelijke politie zijn aangeduid, kunnen de scheepvaartcontroleurs hun bevoegdheden uitoefenen buiten het rechtsgebied van hun woonplaats.
§ 1. De Koning kan aan bepaalde scheepvaartcontroleurs de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings toekennen.
De bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, toegekend aan de door de Koning aangeduide scheepvaartcontroleurs, kunnen slechts worden uitgeoefend met het oog op de opsporing en vaststelling van de in dit wetboek of de wet bedoelde inbreuken.
§ 2. Teneinde hun bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie te kunnen uitoefenen, leggen de in paragraaf 1 bedoelde scheepvaartcontroleurs in handen van de procureur-generaal van het rechtsgebied van hun woonplaats, de bij het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af, onder bijvoeging van de woorden :
"Ik zweer het mij opgedragen ambt in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk te vervullen."
§ 3. Ongeacht of zij als officier van gerechtelijke politie zijn aangeduid, kunnen de scheepvaartcontroleurs hun bevoegdheden uitoefenen buiten het rechtsgebied van hun woonplaats.
Art. 4.2.1.3. Qualité d'officier de police judiciaire
§ 1er. Le Roi peut octroyer à certains contrôleurs de la navigation la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi.
Les compétences d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, octroyées aux contrôleurs de la navigation désignés par le Roi, ne peuvent être exercées qu'en vue de la recherche et de la constatation des infractions visées dans le présent code ou dans la loi.
§ 2. Afin de pouvoir exercer leurs compétences d'officier de police judiciaire, les contrôleurs de la navigation visés au paragraphe 1er prêtent serment de la façon prescrite par le décret du 20 juillet 1831 entre les mains du procureur général du ressort de leur domicile, en y ajoutant les mots :
" Je jure de remplir fidèlement les fonctions qui me sont dévolues en honneur et conscience, avec exactitude et probité ".
§ 3. Qu'ils aient été ou non désignés officiers de la police judiciaire, les contrôleurs de la navigation peuvent exercer leurs compétences en dehors du ressort de leur domicile.
§ 1er. Le Roi peut octroyer à certains contrôleurs de la navigation la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi.
Les compétences d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, octroyées aux contrôleurs de la navigation désignés par le Roi, ne peuvent être exercées qu'en vue de la recherche et de la constatation des infractions visées dans le présent code ou dans la loi.
§ 2. Afin de pouvoir exercer leurs compétences d'officier de police judiciaire, les contrôleurs de la navigation visés au paragraphe 1er prêtent serment de la façon prescrite par le décret du 20 juillet 1831 entre les mains du procureur général du ressort de leur domicile, en y ajoutant les mots :
" Je jure de remplir fidèlement les fonctions qui me sont dévolues en honneur et conscience, avec exactitude et probité ".
§ 3. Qu'ils aient été ou non désignés officiers de la police judiciaire, les contrôleurs de la navigation peuvent exercer leurs compétences en dehors du ressort de leur domicile.
Art. 4.2.1.4. Noodzakelijkheid en gepastheid van de aangewende middelen
Bij de uitoefening van hun bevoegdheden moeten de scheepvaartcontroleurs erop toezien dat de middelen die zij aanwenden noodzakelijk en passend zijn.
Bij de uitoefening van hun bevoegdheden moeten de scheepvaartcontroleurs erop toezien dat de middelen die zij aanwenden noodzakelijk en passend zijn.
Art. 4.2.1.4. Nécessité et opportunité des moyens affectés
Lors de l'exercice de leurs compétences, les contrôleurs de la navigation doivent veiller à ce que les moyens qu'ils utilisent soient nécessaires et appropriés.
Lors de l'exercice de leurs compétences, les contrôleurs de la navigation doivent veiller à ce que les moyens qu'ils utilisent soient nécessaires et appropriés.
Art. 4.2.1.5. Onderzoeksbevoegdheid
Onverminderd de overige bepalingen van dit hoofdstuk mogen de scheepvaartcontroleurs overgaan tot elk onderzoek, elke controle en elk verhoor, alsook alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten ten einde zich ervan te vergewissen dat de bepalingen op de naleving waarvan zij toezicht uitoefenen, daadwerkelijk worden nageleefd.
Onverminderd de overige bepalingen van dit hoofdstuk mogen de scheepvaartcontroleurs overgaan tot elk onderzoek, elke controle en elk verhoor, alsook alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten ten einde zich ervan te vergewissen dat de bepalingen op de naleving waarvan zij toezicht uitoefenen, daadwerkelijk worden nageleefd.
Art. 4.2.1.5. Pouvoir d'enquête
Sans préjudice des autres dispositions de ce chapitre, les contrôleurs de la navigation peuvent procéder à tout examen, contrôle et audition et recueillir toutes les informations qu'ils estiment nécessaires afin de s'assurer que les dispositions de la législation dont ils exercent la surveillance sont effectivement observées.
Sans préjudice des autres dispositions de ce chapitre, les contrôleurs de la navigation peuvent procéder à tout examen, contrôle et audition et recueillir toutes les informations qu'ils estiment nécessaires afin de s'assurer que les dispositions de la législation dont ils exercent la surveillance sont effectivement observées.
Art. 4.2.1.6. Legitimatiebewijs
De scheepvaartcontroleurs oefenen hun opdrachten uit voorzien van het legitimatiebewijs van hun ambt.
De scheepvaartcontroleurs moeten hun legitimatiebewijs steeds voorleggen.
De Koning bepaalt het model van het legitimatiebewijs.
De scheepvaartcontroleurs oefenen hun opdrachten uit voorzien van het legitimatiebewijs van hun ambt.
De scheepvaartcontroleurs moeten hun legitimatiebewijs steeds voorleggen.
De Koning bepaalt het model van het legitimatiebewijs.
Art. 4.2.1.6. Titre de légitimation
Les contrôleurs de la navigation exercent leurs missions munis du titre de légitimation de leur fonction.
Les contrôleurs de la navigation doivent toujours présenter leur titre de légitimation.
Le Roi détermine le modèle de ce titre de légitimation.
Les contrôleurs de la navigation exercent leurs missions munis du titre de légitimation de leur fonction.
Les contrôleurs de la navigation doivent toujours présenter leur titre de légitimation.
Le Roi détermine le modèle de ce titre de légitimation.
Art. 4.2.1.7. Identiteitscontrole
De scheepvaartcontroleurs mogen de identiteit opnemen van eenieder van wie zij de identificatie met het oog op de uitoefening van het toezicht nodig achten.
Daartoe kunnen zij van deze personen de overlegging van officiële identificatiedocumenten eisen.
Bovendien kunnen zij deze personen identificeren met de hulp van niet-officiële documenten die de betrokkenen hen vrijwillig voorleggen ingeval zij geen officiële identificatiedocumenten kunnen voorleggen of ingeval de scheepvaartcontroleurs aan de authenticiteit ervan of aan de identiteit van de betrokken personen twijfelen.
De scheepvaartcontroleurs kunnen eveneens, in de gevallen en onder de voorwaarden en volgens nadere regelen bepaald in artikel 4.2.1.16, de identiteit van deze personen trachten te achterhalen door middel van beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan.
De scheepvaartcontroleurs mogen de identiteit opnemen van eenieder van wie zij de identificatie met het oog op de uitoefening van het toezicht nodig achten.
Daartoe kunnen zij van deze personen de overlegging van officiële identificatiedocumenten eisen.
Bovendien kunnen zij deze personen identificeren met de hulp van niet-officiële documenten die de betrokkenen hen vrijwillig voorleggen ingeval zij geen officiële identificatiedocumenten kunnen voorleggen of ingeval de scheepvaartcontroleurs aan de authenticiteit ervan of aan de identiteit van de betrokken personen twijfelen.
De scheepvaartcontroleurs kunnen eveneens, in de gevallen en onder de voorwaarden en volgens nadere regelen bepaald in artikel 4.2.1.16, de identiteit van deze personen trachten te achterhalen door middel van beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan.
Art. 4.2.1.7. Contrôle d'identité
Les contrôleurs de la navigation peuvent prendre l'identité de toute personne dont ils estiment l'identification nécessaire pour l'exercice de la surveillance.
Ils peuvent, à cet effet, exiger de ces personnes la présentation de documents officiels d'identification.
Ils peuvent en outre identifier ces personnes à l'aide de documents non officiels que celles-ci leur soumettent volontairement lorsque ces personnes ne sont pas en mesure de présenter des documents officiels d'identification ou lorsque les contrôleurs de la navigation doutent de leur authenticité ou de l'identité de ces personnes.
Les contrôleurs de la navigation peuvent également essayer de rechercher l'identité de ces personnes au moyen de constatations par image, quel qu'en soit le support, dans les cas et conditions et selon les modalités déterminés à l'article 4.2.1.16.
Les contrôleurs de la navigation peuvent prendre l'identité de toute personne dont ils estiment l'identification nécessaire pour l'exercice de la surveillance.
Ils peuvent, à cet effet, exiger de ces personnes la présentation de documents officiels d'identification.
Ils peuvent en outre identifier ces personnes à l'aide de documents non officiels que celles-ci leur soumettent volontairement lorsque ces personnes ne sont pas en mesure de présenter des documents officiels d'identification ou lorsque les contrôleurs de la navigation doutent de leur authenticité ou de l'identité de ces personnes.
Les contrôleurs de la navigation peuvent également essayer de rechercher l'identité de ces personnes au moyen de constatations par image, quel qu'en soit le support, dans les cas et conditions et selon les modalités déterminés à l'article 4.2.1.16.
Art. 4.2.1.8. Ondervraging
De scheepvaartcontroleurs mogen hetzij alleen, hetzij samen, hetzij in aanwezigheid van getuigen, gelijk welke persoon wiens verhoor zij noodzakelijk achten, ondervragen over elk feit waarvan de kennisname met het oog op de uitoefening van het toezicht nuttig is.
De scheepvaartcontroleurs mogen hetzij alleen, hetzij samen, hetzij in aanwezigheid van getuigen, gelijk welke persoon wiens verhoor zij noodzakelijk achten, ondervragen over elk feit waarvan de kennisname met het oog op de uitoefening van het toezicht nuttig is.
Art. 4.2.1.8. Audition
Les contrôleurs de la navigation peuvent interroger, soit seuls, soit ensemble, soit en présence de témoins, toute personne dont ils estiment l'audition nécessaire, sur tout fait dont la connaissance est utile à l'exercice de la surveillance.
Les contrôleurs de la navigation peuvent interroger, soit seuls, soit ensemble, soit en présence de témoins, toute personne dont ils estiment l'audition nécessaire, sur tout fait dont la connaissance est utile à l'exercice de la surveillance.
Art. 4.2.1.9. Zoeking en huiszoeking
§ 1. In de uitoefening van hun ambt mogen de scheepvaartcontroleurs en de door hen desgevallend aangeduide deskundigen op elk ogenblik van de dag of de nacht, en zonder voorafgaande verwittiging, vrij alle schepen en vervoermiddelen betreden, met inbegrip van Belgische schepen die zich buiten de Belgische wateren bevinden, alsook binnengaan in alle lokalen die verband houden met de scheepvaart en andere plaatsen betreden die aan hun toezicht onderworpen zijn of waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat daar activiteiten plaatsvinden die aan hun toezicht onderworpen zijn, of voor zover zij dit redelijkerwijze noodzakelijk achten met het oog op de vervulling van hun taak.
Zo nodig kunnen zij een beroep doen op de openbare macht ten einde zich tot die plaatsen toegang te verschaffen.
[1 In de uitoefening van hun ambt mogen de scheepvaartcontroleurs en de door hen desgevallend aangeduide deskundigen op elk ogenblik van de dag of de nacht, zonder voorafgaande verwittiging de Belgische jachthavens betreden.]1
§ 2. Tot bewoonde ruimten hebben de scheepvaartcontroleurs enkel toegang :
1° ingeval zij zich ter plaatse begeven met het oog op een vaststelling op heterdaad;
2° op verzoek of met toestemming van de persoon die het werkelijk genot heeft van de bewoonde ruimte; het verzoek of de toestemming moet schriftelijk en voorafgaand aan de huiszoeking worden gegeven;
3° in geval van oproep vanuit die plaats;
4° in geval van brand of overstroming;
5° ingeval zij in het bezit zijn van een machtiging tot huiszoeking verleend door de onderzoekrechter. In dat geval wordt de huiszoeking uitgevoerd onder leiding van een scheepvaartcontroleur die overeenkomstig artikel 4.2.1.3. de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings heeft.
§ 3. Voor het bekomen van een machtiging tot zoeking richten de scheepvaartcontroleurs een met redenen omkleed verzoek aan de onderzoekrechter. Dit verzoek bevat minstens de volgende gegevens :
1° de identificatie van de bewoonde ruimten die het voorwerp zijn van de huiszoeking;
2° de regelgeving waarvan de naleving in het betrokken geval wordt nagegaan;
3° de inbreuken die van het toezicht voorwerp zijn;
4° alle documenten en inlichtingen waaruit blijkt dat een huiszoeking nodig is.
Mits het verzoek aan de onderzoekrechter bijzonder wordt gemotiveerd kan aan de scheepvaartcontroleurs een machtiging tot huiszoeking worden verleend met het oog op toegang tot de bewoonde ruimten na 21 uur en voor 5 uur.
§ 4. De onderzoekrechter beslist binnen een termijn van maximum 48 uur na de ontvangst van het verzoek om een machtiging tot huiszoeking.
Zijn beslissing is met redenen omkleed.
De beslissing over een verzoek tot huiszoeking na 21 uur en voor 5 uur moet bijzonder worden gemotiveerd.
Tegen de beslissing van de onderzoekrechter is geen beroep mogelijk.
Met uitzondering van de stukken waaruit de identiteit van de indiener van een eventuele klacht of aangifte kan worden afgeleid en onverminderd de toepassing van artikel 4.2.1.19, § 2 dient het geheel van de motiveringsstukken tot het bekomen van de machtiging tot huiszoeking, als bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, te worden toegevoegd aan het strafdossier of aan het dossier in het raam waarvan een administratieve geldboete kan worden opgelegd.
§ 1. In de uitoefening van hun ambt mogen de scheepvaartcontroleurs en de door hen desgevallend aangeduide deskundigen op elk ogenblik van de dag of de nacht, en zonder voorafgaande verwittiging, vrij alle schepen en vervoermiddelen betreden, met inbegrip van Belgische schepen die zich buiten de Belgische wateren bevinden, alsook binnengaan in alle lokalen die verband houden met de scheepvaart en andere plaatsen betreden die aan hun toezicht onderworpen zijn of waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat daar activiteiten plaatsvinden die aan hun toezicht onderworpen zijn, of voor zover zij dit redelijkerwijze noodzakelijk achten met het oog op de vervulling van hun taak.
Zo nodig kunnen zij een beroep doen op de openbare macht ten einde zich tot die plaatsen toegang te verschaffen.
[1 In de uitoefening van hun ambt mogen de scheepvaartcontroleurs en de door hen desgevallend aangeduide deskundigen op elk ogenblik van de dag of de nacht, zonder voorafgaande verwittiging de Belgische jachthavens betreden.]1
§ 2. Tot bewoonde ruimten hebben de scheepvaartcontroleurs enkel toegang :
1° ingeval zij zich ter plaatse begeven met het oog op een vaststelling op heterdaad;
2° op verzoek of met toestemming van de persoon die het werkelijk genot heeft van de bewoonde ruimte; het verzoek of de toestemming moet schriftelijk en voorafgaand aan de huiszoeking worden gegeven;
3° in geval van oproep vanuit die plaats;
4° in geval van brand of overstroming;
5° ingeval zij in het bezit zijn van een machtiging tot huiszoeking verleend door de onderzoekrechter. In dat geval wordt de huiszoeking uitgevoerd onder leiding van een scheepvaartcontroleur die overeenkomstig artikel 4.2.1.3. de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings heeft.
§ 3. Voor het bekomen van een machtiging tot zoeking richten de scheepvaartcontroleurs een met redenen omkleed verzoek aan de onderzoekrechter. Dit verzoek bevat minstens de volgende gegevens :
1° de identificatie van de bewoonde ruimten die het voorwerp zijn van de huiszoeking;
2° de regelgeving waarvan de naleving in het betrokken geval wordt nagegaan;
3° de inbreuken die van het toezicht voorwerp zijn;
4° alle documenten en inlichtingen waaruit blijkt dat een huiszoeking nodig is.
Mits het verzoek aan de onderzoekrechter bijzonder wordt gemotiveerd kan aan de scheepvaartcontroleurs een machtiging tot huiszoeking worden verleend met het oog op toegang tot de bewoonde ruimten na 21 uur en voor 5 uur.
§ 4. De onderzoekrechter beslist binnen een termijn van maximum 48 uur na de ontvangst van het verzoek om een machtiging tot huiszoeking.
Zijn beslissing is met redenen omkleed.
De beslissing over een verzoek tot huiszoeking na 21 uur en voor 5 uur moet bijzonder worden gemotiveerd.
Tegen de beslissing van de onderzoekrechter is geen beroep mogelijk.
Met uitzondering van de stukken waaruit de identiteit van de indiener van een eventuele klacht of aangifte kan worden afgeleid en onverminderd de toepassing van artikel 4.2.1.19, § 2 dient het geheel van de motiveringsstukken tot het bekomen van de machtiging tot huiszoeking, als bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, te worden toegevoegd aan het strafdossier of aan het dossier in het raam waarvan een administratieve geldboete kan worden opgelegd.
Art. 4.2.1.9. Recherche et visite domiciliaire
§ 1er. Les contrôleurs de la navigation et les experts désignés le cas échéant par leurs soins peuvent, dans l'exercice de leur mission, pénétrer librement, à toute heure du jour et de la nuit, sans avertissement préalable, dans tous les navires et moyens de transport, en ce compris les navires belges qui se trouvent en dehors des eaux belges, ainsi que pénétrer dans tous les locaux qui ont trait à la navigation et tous les autres lieux qui sont soumis à leur surveillance ou dans lesquels ils peuvent avoir un motif raisonnable de supposer que s'y déroulent des activités soumises à leur surveillance, pour autant qu'ils l'estiment raisonnablement nécessaire en vue de l'accomplissement de leur mission.
Si nécessaire, ils pourront faire appel à la force publique afin d'avoir accès à ces endroits.
[1 Les contrôleurs de la navigation et les experts désignés le cas échéant par leurs soins peuvent, dans l'exercice de leur mission, pénétrer librement, à toute heure du jour et de la nuit, sans avertissement préalable, dans tous les ports de plaisance belges.]1
§ 2. Les contrôleurs de la navigation ont uniquement accès aux espaces habités dans les cas suivants :
1° lorsqu'ils se rendent sur place pour constater une infraction en flagrant délit;
2° à la demande ou avec l'accord de la personne qui a la jouissance réelle de l'espace habité; la demande ou l'accord doit être donné par écrit et préalablement à la visite domiciliaire;
3° en cas d'appel provenant de ce lieu;
4° en cas d'incendie ou d'inondation;
5° lorsqu'ils sont en possession d'une autorisation de visite domiciliaire délivrée par le juge d'instruction. Dans ce cas, la visite domiciliaire est effectuée sous la direction d'un contrôleur de la navigation qui a la qualité d'officier de police judiciaire auxiliaire procureur du Roi, conformément à l'article 4.2.1.3.
§ 3. Pour obtenir une autorisation de visite domiciliaire, les contrôleurs de la navigation adressent une demande motivée au juge d'instruction. Cette demande contient au moins les données suivantes :
1° l'identification des espaces habités qui font l'objet de la visite domiciliaire;
2° la législation dont le respect est vérifié dans le cas d'espèce;
3° les infractions qui font l'objet du contrôle;
4° tous les documents et renseignements desquels il ressort qu'une visite domiciliaire est nécessaire.
Les contrôleurs de la navigation peuvent obtenir une autorisation de visite domiciliaire pour l'accès aux espaces habités après 21 heures et avant 5 heures moyennant une motivation spéciale de la demande au juge de police.
§ 4. Le juge de police décide d'autoriser une visite domiciliaire dans un délai de 48 heures maximum après réception de la demande.
Cette décision est motivée.
La décision à propos d'une demande de visite domiciliaire après 21 heures et avant 5 heures doit être spécialement motivée.
Aucune voie de recours n'est possible contre la décision du juge de police.
A l'exception des pièces qui permettent de déduire l'identité de l'auteur d'une éventuelle plainte ou dénonciation et sans préjudice de l'application de l'article 4.2.1.19, § 2, toutes les pièces motivant l'obtention d'une autorisation de visite domiciliaire, telle que visée au paragraphe 2, alinéa 1er, doivent être versées au dossier répressif ou au dossier dans le cadre duquel une amende administrative peut être infligée.
§ 1er. Les contrôleurs de la navigation et les experts désignés le cas échéant par leurs soins peuvent, dans l'exercice de leur mission, pénétrer librement, à toute heure du jour et de la nuit, sans avertissement préalable, dans tous les navires et moyens de transport, en ce compris les navires belges qui se trouvent en dehors des eaux belges, ainsi que pénétrer dans tous les locaux qui ont trait à la navigation et tous les autres lieux qui sont soumis à leur surveillance ou dans lesquels ils peuvent avoir un motif raisonnable de supposer que s'y déroulent des activités soumises à leur surveillance, pour autant qu'ils l'estiment raisonnablement nécessaire en vue de l'accomplissement de leur mission.
Si nécessaire, ils pourront faire appel à la force publique afin d'avoir accès à ces endroits.
[1 Les contrôleurs de la navigation et les experts désignés le cas échéant par leurs soins peuvent, dans l'exercice de leur mission, pénétrer librement, à toute heure du jour et de la nuit, sans avertissement préalable, dans tous les ports de plaisance belges.]1
§ 2. Les contrôleurs de la navigation ont uniquement accès aux espaces habités dans les cas suivants :
1° lorsqu'ils se rendent sur place pour constater une infraction en flagrant délit;
2° à la demande ou avec l'accord de la personne qui a la jouissance réelle de l'espace habité; la demande ou l'accord doit être donné par écrit et préalablement à la visite domiciliaire;
3° en cas d'appel provenant de ce lieu;
4° en cas d'incendie ou d'inondation;
5° lorsqu'ils sont en possession d'une autorisation de visite domiciliaire délivrée par le juge d'instruction. Dans ce cas, la visite domiciliaire est effectuée sous la direction d'un contrôleur de la navigation qui a la qualité d'officier de police judiciaire auxiliaire procureur du Roi, conformément à l'article 4.2.1.3.
§ 3. Pour obtenir une autorisation de visite domiciliaire, les contrôleurs de la navigation adressent une demande motivée au juge d'instruction. Cette demande contient au moins les données suivantes :
1° l'identification des espaces habités qui font l'objet de la visite domiciliaire;
2° la législation dont le respect est vérifié dans le cas d'espèce;
3° les infractions qui font l'objet du contrôle;
4° tous les documents et renseignements desquels il ressort qu'une visite domiciliaire est nécessaire.
Les contrôleurs de la navigation peuvent obtenir une autorisation de visite domiciliaire pour l'accès aux espaces habités après 21 heures et avant 5 heures moyennant une motivation spéciale de la demande au juge de police.
§ 4. Le juge de police décide d'autoriser une visite domiciliaire dans un délai de 48 heures maximum après réception de la demande.
Cette décision est motivée.
La décision à propos d'une demande de visite domiciliaire après 21 heures et avant 5 heures doit être spécialement motivée.
Aucune voie de recours n'est possible contre la décision du juge de police.
A l'exception des pièces qui permettent de déduire l'identité de l'auteur d'une éventuelle plainte ou dénonciation et sans préjudice de l'application de l'article 4.2.1.19, § 2, toutes les pièces motivant l'obtention d'une autorisation de visite domiciliaire, telle que visée au paragraphe 2, alinéa 1er, doivent être versées au dossier répressif ou au dossier dans le cadre duquel une amende administrative peut être infligée.
Wijzigingen
Art. 4.2.1.10. Onderzoek van informatiedragers
§ 1. De scheepvaartcontroleurs mogen zich alle informatiedragers doen overleggen die zich bevinden op de plaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen, zelfs wanneer de scheepvaartcontroleurs niet met het toezicht op de betrokken regelgeving belast zijn.
Onder "informatiedragers" wordt gelijk welke informatiedragers verstaan, in welke vorm ook, met inbegrip van boeken, registers, documenten, numerieke of digitale informatiedragers, schijven en banden, met inbegrip van de informatiedragers die toegankelijk zijn door een informaticasysteem of door elk ander elektronisch apparaat.
De scheepvaartcontroleurs mogen zich eveneens toegang doen verschaffen tot de in het eerste lid bedoelde informatiedragers die vanuit de vermelde plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of enig ander elektronisch apparaat.
De scheepvaartcontroleurs mogen overgaan tot het opsporen en onderzoeken van de in het vorige lid bedoelde informatiedragers :
1° ingeval de informatiedragers niet vrijwillig worden voorgelegd, zonder dat men zich evenwel tegen deze opsporing of dit onderzoek verzet;
2° ingeval de personen die voormelde informatiedragers vrijwillig kunnen voorleggen op het ogenblik van de controle niet bereikbaar zijn.
De scheepvaartcontroleurs kunnen slechts tot de opsporing of het onderzoek van deze informatiedragers overgaan op voorwaarde dat de aard van de opsporing of het onderzoek dit vereist en wanneer het gevaar bestaat dat deze informatiedragers of de gegevens die zij bevatten naar aanleiding van het onderzoek verdwijnen of worden gewijzigd.
Tegen degene die zich tegen de opsporing of het onderzoek verzet wordt een proces-verbaal wegens verhindering van toezicht opgemaakt.
§ 2. De scheepvaartcontroleurs mogen zich informatiedragers die om het even welke andere gegevens bevatten, inbegrepen de beroepsboeken en -documenten van de ondernemingen die aan hun toezicht zijn onderworpen ter inzage doen overleggen wanneer zij dit met het oog op het volbrengen van hun opdracht nodig achten, en overgaan tot het onderzoek ervan.
Zij beschikken eveneens over deze bevoegdheid met betrekking tot de gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat.
Zij kunnen de nodige uitleg over de gegevens eisen.
§ 3. Wanneer de gegevens bedoeld in de paragrafen 1 en 2 toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat, hebben de scheepvaartcontroleurs het recht zich de op die informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm te doen voorleggen, in de door hen gevraagde vorm.
§ 4. Wanneer de gegevens bedoeld in paragraaf 1 toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat vanuit een plaats die aan het toezicht van de scheepvaartcontroleurs is onderworpen, moet aan de scheepvaartcontroleurs de vrije toegang langs elektronische weg tot het informaticasysteem of tot elk ander elektronisch apparaat en tot deze gegevens worden gewaarborgd, alsook de vrije fysieke toegang tot de binnenkant van de kast van het informaticasysteem of van elk ander elektronisch apparaat en het recht tot downloaden en gebruik langs elektronische weg van deze gegevens.
De scheepvaartcontroleurs genieten de in het vorige lid bedoelde rechten eveneens ingeval de plaats van bewaring van deze gegevens zich in een ander land bevindt en deze gegevens in België langs elektronische weg toegankelijk zijn vanuit een plaats die aan het toezicht van de scheepvaartcontroleurs is onderworpen.
De scheepvaartcontroleurs zien erop toe dat de integriteit van de verzamelde gegevens en van het materieel waartoe zij toegang hebben gewaarborgd is.
§ 5. Wie een beroep doet op een informaticasysteem of op elk ander elektronisch apparaat ten einde de in paragraaf 1 bedoelde gegevens op te maken, bij te houden of te bewaren, moet op verzoek van de scheepvaartcontroleurs ter plaatse inzage geven van de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma's, het beheer en de exploitatie van het gebruikte systeem.
§ 6. De scheepvaartcontroleurs mogen, door middel van het informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat, de betrouwbaarheid nagaan van de geïnformatiseerde gegevens en bewerkingen, door de overlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld ten einde de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm.
§ 7. De scheepvaartcontroleurs mogen, in welke vorm ook, kopieën nemen van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde informatiedragers of van de gegevens die zij bevatten, of zich deze kosteloos laten verstrekken. De scheepvaartcontroleurs vragen bij voorkeur een elektronische kopie.
Ingeval het informatiedragers bedoeld in paragraaf 1 betreft die toegankelijk zijn via een informaticasysteem mogen de scheepvaartcontroleurs, door middel van het informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat, in de door hen gewenste vorm kopieën maken van het geheel of een deel van voormelde gegevens.
§ 8. Als informatiedragers in de zin van paragraaf 1, eerste lid, worden beschouwd de door of krachtens de wet vereiste documenten die zich aan boord van een schip moeten bevinden, welke ook de nationaliteit ervan zij.
§ 1. De scheepvaartcontroleurs mogen zich alle informatiedragers doen overleggen die zich bevinden op de plaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen, zelfs wanneer de scheepvaartcontroleurs niet met het toezicht op de betrokken regelgeving belast zijn.
Onder "informatiedragers" wordt gelijk welke informatiedragers verstaan, in welke vorm ook, met inbegrip van boeken, registers, documenten, numerieke of digitale informatiedragers, schijven en banden, met inbegrip van de informatiedragers die toegankelijk zijn door een informaticasysteem of door elk ander elektronisch apparaat.
De scheepvaartcontroleurs mogen zich eveneens toegang doen verschaffen tot de in het eerste lid bedoelde informatiedragers die vanuit de vermelde plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of enig ander elektronisch apparaat.
De scheepvaartcontroleurs mogen overgaan tot het opsporen en onderzoeken van de in het vorige lid bedoelde informatiedragers :
1° ingeval de informatiedragers niet vrijwillig worden voorgelegd, zonder dat men zich evenwel tegen deze opsporing of dit onderzoek verzet;
2° ingeval de personen die voormelde informatiedragers vrijwillig kunnen voorleggen op het ogenblik van de controle niet bereikbaar zijn.
De scheepvaartcontroleurs kunnen slechts tot de opsporing of het onderzoek van deze informatiedragers overgaan op voorwaarde dat de aard van de opsporing of het onderzoek dit vereist en wanneer het gevaar bestaat dat deze informatiedragers of de gegevens die zij bevatten naar aanleiding van het onderzoek verdwijnen of worden gewijzigd.
Tegen degene die zich tegen de opsporing of het onderzoek verzet wordt een proces-verbaal wegens verhindering van toezicht opgemaakt.
§ 2. De scheepvaartcontroleurs mogen zich informatiedragers die om het even welke andere gegevens bevatten, inbegrepen de beroepsboeken en -documenten van de ondernemingen die aan hun toezicht zijn onderworpen ter inzage doen overleggen wanneer zij dit met het oog op het volbrengen van hun opdracht nodig achten, en overgaan tot het onderzoek ervan.
Zij beschikken eveneens over deze bevoegdheid met betrekking tot de gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat.
Zij kunnen de nodige uitleg over de gegevens eisen.
§ 3. Wanneer de gegevens bedoeld in de paragrafen 1 en 2 toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat, hebben de scheepvaartcontroleurs het recht zich de op die informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm te doen voorleggen, in de door hen gevraagde vorm.
§ 4. Wanneer de gegevens bedoeld in paragraaf 1 toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat vanuit een plaats die aan het toezicht van de scheepvaartcontroleurs is onderworpen, moet aan de scheepvaartcontroleurs de vrije toegang langs elektronische weg tot het informaticasysteem of tot elk ander elektronisch apparaat en tot deze gegevens worden gewaarborgd, alsook de vrije fysieke toegang tot de binnenkant van de kast van het informaticasysteem of van elk ander elektronisch apparaat en het recht tot downloaden en gebruik langs elektronische weg van deze gegevens.
De scheepvaartcontroleurs genieten de in het vorige lid bedoelde rechten eveneens ingeval de plaats van bewaring van deze gegevens zich in een ander land bevindt en deze gegevens in België langs elektronische weg toegankelijk zijn vanuit een plaats die aan het toezicht van de scheepvaartcontroleurs is onderworpen.
De scheepvaartcontroleurs zien erop toe dat de integriteit van de verzamelde gegevens en van het materieel waartoe zij toegang hebben gewaarborgd is.
§ 5. Wie een beroep doet op een informaticasysteem of op elk ander elektronisch apparaat ten einde de in paragraaf 1 bedoelde gegevens op te maken, bij te houden of te bewaren, moet op verzoek van de scheepvaartcontroleurs ter plaatse inzage geven van de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma's, het beheer en de exploitatie van het gebruikte systeem.
§ 6. De scheepvaartcontroleurs mogen, door middel van het informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat, de betrouwbaarheid nagaan van de geïnformatiseerde gegevens en bewerkingen, door de overlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld ten einde de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm.
§ 7. De scheepvaartcontroleurs mogen, in welke vorm ook, kopieën nemen van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde informatiedragers of van de gegevens die zij bevatten, of zich deze kosteloos laten verstrekken. De scheepvaartcontroleurs vragen bij voorkeur een elektronische kopie.
Ingeval het informatiedragers bedoeld in paragraaf 1 betreft die toegankelijk zijn via een informaticasysteem mogen de scheepvaartcontroleurs, door middel van het informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat, in de door hen gewenste vorm kopieën maken van het geheel of een deel van voormelde gegevens.
§ 8. Als informatiedragers in de zin van paragraaf 1, eerste lid, worden beschouwd de door of krachtens de wet vereiste documenten die zich aan boord van een schip moeten bevinden, welke ook de nationaliteit ervan zij.
Art. 4.2.1.10. Examen de supports d'information
§ 1er. Les contrôleurs de la navigation peuvent demander la consultation des supports d'information qui se trouvent aux endroits soumis à leur surveillance, même lorsque les contrôleurs de la navigation ne sont pas chargés de la surveillance de la réglementation concernée.
On entend par " supports d'information ", tous les supports d'information sous quelque forme que ce soit, comme des livres, registres, documents, supports d'information numériques ou digitaux, disques, bandes, y compris ceux qui sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
Les contrôleurs de la navigation peuvent également se faire fournir l'accès aux supports d'information visés à l'alinéa 1er qui sont accessibles à partir des lieux précités par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
Les contrôleurs de la navigation peuvent procéder à la recherche et à l'examen des supports d'information visés à l'alinéa précédent :
1° lorsque les supports d'information ne sont pas présentés volontairement, sans toutefois que personne ne s'oppose à cette recherche ou à cet examen;
2° lorsque les personnes susceptibles de produire volontairement les supports d'information précités ne sont pas joignables au moment du contrôle.
Les contrôleurs de la navigation peuvent uniquement procéder à la recherche ou à l'examen de ces supports d'information à condition que la nature de la recherche ou celle de l'examen l'exige lorsque le danger existe qu'à l'occasion du contrôle, ces supports d'information ou les données qu'ils contiennent disparaissent ou soient modifiés.
Un procès-verbal pour obstacle à la surveillance est établi à l'encontre de la personne qui s'oppose à la recherche ou à l'examen.
§ 2. Les contrôleurs de la navigation peuvent demander la consultation des supports d'information qui contiennent n'importe quelle autre donnée, en ce compris les livres et documents professionnels des entreprises qui sont soumises à leur surveillance lorsqu'ils l'estiment nécessaire en vue d'exécuter leur mission, et peuvent procéder à leur examen.
Ils disposent également de cette compétence à propos des données qui sont accessibles par le biais d'un système informatique ou de tout autre appareil électronique.
Ils peuvent également exiger les indispensables explications à propos de données.
§ 3. Lorsque les données visées aux paragraphes 1er et 2 sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique, les contrôleurs de la navigation ont le droit de se faire communiquer, dans la forme demandée par eux, les données enregistrées sur ces supports d'information sous une forme lisible et intelligible.
§ 4. Lorsque les données visées au paragraphe 1er sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique à partir d'un lieu qui est soumis à la surveillance des contrôleurs de la navigation, un droit d'accès par voie électronique au système informatique ou à tout autre appareil électronique et à ces données doit être garanti aux contrôleurs de la navigation, le droit d'accès physique à l'intérieur du boîtier du système informatique ou de tout autre appareil électronique, ainsi qu'un droit de téléchargement et d'utilisation par voie électronique de ces données.
Les contrôleurs de la navigation bénéficient également des droits visés à l'alinéa précédent lorsque le lieu de conservation de ces données est situé dans un autre pays et que ces données sont accessibles en Belgique par voie électronique à partir d'un lieu qui est soumis au contrôle des contrôleurs de la navigation.
Les contrôleurs de la navigation veillent à assurer l'intégrité des données récoltées et du matériel auquel ils ont accès.
§ 5. Tout qui recourt à un système informatique ou à tout autre appareil électronique pour établir, tenir ou conserver les données visées au paragraphe 1er est tenu, lorsqu'il en est requis par les contrôleurs de la navigation, de leur communiquer, sans déplacement, les dossiers d'analyse, de programmation, de gestion et d'exploitation du système utilisé.
§ 6. Les contrôleurs de la navigation peuvent vérifier, au moyen du système informatique ou par tout autre appareil électronique, la fiabilité des données et traitements informatiques, en exigeant la communication de pièces spécialement établies en vue de présenter les données enregistrées sur les supports informatiques sous une forme lisible et intelligible.
§ 7. Les contrôleurs de la navigation peuvent prendre des copies, sous n'importe quelle forme, des supports d'information visés aux paragraphes 1er et 2 ou des données qu'ils contiennent, ou se les faire fournir sans frais. Les contrôleurs de la navigation demandent de préférence une copie électronique.
Lorsqu'il s'agit des supports d'information visés au paragraphe 1er qui sont accessibles par un système informatique, les contrôleurs de la navigation peuvent, au moyen du système informatique ou par tout autre appareil électronique, effectuer des copies, dans la forme qu'ils souhaitent, de tout ou partie des données précitées.
§ 8. Sont considérés comme des supports d'information au sens du paragraphe 1er, alinéa 1er, les documents exigés par la loi ou en vertu de celle-ci devant se trouver à bord d'un navire, quelle que soit sa nationalité.
§ 1er. Les contrôleurs de la navigation peuvent demander la consultation des supports d'information qui se trouvent aux endroits soumis à leur surveillance, même lorsque les contrôleurs de la navigation ne sont pas chargés de la surveillance de la réglementation concernée.
On entend par " supports d'information ", tous les supports d'information sous quelque forme que ce soit, comme des livres, registres, documents, supports d'information numériques ou digitaux, disques, bandes, y compris ceux qui sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
Les contrôleurs de la navigation peuvent également se faire fournir l'accès aux supports d'information visés à l'alinéa 1er qui sont accessibles à partir des lieux précités par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
Les contrôleurs de la navigation peuvent procéder à la recherche et à l'examen des supports d'information visés à l'alinéa précédent :
1° lorsque les supports d'information ne sont pas présentés volontairement, sans toutefois que personne ne s'oppose à cette recherche ou à cet examen;
2° lorsque les personnes susceptibles de produire volontairement les supports d'information précités ne sont pas joignables au moment du contrôle.
Les contrôleurs de la navigation peuvent uniquement procéder à la recherche ou à l'examen de ces supports d'information à condition que la nature de la recherche ou celle de l'examen l'exige lorsque le danger existe qu'à l'occasion du contrôle, ces supports d'information ou les données qu'ils contiennent disparaissent ou soient modifiés.
Un procès-verbal pour obstacle à la surveillance est établi à l'encontre de la personne qui s'oppose à la recherche ou à l'examen.
§ 2. Les contrôleurs de la navigation peuvent demander la consultation des supports d'information qui contiennent n'importe quelle autre donnée, en ce compris les livres et documents professionnels des entreprises qui sont soumises à leur surveillance lorsqu'ils l'estiment nécessaire en vue d'exécuter leur mission, et peuvent procéder à leur examen.
Ils disposent également de cette compétence à propos des données qui sont accessibles par le biais d'un système informatique ou de tout autre appareil électronique.
Ils peuvent également exiger les indispensables explications à propos de données.
§ 3. Lorsque les données visées aux paragraphes 1er et 2 sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique, les contrôleurs de la navigation ont le droit de se faire communiquer, dans la forme demandée par eux, les données enregistrées sur ces supports d'information sous une forme lisible et intelligible.
§ 4. Lorsque les données visées au paragraphe 1er sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique à partir d'un lieu qui est soumis à la surveillance des contrôleurs de la navigation, un droit d'accès par voie électronique au système informatique ou à tout autre appareil électronique et à ces données doit être garanti aux contrôleurs de la navigation, le droit d'accès physique à l'intérieur du boîtier du système informatique ou de tout autre appareil électronique, ainsi qu'un droit de téléchargement et d'utilisation par voie électronique de ces données.
Les contrôleurs de la navigation bénéficient également des droits visés à l'alinéa précédent lorsque le lieu de conservation de ces données est situé dans un autre pays et que ces données sont accessibles en Belgique par voie électronique à partir d'un lieu qui est soumis au contrôle des contrôleurs de la navigation.
Les contrôleurs de la navigation veillent à assurer l'intégrité des données récoltées et du matériel auquel ils ont accès.
§ 5. Tout qui recourt à un système informatique ou à tout autre appareil électronique pour établir, tenir ou conserver les données visées au paragraphe 1er est tenu, lorsqu'il en est requis par les contrôleurs de la navigation, de leur communiquer, sans déplacement, les dossiers d'analyse, de programmation, de gestion et d'exploitation du système utilisé.
§ 6. Les contrôleurs de la navigation peuvent vérifier, au moyen du système informatique ou par tout autre appareil électronique, la fiabilité des données et traitements informatiques, en exigeant la communication de pièces spécialement établies en vue de présenter les données enregistrées sur les supports informatiques sous une forme lisible et intelligible.
§ 7. Les contrôleurs de la navigation peuvent prendre des copies, sous n'importe quelle forme, des supports d'information visés aux paragraphes 1er et 2 ou des données qu'ils contiennent, ou se les faire fournir sans frais. Les contrôleurs de la navigation demandent de préférence une copie électronique.
Lorsqu'il s'agit des supports d'information visés au paragraphe 1er qui sont accessibles par un système informatique, les contrôleurs de la navigation peuvent, au moyen du système informatique ou par tout autre appareil électronique, effectuer des copies, dans la forme qu'ils souhaitent, de tout ou partie des données précitées.
§ 8. Sont considérés comme des supports d'information au sens du paragraphe 1er, alinéa 1er, les documents exigés par la loi ou en vertu de celle-ci devant se trouver à bord d'un navire, quelle que soit sa nationalité.
Art. 4.2.1.11. [1 Borgsom bij aanhouding van het schip
Bij ernstige vermoedens van inbreuken als bedoeld in titel 1, kunnen de scheepvaartcontroleurs het schip aanhouden, tenzij als waarborg een geldsom wordt geconsigneerd bij de Deposito-en Consignatiekas, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 11 juli 2018 op de Deposito-en Consignatiekas, waarbij alle gebeurlijke kosten ten laste blijven van de vermoedelijke dader.
De hoogte van de borgborg wordt door de Scheepvaartcontrole vastgesteld. Dit bedrag mag de maximale geldboete voor de inbreuken, verhoogd met de opdeciemen, niet overschrijden.
Het ontvangstbewijs dat door de Deposito- en Consignatiekas wordt afgeleverd, geldt als rechtstitel tegenover de Deposito- en Consignatiekas en wordt onverwijld door de vermoedelijke dader als bewijs van betaling van de borgsom bezorgd aan de inspecteur die de overtreding vaststelde.
Het storten van de borgsom kan, zonder kosten voor de overheid, worden vervangen door een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank of een door de Scheepvaartcontrole ontvankelijk verklaarde garantie getekend door een "Protection and Indemnity Club".
De geldboete die is opgelegd door een definitieve beslissing ingevolge administratieve vervolging, een rechterlijke beslissing met kracht van gewijsde of door een minnelijke schikking wordt, naar gelang van het geval, verhaald op de borgsom.]1
Bij ernstige vermoedens van inbreuken als bedoeld in titel 1, kunnen de scheepvaartcontroleurs het schip aanhouden, tenzij als waarborg een geldsom wordt geconsigneerd bij de Deposito-en Consignatiekas, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 11 juli 2018 op de Deposito-en Consignatiekas, waarbij alle gebeurlijke kosten ten laste blijven van de vermoedelijke dader.
De hoogte van de borgborg wordt door de Scheepvaartcontrole vastgesteld. Dit bedrag mag de maximale geldboete voor de inbreuken, verhoogd met de opdeciemen, niet overschrijden.
Het ontvangstbewijs dat door de Deposito- en Consignatiekas wordt afgeleverd, geldt als rechtstitel tegenover de Deposito- en Consignatiekas en wordt onverwijld door de vermoedelijke dader als bewijs van betaling van de borgsom bezorgd aan de inspecteur die de overtreding vaststelde.
Het storten van de borgsom kan, zonder kosten voor de overheid, worden vervangen door een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank of een door de Scheepvaartcontrole ontvankelijk verklaarde garantie getekend door een "Protection and Indemnity Club".
De geldboete die is opgelegd door een definitieve beslissing ingevolge administratieve vervolging, een rechterlijke beslissing met kracht van gewijsde of door een minnelijke schikking wordt, naar gelang van het geval, verhaald op de borgsom.]1
Art. 4.2.1.11. [1 Cautionnement lors de l'immobilisation du navire
En cas de présomption sérieuse d'infractions telles que visées au titre I, les contrôleurs de la navigation peuvent immobiliser le navire, sauf si une somme d'argent est consignée à titre de garantie auprès de la Caisse des Dépôts et Consignations, conformément aux dispositions de la loi du 11 juillet 2018 sur la Caisse des Dépôts et Consignations, tous les frais éventuels restant à charge de l'auteur présumé.
Le montant du cautionnement est fixé par le Contrôle de la navigation. Ce montant ne peut pas excéder l'amende maximale pour les infractions, majorée des décimes additionnels.
Le récépissé délivré par la Caisse des Dépôts et Consignations forme titre envers la Caisse des Dépôts et Consignations et est communiqué sans délai par l'auteur présumé à l'inspecteur ayant constaté l'infraction à titre de preuve du cautionnement.
Le versement du cautionnement peut, sans occasionner de frais pour l'autorité, être remplacé par une garantie bancaire, accordée par une banque établie en Belgique ou par une garantie signée par un "Protection and Indemnity Club" et déclarée recevable par le Contrôle de la navigation.
L'amende imposée par une décision définitive consécutive à des poursuites administratives, une décision judiciaire coulée en force de chose jugée ou une transaction, selon le cas, est récupérée sur le cautionnement.]1
En cas de présomption sérieuse d'infractions telles que visées au titre I, les contrôleurs de la navigation peuvent immobiliser le navire, sauf si une somme d'argent est consignée à titre de garantie auprès de la Caisse des Dépôts et Consignations, conformément aux dispositions de la loi du 11 juillet 2018 sur la Caisse des Dépôts et Consignations, tous les frais éventuels restant à charge de l'auteur présumé.
Le montant du cautionnement est fixé par le Contrôle de la navigation. Ce montant ne peut pas excéder l'amende maximale pour les infractions, majorée des décimes additionnels.
Le récépissé délivré par la Caisse des Dépôts et Consignations forme titre envers la Caisse des Dépôts et Consignations et est communiqué sans délai par l'auteur présumé à l'inspecteur ayant constaté l'infraction à titre de preuve du cautionnement.
Le versement du cautionnement peut, sans occasionner de frais pour l'autorité, être remplacé par une garantie bancaire, accordée par une banque établie en Belgique ou par une garantie signée par un "Protection and Indemnity Club" et déclarée recevable par le Contrôle de la navigation.
L'amende imposée par une décision définitive consécutive à des poursuites administratives, une décision judiciaire coulée en force de chose jugée ou une transaction, selon le cas, est récupérée sur le cautionnement.]1
Wijzigingen
Art. 4.2.1.12. Beslag op en verzegeling van informatiedragers
De scheepvaartcontroleurs mogen de in artikel 4.2.1.10, § 1 bedoelde informatiedragers in beslag nemen of verzegelen.
Zij beschikken over deze bevoegdheden wanneer dit noodzakelijk is voor de opsporing, voor het onderzoek of voor het leveren van het bewijs van de inbreuken of wanneer het gevaar bestaat dat met deze informatiedragers de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken zullen worden gepleegd.
Ingeval de inbeslagneming materieel onmogelijk is worden deze gegevens, evenals de gegevens noodzakelijk om deze te kunnen verstaan, gekopieerd op dragers, die toebehoren aan de overheid. In een noodgeval of om technische redenen, kan gebruik worden gemaakt van dragers die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken.
De scheepvaartcontroleurs mogen de in artikel 4.2.1.10, § 1 bedoelde informatiedragers in beslag nemen of verzegelen.
Zij beschikken over deze bevoegdheden wanneer dit noodzakelijk is voor de opsporing, voor het onderzoek of voor het leveren van het bewijs van de inbreuken of wanneer het gevaar bestaat dat met deze informatiedragers de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken zullen worden gepleegd.
Ingeval de inbeslagneming materieel onmogelijk is worden deze gegevens, evenals de gegevens noodzakelijk om deze te kunnen verstaan, gekopieerd op dragers, die toebehoren aan de overheid. In een noodgeval of om technische redenen, kan gebruik worden gemaakt van dragers die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken.
Art. 4.2.1.12. Saisie et mise sous scellés de supports d'information
Les contrôleurs de la navigation peuvent saisir ou mettre sous scellés les supports d'information visés à l'article 4.2.1.10, § 1er.
Ils disposent de ces compétences lorsque cela s'avère nécessaire à la recherche, à l'examen ou à l'établissement de la preuve d'infractions ou lorsque le danger existe que les infractions persistent avec ces supports d'information ou que de nouvelles infractions soient commises.
Lorsque la saisie est matériellement impossible, ces données, tout comme les données qui sont nécessaires pour pouvoir les comprendre, sont copiées sur des supports appartenant à l'autorité. En cas d'urgence ou pour des raisons techniques, il peut être fait usage des supports qui sont à la disposition des personnes autorisées à utiliser le système informatique.
Les contrôleurs de la navigation peuvent saisir ou mettre sous scellés les supports d'information visés à l'article 4.2.1.10, § 1er.
Ils disposent de ces compétences lorsque cela s'avère nécessaire à la recherche, à l'examen ou à l'établissement de la preuve d'infractions ou lorsque le danger existe que les infractions persistent avec ces supports d'information ou que de nouvelles infractions soient commises.
Lorsque la saisie est matériellement impossible, ces données, tout comme les données qui sont nécessaires pour pouvoir les comprendre, sont copiées sur des supports appartenant à l'autorité. En cas d'urgence ou pour des raisons techniques, il peut être fait usage des supports qui sont à la disposition des personnes autorisées à utiliser le système informatique.
Art. 4.2.1.13. Vertaling van gegevens
Wanneer de in artikel 4.2.1.10, § 1 bedoelde gegevens zijn opgesteld in een andere taal dan een van de landstalen of het Engels en wanneer zij zulks met het oog op het toezicht nodig achten kunnen de scheepvaartcontroleurs van die gegevens een vertaling in één van de landstalen of het Engels eisen.
Wanneer de in artikel 4.2.1.10, § 1 bedoelde gegevens zijn opgesteld in een andere taal dan een van de landstalen of het Engels en wanneer zij zulks met het oog op het toezicht nodig achten kunnen de scheepvaartcontroleurs van die gegevens een vertaling in één van de landstalen of het Engels eisen.
Art. 4.2.1.13. Traduction de données
Lorsqu'ils l'estiment nécessaire en vue d'un contrôle, les contrôleurs de la navigation peuvent exiger une traduction des données visées à l'article 4.2.1.10, § 1er, dans une des langues nationales ou l'anglais si elles sont établies dans une autre langue qu'une des langues nationales ou l'anglais.
Lorsqu'ils l'estiment nécessaire en vue d'un contrôle, les contrôleurs de la navigation peuvent exiger une traduction des données visées à l'article 4.2.1.10, § 1er, dans une des langues nationales ou l'anglais si elles sont établies dans une autre langue qu'une des langues nationales ou l'anglais.
Art. 4.2.1.14. Onderzoek van goederen
De scheepvaartcontroleurs mogen alle bewerkte of afgewerkte goederen, producten en stoffen die bewaard, gebruikt of behandeld worden of die zij aantreffen op plaatsen waartoe zij toegang hebben, aan een onderzoek onderwerpen of doen onderwerpen en daarvan stalen nemen of doen nemen en deze meenemen voor ontleding of voor het leveren van het bewijs van de inbreuk, mits de houders van deze goederen, producten en stoffen daarvan op de hoogte te brengen.
In voorkomend geval moeten de houders van deze goederen, producten en stoffen de verpakkingen leveren die voor het vervoer en het behoud van die stalen nodig zijn.
De Koning bepaalt de nadere regels voor het nemen, meenemen en ontleden van de stalen alsook de nadere regels voor de erkenning van natuurlijke of rechtspersonen bevoegd om de ontledingen uit te voeren.
De scheepvaartcontroleurs mogen alle bewerkte of afgewerkte goederen, producten en stoffen die bewaard, gebruikt of behandeld worden of die zij aantreffen op plaatsen waartoe zij toegang hebben, aan een onderzoek onderwerpen of doen onderwerpen en daarvan stalen nemen of doen nemen en deze meenemen voor ontleding of voor het leveren van het bewijs van de inbreuk, mits de houders van deze goederen, producten en stoffen daarvan op de hoogte te brengen.
In voorkomend geval moeten de houders van deze goederen, producten en stoffen de verpakkingen leveren die voor het vervoer en het behoud van die stalen nodig zijn.
De Koning bepaalt de nadere regels voor het nemen, meenemen en ontleden van de stalen alsook de nadere regels voor de erkenning van natuurlijke of rechtspersonen bevoegd om de ontledingen uit te voeren.
Art. 4.2.1.14. Examen de marchandises
Les contrôleurs de la navigation peuvent soumettre, ou faire soumettre à un examen, toutes les matières ouvrées ou achevées, tous les produits et substances qui sont conservés, utilisés ou manipulés ou qu'ils trouvent aux endroits auxquels ils ont accès, et peuvent en prélever, ou faire prélever et emporter des échantillons aux fins d'analyse ou pour l'administration de la preuve d'une infraction, pourvu que les détenteurs de ces matières, produits et substances en soient avertis.
Le cas échéant, les détenteurs desdits produits, matières et substances doivent fournir les emballages nécessaires pour le transport et la conservation de ces échantillons.
Le Roi détermine les autres règles selon lesquelles ces échantillons sont prélevés, emportés et analysés ainsi que les autres modalités de l'agréation des personnes, physiques ou morales, compétentes pour exécuter les analyses.
Les contrôleurs de la navigation peuvent soumettre, ou faire soumettre à un examen, toutes les matières ouvrées ou achevées, tous les produits et substances qui sont conservés, utilisés ou manipulés ou qu'ils trouvent aux endroits auxquels ils ont accès, et peuvent en prélever, ou faire prélever et emporter des échantillons aux fins d'analyse ou pour l'administration de la preuve d'une infraction, pourvu que les détenteurs de ces matières, produits et substances en soient avertis.
Le cas échéant, les détenteurs desdits produits, matières et substances doivent fournir les emballages nécessaires pour le transport et la conservation de ces échantillons.
Le Roi détermine les autres règles selon lesquelles ces échantillons sont prélevés, emportés et analysés ainsi que les autres modalités de l'agréation des personnes, physiques ou morales, compétentes pour exécuter les analyses.
Art. 4.2.1.15. Beslag op en verzegeling van goederen
Ongeacht of de overtreder al dan niet de eigenaar van de betrokken goederen is, mogen de scheepvaartcontroleurs andere roerende goederen dan informatiedragers, met inbegrip van het vervoermiddel waarmee de overtreding is gepleegd alsook onroerende goederen, die aan hun toezicht zijn onderworpen of aan de hand waarvan inbreuken kunnen worden vastgesteld op de regelgeving op de naleving waarvan zij toezicht uitoefenen, op kosten en risico's van de eigenaar in beslag nemen of verzegelen wanneer zulks noodzakelijk is voor het leveren van het bewijs van deze inbreuken of het gevaar bestaat dat met deze goederen de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken worden gepleegd.
Ongeacht of de overtreder al dan niet de eigenaar van de betrokken goederen is, mogen de scheepvaartcontroleurs andere roerende goederen dan informatiedragers, met inbegrip van het vervoermiddel waarmee de overtreding is gepleegd alsook onroerende goederen, die aan hun toezicht zijn onderworpen of aan de hand waarvan inbreuken kunnen worden vastgesteld op de regelgeving op de naleving waarvan zij toezicht uitoefenen, op kosten en risico's van de eigenaar in beslag nemen of verzegelen wanneer zulks noodzakelijk is voor het leveren van het bewijs van deze inbreuken of het gevaar bestaat dat met deze goederen de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken worden gepleegd.
Art. 4.2.1.15. Saisie et mise sous scellés de marchandises
Les contrôleurs de la navigation peuvent saisir ou mettre sous scellés, aux frais et aux risques du propriétaire, des biens mobiliers autres que des supports d'information, y compris le moyen de transport par lequel l'infraction a été perpétrée, ainsi que les biens immobiliers, que le contrevenant en soit propriétaire ou pas, qui sont soumis à leur contrôle ou par lesquels des infractions à la législation dont ils exercent la surveillance peuvent être constatées lorsque cela est nécessaire à l'établissement de la preuve de ces infractions ou lorsque le danger existe qu'avec ces biens, les infractions persistent ou que de nouvelles infractions soient commises.
Les contrôleurs de la navigation peuvent saisir ou mettre sous scellés, aux frais et aux risques du propriétaire, des biens mobiliers autres que des supports d'information, y compris le moyen de transport par lequel l'infraction a été perpétrée, ainsi que les biens immobiliers, que le contrevenant en soit propriétaire ou pas, qui sont soumis à leur contrôle ou par lesquels des infractions à la législation dont ils exercent la surveillance peuvent être constatées lorsque cela est nécessaire à l'établissement de la preuve de ces infractions ou lorsque le danger existe qu'avec ces biens, les infractions persistent ou que de nouvelles infractions soient commises.
Art. 4.2.1.16. Maken van beeldmateriaal
§ 1. De scheepvaartcontroleurs mogen vaststellingen doen door middel van het maken van beeldmateriaal, ongeacht de drager daarvan.
Zij kunnen eveneens beeldmateriaal van derden aanwenden, voor zover deze personen dit beeldmateriaal rechtmatig hebben gemaakt of verkregen.
§ 2. In bewoonde ruimten mogen de scheepvaartcontroleurs enkel vaststellingen doen door middel van het maken van beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan, op voorwaarde dat zij hiertoe beschikken over een machtiging verleend door de onderzoeksrechter. Het verzoek dat de scheepvaartinspecteur aan de onderzoeksrechter richt om deze machtiging te verkrijgen, moet minstens de in artikel 4.2.1.9, § 3 bedoelde gegevens bevatten.
De machtiging van de onderzoeksrechter is niet vereist in de gevallen bij wet bepaald.
§ 3. Onder de volgende voorwaarden gelden de vaststellingen die de scheepvaartcontroleurs hebben gedaan door middel van het door hen gemaakte beeldmateriaal tot bewijs van het tegendeel :
1° de vaststellingen maken het voorwerp uit van een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk door middel van beeldmateriaal, dat naast de in artikel 4.2.1.23 vermelde gegevens de volgende gegevens moet bevatten :
a) de identiteit van het personeelslid dat het beeldmateriaal heeft gemaakt;
b) de dag, de datum, het uur waarop en de exacte beschrijving van de plaats waar het beeldmateriaal is gemaakt;
c) de volledige identificatie van het technische hulpmiddel waarmee het beeldmateriaal is gemaakt;
d) een beschrijving van wat op dat beeldmateriaal te zien is, alsook het verband met de vastgestelde inbreuk;
e) ingeval het gaat om een detailopname, een aanduiding op het beeldmateriaal waaruit de schaal blijkt;
f) een afdruk van het beeldmateriaal of, indien dit onmogelijk is, een kopie ervan op een drager als bijlage bij het proces-verbaal, alsook een volledige opgave van alle nodige technische specificaties om de kopie van dit beeldmateriaal te kunnen bekijken;
g) wanneer er verschillende afdrukken of dragers zijn, een nummering van deze afdrukken of deze dragers, die eveneens moet voorkomen in de ermee overeenstemmende beschrijving, in het proces-verbaal, van wat op het beeldmateriaal is te zien;
2° de originele drager van het beeldmateriaal wordt door de Scheepvaartcontrole bewaard totdat een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest is uitgesproken of totdat de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete van de sanctionerende overheid uitvoerbare kracht heeft gekregen of tot de seponering van de inbreuk door de sanctionerende overheid.
§ 1. De scheepvaartcontroleurs mogen vaststellingen doen door middel van het maken van beeldmateriaal, ongeacht de drager daarvan.
Zij kunnen eveneens beeldmateriaal van derden aanwenden, voor zover deze personen dit beeldmateriaal rechtmatig hebben gemaakt of verkregen.
§ 2. In bewoonde ruimten mogen de scheepvaartcontroleurs enkel vaststellingen doen door middel van het maken van beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan, op voorwaarde dat zij hiertoe beschikken over een machtiging verleend door de onderzoeksrechter. Het verzoek dat de scheepvaartinspecteur aan de onderzoeksrechter richt om deze machtiging te verkrijgen, moet minstens de in artikel 4.2.1.9, § 3 bedoelde gegevens bevatten.
De machtiging van de onderzoeksrechter is niet vereist in de gevallen bij wet bepaald.
§ 3. Onder de volgende voorwaarden gelden de vaststellingen die de scheepvaartcontroleurs hebben gedaan door middel van het door hen gemaakte beeldmateriaal tot bewijs van het tegendeel :
1° de vaststellingen maken het voorwerp uit van een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk door middel van beeldmateriaal, dat naast de in artikel 4.2.1.23 vermelde gegevens de volgende gegevens moet bevatten :
a) de identiteit van het personeelslid dat het beeldmateriaal heeft gemaakt;
b) de dag, de datum, het uur waarop en de exacte beschrijving van de plaats waar het beeldmateriaal is gemaakt;
c) de volledige identificatie van het technische hulpmiddel waarmee het beeldmateriaal is gemaakt;
d) een beschrijving van wat op dat beeldmateriaal te zien is, alsook het verband met de vastgestelde inbreuk;
e) ingeval het gaat om een detailopname, een aanduiding op het beeldmateriaal waaruit de schaal blijkt;
f) een afdruk van het beeldmateriaal of, indien dit onmogelijk is, een kopie ervan op een drager als bijlage bij het proces-verbaal, alsook een volledige opgave van alle nodige technische specificaties om de kopie van dit beeldmateriaal te kunnen bekijken;
g) wanneer er verschillende afdrukken of dragers zijn, een nummering van deze afdrukken of deze dragers, die eveneens moet voorkomen in de ermee overeenstemmende beschrijving, in het proces-verbaal, van wat op het beeldmateriaal is te zien;
2° de originele drager van het beeldmateriaal wordt door de Scheepvaartcontrole bewaard totdat een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest is uitgesproken of totdat de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete van de sanctionerende overheid uitvoerbare kracht heeft gekregen of tot de seponering van de inbreuk door de sanctionerende overheid.
Art. 4.2.1.16. Réalisation d'images
§ 1er. Les contrôleurs de la navigation peuvent faire des constatations en réalisant des images, quel qu'en soit le support.
Ils peuvent également utiliser des images provenant de tiers pour autant que ces personnes aient fait ou obtenu ces images de façon légitime.
§ 2. Dans les espaces habités, les contrôleurs de la navigation peuvent uniquement faire des constatations au moyen d'images, quel qu'en soit le support, à la condition de disposer à cet effet d'une autorisation délivrée par le juge d'instruction. La demande d'obtention de cette autorisation adressée par l'inspecteur de la navigation au juge d'instruction doit au moins comprendre les données visées à l'article 4.2.1.9, § 3.
Cette autorisation du juge d'instruction police n'est toutefois pas requise dans les cas déterminés par la loi.
§ 3. Les constatations faites par les contrôleurs de la navigation au moyen des images qu'ils ont faites s'appliquent, et ce jusqu'à preuve du contraire, pour autant qu'il soit satisfait aux conditions suivantes :
1° les constatations doivent faire l'objet d'un procès-verbal de constatation d'une infraction faite au moyen d'images qui, outre les données mentionnées à l'article 4.2.1.23, doit également comprendre les données suivantes :
a) l'identité du membre du personnel ayant réalisé les images;
b) le jour, la date, l'heure et la description exacte du lieu où les images ont été réalisées;
c) l'identification complète de l'équipement technique ayant permis de réaliser les images;
d) une description de ce qui est visible sur les images en question, ainsi que le lien avec l'infraction constatée;
e) lorsqu'il s'agit d'une prise de vues d'un détail, une indication sur l'image permettant de déterminer l'échelle;
f) une reproduction de l'image ou, si cela s'avère impossible, une copie sur un support en annexe du procès-verbal, ainsi qu'un aperçu complet de toutes les spécifications techniques nécessaires pour pouvoir examiner la copie de ces images;
g) lorsqu'il y a plusieurs reproductions ou plusieurs supports, une numérotation de ces reproductions ou de ces supports, qui doit également apparaître dans la description correspondante dans le procès-verbal, de ce qui peut être observé sur les images;
2° le support originel des images doit être conservé par le Contrôle de la navigation jusqu'à ce qu'un jugement ou un arrêt ayant acquis force de chose jugée ait été prononcé ou jusqu'à ce que la décision d'imposition par l'administration compétente d'une amende administrative ait obtenu force exécutoire ou jusqu'au classement sans suite de l'infraction par l'autorité de sanction.
§ 1er. Les contrôleurs de la navigation peuvent faire des constatations en réalisant des images, quel qu'en soit le support.
Ils peuvent également utiliser des images provenant de tiers pour autant que ces personnes aient fait ou obtenu ces images de façon légitime.
§ 2. Dans les espaces habités, les contrôleurs de la navigation peuvent uniquement faire des constatations au moyen d'images, quel qu'en soit le support, à la condition de disposer à cet effet d'une autorisation délivrée par le juge d'instruction. La demande d'obtention de cette autorisation adressée par l'inspecteur de la navigation au juge d'instruction doit au moins comprendre les données visées à l'article 4.2.1.9, § 3.
Cette autorisation du juge d'instruction police n'est toutefois pas requise dans les cas déterminés par la loi.
§ 3. Les constatations faites par les contrôleurs de la navigation au moyen des images qu'ils ont faites s'appliquent, et ce jusqu'à preuve du contraire, pour autant qu'il soit satisfait aux conditions suivantes :
1° les constatations doivent faire l'objet d'un procès-verbal de constatation d'une infraction faite au moyen d'images qui, outre les données mentionnées à l'article 4.2.1.23, doit également comprendre les données suivantes :
a) l'identité du membre du personnel ayant réalisé les images;
b) le jour, la date, l'heure et la description exacte du lieu où les images ont été réalisées;
c) l'identification complète de l'équipement technique ayant permis de réaliser les images;
d) une description de ce qui est visible sur les images en question, ainsi que le lien avec l'infraction constatée;
e) lorsqu'il s'agit d'une prise de vues d'un détail, une indication sur l'image permettant de déterminer l'échelle;
f) une reproduction de l'image ou, si cela s'avère impossible, une copie sur un support en annexe du procès-verbal, ainsi qu'un aperçu complet de toutes les spécifications techniques nécessaires pour pouvoir examiner la copie de ces images;
g) lorsqu'il y a plusieurs reproductions ou plusieurs supports, une numérotation de ces reproductions ou de ces supports, qui doit également apparaître dans la description correspondante dans le procès-verbal, de ce qui peut être observé sur les images;
2° le support originel des images doit être conservé par le Contrôle de la navigation jusqu'à ce qu'un jugement ou un arrêt ayant acquis force de chose jugée ait été prononcé ou jusqu'à ce que la décision d'imposition par l'administration compétente d'une amende administrative ait obtenu force exécutoire ou jusqu'au classement sans suite de l'infraction par l'autorité de sanction.
Art. 4.2.1.17. Schriftelijke vaststelling van maatregelen
§ 1. De inbeslagnemingen en de verzegelingen verricht op basis van de artikel en 4.2.1.12 en 4.2.1.15 en de maatregelen genomen ter uitvoering van de artikel en 4.2.1.10, § 4 en 4.2.1.14 moeten het voorwerp uitmaken van een schriftelijke vaststelling.
De in artikel 4.2.1.10, § 1, vierde lid bedoelde opsporingsmaatregelen en, in voorkomend geval, de onderzoeksmaatregelen die eruit voortvloeien en welke op die plaats worden uitgevoerd, moeten eveneens het voorwerp uitmaken van een schriftelijke vaststelling.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde schriftelijke vaststelling wordt overhandigd aan de persoon wiens belangen door de maatregelen worden getroffen, die tekent voor ontvangst.
Indien de betrokken persoon niet aanwezig is, wordt de schriftelijke vaststelling onmiddellijk achtergelaten. Binnen een termijn van veertien dagen wordt tevens bij een aangetekende zending aan de betrokken persoon een afschrift verzonden.
§ 3. Het in paragraaf 1 bedoelde geschrift moet minstens vermelden :
1° de datum en het uur waarop de maatregelen zijn genomen;
2° de identiteit van de scheepvaartcontroleurs en de hoedanigheid waarin zij optreden;
3° de genomen maatregelen;
4° de rechtsmiddelen die tegen de maatregelen openstaan.
Wanneer de maatregelen bedoeld in het eerste lid, 3°, betrekking hebben op de in artikel 4.2.1.10, § 1, vierde lid bedoelde opsporingsmaatregelen en, in voorkomend geval, op de onderzoeksmaatregelen die eruit voortvloeien en welke op die plaats werden uitgevoerd, bevat de beschrijving onder meer de volgende gegevens :
1° de beschrijving van de plaats of de plaatsen waar deze opsporings- of onderzoeksmaatregelen hebben plaats gevonden;
2° de regelgeving op de naleving waarvan toezicht wordt uitgeoefend en waarop zich een inbreuk heeft voorgedaan of mogelijk heeft voorgedaan die de betrokken opsporings- of onderzoeksmaatregelen noodzakelijk maakt;
3° de lijst van de informatiedragers bedoeld in artikel 4.2.1.10, § 1, die werden opgespoord en, in voorkomend geval, die ter plaatse werden onderzocht;
4° de beschrijving van de feiten waaruit blijkt dat de bedoelde opsporingsmaatregelen of onderzoeksmaatregelen zijn genomen in de gevallen en onder de voorwaarden bedoeld bij artikel 4.2.1.10, § 1, vierde lid;
5° de verantwoording van het feit dat het met de bedoelde opsporings- of onderzoeksmaatregelen beoogde resultaat niet kon worden bereikt met andere, minder ingrijpende maatregelen.
§ 1. De inbeslagnemingen en de verzegelingen verricht op basis van de artikel en 4.2.1.12 en 4.2.1.15 en de maatregelen genomen ter uitvoering van de artikel en 4.2.1.10, § 4 en 4.2.1.14 moeten het voorwerp uitmaken van een schriftelijke vaststelling.
De in artikel 4.2.1.10, § 1, vierde lid bedoelde opsporingsmaatregelen en, in voorkomend geval, de onderzoeksmaatregelen die eruit voortvloeien en welke op die plaats worden uitgevoerd, moeten eveneens het voorwerp uitmaken van een schriftelijke vaststelling.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde schriftelijke vaststelling wordt overhandigd aan de persoon wiens belangen door de maatregelen worden getroffen, die tekent voor ontvangst.
Indien de betrokken persoon niet aanwezig is, wordt de schriftelijke vaststelling onmiddellijk achtergelaten. Binnen een termijn van veertien dagen wordt tevens bij een aangetekende zending aan de betrokken persoon een afschrift verzonden.
§ 3. Het in paragraaf 1 bedoelde geschrift moet minstens vermelden :
1° de datum en het uur waarop de maatregelen zijn genomen;
2° de identiteit van de scheepvaartcontroleurs en de hoedanigheid waarin zij optreden;
3° de genomen maatregelen;
4° de rechtsmiddelen die tegen de maatregelen openstaan.
Wanneer de maatregelen bedoeld in het eerste lid, 3°, betrekking hebben op de in artikel 4.2.1.10, § 1, vierde lid bedoelde opsporingsmaatregelen en, in voorkomend geval, op de onderzoeksmaatregelen die eruit voortvloeien en welke op die plaats werden uitgevoerd, bevat de beschrijving onder meer de volgende gegevens :
1° de beschrijving van de plaats of de plaatsen waar deze opsporings- of onderzoeksmaatregelen hebben plaats gevonden;
2° de regelgeving op de naleving waarvan toezicht wordt uitgeoefend en waarop zich een inbreuk heeft voorgedaan of mogelijk heeft voorgedaan die de betrokken opsporings- of onderzoeksmaatregelen noodzakelijk maakt;
3° de lijst van de informatiedragers bedoeld in artikel 4.2.1.10, § 1, die werden opgespoord en, in voorkomend geval, die ter plaatse werden onderzocht;
4° de beschrijving van de feiten waaruit blijkt dat de bedoelde opsporingsmaatregelen of onderzoeksmaatregelen zijn genomen in de gevallen en onder de voorwaarden bedoeld bij artikel 4.2.1.10, § 1, vierde lid;
5° de verantwoording van het feit dat het met de bedoelde opsporings- of onderzoeksmaatregelen beoogde resultaat niet kon worden bereikt met andere, minder ingrijpende maatregelen.
Art. 4.2.1.17. Constat écrit des mesures
§ 1. Les saisies et mises sous scellés pratiquées en vertu des articles 4.2.1.12 et 4.2.1.15 ainsi que les mesures prises en exécution des articles 4.2.1.10, § 4, et 4.2.1.14 doivent faire l'objet d'un constat écrit.
Les mesures de recherche visées à l'article 4.2.1.10, § 1er, alinéa 4, et, le cas échéant, les mesures d'examen qui en résultent et qui sont effectuées à cet endroit, doivent également faire l'objet d'un constat écrit.
§ 2. Le constat écrit visé au paragraphe 1er est remis à la personne dont les intérêts sont concernés par les mesures, laquelle signe pour réception.
Si la personne concernée n'est pas présente, le constat écrit est déposé sur-le-champ. Une copie est également envoyée dans un délai de quatorze jours par envoi recommandé à la personne concernée.
§ 3. L'écrit visé au paragraphe 1er doit au moins mentionner :
1° la date et l'heure auxquelles les mesures sont prises;
2° l'identité des contrôleurs de la navigation et la qualité en laquelle ils interviennent;
3° les mesures prises;
4° les voies de recours contre les mesures.
Lorsque les mesures visées à l'alinéa 1er, 3°, concernent les mesures de recherche visées à l'article 4.2.1.10, § 1er, alinéa 4, et, le cas échéant, les mesures d'examen qui en découlent et qui ont été effectuées sur ce lieu, la description contient entre autres les données suivantes :
1° la description du lieu ou des lieux où ces mesures de recherche ou d'examen ont eu lieu;
2° la réglementation dont la surveillance est exercée et à laquelle une infraction a été commise ou probablement commise et qui rend nécessaire ces mesures de recherche ou d'examen;
3° la liste des supports d'information visés à l'article 4.2.1.10, § 1er, qui ont été recherchés et, le cas échéant, qui ont été examinés sur place;
4° la description des faits dont il ressort que les mesures de recherche ou les mesures d'examen visées ont eu lieu dans les cas et sous les conditions visés à l'article 4.2.1.10, § 1er, alinéa 4;
5° la justification du fait que le résultat poursuivi avec les mesures de recherche ou d'examen visées ne pouvait pas être atteint par d'autres mesures, moins contraignantes.
§ 1. Les saisies et mises sous scellés pratiquées en vertu des articles 4.2.1.12 et 4.2.1.15 ainsi que les mesures prises en exécution des articles 4.2.1.10, § 4, et 4.2.1.14 doivent faire l'objet d'un constat écrit.
Les mesures de recherche visées à l'article 4.2.1.10, § 1er, alinéa 4, et, le cas échéant, les mesures d'examen qui en résultent et qui sont effectuées à cet endroit, doivent également faire l'objet d'un constat écrit.
§ 2. Le constat écrit visé au paragraphe 1er est remis à la personne dont les intérêts sont concernés par les mesures, laquelle signe pour réception.
Si la personne concernée n'est pas présente, le constat écrit est déposé sur-le-champ. Une copie est également envoyée dans un délai de quatorze jours par envoi recommandé à la personne concernée.
§ 3. L'écrit visé au paragraphe 1er doit au moins mentionner :
1° la date et l'heure auxquelles les mesures sont prises;
2° l'identité des contrôleurs de la navigation et la qualité en laquelle ils interviennent;
3° les mesures prises;
4° les voies de recours contre les mesures.
Lorsque les mesures visées à l'alinéa 1er, 3°, concernent les mesures de recherche visées à l'article 4.2.1.10, § 1er, alinéa 4, et, le cas échéant, les mesures d'examen qui en découlent et qui ont été effectuées sur ce lieu, la description contient entre autres les données suivantes :
1° la description du lieu ou des lieux où ces mesures de recherche ou d'examen ont eu lieu;
2° la réglementation dont la surveillance est exercée et à laquelle une infraction a été commise ou probablement commise et qui rend nécessaire ces mesures de recherche ou d'examen;
3° la liste des supports d'information visés à l'article 4.2.1.10, § 1er, qui ont été recherchés et, le cas échéant, qui ont été examinés sur place;
4° la description des faits dont il ressort que les mesures de recherche ou les mesures d'examen visées ont eu lieu dans les cas et sous les conditions visés à l'article 4.2.1.10, § 1er, alinéa 4;
5° la justification du fait que le résultat poursuivi avec les mesures de recherche ou d'examen visées ne pouvait pas être atteint par d'autres mesures, moins contraignantes.
Art. 4.2.1.18. Opmaken en overhandigen van akten
De scheepvaartcontroleurs mogen elke akte en elk ander stuk opmaken of overhandigen ter vervanging van de in de toepasselijke regelgeving vermelde akten en stukken, mits de overheid verantwoordelijk voor de afgifte daarmee instemt.
De scheepvaartcontroleurs mogen elke akte en elk ander stuk opmaken of overhandigen ter vervanging van de in de toepasselijke regelgeving vermelde akten en stukken, mits de overheid verantwoordelijk voor de afgifte daarmee instemt.
Art. 4.2.1.18. Préparation et remise d'actes
Les contrôleurs de la navigation peuvent préparer ou remettre tout acte et toute autre pièce en remplacement des actes et pièces mentionnés dans la réglementation applicable, moyennant accord de l'autorité responsable de la déliverane.
Les contrôleurs de la navigation peuvent préparer ou remettre tout acte et toute autre pièce en remplacement des actes et pièces mentionnés dans la réglementation applicable, moyennant accord de l'autorité responsable de la déliverane.
Art. 4.2.1.19. Plichten van de scheepvaartcontroleurs
§ 1. De scheepvaartcontroleurs moeten de nodige maatregelen nemen ten einde het vertrouwelijk karakter te verzekeren van de gegevens van persoonlijke aard waarvan ze in de uitoefening van hun opdracht kennis hebben gekregen en ten einde te verzekeren dat deze gegevens uitsluitend worden aangewend voor de uitoefening van hun toezichtopdracht.
§ 2. Behoudens uitdrukkelijke machtiging van de indiener van een klacht of van een aangifte betreffende een inbreuk op de bepalingen van de regelgeving op de naleving ervan waarop zij toezicht uitoefenen, mogen de scheepvaartcontroleurs in geen enkel geval, zelfs niet voor de rechtbanken, de naam van de indiener van deze klacht of van deze aangifte bekend maken.
§ 3. De scheepvaartcontroleurs mogen geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben in de ondernemingen of instellingen waarop zij toezicht dienen uit te oefenen.
§ 4. De scheepvaartcontroleurs moeten bij het uitvoeren van hun toezichtopdracht de voorschriften inzake de plichtenleer in acht nemen.
De Koning bepaalt de voorschriften van de plichtenleer.
§ 1. De scheepvaartcontroleurs moeten de nodige maatregelen nemen ten einde het vertrouwelijk karakter te verzekeren van de gegevens van persoonlijke aard waarvan ze in de uitoefening van hun opdracht kennis hebben gekregen en ten einde te verzekeren dat deze gegevens uitsluitend worden aangewend voor de uitoefening van hun toezichtopdracht.
§ 2. Behoudens uitdrukkelijke machtiging van de indiener van een klacht of van een aangifte betreffende een inbreuk op de bepalingen van de regelgeving op de naleving ervan waarop zij toezicht uitoefenen, mogen de scheepvaartcontroleurs in geen enkel geval, zelfs niet voor de rechtbanken, de naam van de indiener van deze klacht of van deze aangifte bekend maken.
§ 3. De scheepvaartcontroleurs mogen geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben in de ondernemingen of instellingen waarop zij toezicht dienen uit te oefenen.
§ 4. De scheepvaartcontroleurs moeten bij het uitvoeren van hun toezichtopdracht de voorschriften inzake de plichtenleer in acht nemen.
De Koning bepaalt de voorschriften van de plichtenleer.
Art. 4.2.1.19. Devoirs des contrôleurs de la navigation
§ 1er. Les contrôleurs de la navigation doivent prendre les mesures nécessaires afin de garantir le caractère confidentiel des données à caractère personnel dont ils ont obtenu connaissance dans l'exercice de leur mission, et ce, afin de garantir l'usage de ces données aux seules fins requises pour l'exercice de leur mission de surveillance.
§ 2. Sauf autorisation expresse de l'auteur d'une plainte ou d'une dénonciation relative à une infraction aux dispositions de la réglementation dont ils exercent la surveillance, les contrôleurs de la navigation ne peuvent révéler en aucun cas, même devant les tribunaux, le nom de l'auteur de cette plainte ou de cette dénonciation.
§ 3. Les contrôleurs de la navigation ne peuvent avoir un intérêt quelconque, direct ou indirect, dans les entreprises ou institutions qu'ils sont chargés de contrôler.
§ 4. Les contrôleurs de la navigation sont tenus de respecter, dans l'exécution de leur mission de surveillance, les prescriptions en matière de déontologie.
Le Roi détermine les prescriptions de la déontologie.
§ 1er. Les contrôleurs de la navigation doivent prendre les mesures nécessaires afin de garantir le caractère confidentiel des données à caractère personnel dont ils ont obtenu connaissance dans l'exercice de leur mission, et ce, afin de garantir l'usage de ces données aux seules fins requises pour l'exercice de leur mission de surveillance.
§ 2. Sauf autorisation expresse de l'auteur d'une plainte ou d'une dénonciation relative à une infraction aux dispositions de la réglementation dont ils exercent la surveillance, les contrôleurs de la navigation ne peuvent révéler en aucun cas, même devant les tribunaux, le nom de l'auteur de cette plainte ou de cette dénonciation.
§ 3. Les contrôleurs de la navigation ne peuvent avoir un intérêt quelconque, direct ou indirect, dans les entreprises ou institutions qu'ils sont chargés de contrôler.
§ 4. Les contrôleurs de la navigation sont tenus de respecter, dans l'exécution de leur mission de surveillance, les prescriptions en matière de déontologie.
Le Roi détermine les prescriptions de la déontologie.
Art. 4.2.1.20. Samenwerking
§ 1. In de uitoefening van hun ambt kunnen de scheepvaartcontroleurs de bijstand van het operationeel kader van de federale politie en van de lokale politie verzoeken. Zij kunnen zich eveneens doen bijstaan door deskundigen.
§ 2. Met het oog op de uitoefening van hun bevoegdheden kunnen de politiediensten om de medewerking van de scheepvaartcontroleurs verzoeken.
§ 3. Wanneer zij zulks nodig achten of op aanvraag, delen de scheepvaartcontroleurs de inlichtingen die zij tijdens hun onderzoek hebben ingewonnen mee aan de politiediensten en andere personeelsleden van de overheid belast met het toezicht op de naleving van andere toepasselijke regelgeving of met de toepassing van een andere regelgeving, in de mate dat die inlichtingen laatstgenoemden bij de uitoefening van het toezicht waarmee zij belast zijn of voor de toepassing van een andere regelgeving kunnen aanbelangen.
Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.
Inlichtingen betreffende medische gegevens van persoonlijke aard mogen slechts worden meegedeeld of gebruikt met inachtneming van het medisch beroepsgeheim.
§ 4. Onverminderd artikel 44/1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, moeten alle overheidsdiensten, met inbegrip van de parketten, de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, de politie, de provincies, de gemeenten, de verenigingen waartoe ze behoren, alsook de overheidsinstellingen die ervan afhangen, aan de scheepvaartcontroleurs, op hun verzoek, alle inlichtingen verschaffen die laatstgenoemden nuttig achten voor het toezicht op de naleving van de regelgeving waarmee zij belast zijn, alsook gelijk welke informatiedragers ter inzage voorleggen en kopieën ervan verstrekken, onder gelijk welke vorm.
Alle voornoemde diensten moeten die inlichtingen en die kopieën kosteloos verstrekken.
De inlichtingen en informatiedragers verzameld tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de rechterlijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de rechterlijke overheid.
§ 5. De scheepvaartcontroleurs, alsook alle personeelsleden van de overheid belast met het toezicht op de naleving van een andere regelgeving, mogen de inlichtingen verkregen op grond van § 3 of 4 gebruiken voor de uitoefening van alle opdrachten betreffende het toezicht waarmee ze belast zijn.
§ 1. In de uitoefening van hun ambt kunnen de scheepvaartcontroleurs de bijstand van het operationeel kader van de federale politie en van de lokale politie verzoeken. Zij kunnen zich eveneens doen bijstaan door deskundigen.
§ 2. Met het oog op de uitoefening van hun bevoegdheden kunnen de politiediensten om de medewerking van de scheepvaartcontroleurs verzoeken.
§ 3. Wanneer zij zulks nodig achten of op aanvraag, delen de scheepvaartcontroleurs de inlichtingen die zij tijdens hun onderzoek hebben ingewonnen mee aan de politiediensten en andere personeelsleden van de overheid belast met het toezicht op de naleving van andere toepasselijke regelgeving of met de toepassing van een andere regelgeving, in de mate dat die inlichtingen laatstgenoemden bij de uitoefening van het toezicht waarmee zij belast zijn of voor de toepassing van een andere regelgeving kunnen aanbelangen.
Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.
Inlichtingen betreffende medische gegevens van persoonlijke aard mogen slechts worden meegedeeld of gebruikt met inachtneming van het medisch beroepsgeheim.
§ 4. Onverminderd artikel 44/1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, moeten alle overheidsdiensten, met inbegrip van de parketten, de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, de politie, de provincies, de gemeenten, de verenigingen waartoe ze behoren, alsook de overheidsinstellingen die ervan afhangen, aan de scheepvaartcontroleurs, op hun verzoek, alle inlichtingen verschaffen die laatstgenoemden nuttig achten voor het toezicht op de naleving van de regelgeving waarmee zij belast zijn, alsook gelijk welke informatiedragers ter inzage voorleggen en kopieën ervan verstrekken, onder gelijk welke vorm.
Alle voornoemde diensten moeten die inlichtingen en die kopieën kosteloos verstrekken.
De inlichtingen en informatiedragers verzameld tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de rechterlijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de rechterlijke overheid.
§ 5. De scheepvaartcontroleurs, alsook alle personeelsleden van de overheid belast met het toezicht op de naleving van een andere regelgeving, mogen de inlichtingen verkregen op grond van § 3 of 4 gebruiken voor de uitoefening van alle opdrachten betreffende het toezicht waarmee ze belast zijn.
Art. 4.2.1.20. Collaboration
§ 1er. Dans l'exercice de leur mission, les contrôleurs de la navigation peuvent solliciter l'assistance du cadre opérationnel de la police fédérale et de la police locale. Ils peuvent également se faire assister par des experts.
§ 2. Dans le cadre de l'exercice de leurs compétences, les services de police peuvent solliciter le concours des contrôleurs de la navigation.
§ 3. Lorsqu'ils l'estiment nécessaire ou sur demande, les contrôleurs de la navigation communiquent les renseignements recueillis lors de leur enquête aux services de police et à d'autres membres du personnel de l'autorité chargés de la surveillance d'une autre réglementation applicable ou de l'application d'une autre réglementation, dans la mesure où ces renseignements peuvent intéresser ces derniers dans l'exercice de la surveillance dont ils sont chargés ou pour l'application d'une autre réglementation.
Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Les renseignements concernant des données médicales à caractère personnel ne peuvent être communiqués ou utilisés que dans le respect du secret médical.
§ 4. Sans préjudice de l'article 44/1 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, tous les services de l'Etat, y compris les parquets et les greffes des cours et de toutes les juridictions, des provinces, des communes, des associations dont elles font partie, ainsi que des institutions publiques qui en dépendent, sont tenus, vis-à-vis des contrôleurs de la navigation et à leur demande, de leur fournir tous renseignements que ces derniers estiment utiles au contrôle du respect de la réglementation dont ils sont chargés, ainsi que de leur produire, pour en prendre connaissance, tous les supports d'information et de leur en fournir des copies sous n'importe quelle forme.
Tous les services précités sont tenus de fournir sans frais ces renseignements et ces copies.
Toutefois, tous les renseignements et tous les supports d'information recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
§ 5. Les contrôleurs de la navigation, ainsi que tous les membres du personnel de l'autorité chargés de la surveillance d'une autre réglementation, peuvent utiliser les renseignements obtenus en vertu du § 3 ou 4 pour l'exercice de toutes les missions concernant la surveillance dont ils sont chargés.
§ 1er. Dans l'exercice de leur mission, les contrôleurs de la navigation peuvent solliciter l'assistance du cadre opérationnel de la police fédérale et de la police locale. Ils peuvent également se faire assister par des experts.
§ 2. Dans le cadre de l'exercice de leurs compétences, les services de police peuvent solliciter le concours des contrôleurs de la navigation.
§ 3. Lorsqu'ils l'estiment nécessaire ou sur demande, les contrôleurs de la navigation communiquent les renseignements recueillis lors de leur enquête aux services de police et à d'autres membres du personnel de l'autorité chargés de la surveillance d'une autre réglementation applicable ou de l'application d'une autre réglementation, dans la mesure où ces renseignements peuvent intéresser ces derniers dans l'exercice de la surveillance dont ils sont chargés ou pour l'application d'une autre réglementation.
Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Les renseignements concernant des données médicales à caractère personnel ne peuvent être communiqués ou utilisés que dans le respect du secret médical.
§ 4. Sans préjudice de l'article 44/1 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, tous les services de l'Etat, y compris les parquets et les greffes des cours et de toutes les juridictions, des provinces, des communes, des associations dont elles font partie, ainsi que des institutions publiques qui en dépendent, sont tenus, vis-à-vis des contrôleurs de la navigation et à leur demande, de leur fournir tous renseignements que ces derniers estiment utiles au contrôle du respect de la réglementation dont ils sont chargés, ainsi que de leur produire, pour en prendre connaissance, tous les supports d'information et de leur en fournir des copies sous n'importe quelle forme.
Tous les services précités sont tenus de fournir sans frais ces renseignements et ces copies.
Toutefois, tous les renseignements et tous les supports d'information recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
§ 5. Les contrôleurs de la navigation, ainsi que tous les membres du personnel de l'autorité chargés de la surveillance d'une autre réglementation, peuvent utiliser les renseignements obtenus en vertu du § 3 ou 4 pour l'exercice de toutes les missions concernant la surveillance dont ils sont chargés.
Art. 4.2.1.21. Retributies
Onverminderd bijzondere bepalingen betreffende de heffing van retributies, kan voor de verlening van diensten door de Scheepvaartcontrole een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan.
Onverminderd bijzondere bepalingen betreffende de heffing van retributies, kan voor de verlening van diensten door de Scheepvaartcontrole een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan.
Art. 4.2.1.21. Redevances
Sans préjudice des dispositions particulières relatives à la perception de redevances, en contrepartie de la prestation de services par le Contrôle de la navigation, une redevance peut être prélevée, dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevalble à l'Etat.
Le Roi détermine le tarif des redevances et les autres règles afférentes à leur application et à leur perception.
Sans préjudice des dispositions particulières relatives à la perception de redevances, en contrepartie de la prestation de services par le Contrôle de la navigation, une redevance peut être prélevée, dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevalble à l'Etat.
Le Roi détermine le tarif des redevances et les autres règles afférentes à leur application et à leur perception.
Afdeling 2. - Processen-verbaal
Section 2. - Procès-verbaux
Art. 4.2.1.22. Verhoren
In de mate dat zij niet uit zichzelf van toepassing zijn, worden de artikel en 28quinquies, § 2 en 47bis van het Wetboek van Strafvordering door de scheepvaartcontroleurs op overeenkomstige wijze toegepast op elk verhoor en elke ondervraging.
In de mate dat zij niet uit zichzelf van toepassing zijn, worden de artikel en 28quinquies, § 2 en 47bis van het Wetboek van Strafvordering door de scheepvaartcontroleurs op overeenkomstige wijze toegepast op elk verhoor en elke ondervraging.
Art. 4.2.1.22. Auditions
Dans la mesure où ils ne s'appliquent pas d'eux-mêmes, les articles 28quinquies, § 2 et 47bis du Code d'instruction criminelle sont appliqués par analogies par les contrôleurs de la navigation à chaque audition et à chaque interrogatoire.
Dans la mesure où ils ne s'appliquent pas d'eux-mêmes, les articles 28quinquies, § 2 et 47bis du Code d'instruction criminelle sont appliqués par analogies par les contrôleurs de la navigation à chaque audition et à chaque interrogatoire.
Art. 4.2.1.23. Op te nemen gegevens
Elk proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk op de bepalingen van dit wetboek of op de desbetreffende uitvoeringsbesluiten bevat minstens de volgende gegevens :
1° de identiteit van de verbaliserende ambtenaar;
2° de bepaling waaraan de verbaliserende ambtenaar zijn bevoegdheid tot optreden ontleent;
3° de plaats en de datum van de inbreuk;
4° de identiteit van de vermoedelijke dader en van de betrokkenen;
5° de wetsbepaling waarop inbreuk werd gepleegd;
6° een beknopt relaas van de feiten met betrekking tot de gepleegde inbreuken;
7° de datum en de plaats van opmaak van het proces-verbaal, het eventuele verband met andere processen-verbaal, en, in voorkomend geval, de inventaris van de bijlagen.
De Koning kan voor de processen-verbaal tot vaststelling van een inbreuk algemene vormvoorschriftenregels vaststellen .
[1 Artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken is van toepassing op een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk waarvoor enkel een administratieve geldboete kan worden opgelegd.]1
Elk proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk op de bepalingen van dit wetboek of op de desbetreffende uitvoeringsbesluiten bevat minstens de volgende gegevens :
1° de identiteit van de verbaliserende ambtenaar;
2° de bepaling waaraan de verbaliserende ambtenaar zijn bevoegdheid tot optreden ontleent;
3° de plaats en de datum van de inbreuk;
4° de identiteit van de vermoedelijke dader en van de betrokkenen;
5° de wetsbepaling waarop inbreuk werd gepleegd;
6° een beknopt relaas van de feiten met betrekking tot de gepleegde inbreuken;
7° de datum en de plaats van opmaak van het proces-verbaal, het eventuele verband met andere processen-verbaal, en, in voorkomend geval, de inventaris van de bijlagen.
De Koning kan voor de processen-verbaal tot vaststelling van een inbreuk algemene vormvoorschriftenregels vaststellen .
[1 Artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken is van toepassing op een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk waarvoor enkel een administratieve geldboete kan worden opgelegd.]1
Art. 4.2.1.23. Données à reprendre
Tout procès-verbal constatant une infraction aux dispositions du présent code ou des arrêtés d'exécution y afférents contient au moins les données suivantes :
1° l'identité du fonctionnaire verbalisant;
2° la disposition en vertu de laquelle le fonctionnaire verbalisant est compétent pour agir;
3° le lieu et la date de l'infraction;
4° l'identité de l'auteur présumé et des personnes intéressées;
5° la disposition légale violée;
6° un exposé succinct des faits en rapport avec les infractions commises;
7° les date et lieu de rédaction du procès-verbal, le lien éventuel avec d'autres procès-verbaux, et, le cas échéant, l'inventaire des annexes.
Le Roi peut établir des prescriptions générales de forme applicables aux procès-verbaux de constatation d'une infraction.
[1 L'article 11 de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire est applicable à un procès-verbal constatant une infraction pour laquelle seule une amende administrative peut être infligée.]1
Tout procès-verbal constatant une infraction aux dispositions du présent code ou des arrêtés d'exécution y afférents contient au moins les données suivantes :
1° l'identité du fonctionnaire verbalisant;
2° la disposition en vertu de laquelle le fonctionnaire verbalisant est compétent pour agir;
3° le lieu et la date de l'infraction;
4° l'identité de l'auteur présumé et des personnes intéressées;
5° la disposition légale violée;
6° un exposé succinct des faits en rapport avec les infractions commises;
7° les date et lieu de rédaction du procès-verbal, le lien éventuel avec d'autres procès-verbaux, et, le cas échéant, l'inventaire des annexes.
Le Roi peut établir des prescriptions générales de forme applicables aux procès-verbaux de constatation d'une infraction.
[1 L'article 11 de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire est applicable à un procès-verbal constatant une infraction pour laquelle seule une amende administrative peut être infligée.]1
Wijzigingen
Art. 4.2.1.24. Verzending
§ 1. Het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk wordt overgezonden aan het Openbaar Ministerie voor inbreuken die strafbaar zijn met een strafrechtelijke sanctie.
Het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk wordt enkel overgezonden aan de sanctionerende overheid voor inbreuken die enkel strafbaar zijn met een administratieve geldboete.
Een exemplaar van het proces-verbaal bedoeld in het eerste lid tot vaststelling van een inbreuk op de bepalingen van dit wetboek of op de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt bezorgd aan de sanctionerende overheid bedoeld in artikel 4.3.1.2.
§ 2. [1 ...]1
§ 1. Het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk wordt overgezonden aan het Openbaar Ministerie voor inbreuken die strafbaar zijn met een strafrechtelijke sanctie.
Het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk wordt enkel overgezonden aan de sanctionerende overheid voor inbreuken die enkel strafbaar zijn met een administratieve geldboete.
Een exemplaar van het proces-verbaal bedoeld in het eerste lid tot vaststelling van een inbreuk op de bepalingen van dit wetboek of op de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt bezorgd aan de sanctionerende overheid bedoeld in artikel 4.3.1.2.
§ 2. [1 ...]1
Art. 4.2.1.24. Envoi
§ 1er. Pour des infractions punissables d'une sanction pénale, le procès-verbal constatant une infraction est transmis au Ministère public.
Le procès-verbal fixant une infraction est uniquement transmise à l'autorité pénalisante pour des infractions qui sont uniquement punissables d'une amende administrative.
Un exemplaire du procès-verbal visé à l'alinéa 1re constatant une infraction aux dispositions du présent code ou des arrêtés d'exécution y afférents est transmis à l'autorité sanctionnante visée à l'article 4.3.1.2.
§ 2. [1 ...]1
§ 1er. Pour des infractions punissables d'une sanction pénale, le procès-verbal constatant une infraction est transmis au Ministère public.
Le procès-verbal fixant une infraction est uniquement transmise à l'autorité pénalisante pour des infractions qui sont uniquement punissables d'une amende administrative.
Un exemplaire du procès-verbal visé à l'alinéa 1re constatant une infraction aux dispositions du présent code ou des arrêtés d'exécution y afférents est transmis à l'autorité sanctionnante visée à l'article 4.3.1.2.
§ 2. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 4.2.1.25. Afschrift voor de dader
Een afschrift van het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk wordt bezorgd aan de vermoedelijke dader van de inbreuk. Indien het een buitenlandse vermoedelijke dader betreft, wordt het afschrift bezorgd aan zijn vertegenwoordiger in België of aan de vermoedelijke dader.
Bij gebrek aan een afschrift kan de vermoedelijke dader daarvan te allen tijde afschrift verkrijgen hetzij bij de overheid die het proces-verbaal heeft opgemaakt, hetzij bij de sanctionerende overheid.
[1 Indien het een buitenlandse vermoedelijke dader betreft, gebeurt de betekening van het afschrift aan zijn wettelijke vertegenwoordiger in België. Als er geen wettelijke vertegenwoordiger is aangeduid maar de vermoedelijke dader met een scheepsagent werkt, wordt de scheepsagent vermoed de wettelijke vertegenwoordiger van de vermoedelijke dader te zijn. Wanneer de procedure verloopt via een wettelijke vertegenwoordiger wordt er geacht woonstkeuze te zijn gedaan bij de wettelijke vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 39 van het Gerechtelijk wetboek.]1
Een afschrift van het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk wordt bezorgd aan de vermoedelijke dader van de inbreuk. Indien het een buitenlandse vermoedelijke dader betreft, wordt het afschrift bezorgd aan zijn vertegenwoordiger in België of aan de vermoedelijke dader.
Bij gebrek aan een afschrift kan de vermoedelijke dader daarvan te allen tijde afschrift verkrijgen hetzij bij de overheid die het proces-verbaal heeft opgemaakt, hetzij bij de sanctionerende overheid.
[1 Indien het een buitenlandse vermoedelijke dader betreft, gebeurt de betekening van het afschrift aan zijn wettelijke vertegenwoordiger in België. Als er geen wettelijke vertegenwoordiger is aangeduid maar de vermoedelijke dader met een scheepsagent werkt, wordt de scheepsagent vermoed de wettelijke vertegenwoordiger van de vermoedelijke dader te zijn. Wanneer de procedure verloopt via een wettelijke vertegenwoordiger wordt er geacht woonstkeuze te zijn gedaan bij de wettelijke vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 39 van het Gerechtelijk wetboek.]1
Art. 4.2.1.25. Copie pour l'auteur
Une copie du procès-verbal constatant une infraction est communiquée à l'auteur présumé de l'infraction. S'il s'agit d'un auteur présumé étranger, la copie sera adressée à son représentant en Belgique ou à l'auteur.
A défaut, l'auteur présumé peut, à tout moment, en obtenir une copie, soit auprès de l'autorité qui a dressé le procès- verbal, soit auprès de l'autorité de sanction.
[1 S'il s'agit d'un auteur présumé étranger, la procédure se déroule par l'intermédiaire de son représentant légal en Belgique. Si aucun représentant légal n'est désigné en Belgique mais que l'auteur présumé travaille avec un agent maritime, l'agent maritime est présumé être le représentant légal de l'auteur présumé. Lorsque la procédure se déroule par l'intermédiaire d'un représentant légal, le choix du domicile est réputé avoir été fait au représentant légal conformément à l'article 39 du Code judiciaire.]1
Une copie du procès-verbal constatant une infraction est communiquée à l'auteur présumé de l'infraction. S'il s'agit d'un auteur présumé étranger, la copie sera adressée à son représentant en Belgique ou à l'auteur.
A défaut, l'auteur présumé peut, à tout moment, en obtenir une copie, soit auprès de l'autorité qui a dressé le procès- verbal, soit auprès de l'autorité de sanction.
[1 S'il s'agit d'un auteur présumé étranger, la procédure se déroule par l'intermédiaire de son représentant légal en Belgique. Si aucun représentant légal n'est désigné en Belgique mais que l'auteur présumé travaille avec un agent maritime, l'agent maritime est présumé être le représentant légal de l'auteur présumé. Lorsque la procédure se déroule par l'intermédiaire d'un représentant légal, le choix du domicile est réputé avoir été fait au représentant légal conformément à l'article 39 du Code judiciaire.]1
Wijzigingen
Art. 4.2.1.26. Bewijskracht
§ 1. De processen-verbaal die opgemaakt zijn door de scheepvaartcontroleurs hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is, voor zover overeenkomstig artikel 4.2.1.25, eerste of tweede lid een afschrift ervan ter kennis wordt gebracht binnen een termijn van vijftien dagen [1 na de afsluiting van het proces-verbaal]1.
Wanneer de vermoedelijke dader van de inbreuk niet kan worden geïdentificeerd op de dag van de vaststelling van de inbreuk begint de termijn van vijftien dagen te lopen op de dag waarop de scheepvaartcontroleurs de vermoedelijke dader van de inbreuk met zekerheid konden identificeren.
Wanneer de vervaldag, die inbegrepen is in die termijn, een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt deze verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
Voor de toepassing van de termijn bedoeld in het eerste lid vormen het geven van een waarschuwing, het verlenen van een termijn om zijn verplichtingen na te komen of het nemen van maatregelen bedoeld in de artikel en 4.2.1.5 tot 4.2.1.18 en 4.2.1.20, § 1 geen vaststelling van de inbreuk.
§ 2. De materiële vaststellingen die door de scheepvaartcontroleurs zijn gedaan in een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk kunnen met dezelfde bewijskracht gebruikt worden door de andere scheepvaartcontroleurs alsook door de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van andere regelgeving.
§ 1. De processen-verbaal die opgemaakt zijn door de scheepvaartcontroleurs hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is, voor zover overeenkomstig artikel 4.2.1.25, eerste of tweede lid een afschrift ervan ter kennis wordt gebracht binnen een termijn van vijftien dagen [1 na de afsluiting van het proces-verbaal]1.
Wanneer de vermoedelijke dader van de inbreuk niet kan worden geïdentificeerd op de dag van de vaststelling van de inbreuk begint de termijn van vijftien dagen te lopen op de dag waarop de scheepvaartcontroleurs de vermoedelijke dader van de inbreuk met zekerheid konden identificeren.
Wanneer de vervaldag, die inbegrepen is in die termijn, een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt deze verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
Voor de toepassing van de termijn bedoeld in het eerste lid vormen het geven van een waarschuwing, het verlenen van een termijn om zijn verplichtingen na te komen of het nemen van maatregelen bedoeld in de artikel en 4.2.1.5 tot 4.2.1.18 en 4.2.1.20, § 1 geen vaststelling van de inbreuk.
§ 2. De materiële vaststellingen die door de scheepvaartcontroleurs zijn gedaan in een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk kunnen met dezelfde bewijskracht gebruikt worden door de andere scheepvaartcontroleurs alsook door de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van andere regelgeving.
Art. 4.2.1.26. Force probante
§ 1er. Les procès-verbaux dressés par les contrôleurs de la navigation font foi jusqu'à preuve du contraire pour autant que, conformément à l'article 4.2.1.25, alinéa 1er ou 2, une copie en soit transmise dans un délai de quinze jours [1 après la clôture du procès-verbal]1.
Lorsque l'auteur présumé de l'infraction ne peut pas être identifié le jour de la constatation de l'infraction, le délai de quinze jours commence à courir le jour où l'auteur présumé de l'infraction a pu être identifié de façon certaine par les contrôleurs de la navigation.
Lorsque le jour de l'échéance, qui est compris dans ce délai, est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, il est reporté au plus prochain jour ouvrable.
Pour l'application du délai visé à l'alinéa 1er, la fourniture d'un avertissement, la fixation d'un délai pour respecter ses obligations ou l'adoption des mesures visées aux articles 4.2.1.5 à 4.2.1.18 et 4.2.1.20, § 1er, n'emportent pas la constatation de l'infraction.
§ 2. Les constatations matérielles faites dans un procès-verbal constatant une infraction par les contrôleurs de la navigation peuvent être utilisées, avec la même force probante, par les autres contrôleurs de la navigation, ainsi que par les fonctionnaires chargés de la surveillance du respect d'une autre réglementation.
§ 1er. Les procès-verbaux dressés par les contrôleurs de la navigation font foi jusqu'à preuve du contraire pour autant que, conformément à l'article 4.2.1.25, alinéa 1er ou 2, une copie en soit transmise dans un délai de quinze jours [1 après la clôture du procès-verbal]1.
Lorsque l'auteur présumé de l'infraction ne peut pas être identifié le jour de la constatation de l'infraction, le délai de quinze jours commence à courir le jour où l'auteur présumé de l'infraction a pu être identifié de façon certaine par les contrôleurs de la navigation.
Lorsque le jour de l'échéance, qui est compris dans ce délai, est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, il est reporté au plus prochain jour ouvrable.
Pour l'application du délai visé à l'alinéa 1er, la fourniture d'un avertissement, la fixation d'un délai pour respecter ses obligations ou l'adoption des mesures visées aux articles 4.2.1.5 à 4.2.1.18 et 4.2.1.20, § 1er, n'emportent pas la constatation de l'infraction.
§ 2. Les constatations matérielles faites dans un procès-verbal constatant une infraction par les contrôleurs de la navigation peuvent être utilisées, avec la même force probante, par les autres contrôleurs de la navigation, ainsi que par les fonctionnaires chargés de la surveillance du respect d'une autre réglementation.
Wijzigingen
Afdeling 2/1. [1 - Het elektronisch proces verbaal]1
Section 2/1. [1 - Le procès-verbal électronique]1
Art. 4.2.1.26 /1. [1 Begrippen
Voor de toepassing van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten, wordt verstaan onder:
1° het Beheerscomité : het Beheerscomité van de databank e-PV, bedoeld in artikel 100/8 van het Sociaal Strafwetboek;
2° de elektronische identiteitskaart: de elektronische identiteitskaart bedoeld in de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten;
3° het e-PV: het proces-verbaal tot vaststelling van inbreuken dat wordt aangemaakt, opgeslagen en verzonden via de daartoe ontworpen informaticatoepassing bedoeld in artikel 100/2, eerste lid, van het Sociaal Strafwetboek;
4° de databank e-PV: de databank bedoeld in artikel 100/6 van het Sociaal Strafwetboek.]1
Voor de toepassing van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten, wordt verstaan onder:
1° het Beheerscomité : het Beheerscomité van de databank e-PV, bedoeld in artikel 100/8 van het Sociaal Strafwetboek;
2° de elektronische identiteitskaart: de elektronische identiteitskaart bedoeld in de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten;
3° het e-PV: het proces-verbaal tot vaststelling van inbreuken dat wordt aangemaakt, opgeslagen en verzonden via de daartoe ontworpen informaticatoepassing bedoeld in artikel 100/2, eerste lid, van het Sociaal Strafwetboek;
4° de databank e-PV: de databank bedoeld in artikel 100/6 van het Sociaal Strafwetboek.]1
Art. 4.2.1.26 /1. [1 Notions
Pour l'application de la présente section et de ses arrêtés d'exécution, l'on entend par :
1° le Comité de gestion : le Comité de gestion de la banque de données e-PV visé à l'article 100/8 du Code pénal social ;
2° la carte d'identité électronique : la carte d'identité électronique visée par la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes d'étranger et aux documents de séjour ;
3° l'e-PV : le procès-verbal de constatation des infractions qui est établi, enregistré et envoyé au moyen de l'application informatique conçue à cette fin visée à l'article 100/2, alinéa 1er, du Code pénal social ;
4° la banque de données e-PV : la banque de données visée à l'article 100/6 du Code pénal social.]1
Pour l'application de la présente section et de ses arrêtés d'exécution, l'on entend par :
1° le Comité de gestion : le Comité de gestion de la banque de données e-PV visé à l'article 100/8 du Code pénal social ;
2° la carte d'identité électronique : la carte d'identité électronique visée par la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes d'étranger et aux documents de séjour ;
3° l'e-PV : le procès-verbal de constatation des infractions qui est établi, enregistré et envoyé au moyen de l'application informatique conçue à cette fin visée à l'article 100/2, alinéa 1er, du Code pénal social ;
4° la banque de données e-PV : la banque de données visée à l'article 100/6 du Code pénal social.]1
Art. 4.2.1.26 /2. [1 Facultatief gebruik
Voor de aanmaak van processen-verbaal kan de Scheepvaartcontrole gebruik maken van de daartoe ontworpen informaticatoepassing bedoeld in artikel 100/2, eerste lid, van het Sociaal Strafwetboek.]1
Voor de aanmaak van processen-verbaal kan de Scheepvaartcontrole gebruik maken van de daartoe ontworpen informaticatoepassing bedoeld in artikel 100/2, eerste lid, van het Sociaal Strafwetboek.]1
Art. 4.2.1.26 /2. [1 Usage facultatif
Pour établir les procès-verbaux, le Contrôle de la navigation peut faire usage de l'application informatique conçue à cette fin visée à l'article 100/2, alinéa 1er, du Code pénal social.]1
Pour établir les procès-verbaux, le Contrôle de la navigation peut faire usage de l'application informatique conçue à cette fin visée à l'article 100/2, alinéa 1er, du Code pénal social.]1
Art. 4.2.1.26 /3. [1 Toegang tot gegevens
§ 1. De gegevens die opgenomen zijn in een proces-verbaal dat opgesteld wordt tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid, zijn enkel toegankelijk mits de uitdrukkelijke toestemming van deze laatste, behalve voor de opsteller of opstellers van het e-PV en met uitzondering van de volgende gegevens:
1° de datum van opstelling van het proces-verbaal;
2° het nummer van het proces-verbaal;
3° de aanduiding of het gaat om een proces-verbaal opgesteld op eigen initiatief van de verbalisant of in uitvoering van een taak opgelegd door een rechterlijke overheid;
4° de dienst waartoe de verbaliserende ambtenaar behoort;
5° de naam van de verbaliserende ambtenaar;
6° de identiteit en het adres van de woonplaats of de maatschappelijke zetel van iedere persoon die ervan verdacht wordt (mede)dader te zijn van een inbreuk;
7° de identiteit en het adres van de woonplaats of de maatschappelijke zetel van iedere persoon die burgerrechtelijk aansprakelijk geacht wordt voor een inbreuk;
8° in voorkomend geval, de naam en het identificatienummer van de sociale zekerheid van iedere werknemer of persoon die betrokken is of geacht wordt betrokken te zijn bij een inbreuk;
9° de kwalificatie van de vastgestelde inbreuk(en).
§ 2. Het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken en de onderzoeksrechters hebben toegang tot de gegevens van de databank e-PV in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdracht.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1, kan het openbaar ministerie ten aanzien van de in deze paragraaf bedoelde personen, met uitzondering van de opsteller of opstellers van het e-PV, de toegang uitstellen tot de gegevens opgenomen in een bepaald e-PV wanneer en zolang de bevoegde magistraat van oordeel is dat deze toegang de uitoefening van de strafvordering of de veiligheid van een persoon in gevaar kan brengen.
§ 4. De gegevens in e-PV worden gedurende 10 jaar na de datum de inbreuk bewaard. De verwerkingsverantwoordelijke is de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.]1
§ 1. De gegevens die opgenomen zijn in een proces-verbaal dat opgesteld wordt tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid, zijn enkel toegankelijk mits de uitdrukkelijke toestemming van deze laatste, behalve voor de opsteller of opstellers van het e-PV en met uitzondering van de volgende gegevens:
1° de datum van opstelling van het proces-verbaal;
2° het nummer van het proces-verbaal;
3° de aanduiding of het gaat om een proces-verbaal opgesteld op eigen initiatief van de verbalisant of in uitvoering van een taak opgelegd door een rechterlijke overheid;
4° de dienst waartoe de verbaliserende ambtenaar behoort;
5° de naam van de verbaliserende ambtenaar;
6° de identiteit en het adres van de woonplaats of de maatschappelijke zetel van iedere persoon die ervan verdacht wordt (mede)dader te zijn van een inbreuk;
7° de identiteit en het adres van de woonplaats of de maatschappelijke zetel van iedere persoon die burgerrechtelijk aansprakelijk geacht wordt voor een inbreuk;
8° in voorkomend geval, de naam en het identificatienummer van de sociale zekerheid van iedere werknemer of persoon die betrokken is of geacht wordt betrokken te zijn bij een inbreuk;
9° de kwalificatie van de vastgestelde inbreuk(en).
§ 2. Het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken en de onderzoeksrechters hebben toegang tot de gegevens van de databank e-PV in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdracht.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1, kan het openbaar ministerie ten aanzien van de in deze paragraaf bedoelde personen, met uitzondering van de opsteller of opstellers van het e-PV, de toegang uitstellen tot de gegevens opgenomen in een bepaald e-PV wanneer en zolang de bevoegde magistraat van oordeel is dat deze toegang de uitoefening van de strafvordering of de veiligheid van een persoon in gevaar kan brengen.
§ 4. De gegevens in e-PV worden gedurende 10 jaar na de datum de inbreuk bewaard. De verwerkingsverantwoordelijke is de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.]1
Art. 4.2.1.26 /3. [1 Accès aux données
§ 1er. Les données qui sont reprises dans un procès-verbal établi durant l'exercice des devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne sont en aucun cas accessibles sans l'autorisation expresse de cette dernière, sauf pour l'auteur ou les auteurs de l'e-PV et à l'exception des données suivantes :
1° la date d'établissement du procès-verbal ;
2° le numéro du procès-verbal ;
3° l'indication du fait qu'il s'agit d'un procès-verbal établi d'initiative par le verbalisant ou en exécution d'un devoir prescrit par une autorité judiciaire ;
4° le service auquel appartient l'agent verbalisant ;
5° le nom de l'agent verbalisant ;
6° l'identité et l'adresse du domicile ou du siège social de toute personne suspectée d'être (co)auteur d'une infraction ;
7° l'identité et l'adresse du domicile ou du siège social de toute personne qui est tenue civilement responsable pour une infraction ;
8° le cas échéant, le nom et le numéro d'identification à la sécurité sociale de tout travailleur ou de toute personne concerné(e) ou considéré(e) comme étant concerné(e) par une infraction ;
9° la qualification de l'/des infraction(s) constatée(s).
§ 2. Le ministère public près les cours et tribunaux et les juges d'instruction ont accès aux données de la banque de données e-PV dans le cadre de l'exercice de leur mission légale.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, le ministère public peut retarder à l'égard des personnes visées dans ce paragraphe, à l'exception de l'auteur ou des auteurs de l'e-PV, l'accès aux données contenues dans un e-PV déterminé lorsque et tant que le magistrat compétent est d'avis que cet accès peut constituer un danger pour l'exercice de l'action pénale ou pour la sécurité d'une personne.
§ 4. Les données en E-PV sont conservés pendant 10 ans après la date de l'infractions. Le raisponsable du traitement est le Service public fédérale Mobilité et Transports.]1
§ 1er. Les données qui sont reprises dans un procès-verbal établi durant l'exercice des devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne sont en aucun cas accessibles sans l'autorisation expresse de cette dernière, sauf pour l'auteur ou les auteurs de l'e-PV et à l'exception des données suivantes :
1° la date d'établissement du procès-verbal ;
2° le numéro du procès-verbal ;
3° l'indication du fait qu'il s'agit d'un procès-verbal établi d'initiative par le verbalisant ou en exécution d'un devoir prescrit par une autorité judiciaire ;
4° le service auquel appartient l'agent verbalisant ;
5° le nom de l'agent verbalisant ;
6° l'identité et l'adresse du domicile ou du siège social de toute personne suspectée d'être (co)auteur d'une infraction ;
7° l'identité et l'adresse du domicile ou du siège social de toute personne qui est tenue civilement responsable pour une infraction ;
8° le cas échéant, le nom et le numéro d'identification à la sécurité sociale de tout travailleur ou de toute personne concerné(e) ou considéré(e) comme étant concerné(e) par une infraction ;
9° la qualification de l'/des infraction(s) constatée(s).
§ 2. Le ministère public près les cours et tribunaux et les juges d'instruction ont accès aux données de la banque de données e-PV dans le cadre de l'exercice de leur mission légale.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, le ministère public peut retarder à l'égard des personnes visées dans ce paragraphe, à l'exception de l'auteur ou des auteurs de l'e-PV, l'accès aux données contenues dans un e-PV déterminé lorsque et tant que le magistrat compétent est d'avis que cet accès peut constituer un danger pour l'exercice de l'action pénale ou pour la sécurité d'une personne.
§ 4. Les données en E-PV sont conservés pendant 10 ans après la date de l'infractions. Le raisponsable du traitement est le Service public fédérale Mobilité et Transports.]1
Art. 4.2.1.26 /4. [1 Ondertekening
§ 1. Het e-PV wordt door de opsteller of opstellers elektronisch ondertekend door middel van de gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.
De Koning kan, op de wijze voorzien in artikel 100/3, § 1, tweede lid, van het Sociaal Strafwetboek, bepalen dat het e-PV door de opsteller of opstellers elektronisch ondertekend kan worden door middel van een ander systeem dat toelaat om de identiteit van de ondertekenaar en de integriteit van het ondertekende e-PV met afdoende waarborgen vast te stellen.
§ 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt, onverminderd de artikelen 1322 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, het e-PV dat door de opsteller of opstellers elektronisch werd ondertekend, overeenkomstig paragraaf 1, gelijkgesteld met een proces-verbaal op papieren drager ondertekend door middel van een handgeschreven handtekening.]1
§ 1. Het e-PV wordt door de opsteller of opstellers elektronisch ondertekend door middel van de gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.
De Koning kan, op de wijze voorzien in artikel 100/3, § 1, tweede lid, van het Sociaal Strafwetboek, bepalen dat het e-PV door de opsteller of opstellers elektronisch ondertekend kan worden door middel van een ander systeem dat toelaat om de identiteit van de ondertekenaar en de integriteit van het ondertekende e-PV met afdoende waarborgen vast te stellen.
§ 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt, onverminderd de artikelen 1322 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, het e-PV dat door de opsteller of opstellers elektronisch werd ondertekend, overeenkomstig paragraaf 1, gelijkgesteld met een proces-verbaal op papieren drager ondertekend door middel van een handgeschreven handtekening.]1
Art. 4.2.1.26 /4. [1 Signature
§ 1er. L'e-PV est signé par son auteur ou ses auteurs de manière électronique au moyen de la signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12 du Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la Directive 1999/93/CE.
Le Roi peut, de la façon prévue à l'article 100/3, § 1er, alinéa 2, du Code pénal social, prévoir que l'e-PV peut être signé par son auteur ou ses auteurs de manière électronique au moyen d'un autre système qui permet de déterminer l'identité du signataire et l'intégrité de l'e-PV signé avec des garanties suffisantes.
§ 2. Pour l'application du présent chapitre, sans préjudice des articles 1322 et suivants du Code civil, l'e-PV qui a été signé de manière électronique par son auteur ou ses auteurs, conformément au paragraphe 1er, est assimilé à un procès-verbal sur support papier signé au moyen d'une signature manuscrite.]1
§ 1er. L'e-PV est signé par son auteur ou ses auteurs de manière électronique au moyen de la signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12 du Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la Directive 1999/93/CE.
Le Roi peut, de la façon prévue à l'article 100/3, § 1er, alinéa 2, du Code pénal social, prévoir que l'e-PV peut être signé par son auteur ou ses auteurs de manière électronique au moyen d'un autre système qui permet de déterminer l'identité du signataire et l'intégrité de l'e-PV signé avec des garanties suffisantes.
§ 2. Pour l'application du présent chapitre, sans préjudice des articles 1322 et suivants du Code civil, l'e-PV qui a été signé de manière électronique par son auteur ou ses auteurs, conformément au paragraphe 1er, est assimilé à un procès-verbal sur support papier signé au moyen d'une signature manuscrite.]1
Afdeling 3. - Bijzondere bevoegdheden
Section 3. - Compétences particulières
Onderafdeling 1. - Schepen
Sous-Section 1. - Navires
Art. 4.2.1.27. Scheepsmeting
§ 1. Elk Belgisch of vreemd zeeschip moet zich onderwerpen aan de inspectie waartoe de scheepvaartcontroleurs beslissen over te gaan.
§ 2. De inspectie door de scheepvaartcontroleurs heeft enkel tot doel na te gaan of :
1° het zeeschip voorzien is van een geldige meetbrief zoals in artikel 2.2.2.9, tweede lid bepaald;
2° de belangrijkste kenmerken van het zeeschip in overeenstemming zijn met de op de aan boord zijnde meetbrief vermelde gegevens.
§ 3. Ingeval uit de inspectie blijkt dat de belangrijkste kenmerken van het zeeschip derwijze van deze vermeld op de meetbrief afwijken dat zulks tot een vermeerdering van de bruto- of nettotonnenmaat leidt, stellen de scheepvaartcontroleurs de Staat waarvan het zeeschip de vlag voert daarvan onverwijld in kennis.
§ 4. De scheepvaartcontroleurs kunnen elk zeeschip aanhouden dat de artikel en 2.2.2.1 tot 2.2.2.14 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt. Zij beslissen tot de vrijlating van het zeeschip zodra aan de door hen gestelde voorwaarden is voldaan.
§ 1. Elk Belgisch of vreemd zeeschip moet zich onderwerpen aan de inspectie waartoe de scheepvaartcontroleurs beslissen over te gaan.
§ 2. De inspectie door de scheepvaartcontroleurs heeft enkel tot doel na te gaan of :
1° het zeeschip voorzien is van een geldige meetbrief zoals in artikel 2.2.2.9, tweede lid bepaald;
2° de belangrijkste kenmerken van het zeeschip in overeenstemming zijn met de op de aan boord zijnde meetbrief vermelde gegevens.
§ 3. Ingeval uit de inspectie blijkt dat de belangrijkste kenmerken van het zeeschip derwijze van deze vermeld op de meetbrief afwijken dat zulks tot een vermeerdering van de bruto- of nettotonnenmaat leidt, stellen de scheepvaartcontroleurs de Staat waarvan het zeeschip de vlag voert daarvan onverwijld in kennis.
§ 4. De scheepvaartcontroleurs kunnen elk zeeschip aanhouden dat de artikel en 2.2.2.1 tot 2.2.2.14 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt. Zij beslissen tot de vrijlating van het zeeschip zodra aan de door hen gestelde voorwaarden is voldaan.
Art. 4.2.1.27. Jaugeage des navires
§ 1er. Tout navire de mer belge ou étranger doit se soumettre à l'inspection décidée par les contrôleurs de la navigation.
§ 2. L'inspection par les contrôleurs de la navigation a pour seul objet de vérifier si :
1° le navire de mer est pourvu d'un certificat de jaugeage valable tel que visé à l'article 2.2.2.9, alinéa 2;
2° les caractéristiques principales du navire de mer correspondant aux indications portées sur le certificat de jaugeage se trouvant à bord.
§ 3. Dans le cas où l'inspection révèle que les caractéristiques principales du navire de mer diffèrent des indications portées sur le certificat de jaugeage, de telle manière qu'elles entraînent une augmentation de la jauge brute ou de la jauge nette, les contrôleurs de la navigation en informent immédiatement l'Etat dont le navire de mer bat pavillon.
§ 4. Les contrôleurs de la navigation peuvent immobiliser tout navire qui enfreint les articles 2.2.2.1 à 2.2.2.14 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents. Ils décident de la libération du navire dès qu'il est satisfait aux conditions qu'ils ont imposées.
§ 1er. Tout navire de mer belge ou étranger doit se soumettre à l'inspection décidée par les contrôleurs de la navigation.
§ 2. L'inspection par les contrôleurs de la navigation a pour seul objet de vérifier si :
1° le navire de mer est pourvu d'un certificat de jaugeage valable tel que visé à l'article 2.2.2.9, alinéa 2;
2° les caractéristiques principales du navire de mer correspondant aux indications portées sur le certificat de jaugeage se trouvant à bord.
§ 3. Dans le cas où l'inspection révèle que les caractéristiques principales du navire de mer diffèrent des indications portées sur le certificat de jaugeage, de telle manière qu'elles entraînent une augmentation de la jauge brute ou de la jauge nette, les contrôleurs de la navigation en informent immédiatement l'Etat dont le navire de mer bat pavillon.
§ 4. Les contrôleurs de la navigation peuvent immobiliser tout navire qui enfreint les articles 2.2.2.1 à 2.2.2.14 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents. Ils décident de la libération du navire dès qu'il est satisfait aux conditions qu'ils ont imposées.
Art. 4.2.1.28. Scheepsveiligheid
§ 1. De scheepvaartcontroleurs kunnen te allen tijde de door hen voor de toepassing van de artikel en 2.2.3.1 tot 2.2.3.15 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten nodig geachte richtlijnen geven, onder meer het op het droge zetten of het ledig vertonen van het zeeschip en het uitvoeren van door hen bepaalde werken.
§ 2. Iedere kapitein en iedere scheepseigenaar is verplicht de scheepvaartcontroleurs en deskundigen de inlichtingen en de hulp te verstrekken welke zij voor de vervulling van hun opdracht nodig achten.
§ 3. De scheepvaartcontroleurs hebben het recht elk zeeschip dat niet aan de wettelijke of reglementaire voorwaarden inzake de scheepsveiligheid voldoet, aan te houden of het de toegang tot een Belgische haven te ontzeggen.
Indien de wettelijke en reglementaire voorwaarden wel vervuld zijn, doch ernstige vermoedens niettemin doen aannemen dat het zeeschip niet kan varen zonder de veiligheid van de bemanning, van de passagiers of van de lading of het mariene milieu in gevaar te brengen, mogen de scheepvaartcontroleurs het zeeschip eveneens ophouden. Ten aanzien van een Belgisch zeeschip wordt van dat recht alleen gebruik gemaakt nadat de voorzitter van de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart daartoe machtiging heeft verleend.
Behoudens in dringende gevallen oefenen de scheepvaartcontroleurs het in deze paragraaf bedoeld recht ten aanzien van vreemde zeeschepen eerst uit nadat de consul van het land waarvan het zeeschip de vlag voert, is ingelicht over de te nemen maatregelen en de redenen welke daartoe aanleiding hebben gegeven.
In dringende gevallen geschiedt deze mededeling onmiddellijk nadat de maatregelen zijn genomen.
Het zeeschip wordt vrijgelaten zodra de gestelde voorwaarden zijn vervuld ten genoegen van de scheepvaartcontroleurs.
Van de ter zake genomen beslissingen wordt kennis gegeven aan de bevoegde scheepvaartcontroleurs, die het zeeschip ophouden of vrijlaten.
§ 4. Indien de bemanning oordeelt dat het zeeschip niet alle nodige waarborgen van veiligheid oplevert, mag zij te allen tijde een met redenen omkleed verzoekschrift aan de scheepvaartcontroleurs aan of aan de Belgische consulaire ambtenaar richten.
Deze overheden moeten de bemanning horen alvorens de maatregelen te treffen welke de omstandigheden vereisen.
§ 5. Ingeval een of ander certificaat of een toelating tot afvaart wordt geweigerd dan wel een zeeschip op grond van paragraaf 3 wordt aangehouden of de toegang tot een Belgische haven ontzegd wordt, maken de scheepvaartcontroleurs of de Belgische consulaire ambtenaar, een gemotiveerd proces-verbaal op, waarvan binnen vierentwintig uren na de beslissing een afschrift wordt toegezonden aan degene wie deze beslissing kan aangaan.
§ 6. Binnen veertien dagen na de verzending van het afschrift van het gemotiveerd proces-verbaal overeenkomstig paragraaf 5, kan tegen de in paragrafen 3 en 5 bedoelde beslissingen beroep worden ingesteld.
Het beroep wordt ingesteld door de aanvrager of de houder van het certificaat en, in de gevallen van aanhouding, verbod tot afvaart of ontzegging van toegang tot een Belgische haven, door de kapitein of de scheepseigenaar door middel van een verzoekschrift gericht aan de Rijkscommissaris bij de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart, waarin de middelen worden uiteengezet. Het beroep heeft geen opschortende kracht.
§ 1. De scheepvaartcontroleurs kunnen te allen tijde de door hen voor de toepassing van de artikel en 2.2.3.1 tot 2.2.3.15 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten nodig geachte richtlijnen geven, onder meer het op het droge zetten of het ledig vertonen van het zeeschip en het uitvoeren van door hen bepaalde werken.
§ 2. Iedere kapitein en iedere scheepseigenaar is verplicht de scheepvaartcontroleurs en deskundigen de inlichtingen en de hulp te verstrekken welke zij voor de vervulling van hun opdracht nodig achten.
§ 3. De scheepvaartcontroleurs hebben het recht elk zeeschip dat niet aan de wettelijke of reglementaire voorwaarden inzake de scheepsveiligheid voldoet, aan te houden of het de toegang tot een Belgische haven te ontzeggen.
Indien de wettelijke en reglementaire voorwaarden wel vervuld zijn, doch ernstige vermoedens niettemin doen aannemen dat het zeeschip niet kan varen zonder de veiligheid van de bemanning, van de passagiers of van de lading of het mariene milieu in gevaar te brengen, mogen de scheepvaartcontroleurs het zeeschip eveneens ophouden. Ten aanzien van een Belgisch zeeschip wordt van dat recht alleen gebruik gemaakt nadat de voorzitter van de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart daartoe machtiging heeft verleend.
Behoudens in dringende gevallen oefenen de scheepvaartcontroleurs het in deze paragraaf bedoeld recht ten aanzien van vreemde zeeschepen eerst uit nadat de consul van het land waarvan het zeeschip de vlag voert, is ingelicht over de te nemen maatregelen en de redenen welke daartoe aanleiding hebben gegeven.
In dringende gevallen geschiedt deze mededeling onmiddellijk nadat de maatregelen zijn genomen.
Het zeeschip wordt vrijgelaten zodra de gestelde voorwaarden zijn vervuld ten genoegen van de scheepvaartcontroleurs.
Van de ter zake genomen beslissingen wordt kennis gegeven aan de bevoegde scheepvaartcontroleurs, die het zeeschip ophouden of vrijlaten.
§ 4. Indien de bemanning oordeelt dat het zeeschip niet alle nodige waarborgen van veiligheid oplevert, mag zij te allen tijde een met redenen omkleed verzoekschrift aan de scheepvaartcontroleurs aan of aan de Belgische consulaire ambtenaar richten.
Deze overheden moeten de bemanning horen alvorens de maatregelen te treffen welke de omstandigheden vereisen.
§ 5. Ingeval een of ander certificaat of een toelating tot afvaart wordt geweigerd dan wel een zeeschip op grond van paragraaf 3 wordt aangehouden of de toegang tot een Belgische haven ontzegd wordt, maken de scheepvaartcontroleurs of de Belgische consulaire ambtenaar, een gemotiveerd proces-verbaal op, waarvan binnen vierentwintig uren na de beslissing een afschrift wordt toegezonden aan degene wie deze beslissing kan aangaan.
§ 6. Binnen veertien dagen na de verzending van het afschrift van het gemotiveerd proces-verbaal overeenkomstig paragraaf 5, kan tegen de in paragrafen 3 en 5 bedoelde beslissingen beroep worden ingesteld.
Het beroep wordt ingesteld door de aanvrager of de houder van het certificaat en, in de gevallen van aanhouding, verbod tot afvaart of ontzegging van toegang tot een Belgische haven, door de kapitein of de scheepseigenaar door middel van een verzoekschrift gericht aan de Rijkscommissaris bij de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart, waarin de middelen worden uiteengezet. Het beroep heeft geen opschortende kracht.
Art. 4.2.1.28. Sécurité des navires
§ 1er. Les contrôleurs de la navigation peuvent en tout temps donner les directives qu'ils jugent nécessaires pour garantir l'application des articles 2.2.3.1 à 2.2.3.15 du présent code ou des arrêtés d'exécution y afférents, notamment la mise à sec ou la présentation à l'état lège du navire, ainsi que l'exécution de certains travaux.
§ 2. Tout capitaine ou propriétaire de navire est tenu de donner aux contrôleurs de la navigation et experts les renseignements et l'aide que ceux-ci jugent nécessaires à l'accomplissement de leur mission.
§ 3. Les contrôleurs de la navigation ont le droit d'arrêter tout navire qui ne répond pas aux conditions légales ou réglementaires en matière de sécurité des navires, de l'immobiliser ou de lui refuser l'accès à un port belge.
Lorsque les conditions légales et réglementaires sont remplies, mais que des présomptions graves font croire que le navire ne pourrait pas naviguer sans compromettre la sécurité de l'équipage, des passagers ou de la cargaison ou l'environnement marin, les contrôleurs de la navigation pourraient également l'arrêter. A l'égard d'un navire belge, il n'est fait usage de ce droit qu'avec l'autorisation préalable du président du Conseil d'enquête maritime.
Sauf dans des cas urgents, les contrôleurs de la navigation n'exercent le droit, prévu au présent paragraphe, à l'égard de navires étrangers qu'après avoir informé le consul du pays dont le navire de mer bat le pavillon, des mesures à prendre et des motifs de l'intervention.
Dans des cas urgents, cette information est faite sans délai après que les mesures ont été prises.
Le navire est libéré aussitôt que les conditions requises ont été remplies à la satisfaction des contrôleurs de la navigation.
Notification des décisions prises en la matière est donnée aux contrôleurs de la navigation, qui procèdent à l'arrêt ou à la libération du navire.
§ 4. L'équipage peut, en tout temps, s'adresser par requête motivée aux contrôleurs de la navigation ou au fonctionnaire consulaire belge s'il estime que le navire de mer n'offre pas toutes les garanties de sécurité voulues.
Ces autorités doivent entendre l'équipage avant de prendre les mesures requises par les circonstances.
§ 5. En cas de refus d'un certificat quelconque ou d'une autorisation de départ ou lorsqu'un navire de mer a été immobilisé ou s'est vu refuser l'accès à un port belge en vertu du paragraphe 3, les contrôleurs de la navigation ou le fonctionnaire consulaire belge dressent un procès-verbal motivé dont une copie est adressée, dans les vingt-quatre heures après la décision, à la personne que la décision peut intéresser.
§ 6. Dans les quatorze jours qui suivent l'envoi de la copie du procès-verbal motivé conformément au paragraphe 5, l'appel contre les décisions visées aux paragraphes 3 et 5 peut être interjeté.
L'appel est introduit par le demandeur ou le porteur du certificat et, dans les cas d'immobilisation, d'interdiction de départ ou de refus d'accès à un port belge, par le capitaine ou le propriétaire par le biais d'une requête adressée au Commissaire de l'Etat auprès du Conseil d'enquête maritime et contenant les moyens invoqués. L'appel n'est pas suspensif.
§ 1er. Les contrôleurs de la navigation peuvent en tout temps donner les directives qu'ils jugent nécessaires pour garantir l'application des articles 2.2.3.1 à 2.2.3.15 du présent code ou des arrêtés d'exécution y afférents, notamment la mise à sec ou la présentation à l'état lège du navire, ainsi que l'exécution de certains travaux.
§ 2. Tout capitaine ou propriétaire de navire est tenu de donner aux contrôleurs de la navigation et experts les renseignements et l'aide que ceux-ci jugent nécessaires à l'accomplissement de leur mission.
§ 3. Les contrôleurs de la navigation ont le droit d'arrêter tout navire qui ne répond pas aux conditions légales ou réglementaires en matière de sécurité des navires, de l'immobiliser ou de lui refuser l'accès à un port belge.
Lorsque les conditions légales et réglementaires sont remplies, mais que des présomptions graves font croire que le navire ne pourrait pas naviguer sans compromettre la sécurité de l'équipage, des passagers ou de la cargaison ou l'environnement marin, les contrôleurs de la navigation pourraient également l'arrêter. A l'égard d'un navire belge, il n'est fait usage de ce droit qu'avec l'autorisation préalable du président du Conseil d'enquête maritime.
Sauf dans des cas urgents, les contrôleurs de la navigation n'exercent le droit, prévu au présent paragraphe, à l'égard de navires étrangers qu'après avoir informé le consul du pays dont le navire de mer bat le pavillon, des mesures à prendre et des motifs de l'intervention.
Dans des cas urgents, cette information est faite sans délai après que les mesures ont été prises.
Le navire est libéré aussitôt que les conditions requises ont été remplies à la satisfaction des contrôleurs de la navigation.
Notification des décisions prises en la matière est donnée aux contrôleurs de la navigation, qui procèdent à l'arrêt ou à la libération du navire.
§ 4. L'équipage peut, en tout temps, s'adresser par requête motivée aux contrôleurs de la navigation ou au fonctionnaire consulaire belge s'il estime que le navire de mer n'offre pas toutes les garanties de sécurité voulues.
Ces autorités doivent entendre l'équipage avant de prendre les mesures requises par les circonstances.
§ 5. En cas de refus d'un certificat quelconque ou d'une autorisation de départ ou lorsqu'un navire de mer a été immobilisé ou s'est vu refuser l'accès à un port belge en vertu du paragraphe 3, les contrôleurs de la navigation ou le fonctionnaire consulaire belge dressent un procès-verbal motivé dont une copie est adressée, dans les vingt-quatre heures après la décision, à la personne que la décision peut intéresser.
§ 6. Dans les quatorze jours qui suivent l'envoi de la copie du procès-verbal motivé conformément au paragraphe 5, l'appel contre les décisions visées aux paragraphes 3 et 5 peut être interjeté.
L'appel est introduit par le demandeur ou le porteur du certificat et, dans les cas d'immobilisation, d'interdiction de départ ou de refus d'accès à un port belge, par le capitaine ou le propriétaire par le biais d'une requête adressée au Commissaire de l'Etat auprès du Conseil d'enquête maritime et contenant les moyens invoqués. L'appel n'est pas suspensif.
Onderafdeling 2. - Reders
Sous-Section 2. - Armateurs
Art. 4.2.1.29. Verplichte verzekering tegen maritieme vorderingen
Elke inspectie van een schip in een haven die onder de Belgische rechtsbevoegdheid valt, overeenkomstig de bepalingen inzake havenstaatcontrole vastgesteld in uitvoering van de artikel en 2.2.3.1 tot 2.2.3.15 van dit wetboek, houdt mede in dat wordt nagegaan of zich aan boord een verzekeringscertificaat als bedoeld in artikel 2.3.2.5 bevindt.
Ingeval het in artikel 2.3.2.5 bedoelde verzekeringscertificaat zich niet aan boord bevindt en onverminderd de bepalingen inzake havenstaatcontrole vastgesteld in uitvoering van de artikel en 2.2.3.1 tot 2.2.3.15 van dit wetboek welke voorzien in de aanhouding van schepen ingeval de veiligheid of de vrijwaring van het mariene milieu in gevaar is, kunnen de scheepvaartcontroleurs tegen het schip een verwijderingsbevel uitvaardigen, waarvan de Europese Commissie, de andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en de betrokken vlagstaat in kennis worden gesteld. Het uitvaardigen van dergelijk verwijderingsbevel of van een verwijderingsbevel door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte overeenkomstig artikel 5, lid 2 van Richtlijn 2009/20/EG heeft tot gevolg dat het schip niet wordt toegelaten tot de Belgische havens totdat de scheepseigenaar het in artikel 2.3.2.5 bedoelde verzekeringscertificaat voorlegt.
Ingeval een verwijderingsbevel wordt uitgevaardigd, stelt de Scheepvaartcontrole een met redenen omkleed proces-verbaal op waarvan binnen vierentwintig uren na de beslissing een afschrift wordt toegezonden aan de kapitein of aan de scheepseigenaar.
Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het afschrift van het met redenen omkleed proces-verbaal kan tegen de in de vorige leden bedoelde beslissingen beroep worden ingesteld. Het beroep wordt door de kapitein of de scheepseigenaar ingesteld door middel van een verzoekschrift gericht aan de Rijkscommissaris bij de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart, waarin de middelen worden uiteengezet. Het beroep heeft geen opschortende kracht.
Elke inspectie van een schip in een haven die onder de Belgische rechtsbevoegdheid valt, overeenkomstig de bepalingen inzake havenstaatcontrole vastgesteld in uitvoering van de artikel en 2.2.3.1 tot 2.2.3.15 van dit wetboek, houdt mede in dat wordt nagegaan of zich aan boord een verzekeringscertificaat als bedoeld in artikel 2.3.2.5 bevindt.
Ingeval het in artikel 2.3.2.5 bedoelde verzekeringscertificaat zich niet aan boord bevindt en onverminderd de bepalingen inzake havenstaatcontrole vastgesteld in uitvoering van de artikel en 2.2.3.1 tot 2.2.3.15 van dit wetboek welke voorzien in de aanhouding van schepen ingeval de veiligheid of de vrijwaring van het mariene milieu in gevaar is, kunnen de scheepvaartcontroleurs tegen het schip een verwijderingsbevel uitvaardigen, waarvan de Europese Commissie, de andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en de betrokken vlagstaat in kennis worden gesteld. Het uitvaardigen van dergelijk verwijderingsbevel of van een verwijderingsbevel door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte overeenkomstig artikel 5, lid 2 van Richtlijn 2009/20/EG heeft tot gevolg dat het schip niet wordt toegelaten tot de Belgische havens totdat de scheepseigenaar het in artikel 2.3.2.5 bedoelde verzekeringscertificaat voorlegt.
Ingeval een verwijderingsbevel wordt uitgevaardigd, stelt de Scheepvaartcontrole een met redenen omkleed proces-verbaal op waarvan binnen vierentwintig uren na de beslissing een afschrift wordt toegezonden aan de kapitein of aan de scheepseigenaar.
Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het afschrift van het met redenen omkleed proces-verbaal kan tegen de in de vorige leden bedoelde beslissingen beroep worden ingesteld. Het beroep wordt door de kapitein of de scheepseigenaar ingesteld door middel van een verzoekschrift gericht aan de Rijkscommissaris bij de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart, waarin de middelen worden uiteengezet. Het beroep heeft geen opschortende kracht.
Art. 4.2.1.29. Assurance obligatoire contre les créances maritimes
Toute inspection effectuée sur un navire dans un port relevant de la juridiction belge, conformément aux dispositions en matière du contrôle par l'Etat du port en exécution des articles 2.2.3.1 à 2.2.3.15 du présent code, comporte la vérification de la présence à bord d'un certificat d'assurance visé à l'article 2.3.2.5.
Si le certificat d'assurance visé à l'article 2.3.2.5 ne se trouve pas à bord et sans préjudice des dispositions en matière du contrôle par l'Etat du port en exécution des articles 2.2.3.1 à 2.2.3.15 du présent code qui prévoient l'immobilisation de navires lorsque des questions de sécurité ou de préservation du milieu marin sont en jeu, les contrôleurs de la navigation peuvent prononcer à l'égard du navire une décision d'expulsion qui est notifiée à la Commission européenne, aux autres Etats membres de l'Espace économique européen et à l'Etat du pavillon concerné. La promulgation de cette décision d'expulsion ou d'une décision d'expulsion par un autre Etat membre de l'Espace économique européen conformément à l'article 5, alinéa 2, de la Directive 2009/20/CE a pour effet que l'accès de ce navire aux ports belges est refusé jusqu'à ce que le propriétaire dudit navire fournisse le certificat d'assurance visé à l'article 2.3.2.5.
Si une décision d'expulsion est prononcée, le Contrôle de la navigation dresse un procès-verbal motivé dont une copie est adressée, dans les vingt-quatre heures après la décision, au capitaine ou au propriétaire du navire.
Dans les quinze jours qui suivent la réception de la copie du procès-verbal motivé, un appel peut être introduit contre les décisions visées aux alinéas précédents. L'appel sera introduit par le capitaine ou le propriétaire du navire, au moyen d'une requête adressée au Commissaire de l'Etat auprès du Conseil d'Enquête maritime et contenant les moyens invoqués. L'appel n'est pas suspensif.
Toute inspection effectuée sur un navire dans un port relevant de la juridiction belge, conformément aux dispositions en matière du contrôle par l'Etat du port en exécution des articles 2.2.3.1 à 2.2.3.15 du présent code, comporte la vérification de la présence à bord d'un certificat d'assurance visé à l'article 2.3.2.5.
Si le certificat d'assurance visé à l'article 2.3.2.5 ne se trouve pas à bord et sans préjudice des dispositions en matière du contrôle par l'Etat du port en exécution des articles 2.2.3.1 à 2.2.3.15 du présent code qui prévoient l'immobilisation de navires lorsque des questions de sécurité ou de préservation du milieu marin sont en jeu, les contrôleurs de la navigation peuvent prononcer à l'égard du navire une décision d'expulsion qui est notifiée à la Commission européenne, aux autres Etats membres de l'Espace économique européen et à l'Etat du pavillon concerné. La promulgation de cette décision d'expulsion ou d'une décision d'expulsion par un autre Etat membre de l'Espace économique européen conformément à l'article 5, alinéa 2, de la Directive 2009/20/CE a pour effet que l'accès de ce navire aux ports belges est refusé jusqu'à ce que le propriétaire dudit navire fournisse le certificat d'assurance visé à l'article 2.3.2.5.
Si une décision d'expulsion est prononcée, le Contrôle de la navigation dresse un procès-verbal motivé dont une copie est adressée, dans les vingt-quatre heures après la décision, au capitaine ou au propriétaire du navire.
Dans les quinze jours qui suivent la réception de la copie du procès-verbal motivé, un appel peut être introduit contre les décisions visées aux alinéas précédents. L'appel sera introduit par le capitaine ou le propriétaire du navire, au moyen d'une requête adressée au Commissaire de l'Etat auprès du Conseil d'Enquête maritime et contenant les moyens invoqués. L'appel n'est pas suspensif.
Art. 4.2.1.30. Verplichte PAL-verzekering
De scheepvaartcontroleurs kunnen elk schip dat niet in het bezit is van de bij het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening, de artikel en 2.3.2.1 tot 2.3.2.28 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten voorgeschreven geldige certificaten, of waarvoor niet voldoende het bewijs is geleverd bedoeld in artikel 2.3.2.5, § 2, of dat niet verzekerd is overeenkomstig artikel 2.3.2.4, aanhouden of het de toegang tot een Belgische haven of de Belgische territoriale zee ontzeggen. Behoudens in dringende gevallen oefenen de scheepvaartcontroleurs het in dit lid bedoeld recht ten aanzien van vreemde schepen eerst uit nadat de consul van het land waarvan het schip de vlag voert, is ingelicht. In dringende gevallen geschiedt deze mededeling onmiddellijk nadat de maatregelen zijn genomen. Het schip wordt vrijgelaten zodra het schip ten genoegen van de scheepvaartcontroleurs in het bezit is van de voorgeschreven geldige certificaten.
Ingeval een toelating tot afvaart wordt geweigerd of een schip wordt aangehouden of de toegang tot een Belgische haven of de Belgische territoriale zee wordt ontzegd, maakt de Scheepvaartcontrole of, in voorkomend geval, de Belgische consulaire ambtenaar, een met redenen omkleed proces-verbaal op, waarvan binnen vierentwintig uur na de beslissing een afschrift wordt toegezonden aan de kapitein of de scheepseigenaar.
Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het afschrift van het met redenen omkleed proces-verbaal overeenkomstig dit artikel kan tegen de in de vorige leden bedoelde beslissingen beroep worden ingesteld . Het beroep wordt ingesteld door de kapitein of de scheepseigenaar door middel van een verzoekschrift gericht aan de Rijkscommissaris bij de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart, waarin de middelen worden uiteengezet. Het beroep heeft geen opschortende kracht.
De scheepvaartcontroleurs kunnen elk schip dat niet in het bezit is van de bij het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening, de artikel en 2.3.2.1 tot 2.3.2.28 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten voorgeschreven geldige certificaten, of waarvoor niet voldoende het bewijs is geleverd bedoeld in artikel 2.3.2.5, § 2, of dat niet verzekerd is overeenkomstig artikel 2.3.2.4, aanhouden of het de toegang tot een Belgische haven of de Belgische territoriale zee ontzeggen. Behoudens in dringende gevallen oefenen de scheepvaartcontroleurs het in dit lid bedoeld recht ten aanzien van vreemde schepen eerst uit nadat de consul van het land waarvan het schip de vlag voert, is ingelicht. In dringende gevallen geschiedt deze mededeling onmiddellijk nadat de maatregelen zijn genomen. Het schip wordt vrijgelaten zodra het schip ten genoegen van de scheepvaartcontroleurs in het bezit is van de voorgeschreven geldige certificaten.
Ingeval een toelating tot afvaart wordt geweigerd of een schip wordt aangehouden of de toegang tot een Belgische haven of de Belgische territoriale zee wordt ontzegd, maakt de Scheepvaartcontrole of, in voorkomend geval, de Belgische consulaire ambtenaar, een met redenen omkleed proces-verbaal op, waarvan binnen vierentwintig uur na de beslissing een afschrift wordt toegezonden aan de kapitein of de scheepseigenaar.
Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het afschrift van het met redenen omkleed proces-verbaal overeenkomstig dit artikel kan tegen de in de vorige leden bedoelde beslissingen beroep worden ingesteld . Het beroep wordt ingesteld door de kapitein of de scheepseigenaar door middel van een verzoekschrift gericht aan de Rijkscommissaris bij de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart, waarin de middelen worden uiteengezet. Het beroep heeft geen opschortende kracht.
Art. 4.2.1.30. Assurance obligatoire-PAL
Les contrôleurs de la navigation peuvent immobiliser tout navire qui n'est pas muni des certificats valables prescrits par la Convention PAL, le Règlement PAL, les articles 2.3.2.1 à 2.3.2.28 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents, ou pour lequel la preuve visée par l'article 2.3.2.5, § 2, n'est pas suffisamment établie ou qui n'est pas assuré conformément à l'article 2.3.2.4, ou lui refuser l'accès à un port belge ou à la mer territoriale belge. Sauf dans des cas urgents, les contrôleurs de la navigation n'exercent le droit, prévu au présent alinéa, à l'égard de navires étrangers qu'après avoir informé le consul du pays dont le navire bat le pavillon. Dans des cas urgents, cette information est faite sans délai après que les mesures ont été prises. Le navire est libéré aussitôt qu'il est muni des certificats valables prescrits, à la satisfaction des contrôleurs de la navigation.
Si une autorisation de départ est refusée ou si un navire est immobilisé ou s'est vu refuser l'accès à un port belge ou à la mer territoriale belge, le Contrôle de la navigation ou, le cas échéant, le fonctionnaire consulaire belge dresse un procès-verbal motivé dont une copie est adressée, dans les vingt-quatre heures après la décision, au capitaine ou au propriétaire du navire.
Dans les quinze jours qui suivent la réception de la copie du procès-verbal motivé conformément au présent article, un appel peut être introduit contre les décisions visées aux alinéas précédents. L'appel sera introduit par le capitaine ou le propriétaire du navire, au moyen d'une requête adressée au Commissaire de l'Etat auprès du Conseil d'Enquête maritime et contenant les moyens invoqués. L'appel n'est pas suspensif.
Les contrôleurs de la navigation peuvent immobiliser tout navire qui n'est pas muni des certificats valables prescrits par la Convention PAL, le Règlement PAL, les articles 2.3.2.1 à 2.3.2.28 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents, ou pour lequel la preuve visée par l'article 2.3.2.5, § 2, n'est pas suffisamment établie ou qui n'est pas assuré conformément à l'article 2.3.2.4, ou lui refuser l'accès à un port belge ou à la mer territoriale belge. Sauf dans des cas urgents, les contrôleurs de la navigation n'exercent le droit, prévu au présent alinéa, à l'égard de navires étrangers qu'après avoir informé le consul du pays dont le navire bat le pavillon. Dans des cas urgents, cette information est faite sans délai après que les mesures ont été prises. Le navire est libéré aussitôt qu'il est muni des certificats valables prescrits, à la satisfaction des contrôleurs de la navigation.
Si une autorisation de départ est refusée ou si un navire est immobilisé ou s'est vu refuser l'accès à un port belge ou à la mer territoriale belge, le Contrôle de la navigation ou, le cas échéant, le fonctionnaire consulaire belge dresse un procès-verbal motivé dont une copie est adressée, dans les vingt-quatre heures après la décision, au capitaine ou au propriétaire du navire.
Dans les quinze jours qui suivent la réception de la copie du procès-verbal motivé conformément au présent article, un appel peut être introduit contre les décisions visées aux alinéas précédents. L'appel sera introduit par le capitaine ou le propriétaire du navire, au moyen d'une requête adressée au Commissaire de l'Etat auprès du Conseil d'Enquête maritime et contenant les moyens invoqués. L'appel n'est pas suspensif.
Art. 4.2.1.31. Toezicht in verband met passagiersbescherming
Iedere kapitein, iedere scheepseigenaar en iedere terminalexploitant moet de scheepvaartcontroleurs bij het toezicht op de naleving van de Passagiersrechtenverordening de inlichtingen en de hulp te verstrekken welke zij voor de vervulling van hun opdracht nodig achten.
Iedere kapitein, iedere scheepseigenaar en iedere terminalexploitant moet de scheepvaartcontroleurs bij het toezicht op de naleving van de Passagiersrechtenverordening de inlichtingen en de hulp te verstrekken welke zij voor de vervulling van hun opdracht nodig achten.
Art. 4.2.1.31. Surveillance relative à la protection des passagers
Tout capitaine, tout propriétaire de navire et tout exploitant de terminal doivent fournir aux contrôleurs de la navigation les renseignements nécessaires lors de la surveillance du respect du Règlement concernant les droits des passagers et leur apporter l'aide qu'ils estiment nécessaire à la réalisation de leur mission.
Tout capitaine, tout propriétaire de navire et tout exploitant de terminal doivent fournir aux contrôleurs de la navigation les renseignements nécessaires lors de la surveillance du respect du Règlement concernant les droits des passagers et leur apporter l'aide qu'ils estiment nécessaire à la réalisation de leur mission.
Afdeling 3. - Marien milieu
Sous-Section 3. - Milieu marin
Art. 4.2.1.32. Richtlijnen met betrekking tot schepen
§ 1. De scheepvaartcontroleurs die daartoe aangesteld zijn kunnen te allen tijde de richtlijnen geven die zij voor de toepassing van de artikel en 2.5.3.1 tot [1 2.5.3.12]1 van dit wetboek en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten ervan nodig achten, onder meer het doen uitvoeren van bepaalde werken of van bepaalde handelingen met het oog op de voorkoming of beperking van een lozing.
§ 2. De scheepvaartcontroleurs en de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie zijn in het bijzonder bevoegd om na te gaan of :
1° een schip voorzien is van een geldig certificaat overeenkomstig artikel 2.5.3.6;
2° een dagboek als vereist in artikel 2.5.3.7 wordt bijgehouden;
3° de aantekeningen in het dagboek juist en volledig zijn;
4° het schip in strijd met de bepalingen van dit wetboek of zijn uitvoeringsbesluiten schadelijke stoffen in zee heeft geloosd.
§ 1. De scheepvaartcontroleurs die daartoe aangesteld zijn kunnen te allen tijde de richtlijnen geven die zij voor de toepassing van de artikel en 2.5.3.1 tot [1 2.5.3.12]1 van dit wetboek en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten ervan nodig achten, onder meer het doen uitvoeren van bepaalde werken of van bepaalde handelingen met het oog op de voorkoming of beperking van een lozing.
§ 2. De scheepvaartcontroleurs en de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie zijn in het bijzonder bevoegd om na te gaan of :
1° een schip voorzien is van een geldig certificaat overeenkomstig artikel 2.5.3.6;
2° een dagboek als vereist in artikel 2.5.3.7 wordt bijgehouden;
3° de aantekeningen in het dagboek juist en volledig zijn;
4° het schip in strijd met de bepalingen van dit wetboek of zijn uitvoeringsbesluiten schadelijke stoffen in zee heeft geloosd.
Art. 4.2.1.32. Directives relatives aux navires
§ 1er. Les contrôleurs de la navigation désignés à cet effet peuvent à tout moment donner les directives qu'ils jugent nécessaires pour l'application des articles 2.5.3.1 à [1 2.5.3.12]1 du présent code et des arrêtés d'exécution y afférents, entre autres faire exécuter certains travaux ou certains actes en vue d'éviter ou de limiter un rejet.
§ 2. Les contrôleurs de la navigation et les membres du personnel de la Police de la navigation sont plus particulièrement compétents pour vérifier :
1° si un navire est muni d'un certificat valable conformément aux dispositions de l'article 2.5.3.6;
2° s'il est tenu un journal comme exigé à l'article 2.5.3.7;
3° si les mentions figurant dans le journal sont exactes et complètes;
4° si, en infraction aux dispositions du présent code ou de ses arrêtés d'exécution, des substances nuisibles ont été rejetées en mer par le navire.
§ 1er. Les contrôleurs de la navigation désignés à cet effet peuvent à tout moment donner les directives qu'ils jugent nécessaires pour l'application des articles 2.5.3.1 à [1 2.5.3.12]1 du présent code et des arrêtés d'exécution y afférents, entre autres faire exécuter certains travaux ou certains actes en vue d'éviter ou de limiter un rejet.
§ 2. Les contrôleurs de la navigation et les membres du personnel de la Police de la navigation sont plus particulièrement compétents pour vérifier :
1° si un navire est muni d'un certificat valable conformément aux dispositions de l'article 2.5.3.6;
2° s'il est tenu un journal comme exigé à l'article 2.5.3.7;
3° si les mentions figurant dans le journal sont exactes et complètes;
4° si, en infraction aux dispositions du présent code ou de ses arrêtés d'exécution, des substances nuisibles ont été rejetées en mer par le navire.
Wijzigingen
Art. 4.2.1.33. Verplichtingen van gezagvoerders en beheerders van plaatsen
De gezagvoerder van een schip dat de Belgische of een vreemde vlag voert is verplicht de ambtenaren in uitoefening van hun wettelijke opdrachten en de personen die hen vergezellen desgevraagd behoorlijke en veilige toegang tot het schip en zijn ruimen te verschaffen. Voorts verschaft de gezagvoerder, op verzoek van die personen, de inlichtingen, middelen en hulp die zij met het oog op de uitvoering van het onderzoek aan boord redelijkerwijze nodig achten.
Eenieder die belast is met het dagelijks beheer van een bedrijf of verantwoordelijk is voor een ligplaats of andere plaatsen waartoe de scheepvaartcontroleurs en de personen die hen vergezellen toegang hebben, is verplicht hen de inlichtingen, middelen en hulp te verstrekken welke zij voor de vervulling van hun opdracht nodig achten.
De gezagvoerder van een schip dat de Belgische of een vreemde vlag voert is verplicht de ambtenaren in uitoefening van hun wettelijke opdrachten en de personen die hen vergezellen desgevraagd behoorlijke en veilige toegang tot het schip en zijn ruimen te verschaffen. Voorts verschaft de gezagvoerder, op verzoek van die personen, de inlichtingen, middelen en hulp die zij met het oog op de uitvoering van het onderzoek aan boord redelijkerwijze nodig achten.
Eenieder die belast is met het dagelijks beheer van een bedrijf of verantwoordelijk is voor een ligplaats of andere plaatsen waartoe de scheepvaartcontroleurs en de personen die hen vergezellen toegang hebben, is verplicht hen de inlichtingen, middelen en hulp te verstrekken welke zij voor de vervulling van hun opdracht nodig achten.
Art. 4.2.1.33. Obligations des commandants et des gestionnaires de sites
A sa demande, le commandant d'un navire battant pavillon belge ou étranger est tenu de fournir aux fonctionnaires dans l'exercice de leurs missions légales et aux personnes qui les accompagnent un accès convenable et sûr au navire et à ses cales. Par ailleurs, le commandant, à la demande de ces personnes, procure les renseignements, moyens et assistance qu'ils jugent raisonnablement nécessaires pour effectuer l'inspection à bord.
Toute personne chargée de la gestion journalière d'une entreprise ou responsable d'un lieu d'amarrage ou de tout autre endroit auquel les contrôleurs de la navigation et les personnes qui les accompagnent ont accès est tenue de leur fournir renseignements, moyens et assistance qu'ils jugent nécessaires à l'accomplissement de leur mission.
A sa demande, le commandant d'un navire battant pavillon belge ou étranger est tenu de fournir aux fonctionnaires dans l'exercice de leurs missions légales et aux personnes qui les accompagnent un accès convenable et sûr au navire et à ses cales. Par ailleurs, le commandant, à la demande de ces personnes, procure les renseignements, moyens et assistance qu'ils jugent raisonnablement nécessaires pour effectuer l'inspection à bord.
Toute personne chargée de la gestion journalière d'une entreprise ou responsable d'un lieu d'amarrage ou de tout autre endroit auquel les contrôleurs de la navigation et les personnes qui les accompagnent ont accès est tenue de leur fournir renseignements, moyens et assistance qu'ils jugent nécessaires à l'accomplissement de leur mission.
Art. 4.2.1.34. Toezicht op vreemde schepen
§ 1. Een vreemd schip dat krachtens het MARPOL-Verdrag een certificaat behoeft, kan in een Belgische haven worden gecontroleerd door een scheepvaartcontroleur ten einde na te gaan of het schip van een geldig certificaat voorzien is.
Ingeval een in het eerste lid bedoeld schip niet van een geldig certificaat is voorzien of ingeval er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de bouw, inrichting of uitrusting van het schip niet in overeenstemming is met de gegevens van het certificaat, kan het schip door een scheepvaartcontroleur worden onderworpen aan een nader onderzoek.
Een vreemd schip dat geen certificaat behoeft overeenkomstig het MARPOL-Verdrag, kan in een Belgische haven worden gecontroleerd door een scheepvaartcontroleur ten einde na te gaan of het schip zodanig is gebouwd, ingericht en uitgerust dat het zonder gevaar voor verontreiniging van het mariene milieu naar zee kan vertrekken.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op het schip dat de vlag voert van een Staat die geen Partij is bij het MARPOL-Verdrag.
§ 2. Ingeval op grond van onregelmatigheden of van inlichtingen een vermoeden bestaat dat een vreemd schip dat vrijwillig in een Belgische haven of bij een Belgische offshore-terminal ligt, schadelijke stoffen heeft geloosd of loost, voeren de scheepvaartcontroleurs en desgevallend de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie een passende inspectie uit, rekening houdend met de toepasselijke richtsnoeren van de IMO. Deze bevoegdheid wordt tevens uitgebreid tot overtredingen begaan in de zone waarover een andere kuststaat jurisdictie bezit. Indien het een kuststaat betreft die geen lidstaat is van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte is dit enkel op uitdrukkelijk verzoek van de kuststaat of van de vlaggenstaat. De scheepvaartcontroleurs kunnen zich doen bijstaan door deskundigen.
Voor zover de in het eerste lid bedoelde inspectie feiten aan het licht brengt die kunnen wijzen op een inbreuk in de zin van artikel 2.5.3.4, worden de bevoegde Belgische overheden en die van de vlagstaat en andere betrokken Staten gewaarschuwd.
§ 3. Ingeval het van de lozing verdachte schip geen Belgische haven aanloopt, zijn onderstaande bepalingen van toepassing :
1° ingeval de volgende aanloophaven van het schip een haven in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte is, wordt met die lidstaat nauw bij de in paragraaf 2 bedoelde inspectie samengewerkt, en wordt samen met die lidstaat beslist over passende maatregelen ten aanzien van die lozing;
2° ingeval de volgende aanloophaven van het schip een haven is in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, worden de bevoegde overheden van de Staat van de volgende aanloophaven van het schip ingelicht over de vermoedelijke lozing, en verzocht om ten aanzien van die lozing passende maatregelen te nemen.
§ 4. De scheepvaartcontroleurs, de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie, de gezagvoerders van patrouillevaartuigen en de daartoe gemandateerde officieren en onderofficieren van de Marine kunnen aan boord van een vreemd schip een onderzoek instellen wanneer dat schip zich bevindt in de Belgische territoriale zee of in de Belgische exclusieve economische zone, ten einde na te gaan of in strijd met de bepalingen van dit wetboek of zijn uitvoeringsbesluiten ervan, schadelijke stoffen in zee zijn geloosd. Zij kunnen zich doen bijstaan door deskundigen.
§ 5. Een onderzoek op zee omvat in eerste instantie een controle van alle documenten vereist om de lozingsovertreding te kunnen bevestigen of te ontkrachten en een verhoor van de kapitein. Ingeval het bewijs van de lozingsovertreding onvoldoende blijkt uit de documenten kan worden overgegaan tot een nadere feitelijke inspectie van de voor de lozing belangrijke delen van het schip en het nemen van monsters.
§ 6. Wanneer zij op grond van paragrafen 4 of 5 optreden ten opzichte van een schip dat een vreemde vlag voert, leven de bevoegde personen de volgende regels na :
1° ingeval duidelijke redenen voorhanden zijn om aan te nemen dat een schip een overtreding heeft begaan in de territoriale zee, kunnen zij in de territoriale zee overgaan tot het onderzoek van het schip. Wanneer bewijselementen zulks vereisen, kan het schip in de territoriale zee worden aangehouden of naar een Belgische haven worden opgebracht. De aanhouding wordt opgeheven zodra de in artikel 4.1.2.54, § 7 bedoelde borgsom wordt gestort;
2° ingeval duidelijke redenen voorhanden zijn om aan te nemen dat het schip een overtreding heeft begaan in de exclusieve economische zone, kunnen zij het schip vragen alle inlichtingen mee te delen die nodig zijn om vast te stellen of zich wel degelijk een overtreding heeft voorgedaan, alsook de identiteit van het schip, zijn haven van registratie, en zijn laatste en volgende aanloophaven;
3° ingeval duidelijke redenen voorhanden zijn om aan te nemen dat het schip in de exclusieve economische zone is overgegaan tot een lozing welke ernstig genoeg is om in strijd te zijn met het MARPOL-Verdrag, en het schip heeft geweigerd inlichtingen te verstrekken of de door het schip verstrekte informatie zeer duidelijk afwijkt van de feitelijke situatie en de omstandigheden kunnen zij in de exclusieve economische zone of de territoriale zee overgaan tot het onderzoek van het schip;
4° ingeval duidelijke objectieve bewijselementen voorhanden zijn dat het schip in de exclusieve economische zone is overgegaan tot een ernstige lozing, die aanleiding geeft tot grote schade of het risico op grote schade aan het mariene milieu of de Belgische kustbelangen, kan het schip in de exclusieve economische zone of de territoriale zee worden aangehouden en naar een Belgische haven worden opgebracht. De aanhouding wordt opgeheven vanaf het ogenblik dat de in artikel 4.1.2.54, § 7 bedoelde borgsom wordt gestort;
5° bij koolwaterstoffenlozingen is het bepaalde onder 3° ambtshalve van toepassing van zodra zichtbare sporen van lozing in het water of aan het wateroppervlak te voorschijn komen in de onmiddellijke nabijheid van het schip of in zijn kielzog en is het bepaalde in 4° ambtshalve van toepassing van zodra uit een eerste schatting blijkt dat de lozing meer dan duizend liter koolwaterstoffen bevat.
6° de overheden van de vlagstaat worden van elk geval op de hoogte gebracht.
Ter vaststelling van duidelijke redenen om aan te nemen dat een lozing heeft plaatsgevonden kan de overheid alle middelen van bewijs aanwenden, inbegrepen ooggetuigenverslagen, foto- en filmbeelden, kleurschakeringen op het wateroppervlak en andere door België aanvaarde internationale of regionale beoordelingsstandaarden.
Elk zichtbaar spoor dat door een schip is achtergelaten op of onder het wateroppervlak, in zijn kielzog of zijn onmiddellijke nabijheid, maakt op zich een duidelijke reden uit om aan te nemen dat een lozing heeft plaatsgevonden.
§ 7. Bij onderzoek aan boord van schepen op zee mag hun veiligheid en de veiligheid van de scheepvaart niet in het gedrang worden gebracht en mag het mariene milieu niet worden blootgesteld aan een onredelijk risico. Schepen kunnen daartoe worden verplicht zich naar een veilige ankerplaats op zee te begeven en kunnen naar een haven worden opgebracht.
§ 1. Een vreemd schip dat krachtens het MARPOL-Verdrag een certificaat behoeft, kan in een Belgische haven worden gecontroleerd door een scheepvaartcontroleur ten einde na te gaan of het schip van een geldig certificaat voorzien is.
Ingeval een in het eerste lid bedoeld schip niet van een geldig certificaat is voorzien of ingeval er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de bouw, inrichting of uitrusting van het schip niet in overeenstemming is met de gegevens van het certificaat, kan het schip door een scheepvaartcontroleur worden onderworpen aan een nader onderzoek.
Een vreemd schip dat geen certificaat behoeft overeenkomstig het MARPOL-Verdrag, kan in een Belgische haven worden gecontroleerd door een scheepvaartcontroleur ten einde na te gaan of het schip zodanig is gebouwd, ingericht en uitgerust dat het zonder gevaar voor verontreiniging van het mariene milieu naar zee kan vertrekken.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op het schip dat de vlag voert van een Staat die geen Partij is bij het MARPOL-Verdrag.
§ 2. Ingeval op grond van onregelmatigheden of van inlichtingen een vermoeden bestaat dat een vreemd schip dat vrijwillig in een Belgische haven of bij een Belgische offshore-terminal ligt, schadelijke stoffen heeft geloosd of loost, voeren de scheepvaartcontroleurs en desgevallend de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie een passende inspectie uit, rekening houdend met de toepasselijke richtsnoeren van de IMO. Deze bevoegdheid wordt tevens uitgebreid tot overtredingen begaan in de zone waarover een andere kuststaat jurisdictie bezit. Indien het een kuststaat betreft die geen lidstaat is van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte is dit enkel op uitdrukkelijk verzoek van de kuststaat of van de vlaggenstaat. De scheepvaartcontroleurs kunnen zich doen bijstaan door deskundigen.
Voor zover de in het eerste lid bedoelde inspectie feiten aan het licht brengt die kunnen wijzen op een inbreuk in de zin van artikel 2.5.3.4, worden de bevoegde Belgische overheden en die van de vlagstaat en andere betrokken Staten gewaarschuwd.
§ 3. Ingeval het van de lozing verdachte schip geen Belgische haven aanloopt, zijn onderstaande bepalingen van toepassing :
1° ingeval de volgende aanloophaven van het schip een haven in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte is, wordt met die lidstaat nauw bij de in paragraaf 2 bedoelde inspectie samengewerkt, en wordt samen met die lidstaat beslist over passende maatregelen ten aanzien van die lozing;
2° ingeval de volgende aanloophaven van het schip een haven is in een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, worden de bevoegde overheden van de Staat van de volgende aanloophaven van het schip ingelicht over de vermoedelijke lozing, en verzocht om ten aanzien van die lozing passende maatregelen te nemen.
§ 4. De scheepvaartcontroleurs, de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie, de gezagvoerders van patrouillevaartuigen en de daartoe gemandateerde officieren en onderofficieren van de Marine kunnen aan boord van een vreemd schip een onderzoek instellen wanneer dat schip zich bevindt in de Belgische territoriale zee of in de Belgische exclusieve economische zone, ten einde na te gaan of in strijd met de bepalingen van dit wetboek of zijn uitvoeringsbesluiten ervan, schadelijke stoffen in zee zijn geloosd. Zij kunnen zich doen bijstaan door deskundigen.
§ 5. Een onderzoek op zee omvat in eerste instantie een controle van alle documenten vereist om de lozingsovertreding te kunnen bevestigen of te ontkrachten en een verhoor van de kapitein. Ingeval het bewijs van de lozingsovertreding onvoldoende blijkt uit de documenten kan worden overgegaan tot een nadere feitelijke inspectie van de voor de lozing belangrijke delen van het schip en het nemen van monsters.
§ 6. Wanneer zij op grond van paragrafen 4 of 5 optreden ten opzichte van een schip dat een vreemde vlag voert, leven de bevoegde personen de volgende regels na :
1° ingeval duidelijke redenen voorhanden zijn om aan te nemen dat een schip een overtreding heeft begaan in de territoriale zee, kunnen zij in de territoriale zee overgaan tot het onderzoek van het schip. Wanneer bewijselementen zulks vereisen, kan het schip in de territoriale zee worden aangehouden of naar een Belgische haven worden opgebracht. De aanhouding wordt opgeheven zodra de in artikel 4.1.2.54, § 7 bedoelde borgsom wordt gestort;
2° ingeval duidelijke redenen voorhanden zijn om aan te nemen dat het schip een overtreding heeft begaan in de exclusieve economische zone, kunnen zij het schip vragen alle inlichtingen mee te delen die nodig zijn om vast te stellen of zich wel degelijk een overtreding heeft voorgedaan, alsook de identiteit van het schip, zijn haven van registratie, en zijn laatste en volgende aanloophaven;
3° ingeval duidelijke redenen voorhanden zijn om aan te nemen dat het schip in de exclusieve economische zone is overgegaan tot een lozing welke ernstig genoeg is om in strijd te zijn met het MARPOL-Verdrag, en het schip heeft geweigerd inlichtingen te verstrekken of de door het schip verstrekte informatie zeer duidelijk afwijkt van de feitelijke situatie en de omstandigheden kunnen zij in de exclusieve economische zone of de territoriale zee overgaan tot het onderzoek van het schip;
4° ingeval duidelijke objectieve bewijselementen voorhanden zijn dat het schip in de exclusieve economische zone is overgegaan tot een ernstige lozing, die aanleiding geeft tot grote schade of het risico op grote schade aan het mariene milieu of de Belgische kustbelangen, kan het schip in de exclusieve economische zone of de territoriale zee worden aangehouden en naar een Belgische haven worden opgebracht. De aanhouding wordt opgeheven vanaf het ogenblik dat de in artikel 4.1.2.54, § 7 bedoelde borgsom wordt gestort;
5° bij koolwaterstoffenlozingen is het bepaalde onder 3° ambtshalve van toepassing van zodra zichtbare sporen van lozing in het water of aan het wateroppervlak te voorschijn komen in de onmiddellijke nabijheid van het schip of in zijn kielzog en is het bepaalde in 4° ambtshalve van toepassing van zodra uit een eerste schatting blijkt dat de lozing meer dan duizend liter koolwaterstoffen bevat.
6° de overheden van de vlagstaat worden van elk geval op de hoogte gebracht.
Ter vaststelling van duidelijke redenen om aan te nemen dat een lozing heeft plaatsgevonden kan de overheid alle middelen van bewijs aanwenden, inbegrepen ooggetuigenverslagen, foto- en filmbeelden, kleurschakeringen op het wateroppervlak en andere door België aanvaarde internationale of regionale beoordelingsstandaarden.
Elk zichtbaar spoor dat door een schip is achtergelaten op of onder het wateroppervlak, in zijn kielzog of zijn onmiddellijke nabijheid, maakt op zich een duidelijke reden uit om aan te nemen dat een lozing heeft plaatsgevonden.
§ 7. Bij onderzoek aan boord van schepen op zee mag hun veiligheid en de veiligheid van de scheepvaart niet in het gedrang worden gebracht en mag het mariene milieu niet worden blootgesteld aan een onredelijk risico. Schepen kunnen daartoe worden verplicht zich naar een veilige ankerplaats op zee te begeven en kunnen naar een haven worden opgebracht.
Art. 4.2.1.34. Surveillance des navires étrangers
§ 1er. Un navire battant pavillon étranger qui, en vertu de la Convention MARPOL, doit être muni d'un certificat, peut, dans un port belge, être soumis au contrôle d'un contrôleur de la navigation en vue de vérifier si le navire est pourvu d'un certificat valable.
Si un navire visé au premier alinéa n'est pas muni d'un certificat valable ou s'il y a des raisons fondées d'admettre que la construction, l'aménagement ou l'équipement du navire ne sont pas conformes aux données du certificat, le navire peut être soumis à une inspection plus approfondie par un contrôleur de la navigation.
Un navire battant pavillon étranger qui ne doit pas être muni d'un certificat conformément à la Convention MARPOL peut, dans un port belge, être soumis au contrôle d'un contrôleur de la navigation en vue de vérifier s'il est construit, aménagé et équipé de façon à pouvoir appareiller sans danger de pollution du milieu marin.
L'alinéa 3 est également applicable à un navire battant le pavillon d'un Etat qui n'est pas Partie à la Convention MARPOL.
§ 2. Si des irrégularités ou des informations amènent à soupçonner un navire battant pavillon étranger qui est volontairement dans un port belge ou à un terminal en mer belge d'avoir été impliqué ou d'être impliqué dans un rejet de substances polluantes, les contrôleurs de la navigation et éventuellement les membres du personnel de la Police de la navigation entreprendront une inspection appropriée, en tenant compte des lignes directrices pertinentes adoptées par l'OMI.Cette compétence est également étendue aux infractions commises dans la zone dépendant de la juridiction d'un autre Etat côtier. S'il s'agit d'un Etat côtier de l'Union européenne ou de l'Espace économique européen, c'est uniquement à la demande expresse de l'Etat côtier ou de l'Etat pavillon. Les contrôleurs de la navigation peuvent se faire assister d'experts.
Si l'inspection visée à l'alinéa 1er révèle des faits qui peuvent impliquer l'existence d'une infraction au sens de l'article 2.5.3.4, les autorités compétentes belges et de l'Etat du pavillon du navire et des autres Etats concernés sont informées.
§ 3. Si le navire qui est soupçonné du rejet ne fait pas escale dans un port belge, les dispositions suivantes s'appliquent :
1° si la prochaine escale du navire a lieu dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, une coopération étroite à l'inspection visée au paragraphe 2 avec cet Etat membre est établie et la prise de décision concernant les mesures appropriées pour le rejet en question est prise conjointement avec cet Etat membre;
2° si la prochaine escale du navire a lieu dans un port d'un Etat non membre de l'Espace économique européen, les autorités compétentes de l'Etat du prochain port d'escale du navire sont informées du rejet présumé et il leur est demandé de prendre les mesures appropriées en ce qui concerne le rejet en question.
§ 4. Les contrôleurs de la navigation, les membres du personnel de la Police de la navigation, les commandants de navires patrouilleurs et les officiers et sous-officiers de la Marine mandatés à cet effet peuvent mener une enquête à bord d'un navire battant pavillon étranger, quand le navire se trouve dans la mer territoriale belge ou dans la zone économique exclusive belge, afin d'établir si des substances nuisibles ont été rejetées en mer en infraction aux dispositions du présent code ou de ses arrêtés d'exécution. Ils peuvent se faire assister par des experts.
§ 5. Une enquête en mer comprend en première instance un contrôle de tous les documents requis pour établir l'existence ou la non-existence d'un rejet illicite et une audition du capitaine. Si les documents ne permettent pas d'établir à suffisance la preuve du rejet illicite, il peut être procédé à une inspection plus détaillée des parties du navire qui sont importantes pour établir le rejet et à la prise d'échantillons.
§ 6. Lorsqu'elles interviennent en vertu du paragraphes 4 ou 5 à l'égard d'un navire qui bat pavillon étranger, les personnes compétentes se conforment aux règles suivantes :
1° s'il y a de sérieuses raisons de penser qu'un navire a commis une infraction dans la mer territoriale, ils peuvent, à l'intérieur de la mer territoriale, procéder à l'enquête à bord du navire. Si les éléments de preuve le justifient, le navire peut être immobilisé dans la mer territoriale ou être conduit dans un port belge. L'immobilisation est levée dès qu'il a été procédé au dépôt du cautionnement visé à l'article 4.1.2.54, § 7;
2° s'il y a de sérieuses raisons de penser que le navire a commis une infraction dans la zone économique exclusive, ils peuvent lui demander de communiquer tous les renseignements qui sont nécessaires pour établir si l'infraction a bel et bien été commise, de même que l'identité du navire, son port d'attache ainsi que sa dernière et sa prochaine escale;
3° s'il y a de sérieuses raisons de penser que le navire a procédé dans la zone économique exclusive à un rejet suffisamment grave pour être en contravention avec la Convention MARPOL, ils peuvent, à l'intérieur de la zone économique exclusive ou dans la mer territoriale, procéder à l'enquête à bord du navire s'il a refusé de communiquer des renseignements ou si les renseignements fournis par le navire sont en contradiction flagrante avec les faits et que les circonstances justifient une telle inspection;
4° en présence d'éléments de preuve objectifs et manifestes que le navire a procédé dans la zone économique exclusive à un rejet illicite grave, qui a causé ou risque de causer des dommages importants au milieu marin ou aux intérêts côtiers de la Belgique, le navire peut être immobilisé dans la zone économique exclusive ou dans la mer territoriale et conduit dans un port belge. L'immobilisation est levée dès qu'il a été procédé au dépôt du cautionnement visé à l'article 4.1.2.54, § 7;
5° en cas de rejets d'hydrocarbures, le 3° ci-dessus s'applique d'office dès que des traces visibles de rejet apparaissent dans ou à la surface de l'eau aux environs immédiats du navire ou dans son sillage, et le 4° ci-dessus s'applique d'office dès que les premières estimations font apparaître que le rejet contient plus de mille litres d'hydrocarbures.
6° en tout état de cause, les autorités de l'Etat du pavillon du navire sont informées.
Tous les moyens de preuve peuvent être apportés par l'autorité afin de confirmer qu'il y a de sérieuses raisons de penser qu'un rejet a eu lieu, y compris les dépositions de témoins oculaires, les photos et films, les nuances de couleur à la surface de l'eau et tous autres moyens standardisés d'évaluation internationaux ou régionaux reconnus par la Belgique.
Toute trace visible laissée par un navire sur ou sous la surface de l'eau, dans son sillage ou dans ses environs immédiats, constitue en soi une raison sérieuse de penser qu'un rejet a eu lieu.
§ 7. En cas d'enquête en mer à bord de navires, leur sécurité et la sécurité de la navigation maritime ne peuvent pas être mises en danger et le milieu marin ne peut être exposé à aucun risque déraisonnable. Les navires peuvent à cette fin être obligés de se rendre à un lieu de mouillage sûr en mer et peuvent être conduits dans un port.
§ 1er. Un navire battant pavillon étranger qui, en vertu de la Convention MARPOL, doit être muni d'un certificat, peut, dans un port belge, être soumis au contrôle d'un contrôleur de la navigation en vue de vérifier si le navire est pourvu d'un certificat valable.
Si un navire visé au premier alinéa n'est pas muni d'un certificat valable ou s'il y a des raisons fondées d'admettre que la construction, l'aménagement ou l'équipement du navire ne sont pas conformes aux données du certificat, le navire peut être soumis à une inspection plus approfondie par un contrôleur de la navigation.
Un navire battant pavillon étranger qui ne doit pas être muni d'un certificat conformément à la Convention MARPOL peut, dans un port belge, être soumis au contrôle d'un contrôleur de la navigation en vue de vérifier s'il est construit, aménagé et équipé de façon à pouvoir appareiller sans danger de pollution du milieu marin.
L'alinéa 3 est également applicable à un navire battant le pavillon d'un Etat qui n'est pas Partie à la Convention MARPOL.
§ 2. Si des irrégularités ou des informations amènent à soupçonner un navire battant pavillon étranger qui est volontairement dans un port belge ou à un terminal en mer belge d'avoir été impliqué ou d'être impliqué dans un rejet de substances polluantes, les contrôleurs de la navigation et éventuellement les membres du personnel de la Police de la navigation entreprendront une inspection appropriée, en tenant compte des lignes directrices pertinentes adoptées par l'OMI.Cette compétence est également étendue aux infractions commises dans la zone dépendant de la juridiction d'un autre Etat côtier. S'il s'agit d'un Etat côtier de l'Union européenne ou de l'Espace économique européen, c'est uniquement à la demande expresse de l'Etat côtier ou de l'Etat pavillon. Les contrôleurs de la navigation peuvent se faire assister d'experts.
Si l'inspection visée à l'alinéa 1er révèle des faits qui peuvent impliquer l'existence d'une infraction au sens de l'article 2.5.3.4, les autorités compétentes belges et de l'Etat du pavillon du navire et des autres Etats concernés sont informées.
§ 3. Si le navire qui est soupçonné du rejet ne fait pas escale dans un port belge, les dispositions suivantes s'appliquent :
1° si la prochaine escale du navire a lieu dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, une coopération étroite à l'inspection visée au paragraphe 2 avec cet Etat membre est établie et la prise de décision concernant les mesures appropriées pour le rejet en question est prise conjointement avec cet Etat membre;
2° si la prochaine escale du navire a lieu dans un port d'un Etat non membre de l'Espace économique européen, les autorités compétentes de l'Etat du prochain port d'escale du navire sont informées du rejet présumé et il leur est demandé de prendre les mesures appropriées en ce qui concerne le rejet en question.
§ 4. Les contrôleurs de la navigation, les membres du personnel de la Police de la navigation, les commandants de navires patrouilleurs et les officiers et sous-officiers de la Marine mandatés à cet effet peuvent mener une enquête à bord d'un navire battant pavillon étranger, quand le navire se trouve dans la mer territoriale belge ou dans la zone économique exclusive belge, afin d'établir si des substances nuisibles ont été rejetées en mer en infraction aux dispositions du présent code ou de ses arrêtés d'exécution. Ils peuvent se faire assister par des experts.
§ 5. Une enquête en mer comprend en première instance un contrôle de tous les documents requis pour établir l'existence ou la non-existence d'un rejet illicite et une audition du capitaine. Si les documents ne permettent pas d'établir à suffisance la preuve du rejet illicite, il peut être procédé à une inspection plus détaillée des parties du navire qui sont importantes pour établir le rejet et à la prise d'échantillons.
§ 6. Lorsqu'elles interviennent en vertu du paragraphes 4 ou 5 à l'égard d'un navire qui bat pavillon étranger, les personnes compétentes se conforment aux règles suivantes :
1° s'il y a de sérieuses raisons de penser qu'un navire a commis une infraction dans la mer territoriale, ils peuvent, à l'intérieur de la mer territoriale, procéder à l'enquête à bord du navire. Si les éléments de preuve le justifient, le navire peut être immobilisé dans la mer territoriale ou être conduit dans un port belge. L'immobilisation est levée dès qu'il a été procédé au dépôt du cautionnement visé à l'article 4.1.2.54, § 7;
2° s'il y a de sérieuses raisons de penser que le navire a commis une infraction dans la zone économique exclusive, ils peuvent lui demander de communiquer tous les renseignements qui sont nécessaires pour établir si l'infraction a bel et bien été commise, de même que l'identité du navire, son port d'attache ainsi que sa dernière et sa prochaine escale;
3° s'il y a de sérieuses raisons de penser que le navire a procédé dans la zone économique exclusive à un rejet suffisamment grave pour être en contravention avec la Convention MARPOL, ils peuvent, à l'intérieur de la zone économique exclusive ou dans la mer territoriale, procéder à l'enquête à bord du navire s'il a refusé de communiquer des renseignements ou si les renseignements fournis par le navire sont en contradiction flagrante avec les faits et que les circonstances justifient une telle inspection;
4° en présence d'éléments de preuve objectifs et manifestes que le navire a procédé dans la zone économique exclusive à un rejet illicite grave, qui a causé ou risque de causer des dommages importants au milieu marin ou aux intérêts côtiers de la Belgique, le navire peut être immobilisé dans la zone économique exclusive ou dans la mer territoriale et conduit dans un port belge. L'immobilisation est levée dès qu'il a été procédé au dépôt du cautionnement visé à l'article 4.1.2.54, § 7;
5° en cas de rejets d'hydrocarbures, le 3° ci-dessus s'applique d'office dès que des traces visibles de rejet apparaissent dans ou à la surface de l'eau aux environs immédiats du navire ou dans son sillage, et le 4° ci-dessus s'applique d'office dès que les premières estimations font apparaître que le rejet contient plus de mille litres d'hydrocarbures.
6° en tout état de cause, les autorités de l'Etat du pavillon du navire sont informées.
Tous les moyens de preuve peuvent être apportés par l'autorité afin de confirmer qu'il y a de sérieuses raisons de penser qu'un rejet a eu lieu, y compris les dépositions de témoins oculaires, les photos et films, les nuances de couleur à la surface de l'eau et tous autres moyens standardisés d'évaluation internationaux ou régionaux reconnus par la Belgique.
Toute trace visible laissée par un navire sur ou sous la surface de l'eau, dans son sillage ou dans ses environs immédiats, constitue en soi une raison sérieuse de penser qu'un rejet a eu lieu.
§ 7. En cas d'enquête en mer à bord de navires, leur sécurité et la sécurité de la navigation maritime ne peuvent pas être mises en danger et le milieu marin ne peut être exposé à aucun risque déraisonnable. Les navires peuvent à cette fin être obligés de se rendre à un lieu de mouillage sûr en mer et peuvent être conduits dans un port.
Art. 4.2.1.35. Verwittiging van andere Staten en de Europese Commissie
De overheid die ervan in kennis wordt gesteld dat een inbreuk in de zin van artikel 2.5.3.4 is gepleegd of dreigt te worden gepleegd en dat hierdoor acute schade is veroorzaakt of kan worden veroorzaakt, brengt daar de andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte die aan deze schade zouden kunnen worden blootgesteld, alsook de Europese Commissie, onmiddellijk van op de hoogte.
De overheid die ervan in kennis wordt gesteld dat een inbreuk in de zin van artikel 2.5.3.4 is gepleegd of dreigt te worden gepleegd dat mogelijkerwijs onder de rechtsmacht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte valt, brengt deze lidstaat daarvan onmiddellijk op de hoogte.
De overheid die ervan in kennis wordt gesteld dat een inbreuk in de zin van artikel 2.5.3.4 is gepleegd of dreigt te worden gepleegd en dat hierdoor acute schade is veroorzaakt of kan worden veroorzaakt, brengt daar de andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte die aan deze schade zouden kunnen worden blootgesteld, alsook de Europese Commissie, onmiddellijk van op de hoogte.
De overheid die ervan in kennis wordt gesteld dat een inbreuk in de zin van artikel 2.5.3.4 is gepleegd of dreigt te worden gepleegd dat mogelijkerwijs onder de rechtsmacht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte valt, brengt deze lidstaat daarvan onmiddellijk op de hoogte.
Art. 4.2.1.35. Information à d'autres Etats et à la Commission européenne
L'autorité qui est informée de la commission d'une infraction au sens de l'article 2.5.3.4 ou du risque de la commission d'une telle infraction qui cause ou est susceptible de causer des dommages imminents, en informe immédiatement les autres Etats membres de l'Espace économique européen susceptibles d'être exposés à ces dommages, ainsi que la Commission européenne.
L'autorité qui est informée de la commission d'une infraction au sens de l'article 2.5.3.4, ou du risque de la commission d'une telle infraction qui est susceptible de relever de la compétence juridictionnelle d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen, en informe immédiatement ce dernier.
L'autorité qui est informée de la commission d'une infraction au sens de l'article 2.5.3.4 ou du risque de la commission d'une telle infraction qui cause ou est susceptible de causer des dommages imminents, en informe immédiatement les autres Etats membres de l'Espace économique européen susceptibles d'être exposés à ces dommages, ainsi que la Commission européenne.
L'autorité qui est informée de la commission d'une infraction au sens de l'article 2.5.3.4, ou du risque de la commission d'une telle infraction qui est susceptible de relever de la compétence juridictionnelle d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen, en informe immédiatement ce dernier.
Art. 4.2.1.36. Strafvervolging in de vlagstaat
De vlagstaat en alle andere betrokken Staten worden via hun diplomatieke vertegenwoordigers onverwijld op de hoogte gebracht van de maatregelen die overeenkomstig de artikel en 2.5.3.1 tot 2.5.3.11 en 4.2.1.32 tot 4.2.1.41 zijn genomen en van de maatregelen die het gevolg kunnen zijn van strafrechtelijke vervolgingen.
Een strafrechtelijke vervolging op grond van artikel 4.3.3.8, 2° wordt op uitdrukkelijk verzoek van de vlagstaat geschorst, op voorwaarde dat deze laatste binnen de zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de oorspronkelijke rechtsvervolging, zelf tot de strafrechtelijke vervolging overgaat voor dezelfde aanklachten en hij, ten bewijze hiervan, aan de Belgische Staat een volledig dossier over de zaak en de akten van rechtsvervolging ter beschikking stelt. Wanneer de door de vlagstaat ingestelde rechtsvervolging tot een einde is gebracht, wordt de geschorste rechtsvervolging in België beëindigd. Na aftrek van de door België gemaakte kosten inzake het onderzoek aan boord, het nemen van monsters met betrekking tot de lozing, de analyse van deze monsters en het instellen van een rechtsvervolging, wordt de in artikel 4.1.2.54, § 7 tot 8 vermelde borgsom en desgevallend de in artikel 4.2.1.11 vermelde bankgarantie vrijgegeven.
Een strafrechtelijke vervolging in België kan niet worden geschorst ingeval van een lozing die aanleiding geeft tot grote schade aan de Belgische kustbelangen of ingeval de vlagstaat reeds eerder geen gevolg heeft gegeven aan een verplichting tot vervolging van een overtreding begaan door zijn schepen.
De vlagstaat en alle andere betrokken Staten worden via hun diplomatieke vertegenwoordigers onverwijld op de hoogte gebracht van de maatregelen die overeenkomstig de artikel en 2.5.3.1 tot 2.5.3.11 en 4.2.1.32 tot 4.2.1.41 zijn genomen en van de maatregelen die het gevolg kunnen zijn van strafrechtelijke vervolgingen.
Een strafrechtelijke vervolging op grond van artikel 4.3.3.8, 2° wordt op uitdrukkelijk verzoek van de vlagstaat geschorst, op voorwaarde dat deze laatste binnen de zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de oorspronkelijke rechtsvervolging, zelf tot de strafrechtelijke vervolging overgaat voor dezelfde aanklachten en hij, ten bewijze hiervan, aan de Belgische Staat een volledig dossier over de zaak en de akten van rechtsvervolging ter beschikking stelt. Wanneer de door de vlagstaat ingestelde rechtsvervolging tot een einde is gebracht, wordt de geschorste rechtsvervolging in België beëindigd. Na aftrek van de door België gemaakte kosten inzake het onderzoek aan boord, het nemen van monsters met betrekking tot de lozing, de analyse van deze monsters en het instellen van een rechtsvervolging, wordt de in artikel 4.1.2.54, § 7 tot 8 vermelde borgsom en desgevallend de in artikel 4.2.1.11 vermelde bankgarantie vrijgegeven.
Een strafrechtelijke vervolging in België kan niet worden geschorst ingeval van een lozing die aanleiding geeft tot grote schade aan de Belgische kustbelangen of ingeval de vlagstaat reeds eerder geen gevolg heeft gegeven aan een verplichting tot vervolging van een overtreding begaan door zijn schepen.
Art. 4.2.1.36. Poursuite pénale dans l'Etat du pavillon
L'Etat du pavillon et tous les autres Etats concernés sont informés sans délai, par l'intermédiaire de leurs représentants diplomatiques, des mesures prises conformément aux articles 2.5.3.1 à 2.5.3.11 et 4.2.1.32 à 4.2.1.41 et des mesures qui peuvent découler des poursuites pénales.
Une poursuite pénale sur la base de l'article 4.3.3.8, 2°, est suspendue à la demande explicite de l'Etat du pavillon, à condition que, dans les six mois suivant la date des poursuites initiales, l'Etat du pavillon entame lui-même des poursuites pénales pour les mêmes plaintes, et qu'à titre de preuve, il mette à la disposition de l'Etat belge un dossier complet sur l'affaire ainsi que les actes de poursuites judiciaires. Quand les poursuites entamées par l'Etat du pavillon sont menées à leur terme, la procédure judiciaire suspendue en Belgique est abandonnée. Après déduction des frais encourus en Belgique pour l'enquête à bord du navire, la prise d'échantillons relative au rejet, l'analyse de ces échantillons et l'engagement d'une poursuite judiciaire, le cautionnement visé à l'article 4.1.2.54, § 7 à 8, et le cas échéant, la garantie bancaire mentionnée à l'article 4.2.1.11, sont levés.
Une poursuite pénale en Belgique ne peut pas être suspendue dans les cas de rejet donnant lieu à un dommage important aux intérêts côtiers belges ou dans les cas où l'Etat du pavillon n'a pas donné suite antérieurement à une obligation de poursuite d'une infraction commise par ses navires.
L'Etat du pavillon et tous les autres Etats concernés sont informés sans délai, par l'intermédiaire de leurs représentants diplomatiques, des mesures prises conformément aux articles 2.5.3.1 à 2.5.3.11 et 4.2.1.32 à 4.2.1.41 et des mesures qui peuvent découler des poursuites pénales.
Une poursuite pénale sur la base de l'article 4.3.3.8, 2°, est suspendue à la demande explicite de l'Etat du pavillon, à condition que, dans les six mois suivant la date des poursuites initiales, l'Etat du pavillon entame lui-même des poursuites pénales pour les mêmes plaintes, et qu'à titre de preuve, il mette à la disposition de l'Etat belge un dossier complet sur l'affaire ainsi que les actes de poursuites judiciaires. Quand les poursuites entamées par l'Etat du pavillon sont menées à leur terme, la procédure judiciaire suspendue en Belgique est abandonnée. Après déduction des frais encourus en Belgique pour l'enquête à bord du navire, la prise d'échantillons relative au rejet, l'analyse de ces échantillons et l'engagement d'une poursuite judiciaire, le cautionnement visé à l'article 4.1.2.54, § 7 à 8, et le cas échéant, la garantie bancaire mentionnée à l'article 4.2.1.11, sont levés.
Une poursuite pénale en Belgique ne peut pas être suspendue dans les cas de rejet donnant lieu à un dommage important aux intérêts côtiers belges ou dans les cas où l'Etat du pavillon n'a pas donné suite antérieurement à une obligation de poursuite d'une infraction commise par ses navires.
Art. 4.2.1.37. Aanhouding van Belgische schepen
De scheepvaartcontroleurs en de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie kunnen een Belgisch schip aanhouden :
1° ingeval het schip niet is voorzien van alle krachtens artikel 2.5.3.6 vereiste geldige certificaten;
2° ingeval zij vaststellen dat het niet voldoet aan de voor de verkrijging van die certificaten gestelde eisen;
3° ingeval het een schip betreft dat niet behoort tot een in artikel 2.5.3.6, § 1 bedoelde categorie en het zodanig is gebouwd, ingericht of uitgerust dat het een gevaar vormt voor het mariene milieu.
Het aangehouden schip mag vertrekken zodra de scheepvaartcontroleurs of de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie vaststellen dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan.
De scheepvaartcontroleurs en de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie kunnen een Belgisch schip aanhouden :
1° ingeval het schip niet is voorzien van alle krachtens artikel 2.5.3.6 vereiste geldige certificaten;
2° ingeval zij vaststellen dat het niet voldoet aan de voor de verkrijging van die certificaten gestelde eisen;
3° ingeval het een schip betreft dat niet behoort tot een in artikel 2.5.3.6, § 1 bedoelde categorie en het zodanig is gebouwd, ingericht of uitgerust dat het een gevaar vormt voor het mariene milieu.
Het aangehouden schip mag vertrekken zodra de scheepvaartcontroleurs of de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie vaststellen dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan.
Art. 4.2.1.37. Immobilisation de navires belges
Les contrôleurs de la navigation et les membres du personnel de la Police de la navigation peuvent immobiliser un navire belge :
1° si le navire n'est pas muni de tous les certificats valables requis en vertu de l'article 2.5.3.6;
2° s'ils constatent que le navire ne satisfait pas aux conditions requises pour l'obtention de ces certificats;
3° lorsqu'il s'agit d'un navire n'appartenant pas à l'une des catégories visées à l'article 2.5.3.6, § 1er, si le navire est construit, aménagé ou équipé de façon à constituer un danger de pollution du milieu marin.
Le navire immobilisé est libéré dès que les contrôleurs de la navigation ou les membres du personnel de la Police de la navigation constatent que les conditions requises sont remplies.
Les contrôleurs de la navigation et les membres du personnel de la Police de la navigation peuvent immobiliser un navire belge :
1° si le navire n'est pas muni de tous les certificats valables requis en vertu de l'article 2.5.3.6;
2° s'ils constatent que le navire ne satisfait pas aux conditions requises pour l'obtention de ces certificats;
3° lorsqu'il s'agit d'un navire n'appartenant pas à l'une des catégories visées à l'article 2.5.3.6, § 1er, si le navire est construit, aménagé ou équipé de façon à constituer un danger de pollution du milieu marin.
Le navire immobilisé est libéré dès que les contrôleurs de la navigation ou les membres du personnel de la Police de la navigation constatent que les conditions requises sont remplies.
Art. 4.2.1.38. Aanhouding van vreemde schepen
De scheepvaartcontroleurs kunnen een vreemd schip dat zich in een Belgische haven bevindt, vasthouden :
1° ingeval het schip niet is voorzien van alle krachtens het MARPOL-Verdrag vereiste geldige certificaten;
2° ingeval de bouw, de inrichting of de uitrusting van het schip in belangrijke mate afwijkt van de gegevens van het certificaat;
3° ingeval krachtens het MARPOL-Verdrag geen certificaat vereist is en het schip zodanig is gebouwd, ingericht of uitgerust dat het een gevaar vormt voor het mariene milieu;
4° ingeval daartoe een verzoek wordt gedaan door de bevoegde overheden van de vlagstaat van dit schip wegens een overtreding van de in die Staat ter uitvoering van het MARPOL-Verdrag gestelde wettelijke regelen;
5° ingeval daartoe een verzoek wordt gedaan door de bevoegde overheid van een kuststaat die partij is bij het MARPOL-Verdrag, wegens overtredingen van het MARPOL-Verdrag begaan in de wateren onder jurisdictie van die Staat.
6° ingeval het schip aan boord niet beschikt over een noodplan voor gevallen van koolwaterstoffenverontreiniging zoals bedoeld in het MARPOL-Verdrag en artikel 2.5.3.9 [1 en/of een Scheepsnoodplan voor maritieme verontreiniging door schadelijke vloeistoffen zoals bedoeld in het MARPOL-Verdrag en artikel 2.5.3.12]1;
7° ingeval het schip niet is voorzien van het in artikel 2.5.3.5, § 4 bedoelde IMO-identificatienummer.
De scheepvaartcontroleurs kunnen een vreemd schip dat zich in een Belgische haven bevindt aanhouden ingeval het zodanig is gebouwd, ingericht, of uitgerust dat het een gevaar vormt voor het mariene milieu.
Behoudens in dringende gevallen oefenen de scheepvaartcontroleurs de in dit artikel bedoelde bevoegdheden eerst uit nadat zij van de voorgenomen maatregelen en de redenen waarom ze worden genomen kennis hebben gegeven aan de consul of aan de diplomatieke vertegenwoordiger van de Staat waarvan het schip de vlag voert of, zo dit niet mogelijk is, aan de regering van de Staat waarvan het schip de vlag voert. In dringende gevallen geschiedt deze mededeling onmiddellijk nadat de maatregelen zijn genomen.
Het aangehouden schip mag vertrekken zodra de scheepvaartcontroleurs of de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie vaststellen dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan.
De scheepvaartcontroleurs kunnen een vreemd schip dat zich in een Belgische haven bevindt, vasthouden :
1° ingeval het schip niet is voorzien van alle krachtens het MARPOL-Verdrag vereiste geldige certificaten;
2° ingeval de bouw, de inrichting of de uitrusting van het schip in belangrijke mate afwijkt van de gegevens van het certificaat;
3° ingeval krachtens het MARPOL-Verdrag geen certificaat vereist is en het schip zodanig is gebouwd, ingericht of uitgerust dat het een gevaar vormt voor het mariene milieu;
4° ingeval daartoe een verzoek wordt gedaan door de bevoegde overheden van de vlagstaat van dit schip wegens een overtreding van de in die Staat ter uitvoering van het MARPOL-Verdrag gestelde wettelijke regelen;
5° ingeval daartoe een verzoek wordt gedaan door de bevoegde overheid van een kuststaat die partij is bij het MARPOL-Verdrag, wegens overtredingen van het MARPOL-Verdrag begaan in de wateren onder jurisdictie van die Staat.
6° ingeval het schip aan boord niet beschikt over een noodplan voor gevallen van koolwaterstoffenverontreiniging zoals bedoeld in het MARPOL-Verdrag en artikel 2.5.3.9 [1 en/of een Scheepsnoodplan voor maritieme verontreiniging door schadelijke vloeistoffen zoals bedoeld in het MARPOL-Verdrag en artikel 2.5.3.12]1;
7° ingeval het schip niet is voorzien van het in artikel 2.5.3.5, § 4 bedoelde IMO-identificatienummer.
De scheepvaartcontroleurs kunnen een vreemd schip dat zich in een Belgische haven bevindt aanhouden ingeval het zodanig is gebouwd, ingericht, of uitgerust dat het een gevaar vormt voor het mariene milieu.
Behoudens in dringende gevallen oefenen de scheepvaartcontroleurs de in dit artikel bedoelde bevoegdheden eerst uit nadat zij van de voorgenomen maatregelen en de redenen waarom ze worden genomen kennis hebben gegeven aan de consul of aan de diplomatieke vertegenwoordiger van de Staat waarvan het schip de vlag voert of, zo dit niet mogelijk is, aan de regering van de Staat waarvan het schip de vlag voert. In dringende gevallen geschiedt deze mededeling onmiddellijk nadat de maatregelen zijn genomen.
Het aangehouden schip mag vertrekken zodra de scheepvaartcontroleurs of de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie vaststellen dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan.
Art. 4.2.1.38. Immobilisation de navires étrangers
Les contrôleurs de la navigation peuvent immobiliser un navire étranger et se trouvant dans un port belge :
1° si le navire n'est pas muni de tous les certificats valables exigés en vertu de la Convention MARPOL;
2° si la construction, l'aménagement ou l'équipement du navire diffère considérablement des données du certificat;
3° si, en vertu de la Convention MARPOL, aucun certificat n'est requis, mais si le navire est construit, aménagé ou équipé de façon à constituer un danger de pollution du milieu marin;
4° si une demande est formulée à cet effet par les autorités compétentes de l'Etat du pavillon de ce navire pour une infraction aux dispositions légales fixées par cet Etat en exécution de la Convention MARPOL;
5° si demande en est faite par l'autorité compétente d'un Etat côtier, Partie à la Convention MARPOL, pour des infractions aux dispositions de la Convention MARPOL commises dans des eaux sous la juridiction de cet Etat.
6° dans le cas où le navire ne dispose pas d'un plan d'urgence pour la pollution par les hydrocarbures tel que prévu dans la Convention MARPOL et à l'article 2.5.3.9 [1 et/ou un Plan d'urgence de bord contre la pollution des mers par les substances liquides nocives tel que visé dans la Convention MARPOL et à l'article 2.5.3.12]1;
7° dans le cas où le navire n'est pas doté du numéro d'identification OMI visé à l'article 2.5.3.5, § 4.
Les contrôleurs de la navigation peuvent immobiliser un navire étranger et se trouvant dans un port belge s'il est construit, aménagé ou équipé de façon à constituer un danger de pollution du milieu marin.
Sauf en cas d'urgence, les agents contrôleurs de la navigation n'exercent les pouvoirs visés dans le présent article qu'après avoir informé des mesures envisagées et des raisons qui le motivent le Consul ou le représentant diplomatique de l'Etat dont le navire bat pavillon ou, en cas d'impossibilité, le Gouvernement de l'Etat dont le navire bat pavillon. Dans des cas urgents, cette information est faite sans délai après que les mesures ont été prises.
Le navire immobilisé est libéré dès que les contrôleurs de la navigation ou les membres du personnel de la Police de la navigation constatent que les conditions requises sont remplies.
Les contrôleurs de la navigation peuvent immobiliser un navire étranger et se trouvant dans un port belge :
1° si le navire n'est pas muni de tous les certificats valables exigés en vertu de la Convention MARPOL;
2° si la construction, l'aménagement ou l'équipement du navire diffère considérablement des données du certificat;
3° si, en vertu de la Convention MARPOL, aucun certificat n'est requis, mais si le navire est construit, aménagé ou équipé de façon à constituer un danger de pollution du milieu marin;
4° si une demande est formulée à cet effet par les autorités compétentes de l'Etat du pavillon de ce navire pour une infraction aux dispositions légales fixées par cet Etat en exécution de la Convention MARPOL;
5° si demande en est faite par l'autorité compétente d'un Etat côtier, Partie à la Convention MARPOL, pour des infractions aux dispositions de la Convention MARPOL commises dans des eaux sous la juridiction de cet Etat.
6° dans le cas où le navire ne dispose pas d'un plan d'urgence pour la pollution par les hydrocarbures tel que prévu dans la Convention MARPOL et à l'article 2.5.3.9 [1 et/ou un Plan d'urgence de bord contre la pollution des mers par les substances liquides nocives tel que visé dans la Convention MARPOL et à l'article 2.5.3.12]1;
7° dans le cas où le navire n'est pas doté du numéro d'identification OMI visé à l'article 2.5.3.5, § 4.
Les contrôleurs de la navigation peuvent immobiliser un navire étranger et se trouvant dans un port belge s'il est construit, aménagé ou équipé de façon à constituer un danger de pollution du milieu marin.
Sauf en cas d'urgence, les agents contrôleurs de la navigation n'exercent les pouvoirs visés dans le présent article qu'après avoir informé des mesures envisagées et des raisons qui le motivent le Consul ou le représentant diplomatique de l'Etat dont le navire bat pavillon ou, en cas d'impossibilité, le Gouvernement de l'Etat dont le navire bat pavillon. Dans des cas urgents, cette information est faite sans délai après que les mesures ont été prises.
Le navire immobilisé est libéré dès que les contrôleurs de la navigation ou les membres du personnel de la Police de la navigation constatent que les conditions requises sont remplies.
Wijzigingen
Art. 4.2.1.39. Ontheffingen
§ 1. In bijzondere gevallen kunnen de scheepvaartcontroleurs een schip dat niet is voorzien van een geldig certificaat als bepaald in artikel 2.5.3.6, van het in artikel 2.5.3.10 bedoelde verbod ontheffing verlenen :
1° ingeval zij hebben vastgesteld dat het schip voldoet aan de voor het verkrijgen van dat certificaat gestelde voorwaarden;
2° ingeval het schip niet voldoet aan de voor het verkrijgen van dat certificaat gestelde eisen, ten einde het in staat te stellen zich naar de dichtstbijzijnde geschikte herstellingshaven te begeven met het doel aldaar in het ontbrekende te voorzien.
§ 2. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder scheepvaartcontroleurs in bijzondere omstandigheden ontheffing kunnen verlenen van de toepassing van bepalingen van de uitvoeringsbesluiten genomen op grond van de artikel en 2.5.3.1 tot 2.5.3.11 die betrekking hebben op de bouw, inrichting, uitrusting of werking van een schip.
Aan de in het eerste lid bedoelde ontheffing kunnen beperkingen of voorwaarden worden verbonden.
§ 1. In bijzondere gevallen kunnen de scheepvaartcontroleurs een schip dat niet is voorzien van een geldig certificaat als bepaald in artikel 2.5.3.6, van het in artikel 2.5.3.10 bedoelde verbod ontheffing verlenen :
1° ingeval zij hebben vastgesteld dat het schip voldoet aan de voor het verkrijgen van dat certificaat gestelde voorwaarden;
2° ingeval het schip niet voldoet aan de voor het verkrijgen van dat certificaat gestelde eisen, ten einde het in staat te stellen zich naar de dichtstbijzijnde geschikte herstellingshaven te begeven met het doel aldaar in het ontbrekende te voorzien.
§ 2. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder scheepvaartcontroleurs in bijzondere omstandigheden ontheffing kunnen verlenen van de toepassing van bepalingen van de uitvoeringsbesluiten genomen op grond van de artikel en 2.5.3.1 tot 2.5.3.11 die betrekking hebben op de bouw, inrichting, uitrusting of werking van een schip.
Aan de in het eerste lid bedoelde ontheffing kunnen beperkingen of voorwaarden worden verbonden.
Art. 4.2.1.39. Dispenses
§ 1er. Dans des cas particuliers, les contrôleurs de la navigation peuvent accorder à un navire non muni d'un certificat valable, tel que déterminé à l'article 2.5.3.6, une dispense de l'interdiction visée à l'article 2.5.3.10 :
1° s'ils ont constaté que le navire répond aux conditions requises pour l'obtention de ce certificat;
2° si le navire ne répond pas aux conditions requises pour l'obtention de ce certificat, pour lui permettre de se rendre au port de réparation approprié le plus proche en vue d'y pourvoir au nécessaire.
§ 2. Le Roi fixe les conditions auxquelles les contrôleurs de la navigation peuvent, si des circonstances particulières l'exigent, accorder dispense de l'application de plusieurs dispositions des arrêtés pris en exécution des articles 2.5.3.1 à 2.5.3.11 portant sur la construction, l'aménagement, l'équipement ou le fonctionnement d'un navire.
La dispense prévue à l'alinéa 1er peut être assortie de restrictions ou de conditions.
§ 1er. Dans des cas particuliers, les contrôleurs de la navigation peuvent accorder à un navire non muni d'un certificat valable, tel que déterminé à l'article 2.5.3.6, une dispense de l'interdiction visée à l'article 2.5.3.10 :
1° s'ils ont constaté que le navire répond aux conditions requises pour l'obtention de ce certificat;
2° si le navire ne répond pas aux conditions requises pour l'obtention de ce certificat, pour lui permettre de se rendre au port de réparation approprié le plus proche en vue d'y pourvoir au nécessaire.
§ 2. Le Roi fixe les conditions auxquelles les contrôleurs de la navigation peuvent, si des circonstances particulières l'exigent, accorder dispense de l'application de plusieurs dispositions des arrêtés pris en exécution des articles 2.5.3.1 à 2.5.3.11 portant sur la construction, l'aménagement, l'équipement ou le fonctionnement d'un navire.
La dispense prévue à l'alinéa 1er peut être assortie de restrictions ou de conditions.
Art. 4.2.1.40. Processen-verbaal
Ingeval het in artikel 2.5.3.6 bedoelde certificaat wordt geweigerd of ingeval een schip wordt aangehouden op grond van artikel 4.2.1.27 of 4.2.1.38, stellen de scheepvaartcontroleurs of de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie een proces-verbaal op. Een afschrift van dit proces-verbaal wordt binnen 24 uren na de beslissing toegezonden aan de kapitein dan wel aan de scheepseigenaar, de bevrachter, de beheerder of de exploitant van het schip.
Van de inbreuken op het artikel 2.5.3.4 en van het zich verzetten tegen een onderzoek of het zich onttrekken aan de aanhouding, als bedoeld in artikel 4.2.1.34, § 2 tot 7 wordt een proces-verbaal opgemaakt dat bewijswaarde heeft tot het tegendeel is bewezen. Binnen de 15 dagen na de vaststelling van de inbreuk wordt een afschrift gezonden aan de kapitein, de schipper of de scheepseigenaar of, ingeval het buitenlanders betreft, aan hun vertegenwoordigers in België of aan de diplomatieke vertegenwoordiging van de Staat waarvan zij onderdaan zijn.
Ingeval het in artikel 2.5.3.6 bedoelde certificaat wordt geweigerd of ingeval een schip wordt aangehouden op grond van artikel 4.2.1.27 of 4.2.1.38, stellen de scheepvaartcontroleurs of de personeelsleden van de Scheepvaartpolitie een proces-verbaal op. Een afschrift van dit proces-verbaal wordt binnen 24 uren na de beslissing toegezonden aan de kapitein dan wel aan de scheepseigenaar, de bevrachter, de beheerder of de exploitant van het schip.
Van de inbreuken op het artikel 2.5.3.4 en van het zich verzetten tegen een onderzoek of het zich onttrekken aan de aanhouding, als bedoeld in artikel 4.2.1.34, § 2 tot 7 wordt een proces-verbaal opgemaakt dat bewijswaarde heeft tot het tegendeel is bewezen. Binnen de 15 dagen na de vaststelling van de inbreuk wordt een afschrift gezonden aan de kapitein, de schipper of de scheepseigenaar of, ingeval het buitenlanders betreft, aan hun vertegenwoordigers in België of aan de diplomatieke vertegenwoordiging van de Staat waarvan zij onderdaan zijn.
Art. 4.2.1.40. Procès-verbaux
Si le certificat visé à l'article 2.5.3.6 est refusé ou si un navire est immobilisé en application de l'article 4.2.1.27 ou 4.2.1.38, les contrôleurs de la navigation ou les membres du personnel de la Police de la navigation dressent un procès-verbal. Une copie de ce procès-verbal est envoyée dans les 24 heures suivant la décision au capitaine ou au propriétaire, à l'affréteur, à l'administrateur ou à l'exploitant du navire.
Les infractions aux dispositions de l'article 2.5.3.4 et l'opposition à une enquête ou le fait de se dérober à l'immobilisation, qui sont visées à l'article 4.2.1.34, § 2 à 7, sont constatées dans un procès-verbal faisant foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie en est signifiée dans les quinze jours de la constatation de l'infraction au capitaine, batelier ou propriétaire du navire ou, quand il s'agit de ressortissants étrangers, à leurs représentants en Belgique ou à la représentation diplomatique de l'Etat dont ils sont les ressortissants.
Si le certificat visé à l'article 2.5.3.6 est refusé ou si un navire est immobilisé en application de l'article 4.2.1.27 ou 4.2.1.38, les contrôleurs de la navigation ou les membres du personnel de la Police de la navigation dressent un procès-verbal. Une copie de ce procès-verbal est envoyée dans les 24 heures suivant la décision au capitaine ou au propriétaire, à l'affréteur, à l'administrateur ou à l'exploitant du navire.
Les infractions aux dispositions de l'article 2.5.3.4 et l'opposition à une enquête ou le fait de se dérober à l'immobilisation, qui sont visées à l'article 4.2.1.34, § 2 à 7, sont constatées dans un procès-verbal faisant foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie en est signifiée dans les quinze jours de la constatation de l'infraction au capitaine, batelier ou propriétaire du navire ou, quand il s'agit de ressortissants étrangers, à leurs représentants en Belgique ou à la représentation diplomatique de l'Etat dont ils sont les ressortissants.
Art. 4.2.1.41. Beroep
Binnen veertien dagen na de datum van verzending van het in artikel 4.2.1.40, eerste lid, bedoelde afschrift, kan tegen de beslissing van de Scheepvaartcontrole of de Scheepvaartpolitie beroep worden ingesteld. Het beroep kan door de personen bedoeld in artikel 4.2.1.40, eerste lid, worden ingesteld door het indienen van een verzoekschrift gericht aan de Rijkscommissaris bij de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart, waarin de middelen worden uiteengezet. Het beroep schorst de tenuitvoerlegging niet.
De belanghebbende of zijn raadsman worden op hun verzoek door de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart gehoord.
De beslissing van de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart wordt ter kennis gebracht van de belanghebbende.
Binnen veertien dagen na de datum van verzending van het in artikel 4.2.1.40, eerste lid, bedoelde afschrift, kan tegen de beslissing van de Scheepvaartcontrole of de Scheepvaartpolitie beroep worden ingesteld. Het beroep kan door de personen bedoeld in artikel 4.2.1.40, eerste lid, worden ingesteld door het indienen van een verzoekschrift gericht aan de Rijkscommissaris bij de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart, waarin de middelen worden uiteengezet. Het beroep schorst de tenuitvoerlegging niet.
De belanghebbende of zijn raadsman worden op hun verzoek door de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart gehoord.
De beslissing van de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart wordt ter kennis gebracht van de belanghebbende.
Art. 4.2.1.41. Recours
Dans les quatorze jours de la date d'envoi de la copie visée à l'article 4.2.1.40, alinéa 1er, un recours peut être introduit contre la décision du Contrôle de la navigation ou de la Police de la navigation. Les personnes visées à l'article 4.2.1.40, alinéa 1er, peuvent introduire un recours, par le dépôt d'une requête motivée adressée au Commissaire de l'Etat auprès du Conseil d'Enquête maritime. Le recours n'est pas suspensif.
L'intéressé ou son conseil est entendu à sa demande par le Conseil d'Enquête maritime.
La décision du Conseil d'Enquête maritime est notifiée à l'intéressé.
Dans les quatorze jours de la date d'envoi de la copie visée à l'article 4.2.1.40, alinéa 1er, un recours peut être introduit contre la décision du Contrôle de la navigation ou de la Police de la navigation. Les personnes visées à l'article 4.2.1.40, alinéa 1er, peuvent introduire un recours, par le dépôt d'une requête motivée adressée au Commissaire de l'Etat auprès du Conseil d'Enquête maritime. Le recours n'est pas suspensif.
L'intéressé ou son conseil est entendu à sa demande par le Conseil d'Enquête maritime.
La décision du Conseil d'Enquête maritime est notifiée à l'intéressé.
Onderafdeling 4. - Scheepsrecycling
Sous-Section 4. - Recyclage des navires
Art. 4.2.1.42. Scheepsrecycling
De opsporing en vaststelling van de op de SRC-Verordening gepleegde inbreuken verrichten de scheepvaartcontroleurs overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek inzake scheepsveiligheid.
De opsporing en vaststelling van de op de SRC-Verordening gepleegde inbreuken verrichten de scheepvaartcontroleurs overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek inzake scheepsveiligheid.
Art. 4.2.1.42. Recyclage des navires
Les contrôleurs de la navigation effectuent la recherche et la constatation des infractions commises au Règlement SRC conformément aux dispositions du présent code en matière de sécurité de navires.
Les contrôleurs de la navigation effectuent la recherche et la constatation des infractions commises au Règlement SRC conformément aux dispositions du présent code en matière de sécurité de navires.
Onderafdeling 5. [1 - Cel Maritieme Beveiliging]1
Sous-section 5. [1 - Cellule de la Sûreté maritime]1
Art. 4.2.1.43. [1 Inrichting
Binnen het DG Scheepvaart wordt een Cel Maritieme Beveiliging opgericht.]1
Binnen het DG Scheepvaart wordt een Cel Maritieme Beveiliging opgericht.]1
Art.4.2.1.43. [1 Organisation
Au sein de la DG Navigation est créée une Cellule de la Sûreté maritime.]1
Au sein de la DG Navigation est créée une Cellule de la Sûreté maritime.]1
Art. 4.2.1.44. [1 Taken
De Cel Maritieme Beveiliging is belast met:
1° het ondersteunen van de NAMB;
2° het inspecteren van de havens, de havenfaciliteiten, de schepen, de bouw- en kunstwerken, de kabels en de pijpleidingen;
3° het opsporen van inbreuken op de ISPS-Verordening en de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.71 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten;
4° het vertegenwoordigen van DG Scheepvaart binnen het MIK;
5° het organiseren van regelmatig overleg met de Belgische reders en andere relevante belanghebbende;
6° het voeren van een operationele permanentie voor beveiligingsincidenten.]1
De Cel Maritieme Beveiliging is belast met:
1° het ondersteunen van de NAMB;
2° het inspecteren van de havens, de havenfaciliteiten, de schepen, de bouw- en kunstwerken, de kabels en de pijpleidingen;
3° het opsporen van inbreuken op de ISPS-Verordening en de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.71 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten;
4° het vertegenwoordigen van DG Scheepvaart binnen het MIK;
5° het organiseren van regelmatig overleg met de Belgische reders en andere relevante belanghebbende;
6° het voeren van een operationele permanentie voor beveiligingsincidenten.]1
Art.4.2.1.44. [1 Tâches
La Cellule de la Sûreté maritime est chargée de :
1° soutenir l'ANSM ;
2° inspecter les ports, les installations portuaires, les navires, les ouvrages de construction et de génie civil, les câbles et les pipelines ;
3° détecter les infractions au Règlement ISPS et aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71 et les arrêtés d'exécution y afférents ;
4° représenter la DG Navigation au sein du MIK ;
5° organiser des concertations régulières avec les armateurs belges et les autres parties intéressées pertinentes ;
6° assurer une permanence opérationnelle pour les incidents de sûreté.]1
La Cellule de la Sûreté maritime est chargée de :
1° soutenir l'ANSM ;
2° inspecter les ports, les installations portuaires, les navires, les ouvrages de construction et de génie civil, les câbles et les pipelines ;
3° détecter les infractions au Règlement ISPS et aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71 et les arrêtés d'exécution y afférents ;
4° représenter la DG Navigation au sein du MIK ;
5° organiser des concertations régulières avec les armateurs belges et les autres parties intéressées pertinentes ;
6° assurer une permanence opérationnelle pour les incidents de sûreté.]1
Art. 4.2.1.45. [1 Bevoegdheden en uitvoering
De Cel Maritieme Beveiliging heeft de bevoegdheden van de Scheepvaartcontrole zoals bedoeld in artikel 4.2.1.2, § 2 en 4.2.1.3 tot en met 4.2.1.21.
Het opstellen van processen--verbaal gebeurt met naleving van de artikelen 4.2.1.22 tot en met 4.2.2.26, waarbij een afschrift van het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk op de ISPS-Verordening, op de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.71 van dit wetboek of op de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt opgeladen in het ISPS-platform.]1
De Cel Maritieme Beveiliging heeft de bevoegdheden van de Scheepvaartcontrole zoals bedoeld in artikel 4.2.1.2, § 2 en 4.2.1.3 tot en met 4.2.1.21.
Het opstellen van processen--verbaal gebeurt met naleving van de artikelen 4.2.1.22 tot en met 4.2.2.26, waarbij een afschrift van het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk op de ISPS-Verordening, op de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.71 van dit wetboek of op de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt opgeladen in het ISPS-platform.]1
Art.4.2.1.45. [1 Compétences et mise en oeuvre
La Cellule de la Sûreté maritime a les compétences du Contrôle de la navigation telles que visées aux articles 4.2.1.2, § 2 et 4.2.1.3 à 4.2.1.21.
L'établissement des procès-verbaux se fait conformément aux articles 4.2.1.22 à 4.2.2.26, et une copie du procès-verbal constatant une infraction au Règlement ISPS, aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents est téléchargée sur la plateforme ISPS.]1
La Cellule de la Sûreté maritime a les compétences du Contrôle de la navigation telles que visées aux articles 4.2.1.2, § 2 et 4.2.1.3 à 4.2.1.21.
L'établissement des procès-verbaux se fait conformément aux articles 4.2.1.22 à 4.2.2.26, et une copie du procès-verbal constatant une infraction au Règlement ISPS, aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents est téléchargée sur la plateforme ISPS.]1
HOOFDSTUK 2. - De Scheepvaartpolitie
CHAPITRE 2. - La Police de la navigation
Art. 4.2.2.1. Inrichting en algemene bevoegdheden
§ 1. De Scheepvaartpolitie oefent in de Belgische wateren de politie te water uit.
§ 2. De politie te water omvat :
1° het toezicht op de naleving van alle wetten en reglementen die van toepassing zijn op en rond het water, daaronder begrepen aan boord van schepen en vaartuigen;
2° de grenscontrole;
3° het uitoefenen van de opdrachten van gerechtelijke politie aan boord van schepen en vaartuigen;
4° het uitvoeren van het beslag op zee- en binnenschepen naar aanleiding van de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke en bestuurlijke politie;
5° het nemen van alle noodzakelijke maatregelen van bestuurlijke politie in het raam van de politie te water. Deze maatregelen worden genomen door de door de Koning aangewezen overheid van de federale politie.
§ 1. De Scheepvaartpolitie oefent in de Belgische wateren de politie te water uit.
§ 2. De politie te water omvat :
1° het toezicht op de naleving van alle wetten en reglementen die van toepassing zijn op en rond het water, daaronder begrepen aan boord van schepen en vaartuigen;
2° de grenscontrole;
3° het uitoefenen van de opdrachten van gerechtelijke politie aan boord van schepen en vaartuigen;
4° het uitvoeren van het beslag op zee- en binnenschepen naar aanleiding van de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke en bestuurlijke politie;
5° het nemen van alle noodzakelijke maatregelen van bestuurlijke politie in het raam van de politie te water. Deze maatregelen worden genomen door de door de Koning aangewezen overheid van de federale politie.
Art. 4.2.2.1. Organisation et compétences générales
§ 1er. La Police de la navigation exerce la police des eaux dans les eaux belges.
§ 2. La police des eaux englobe :
1° le contrôle du respect de tous les lois et règlements d'application sur et aux abords de l'eau, en ce compris à bord des navires et bateaux;
2° le contrôle frontalier;
3° l'exercice des missions de police judiciaire à bord de navires et bateaux;
4° l'exécution de la saisie sur les navires maritimes et d'intérieur dans le cadre de l'exercice des missions de police judiciaire et administrative;
5° la prise de toutes les mesures de police administrative nécessaires dans le cadre de la police des eaux. Ces mesures sont prises par l'autorité de la police fédérale désignée par le Roi.
§ 1er. La Police de la navigation exerce la police des eaux dans les eaux belges.
§ 2. La police des eaux englobe :
1° le contrôle du respect de tous les lois et règlements d'application sur et aux abords de l'eau, en ce compris à bord des navires et bateaux;
2° le contrôle frontalier;
3° l'exercice des missions de police judiciaire à bord de navires et bateaux;
4° l'exécution de la saisie sur les navires maritimes et d'intérieur dans le cadre de l'exercice des missions de police judiciaire et administrative;
5° la prise de toutes les mesures de police administrative nécessaires dans le cadre de la police des eaux. Ces mesures sont prises par l'autorité de la police fédérale désignée par le Roi.
Art. 4.2.2.2. Onderzoeksbevoegdheden
Onverminderd andere toepasselijke wetgeving, daaronder begrepen de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en het Wetboek van Strafvordering, en met het oog op de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in artikel 4.2.2.1, 1°, 2° en 3°, kan de Scheepvaartpolitie :
1° te allen tijde schepen en vaartuigen betreden;
2° de inzage vorderen van alle zakelijke documenten alsook deze gegevens en documenten kopiëren; indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan gebeuren, deze gegevens en documenten voor dat doel voor een beperkte tijd meenemen tegen ontvangstbewijs;
3° alle noodzakelijke medewerking van de gezagvoerder van het schip vorderen;
4° zowel bij dag als bij nacht alle schepen bezoeken en onderzoeken; het gedeelte bestemd als woning kan ze niet zonder toestemming van de bewoner betreden;
5° de lading onderzoeken en monsters nemen, met inbegrip van de lading die zich op de kade of in opslagplaatsen in de haven bevindt en die bestemd is voor of afkomstig van het transport te water.
6° vorderen dat de kapitein of de schipper van het schip dit doet stilhouden en naar de door de haar aangewezen plaats overbrengt; de Scheepvaartpolitie kan, indien zij zulks noodzakelijk acht, het schip naar een nabijgelegen plaats overbrengen of doen overbrengen en lossen of doen lossen;
7° tijdens de uitoefening van haar bevoegdheden aan boord het schip voor de daartoe strikt noodzakelijke termijn aanhouden; de termijn gedurende welke het schip rechtmatig wordt aangehouden geeft geen aanleiding tot schadeloosstelling.
Ter uitoefening van de onder 5° bedoelde bevoegdheden kan de Scheepvaartpolitie verpakkingen openen. Indien het onderzoek niet ter plaatse kan gebeuren, is zij bevoegd de zaken voor dat doel voor beperkte tijd mee te nemen tegen ontvangstbewijs. De genomen monsters worden indien mogelijk teruggegeven. De hierboven vermelde handelingen geven geen aanleiding tot enige vorm van schadeloosstelling.
Onverminderd andere toepasselijke wetgeving, daaronder begrepen de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en het Wetboek van Strafvordering, en met het oog op de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in artikel 4.2.2.1, 1°, 2° en 3°, kan de Scheepvaartpolitie :
1° te allen tijde schepen en vaartuigen betreden;
2° de inzage vorderen van alle zakelijke documenten alsook deze gegevens en documenten kopiëren; indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan gebeuren, deze gegevens en documenten voor dat doel voor een beperkte tijd meenemen tegen ontvangstbewijs;
3° alle noodzakelijke medewerking van de gezagvoerder van het schip vorderen;
4° zowel bij dag als bij nacht alle schepen bezoeken en onderzoeken; het gedeelte bestemd als woning kan ze niet zonder toestemming van de bewoner betreden;
5° de lading onderzoeken en monsters nemen, met inbegrip van de lading die zich op de kade of in opslagplaatsen in de haven bevindt en die bestemd is voor of afkomstig van het transport te water.
6° vorderen dat de kapitein of de schipper van het schip dit doet stilhouden en naar de door de haar aangewezen plaats overbrengt; de Scheepvaartpolitie kan, indien zij zulks noodzakelijk acht, het schip naar een nabijgelegen plaats overbrengen of doen overbrengen en lossen of doen lossen;
7° tijdens de uitoefening van haar bevoegdheden aan boord het schip voor de daartoe strikt noodzakelijke termijn aanhouden; de termijn gedurende welke het schip rechtmatig wordt aangehouden geeft geen aanleiding tot schadeloosstelling.
Ter uitoefening van de onder 5° bedoelde bevoegdheden kan de Scheepvaartpolitie verpakkingen openen. Indien het onderzoek niet ter plaatse kan gebeuren, is zij bevoegd de zaken voor dat doel voor beperkte tijd mee te nemen tegen ontvangstbewijs. De genomen monsters worden indien mogelijk teruggegeven. De hierboven vermelde handelingen geven geen aanleiding tot enige vorm van schadeloosstelling.
Art. 4.2.2.2. Compétences d'enquête
Sans préjudice de toute autre législation en vigueur, en ce compris la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police et le Code d'instruction criminelle, et en vue de l'exercice des compétences visées à l'article 4.2.2.1, 1°, 2° et 3°, la Police de la navigation peut :
1° monter à tout moment à bord de navires et bateaux;
2° exiger la communication de tous les papiers ou documents pertinents, ainsi que réaliser une copie de ces papiers ou documents; lorsque les copies ne peuvent être réalisées sur place, ces papiers ou documents peuvent être emportés à cet effet pour un temps limité en échange d'un accusé de réception;
3° exiger toute collaboration nécessaire du commandant du navire;
4° visiter et fouiller les navires de jour comme de nuit; elle ne peut pénétrer dans la partie destinée au logement sans l'autorisation de l'occupant;
5° fouiller la cargaison et prendre des échantillons, en ce compris le chargement qui se trouve sur le quai ou sur le lieu de dépôt dans le port et qui est destiné à être transporté par eau ou vient de l'être.
6° exiger que le capitaine ou le conducteur du navire l'arrête et le déplace vers l'endroit désigné par elle; la Police de la navigation peut, si elle l'estime nécessaire, transférer ou faire transférer le navire vers un endroit proche, décharger ou faire décharger la cargaison;
7° immobiliser le navire pendant le temps strictement nécessaire à l'exercice de ses compétences à bord; la durée durant laquelle le navire est immobilisé légitimement ne donne droit à aucune indemnisation.
Dans l'exercice de ses attributions visées au point 5°, la Police de la navigation peut ouvrir les emballages. Si l'analyse ne peut se faire sur place, elle est habilitée pour emporter les objets à cet effet pour un temps limité, contre remise d'un accusé de réception. Les échantillons prélevés sont, si possible, restitués. Les actions mentionnées ci-dessus ne donnent lieu à aucune forme d'indemnisation.
Sans préjudice de toute autre législation en vigueur, en ce compris la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police et le Code d'instruction criminelle, et en vue de l'exercice des compétences visées à l'article 4.2.2.1, 1°, 2° et 3°, la Police de la navigation peut :
1° monter à tout moment à bord de navires et bateaux;
2° exiger la communication de tous les papiers ou documents pertinents, ainsi que réaliser une copie de ces papiers ou documents; lorsque les copies ne peuvent être réalisées sur place, ces papiers ou documents peuvent être emportés à cet effet pour un temps limité en échange d'un accusé de réception;
3° exiger toute collaboration nécessaire du commandant du navire;
4° visiter et fouiller les navires de jour comme de nuit; elle ne peut pénétrer dans la partie destinée au logement sans l'autorisation de l'occupant;
5° fouiller la cargaison et prendre des échantillons, en ce compris le chargement qui se trouve sur le quai ou sur le lieu de dépôt dans le port et qui est destiné à être transporté par eau ou vient de l'être.
6° exiger que le capitaine ou le conducteur du navire l'arrête et le déplace vers l'endroit désigné par elle; la Police de la navigation peut, si elle l'estime nécessaire, transférer ou faire transférer le navire vers un endroit proche, décharger ou faire décharger la cargaison;
7° immobiliser le navire pendant le temps strictement nécessaire à l'exercice de ses compétences à bord; la durée durant laquelle le navire est immobilisé légitimement ne donne droit à aucune indemnisation.
Dans l'exercice de ses attributions visées au point 5°, la Police de la navigation peut ouvrir les emballages. Si l'analyse ne peut se faire sur place, elle est habilitée pour emporter les objets à cet effet pour un temps limité, contre remise d'un accusé de réception. Les échantillons prélevés sont, si possible, restitués. Les actions mentionnées ci-dessus ne donnent lieu à aucune forme d'indemnisation.
Art. 4.2.2.3. Ambtshalve te nemen maatregelen
§ 1. In geval van afwezigheid, weigering, verzet of gebrek aan medewerking bij de uitvoering van de krachtens de artikel en 4.2.2.1, 5°, en 4.2.2.2 genomen politiemaatregelen kunnen deze gedwongen ten uitvoer worden gelegd en kunnen de gevraagde handelingen worden uitgevoerd op kosten van de overtreder, de eigenaar van het schip of de lading, of van degene die de lading onder zijn hoede heeft.
Het schip of de lading kan geheel of gedeeltelijk op risico en kosten van voornoemde personen worden aangehouden zolang de gemaakte kosten niet werden betaald of zolang geen som in consignatie werd gegeven of een bankgarantie werd verleend door een in België gevestigde bank die voldoende is voor de dekking van alle gemaakte kosten met inbegrip van de bewaringskosten.
Alle hierboven vermelde kosten, in voorkomend geval vermeerderd met de gerechtskosten, worden verhaald op de som die in consignatie werd gegeven of de bankgarantie.
De overschot van de som die in consignatie werd gegeven, wordt terugbetaald.
§ 2. De Scheepvaartpolitie kan de in artikel 4.2.1.11 bedoelde maatregelen nemen.
§ 1. In geval van afwezigheid, weigering, verzet of gebrek aan medewerking bij de uitvoering van de krachtens de artikel en 4.2.2.1, 5°, en 4.2.2.2 genomen politiemaatregelen kunnen deze gedwongen ten uitvoer worden gelegd en kunnen de gevraagde handelingen worden uitgevoerd op kosten van de overtreder, de eigenaar van het schip of de lading, of van degene die de lading onder zijn hoede heeft.
Het schip of de lading kan geheel of gedeeltelijk op risico en kosten van voornoemde personen worden aangehouden zolang de gemaakte kosten niet werden betaald of zolang geen som in consignatie werd gegeven of een bankgarantie werd verleend door een in België gevestigde bank die voldoende is voor de dekking van alle gemaakte kosten met inbegrip van de bewaringskosten.
Alle hierboven vermelde kosten, in voorkomend geval vermeerderd met de gerechtskosten, worden verhaald op de som die in consignatie werd gegeven of de bankgarantie.
De overschot van de som die in consignatie werd gegeven, wordt terugbetaald.
§ 2. De Scheepvaartpolitie kan de in artikel 4.2.1.11 bedoelde maatregelen nemen.
Art. 4.2.2.3. Mesures à prendre d'office
§ 1er. En cas d'absence, refus, opposition ou défaut de collaboration dans l'exécution des mesures de police prises en vertu des articles 4.2.2.1, 5°, et 4.2.2.2, il peut être procédé à l'exécution forcée et les mesures sollicitées peuvent être exécutées à charge du contrevenant, du propriétaire du navire ou de la cargaison ou de celui qui a la cargaison sous sa garde.
Le navire ou le chargement peut, le cas échéant, être immobilisé en tout ou en partie, aux risques et frais des personnes précitées, tant que les frais occasionnés n'ont pas été payés ou tant qu'aucune somme, suffisante pour couvrir les frais occasionnés ainsi que les frais de conservation, n'a été consignée ou qu'une garantie bancaire n'a été constituée au sein d'une banque belge.
Tous les frais mentionnés ci-dessus, le cas échéant majorés des frais de justice, sont récupérés sur la somme consignée ou la garantie bancaire.
L'excédent éventual de la somme consignée est remboursé.
§ 2. La Police de la navigation peut prendre les mesures visées à l'article 4.2.1.11.
§ 1er. En cas d'absence, refus, opposition ou défaut de collaboration dans l'exécution des mesures de police prises en vertu des articles 4.2.2.1, 5°, et 4.2.2.2, il peut être procédé à l'exécution forcée et les mesures sollicitées peuvent être exécutées à charge du contrevenant, du propriétaire du navire ou de la cargaison ou de celui qui a la cargaison sous sa garde.
Le navire ou le chargement peut, le cas échéant, être immobilisé en tout ou en partie, aux risques et frais des personnes précitées, tant que les frais occasionnés n'ont pas été payés ou tant qu'aucune somme, suffisante pour couvrir les frais occasionnés ainsi que les frais de conservation, n'a été consignée ou qu'une garantie bancaire n'a été constituée au sein d'une banque belge.
Tous les frais mentionnés ci-dessus, le cas échéant majorés des frais de justice, sont récupérés sur la somme consignée ou la garantie bancaire.
L'excédent éventual de la somme consignée est remboursé.
§ 2. La Police de la navigation peut prendre les mesures visées à l'article 4.2.1.11.
Art. 4.2.2.4. Processen-verbaal
De Scheepvaartpolitie stelt de misdrijven omschreven in de wetten en reglementen betreffende de scheepvaart vast bij proces-verbaal dat bewijskracht heeft tot bewijs van het tegendeel.
Een afschrift ervan wordt verstuurd aan de overtreder of zijn wettelijke vertegenwoordiger in België uiterlijk binnen een termijn van vijftien dagen, [1 na de afsluiting van het proces-verbaal]1. De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag.
Voor de toepassing van de termijn bepaald in het tweede lid, vormt het geven van een waarschuwing of het meedelen van een termijn om zich in regel te stellen, geen vaststelling van de overtreding.
Artikel 4.2.1.24 is van toepassing op de proces-verbalen bedoeld in het eerste lid.
[1 Artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken is van toepassing op een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk waarvoor enkel een administratieve geldboete kan worden opgelegd
Indien het een buitenlandse vermoedelijke dader betreft, gebeurt de betekening van het afschrift aan zijn wettelijke vertegenwoordiger in België. Als er geen wettelijke vertegenwoordiger is aangeduid maar de vermoedelijke dader met een scheepsagent werkt, wordt de scheepsagent vermoed de wettelijke vertegenwoordiger van de vermoedelijke dader te zijn. Wanneer de procedure verloopt via een wettelijke vertegenwoordiger wordt er geacht woonstkeuze te zijn gedaan bij de wettelijke vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 39 van het Gerechtelijk wetboek.]1
De Scheepvaartpolitie stelt de misdrijven omschreven in de wetten en reglementen betreffende de scheepvaart vast bij proces-verbaal dat bewijskracht heeft tot bewijs van het tegendeel.
Een afschrift ervan wordt verstuurd aan de overtreder of zijn wettelijke vertegenwoordiger in België uiterlijk binnen een termijn van vijftien dagen, [1 na de afsluiting van het proces-verbaal]1. De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag.
Voor de toepassing van de termijn bepaald in het tweede lid, vormt het geven van een waarschuwing of het meedelen van een termijn om zich in regel te stellen, geen vaststelling van de overtreding.
Artikel 4.2.1.24 is van toepassing op de proces-verbalen bedoeld in het eerste lid.
[1 Artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken is van toepassing op een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk waarvoor enkel een administratieve geldboete kan worden opgelegd
Indien het een buitenlandse vermoedelijke dader betreft, gebeurt de betekening van het afschrift aan zijn wettelijke vertegenwoordiger in België. Als er geen wettelijke vertegenwoordiger is aangeduid maar de vermoedelijke dader met een scheepsagent werkt, wordt de scheepsagent vermoed de wettelijke vertegenwoordiger van de vermoedelijke dader te zijn. Wanneer de procedure verloopt via een wettelijke vertegenwoordiger wordt er geacht woonstkeuze te zijn gedaan bij de wettelijke vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 39 van het Gerechtelijk wetboek.]1
Art. 4.2.2.4. Procès-verbaux
La Police de la navigation constate les infractions aux lois et règlements concernant la navigation par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire.
Une copie des procès-verbaux est envoyée au contrevenant ou à son représentant légal en Belgique, au plus tard endéans les quinze jours [1 après la clôture du procès-verbal]1. Le jour de l'échéance est compris dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable.
Pour l'application du délai défini à l'alinéa 2, la fourniture d'un avertissement ou d'accorder un délai pour se mettre en règle ne constitue pas la constatation de l'infraction.
L'article 4.2.1.24. est applicable sur les procès-verbaux visés au premier alinéa.
[1 L'article 11 de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire est applicable à un procès-verbal constatant une infraction pour laquelle seule une amende administrative peut être infligée.
S'il s'agit d'un auteur présumé étranger, la procédure se déroule par l'intermédiaire de son représentant légal en Belgique. Si aucun représentant légal n'est désigné en Belgique mais que l'auteur présumé travaille avec un agent maritime, l'agent maritime est présumé être le représentant légal de l'auteur présumé. Lorsque la procédure se déroule par l'intermédiaire d'un représentant légal, le choix du domicile est réputé avoir été fait au représentant légal conformément à l'article 39 du Code judiciaire.]1
La Police de la navigation constate les infractions aux lois et règlements concernant la navigation par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire.
Une copie des procès-verbaux est envoyée au contrevenant ou à son représentant légal en Belgique, au plus tard endéans les quinze jours [1 après la clôture du procès-verbal]1. Le jour de l'échéance est compris dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable.
Pour l'application du délai défini à l'alinéa 2, la fourniture d'un avertissement ou d'accorder un délai pour se mettre en règle ne constitue pas la constatation de l'infraction.
L'article 4.2.1.24. est applicable sur les procès-verbaux visés au premier alinéa.
[1 L'article 11 de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire est applicable à un procès-verbal constatant une infraction pour laquelle seule une amende administrative peut être infligée.
S'il s'agit d'un auteur présumé étranger, la procédure se déroule par l'intermédiaire de son représentant légal en Belgique. Si aucun représentant légal n'est désigné en Belgique mais que l'auteur présumé travaille avec un agent maritime, l'agent maritime est présumé être le représentant légal de l'auteur présumé. Lorsque la procédure se déroule par l'intermédiaire d'un représentant légal, le choix du domicile est réputé avoir été fait au représentant légal conformément à l'article 39 du Code judiciaire.]1
Wijzigingen
Art. 4.2.2.5. Samenwerking met andere overheden
§ 1. De Scheepvaartpolitie kan, met het oog op de uitoefening van de in artikel 4.2.2.1 bedoelde bevoegdheden, om de medewerking verzoeken van de personeelsleden belast met het toezicht op de naleving van bijzondere regelgeving.
§ 2. Ingeval de Scheepvaartpolitie in het raam van de artikel en 2.2.3.1 tot 2.2.3.15 of 2.3.2.1 tot 2.3.2.28 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten inbreuken vaststelt die de staat van veiligheid van het schip in het gedrang brengen, licht zij hiervan onverwijld de Scheepvaartcontrole in, die vervolgens de gepaste maatregelen neemt.
§ 1. De Scheepvaartpolitie kan, met het oog op de uitoefening van de in artikel 4.2.2.1 bedoelde bevoegdheden, om de medewerking verzoeken van de personeelsleden belast met het toezicht op de naleving van bijzondere regelgeving.
§ 2. Ingeval de Scheepvaartpolitie in het raam van de artikel en 2.2.3.1 tot 2.2.3.15 of 2.3.2.1 tot 2.3.2.28 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten inbreuken vaststelt die de staat van veiligheid van het schip in het gedrang brengen, licht zij hiervan onverwijld de Scheepvaartcontrole in, die vervolgens de gepaste maatregelen neemt.
Art. 4.2.2.5. Collaboration avec d'autres autorités
§ 1er. En vue de l'exercice des compétences visées à l'article 4.2.2.1, la Police de la navigation peut demander la collaboration des membres du personnel chargés de la surveillance d'une réglementation particulière.
§ 2. Si la Police de la navigation constate, dans le cadre des articles 2.2.3.1 à 2.2.3.15 ou 2.3.2.1 à 2.3.2.28 et des arrêtés d'exécution y afférents, des infractions qui compromettent l'état de sécurité du navire, elle en informera sur-le-champ le Contrôle de la navigation, lequel prendra ensuite les mesures qui s'imposent.
§ 1er. En vue de l'exercice des compétences visées à l'article 4.2.2.1, la Police de la navigation peut demander la collaboration des membres du personnel chargés de la surveillance d'une réglementation particulière.
§ 2. Si la Police de la navigation constate, dans le cadre des articles 2.2.3.1 à 2.2.3.15 ou 2.3.2.1 à 2.3.2.28 et des arrêtés d'exécution y afférents, des infractions qui compromettent l'état de sécurité du navire, elle en informera sur-le-champ le Contrôle de la navigation, lequel prendra ensuite les mesures qui s'imposent.
Art. 4.2.2.6. Maritieme grenscontrole
De Koning bepaalt de nadere regels inzake de grenscontrole aan de maritieme buitengrens en de uitvoering ervan door de leden van de Scheepvaartpolitie.
De Koning bepaalt de nadere regels inzake de grenscontrole aan de maritieme buitengrens en de uitvoering ervan door de leden van de Scheepvaartpolitie.
Art. 4.2.2.6. Contrôle frontalier maritime
Le Roi fixe les modalités relatives au contrôle frontalier aux frontières maritimes externes et leur exécution par les membres de la Police de la navigation.
Le Roi fixe les modalités relatives au contrôle frontalier aux frontières maritimes externes et leur exécution par les membres de la Police de la navigation.
Art. 4.2.2.7. Retributies
Onverminderd bijzondere bepalingen betreffende de heffing van retributies, kan voor de verlening van diensten door de Scheepvaartpolitie een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan.
Onverminderd bijzondere bepalingen betreffende de heffing van retributies, kan voor de verlening van diensten door de Scheepvaartpolitie een retributie worden geheven welke door de scheepseigenaar of zijn lasthebber, de aanvrager of de begunstigde verschuldigd is aan de Staat.
De Koning bepaalt het tarief van de retributies en de nadere regels voor de toepassing en inning ervan.
Art. 4.2.2.7. Redevances
Sans préjudice des dispositions particulières relatives à la perception de redevances, en contrepartie de la prestation de services par la Police de la navigation, une redevance peut être prélevée, dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevable à l'Etat.
Le Roi détermine le tarif des redevances et les autres règles afférentes à leur application et à leur perception.
Sans préjudice des dispositions particulières relatives à la perception de redevances, en contrepartie de la prestation de services par la Police de la navigation, une redevance peut être prélevée, dont le propriétaire du navire ou son mandataire, le demandeur ou le bénéficiaire est redevable à l'Etat.
Le Roi détermine le tarif des redevances et les autres règles afférentes à leur application et à leur perception.
Art. 4.2.2.8. Openbare geschriften
De documenten en administratieve formulieren vereist door de wetten en reglementen die van toepassing zijn op en rond het water zijn openbare geschriften als bedoeld in boek II, titel III, hoofdstuk IV van het Strafwetboek.
De documenten en administratieve formulieren vereist door de wetten en reglementen die van toepassing zijn op en rond het water zijn openbare geschriften als bedoeld in boek II, titel III, hoofdstuk IV van het Strafwetboek.
Art. 4.2.2.8. Ecritures publiques
Les documents et formulaires administratifs exigés par les lois et règlements d'application sur et aux abords de l'eau sont considérés comme écritures publiques au sens du livre II, titre III, chapitre IV du Code pénal.
Les documents et formulaires administratifs exigés par les lois et règlements d'application sur et aux abords de l'eau sont considérés comme écritures publiques au sens du livre II, titre III, chapitre IV du Code pénal.
HOOFDSTUK 3. - Gezagvoerders
CHAPITRE 3. - Commandants
Art. 4.2.3.1. Gezag aan boord
De kapitein van een Belgisch zeeschip dat wordt ingezet of bestemd is voor bedrijfs- of beroepsmatige doeleinden heeft over eenieder die zich aan boord bevindt het gezag dat vereist is voor de handhaving van de orde, voor de veiligheid van het schip, de opvarenden en de lading, de bescherming van het mariene milieu alsook voor de goede afloop van de reis.
Hij kan alle daartoe nuttige dwangmiddelen gebruiken, inbegrepen vrijheidsberoving en gedwongen ontscheping, en eenieder die aan boord is opvorderen om hem daarin bij te staan.
In de Belgische havens handelt hij in samenwerking met de scheepvaartpolitie.
In vreemde havens handelt hij in samenwerking met de Belgische consul of, indien nodig, met de plaatselijke overheid.
De kapitein van een Belgisch zeeschip dat wordt ingezet of bestemd is voor bedrijfs- of beroepsmatige doeleinden heeft over eenieder die zich aan boord bevindt het gezag dat vereist is voor de handhaving van de orde, voor de veiligheid van het schip, de opvarenden en de lading, de bescherming van het mariene milieu alsook voor de goede afloop van de reis.
Hij kan alle daartoe nuttige dwangmiddelen gebruiken, inbegrepen vrijheidsberoving en gedwongen ontscheping, en eenieder die aan boord is opvorderen om hem daarin bij te staan.
In de Belgische havens handelt hij in samenwerking met de scheepvaartpolitie.
In vreemde havens handelt hij in samenwerking met de Belgische consul of, indien nodig, met de plaatselijke overheid.
Art. 4.2.3.1. Autorité à bord
Le capitaine d'un navire de mer belge mis en oeuvre ou destiné à des fins professionnelles dispose, à l'égard de toute personne qui se trouve à bord, de l'autorité qui est nécessaire au maintien de l'ordre, à la sécurité du navire, des personnes embarqueées et de la cargaison, à la protection de l'environnement marin, ainsi qu'au bon déroulement du voyage.
Il peut à cet effet utiliser tous les moyens coercitifs, y compris la privation de liberté et le débarquement forcé, et requérir l'assistance nécessaire de toute personne qui se trouve à bord.
Dans les ports belges, il agit en collaboration avec la Police de la navigation.
Dans les ports étrangers, il agit en collaboration avec le consul belge ou, si nécessaire, avec les autorités locales.
Le capitaine d'un navire de mer belge mis en oeuvre ou destiné à des fins professionnelles dispose, à l'égard de toute personne qui se trouve à bord, de l'autorité qui est nécessaire au maintien de l'ordre, à la sécurité du navire, des personnes embarqueées et de la cargaison, à la protection de l'environnement marin, ainsi qu'au bon déroulement du voyage.
Il peut à cet effet utiliser tous les moyens coercitifs, y compris la privation de liberté et le débarquement forcé, et requérir l'assistance nécessaire de toute personne qui se trouve à bord.
Dans les ports belges, il agit en collaboration avec la Police de la navigation.
Dans les ports étrangers, il agit en collaboration avec le consul belge ou, si nécessaire, avec les autorités locales.
Art. 4.2.3.2. Vaststelling van misdrijven
§ 1. Wanneer gedurende de reis aan boord van een Belgisch zeeschip dat wordt ingezet of bestemd is voor bedrijfs- of beroepsmatige doeleinden een scheepvaartmisdrijf dan wel een andere misdaad of een ander wanbedrijf wordt gepleegd, stelt de kapitein, bijgestaan door een officier, een vooronderzoek in en hoort hij de getuigen.
Van een en ander wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat wordt ondertekend door de kapitein en de officier en vermeld in het scheepsdagboek.
Het aldus opgemaakte proces-verbaal heeft bewijskracht, tot het tegenbewijs is geleverd.
§ 2. In de eerste buitenlandse haven waar het schip aanlegt, overhandigt de kapitein de door hem opgemaakte processen-verbaal aan de consul.
De consul zet zo nodig het onderzoek voort en, indien hij het noodzakelijk acht, doet hij de verdachte ontschepen en, met de processtukken, naar een Belgische haven overbrengen.
§ 3. In de eerste Belgische haven waar het schip aanlegt, overhandigt de kapitein de door hem opgemaakte processen-verbaal aan de Scheepvaartpolitie, die ze onmiddellijk doorzendt aan de Procureur des Konings van het arrondissement en, indien hij het noodzakelijk acht, de verdachte laat opsluiten in afwachting van een beslissing.
§ 4. Ingeval de feiten in België zijn gepleegd, overhandigt de kapitein zijn proces-verbaal aan de Scheepvaartpolitie uiterlijk de dag na die waarop de feiten zijn ontdekt; ingeval de feiten zijn gepleegd in een plaats in het buitenland waar een Belgisch consul gevestigd is, overhandigt hij het proces-verbaal binnen dezelfde tijd aan de consul; ingeval ze gepleegd zijn, hetzij gedurende of na de afvaart, hetzij op zee, hetzij in een plaats in het buitenland waar geen consul gevestigd is, overhandigt hij het proces-verbaal binnen dezelfde tijd aan de Scheepvaartpolitie in de eerste Belgische haven of aan de consul in de eerste buitenlandse haven waar het schip aanlegt.
§ 5. De consuls en de Scheepvaartpolitie maken akte op van de verschijning van de kapitein en van zijn verklaringen; hun processen-verbaal hebben bewijskracht, tot het tegenbewijs is geleverd.
De processen-verbaal opgemaakt door de consuls worden geregistreerd ter kanselarij van het consulaat en vervolgens aan de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken gezonden, die ze, met de bijlagen, aan de Procureur des Konings van de thuishaven van het schip doet toekomen.
Bovendien geeft de consul een voor eensluidend verklaard afschrift af aan de kapitein, die het na aankomst in een Belgische haven binnen vierentwintig uur moet overhandigen aan de Scheepvaartpolitie.
§ 6. Heeft de kapitein geen proces-verbaal opgemaakt, dan stelt de Scheepvaartpolitie of de consul ambtshalve of op aangifte een summier vooronderzoek in en zendt hij zijn verslag ten spoedigste aan de bevoegde Procureur des Konings.
§ 1. Wanneer gedurende de reis aan boord van een Belgisch zeeschip dat wordt ingezet of bestemd is voor bedrijfs- of beroepsmatige doeleinden een scheepvaartmisdrijf dan wel een andere misdaad of een ander wanbedrijf wordt gepleegd, stelt de kapitein, bijgestaan door een officier, een vooronderzoek in en hoort hij de getuigen.
Van een en ander wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat wordt ondertekend door de kapitein en de officier en vermeld in het scheepsdagboek.
Het aldus opgemaakte proces-verbaal heeft bewijskracht, tot het tegenbewijs is geleverd.
§ 2. In de eerste buitenlandse haven waar het schip aanlegt, overhandigt de kapitein de door hem opgemaakte processen-verbaal aan de consul.
De consul zet zo nodig het onderzoek voort en, indien hij het noodzakelijk acht, doet hij de verdachte ontschepen en, met de processtukken, naar een Belgische haven overbrengen.
§ 3. In de eerste Belgische haven waar het schip aanlegt, overhandigt de kapitein de door hem opgemaakte processen-verbaal aan de Scheepvaartpolitie, die ze onmiddellijk doorzendt aan de Procureur des Konings van het arrondissement en, indien hij het noodzakelijk acht, de verdachte laat opsluiten in afwachting van een beslissing.
§ 4. Ingeval de feiten in België zijn gepleegd, overhandigt de kapitein zijn proces-verbaal aan de Scheepvaartpolitie uiterlijk de dag na die waarop de feiten zijn ontdekt; ingeval de feiten zijn gepleegd in een plaats in het buitenland waar een Belgisch consul gevestigd is, overhandigt hij het proces-verbaal binnen dezelfde tijd aan de consul; ingeval ze gepleegd zijn, hetzij gedurende of na de afvaart, hetzij op zee, hetzij in een plaats in het buitenland waar geen consul gevestigd is, overhandigt hij het proces-verbaal binnen dezelfde tijd aan de Scheepvaartpolitie in de eerste Belgische haven of aan de consul in de eerste buitenlandse haven waar het schip aanlegt.
§ 5. De consuls en de Scheepvaartpolitie maken akte op van de verschijning van de kapitein en van zijn verklaringen; hun processen-verbaal hebben bewijskracht, tot het tegenbewijs is geleverd.
De processen-verbaal opgemaakt door de consuls worden geregistreerd ter kanselarij van het consulaat en vervolgens aan de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken gezonden, die ze, met de bijlagen, aan de Procureur des Konings van de thuishaven van het schip doet toekomen.
Bovendien geeft de consul een voor eensluidend verklaard afschrift af aan de kapitein, die het na aankomst in een Belgische haven binnen vierentwintig uur moet overhandigen aan de Scheepvaartpolitie.
§ 6. Heeft de kapitein geen proces-verbaal opgemaakt, dan stelt de Scheepvaartpolitie of de consul ambtshalve of op aangifte een summier vooronderzoek in en zendt hij zijn verslag ten spoedigste aan de bevoegde Procureur des Konings.
Art. 4.2.3.2. Constatation de délits
§ 1er. Lorsque, durant le voyage, un délit de navigation ou tout autre crime ou délit est commis à bord d'un navire de mer belge mis en oeuvre ou destiné à des fins professionnelles, le capitaine, assisté d'un officier, diligentera une instruction préliminaire et entendra les témoins.
Il sera dressé procès-verbal du tout, signé par le capitaine et l'officier et mention en sera faite sur le journal de bord.
Le procès-verbal ainsi dressé fait foi jusqu'à preuve du contraire.
§ 2. Au premier port étranger où le navire abordera, le capitaine remettra au consul les procès-verbaux qu'il aura dressés.
Le consul complétera au besoin l'instruction et fera, s'il le juge nécessaire, débarquer le prévenu pour l'envoyer, avec les pièces de procédure, dans un port belge.
§ 3. Au premier port belge où le navire abordera, le capitaine remettra à la Police de la navigation les procès-verbaux qu'il aura dressés; la Police de la navigation les transmettra immédiatement au Procureur du Roi de l'arrondissement, qui, s'il le juge nécessaire, fera emprisonner le prévenu, en attendant une décision.
§ 4. Si les faits se sont passés en Belgique, le capitaine déposera ses procès-verbaux entre les mains de la Police de la navigation, au plus tard le lendemain du jour où les faits auront été découverts; s'ils se sont passés à l'étranger, dans une localité où réside un consul, il les déposera, dans le même délai, auprès du consul; et si les faits ont eu lieu soit pendant ou après le départ, soit en mer, soit dans une localité étrangère où il n'y a pas de consul, il les déposera, dans le même délai, entre les mains de la Police de la navigation du premier port belge ou du consul du premier port étranger où le navire abordera.
§ 5. Les consuls et la Police de la navigation dresseront acte de la comparution du capitaine et de ses déclarations; leurs procès-verbaux font foi jusqu'à preuve du contraire.
Les procès-verbaux dressés par les consuls seront enregistrés à la chancellerie du consulat et transmis ensuite au Service public fédéral Affaires étrangères, qui les fera parvenir avec les annexes au procureur du Roi du port d'attache du navire.
Une expédition certifiée conforme sera en outre délivrée par le consul au capitaine, lequel sera tenu de la déposer dans les vingt-quatre heures à la Police de la navigation du port d'arrivée en Belgique.
§ 6. En l'absence de procès-verbal dressé par le capitaine, la Police de la navigation ou le consul, agissant d'office ou sur dénonciation, procédera à une enquête préliminaire sommaire et transmettra son rapport dans les plus brefs délais au Procureur du Roi compétent.
§ 1er. Lorsque, durant le voyage, un délit de navigation ou tout autre crime ou délit est commis à bord d'un navire de mer belge mis en oeuvre ou destiné à des fins professionnelles, le capitaine, assisté d'un officier, diligentera une instruction préliminaire et entendra les témoins.
Il sera dressé procès-verbal du tout, signé par le capitaine et l'officier et mention en sera faite sur le journal de bord.
Le procès-verbal ainsi dressé fait foi jusqu'à preuve du contraire.
§ 2. Au premier port étranger où le navire abordera, le capitaine remettra au consul les procès-verbaux qu'il aura dressés.
Le consul complétera au besoin l'instruction et fera, s'il le juge nécessaire, débarquer le prévenu pour l'envoyer, avec les pièces de procédure, dans un port belge.
§ 3. Au premier port belge où le navire abordera, le capitaine remettra à la Police de la navigation les procès-verbaux qu'il aura dressés; la Police de la navigation les transmettra immédiatement au Procureur du Roi de l'arrondissement, qui, s'il le juge nécessaire, fera emprisonner le prévenu, en attendant une décision.
§ 4. Si les faits se sont passés en Belgique, le capitaine déposera ses procès-verbaux entre les mains de la Police de la navigation, au plus tard le lendemain du jour où les faits auront été découverts; s'ils se sont passés à l'étranger, dans une localité où réside un consul, il les déposera, dans le même délai, auprès du consul; et si les faits ont eu lieu soit pendant ou après le départ, soit en mer, soit dans une localité étrangère où il n'y a pas de consul, il les déposera, dans le même délai, entre les mains de la Police de la navigation du premier port belge ou du consul du premier port étranger où le navire abordera.
§ 5. Les consuls et la Police de la navigation dresseront acte de la comparution du capitaine et de ses déclarations; leurs procès-verbaux font foi jusqu'à preuve du contraire.
Les procès-verbaux dressés par les consuls seront enregistrés à la chancellerie du consulat et transmis ensuite au Service public fédéral Affaires étrangères, qui les fera parvenir avec les annexes au procureur du Roi du port d'attache du navire.
Une expédition certifiée conforme sera en outre délivrée par le consul au capitaine, lequel sera tenu de la déposer dans les vingt-quatre heures à la Police de la navigation du port d'arrivée en Belgique.
§ 6. En l'absence de procès-verbal dressé par le capitaine, la Police de la navigation ou le consul, agissant d'office ou sur dénonciation, procédera à une enquête préliminaire sommaire et transmettra son rapport dans les plus brefs délais au Procureur du Roi compétent.
Art. 4.2.3.3. Aanhouding van vervolgde of veroordeelde opvarenden
§ 1. Ingeval een door het Belgische gerecht vervolgde of veroordeelde persoon zich bevindt aan boord van een Belgisch zeeschip dat wordt ingezet of bestemd is voor bedrijfs- of beroepsmatige doeleinden dat de territoriale zee heeft verlaten, mag de minister bevoegd voor Justitie, door tussenkomst van een consul of anderszins, desnoods via telecommunicatiemiddelen, aan de kapiteint een afschrift overmaken van het door de bevoegde rechterlijke overheid uitgevaardigde bevel tot aanhouding of gevangenneming. De kapitein is verplicht dat bevel uit te voeren en aan de belanghebbende te betekenen, op het ogenblik van zijn aanhouding of, ten laatste, binnen de vierentwintig uur.
De aldus aangehouden persoon blijft aan boord gevangen tot de terugkeer van het schip in een Belgische haven of tot wanneer het een ander Belgisch schip ontmoet, dat hem naar een Belgische haven zal brengen. In dit laatste geval blijft hij aan boord van het ander Belgisch schip gevangen.
Al deze elementen worden vermeld in het scheepsdagboek.
§ 2. De termijnen bepaald in de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis beginnen te lopen van het ogenblik dat de beklaagde is opgesloten in een van de Belgische gevangenissen.
Indien het een persoon betreft die onherroepelijk is veroordeeld voor het misdrijf dat tot zijn gevangenneming aanleiding geeft, wordt de tijd dat hij op grond van paragraaf 1 aan boord gevangen werd gehouden, op de duur van zijn vrijheidsstraf toegerekend.
§ 1. Ingeval een door het Belgische gerecht vervolgde of veroordeelde persoon zich bevindt aan boord van een Belgisch zeeschip dat wordt ingezet of bestemd is voor bedrijfs- of beroepsmatige doeleinden dat de territoriale zee heeft verlaten, mag de minister bevoegd voor Justitie, door tussenkomst van een consul of anderszins, desnoods via telecommunicatiemiddelen, aan de kapiteint een afschrift overmaken van het door de bevoegde rechterlijke overheid uitgevaardigde bevel tot aanhouding of gevangenneming. De kapitein is verplicht dat bevel uit te voeren en aan de belanghebbende te betekenen, op het ogenblik van zijn aanhouding of, ten laatste, binnen de vierentwintig uur.
De aldus aangehouden persoon blijft aan boord gevangen tot de terugkeer van het schip in een Belgische haven of tot wanneer het een ander Belgisch schip ontmoet, dat hem naar een Belgische haven zal brengen. In dit laatste geval blijft hij aan boord van het ander Belgisch schip gevangen.
Al deze elementen worden vermeld in het scheepsdagboek.
§ 2. De termijnen bepaald in de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis beginnen te lopen van het ogenblik dat de beklaagde is opgesloten in een van de Belgische gevangenissen.
Indien het een persoon betreft die onherroepelijk is veroordeeld voor het misdrijf dat tot zijn gevangenneming aanleiding geeft, wordt de tijd dat hij op grond van paragraaf 1 aan boord gevangen werd gehouden, op de duur van zijn vrijheidsstraf toegerekend.
Art. 4.2.3.3. Arrestation de passagers poursuivis ou condamnés
§ 1er. Si un individu poursuivi ou condamné par la Justice belge se trouve à bord d'un navire de mer belge mis en oeuvre ou destiné à des fins professionnelles qui a quitté la mer territoriale, le ministre compétent en matière pour la Justice, par l'intervention d'un consul ou par tout autre moyen, le cas échéant par le biais de moyens de télécommunications, transmettra au capitaine une copie du mandat d'arrêt ou de l'ordre d'arrestation délivré par l'autorité judiciaire compétente. Le capitaine est tenu d'exécuter ce mandat et de le signifier à l'intéressé au moment de son arrestation ou, au plus tard, dans un délai de vingt-quatre heures.
La personne ainsi détenue restera prisonnière à bord jusqu'au retour du navire dans un port belge ou jusqu'à ce qu'il rencontre un autre navire belge, qui le conduira vers un port belge. Dans ce dernier cas, il restera prisonnier à bord de cet autre navire belge.
Tous ces éléments seront consignés dans le journal de bord.
§ 2. Les délais déterminés dans la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive commencent à courir à partir du moment où le prévenu est incarcéré dans l'une des prisons belges.
S'il s'agit d'une personne qui est irrévocablement condamnée pour un délit qui a entraîné son arrestation, le délai de détention à bord, en vertu du paragraphe 1er, sera comptabilisé sur la durée de sa peine privative de liberté.
§ 1er. Si un individu poursuivi ou condamné par la Justice belge se trouve à bord d'un navire de mer belge mis en oeuvre ou destiné à des fins professionnelles qui a quitté la mer territoriale, le ministre compétent en matière pour la Justice, par l'intervention d'un consul ou par tout autre moyen, le cas échéant par le biais de moyens de télécommunications, transmettra au capitaine une copie du mandat d'arrêt ou de l'ordre d'arrestation délivré par l'autorité judiciaire compétente. Le capitaine est tenu d'exécuter ce mandat et de le signifier à l'intéressé au moment de son arrestation ou, au plus tard, dans un délai de vingt-quatre heures.
La personne ainsi détenue restera prisonnière à bord jusqu'au retour du navire dans un port belge ou jusqu'à ce qu'il rencontre un autre navire belge, qui le conduira vers un port belge. Dans ce dernier cas, il restera prisonnier à bord de cet autre navire belge.
Tous ces éléments seront consignés dans le journal de bord.
§ 2. Les délais déterminés dans la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive commencent à courir à partir du moment où le prévenu est incarcéré dans l'une des prisons belges.
S'il s'agit d'une personne qui est irrévocablement condamnée pour un délit qui a entraîné son arrestation, le délai de détention à bord, en vertu du paragraphe 1er, sera comptabilisé sur la durée de sa peine privative de liberté.
Art. 4.2.3.4. Beroep op maritieme veiligheidsagenten
Ten einde het schip te beschermen tegen piraterij zoals omschreven in artikel 2.4.5.43, kan de kapitein van een Belgisch zeeschip een beroep doen op de ploeg van agenten van de vergunde maritieme veiligheidsonderneming waarop de geregistreerde eigenaar of exploitant een beroep doet in overeenstemming met de artikel en 2.4.3.1 tot 2.4.3.9.
Ten einde het schip te beschermen tegen piraterij zoals omschreven in artikel 2.4.5.43, kan de kapitein van een Belgisch zeeschip een beroep doen op de ploeg van agenten van de vergunde maritieme veiligheidsonderneming waarop de geregistreerde eigenaar of exploitant een beroep doet in overeenstemming met de artikel en 2.4.3.1 tot 2.4.3.9.
Art. 4.2.3.4. Recours à des agents de sécurité maritime
Pour protéger le navire contre la piraterie telle que décrite à l'article 2.4.5.43, le capitaine d'un navire de mer belge peut faire appel à l'équipe d'agents de l'entreprise de sécurité maritime autorisée à laquelle le propriétaire ou l'exploitant enregistré fait appel conformément aux articles 2.4.3.1 à 2.4.3.9.
Pour protéger le navire contre la piraterie telle que décrite à l'article 2.4.5.43, le capitaine d'un navire de mer belge peut faire appel à l'équipe d'agents de l'entreprise de sécurité maritime autorisée à laquelle le propriétaire ou l'exploitant enregistré fait appel conformément aux articles 2.4.3.1 à 2.4.3.9.
HOOFDSTUK 4. - Andere overheden
CHAPITRE 4. - Autres autorités
Art. 4.2.4.1. Belgische consulaire ambtenaren
§ 1. De Belgische consulaire ambtenaren kunnen de inbreuken door Belgische schepen op de bepalingen van de artikel en 2.2.2.1 tot 2.2.2.14 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten vaststellen. Zij maken daartoe een proces-verbaal op dat bewijskracht heeft tot het tegenbewijs is geleverd.
§ 2. In het buitenland wordt het toezicht op de naleving door Belgische zeeschepen van de bepalingen van dit wetboek inzake de veiligheid van zeeschepen en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, de door België gesloten internationale verdragen betreffende de maritieme arbeid, de beveiliging van mensenlevens op zee en de uitwatering van schepen, door de Belgische consulaire ambtenaar uitgeoefend :
1° ingeval de Belgische consulaire ambtenaar daartoe bijzonder wordt aangezocht door de Scheepvaartcontrole;
2° ingeval de Belgische consulaire ambtenaar overeenkomstig paragraaf 3, 3°, de afvaart van het schip verbiedt.
Ten einde dit toezicht uit te oefenen, wijst de consulaire ambtenaar een deskundige van erkende organisaties aan.
Een afschrift van de verslagen van de bedoelde deskundigen wordt onverwijld gezonden aan de scheepvaartcontroleurs.
De Belgische consulaire ambtenaren en door hen aangewezen deskundigen hebben het recht te allen tijde aan boord te gaan van de zeeschepen, teneinde er de vaststellingen te doen welke tot hun opdracht behoren.
Zij hebben eveneens het recht te eisen dat hun alle scheepsdocumenten en overtuigingsstukken worden voorgelegd.
Zij kunnen te allen tijde de door hen voor de toepassing van de artikel en 2.2.3.1 tot 2.2.3.15 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten nodig geachte richtlijnen geven, onder meer het op het droge zetten of het ledig vertonen van het zeeschip en het uitvoeren van bepaalde werken.
Iedere kapitein en iedere scheepseigenaar is verplicht de consulaire ambtenaren en deskundigen de inlichtingen en de hulp te verstrekken welke zij voor de vervulling van hun opdracht nodig achten.
Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, zijn de Belgische consulaire ambtenaren in het buitenland ermee belast de overtredingen van de artikel en 2.2.3.1 tot 2.2.3.15 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten op te sporen en vast te stellen. Zij maken daartoe een proces-verbaal op, dat bewijskracht heeft tot het tegenbewijs is geleverd.
§ 3. In het buitenland heeft de Belgische consulaire ambtenaar het recht de afvaart van een Belgisch zeeschip te verbieden :
1° ingeval het niet voorzien is van de vereiste geldige certificaten of geen toelating tot afvaart heeft gekregen, of, in de gevallen bedoeld in artikel 2.2.3.13, § 2, en onverminderd het laatste lid van die §, de kapitein de daarin voorziene verklaring niet heeft verkregen;
2° in het geval bedoeld in paragraaf 2, eerste lid en ingeval het toezicht heeft uitgemaakt dat het niet aan de wettelijke of reglementair gestelde voorwaarden voldoet;
3° ingeval vermoedens bestaan dat door niet-inachtneming van de in artikel 2.2.3.9, 1°, bedoelde voorwaarden, de veiligheid van de bemanning van de passagiers of van de lading of het mariene milieu in gevaar is gebracht.
De bepalingen van artikel 4.2.1.28, § 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing.
Het verbod tot afvaart wordt ingetrokken indien ten genoegen van de Belgische consulaire ambtenaar aan de wettelijk of reglementair gestelde voorwaarden is voldaan.
§ 4. De Belgische consulaire ambtenaren in het buitenland oefenen toezicht uit op de naleving door Belgische schepen van de artikel en 2.3.2.1 tot 2.3.2.28 van dit wetboek en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, het PAL-Verdrag, het BUNKER-Verdrag, het CLC-Verdrag 1992, het WRC-Verdrag en de PAL-Verordening.
§ 5. In het buitenland kan de Belgische consulaire ambtenaar de afvaart van een Belgisch schip verbieden ingeval het schip niet in het bezit is van de bij het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening, de artikel en 2.3.2.1 tot 2.3.2.28 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten voorgeschreven geldige certificaten, of indien niet voldoende het bewijs is geleverd bedoeld in artikel 2.3.2.5, § 2, of indien het schip niet verzekerd is overeenkomstig artikel 2.3.2.4.
De bepalingen van artikel 4.2.1.30, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Het verbod tot afvaart wordt ingetrokken indien het schip ten genoegen van de Belgische consulaire ambtenaar in het bezit is van de voorgeschreven geldige certificaten.
§ 6. De Belgische consuls in het buitenland oefenen de overige bevoegdheden uit welke hen zijn toegekend door de artikel en 4.2.1.28, 4.2.1.30 en 4.2.3.2.
§ 7. De Koning bepaalt de bevoegdheden van de Belgische consulaire ambtenaren inzake het nagaan van het aantal bemanningsleden aan boord van zeeschepen en het bezit van certificaten van lichamelijke geschiktheid, brevetten, vergunningen en andere soortgelijke getuigschriften.
§ 1. De Belgische consulaire ambtenaren kunnen de inbreuken door Belgische schepen op de bepalingen van de artikel en 2.2.2.1 tot 2.2.2.14 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten vaststellen. Zij maken daartoe een proces-verbaal op dat bewijskracht heeft tot het tegenbewijs is geleverd.
§ 2. In het buitenland wordt het toezicht op de naleving door Belgische zeeschepen van de bepalingen van dit wetboek inzake de veiligheid van zeeschepen en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, de door België gesloten internationale verdragen betreffende de maritieme arbeid, de beveiliging van mensenlevens op zee en de uitwatering van schepen, door de Belgische consulaire ambtenaar uitgeoefend :
1° ingeval de Belgische consulaire ambtenaar daartoe bijzonder wordt aangezocht door de Scheepvaartcontrole;
2° ingeval de Belgische consulaire ambtenaar overeenkomstig paragraaf 3, 3°, de afvaart van het schip verbiedt.
Ten einde dit toezicht uit te oefenen, wijst de consulaire ambtenaar een deskundige van erkende organisaties aan.
Een afschrift van de verslagen van de bedoelde deskundigen wordt onverwijld gezonden aan de scheepvaartcontroleurs.
De Belgische consulaire ambtenaren en door hen aangewezen deskundigen hebben het recht te allen tijde aan boord te gaan van de zeeschepen, teneinde er de vaststellingen te doen welke tot hun opdracht behoren.
Zij hebben eveneens het recht te eisen dat hun alle scheepsdocumenten en overtuigingsstukken worden voorgelegd.
Zij kunnen te allen tijde de door hen voor de toepassing van de artikel en 2.2.3.1 tot 2.2.3.15 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten nodig geachte richtlijnen geven, onder meer het op het droge zetten of het ledig vertonen van het zeeschip en het uitvoeren van bepaalde werken.
Iedere kapitein en iedere scheepseigenaar is verplicht de consulaire ambtenaren en deskundigen de inlichtingen en de hulp te verstrekken welke zij voor de vervulling van hun opdracht nodig achten.
Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, zijn de Belgische consulaire ambtenaren in het buitenland ermee belast de overtredingen van de artikel en 2.2.3.1 tot 2.2.3.15 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten op te sporen en vast te stellen. Zij maken daartoe een proces-verbaal op, dat bewijskracht heeft tot het tegenbewijs is geleverd.
§ 3. In het buitenland heeft de Belgische consulaire ambtenaar het recht de afvaart van een Belgisch zeeschip te verbieden :
1° ingeval het niet voorzien is van de vereiste geldige certificaten of geen toelating tot afvaart heeft gekregen, of, in de gevallen bedoeld in artikel 2.2.3.13, § 2, en onverminderd het laatste lid van die §, de kapitein de daarin voorziene verklaring niet heeft verkregen;
2° in het geval bedoeld in paragraaf 2, eerste lid en ingeval het toezicht heeft uitgemaakt dat het niet aan de wettelijke of reglementair gestelde voorwaarden voldoet;
3° ingeval vermoedens bestaan dat door niet-inachtneming van de in artikel 2.2.3.9, 1°, bedoelde voorwaarden, de veiligheid van de bemanning van de passagiers of van de lading of het mariene milieu in gevaar is gebracht.
De bepalingen van artikel 4.2.1.28, § 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing.
Het verbod tot afvaart wordt ingetrokken indien ten genoegen van de Belgische consulaire ambtenaar aan de wettelijk of reglementair gestelde voorwaarden is voldaan.
§ 4. De Belgische consulaire ambtenaren in het buitenland oefenen toezicht uit op de naleving door Belgische schepen van de artikel en 2.3.2.1 tot 2.3.2.28 van dit wetboek en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, het PAL-Verdrag, het BUNKER-Verdrag, het CLC-Verdrag 1992, het WRC-Verdrag en de PAL-Verordening.
§ 5. In het buitenland kan de Belgische consulaire ambtenaar de afvaart van een Belgisch schip verbieden ingeval het schip niet in het bezit is van de bij het PAL-Verdrag, de PAL-Verordening, de artikel en 2.3.2.1 tot 2.3.2.28 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten voorgeschreven geldige certificaten, of indien niet voldoende het bewijs is geleverd bedoeld in artikel 2.3.2.5, § 2, of indien het schip niet verzekerd is overeenkomstig artikel 2.3.2.4.
De bepalingen van artikel 4.2.1.30, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Het verbod tot afvaart wordt ingetrokken indien het schip ten genoegen van de Belgische consulaire ambtenaar in het bezit is van de voorgeschreven geldige certificaten.
§ 6. De Belgische consuls in het buitenland oefenen de overige bevoegdheden uit welke hen zijn toegekend door de artikel en 4.2.1.28, 4.2.1.30 en 4.2.3.2.
§ 7. De Koning bepaalt de bevoegdheden van de Belgische consulaire ambtenaren inzake het nagaan van het aantal bemanningsleden aan boord van zeeschepen en het bezit van certificaten van lichamelijke geschiktheid, brevetten, vergunningen en andere soortgelijke getuigschriften.
Art. 4.2.4.1. Fonctionnaires consulaires belges
§ 1er. Les fonctionnaires consulaires belges peuvent constater les infractions par les navires belges aux dispositions des articles 2.2.2.1 à 2.2.2.14 et des arrêtés d'exécution y afférents. Ils dressent à cet effet un procès-verbal qui fait foi jusqu'à preuve du contraire.
§ 2. A l'étranger, la surveillance du respect, par les navires de mer belges, des dispositions du présent code en matière de sécurité des navires de mer et des arrêtés d'exécution y afférents, des conventions internationales relatives au travail maritime, à la sauvegarde de la vie humaine en mer et aux lignes de charge des navires, conclues par la Belgique, est assurée par le fonctionnaire consulaire belge :
1° si le fonctionnaire consulaire belge en est spécialement requis, par le Contrôle de la navigation;
2° si le fonctionnaire consulaire belge interdit le départ du navire conformément au paragraphe 3, 3°.
A cette fin, le fonctionnaire consulaire belge désigne un expert d'une organisme agréés sociétés de classification reconnues.
Une copie des rapports de ces experts est transmise sans délai aux contrôleurs de la navigation.
Les fonctionnaires consulaires belges et les experts désignés par leurs soins ont le droit de monter à tout moment à bord des navires de mer, afin d'y faire les constatations qui relèvent de leur mission.
Ils ont également le droit d'exiger qu'on leur soumette tous les documents de bord et pièces à conviction.
Ils peuvent en tout temps donner les directives qu'ils jugent nécessaires pour garantir l'application des articles 2.2.3.1 à 2.2.3.15 du présent code ou des arrêtés d'exécution y afférents notamment la mise à sec ou la présentation à l'état lège du navire de mer, ainsi que l'exécution de certains travaux.
Tout capitaine ou propriétaire de navire est tenu de donner aux fonctionnaires consulaires et experts les renseignements et l'aide que ceux-ci jugent nécessaires à l'accomplissement de leur mission.
Sans préjudice des pouvoirs des officiers de police judiciaire, les fonctionnaires consulaires belges à l'étranger sont chargés de rechercher et de constater les infractions aux dispositions des articles 2.2.3.1 à 2.2.3.15 et des arrêtés d'exécution y afférents. Ils dressent à cet effet un procès-verbal qui fait foi jusqu'à preuve du contraire.
§ 3. A l'étranger, le fonctionnaire consulaire belge a le droit d'interdire le départ d'un navire de mer belge :
1° s'il n'est pas muni des certificats requis en cours de validité ou s'il n'a pas obtenu une autorisation de départ, ou si, dans les cas visés à l'article 2.2.3.13, § 2, et sans préjudice des dispositions du dernier alinéa de ce paragraphe, le capitaine n'a pas reçu la déclaration qui y est prévue;
2° si, dans le cas visé au paragraphe 2, alinéa 1er, la surveillance effectuée a relevé que le navire ne satisfait pas aux conditions légales ou réglementaires requises;
3° s'il existe des présomptions que la non-observance des conditions visées à l'article 2.2.3.9, 1°, compromet la sécurité de l'équipage, des passagers ou de la cargaison, ou l'environnement marin.
Les dispositions de l'article 4.2.1.28, § 5 et 6, sont d'application par analogie.
L'interdiction de départ est levée quand il est satisfait aux conditions légales ou réglementaires à la satisfaction du fonctionnaire consulaire belge.
§ 4. Les fonctionnaires consulaires belges à l'étranger exercent la surveillance du respect par les navires belges des articles 2.3.2.1 à 2.3.2.28 du présent code et des arrêtés d'exécution y afféretns, ainsi que de la Convention PAL, de la Convention BUNKER, de la Convention CLC 1992, de la Convention WRC et du Règlement PAL.
§ 5. A l'étranger, le fonctionnaire consulaire belge a le droit d'interdire le départ d'un navire battant le pavillon belge si le navire n'est pas muni des certificats valables prescrits par la Convention PAL, le Règlement PAL, les articles 2.3.2.1 à 2.3.2.28 du présent code ou des arrêtés d'exécution y afférents, si la preuve visée à l'article 2.3.2.5, § 2, n'est pas suffisamment établie ou si le navire n'est pas assuré conformément à l'article 2.3.2.4.
Les dispositions de l'article 4.2.1.30, alinéas 2 et 3, sont d'application par analogie.
L'interdiction de départ est levée quand le navire est muni des certificats valables prescrits, à la satisfaction du fonctionnaire consulaire belge.
§ 6. Les consuls belges à l'étranger exercent les autres compétences qui leur sont octroyées par les articles 4.2.1.28, 4.2.1.30 et 4.2.3.2.
§ 7. Le Roi détermine les compétences des fonctionnaires consulaires belges concernant la vérification du nombre de membres de l'équipage à bord des navires de mer et la possession de certificats de capacité physique, brevets, licences et autres attestations de même nature.
§ 1er. Les fonctionnaires consulaires belges peuvent constater les infractions par les navires belges aux dispositions des articles 2.2.2.1 à 2.2.2.14 et des arrêtés d'exécution y afférents. Ils dressent à cet effet un procès-verbal qui fait foi jusqu'à preuve du contraire.
§ 2. A l'étranger, la surveillance du respect, par les navires de mer belges, des dispositions du présent code en matière de sécurité des navires de mer et des arrêtés d'exécution y afférents, des conventions internationales relatives au travail maritime, à la sauvegarde de la vie humaine en mer et aux lignes de charge des navires, conclues par la Belgique, est assurée par le fonctionnaire consulaire belge :
1° si le fonctionnaire consulaire belge en est spécialement requis, par le Contrôle de la navigation;
2° si le fonctionnaire consulaire belge interdit le départ du navire conformément au paragraphe 3, 3°.
A cette fin, le fonctionnaire consulaire belge désigne un expert d'une organisme agréés sociétés de classification reconnues.
Une copie des rapports de ces experts est transmise sans délai aux contrôleurs de la navigation.
Les fonctionnaires consulaires belges et les experts désignés par leurs soins ont le droit de monter à tout moment à bord des navires de mer, afin d'y faire les constatations qui relèvent de leur mission.
Ils ont également le droit d'exiger qu'on leur soumette tous les documents de bord et pièces à conviction.
Ils peuvent en tout temps donner les directives qu'ils jugent nécessaires pour garantir l'application des articles 2.2.3.1 à 2.2.3.15 du présent code ou des arrêtés d'exécution y afférents notamment la mise à sec ou la présentation à l'état lège du navire de mer, ainsi que l'exécution de certains travaux.
Tout capitaine ou propriétaire de navire est tenu de donner aux fonctionnaires consulaires et experts les renseignements et l'aide que ceux-ci jugent nécessaires à l'accomplissement de leur mission.
Sans préjudice des pouvoirs des officiers de police judiciaire, les fonctionnaires consulaires belges à l'étranger sont chargés de rechercher et de constater les infractions aux dispositions des articles 2.2.3.1 à 2.2.3.15 et des arrêtés d'exécution y afférents. Ils dressent à cet effet un procès-verbal qui fait foi jusqu'à preuve du contraire.
§ 3. A l'étranger, le fonctionnaire consulaire belge a le droit d'interdire le départ d'un navire de mer belge :
1° s'il n'est pas muni des certificats requis en cours de validité ou s'il n'a pas obtenu une autorisation de départ, ou si, dans les cas visés à l'article 2.2.3.13, § 2, et sans préjudice des dispositions du dernier alinéa de ce paragraphe, le capitaine n'a pas reçu la déclaration qui y est prévue;
2° si, dans le cas visé au paragraphe 2, alinéa 1er, la surveillance effectuée a relevé que le navire ne satisfait pas aux conditions légales ou réglementaires requises;
3° s'il existe des présomptions que la non-observance des conditions visées à l'article 2.2.3.9, 1°, compromet la sécurité de l'équipage, des passagers ou de la cargaison, ou l'environnement marin.
Les dispositions de l'article 4.2.1.28, § 5 et 6, sont d'application par analogie.
L'interdiction de départ est levée quand il est satisfait aux conditions légales ou réglementaires à la satisfaction du fonctionnaire consulaire belge.
§ 4. Les fonctionnaires consulaires belges à l'étranger exercent la surveillance du respect par les navires belges des articles 2.3.2.1 à 2.3.2.28 du présent code et des arrêtés d'exécution y afféretns, ainsi que de la Convention PAL, de la Convention BUNKER, de la Convention CLC 1992, de la Convention WRC et du Règlement PAL.
§ 5. A l'étranger, le fonctionnaire consulaire belge a le droit d'interdire le départ d'un navire battant le pavillon belge si le navire n'est pas muni des certificats valables prescrits par la Convention PAL, le Règlement PAL, les articles 2.3.2.1 à 2.3.2.28 du présent code ou des arrêtés d'exécution y afférents, si la preuve visée à l'article 2.3.2.5, § 2, n'est pas suffisamment établie ou si le navire n'est pas assuré conformément à l'article 2.3.2.4.
Les dispositions de l'article 4.2.1.30, alinéas 2 et 3, sont d'application par analogie.
L'interdiction de départ est levée quand le navire est muni des certificats valables prescrits, à la satisfaction du fonctionnaire consulaire belge.
§ 6. Les consuls belges à l'étranger exercent les autres compétences qui leur sont octroyées par les articles 4.2.1.28, 4.2.1.30 et 4.2.3.2.
§ 7. Le Roi détermine les compétences des fonctionnaires consulaires belges concernant la vérification du nombre de membres de l'équipage à bord des navires de mer et la possession de certificats de capacité physique, brevets, licences et autres attestations de même nature.
Art. 4.2.4.2. Overheden bevoegd inzake het FUND-Verdrag 1992
§ 1. De ambtenaren en agenten die door de Koning worden aangesteld, kunnen zich op ieder verzoek vanwege de personen bedoeld bij artikel 2.7.3.12, § 1, alle documenten, stukken of boeken laten voorleggen die nuttig zijn om de beheerder van het Fonds van 1992 en de beheerder van het Bijkomend Fonds de gegevens te bezorgen over de hoeveelheden bijdragende olie die door die persoon in de loop van het voorgaande kalenderjaar ontvangen werden.
Die ambtenaren en agenten kunnen vrij binnengaan in de lokalen waarvan ze redenen hebben om te geloven dat zich daar in het eerste lid bedoelde documenten, stukken en boeken bevinden. Tijdens de uitoefening van hun opdracht mogen zij de bewoonde lokalen echter enkel betreden tussen 5 en 21 uur en met machtiging van de onderzoeksrechter of de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg bij wie een verzoekschrift is ingediend.
De personen bedoeld bij artikel 2.7.3.12, § 1 zijn ertoe gehouden deze ambtenaren en agenten de inlichtingen te verschaffen die zij vragen met het oog op de uitoefening van hun opdracht.
Onverminderd de bepalingen van artikel 2.7.3.14, paragrafen 1 en 2, mag iedere aanwijzing verkregen op basis van dit wetboek, in zoverre zij betrekking heeft op één van de in artikel 2.7.3.12, § 1 beoogde personen, eveneens iedere conclusie die uit deze aanwijzing wordt getrokken, slechts met de toestemming van de betrokken persoon worden medegedeeld aan anderen dan die welke uit hoofde van dit artikel zijn aangeduid.
§ 2. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, stelt de Koning de Staatsambtenaren en agenten aan die bevoegd zijn om de overtredingen waarvan sprake in artikel 4.1.2.57 op te sporen en vast te stellen door middel van processen-verbaal strekkende tot bewijs tot het tegendeel bewezen wordt.
§ 1. De ambtenaren en agenten die door de Koning worden aangesteld, kunnen zich op ieder verzoek vanwege de personen bedoeld bij artikel 2.7.3.12, § 1, alle documenten, stukken of boeken laten voorleggen die nuttig zijn om de beheerder van het Fonds van 1992 en de beheerder van het Bijkomend Fonds de gegevens te bezorgen over de hoeveelheden bijdragende olie die door die persoon in de loop van het voorgaande kalenderjaar ontvangen werden.
Die ambtenaren en agenten kunnen vrij binnengaan in de lokalen waarvan ze redenen hebben om te geloven dat zich daar in het eerste lid bedoelde documenten, stukken en boeken bevinden. Tijdens de uitoefening van hun opdracht mogen zij de bewoonde lokalen echter enkel betreden tussen 5 en 21 uur en met machtiging van de onderzoeksrechter of de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg bij wie een verzoekschrift is ingediend.
De personen bedoeld bij artikel 2.7.3.12, § 1 zijn ertoe gehouden deze ambtenaren en agenten de inlichtingen te verschaffen die zij vragen met het oog op de uitoefening van hun opdracht.
Onverminderd de bepalingen van artikel 2.7.3.14, paragrafen 1 en 2, mag iedere aanwijzing verkregen op basis van dit wetboek, in zoverre zij betrekking heeft op één van de in artikel 2.7.3.12, § 1 beoogde personen, eveneens iedere conclusie die uit deze aanwijzing wordt getrokken, slechts met de toestemming van de betrokken persoon worden medegedeeld aan anderen dan die welke uit hoofde van dit artikel zijn aangeduid.
§ 2. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, stelt de Koning de Staatsambtenaren en agenten aan die bevoegd zijn om de overtredingen waarvan sprake in artikel 4.1.2.57 op te sporen en vast te stellen door middel van processen-verbaal strekkende tot bewijs tot het tegendeel bewezen wordt.
Art. 4.2.4.2. Autorités compétentes concernant la Convention FUND 1992
§ 1. Les fonctionnaires et agents, désignés par le Roi peuvent se faire produire à première réquisition par toute personne visée à l'article 2.7.3.12, § 1er, tous documents, pièces ou livres utiles pour fournir à l'administrateur du Fonds de 1992 et à l'administrateur du Fonds complémentaire les indications sur les quantités d'hydrocarbures donnant lieu à contribution reçues par cette personne au cours de l'année civile précédente.
Ces fonctionnaires et agents peuvent pénétrer librement dans les locaux où ils ont des raisons de croire à la présence de documents, pièces et livres visés à l'alinéa 1er. Toutefois, dans l'exercice de leur mission, ils ne peuvent pénétrer dans les locaux habités que de 5 heures à 21 heures et sur autorisation du juge d'instruction ou du président du tribunal de première instance saisi par requête.
Les personnes visées à l'article 2.7.3.12, § 1er, sont tenues de fournir à ces fonctionnaires et agents les renseignements qu'ils demandent en vue de l'exécution de leur mission.
Sans préjudice des dispositions de l'article 2.7.3.14, paragraphes 1er et 2, toute indication obtenue sur la base du présent code, pour autant qu'elle se rapporte à l'une des personnes visées à l'article 2.7.3.12, § 1er, ainsi que toute conclusion tirée de cette indication, ne peuvent être communiquées qu'avec l'accord de la personne concernée à d'autres que celles qui sont désignées en vertu du présent article.
§ 2. Sans préjudice des pouvoirs des officiers de police judiciaire, le Roi désigne les fonctionnaires et agents de l'Etat qui sont compétents pour rechercher et constater, par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire, les infractions dont il est question à l'article 4.1.2.57.
§ 1. Les fonctionnaires et agents, désignés par le Roi peuvent se faire produire à première réquisition par toute personne visée à l'article 2.7.3.12, § 1er, tous documents, pièces ou livres utiles pour fournir à l'administrateur du Fonds de 1992 et à l'administrateur du Fonds complémentaire les indications sur les quantités d'hydrocarbures donnant lieu à contribution reçues par cette personne au cours de l'année civile précédente.
Ces fonctionnaires et agents peuvent pénétrer librement dans les locaux où ils ont des raisons de croire à la présence de documents, pièces et livres visés à l'alinéa 1er. Toutefois, dans l'exercice de leur mission, ils ne peuvent pénétrer dans les locaux habités que de 5 heures à 21 heures et sur autorisation du juge d'instruction ou du président du tribunal de première instance saisi par requête.
Les personnes visées à l'article 2.7.3.12, § 1er, sont tenues de fournir à ces fonctionnaires et agents les renseignements qu'ils demandent en vue de l'exécution de leur mission.
Sans préjudice des dispositions de l'article 2.7.3.14, paragraphes 1er et 2, toute indication obtenue sur la base du présent code, pour autant qu'elle se rapporte à l'une des personnes visées à l'article 2.7.3.12, § 1er, ainsi que toute conclusion tirée de cette indication, ne peuvent être communiquées qu'avec l'accord de la personne concernée à d'autres que celles qui sont désignées en vertu du présent article.
§ 2. Sans préjudice des pouvoirs des officiers de police judiciaire, le Roi désigne les fonctionnaires et agents de l'Etat qui sont compétents pour rechercher et constater, par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire, les infractions dont il est question à l'article 4.1.2.57.
Art. 4.2.4.3. Overheden bevoegd inzake wrakverwijdering
Zijn mede belast met de opsporing en de vaststelling op zee van de inbreuken op de artikel en [1 2.7.6.1 tot en met 2.7.6.14]1 van dit wetboek en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten :
1° de gezagvoerders van de patrouillevaartuigen en -vliegtuigen van de Staat en hun aangestelden;
2° [1 ...]1
3° de daartoe door hun hiërarchie gemandateerde officieren en onderofficieren van de Marine.
4° [1 ...]1
Zij maken over de inbreuken die zij vaststellen een proces-verbaal op, dat bewijskracht heeft tot het tegenbewijs is geleverd.
Zijn mede belast met de opsporing en de vaststelling op zee van de inbreuken op de artikel en [1 2.7.6.1 tot en met 2.7.6.14]1 van dit wetboek en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten :
1° de gezagvoerders van de patrouillevaartuigen en -vliegtuigen van de Staat en hun aangestelden;
2° [1 ...]1
3° de daartoe door hun hiërarchie gemandateerde officieren en onderofficieren van de Marine.
4° [1 ...]1
Zij maken over de inbreuken die zij vaststellen een proces-verbaal op, dat bewijskracht heeft tot het tegenbewijs is geleverd.
Art. 4.2.4.3. Autorités compétentes en matière d'enlèvement des épaves
Sont également chargés de rechercher et de constater en mer les infractions en vertu des articles [1 2.7.6.1 à 2.7.6.14]1 compris de ce code et des arrêtés d'exécution y afférents :
1° les commandants des bâtiments et aéronefs patrouilleurs de l'Etat et leurs préposés;
2° [1 ...]1
3° les officiers et sous-officiers de la Marine mandatés par leur hiérarchie à cet effet.
4° [1 ...]1
Ils dressent un procès-verbal sur les infractions qu'ils constatent, qui fait foi jusqu'à preuve du contraire.
Sont également chargés de rechercher et de constater en mer les infractions en vertu des articles [1 2.7.6.1 à 2.7.6.14]1 compris de ce code et des arrêtés d'exécution y afférents :
1° les commandants des bâtiments et aéronefs patrouilleurs de l'Etat et leurs préposés;
2° [1 ...]1
3° les officiers et sous-officiers de la Marine mandatés par leur hiérarchie à cet effet.
4° [1 ...]1
Ils dressent un procès-verbal sur les infractions qu'ils constatent, qui fait foi jusqu'à preuve du contraire.
Wijzigingen
Art. 4.2.4.4. [1 Overheden bevoegd inzake maritieme beveiliging
§ 1. Onverminderd de bevoegdheden van de Scheepvaartcontrole en de Cel Maritieme Beveiliging zijn mede belast met het toezicht op de naleving van de ISPS-Verordening, de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.58 en 2.5.2.65 tot en met 2.5.2.71 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten:
1° de leden van de NAMB en het LCMB, waarbij de bevoegdheid van de leden van een LCMB beperkt is tot de haven en havenfaciliteiten die onder hun bevoegdheid vallen;
2° de personeelsleden van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen;
3° de personeelsleden van het Ministerie van Landsverdediging;
4° de Directie Kritieke Infrastructuur en risicoanalyse van het NCCN;
5° de door de NAMB aangewezen personeelsleden van de haven;
6° de federale en lokale politie;
7° de PSO voor de haven en havenfaciliteiten die onder hun bevoegdheid van vallen.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden stellen bij proces-verbaal dat geldt tot bewijs van tegendeel de inbreuken op de ISPS-Verordening, de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.58 en 2.5.2.65 tot en met 2.5.2.71 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten vast.
Deze processen-verbaal worden aan de Procureur des Konings overgezonden, alsook aan de overtreder of zijn wettelijk vertegenwoordiger in België.
De in paragraaf 1 bedoelde personen laden het proces-verbaal op in het ISPS-platform.
§ 3. Indien de personeelsleden van de Cel Maritieme Beveiliging naar aanleiding van de uitoefening van hun bevoegdheden kennis krijgen van andere misdrijven lichten zij de bevoegde politiediensten hierover onmiddellijk in.]1
§ 1. Onverminderd de bevoegdheden van de Scheepvaartcontrole en de Cel Maritieme Beveiliging zijn mede belast met het toezicht op de naleving van de ISPS-Verordening, de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.58 en 2.5.2.65 tot en met 2.5.2.71 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten:
1° de leden van de NAMB en het LCMB, waarbij de bevoegdheid van de leden van een LCMB beperkt is tot de haven en havenfaciliteiten die onder hun bevoegdheid vallen;
2° de personeelsleden van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen;
3° de personeelsleden van het Ministerie van Landsverdediging;
4° de Directie Kritieke Infrastructuur en risicoanalyse van het NCCN;
5° de door de NAMB aangewezen personeelsleden van de haven;
6° de federale en lokale politie;
7° de PSO voor de haven en havenfaciliteiten die onder hun bevoegdheid van vallen.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden stellen bij proces-verbaal dat geldt tot bewijs van tegendeel de inbreuken op de ISPS-Verordening, de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.58 en 2.5.2.65 tot en met 2.5.2.71 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten vast.
Deze processen-verbaal worden aan de Procureur des Konings overgezonden, alsook aan de overtreder of zijn wettelijk vertegenwoordiger in België.
De in paragraaf 1 bedoelde personen laden het proces-verbaal op in het ISPS-platform.
§ 3. Indien de personeelsleden van de Cel Maritieme Beveiliging naar aanleiding van de uitoefening van hun bevoegdheden kennis krijgen van andere misdrijven lichten zij de bevoegde politiediensten hierover onmiddellijk in.]1
Art. 4.2.4.4. [1 Autorités chargées de la sûreté maritime
§ 1er. Sans préjudice des compétences du Contrôle de la navigation et de la Cellule de la Sûreté maritime, sont également chargés du contrôle du respect du Règlement ISPS, des articles 2.5.2.1 à 2.5.2.58 et 2.5.2.65 à 2.5.2.71 et les arrêtés d'exécution y afférents :
1° les membres de l'ANSM et du CLSM, lorsque la compétence des membres d'un CLSM est limitée pour au port et aux installations portuaires relevant de leur compétence ;
2° les membres du personnel de l'Administration générales des Douanes et Accises ;
3° les membres du personnel du Ministère de la Défense ;
4° la Direction Infrastructures critiques et Analyse de risque du NCCN ;
5° les membres du personnel du port désignés par l'ANSM ;
6° la police fédérale et locale ;
7° le PSO pour le port et les installations portuaires relevant de sa compétence.
§ 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1er constatent, au moyen d'un procès-verbal qui vaut jusqu'à preuve du contraire, les infractions au Règlement ISPS, aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.58 et 2.5.2.65 à 2.5.2.71 et les arrêtés d'exécution y afférents.
Ces procès-verbaux sont transmis au Procureur du Roi, ainsi qu'au contrevenant ou à son représentant légal en Belgique.
Les personnes visées au paragraphe 1er téléchargent le procès-verbal sur la plateforme ISPS.
§ 3. Si, dans le cadre de l'exercice de leurs compétences, les membres du personnel de la Cellule de la Sûreté maritime, ont connaissance d'autres délits, ils en informent immédiatement les services de police compétents.]1
§ 1er. Sans préjudice des compétences du Contrôle de la navigation et de la Cellule de la Sûreté maritime, sont également chargés du contrôle du respect du Règlement ISPS, des articles 2.5.2.1 à 2.5.2.58 et 2.5.2.65 à 2.5.2.71 et les arrêtés d'exécution y afférents :
1° les membres de l'ANSM et du CLSM, lorsque la compétence des membres d'un CLSM est limitée pour au port et aux installations portuaires relevant de leur compétence ;
2° les membres du personnel de l'Administration générales des Douanes et Accises ;
3° les membres du personnel du Ministère de la Défense ;
4° la Direction Infrastructures critiques et Analyse de risque du NCCN ;
5° les membres du personnel du port désignés par l'ANSM ;
6° la police fédérale et locale ;
7° le PSO pour le port et les installations portuaires relevant de sa compétence.
§ 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1er constatent, au moyen d'un procès-verbal qui vaut jusqu'à preuve du contraire, les infractions au Règlement ISPS, aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.58 et 2.5.2.65 à 2.5.2.71 et les arrêtés d'exécution y afférents.
Ces procès-verbaux sont transmis au Procureur du Roi, ainsi qu'au contrevenant ou à son représentant légal en Belgique.
Les personnes visées au paragraphe 1er téléchargent le procès-verbal sur la plateforme ISPS.
§ 3. Si, dans le cadre de l'exercice de leurs compétences, les membres du personnel de la Cellule de la Sûreté maritime, ont connaissance d'autres délits, ils en informent immédiatement les services de police compétents.]1
Wijzigingen
Art. 4.2.4.4 /1. [1 Overheden bevoegd voor de beveiliging van de Noordzee
§ 1. Onverminderd de bevoegdheden van de Scheepvaartcontrole en de Cel Maritieme Beveiliging zijn mede belast met het toezicht op de naleving van de artikelen 2.5.2.63 tot en met 2.5.2.68 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten:
1° de leden van de NAMB;
2° de personeelsleden van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen;
3° de personeelsleden van het Ministerie van Landsverdediging;
4° de federale politie;
5° de personeelsleden van het Belgische Mathematisch Model voor de Noordzee.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden stellen bij proces-verbaal dat geldt tot bewijs van tegendeel de inbreuken van de artikelen 2.5.2.63 tot en met 2.5.2.68 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten vast.
Deze processen-verbaal worden aan de procureur des Konings overgezonden, alsook aan de overtreder of zijn wettelijk vertegenwoordiger in België.
De in paragraaf 1 bedoelde personen maken melding van het proces-verbaal in het ISPS-platform.]1
§ 1. Onverminderd de bevoegdheden van de Scheepvaartcontrole en de Cel Maritieme Beveiliging zijn mede belast met het toezicht op de naleving van de artikelen 2.5.2.63 tot en met 2.5.2.68 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten:
1° de leden van de NAMB;
2° de personeelsleden van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen;
3° de personeelsleden van het Ministerie van Landsverdediging;
4° de federale politie;
5° de personeelsleden van het Belgische Mathematisch Model voor de Noordzee.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden stellen bij proces-verbaal dat geldt tot bewijs van tegendeel de inbreuken van de artikelen 2.5.2.63 tot en met 2.5.2.68 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten vast.
Deze processen-verbaal worden aan de procureur des Konings overgezonden, alsook aan de overtreder of zijn wettelijk vertegenwoordiger in België.
De in paragraaf 1 bedoelde personen maken melding van het proces-verbaal in het ISPS-platform.]1
Art.4.2.4.4/1. [1 Autorités chargées de la sûreté de la mer du Nord
§ 1er. Sans préjudice des compétences du Contrôle de la navigation et de la Cellule de la Sûreté maritime, sont également chargés du contrôle du respect des articles 2.5.2.63 à 2.5.2.68 et les arrêtés d'exécution y afférents :
1° les membres de l'ANSM ;
2° les membres du personnel de l'Administration générales des Douanes et Accises ;
3° les membres du personnel du Ministère de la Défense ;
4° la police fédérale ;
5° les membres du personnel de l'Unité de Gestion du modèle mathématique de la Mer du Nord.
§ 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1er constatent, au moyen d'un procès-verbal qui vaut jusqu'à preuve du contraire, les infractions aux articles 2.5.2.63 à 2.5.2.68 et les arrêtés d'exécution y afférents.
Ces procès-verbaux sont transmis au procureur du Roi, ainsi qu'au contrevenant ou à son représentant légal en Belgique.
Les personnes visées au paragraphe 1er mentionne le procès-verbal dans la plateforme ISPS.]1
§ 1er. Sans préjudice des compétences du Contrôle de la navigation et de la Cellule de la Sûreté maritime, sont également chargés du contrôle du respect des articles 2.5.2.63 à 2.5.2.68 et les arrêtés d'exécution y afférents :
1° les membres de l'ANSM ;
2° les membres du personnel de l'Administration générales des Douanes et Accises ;
3° les membres du personnel du Ministère de la Défense ;
4° la police fédérale ;
5° les membres du personnel de l'Unité de Gestion du modèle mathématique de la Mer du Nord.
§ 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1er constatent, au moyen d'un procès-verbal qui vaut jusqu'à preuve du contraire, les infractions aux articles 2.5.2.63 à 2.5.2.68 et les arrêtés d'exécution y afférents.
Ces procès-verbaux sont transmis au procureur du Roi, ainsi qu'au contrevenant ou à son représentant légal en Belgique.
Les personnes visées au paragraphe 1er mentionne le procès-verbal dans la plateforme ISPS.]1
Art. 4.2.4.5. Overheden bevoegd inzake het marien milieu
Zijn mede belast met de opsporing en vaststelling op zee van de inbreuken op artikel 2.5.3.4 :
1° de gezagvoerders van de patrouillevaartuigen en -vliegtuigen van de Staat en hun aangestelden;
2° [1 ...]1
3° de daartoe door hun hiërarchie gemandateerde officieren en onderofficieren van de Marine;
4° [1 ...]1
[1 ...]1
De in het eerste lid genoemde personen maken over de inbreuken die zij vaststellen een proces-verbaal op, dat bewijskracht heeft tot het tegenbewijs is geleverd.
Zijn mede belast met de opsporing en vaststelling op zee van de inbreuken op artikel 2.5.3.4 :
1° de gezagvoerders van de patrouillevaartuigen en -vliegtuigen van de Staat en hun aangestelden;
2° [1 ...]1
3° de daartoe door hun hiërarchie gemandateerde officieren en onderofficieren van de Marine;
4° [1 ...]1
[1 ...]1
De in het eerste lid genoemde personen maken over de inbreuken die zij vaststellen een proces-verbaal op, dat bewijskracht heeft tot het tegenbewijs is geleverd.
Art. 4.2.4.5. Autorités compétentes pour le milieu marin
Sont également chargés de rechercher et de constater les infractions en mer en vertu de l'article 2.5.3.4 :
1° les commandants des bâtiments et aéronefs patrouilleurs de l'Etat et leurs préposés;
2° [1 ...]1
3° les officiers et sous-officiers de la Marine mandatés par leur hiérarchie à cet effet;
4° [1 ...]1
[1 ...]1
Les personnes énoncées à l'alinéa 1er dressent un procès-verbal sur les infractions qu'elles constatent, qui a fait foi jusqu'à preuve du contraire.
Sont également chargés de rechercher et de constater les infractions en mer en vertu de l'article 2.5.3.4 :
1° les commandants des bâtiments et aéronefs patrouilleurs de l'Etat et leurs préposés;
2° [1 ...]1
3° les officiers et sous-officiers de la Marine mandatés par leur hiérarchie à cet effet;
4° [1 ...]1
[1 ...]1
Les personnes énoncées à l'alinéa 1er dressent un procès-verbal sur les infractions qu'elles constatent, qui a fait foi jusqu'à preuve du contraire.
Wijzigingen
Art. 4.2.4.6. Overige voor handhaving bevoegde personen
Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de overige door de Koning aangeduide personeelsleden van de overheid toezicht op de naleving van de bepalingen van dit wetboek en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, en zijn zij belast met het opsporen en vaststellen van de overtredingen van die bepalingen.
Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de overige door de Koning aangeduide personeelsleden van de overheid toezicht op de naleving van de bepalingen van dit wetboek en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, en zijn zij belast met het opsporen en vaststellen van de overtredingen van die bepalingen.
Art. 4.2.4.6. Autres personnes compétentes en de mise en application
Sans préjudice des compétences des officiers de police judiciaire, les autres membres du personnel de l'autorité désignés par le Roi surveillent le respect des dispositions du présent code et des arrêtés d'exécution y afférents; ils sont également chargés de rechercher et de constater les infractions à ces dispositions.
Sans préjudice des compétences des officiers de police judiciaire, les autres membres du personnel de l'autorité désignés par le Roi surveillent le respect des dispositions du présent code et des arrêtés d'exécution y afférents; ils sont également chargés de rechercher et de constater les infractions à ces dispositions.
Art. 4.2.4.7. Bevoegdheden van het personeel van Defensie
In de Belgische maritieme gebieden, overeenkomstig het internationale recht en onverminderd de bevoegdheden van de politiediensten en andere overheden, kan het personeel van Defensie de volgende bevoegdheden uitoefenen :
1° personen aanhouden die zich niet onderwerpen aan de beveiligingsmaatregelen, in geval van de inspectie van een schip zoals toegestaan door het internationaal recht. In dat geval worden de bevoegde politiediensten onmiddellijk op de hoogte gebracht van het feit dat een persoon wordt aangehouden. De aangehouden persoon wordt zo snel mogelijk overgedragen aan een politieambtenaar.
De vrijheidsbeneming door het personeel van Defensie mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die haar rechtvaardigen.
2° een persoon overeenkomstig artikel 1, 3° van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis ophouden. De opgehouden persoon wordt zo snel mogelijk overgedragen aan een politieambtenaar. De vrijheidsbeneming door het personeel van Defensie mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die haar rechtvaardigen.
3° de identiteit controleren van personen in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald in 1° en 2°. De identiteitsstukken die aan het personeelslid van Defensie overhandigd worden, mogen slechts ingehouden worden gedurende de voor de verificatie van de identiteit noodzakelijke tijd en moeten daarna onmiddellijk aan de betrokkene worden teruggegeven. Indien de persoon weigert of in de onmogelijkheid verkeert het bewijs te leveren van zijn identiteit, alsook indien zijn identiteit twijfelachtig is, mag hij worden opgehouden om ter beschikking te worden gesteld van een politieambtenaar. De vrijheidsbeneming door het personeelslid van Defensie mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die haar rechtvaardigen.
4° overgaan tot de controle van het schip en zijn inhoud.
5° de voorwerpen en dieren die een ernstig gevaar betekenen voor het leven en de lichamelijke integriteit van personen of de integriteit van plaatsen of materieel waarvoor het personeelslid van Defensie de controle van het schip en zijn inhoud overeenkomstig het toepasselijk internationale recht verricht, aan hun eigenaar, bezitter of houder onttrekken. Deze bestuurlijke inbeslagneming geschiedt overeenkomstig de richtlijnen en onder de verantwoordelijkheid van het personeelslid van Defensie met de hoogste graad. Deze voorwerpen en dieren worden ter beschikking gesteld van een politieambtenaar, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
6° als de toegang aan boord geweigerd werd of feitelijk onmogelijk bleek te zijn, kan de commandant van het Belgisch oorlogsschip het bevel geven tot koerswijziging van het verdachte schip, dat met voldoende redenen van een wetsovertreding wordt verdacht, naar een geschikte haven, in overeenstemming met het internationaal recht. Deze koerswijziging gebeurt op kosten en op risico van de personen die het bevel hebben van het schip dat zijn koers moet wijzigen.
Tijdens de doorvaart die volgt op de beslissing tot koerswijziging, kan de commandant de nodige en passende dwangmaatregelen nemen met het oog op het vrijwaren van het schip en zijn lading en van de veiligheid van de opvarenden.
7° overgaan tot de veiligheidsfouillering van personen in de volgende gevallen :
a. wanneer er, op grond van de gedragingen van deze persoon of de omstandigheden, redelijke gronden zijn om te denken dat een persoon een wapen of enig gevaarlijk voorwerp zou kunnen dragen;
b. wanneer een persoon opgehouden wordt in de gevallen bepaald in 1° en 2;
De veiligheidsfouillering mag enkel bevolen worden door de ter plaatse zijnde verantwoordelijke chef, lid van Defensie.
De veiligheidsfouillering gebeurt door het betasten van het lichaam en de kleding van de gefouilleerde persoon. Zij mag niet langer duren dan de daartoe redelijke en noodzakelijke tijd.
De fouillering wordt uitgevoerd door een militair van hetzelfde geslacht als de gefouilleerde, behalve wanneer er voldoende redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat het onmogelijk is omwille van een ernstig en nakend gevaar.
8° een opgehouden persoon boeien, rekening houdend met :
- het gedrag van de betrokkene bij of tijdens zijn aanhouding;
- het gevaar dat betrokkene voor zichzelf, voor het personeel van Defensie of derden vormt, alsook voor de uitvoering van de opdracht.
9° geweld gebruiken onder de voorwaarden van artikel 37 van de wet op het politieambt en, in voorkomend geval, gebruikmaken van vuurwapens onder de voorwaarden vermeld in artikel 38, 1ste lid,1° en 3°, van dezelfde wet.
[1 10° het, in overeenstemming met het internationale recht, afleiden van schepen, die de openbare veiligheid bedreigen of waarvan gegronde vermoedens bestaan dat het schip betrokken is bij spionage of sabotage naar een Belgische haven.]1
In de Belgische maritieme gebieden, overeenkomstig het internationale recht en onverminderd de bevoegdheden van de politiediensten en andere overheden, kan het personeel van Defensie de volgende bevoegdheden uitoefenen :
1° personen aanhouden die zich niet onderwerpen aan de beveiligingsmaatregelen, in geval van de inspectie van een schip zoals toegestaan door het internationaal recht. In dat geval worden de bevoegde politiediensten onmiddellijk op de hoogte gebracht van het feit dat een persoon wordt aangehouden. De aangehouden persoon wordt zo snel mogelijk overgedragen aan een politieambtenaar.
De vrijheidsbeneming door het personeel van Defensie mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die haar rechtvaardigen.
2° een persoon overeenkomstig artikel 1, 3° van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis ophouden. De opgehouden persoon wordt zo snel mogelijk overgedragen aan een politieambtenaar. De vrijheidsbeneming door het personeel van Defensie mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die haar rechtvaardigen.
3° de identiteit controleren van personen in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald in 1° en 2°. De identiteitsstukken die aan het personeelslid van Defensie overhandigd worden, mogen slechts ingehouden worden gedurende de voor de verificatie van de identiteit noodzakelijke tijd en moeten daarna onmiddellijk aan de betrokkene worden teruggegeven. Indien de persoon weigert of in de onmogelijkheid verkeert het bewijs te leveren van zijn identiteit, alsook indien zijn identiteit twijfelachtig is, mag hij worden opgehouden om ter beschikking te worden gesteld van een politieambtenaar. De vrijheidsbeneming door het personeelslid van Defensie mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die haar rechtvaardigen.
4° overgaan tot de controle van het schip en zijn inhoud.
5° de voorwerpen en dieren die een ernstig gevaar betekenen voor het leven en de lichamelijke integriteit van personen of de integriteit van plaatsen of materieel waarvoor het personeelslid van Defensie de controle van het schip en zijn inhoud overeenkomstig het toepasselijk internationale recht verricht, aan hun eigenaar, bezitter of houder onttrekken. Deze bestuurlijke inbeslagneming geschiedt overeenkomstig de richtlijnen en onder de verantwoordelijkheid van het personeelslid van Defensie met de hoogste graad. Deze voorwerpen en dieren worden ter beschikking gesteld van een politieambtenaar, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
6° als de toegang aan boord geweigerd werd of feitelijk onmogelijk bleek te zijn, kan de commandant van het Belgisch oorlogsschip het bevel geven tot koerswijziging van het verdachte schip, dat met voldoende redenen van een wetsovertreding wordt verdacht, naar een geschikte haven, in overeenstemming met het internationaal recht. Deze koerswijziging gebeurt op kosten en op risico van de personen die het bevel hebben van het schip dat zijn koers moet wijzigen.
Tijdens de doorvaart die volgt op de beslissing tot koerswijziging, kan de commandant de nodige en passende dwangmaatregelen nemen met het oog op het vrijwaren van het schip en zijn lading en van de veiligheid van de opvarenden.
7° overgaan tot de veiligheidsfouillering van personen in de volgende gevallen :
a. wanneer er, op grond van de gedragingen van deze persoon of de omstandigheden, redelijke gronden zijn om te denken dat een persoon een wapen of enig gevaarlijk voorwerp zou kunnen dragen;
b. wanneer een persoon opgehouden wordt in de gevallen bepaald in 1° en 2;
De veiligheidsfouillering mag enkel bevolen worden door de ter plaatse zijnde verantwoordelijke chef, lid van Defensie.
De veiligheidsfouillering gebeurt door het betasten van het lichaam en de kleding van de gefouilleerde persoon. Zij mag niet langer duren dan de daartoe redelijke en noodzakelijke tijd.
De fouillering wordt uitgevoerd door een militair van hetzelfde geslacht als de gefouilleerde, behalve wanneer er voldoende redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat het onmogelijk is omwille van een ernstig en nakend gevaar.
8° een opgehouden persoon boeien, rekening houdend met :
- het gedrag van de betrokkene bij of tijdens zijn aanhouding;
- het gevaar dat betrokkene voor zichzelf, voor het personeel van Defensie of derden vormt, alsook voor de uitvoering van de opdracht.
9° geweld gebruiken onder de voorwaarden van artikel 37 van de wet op het politieambt en, in voorkomend geval, gebruikmaken van vuurwapens onder de voorwaarden vermeld in artikel 38, 1ste lid,1° en 3°, van dezelfde wet.
[1 10° het, in overeenstemming met het internationale recht, afleiden van schepen, die de openbare veiligheid bedreigen of waarvan gegronde vermoedens bestaan dat het schip betrokken is bij spionage of sabotage naar een Belgische haven.]1
Art. 4.2.4.7. Compétences du personnel de la Défense
Dans les zones maritimes belges, conformément au droit international et sans préjudice des compétences des services de police et d'autres autorités, le personnel de la Défense peut exercer les compétences suivantes :
1° retenir des personnes qui ne se soumettent pas aux mesures de sécurisation lors de la visite d'un navire tel qu'autorisé par le droit international. Dans ce cas, les services de police compétents sont immédiatement informés du fait qu'une personne est retenue. La personne retenue est remise, le plus rapidement possible, à un fonctionnaire de police.
La privation de liberté effectuée par le peronnel de la Défense ne peut jamais durer plus longtemps que le temps requis par les circonstances qui la justifient.
2° retenir une personne conformément à l'article 1er, 3°, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive. La personne retenue est remise, le plus rapidement possible, à un fonctionnaire de police. La privation de liberté effectuée par les membres des Forces armées ne peut jamais durer plus longtemps que le temps requis par les circonstances qui la justifient.
3° contrôler l'identité de personnes dans les cas et aux conditions prévus aux 1° et 2°. Les pièces d'identité qui sont remises au peronnel de la Défense ne peuvent être retenues que pendant le temps nécessaire à la vérification de l'identité et doivent ensuite être immédiatement remises à l'intéressé. Si la personne refuse ou est dans l'impossibilité de faire la preuve de son identité, de même que si son identité est douteuse, elle peut être retenue pour être mise à disposition d'un fonctionnaire de police. La privation de liberté effectuée par le peronnel de la Défense ne peut jamais durer plus longtemps que le temps requis par les circonstances qui la justifient.
4° procéder au contrôle du navire et de son contenu.
5° soustraire à leur propriétaire, possesseur ou détenteur des objets et animaux présentant un danger grave pour la vie et l'intégrité physique de personnes ou l'intégrité des lieux ou du matériel pour lesquels le membre des Forces armées effectue le contrôle du navire et de son contenu conformément au droit international applicable. Cette saisie administrative s'effectue conformément aux instructions et sous la responsabilité du personnes de la Défense le plus haut gradé. Ces objets et animaux sont mis à disposition d'un fonctionnaire de police conformément à l'article 30 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
6° lorsque l'accès à bord a été refusé ou s'est trouvé matériellement impossible, le commandant du navire des forces armées peut ordonner le déroutement du navire suspecté, avec des motifs suffisants d'une infraction à la loi vers le port approprié, en accord avec le droit international. Ce déroutement se réalise aux frais et risques des personnes qui ont la maîtrise du navire dérouté.
Pendant le transit consécutif à la décision de déroutement, le commandant peut prendre les mesures de coercition nécessaires et adaptées en vue d'assurer la préservation du navire et de sa cargaison et la sécurité des personnes se trouvant à bord.
7° procéder à une fouille de sécurité de personnes dans les cas suivants :
a. lorsque, en fonction du comportement de cette personne ou des circonstances, il y a des motifs raisonnables de croire qu'une personne porte une arme ou un objet dangereux;
b. lorsqu'une personne fait l'objet d'une rétention dans les cas visés aux 1° et 2°.
La fouille de sécurité ne peut être ordonnée que par le chef responsable, sur place, membre de la Défense.
La fouille de sécurité s'effectue par la palpation du corps et des vêtements de la personne fouillée. Elle ne peut durer plus longtemps que le temps raisonnable et nécessaire à cette fin.
La fouille est effectuée par un militaire du même sexe que la personne fouillée, sauf lorsqu'il y a suffisamment de raisons pour admettre que cela est impossible à cause d'un danger grave et imminent.
8° menotter une personne retenue, compte tenu :
- du comportement de l'intéressé au moment de ou pendant sa rétention;
- du danger que l'intéressé représente pour lui-même, pour le personnel de la Défense ou pour des tiers, ainsi que pour l'exécution de la mission.
9° recourir à la force aux conditions de l'article 37 de la loi sur la fonction de police et, le cas échéant, faire usage d'armes à feu aux conditions mentionnées à l'article 38, al.1er, 1° et 3°, de la même loi.
[1 10° détourner vers un port belge, conformément au droit international, des navires qui menacent la sûreté publique ou dont on a de bonnes raisons de soupçonner que le navire est impliqué dans de l'espionnage ou du sabotage.]1
Dans les zones maritimes belges, conformément au droit international et sans préjudice des compétences des services de police et d'autres autorités, le personnel de la Défense peut exercer les compétences suivantes :
1° retenir des personnes qui ne se soumettent pas aux mesures de sécurisation lors de la visite d'un navire tel qu'autorisé par le droit international. Dans ce cas, les services de police compétents sont immédiatement informés du fait qu'une personne est retenue. La personne retenue est remise, le plus rapidement possible, à un fonctionnaire de police.
La privation de liberté effectuée par le peronnel de la Défense ne peut jamais durer plus longtemps que le temps requis par les circonstances qui la justifient.
2° retenir une personne conformément à l'article 1er, 3°, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive. La personne retenue est remise, le plus rapidement possible, à un fonctionnaire de police. La privation de liberté effectuée par les membres des Forces armées ne peut jamais durer plus longtemps que le temps requis par les circonstances qui la justifient.
3° contrôler l'identité de personnes dans les cas et aux conditions prévus aux 1° et 2°. Les pièces d'identité qui sont remises au peronnel de la Défense ne peuvent être retenues que pendant le temps nécessaire à la vérification de l'identité et doivent ensuite être immédiatement remises à l'intéressé. Si la personne refuse ou est dans l'impossibilité de faire la preuve de son identité, de même que si son identité est douteuse, elle peut être retenue pour être mise à disposition d'un fonctionnaire de police. La privation de liberté effectuée par le peronnel de la Défense ne peut jamais durer plus longtemps que le temps requis par les circonstances qui la justifient.
4° procéder au contrôle du navire et de son contenu.
5° soustraire à leur propriétaire, possesseur ou détenteur des objets et animaux présentant un danger grave pour la vie et l'intégrité physique de personnes ou l'intégrité des lieux ou du matériel pour lesquels le membre des Forces armées effectue le contrôle du navire et de son contenu conformément au droit international applicable. Cette saisie administrative s'effectue conformément aux instructions et sous la responsabilité du personnes de la Défense le plus haut gradé. Ces objets et animaux sont mis à disposition d'un fonctionnaire de police conformément à l'article 30 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
6° lorsque l'accès à bord a été refusé ou s'est trouvé matériellement impossible, le commandant du navire des forces armées peut ordonner le déroutement du navire suspecté, avec des motifs suffisants d'une infraction à la loi vers le port approprié, en accord avec le droit international. Ce déroutement se réalise aux frais et risques des personnes qui ont la maîtrise du navire dérouté.
Pendant le transit consécutif à la décision de déroutement, le commandant peut prendre les mesures de coercition nécessaires et adaptées en vue d'assurer la préservation du navire et de sa cargaison et la sécurité des personnes se trouvant à bord.
7° procéder à une fouille de sécurité de personnes dans les cas suivants :
a. lorsque, en fonction du comportement de cette personne ou des circonstances, il y a des motifs raisonnables de croire qu'une personne porte une arme ou un objet dangereux;
b. lorsqu'une personne fait l'objet d'une rétention dans les cas visés aux 1° et 2°.
La fouille de sécurité ne peut être ordonnée que par le chef responsable, sur place, membre de la Défense.
La fouille de sécurité s'effectue par la palpation du corps et des vêtements de la personne fouillée. Elle ne peut durer plus longtemps que le temps raisonnable et nécessaire à cette fin.
La fouille est effectuée par un militaire du même sexe que la personne fouillée, sauf lorsqu'il y a suffisamment de raisons pour admettre que cela est impossible à cause d'un danger grave et imminent.
8° menotter une personne retenue, compte tenu :
- du comportement de l'intéressé au moment de ou pendant sa rétention;
- du danger que l'intéressé représente pour lui-même, pour le personnel de la Défense ou pour des tiers, ainsi que pour l'exécution de la mission.
9° recourir à la force aux conditions de l'article 37 de la loi sur la fonction de police et, le cas échéant, faire usage d'armes à feu aux conditions mentionnées à l'article 38, al.1er, 1° et 3°, de la même loi.
[1 10° détourner vers un port belge, conformément au droit international, des navires qui menacent la sûreté publique ou dont on a de bonnes raisons de soupçonner que le navire est impliqué dans de l'espionnage ou du sabotage.]1
Wijzigingen
Art. 4.2.4.8. Opleiding van het personeel van Defensie
De personeelsleden van Defensie belast met de uitvoering van de in dit wetboek bedoelde opdrachten moeten een vorming volgen die aan het specifieke karakter van dergelijke opdrachten is aangepast.
De personeelsleden van Defensie belast met de uitvoering van de in dit wetboek bedoelde opdrachten moeten een vorming volgen die aan het specifieke karakter van dergelijke opdrachten is aangepast.
Art. 4.2.4.8. Formation du personnel de la Défense
Les membres du personnel de la Défense chargés de l'exécution des missions visées dans ce code doivent suivre une formation adaptée au caractère spécifique de missions de ce type.
Les membres du personnel de la Défense chargés de l'exécution des missions visées dans ce code doivent suivre une formation adaptée au caractère spécifique de missions de ce type.
Art. 4.2.4.9. [1 Bevoegdheden van de dienst Marien Milieu
§ 1. De door de Koning aangeduide personeelsleden van de dienst Marien Milieu van het directoraat-generaal Leefmilieu van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, oefenen het toezicht uit op de naleving van:
1° artikel 2.5.3.4;
2° artikelen 2.7.6.1 tot en met 2.7.6.14;
3° de wet van 11 december 2022 betreffende de bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden en haar uitvoeringsbesluiten;
[2 4° de wet van 25 mei 2024 betreffende de bescherming van mens en milieu bij de prospectie, exploratie en exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht]2
De in het eerste lid bedoelde personeelsleden zijn belast met het opsporen en vaststellen van inbreuken op de bepalingen bedoeld in het eerste lid.
§ 2. De artikelen 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° en 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 en 4.2.1.20 zijn van toepassing op de in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden.
§ 3. Een proces-verbaal opgesteld door de in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden moet voldoen aan de artikelen 4.2.1.22 tot en met 4.2.1.26.]1
§ 1. De door de Koning aangeduide personeelsleden van de dienst Marien Milieu van het directoraat-generaal Leefmilieu van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, oefenen het toezicht uit op de naleving van:
1° artikel 2.5.3.4;
2° artikelen 2.7.6.1 tot en met 2.7.6.14;
3° de wet van 11 december 2022 betreffende de bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden en haar uitvoeringsbesluiten;
[2 4° de wet van 25 mei 2024 betreffende de bescherming van mens en milieu bij de prospectie, exploratie en exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht]2
De in het eerste lid bedoelde personeelsleden zijn belast met het opsporen en vaststellen van inbreuken op de bepalingen bedoeld in het eerste lid.
§ 2. De artikelen 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° en 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 en 4.2.1.20 zijn van toepassing op de in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden.
§ 3. Een proces-verbaal opgesteld door de in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden moet voldoen aan de artikelen 4.2.1.22 tot en met 4.2.1.26.]1
Art. 4.2.4.9. [1 Compétences du service Milieu Marin
§ 1er. Les membres du personnel du service Milieu Marin de la Direction générale Environnement du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, désignés par le Roi, exercent la surveillance du respect de:
1° l'article 2.5.3.4;
2° les articles 2.7.6.1 à 2.7.6.14;
3° la loi du 11 décembre 2022 relative à la protection du milieu marin et à l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges et ses arrêtés d'exécution;
[2 4° la loi du 25 mai 2024 relative à la protection des êtres humaines et de l'environnement lors de la prospection, de l'exploration et de l'exploitation des ressources marines, des fonds marins et du sous-sol au-delà des limites de la juridiction nationale.]2
Les membres du personnel, visés au premier alinéa, sont chargés de rechercher et de constater les infractions aux dispositions visées au premier alinéa.
§ 2. Les articles 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° et 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 et 4.2.1.20 s'appliquent aux membres du personnel désignés au paragraphe 1er.
§ 3. Un procès-verbal, rédigé par les membres du personnel désignés au paragraphe 1er, doit se conformer aux articles 4.2.1.22 à 4.2.1.26.]1
§ 1er. Les membres du personnel du service Milieu Marin de la Direction générale Environnement du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, désignés par le Roi, exercent la surveillance du respect de:
1° l'article 2.5.3.4;
2° les articles 2.7.6.1 à 2.7.6.14;
3° la loi du 11 décembre 2022 relative à la protection du milieu marin et à l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges et ses arrêtés d'exécution;
[2 4° la loi du 25 mai 2024 relative à la protection des êtres humaines et de l'environnement lors de la prospection, de l'exploration et de l'exploitation des ressources marines, des fonds marins et du sous-sol au-delà des limites de la juridiction nationale.]2
Les membres du personnel, visés au premier alinéa, sont chargés de rechercher et de constater les infractions aux dispositions visées au premier alinéa.
§ 2. Les articles 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° et 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 et 4.2.1.20 s'appliquent aux membres du personnel désignés au paragraphe 1er.
§ 3. Un procès-verbal, rédigé par les membres du personnel désignés au paragraphe 1er, doit se conformer aux articles 4.2.1.22 à 4.2.1.26.]1
Art. 4.2.4.10. [1 Bevoegdheden van de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee
§ 1. De door de Koning aangeduide personeelsleden van de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee, oefenen het toezicht uit op de naleving van:
1° het artikel 2.5.1.2 en zijn uitvoeringsbesluiten;
2° het artikel 2.5.3.4;
3° de artikelen 2.7.6.1 tot en met 2.7.6.14 en hun uitvoeringsbesluiten;
4° de wet van 23 april 2021 tot implementatie van het UNESCO-verdrag van 2 november 2001 ter bescherming van het cultureel erfgoed onder water en de bescherming van waardevolle wrakken en haar uitvoeringsbesluiten;
5° de wet van 11 december 2022 betreffende de bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden en haar uitvoeringsbesluiten;
6° de artikelen 2.5.2.63 tot en met 2.5.2.68 en hun uitvoeringsbesluiten;
[2 7° de wet van 25 mei 2024 betreffende de bescherming van mens en milieu bij de prospectie, exploratie en exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht.]2
De in het eerste lid bedoelde personeelsleden zijn belast met het opsporen en vaststellen van inbreuken op de bepalingen bedoeld in het eerste lid.
De in het eerste lid bedoelde personeelsleden zijn eveneens belast met de opsporing van de overtredingen van het MARPOL-Verdrag die aan de Belgische overheden is toevertrouwd krachtens internationale overeenkomsten betreffende het toezicht vanuit de lucht op zeeverontreiniging.
§ 2. De artikelen 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° en 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 en 4.2.1.20 zijn van toepassing op de in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden.
§ 3. Een proces-verbaal opgesteld door de in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden moet voldoen aan de artikelen 4.2.1.22 tot en met 4.2.1.26.]1
§ 1. De door de Koning aangeduide personeelsleden van de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee, oefenen het toezicht uit op de naleving van:
1° het artikel 2.5.1.2 en zijn uitvoeringsbesluiten;
2° het artikel 2.5.3.4;
3° de artikelen 2.7.6.1 tot en met 2.7.6.14 en hun uitvoeringsbesluiten;
4° de wet van 23 april 2021 tot implementatie van het UNESCO-verdrag van 2 november 2001 ter bescherming van het cultureel erfgoed onder water en de bescherming van waardevolle wrakken en haar uitvoeringsbesluiten;
5° de wet van 11 december 2022 betreffende de bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden en haar uitvoeringsbesluiten;
6° de artikelen 2.5.2.63 tot en met 2.5.2.68 en hun uitvoeringsbesluiten;
[2 7° de wet van 25 mei 2024 betreffende de bescherming van mens en milieu bij de prospectie, exploratie en exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht.]2
De in het eerste lid bedoelde personeelsleden zijn belast met het opsporen en vaststellen van inbreuken op de bepalingen bedoeld in het eerste lid.
De in het eerste lid bedoelde personeelsleden zijn eveneens belast met de opsporing van de overtredingen van het MARPOL-Verdrag die aan de Belgische overheden is toevertrouwd krachtens internationale overeenkomsten betreffende het toezicht vanuit de lucht op zeeverontreiniging.
§ 2. De artikelen 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° en 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 en 4.2.1.20 zijn van toepassing op de in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden.
§ 3. Een proces-verbaal opgesteld door de in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden moet voldoen aan de artikelen 4.2.1.22 tot en met 4.2.1.26.]1
Art. 4.2.4.10. [1 Compétences de l'Unité de Gestion du modèle mathématique de la mer du Nord
§ 1er. Les membres du personnel de l'Unité de Gestion du modèle mathématique de la mer du Nord désignés par le Roi, exercent la surveillance du respect de:
1° l'article 2.5.1.2 et ses arrêtés d'exécution;
2° l'article 2.5.3.4;
3° les articles 2.7.6.1 à 2.7.6.14 et leurs arrêtés d'exécution;
4° la loi du 23 avril 2021 relative à la mise en oeuvre de la convention de l'UNESCO du 2 novembre 2001 sur la protection du patrimoine culturel subaquatique et la protection d'épaves de valeur et ses arrêtés d'exécution;
5° la loi du 11 décembre 2022 relative à la protection du milieu marin et à l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges et ses arrêtés d'exécution;
6° les articles 2.5.2.63 à 2.5.2.68 et leurs arrêtés d'exécution;
[2 7° la loi du 25 mai 2024 relative à la protection des êtres humaines et de l'environnement lors de la prospection, de l'exploration et de l'exploitation des ressources marines, des fonds marins et du sous-sol au-delà des limites de la juridiction nationale.]2
Les membres du personnel, visés à l'alinéa 1er, sont chargés de rechercher et de constater les infractions aux dispositions visées à l'alinéa 1er.
Les membres du personnel, visés à l'alinéa 1er, sont également chargés de la recherche des infractions à la Convention MARPOL qui sont confiées aux autorités belges en vertu des accords internationaux relatifs à la surveillance aérienne de la pollution marine.
§ 2. Les articles 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° et 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 et 4.2.1.20 s'appliquent aux membres du personnel désignés au paragraphe 1er.
§ 3. Un procès-verbal rédigé par les membres du personnel, désignés au paragraphe 1er, doit se conformer aux articles 4.2.1.22 à 4.2.1.26.]1
§ 1er. Les membres du personnel de l'Unité de Gestion du modèle mathématique de la mer du Nord désignés par le Roi, exercent la surveillance du respect de:
1° l'article 2.5.1.2 et ses arrêtés d'exécution;
2° l'article 2.5.3.4;
3° les articles 2.7.6.1 à 2.7.6.14 et leurs arrêtés d'exécution;
4° la loi du 23 avril 2021 relative à la mise en oeuvre de la convention de l'UNESCO du 2 novembre 2001 sur la protection du patrimoine culturel subaquatique et la protection d'épaves de valeur et ses arrêtés d'exécution;
5° la loi du 11 décembre 2022 relative à la protection du milieu marin et à l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges et ses arrêtés d'exécution;
6° les articles 2.5.2.63 à 2.5.2.68 et leurs arrêtés d'exécution;
[2 7° la loi du 25 mai 2024 relative à la protection des êtres humaines et de l'environnement lors de la prospection, de l'exploration et de l'exploitation des ressources marines, des fonds marins et du sous-sol au-delà des limites de la juridiction nationale.]2
Les membres du personnel, visés à l'alinéa 1er, sont chargés de rechercher et de constater les infractions aux dispositions visées à l'alinéa 1er.
Les membres du personnel, visés à l'alinéa 1er, sont également chargés de la recherche des infractions à la Convention MARPOL qui sont confiées aux autorités belges en vertu des accords internationaux relatifs à la surveillance aérienne de la pollution marine.
§ 2. Les articles 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° et 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 et 4.2.1.20 s'appliquent aux membres du personnel désignés au paragraphe 1er.
§ 3. Un procès-verbal rédigé par les membres du personnel, désignés au paragraphe 1er, doit se conformer aux articles 4.2.1.22 à 4.2.1.26.]1
Art. 4.2.4.11. [1 Bevoegdheden van de dienst Continentaal Plat
§ 1. De door de Koning aangeduide personeelsleden van de dienst Continentaal Plat van Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, oefenen het toezicht uit op de naleving van de wet van 11 december 2022 betreffende de bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden en haar uitvoeringsbesluiten [2 en van de wet van 25 mei 2024 betreffende de bescherming van mens en milieu bij de prospectie, exploratie en exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht]2.
De in het eerste lid bedoelde personeelsleden zijn belast met het opsporen en vaststellen van inbreuken op de bepalingen bedoeld in het eerste lid.
§ 2. De artikelen 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° en 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 en 4.2.1.20 zijn van toepassing op de in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden.
§ 3. Een proces-verbaal opgesteld door een in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden moet voldoen aan de artikelen 4.2.1.22 tot en met 4.2.1.26.]1
§ 1. De door de Koning aangeduide personeelsleden van de dienst Continentaal Plat van Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, oefenen het toezicht uit op de naleving van de wet van 11 december 2022 betreffende de bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden en haar uitvoeringsbesluiten [2 en van de wet van 25 mei 2024 betreffende de bescherming van mens en milieu bij de prospectie, exploratie en exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht]2.
De in het eerste lid bedoelde personeelsleden zijn belast met het opsporen en vaststellen van inbreuken op de bepalingen bedoeld in het eerste lid.
§ 2. De artikelen 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° en 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 en 4.2.1.20 zijn van toepassing op de in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden.
§ 3. Een proces-verbaal opgesteld door een in paragraaf 1 aangeduide personeelsleden moet voldoen aan de artikelen 4.2.1.22 tot en met 4.2.1.26.]1
Art. 4.2.4.11. [1 Compétences du service Plateau continental
§ 1er. Les membres du personnel du service Plateau continental du Service public fédéral Economie, PME, Classes moyennes et Energie, désignés par le Roi, exercent la surveillance du respect de la loi du 11 décembre 2022 relative à la protection du milieu marin et à l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges et ses arrêtés d'exécution [2 et de la loi du 25 mai 2024 relative à la protection des êtres humains et de l'environnement lors de la prospection, de l'exploration et de l'exploitation des ressources des fonds marins et du sous-sol au-delà des limites de la juridiction nationale]2.
Les membres du personnel, visés au premier alinéa, sont chargés de rechercher et de constater les infractions aux dispositions, visées au premier alinéa.
§ 2. Les articles 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° et 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 et 4.2.1.20 s'appliquent aux membres du personnel, désignés au paragraphe 1er.
§ 3. Un procès-verbal rédigé par un membre du personnel, désigné au paragraphe 1er, doit se conformer aux articles 4.2.1.22 à 4.2.1.26.]1
§ 1er. Les membres du personnel du service Plateau continental du Service public fédéral Economie, PME, Classes moyennes et Energie, désignés par le Roi, exercent la surveillance du respect de la loi du 11 décembre 2022 relative à la protection du milieu marin et à l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges et ses arrêtés d'exécution [2 et de la loi du 25 mai 2024 relative à la protection des êtres humains et de l'environnement lors de la prospection, de l'exploration et de l'exploitation des ressources des fonds marins et du sous-sol au-delà des limites de la juridiction nationale]2.
Les membres du personnel, visés au premier alinéa, sont chargés de rechercher et de constater les infractions aux dispositions, visées au premier alinéa.
§ 2. Les articles 4.2.1.2, § 2, 1°, 2°, 3° et 5°, 4.2.1.3, 4.2.1.4, 4.2.1.5, 4.2.1.6, 4.2.1.7, 4.2.1.8, 4.2.1.9, 4.2.1.10, 4.2.1.12, 4.2.1.13, 4.2.1.14, 4.2.1.15, 4.2.1.16, 4.2.1.17, 4.2.1.18, 4.2.1.19 et 4.2.1.20 s'appliquent aux membres du personnel, désignés au paragraphe 1er.
§ 3. Un procès-verbal rédigé par un membre du personnel, désigné au paragraphe 1er, doit se conformer aux articles 4.2.1.22 à 4.2.1.26.]1
Titel 3. - Vervolging van inbreuken
TITRE 3. - Poursuites des infractions
HOOFDSTUK 1. - Beslissing tot vervolging
CHAPITRE 1er. - Décision de poursuivre
Art. 4.3.1.1. Mogelijke vervolgingen
§ 1. Onverminderd de rechten van de burgerlijke partij, kunnen de inbreuken die overeenkomstig titel 1 worden bestraft met een sanctie van niveau 2, 3, 4, 5, 6 of 7 op initiatief van het Openbaar Ministerie aanleiding geven tot strafvervolging voor de correctionele rechtbank, of, naargelang het geval, voor het hof van assisen, tot een minnelijke schikking of tot een bemiddeling in strafzaken bedoeld bij artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering.
§ 2. De inbreuken die overeenkomstig titel 1 worden bestraft met een sanctie van niveau 1 kunnen op initiatief van de sanctionerende overheid aanleiding geven tot een administratieve geldboete, een schuldigverklaring of een klassering zonder gevolg.
Onverminderd bijzondere wettelijke bepalingen, stellen de Scheepvaartpolitie, het MIK, elke overheid, iedere openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een inbreuk die overeenkomstig titel 1 wordt bestraft met een sanctie, de sanctionerende overheid daar binnen een termijn van 14 dagen van in kennis. Een exemplaar van het proces-verbaal waarin de inbreuk is vastgesteld wordt aan de sanctionerende overheid toegezonden.
§ 1. Onverminderd de rechten van de burgerlijke partij, kunnen de inbreuken die overeenkomstig titel 1 worden bestraft met een sanctie van niveau 2, 3, 4, 5, 6 of 7 op initiatief van het Openbaar Ministerie aanleiding geven tot strafvervolging voor de correctionele rechtbank, of, naargelang het geval, voor het hof van assisen, tot een minnelijke schikking of tot een bemiddeling in strafzaken bedoeld bij artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering.
§ 2. De inbreuken die overeenkomstig titel 1 worden bestraft met een sanctie van niveau 1 kunnen op initiatief van de sanctionerende overheid aanleiding geven tot een administratieve geldboete, een schuldigverklaring of een klassering zonder gevolg.
Onverminderd bijzondere wettelijke bepalingen, stellen de Scheepvaartpolitie, het MIK, elke overheid, iedere openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een inbreuk die overeenkomstig titel 1 wordt bestraft met een sanctie, de sanctionerende overheid daar binnen een termijn van 14 dagen van in kennis. Een exemplaar van het proces-verbaal waarin de inbreuk is vastgesteld wordt aan de sanctionerende overheid toegezonden.
Art. 4.3.1.1. Poursuites éventuelles
§ 1. Sans préjudice des droits de la partie civile, les infractions punies d'une sanction de niveau 2, 3, 4 5, 6 of 7 conformément au titre 1er peuvent donner lieu, à l'initiative du Ministère public, à une poursuite pénale devant le tribunal correctionnel, ou, selon le cas, devant la cour d'assises, à une extinction de l'action publique moyennant le paiement d'une somme d'argent ou à une médiation pénale visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle.
§ 2. Les infractions qui, conformément au titre 1er, sont punies d'une sanction de niveau 1 peuvent donner lieu, à l'initiative de l'autorité de sanction, à une amende administrative, à une déclaration de culpabilité ou à un classement sans suite.
Sans préjudice de dispositions légales particulières, la Police de la navigation, le MIK, toute autorité, tout officier public ou fonctionnaire qui a connaissance, dans l'exercice de ses fonctions, d'une infraction punie conformément au titre 1er d'une sanction en informe l'autorité de sanction dans un délai de 14 jours. Un exemplaire du procès-verbal où l'infraction a été constatée est envoyé à l'autorité de sanction.
§ 1. Sans préjudice des droits de la partie civile, les infractions punies d'une sanction de niveau 2, 3, 4 5, 6 of 7 conformément au titre 1er peuvent donner lieu, à l'initiative du Ministère public, à une poursuite pénale devant le tribunal correctionnel, ou, selon le cas, devant la cour d'assises, à une extinction de l'action publique moyennant le paiement d'une somme d'argent ou à une médiation pénale visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle.
§ 2. Les infractions qui, conformément au titre 1er, sont punies d'une sanction de niveau 1 peuvent donner lieu, à l'initiative de l'autorité de sanction, à une amende administrative, à une déclaration de culpabilité ou à un classement sans suite.
Sans préjudice de dispositions légales particulières, la Police de la navigation, le MIK, toute autorité, tout officier public ou fonctionnaire qui a connaissance, dans l'exercice de ses fonctions, d'une infraction punie conformément au titre 1er d'une sanction en informe l'autorité de sanction dans un délai de 14 jours. Un exemplaire du procès-verbal où l'infraction a été constatée est envoyé à l'autorité de sanction.
Art. 4.3.1.2. Bevoegdheid tot het opleggen van een administratieve geldboete
De sanctionerende overheid die gemachtigd is om administratieve geldboeten op te leggen is de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.
De sanctionerende overheid die gemachtigd is om administratieve geldboeten op te leggen is de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.
Art. 4.3.1.2. Compétence d'imposer une amende administrative
L'autorité de sanction habilitée à infliger les amendes administratives est l'autorité désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation.
L'autorité de sanction habilitée à infliger les amendes administratives est l'autorité désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation.
Art. 4.3.1.3. Onderlinge verhouding tussen vervolgingen
De toepassing van een administratieve geldboete wordt geregeld door de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.
De toepassing van een administratieve geldboete wordt geregeld door de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.
Art. 4.3.1.3. Relation entre les poursuites
L'application d'une amende administrative est régie par la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation
L'application d'une amende administrative est régie par la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation
Art. 4.3.1.4. [1 Fonds betreffende de maritieme en mariene handhaving
Dertig percent van het bedrag van alle strafrechtelijke en administratieve geldboetes, of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering of een administratieve minnelijke schikking bedoeld in artikel 14/4 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten opgelegd voor inbreuken op dit wetboek of de scheepvaartwetten zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten wordt gestort in het Fonds betreffende de maritieme en mariene handhaving, opgericht door artikel 25 van de wet van 13 oktober 2022 tot wijziging van het Belgisch Scheepvaartwetboek betreffende de maritieme beveiliging.
In afwijking van het eerste lid wordt de dertig procent van de strafrechtelijke en administratieve geldboetes, of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering of een administratieve minnelijke schikking bedoeld in artikel 14/4 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, opgelegd voor overtredingen van de hoofdstuk 3 van titel 5 van boek 2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek en zijn uitvoeringsbesluiten, voor overtredingen van de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee en voor overtredingen van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, gestort in het Fonds Leefmilieu.
Bij samenloop tussen inbreuken bedoeld in het eerste en tweede lid, en in afwijking van artikel 4.1.2.49, § 5, artikel 57 van de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee, en artikel 57 van de wet 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, wordt de dertig procent gestort in het Fonds betreffende de maritieme en mariene handhaving.]1
Dertig percent van het bedrag van alle strafrechtelijke en administratieve geldboetes, of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering of een administratieve minnelijke schikking bedoeld in artikel 14/4 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten opgelegd voor inbreuken op dit wetboek of de scheepvaartwetten zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten wordt gestort in het Fonds betreffende de maritieme en mariene handhaving, opgericht door artikel 25 van de wet van 13 oktober 2022 tot wijziging van het Belgisch Scheepvaartwetboek betreffende de maritieme beveiliging.
In afwijking van het eerste lid wordt de dertig procent van de strafrechtelijke en administratieve geldboetes, of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering of een administratieve minnelijke schikking bedoeld in artikel 14/4 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, opgelegd voor overtredingen van de hoofdstuk 3 van titel 5 van boek 2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek en zijn uitvoeringsbesluiten, voor overtredingen van de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee en voor overtredingen van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, gestort in het Fonds Leefmilieu.
Bij samenloop tussen inbreuken bedoeld in het eerste en tweede lid, en in afwijking van artikel 4.1.2.49, § 5, artikel 57 van de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee, en artikel 57 van de wet 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, wordt de dertig procent gestort in het Fonds betreffende de maritieme en mariene handhaving.]1
Art.4.3.1.4. [1 Fonds concernant l'application maritime et marine
Trente pour cent du montant de toutes les amendes pénales et administratives, ou d'une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou d'une transaction administrative visée à l'article 14/4 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation imposées pour les infractions au présent code ou aux lois sur la navigation telles que visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation sont versés au Fonds concernant l'application maritime et marine, créé par l'article 25 de la loi du 13 octobre 2022 modifiant le Code belge de la Navigation concernant la sûreté maritime.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les trente pour cent des amendes pénales et administratives, ou d'une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou d'une transaction administrative visée à l'article 14/4 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, imposées pour les infractions au chapitre 3 du titre 5 du Livre 2 du Code belge de la Navigation et ses arrêtés d'exécution, pour les infractions à la loi du 22 avril 1999 concernant la zone économique exclusive de la Belgique en mer du Nord et pour les infractions à la loi du 20 janvier 1999 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins sous juridiction de la Belgique, sont versés au Fonds Environnement.
En cas de concours entre les infractions visées aux alinéas 1er et 2, et par dérogation à l'article 4.1.2.49, § 5, article 57 de la loi du 22 avril 1999 concernant la zone économique exclusive de la Belgique en mer du Nord, et l'article 57 de la loi du 20 janvier 1999 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins sous juridiction de la Belgique, les trente pour cent sont versés au Fonds concernant l'application maritime et marine.]1
Trente pour cent du montant de toutes les amendes pénales et administratives, ou d'une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou d'une transaction administrative visée à l'article 14/4 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation imposées pour les infractions au présent code ou aux lois sur la navigation telles que visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation sont versés au Fonds concernant l'application maritime et marine, créé par l'article 25 de la loi du 13 octobre 2022 modifiant le Code belge de la Navigation concernant la sûreté maritime.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les trente pour cent des amendes pénales et administratives, ou d'une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou d'une transaction administrative visée à l'article 14/4 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, imposées pour les infractions au chapitre 3 du titre 5 du Livre 2 du Code belge de la Navigation et ses arrêtés d'exécution, pour les infractions à la loi du 22 avril 1999 concernant la zone économique exclusive de la Belgique en mer du Nord et pour les infractions à la loi du 20 janvier 1999 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins sous juridiction de la Belgique, sont versés au Fonds Environnement.
En cas de concours entre les infractions visées aux alinéas 1er et 2, et par dérogation à l'article 4.1.2.49, § 5, article 57 de la loi du 22 avril 1999 concernant la zone économique exclusive de la Belgique en mer du Nord, et l'article 57 de la loi du 20 janvier 1999 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins sous juridiction de la Belgique, les trente pour cent sont versés au Fonds concernant l'application maritime et marine.]1
HOOFDSTUK 2. - Administratieve vervolging
CHAPITRE 2. - Poursuites administratives
Art. 4.3.2.1. Procedure
De administratieve boete zoals bedoeld in artikel 4.1.1.1 wordt opgelegd overeenkomstig de procedure bepaald in de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.
De administratieve boete zoals bedoeld in artikel 4.1.1.1 wordt opgelegd overeenkomstig de procedure bepaald in de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.
Art. 4.3.2.1. Procédure
L'amende administrative, visée à l'article 4.1.1.1. est infligée conformément à la procédure déterminée dans la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation.
L'amende administrative, visée à l'article 4.1.1.1. est infligée conformément à la procédure déterminée dans la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation.
HOOFDSTUK 3. - Bijzondere bepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions particulières
Afdeling 1. - Zeevaartmisdrijven
Section 1ère. - Délits maritimes
Art. 4.3.3.1. Kwalificatie van zeevaartmisdrijven
Feiten waarop dit wetboek correctionele straffen stelt, zijn wanbedrijven.
Feiten waarop dit wetboek criminele straffen stelt, zijn misdaden.
Feiten waarop dit wetboek correctionele straffen stelt, zijn wanbedrijven.
Feiten waarop dit wetboek criminele straffen stelt, zijn misdaden.
Art. 4.3.3.1. Qualification des délits maritimes
Les faits pour lesquels ce code impose des peines correctionnelles sont des délits.
Les faits pour lesquels ce code impose des peines criminelles sont des crimes.
Les faits pour lesquels ce code impose des peines correctionnelles sont des délits.
Les faits pour lesquels ce code impose des peines criminelles sont des crimes.
Art. 4.3.3.2. Internationale bevoegdheid
§ 1. Zeevaartmisdrijven gepleegd aan boord van een Belgisch schip worden geacht te zijn gepleegd op het grondgebied van België.
§ 2. De gezagvoerder of schepeling van een Belgisch schip die zich buiten het grondgebied van België schuldig maakt aan een inbreuk op de artikel en 2.4.5.1 tot 2.4.5.42, kan in België worden vervolgd.
§ 3. De Belg of de vreemdeling die zich buiten het grondgebied van België schuldig maakt aan misdrijven als omschreven in de artikel en 2.4.4.2, 2.4.4.3, 2.4.5.12, § 3, 2.4.5.18, 2.4.5.22, § 2 en 3 en 2.4.5.23, kan eveneens in België worden vervolgd.
§ 4. De in dit artikel bedoelde vervolging kan plaatsvinden zelfs indien de verdachte niet wordt aangetroffen op het grondgebied van België.
§ 1. Zeevaartmisdrijven gepleegd aan boord van een Belgisch schip worden geacht te zijn gepleegd op het grondgebied van België.
§ 2. De gezagvoerder of schepeling van een Belgisch schip die zich buiten het grondgebied van België schuldig maakt aan een inbreuk op de artikel en 2.4.5.1 tot 2.4.5.42, kan in België worden vervolgd.
§ 3. De Belg of de vreemdeling die zich buiten het grondgebied van België schuldig maakt aan misdrijven als omschreven in de artikel en 2.4.4.2, 2.4.4.3, 2.4.5.12, § 3, 2.4.5.18, 2.4.5.22, § 2 en 3 en 2.4.5.23, kan eveneens in België worden vervolgd.
§ 4. De in dit artikel bedoelde vervolging kan plaatsvinden zelfs indien de verdachte niet wordt aangetroffen op het grondgebied van België.
Art. 4.3.3.2. Compétence internationale
§ 1er. Les délits maritimes commis à bord d'un navire belge sont réputés commis sur le territoire de la Belgique.
§ 2. Peut être poursuivi en Belgique le commandant ou homme d'équipage d'un navire belge qui, en dehors du territoire de la Belgique, se rend coupable d'une infractionss aux articles 2.4.5.1 à 2.4.5.42.
§ 3. Peut également être poursuivi en Belgique le Belge ou l'étranger qui, en dehors du territoire belge, se rend coupable des délits de navigation décrits aux articles 2.4.4.2, 2.4.4.3, 2.4.5.12, § 3, 2.4.5.18, 2.4.5.22, § 2 et 3, et 2.4.5.23.
§ 4. Les poursuites visées au présent article peuvent avoir lieu même si l'inculpé n'est pas trouvé sur le territoire de la Belgique.
§ 1er. Les délits maritimes commis à bord d'un navire belge sont réputés commis sur le territoire de la Belgique.
§ 2. Peut être poursuivi en Belgique le commandant ou homme d'équipage d'un navire belge qui, en dehors du territoire de la Belgique, se rend coupable d'une infractionss aux articles 2.4.5.1 à 2.4.5.42.
§ 3. Peut également être poursuivi en Belgique le Belge ou l'étranger qui, en dehors du territoire belge, se rend coupable des délits de navigation décrits aux articles 2.4.4.2, 2.4.4.3, 2.4.5.12, § 3, 2.4.5.18, 2.4.5.22, § 2 et 3, et 2.4.5.23.
§ 4. Les poursuites visées au présent article peuvent avoir lieu même si l'inculpé n'est pas trouvé sur le territoire de la Belgique.
Art. 4.3.3.3. Territoriale bevoegdheid
Gelijkelijk bevoegd zijn de rechter van de plaats van het misdrijf, die van de verblijfplaats van de verdachte of van zijn laatst bekende verblijfplaats, die van de plaats waar de verdachte wordt aangetroffen, alsook die van de thuishaven van het schip.
Bij gebreke van deze staat het misdrijf ter kennisneming van de correctionele rechtbank te Brussel of van het hof van assisen te Brussel.
Gelijkelijk bevoegd zijn de rechter van de plaats van het misdrijf, die van de verblijfplaats van de verdachte of van zijn laatst bekende verblijfplaats, die van de plaats waar de verdachte wordt aangetroffen, alsook die van de thuishaven van het schip.
Bij gebreke van deze staat het misdrijf ter kennisneming van de correctionele rechtbank te Brussel of van het hof van assisen te Brussel.
Art. 4.3.3.3. Compétence territoriale
Sont également compétents le juge du lieu de l'infraction, celui du lieu de la résidence de l'inculpé ou de sa dernière résidence connue, celui du lieu où il aura été trouvé et celui dans le ressort duquel se trouve le port d'attache du navire.
A leur défaut, la connaissance de l'infraction appartiendra au tribunal correctionnel de Bruxelles ou à la cour d'assises de Bruxelles.
Sont également compétents le juge du lieu de l'infraction, celui du lieu de la résidence de l'inculpé ou de sa dernière résidence connue, celui du lieu où il aura été trouvé et celui dans le ressort duquel se trouve le port d'attache du navire.
A leur défaut, la connaissance de l'infraction appartiendra au tribunal correctionnel de Bruxelles ou à la cour d'assises de Bruxelles.
Art. 4.3.3.4. Verjaring
Feiten waarop dit wetboek criminele of correctionele straffen stelt, verjaren door verloop van respectievelijk tien jaar en vijf jaar, te rekenen van de dag van het misdrijf.
Feiten waarop dit wetboek criminele of correctionele straffen stelt, verjaren door verloop van respectievelijk tien jaar en vijf jaar, te rekenen van de dag van het misdrijf.
Art. 4.3.3.4. Prescription
Les faits pour lesquels le présent code impose des peines criminelles ou correctionnelles se prescrivent à l'expiration d'un délai respectif de dix et de cinq ans, à compter du jour de l'infraction.
Les faits pour lesquels le présent code impose des peines criminelles ou correctionnelles se prescrivent à l'expiration d'un délai respectif de dix et de cinq ans, à compter du jour de l'infraction.
Art. 4.3.3.5. Toepassing van Boek I van het Strafwetboek
Voor zover in dit wetboek niet anders is bepaald, zijn alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek op de scheepvaartmisdrijven van toepassing.
Voor zover in dit wetboek niet anders is bepaald, zijn alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek op de scheepvaartmisdrijven van toepassing.
Art. 4.3.3.5. Application du Livre I du Code pénal
Sauf disposition contraire dans le présent code, toutes les dispositions du livre I du Code pénal s'appliquent aux délits de navigations.
Sauf disposition contraire dans le présent code, toutes les dispositions du livre I du Code pénal s'appliquent aux délits de navigations.
Art. 4.3.3.6. Misdrijven gepleegd door de gezagvoerder
De Scheepvaartpolitie en de consul vervolgen ambtshalve of op aangifte de misdrijven gepleegd door een gezagvoerder en handelen overeenkomstig artikel 4.2.3.2, § 6.
De Scheepvaartpolitie en de consul doen de gezagvoerder ontschepen ingeval zulks wegens de ernst van de hem ten laste gelegde feiten vereist is voor de veiligheid van het schip of van de opvarenden. Zij dragen er zorg voor dat hij langs de snelste weg naar een Belgische haven terugkeert en nemen, zoveel mogelijk in overeenstemming met de scheepseigenaar of reder, de nodige maatregelen om hem te vervangen.
De Scheepvaartpolitie en de consul vervolgen ambtshalve of op aangifte de misdrijven gepleegd door een gezagvoerder en handelen overeenkomstig artikel 4.2.3.2, § 6.
De Scheepvaartpolitie en de consul doen de gezagvoerder ontschepen ingeval zulks wegens de ernst van de hem ten laste gelegde feiten vereist is voor de veiligheid van het schip of van de opvarenden. Zij dragen er zorg voor dat hij langs de snelste weg naar een Belgische haven terugkeert en nemen, zoveel mogelijk in overeenstemming met de scheepseigenaar of reder, de nodige maatregelen om hem te vervangen.
Art. 4.3.3.6. Infractions commises par le commandant
La Police de la navigation et le consul poursuivent d'office ou sur dénonciation le infractions commises par un commandant et agissent conformément à l'article 4.2.3.2, § 6.
La Police de la navigation et le consul procèdent au débarquement du commandant si cela s'avère requis pour garantir la sécurité du navire ou des personnes embarquées en raison de la gravité des faits mis à sa charge. Ils font en sorte qu'il retourne le plus rapidement possible vers un port belge et prennent, si possible en concertation avec le propriétaire du navire ou l'armateur, les mesures nécessaires pour pourvoir à son remplacement.
La Police de la navigation et le consul poursuivent d'office ou sur dénonciation le infractions commises par un commandant et agissent conformément à l'article 4.2.3.2, § 6.
La Police de la navigation et le consul procèdent au débarquement du commandant si cela s'avère requis pour garantir la sécurité du navire ou des personnes embarquées en raison de la gravité des faits mis à sa charge. Ils font en sorte qu'il retourne le plus rapidement possible vers un port belge et prennent, si possible en concertation avec le propriétaire du navire ou l'armateur, les mesures nécessaires pour pourvoir à son remplacement.
Art. 4.3.3.7. Tuchtvergrijpen en misdaden
Ingeval het voor de correctionele rechtbank gebrachte feit enkel een vergrijp is tegen de tucht, verwijst de rechter het feit naar de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart.
Is het feit een misdaad, dan gedraagt de rechtbank zich overeenkomstig artikel 193 van het Wetboek van Strafvordering.
Ingeval het voor de correctionele rechtbank gebrachte feit enkel een vergrijp is tegen de tucht, verwijst de rechter het feit naar de Onderzoeksraad voor de Scheepvaart.
Is het feit een misdaad, dan gedraagt de rechtbank zich overeenkomstig artikel 193 van het Wetboek van Strafvordering.
Art. 4.3.3.7. Transgressions disciplinaires et crimes
Si le fait déféré au tribunal correctionnel ne constitue qu'une faute de discipline, le juge transmet le fait au Conseil d'enquête maritime.
Si le fait constitue un crime, le tribunal se conformera à l'article 193 du Code d'instruction criminelle.
Si le fait déféré au tribunal correctionnel ne constitue qu'une faute de discipline, le juge transmet le fait au Conseil d'enquête maritime.
Si le fait constitue un crime, le tribunal se conformera à l'article 193 du Code d'instruction criminelle.
Afdeling 2. - Zee en havens
Section 2. - Mer et ports
Art. 4.3.3.8. Internationale bevoegdheid
§ 1. Overtredingen van het COLREG-Verdrag gepleegd met een Belgisch schip worden geacht te zijn gepleegd op het grondgebied van België.
§ 2. Een persoon die de artikel en 2.5.3.1 tot 2.5.3.11 of 4.2.1.32 tot 4.2.1.42, of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt kan in België worden vervolgd, voor zover het internationaal recht het toelaat, ingeval de overtreding :
1° geheel of gedeeltelijk op het Belgische grondgebied is gepleegd;
2° in de Belgische exclusieve economische zone is gepleegd;
3° aan boord van een Belgisch schip is gepleegd;
4° is gepleegd door een Belg, ingeval het misdrijf volgens het strafrecht van de plaats van het delict een strafbaar feit uitmaakt, of indien die plaats niet onder enige rechtsmacht valt;
5° is gepleegd ten behoeve van een rechtspersoon met maatschappelijke zetel op het Belgische grondgebied;
6° is gepleegd buiten het Belgische grondgebied, maar schade heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken binnen het Belgische grondgebied of de Belgische exclusieve economische zone, en het schip zich vrijwillig in een Belgische haven of offshore-terminal bevindt;
7° is gepleegd op volle zee en het schip zich vrijwillig in een Belgische haven of offshore-terminal bevindt;
8° is gepleegd in een maritieme zone waarover een andere kuststaat jurisdictie bezit, op uitsluitend verzoek van deze laatste of van de vlagstaat.
§ 1. Overtredingen van het COLREG-Verdrag gepleegd met een Belgisch schip worden geacht te zijn gepleegd op het grondgebied van België.
§ 2. Een persoon die de artikel en 2.5.3.1 tot 2.5.3.11 of 4.2.1.32 tot 4.2.1.42, of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt kan in België worden vervolgd, voor zover het internationaal recht het toelaat, ingeval de overtreding :
1° geheel of gedeeltelijk op het Belgische grondgebied is gepleegd;
2° in de Belgische exclusieve economische zone is gepleegd;
3° aan boord van een Belgisch schip is gepleegd;
4° is gepleegd door een Belg, ingeval het misdrijf volgens het strafrecht van de plaats van het delict een strafbaar feit uitmaakt, of indien die plaats niet onder enige rechtsmacht valt;
5° is gepleegd ten behoeve van een rechtspersoon met maatschappelijke zetel op het Belgische grondgebied;
6° is gepleegd buiten het Belgische grondgebied, maar schade heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken binnen het Belgische grondgebied of de Belgische exclusieve economische zone, en het schip zich vrijwillig in een Belgische haven of offshore-terminal bevindt;
7° is gepleegd op volle zee en het schip zich vrijwillig in een Belgische haven of offshore-terminal bevindt;
8° is gepleegd in een maritieme zone waarover een andere kuststaat jurisdictie bezit, op uitsluitend verzoek van deze laatste of van de vlagstaat.
Art. 4.3.3.8. Compétence internationale
§ 1er. Les infractions à la Convention COLREG commises avec un navire belge sont réputées commises sur le territoire de la Belgique.
§ 2. Peut être poursuivie en Belgique, dans la mesure où le droit international l'autorise, toute personne qui enfreint les articles 2.5.3.1 à 2.5.3.11 ou 4.2.1.32 à 4.2.1.42, ou les arrêtés d'exécution y afférents, lorsque l'infraction est commise :
1° en tout ou en partie sur le territoire belge;
2° à l'intérieur de la zone économique exclusive belge;
3° à bord d'un navire belge;
4° par un Belge si l'infraction est punissable pénalement là où elle a été commise ou si le lieu où elle a été commise ne relève d'aucune juridiction;
5° pour le compte d'une personne morale dont le siège social est situé sur le territoire belge;
6° hors du territoire belge, mais qu'elle a entraîné ou risque d'entraîner des dommages sur le territoire belge ou dans la zone économique exclusive belge et que le navire se trouve volontairement dans un port ou à un terminal offshore belge;
7° en haute mer, et que le navire se trouve volontairement dans un port ou à un terminal offshore belge;
8° dans une zone maritime dépendant de la juridiction d'un autre Etat côtier, à la demande exclusive de ce dernier ou de l'Etat du pavillon.
§ 1er. Les infractions à la Convention COLREG commises avec un navire belge sont réputées commises sur le territoire de la Belgique.
§ 2. Peut être poursuivie en Belgique, dans la mesure où le droit international l'autorise, toute personne qui enfreint les articles 2.5.3.1 à 2.5.3.11 ou 4.2.1.32 à 4.2.1.42, ou les arrêtés d'exécution y afférents, lorsque l'infraction est commise :
1° en tout ou en partie sur le territoire belge;
2° à l'intérieur de la zone économique exclusive belge;
3° à bord d'un navire belge;
4° par un Belge si l'infraction est punissable pénalement là où elle a été commise ou si le lieu où elle a été commise ne relève d'aucune juridiction;
5° pour le compte d'une personne morale dont le siège social est situé sur le territoire belge;
6° hors du territoire belge, mais qu'elle a entraîné ou risque d'entraîner des dommages sur le territoire belge ou dans la zone économique exclusive belge et que le navire se trouve volontairement dans un port ou à un terminal offshore belge;
7° en haute mer, et que le navire se trouve volontairement dans un port ou à un terminal offshore belge;
8° dans une zone maritime dépendant de la juridiction d'un autre Etat côtier, à la demande exclusive de ce dernier ou de l'Etat du pavillon.
Art. 4.3.3.9. Territoriale bevoegdheid
Ten aanzien van Belgische schepen is de bevoegde rechtbank die van het arrondissement waarin de thuishaven van het schip is gelegen.
Ten aanzien van vreemde schepen is de bevoegde rechtbank die binnen het rechtsgebied waarvan de aanloop- of vertrekhaven in België is gelegen.
Ten aanzien van vreemde schepen die in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone, varen zonder een Belgische haven aan te doen, is de bevoegde rechtbank die van West-Vlaanderen.
Ten aanzien van Belgische schepen is de bevoegde rechtbank die van het arrondissement waarin de thuishaven van het schip is gelegen.
Ten aanzien van vreemde schepen is de bevoegde rechtbank die binnen het rechtsgebied waarvan de aanloop- of vertrekhaven in België is gelegen.
Ten aanzien van vreemde schepen die in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone, varen zonder een Belgische haven aan te doen, is de bevoegde rechtbank die van West-Vlaanderen.
Art. 4.3.3.9. Compétence territoriale
A l'égard des navires belges, le tribunal compétent est celui de l'arrondissement où se situe le port d'attache du navire.
A l'égard des navires étrangers, le tribunal compétent est celui dans le ressort duquel se situe le port d'escale ou de départ en Belgique.
A l'égard des navires étrangers naviguant dans la mer territoriale ou dans la zone économique exclusive, sans faire escale dans un port belge, le tribunal compétent est celui de la Flandre occidentale.
A l'égard des navires belges, le tribunal compétent est celui de l'arrondissement où se situe le port d'attache du navire.
A l'égard des navires étrangers, le tribunal compétent est celui dans le ressort duquel se situe le port d'escale ou de départ en Belgique.
A l'égard des navires étrangers naviguant dans la mer territoriale ou dans la zone économique exclusive, sans faire escale dans un port belge, le tribunal compétent est celui de la Flandre occidentale.
TITEL 4. - De Handhavingsinstantie voor Passagiersvervoer
TITRE 4. - L'Organisme chargé de l'application du transport de passagers
Art. 4.4.1.1. Begrippen
In deze titel wordt verstaan onder :
1° "Handhavingsinstantie voor Passagiersvervoer" : de nationale handhavingsinstantie aangeduid op grond van artikel 4.4.1.3;
2° "werkdagen" : alle dagen van de week, met uitzondering van zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen;
3° "klacht" : iedere aangifte van een vermeende schending van de Passagiersrechtenverordening.
In deze titel wordt verstaan onder :
1° "Handhavingsinstantie voor Passagiersvervoer" : de nationale handhavingsinstantie aangeduid op grond van artikel 4.4.1.3;
2° "werkdagen" : alle dagen van de week, met uitzondering van zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen;
3° "klacht" : iedere aangifte van een vermeende schending van de Passagiersrechtenverordening.
Art. 4.4.1.1. Notions
Dans le présent titre, l'on entend par :
1° " Organisme chargé de l'application pour le transport de passagers " : l'instance nationale chargée de l'application, désignée en vertu de l'article 4.4.1.3;
2° " jours ouvrables " : tous les jours de la semaine à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés légaux;
3° " plainte " : toute dénonciation d'une infraction supposée au Règlement concernant les droits des passagers.
Dans le présent titre, l'on entend par :
1° " Organisme chargé de l'application pour le transport de passagers " : l'instance nationale chargée de l'application, désignée en vertu de l'article 4.4.1.3;
2° " jours ouvrables " : tous les jours de la semaine à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés légaux;
3° " plainte " : toute dénonciation d'une infraction supposée au Règlement concernant les droits des passagers.
Art. 4.4.1.2. Internationale en materiële toepassing
Onverminderd artikel 4.4.1.6, derde lid, is deze titel van toepassing op het vervoer van passagiers die onder het toepassingsgebied van de Passagiersrechtenverordening vallen, doch slechts ingeval de haven van inscheping van de passagiersdienst of cruise in België is gelegen, of de haven van ontscheping van een passagiersdiensten vanuit derde landen in België is gelegen.
Onverminderd artikel 4.4.1.6, derde lid, is deze titel van toepassing op het vervoer van passagiers die onder het toepassingsgebied van de Passagiersrechtenverordening vallen, doch slechts ingeval de haven van inscheping van de passagiersdienst of cruise in België is gelegen, of de haven van ontscheping van een passagiersdiensten vanuit derde landen in België is gelegen.
Art. 4.4.1.2. Application internationale et matérielle
Sans préjudice de l'article 4.4.1.6, alinéa 3, ce titre s'applique au transport de passagers relevant du champ d'application du Règlement concernant les droits des passagers, mais à la seule condition que le port d'embarquement du transport de passagers ou de la croisière soit situé en Belgique, ou que le port de débarquement soit situé en Belgique en ce qui concerne les transports de passagers en provenance d'un pays tiers.
Sans préjudice de l'article 4.4.1.6, alinéa 3, ce titre s'applique au transport de passagers relevant du champ d'application du Règlement concernant les droits des passagers, mais à la seule condition que le port d'embarquement du transport de passagers ou de la croisière soit situé en Belgique, ou que le port de débarquement soit situé en Belgique en ce qui concerne les transports de passagers en provenance d'un pays tiers.
Art. 4.4.1.3. Aanduiding van de Handhavingsinstantie voor Passagiersvervoer
De Koning wijst de bevoegde overheidsinstantie aan overeenkomstig artikel 25 van de Passagiersrechtenverordening.
De Koning wijst de bevoegde overheidsinstantie aan overeenkomstig artikel 25 van de Passagiersrechtenverordening.
Art. 4.4.1.3. Désignation de l'Organisme chargé de l'application pour le transport de passagers
Le Roi désigne l'instance publique compétente conformément à l'article 25 du Règlement concernant les droits des passagers.
Le Roi désigne l'instance publique compétente conformément à l'article 25 du Règlement concernant les droits des passagers.
Art. 4.4.1.4. Indiening van klachten
De klacht bedoeld in artikel 25 van de Passagiersrechtenverordening kan door een passagier bij de Handhavingsinstantie voor Passagiersvervoer worden ingediend per brief of via elektronische weg.
De klacht bevat de volgende elementen :
1° de naam, voornaam en het adres van de verblijfplaats van de klager;
2° een uiteenzetting van de feiten;
3° alle stukken die de klager noodzakelijk acht.
De klacht bedoeld in artikel 25 van de Passagiersrechtenverordening kan door een passagier bij de Handhavingsinstantie voor Passagiersvervoer worden ingediend per brief of via elektronische weg.
De klacht bevat de volgende elementen :
1° de naam, voornaam en het adres van de verblijfplaats van de klager;
2° een uiteenzetting van de feiten;
3° alle stukken die de klager noodzakelijk acht.
Art. 4.4.1.4. Dépôt de plaintes
La plainte visée à l'article 25 du Règlement concernant les droits des passagers peut être introduite par lettre ou par voie électronique auprès de l'Organisme chargé de l'application pour le transport de passagers.
La plainte comporte les éléments suivants :
1° le nom, le prénom et l'adresse du domicile du plaignant;
2° un exposé des faits;
3° toutes les pièces que le plaignant estime nécessaires.
La plainte visée à l'article 25 du Règlement concernant les droits des passagers peut être introduite par lettre ou par voie électronique auprès de l'Organisme chargé de l'application pour le transport de passagers.
La plainte comporte les éléments suivants :
1° le nom, le prénom et l'adresse du domicile du plaignant;
2° un exposé des faits;
3° toutes les pièces que le plaignant estime nécessaires.
Art. 4.4.1.5. Ontvankelijkheid
Een klacht tegen een vervoerder of terminalexploitant is slechts ontvankelijk op voorwaarde dat de passagier in eerste instantie een klacht heeft ingediend via het klachtenbehandelings-mechanisme van de vervoerder of terminalexploitant en overeenkomstig artikel 24 van de Passagiersrechtenverordening voor de klacht geen oplossing werd gevonden.
Onder voorbehoud van het eerste lid, is een bij de geen oplossing werd gevonden ingediende klacht slechts ontvankelijk wanneer zij wordt ingediend binnen de zes maanden nadat na ontvangst van het antwoord van de vervoeder of terminalexploitant, of nadat deze ontvangen had moeten worden.
Onverminderd het eerste en tweede lid weigert de Handhavingsinstantie voor Passagiersvervoer de behandeling van een klacht :
1° ingeval zij kennelijk ongegrond is;
2° ingeval zij geen nieuwe feiten toevoegt aan een eerdere klacht die door dezelfde persoon werd ingediend en die reeds door de Handhavingsinstantie voor Passagiersvervoer werd behandeld.
Een klacht tegen een vervoerder of terminalexploitant is slechts ontvankelijk op voorwaarde dat de passagier in eerste instantie een klacht heeft ingediend via het klachtenbehandelings-mechanisme van de vervoerder of terminalexploitant en overeenkomstig artikel 24 van de Passagiersrechtenverordening voor de klacht geen oplossing werd gevonden.
Onder voorbehoud van het eerste lid, is een bij de geen oplossing werd gevonden ingediende klacht slechts ontvankelijk wanneer zij wordt ingediend binnen de zes maanden nadat na ontvangst van het antwoord van de vervoeder of terminalexploitant, of nadat deze ontvangen had moeten worden.
Onverminderd het eerste en tweede lid weigert de Handhavingsinstantie voor Passagiersvervoer de behandeling van een klacht :
1° ingeval zij kennelijk ongegrond is;
2° ingeval zij geen nieuwe feiten toevoegt aan een eerdere klacht die door dezelfde persoon werd ingediend en die reeds door de Handhavingsinstantie voor Passagiersvervoer werd behandeld.
Art. 4.4.1.5. Recevabilité
Une plainte contre un transporteur ou un exploitant de terminal n'est recevable que si le passager a d'abord déposé une plainte par le biais du mécanisme de traitement des plaintes du transporteur ou de l'exploitant de terminal et que, conformément à l'article 24 du Règlement concernant les droits des passagers, aucune solution n'a été trouvée pour cette plainte.
Sous réserve de l'alinéa 1er, une solution pour la plainte n'est recevable que si elle est introduite dans les six mois qui suivent la réception de la réponse du transporteur ou de l'exploitant de terminal, ou la date à laquelle elle aurait dû être reçue.
Sans préjudice des alinéas 1er et 2, l'Organisme chargé de l'application pour le transport de passagers refuse le traitement d'une plainte :
1° si celle-ci est manifestement non fondé;
2° si celle-ci n'apporte pas de nouveaux éléments à une plainte déposée antérieurement par la même personne et qui a déjà été traitée par l'Organisme chargé de l'application pour le transport de passagers.
Une plainte contre un transporteur ou un exploitant de terminal n'est recevable que si le passager a d'abord déposé une plainte par le biais du mécanisme de traitement des plaintes du transporteur ou de l'exploitant de terminal et que, conformément à l'article 24 du Règlement concernant les droits des passagers, aucune solution n'a été trouvée pour cette plainte.
Sous réserve de l'alinéa 1er, une solution pour la plainte n'est recevable que si elle est introduite dans les six mois qui suivent la réception de la réponse du transporteur ou de l'exploitant de terminal, ou la date à laquelle elle aurait dû être reçue.
Sans préjudice des alinéas 1er et 2, l'Organisme chargé de l'application pour le transport de passagers refuse le traitement d'une plainte :
1° si celle-ci est manifestement non fondé;
2° si celle-ci n'apporte pas de nouveaux éléments à une plainte déposée antérieurement par la même personne et qui a déjà été traitée par l'Organisme chargé de l'application pour le transport de passagers.
Art. 4.4.1.6. Onderzoek van de klacht
Wanneer de Handhavingsinstantie voor Passagiersvervoer een klacht behandelt, onderzoekt zij of daadwerkelijk een inbreuk op de Passagiersrechtenverordening heeft plaatsgevonden. De klager wordt van het resultaat van dit onderzoek in kennis gesteld op de wijze die hij heeft gekozen.
Indien de Handhavingsinstantie voor Passagiersvervoer een klacht niet behandelt of de behandeling ervan niet voortzet, geeft zij de klager daarvan schriftelijk kennis binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de klacht, met opgave van de redenen.
Een klacht met betrekking tot een passagiersdienst of cruise die overeenkomstig artikel 25 van de Passagiersrechtenverordening niet tot de bevoegdheid van de Belgische Handhavingsinstantie voor Passagiersvervoer behoort, wordt door deze laatste naar de bevoegde dienst van de buitenlandse overheid doorgestuurd binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de klacht. De klager wordt hiervan in kennis gesteld binnen een termijn van vijftien dagen na de doorsturing, op de wijze door hem gekozen.
Wanneer de Handhavingsinstantie voor Passagiersvervoer een klacht behandelt, onderzoekt zij of daadwerkelijk een inbreuk op de Passagiersrechtenverordening heeft plaatsgevonden. De klager wordt van het resultaat van dit onderzoek in kennis gesteld op de wijze die hij heeft gekozen.
Indien de Handhavingsinstantie voor Passagiersvervoer een klacht niet behandelt of de behandeling ervan niet voortzet, geeft zij de klager daarvan schriftelijk kennis binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de klacht, met opgave van de redenen.
Een klacht met betrekking tot een passagiersdienst of cruise die overeenkomstig artikel 25 van de Passagiersrechtenverordening niet tot de bevoegdheid van de Belgische Handhavingsinstantie voor Passagiersvervoer behoort, wordt door deze laatste naar de bevoegde dienst van de buitenlandse overheid doorgestuurd binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de klacht. De klager wordt hiervan in kennis gesteld binnen een termijn van vijftien dagen na de doorsturing, op de wijze door hem gekozen.
Art. 4.4.1.6. Examen de la plainte
Lorsque l'Organisme chargé de l'application pour le transport de passagers traite une plainte, il examine si une infraction au Règlement concernant les droits des passagers a effectivement été commise. Le plaignant est informé du résultat final de cet examen par le moyen qu'il a choisi.
Si l'Organisme chargé de l'application pour le transport de passagers ne traite pas une plainte ou n'en poursuit pas le traitement, il en informe par écrit le plaignant en indiquant les raisons dans un délai de trente jours à compter de la réception de la plainte.
Une plainte relative au service de transport de passagers ou à une croisière qui ne relève pas de la compétence de l'Organisme chargé de l'application pour le transport de passagers belge conformément à l'article 25 du Règlement concernant les droits des passagers, est renvoyée au service compétent de l'autorité étrangère dans un délai de trente jours à compter de la réception de la plainte. Le plaignant en est informé dans un délai de quinze jours après l'envoi, par le moyen qu'il a choisi.
Lorsque l'Organisme chargé de l'application pour le transport de passagers traite une plainte, il examine si une infraction au Règlement concernant les droits des passagers a effectivement été commise. Le plaignant est informé du résultat final de cet examen par le moyen qu'il a choisi.
Si l'Organisme chargé de l'application pour le transport de passagers ne traite pas une plainte ou n'en poursuit pas le traitement, il en informe par écrit le plaignant en indiquant les raisons dans un délai de trente jours à compter de la réception de la plainte.
Une plainte relative au service de transport de passagers ou à une croisière qui ne relève pas de la compétence de l'Organisme chargé de l'application pour le transport de passagers belge conformément à l'article 25 du Règlement concernant les droits des passagers, est renvoyée au service compétent de l'autorité étrangère dans un délai de trente jours à compter de la réception de la plainte. Le plaignant en est informé dans un délai de quinze jours après l'envoi, par le moyen qu'il a choisi.
Art. 4.4.1.7. Berekening van termijnen
Voor de berekening van de in deze titel bepaalde termijnen is de vervaldag in de termijn inbegrepen.
Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
Voor de berekening van de in deze titel bepaalde termijnen is de vervaldag in de termijn inbegrepen.
Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
Art. 4.4.1.7. Calcul des délais
Pour le calcul des délais indiqués dans ce titre, le jour d'échéance est compris dans le délai.
Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable.
Pour le calcul des délais indiqués dans ce titre, le jour d'échéance est compris dans le délai.
Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable.
Titel 5. - Internationale misdrijven
TITRE 5. - Délits internationaux
HOOFDSTUK 1. - Criminaliteit op zee in het buitenland
CHAPITRE 1er. - La criminalité maritime à l'étranger
Art. 4.5.1.1. Begrippen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "misdrijf van sluikhandel in verdovende of psychotrope stoffen" : alle illegale handelingen bedoeld in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, opgemaakt te Wenen op 20 december 1988;
2° "misdrijf van smokkel van migranten" : alle illegale handelingen bedoeld in het Aanvullend Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht bij het Verdrag van de Verenigde Naties tegen transnationale georganiseerde misdaad, gedaan te New York op 15 november 2000;
3° "misdrijf van een wederrechtelijke gedraging tegen de veiligheid van de zeevaart" : alle illegale handelingen bedoeld in het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart, gedaan te Rome op 10 maart 1988 en in het Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van vaste platforms op het continentale plat, gedaan te Rome op 10 maart 1988.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "misdrijf van sluikhandel in verdovende of psychotrope stoffen" : alle illegale handelingen bedoeld in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, opgemaakt te Wenen op 20 december 1988;
2° "misdrijf van smokkel van migranten" : alle illegale handelingen bedoeld in het Aanvullend Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht bij het Verdrag van de Verenigde Naties tegen transnationale georganiseerde misdaad, gedaan te New York op 15 november 2000;
3° "misdrijf van een wederrechtelijke gedraging tegen de veiligheid van de zeevaart" : alle illegale handelingen bedoeld in het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart, gedaan te Rome op 10 maart 1988 en in het Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van vaste platforms op het continentale plat, gedaan te Rome op 10 maart 1988.
Art. 4.5.1.1. Notions
Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
1° " délit de trafic illicite de stupéfiants ou de substances psychotropes " tous les actes illégaux visés dans la Convention des Nations Unies contre le trafic illicite de stupéfiants et de substances psychotropes, établie à Vienne le 20 décembre 1988;
2° " délit de trafic illicite de migrants " tous les actes illicites visés par le Protocole contre le trafic illicite de migrants par terre, mer et air additionnel à la Convention des Nations Unies contre la criminalité transnationale organisée, établi à New York le 15 novembre 2000;
3° " délit d'actes illicites contre la sécurité de la navigation maritime " tous les actes illicites visés dans la Convention pour la répression des actes illicites dirigés contre la sécurité de la navigation maritime, établie à Rome le 10 mars 1988 et dans le Protocole de répression des actes illicites dirigés contre la sécurité des plates-formes fixes situées sur le plateau continental, établi à Rome le 10 mars 1988.
Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
1° " délit de trafic illicite de stupéfiants ou de substances psychotropes " tous les actes illégaux visés dans la Convention des Nations Unies contre le trafic illicite de stupéfiants et de substances psychotropes, établie à Vienne le 20 décembre 1988;
2° " délit de trafic illicite de migrants " tous les actes illicites visés par le Protocole contre le trafic illicite de migrants par terre, mer et air additionnel à la Convention des Nations Unies contre la criminalité transnationale organisée, établi à New York le 15 novembre 2000;
3° " délit d'actes illicites contre la sécurité de la navigation maritime " tous les actes illicites visés dans la Convention pour la répression des actes illicites dirigés contre la sécurité de la navigation maritime, établie à Rome le 10 mars 1988 et dans le Protocole de répression des actes illicites dirigés contre la sécurité des plates-formes fixes situées sur le plateau continental, établi à Rome le 10 mars 1988.
Art. 4.5.1.2. Toepassingsgebied
De in deze hoofdstuk vastgelegde bepalingen zijn van toepassing uitsluitend buiten de Belgische maritieme zones en binnenwateren :
1° op de schepen die de Belgische vlag voeren, onder voorbehoud van de bevoegdheden die door het internationaal recht aan de Staten worden toegekend;
2° op de schepen die een buitenlandse vlag voeren en op de schepen die geen enkele vlag voeren of de schepen zonder nationaliteit, overeenkomstig het internationaal recht;
3° op de schepen die zich bevinden in de maritieme rechtsgebieden onder de soevereiniteit van een buitenlandse Staat, met diens toestemming;
4° op de schepen die de vlag van een Staat voeren, die verzocht heeft om de interventie van België of die zijn interventieverzoek heeft ingewilligd.
De misdrijven bedoeld in artikel 4.5.1.1 die in een andere maritieme zone dan de volle zee gepleegd worden, worden gelijkgesteld met daden gepleegd in de volle zee, in de mate bedoeld in het internationaal recht.
De in deze hoofdstuk vastgelegde bepalingen zijn van toepassing uitsluitend buiten de Belgische maritieme zones en binnenwateren :
1° op de schepen die de Belgische vlag voeren, onder voorbehoud van de bevoegdheden die door het internationaal recht aan de Staten worden toegekend;
2° op de schepen die een buitenlandse vlag voeren en op de schepen die geen enkele vlag voeren of de schepen zonder nationaliteit, overeenkomstig het internationaal recht;
3° op de schepen die zich bevinden in de maritieme rechtsgebieden onder de soevereiniteit van een buitenlandse Staat, met diens toestemming;
4° op de schepen die de vlag van een Staat voeren, die verzocht heeft om de interventie van België of die zijn interventieverzoek heeft ingewilligd.
De misdrijven bedoeld in artikel 4.5.1.1 die in een andere maritieme zone dan de volle zee gepleegd worden, worden gelijkgesteld met daden gepleegd in de volle zee, in de mate bedoeld in het internationaal recht.
Art. 4.5.1.2. Champ d'application
Les dispositions prévues dans le présent chapitre s'appliquent exclusivement hors des zones maritimes belges et des eaux intérieures :
1° aux navires battant pavillon belge, sous réserve des compétences reconnues aux Etats par le droit international;
2° aux navires battant pavillon étranger et aux navires n'arborant aucun pavillon ou sans nationalité, conformément au droit international;
3° aux navires situés dans les espaces maritimes sous souveraineté d'un Etat étranger, en accord avec celui-ci;
4° aux navires battant pavillon d'un Etat qui a sollicité l'intervention de la Belgique ou agréé sa demande d'intervention.
Les infractions visées à l'article 4.5.1.1 commises dans un espace maritime autre que la haute mer, sont assimilées à des actes commis en haute mer, dans la mesure prévue par le droit international.
Les dispositions prévues dans le présent chapitre s'appliquent exclusivement hors des zones maritimes belges et des eaux intérieures :
1° aux navires battant pavillon belge, sous réserve des compétences reconnues aux Etats par le droit international;
2° aux navires battant pavillon étranger et aux navires n'arborant aucun pavillon ou sans nationalité, conformément au droit international;
3° aux navires situés dans les espaces maritimes sous souveraineté d'un Etat étranger, en accord avec celui-ci;
4° aux navires battant pavillon d'un Etat qui a sollicité l'intervention de la Belgique ou agréé sa demande d'intervention.
Les infractions visées à l'article 4.5.1.1 commises dans un espace maritime autre que la haute mer, sont assimilées à des actes commis en haute mer, dans la mesure prévue par le droit international.
Art. 4.5.1.3. Bevoegdheden
Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, zijn de commandanten van Belgische oorlogsschepen of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn bevoegd om, in overeenstemming met het internationaal recht en in de mate waarin zij door de Ministerraad gemandateerd zijn voor dit type van opdracht overeenkomstig de wet van 20 mei 1994 betreffende de perioden en de standen van de militairen van het reservekader alsook betreffende de aanwending en de paraatstelling van de Krijgsmacht, elke preventie-, controle- en dwangmaatregel te nemen, teneinde de misdrijven bedoeld in artikel 4.5.1.1 te voorkomen of te doen stoppen.
Zij kunnen de misdrijven bedoeld in artikel 4.5.1.1 opsporen en ze vaststellen in processen-verbaal die gelden tot bewijs van het tegendeel.
De commandanten van Belgische oorlogsschepen of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn kunnen het recht tot achtervolging van het buitenlands schip uitoefenen onder de door het internationaal recht bepaalde voorwaarden.
Zij kunnen de boarding bevelen, in overeenstemming met het internationaal recht.
Voor het opsporen en het vaststellen van de misdrijven bedoeld in artikel 4.5.1.1 kunnen zij overgaan tot de identificatie van het schip, door de kapitein van het schip te verzoeken om de identiteit en de nationaliteit ervan mee te delen, in overeenstemming met het geldende internationaal recht.
Als de toegang aan boord geweigerd werd of feitelijk onmogelijk bleek te zijn, kunnen zij het bevel geven tot koerswijziging van het schip naar een geschikte plaats of haven in de volgende gevallen :
1° in toepassing van het internationaal recht;
2° krachtens bijzondere wettelijke of reglementaire bepalingen;
3° voor de uitvoering van een gerechtelijke beslissing;
4° op verzoek van een autoriteit die bevoegd is inzake gerechtelijke politie.
Tijdens de doorvaart die volgt op de beslissing tot koerswijziging, kunnen zij de nodige en passende dwangmaatregelen nemen met het oog op het vrijwaren van het schip en zijn lading en van de veiligheid van de personen aan boord.
Als de kapitein weigert om de identiteit en de nationaliteit van het schip mede te delen, het aan boord laten komen of de koerswijziging weigert, kan de commandant van het Belgisch oorlogsschip of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn kunnen, na waarschuwingen, overgaan tot dwangmaatregelen tegen dit schip daaronder begrepen, indien nodig, het gebruik van geweld.
Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, zijn de commandanten van Belgische oorlogsschepen of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn bevoegd om, in overeenstemming met het internationaal recht en in de mate waarin zij door de Ministerraad gemandateerd zijn voor dit type van opdracht overeenkomstig de wet van 20 mei 1994 betreffende de perioden en de standen van de militairen van het reservekader alsook betreffende de aanwending en de paraatstelling van de Krijgsmacht, elke preventie-, controle- en dwangmaatregel te nemen, teneinde de misdrijven bedoeld in artikel 4.5.1.1 te voorkomen of te doen stoppen.
Zij kunnen de misdrijven bedoeld in artikel 4.5.1.1 opsporen en ze vaststellen in processen-verbaal die gelden tot bewijs van het tegendeel.
De commandanten van Belgische oorlogsschepen of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn kunnen het recht tot achtervolging van het buitenlands schip uitoefenen onder de door het internationaal recht bepaalde voorwaarden.
Zij kunnen de boarding bevelen, in overeenstemming met het internationaal recht.
Voor het opsporen en het vaststellen van de misdrijven bedoeld in artikel 4.5.1.1 kunnen zij overgaan tot de identificatie van het schip, door de kapitein van het schip te verzoeken om de identiteit en de nationaliteit ervan mee te delen, in overeenstemming met het geldende internationaal recht.
Als de toegang aan boord geweigerd werd of feitelijk onmogelijk bleek te zijn, kunnen zij het bevel geven tot koerswijziging van het schip naar een geschikte plaats of haven in de volgende gevallen :
1° in toepassing van het internationaal recht;
2° krachtens bijzondere wettelijke of reglementaire bepalingen;
3° voor de uitvoering van een gerechtelijke beslissing;
4° op verzoek van een autoriteit die bevoegd is inzake gerechtelijke politie.
Tijdens de doorvaart die volgt op de beslissing tot koerswijziging, kunnen zij de nodige en passende dwangmaatregelen nemen met het oog op het vrijwaren van het schip en zijn lading en van de veiligheid van de personen aan boord.
Als de kapitein weigert om de identiteit en de nationaliteit van het schip mede te delen, het aan boord laten komen of de koerswijziging weigert, kan de commandant van het Belgisch oorlogsschip of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn kunnen, na waarschuwingen, overgaan tot dwangmaatregelen tegen dit schip daaronder begrepen, indien nodig, het gebruik van geweld.
Art. 4.5.1.3. Compétences
Sans préjudice des pouvoirs des officiers de police judiciaire, les commandants des navires de guerre belges ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public et qui sont autorisés à cet effet, sont habilités à prendre toute mesure de prévention, de contrôle et de coercition, en vue de prévenir ou de faire cesser les infractions visées à l'article 4.5.1.1 en accord avec le droit international et dans la mesure où ils sont mandatés pour ce type de mission par le Conseil des Ministres, conformément à la loi du 20 mai 1994 relative aux périodes et aux positions des militaires du cadre de réserve, ainsi qu'à la mise en oeuvre et à la mise en condition des Forces armées.
Ils peuvent rechercher les infractions visées à l'article 4.5.1.1 et les constater par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire.
Les commandants des navires de guerre belge ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public peuvent exercer le droit de poursuite du navire étranger dans les conditions prévues par le droit international.
Ils peuvent ordonner la visite du navire, en accord avec le droit international.
Pour la recherche et la constatation des infractions visées à l'article 4.5.1.1, ils peuvent procéder à la reconnaissance du navire, en invitant le capitaine à en faire connaître l'identité et la nationalité, en accord avec le droit international applicable.
Lorsque l'accès à bord a été refusé ou s'est trouvé matériellement impossible, ils peuvent ordonner le déroutement du navire vers une position ou un port approprié dans les cas suivants :
1° en application du droit international;
2° en vertu de dispositions législatives ou réglementaires particulières;
3° pour l'exécution d'une décision de justice;
4° à la demande d'une autorité qualifiée en matière de police judiciaire.
Pendant le transit consécutif à la décision de déroutement, ils peuvent prendre les mesures de coercition nécessaires et adaptées en vue d'assurer la préservation du navire et de sa cargaison et la sécurité des personnes se trouvant à bord.
Si le capitaine refuse de faire connaître l'identité et la nationalité du navire, d'en admettre la visite ou de le dérouter, le commandant de navire de guerre belge ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public peut, après sommations, recourir à l'encontre de ce navire à des mesures de coercition comprenant, si nécessaire, l'emploi de la force.
Sans préjudice des pouvoirs des officiers de police judiciaire, les commandants des navires de guerre belges ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public et qui sont autorisés à cet effet, sont habilités à prendre toute mesure de prévention, de contrôle et de coercition, en vue de prévenir ou de faire cesser les infractions visées à l'article 4.5.1.1 en accord avec le droit international et dans la mesure où ils sont mandatés pour ce type de mission par le Conseil des Ministres, conformément à la loi du 20 mai 1994 relative aux périodes et aux positions des militaires du cadre de réserve, ainsi qu'à la mise en oeuvre et à la mise en condition des Forces armées.
Ils peuvent rechercher les infractions visées à l'article 4.5.1.1 et les constater par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire.
Les commandants des navires de guerre belge ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public peuvent exercer le droit de poursuite du navire étranger dans les conditions prévues par le droit international.
Ils peuvent ordonner la visite du navire, en accord avec le droit international.
Pour la recherche et la constatation des infractions visées à l'article 4.5.1.1, ils peuvent procéder à la reconnaissance du navire, en invitant le capitaine à en faire connaître l'identité et la nationalité, en accord avec le droit international applicable.
Lorsque l'accès à bord a été refusé ou s'est trouvé matériellement impossible, ils peuvent ordonner le déroutement du navire vers une position ou un port approprié dans les cas suivants :
1° en application du droit international;
2° en vertu de dispositions législatives ou réglementaires particulières;
3° pour l'exécution d'une décision de justice;
4° à la demande d'une autorité qualifiée en matière de police judiciaire.
Pendant le transit consécutif à la décision de déroutement, ils peuvent prendre les mesures de coercition nécessaires et adaptées en vue d'assurer la préservation du navire et de sa cargaison et la sécurité des personnes se trouvant à bord.
Si le capitaine refuse de faire connaître l'identité et la nationalité du navire, d'en admettre la visite ou de le dérouter, le commandant de navire de guerre belge ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public peut, après sommations, recourir à l'encontre de ce navire à des mesures de coercition comprenant, si nécessaire, l'emploi de la force.
Art. 4.5.1.4. Vrijheidsberoving
§ 1. De persoon die op heterdaad wordt betrapt bij een in artikel 4.5.1.1 bedoeld misdrijf of tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld met betrekking tot een dergelijk misdrijf bestaan, kan van zijn vrijheid worden beroofd hetzij op initiatief van de commandant van een Belgisch oorlogsschip of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn kunnen, hetzij op initiatief van de commandant van een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip hetzij op initiatief van de kapitein van een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij een in artikel 4.5.1.1 bedoeld misdrijf, met inachtneming van de bepalingen die krachtens het internationaal recht van toepassing zijn op zee.
Hij maakt een proces-verbaal op met nauwkeurige opgave van de omstandigheden waarin de vrijheidsberoving tot stand is gekomen, met inbegrip van het precieze uur ervan.
§ 2. De commandant van een Belgisch oorlogsschip of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn, de commandant van een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip of de kapitein van een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij een in artikel 4.5.1.1 bedoeld misdrijf, brengt de federale procureur onmiddellijk op de hoogte van de vrijheidsberoving door middel van de snelste communicatiemiddelen. Hij voert de bevelen van deze magistraat uit, zowel wat de vrijheidsberoving als wat de uit te voeren taken betreft.
§ 3. De vrijheidsberoving mag in geen geval langer dan achtenveertig uur duren. De federale procureur moet de vrijheidsberoving binnen achtenveertig uur bevestigen. Bij gebreke daarvan wordt de betrokkene in vrijheid gesteld. Van de beslissing van de federale procureur wordt onverwijld kennis gegeven aan de betrokkene door de commandant van een Belgische oorlogsschip of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn, de commandant van een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip of de kapitein van een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij een in artikel 4.5.1.1 bedoeld misdrijf.
§ 4. De commandant van een Belgisch oorlogsschip of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn, de commandant van een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip of de kapitein van een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij een in artikel 4.5.1.1 van deze wet bedoeld misdrijf maakt een proces-verbaal van de vrijheidsberoving op. Dit proces-verbaal vermeldt het precieze uur van de vrijheidsberoving, de beslissing van de federale procureur met betrekking tot deze vrijheidsberoving, alsook het precieze uur waarop de betrokkene in kennis is gesteld van de beslissing van de federale procureur.
§ 5. Indien de federale procureur van oordeel is dat een persoon, die wegens de daden bedoeld in artikel 4.5.1.1 van zijn vrijheid is beroofd, onder aanhoudingsbevel zou moeten worden geplaatst, vordert hij dit van de onderzoeksrechter die een voorlopig aanhoudingsbevel kan uitvaardigen. Het voorlopig aanhoudingsbevel moet worden uitgevaardigd binnen achtenveertig uur na de initiële vrijheidsberoving en is tot achtenveertig uur na de aankomst van de gedetineerde op het grondgebied van het Rijk en ten hoogste een maand geldig.
Het verhoor van de van zijn vrijheid beroofde persoon kan gebeuren door middel van radio, telefoon, audiovisuele of andere technische middelen die een rechtstreekse overbrenging van de stem tussen de onderzoeksrechter en de verdachte mogelijk maken en de vertrouwelijkheid van hun gesprek waarborgen.
Indien het verhoor van de van zijn vrijheid beroofde persoon onmogelijk is ingevolge uitzonderlijke omstandigheden, moet de onderzoeksrechter de personen verhoren die de ten laste gelegde feiten met betrekking tot deze persoon kunnen uiteenzetten.
Al de in deze paragraaf bedoelde elementen, met inbegrip van de eventuele uitzonderlijke omstandigheden die het verhoor van de betrokken persoon onmogelijk hebben gemaakt, worden vermeld in het proces-verbaal van verhoor.
Van de beslissing van de onderzoeksrechter wordt onverwijld kennis gegeven aan de betrokkene door de commandant van een Belgisch oorlogsschip of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn, de commandant van een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip of de kapitein van een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij een in artikel 4.5.1.1 bedoeld misdrijf, en zodra mogelijk, wordt hem een afschrift van het voorlopig aanhoudingsbevel bezorgd. De commandant van een Belgisch oorlogsschip of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn, de commandant van een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip of de kapitein van een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij een in artikel 4.5.1.1 bedoeld misdrijf, en vermeldt in een proces-verbaal het precieze uur waarop de betrokkene in kennis is gesteld van de beslissing van de onderzoeksrechter en het precieze uur van de afgifte van het afschrift van het voorlopig aanhoudingsbevel.
§ 6. Ingeval de vervolging in België wordt ingesteld, wordt de verdachte zo spoedig als de omstandigheden het mogelijk maken naar België overgebracht.
Binnen achtenveertig uur na zijn aankomst op het grondgebied van het Rijk moet hij fysiek voor de onderzoeksrechter verschijnen en ondervraagd worden. De onderzoeksrechter gaat na of de in paragraaf 5, eerste lid, bedoelde termijnen van achtenveertig uur na de aankomst van de gedetineerde op het grondgebied van het Rijk en van ten hoogste een maand werden nageleefd. Bij gebrek aan verhoor binnen de achtenveertig uur of in geval van niet-naleving van de in paragraaf 5, eerste lid, bedoelde termijnen wordt de verdachte in vrijheid gesteld.
Indien de onderzoeksrechter van oordeel is dat de hechtenis moet worden gehandhaafd, vaardigt hij een aanhoudingsbevel uit overeenkomstig artikel 16 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
§ 1. De persoon die op heterdaad wordt betrapt bij een in artikel 4.5.1.1 bedoeld misdrijf of tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld met betrekking tot een dergelijk misdrijf bestaan, kan van zijn vrijheid worden beroofd hetzij op initiatief van de commandant van een Belgisch oorlogsschip of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn kunnen, hetzij op initiatief van de commandant van een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip hetzij op initiatief van de kapitein van een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij een in artikel 4.5.1.1 bedoeld misdrijf, met inachtneming van de bepalingen die krachtens het internationaal recht van toepassing zijn op zee.
Hij maakt een proces-verbaal op met nauwkeurige opgave van de omstandigheden waarin de vrijheidsberoving tot stand is gekomen, met inbegrip van het precieze uur ervan.
§ 2. De commandant van een Belgisch oorlogsschip of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn, de commandant van een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip of de kapitein van een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij een in artikel 4.5.1.1 bedoeld misdrijf, brengt de federale procureur onmiddellijk op de hoogte van de vrijheidsberoving door middel van de snelste communicatiemiddelen. Hij voert de bevelen van deze magistraat uit, zowel wat de vrijheidsberoving als wat de uit te voeren taken betreft.
§ 3. De vrijheidsberoving mag in geen geval langer dan achtenveertig uur duren. De federale procureur moet de vrijheidsberoving binnen achtenveertig uur bevestigen. Bij gebreke daarvan wordt de betrokkene in vrijheid gesteld. Van de beslissing van de federale procureur wordt onverwijld kennis gegeven aan de betrokkene door de commandant van een Belgische oorlogsschip of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn, de commandant van een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip of de kapitein van een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij een in artikel 4.5.1.1 bedoeld misdrijf.
§ 4. De commandant van een Belgisch oorlogsschip of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn, de commandant van een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip of de kapitein van een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij een in artikel 4.5.1.1 van deze wet bedoeld misdrijf maakt een proces-verbaal van de vrijheidsberoving op. Dit proces-verbaal vermeldt het precieze uur van de vrijheidsberoving, de beslissing van de federale procureur met betrekking tot deze vrijheidsberoving, alsook het precieze uur waarop de betrokkene in kennis is gesteld van de beslissing van de federale procureur.
§ 5. Indien de federale procureur van oordeel is dat een persoon, die wegens de daden bedoeld in artikel 4.5.1.1 van zijn vrijheid is beroofd, onder aanhoudingsbevel zou moeten worden geplaatst, vordert hij dit van de onderzoeksrechter die een voorlopig aanhoudingsbevel kan uitvaardigen. Het voorlopig aanhoudingsbevel moet worden uitgevaardigd binnen achtenveertig uur na de initiële vrijheidsberoving en is tot achtenveertig uur na de aankomst van de gedetineerde op het grondgebied van het Rijk en ten hoogste een maand geldig.
Het verhoor van de van zijn vrijheid beroofde persoon kan gebeuren door middel van radio, telefoon, audiovisuele of andere technische middelen die een rechtstreekse overbrenging van de stem tussen de onderzoeksrechter en de verdachte mogelijk maken en de vertrouwelijkheid van hun gesprek waarborgen.
Indien het verhoor van de van zijn vrijheid beroofde persoon onmogelijk is ingevolge uitzonderlijke omstandigheden, moet de onderzoeksrechter de personen verhoren die de ten laste gelegde feiten met betrekking tot deze persoon kunnen uiteenzetten.
Al de in deze paragraaf bedoelde elementen, met inbegrip van de eventuele uitzonderlijke omstandigheden die het verhoor van de betrokken persoon onmogelijk hebben gemaakt, worden vermeld in het proces-verbaal van verhoor.
Van de beslissing van de onderzoeksrechter wordt onverwijld kennis gegeven aan de betrokkene door de commandant van een Belgisch oorlogsschip of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn, de commandant van een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip of de kapitein van een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij een in artikel 4.5.1.1 bedoeld misdrijf, en zodra mogelijk, wordt hem een afschrift van het voorlopig aanhoudingsbevel bezorgd. De commandant van een Belgisch oorlogsschip of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn, de commandant van een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip of de kapitein van een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij een in artikel 4.5.1.1 bedoeld misdrijf, en vermeldt in een proces-verbaal het precieze uur waarop de betrokkene in kennis is gesteld van de beslissing van de onderzoeksrechter en het precieze uur van de afgifte van het afschrift van het voorlopig aanhoudingsbevel.
§ 6. Ingeval de vervolging in België wordt ingesteld, wordt de verdachte zo spoedig als de omstandigheden het mogelijk maken naar België overgebracht.
Binnen achtenveertig uur na zijn aankomst op het grondgebied van het Rijk moet hij fysiek voor de onderzoeksrechter verschijnen en ondervraagd worden. De onderzoeksrechter gaat na of de in paragraaf 5, eerste lid, bedoelde termijnen van achtenveertig uur na de aankomst van de gedetineerde op het grondgebied van het Rijk en van ten hoogste een maand werden nageleefd. Bij gebrek aan verhoor binnen de achtenveertig uur of in geval van niet-naleving van de in paragraaf 5, eerste lid, bedoelde termijnen wordt de verdachte in vrijheid gesteld.
Indien de onderzoeksrechter van oordeel is dat de hechtenis moet worden gehandhaafd, vaardigt hij een aanhoudingsbevel uit overeenkomstig artikel 16 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
Art. 4.5.1.4. Privation de la liberté
§ 1er. La personne prise en flagrant délit d'une infraction visée à l'article 4.5.1.1 ou à l'égard de laquelle il existe des indices sérieux de culpabilité relatifs à une telle infraction pourra être privée de liberté soit sur l'initiative du commandant d'un navire de guerre belge ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public, soit sur l'initiative du commandant d'une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil, soit à l'initiative du capitaine d'un navire battant pavillon belge directement concerné par une infraction visée à l'article 4.5.1.1 dans le respect des dispositions qui s'appliquent en mer en vertu du droit international.
Il dresse un procès-verbal avec indication détaillée des circonstances dans lesquelles la privation de liberté s'est effectuée, y compris l'heure précise de celle-ci.
§ 2. Le commandant d'un navire de guerre belge ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public, le commandant d'une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil ou le capitaine d'un navire battant pavillon belge directement concerné par une infraction visée à l'article 4.5.1.1 informe sur le champ, par les moyens de communication les plus rapides, le procureur fédéral de la privation de liberté. Il exécute les ordres donnés par ce magistrat en ce qui concerne tant la privation de liberté que les devoirs à exécuter.
§ 3. La privation de liberté ne peut en aucun cas dépasser quarante-huit heures. La privation de liberté doit être confirmée dans les quarante-huit heures par le procureur fédéral. A défaut, l'intéressé est remis en liberté. La décision du procureur fédéral est immédiatement communiquée à l'intéressé par le commandant d'un navire de guerre belge ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public, le commandant d'une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil ou le capitaine d'un navire battant pavillon belge directement concerné par une infraction visée à l'article 4.5.1.1.
§ 4. Le commandant d'un navire de guerre belge ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public, le commandant d'une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil ou le capitaine d'un navire battant pavillon belge directement concerné par une infraction visée à l'article 4.5.1.1 dresse procès-verbal de la privation de liberté. Ce procès-verbal mentionne l'heure précise de la privation de liberté, la décision du procureur fédéral quant à cette privation de liberté ainsi que l'heure précise de la communication à l'intéressé de la décision du procureur fédéral.
§ 5. Si le procureur fédéral estime qu'une personne privée de liberté pour les actes visés à l'article 4.5.1.1 devrait être placée sous mandat d'arrêt, il requiert le juge d'instruction qui peut décerner un mandat d'arrêt provisoire. Le mandat d'arrêt provisoire doit être décerné dans les quarante-huit heures de la privation de liberté initiale et est valable jusqu'à quarante-huit heures qui suivent l'arrivée du détenu sur le territoire du Royaume et au maximum un mois.
L'audition de la personne privée de liberté peut se faire par des moyens radio, téléphoniques, audio-visuels ou d'autres moyens techniques qui permettent une transmission directe de la voix entre le juge d'instruction et le suspect tout en garantissant la confidentialité de leurs échanges.
Si l'audition de la personne privée de liberté est impossible en raison de circonstances exceptionnelles, le juge d'instruction doit alors auditionner les personnes qui sont en mesure d'exposer les charges pesant contre cette personne.
Tous les éléments visés au présent paragraphe, y compris les éventuelles circonstances exceptionnelles ayant rendu l'audition de l'intéressé impossible, sont relatés au procès-verbal d'audition.
L'intéressé est immédiatement informé de la décision du juge d'instruction par le commandant d'un navire de guerre belge ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public, le commandant d'une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil ou le capitaine d'un navire battant pavillon belge directement concerné par une infraction visée à l'article 4.5.1.1 et une copie du mandat d'arrêt provisoire lui est délivrée dès que possible. Le commandant de navire de guerre belge ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public, le commandant d'une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil ou le capitaine d'un navire battant pavillon belge directement concerné par une infraction visée à l'article 4.5.1.1 consigne dans un procès-verbal l'heure précise à laquelle l'intéressé a été informé de la décision du juge d'instruction ainsi que l'heure précise à laquelle la copie du mandat d'arrêt provisoire lui a été délivrée.
§ 6. Dans l'hypothèse où les poursuites sont exercées en Belgique, l'inculpé est transféré en Belgique aussi rapidement que les circonstances le permettent.
Dans les quarante-huit heures de son arrivée sur le territoire du Royaume, il est présenté physiquement au juge d'instruction et interrogé. Le juge d'instruction vérifie si les délais de quarante-huit heures qui suivent l'arrivée du détenu sur le territoire du Royaume et d'un mois maximum visés au paragraphe 5, alinéa 1er, ont été respectés. A défaut d'audition dans les quarante-huit heures ou en cas de non-respect des délais visés au paragraphe 5, alinéa 1er, l'inculpé est remis en liberté.
Si le juge d'instruction estime que la détention doit être maintenue, il délivre un mandat d'arrêt conformément à l'article 16 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
§ 1er. La personne prise en flagrant délit d'une infraction visée à l'article 4.5.1.1 ou à l'égard de laquelle il existe des indices sérieux de culpabilité relatifs à une telle infraction pourra être privée de liberté soit sur l'initiative du commandant d'un navire de guerre belge ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public, soit sur l'initiative du commandant d'une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil, soit à l'initiative du capitaine d'un navire battant pavillon belge directement concerné par une infraction visée à l'article 4.5.1.1 dans le respect des dispositions qui s'appliquent en mer en vertu du droit international.
Il dresse un procès-verbal avec indication détaillée des circonstances dans lesquelles la privation de liberté s'est effectuée, y compris l'heure précise de celle-ci.
§ 2. Le commandant d'un navire de guerre belge ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public, le commandant d'une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil ou le capitaine d'un navire battant pavillon belge directement concerné par une infraction visée à l'article 4.5.1.1 informe sur le champ, par les moyens de communication les plus rapides, le procureur fédéral de la privation de liberté. Il exécute les ordres donnés par ce magistrat en ce qui concerne tant la privation de liberté que les devoirs à exécuter.
§ 3. La privation de liberté ne peut en aucun cas dépasser quarante-huit heures. La privation de liberté doit être confirmée dans les quarante-huit heures par le procureur fédéral. A défaut, l'intéressé est remis en liberté. La décision du procureur fédéral est immédiatement communiquée à l'intéressé par le commandant d'un navire de guerre belge ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public, le commandant d'une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil ou le capitaine d'un navire battant pavillon belge directement concerné par une infraction visée à l'article 4.5.1.1.
§ 4. Le commandant d'un navire de guerre belge ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public, le commandant d'une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil ou le capitaine d'un navire battant pavillon belge directement concerné par une infraction visée à l'article 4.5.1.1 dresse procès-verbal de la privation de liberté. Ce procès-verbal mentionne l'heure précise de la privation de liberté, la décision du procureur fédéral quant à cette privation de liberté ainsi que l'heure précise de la communication à l'intéressé de la décision du procureur fédéral.
§ 5. Si le procureur fédéral estime qu'une personne privée de liberté pour les actes visés à l'article 4.5.1.1 devrait être placée sous mandat d'arrêt, il requiert le juge d'instruction qui peut décerner un mandat d'arrêt provisoire. Le mandat d'arrêt provisoire doit être décerné dans les quarante-huit heures de la privation de liberté initiale et est valable jusqu'à quarante-huit heures qui suivent l'arrivée du détenu sur le territoire du Royaume et au maximum un mois.
L'audition de la personne privée de liberté peut se faire par des moyens radio, téléphoniques, audio-visuels ou d'autres moyens techniques qui permettent une transmission directe de la voix entre le juge d'instruction et le suspect tout en garantissant la confidentialité de leurs échanges.
Si l'audition de la personne privée de liberté est impossible en raison de circonstances exceptionnelles, le juge d'instruction doit alors auditionner les personnes qui sont en mesure d'exposer les charges pesant contre cette personne.
Tous les éléments visés au présent paragraphe, y compris les éventuelles circonstances exceptionnelles ayant rendu l'audition de l'intéressé impossible, sont relatés au procès-verbal d'audition.
L'intéressé est immédiatement informé de la décision du juge d'instruction par le commandant d'un navire de guerre belge ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public, le commandant d'une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil ou le capitaine d'un navire battant pavillon belge directement concerné par une infraction visée à l'article 4.5.1.1 et une copie du mandat d'arrêt provisoire lui est délivrée dès que possible. Le commandant de navire de guerre belge ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public, le commandant d'une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil ou le capitaine d'un navire battant pavillon belge directement concerné par une infraction visée à l'article 4.5.1.1 consigne dans un procès-verbal l'heure précise à laquelle l'intéressé a été informé de la décision du juge d'instruction ainsi que l'heure précise à laquelle la copie du mandat d'arrêt provisoire lui a été délivrée.
§ 6. Dans l'hypothèse où les poursuites sont exercées en Belgique, l'inculpé est transféré en Belgique aussi rapidement que les circonstances le permettent.
Dans les quarante-huit heures de son arrivée sur le territoire du Royaume, il est présenté physiquement au juge d'instruction et interrogé. Le juge d'instruction vérifie si les délais de quarante-huit heures qui suivent l'arrivée du détenu sur le territoire du Royaume et d'un mois maximum visés au paragraphe 5, alinéa 1er, ont été respectés. A défaut d'audition dans les quarante-huit heures ou en cas de non-respect des délais visés au paragraphe 5, alinéa 1er, l'inculpé est remis en liberté.
Si le juge d'instruction estime que la détention doit être maintenue, il délivre un mandat d'arrêt conformément à l'article 16 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
Art. 4.5.1.5. Kennisgeving
Van de maatregelen die ingevolge de bepalingen van deze wet tegen de buitenlandse schepen worden genomen, wordt langs diplomatieke weg kennis gegeven aan de vlaggenstaat.
Van de maatregelen die ingevolge de bepalingen van deze wet tegen de buitenlandse schepen worden genomen, wordt langs diplomatieke weg kennis gegeven aan de vlaggenstaat.
Art. 4.5.1.5. Notification
Les mesures prises à l'encontre des navires battant pavillon étranger en application des dispositions de la présente loi sont notifiées à l'Etat du pavillon par la voie diplomatique.
Les mesures prises à l'encontre des navires battant pavillon étranger en application des dispositions de la présente loi sont notifiées à l'Etat du pavillon par la voie diplomatique.
Art. 4.5.1.6. Sancties
Met een sanctie van niveau 5 wordt eenieder bestraft die artikel 4.5.1.1 overtreedt.
In afwijking van artikel 4.1.1.1 kunnen de in het eerste lid bedoelde misdrijven niet worden bestraft met een administratieve geldboete.
Met een sanctie van niveau 5 wordt eenieder bestraft die artikel 4.5.1.1 overtreedt.
In afwijking van artikel 4.1.1.1 kunnen de in het eerste lid bedoelde misdrijven niet worden bestraft met een administratieve geldboete.
Art. 4.5.1.6. Sanctions
Est puni d'une sanction de niveau 5 quiconque enfreint l'article 4.5.1.1.
Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées à l'alinéa 1re ne peuvent pas être punies d'une amende administrative.
Est puni d'une sanction de niveau 5 quiconque enfreint l'article 4.5.1.1.
Par dérogation à l'article 4.1.1.1, les infractions visées à l'alinéa 1re ne peuvent pas être punies d'une amende administrative.
Art. 4.5.1.7. Vervolging
§ 1. De in artikel 4.5.1.1 bedoelde misdrijven gepleegd aan boord van een Belgisch schip worden geacht te zijn gepleegd op het grondgebied van het Rijk.
§ 2. De federale procureur is bevoegd om in België elke persoon te vervolgen die zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt aan artikel 4.5.1.1 bedoelde misdrijven, wanneer de feiten tegen een Belgisch schip zijn gepleegd of wanneer de verdachten werden aangehouden overeenkomstig artikel 4.5.1.4 door Belgische militairen of door andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn, of door een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip, of door een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij een in artikel 4.5.1.1. bedoelde misdrijven.
§ 3. De in paragraaf 2 bedoelde vervolgingen kunnen plaatsvinden, zelfs indien de persoon niet wordt gevonden op het grondgebied van het Rijk.
§ 4. De federale procureur oordeelt over de opportuniteit van de vervolging, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak.
Voor zover dit rechtscollege de kenmerken van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en billijkheid vertoont, zoals inzonderheid kan blijken uit de relevante internationale verbintenissen waardoor België en de Staat van dit rechtscollege gebonden zijn, kan hij beslissen dat deze zaak, in het belang van een goede rechtsbedeling en met eerbiediging van de internationale verplichtingen van België, aanhangig zou moeten worden gemaakt :
- hetzij bij het rechtscollege van de vlaggenstaat van het schip waartegen de feiten zijn gepleegd;
- hetzij bij het rechtscollege van de Staat waarvan de dader een onderdaan is of van de plaats waar hij kan worden gevonden;
- hetzij bij het rechtscollege van een derde Staat, zulks zodra de voorwaarden van deze overdracht met deze Staat zijn vastgesteld op een wijze die in overeenstemming is met het toepasselijk internationaal recht.
§ 5. De burgerlijke partijstellingen zijn slechts ontvankelijk na de beslissing van de federale procureur om de strafvordering uit te oefenen.
§ 6. De rechtscolleges te Brussel zijn uitsluitend bevoegd om kennis te nemen van de in de artikel 4.5.1.1 bedoelde misdrijven.
§ 7. Alle bepalingen van Boek 1 van het Strafwetboek, met inbegrip van HOOFDSTUK VII en van artikel 85, zijn van toepassing op de artikel 4.5.1.1 bedoelde misdrijven.
§ 1. De in artikel 4.5.1.1 bedoelde misdrijven gepleegd aan boord van een Belgisch schip worden geacht te zijn gepleegd op het grondgebied van het Rijk.
§ 2. De federale procureur is bevoegd om in België elke persoon te vervolgen die zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt aan artikel 4.5.1.1 bedoelde misdrijven, wanneer de feiten tegen een Belgisch schip zijn gepleegd of wanneer de verdachten werden aangehouden overeenkomstig artikel 4.5.1.4 door Belgische militairen of door andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn, of door een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip, of door een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij een in artikel 4.5.1.1. bedoelde misdrijven.
§ 3. De in paragraaf 2 bedoelde vervolgingen kunnen plaatsvinden, zelfs indien de persoon niet wordt gevonden op het grondgebied van het Rijk.
§ 4. De federale procureur oordeelt over de opportuniteit van de vervolging, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak.
Voor zover dit rechtscollege de kenmerken van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en billijkheid vertoont, zoals inzonderheid kan blijken uit de relevante internationale verbintenissen waardoor België en de Staat van dit rechtscollege gebonden zijn, kan hij beslissen dat deze zaak, in het belang van een goede rechtsbedeling en met eerbiediging van de internationale verplichtingen van België, aanhangig zou moeten worden gemaakt :
- hetzij bij het rechtscollege van de vlaggenstaat van het schip waartegen de feiten zijn gepleegd;
- hetzij bij het rechtscollege van de Staat waarvan de dader een onderdaan is of van de plaats waar hij kan worden gevonden;
- hetzij bij het rechtscollege van een derde Staat, zulks zodra de voorwaarden van deze overdracht met deze Staat zijn vastgesteld op een wijze die in overeenstemming is met het toepasselijk internationaal recht.
§ 5. De burgerlijke partijstellingen zijn slechts ontvankelijk na de beslissing van de federale procureur om de strafvordering uit te oefenen.
§ 6. De rechtscolleges te Brussel zijn uitsluitend bevoegd om kennis te nemen van de in de artikel 4.5.1.1 bedoelde misdrijven.
§ 7. Alle bepalingen van Boek 1 van het Strafwetboek, met inbegrip van HOOFDSTUK VII en van artikel 85, zijn van toepassing op de artikel 4.5.1.1 bedoelde misdrijven.
Art. 4.5.1.7. Poursuite
§ 1er. Les infractions visées à l'article 4.5.1.1 commises à bord d'un navire belge sont réputées commises sur le territoire du Royaume.
§ 2. Le procureur fédéral est compétent pour poursuivre en Belgique toute personne qui, hors du territoire du Royaume, se sera rendue coupable des infractions visées à l'article 4.5.1.1 lorsque les faits se sont produits contre un navire belge ou lorsque les suspects ont été appréhendés conformément à l'article 4.5.1.4 par des militaires belges ou par d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public, par une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil ou par un navire battant pavillon belge directement concerné par une infraction visée à l'article 4.5.1.1.
§ 3. Les poursuites visées au paragraphe 2 pourront avoir lieu, même si la personne n'est pas trouvée sur le territoire du Royaume.
§ 4. Le procureur fédéral juge de l'opportunité des poursuites en tenant compte des circonstances concrètes de l'affaire.
Pour autant que cette juridiction présente les qualités d'indépendance, d'impartialité et d'équité, tel que cela peut notamment ressortir des engagements internationaux pertinents liant la Belgique et l'Etat de cette juridiction, il peut décider que, dans l'intérêt d'une bonne administration de la justice et dans le respect des obligations internationales de la Belgique, cette affaire devrait être portée :
- soit devant la juridiction de l'Etat du pavillon du navire contre lequel les faits ont été commis;
- soit devant la juridiction de l'Etat dont l'auteur est ressortissant ou du lieu où il peut être trouvé;
- soit devant la juridiction d'un Etat tiers et ce dès lorsque les conditions de ce transfert ont été arrêtées avec cet Etat d'une manière conforme au droit international applicable.
§ 5. Les constitutions de partie civile ne sont recevables qu'après la décision du procureur fédéral d'exercer l'action publique.
§ 6. Les juridictions de Bruxelles sont exclusivement compétentes pour connaître des infractions visées à l'article 4.5.1.1.
§ 7. Toutes les dispositions du Livre Ier du Code pénal, sans exception du CHAPITRE VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions visées à l'article 4.5.1.1.
§ 1er. Les infractions visées à l'article 4.5.1.1 commises à bord d'un navire belge sont réputées commises sur le territoire du Royaume.
§ 2. Le procureur fédéral est compétent pour poursuivre en Belgique toute personne qui, hors du territoire du Royaume, se sera rendue coupable des infractions visées à l'article 4.5.1.1 lorsque les faits se sont produits contre un navire belge ou lorsque les suspects ont été appréhendés conformément à l'article 4.5.1.4 par des militaires belges ou par d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public, par une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil ou par un navire battant pavillon belge directement concerné par une infraction visée à l'article 4.5.1.1.
§ 3. Les poursuites visées au paragraphe 2 pourront avoir lieu, même si la personne n'est pas trouvée sur le territoire du Royaume.
§ 4. Le procureur fédéral juge de l'opportunité des poursuites en tenant compte des circonstances concrètes de l'affaire.
Pour autant que cette juridiction présente les qualités d'indépendance, d'impartialité et d'équité, tel que cela peut notamment ressortir des engagements internationaux pertinents liant la Belgique et l'Etat de cette juridiction, il peut décider que, dans l'intérêt d'une bonne administration de la justice et dans le respect des obligations internationales de la Belgique, cette affaire devrait être portée :
- soit devant la juridiction de l'Etat du pavillon du navire contre lequel les faits ont été commis;
- soit devant la juridiction de l'Etat dont l'auteur est ressortissant ou du lieu où il peut être trouvé;
- soit devant la juridiction d'un Etat tiers et ce dès lorsque les conditions de ce transfert ont été arrêtées avec cet Etat d'une manière conforme au droit international applicable.
§ 5. Les constitutions de partie civile ne sont recevables qu'après la décision du procureur fédéral d'exercer l'action publique.
§ 6. Les juridictions de Bruxelles sont exclusivement compétentes pour connaître des infractions visées à l'article 4.5.1.1.
§ 7. Toutes les dispositions du Livre Ier du Code pénal, sans exception du CHAPITRE VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions visées à l'article 4.5.1.1.
HOOFDSTUK 2. - Piraterij
CHAPITRE 2. - La piraterie
Art. 4.5.2.1. Begrippen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "piraterij" : daden van piraterij op zee die één van de in artikel 4.5.2.2, § 1, omschreven misdrijven vormen;
2° "piratenschip" : schip dat door de personen die de daadwerkelijke macht over het schip uitoefenen, wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt voor het bedrijven van een van de in artikel 4.5.2.2, § 1, bedoelde handelingen. Hetzelfde geldt voor een schip dat gebruikt is voor het plegen van een dergelijke handeling, zolang het in de macht blijft van de personen die zich aan die handeling hebben schuldig gemaakt;
3° "piratengroep" : vereniging van meer dan twee personen die sinds enige tijd bestaat en die in onderling overleg optreedt om een in artikel 4.5.2.2, § 1 bedoeld misdrijf van piraterij te plegen.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "piraterij" : daden van piraterij op zee die één van de in artikel 4.5.2.2, § 1, omschreven misdrijven vormen;
2° "piratenschip" : schip dat door de personen die de daadwerkelijke macht over het schip uitoefenen, wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt voor het bedrijven van een van de in artikel 4.5.2.2, § 1, bedoelde handelingen. Hetzelfde geldt voor een schip dat gebruikt is voor het plegen van een dergelijke handeling, zolang het in de macht blijft van de personen die zich aan die handeling hebben schuldig gemaakt;
3° "piratengroep" : vereniging van meer dan twee personen die sinds enige tijd bestaat en die in onderling overleg optreedt om een in artikel 4.5.2.2, § 1 bedoeld misdrijf van piraterij te plegen.
Art. 4.5.2.1. Notions
Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
1° " piraterie " : les actes de piraterie maritime constitutifs d'une des infractions définies à l'article 4.5.2.2, § 1er;
2° " navire pirate " : le navire dont les personnes qui le contrôlent effectivement se servent ou entendent se servir pour commettre l'un des actes visés à l'article 4.5.2.2, § 1er. Il en est de même du navire qui a servi à commettre de tels actes tant qu'il demeure sous le contrôle des personnes qui s'en sont rendues coupables;
3° " groupe de pirates " : l'association de plus de deux personnes, établie dans le temps, qui agit de façon concertée en vue de commettre une infraction de piraterie visée à l'article 4.5.2.2, § 1er.
Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
1° " piraterie " : les actes de piraterie maritime constitutifs d'une des infractions définies à l'article 4.5.2.2, § 1er;
2° " navire pirate " : le navire dont les personnes qui le contrôlent effectivement se servent ou entendent se servir pour commettre l'un des actes visés à l'article 4.5.2.2, § 1er. Il en est de même du navire qui a servi à commettre de tels actes tant qu'il demeure sous le contrôle des personnes qui s'en sont rendues coupables;
3° " groupe de pirates " : l'association de plus de deux personnes, établie dans le temps, qui agit de façon concertée en vue de commettre une infraction de piraterie visée à l'article 4.5.2.2, § 1er.
Art. 4.5.2.2. Toepassingsgebied
§ 1. Als een misdrijf van piraterij wordt beschouwd één van de volgende handelingen :
1° iedere onwettige daad van geweld, bedreiging, aanhouding of plundering die door de bemanning of de passagiers van een particulier schip voor persoonlijke doeleinden wordt gepleegd en die is gericht :
i) in volle zee, tegen een ander schip of tegen personen of goederen aan boord van een zodanig schip;
ii) tegen een ander schip, personen of goederen aan boord op een plaats die buiten de rechtsmacht van enige Staat valt;
2° iedere vrijwillige deelneming aan het gebruik van een schip met kennis van de feiten die het schip tot piratenschip maken;
3° iedere poging, iedere voorbereidende handeling of iedere opruiing tot of opzettelijke vergemakkelijking van een onder 1° of 2° omschreven handeling.
§ 2. De daden van piraterij, zoals omschreven in paragraaf 1, bedreven door een oorlogsschip of staatsschip waarvan de bemanning heeft gemuit en het beheer van het schip heeft overgenomen, worden gelijkgesteld met daden bedreven door een particulier schip.
§ 3. De in paragrafen 1 en 2 bedoelde daden die in een andere maritieme zone dan de volle zee gepleegd worden, worden gelijkgesteld met daden van piraterij als bedoeld in paragrafen 1 en 2, in de mate bedoeld in het internationaal recht.
§ 1. Als een misdrijf van piraterij wordt beschouwd één van de volgende handelingen :
1° iedere onwettige daad van geweld, bedreiging, aanhouding of plundering die door de bemanning of de passagiers van een particulier schip voor persoonlijke doeleinden wordt gepleegd en die is gericht :
i) in volle zee, tegen een ander schip of tegen personen of goederen aan boord van een zodanig schip;
ii) tegen een ander schip, personen of goederen aan boord op een plaats die buiten de rechtsmacht van enige Staat valt;
2° iedere vrijwillige deelneming aan het gebruik van een schip met kennis van de feiten die het schip tot piratenschip maken;
3° iedere poging, iedere voorbereidende handeling of iedere opruiing tot of opzettelijke vergemakkelijking van een onder 1° of 2° omschreven handeling.
§ 2. De daden van piraterij, zoals omschreven in paragraaf 1, bedreven door een oorlogsschip of staatsschip waarvan de bemanning heeft gemuit en het beheer van het schip heeft overgenomen, worden gelijkgesteld met daden bedreven door een particulier schip.
§ 3. De in paragrafen 1 en 2 bedoelde daden die in een andere maritieme zone dan de volle zee gepleegd worden, worden gelijkgesteld met daden van piraterij als bedoeld in paragrafen 1 en 2, in de mate bedoeld in het internationaal recht.
Art. 4.5.2.2. Champ d'application
§ 1er. Constitue une infraction de piraterie l'un des actes suivants :
1° tout acte illicite de violence, de menace, de détention ou de déprédation commis par l'équipage ou les passagers d'un navire privé agissant à des fins privées et dirigé :
i) contre un autre navire, ou contre des personnes ou des biens à leur bord, en haute mer;
ii) contre un autre navire, des personnes ou des biens à leur bord, dans un lieu ne relevant de la juridiction d'aucun Etat;
2° tout acte de participation volontaire à l'utilisation d'un navire, lorsque son auteur a connaissance de faits dont il découle que ce navire est un navire pirate;
3° toute tentative, tout acte préparatoire, ou tout acte ayant pour but d'inciter à commettre les actes définis aux 1° ou 2°, ou commis dans l'intention de les faciliter.
§ 2. Les actes de piraterie, tels qu'ils sont définis au paragraphe 1er, perpétrés par un navire de guerre ou un navire d'Etat dont l'équipage mutiné s'est rendu maître sont assimilés à des actes commis par un navire privé.
§ 3. Les actes visés aux paragraphes 1er et 2, commis dans un espace maritime autre que la haute mer, sont assimilés à des actes de piraterie tels que définis aux paragraphes 1er et 2, dans la mesure prévue par le droit international.
§ 1er. Constitue une infraction de piraterie l'un des actes suivants :
1° tout acte illicite de violence, de menace, de détention ou de déprédation commis par l'équipage ou les passagers d'un navire privé agissant à des fins privées et dirigé :
i) contre un autre navire, ou contre des personnes ou des biens à leur bord, en haute mer;
ii) contre un autre navire, des personnes ou des biens à leur bord, dans un lieu ne relevant de la juridiction d'aucun Etat;
2° tout acte de participation volontaire à l'utilisation d'un navire, lorsque son auteur a connaissance de faits dont il découle que ce navire est un navire pirate;
3° toute tentative, tout acte préparatoire, ou tout acte ayant pour but d'inciter à commettre les actes définis aux 1° ou 2°, ou commis dans l'intention de les faciliter.
§ 2. Les actes de piraterie, tels qu'ils sont définis au paragraphe 1er, perpétrés par un navire de guerre ou un navire d'Etat dont l'équipage mutiné s'est rendu maître sont assimilés à des actes commis par un navire privé.
§ 3. Les actes visés aux paragraphes 1er et 2, commis dans un espace maritime autre que la haute mer, sont assimilés à des actes de piraterie tels que définis aux paragraphes 1er et 2, dans la mesure prévue par le droit international.
Art. 4.5.2.3. Sancties
§ 1. Iedere persoon die een in artikel 4.5.2.2, 1° of 2° bedoeld misdrijf van piraterij heeft gepleegd, wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.
Iedere persoon die een in artikel 4.5.2.2, 3°, bedoeld misdrijf van piraterij heeft gepleegd, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.
§ 2. Iedere persoon die deelneemt aan enige activiteit van een piratengroep, met inbegrip van het verstrekken van gegevens of materiële middelen aan de piratengroep of het in enigerlei vorm financieren van enige activiteit van de piratengroep, terwijl hij weet ervan heeft dat zijn deelname bijdraagt tot het plegen van een misdrijf van piraterij, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.
Ieder leidend persoon van de piratengroep wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde misdrijven worden gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar, indien het geweld, de bedreiging, de aanhouding of de vernieling hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden, hetzij het volledige verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij zware verminking ten gevolge hebben.
Dezelfde straf wordt toegepast indien de piraat de personen aan boord heeft onderworpen aan in artikel 417ter, eerste lid, van het Strafwetboek bedoelde handelingen.
De in paragraaf 1 bedoelde misdrijven worden gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar indien het geweld, de bedreiging, de aanhouding of de plundering worden toegebracht zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood veroorzaken.
De in paragraaf 1 bedoelde misdrijven worden gestraft met levenslange opsluiting indien doodslag of moord werd gepleegd.
De in paragraaf 1 bedoelde misdrijven worden gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar indien de veiligheid van de scheepvaart of de milieubescherming ernstig in gevaar werd gebracht.
§ 4. Met uitzondering van de in paragraaf 1, tweede lid, en in paragraaf 2 bedoelde straffen worden de straffen toegepast, zelfs wanneer de voltooiing van de misdaad wordt verhinderd door omstandigheden, onafhankelijk van de wil van de daders.
§ 1. Iedere persoon die een in artikel 4.5.2.2, 1° of 2° bedoeld misdrijf van piraterij heeft gepleegd, wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.
Iedere persoon die een in artikel 4.5.2.2, 3°, bedoeld misdrijf van piraterij heeft gepleegd, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.
§ 2. Iedere persoon die deelneemt aan enige activiteit van een piratengroep, met inbegrip van het verstrekken van gegevens of materiële middelen aan de piratengroep of het in enigerlei vorm financieren van enige activiteit van de piratengroep, terwijl hij weet ervan heeft dat zijn deelname bijdraagt tot het plegen van een misdrijf van piraterij, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.
Ieder leidend persoon van de piratengroep wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde misdrijven worden gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar, indien het geweld, de bedreiging, de aanhouding of de vernieling hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden, hetzij het volledige verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij zware verminking ten gevolge hebben.
Dezelfde straf wordt toegepast indien de piraat de personen aan boord heeft onderworpen aan in artikel 417ter, eerste lid, van het Strafwetboek bedoelde handelingen.
De in paragraaf 1 bedoelde misdrijven worden gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar indien het geweld, de bedreiging, de aanhouding of de plundering worden toegebracht zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood veroorzaken.
De in paragraaf 1 bedoelde misdrijven worden gestraft met levenslange opsluiting indien doodslag of moord werd gepleegd.
De in paragraaf 1 bedoelde misdrijven worden gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar indien de veiligheid van de scheepvaart of de milieubescherming ernstig in gevaar werd gebracht.
§ 4. Met uitzondering van de in paragraaf 1, tweede lid, en in paragraaf 2 bedoelde straffen worden de straffen toegepast, zelfs wanneer de voltooiing van de misdaad wordt verhinderd door omstandigheden, onafhankelijk van de wil van de daders.
Art. 4.5.2.3. Sanctions
§ 1er. Toute personne qui aura commis une infraction de piraterie visée à l'article 4.5.2.2, 1° ou 2° sera punie de la réclusion de dix ans à quinze ans.
Toute personne qui aura commis une infraction de piraterie visée à l'article 4.5.2.2, 3°, sera punie de la réclusion de cinq ans à dix ans.
§ 2. Toute personne qui participe à une activité d'un groupe de pirates, y compris par la fourniture d'informations ou de moyens matériels au groupe de pirates, ou par toute forme de financement d'une activité du groupe de pirates, en ayant connaissance que cette participation contribue à commettre une infraction de piraterie, sera punie de la réclusion de cinq ans à dix ans.
Tout dirigeant du groupe de pirates sera puni de la réclusion de quinze ans à vingt ans.
§ 3. Les infractions visées au paragraphe 1er, seront punies de la réclusion de quinze ans à vingt ans si la violence, la menace, la détention ou la déprédation ont causé soit une maladie paraissant incurable, soit une incapacité de travail personnel de plus de quatre mois, soit la perte complète de l'usage d'un organe, soit une mutilation grave.
La même peine sera appliquée si le pirate a soumis les personnes se trouvant à bord à des actes visés à l'article 417ter, alinéa premier, du Code pénal.
Les infractions visées au paragraphe 1er, seront punies de la réclusion de vingt ans à trente ans si la violence, la menace, la détention ou la déprédation, exercées sans intention de donner la mort, l'ont pourtant causée.
Les infractions visées au paragraphe 1er, seront punies de la réclusion à perpétuité si un meurtre ou un assassinat a été commis.
Les infractions visées au paragraphe 1er, seront punies de la réclusion de quinze ans à vingt ans si une atteinte grave a été portée à la sécurité de la navigation ou à la protection de l'environnement.
§ 4. A l'exception des peines prévues par paragraphe 1er, alinéa 2, et par paragraphe 2, les peines seront appliquées, alors même que la consommation du crime aura été empêchée par des circonstances indépendantes de la volonté des auteurs.
§ 1er. Toute personne qui aura commis une infraction de piraterie visée à l'article 4.5.2.2, 1° ou 2° sera punie de la réclusion de dix ans à quinze ans.
Toute personne qui aura commis une infraction de piraterie visée à l'article 4.5.2.2, 3°, sera punie de la réclusion de cinq ans à dix ans.
§ 2. Toute personne qui participe à une activité d'un groupe de pirates, y compris par la fourniture d'informations ou de moyens matériels au groupe de pirates, ou par toute forme de financement d'une activité du groupe de pirates, en ayant connaissance que cette participation contribue à commettre une infraction de piraterie, sera punie de la réclusion de cinq ans à dix ans.
Tout dirigeant du groupe de pirates sera puni de la réclusion de quinze ans à vingt ans.
§ 3. Les infractions visées au paragraphe 1er, seront punies de la réclusion de quinze ans à vingt ans si la violence, la menace, la détention ou la déprédation ont causé soit une maladie paraissant incurable, soit une incapacité de travail personnel de plus de quatre mois, soit la perte complète de l'usage d'un organe, soit une mutilation grave.
La même peine sera appliquée si le pirate a soumis les personnes se trouvant à bord à des actes visés à l'article 417ter, alinéa premier, du Code pénal.
Les infractions visées au paragraphe 1er, seront punies de la réclusion de vingt ans à trente ans si la violence, la menace, la détention ou la déprédation, exercées sans intention de donner la mort, l'ont pourtant causée.
Les infractions visées au paragraphe 1er, seront punies de la réclusion à perpétuité si un meurtre ou un assassinat a été commis.
Les infractions visées au paragraphe 1er, seront punies de la réclusion de quinze ans à vingt ans si une atteinte grave a été portée à la sécurité de la navigation ou à la protection de l'environnement.
§ 4. A l'exception des peines prévues par paragraphe 1er, alinéa 2, et par paragraphe 2, les peines seront appliquées, alors même que la consommation du crime aura été empêchée par des circonstances indépendantes de la volonté des auteurs.
Art. 4.5.2.4. Bevoegdheden Defensie
§ 1. De commandanten van Belgische oorlogsschepen of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn, zijn onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, bevoegd om elke preventie-, controle- en dwangmaatregel te nemen teneinde daden van piraterij bedoeld in de artikel en 4.5.2.2 en 4.5.2.3 te voorkomen of te doen stoppen.
§ 2. Zij kunnen :
- schepen individueel of in konvooi begeleiden;
- misdrijven van piraterij opsporen en ze vaststellen in processen-verbaal die gelden tot bewijs van het tegendeel;
- zich te allen tijde aan boord begeven van schepen die het voorwerp zijn van daden van piraterij, alsook van deze die ervan worden verdacht aan dergelijke daden deel te nemen of zich voorbereiden om eraan deel te nemen. Te dien einde hebben ze het recht de overlegging van alle scheepspapieren en alle bewijsstukken te eisen en deze te controleren. Indien de verdenkingen blijven bestaan, kunnen zij zich in alle lokalen en plaatsen aan boord begeven;
- een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip brengen;
- een piratenschip of een schip dat na een daad van piraterij is overmeesterd en zich in de macht van de piraten bevindt, in beslag nemen, evenals de goederen aan boord;
- alle documenten en alles wat dienen kan om de waarheid aan de dag te brengen aan boord van een piratenschip in beslag nemen.
§ 3. Als de toegang aan boord geweigerd werd of feitelijk onmogelijk bleek te zijn, kan de commandant van paragraaf 1 bedoelde schip het bevel geven tot koerswijziging van het verdachte schip, dat met voldoende redenen van een misdrijf van piraterij wordt verdacht, naar een geschikte plaats of haven. Deze koerswijziging gebeurt op kosten en op risico van de personen die het bevel hebben van het schip dat zijn koers moet wijzigen.
Tijdens de doorvaart die volgt op de beslissing tot koerswijziging, kan de commandant de nodige en passende dwangmaatregelen nemen met het oog op het vrijwaren van het schip en zijn lading en van de veiligheid van de personen aan boord.
§ 4. In de in dit artikel bedoelde gevallen, indien de personen die het daadwerkelijke bevel van het schip hebben, dat ervan verdacht wordt gebruikt te worden voor het plegen van een misdrijf moet zij of het voorwerp ervan te zijn, het aan boord laten komen of de koerswijziging uitdrukkelijk of feitelijk weigeren, kan de commandant van paragraaf 1 bedoelde schip, na waarschuwingen, overgaan tot dwangmaatregelen tegen dit schip daaronder begrepen, indien nodig, het gebruik van geweld.
§ 1. De commandanten van Belgische oorlogsschepen of andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn, zijn onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, bevoegd om elke preventie-, controle- en dwangmaatregel te nemen teneinde daden van piraterij bedoeld in de artikel en 4.5.2.2 en 4.5.2.3 te voorkomen of te doen stoppen.
§ 2. Zij kunnen :
- schepen individueel of in konvooi begeleiden;
- misdrijven van piraterij opsporen en ze vaststellen in processen-verbaal die gelden tot bewijs van het tegendeel;
- zich te allen tijde aan boord begeven van schepen die het voorwerp zijn van daden van piraterij, alsook van deze die ervan worden verdacht aan dergelijke daden deel te nemen of zich voorbereiden om eraan deel te nemen. Te dien einde hebben ze het recht de overlegging van alle scheepspapieren en alle bewijsstukken te eisen en deze te controleren. Indien de verdenkingen blijven bestaan, kunnen zij zich in alle lokalen en plaatsen aan boord begeven;
- een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip brengen;
- een piratenschip of een schip dat na een daad van piraterij is overmeesterd en zich in de macht van de piraten bevindt, in beslag nemen, evenals de goederen aan boord;
- alle documenten en alles wat dienen kan om de waarheid aan de dag te brengen aan boord van een piratenschip in beslag nemen.
§ 3. Als de toegang aan boord geweigerd werd of feitelijk onmogelijk bleek te zijn, kan de commandant van paragraaf 1 bedoelde schip het bevel geven tot koerswijziging van het verdachte schip, dat met voldoende redenen van een misdrijf van piraterij wordt verdacht, naar een geschikte plaats of haven. Deze koerswijziging gebeurt op kosten en op risico van de personen die het bevel hebben van het schip dat zijn koers moet wijzigen.
Tijdens de doorvaart die volgt op de beslissing tot koerswijziging, kan de commandant de nodige en passende dwangmaatregelen nemen met het oog op het vrijwaren van het schip en zijn lading en van de veiligheid van de personen aan boord.
§ 4. In de in dit artikel bedoelde gevallen, indien de personen die het daadwerkelijke bevel van het schip hebben, dat ervan verdacht wordt gebruikt te worden voor het plegen van een misdrijf moet zij of het voorwerp ervan te zijn, het aan boord laten komen of de koerswijziging uitdrukkelijk of feitelijk weigeren, kan de commandant van paragraaf 1 bedoelde schip, na waarschuwingen, overgaan tot dwangmaatregelen tegen dit schip daaronder begrepen, indien nodig, het gebruik van geweld.
Art. 4.5.2.4. Compétences de la Défence
§ 1er. Sans préjudice des pouvoirs des officiers de police judiciaire, les commandants des navires de guerre belges ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public et qui sont autorisés à cet effet, sont habilités à prendre toute mesure de prévention, de contrôle et de coercition en vue de prévenir ou de faire cesser des actes de piraterie visés aux articles 4.5.2.2 et 4.5.2.3.
§ 2. Ils peuvent :
- accompagner individuellement ou en convoi des navires;
- rechercher les infractions de piraterie et les constater par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire;
- visiter en tout temps les navires qui sont l'objet d'actes de piraterie ainsi que ceux qui sont suspectés de participer à ou de se préparer à participer à de tels actes. A cette fin, ils peuvent exiger la présentation de tous les documents de bord et de toutes les pièces justificatives et les vérifier. Si les soupçons subsistent, ils peuvent pénétrer dans tous les locaux et lieux quelconques à bord;
- embarquer une équipe de protection militaire belge sur un navire civil;
- saisir un navire pirate, ou un navire capturé à la suite d'un acte de piraterie et aux mains de pirates, ainsi que les biens se trouvant à bord;
- saisir tous les documents et tout ce qui pourra servir à la manifestation de la vérité à bord d'un navire pirate.
§ 3. Lorsque l'accès à bord a été refusé ou s'est trouvé matériellement impossible, le commandant du navire visé au paragraphe 1er peut ordonner le déroutement du navire suspecté, avec des motifs suffisants, d'une infraction de piraterie vers la position ou le port appropriés. Ce déroutement se réalise aux frais et risques des personnes qui ont la maîtrise du navire dérouté.
Pendant le transit consécutif à la décision de déroutement, le commandant peut prendre les mesures de coercition nécessaires et adaptées en vue d'assurer la préservation du navire et de sa cargaison et la sécurité des personnes se trouvant à bord.
§ 4. Dans les cas visés par le présent article, si les personnes qui ont la maîtrise effective du navire suspecté de commettre ou d'être l'objet d'une infraction de piraterie refusent expressément ou de fait d'en admettre la visite ou le déroutement, le commandant du navire visé au paragraphe 1er peut, après sommations, recourir à l'encontre de ce navire à des mesures de coercition comprenant, si nécessaire, l'emploi de la force.
§ 1er. Sans préjudice des pouvoirs des officiers de police judiciaire, les commandants des navires de guerre belges ou d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public et qui sont autorisés à cet effet, sont habilités à prendre toute mesure de prévention, de contrôle et de coercition en vue de prévenir ou de faire cesser des actes de piraterie visés aux articles 4.5.2.2 et 4.5.2.3.
§ 2. Ils peuvent :
- accompagner individuellement ou en convoi des navires;
- rechercher les infractions de piraterie et les constater par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire;
- visiter en tout temps les navires qui sont l'objet d'actes de piraterie ainsi que ceux qui sont suspectés de participer à ou de se préparer à participer à de tels actes. A cette fin, ils peuvent exiger la présentation de tous les documents de bord et de toutes les pièces justificatives et les vérifier. Si les soupçons subsistent, ils peuvent pénétrer dans tous les locaux et lieux quelconques à bord;
- embarquer une équipe de protection militaire belge sur un navire civil;
- saisir un navire pirate, ou un navire capturé à la suite d'un acte de piraterie et aux mains de pirates, ainsi que les biens se trouvant à bord;
- saisir tous les documents et tout ce qui pourra servir à la manifestation de la vérité à bord d'un navire pirate.
§ 3. Lorsque l'accès à bord a été refusé ou s'est trouvé matériellement impossible, le commandant du navire visé au paragraphe 1er peut ordonner le déroutement du navire suspecté, avec des motifs suffisants, d'une infraction de piraterie vers la position ou le port appropriés. Ce déroutement se réalise aux frais et risques des personnes qui ont la maîtrise du navire dérouté.
Pendant le transit consécutif à la décision de déroutement, le commandant peut prendre les mesures de coercition nécessaires et adaptées en vue d'assurer la préservation du navire et de sa cargaison et la sécurité des personnes se trouvant à bord.
§ 4. Dans les cas visés par le présent article, si les personnes qui ont la maîtrise effective du navire suspecté de commettre ou d'être l'objet d'une infraction de piraterie refusent expressément ou de fait d'en admettre la visite ou le déroutement, le commandant du navire visé au paragraphe 1er peut, après sommations, recourir à l'encontre de ce navire à des mesures de coercition comprenant, si nécessaire, l'emploi de la force.
Art. 4.5.2.5. Bevoegdheden van de kapitein
Onverminderd de bevoegdheden van de commandanten bedoeld in artikel 4.5.2.4, § 1, en van de officieren van gerechtelijke politie :
1° stellen de kapiteins van schepen die gemachtigd zijn de Belgische vlag te voeren en die rechtstreeks bij piraterij betrokken zijn, misdrijven van piraterij aan boord van het schip vast in processen-verbaal, die gelden tot bewijs van het tegendeel; indien de kapitein niet de Belgische nationaliteit heeft, kan het proces-verbaal in het Engels worden opgesteld;
2° kunnen de kapiteins van schepen die gemachtigd zijn de Belgische vlag te voeren en die rechtstreeks bij piraterij betrokken zijn alles aan boord van het schip wat kan dienen als bewijs van piraterij in beslag nemen.
Onverminderd de bevoegdheden van de commandanten bedoeld in artikel 4.5.2.4, § 1, en van de officieren van gerechtelijke politie :
1° stellen de kapiteins van schepen die gemachtigd zijn de Belgische vlag te voeren en die rechtstreeks bij piraterij betrokken zijn, misdrijven van piraterij aan boord van het schip vast in processen-verbaal, die gelden tot bewijs van het tegendeel; indien de kapitein niet de Belgische nationaliteit heeft, kan het proces-verbaal in het Engels worden opgesteld;
2° kunnen de kapiteins van schepen die gemachtigd zijn de Belgische vlag te voeren en die rechtstreeks bij piraterij betrokken zijn alles aan boord van het schip wat kan dienen als bewijs van piraterij in beslag nemen.
Art. 4.5.2.5. Compétences du capitaine
Sans préjudice des pouvoirs des commandants visés à l'article 4.5.2.4, § 1er, et des officiers de police judiciaire :
1° les capitaines de navires habilités à battre pavillon belge et qui sont directement impliqués dans des actes de piraterie, consignent les délits de piraterie commis à bord du navire dans des procès-verbaux, qui ont force probante jusqu'à preuve du contraire; si le capitaine n'a pas la nationalité belge, le procès-verbal peut être rédigé en anglais;
2° les capitaines de navires habilités à battre pavillon belge qui sont directement impliqués dans des actes de piraterie peuvent saisir tous les éléments à bord du navire pouvant servir de preuve de piraterie.
Sans préjudice des pouvoirs des commandants visés à l'article 4.5.2.4, § 1er, et des officiers de police judiciaire :
1° les capitaines de navires habilités à battre pavillon belge et qui sont directement impliqués dans des actes de piraterie, consignent les délits de piraterie commis à bord du navire dans des procès-verbaux, qui ont force probante jusqu'à preuve du contraire; si le capitaine n'a pas la nationalité belge, le procès-verbal peut être rédigé en anglais;
2° les capitaines de navires habilités à battre pavillon belge qui sont directement impliqués dans des actes de piraterie peuvent saisir tous les éléments à bord du navire pouvant servir de preuve de piraterie.
Art. 4.5.2.6. Strafwetboek
Alle bepalingen van Boek 1 van het Strafwetboek, zonder uitzondering van HOOFDSTUK VII en van artikel 85, zijn van toepassing op de in dit hoofdstuk bedoelde misdrijven.
Alle bepalingen van Boek 1 van het Strafwetboek, zonder uitzondering van HOOFDSTUK VII en van artikel 85, zijn van toepassing op de in dit hoofdstuk bedoelde misdrijven.
Art. 4.5.2.6. Code pénal
Toutes les dispositions du Livre Ier du Code pénal, sans exception du CHAPITRE VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions prévues par le présent chapitre.
Toutes les dispositions du Livre Ier du Code pénal, sans exception du CHAPITRE VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions prévues par le présent chapitre.
Art. 4.5.2.7. Vrijheidsberoving
§ 1. De persoon die op heterdaad wordt betrapt bij piraterij in de zin van de artikel en 4.5.2.2 en 4.5.2.3 of tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld met betrekking tot een dergelijk misdrijf bestaan, kan van zijn vrijheid worden beroofd hetzij op initiatief van de commandant van een schip bedoeld in artikel 4.5.2.4, § 1, hetzij op initiatief van de commandant van een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip, hetzij op initiatief van de kapitein van een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij een daad van piraterij. De commandant dan wel de kapitein maakt een proces-verbaal op met nauwkeurige opgave van de omstandigheden waarin de vrijheidsberoving tot stand is gekomen, met inbegrip van het precieze uur ervan.
§ 2. De commandant dan wel de kapitein brengt de federale procureur onmiddellijk op de hoogte van de vrijheidsberoving door middel van de snelste communicatiemiddelen. De commandant dan wel de kapitein voert de bevelen van deze magistraat uit, zowel wat de vrijheidsberoving als wat de uit te voeren taken betreft.
§ 3. De vrijheidsberoving mag in geen geval langer dan achtenveertig uur duren. De federale procureur moet de vrijheidsberoving binnen achtenveertig uur bevestigen. Bij gebreke daarvan wordt de betrokkene in vrijheid gesteld. Van de beslissing van de federale procureur wordt onverwijld kennis gegeven aan de betrokkene door de commandant dan wel door de kapitein.
§ 4. De commandant dan wel de kapitein maakt een proces-verbaal van de vrijheidsberoving op. Dit proces-verbaal vermeldt het precieze uur van de vrijheidsberoving, de beslissing van de federale procureur met betrekking tot deze vrijheidsberoving, alsook het precieze uur waarop de betrokkene in kennis is gesteld van de beslissing van de federale procureur.
§ 5. Indien de federale procureur van oordeel is dat een wegens daden van piraterij van zijn vrijheid beroofde persoon onder aanhoudingsbevel zou moeten worden geplaatst, vordert hij dit van de onderzoeksrechter die een voorlopig aanhoudingsbevel kan uitvaardigen. Het voorlopig aanhoudingsbevel moet worden uitgevaardigd binnen achtenveertig uur na de initiële vrijheidsberoving en is tot achtenveertig uur na de aankomst van de gedetineerde op het grondgebied van het Rijk en ten hoogste een maand geldig.
Het verhoor van de van zijn vrijheid beroofde persoon kan gebeuren door middel van radio, telefoon, audiovisuele of andere technische middelen die een rechtstreekse overbrenging van de stem tussen de onderzoeksrechter en de verdachte, mogelijk maken en de vertrouwelijkheid van hun gesprek waarborgen.
Indien het verhoor van de van zijn vrijheid beroofde persoon onmogelijk is ingevolge uitzonderlijke omstandigheden, moet de onderzoeksrechter de personen verhoren die de ten laste gelegde feiten met betrekking tot deze persoon, kunnen uiteenzetten.
Al de in deze paragraaf bedoelde elementen, met inbegrip van de eventuele uitzonderlijke omstandigheden die het verhoor van de betrokken persoon onmogelijk hebben gemaakt, worden vermeld in het proces-verbaal van verhoor.
Van de beslissing van de onderzoeksrechter wordt onverwijld kennis gegeven aan de betrokkene door de commandant dan wel de kapitein en, zodra mogelijk, wordt hem een afschrift van het voorlopig aanhoudingsbevel bezorgd. De commandant dan wel de kapitein vermeldt in een proces-verbaal het precieze uur waarop de betrokkene in kennis is gesteld van de beslissing van de onderzoeksrechter en het precieze uur van de afgifte van het afschrift van het voorlopig aanhoudingsbevel.
§ 6. Ingeval de vervolging in België wordt ingesteld, wordt de verdachte zo spoedig als de omstandigheden het mogelijk maken naar België overgebracht.
Binnen achtenveertig uur na zijn aankomst op het grondgebied van het Rijk, moet hij fysiek voor de onderzoeksrechter verschijnen en ondervraagd worden. De onderzoeksrechter gaat na of de in paragraaf 5, eerste lid, bedoelde termijnen van achtenveertig uur na de aankomst van de gedetineerde op het grondgebied van het Rijk en van ten hoogste een maand werden nageleefd. Bij gebrek aan verhoor binnen de achtenveertig uur of in geval van niet-naleving van de in de paragraaf 5, eerste lid, bedoelde termijnen wordt de verdachte in vrijheid gesteld.
Indien de onderzoeksrechter oordeelt dat de hechtenis moet worden gehandhaafd, vaardigt hij een aanhoudingsbevel uit overeenkomstig artikel 16 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
§ 7. Indien de kapitein niet de Belgische nationaliteit heeft, kunnen de bij dit artikel bedoelde processen-verbaal in het Engels gesteld worden.
§ 1. De persoon die op heterdaad wordt betrapt bij piraterij in de zin van de artikel en 4.5.2.2 en 4.5.2.3 of tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld met betrekking tot een dergelijk misdrijf bestaan, kan van zijn vrijheid worden beroofd hetzij op initiatief van de commandant van een schip bedoeld in artikel 4.5.2.4, § 1, hetzij op initiatief van de commandant van een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip, hetzij op initiatief van de kapitein van een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij een daad van piraterij. De commandant dan wel de kapitein maakt een proces-verbaal op met nauwkeurige opgave van de omstandigheden waarin de vrijheidsberoving tot stand is gekomen, met inbegrip van het precieze uur ervan.
§ 2. De commandant dan wel de kapitein brengt de federale procureur onmiddellijk op de hoogte van de vrijheidsberoving door middel van de snelste communicatiemiddelen. De commandant dan wel de kapitein voert de bevelen van deze magistraat uit, zowel wat de vrijheidsberoving als wat de uit te voeren taken betreft.
§ 3. De vrijheidsberoving mag in geen geval langer dan achtenveertig uur duren. De federale procureur moet de vrijheidsberoving binnen achtenveertig uur bevestigen. Bij gebreke daarvan wordt de betrokkene in vrijheid gesteld. Van de beslissing van de federale procureur wordt onverwijld kennis gegeven aan de betrokkene door de commandant dan wel door de kapitein.
§ 4. De commandant dan wel de kapitein maakt een proces-verbaal van de vrijheidsberoving op. Dit proces-verbaal vermeldt het precieze uur van de vrijheidsberoving, de beslissing van de federale procureur met betrekking tot deze vrijheidsberoving, alsook het precieze uur waarop de betrokkene in kennis is gesteld van de beslissing van de federale procureur.
§ 5. Indien de federale procureur van oordeel is dat een wegens daden van piraterij van zijn vrijheid beroofde persoon onder aanhoudingsbevel zou moeten worden geplaatst, vordert hij dit van de onderzoeksrechter die een voorlopig aanhoudingsbevel kan uitvaardigen. Het voorlopig aanhoudingsbevel moet worden uitgevaardigd binnen achtenveertig uur na de initiële vrijheidsberoving en is tot achtenveertig uur na de aankomst van de gedetineerde op het grondgebied van het Rijk en ten hoogste een maand geldig.
Het verhoor van de van zijn vrijheid beroofde persoon kan gebeuren door middel van radio, telefoon, audiovisuele of andere technische middelen die een rechtstreekse overbrenging van de stem tussen de onderzoeksrechter en de verdachte, mogelijk maken en de vertrouwelijkheid van hun gesprek waarborgen.
Indien het verhoor van de van zijn vrijheid beroofde persoon onmogelijk is ingevolge uitzonderlijke omstandigheden, moet de onderzoeksrechter de personen verhoren die de ten laste gelegde feiten met betrekking tot deze persoon, kunnen uiteenzetten.
Al de in deze paragraaf bedoelde elementen, met inbegrip van de eventuele uitzonderlijke omstandigheden die het verhoor van de betrokken persoon onmogelijk hebben gemaakt, worden vermeld in het proces-verbaal van verhoor.
Van de beslissing van de onderzoeksrechter wordt onverwijld kennis gegeven aan de betrokkene door de commandant dan wel de kapitein en, zodra mogelijk, wordt hem een afschrift van het voorlopig aanhoudingsbevel bezorgd. De commandant dan wel de kapitein vermeldt in een proces-verbaal het precieze uur waarop de betrokkene in kennis is gesteld van de beslissing van de onderzoeksrechter en het precieze uur van de afgifte van het afschrift van het voorlopig aanhoudingsbevel.
§ 6. Ingeval de vervolging in België wordt ingesteld, wordt de verdachte zo spoedig als de omstandigheden het mogelijk maken naar België overgebracht.
Binnen achtenveertig uur na zijn aankomst op het grondgebied van het Rijk, moet hij fysiek voor de onderzoeksrechter verschijnen en ondervraagd worden. De onderzoeksrechter gaat na of de in paragraaf 5, eerste lid, bedoelde termijnen van achtenveertig uur na de aankomst van de gedetineerde op het grondgebied van het Rijk en van ten hoogste een maand werden nageleefd. Bij gebrek aan verhoor binnen de achtenveertig uur of in geval van niet-naleving van de in de paragraaf 5, eerste lid, bedoelde termijnen wordt de verdachte in vrijheid gesteld.
Indien de onderzoeksrechter oordeelt dat de hechtenis moet worden gehandhaafd, vaardigt hij een aanhoudingsbevel uit overeenkomstig artikel 16 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
§ 7. Indien de kapitein niet de Belgische nationaliteit heeft, kunnen de bij dit artikel bedoelde processen-verbaal in het Engels gesteld worden.
Art. 4.5.2.7. Privation de la liberté
§ 1er. La personne prise en flagrant délit de piraterie au sens des articles 4.5.2.2et 4.5.2.3 ou à l'égard de laquelle il existe des indices sérieux de culpabilité relatifs à une telle infraction pourra être privée de liberté soit sur l'initiative du commandant d'un navire visé à l'article 4.5.2.4, § 1er, soit sur l'initiative du commandant d'une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil, soit à l'initiative du capitaine d'un navire battant pavillon belge directement concerné par un acte de piraterie. Le commandant ou le capitaine dresse un procès-verbal avec indication détaillée des circonstances dans lesquelles la privation de liberté s'est effectuée, y compris l'heure précise de celle-ci.
§ 2. Le commandant ou le capitaine informe sur le champ, par les moyens de communication les plus rapides, le procureur fédéral de la privation de liberté. Le commandant ou le capitaine exécute les ordres donnés par ce magistrat tant en ce qui concerne la privation de liberté que les devoirs à exécuter.
§ 3. La privation de liberté ne peut en aucun cas dépasser quarante-huit heures. La privation de liberté doit être confirmée dans les quarante-huit heures par le procureur fédéral. A défaut, l'intéressé est remis en liberté. La décision du procureur fédéral est immédiatement communiquée à l'intéressé par le commandant ou le capitaine.
§ 4. Le commandant ou le capitaine dresse procès-verbal de la privation de liberté. Ce procès-verbal mentionne l'heure précise de la privation de liberté, la décision du procureur fédéral quant à cette privation de liberté ainsi que l'heure précise de la communication à l'intéressé de la décision du procureur fédéral.
§ 5. Si le procureur fédéral estime qu'une personne privée de liberté pour des actes de piraterie devrait être placée sous mandat d'arrêt, il requiert le juge d'instruction qui peut décerner un mandat d'arrêt provisoire. Le mandat d'arrêt provisoire doit être décerné dans les quarante-huit heures de la privation de liberté initiale et est valable jusqu'à quarante-huit heures qui suivent l'arrivée du détenu sur le territoire du Royaume et au maximum un mois.
L'audition de la personne privée de liberté peut se faire par des moyens radio, téléphoniques, audio-visuels ou d'autres moyens techniques qui permettent une transmission directe de la voix entre le juge d'instruction et le suspect tout en garantissant la confidentialité de leurs échanges.
Si l'audition de la personne privée de liberté est impossible en raison de circonstances exceptionnelles, le juge d'instruction doit alors auditionner les personnes qui sont en mesure d'exposer les charges pesant contre cette personne.
Tous les éléments visés au présent paragraphe, y compris les éventuelles circonstances exceptionnelles ayant rendu l'audition de l'intéressé impossible, sont relatés au procès-verbal d'audition.
L'intéressé est immédiatement informé de la décision du juge d'instruction par le commandant ou le capitaine et une copie du mandat d'arrêt provisoire lui est délivrée dès que possible. Le commandant ou le capitaine consigne dans un procès-verbal l'heure précise à laquelle l'intéressé a été informé de la décision du juge d'instruction ainsi que l'heure précise à laquelle la copie du mandat d'arrêt provisoire lui a été délivrée.
§ 6. Dans l'hypothèse où les poursuites sont exercées en Belgique, l'inculpé sera transféré en Belgique aussi rapidement que les circonstances le permettent.
Dans les quarante-huit heures de son arrivée sur le territoire du Royaume, il sera présenté physiquement au juge d'instruction et interrogé. Le juge d'instruction vérifie si les délais de quarante-huit heures qui suivent l'arrivée du détenu sur le territoire du Royaume et d'un mois maximum visés au paragraphe 5, alinéa 1er, ont été respectés. A défaut d'audition dans les quarante-huit heures ou en cas de non respect des délais visés au paragraphe 5, alinéa 1er, l'inculpé est remis en liberté.
Si le juge d'instruction estime que la détention doit être maintenue, il délivre mandat d'arrêt conformément à l'article 16 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
§ 7. Si le capitaine n'a pas la nationalité belge, les procès-verbaux visés au présent article peuvent être rédigés en anglais.
§ 1er. La personne prise en flagrant délit de piraterie au sens des articles 4.5.2.2et 4.5.2.3 ou à l'égard de laquelle il existe des indices sérieux de culpabilité relatifs à une telle infraction pourra être privée de liberté soit sur l'initiative du commandant d'un navire visé à l'article 4.5.2.4, § 1er, soit sur l'initiative du commandant d'une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil, soit à l'initiative du capitaine d'un navire battant pavillon belge directement concerné par un acte de piraterie. Le commandant ou le capitaine dresse un procès-verbal avec indication détaillée des circonstances dans lesquelles la privation de liberté s'est effectuée, y compris l'heure précise de celle-ci.
§ 2. Le commandant ou le capitaine informe sur le champ, par les moyens de communication les plus rapides, le procureur fédéral de la privation de liberté. Le commandant ou le capitaine exécute les ordres donnés par ce magistrat tant en ce qui concerne la privation de liberté que les devoirs à exécuter.
§ 3. La privation de liberté ne peut en aucun cas dépasser quarante-huit heures. La privation de liberté doit être confirmée dans les quarante-huit heures par le procureur fédéral. A défaut, l'intéressé est remis en liberté. La décision du procureur fédéral est immédiatement communiquée à l'intéressé par le commandant ou le capitaine.
§ 4. Le commandant ou le capitaine dresse procès-verbal de la privation de liberté. Ce procès-verbal mentionne l'heure précise de la privation de liberté, la décision du procureur fédéral quant à cette privation de liberté ainsi que l'heure précise de la communication à l'intéressé de la décision du procureur fédéral.
§ 5. Si le procureur fédéral estime qu'une personne privée de liberté pour des actes de piraterie devrait être placée sous mandat d'arrêt, il requiert le juge d'instruction qui peut décerner un mandat d'arrêt provisoire. Le mandat d'arrêt provisoire doit être décerné dans les quarante-huit heures de la privation de liberté initiale et est valable jusqu'à quarante-huit heures qui suivent l'arrivée du détenu sur le territoire du Royaume et au maximum un mois.
L'audition de la personne privée de liberté peut se faire par des moyens radio, téléphoniques, audio-visuels ou d'autres moyens techniques qui permettent une transmission directe de la voix entre le juge d'instruction et le suspect tout en garantissant la confidentialité de leurs échanges.
Si l'audition de la personne privée de liberté est impossible en raison de circonstances exceptionnelles, le juge d'instruction doit alors auditionner les personnes qui sont en mesure d'exposer les charges pesant contre cette personne.
Tous les éléments visés au présent paragraphe, y compris les éventuelles circonstances exceptionnelles ayant rendu l'audition de l'intéressé impossible, sont relatés au procès-verbal d'audition.
L'intéressé est immédiatement informé de la décision du juge d'instruction par le commandant ou le capitaine et une copie du mandat d'arrêt provisoire lui est délivrée dès que possible. Le commandant ou le capitaine consigne dans un procès-verbal l'heure précise à laquelle l'intéressé a été informé de la décision du juge d'instruction ainsi que l'heure précise à laquelle la copie du mandat d'arrêt provisoire lui a été délivrée.
§ 6. Dans l'hypothèse où les poursuites sont exercées en Belgique, l'inculpé sera transféré en Belgique aussi rapidement que les circonstances le permettent.
Dans les quarante-huit heures de son arrivée sur le territoire du Royaume, il sera présenté physiquement au juge d'instruction et interrogé. Le juge d'instruction vérifie si les délais de quarante-huit heures qui suivent l'arrivée du détenu sur le territoire du Royaume et d'un mois maximum visés au paragraphe 5, alinéa 1er, ont été respectés. A défaut d'audition dans les quarante-huit heures ou en cas de non respect des délais visés au paragraphe 5, alinéa 1er, l'inculpé est remis en liberté.
Si le juge d'instruction estime que la détention doit être maintenue, il délivre mandat d'arrêt conformément à l'article 16 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
§ 7. Si le capitaine n'a pas la nationalité belge, les procès-verbaux visés au présent article peuvent être rédigés en anglais.
Art. 4.5.2.8. Vervolging
§ 1. De piraterij inbreuken bedoeld in de artikel en 4.5.2.2 en 4.5.2.3 aan boord van een Belgisch schip worden geacht te zijn gepleegd op het grondgebied van het Rijk.
§ 2. De federale procureur is bevoegd om in België elke persoon te vervolgen die zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt aan het misdrijf van piraterij bedoeld in de artikel en 4.5.2.2 en 4.5.2.3, wanneer de feiten tegen een Belgisch schip zijn gepleegd of wanneer de verdachten werden aangehouden overeenkomstig artikel 4.5.2.7 door Belgische militairen of door andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn, of door een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip, of door een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij het in de artikel en 4.5.2.2 en 4.5.2.3 bedoeld misdrijf.
§ 3. De in paragraaf 2 bedoelde vervolgingen kunnen plaatsvinden, zelfs indien de persoon niet wordt gevonden op het grondgebied van het Rijk.
§ 4. De federale procureur oordeelt over de opportuniteit van de vervolging, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak.
Voor zover dit rechtscollege de kenmerken van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en billijkheid vertoont, zoals inzonderheid kan blijken uit de relevante internationale verbintenissen waardoor België en de Staat van dit rechtscollege gebonden zijn, kan hij beslissen dat deze zaak, in het belang van een goede rechtsbedeling en met eerbiediging van de internationale verplichtingen van België, aanhangig zou moeten worden gemaakt :
- hetzij bij het rechtscollege van de vlaggenstaat van het schip waartegen de feiten zijn gepleegd;
- hetzij bij het rechtscollege van de Staat waarvan de dader een onderdaan is of van de plaats waar hij kan worden gevonden;
- hetzij bij het rechtscollege van een derde Staat, zulks zodra de voorwaarden van deze overdracht met deze Staat zijn vastgesteld op een wijze die in overeenstemming is met het toepasselijk internationaal recht.
§ 5. De burgerlijke partijstellingen zijn slechts ontvankelijk na de beslissing van de federale procureur om de strafvordering uit te oefenen.
§ 6. De rechtscolleges te Brussel zijn uitsluitend bevoegd om kennis te nemen van de in de artikel en 4.5.2.2 en 4.5.2.3 bedoelde misdrijven.
§ 1. De piraterij inbreuken bedoeld in de artikel en 4.5.2.2 en 4.5.2.3 aan boord van een Belgisch schip worden geacht te zijn gepleegd op het grondgebied van het Rijk.
§ 2. De federale procureur is bevoegd om in België elke persoon te vervolgen die zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt aan het misdrijf van piraterij bedoeld in de artikel en 4.5.2.2 en 4.5.2.3, wanneer de feiten tegen een Belgisch schip zijn gepleegd of wanneer de verdachten werden aangehouden overeenkomstig artikel 4.5.2.7 door Belgische militairen of door andere Belgische schepen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn, of door een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip, of door een schip dat de Belgische vlag voert en dat rechtsreeks betrokken is bij het in de artikel en 4.5.2.2 en 4.5.2.3 bedoeld misdrijf.
§ 3. De in paragraaf 2 bedoelde vervolgingen kunnen plaatsvinden, zelfs indien de persoon niet wordt gevonden op het grondgebied van het Rijk.
§ 4. De federale procureur oordeelt over de opportuniteit van de vervolging, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak.
Voor zover dit rechtscollege de kenmerken van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en billijkheid vertoont, zoals inzonderheid kan blijken uit de relevante internationale verbintenissen waardoor België en de Staat van dit rechtscollege gebonden zijn, kan hij beslissen dat deze zaak, in het belang van een goede rechtsbedeling en met eerbiediging van de internationale verplichtingen van België, aanhangig zou moeten worden gemaakt :
- hetzij bij het rechtscollege van de vlaggenstaat van het schip waartegen de feiten zijn gepleegd;
- hetzij bij het rechtscollege van de Staat waarvan de dader een onderdaan is of van de plaats waar hij kan worden gevonden;
- hetzij bij het rechtscollege van een derde Staat, zulks zodra de voorwaarden van deze overdracht met deze Staat zijn vastgesteld op een wijze die in overeenstemming is met het toepasselijk internationaal recht.
§ 5. De burgerlijke partijstellingen zijn slechts ontvankelijk na de beslissing van de federale procureur om de strafvordering uit te oefenen.
§ 6. De rechtscolleges te Brussel zijn uitsluitend bevoegd om kennis te nemen van de in de artikel en 4.5.2.2 en 4.5.2.3 bedoelde misdrijven.
Art. 4.5.2.8. Poursuite
§ 1er. Les infractions de piraterie visées aux articles 4.5.2.2 et 4.5.2.3, commises à bord d'un navire belge sont réputées commises sur le territoire du Royaume.
§ 2. Le procureur fédéral est compétent pour poursuivre en Belgique toute personne qui, hors du territoire du Royaume, se sera rendue coupable de l'infraction de piraterie visée aux articles 4.5.2.2 et 4.5.2.3, lorsque les faits se sont produits contre un navire belge ou lorsque les suspects ont été appréhendés conformément à l'article 4.5.2.7 par des militaires belges ou par d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public, ou par une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil, ou par un navire battant pavillon belge directement concerné par l'infraction visée aux articles 4.5.2.2 et 4.5.2.3.
§ 3. Les poursuites visées au paragraphe 2 pourront avoir lieu, même si la personne n'est pas trouvée sur le territoire du Royaume.
§ 4. Le procureur fédéral juge de l'opportunité des poursuites en tenant compte des circonstances concrètes de l'affaire.
Pour autant que cette juridiction présente les qualités d'indépendance, d'impartialité et d'équité, tel que cela peut notamment ressortir des engagements internationaux pertinents liant la Belgique et l'Etat de cette juridiction, il peut décider que, dans l'intérêt d'une bonne administration de la justice et dans le respect des obligations internationales de la Belgique, cette affaire devrait être portée :
- soit devant la juridiction de l'Etat du pavillon du navire contre lequel les faits ont été commis;
- soit devant la juridiction de l'Etat dont l'auteur est ressortissant ou du lieu où il peut être trouvé;
- soit devant la juridiction d'un Etat tiers et ce dès lorsque les conditions de ce transfert ont été arrêtées avec cet Etat d'une manière conforme au droit international applicable.
§ 5. Les constitutions de partie civile ne sont recevables qu'après la décision du procureur fédéral d'exercer l'action publique.
§ 6. Les juridictions de Bruxelles sont exclusivement compétentes pour connaître des infractions visées aux articles 4.5.2.2 et 2.4.2.3.
§ 1er. Les infractions de piraterie visées aux articles 4.5.2.2 et 4.5.2.3, commises à bord d'un navire belge sont réputées commises sur le territoire du Royaume.
§ 2. Le procureur fédéral est compétent pour poursuivre en Belgique toute personne qui, hors du territoire du Royaume, se sera rendue coupable de l'infraction de piraterie visée aux articles 4.5.2.2 et 4.5.2.3, lorsque les faits se sont produits contre un navire belge ou lorsque les suspects ont été appréhendés conformément à l'article 4.5.2.7 par des militaires belges ou par d'autres navires belges qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public, ou par une équipe de protection militaire belge embarquée sur un navire civil, ou par un navire battant pavillon belge directement concerné par l'infraction visée aux articles 4.5.2.2 et 4.5.2.3.
§ 3. Les poursuites visées au paragraphe 2 pourront avoir lieu, même si la personne n'est pas trouvée sur le territoire du Royaume.
§ 4. Le procureur fédéral juge de l'opportunité des poursuites en tenant compte des circonstances concrètes de l'affaire.
Pour autant que cette juridiction présente les qualités d'indépendance, d'impartialité et d'équité, tel que cela peut notamment ressortir des engagements internationaux pertinents liant la Belgique et l'Etat de cette juridiction, il peut décider que, dans l'intérêt d'une bonne administration de la justice et dans le respect des obligations internationales de la Belgique, cette affaire devrait être portée :
- soit devant la juridiction de l'Etat du pavillon du navire contre lequel les faits ont été commis;
- soit devant la juridiction de l'Etat dont l'auteur est ressortissant ou du lieu où il peut être trouvé;
- soit devant la juridiction d'un Etat tiers et ce dès lorsque les conditions de ce transfert ont été arrêtées avec cet Etat d'une manière conforme au droit international applicable.
§ 5. Les constitutions de partie civile ne sont recevables qu'après la décision du procureur fédéral d'exercer l'action publique.
§ 6. Les juridictions de Bruxelles sont exclusivement compétentes pour connaître des infractions visées aux articles 4.5.2.2 et 2.4.2.3.
TITEL 6. [1 - Bijzondere bepalingen voor de Noordzee]1
TITRE 6. [1 - Dispositions particulières pour la mer du Nord]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Cameragebruik]1
Chapitre 1er. [1 - Utilisation de caméras]1
Art. 4.6.1.1. [1 Wet van 21 maart 2007
De wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's is niet van toepassing in de Belgische maritieme zones.]1
De wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's is niet van toepassing in de Belgische maritieme zones.]1
Art.4.6.1.1. [1 Loi du 21 mars 2007
La loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance ne s'applique pas dans les zones maritimes belges.]1
La loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance ne s'applique pas dans les zones maritimes belges.]1
Art. 4.6.1.2. [1 Begrippen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° camera: elke observatiesysteem dat beelden verwerkt;
2° mobiele camera: camera die tijdens de observatie wordt verplaats om vanaf verschillende plaatsen of posities te filmen, met inbegrip van camera's geïnstalleerd aan boord van vaartuigen of vliegtuigen of gehangen aan drones;
3° vaste camera: camera die tijdens de observatie op een vaste plaats blijft om vanaf deze locatie te filmen;
4° intelligente camera: camera die ook onderdelen en software bevat die, al niet gekoppeld aan registers of bestanden, de verzamelde beelden al dan niet autonoom kan verwerken;
5° verwerkingsverantwoordelijke: de persoon bedoeld in artikel 4, 7) van de AVG.]1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° camera: elke observatiesysteem dat beelden verwerkt;
2° mobiele camera: camera die tijdens de observatie wordt verplaats om vanaf verschillende plaatsen of posities te filmen, met inbegrip van camera's geïnstalleerd aan boord van vaartuigen of vliegtuigen of gehangen aan drones;
3° vaste camera: camera die tijdens de observatie op een vaste plaats blijft om vanaf deze locatie te filmen;
4° intelligente camera: camera die ook onderdelen en software bevat die, al niet gekoppeld aan registers of bestanden, de verzamelde beelden al dan niet autonoom kan verwerken;
5° verwerkingsverantwoordelijke: de persoon bedoeld in artikel 4, 7) van de AVG.]1
Art.4.6.1.2. [1 Notions
Pour l'application du présent chapitre, l'on entend par :
1° caméra : tout système d'observation qui traite des images ;
2° caméra mobile : caméra déplacée au cours de l'observation afin de filmer à partir de différents lieux ou positions, y compris les caméras installées à bord des navires ou des avions ou accrochées à des drones ;
3° caméra fixe : caméra placée dans un lieu fixe au cours de l'observation afin de filmer à partir de cet emplacement ;
4° caméra intelligente : caméra qui comprend également des composantes ainsi que des logiciels qui, couplés ou non à des registres ou à des fichiers, peuvent traiter de manière autonome ou non les images recueillies ;
5° responsable du traitement: la personne visée à l'article 4, 7) du RGPD.]1
Pour l'application du présent chapitre, l'on entend par :
1° caméra : tout système d'observation qui traite des images ;
2° caméra mobile : caméra déplacée au cours de l'observation afin de filmer à partir de différents lieux ou positions, y compris les caméras installées à bord des navires ou des avions ou accrochées à des drones ;
3° caméra fixe : caméra placée dans un lieu fixe au cours de l'observation afin de filmer à partir de cet emplacement ;
4° caméra intelligente : caméra qui comprend également des composantes ainsi que des logiciels qui, couplés ou non à des registres ou à des fichiers, peuvent traiter de manière autonome ou non les images recueillies ;
5° responsable du traitement: la personne visée à l'article 4, 7) du RGPD.]1
Art. 4.6.1.3. [1 Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op de plaatsing en het gebruik van camera's in de Belgische territoriale zee en de Exclusief Economische Zone.]1
Dit hoofdstuk is van toepassing op de plaatsing en het gebruik van camera's in de Belgische territoriale zee en de Exclusief Economische Zone.]1
Art.4.6.1.3. [1 Champ d'application
Le présent chapitre s'applique à l'installation et à l'utilisation de caméras dans la mer territoriale belge et la zone économique exclusive.]1
Le présent chapitre s'applique à l'installation et à l'utilisation de caméras dans la mer territoriale belge et la zone économique exclusive.]1
Art. 4.6.1.4. [1 Doel
Het doel van de camera's is:
1° misdrijven tegen personen of goederen te voorkomen, vast te stellen of op te sporen;
2° het mariene milieu te beschermen;
3° wetenschappelijk onderzoek;
4° de scheepvaartveiligheid garanderen;
5° de beveiliging van de bouw- en kunstwerken, kabels en pijpleidingen te garanderen;
6° de beveiliging van de Belgische maritieme zones garanderen;
7° het behoud van de levende rijkdommen.]1
Het doel van de camera's is:
1° misdrijven tegen personen of goederen te voorkomen, vast te stellen of op te sporen;
2° het mariene milieu te beschermen;
3° wetenschappelijk onderzoek;
4° de scheepvaartveiligheid garanderen;
5° de beveiliging van de bouw- en kunstwerken, kabels en pijpleidingen te garanderen;
6° de beveiliging van de Belgische maritieme zones garanderen;
7° het behoud van de levende rijkdommen.]1
Art.4.6.1.4. [1 Objectif
L'objectif des caméras est :
1° la prévention, la constatation ou la détection des délits contre les personnes et les marchandises ;
2° la protection du milieu marin ;
3° la recherche scientifique ;
4° la garantie de la sécurité de la navigation ;
5° la garantie de la sûreté des ouvrages de construction et de génie civil, des câbles et des pipelines ;
6° la garantie de la sûreté des zones maritimes belges ;
7° la conservation des ressources vivantes.]1
L'objectif des caméras est :
1° la prévention, la constatation ou la détection des délits contre les personnes et les marchandises ;
2° la protection du milieu marin ;
3° la recherche scientifique ;
4° la garantie de la sécurité de la navigation ;
5° la garantie de la sûreté des ouvrages de construction et de génie civil, des câbles et des pipelines ;
6° la garantie de la sûreté des zones maritimes belges ;
7° la conservation des ressources vivantes.]1
Art. 4.6.1.5. [1 Andere wetgeving
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op camera's die toegelaten zijn door of krachtens een bijzondere wet of decreet.]1
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op camera's die toegelaten zijn door of krachtens een bijzondere wet of decreet.]1
Art.4.6.1.5. [1 Autres législations
Le présent chapitre ne s'applique pas aux caméras autorisées par ou en vertu d'une loi ou d'un décret spécial.]1
Le présent chapitre ne s'applique pas aux caméras autorisées par ou en vertu d'une loi ou d'un décret spécial.]1
Art. 4.6.1.6. [1 Gebruik van vaste camera's in de territoriale zee
§ 1. Het initiatief tot het plaatsen van één of meer vaste camera's wordt genomen door de verwerkingsverantwoordelijke, die enkel een openbare overheid kan zijn.
§ 2. De verwerkingsverantwoordelijke richt de aanvraag tot het installeren van een vaste camera aan de Cel Maritieme Beveiliging en verduidelijkt in de aanvraag volgende punten:
1° locatie van het plaatsen van de camera;
2° de perimeter;
3° het doeleinde van het gebruik van de camera;
4° de specificaties van de camera;
5° de voorgestelde bewaringstermijn die de maximale van duur zoals bepaald in paragraaf 7 niet te boven mag gaan;
6° de wijze waarop de verwerking van de gegevens gebeurt.
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het aanvraagformulier.
De Cel Maritieme Beveiliging vraagt een advies aan het MIK over de punten 1° tot en met 4°. Indien dit advies niet binnen de dertig dagen wordt gegeven, wordt het geacht positief te zijn.
De Cel Maritieme Beveiliging bezorgt het dossier samen met het advies van het MIK aan de minister die beslist over de plaatsing en de modaliteiten van de camera. De beslissing van de minister is geldig voor een termijn van 5 jaar waarna deze vernieuwd moet worden.
§ 3. De Cel Maritieme Beveiliging maakt de plaatsing van de camera bekend via een Bericht aan Zeevarenden en een publicatie op de website van de Cel Maritieme Beveiliging.
§ 4. De verwerkingsverantwoordelijke houdt een register bij met de beeldverwerkingsactiviteiten van de camera's uitgevoerd onder zijn verantwoordelijkheid. De Koning bepaalt de inhoud van dit register, de modaliteiten en de bewaartermijn ervan.
§ 5. Het bekijken van deze beelden in real time is enkel toegestaan door de diensten bedoeld in artikel 4.2.4.4/1, opdat de bevoegde diensten onmiddellijk kunnen ingrijpen bij misdrijf, schade, overlast of verstoring van de openbare orde en deze diensten in hun optreden optimaal kunnen worden gestuurd, of voor het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek.
§ 6. Het opnemen van de beelden die aanleiding geven tot een verwerking van persoonsgegevens is uitsluitend toegestaan voor de verwezenlijking van de doelstellingen bedoeld in artikel 4.6.1.4.
§ 7. De beelden die aanleiding geven tot een verwerking van persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan strikt noodzakelijk voor de verwezenlijking van de doelstellingen zoals bedoeld in artikel 4.6.1.4, zonder dat de termijn 5 jaar mag overschrijden.
§ 8. In afwijking van paragraaf 1 kan de verwerkingsverantwoordelijke de exploitant van een bouw- of kunstwerk, kabel of pijpleiding zijn op voorwaarde dat de camera enkel de eigen installatie of veiligheidszone filmt en:
1° het gebruik van de camera's is opgenomen in het beveiligingsplan bedoeld in artikel 2.5.2.64; of
2° het gebruik van de camera tot doel heeft de naleving van de veiligheidszone vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 4 februari 2020 tot instelling van veiligheidszones in de zeegebieden onder Belgische rechtsbevoegdheid.
De paragrafen 2 tot en met 4 en paragrafen 6 tot en met 7 zijn overeenkomstige toepassing. De beelden mogen in real time uitsluitend bekeken worden om de beveiliging te kunnen garanderen of onmiddellijk te kunnen ingrijpen als een vaartuig de veiligheidszone schendt.
De beelden bedoeld in deze paragraaf kunnen gedeeld worden met de diensten bedoeld in artikel 4.2.4.4/1 voor de doeleinden bedoeld in artikel 4.6.1.4.]1
§ 1. Het initiatief tot het plaatsen van één of meer vaste camera's wordt genomen door de verwerkingsverantwoordelijke, die enkel een openbare overheid kan zijn.
§ 2. De verwerkingsverantwoordelijke richt de aanvraag tot het installeren van een vaste camera aan de Cel Maritieme Beveiliging en verduidelijkt in de aanvraag volgende punten:
1° locatie van het plaatsen van de camera;
2° de perimeter;
3° het doeleinde van het gebruik van de camera;
4° de specificaties van de camera;
5° de voorgestelde bewaringstermijn die de maximale van duur zoals bepaald in paragraaf 7 niet te boven mag gaan;
6° de wijze waarop de verwerking van de gegevens gebeurt.
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het aanvraagformulier.
De Cel Maritieme Beveiliging vraagt een advies aan het MIK over de punten 1° tot en met 4°. Indien dit advies niet binnen de dertig dagen wordt gegeven, wordt het geacht positief te zijn.
De Cel Maritieme Beveiliging bezorgt het dossier samen met het advies van het MIK aan de minister die beslist over de plaatsing en de modaliteiten van de camera. De beslissing van de minister is geldig voor een termijn van 5 jaar waarna deze vernieuwd moet worden.
§ 3. De Cel Maritieme Beveiliging maakt de plaatsing van de camera bekend via een Bericht aan Zeevarenden en een publicatie op de website van de Cel Maritieme Beveiliging.
§ 4. De verwerkingsverantwoordelijke houdt een register bij met de beeldverwerkingsactiviteiten van de camera's uitgevoerd onder zijn verantwoordelijkheid. De Koning bepaalt de inhoud van dit register, de modaliteiten en de bewaartermijn ervan.
§ 5. Het bekijken van deze beelden in real time is enkel toegestaan door de diensten bedoeld in artikel 4.2.4.4/1, opdat de bevoegde diensten onmiddellijk kunnen ingrijpen bij misdrijf, schade, overlast of verstoring van de openbare orde en deze diensten in hun optreden optimaal kunnen worden gestuurd, of voor het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek.
§ 6. Het opnemen van de beelden die aanleiding geven tot een verwerking van persoonsgegevens is uitsluitend toegestaan voor de verwezenlijking van de doelstellingen bedoeld in artikel 4.6.1.4.
§ 7. De beelden die aanleiding geven tot een verwerking van persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan strikt noodzakelijk voor de verwezenlijking van de doelstellingen zoals bedoeld in artikel 4.6.1.4, zonder dat de termijn 5 jaar mag overschrijden.
§ 8. In afwijking van paragraaf 1 kan de verwerkingsverantwoordelijke de exploitant van een bouw- of kunstwerk, kabel of pijpleiding zijn op voorwaarde dat de camera enkel de eigen installatie of veiligheidszone filmt en:
1° het gebruik van de camera's is opgenomen in het beveiligingsplan bedoeld in artikel 2.5.2.64; of
2° het gebruik van de camera tot doel heeft de naleving van de veiligheidszone vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 4 februari 2020 tot instelling van veiligheidszones in de zeegebieden onder Belgische rechtsbevoegdheid.
De paragrafen 2 tot en met 4 en paragrafen 6 tot en met 7 zijn overeenkomstige toepassing. De beelden mogen in real time uitsluitend bekeken worden om de beveiliging te kunnen garanderen of onmiddellijk te kunnen ingrijpen als een vaartuig de veiligheidszone schendt.
De beelden bedoeld in deze paragraaf kunnen gedeeld worden met de diensten bedoeld in artikel 4.2.4.4/1 voor de doeleinden bedoeld in artikel 4.6.1.4.]1
Art.4.6.1.6. [1 Utilisation de caméras fixes dans la mer territoriale
§ 1er. L'initiative d'installer une ou plusieurs caméras fixes est prise par le responsable du traitement, qui ne peut être qu'une autorité publique.
§ 2. Le responsable du traitement adresse la demande d'installation d'une caméra fixe à la Cellule de la Sûreté maritime et précise les point suivants :
1° l'emplacement de l'installation de la caméra ;
2° le périmètre ;
3° la finalité de l'utilisation de la caméra ;
4° les spécifications de la caméra ;
5° le délai de conservation proposé, qui ne peut excéder la durée maximale énoncée au paragraphe 7 ;
6° la manière dont les données sont traitées.
Le Roi détermine la forme et le contenu du formulaire de demande.
La Cellule de la Sûreté maritime demande un avis au MIK sur les 1° à 4°. Si cet avis n'est pas donné dans les trente jours, il est réputé être positif.
La Cellule de la Sûreté maritime transmet le dossier avec l'avis du MIK au ministre qui décide de l'installation et des modalités de la caméra. La décision du ministre est valable pour un délai de 5 ans, après quoi elle doit être renouvelée.
§ 3. La Cellule de la Sûreté maritime annonce l'installation de la caméra via un Avis aux Navigateurs et une publication sur le site web de la Cellule de la Sûreté maritime.
§ 4. Le responsable du traitement tient un registre des activités de traitement d'images des caméras effectuées sous sa responsabilité. Le Roi détermine le contenu de ce registre, ses modalités et son délai de conservation.
§ 5. La visualisation de ces images en temps réel n'est autorisée que par les services visés à l'article 4.2.4.4/1, afin que les services compétents puissent intervenir immédiatement en cas d'infraction, de dommage, de nuisance ou de perturbation de l'ordre public et que ce services puissent être guidés de manière optimale dans leurs actions, ou afin de réaliser des recherches scientifiques.
§ 6. L'enregistrement des images donnant lieu à un traitement des données à caractère personnel n'est autorisé que pour la réalisation des finalités visées à l'article 4.6.1.4.
§ 7. Les images donnant lieu à un traitement des données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que la durée strictement nécessaire à la réalisation des finalités telles que visées à l'article 4.6.1.4, sans que le délai n'excède 5 ans.
§ 8. Par dérogation au paragraphe 1er, le responsable du traitement peut être l'exploitant d'un ouvrage de construction ou de génie civil, d'un câble ou d'un pipeline, à condition que la caméra filme uniquement sa propre installation ou zone de sécurité, et que :
1° l'utilisation des caméras figure dans le plan de sûreté visé à l'article 2.5.2.64 ; ou
2° l'utilisation de la caméra a pour objectif le respect de la zone de sécurité établie conformément à l'arrêté royal du 4 février 2020 établissant des zones de sécurité dans les espaces marins sous la juridiction de la Belgique.
Les paragraphes 2 à 4 et les paragraphes 6 à 7 sont d'application mutatis mutandis. Les images ne peuvent être visualisées en temps réel qu'afin de garantir la sûreté ou intervenir immédiatement si un navire enfreint la zone de sécurité.
Les images visées au présent paragraphe peuvent être partagées avec les services visés à l'article 4.2.4.4/1 aux fins visées à l'article 4.6.1.4.]1
§ 1er. L'initiative d'installer une ou plusieurs caméras fixes est prise par le responsable du traitement, qui ne peut être qu'une autorité publique.
§ 2. Le responsable du traitement adresse la demande d'installation d'une caméra fixe à la Cellule de la Sûreté maritime et précise les point suivants :
1° l'emplacement de l'installation de la caméra ;
2° le périmètre ;
3° la finalité de l'utilisation de la caméra ;
4° les spécifications de la caméra ;
5° le délai de conservation proposé, qui ne peut excéder la durée maximale énoncée au paragraphe 7 ;
6° la manière dont les données sont traitées.
Le Roi détermine la forme et le contenu du formulaire de demande.
La Cellule de la Sûreté maritime demande un avis au MIK sur les 1° à 4°. Si cet avis n'est pas donné dans les trente jours, il est réputé être positif.
La Cellule de la Sûreté maritime transmet le dossier avec l'avis du MIK au ministre qui décide de l'installation et des modalités de la caméra. La décision du ministre est valable pour un délai de 5 ans, après quoi elle doit être renouvelée.
§ 3. La Cellule de la Sûreté maritime annonce l'installation de la caméra via un Avis aux Navigateurs et une publication sur le site web de la Cellule de la Sûreté maritime.
§ 4. Le responsable du traitement tient un registre des activités de traitement d'images des caméras effectuées sous sa responsabilité. Le Roi détermine le contenu de ce registre, ses modalités et son délai de conservation.
§ 5. La visualisation de ces images en temps réel n'est autorisée que par les services visés à l'article 4.2.4.4/1, afin que les services compétents puissent intervenir immédiatement en cas d'infraction, de dommage, de nuisance ou de perturbation de l'ordre public et que ce services puissent être guidés de manière optimale dans leurs actions, ou afin de réaliser des recherches scientifiques.
§ 6. L'enregistrement des images donnant lieu à un traitement des données à caractère personnel n'est autorisé que pour la réalisation des finalités visées à l'article 4.6.1.4.
§ 7. Les images donnant lieu à un traitement des données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que la durée strictement nécessaire à la réalisation des finalités telles que visées à l'article 4.6.1.4, sans que le délai n'excède 5 ans.
§ 8. Par dérogation au paragraphe 1er, le responsable du traitement peut être l'exploitant d'un ouvrage de construction ou de génie civil, d'un câble ou d'un pipeline, à condition que la caméra filme uniquement sa propre installation ou zone de sécurité, et que :
1° l'utilisation des caméras figure dans le plan de sûreté visé à l'article 2.5.2.64 ; ou
2° l'utilisation de la caméra a pour objectif le respect de la zone de sécurité établie conformément à l'arrêté royal du 4 février 2020 établissant des zones de sécurité dans les espaces marins sous la juridiction de la Belgique.
Les paragraphes 2 à 4 et les paragraphes 6 à 7 sont d'application mutatis mutandis. Les images ne peuvent être visualisées en temps réel qu'afin de garantir la sûreté ou intervenir immédiatement si un navire enfreint la zone de sécurité.
Les images visées au présent paragraphe peuvent être partagées avec les services visés à l'article 4.2.4.4/1 aux fins visées à l'article 4.6.1.4.]1
Art. 4.6.1.7. [1 Gebruik van mobiele camera's in de territoriale zee
Een mobiele camera kan enkel geïnstalleerd worden door een overheid bedoeld in artikel 4.2.4.4/1 overeenkomstig de modaliteiten in artikel 4.6.1.6.]1
Een mobiele camera kan enkel geïnstalleerd worden door een overheid bedoeld in artikel 4.2.4.4/1 overeenkomstig de modaliteiten in artikel 4.6.1.6.]1
Art.4.6.1.7. [1 Utilisation de caméras mobiles dans la mer territoriale
Une caméra mobile ne peut être installée que par une autorité visée à l'article 4.2.4.4/1 conformément aux modalités à l'article 4.6.1.6.]1
Une caméra mobile ne peut être installée que par une autorité visée à l'article 4.2.4.4/1 conformément aux modalités à l'article 4.6.1.6.]1
Art. 4.6.1.8. [1 Gebruik van vaste of mobiele camera's in de Exclusief Economische Zone
Het gebruik van vaste of mobiele camera's in de Exclusief Economische Zone is toegelaten overeenkomstig de modaliteiten bedoeld in artikel 4.6.1.6 en 4.6.1.7, met als bijkomende voorwaarde dat de aanvrager moet aantonen dat de camera gebruikt wordt voor één van de rechten bedoeld in artikel 56 of 60 van het VN-Zeerechtenverdrag.]1
Het gebruik van vaste of mobiele camera's in de Exclusief Economische Zone is toegelaten overeenkomstig de modaliteiten bedoeld in artikel 4.6.1.6 en 4.6.1.7, met als bijkomende voorwaarde dat de aanvrager moet aantonen dat de camera gebruikt wordt voor één van de rechten bedoeld in artikel 56 of 60 van het VN-Zeerechtenverdrag.]1
Art.4.6.1.8. [1 Utilisation de caméras fixes ou mobiles dans la zone économique exclusive
L'utilisation de caméras fixes ou mobiles dans la zone économique exclusive est autorisée conformément aux modalités visées aux articles 4.6.1.6 et 4.6.1.7, avec pour condition supplémentaire que le demandeur doit démontrer que la caméra est utilisée pour l'un des droits visés à l'article 56 ou 60 de la Convention des NU sur le droit de la mer.]1
L'utilisation de caméras fixes ou mobiles dans la zone économique exclusive est autorisée conformément aux modalités visées aux articles 4.6.1.6 et 4.6.1.7, avec pour condition supplémentaire que le demandeur doit démontrer que la caméra est utilisée pour l'un des droits visés à l'article 56 ou 60 de la Convention des NU sur le droit de la mer.]1
Art. 4.6.1.9. [1 Verboden gebruik van camera's
Elke plaatsing of gebruik van camera's in de territoriale zee of de exclusief economische zone in strijd met de bepalingen overeenkomstig de artikelen 4.6.1.4, 4.6.1.6, 4.6.1.7 en 4.6.1.8 is verboden.]1
Elke plaatsing of gebruik van camera's in de territoriale zee of de exclusief economische zone in strijd met de bepalingen overeenkomstig de artikelen 4.6.1.4, 4.6.1.6, 4.6.1.7 en 4.6.1.8 is verboden.]1
Art.4.6.1.9. [1 Utilisation interdite de caméras
Toute installation ou utilisation de caméras dans la mer territoriale ou la zone économique exclusive en violation des dispositions conformément aux articles 4.6.1.4, 4.6.1.6, 4.6.1.7 et 4.6.1.8 est interdite.]1
Toute installation ou utilisation de caméras dans la mer territoriale ou la zone économique exclusive en violation des dispositions conformément aux articles 4.6.1.4, 4.6.1.6, 4.6.1.7 et 4.6.1.8 est interdite.]1
Art. 4.6.1.10. [1 Intelligente camera's
Het gebruik van intelligente camera's gekoppeld aan registers of bestanden van persoonsgegevens zijn enkel toegelaten met het oog op de automatische herkenning van het vaartuig.]1
Het gebruik van intelligente camera's gekoppeld aan registers of bestanden van persoonsgegevens zijn enkel toegelaten met het oog op de automatische herkenning van het vaartuig.]1
Art.4.6.1.10. [1 Caméras intelligentes
L'utilisation de caméras intelligentes couplées à des registres ou à des fichiers de données à caractère personnel n'est autorisée qu'en vue de la reconnaissance automatique du navire.]1
L'utilisation de caméras intelligentes couplées à des registres ou à des fichiers de données à caractère personnel n'est autorisée qu'en vue de la reconnaissance automatique du navire.]1
Art. 4.6.1.11. [1 Recht van toegang
§ 1. Iedere gefilmde persoon heeft een recht van toegang tot de beelden.
De gefilmde persoon richt hiervoor een verzoek aan de verwerkingsverantwoordelijke. Dit verzoek bevat voldoende gedetailleerde aanwijzingen om de betrokken beelden precies te kunnen lokaliseren.
Wanneer de gefilmde persoon aanspraak kan maken op het recht om een kopie te verkrijgen overeenkomstig artikel 15, 3, van de AVG kan de verwerkingsverantwoordelijke het verzoek tot toegang inwilligen, door aan de gefilmde persoon de beelden te laten bekijken, zonder een kopie van de beelden te verstrekken, teneinde te waarborgen dat:
1° de rechten en vrijheden van andere zoals voorzien door artikel 15, 4, van de AVG niet in het gedrang komen;
2° de openbare veiligheid of de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, met toepassing van artikel 23, 1, c) en d), van de AVG niet in gevaar wordt gebracht.]1
§ 1. Iedere gefilmde persoon heeft een recht van toegang tot de beelden.
De gefilmde persoon richt hiervoor een verzoek aan de verwerkingsverantwoordelijke. Dit verzoek bevat voldoende gedetailleerde aanwijzingen om de betrokken beelden precies te kunnen lokaliseren.
Wanneer de gefilmde persoon aanspraak kan maken op het recht om een kopie te verkrijgen overeenkomstig artikel 15, 3, van de AVG kan de verwerkingsverantwoordelijke het verzoek tot toegang inwilligen, door aan de gefilmde persoon de beelden te laten bekijken, zonder een kopie van de beelden te verstrekken, teneinde te waarborgen dat:
1° de rechten en vrijheden van andere zoals voorzien door artikel 15, 4, van de AVG niet in het gedrang komen;
2° de openbare veiligheid of de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, met toepassing van artikel 23, 1, c) en d), van de AVG niet in gevaar wordt gebracht.]1
Art.4.6.1.11. [1 Droit d'accès
§ 1er. Toute personne filmée a un droit d'accès aux images.
La personne filmée adresse à cet effet une demande au responsable du traitement. Cette demande comporte des indications suffisamment détaillées pour permettre de localiser les images concernées de manière précise.
Lorsque la personne filmée peut prétendre au droit d'obtenir une copie conformément à l'article 15, 3, du RGPD, le responsable du traitement peut répondre à la demande d'accès en faisant visionner à la personne filmée les images où elle apparaît, sans lui fournir une copie des images, afin de garantir que :
1° les droits et libertés d'autrui, comme prévu à l'article 15, 4, du RGPD, ne sont pas compromis ;
2° la sécurité publique ou la prévention et la détection d'infractions pénales, ainsi que les enquêtes et les poursuites en la matière ou l'exécution de sanctions pénales, en application de l'article 23, paragraphe 1er, c) et d), du RGPD, ne sont pas compromises.]1
§ 1er. Toute personne filmée a un droit d'accès aux images.
La personne filmée adresse à cet effet une demande au responsable du traitement. Cette demande comporte des indications suffisamment détaillées pour permettre de localiser les images concernées de manière précise.
Lorsque la personne filmée peut prétendre au droit d'obtenir une copie conformément à l'article 15, 3, du RGPD, le responsable du traitement peut répondre à la demande d'accès en faisant visionner à la personne filmée les images où elle apparaît, sans lui fournir une copie des images, afin de garantir que :
1° les droits et libertés d'autrui, comme prévu à l'article 15, 4, du RGPD, ne sont pas compromis ;
2° la sécurité publique ou la prévention et la détection d'infractions pénales, ainsi que les enquêtes et les poursuites en la matière ou l'exécution de sanctions pénales, en application de l'article 23, paragraphe 1er, c) et d), du RGPD, ne sont pas compromises.]1
Art. 4.6.1.12. [1 Strafbepalingen
Overtreding van de artikelen 4.6.1.6 tot 4.6.1.10 wordt gestraft met een geldboete van 100 euro tot 10.000 euro. Wordt gestraft met dezelfde geldboete, de persoon die de beschikking heeft over een afbeelding waarvan redelijkerwijs kan vermoed worden dat dit beeld verkregen met schending van deze artikelen.]1
Overtreding van de artikelen 4.6.1.6 tot 4.6.1.10 wordt gestraft met een geldboete van 100 euro tot 10.000 euro. Wordt gestraft met dezelfde geldboete, de persoon die de beschikking heeft over een afbeelding waarvan redelijkerwijs kan vermoed worden dat dit beeld verkregen met schending van deze artikelen.]1
Art.4.6.1.12. [1 Dispositions pénales
Quiconque enfreint les articles 4.6.1.6 à 4.6.1.10 est puni d'une amende de 100 euros à 10.000 euros. Est puni d'une amende identique, la personne qui dispose d'une image dont on peut raisonnablement soupçonner qu'elle a été obtenue en violation de ces mêmes articles.]1
Quiconque enfreint les articles 4.6.1.6 à 4.6.1.10 est puni d'une amende de 100 euros à 10.000 euros. Est puni d'une amende identique, la personne qui dispose d'une image dont on peut raisonnablement soupçonner qu'elle a été obtenue en violation de ces mêmes articles.]1
HOOFDSTUK 2. [1 - Andere detectiemiddelen]1
CHAPITRE 2. [1 - Autres moyens de détection]1
Art. 4.6.2.1. [1 Overheden
De diensten bedoeld in artikel 4.2.4.4/1 kunnen detectieapparatuur plaatsen in de Belgische maritieme zones, met inbegrip van onderwatersensoren.
Indien door middel van deze detectieapparatuur een persoon geïdentificeerd kan worden, is de procedure van artikel 4.6.1.6 of 4.6.1.8 van overeenkomstige toepassing.]1
De diensten bedoeld in artikel 4.2.4.4/1 kunnen detectieapparatuur plaatsen in de Belgische maritieme zones, met inbegrip van onderwatersensoren.
Indien door middel van deze detectieapparatuur een persoon geïdentificeerd kan worden, is de procedure van artikel 4.6.1.6 of 4.6.1.8 van overeenkomstige toepassing.]1
Art.4.6.2.1. [1 Autorités
Les services visés à l'article 4.2.4.4/1 peuvent installer des équipements de détection dans les zones maritimes belges, y compris des capteurs sous-marins.
S'il est possible d'identifier une personne au moyen de cet équipement de détection, la procédure aux articles 4.6.1.6 ou 4.6.1.8 est d'application mutatis mutandis.]1
Les services visés à l'article 4.2.4.4/1 peuvent installer des équipements de détection dans les zones maritimes belges, y compris des capteurs sous-marins.
S'il est possible d'identifier une personne au moyen de cet équipement de détection, la procédure aux articles 4.6.1.6 ou 4.6.1.8 est d'application mutatis mutandis.]1
Art. 4.6.2.2. [1 Private personen
Een natuurlijk of rechtspersoon kan detectieapparatuur plaatsen in de Belgische maritieme zones om de naleving van de veiligheidszone vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 4 februari 2020 tot instelling van veiligheidszones in de zeegebieden onder Belgische rechtsbevoegdheid te controleren.
Indien door middel van deze detectieapparatuur een persoon geïdentificeerd kan worden, is de procedure van artikel 4.6.1.6 of 4.6.1.8 van overeenkomstige toepassing.]1
Een natuurlijk of rechtspersoon kan detectieapparatuur plaatsen in de Belgische maritieme zones om de naleving van de veiligheidszone vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 4 februari 2020 tot instelling van veiligheidszones in de zeegebieden onder Belgische rechtsbevoegdheid te controleren.
Indien door middel van deze detectieapparatuur een persoon geïdentificeerd kan worden, is de procedure van artikel 4.6.1.6 of 4.6.1.8 van overeenkomstige toepassing.]1
Art.4.6.2.2. [1 Personnes privées
Une personne physique ou morale peut installer des équipements de détection dans les zones maritimes belges pour vérifier le respect de la zone de sécurité établie conformément à l'arrêté royal du 4 février 2020 établissant des zones de sécurité dans les espaces marins sous la juridiction de la Belgique.
S'il est possible d'identifier une personne au moyen de cet équipement de détection, la procédure aux articles 4.6.1.6 ou 4.6.1.8 est d'application mutatis mutandis.]1
Une personne physique ou morale peut installer des équipements de détection dans les zones maritimes belges pour vérifier le respect de la zone de sécurité établie conformément à l'arrêté royal du 4 février 2020 établissant des zones de sécurité dans les espaces marins sous la juridiction de la Belgique.
S'il est possible d'identifier une personne au moyen de cet équipement de détection, la procédure aux articles 4.6.1.6 ou 4.6.1.8 est d'application mutatis mutandis.]1
Art. 4.6.2.3. [1 Strafbepalingen
Overtreding van de artikelen 4.6.2.1 of 4.6.2.2 wordt gestraft met een geldboete van 100 euro tot 10.000 euro.]1
Overtreding van de artikelen 4.6.2.1 of 4.6.2.2 wordt gestraft met een geldboete van 100 euro tot 10.000 euro.]1
Art.4.6.2.3. [1 Dispositions pénales
Quiconque enfreint les articles 4.6.2.1 ou 4.6.2.2 est puni d'une amende de 100 euros à 10.000 euros.]1
Quiconque enfreint les articles 4.6.2.1 ou 4.6.2.2 est puni d'une amende de 100 euros à 10.000 euros.]1
TITEL 7. [1 - Gegevensbescherming en gegevensuitwisseling]1
TITRE 7. [1 - Protection des données et échange de données]1
HOOFDSTUK 1. [1 - DG Scheepvaart]1
CHAPITRE 1er. [1 - DG Navigation]1
Afdeling 1. [1 - Handhaving]1
Section 1re. [1 - Mise en application]1
Art.4.7.1.1. [1 Toepassing
Deze afdeling is van toepassing op de gegevensbescherming en de gegevensuitwisseling met betrekking tot de handhaving van dit wetboek, de scheepvaartwetten zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten en de uitvoeringsbesluiten.]1
Deze afdeling is van toepassing op de gegevensbescherming en de gegevensuitwisseling met betrekking tot de handhaving van dit wetboek, de scheepvaartwetten zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten en de uitvoeringsbesluiten.]1
Art.4.7.1.1. [1 Application
La présente section s'applique à la protection des données et à l'échange de données dans le cadre du contrôle du respect du présent code, des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation et des arrêtés d'exécution.]1
La présente section s'applique à la protection des données et à l'échange de données dans le cadre du contrôle du respect du présent code, des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation et des arrêtés d'exécution.]1
Art.4.7.1.2. [1 Doel
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.1.4 mogen verwerkt worden voor de volgende doeleinden:
1° het voorkomen, vaststellen, opsporen, administratief of strafrechtelijke vervolgen en bestraffen van inbreuken op dit wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en de uitvoeringsbesluiten;
2° het bijhouden van de veroordelingen tot administratieve geldboetes door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
3° het maken van statistieken om de trends, bedreigingen en evoluties bij de inbreuken op dit wetboek, de scheepvaartwetten zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten en de uitvoeringsbesluiten op te maken.]1
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.1.4 mogen verwerkt worden voor de volgende doeleinden:
1° het voorkomen, vaststellen, opsporen, administratief of strafrechtelijke vervolgen en bestraffen van inbreuken op dit wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en de uitvoeringsbesluiten;
2° het bijhouden van de veroordelingen tot administratieve geldboetes door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
3° het maken van statistieken om de trends, bedreigingen en evoluties bij de inbreuken op dit wetboek, de scheepvaartwetten zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten en de uitvoeringsbesluiten op te maken.]1
Art.4.7.1.2. [1 But
Les données visées à l'article 4.7.1.4 peuvent être traitées pour les finalités suivantes:
1° prévenir, constater, détecter, poursuivre administrativement ou pénalement et sanctionner les infractions au présent Code, aux traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou aux lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et aux arrêtés d'exécution;
2° tenir à jour les condamnations à des amendes administratives par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
3° établir des statistiques pour dégager les tendances, menaces et évolutions concernant les infractions au présent code, aux lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation et aux arrêtés d'exécution.]1
Les données visées à l'article 4.7.1.4 peuvent être traitées pour les finalités suivantes:
1° prévenir, constater, détecter, poursuivre administrativement ou pénalement et sanctionner les infractions au présent Code, aux traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou aux lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et aux arrêtés d'exécution;
2° tenir à jour les condamnations à des amendes administratives par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
3° établir des statistiques pour dégager les tendances, menaces et évolutions concernant les infractions au présent code, aux lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation et aux arrêtés d'exécution.]1
Art.4.7.1.3. [1 Betrokken natuurlijke personen
De gegevens van de volgende personen mogen verwerkt worden:
1° iedereen die verdacht wordt of een inbreuk heeft gepleegd op dit wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en de uitvoeringsbesluiten;
2° de leden van de autoriteiten belast met de handhaving van dit Wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en de uitvoeringsbesluiten.]1
De gegevens van de volgende personen mogen verwerkt worden:
1° iedereen die verdacht wordt of een inbreuk heeft gepleegd op dit wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en de uitvoeringsbesluiten;
2° de leden van de autoriteiten belast met de handhaving van dit Wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en de uitvoeringsbesluiten.]1
Art.4.7.1.3. [1 Personnes physiques concernées
Les données des personnes suivantes peuvent être traitées:
1° toute personne soupçonnée ou ayant commis une infraction au présent Code, aux traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou aux lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et aux arrêtés d'exécution;
2° les membres des autorités chargées de contrôler le respect du présent Code, des traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et des arrêtés d'exécution.]1
Les données des personnes suivantes peuvent être traitées:
1° toute personne soupçonnée ou ayant commis une infraction au présent Code, aux traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou aux lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et aux arrêtés d'exécution;
2° les membres des autorités chargées de contrôler le respect du présent Code, des traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et des arrêtés d'exécution.]1
Art.4.7.1.4. [1 Te verwerken gegevens
§ 1. Van de personen bedoeld in artikel 4.7.1.3, 1°, mogen de volgende gegevens verwerkt worden:
1° naam en voornamen;
2° het rijksregisternummer of het bis-identificatienummer toegekend door de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid;
3° geboortedatum en adres voor niet-Belgen;
4° e-mailadres;
5° eventuele foto's of bewegende beelden waarop de betrokkene herkenbaar is;
6° omschrijving van de uiterlijke kenmerken van de betrokkene op het ogenblik van de vermeende inbreuk;
7° resultaten van alcohol en drugstesten;
8° eerdere veroordelingen door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.
§ 2. Van de leden van de autoriteiten belast met de handhaving van dit wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en al hun uitvoeringsbesluiten mogen de volgende gegevens worden verwerkt:
1° naam en voornamen;
2° identificatienummer gegeven door de overheidsdienst waarvoor de inspecteur werkt;
3° e-mailadres.
§ 3. Voor de toepassing van dit artikel, worden de verwerkers gemachtigd om het rijksregister te gebruiken met toepassing van artikel 5 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.]1
§ 1. Van de personen bedoeld in artikel 4.7.1.3, 1°, mogen de volgende gegevens verwerkt worden:
1° naam en voornamen;
2° het rijksregisternummer of het bis-identificatienummer toegekend door de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid;
3° geboortedatum en adres voor niet-Belgen;
4° e-mailadres;
5° eventuele foto's of bewegende beelden waarop de betrokkene herkenbaar is;
6° omschrijving van de uiterlijke kenmerken van de betrokkene op het ogenblik van de vermeende inbreuk;
7° resultaten van alcohol en drugstesten;
8° eerdere veroordelingen door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.
§ 2. Van de leden van de autoriteiten belast met de handhaving van dit wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en al hun uitvoeringsbesluiten mogen de volgende gegevens worden verwerkt:
1° naam en voornamen;
2° identificatienummer gegeven door de overheidsdienst waarvoor de inspecteur werkt;
3° e-mailadres.
§ 3. Voor de toepassing van dit artikel, worden de verwerkers gemachtigd om het rijksregister te gebruiken met toepassing van artikel 5 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.]1
Art.4.7.1.4. [1 Données à traiter
§ 1er. Les données suivantes concernant les personnes visées à l'article 4.7.1.3, 1° peuvent être traitées:
1° nom et prénoms;
2° le numéro de registre national ou son numéro d'identification bis attribué par la Banque Carrefour de la Sécurité Sociale;
3° date de naissance et adresse pour les non-Belges;
4° adresse e-mail;
5° photos ou images en mouvement éventuelles sur lesquelles la personne concernée est reconnaissable;
6° description des caractéristiques externes de la personne concernée au moment de l'infraction présumée;
7° résultats des tests d'alcoolémie et de détection des drogues;
8° condamnations antérieures par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation.
§ 2. Les données suivantes concernant les membres des autorités chargées de contrôler le respect du présent Code, des traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et de tous les arrêtés d'exécution peuvent être traitées:
1° nom et prénoms;
2° numéro d'identification attribué par le service public pour lequel l'inspecteur travaille;
3° adresse e-mail.
§ 3. Pour l'application du présent article, les sous-traitants sont autorisés à utiliser le registre national avec l'application de l'article 5 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.]1
§ 1er. Les données suivantes concernant les personnes visées à l'article 4.7.1.3, 1° peuvent être traitées:
1° nom et prénoms;
2° le numéro de registre national ou son numéro d'identification bis attribué par la Banque Carrefour de la Sécurité Sociale;
3° date de naissance et adresse pour les non-Belges;
4° adresse e-mail;
5° photos ou images en mouvement éventuelles sur lesquelles la personne concernée est reconnaissable;
6° description des caractéristiques externes de la personne concernée au moment de l'infraction présumée;
7° résultats des tests d'alcoolémie et de détection des drogues;
8° condamnations antérieures par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation.
§ 2. Les données suivantes concernant les membres des autorités chargées de contrôler le respect du présent Code, des traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et de tous les arrêtés d'exécution peuvent être traitées:
1° nom et prénoms;
2° numéro d'identification attribué par le service public pour lequel l'inspecteur travaille;
3° adresse e-mail.
§ 3. Pour l'application du présent article, les sous-traitants sont autorisés à utiliser le registre national avec l'application de l'article 5 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.]1
Art.4.7.1.5. [1 Toegang
De volgende diensten kunnen toegang hebben tot de gegevens bedoeld in artikel 4.1.7.4:
1° de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
2° het openbaar ministerie;
3° de onderzoeksrechters;
4° leden van de autoriteiten belast met de handhaving van dit wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en de uitvoeringsbesluiten;
5° de Federale Overheidsdienst Justitie in het kader van de uitvoering van het Crossborder programma.]1
De volgende diensten kunnen toegang hebben tot de gegevens bedoeld in artikel 4.1.7.4:
1° de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
2° het openbaar ministerie;
3° de onderzoeksrechters;
4° leden van de autoriteiten belast met de handhaving van dit wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en de uitvoeringsbesluiten;
5° de Federale Overheidsdienst Justitie in het kader van de uitvoering van het Crossborder programma.]1
Art.4.7.1.5. [1 Accès
Les services suivants peuvent avoir accès aux données visées à l'article 4.1.7.4:
1° l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
2° le ministère public;
3° les juges d'instruction;
4° les membres des autorités chargées de contrôler le respect du présent Code, des traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et des arrêtés d'exécution;
5° le Service public fédéral Justice dans la cadre de l'exécution du programme Crossborder.]1
Les services suivants peuvent avoir accès aux données visées à l'article 4.1.7.4:
1° l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
2° le ministère public;
3° les juges d'instruction;
4° les membres des autorités chargées de contrôler le respect du présent Code, des traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et des arrêtés d'exécution;
5° le Service public fédéral Justice dans la cadre de l'exécution du programme Crossborder.]1
Art.4.7.1.6. [1 Bewaartermijn
De gegevens bedoeld in artikel 4.1.7.4 worden bewaard tot:
1° maximaal het overlijden van de persoon indien er een effectieve inbreuk werd vastgesteld door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
2° één jaar nadat de persoon werd vrijgesproken door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
3° één jaar nadat de vermeende inbreuk werd geseponeerd door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
4° één jaar nadat het openbaar ministerie beslist heeft om de zaak zelf te behandelen of de zaak om constitutionele elementen te seponeren.]1
De gegevens bedoeld in artikel 4.1.7.4 worden bewaard tot:
1° maximaal het overlijden van de persoon indien er een effectieve inbreuk werd vastgesteld door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
2° één jaar nadat de persoon werd vrijgesproken door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
3° één jaar nadat de vermeende inbreuk werd geseponeerd door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
4° één jaar nadat het openbaar ministerie beslist heeft om de zaak zelf te behandelen of de zaak om constitutionele elementen te seponeren.]1
Art.4.7.1.6. [1 Durée de conservation
Les données visées à l'article 4.1.7.4 sont conservées:
1° au plus tard jusqu'au décès de la personne si une infraction réelle a été constatée par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
2° jusqu'à un an après que la personne a été acquittée par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
3° jusqu'à un an après que l'infraction présumée a été classée sans suite par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
4° jusqu'à un an après que le ministère public a décidé de traiter lui-même l'affaire ou de la classer sans suite pour des raisons constitutionnelles.]1
Les données visées à l'article 4.1.7.4 sont conservées:
1° au plus tard jusqu'au décès de la personne si une infraction réelle a été constatée par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
2° jusqu'à un an après que la personne a été acquittée par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
3° jusqu'à un an après que l'infraction présumée a été classée sans suite par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
4° jusqu'à un an après que le ministère public a décidé de traiter lui-même l'affaire ou de la classer sans suite pour des raisons constitutionnelles.]1
Art.4.7.1.7. [1 Verwerkingsverantwoordelijke
Het Directoraat-generaal Scheepvaart is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking bedoeld in deze afdeling.]1
Het Directoraat-generaal Scheepvaart is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking bedoeld in deze afdeling.]1
Art.4.7.1.7. [1 Responsable du traitement
La Direction générale Navigation est le responsable du traitement visé dans la présente section.]1
La Direction générale Navigation est le responsable du traitement visé dans la présente section.]1
Afdeling 2. [1 - Meldplatform]1
Section 2. [1 - Plateforme de signalement]1
Art.4.7.1.8. [1 Toepassing
Deze afdeling is van toepassing op de gegevensbescherming en de gegevensuitwisseling met betrekking tot het meldplatform bedoeld in artikel 2.5.2.102.]1
Deze afdeling is van toepassing op de gegevensbescherming en de gegevensuitwisseling met betrekking tot het meldplatform bedoeld in artikel 2.5.2.102.]1
Art.4.7.1.8. [1 Application
La présente section s'applique à la protection des données et à l'échange de données dans le cadre de la plateforme de signalement visée à l'article 2.5.2.102.]1
La présente section s'applique à la protection des données et à l'échange de données dans le cadre de la plateforme de signalement visée à l'article 2.5.2.102.]1
Art.4.7.1.9. [1 Doel
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.1.11 mogen verwerkt worden voor de volgende doeleinden:
1° het voorkomen van ongeoorloofde acties;
2° het verhogen van de beveiliging in de havens, havenfaciliteiten, terminals gelegen in het binnenland of vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging;
3° het opsporen van inbreuken op de maritieme beveiliging, de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen en de Schengengrenscode.]1
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.1.11 mogen verwerkt worden voor de volgende doeleinden:
1° het voorkomen van ongeoorloofde acties;
2° het verhogen van de beveiliging in de havens, havenfaciliteiten, terminals gelegen in het binnenland of vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging;
3° het opsporen van inbreuken op de maritieme beveiliging, de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen en de Schengengrenscode.]1
Art.4.7.1.9. [1 But
Les données visées à l'article 4.7.1.11 peuvent être traitées pour les finalités suivantes:
1° prévenir les actions illicites;
2° accroître la sûreté dans les ports, les installations portuaires, les terminaux intérieurs ou les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime;
3° détecter les infractions à la sûreté maritime, à la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes et au Code frontières Schengen.]1
Les données visées à l'article 4.7.1.11 peuvent être traitées pour les finalités suivantes:
1° prévenir les actions illicites;
2° accroître la sûreté dans les ports, les installations portuaires, les terminaux intérieurs ou les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime;
3° détecter les infractions à la sûreté maritime, à la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes et au Code frontières Schengen.]1
Art.4.7.1.10. [1 Betrokken natuurlijke personen
De gegevens van de melders die niet anoniem wensen te blijven kunnen worden verwerkt.]1
De gegevens van de melders die niet anoniem wensen te blijven kunnen worden verwerkt.]1
Art.4.7.1.10. [1 Personnes physiques concernées
Les données des auteurs de signalement qui ne souhaitent pas rester anonymes peuvent être traitées.]1
Les données des auteurs de signalement qui ne souhaitent pas rester anonymes peuvent être traitées.]1
Art.4.7.1.11. [1 Te verwerken gegevens
De volgende gegevens kunnen worden verwerkt:
1° naam en voornaam;
2° telefoonnummer;
3° e-mailadres;
4° locatie op moment van de melding;
5° eventuele foto's of bewegende beelden waarop de melder herkenbaar is.]1
De volgende gegevens kunnen worden verwerkt:
1° naam en voornaam;
2° telefoonnummer;
3° e-mailadres;
4° locatie op moment van de melding;
5° eventuele foto's of bewegende beelden waarop de melder herkenbaar is.]1
Art.4.7.1.11. [1 Données à traiter
Les données suivantes peuvent être traitées:
1° nom et prénom;
2° numéro de téléphone;
3° adresse e-mail;
4° la localisation au moment du signalement;
5° photos ou des images en mouvement éventuelles sur lesquelles l'auteur du signalement est reconnaissable.]1
Les données suivantes peuvent être traitées:
1° nom et prénom;
2° numéro de téléphone;
3° adresse e-mail;
4° la localisation au moment du signalement;
5° photos ou des images en mouvement éventuelles sur lesquelles l'auteur du signalement est reconnaissable.]1
Art.4.7.1.12. [1 Toegang
De Cel Maritieme Beveiliging, de politiediensten, de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen, het openbaar Ministerie en de onderzoeksrechters hebben toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 4.7.1.10.]1
De Cel Maritieme Beveiliging, de politiediensten, de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen, het openbaar Ministerie en de onderzoeksrechters hebben toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 4.7.1.10.]1
Art.4.7.1.12. [1 Accès
La Cellule de la Sûreté maritime, les services de police, l'Administration générale des Douanes et Accises, le ministère public et les juges d'instruction ont accès aux données visées à l'article 4.7.1.10.]1
La Cellule de la Sûreté maritime, les services de police, l'Administration générale des Douanes et Accises, le ministère public et les juges d'instruction ont accès aux données visées à l'article 4.7.1.10.]1
Art.4.7.1.13. [1 Bewaringstermijn
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.1.10 kunnen maximaal tot 1 jaar na de melding worden bewaard.]1
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.1.10 kunnen maximaal tot 1 jaar na de melding worden bewaard.]1
Art.4.7.1.13. [1 Durée de conservation
Les données visées à l'article 4.7.1.10 peuvent être conservées jusqu'à maximum un an après le signalement.]1
Les données visées à l'article 4.7.1.10 peuvent être conservées jusqu'à maximum un an après le signalement.]1
Art.4.7.1.14. [1 Verwerkingsverantwoordelijke
De Cel Maritieme Beveiliging is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking bedoeld in deze afdeling.]1
De Cel Maritieme Beveiliging is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking bedoeld in deze afdeling.]1
Art.4.7.1.14. [1 Responsable du traitement
La Cellule de la Sûreté maritime est le responsable du traitement visé dans la présente section.]1
La Cellule de la Sûreté maritime est le responsable du traitement visé dans la présente section.]1
HOOFDSTUK 2. [1 - Het MIK+]1
CHAPITRE 2. [1 - Le MIK+]1
Art.4.7.2.1. [1 Gegevensuitwisseling binnen MIK+
De partijen binnen het MIK+ mogen gegevens met elkaar uitwisselen, met inbegrip van alle persoonsgegevens, op voorwaarde dat het gebruik bij de ontvangende partner een van de bedoeld is voor één van de doelstellingen bedoeld in artikel 4.7.2.2.
De bepalingen van dit hoofdstuk hebben voorrang op bijzondere wetgevingen.
Data kunnen enkel worden uitgewisseld met uitdrukkelijk akkoord van de verwerkingsverantwoordelijke van de brondata.
De ontvanger van de data mag deze niet doorgeleiden naar externe partners zonder het uitdrukkelijke akkoord van de verwerkingsverantwoordelijke van de brondata.]1
De partijen binnen het MIK+ mogen gegevens met elkaar uitwisselen, met inbegrip van alle persoonsgegevens, op voorwaarde dat het gebruik bij de ontvangende partner een van de bedoeld is voor één van de doelstellingen bedoeld in artikel 4.7.2.2.
De bepalingen van dit hoofdstuk hebben voorrang op bijzondere wetgevingen.
Data kunnen enkel worden uitgewisseld met uitdrukkelijk akkoord van de verwerkingsverantwoordelijke van de brondata.
De ontvanger van de data mag deze niet doorgeleiden naar externe partners zonder het uitdrukkelijke akkoord van de verwerkingsverantwoordelijke van de brondata.]1
Art.4.7.2.1. [1 Echange de données au sein du MIK+
Les parties au sein du MIK+ peuvent s'échanger des données, y compris toutes les données à caractère personnel, à condition que l'utilisation par le partenaire destinataire réponde à l'une des finalités visées à l'article 4.7.2.2.
Les dispositions du présent chapitre prévalent sur les législations spéciales.
Les données ne peuvent être échangées qu'après accord exprès du responsable du traitement des données sources.
Le destinataire des données ne peut les transmettre à des partenaires extérieurs sans l'accord exprès du responsable du traitement des données sources.]1
Les parties au sein du MIK+ peuvent s'échanger des données, y compris toutes les données à caractère personnel, à condition que l'utilisation par le partenaire destinataire réponde à l'une des finalités visées à l'article 4.7.2.2.
Les dispositions du présent chapitre prévalent sur les législations spéciales.
Les données ne peuvent être échangées qu'après accord exprès du responsable du traitement des données sources.
Le destinataire des données ne peut les transmettre à des partenaires extérieurs sans l'accord exprès du responsable du traitement des données sources.]1
Art.4.7.2.2. [1 Doeleinden
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.2.1 mogen worden uitgewisseld voor de volgende doeleinden:
1° het voorkomen, opsporen, vaststellen, vervolgen of bestraffen van misdrijven tegen personen of goederen;
2° het garanderen van de maritieme beveiliging;
3° het garanderen van de beveiliging van de personen die werkzaam zijn in de maritieme sector;
4° het verdedigen van de openbare orde en de nationale veiligheid;
5° het garanderen van de beveiliging van de haven, bouw en kunstwerken, kabels en pijpleidingen;
6° het garanderen van de scheepvaartveiligheid;
7° het interveniëren bij noodgevallen;
8° het monitoren van de van het verkeer in de Belgische maritieme zones en havens;
9° het beschermen van het mariene milieu, met inbegrip van het voorkomen van verontreiniging door emissies;
10° het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek en de opleiding van personen met specifieke taken;
11° het behoud van de biodiversiteit en de levende rijkdommen.]1
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.2.1 mogen worden uitgewisseld voor de volgende doeleinden:
1° het voorkomen, opsporen, vaststellen, vervolgen of bestraffen van misdrijven tegen personen of goederen;
2° het garanderen van de maritieme beveiliging;
3° het garanderen van de beveiliging van de personen die werkzaam zijn in de maritieme sector;
4° het verdedigen van de openbare orde en de nationale veiligheid;
5° het garanderen van de beveiliging van de haven, bouw en kunstwerken, kabels en pijpleidingen;
6° het garanderen van de scheepvaartveiligheid;
7° het interveniëren bij noodgevallen;
8° het monitoren van de van het verkeer in de Belgische maritieme zones en havens;
9° het beschermen van het mariene milieu, met inbegrip van het voorkomen van verontreiniging door emissies;
10° het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek en de opleiding van personen met specifieke taken;
11° het behoud van de biodiversiteit en de levende rijkdommen.]1
Art.4.7.2.2. [1 Finalités
Les données visées à l'article 4.7.2.1 peuvent être échangées pour les finalités suivantes:
1° prévenir, détecter, constater, poursuivre ou punir les délits contre des personnes ou des marchandises;
2° garantir la sûreté maritime;
3° garantir la sûreté des personnes travaillant dans le secteur maritime;
4° défendre l'ordre public et la sécurité nationale;
5° garantir la sûreté du port, des ouvrages de construction et de génie civil, des câbles et des pipelines;
6° garantir la sécurité de la navigation;
7° intervenir dans les cas d'urgence;
8° suivre le trafic dans les zones maritimes et les ports belges;
9° protéger le milieu marin, y compris la prévention de la pollution due aux émissions;
10° mener des recherches scientifiques et former des personnes à des tâches spécifiques;
11° conserver la biodiversité et les ressources vivantes.]1
Les données visées à l'article 4.7.2.1 peuvent être échangées pour les finalités suivantes:
1° prévenir, détecter, constater, poursuivre ou punir les délits contre des personnes ou des marchandises;
2° garantir la sûreté maritime;
3° garantir la sûreté des personnes travaillant dans le secteur maritime;
4° défendre l'ordre public et la sécurité nationale;
5° garantir la sûreté du port, des ouvrages de construction et de génie civil, des câbles et des pipelines;
6° garantir la sécurité de la navigation;
7° intervenir dans les cas d'urgence;
8° suivre le trafic dans les zones maritimes et les ports belges;
9° protéger le milieu marin, y compris la prévention de la pollution due aux émissions;
10° mener des recherches scientifiques et former des personnes à des tâches spécifiques;
11° conserver la biodiversité et les ressources vivantes.]1
Art.4.7.2.3. [1 Bewaartermijn en verwerkingsverantwoordelijke
De uitgewisselde data mag niet langer worden bijgehouden dan de termijn van bewaring die geldt voor de broninformatie. De partner die de data ontvangt is verwerkingsverantwoordelijke voor de ontvangen data.]1
De uitgewisselde data mag niet langer worden bijgehouden dan de termijn van bewaring die geldt voor de broninformatie. De partner die de data ontvangt is verwerkingsverantwoordelijke voor de ontvangen data.]1
Art.4.7.2.3. [1 Durée de conservation et responsable du traitement
Les données échangées ne peuvent être conservées plus longtemps que la durée de conservation applicable aux informations sources. Le partenaire qui reçoit les données est le responsable du traitement des données reçues.]1
Les données échangées ne peuvent être conservées plus longtemps que la durée de conservation applicable aux informations sources. Le partenaire qui reçoit les données est le responsable du traitement des données reçues.]1
Art.4.7.2.4. [1 Overeenkomst
De partners binnen het MIK+ sluiten een overeenkomst met betrekking tot de praktische afhandeling van dit hoofdstuk.]1
De partners binnen het MIK+ sluiten een overeenkomst met betrekking tot de praktische afhandeling van dit hoofdstuk.]1
Art.4.7.2.4. [1 Accord
Les partenaires au sein du MIK+ concluent un accord sur les modalités pratiques du présent chapitre.]1
Les partenaires au sein du MIK+ concluent un accord sur les modalités pratiques du présent chapitre.]1
Art.4.7.2.5. [1 MRCC
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.2.1 kunnen worden uitgewisseld met het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum (MRCC) van het Vlaamse Gewest, onder de voorwaarde dat dit noodzakelijk is voor het bereiken van de doelstellingen bedoeld in artikel 4.7.2.2.
De informatie kan enkel worden uitgewisseld na het sluiten van een overeenkomst met betrekking tot de praktische afhandeling, en onder de voorwaarde dat de gegevens niet verder worden doorgeleid zonder akkoord van de eigenaar van de brondata en de bewaring de maximale termijn zoals vastgesteld voor de brondata niet overschrijdt.]1
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.2.1 kunnen worden uitgewisseld met het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum (MRCC) van het Vlaamse Gewest, onder de voorwaarde dat dit noodzakelijk is voor het bereiken van de doelstellingen bedoeld in artikel 4.7.2.2.
De informatie kan enkel worden uitgewisseld na het sluiten van een overeenkomst met betrekking tot de praktische afhandeling, en onder de voorwaarde dat de gegevens niet verder worden doorgeleid zonder akkoord van de eigenaar van de brondata en de bewaring de maximale termijn zoals vastgesteld voor de brondata niet overschrijdt.]1
Art.4.7.2.5. [1 MRCC
Les données visées à l'article 4.7.2.1 peuvent être échangées avec le Centre de coordination et de sauvetage maritime (MRCC) de la Région flamande, à condition que cela soit nécessaire pour les finalités visées à l'article 4.7.2.2.
Les informations ne peuvent être échangées qu'après la conclusion d'un accord sur les modalités pratiques et à condition que les données ne soient pas transmises ultérieurement sans l'accord du propriétaire des données sources et que leur durée de conservation ne dépasse pas la période maximale fixée pour les données sources.]1
Les données visées à l'article 4.7.2.1 peuvent être échangées avec le Centre de coordination et de sauvetage maritime (MRCC) de la Région flamande, à condition que cela soit nécessaire pour les finalités visées à l'article 4.7.2.2.
Les informations ne peuvent être échangées qu'après la conclusion d'un accord sur les modalités pratiques et à condition que les données ne soient pas transmises ultérieurement sans l'accord du propriétaire des données sources et que leur durée de conservation ne dépasse pas la période maximale fixée pour les données sources.]1
BOEK 5. [1 - PLEZIERVAART]1
LIVRE 5. [1 - NAVIGATION DE PLAISANCE]1
TITEL 1. [1 - ALGEMENE BEPALINGEN]1
TITRE 1er. [1 - DISPOSITIONS GENERALES]1
Art. 5.1.1.1. [1 Begrippen
Voor de toepassing van dit boek en haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder:
1° "waterscooter": een pleziervaartuig met een romplengte van minder dan vier meter dat een voortstuwingsmotor met een waterstraalpomp als primaire voortstuwingsbron gebruikt en ontworpen is om door een op en niet in de romp zittende, staande of knielende persoon te worden bediend;
2° "passagier": iedere persoon aan boord met uitzondering van:
a) de gezagvoerder en de bemanningsleden of andere personen die in welke hoedanigheid dan ook in dienst of tewerkgesteld zijn aan boord van een schip ten behoeve van dat schip;
b) een kind beneden de leeftijd van één jaar.]1
Voor de toepassing van dit boek en haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder:
1° "waterscooter": een pleziervaartuig met een romplengte van minder dan vier meter dat een voortstuwingsmotor met een waterstraalpomp als primaire voortstuwingsbron gebruikt en ontworpen is om door een op en niet in de romp zittende, staande of knielende persoon te worden bediend;
2° "passagier": iedere persoon aan boord met uitzondering van:
a) de gezagvoerder en de bemanningsleden of andere personen die in welke hoedanigheid dan ook in dienst of tewerkgesteld zijn aan boord van een schip ten behoeve van dat schip;
b) een kind beneden de leeftijd van één jaar.]1
Art. 5.1.1.1. [1 Définitions
Pour l'application du présent livre et de ses arrêtés d'exécution, l'on entend par :
1° " véhicule nautique à moteur " : un navire de plaisance dont la coque a une longueur de moins de quatre mètres, équipé d'un moteur de propulsion qui entraîne une turbine constituant sa principale source de propulsion et conçu pour être manoeuvré par un personne assise, debout ou agenouillée sur la coque et non dans la coque ;
2° " passager " : toute personne à bord autre que :
a) le capitaine et les membres d'équipage ou les autres personnes employées ou occupées en quelque qualité que ce soit à bord d'un navire pour les besoins de ce navire ;
b) les enfants de moins d'un an.]1
Pour l'application du présent livre et de ses arrêtés d'exécution, l'on entend par :
1° " véhicule nautique à moteur " : un navire de plaisance dont la coque a une longueur de moins de quatre mètres, équipé d'un moteur de propulsion qui entraîne une turbine constituant sa principale source de propulsion et conçu pour être manoeuvré par un personne assise, debout ou agenouillée sur la coque et non dans la coque ;
2° " passager " : toute personne à bord autre que :
a) le capitaine et les membres d'équipage ou les autres personnes employées ou occupées en quelque qualité que ce soit à bord d'un navire pour les besoins de ce navire ;
b) les enfants de moins d'un an.]1
Art. 5.1.1.2. [1 Toepassingsgebied
§ 1. Dit boek is van toepassing op:
1° alle pleziervaartuigen, ongeacht het land van inschrijving, vanaf tweeënhalve meter die gebruikt worden op de Belgische wateren uitgezonderd de EEZ;
2° pleziervaartuigen die ingeschreven zijn overeenkomstig artikel 5.2.1.2;
3° waterscooters die gebruikt worden op de Belgische wateren uitgezonderd de EEZ.
§ 2. Dit boek is niet van toepassing, tenzij anders bepaald, op:
1° schepen die gebruikt worden of bestemd zijn voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;
2° tuigen gebruikt voor brandingsporten, zoals kites, windsurftuigen en surfplanken, met uitzondering van waterscooters;
3° tuigen voor strandvermaak zoals opblaasbare rubberbootjes die niet geschikt zijn voor een motor en luchtmatrassen;
4° kano's en kajaks, gondels en waterfietsen;
5° schepen in eigendom van een overheid.
Indien voor bepaalde types van schepen onduidelijkheden zijn over het toepassingsgebied, kan de Koning, na advies van de sector, bepalen of dit boek van toepassing is op deze vaartuigen. De Koning bepaalt de wijze waarop het overleg met de sector wordt georganiseerd en de wijze waarop deze beslissingen worden bekendgemaakt.
§ 3. De Koning kan, in afwijking van de paragrafen 1 en 2, de pleziervaart met pleziervaartuigen kleiner dan tweeënhalve meter, de brandingsporten bedoeld in paragraaf 2, 2°, en de pleziervaart bedoeld in paragraaf 2, 4°, regelen.]1
§ 1. Dit boek is van toepassing op:
1° alle pleziervaartuigen, ongeacht het land van inschrijving, vanaf tweeënhalve meter die gebruikt worden op de Belgische wateren uitgezonderd de EEZ;
2° pleziervaartuigen die ingeschreven zijn overeenkomstig artikel 5.2.1.2;
3° waterscooters die gebruikt worden op de Belgische wateren uitgezonderd de EEZ.
§ 2. Dit boek is niet van toepassing, tenzij anders bepaald, op:
1° schepen die gebruikt worden of bestemd zijn voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;
2° tuigen gebruikt voor brandingsporten, zoals kites, windsurftuigen en surfplanken, met uitzondering van waterscooters;
3° tuigen voor strandvermaak zoals opblaasbare rubberbootjes die niet geschikt zijn voor een motor en luchtmatrassen;
4° kano's en kajaks, gondels en waterfietsen;
5° schepen in eigendom van een overheid.
Indien voor bepaalde types van schepen onduidelijkheden zijn over het toepassingsgebied, kan de Koning, na advies van de sector, bepalen of dit boek van toepassing is op deze vaartuigen. De Koning bepaalt de wijze waarop het overleg met de sector wordt georganiseerd en de wijze waarop deze beslissingen worden bekendgemaakt.
§ 3. De Koning kan, in afwijking van de paragrafen 1 en 2, de pleziervaart met pleziervaartuigen kleiner dan tweeënhalve meter, de brandingsporten bedoeld in paragraaf 2, 2°, en de pleziervaart bedoeld in paragraaf 2, 4°, regelen.]1
Art. 5.1.1.2.. [1 Champ d'application
§ 1er. Le présent livre s'applique :
1° à tous navires de plaisance, quel que soit leur pays d'inscriptions, à partir de deux mètres et demi, utilisés dans les eaux belges, excepté la ZEE ;
2° aux navires de plaisance inscrits conformément à l'article 5.2.1.2 ;
3° aux véhicules nautiques à moteur qui sont utilisés sur les eaux belges, excepté la ZEE.
§ 2. Sauf disposition contraire, le présent livre ne s'applique pas :
1° aux navires qui sont utilisés ou destinés au transport de plus de douze passagers ;
2° aux engins utilisés pour les sports de vague, tels que les kites, les planches à voile et les planches de surf, à l'exception des véhicules nautiques à moteur ;
3° aux engins destinés aux amusements de plage tels que les navires gonflables non adaptés pour recevoir un moteur et les matelas pneumatiques ;
4° aux canoës et kayaks, gondoles et pédalos ;
5° aux navires en propriété d'une autorité .
S'il y a des imprécisions sur certains types de navires quant au champ d'application, le Roi peut, après avis du secteur, décider si le présent livre s'applique à ces navires. Le Roi détermine la manière dont la concertation sectorielle est organisée ainsi que la manière dont ces décisions sont rendues publiques.
§ 3. Le Roi peut régler, par dérogation aux paragraphes 1er et 2, la navigation de plaisance avec des navires de plaisance de moins de deux mètres et demi, les sports de vague visés au paragraphe 2, 2°, et la navigation de plaisance visée au paragraphe 2, 4°.]1
§ 1er. Le présent livre s'applique :
1° à tous navires de plaisance, quel que soit leur pays d'inscriptions, à partir de deux mètres et demi, utilisés dans les eaux belges, excepté la ZEE ;
2° aux navires de plaisance inscrits conformément à l'article 5.2.1.2 ;
3° aux véhicules nautiques à moteur qui sont utilisés sur les eaux belges, excepté la ZEE.
§ 2. Sauf disposition contraire, le présent livre ne s'applique pas :
1° aux navires qui sont utilisés ou destinés au transport de plus de douze passagers ;
2° aux engins utilisés pour les sports de vague, tels que les kites, les planches à voile et les planches de surf, à l'exception des véhicules nautiques à moteur ;
3° aux engins destinés aux amusements de plage tels que les navires gonflables non adaptés pour recevoir un moteur et les matelas pneumatiques ;
4° aux canoës et kayaks, gondoles et pédalos ;
5° aux navires en propriété d'une autorité .
S'il y a des imprécisions sur certains types de navires quant au champ d'application, le Roi peut, après avis du secteur, décider si le présent livre s'applique à ces navires. Le Roi détermine la manière dont la concertation sectorielle est organisée ainsi que la manière dont ces décisions sont rendues publiques.
§ 3. Le Roi peut régler, par dérogation aux paragraphes 1er et 2, la navigation de plaisance avec des navires de plaisance de moins de deux mètres et demi, les sports de vague visés au paragraphe 2, 2°, et la navigation de plaisance visée au paragraphe 2, 4°.]1
TITEL 2. [1 - PLEZIERVAARTUIGEN]1
TITRE 2. [1 - NAVIRES DE PLAISANCE]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Inschrijving en openbaarheid]1
CHAPITRE 1er. [1 - Inscription et publicité]1
Afdeling 1. [1 - Inschrijving van de pleziervaartuigen]1
Section 1re. [1 - Inscription des navires de plaisance]1
Art. 5.2.1.1. [1 Inschrijvingsplicht
Elk pleziervaartuig dat kan gebruikt worden en zich in de Belgische wateren uitgezonderd de EEZ bevindt, moet ingeschreven zijn en beschikken over een van de volgende documenten:
1° een registratiebrief afgegeven overeenkomstig artikel 5.2.1.3;
2° een bewijs van inschrijving afgegeven door de overheid van een ander land [2 tenzij de overheid van dat ander land het gebruik ervan beperkt tot zijn eigen nationale wateren]2.]1
Elk pleziervaartuig dat kan gebruikt worden en zich in de Belgische wateren uitgezonderd de EEZ bevindt, moet ingeschreven zijn en beschikken over een van de volgende documenten:
1° een registratiebrief afgegeven overeenkomstig artikel 5.2.1.3;
2° een bewijs van inschrijving afgegeven door de overheid van een ander land [2 tenzij de overheid van dat ander land het gebruik ervan beperkt tot zijn eigen nationale wateren]2.]1
Art. 5.2.1.1.. [1 Obligation d' inscription
Tout navire de plaisance susceptible d'être utilisé et se trouvant dans les eaux belges, excepté la ZEE, doit être inscrit et être muni d'un des documents suivants :
1° une lettre d'enregistrement délivrée conformément à l'article 5.2.1.3 ;
2° une preuve d'inscription délivrée par l'autorité d'un autre pays [2 à moins que l'autorité de cet autre pays limite son utilisation à ses propres eaux nationales]2.]1
Tout navire de plaisance susceptible d'être utilisé et se trouvant dans les eaux belges, excepté la ZEE, doit être inscrit et être muni d'un des documents suivants :
1° une lettre d'enregistrement délivrée conformément à l'article 5.2.1.3 ;
2° une preuve d'inscription délivrée par l'autorité d'un autre pays [2 à moins que l'autorité de cet autre pays limite son utilisation à ses propres eaux nationales]2.]1
Art. 5.2.1.2. [1 Inschrijvingsrecht
§ 1. De volgende pleziervaartuigen kunnen in België worden ingeschreven, met het oog op de identificatie van de eigenaars en de handhaving van de wetgeving:
1° pleziervaartuigen vanaf tweeënhalve meter waarvan de eigenaar of vruchtgebruiker een band met België heeft. Een band met België is er wanneer een pleziervaartuig:
a) voor meer dan 50 % in eigendom is van of vruchtgebruik door Belgen of van in België wonende natuurlijke personen; of
b) voor 50 % in eigendom is van of in vruchtgebruik door een rechtspersoon ingeschreven in de Kruispuntbank voor Ondernemingen; of
c) beantwoordt aan een combinatie van de voorwaarden onder a en b, indien het vaartuig in mede-eigendom wordt gedeeld door een natuurlijk persoon en een rechtspersoon.
2° pleziervaartuigen die in België in de handel worden gebracht overeenkomstig Richtlijn 2013/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende pleziervaartuigen en waterscooters en tot intrekking van Richtlijn 94/25/EG.
§ 2. De keuze van de naam en van de Belgische thuishaven van een pleziervaartuig in de inschrijvingsaanvraag moet worden goedgekeurd door de overheid bedoeld in artikel 5.2.1.4, 6°. De thuishaven moet de officiële naam van een Belgische stad of gemeente zijn.
§ 3. Bij de aanvraag tot inschrijving is een retributie verschuldigd door de aanvrager voor het onderzoek en de afgifte of weigering van de registratiebrief bedoeld in artikel 5.2.1.3.
§ 4. De inschrijving blijft geldig tot het ogenblik dat:
1° de eigendom van het pleziervaartuig volledig of gedeeltelijk wordt overgedragen om niet of onder bezwarende titel;
2° de overheid bedoeld in artikel 5.2.1.4, 6°, de inschrijving ambtshalve schrapt.]1
§ 1. De volgende pleziervaartuigen kunnen in België worden ingeschreven, met het oog op de identificatie van de eigenaars en de handhaving van de wetgeving:
1° pleziervaartuigen vanaf tweeënhalve meter waarvan de eigenaar of vruchtgebruiker een band met België heeft. Een band met België is er wanneer een pleziervaartuig:
a) voor meer dan 50 % in eigendom is van of vruchtgebruik door Belgen of van in België wonende natuurlijke personen; of
b) voor 50 % in eigendom is van of in vruchtgebruik door een rechtspersoon ingeschreven in de Kruispuntbank voor Ondernemingen; of
c) beantwoordt aan een combinatie van de voorwaarden onder a en b, indien het vaartuig in mede-eigendom wordt gedeeld door een natuurlijk persoon en een rechtspersoon.
2° pleziervaartuigen die in België in de handel worden gebracht overeenkomstig Richtlijn 2013/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende pleziervaartuigen en waterscooters en tot intrekking van Richtlijn 94/25/EG.
§ 2. De keuze van de naam en van de Belgische thuishaven van een pleziervaartuig in de inschrijvingsaanvraag moet worden goedgekeurd door de overheid bedoeld in artikel 5.2.1.4, 6°. De thuishaven moet de officiële naam van een Belgische stad of gemeente zijn.
§ 3. Bij de aanvraag tot inschrijving is een retributie verschuldigd door de aanvrager voor het onderzoek en de afgifte of weigering van de registratiebrief bedoeld in artikel 5.2.1.3.
§ 4. De inschrijving blijft geldig tot het ogenblik dat:
1° de eigendom van het pleziervaartuig volledig of gedeeltelijk wordt overgedragen om niet of onder bezwarende titel;
2° de overheid bedoeld in artikel 5.2.1.4, 6°, de inschrijving ambtshalve schrapt.]1
Art. 5.2.1.2.. [1 Droit d'inscription
§ 1er. Les navires de plaisance suivants peuvent être inscrits en Belgique, en vue de l'identification des propriétaires et de l'application de la législation:
1° les navires de plaisance à partir de deux mètres et demi dont le propriétaire ou l'usufruitier a un lien avec la Belgique. Il y a un lien avec la Belgique si un navire de plaisance :
a) dont le droit de propriété ou d'usufruit appartient à plus de 50 % à des Belges ou à des personnes physiques résidant en Belgique ; ou
b) dont le droit de proriété ou d'usufruit appartient à 50 % à une personne morale inscrite dans la Banque-Carrefour des Entreprises ; ou
c) répond à une combinaison des conditions sous a et b, si une personne physique et une personne morale sont copropriétaires du navire.
2° les navires de plaisance qui sont mis sur le marché en Belgique conformément à la directive 2013/53/UE du Parlement européen et du Conseil du 20 novembre 2013 relative aux navires de plaisance et aux véhicules nautiques à moteur et abrogeant la Directive 94/25/CE.
§ 2. Le choix du nom et du port d'attache belge d'un navire de plaisance dans la demande d'inscription doit être approuvé par l'autorité visée à l'article 5.2.1.4, 6°. Le port d'attache doit être le nom officiel d'une ville ou commune belge.
§ 3. L'auteur d'une demande d'inscription est tenu de payer une redevance pour l'examen et la délivrance ou le refus de la lettre d'enregistrement visée à l'article 5.2.1.3.
§ 4. L'inscription reste valable jusqu'à ce que :
1° la propriété du navire de plaisance soit transférée intégralement ou partiellement à titre gratuit ou onéreux ;
2° l'autorité visée à l'article 5.2.1.4, 6° radie d'office l'inscription.]1
§ 1er. Les navires de plaisance suivants peuvent être inscrits en Belgique, en vue de l'identification des propriétaires et de l'application de la législation:
1° les navires de plaisance à partir de deux mètres et demi dont le propriétaire ou l'usufruitier a un lien avec la Belgique. Il y a un lien avec la Belgique si un navire de plaisance :
a) dont le droit de propriété ou d'usufruit appartient à plus de 50 % à des Belges ou à des personnes physiques résidant en Belgique ; ou
b) dont le droit de proriété ou d'usufruit appartient à 50 % à une personne morale inscrite dans la Banque-Carrefour des Entreprises ; ou
c) répond à une combinaison des conditions sous a et b, si une personne physique et une personne morale sont copropriétaires du navire.
2° les navires de plaisance qui sont mis sur le marché en Belgique conformément à la directive 2013/53/UE du Parlement européen et du Conseil du 20 novembre 2013 relative aux navires de plaisance et aux véhicules nautiques à moteur et abrogeant la Directive 94/25/CE.
§ 2. Le choix du nom et du port d'attache belge d'un navire de plaisance dans la demande d'inscription doit être approuvé par l'autorité visée à l'article 5.2.1.4, 6°. Le port d'attache doit être le nom officiel d'une ville ou commune belge.
§ 3. L'auteur d'une demande d'inscription est tenu de payer une redevance pour l'examen et la délivrance ou le refus de la lettre d'enregistrement visée à l'article 5.2.1.3.
§ 4. L'inscription reste valable jusqu'à ce que :
1° la propriété du navire de plaisance soit transférée intégralement ou partiellement à titre gratuit ou onéreux ;
2° l'autorité visée à l'article 5.2.1.4, 6° radie d'office l'inscription.]1
Art. 5.2.1.3. [1 Registratiebrief
Art. 5.2.1.3.. [1 Lettre d'enregistrement
Art. 5.2.1.4. [1 Uitvoeringsbesluiten
Art. 5.2.1.4.[1 Arrêtés d'exécution
Art. 5.2.1.5. [1 Zakelijke rechten
Art. 5.2.1.5.. [1 Droits réels
Afdeling 2. [1 - Openbaarheid van rechten]1
Section 2. [1 - Publicité des droits]1
Art. 5.2.1.6. [1 Afwijkende bedingen
Art. 5.2.1.6. [1 Clauses dérogatoires
Art. 5.2.1.7. [1 Toepassingsgebied
Art. 5.2.1.7.. [1 Champ d'application
HOOFDSTUK 2. [1 - Veiligheid]1
CHAPITRE 2. [1 - Sécurité]1
Afdeling 1. [1 - Technische vereisten]1
Section 1re. [1 - Exigences techniques]1
Art. 5.2.2.1. [1 Veiligheidsvereisten
Art. 5.2.2.1.. [1 Exigences de sécurité
Art. 5.2.2.2. [1 Verbod tot afvaart
Art. 5.2.2.2.. [1 Interdiction de départ
Art. 5.2.2.3. [1 Uitvoeringsbesluiten
Art. 5.2.2.3. [1 Arrêtés d'exécution
Afdeling 2. [1 - Vaarbevoegdheidsbewijzen]1
Section 2. [1 - Brevets d'aptitude pour la conduite d'un navire]1
Art. 5.2.2.4. [1 Verplichtingen
Art. 5.2.2.4. [1 Obligations
Art. 5.2.2.5. [1 Commissie voor de Pleziervaart
Art. 5.2.2.5. [1 Commission pour la Navigation de Plaisance
Art. 5.2.2.6. [1 Uitvoeringsbesluiten
Art. 5.2.2.6. [1 Arrêtés d'exécution
HOOFDSTUK 3. [1 - Zaakstatuut]1
CHAPITRE 3. [1 - Statut réel]1
Art. 5.2.3.1. [1 Toepasselijk Recht
Art. 5.2.3.1. [1 Droit applicable
HOOFDSTUK 4. [1 - Scheepszekerheidsrechten]1
CHAPITRE 4. [1 - Sûretés sur navires]1
Art. 5.2.4.1. [1 Toepasselijk recht
Art. 5.2.4.1. [1 Droit applicable
Art. 5.2.4.2. [1 Bevoegde rechtbank
Art. 5.2.4.2. [1 Tribunal compétent
HOOFDSTUK 5. [1 - Scheepsbeslag]1
CHAPITRE 5. [1 - Saisie sur navire]1
Art. 5.2.5.1. [1 Toepasselijk recht
Art. 5.2.5.1. [1 Droit applicable
TITEL 3. [1 - EIGENAARS]1
TITRE 3. [1 - PROPRIETAIRES]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Algemene Bepalingen]1
CHAPITRE 1er. [1 - Dispositions générales]1
Afdeling 1. [1 - Scheepsmede-eigendom]1
Section 1re. [1 - Copropriété quirataire]1
Art. 5.3.1.1. [1 Toepasselijk recht
Art. 5.3.1.1. [1 Droit applicable
Afdeling 2. [1 - Aansprakelijkheid van scheepseigenaars]1
Section 2. [1 - Responsabilité des propriétaires de navires]1
Art. 5.3.1.2. [1 Verzekering burgerlijke aansprakelijkheid
Art. 5.3.1.2. [1 Assurance responsabilité civile
HOOFDSTUK 2. [1 - Zeevaart]1
CHAPITRE 2. [1 - Navigation maritime]1
Art. 5.3.2.1. [1 Verplichte verzekeringen
Art. 5.3.2.1. [1 Assurances obligatoires
Art. 5.3.2.2. [1 Beperking van aansprakelijkheid
Art. 5.3.2.2. [1 Limitation de responsabilité
TITEL 4. [1 - ZEE EN HAVENS]1
TITRE 4. [1 - MER ET PORTS]1
Art. 5.4.1.1. [1 Voorkoming van verontreiniging door schepen
Art. 5.4.1.1. [1 Prévention de la pollution par les navires
TITEL 5. [1 - SCHEEPVAARTVOORVALLEN]1
TITRE 5. [1 - EVENEMENTS DE NAVIGATION]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Wrakverwijdering]1
CHAPITRE 1er. [1 - Enlèvement des épaves]1
Art. 5.5.1.1. [1 Toepasselijk recht
Art. 5.5.1.1. [1 Droit applicable
HOOFDSTUK 2. [1 - Activiteiten]1
CHAPITRE 2. [1 - Activités]1
Art. 5.5.2.1. [1 Toelatingen
Art. 5.5.2.1. [1 Autorisations
Art. 5.5.2.2. [1 Uitvoeringsbesluiten
Art. 5.5.2.2. [1 Arrêtés d'exécution