Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
5 APRIL 2019. - Decreet betreffende het Onderwijs XXIX
Titre
5 AVRIL 2019. - Décret relatif à l'enseignement XXIX
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het decreet rech...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het decreet rech...
HOOFDSTUK 4. -Wijzigingen van het decreet basis...
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het decreet van 7 ...
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van het decreet van 8 ...
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het decreet van ...
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het decreet van ...
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van het decreet van ...
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van het decreet van...
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van de Codex Secund...
HOOFDSTUK 12. - Wijzigingen van de Codex Hoger ...
HOOFDSTUK 13. - Wijzigingen van het decreet van...
HOOFDSTUK 14. - Wijzigingen van de codificatie ...
HOOFDSTUK 15. - Wijzigingen van het decreet van...
HOOFDSTUK 16. - Wijzigingen van het decreet van...
HOOFDSTUK 17. - Wijzigingen van het decreet van...
HOOFDSTUK 18. - Wijzigingen van het decreet van...
HOOFDSTUK 19. - Inwerkingtreding
BIJLAGE.
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
CHAPITRE 2. - Modifications du décret du 27 mar...
CHAPITRE 3. - Modifications du décret du 27 mar...
CHAPITRE 4. - Modifications du décret du 25 fév...
CHAPITRE 5. - Modifications du décret du 7 mai ...
CHAPITRE 6. - Modification du décret du 8 juin ...
CHAPITRE 7. - Modifications du décret du 15 jui...
CHAPITRE 8. - Modifications du décret du 10 jui...
CHAPITRE 9. - Modifications du décret du 30 avr...
CHAPITRE 10. - Modifications du décret du 8 mai...
CHAPITRE 11. - Modifications du Code de l'Ensei...
CHAPITRE 12. - Modifications du Code de l'Ensei...
CHAPITRE 13. - Modifications du décret du 10 ju...
CHAPITRE 14. - Modifications de la Codification...
CHAPITRE 15. - Modifications du décret du 7 jui...
CHAPITRE 16. - Modifications du décret du 9 mar...
CHAPITRE 17. - Modifications du décret du 27 av...
CHAPITRE 18. - Modifications du décret du 30 no...
CHAPITRE 19. - Entrée en vigueur
ANNEXE.
Tekst (207)
Texte (207)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991
CHAPITRE 2. - Modifications du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres de l'enseignement subventionné
Art. 2. Aan artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2018, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De Vlaamse Regering kan in het basisonderwijs de ambten bepalen voor een personeelscategorie van pedagogisch ondersteunend personeel.".
"De Vlaamse Regering kan in het basisonderwijs de ambten bepalen voor een personeelscategorie van pedagogisch ondersteunend personeel.".
Art. 2. L'article 4, § 1er, a), du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, tel que modifié en dernier lieu par le décret du 8 juillet 2018, est complété par un alinéa 4 rédigé comme suit :
" Le Gouvernement flamand peut déterminer les fonctions dans l'enseignement fondamental pour une catégorie de personnel d'appui pédagogique. ".
" Le Gouvernement flamand peut déterminer les fonctions dans l'enseignement fondamental pour une catégorie de personnel d'appui pédagogique. ".
Art. 3. Aan artikel 23bis van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt een paragraaf 17 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 17. Als een scholengemeenschap bestaat uit instellingen van meerdere inrichtende machten, wisselen die inrichtende machten binnen de scholengemeenschap met betrekking tot de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur zijn aangesteld de gegevens uit die relevant zijn voor het naleven van de rechten en verplichtingen die opgenomen zijn in dit artikel. Het gaat daarbij om volgende gegevens van een personeelslid:
1° de identificatiegegevens;
2° de opdracht(en) en betrekking(en);
3° de dienstanciënniteit;
4° de school en het schoolbestuur;
5° verslagen van functionerings- of evaluatiegesprekken;
6° verslagen in functie van de beoordeling.
Verslagen over de beoordeling, functionerings- of evaluatiegesprekken worden alleen uitgewisseld tussen die instellingen van de scholengemeenschap waarvoor het personeelslid diensten presteert.
De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om specifieke bepalingen uit te werken omtrent de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke transparante verwerking.".
" § 17. Als een scholengemeenschap bestaat uit instellingen van meerdere inrichtende machten, wisselen die inrichtende machten binnen de scholengemeenschap met betrekking tot de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur zijn aangesteld de gegevens uit die relevant zijn voor het naleven van de rechten en verplichtingen die opgenomen zijn in dit artikel. Het gaat daarbij om volgende gegevens van een personeelslid:
1° de identificatiegegevens;
2° de opdracht(en) en betrekking(en);
3° de dienstanciënniteit;
4° de school en het schoolbestuur;
5° verslagen van functionerings- of evaluatiegesprekken;
6° verslagen in functie van de beoordeling.
Verslagen over de beoordeling, functionerings- of evaluatiegesprekken worden alleen uitgewisseld tussen die instellingen van de scholengemeenschap waarvoor het personeelslid diensten presteert.
De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om specifieke bepalingen uit te werken omtrent de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke transparante verwerking.".
Art. 3. L'article 23bis du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, est complété par un paragraphe 17 ainsi rédigé :
" § 17. Lorsqu'un centre d'enseignement est composé d'établissements de plusieurs pouvoirs organisateurs, ces pouvoirs organisateurs échangent, au sein du centre d'enseignement, les données pertinentes sur le respect des droits et obligations énoncés au présent article en ce qui concerne les membres du personnel temporaires qui sont désignés pour une durée déterminée. Il s'agit des données suivantes concernant un membre du personnel :
1° les données d'identification ;
2° la ou les charges et la ou les fonctions ;
3° l'ancienneté de service ;
4° l'école et l'autorité scolaire ;
5° des rapports d'entretiens de fonctionnement et d'évaluation ;
6° des rapports en fonction de l'évaluation.
Les rapports sur les entretiens d'appréciation, de fonctionnement et d'évaluation ne sont échangés qu'entre les établissements du centre d'enseignement où le membre du personnel preste des services.
Le Gouvernement flamand est autorisé à élaborer des dispositions spécifiques concernant les périodes de stockage et les activités et procédures de traitement, y compris des mesures visant à garantir un traitement adéquat et transparent. ".
" § 17. Lorsqu'un centre d'enseignement est composé d'établissements de plusieurs pouvoirs organisateurs, ces pouvoirs organisateurs échangent, au sein du centre d'enseignement, les données pertinentes sur le respect des droits et obligations énoncés au présent article en ce qui concerne les membres du personnel temporaires qui sont désignés pour une durée déterminée. Il s'agit des données suivantes concernant un membre du personnel :
1° les données d'identification ;
2° la ou les charges et la ou les fonctions ;
3° l'ancienneté de service ;
4° l'école et l'autorité scolaire ;
5° des rapports d'entretiens de fonctionnement et d'évaluation ;
6° des rapports en fonction de l'évaluation.
Les rapports sur les entretiens d'appréciation, de fonctionnement et d'évaluation ne sont échangés qu'entre les établissements du centre d'enseignement où le membre du personnel preste des services.
Le Gouvernement flamand est autorisé à élaborer des dispositions spécifiques concernant les périodes de stockage et les activités et procédures de traitement, y compris des mesures visant à garantir un traitement adéquat et transparent. ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991
CHAPITRE 3. - Modifications du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire
Art. 4. In artikel 2 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt aan paragraaf 3 een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De Vlaamse Regering kan in het basisonderwijs de ambten bepalen voor een personeelscategorie van het pedagogisch ondersteunend personeel.".
"De Vlaamse Regering kan in het basisonderwijs de ambten bepalen voor een personeelscategorie van het pedagogisch ondersteunend personeel.".
Art. 4. L'article 2, paragraphe 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, tel que modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, est complété par un alinéa 2 ainsi rédigé :
" Le Gouvernement flamand peut déterminer les fonctions dans l'enseignement fondamental pour une catégorie de personnel d'appui pédagogique. ".
" Le Gouvernement flamand peut déterminer les fonctions dans l'enseignement fondamental pour une catégorie de personnel d'appui pédagogique. ".
Art. 5. Aan artikel 21bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt een paragraaf 15 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 15. Als een scholengemeenschap bestaat uit instellingen van meerdere inrichtende machten, wisselen die inrichtende machten binnen de scholengemeenschap met betrekking tot de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur zijn aangesteld de gegevens uit die relevant zijn voor het naleven van de rechten en verplichtingen die in dit artikel opgenomen zijn. Het gaat daarbij om volgende gegevens van een personeelslid:
1° de identificatiegegevens;
2° de opdracht(en) en betrekking(en);
3° de dienstanciënniteit;
4° de school en het schoolbestuur;
5° verslagen van functionerings- of evaluatiegesprekken;
6° verslagen in functie van de beoordeling.
Verslagen over de beoordeling, functionerings- of evaluatiegesprekken worden alleen uitgewisseld tussen die instellingen van de scholengemeenschap waar het personeelslid diensten presteert.
De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om specifieke bepalingen uit te werken omtrent de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke transparante verwerking.".
" § 15. Als een scholengemeenschap bestaat uit instellingen van meerdere inrichtende machten, wisselen die inrichtende machten binnen de scholengemeenschap met betrekking tot de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur zijn aangesteld de gegevens uit die relevant zijn voor het naleven van de rechten en verplichtingen die in dit artikel opgenomen zijn. Het gaat daarbij om volgende gegevens van een personeelslid:
1° de identificatiegegevens;
2° de opdracht(en) en betrekking(en);
3° de dienstanciënniteit;
4° de school en het schoolbestuur;
5° verslagen van functionerings- of evaluatiegesprekken;
6° verslagen in functie van de beoordeling.
Verslagen over de beoordeling, functionerings- of evaluatiegesprekken worden alleen uitgewisseld tussen die instellingen van de scholengemeenschap waar het personeelslid diensten presteert.
De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om specifieke bepalingen uit te werken omtrent de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke transparante verwerking.".
Art. 5. A l'article 21bis du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, il est ajouté un paragraphe 15 ainsi rédigé :
" § 15. Lorsqu'un centre d'enseignement est composé d'établissements de plusieurs pouvoirs organisateurs, ces pouvoirs organisateurs échangent, au sein du centre d'enseignement, les données pertinentes sur le respect des droits et obligations énoncés au présent article en ce qui concerne les membres du personnel temporaires qui sont désignés pour une durée déterminée. Il s'agit des données suivantes concernant un membre du personnel :
1° les données d'identification ;
2° la ou les charges et la ou les fonctions ;
3° l'ancienneté de service ;
4° l'école et l'autorité scolaire ;
5° des rapports d'entretiens de fonctionnement et d'évaluation ;
6° des rapports en fonction de l'évaluation.
Les rapports sur les entretiens d'appréciation, de fonctionnement et d'évaluation ne sont échangés qu'entre les établissements du centre d'enseignement où le membre du personnel preste des services.
Le Gouvernement flamand est autorisé à élaborer des dispositions spécifiques concernant les périodes de stockage et les activités et procédures de traitement, y compris des mesures visant à garantir un traitement adéquat et transparent. ".
" § 15. Lorsqu'un centre d'enseignement est composé d'établissements de plusieurs pouvoirs organisateurs, ces pouvoirs organisateurs échangent, au sein du centre d'enseignement, les données pertinentes sur le respect des droits et obligations énoncés au présent article en ce qui concerne les membres du personnel temporaires qui sont désignés pour une durée déterminée. Il s'agit des données suivantes concernant un membre du personnel :
1° les données d'identification ;
2° la ou les charges et la ou les fonctions ;
3° l'ancienneté de service ;
4° l'école et l'autorité scolaire ;
5° des rapports d'entretiens de fonctionnement et d'évaluation ;
6° des rapports en fonction de l'évaluation.
Les rapports sur les entretiens d'appréciation, de fonctionnement et d'évaluation ne sont échangés qu'entre les établissements du centre d'enseignement où le membre du personnel preste des services.
Le Gouvernement flamand est autorisé à élaborer des dispositions spécifiques concernant les périodes de stockage et les activités et procédures de traitement, y compris des mesures visant à garantir un traitement adéquat et transparent. ".
HOOFDSTUK 4. -Wijzigingen van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997
CHAPITRE 4. - Modifications du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental
Art. 6. In artikel 3 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt punt 8° vervangen door wat volgt:
"8° bevolkingsdichtheid van een gemeente: het aantal inwoners per vierkante kilometer dat opgenomen is in de gemeentemonitor van de Vlaamse overheid en dat op 1 februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, vermeld in artikel 125quinquies, beschikbaar is;".
"8° bevolkingsdichtheid van een gemeente: het aantal inwoners per vierkante kilometer dat opgenomen is in de gemeentemonitor van de Vlaamse overheid en dat op 1 februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, vermeld in artikel 125quinquies, beschikbaar is;".
Art. 6. Dans l'article 3 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, le point 8° est remplacé par la disposition suivante :
" 8° densité de la population d'une commune : le nombre d'habitants par kilomètre carré inclus dans le moniteur communal du Gouvernement flamand, disponible au 1er février de l'année scolaire précédant le début de la période de six années scolaires pour les centres d'enseignement, visée à l'article 125quinquies ; ".
" 8° densité de la population d'une commune : le nombre d'habitants par kilomètre carré inclus dans le moniteur communal du Gouvernement flamand, disponible au 1er février de l'année scolaire précédant le début de la période de six années scolaires pour les centres d'enseignement, visée à l'article 125quinquies ; ".
Art. 7. In artikel 15 van hetzelfde decreet, vervangen door het decreet van 21 maart 2014 en gewijzigd bij de decreten van 19 juni 2015, 17 juni 2016 en 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 37 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding" vervangen door de zinsnede "artikel 7 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding";
2° aan paragraaf 2 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor een leerling die voor het eerst naar school gaat en met een individueel aangepast curriculum wil starten in het gewoon onderwijs moet in afwijking van paragraaf 1, 1° en 2°, worden aangetoond dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling in het gemeenschappelijk curriculum mee te nemen en moet in afwijking van paragraaf 1, 5°, bepaald worden welk type voor de leerling van toepassing is, als bepaald in artikel 10, § 1, 2°, 4°, 6° of 7°. ";
3° paragraaf 5 wordt vervangen door wat volgt:
" § 5. Voor leerlingen die tijdens het schooljaar 2014-2015 met een inschrijvingsverslag ingeschreven waren in een school voor buitengewoon of gewoon onderwijs geldt paragraaf 1 alleen bij wijziging van onderwijsniveau, van type of bij overgang van buitengewoon onderwijs naar gewoon onderwijs of omgekeerd.";
4° in paragraaf 8 worden tussen de woorden "gewoon basisonderwijs" en de zinsnede ", dan" de woorden "of omgekeerd" ingevoegd;
5° in paragraaf 9 wordt de zinsnede "artikel 172quinquies" vervangen door de zinsnede "artikel 172quinquies en artikel 172quinquies/1".
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 37 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding" vervangen door de zinsnede "artikel 7 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding";
2° aan paragraaf 2 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor een leerling die voor het eerst naar school gaat en met een individueel aangepast curriculum wil starten in het gewoon onderwijs moet in afwijking van paragraaf 1, 1° en 2°, worden aangetoond dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling in het gemeenschappelijk curriculum mee te nemen en moet in afwijking van paragraaf 1, 5°, bepaald worden welk type voor de leerling van toepassing is, als bepaald in artikel 10, § 1, 2°, 4°, 6° of 7°. ";
3° paragraaf 5 wordt vervangen door wat volgt:
" § 5. Voor leerlingen die tijdens het schooljaar 2014-2015 met een inschrijvingsverslag ingeschreven waren in een school voor buitengewoon of gewoon onderwijs geldt paragraaf 1 alleen bij wijziging van onderwijsniveau, van type of bij overgang van buitengewoon onderwijs naar gewoon onderwijs of omgekeerd.";
4° in paragraaf 8 worden tussen de woorden "gewoon basisonderwijs" en de zinsnede ", dan" de woorden "of omgekeerd" ingevoegd;
5° in paragraaf 9 wordt de zinsnede "artikel 172quinquies" vervangen door de zinsnede "artikel 172quinquies en artikel 172quinquies/1".
Art. 7. A l'article 15 du même décret, remplacé par le décret du 21 mars 2014 et modifié par les décrets des 19 juin 2015, 17 juin 2016 et 6 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " l'article 37 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves " est remplacé par le membre de phrase " l'article 7 du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves " ;
2° le paragraphe 2 est complété par un alinéa ainsi rédigé :
" Pour un élève qui fréquente l'école pour la première fois et souhaite commencer un programme adapté individuellement dans l'enseignement ordinaire, il doit être démontré, par dérogation au paragraphe 1er, 1° et 2°, que les aménagements, y compris les mesures de rattrapage, différenciantes, compensatoires et dispensatoires, seront disproportionnés ou insuffisants pour permettre à l'élève de suivre le programme d'études commun et il doit être déterminé, par dérogation au paragraphe 1er, 5°, quel type s'applique à l'élève, comme prévu à l'article 10, § 1er, 2°, 4°, 6° ou 7°. " ;
3° le paragraphe 5 est remplacé par la disposition suivante :
" § 5. Aux élèves en possession d'un rapport d'inscription inscrits pendant l'année scolaire 2014-2015 dans une école d'enseignement spécial ou ordinaire, le paragraphe 1er s'applique uniquement en cas de modification de niveau d'enseignement, de type ou en cas de passage de l'enseignement spécial à l'enseignement ordinaire ou inversement. " ;
4° dans le paragraphe 8, les mots " ou inversement " sont insérés entre les mots " à l'enseignement fondamental ordinaire " et le membre de phrase " , le CLB annule " ;
5° dans le paragraphe 9, le membre de phrase " de l'article 172quinquies " est remplacé par le membre de phrase " des articles 172quinquies et 172quinquies/1 ".
1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " l'article 37 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves " est remplacé par le membre de phrase " l'article 7 du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves " ;
2° le paragraphe 2 est complété par un alinéa ainsi rédigé :
" Pour un élève qui fréquente l'école pour la première fois et souhaite commencer un programme adapté individuellement dans l'enseignement ordinaire, il doit être démontré, par dérogation au paragraphe 1er, 1° et 2°, que les aménagements, y compris les mesures de rattrapage, différenciantes, compensatoires et dispensatoires, seront disproportionnés ou insuffisants pour permettre à l'élève de suivre le programme d'études commun et il doit être déterminé, par dérogation au paragraphe 1er, 5°, quel type s'applique à l'élève, comme prévu à l'article 10, § 1er, 2°, 4°, 6° ou 7°. " ;
3° le paragraphe 5 est remplacé par la disposition suivante :
" § 5. Aux élèves en possession d'un rapport d'inscription inscrits pendant l'année scolaire 2014-2015 dans une école d'enseignement spécial ou ordinaire, le paragraphe 1er s'applique uniquement en cas de modification de niveau d'enseignement, de type ou en cas de passage de l'enseignement spécial à l'enseignement ordinaire ou inversement. " ;
4° dans le paragraphe 8, les mots " ou inversement " sont insérés entre les mots " à l'enseignement fondamental ordinaire " et le membre de phrase " , le CLB annule " ;
5° dans le paragraphe 9, le membre de phrase " de l'article 172quinquies " est remplacé par le membre de phrase " des articles 172quinquies et 172quinquies/1 ".
Art. 8. In artikel 16 van hetzelfde decreet, vervangen door het decreet van 21 maart 2014 en gewijzigd bij de decreten van 19 juni 2015 en 6 juli 2018, wordt in paragraaf 1 de zinsnede "artikel 172quinquies" vervangen door de zinsnede "artikel 172quinquies en artikel 172quinquies/1".
Art. 8. Dans l'article 16 du même décret, remplacé par le décret du 21 mars 2014 et modifié par les décrets des 19 juin 2015 et 6 juillet 2018, le membre de phrase " de l'article 172quinquies " est remplacé par le membre de phrase " des articles 172quinquies et 172quinquies/1 ".
Art. 9. Artikel 34 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2018 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2019, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 34. § 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis.
§ 2. De regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis. De regering maakt hierbij een onderscheid tussen een veelvuldige afwezigheid omwille van een chronische ziekte en een langdurige afwezigheid.
Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een veelvuldige afwezigheid vanwege een chronische ziekte.
§ 3. De regering bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt, welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en de voorwaarden tot het verkrijgen van lestijden tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan.
De betrekkingen die worden ingericht op basis van de lestijden, vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.
§ 4. Het schoolbestuur is verplicht om de ouders van leerlingen die recht hebben of zullen hebben op tijdelijk onderwijs aan huis te informeren over het recht op, en de mogelijkheden en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis.
§ 5. De uitdrukkelijke vraag van de ouders voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om tijdelijk onderwijs aan huis te organiseren.
De verplichting om tijdelijk onderwijs aan huis in te richten, vervalt voor de school ten aanzien van de leerling of de kleuter gedurende zijn verblijf in een ziekenhuis, een residentiële setting of een preventorium waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of bij zijn opname in een dienst als bedoeld in artikel IV 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.
§ 6. Het recht op tijdelijk onderwijs aan huis kan gecombineerd worden met het recht op synchroon internetonderwijs als bedoeld in artikel 36/1.".
"Art. 34. § 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis.
§ 2. De regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis. De regering maakt hierbij een onderscheid tussen een veelvuldige afwezigheid omwille van een chronische ziekte en een langdurige afwezigheid.
Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een veelvuldige afwezigheid vanwege een chronische ziekte.
§ 3. De regering bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt, welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en de voorwaarden tot het verkrijgen van lestijden tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan.
De betrekkingen die worden ingericht op basis van de lestijden, vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.
§ 4. Het schoolbestuur is verplicht om de ouders van leerlingen die recht hebben of zullen hebben op tijdelijk onderwijs aan huis te informeren over het recht op, en de mogelijkheden en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis.
§ 5. De uitdrukkelijke vraag van de ouders voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om tijdelijk onderwijs aan huis te organiseren.
De verplichting om tijdelijk onderwijs aan huis in te richten, vervalt voor de school ten aanzien van de leerling of de kleuter gedurende zijn verblijf in een ziekenhuis, een residentiële setting of een preventorium waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of bij zijn opname in een dienst als bedoeld in artikel IV 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.
§ 6. Het recht op tijdelijk onderwijs aan huis kan gecombineerd worden met het recht op synchroon internetonderwijs als bedoeld in artikel 36/1.".
Art. 9. L'article 34 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 21 décembre 2018 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2019, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 34. § 1er. Les élèves qui sont temporairement dans l'impossibilité de suivre l'enseignement dans leur école pour cause de maladie ou d'accident, ont droit à l'enseignement temporaire en milieu familial.
§ 2. Le gouvernement fixe les conditions d'admissibilité à l'enseignement temporaire en milieu familial. Le gouvernement fait une distinction entre des absences répétées dues à une maladie chronique et une absence de longue durée.
Une absence de moins de 21 jours calendaires ne constitue pas une absence de longue durée pour l'application du présent article, sauf en cas d'absences répétées pour cause de maladie chronique.
§ 3. Le gouvernement détermine comment l'enseignement en milieu familial est organisé, le type d'aide dont bénéficiera l'école pour organiser l'enseignement en milieu familial et les conditions d'obtention des périodes de cours d'enseignement temporaire en milieu familial, ainsi que leur nombre et mode de calcul.
Les emplois organisés sur la base des périodes de cours visées à l'alinéa 1er, n'entrent pas en ligne de compte pour une déclaration de vacance d'emploi et l'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer un membre du personnel à titre définitif, l'affecter ou le muter dans un de ces emplois.
§ 4. L'autorité scolaire est tenue d'informer les parents des élèves qui ont ou auront droit à l'enseignement temporaire en milieu familial sur le droit à l'enseignement temporaire en milieu familial et les possibilités et modalités d'un tel enseignement.
§ 5. La demande explicite des parents d'un élève, tel que visé au paragraphe 2, oblige l'autorité scolaire à organiser un enseignement temporaire en milieu familial.
L'obligation d'organiser l'enseignement temporaire en milieu familial s'éteint pour l'école à l'égard de l'élève ou du jeune enfant pendant son séjour à l'hôpital, dans une structure résidentielle ou un préventorium où l'enseignement de type 5 est financé ou subventionné ou lors de son admission dans un service tel que prévu à l'article IV 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement.
§ 6. Le droit à l'enseignement temporaire en milieu familial peut être combiné avec le droit à l'enseignement synchronisé par Internet tel que visé à l'article 36/1. ".
" Art. 34. § 1er. Les élèves qui sont temporairement dans l'impossibilité de suivre l'enseignement dans leur école pour cause de maladie ou d'accident, ont droit à l'enseignement temporaire en milieu familial.
§ 2. Le gouvernement fixe les conditions d'admissibilité à l'enseignement temporaire en milieu familial. Le gouvernement fait une distinction entre des absences répétées dues à une maladie chronique et une absence de longue durée.
Une absence de moins de 21 jours calendaires ne constitue pas une absence de longue durée pour l'application du présent article, sauf en cas d'absences répétées pour cause de maladie chronique.
§ 3. Le gouvernement détermine comment l'enseignement en milieu familial est organisé, le type d'aide dont bénéficiera l'école pour organiser l'enseignement en milieu familial et les conditions d'obtention des périodes de cours d'enseignement temporaire en milieu familial, ainsi que leur nombre et mode de calcul.
Les emplois organisés sur la base des périodes de cours visées à l'alinéa 1er, n'entrent pas en ligne de compte pour une déclaration de vacance d'emploi et l'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer un membre du personnel à titre définitif, l'affecter ou le muter dans un de ces emplois.
§ 4. L'autorité scolaire est tenue d'informer les parents des élèves qui ont ou auront droit à l'enseignement temporaire en milieu familial sur le droit à l'enseignement temporaire en milieu familial et les possibilités et modalités d'un tel enseignement.
§ 5. La demande explicite des parents d'un élève, tel que visé au paragraphe 2, oblige l'autorité scolaire à organiser un enseignement temporaire en milieu familial.
L'obligation d'organiser l'enseignement temporaire en milieu familial s'éteint pour l'école à l'égard de l'élève ou du jeune enfant pendant son séjour à l'hôpital, dans une structure résidentielle ou un préventorium où l'enseignement de type 5 est financé ou subventionné ou lors de son admission dans un service tel que prévu à l'article IV 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement.
§ 6. Le droit à l'enseignement temporaire en milieu familial peut être combiné avec le droit à l'enseignement synchronisé par Internet tel que visé à l'article 36/1. ".
Art. 10. In hoofdstuk IV, afdeling 2, van hetzelfde decreet wordt een onderafdeling C/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Onderafdeling C/1. Synchroon internetonderwijs".
"Onderafdeling C/1. Synchroon internetonderwijs".
Art. 10. Dans le chapitre IV, section 2, du même décret, il est inséré une sous-section C/1 rédigée comme suit :
" Sous-section C/1. Enseignement synchronisé par Internet ".
" Sous-section C/1. Enseignement synchronisé par Internet ".
Art. 11. In hetzelfde decreet wordt in onderafdeling C/1, ingevoegd bij artikel 10, een artikel 36/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 36/1. § 1. Synchroon internetonderwijs, verder in deze onderafdeling SIO te noemen, biedt leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school de mogelijkheid om op afstand, via digitale toepassingen, rechtstreeks en in interactie met de leerkrachten en klasgenoten de lessen te volgen.
SIO ondersteunt het leerproces, beperkt de leerachterstand en bereidt de terugkeer naar school voor. Door SIO blijft de band van de afwezige leerling met de school, leerkrachten en medeleerlingen behouden.
§ 2. Leerlingen komen in aanmerking voor SIO als aan volgende voorwaarden voldaan is:
1° de leerling wordt minstens 5 jaar vóór 1 januari van het lopende schooljaar;
2° de school beschikt over bewijsstukken voor de afwezigheid van de leerling ten gevolge van ziekte of ongeval;
3° het gebruik van SIO is verenigbaar met de medische toestand van de leerling. De ouders brengen de behandelende arts op de hoogte; de school informeert de CLB-arts;
4° SIO is voor de betrokken leerling haalbaar en zinvol:
a) SIO komt tegemoet aan de ondersteuningsbehoefte van de leerling conform paragraaf 1, tweede lid. SIO wordt niet aangewend als permanent alternatief voor onderwijs op school;
b) op basis van het ziektebeeld en de inschatting van het ziekteverloop mag aangenomen worden dat de leerling die langdurig of veelvuldig afwezig zal zijn, het SIO zal gebruiken voor een periode van minimaal 36 halve lesdagen;
c) de leerling en de school maken er optimaal gebruik van. Het CLB is betrokken.
De regering kan bijkomende criteria met betrekking tot zinvolheid en haalbaarheid voor de leerling vastleggen.
§ 3. Het schoolbestuur is verplicht om de ouders van leerlingen die recht hebben of zullen hebben op SIO te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van SIO.
§ 4. De uitdrukkelijke vraag van de ouders voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om SIO te organiseren.
§ 5. Het recht op SIO kan gecombineerd worden met het recht op tijdelijk onderwijs aan huis als bedoeld in artikel 34, een verblijf in een ziekenhuis, een residentiële setting of een preventorium waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of met een opname in een dienst als bedoeld in artikel IV 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.
Het recht op SIO kan niet gecombineerd worden met permanent onderwijs aan huis als bedoeld in artikel 35.".
"Art. 36/1. § 1. Synchroon internetonderwijs, verder in deze onderafdeling SIO te noemen, biedt leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school de mogelijkheid om op afstand, via digitale toepassingen, rechtstreeks en in interactie met de leerkrachten en klasgenoten de lessen te volgen.
SIO ondersteunt het leerproces, beperkt de leerachterstand en bereidt de terugkeer naar school voor. Door SIO blijft de band van de afwezige leerling met de school, leerkrachten en medeleerlingen behouden.
§ 2. Leerlingen komen in aanmerking voor SIO als aan volgende voorwaarden voldaan is:
1° de leerling wordt minstens 5 jaar vóór 1 januari van het lopende schooljaar;
2° de school beschikt over bewijsstukken voor de afwezigheid van de leerling ten gevolge van ziekte of ongeval;
3° het gebruik van SIO is verenigbaar met de medische toestand van de leerling. De ouders brengen de behandelende arts op de hoogte; de school informeert de CLB-arts;
4° SIO is voor de betrokken leerling haalbaar en zinvol:
a) SIO komt tegemoet aan de ondersteuningsbehoefte van de leerling conform paragraaf 1, tweede lid. SIO wordt niet aangewend als permanent alternatief voor onderwijs op school;
b) op basis van het ziektebeeld en de inschatting van het ziekteverloop mag aangenomen worden dat de leerling die langdurig of veelvuldig afwezig zal zijn, het SIO zal gebruiken voor een periode van minimaal 36 halve lesdagen;
c) de leerling en de school maken er optimaal gebruik van. Het CLB is betrokken.
De regering kan bijkomende criteria met betrekking tot zinvolheid en haalbaarheid voor de leerling vastleggen.
§ 3. Het schoolbestuur is verplicht om de ouders van leerlingen die recht hebben of zullen hebben op SIO te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van SIO.
§ 4. De uitdrukkelijke vraag van de ouders voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om SIO te organiseren.
§ 5. Het recht op SIO kan gecombineerd worden met het recht op tijdelijk onderwijs aan huis als bedoeld in artikel 34, een verblijf in een ziekenhuis, een residentiële setting of een preventorium waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of met een opname in een dienst als bedoeld in artikel IV 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.
Het recht op SIO kan niet gecombineerd worden met permanent onderwijs aan huis als bedoeld in artikel 35.".
Art. 11. Dans le même décret, il est inséré dans la section C/1, insérée par l'article 10, un article 36/1 rédigé comme suit :
" Art. 36/1. § 1er. L'enseignement synchronisé par Internet, appelé SIO dans la présente sous-section, offre aux élèves qui sont temporairement dans l'impossibilité de suivre l'enseignement dans leur école pour cause de maladie ou d'accident, la possibilité de suivre les cours à distance, via des applications numériques, directement et en interaction avec les enseignants et leurs camarades de classe.
Le SIO soutient le processus d'apprentissage, limite le retard scolaire et prépare le retour à l'école. Grâce au SIO, le lien de l'élève absent avec l'école, les enseignants et les autres élèves est maintenu.
§ 2. Les élèves sont admissibles au SIO si les conditions suivantes sont remplies :
1° l'élève atteint au moins l'âge de 5 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours ;
2° l'école dispose de justificatifs de l'absence de l'élève pour cause de maladie ou d'accident ;
3° l'utilisation du SIO est compatible avec l'état de santé de l'élève. Les parents en informent le médecin traitant ; l'école en informe le médecin du CLB ;
4° le SIO est faisable et utile pour l'élève concerné :
a) le SIO répond au besoin de soutien de l'élève conformément au paragraphe 1er, alinéa 2. Le SIO n'est pas utilisé comme une alternative permanente à l'enseignement dispensé à l'école ;
b) sur la base du syndrome et de l'évaluation de l'évolution de la maladie, on peut supposer qu'un élève dont l'état de santé nécessite une absence de longue durée ou des absences répétées, utilisera le SIO pendant une période d'au moins 36 demi-journées de classe ;
c) l'élève et l'école en font un usage optimal. Le CLB est impliqué.
Le gouvernement peut fixer des critères supplémentaires en ce qui concerne la faisabilité et la pertinence pour l'élève.
§ 3. L'autorité scolaire est tenue d'informer les parents des élèves qui ont ou auront droit au SIO sur le droit au SIO ainsi que sur ses possibilités et modalités.
§ 4. La demande explicite des parents d'un élève tel que visé au paragraphe 2, oblige l'autorité scolaire d'organiser le SIO.
§ 5. Le droit au SIO peut être combiné avec le droit à l'enseignement temporaire en milieu familial tel que visé à l'article 34, un séjour à l'hôpital, dans une structure résidentielle ou un préventorium où l'enseignement de type 5 est financé ou subventionné ou lors de son admission dans un service ou avec une admission dans un service telle que prévue à l'article IV 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement.
Le droit au SIO ne peut être cumulé avec l'enseignement permanent en milieu familial visé à l'article 35. ".
" Art. 36/1. § 1er. L'enseignement synchronisé par Internet, appelé SIO dans la présente sous-section, offre aux élèves qui sont temporairement dans l'impossibilité de suivre l'enseignement dans leur école pour cause de maladie ou d'accident, la possibilité de suivre les cours à distance, via des applications numériques, directement et en interaction avec les enseignants et leurs camarades de classe.
Le SIO soutient le processus d'apprentissage, limite le retard scolaire et prépare le retour à l'école. Grâce au SIO, le lien de l'élève absent avec l'école, les enseignants et les autres élèves est maintenu.
§ 2. Les élèves sont admissibles au SIO si les conditions suivantes sont remplies :
1° l'élève atteint au moins l'âge de 5 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours ;
2° l'école dispose de justificatifs de l'absence de l'élève pour cause de maladie ou d'accident ;
3° l'utilisation du SIO est compatible avec l'état de santé de l'élève. Les parents en informent le médecin traitant ; l'école en informe le médecin du CLB ;
4° le SIO est faisable et utile pour l'élève concerné :
a) le SIO répond au besoin de soutien de l'élève conformément au paragraphe 1er, alinéa 2. Le SIO n'est pas utilisé comme une alternative permanente à l'enseignement dispensé à l'école ;
b) sur la base du syndrome et de l'évaluation de l'évolution de la maladie, on peut supposer qu'un élève dont l'état de santé nécessite une absence de longue durée ou des absences répétées, utilisera le SIO pendant une période d'au moins 36 demi-journées de classe ;
c) l'élève et l'école en font un usage optimal. Le CLB est impliqué.
Le gouvernement peut fixer des critères supplémentaires en ce qui concerne la faisabilité et la pertinence pour l'élève.
§ 3. L'autorité scolaire est tenue d'informer les parents des élèves qui ont ou auront droit au SIO sur le droit au SIO ainsi que sur ses possibilités et modalités.
§ 4. La demande explicite des parents d'un élève tel que visé au paragraphe 2, oblige l'autorité scolaire d'organiser le SIO.
§ 5. Le droit au SIO peut être combiné avec le droit à l'enseignement temporaire en milieu familial tel que visé à l'article 34, un séjour à l'hôpital, dans une structure résidentielle ou un préventorium où l'enseignement de type 5 est financé ou subventionné ou lors de son admission dans un service ou avec une admission dans un service telle que prévue à l'article IV 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement.
Le droit au SIO ne peut être cumulé avec l'enseignement permanent en milieu familial visé à l'article 35. ".
Art. 12. Aan artikel 44, § 4, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 26 januari 2018, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
"In afwijking van paragraaf 3 en 5 kan de regering de bestaande ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs herordenen en technisch aanpassen.".
"In afwijking van paragraaf 3 en 5 kan de regering de bestaande ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs herordenen en technisch aanpassen.".
Art. 12. A l'article 44, § 4, alinéa 1er du même décret, inséré par le décret du 26 janvier 2018, il est ajouté une phrase rédigée comme suit :
" Par dérogation aux paragraphes 3 et 5, le gouvernement peut réorganiser et adapter techniquement les objectifs de développement existants pour l'enseignement fondamental spécial. ".
" Par dérogation aux paragraphes 3 et 5, le gouvernement peut réorganiser et adapter techniquement les objectifs de développement existants pour l'enseignement fondamental spécial. ".
Art. 13. Artikel 53 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 16 juni 2017 en gewijzigd bij het decreet van 23 maart 2018, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 53. Het schoolbestuur van een erkende school kan, op voordracht en na beslissing van de klassenraad, een getuigschrift basisonderwijs uitreiken aan de regelmatige leerlingen in het gewoon lager onderwijs, die vóór 1 januari van het lopende schooljaar al acht jaar geworden zijn.
De klassenraad oordeelt hierbij autonoom of een leerling in voldoende mate de doelen uit het leerplan die het bereiken van de eindtermen beogen, heeft bereikt.".
"Art. 53. Het schoolbestuur van een erkende school kan, op voordracht en na beslissing van de klassenraad, een getuigschrift basisonderwijs uitreiken aan de regelmatige leerlingen in het gewoon lager onderwijs, die vóór 1 januari van het lopende schooljaar al acht jaar geworden zijn.
De klassenraad oordeelt hierbij autonoom of een leerling in voldoende mate de doelen uit het leerplan die het bereiken van de eindtermen beogen, heeft bereikt.".
Art. 13. L'article 53 du même décret, remplacé par le décret du 16 juin 2017 et modifié par le décret du 23 mars 2018, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 53. L'autorité scolaire d'une école agréée peut, sur proposition et après décision du conseil de classe, délivrer un certificat d'enseignement fondamental aux élèves réguliers de l'enseignement primaire ordinaire ayant atteint l'âge de huit ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours.
Le conseil de classe détermine de façon autonome si un élève a suffisamment atteint les objectifs du programme d'études qui visent à atteindre les objectifs finaux. ".
" Art. 53. L'autorité scolaire d'une école agréée peut, sur proposition et après décision du conseil de classe, délivrer un certificat d'enseignement fondamental aux élèves réguliers de l'enseignement primaire ordinaire ayant atteint l'âge de huit ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours.
Le conseil de classe détermine de façon autonome si un élève a suffisamment atteint les objectifs du programme d'études qui visent à atteindre les objectifs finaux. ".
Art. 14. In artikel 54 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 16 juni 2017, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 14. Dans l'article 54 du même décret, remplacé par le décret du 16 juin 2017, le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 15. Artikel 54bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 15 juni 2018, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 54bis. Leerlingen in het gewoon en het buitengewoon lager onderwijs die het getuigschrift basisonderwijs niet behalen, ontvangen een verklaring met het aantal en soort gevolgde jaren lager onderwijs, een schriftelijke motivering waarom het getuigschrift basisonderwijs niet uitgereikt werd, alsook aandachtspunten voor de toekomst.".
"Art. 54bis. Leerlingen in het gewoon en het buitengewoon lager onderwijs die het getuigschrift basisonderwijs niet behalen, ontvangen een verklaring met het aantal en soort gevolgde jaren lager onderwijs, een schriftelijke motivering waarom het getuigschrift basisonderwijs niet uitgereikt werd, alsook aandachtspunten voor de toekomst.".
Art. 15. L'article 54bis du même décret, inséré par le décret du 15 juin 2018, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 54bis. Les élèves de l'enseignement primaire ordinaire et spécial qui n'obtiennent pas le certificat d'enseignement fondamental reçoivent une déclaration indiquant le nombre et le type d'années d'enseignement primaire suivies, une justification écrite des raisons pour lesquelles le certificat d'enseignement fondamental n'a pas été délivré, ainsi que les points à considérer pour l'avenir. ".
" Art. 54bis. Les élèves de l'enseignement primaire ordinaire et spécial qui n'obtiennent pas le certificat d'enseignement fondamental reçoivent une déclaration indiquant le nombre et le type d'années d'enseignement primaire suivies, une justification écrite des raisons pour lesquelles le certificat d'enseignement fondamental n'a pas été délivré, ainsi que les points à considérer pour l'avenir. ".
Art. 16. In artikel 57 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 4 april 2014 en 16 juni 2017, worden de woorden "de getuigschriften" vervangen door de woorden "het getuigschrift".
Art. 16. Dans l'article 57 du même décret, modifié par les décrets des 4 avril 2014 et 16 juin 2017, les mots " des certificats d'enseignement " sont remplacés par les mots " du certificat ".
Art. 17. In artikel 78 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 22 juni 2007, 4 juli 2008 en 6 juli 2012, wordt in paragraaf 1, 2°, punt g) opgeheven.
Art. 17. Dans l'article 78 du même décret, modifié par les décrets des 22 juin 2007, 4 juillet 2008 et 6 juillet 2012, le point g) dans le paragraphe 1er, 2° est abrogé.
Art. 18. Artikel 85quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008 en gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 85quater. B_SchK zoals bepaald in artikel 85ter, § 3, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken 3, 4, 5, en 6:
1° voor de leerlingen van het buitengewoon onderwijs wordt het puntengewicht als volgt vastgesteld:
a) buitengewoon kleuteronderwijs niet type 4 (= schoolkenmerk 3) 9 punten;
b) buitengewoon kleuteronderwijs wel type 4 (= schoolkenmerk 4) 11 punten;
c) buitengewoon lager onderwijs niet type 4 (= schoolkenmerk 5) 13 punten;
d) buitengewoon lager onderwijs wel type 4 (= schoolkenmerk 6) 15 punten.
Met dien verstande dat in het buitengewoon kleuteronderwijs het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari wordt gewogen met volgend percentage: 94,5 %;
2° voor alle scholen wordt per schoolkenmerk, vermeld in punt 1°, het aantal leerlingen, geteld zoals bepaald in artikel 87, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht;
3° het B_SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten.
Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken, hierna GPP_SchK te noemen.".
"Art. 85quater. B_SchK zoals bepaald in artikel 85ter, § 3, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken 3, 4, 5, en 6:
1° voor de leerlingen van het buitengewoon onderwijs wordt het puntengewicht als volgt vastgesteld:
a) buitengewoon kleuteronderwijs niet type 4 (= schoolkenmerk 3) 9 punten;
b) buitengewoon kleuteronderwijs wel type 4 (= schoolkenmerk 4) 11 punten;
c) buitengewoon lager onderwijs niet type 4 (= schoolkenmerk 5) 13 punten;
d) buitengewoon lager onderwijs wel type 4 (= schoolkenmerk 6) 15 punten.
Met dien verstande dat in het buitengewoon kleuteronderwijs het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari wordt gewogen met volgend percentage: 94,5 %;
2° voor alle scholen wordt per schoolkenmerk, vermeld in punt 1°, het aantal leerlingen, geteld zoals bepaald in artikel 87, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht;
3° het B_SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten.
Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken, hierna GPP_SchK te noemen.".
Art. 18. L'article 85quater du même décret, inséré par le décret du 4 juillet 2008 et modifié par le décret du 21 mars 2014 est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 85quater. B_SchK, visé à l'article 85ter, § 3, est réparti comme suit sur les caractéristiques de l'école 3, 4, 5 et 6 :
1° pour les élèves de l'enseignement spécial, la pondération est déterminée comme suit :
a) enseignement maternel spécial n'étant pas du type 4 (= caractéristique de l'école 3) 9 points ;
b) enseignement maternel spécial du type 4 (= caractéristique de l'école 4) 11 points ;
c) enseignement primaire spécial n'étant pas du type 4 (= caractéristique de l'école 5) 13 points ;
d) enseignement primaire spécial du type 4 (= caractéristique de l'école 6) 15 points.
Etant entendu que dans l'enseignement maternel spécial le nombre d'élèves réguliers au premier jour de classe de février est pondéré par le pourcentage suivant : 94,5 % ;
2° pour toutes les écoles, est multiplié, par caractéristique de l'école visée au point 1°, le nombre d'élèves compté conformément à l'article 87, par la pondération correspondante ;
3° le B_SchK est ensuite divisé par le nombre total de points à répartir.
Le quotient de cette division est la valeur monétaire par point pour les caractéristiques de l'école, ci-après dénommée GPP_SchK. ".
" Art. 85quater. B_SchK, visé à l'article 85ter, § 3, est réparti comme suit sur les caractéristiques de l'école 3, 4, 5 et 6 :
1° pour les élèves de l'enseignement spécial, la pondération est déterminée comme suit :
a) enseignement maternel spécial n'étant pas du type 4 (= caractéristique de l'école 3) 9 points ;
b) enseignement maternel spécial du type 4 (= caractéristique de l'école 4) 11 points ;
c) enseignement primaire spécial n'étant pas du type 4 (= caractéristique de l'école 5) 13 points ;
d) enseignement primaire spécial du type 4 (= caractéristique de l'école 6) 15 points.
Etant entendu que dans l'enseignement maternel spécial le nombre d'élèves réguliers au premier jour de classe de février est pondéré par le pourcentage suivant : 94,5 % ;
2° pour toutes les écoles, est multiplié, par caractéristique de l'école visée au point 1°, le nombre d'élèves compté conformément à l'article 87, par la pondération correspondante ;
3° le B_SchK est ensuite divisé par le nombre total de points à répartir.
Le quotient de cette division est la valeur monétaire par point pour les caractéristiques de l'école, ci-après dénommée GPP_SchK. ".
Art. 19. In hoofdstuk VII, afdeling 2, onderafdeling D, 3°, van hetzelfde decreet worden titel C.2. Berekening van de integratietoelage per school en de artikelen 86bis, 86ter en 86quater opgeheven.
Art. 19. Dans le chapitre VII, section 2, sous-section D, 3°, du même décret, le titre C.2. Calcul de la subvention d'intégration par école et les articles 86 bis, 86 ter et 86 quater sont abrogés.
Art. 20. Artikel 86bis/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 86bis/1. § 1. Er worden jaarlijks werkingsmiddelen toegekend aan de schoolbesturen van scholen buitengewoon onderwijs die met toepassing van artikel 172quinquies en 172quinquies/1 ondersteuning bieden.
§ 2. Voor de leerlingen, vermeld in artikel 172quinquies en 172quinquies/1, § 3, 2°, worden de voormelde werkingsmiddelen voor het schooljaar (X, X+1) berekend door het aantal aan de schoolbesturen toegekende begeleidingseenheden, extra lestijden en extra uren in het kader van het ondersteuningsmodel, vermeld in artikel 172quinquies en 172quinquies/1, § 3, 2°, in voorkomend geval na overdrachten, te vermenigvuldigen met een bedrag per begeleidingseenheid, lestijd of uur.
Het bedrag, vermeld in het eerste lid, werd berekend door het budget dat op de onderwijsbegroting voor 2018 voorzien was voor de toekenning van werkingsmiddelen voor het ondersteuningsmodel te delen door het totaal aantal toegekende begeleidingseenheden, extra lestijden, extra lesuren en extra uren in het kader van het ondersteuningsmodel voor het schooljaar 2017-2018.
Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die berekend wordt conform de volgende formule:
A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x- 2.
§ 3. Voor de leerlingen, vermeld in artikel 172quinquies/1, § 3, 1°, die op een van de teldagen, vermeld in artikel 172quinquies/1, § 4, begeleid worden, krijgt de begeleidende school voor buitengewoon onderwijs de volgende werkingsmiddelen toegekend:
1° voor het kleuteronderwijs:
a) type 2, 6 of 7: 360,66 euro per leerling;
b) type 4: 548,07 euro per leerling;
2° voor het lager onderwijs:
a) type 2, 6 of 7: 645,48 euro per leerling;
b) type 4: 843,80 euro per leerling.
De werkingsmiddelen toegekend aan de school voor buitengewoon onderwijs op basis van de leerlingen op de eerste schooldag van oktober, worden gegarandeerd voor het volledige schooljaar.
Als op basis van de telling op de eerste schooldag van februari van het lopende schooljaar en met toepassing van de bedragen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, een hoger bedrag aan werkingsmiddelen wordt bekomen voor een school voor buitengewoon onderwijs in vergelijking met de werkingsmiddelen toegekend op basis van de telling van de eerste schooldag van oktober, dan ontvangt deze school dit verschil aan werkingsmiddelen. In geval van een daling behoudt de school voor buitengewoon onderwijs de werkingsmiddelen berekend op basis van de eerste schooldag van oktober.
In geval een school voor gewoon basisonderwijs voor ondersteuning samenwerkt met een school voor buitengewoon secundair onderwijs, dan worden de werkingsmiddelen bepaald met toepassing van de bedragen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, toegekend aan die school voor buitengewoon secundair onderwijs.
§ 4. De bedragen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1° en 2°, worden jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die berekend wordt conform de volgende formule:
A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x- 2.".
"Art. 86bis/1. § 1. Er worden jaarlijks werkingsmiddelen toegekend aan de schoolbesturen van scholen buitengewoon onderwijs die met toepassing van artikel 172quinquies en 172quinquies/1 ondersteuning bieden.
§ 2. Voor de leerlingen, vermeld in artikel 172quinquies en 172quinquies/1, § 3, 2°, worden de voormelde werkingsmiddelen voor het schooljaar (X, X+1) berekend door het aantal aan de schoolbesturen toegekende begeleidingseenheden, extra lestijden en extra uren in het kader van het ondersteuningsmodel, vermeld in artikel 172quinquies en 172quinquies/1, § 3, 2°, in voorkomend geval na overdrachten, te vermenigvuldigen met een bedrag per begeleidingseenheid, lestijd of uur.
Het bedrag, vermeld in het eerste lid, werd berekend door het budget dat op de onderwijsbegroting voor 2018 voorzien was voor de toekenning van werkingsmiddelen voor het ondersteuningsmodel te delen door het totaal aantal toegekende begeleidingseenheden, extra lestijden, extra lesuren en extra uren in het kader van het ondersteuningsmodel voor het schooljaar 2017-2018.
Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die berekend wordt conform de volgende formule:
A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x- 2.
§ 3. Voor de leerlingen, vermeld in artikel 172quinquies/1, § 3, 1°, die op een van de teldagen, vermeld in artikel 172quinquies/1, § 4, begeleid worden, krijgt de begeleidende school voor buitengewoon onderwijs de volgende werkingsmiddelen toegekend:
1° voor het kleuteronderwijs:
a) type 2, 6 of 7: 360,66 euro per leerling;
b) type 4: 548,07 euro per leerling;
2° voor het lager onderwijs:
a) type 2, 6 of 7: 645,48 euro per leerling;
b) type 4: 843,80 euro per leerling.
De werkingsmiddelen toegekend aan de school voor buitengewoon onderwijs op basis van de leerlingen op de eerste schooldag van oktober, worden gegarandeerd voor het volledige schooljaar.
Als op basis van de telling op de eerste schooldag van februari van het lopende schooljaar en met toepassing van de bedragen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, een hoger bedrag aan werkingsmiddelen wordt bekomen voor een school voor buitengewoon onderwijs in vergelijking met de werkingsmiddelen toegekend op basis van de telling van de eerste schooldag van oktober, dan ontvangt deze school dit verschil aan werkingsmiddelen. In geval van een daling behoudt de school voor buitengewoon onderwijs de werkingsmiddelen berekend op basis van de eerste schooldag van oktober.
In geval een school voor gewoon basisonderwijs voor ondersteuning samenwerkt met een school voor buitengewoon secundair onderwijs, dan worden de werkingsmiddelen bepaald met toepassing van de bedragen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, toegekend aan die school voor buitengewoon secundair onderwijs.
§ 4. De bedragen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1° en 2°, worden jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die berekend wordt conform de volgende formule:
A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x- 2.".
Art. 20. L'article 86bis/1 du même décret, inséré par le décret du 6 juillet 2018, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 86bis/1. § 1er. Des moyens de fonctionnement sont alloués annuellement aux autorités scolaires d'écoles d'enseignement spécial qui fournissent un soutien par application des articles 172quinquies et 172quinquies/1.
§ 2. Pour les élèves visés aux articles 172quinquies et 172quinquies/1es, § 3, 2°, les moyens de fonctionnement précités pour l'année scolaire (X, X+1) sont calculés en multipliant le nombre d'unités d'accompagnement, de périodes de cours supplémentaires et d'heures supplémentaires accordées aux autorités scolaires dans le cadre du modèle de soutien, visées aux articles 172quinquies et 172quinquies/1, § 3, 2°, le cas échéant, après des transferts, par un montant par unité d'accompagnement, période de cours ou heure.
Le montant visé à l'alinéa 1er a été calculé en divisant le budget inscrit au budget de l'enseignement pour 2018 pour l'attribution de moyens de fonctionnement au modèle de soutien, par le nombre total d'unités d'accompagnement, de périodes de cours supplémentaires, d'heures de cours supplémentaires et d'heures supplémentaires dans le cadre du modèle de soutien pour l'année scolaire 2017-2018.
Le montant visé à l'alinéa 2 est multiplié annuellement par le coefficient d'adaptation A, qui est calculé à l'aide de la formule suivante :
A = (Cx-1/Cx-2), où :
1° Cx-1 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-1 ;
2° Cx-2 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-2.
§ 3. Pour les élèves visés à l'article 172quinquies/1, § 3, 1°, qui sont accompagnés l'un des jours de comptage visés à l'article 172quinquies/1, § 4, l'école accompagnatrice d'enseignement spécial se voit attribuer les moyens de fonctionnement suivants :
1° pour l'enseignement maternel :
a) type 2, 6 ou 7 : 360,66 euros par élève ;
b) type 4 : 548,07 euros par élève ;
2° pour l'enseignement primaire :
a) type 2, 6 ou 7 : 645,48 euros par élève ;
b) type 4 : 843,80 euros par élève.
Les moyens de fonctionnement alloués à l'école d'enseignement spécial sur la base des élèves au premier jour de classe d'octobre sont garantis pour toute l'année scolaire.
Si, sur la base du comptage au premier jour de classe de février de l'année scolaire en cours et par application des montants, visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, un montant plus élevé de moyens de fonctionnement est obtenu pour une école d'enseignement spécial par rapport aux moyens de fonctionnement alloués sur la base du comptage du premier jour de classe d'octobre, cette école reçoit cette différence de moyens de fonctionnement. En cas de baisse du nombre d'élèves, l'école d'enseignement spécial maintient les moyens de fonctionnement calculés sur la base du premier jour de classe d'octobre.
Dans le cas où une école d'enseignement fondamental ordinaire coopère pour le soutien avec une école d'enseignement secondaire spécial, les moyens de fonctionnement sont déterminés en appliquant les montants visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, accordés à cette école d'enseignement secondaire spécial.
§ 4. Les montants visés au paragraphe 3, l'alinéa 1er, 1° et 2° sont multipliés annuellement par le coefficient d'adaptation A qui est calculé à l'aide de la formule suivante :
A = (Cx-1/Cx-2), où :
1° Cx-1 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-1 ;
2° Cx-2 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-2. ".
" Art. 86bis/1. § 1er. Des moyens de fonctionnement sont alloués annuellement aux autorités scolaires d'écoles d'enseignement spécial qui fournissent un soutien par application des articles 172quinquies et 172quinquies/1.
§ 2. Pour les élèves visés aux articles 172quinquies et 172quinquies/1es, § 3, 2°, les moyens de fonctionnement précités pour l'année scolaire (X, X+1) sont calculés en multipliant le nombre d'unités d'accompagnement, de périodes de cours supplémentaires et d'heures supplémentaires accordées aux autorités scolaires dans le cadre du modèle de soutien, visées aux articles 172quinquies et 172quinquies/1, § 3, 2°, le cas échéant, après des transferts, par un montant par unité d'accompagnement, période de cours ou heure.
Le montant visé à l'alinéa 1er a été calculé en divisant le budget inscrit au budget de l'enseignement pour 2018 pour l'attribution de moyens de fonctionnement au modèle de soutien, par le nombre total d'unités d'accompagnement, de périodes de cours supplémentaires, d'heures de cours supplémentaires et d'heures supplémentaires dans le cadre du modèle de soutien pour l'année scolaire 2017-2018.
Le montant visé à l'alinéa 2 est multiplié annuellement par le coefficient d'adaptation A, qui est calculé à l'aide de la formule suivante :
A = (Cx-1/Cx-2), où :
1° Cx-1 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-1 ;
2° Cx-2 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-2.
§ 3. Pour les élèves visés à l'article 172quinquies/1, § 3, 1°, qui sont accompagnés l'un des jours de comptage visés à l'article 172quinquies/1, § 4, l'école accompagnatrice d'enseignement spécial se voit attribuer les moyens de fonctionnement suivants :
1° pour l'enseignement maternel :
a) type 2, 6 ou 7 : 360,66 euros par élève ;
b) type 4 : 548,07 euros par élève ;
2° pour l'enseignement primaire :
a) type 2, 6 ou 7 : 645,48 euros par élève ;
b) type 4 : 843,80 euros par élève.
Les moyens de fonctionnement alloués à l'école d'enseignement spécial sur la base des élèves au premier jour de classe d'octobre sont garantis pour toute l'année scolaire.
Si, sur la base du comptage au premier jour de classe de février de l'année scolaire en cours et par application des montants, visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, un montant plus élevé de moyens de fonctionnement est obtenu pour une école d'enseignement spécial par rapport aux moyens de fonctionnement alloués sur la base du comptage du premier jour de classe d'octobre, cette école reçoit cette différence de moyens de fonctionnement. En cas de baisse du nombre d'élèves, l'école d'enseignement spécial maintient les moyens de fonctionnement calculés sur la base du premier jour de classe d'octobre.
Dans le cas où une école d'enseignement fondamental ordinaire coopère pour le soutien avec une école d'enseignement secondaire spécial, les moyens de fonctionnement sont déterminés en appliquant les montants visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, accordés à cette école d'enseignement secondaire spécial.
§ 4. Les montants visés au paragraphe 3, l'alinéa 1er, 1° et 2° sont multipliés annuellement par le coefficient d'adaptation A qui est calculé à l'aide de la formule suivante :
A = (Cx-1/Cx-2), où :
1° Cx-1 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-1 ;
2° Cx-2 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-2. ".
Art. 21. In artikel 87 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 4 juli 2008, wordt paragraaf 6 opgeheven.
Art. 21. Dans l'article 87 du même décret, modifié par le décret du 4 juillet 2008, le paragraphe 6 est abrogé.
Art. 22. In artikel 115 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 9 juli 2010 en gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014 en 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "voor het buitengewoon onderwijs ook" opgeheven;
2° in paragraaf 2 worden de woorden "voor het buitengewoon onderwijs ook" opgeheven.
1° in paragraaf 1 worden de woorden "voor het buitengewoon onderwijs ook" opgeheven;
2° in paragraaf 2 worden de woorden "voor het buitengewoon onderwijs ook" opgeheven.
Art. 22. A l'article 115 du même décret, remplacé par le décret du 9 juillet 2010 et modifié par les décrets des 25 avril 2014 et 6 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les mots " , ou, pour l'enseignement secondaire spécial, également " sont abrogés ;
2° dans le paragraphe 2, les mots " ou, pour l'enseignement secondaire spécial, également de " sont abrogés.
1° dans le paragraphe 1er, les mots " , ou, pour l'enseignement secondaire spécial, également " sont abrogés ;
2° dans le paragraphe 2, les mots " ou, pour l'enseignement secondaire spécial, également de " sont abrogés.
Art. 23. Artikel 125quinquies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003, vervangen bij het decreet van 25 april 2014 en gewijzigd bij de decreten van 17 juni 2016 en 15 juni 2018, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 125quinquies. § 1. Een scholengemeenschap wordt opgericht:
1° bij beslissing als de scholengemeenschap wordt gevormd door scholen van hetzelfde schoolbestuur;
2° bij overeenkomst als de scholengemeenschap wordt gevormd door scholen van verschillende schoolbesturen.
De beslissing of de overeenkomst regelt de organisatie en de werking van de scholengemeenschap.
§ 2. Vanaf 1 september 2020 treedt de beslissing of overeenkomst in werking op 1 september en geldt ze telkens voor een periode van zes schooljaren.
Elke volgende periode van zes schooljaren start zes jaar of een veelvoud van zes jaar na 1 september 2020.
De beslissing of overeenkomst wordt telkens van rechtswege voor dezelfde periode verlengd als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de scholengemeenschap beantwoordt nog aan de criteria om scholengemeenschappen te vormen;
2° er is geen beslissing of overeenkomst om de scholengemeenschap niet te verlengen of te wijzigen;
3° de samenstelling van de scholengemeenschap blijft ongewijzigd;
4° geen enkel schoolbestuur meldt voor 1 mei voorafgaand aan de start van een periode van zes schooljaren aan de andere schoolbesturen dat ze de beslissing of overeenkomst niet wil verlengen.
Scholengemeenschappen die op 31 augustus 2020 bestaan, kunnen op 1 september 2020 onder de voorwaarden van het derde lid van rechtswege worden verlengd voor een periode van zes schooljaren.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 eindigen de overeenkomsten of beslissingen, vermeld in paragraaf 1, die in werking treden in de loop van een periode van zes schooljaren als vermeld in paragraaf 2, tweede lid, op het einde van de zes schooljaren in kwestie.
§ 4. Tijdens de periode, vermeld in paragraaf 2, kan de beslissing of overeenkomst over de vorming van een scholengemeenschap evenwel worden gewijzigd, zodat een school alsnog tot de scholengemeenschap kan toetreden of uit de scholengemeenschap kan stappen.
Een school kan uit de scholengemeenschap stappen in een van de volgende gevallen:
1° de scholengemeenschap telt minder dan 900 gewogen regelmatige leerlingen als vermeld in artikel 125septies, op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar;
2° een school wordt overgenomen door een schoolbestuur van een andere groep als vermeld in artikel 3, 21°, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap, ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt.
Wijzigingen van een beslissing of overeenkomst treden in werking op 1 september na de datum waarop de wijziging tot stand is gekomen.
§ 5. Elke beslissing of overeenkomst met betrekking tot de vorming of de wijziging van een scholengemeenschap wordt, voor 15 juni van het schooljaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding, aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en bezorgd aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid. Ook een verlenging van rechtswege wordt uiterlijk op voormelde datum aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en bezorgd aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid.".
"Art. 125quinquies. § 1. Een scholengemeenschap wordt opgericht:
1° bij beslissing als de scholengemeenschap wordt gevormd door scholen van hetzelfde schoolbestuur;
2° bij overeenkomst als de scholengemeenschap wordt gevormd door scholen van verschillende schoolbesturen.
De beslissing of de overeenkomst regelt de organisatie en de werking van de scholengemeenschap.
§ 2. Vanaf 1 september 2020 treedt de beslissing of overeenkomst in werking op 1 september en geldt ze telkens voor een periode van zes schooljaren.
Elke volgende periode van zes schooljaren start zes jaar of een veelvoud van zes jaar na 1 september 2020.
De beslissing of overeenkomst wordt telkens van rechtswege voor dezelfde periode verlengd als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de scholengemeenschap beantwoordt nog aan de criteria om scholengemeenschappen te vormen;
2° er is geen beslissing of overeenkomst om de scholengemeenschap niet te verlengen of te wijzigen;
3° de samenstelling van de scholengemeenschap blijft ongewijzigd;
4° geen enkel schoolbestuur meldt voor 1 mei voorafgaand aan de start van een periode van zes schooljaren aan de andere schoolbesturen dat ze de beslissing of overeenkomst niet wil verlengen.
Scholengemeenschappen die op 31 augustus 2020 bestaan, kunnen op 1 september 2020 onder de voorwaarden van het derde lid van rechtswege worden verlengd voor een periode van zes schooljaren.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 eindigen de overeenkomsten of beslissingen, vermeld in paragraaf 1, die in werking treden in de loop van een periode van zes schooljaren als vermeld in paragraaf 2, tweede lid, op het einde van de zes schooljaren in kwestie.
§ 4. Tijdens de periode, vermeld in paragraaf 2, kan de beslissing of overeenkomst over de vorming van een scholengemeenschap evenwel worden gewijzigd, zodat een school alsnog tot de scholengemeenschap kan toetreden of uit de scholengemeenschap kan stappen.
Een school kan uit de scholengemeenschap stappen in een van de volgende gevallen:
1° de scholengemeenschap telt minder dan 900 gewogen regelmatige leerlingen als vermeld in artikel 125septies, op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar;
2° een school wordt overgenomen door een schoolbestuur van een andere groep als vermeld in artikel 3, 21°, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap, ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt.
Wijzigingen van een beslissing of overeenkomst treden in werking op 1 september na de datum waarop de wijziging tot stand is gekomen.
§ 5. Elke beslissing of overeenkomst met betrekking tot de vorming of de wijziging van een scholengemeenschap wordt, voor 15 juni van het schooljaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding, aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en bezorgd aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid. Ook een verlenging van rechtswege wordt uiterlijk op voormelde datum aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en bezorgd aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid.".
Art. 23. L'article 125quinquies du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003, remplacé par le décret du 25 avril 2014 et modifié par les décrets des 17 juin 2016 et 15 juin 2018, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 125quinquies. § 1er. Un centre d'enseignement est créé :
1° par voie de décision, si le centre d'enseignement est créé par des écoles de la même autorité scolaire ;
2° par voie de convention, si le centre d'enseignement est créé par des écoles de différentes autorités scolaires.
La décision ou convention règle l'organisation et le fonctionnement du centre d'enseignement.
§ 2. A partir du 1er septembre 2020, la décision ou la convention entre en vigueur le 1er septembre et porte chaque fois sur une période de six années scolaires.
Chaque période suivante de six années scolaires commence six ans ou un multiple de six ans après le 1er septembre 2020.
La décision ou convention est chaque fois prolongée de plein droit pour la même période, si les conditions suivantes sont remplies :
1° le centre d'enseignement remplit encore les critères pour la constitution de centres d'enseignement ;
2° il n'y a pas de décision ou de convention pour ne pas proroger ou modifier l'existence du centre d'enseignement ;
3° la composition du centre d'enseignement reste inchangée ;
4° aucune autorité scolaire ne communique, avant le 1er mai précédant le début d'une période de six années scolaires, aux autres autorités scolaires qu'elle ne souhaite pas prolonger la décision ou convention.
Les centres d'enseignement existant au 31 août 2020 peuvent être prolongés de plein droit au 1er septembre 2020 pour une période de six années scolaires aux conditions prévues à l'alinéa 3.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, les conventions ou décisions visées au paragraphe 1er entrant en vigueur au cours d'une période de six années scolaires telle que visée au paragraphe 2, alinéa 2, prennent fin au terme des six années scolaires en question.
§ 4. Au cours de la période visée au paragraphe 2, la décision ou convention relative à la création d'un centre d'enseignement peut toutefois être modifiée pour permettre à une école d'adhérer au centre d'enseignement ou de le quitter.
Une école peut quitter un centre d'enseignement dans un des cas suivants :
1° le centre d'enseignement compte moins de 900 élèves réguliers pondérés au sens de l'article 125septies au premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente ;
2° une école est reprise par une autorité scolaire d'un autre groupe tel que visé à l'article 3, 21°, à condition que toutes les autorités scolaires appartenant au centre d'enseignement accordent leur consentement à ce que l'école quitte le centre d'enseignement.
Toute modification apportée à une décision ou convention entre en vigueur le 1er septembre suivant la date de la modification.
§ 5. Toute décision ou convention relative à la formation ou à la modification d'un centre d'enseignement est communiqué au personnel concerné avant le 15 juin de l'année scolaire précédant la date d'entrée en vigueur et est soumis au service compétent de l'Autorité flamande. Toute prolongation de plein droit doit également être notifiée aux membres du personnel concernés au plus tard à la date susmentionnée et doit être soumise au service compétent de l'Autorité flamande. ".
" Art. 125quinquies. § 1er. Un centre d'enseignement est créé :
1° par voie de décision, si le centre d'enseignement est créé par des écoles de la même autorité scolaire ;
2° par voie de convention, si le centre d'enseignement est créé par des écoles de différentes autorités scolaires.
La décision ou convention règle l'organisation et le fonctionnement du centre d'enseignement.
§ 2. A partir du 1er septembre 2020, la décision ou la convention entre en vigueur le 1er septembre et porte chaque fois sur une période de six années scolaires.
Chaque période suivante de six années scolaires commence six ans ou un multiple de six ans après le 1er septembre 2020.
La décision ou convention est chaque fois prolongée de plein droit pour la même période, si les conditions suivantes sont remplies :
1° le centre d'enseignement remplit encore les critères pour la constitution de centres d'enseignement ;
2° il n'y a pas de décision ou de convention pour ne pas proroger ou modifier l'existence du centre d'enseignement ;
3° la composition du centre d'enseignement reste inchangée ;
4° aucune autorité scolaire ne communique, avant le 1er mai précédant le début d'une période de six années scolaires, aux autres autorités scolaires qu'elle ne souhaite pas prolonger la décision ou convention.
Les centres d'enseignement existant au 31 août 2020 peuvent être prolongés de plein droit au 1er septembre 2020 pour une période de six années scolaires aux conditions prévues à l'alinéa 3.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, les conventions ou décisions visées au paragraphe 1er entrant en vigueur au cours d'une période de six années scolaires telle que visée au paragraphe 2, alinéa 2, prennent fin au terme des six années scolaires en question.
§ 4. Au cours de la période visée au paragraphe 2, la décision ou convention relative à la création d'un centre d'enseignement peut toutefois être modifiée pour permettre à une école d'adhérer au centre d'enseignement ou de le quitter.
Une école peut quitter un centre d'enseignement dans un des cas suivants :
1° le centre d'enseignement compte moins de 900 élèves réguliers pondérés au sens de l'article 125septies au premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente ;
2° une école est reprise par une autorité scolaire d'un autre groupe tel que visé à l'article 3, 21°, à condition que toutes les autorités scolaires appartenant au centre d'enseignement accordent leur consentement à ce que l'école quitte le centre d'enseignement.
Toute modification apportée à une décision ou convention entre en vigueur le 1er septembre suivant la date de la modification.
§ 5. Toute décision ou convention relative à la formation ou à la modification d'un centre d'enseignement est communiqué au personnel concerné avant le 15 juin de l'année scolaire précédant la date d'entrée en vigueur et est soumis au service compétent de l'Autorité flamande. Toute prolongation de plein droit doit également être notifiée aux membres du personnel concernés au plus tard à la date susmentionnée et doit être soumise au service compétent de l'Autorité flamande. ".
Art. 24. In artikel 125septies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en gewijzigd bij de decreten van 17 juni 2011, 25 april 2014 en 17 juni 2016, worden de volgende wijzigen aangebracht:
1° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. De telling om na te gaan of er voldaan wordt aan de norm van scholengemeenschap, geldt voor een periode van zes schooljaren.
Voor scholengemeenschappen die opgericht worden in de loop van een periode van zes schooljaren, geldt de norm tot op het einde van de zes schooljaren in kwestie.";
2° paragraaf 5 wordt opgeheven.
1° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. De telling om na te gaan of er voldaan wordt aan de norm van scholengemeenschap, geldt voor een periode van zes schooljaren.
Voor scholengemeenschappen die opgericht worden in de loop van een periode van zes schooljaren, geldt de norm tot op het einde van de zes schooljaren in kwestie.";
2° paragraaf 5 wordt opgeheven.
Art. 24. A l'article 125septies du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003 et modifié par les décrets des 17 juin 2011, 25 avril 2014 et 17 juin 2016, sont apportées les modifications suivantes :
1° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Le comptage pour vérifier si la norme de centre d'enseignement est respectée est valable pour une période de six années scolaires.
Pour les centres d'enseignement établis au cours d'une période de six années scolaires, la norme s'applique jusqu'à la fin des six années scolaires en question. " ;
2° le paragraphe 5 est abrogé.
1° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Le comptage pour vérifier si la norme de centre d'enseignement est respectée est valable pour une période de six années scolaires.
Pour les centres d'enseignement établis au cours d'une période de six années scolaires, la norme s'applique jusqu'à la fin des six années scolaires en question. " ;
2° le paragraphe 5 est abrogé.
Art. 25. In artikel 125decies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en gewijzigd bij de decreten van 4 juli 2008, 20 maart 2009, 8 mei 2009 en 9 juli 2010, wordt de zinsnede "artikel 125quinquies, § 4ter, 1° en 2°, " vervangen door de zinsnede "artikel 125quinquies, § 4, tweede lid, 1° en 2°, ".
Art. 25. Dans l'article 125decies du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003 et modifié par les décrets des 4 juillet 2008, 20 mars 2009, 8 mai 2009 et 9 juillet 2010, le membre de phrase " l'article 125quinquies, § 4ter, 1° et 2° " est remplacé par le membre de phrase " l'article 125quinquies, § 4, alinéa 2, 1° et 2° ".
Art. 26. In artikel 153quaterdecies van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het onderwijs, ingevoegd door het decreet van 6 juli 2018, wordt de zinsnede "Tijdens het schooljaar 2018-2019" vervangen door de zinsnede "Tijdens het schooljaar 2018-2019 en het schooljaar 2019-2020".
Art. 26. Dans l'article 153quaterdecies du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, inséré par le décret du 6 juillet 2018, le membre de phrase " Pendant l'année scolaire 2018-2019 " est remplacé par le membre de phrase " Pendant l'année scolaire 2018-2019 et l'année scolaire 2019-2020 ".
Art. 27. In artikel 153viciesquater van hetzelfde decreet, ingevoegd door het decreet van 6 juli 2018, wordt de zinsnede "vanaf 2019-2020" opgeheven.
Art. 27. Dans l'article 153viciesquater du même décret, inséré par le décret du 6 juillet 2018, le membre de phrase " à partir de 2019-2020 " est abrogé.
Art. 28. In artikel 168 van hetzelfde decreet, hersteld bij het decreet van 21 december 2012 en vervangen bij het decreet van 25 april 2014, wordt punt 6° vervangen door wat volgt:
"6° ze bezorgt jaarlijks een verslag over de afgelopen subsidieperiode;".
"6° ze bezorgt jaarlijks een verslag over de afgelopen subsidieperiode;".
Art. 28. Dans l'article 168 du même décret, rétabli par le décret du 21 décembre 2012 et remplacé par le décret du 25 avril 2014, le point 6° est remplacé par ce qui suit :
" 6° elle soumet annuellement un rapport financier sur la période de subvention écoulée ; ".
" 6° elle soumet annuellement un rapport financier sur la période de subvention écoulée ; ".
Art. 29. In artikel 169 van hetzelfde decreet, hersteld bij het decreet van 21 december 2012 en vervangen bij het decreet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Vanaf het schooljaar 2015-2016 wordt aan de vzw een subsidie toegekend van maximaal 28.000 euro per 12 maanden voor het project de rijdende kleuterschool Vlaanderen. Vanaf 2019 wordt de subsidie toegekend op kalenderjaarbasis.";
2° paragraaf 2 wordt opgeheven;
3° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "het prijsindexcijfer dat berekend wordt voor de toepassing van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen" vervangen door de woorden "de gezondheidsindex";
4° in paragraaf 5 wordt de tweede zin vervangen door wat volgt:
"De subsidie wordt de eerste keer toegekend voor de periode van 1 september 2015 tot en met 31 december 2020, vervolgens telkens voor een periode van vijf kalenderjaren. Het verlof wegens bijzondere opdracht wordt telkens toegekend voor een periode van vijf schooljaren.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Vanaf het schooljaar 2015-2016 wordt aan de vzw een subsidie toegekend van maximaal 28.000 euro per 12 maanden voor het project de rijdende kleuterschool Vlaanderen. Vanaf 2019 wordt de subsidie toegekend op kalenderjaarbasis.";
2° paragraaf 2 wordt opgeheven;
3° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "het prijsindexcijfer dat berekend wordt voor de toepassing van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen" vervangen door de woorden "de gezondheidsindex";
4° in paragraaf 5 wordt de tweede zin vervangen door wat volgt:
"De subsidie wordt de eerste keer toegekend voor de periode van 1 september 2015 tot en met 31 december 2020, vervolgens telkens voor een periode van vijf kalenderjaren. Het verlof wegens bijzondere opdracht wordt telkens toegekend voor een periode van vijf schooljaren.".
Art. 29. A l'article 169 du même décret, rétabli par le décret du 21 décembre 2012 et modifié par le décret du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. A partir de l'année scolaire 2015-2016, l'a.s.b.l. bénéficie d'une subvention d'un montant maximum de 28.000 euros par 12 mois pour le projet de l'école maternelle itinérante flamande. A partir de 2019, la subvention est accordée sur la base d'une année calendaire " ;
2° le paragraphe 2 est abrogé ;
3° dans le paragraphe 3, le membre de phrase " l'indice de santé, calculé pour l'application de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays " est remplacé par le membre de phrase " l'indice santé " ;
4° dans le paragraphe 5, la deuxième phrase est remplacée par ce qui suit :
" La subvention est accordée pour la première fois pour la période allant du 1er septembre 2015 au 31 décembre 2020, puis chaque fois pour une période de cinq années calendaires. Le congé pour mission spéciale est chaque fois accordé pour une période de cinq années scolaires. ".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. A partir de l'année scolaire 2015-2016, l'a.s.b.l. bénéficie d'une subvention d'un montant maximum de 28.000 euros par 12 mois pour le projet de l'école maternelle itinérante flamande. A partir de 2019, la subvention est accordée sur la base d'une année calendaire " ;
2° le paragraphe 2 est abrogé ;
3° dans le paragraphe 3, le membre de phrase " l'indice de santé, calculé pour l'application de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays " est remplacé par le membre de phrase " l'indice santé " ;
4° dans le paragraphe 5, la deuxième phrase est remplacée par ce qui suit :
" La subvention est accordée pour la première fois pour la période allant du 1er septembre 2015 au 31 décembre 2020, puis chaque fois pour une période de cinq années calendaires. Le congé pour mission spéciale est chaque fois accordé pour une période de cinq années scolaires. ".
Art. 30. In hetzelfde decreet wordt het opschrift van afdeling 4 van hoofdstuk XI. Projecten, ingevoegd bij het decreet van 16 juni 2017, als volgt gewijzigd:
"Afdeling 4. Invoering van regionale ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs en van een mechanisme voor de ondersteuning van scholen voor gewoon basisonderwijs met leerlingen met een gemotiveerd verslag, verslag of inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 7".
"Afdeling 4. Invoering van regionale ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs en van een mechanisme voor de ondersteuning van scholen voor gewoon basisonderwijs met leerlingen met een gemotiveerd verslag, verslag of inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 7".
Art. 30. Dans le même décret, l'intitulé de la section 4 du chapitre XI. Projets, inséré par le décret du 16 juin 2017, est modifié comme suit :
" Section 4. Introduction de réseaux régionaux de soutien dans l'enseignement fondamental et secondaire et d'un mécanisme de soutien aux écoles d'enseignement fondamental ordinaire dispensant un enseignement aux élèves en possession d'un rapport motivé, d'un rapport ou d'un rapport d'inscription de type 2, 4, 6 ou 7 ".
" Section 4. Introduction de réseaux régionaux de soutien dans l'enseignement fondamental et secondaire et d'un mécanisme de soutien aux écoles d'enseignement fondamental ordinaire dispensant un enseignement aux élèves en possession d'un rapport motivé, d'un rapport ou d'un rapport d'inscription de type 2, 4, 6 ou 7 ".
Art. 31. In artikel 172quinquies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 juni 2017 en gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° 18.013,5 begeleidingseenheden, waarvan 11.163 voor het basisonderwijs en 6.850,5 voor het secundair onderwijs;";
2° paragraaf 2 en paragraaf 2/1, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018, worden opgeheven;
3° in paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
" § 3. Het budget, vermeld in paragraaf 1, wordt door de Vlaamse Regering toegewezen aan ondersteuningsnetwerken en volledig toegekend aan de scholen buitengewoon onderwijs, voor de ondersteuning in het gewoon basis- of secundair onderwijs van leerlingen met een inschrijvingsverslag waarover ze beschikken omdat ze, voor het basisonderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 16, § 2, van dit decreet of, voor het secundair onderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 352, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs en leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag type basisaanbod, 3 of 9, die voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van dit decreet of artikel 259, § 1, 1°, 3° en 8°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, waarbij:
1° 70 % wordt verdeeld op basis van het leerlingenaantal op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar van de scholen en centra voor gewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk;
2° 30 % wordt verdeeld op basis van het gemiddeld aantal leerlingen met een verslag, gemotiveerd verslag of inschrijvingsverslag in de scholen en centra voor gewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk op de eerste schooldag van februari van de zes voorafgaande schooljaren;
3° in afwijking van punt 2° gelden als teldagen:
a) voor het schooljaar 2017-2018: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2011-2012 tot en met 2016-2017;
b) voor het schooljaar 2018-2019: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van het schooljaar 2017-2018;
c) voor het schooljaar 2019-2020: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019.";
4° in paragraaf 3, laatste lid, wordt de zinsnede "artikel VI.1, § 2, eerste lid, 4°, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften" vervangen door de zinsnede "artikel 21/1 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs";
5° aan paragraaf 3 wordt een tiende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Middelen voor coördinatie van een ondersteuningsnetwerk van het overleg kleine onderwijsverstrekkers kunnen worden georganiseerd vanuit het begeleidingskorps dat aan de kleine onderwijsverstrekkers werd toegekend in toepassing van artikel VI.1, § 4, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.";
6° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "bedoeld in paragraaf 2" vervangen door de zinsnede "bedoeld in artikel 172quinquies/1";
7° in paragraaf 5 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"In afwijking hiervan worden de in paragraaf 1, 1°, vermelde 18.013,5 begeleidingseenheden door de Vlaamse Regering rechtstreeks terug verdeeld naar de scholen voor buitengewoon onderwijs die in het schooljaar 2016-2017 begeleidingen deden in het kader van het geïntegreerd onderwijs naar rato van:
1° 100 % in het schooljaar 2017-2018;
2° 66 % in het schooljaar 2018-2019;
3° 33 % in het schooljaar 2019-2020.";
8° in paragraaf 8 wordt het vierde lid opgeheven;
9° paragraaf 8/1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 8/1. In elk ondersteuningsnetwerk wordt ten minste één personeelslid aangesteld in een school voor buitengewoon onderwijs, dat belast wordt met coördinerende taken. Een voltijdse betrekking wordt steeds toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast.
Met behoud van de toegekende middelen voor coördinatie, vermeld in paragraaf 3, negende en tiende lid, kan tot een door de Vlaamse Regering te bepalen maximumpercentage van het totale budget van een ondersteuningsnetwerk aangewend worden voor coördinatieopdrachten voor het ondersteuningsnetwerk. Dit kan enkel wanneer het ondersteuningsnetwerk kan aantonen dat de toegekende middelen voor coördinatie ontoereikend zijn. Deze middelen mogen enkel ingezet worden voor coördinatietaken.
Paragraaf 6, 7 en 8 zijn van toepassing op de personeelsleden, vermeld in het eerste en tweede lid.".
1° in paragraaf 1 wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° 18.013,5 begeleidingseenheden, waarvan 11.163 voor het basisonderwijs en 6.850,5 voor het secundair onderwijs;";
2° paragraaf 2 en paragraaf 2/1, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018, worden opgeheven;
3° in paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
" § 3. Het budget, vermeld in paragraaf 1, wordt door de Vlaamse Regering toegewezen aan ondersteuningsnetwerken en volledig toegekend aan de scholen buitengewoon onderwijs, voor de ondersteuning in het gewoon basis- of secundair onderwijs van leerlingen met een inschrijvingsverslag waarover ze beschikken omdat ze, voor het basisonderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 16, § 2, van dit decreet of, voor het secundair onderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 352, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs en leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag type basisaanbod, 3 of 9, die voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van dit decreet of artikel 259, § 1, 1°, 3° en 8°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, waarbij:
1° 70 % wordt verdeeld op basis van het leerlingenaantal op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar van de scholen en centra voor gewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk;
2° 30 % wordt verdeeld op basis van het gemiddeld aantal leerlingen met een verslag, gemotiveerd verslag of inschrijvingsverslag in de scholen en centra voor gewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk op de eerste schooldag van februari van de zes voorafgaande schooljaren;
3° in afwijking van punt 2° gelden als teldagen:
a) voor het schooljaar 2017-2018: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2011-2012 tot en met 2016-2017;
b) voor het schooljaar 2018-2019: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van het schooljaar 2017-2018;
c) voor het schooljaar 2019-2020: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019.";
4° in paragraaf 3, laatste lid, wordt de zinsnede "artikel VI.1, § 2, eerste lid, 4°, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften" vervangen door de zinsnede "artikel 21/1 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs";
5° aan paragraaf 3 wordt een tiende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Middelen voor coördinatie van een ondersteuningsnetwerk van het overleg kleine onderwijsverstrekkers kunnen worden georganiseerd vanuit het begeleidingskorps dat aan de kleine onderwijsverstrekkers werd toegekend in toepassing van artikel VI.1, § 4, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.";
6° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "bedoeld in paragraaf 2" vervangen door de zinsnede "bedoeld in artikel 172quinquies/1";
7° in paragraaf 5 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"In afwijking hiervan worden de in paragraaf 1, 1°, vermelde 18.013,5 begeleidingseenheden door de Vlaamse Regering rechtstreeks terug verdeeld naar de scholen voor buitengewoon onderwijs die in het schooljaar 2016-2017 begeleidingen deden in het kader van het geïntegreerd onderwijs naar rato van:
1° 100 % in het schooljaar 2017-2018;
2° 66 % in het schooljaar 2018-2019;
3° 33 % in het schooljaar 2019-2020.";
8° in paragraaf 8 wordt het vierde lid opgeheven;
9° paragraaf 8/1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 8/1. In elk ondersteuningsnetwerk wordt ten minste één personeelslid aangesteld in een school voor buitengewoon onderwijs, dat belast wordt met coördinerende taken. Een voltijdse betrekking wordt steeds toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast.
Met behoud van de toegekende middelen voor coördinatie, vermeld in paragraaf 3, negende en tiende lid, kan tot een door de Vlaamse Regering te bepalen maximumpercentage van het totale budget van een ondersteuningsnetwerk aangewend worden voor coördinatieopdrachten voor het ondersteuningsnetwerk. Dit kan enkel wanneer het ondersteuningsnetwerk kan aantonen dat de toegekende middelen voor coördinatie ontoereikend zijn. Deze middelen mogen enkel ingezet worden voor coördinatietaken.
Paragraaf 6, 7 en 8 zijn van toepassing op de personeelsleden, vermeld in het eerste en tweede lid.".
Art. 31. A l'article 172quinquies du même décret, inséré par le décret du 16 juin 2017 et modifié par le décret du 6 juillet 2018, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° de 18.013,5 unités d'accompagnement, dont 11.163 pour l'enseignement fondamental et 6.850,5 pour l'enseignement secondaire ; " ;
2° les paragraphes 2 et 2/1, insérés par le décret du 6 juillet 2018, sont abrogés ;
3° dans le paragraphe 3, l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Le budget, visé au paragraphe 1er, est attribué par le Gouvernement flamand aux réseaux de soutien et est accordé dans son ensemble aux écoles d'enseignement spécial pour le soutien dans l'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire d'élèves en possession d'un rapport d'inscription dont ils disposent parce qu'ils tombent, pour l'enseignement fondamental, sous l'application de l'article 16, § 2 du présent décret ou, pour l'enseignement secondaire, sous l'application de l'article 352, § 2, du Code de l'Enseignement secondaire et d'élèves en possession d'un rapport motivé ou d'un rapport du type offre de base, 3 ou 9, répondant aux critères visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 1°, 3° et 8° du présent décret ou à l'article 259, § 1er, 1°, 3° et 8° du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, dont :
1° 70 % est réparti sur la base du nombre d'élèves au premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente des écoles et centres d'enseignement ordinaire du réseau de soutien ;
2° 30 % est réparti sur la base du nombre moyen d'élèves en possession d'un rapport, d'un rapport motivé ou d'un rapport d'inscription dans les écoles et centres d'enseignement ordinaire du réseau de soutien au premier jour de classe de février des six années scolaires précédentes ;
3° par dérogation au point 2°, les jours de comptage suivants s'appliquent :
a) pour l'année scolaire 2017-2018 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2011-2012 à 2016-2017 ;
b) pour l'année scolaire 2018-2019 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2012-2013 à 2016-2017 et le premier jour de classe de février de l'année scolaire 2017-2018 ;
c) pour l'année scolaire 2019-2020 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2013-2014 à 2016-2017 et le premier jour de classe de février des années scolaires 2017-2018 et 2018-2019 ;
4° dans le paragraphe 3, dernier alinéa, le membre de phrase " l'article VI.1, § 2, alinéa 1er, 4° du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques " est remplacé par le membre de phrase " l'article 21/1 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement " ;
5° le paragraphe 3 est complété par un alinéa 10 rédigé comme suit:
" Des moyens pour la coordination d'un réseau de soutien de la " Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers " (Concertation petits dispensateurs d'enseignement) peuvent être organisés à partir de l'équipe d'encadrement attribuée aux petits dispensateurs d'enseignement par application de l'article VI.1, § 4 du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques. " ;
6° dans le paragraphe 4, le membre de phrase " visés au paragraphe 2, " est remplacé par le membre de phrase " visés à l'article 172quinquies/1 " ;
7° dans le paragraphe 5, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à cette disposition, les 18.013,5 unités d'accompagnement sont directement réaffectées par le Gouvernement flamand aux écoles d'enseignement spécial qui assuraient dans l'année scolaire 2016-2017 des démarches d'accompagnement dans le cadre de l'enseignement intégré au prorata de:
1° 100 % dans l'année scolaire 2017-2018 ;
2° 66 % dans l'année scolaire 2018-2019 ;
3° 33 % dans l'année scolaire 2019-2020. " ;
8° dans le paragraphe 8, l'alinéa 4 est abrogé ;
9° le paragraphe 8/1 est remplacé par ce qui suit :
" § 8/1. Dans chaque réseau de soutien, au moins un membre du personnel est désigné dans une école d'enseignement spécial pour assumer des tâches de coordination. Un emploi à temps plein est toujours conféré soit à un seul membre du personnel, soit à deux membres du personnel chargés chacun d'un emploi à mi-temps.
Tout en maintenant les moyens affectés à la coordination visés au paragraphe 3, alinéas 9 et 10, un pourcentage maximal à déterminer par le Gouvernement flamand du budget total d'un réseau de soutien peut être utilisé pour des tâches de coordination pour le réseau de soutien. Cela n'est possible que si le réseau de soutien peut démontrer que les moyens alloués à la coordination sont insuffisants. Ces moyens ne peuvent être utilisés que pour des tâches de coordination.
Les paragraphes 6, 7 et 8 s'appliquent aux membres du personnel visés aux alinéas 1er et 2. ".
1° dans le paragraphe 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° de 18.013,5 unités d'accompagnement, dont 11.163 pour l'enseignement fondamental et 6.850,5 pour l'enseignement secondaire ; " ;
2° les paragraphes 2 et 2/1, insérés par le décret du 6 juillet 2018, sont abrogés ;
3° dans le paragraphe 3, l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Le budget, visé au paragraphe 1er, est attribué par le Gouvernement flamand aux réseaux de soutien et est accordé dans son ensemble aux écoles d'enseignement spécial pour le soutien dans l'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire d'élèves en possession d'un rapport d'inscription dont ils disposent parce qu'ils tombent, pour l'enseignement fondamental, sous l'application de l'article 16, § 2 du présent décret ou, pour l'enseignement secondaire, sous l'application de l'article 352, § 2, du Code de l'Enseignement secondaire et d'élèves en possession d'un rapport motivé ou d'un rapport du type offre de base, 3 ou 9, répondant aux critères visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 1°, 3° et 8° du présent décret ou à l'article 259, § 1er, 1°, 3° et 8° du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, dont :
1° 70 % est réparti sur la base du nombre d'élèves au premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente des écoles et centres d'enseignement ordinaire du réseau de soutien ;
2° 30 % est réparti sur la base du nombre moyen d'élèves en possession d'un rapport, d'un rapport motivé ou d'un rapport d'inscription dans les écoles et centres d'enseignement ordinaire du réseau de soutien au premier jour de classe de février des six années scolaires précédentes ;
3° par dérogation au point 2°, les jours de comptage suivants s'appliquent :
a) pour l'année scolaire 2017-2018 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2011-2012 à 2016-2017 ;
b) pour l'année scolaire 2018-2019 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2012-2013 à 2016-2017 et le premier jour de classe de février de l'année scolaire 2017-2018 ;
c) pour l'année scolaire 2019-2020 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2013-2014 à 2016-2017 et le premier jour de classe de février des années scolaires 2017-2018 et 2018-2019 ;
4° dans le paragraphe 3, dernier alinéa, le membre de phrase " l'article VI.1, § 2, alinéa 1er, 4° du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques " est remplacé par le membre de phrase " l'article 21/1 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement " ;
5° le paragraphe 3 est complété par un alinéa 10 rédigé comme suit:
" Des moyens pour la coordination d'un réseau de soutien de la " Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers " (Concertation petits dispensateurs d'enseignement) peuvent être organisés à partir de l'équipe d'encadrement attribuée aux petits dispensateurs d'enseignement par application de l'article VI.1, § 4 du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques. " ;
6° dans le paragraphe 4, le membre de phrase " visés au paragraphe 2, " est remplacé par le membre de phrase " visés à l'article 172quinquies/1 " ;
7° dans le paragraphe 5, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à cette disposition, les 18.013,5 unités d'accompagnement sont directement réaffectées par le Gouvernement flamand aux écoles d'enseignement spécial qui assuraient dans l'année scolaire 2016-2017 des démarches d'accompagnement dans le cadre de l'enseignement intégré au prorata de:
1° 100 % dans l'année scolaire 2017-2018 ;
2° 66 % dans l'année scolaire 2018-2019 ;
3° 33 % dans l'année scolaire 2019-2020. " ;
8° dans le paragraphe 8, l'alinéa 4 est abrogé ;
9° le paragraphe 8/1 est remplacé par ce qui suit :
" § 8/1. Dans chaque réseau de soutien, au moins un membre du personnel est désigné dans une école d'enseignement spécial pour assumer des tâches de coordination. Un emploi à temps plein est toujours conféré soit à un seul membre du personnel, soit à deux membres du personnel chargés chacun d'un emploi à mi-temps.
Tout en maintenant les moyens affectés à la coordination visés au paragraphe 3, alinéas 9 et 10, un pourcentage maximal à déterminer par le Gouvernement flamand du budget total d'un réseau de soutien peut être utilisé pour des tâches de coordination pour le réseau de soutien. Cela n'est possible que si le réseau de soutien peut démontrer que les moyens alloués à la coordination sont insuffisants. Ces moyens ne peuvent être utilisés que pour des tâches de coordination.
Les paragraphes 6, 7 et 8 s'appliquent aux membres du personnel visés aux alinéas 1er et 2. ".
Art. 32. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt een artikel 172quinquies/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 172quinquies/1. § 1. Scholen voor gewoon basisonderwijs kunnen vanuit scholen buitengewoon basis- of secundair onderwijs, die over de vereiste handicapspecifieke expertise beschikken, ondersteuning ontvangen voor:
1° leerlingen met een inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 7, waarover deze leerlingen beschikken omdat ze vallen onder de toepassing van artikel 16, § 2;
2° leerlingen met een gemotiveerd verslag type 2, 4, 6 of 7, vermeld in artikel 16;
3° leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 of 7, vermeld in artikel 15.
§ 2. De school voor gewoon basisonderwijs deelt per leerling, vermeld in paragraaf 1, die nood heeft aan ondersteuning en die geteld wordt op de teldagen, vermeld in paragraaf 4, aan AGODI mee welke school voor buitengewoon onderwijs de ondersteuning voor het betrokken schooljaar opneemt. De school betrekt de ouders van de betrokken leerlingen en het CLB bij deze keuze. De school voor gewoon onderwijs is verantwoordelijk om voor de leerlingen die al gekend zijn die keuze voor het einde van het voorafgaande schooljaar mee te delen aan de scholen voor buitengewoon onderwijs waarmee ze zal samenwerken.
De scholen voor gewoon basisonderwijs kunnen netoverschrijdende samenwerkingen aangaan met scholen voor buitengewoon onderwijs. De aangeduide scholen voor buitengewoon onderwijs zijn bepalend voor de toekenning van lestijden, uren en begeleidingseenheden aan die scholen.
§ 3. De lestijden, uren en begeleidingseenheden worden als volgt bepaald:
1° voor leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 en 7 in het gewoon basisonderwijs en leerlingen met een inschrijvingsverslag type 2 in het gewoon basisonderwijs:
a) type 2: 3,225 lestijden en 3,9 uren;
b) type 4: 3,225 lestijden en 5,0 uren;
c) type 6: 4,170 lestijden en 2,1 uren;
d) type 7: 4,170 lestijden en 2,9 uren;
2° voor leerlingen met een inschrijvingsverslag type 4, 6 of 7 in het gewoon basisonderwijs of een gemotiveerd verslag type 2, 4, 6 of 7 in het gewoon basisonderwijs:
a) type 2: 2 begeleidingseenheden;
b) type 4: 2 begeleidingseenheden;
c) type 6: 3,56 begeleidingseenheden;
d) type 7: 2,10 begeleidingseenheden.
De lestijden, de uren en de begeleidingseenheden worden per school voor buitengewoon onderwijs telkens per type en afzonderlijk voor punt 1° en 2° opgeteld en in geval van een decimaal getal naar de hogere eenheid afgerond.
In functie van extra ondersteuningsnoden voor leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 of 7 of met een inschrijvingsverslag type 2 bovenop de lestijden die ze genereren in een school voor gewoon onderwijs of het behoud van expertise en tewerkstelling in een school voor buitengewoon onderwijs die het aanbod heeft voor leerlingen conform artikel 10, § 1, 2° en/of 4°, en/of 6°, en/of 7°, kan, met toepassing van de omzettingstabel als vermeld in artikel 139septies decies, § 9, een omzetting gebeuren van lestijden naar uren of omgekeerd om voormelde leerlingen, indien de situatie het vereist, beter te ondersteunen. Deze omzetting is afhankelijk van het akkoord van de ouders en van de lokale onderhandelingscomités van de school voor gewoon en buitengewoon onderwijs.
§ 4. De teldagen voor de toekenning van lestijden, uren en begeleidingseenheden aan scholen voor buitengewoon onderwijs zijn:
1° de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar;
2° de eerste schooldag van februari van het lopende schooljaar.
De lestijden, uren en begeleidingseenheden toegekend op basis van de telling op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar vormt het gegarandeerde basispakket voor het volledige schooljaar.
Als op basis van de berekening, vermeld in paragraaf 1, paragraaf 2 en paragraaf 3, op de eerste schooldag van februari een hoger aantal lestijden, uren of begeleidingseenheden per type gegenereerd wordt voor een school voor buitengewoon onderwijs in vergelijking met het aantal dat op de eerste schooldag van oktober werd toegekend, ontvangt deze school dit verschil aan lestijden, uren of begeleidingseenheden per type met ingang van de eerste schooldag van februari. In geval van een daling behoudt de school voor buitengewoon onderwijs de lestijden, uren en begeleidingseenheden per type berekend op basis van de eerste schooldag van oktober.
§ 5. Scholen voor buitengewoon onderwijs ontvangen de lestijden, uren en begeleidingseenheden voor de leerlingen van de scholen voor gewoon basisonderwijs waarmee ze samenwerken.
In geval een school voor gewoon basisonderwijs voor ondersteuning samenwerkt met een school voor buitengewoon secundair onderwijs worden de lestijden, vermeld in paragraaf 3, 1°, door AGODI toegekend als lesuren.
Begeleidingseenheden kunnen naargelang de aard van de ondersteuning die nodig is, omgezet worden in lestijden of uren.
§ 6. De lestijden en uren, inclusief de omgezette begeleidingseenheden, worden voor scholen buitengewoon basisonderwijs beschouwd als extra lestijden en extra uren zoals bedoeld in artikel 3, 14° en 14° bis, van dit decreet en als extra lesuren en uren in scholen voor buitengewoon secundair onderwijs indien de school voor gewoon basisonderwijs voor ondersteuning samenwerkt met een school voor buitengewoon secundair onderwijs.
Paragraaf 6, 7 en 8 van artikel 172quinquies zijn van toepassing op de personeelsleden die aangesteld worden in de extra lestijden en extra uren.
§ 7. Scholen voor buitengewoon onderwijs werken netoverschrijdend samen om aan expertisedeling te doen in functie van hun ondersteunende opdracht naar scholen voor gewoon onderwijs.
§ 8. De scholen voor gewoon basisonderwijs hebben recht op ondersteuning van scholen voor buitengewoon onderwijs. In onderling overleg en met betrokkenheid van de ouders, waar mogelijk de leerling en met het CLB wordt bepaald hoe de lestijden, uren en begeleidingseenheden die de leerlingen met toepassing van paragraaf 3 en op basis van de teldagen, vermeld in paragraaf 4, inbrengen, worden ingezet naargelang de vastgestelde ondersteuningsnoden.
De ondersteuning kan binnen de school voor gewoon basisonderwijs en over scholen voor gewoon basisonderwijs heen flexibel aangewend worden voor leerlinggerichte, leerkrachtgerichte of teamgerichte ondersteuning op basis van de ondersteuningsnoden die er zijn. Er kunnen geen lestijden, uren of begeleidingseenheden, toegekend in toepassing van dit artikel, aangewend worden voor ondersteuning in toepassing van artikel 172quinquies.
De scholen voor buitengewoon onderwijs starten met ondersteuning vanaf de eerste schooldag van het lopende schooljaar en in voorkomend geval ook vanaf de eerste schooldag van februari voor de leerlingen met een inschrijvingsverslag, gemotiveerd verslag of verslag type 2, 4, 6 of 7 die al gekend zijn en waarvoor er nood is aan ondersteuning.
§ 9. De onderwijsinspectie voert gerichte kwaliteitscontroles uit op de handelingsgerichte diagnostische trajecten die leiden tot de opmaak van verslagen en gemotiveerde verslagen type 2, 4, 6 en 7.
§ 10. Het toezicht door de onderwijsinspectie en de administratie en de evaluatie en monitoring als vermeld in artikel 172quinquies, § 9 en § 10, zijn ook van toepassing op de uitvoering van dit artikel.
§ 11. Voor de toepassing van dit artikel wordt school begrepen als een gefinancierde of gesubsidieerde school.".
"Art. 172quinquies/1. § 1. Scholen voor gewoon basisonderwijs kunnen vanuit scholen buitengewoon basis- of secundair onderwijs, die over de vereiste handicapspecifieke expertise beschikken, ondersteuning ontvangen voor:
1° leerlingen met een inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 7, waarover deze leerlingen beschikken omdat ze vallen onder de toepassing van artikel 16, § 2;
2° leerlingen met een gemotiveerd verslag type 2, 4, 6 of 7, vermeld in artikel 16;
3° leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 of 7, vermeld in artikel 15.
§ 2. De school voor gewoon basisonderwijs deelt per leerling, vermeld in paragraaf 1, die nood heeft aan ondersteuning en die geteld wordt op de teldagen, vermeld in paragraaf 4, aan AGODI mee welke school voor buitengewoon onderwijs de ondersteuning voor het betrokken schooljaar opneemt. De school betrekt de ouders van de betrokken leerlingen en het CLB bij deze keuze. De school voor gewoon onderwijs is verantwoordelijk om voor de leerlingen die al gekend zijn die keuze voor het einde van het voorafgaande schooljaar mee te delen aan de scholen voor buitengewoon onderwijs waarmee ze zal samenwerken.
De scholen voor gewoon basisonderwijs kunnen netoverschrijdende samenwerkingen aangaan met scholen voor buitengewoon onderwijs. De aangeduide scholen voor buitengewoon onderwijs zijn bepalend voor de toekenning van lestijden, uren en begeleidingseenheden aan die scholen.
§ 3. De lestijden, uren en begeleidingseenheden worden als volgt bepaald:
1° voor leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 en 7 in het gewoon basisonderwijs en leerlingen met een inschrijvingsverslag type 2 in het gewoon basisonderwijs:
a) type 2: 3,225 lestijden en 3,9 uren;
b) type 4: 3,225 lestijden en 5,0 uren;
c) type 6: 4,170 lestijden en 2,1 uren;
d) type 7: 4,170 lestijden en 2,9 uren;
2° voor leerlingen met een inschrijvingsverslag type 4, 6 of 7 in het gewoon basisonderwijs of een gemotiveerd verslag type 2, 4, 6 of 7 in het gewoon basisonderwijs:
a) type 2: 2 begeleidingseenheden;
b) type 4: 2 begeleidingseenheden;
c) type 6: 3,56 begeleidingseenheden;
d) type 7: 2,10 begeleidingseenheden.
De lestijden, de uren en de begeleidingseenheden worden per school voor buitengewoon onderwijs telkens per type en afzonderlijk voor punt 1° en 2° opgeteld en in geval van een decimaal getal naar de hogere eenheid afgerond.
In functie van extra ondersteuningsnoden voor leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 of 7 of met een inschrijvingsverslag type 2 bovenop de lestijden die ze genereren in een school voor gewoon onderwijs of het behoud van expertise en tewerkstelling in een school voor buitengewoon onderwijs die het aanbod heeft voor leerlingen conform artikel 10, § 1, 2° en/of 4°, en/of 6°, en/of 7°, kan, met toepassing van de omzettingstabel als vermeld in artikel 139septies decies, § 9, een omzetting gebeuren van lestijden naar uren of omgekeerd om voormelde leerlingen, indien de situatie het vereist, beter te ondersteunen. Deze omzetting is afhankelijk van het akkoord van de ouders en van de lokale onderhandelingscomités van de school voor gewoon en buitengewoon onderwijs.
§ 4. De teldagen voor de toekenning van lestijden, uren en begeleidingseenheden aan scholen voor buitengewoon onderwijs zijn:
1° de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar;
2° de eerste schooldag van februari van het lopende schooljaar.
De lestijden, uren en begeleidingseenheden toegekend op basis van de telling op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar vormt het gegarandeerde basispakket voor het volledige schooljaar.
Als op basis van de berekening, vermeld in paragraaf 1, paragraaf 2 en paragraaf 3, op de eerste schooldag van februari een hoger aantal lestijden, uren of begeleidingseenheden per type gegenereerd wordt voor een school voor buitengewoon onderwijs in vergelijking met het aantal dat op de eerste schooldag van oktober werd toegekend, ontvangt deze school dit verschil aan lestijden, uren of begeleidingseenheden per type met ingang van de eerste schooldag van februari. In geval van een daling behoudt de school voor buitengewoon onderwijs de lestijden, uren en begeleidingseenheden per type berekend op basis van de eerste schooldag van oktober.
§ 5. Scholen voor buitengewoon onderwijs ontvangen de lestijden, uren en begeleidingseenheden voor de leerlingen van de scholen voor gewoon basisonderwijs waarmee ze samenwerken.
In geval een school voor gewoon basisonderwijs voor ondersteuning samenwerkt met een school voor buitengewoon secundair onderwijs worden de lestijden, vermeld in paragraaf 3, 1°, door AGODI toegekend als lesuren.
Begeleidingseenheden kunnen naargelang de aard van de ondersteuning die nodig is, omgezet worden in lestijden of uren.
§ 6. De lestijden en uren, inclusief de omgezette begeleidingseenheden, worden voor scholen buitengewoon basisonderwijs beschouwd als extra lestijden en extra uren zoals bedoeld in artikel 3, 14° en 14° bis, van dit decreet en als extra lesuren en uren in scholen voor buitengewoon secundair onderwijs indien de school voor gewoon basisonderwijs voor ondersteuning samenwerkt met een school voor buitengewoon secundair onderwijs.
Paragraaf 6, 7 en 8 van artikel 172quinquies zijn van toepassing op de personeelsleden die aangesteld worden in de extra lestijden en extra uren.
§ 7. Scholen voor buitengewoon onderwijs werken netoverschrijdend samen om aan expertisedeling te doen in functie van hun ondersteunende opdracht naar scholen voor gewoon onderwijs.
§ 8. De scholen voor gewoon basisonderwijs hebben recht op ondersteuning van scholen voor buitengewoon onderwijs. In onderling overleg en met betrokkenheid van de ouders, waar mogelijk de leerling en met het CLB wordt bepaald hoe de lestijden, uren en begeleidingseenheden die de leerlingen met toepassing van paragraaf 3 en op basis van de teldagen, vermeld in paragraaf 4, inbrengen, worden ingezet naargelang de vastgestelde ondersteuningsnoden.
De ondersteuning kan binnen de school voor gewoon basisonderwijs en over scholen voor gewoon basisonderwijs heen flexibel aangewend worden voor leerlinggerichte, leerkrachtgerichte of teamgerichte ondersteuning op basis van de ondersteuningsnoden die er zijn. Er kunnen geen lestijden, uren of begeleidingseenheden, toegekend in toepassing van dit artikel, aangewend worden voor ondersteuning in toepassing van artikel 172quinquies.
De scholen voor buitengewoon onderwijs starten met ondersteuning vanaf de eerste schooldag van het lopende schooljaar en in voorkomend geval ook vanaf de eerste schooldag van februari voor de leerlingen met een inschrijvingsverslag, gemotiveerd verslag of verslag type 2, 4, 6 of 7 die al gekend zijn en waarvoor er nood is aan ondersteuning.
§ 9. De onderwijsinspectie voert gerichte kwaliteitscontroles uit op de handelingsgerichte diagnostische trajecten die leiden tot de opmaak van verslagen en gemotiveerde verslagen type 2, 4, 6 en 7.
§ 10. Het toezicht door de onderwijsinspectie en de administratie en de evaluatie en monitoring als vermeld in artikel 172quinquies, § 9 en § 10, zijn ook van toepassing op de uitvoering van dit artikel.
§ 11. Voor de toepassing van dit artikel wordt school begrepen als een gefinancierde of gesubsidieerde school.".
Art. 32. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, il est inséré un article 172quinquies/1 rédigé comme suit :
" Art. 172quinquies/1. § 1er. Les écoles d'enseignement fondamental ordinaire peuvent recevoir de la part d'écoles d'enseignement fondamental et secondaire spécial qui possèdent l'expertise spécifique au handicap requise, un soutien pour :
1° les élèves en possession d'un rapport d'inscription pour le type 2, 4, 6 ou 7 dont ces élèves disposent parce qu'ils relèvent de l'application de l'article 16, § 2 ;
2° les élèves en possession d'un rapport motivé pour le type 2, 4, 6 ou 7, visé à l'article 16 ;
3° les élèves en possession d'un rapport pour le type 2, 4, 6 ou 7 visé à l'article 15.
§ 2. Par élève, mentionné au paragraphe 1er, qui nécessite un soutien et est compté aux jours de comptage, mentionnés au paragraphe 4, l'école d'enseignement fondamental ordinaire informe AGODI de l'école d'enseignement spécial qui assure le soutien pour l'année scolaire en question. L'école associe les parents des élèves concernés et le CLB à ce choix. Pour les élèves qui sont déjà connus, l'école d'enseignement ordinaire est chargée de communiquer ce choix avant la fin de l'année scolaire précédente aux écoles d'enseignement spécial avec lesquelles elle coopérera.
Les écoles d'enseignement fondamental ordinaire peuvent s'engager dans une coopération inter-réseaux avec les écoles d'enseignement spécial. Les écoles d'enseignement spécial désignées sont déterminantes pour l'attribution des périodes de cours, des heures et des unités d'accompagnement à ces écoles.
§ 3. Les périodes de cours, heures et unités d'accompagnement sont déterminées comme suit :
1° pour les élèves en possession d'un rapport de type 2, 4, 6 et 7 dans l'enseignement fondamental ordinaire et les élèves en possession d'un rapport d'inscription de type 2 dans l'enseignement fondamental ordinaire :
a) type 2 : 3,225 périodes de cours et 3,9 heures ;
b) type 4 : 3,225 périodes de cours et 5,0 heures ;
c) type 6 : 4,170 périodes de cours et 2,1 heures ;
d) type 7 : 4,170 périodes de cours et 2,9 heures ;
2° pour les élèves en possession d'un rapport d'inscription de type 4, 6 ou 7 dans l'enseignement fondamental ordinaire ou d'un rapport motivé de type 2, 4, 6 ou 7 dans l'enseignement fondamental ordinaire :
a) type 2 : 2 unités d'accompagnement ;
b) type 4 : 2 unités d'accompagnement ;
c) type 6 : 3,56 unités d'accompagnement ;
d) type 7 : 2,10 unités d'accompagnement.
Par école d'enseignement spécial, les périodes de cours, les heures et les unités d'accompagnement sont additionnées par type et séparément pour les points 1° et 2°, et dans le cas d'un nombre décimal, arrondies à l'unité supérieure.
En fonction des besoins d'accompagnement supplémentaires des élèves en possession d'un rapport de type 2, 4, 6 ou 7 ou d'un rapport d'inscription de type 2 en plus des périodes de cours qu'ils génèrent dans une école d'enseignement ordinaire ou en fonction en fonction du maintien de l'expertise et de l'emploi dans une école d'enseignement spécial qui propose l'offre pour les élèves conformément à l'article 10, § 1er, 2° et/ou 4°, et/ou 6°, et/ou 7°, une conversion des périodes de cours en heures ou vice versa peut être effectuée conformément au tableau de conversion visé à l'article 139septiesdecies, § 9, afin de mieux soutenir lesdits élèves si la situation l'exige. Cette conversion dépend de l'accord des parents et des comités locaux de négociation de l'école d'enseignement ordinaire et spécial.
§ 4. Les jours de comptage pour l'attribution des périodes de cours, des heures et des unités d'accompagnement aux écoles d'enseignement spécial sont :
1° le premier jour de classe d'octobre de l'année scolaire en cours ;
2° le premier jour classe de février de l'année scolaire en cours.
Les périodes de cours, les heures et les unités d'accompagnement allouées sur la base du comptage au premier jour de classe d'octobre de l'année scolaire en cours constituent le paquet de base garanti pour l'année scolaire entière.
Si, sur la base du calcul visé au paragraphe 1er, au paragraphe 2 et au paragraphe 3, un nombre plus élevé de périodes de cours, d'heures ou d'unités d'accompagnement par type est généré au premier jour de classe de février pour une école d'enseignement spécial par rapport au nombre attribué au premier jour de classe d'octobre, cette école reçoit cette différence de périodes de cours, d'heures ou d'unités d'accompagnement par type à compter du premier jour de classe de février. En cas de baisse du nombre d'élèves, l'école d'enseignement spécial maintient les périodes de cours, heures et unités d'accompagnement calculées par type sur la base du premier jour de classe d'octobre.
§ 5. Les écoles d'enseignement spécial obtiennent les périodes de cours, heures et unités d'accompagnement pour les élèves des écoles d'enseignement fondamental ordinaire avec lesquelles elles coopèrent.
Dans le cas où une école d'enseignement fondamental ordinaire coopère pour le soutien avec une école d'enseignement secondaire spécial, les périodes de cours mentionnées au paragraphe 3, 1°, sont allouées par AGODI comme des heures de cours.
En fonction de la nature du soutien nécessaire, les unités d'accompagnement peuvent être converties en périodes de cours ou en heures.
§ 6. Les périodes de cours et les heures, y compris les unités d'accompagnement converties, sont considérées pour les écoles d'enseignement fondamental spécial comme des périodes de cours supplémentaires et des heures supplémentaires au sens de l'article 3, 14° et 14° bis du présent décret et comme des heures de cours supplémentaires et des heures dans les écoles d'enseignement secondaire spécial si l'école d'enseignement fondamental ordinaire collabore pour le soutien avec une école d'enseignement secondaire spécial.
Les paragraphes 6, 7 et 8 de l'article 172quinquies s'appliquent aux membres du personnel engagés dans des périodes de cours supplémentaires et des heures supplémentaires.
§ 7. Les écoles d'enseignement spécial travaillent ensemble à travers les réseaux pour partager leur expertise en fonction de leur mission de soutien aux écoles d'enseignement ordinaire.
§ 8. Les écoles d'enseignement fondamental ordinaire peuvent prétendre au soutien des écoles d'enseignement spécial. De commun accord et avec la participation des parents, si possible de l'élève et du CLB, il est déterminé comment les périodes de cours, les heures et les unités d'accompagnement que les élèves génèrent conformément au paragraphe 3 et sur la base des jours de comptage, visés au paragraphe 4, sont utilisées en fonction des besoins de soutien établis.
Le soutien peut être utilisé de manière flexible au sein de l'école d'enseignement fondamental ordinaire et au-delà des écoles d'enseignement fondamental ordinaire pour un soutien axé sur l'élève, l'enseignant ou l'équipe en fonction des besoins de soutien qui existent. Les périodes de cours, les heures ou les unités d'accompagnement, allouées en application du présent article, ne peuvent être utilisées à des fins de soutien en application de l'article 172quinquies.
Les écoles d'enseignement spécial commencent avec un soutien à partir du premier jour de classe de l'année scolaire en cours et, le cas échéant, également à partir du premier jour de classe de février pour les élèves en possession d'un rapport d'inscription, d'un rapport motivé ou d'un rapport de type 2, 4, 6 ou 7 qui sont déjà connus et qui nécessitent un soutien.
§ 9. L'inspection de l'enseignement réalise des contrôles de la qualité ciblés des parcours diagnostiques orientés vers l'action débouchant sur la rédaction des rapports et des rapports motivés de type 2, 4, 6 et 7.
§ 10. Le contrôle exercé par l'inspection de l'enseignement et l'administration ainsi que l'évaluation et le suivi visés à l'article 172quinquies, §§ 9 et 10, s'appliquent également à l'exécution du présent article.
§ 11. Pour l'application du présent article, on entend par école toute école financée ou subventionnée. ".
" Art. 172quinquies/1. § 1er. Les écoles d'enseignement fondamental ordinaire peuvent recevoir de la part d'écoles d'enseignement fondamental et secondaire spécial qui possèdent l'expertise spécifique au handicap requise, un soutien pour :
1° les élèves en possession d'un rapport d'inscription pour le type 2, 4, 6 ou 7 dont ces élèves disposent parce qu'ils relèvent de l'application de l'article 16, § 2 ;
2° les élèves en possession d'un rapport motivé pour le type 2, 4, 6 ou 7, visé à l'article 16 ;
3° les élèves en possession d'un rapport pour le type 2, 4, 6 ou 7 visé à l'article 15.
§ 2. Par élève, mentionné au paragraphe 1er, qui nécessite un soutien et est compté aux jours de comptage, mentionnés au paragraphe 4, l'école d'enseignement fondamental ordinaire informe AGODI de l'école d'enseignement spécial qui assure le soutien pour l'année scolaire en question. L'école associe les parents des élèves concernés et le CLB à ce choix. Pour les élèves qui sont déjà connus, l'école d'enseignement ordinaire est chargée de communiquer ce choix avant la fin de l'année scolaire précédente aux écoles d'enseignement spécial avec lesquelles elle coopérera.
Les écoles d'enseignement fondamental ordinaire peuvent s'engager dans une coopération inter-réseaux avec les écoles d'enseignement spécial. Les écoles d'enseignement spécial désignées sont déterminantes pour l'attribution des périodes de cours, des heures et des unités d'accompagnement à ces écoles.
§ 3. Les périodes de cours, heures et unités d'accompagnement sont déterminées comme suit :
1° pour les élèves en possession d'un rapport de type 2, 4, 6 et 7 dans l'enseignement fondamental ordinaire et les élèves en possession d'un rapport d'inscription de type 2 dans l'enseignement fondamental ordinaire :
a) type 2 : 3,225 périodes de cours et 3,9 heures ;
b) type 4 : 3,225 périodes de cours et 5,0 heures ;
c) type 6 : 4,170 périodes de cours et 2,1 heures ;
d) type 7 : 4,170 périodes de cours et 2,9 heures ;
2° pour les élèves en possession d'un rapport d'inscription de type 4, 6 ou 7 dans l'enseignement fondamental ordinaire ou d'un rapport motivé de type 2, 4, 6 ou 7 dans l'enseignement fondamental ordinaire :
a) type 2 : 2 unités d'accompagnement ;
b) type 4 : 2 unités d'accompagnement ;
c) type 6 : 3,56 unités d'accompagnement ;
d) type 7 : 2,10 unités d'accompagnement.
Par école d'enseignement spécial, les périodes de cours, les heures et les unités d'accompagnement sont additionnées par type et séparément pour les points 1° et 2°, et dans le cas d'un nombre décimal, arrondies à l'unité supérieure.
En fonction des besoins d'accompagnement supplémentaires des élèves en possession d'un rapport de type 2, 4, 6 ou 7 ou d'un rapport d'inscription de type 2 en plus des périodes de cours qu'ils génèrent dans une école d'enseignement ordinaire ou en fonction en fonction du maintien de l'expertise et de l'emploi dans une école d'enseignement spécial qui propose l'offre pour les élèves conformément à l'article 10, § 1er, 2° et/ou 4°, et/ou 6°, et/ou 7°, une conversion des périodes de cours en heures ou vice versa peut être effectuée conformément au tableau de conversion visé à l'article 139septiesdecies, § 9, afin de mieux soutenir lesdits élèves si la situation l'exige. Cette conversion dépend de l'accord des parents et des comités locaux de négociation de l'école d'enseignement ordinaire et spécial.
§ 4. Les jours de comptage pour l'attribution des périodes de cours, des heures et des unités d'accompagnement aux écoles d'enseignement spécial sont :
1° le premier jour de classe d'octobre de l'année scolaire en cours ;
2° le premier jour classe de février de l'année scolaire en cours.
Les périodes de cours, les heures et les unités d'accompagnement allouées sur la base du comptage au premier jour de classe d'octobre de l'année scolaire en cours constituent le paquet de base garanti pour l'année scolaire entière.
Si, sur la base du calcul visé au paragraphe 1er, au paragraphe 2 et au paragraphe 3, un nombre plus élevé de périodes de cours, d'heures ou d'unités d'accompagnement par type est généré au premier jour de classe de février pour une école d'enseignement spécial par rapport au nombre attribué au premier jour de classe d'octobre, cette école reçoit cette différence de périodes de cours, d'heures ou d'unités d'accompagnement par type à compter du premier jour de classe de février. En cas de baisse du nombre d'élèves, l'école d'enseignement spécial maintient les périodes de cours, heures et unités d'accompagnement calculées par type sur la base du premier jour de classe d'octobre.
§ 5. Les écoles d'enseignement spécial obtiennent les périodes de cours, heures et unités d'accompagnement pour les élèves des écoles d'enseignement fondamental ordinaire avec lesquelles elles coopèrent.
Dans le cas où une école d'enseignement fondamental ordinaire coopère pour le soutien avec une école d'enseignement secondaire spécial, les périodes de cours mentionnées au paragraphe 3, 1°, sont allouées par AGODI comme des heures de cours.
En fonction de la nature du soutien nécessaire, les unités d'accompagnement peuvent être converties en périodes de cours ou en heures.
§ 6. Les périodes de cours et les heures, y compris les unités d'accompagnement converties, sont considérées pour les écoles d'enseignement fondamental spécial comme des périodes de cours supplémentaires et des heures supplémentaires au sens de l'article 3, 14° et 14° bis du présent décret et comme des heures de cours supplémentaires et des heures dans les écoles d'enseignement secondaire spécial si l'école d'enseignement fondamental ordinaire collabore pour le soutien avec une école d'enseignement secondaire spécial.
Les paragraphes 6, 7 et 8 de l'article 172quinquies s'appliquent aux membres du personnel engagés dans des périodes de cours supplémentaires et des heures supplémentaires.
§ 7. Les écoles d'enseignement spécial travaillent ensemble à travers les réseaux pour partager leur expertise en fonction de leur mission de soutien aux écoles d'enseignement ordinaire.
§ 8. Les écoles d'enseignement fondamental ordinaire peuvent prétendre au soutien des écoles d'enseignement spécial. De commun accord et avec la participation des parents, si possible de l'élève et du CLB, il est déterminé comment les périodes de cours, les heures et les unités d'accompagnement que les élèves génèrent conformément au paragraphe 3 et sur la base des jours de comptage, visés au paragraphe 4, sont utilisées en fonction des besoins de soutien établis.
Le soutien peut être utilisé de manière flexible au sein de l'école d'enseignement fondamental ordinaire et au-delà des écoles d'enseignement fondamental ordinaire pour un soutien axé sur l'élève, l'enseignant ou l'équipe en fonction des besoins de soutien qui existent. Les périodes de cours, les heures ou les unités d'accompagnement, allouées en application du présent article, ne peuvent être utilisées à des fins de soutien en application de l'article 172quinquies.
Les écoles d'enseignement spécial commencent avec un soutien à partir du premier jour de classe de l'année scolaire en cours et, le cas échéant, également à partir du premier jour de classe de février pour les élèves en possession d'un rapport d'inscription, d'un rapport motivé ou d'un rapport de type 2, 4, 6 ou 7 qui sont déjà connus et qui nécessitent un soutien.
§ 9. L'inspection de l'enseignement réalise des contrôles de la qualité ciblés des parcours diagnostiques orientés vers l'action débouchant sur la rédaction des rapports et des rapports motivés de type 2, 4, 6 et 7.
§ 10. Le contrôle exercé par l'inspection de l'enseignement et l'administration ainsi que l'évaluation et le suivi visés à l'article 172quinquies, §§ 9 et 10, s'appliquent également à l'exécution du présent article.
§ 11. Pour l'application du présent article, on entend par école toute école financée ou subventionnée. ".
Art. 33. In artikel 173ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
" § 2. In afwijking van artikel 3, 8°, wordt in paragraaf 1 verstaan onder bevolkingsdichtheid: het aantal inwoners per vierkante kilometer dat opgenomen is in de gemeentemonitor van de Vlaamse overheid en dat op de eerste schooldag van februari voorafgaand aan de start van het schooljaar beschikbaar is.".
" § 2. In afwijking van artikel 3, 8°, wordt in paragraaf 1 verstaan onder bevolkingsdichtheid: het aantal inwoners per vierkante kilometer dat opgenomen is in de gemeentemonitor van de Vlaamse overheid en dat op de eerste schooldag van februari voorafgaand aan de start van het schooljaar beschikbaar is.".
Art. 33. Dans l'article 173ter du même décret, inséré par le décret du 9 juillet 2010, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Par dérogation à l'article 3, 8°, il faut entendre par " densité de la population : le nombre d'habitants par kilomètre carré inclus dans le moniteur communal du Gouvernement flamand, disponible au premier jour de classe de février précédant le début de l'année scolaire. " .
" § 2. Par dérogation à l'article 3, 8°, il faut entendre par " densité de la population : le nombre d'habitants par kilomètre carré inclus dans le moniteur communal du Gouvernement flamand, disponible au premier jour de classe de février précédant le début de l'année scolaire. " .
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemingsvorming - Syntra Vlaanderen"
CHAPITRE 5. - Modifications du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen " (Agence flamande pour la formation d'entrepreneurs - Syntra Flandre)
Art. 34. In artikel 13, § 3, eerste lid, 2° en 3°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemingsvorming - Syntra Vlaanderen" worden tussen het woord "vier" en het woord "leden" telkens de woorden "effectieve en vier plaatsvervangende" ingevoegd.
Art. 34. Dans l'article 13, § 3, 2° et 3°, du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen " (Agence flamande pour la formation d'entrepreneurs - Syntra Vlaanderen), les mots " quatre membres " sont chaque fois remplacés par les mots " quatre membres effectifs et quatre membres suppléants ".
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap
CHAPITRE 6. - Modification du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande
Art. 35. Aan artikel 24, § 2, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, vervangen bij het decreet van 4 juli 2008, worden een derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"In afwijking van het eerste lid komt een student die minder dan 27 studiepunten opneemt, in aanmerking voor een studietoelage als het voor die student om medische redenen onmogelijk is om in te schrijven voor 27 studiepunten of meer.
De ziekte van de student wordt aangetoond aan de hand van doktersattesten waarbij een arts attesteert dat de student wegens ziekte niet in staat is meer studiepunten op te nemen. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten waarop deze gegevens worden meegedeeld.".
"In afwijking van het eerste lid komt een student die minder dan 27 studiepunten opneemt, in aanmerking voor een studietoelage als het voor die student om medische redenen onmogelijk is om in te schrijven voor 27 studiepunten of meer.
De ziekte van de student wordt aangetoond aan de hand van doktersattesten waarbij een arts attesteert dat de student wegens ziekte niet in staat is meer studiepunten op te nemen. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten waarop deze gegevens worden meegedeeld.".
Art. 35. A l'article 24, § 2, du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande, remplacé par le décret du 4 juillet 2008, sont ajoutés un alinéa 3 et un alinéa 4 rédigés comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, un étudiant qui engage moins de 27 unités d'études est admissible à une allocation d'études si, pour des raisons médicales, il lui est impossible de s'inscrire à 27 unités d'études ou plus.
La maladie de l'étudiant est démontrée au moyen de certificats médicaux dans lesquels un médecin certifie que l'étudiant est incapable d'engager plus d'unités d'études pour cause de maladie. Le Gouvernement flamand détermine les modalités de communication de ces données. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, un étudiant qui engage moins de 27 unités d'études est admissible à une allocation d'études si, pour des raisons médicales, il lui est impossible de s'inscrire à 27 unités d'études ou plus.
La maladie de l'étudiant est démontrée au moyen de certificats médicaux dans lesquels un médecin certifie que l'étudiant est incapable d'engager plus d'unités d'études pour cause de maladie. Le Gouvernement flamand détermine les modalités de communication de ces données. ".
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs
CHAPITRE 7. - Modifications du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes
Art. 36. In artikel 2, 47° bis, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 16 maart 2018, worden de woorden "door de VDAB vastgesteld traject naar werk" vervangen door de woorden "traject naar werk of een gepast opleidingsaanbod vastgesteld door VDAB".
Art. 36. Dans l'article 2, 47° bis, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, inséré par le décret du 16 mars 2018, les mots " un parcours vers l'emploi déterminé par le VDAB " sont remplacés par les mots " un parcours d'insertion professionnelle ou une offre de formation appropriée déterminée par le VDAB ".
Art. 37. Aan artikel 24, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009 en 1 juli 2011, wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"6° als de opleiding naar een beroepskwalificatie leidt waarvoor een deelkwalificatie is afgebakend, de afbakening van de module of modules die het samenhangende geheel van de competenties van de deelkwalificatie bevatten.".
"6° als de opleiding naar een beroepskwalificatie leidt waarvoor een deelkwalificatie is afgebakend, de afbakening van de module of modules die het samenhangende geheel van de competenties van de deelkwalificatie bevatten.".
Art. 37. L'article 24, § 1er, alinéa 2, du même décret, modifié par les décrets des 30 avril 2009 et 1er juillet 2011, il est ajouté un point 6° rédigé comme suit :
" 6° si la formation conduit à une qualification professionnelle pour laquelle une qualification partielle a été délimitée, la délimitation du ou des modules qui contiennent l'ensemble cohérent des compétences de la qualification partielle. ".
" 6° si la formation conduit à une qualification professionnelle pour laquelle une qualification partielle a été délimitée, la délimitation du ou des modules qui contiennent l'ensemble cohérent des compétences de la qualification partielle. ".
Art. 38. In hetzelfde decreet wordt een artikel 26bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 26bis. In afwijking van artikel 26, § 4, kunnen de centra geïntegreerd onderwijs organiseren waarbij voor eenzelfde groep cursisten een deel van de module gelijktijdig met een of twee modules van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal en de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 georganiseerd wordt, zonder dat het totale aantal te organiseren lestijden de som bedraagt van het aantal lestijden zoals bepaald in de opleidingsprofielen, vermeld in artikel 24.
Gelijktijdig geïntegreerd onderwijs voldoet ten minste aan de volgende criteria:
1° het voldoet aan de bepalingen van dit decreet;
2° het aantal gelijktijdig georganiseerde lestijden van de modules van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal en de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 omvat maximaal de helft van het aantal lestijden zoals bepaald in de opleidingsprofielen, vermeld in artikel 24;
3° het totale aantal lestijden dat in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de subsidiëring of financiering, bedraagt de som van het aantal lestijden zoals bepaald in de opleidingsprofielen, vermeld in artikel 24;
4° de gelijktijdig georganiseerde lessen worden door ten minste twee leraren gegeven;
5° de gelijktijdig georganiseerde lessen zijn inhoudelijk op elkaar afgestemd.".
"Art. 26bis. In afwijking van artikel 26, § 4, kunnen de centra geïntegreerd onderwijs organiseren waarbij voor eenzelfde groep cursisten een deel van de module gelijktijdig met een of twee modules van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal en de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 georganiseerd wordt, zonder dat het totale aantal te organiseren lestijden de som bedraagt van het aantal lestijden zoals bepaald in de opleidingsprofielen, vermeld in artikel 24.
Gelijktijdig geïntegreerd onderwijs voldoet ten minste aan de volgende criteria:
1° het voldoet aan de bepalingen van dit decreet;
2° het aantal gelijktijdig georganiseerde lestijden van de modules van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal en de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 omvat maximaal de helft van het aantal lestijden zoals bepaald in de opleidingsprofielen, vermeld in artikel 24;
3° het totale aantal lestijden dat in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de subsidiëring of financiering, bedraagt de som van het aantal lestijden zoals bepaald in de opleidingsprofielen, vermeld in artikel 24;
4° de gelijktijdig georganiseerde lessen worden door ten minste twee leraren gegeven;
5° de gelijktijdig georganiseerde lessen zijn inhoudelijk op elkaar afgestemd.".
Art. 38. Dans le même décret, il est inséré un article 26bis rédigé comme suit :
" Art. 26bis. Par dérogation à l'article 26, § 4, les centres peuvent organiser un enseignement intégré dans lequel, pour un même groupe d'apprenants, une partie du module est organisée simultanément avec un ou deux modules des domaines d'apprentissage " alfabetisering Nederlands tweede taal " et " Nederlands tweede taal " et des disciplines " Nederlands tweede taal richtgraad 1 et 2 " et " Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 ", sans que le nombre total de périodes de cours à organiser s'élève à la somme du nombre de périodes de cours tel que fixé dans les profils de formation visés à l'article 24.
L'enseignement intégré organisé simultanément doit au moins répondre aux critères suivants :
1° l'enseignement remplit les dispositions du présent décret ;
2° le nombre de périodes de cours organisées simultanément des modules des domaines d'apprentissage " alfabetisering Nederlands tweede taal " et " Nederlands tweede taal " et des disciplines " Nederlands tweede taal richtgraad 1 et 2 " et " Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 ", comprend au maximum la moitié du nombre de périodes de cours tel que fixé dans les profils de formation visés à l'article 24 ;
3° le nombre total de périodes de cours pris en compte pour le calcul de la subvention ou du financement, correspond à la somme du nombre de périodes de cours tel que fixé dans les profils de formation visés à l'article 24 ;
4° les cours organisés simultanément sont donnés par au moins deux enseignants ;
5° les cours organisés simultanément sont coordonnés en termes de contenu. ".
" Art. 26bis. Par dérogation à l'article 26, § 4, les centres peuvent organiser un enseignement intégré dans lequel, pour un même groupe d'apprenants, une partie du module est organisée simultanément avec un ou deux modules des domaines d'apprentissage " alfabetisering Nederlands tweede taal " et " Nederlands tweede taal " et des disciplines " Nederlands tweede taal richtgraad 1 et 2 " et " Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 ", sans que le nombre total de périodes de cours à organiser s'élève à la somme du nombre de périodes de cours tel que fixé dans les profils de formation visés à l'article 24.
L'enseignement intégré organisé simultanément doit au moins répondre aux critères suivants :
1° l'enseignement remplit les dispositions du présent décret ;
2° le nombre de périodes de cours organisées simultanément des modules des domaines d'apprentissage " alfabetisering Nederlands tweede taal " et " Nederlands tweede taal " et des disciplines " Nederlands tweede taal richtgraad 1 et 2 " et " Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 ", comprend au maximum la moitié du nombre de périodes de cours tel que fixé dans les profils de formation visés à l'article 24 ;
3° le nombre total de périodes de cours pris en compte pour le calcul de la subvention ou du financement, correspond à la somme du nombre de périodes de cours tel que fixé dans les profils de formation visés à l'article 24 ;
4° les cours organisés simultanément sont donnés par au moins deux enseignants ;
5° les cours organisés simultanément sont coordonnés en termes de contenu. ".
Art. 39. In artikel 32, vierde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2010 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "opleiding Bedrijfsbeheer" worden vervangen door het woord "opleidingen";
2° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
"2° ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, een centrum voor deeltijdse vorming, of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;".
1° de woorden "opleiding Bedrijfsbeheer" worden vervangen door het woord "opleidingen";
2° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
"2° ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, een centrum voor deeltijdse vorming, of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;".
Art. 39. A l'article 32, alinéa 4, du même décret, inséré par le décret du 9 juillet 2010 et modifié par le décret du 23 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " à la formation " Bedrijfsbeheer " " sont remplacés par les mots " aux formations ".
2° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° être inscrit comme élève dans le troisième degré de l'enseignement secondaire, dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, un centre de formation à temps partiel, ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises ; ".
1° les mots " à la formation " Bedrijfsbeheer " " sont remplacés par les mots " aux formations ".
2° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° être inscrit comme élève dans le troisième degré de l'enseignement secondaire, dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, un centre de formation à temps partiel, ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises ; ".
Art. 40. In artikel 40, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
" § 1. In het volwassenenonderwijs bestaan de volgende studiebewijzen:
1° een deelcertificaat;
2° een certificaat;
3° een bewijs van deelkwalificatie;
4° een getuigschrift;
5° een diploma.".
" § 1. In het volwassenenonderwijs bestaan de volgende studiebewijzen:
1° een deelcertificaat;
2° een certificaat;
3° een bewijs van deelkwalificatie;
4° een getuigschrift;
5° een diploma.".
Art. 40. Dans l'article 40, § 1er, du même décret, modifié par le décret du 21 décembre 2012, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Dans l'éducation des adultes, il existe les titres suivants :
1° un certificat partiel ;
2° un certificat ;
3° une certification de qualification partielle ;
4° un certificat de fin d'études ;
5° un diplôme. ".
" § 1er. Dans l'éducation des adultes, il existe les titres suivants :
1° un certificat partiel ;
2° un certificat ;
3° une certification de qualification partielle ;
4° un certificat de fin d'études ;
5° un diplôme. ".
Art. 41. In artikel 41 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009, 8 mei 2009, 1 juli 2011, 12 juli 2013, 19 juni 2015, 23 december 2016 en 4 mei 2018, wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 1bis. Een bewijs van deelkwalificatie bekrachtigt een samenhangend geheel van competenties uit eenzelfde beroepskwalificatie en biedt uitstroomkansen in een smaller deel van de arbeidsmarkt dan de volledige beroepskwalificatie.".
" § 1bis. Een bewijs van deelkwalificatie bekrachtigt een samenhangend geheel van competenties uit eenzelfde beroepskwalificatie en biedt uitstroomkansen in een smaller deel van de arbeidsmarkt dan de volledige beroepskwalificatie.".
Art. 41. Dans l'article 41 du même décret, modifié par les décrets des 30 avril 2009, 8 mai 2009, 1er juillet 2011, 12 juillet 2013, 19 juin 2015, 23 décembre 2016 et 4 mai 2018, il est inséré un paragraphe 1bis rédigé comme suit :
" § 1bis. Une certification de qualification partielle certifie un ensemble cohérent de compétences d'une même qualification professionnelle et offre des possibilités pour leur entrée sur un segment plus étroit du marché du travail que la qualification professionnelle complète. ".
" § 1bis. Une certification de qualification partielle certifie un ensemble cohérent de compétences d'une même qualification professionnelle et offre des possibilités pour leur entrée sur un segment plus étroit du marché du travail que la qualification professionnelle complète. ".
Art. 42. In artikel 87 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 4 juli 2008, 1 juli 2011, 19 juni 2015, 16 juni 2017 en 16 maart 2018, wordt een paragraaf 2ter ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 2ter. Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden jaarlijks 3826 aanvullende punten aan de centra voor basiseducatie toegekend voor het extra tewerkstellingsbeleid.
De Vlaamse Regering kan vanwege de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende punten, vermeld in het eerste lid.
Elk centrum voor basiseducatie heeft vanaf 1 september 2019 recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende punten als het aandeel aan punten waarop het centrum volgens de berekening van paragraaf 1 recht heeft volgens de berekening, vermeld in paragraaf 2bis.
Het personeelslid dat met deze aanvullende punten wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid.".
" § 2ter. Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden jaarlijks 3826 aanvullende punten aan de centra voor basiseducatie toegekend voor het extra tewerkstellingsbeleid.
De Vlaamse Regering kan vanwege de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende punten, vermeld in het eerste lid.
Elk centrum voor basiseducatie heeft vanaf 1 september 2019 recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende punten als het aandeel aan punten waarop het centrum volgens de berekening van paragraaf 1 recht heeft volgens de berekening, vermeld in paragraaf 2bis.
Het personeelslid dat met deze aanvullende punten wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid.".
Art. 42. Dans l'article 87 du même décret, modifié par les décrets des 4 juillet 2008, 1er juillet 2011, 19 juin 2015, 16 juin 2017 et 16 mars 2018, il est inséré un paragraphe 2ter rédigé comme suit :
" § 2ter. A partir de l'année scolaire 2019-2020, 3826 points complémentaires sont alloués chaque année aux centres d'éducation de base pour des instruments complémentaires de la politique de l'emploi.
Le Gouvernement flamand peut déroger au volume total de points complémentaires à répartir, visé à l'alinéa 1er, en raison des moyens disponibles pour une année budgétaire déterminée.
A compter du 1er septembre 2019, chaque centre d'éducation de base a droit à la même proportion de points complémentaires que la proportion de points à laquelle le centre, selon le calcul prévu au paragraphe 1er, a droit selon le calcul prévu au paragraphe 2bis.
Le membre du personnel qui est désigné au titre de ces points complémentaires, l'est toujours en qualité de membre du personnel temporaire. ".
" § 2ter. A partir de l'année scolaire 2019-2020, 3826 points complémentaires sont alloués chaque année aux centres d'éducation de base pour des instruments complémentaires de la politique de l'emploi.
Le Gouvernement flamand peut déroger au volume total de points complémentaires à répartir, visé à l'alinéa 1er, en raison des moyens disponibles pour une année budgétaire déterminée.
A compter du 1er septembre 2019, chaque centre d'éducation de base a droit à la même proportion de points complémentaires que la proportion de points à laquelle le centre, selon le calcul prévu au paragraphe 1er, a droit selon le calcul prévu au paragraphe 2bis.
Le membre du personnel qui est désigné au titre de ces points complémentaires, l'est toujours en qualité de membre du personnel temporaire. ".
Art. 43. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2018 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2019, wordt een artikel 89bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 89bis. Vanaf het schooljaar 2019-2020 wordt jaarlijks een bedrag van 1.621.466,46 euro aan de centra voor basiseducatie toegekend voor de ondersteuning van het Netwerk Basiseducatie en de eigen werking.
De Vlaamse Regering kan vanwege de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale te verdelen bedrag, vermeld in het eerste lid.
Elk centrum voor basiseducatie heeft vanaf 1 september 2019 recht op hetzelfde aandeel aan werkingsmiddelen als het aandeel aan werkingsmiddelen waarop het centrum volgens de berekening van artikel 89 recht heeft.
Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.".
"Art. 89bis. Vanaf het schooljaar 2019-2020 wordt jaarlijks een bedrag van 1.621.466,46 euro aan de centra voor basiseducatie toegekend voor de ondersteuning van het Netwerk Basiseducatie en de eigen werking.
De Vlaamse Regering kan vanwege de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale te verdelen bedrag, vermeld in het eerste lid.
Elk centrum voor basiseducatie heeft vanaf 1 september 2019 recht op hetzelfde aandeel aan werkingsmiddelen als het aandeel aan werkingsmiddelen waarop het centrum volgens de berekening van artikel 89 recht heeft.
Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.".
Art. 43. Dans le même décret modifié en dernier lieu par le décret du 21 décembre 2018 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2019 il est inséré un article 89bis rédigé comme suit :
" Art. 89bis. A partir de l'année scolaire 2019-2020, un montant de 1.621.466,46 euros est alloué annuellement aux centres d'éducation de base pour soutenir le Netwerk Basiseducatie (Réseau d'éducation de base) et son propre fonctionnement.
Le Gouvernement flamand peut déroger au montant total à répartir, visé à l'alinéa 1er, en raison des moyens disponibles pour une année budgétaire déterminée.
A compter du 1er septembre 2019, chaque centre d'éducation de base a droit à la même proportion de moyens de fonctionnement que la proportion de moyens de fonctionnement à laquelle le centre a droit selon le calcul prévu à l'article 89.
Le montant visé à l'alinéa 1er est adapté annuellement à l'évolution de l'indice de santé. ".
" Art. 89bis. A partir de l'année scolaire 2019-2020, un montant de 1.621.466,46 euros est alloué annuellement aux centres d'éducation de base pour soutenir le Netwerk Basiseducatie (Réseau d'éducation de base) et son propre fonctionnement.
Le Gouvernement flamand peut déroger au montant total à répartir, visé à l'alinéa 1er, en raison des moyens disponibles pour une année budgétaire déterminée.
A compter du 1er septembre 2019, chaque centre d'éducation de base a droit à la même proportion de moyens de fonctionnement que la proportion de moyens de fonctionnement à laquelle le centre a droit selon le calcul prévu à l'article 89.
Le montant visé à l'alinéa 1er est adapté annuellement à l'évolution de l'indice de santé. ".
Art. 44. In artikel 90 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 16 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "de vorige referteperiode" vervangen door de woorden "het vorige referentiepunt";
2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Het eerste referentiepunt is gelijk aan het aantal gewogen financieringspunten in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. Bij elke daling of stijging van het aantal gewogen financieringspunten wordt er een nieuw referentiepunt vastgelegd dat gelijk is aan het vorige referentiepunt plus of min het groeipercentage.".
1° in het eerste lid worden de woorden "de vorige referteperiode" vervangen door de woorden "het vorige referentiepunt";
2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Het eerste referentiepunt is gelijk aan het aantal gewogen financieringspunten in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. Bij elke daling of stijging van het aantal gewogen financieringspunten wordt er een nieuw referentiepunt vastgelegd dat gelijk is aan het vorige referentiepunt plus of min het groeipercentage.".
Art. 44. A l'article 90 du même décret, remplacé par le décret du 16 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " à la période de référence précédente " sont remplacés par les mots " au point de référence précédent " ;
2° il est inséré entre les alinéas 1er et 2 un alinéa libellé comme suit :
" Le premier point de référence est égal au nombre de points de financement pondérés dans la période de référence du 1er janvier 2019 au 31 décembre 2019. Lors de chaque diminution ou augmentation du nombre de points de financement pondérés, il est fixé un nouveau point de référence égal au point de référence précédent plus ou moins le taux de croissance. ".
1° dans l'alinéa 1er, les mots " à la période de référence précédente " sont remplacés par les mots " au point de référence précédent " ;
2° il est inséré entre les alinéas 1er et 2 un alinéa libellé comme suit :
" Le premier point de référence est égal au nombre de points de financement pondérés dans la période de référence du 1er janvier 2019 au 31 décembre 2019. Lors de chaque diminution ou augmentation du nombre de points de financement pondérés, il est fixé un nouveau point de référence égal au point de référence précédent plus ou moins le taux de croissance. ".
Art. 45. In artikel 100 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. De vastbenoemde en tot de proeftijd toegelaten directeurs die op 31 augustus titularis zijn van een betrekking en die na een fusieoperatie niet opnieuw als directeur worden aangesteld, worden aangesteld in het ambt van adjunct-directeur. Ze behouden hun salarisschaal, tenzij ze door het besluit van de Vlaamse Regering dat de salarisschalen regelt, recht hebben op een gunstiger salaris.";
2° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
" § 4. Aan de puntenenveloppe waarop het centrum volgens artikel 105, § 3, recht heeft, worden voor de toepassing van paragraaf 3 per betrekking van directeur 130 punten toegevoegd. Als er voor 1 september 2019 een einde komt aan de aanstelling van de vastbenoemde directeur in het ambt van adjunct-directeur behoudt het centrum de toegevoegde punten tot 31 augustus 2019. Als er vanaf 1 september 2019 een einde komt aan de aanstelling van de vastbenoemde directeur in het ambt van adjunct-directeur dan worden de 130 punten toegevoegd aan het totale beschikbare volume aan punten voor het volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 105, § 3.".
1° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. De vastbenoemde en tot de proeftijd toegelaten directeurs die op 31 augustus titularis zijn van een betrekking en die na een fusieoperatie niet opnieuw als directeur worden aangesteld, worden aangesteld in het ambt van adjunct-directeur. Ze behouden hun salarisschaal, tenzij ze door het besluit van de Vlaamse Regering dat de salarisschalen regelt, recht hebben op een gunstiger salaris.";
2° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
" § 4. Aan de puntenenveloppe waarop het centrum volgens artikel 105, § 3, recht heeft, worden voor de toepassing van paragraaf 3 per betrekking van directeur 130 punten toegevoegd. Als er voor 1 september 2019 een einde komt aan de aanstelling van de vastbenoemde directeur in het ambt van adjunct-directeur behoudt het centrum de toegevoegde punten tot 31 augustus 2019. Als er vanaf 1 september 2019 een einde komt aan de aanstelling van de vastbenoemde directeur in het ambt van adjunct-directeur dan worden de 130 punten toegevoegd aan het totale beschikbare volume aan punten voor het volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 105, § 3.".
Art. 45. A l'article 100 du même décret les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Les directeurs nommés à titre définitifs et admis au stage qui sont titulaires d'un emploi au 31 août et qui ne sont plus désignés dans la fonction de directeur à l'issue d'une opération de fusion sont désignés dans la fonction de directeur adjoint. Ils conservent leur échelle de traitement, à moins qu'ils aient droit à un traitement plus avantageux en vertu de l'arrêté du Gouvernement flamand réglant les échelles de traitement. " ;
2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. A l'enveloppe de points à laquelle le centre a droit en vertu de l'article 105, § 3, 130 points sont ajoutés par emploi de directeur aux fins du paragraphe 3. Lorsque la désignation du directeur nommé à titre définitif dans la fonction de directeur adjoint prend fin avant le 1er septembre 2019, le centre maintient ces points ajoutés jusqu'au 31 août 2019. Lorsque la désignation du directeur nommé à titre définitif dans la fonction de directeur adjoint prend fin à compter du 1er septembre 2019, les 130 points sont ajoutés au volume total disponible de points pour l'éducation des adultes visé à l'article 105, § 3. ".
1° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Les directeurs nommés à titre définitifs et admis au stage qui sont titulaires d'un emploi au 31 août et qui ne sont plus désignés dans la fonction de directeur à l'issue d'une opération de fusion sont désignés dans la fonction de directeur adjoint. Ils conservent leur échelle de traitement, à moins qu'ils aient droit à un traitement plus avantageux en vertu de l'arrêté du Gouvernement flamand réglant les échelles de traitement. " ;
2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. A l'enveloppe de points à laquelle le centre a droit en vertu de l'article 105, § 3, 130 points sont ajoutés par emploi de directeur aux fins du paragraphe 3. Lorsque la désignation du directeur nommé à titre définitif dans la fonction de directeur adjoint prend fin avant le 1er septembre 2019, le centre maintient ces points ajoutés jusqu'au 31 août 2019. Lorsque la désignation du directeur nommé à titre définitif dans la fonction de directeur adjoint prend fin à compter du 1er septembre 2019, les 130 points sont ajoutés au volume total disponible de points pour l'éducation des adultes visé à l'article 105, § 3. ".
Art. 46. In artikel 107, § 2, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 16 maart 2018, worden de woorden "de vorige referteperiode" vervangen door de woorden "het vorige referentiepunt".
Art. 46. Dans l'article 107, § 2, du même décret, remplacé par le décret du 16 mars 2018, les mots " à la période de référence précédente " sont remplacés par les mots " au point de référence précédent ".
Art. 47. In artikel 112, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt het getal "112" vervangen door het getal "108".
Art. 47. Dans l'article 112, alinéa 1er, du même décret, le nombre " 112 " est remplacé par le nombre " 108 ".
Art. 48. Aan artikel 113novies, § 4, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 4 wordt een punt 11° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"11° ingeschreven zijn voor de opleiding Ondernemerschap en tegelijk ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, een centrum voor deeltijdse vorming, of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.";
2° in paragraaf 6, 1°, wordt de zinsnede "paragraaf 3" vervangen door de zinsnede "paragraaf 4".
1° aan paragraaf 4 wordt een punt 11° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"11° ingeschreven zijn voor de opleiding Ondernemerschap en tegelijk ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, een centrum voor deeltijdse vorming, of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.";
2° in paragraaf 6, 1°, wordt de zinsnede "paragraaf 3" vervangen door de zinsnede "paragraaf 4".
Art. 48. Dans l'article 113novies, § 4, du même décret, inséré par le décret du 16 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 4 est complété par un point 11°, rédigé comme suit :
" 11° être inscrit à la formation " Ondernemerschap " (Entrepreneuriat) et simultanément comme élève dans le troisième degré de l'enseignement secondaire, dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, un centre de formation à temps partiel, ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises. " ;
2° dans le paragraphe 6, 1°, le membre de phrase " paragraphe 3 " est remplacé par le membre de phrase " paragraphe 4 ".
1° le paragraphe 4 est complété par un point 11°, rédigé comme suit :
" 11° être inscrit à la formation " Ondernemerschap " (Entrepreneuriat) et simultanément comme élève dans le troisième degré de l'enseignement secondaire, dans un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, un centre de formation à temps partiel, ou un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises. " ;
2° dans le paragraphe 6, 1°, le membre de phrase " paragraphe 3 " est remplacé par le membre de phrase " paragraphe 4 ".
Art. 49. Aan artikel 120 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Indien het centrum voor volwassenenonderwijs onderwijsbevoegdheid heeft voor opleidingen waarbij cursisten in aanraking komen met voedingswaren, vermeldt het centrumreglement dat de cursist die deelneemt aan een opleiding waarbij deze in aanraking komt met voedingswaren, in voorkomend geval, het centrum onmiddellijk op de hoogte brengt van het feit dat zijn medische toestand een risico inhoudt op (on)rechtstreekse verontreiniging van levensmiddelen, met als gevolg dat na beslissing van het centrum de cursist hetzij tijdelijk bepaalde programmaonderdelen niet mag volgen, hetzij de opleiding in zijn geheel niet langer mag volgen. Daarbij wordt eveneens vermeld dat de gegevens over de medische toestand worden verwerkt onder de verantwoordelijkheid van de centrumdirecteur en dat de centrumdirecteur en de personeelsleden van het centrum die deze gegevens over de medische toestand verwerken, gehouden zijn tot geheimhouding over deze gegevens.".
"Indien het centrum voor volwassenenonderwijs onderwijsbevoegdheid heeft voor opleidingen waarbij cursisten in aanraking komen met voedingswaren, vermeldt het centrumreglement dat de cursist die deelneemt aan een opleiding waarbij deze in aanraking komt met voedingswaren, in voorkomend geval, het centrum onmiddellijk op de hoogte brengt van het feit dat zijn medische toestand een risico inhoudt op (on)rechtstreekse verontreiniging van levensmiddelen, met als gevolg dat na beslissing van het centrum de cursist hetzij tijdelijk bepaalde programmaonderdelen niet mag volgen, hetzij de opleiding in zijn geheel niet langer mag volgen. Daarbij wordt eveneens vermeld dat de gegevens over de medische toestand worden verwerkt onder de verantwoordelijkheid van de centrumdirecteur en dat de centrumdirecteur en de personeelsleden van het centrum die deze gegevens over de medische toestand verwerken, gehouden zijn tot geheimhouding over deze gegevens.".
Art. 49. A l'article 120 du même décret, modifié par le décret du 25 avril 2014, il est ajouté un alinéa 3 rédigé comme suit :
" Si le centre d'éducation des adultes a compétence d'enseignement pour les formations impliquant que les apprenants entrent en contact avec des denrées alimentaires, le règlement du centre prévoit que, le cas échéant, l'apprenant participant à une formation impliquant un contact avec des denrées alimentaires informe immédiatement le centre que son état de santé comporte un risque de contamination (in)directe des aliments, de sorte que, suite à une décision du centre, l'apprenant il se trouve soit temporairement exclu de certaines composantes de la formation ou soit il ne peut plus suivre la formation en général. Il est également précisé que les données relatives à l'état de santé sont traitées sous la responsabilité du directeur de centre et que le directeur de centre et les membres du personnel du centre qui traitent ces données relatives à l'état de santé sont tenus au secret à l'égard de ces données. ".
" Si le centre d'éducation des adultes a compétence d'enseignement pour les formations impliquant que les apprenants entrent en contact avec des denrées alimentaires, le règlement du centre prévoit que, le cas échéant, l'apprenant participant à une formation impliquant un contact avec des denrées alimentaires informe immédiatement le centre que son état de santé comporte un risque de contamination (in)directe des aliments, de sorte que, suite à une décision du centre, l'apprenant il se trouve soit temporairement exclu de certaines composantes de la formation ou soit il ne peut plus suivre la formation en général. Il est également précisé que les données relatives à l'état de santé sont traitées sous la responsabilité du directeur de centre et que le directeur de centre et les membres du personnel du centre qui traitent ces données relatives à l'état de santé sont tenus au secret à l'égard de ces données. ".
Art. 50. In artikel 196septies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 1 tot en met 3, eerste lid, 1°, wordt telkens de volgende zinsnede toegevoegd:
"waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt;";
2° aan paragraaf 1 tot en met 3, tweede lid, 1°, wordt telkens de volgende zinsnede toegevoegd:
"waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend;";
3° aan paragraaf 1 en 2, eerste lid, 2°, wordt telkens de volgende zinsnede toegevoegd:
"waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33.";
4° aan paragraaf 1 en 2, tweede lid, 2°, wordt telkens de volgende zinsnede toegevoegd:
"waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33.";
5° in paragraaf 3, eerste lid, 3° tot en met 5°, worden tussen het woord "van" en het woord "de" telkens de woorden "het gemiddelde van" ingevoegd;
6° in paragraaf 3, tweede lid, 3° tot en met 5°, wordt tussen het woord "centrum" en het woord "in" telkens het woord "gemiddeld" ingevoegd;
7° aan paragraaf 3, tweede lid, 1°, wordt de volgende zinsnede toegevoegd:
"waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 wordt gehanteerd en de lesurencursist die gerealiseerd zijn in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend";
8° in paragraaf 4, eerste en tweede lid, wordt de zinsnede "2018-2019" telkens vervangen door de zinsnede "2019-2020";
9° in paragraaf 4, tweede lid, wordt het woord "vte" telkens vervangen door het woord "leraarsuren".
1° aan paragraaf 1 tot en met 3, eerste lid, 1°, wordt telkens de volgende zinsnede toegevoegd:
"waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt;";
2° aan paragraaf 1 tot en met 3, tweede lid, 1°, wordt telkens de volgende zinsnede toegevoegd:
"waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend;";
3° aan paragraaf 1 en 2, eerste lid, 2°, wordt telkens de volgende zinsnede toegevoegd:
"waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33.";
4° aan paragraaf 1 en 2, tweede lid, 2°, wordt telkens de volgende zinsnede toegevoegd:
"waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33.";
5° in paragraaf 3, eerste lid, 3° tot en met 5°, worden tussen het woord "van" en het woord "de" telkens de woorden "het gemiddelde van" ingevoegd;
6° in paragraaf 3, tweede lid, 3° tot en met 5°, wordt tussen het woord "centrum" en het woord "in" telkens het woord "gemiddeld" ingevoegd;
7° aan paragraaf 3, tweede lid, 1°, wordt de volgende zinsnede toegevoegd:
"waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 wordt gehanteerd en de lesurencursist die gerealiseerd zijn in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend";
8° in paragraaf 4, eerste en tweede lid, wordt de zinsnede "2018-2019" telkens vervangen door de zinsnede "2019-2020";
9° in paragraaf 4, tweede lid, wordt het woord "vte" telkens vervangen door het woord "leraarsuren".
Art. 50. A l'article 196septies du même décret, inséré par le décret du 16 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° les paragraphes 1er à 3, alinéa 1er, 1°, sont chaque fois complétés par le membre de phrase suivant :
" en utilisant la même méthode de calcul que pour l'année scolaire 2018-2019 et une norme de croissance déterminée par le Gouvernement flamand ; " ;
2° les paragraphes 1er à 3, alinéa 2, 1° sont chaque fois complétés par le membre de phrase suivant :
" en utilisant la même méthode de calcul que pour l'année scolaire 2018-2019 et une norme de croissance déterminée par le Gouvernement flamand et ne prenant pas en compte les heures de cours/apprenant réalisées dans la formation spécifique des enseignants et l'enseignement professionnel supérieur ; " ;
1° les paragraphes 1er à 2, alinéa 1er, 2°, sont chaque fois complétés par le membre de phrase suivant :
" où la croissance est déterminée en comparant les heures de cours/apprenant réalisées pendant la période de référence du 1er avril 2018 au 31 mars 2019 avec les heures de cours/apprenant réalisées pendant les mois du 1er janvier 2019 au 31 mars 2019 et multipliées par 3,33. " ;
4° les paragraphes 1er et 2, alinéa 2, 2° sont chaque fois complétés par le membre de phrase suivant :
" où la croissance est déterminée en comparant les heures de cours/apprenant réalisées dans l'enseignement secondaire des adultes au cours de la période de référence du 1er avril 2018 au 31 mars 2019 avec les heures de cours/apprenant réalisées dans l'enseignement secondaire des adultes au cours des mois du 1er janvier 2019 au 31 mars 2019 et multipliées par 3,33. " ;
5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 3° à 5°, les mots " la moyenne de " sont chaque fois insérés entre le mot " de " et le mot " la " ;
6° dans le paragraphe 3, alinéa 2, 3° à 5°, les mots " en moyenne " sont insérés entre le mot " acquis " et les mots " par le centre " ;
7° le paragraphe 3, alinéa 2, 1°, est complété par le membre de phrase suivant :
" en utilisant la même méthode de calcul que pour l'année scolaire 2018-2019 et ne prenant pas en compte les heures de cours/apprenant réalisées dans la formation spécifique des enseignants et l'enseignement professionnel supérieur " ;
8° dans le paragraphe 4, alinéas 1er et 2, le membre de phrase " 2018-2019 " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " 2019-2020 " ;
9° dans le paragraphe 4, alinéa 2, le mot " d'ETP " est chaque fois remplacé par le mot " de périodes/enseignant ".
1° les paragraphes 1er à 3, alinéa 1er, 1°, sont chaque fois complétés par le membre de phrase suivant :
" en utilisant la même méthode de calcul que pour l'année scolaire 2018-2019 et une norme de croissance déterminée par le Gouvernement flamand ; " ;
2° les paragraphes 1er à 3, alinéa 2, 1° sont chaque fois complétés par le membre de phrase suivant :
" en utilisant la même méthode de calcul que pour l'année scolaire 2018-2019 et une norme de croissance déterminée par le Gouvernement flamand et ne prenant pas en compte les heures de cours/apprenant réalisées dans la formation spécifique des enseignants et l'enseignement professionnel supérieur ; " ;
1° les paragraphes 1er à 2, alinéa 1er, 2°, sont chaque fois complétés par le membre de phrase suivant :
" où la croissance est déterminée en comparant les heures de cours/apprenant réalisées pendant la période de référence du 1er avril 2018 au 31 mars 2019 avec les heures de cours/apprenant réalisées pendant les mois du 1er janvier 2019 au 31 mars 2019 et multipliées par 3,33. " ;
4° les paragraphes 1er et 2, alinéa 2, 2° sont chaque fois complétés par le membre de phrase suivant :
" où la croissance est déterminée en comparant les heures de cours/apprenant réalisées dans l'enseignement secondaire des adultes au cours de la période de référence du 1er avril 2018 au 31 mars 2019 avec les heures de cours/apprenant réalisées dans l'enseignement secondaire des adultes au cours des mois du 1er janvier 2019 au 31 mars 2019 et multipliées par 3,33. " ;
5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 3° à 5°, les mots " la moyenne de " sont chaque fois insérés entre le mot " de " et le mot " la " ;
6° dans le paragraphe 3, alinéa 2, 3° à 5°, les mots " en moyenne " sont insérés entre le mot " acquis " et les mots " par le centre " ;
7° le paragraphe 3, alinéa 2, 1°, est complété par le membre de phrase suivant :
" en utilisant la même méthode de calcul que pour l'année scolaire 2018-2019 et ne prenant pas en compte les heures de cours/apprenant réalisées dans la formation spécifique des enseignants et l'enseignement professionnel supérieur " ;
8° dans le paragraphe 4, alinéas 1er et 2, le membre de phrase " 2018-2019 " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " 2019-2020 " ;
9° dans le paragraphe 4, alinéa 2, le mot " d'ETP " est chaque fois remplacé par le mot " de périodes/enseignant ".
Art. 51. In artikel 196octies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 maart 2018, wordt de zinsnede "referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 december 2019" vervangen door de zinsnede "referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 en de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019".
Art. 51. Dans l'article 196octies du même décret, inséré par le décret du 16 mars 2018, le membre de phrase " dans la période de référence du 1er avril 2018 au 31 décembre 2019 " est remplacé par le membre de phrase " dans la période de référence du 1er avril 2018 au 31 mars 2019 et la période de référence du 1er janvier 2019 au 31 décembre 2019 ".
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap
CHAPITRE 8. - Modifications du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande
Art. 52. In artikel 6, § 1, derde lid, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap wordt in punt 3° het woord "brugproject" vervangen door het woord "aanloopcomponent".
Art. 52. Dans l'article 6, § 1er, alinéa 3, du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, les mots " d'un projet-tremplin " dans le point 3° sont remplacés par les mots " d'une composante de démarrage ".
Art. 53. Artikel 83 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap wordt opgeheven.
Art. 53. L'article 83 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande est abrogé.
Art. 54. In artikel 84bis, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt punt 4° opgeheven.
Art. 54. Dans l'article 84bis, alinéa 1er, du même décret, inséré par le décret du 1er juillet 2011, le point 4° est abrogé.
Art. 55. In artikel 84ter, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt punt 4° opgeheven.
Art. 55. Dans l'article 84ter, alinéa 1er, du même décret, inséré par le décret du 1er juillet 2011, le point 4° est abrogé.
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur
CHAPITRE 9. - Modifications du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications
Art. 56. In artikel 14 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt punt 2°, b), opgeheven;
2° in het eerste lid wordt aan punt 2° een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt:
"c) de eindtermen tweede graad arbeidsmarktfinaliteit en een of meer erkende beroepskwalificaties of deelkwalificaties;";
3° in het eerste lid wordt punt 3°, a), opgeheven;
4° in het eerste lid wordt aan punt 3° een punt b) toegevoegd, dat luidt als volgt:
"b) de eindtermen voor het tweede leerjaar derde graad arbeidsmarktfinaliteit en een of meer erkende beroepskwalificaties, al dan niet aangevuld met een of meer deelkwalificaties;";
5° in het eerste lid wordt punt 4°, e), opgeheven;
6° in het eerste lid wordt in punt 4°, h), de zinsnede "a)" opgeheven;
7° in het eerste lid worden in punt 4° de punten a), b), c), d), en h) opgeheven;
8° in het eerste lid wordt punt 4°, g), opgeheven;
9° in het eerste lid worden aan punt 4° de punten i), j) en k) toegevoegd, die luiden als volgt:
"i) de eindtermen derde graad doorstroomfinaliteit en specifieke eindtermen voor de domeinoverschrijdende (aso) en domeingebonden (tso/kso) doorstroomrichtingen van de derde graad doorstroomfinaliteit;
j) de eindtermen derde graad dubbele finaliteit en specifieke eindtermen voor de richtingen van de derde graad dubbele finaliteit (tso/kso) en een of meer erkende beroepskwalificaties, al dan niet aangevuld met een of meer deelkwalificaties;
k) de eindtermen van het structuuronderdeel se-n-se in het derde leerjaar derde graad dat volgt op structuuronderdelen van het eerste en tweede leerjaar derde graad arbeidsmarktfinaliteit en waarmee een diploma behaald kan worden dat toegang verleent tot een bacheloropleiding;";
10° het tweede lid wordt opgeheven;
11° in het derde lid worden de woorden "competenties en" en de zinsnede "zoals bedoeld in artikel 145 en 265 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs en" opgeheven.
1° in het eerste lid wordt punt 2°, b), opgeheven;
2° in het eerste lid wordt aan punt 2° een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt:
"c) de eindtermen tweede graad arbeidsmarktfinaliteit en een of meer erkende beroepskwalificaties of deelkwalificaties;";
3° in het eerste lid wordt punt 3°, a), opgeheven;
4° in het eerste lid wordt aan punt 3° een punt b) toegevoegd, dat luidt als volgt:
"b) de eindtermen voor het tweede leerjaar derde graad arbeidsmarktfinaliteit en een of meer erkende beroepskwalificaties, al dan niet aangevuld met een of meer deelkwalificaties;";
5° in het eerste lid wordt punt 4°, e), opgeheven;
6° in het eerste lid wordt in punt 4°, h), de zinsnede "a)" opgeheven;
7° in het eerste lid worden in punt 4° de punten a), b), c), d), en h) opgeheven;
8° in het eerste lid wordt punt 4°, g), opgeheven;
9° in het eerste lid worden aan punt 4° de punten i), j) en k) toegevoegd, die luiden als volgt:
"i) de eindtermen derde graad doorstroomfinaliteit en specifieke eindtermen voor de domeinoverschrijdende (aso) en domeingebonden (tso/kso) doorstroomrichtingen van de derde graad doorstroomfinaliteit;
j) de eindtermen derde graad dubbele finaliteit en specifieke eindtermen voor de richtingen van de derde graad dubbele finaliteit (tso/kso) en een of meer erkende beroepskwalificaties, al dan niet aangevuld met een of meer deelkwalificaties;
k) de eindtermen van het structuuronderdeel se-n-se in het derde leerjaar derde graad dat volgt op structuuronderdelen van het eerste en tweede leerjaar derde graad arbeidsmarktfinaliteit en waarmee een diploma behaald kan worden dat toegang verleent tot een bacheloropleiding;";
10° het tweede lid wordt opgeheven;
11° in het derde lid worden de woorden "competenties en" en de zinsnede "zoals bedoeld in artikel 145 en 265 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs en" opgeheven.
Art. 56. A l'article 14 du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications, modifié en dernier lieu par le décret du 15 juin 2018, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 1er, le point 2°, b), est abrogé ;
2° à l'alinéa 1er, il est ajouté au point 2°, un point c) rédigé comme suit :
" c) les objectifs finaux du deuxième degré finalité marché du travail et une ou plusieurs qualifications professionnelles ou qualifications partielles reconnues ; " ;
3° dans l'alinéa 1er, le point 3°, a) est abrogé ;
4° dans l'alinéa 1er, il est ajouté au point 3°, un point b) rédigé comme suit :
" b) les objectifs finaux de la deuxième année d'études du troisième degré finalité marché du travail et une ou plusieurs qualifications professionnelles reconnues, complétées ou non par une ou plusieurs qualifications partielles ; " ;
5° dans l'alinéa 1er, le point 4°, e), est abrogé ;
6° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " a) " dans le point 4°, h) est abrogé ;
7° dans l'alinéa 1er, les points a), b), c), d), et h) dans le point 4° sont abrogés ;
8° dans l'alinéa 1er, le point 4°, g) est abrogé ;
9° à l'alinéa 1er, il est ajouté au point 4° des points i), j), et k) rédigés comme suit :
" i) les objectifs finaux du troisième degré de la finalité " transition " et les objectifs finaux spécifiques pour les orientations de transition transversales (ESG) et spécifiques au domaine (EST/ESA) du troisième degré de la finalité " transition " ;
j) les objectifs finaux du troisième degré de la double finalité et les objectifs finaux spécifiques pour les orientations du troisième degré de la double finalité (EST/ESA) et une ou plusieurs qualifications professionnelles reconnues, complétées ou non par un ou plusieurs qualifications partielles ;
k) les objectifs finaux de la subdivision structurelle " Se-n-Se " dans la troisième année d'études du troisième degré qui suit les subdivisions structurelles des première et deuxième années d'études du troisième degré de la finalité " marché du travail " et avec lesquels un diplôme donnant accès à une formation de bachelor peut être obtenu ; " ;
10° l'alinéa 2 est abrogé ;
11° dans l'alinéa 3, les mots " les compétences et " et les mots " , telles que visées à l'article 145 et l'article 265 de la codification relative à l'enseignement secondaire et " sont abrogés.
1° dans l'alinéa 1er, le point 2°, b), est abrogé ;
2° à l'alinéa 1er, il est ajouté au point 2°, un point c) rédigé comme suit :
" c) les objectifs finaux du deuxième degré finalité marché du travail et une ou plusieurs qualifications professionnelles ou qualifications partielles reconnues ; " ;
3° dans l'alinéa 1er, le point 3°, a) est abrogé ;
4° dans l'alinéa 1er, il est ajouté au point 3°, un point b) rédigé comme suit :
" b) les objectifs finaux de la deuxième année d'études du troisième degré finalité marché du travail et une ou plusieurs qualifications professionnelles reconnues, complétées ou non par une ou plusieurs qualifications partielles ; " ;
5° dans l'alinéa 1er, le point 4°, e), est abrogé ;
6° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " a) " dans le point 4°, h) est abrogé ;
7° dans l'alinéa 1er, les points a), b), c), d), et h) dans le point 4° sont abrogés ;
8° dans l'alinéa 1er, le point 4°, g) est abrogé ;
9° à l'alinéa 1er, il est ajouté au point 4° des points i), j), et k) rédigés comme suit :
" i) les objectifs finaux du troisième degré de la finalité " transition " et les objectifs finaux spécifiques pour les orientations de transition transversales (ESG) et spécifiques au domaine (EST/ESA) du troisième degré de la finalité " transition " ;
j) les objectifs finaux du troisième degré de la double finalité et les objectifs finaux spécifiques pour les orientations du troisième degré de la double finalité (EST/ESA) et une ou plusieurs qualifications professionnelles reconnues, complétées ou non par un ou plusieurs qualifications partielles ;
k) les objectifs finaux de la subdivision structurelle " Se-n-Se " dans la troisième année d'études du troisième degré qui suit les subdivisions structurelles des première et deuxième années d'études du troisième degré de la finalité " marché du travail " et avec lesquels un diplôme donnant accès à une formation de bachelor peut être obtenu ; " ;
10° l'alinéa 2 est abrogé ;
11° dans l'alinéa 3, les mots " les compétences et " et les mots " , telles que visées à l'article 145 et l'article 265 de la codification relative à l'enseignement secondaire et " sont abrogés.
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs
CHAPITRE 10. - Modifications du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement
Art. 57. In artikel 15, § 2, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 juni 2018, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Jaarlijks rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten aan de Vlaamse Regering over de activiteiten van het vorige schooljaar. De stukken ter verantwoording van de ontvangen werkingsmiddelen moeten op de zetel van de pedagogische begeleidingsdiensten worden bewaard, waar ze voor controle ter beschikking zijn van de bevoegde diensten.".
"Jaarlijks rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten aan de Vlaamse Regering over de activiteiten van het vorige schooljaar. De stukken ter verantwoording van de ontvangen werkingsmiddelen moeten op de zetel van de pedagogische begeleidingsdiensten worden bewaard, waar ze voor controle ter beschikking zijn van de bevoegde diensten.".
Art. 57. Dans l'article 15, § 2, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, modifié en dernier lieu par le décret du 15 juin 2018, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Chaque année, les services d'encadrement pédagogique présentent un rapport au Gouvernement flamand sur les activités de l'année scolaire précédente. Les pièces justificatives attestant les moyens de fonctionnement reçus doivent être conservées au siège des services d'encadrement pédagogique, où elles peuvent être consultées par les services compétents. ".
" Chaque année, les services d'encadrement pédagogique présentent un rapport au Gouvernement flamand sur les activités de l'année scolaire précédente. Les pièces justificatives attestant les moyens de fonctionnement reçus doivent être conservées au siège des services d'encadrement pédagogique, où elles peuvent être consultées par les services compétents. ".
Art. 58. In artikel 16, § 7, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 17 juni 2016 en gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt de zinsnede "het schooljaar 2018-2019" vervangen door de zinsnede "het schooljaar 2019-2020".
Art. 58. Dans l'article 16, § 7, du même décret, inséré par le décret du 17 juin 2016 et modifié par le décret du 16 juin 2017, le membre de phrase " l'année scolaire 2018-2019 " est remplacé par le membre de phrase " l'année scolaire 2019-2020 ".
Art. 59. In artikel 39, § 5, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de eerste zin wordt vervangen door wat volgt:
" § 5. Voor de hele instelling of voor een afzonderlijk structuuronderdeel, en dit eventueel binnen een vestigingsplaats, zijn de volgende adviezen mogelijk:";
2° aan punt 2° wordt de volgende zin toegevoegd:
"Een ongunstig advies voor een structuuronderdeel binnen een vestigingsplaats, kan nooit automatisch leiden tot de intrekking van de erkenning van dat structuuronderdeel als datzelfde structuuronderdeel ook aangeboden wordt op andere vestigingsplaatsen.".
1° de eerste zin wordt vervangen door wat volgt:
" § 5. Voor de hele instelling of voor een afzonderlijk structuuronderdeel, en dit eventueel binnen een vestigingsplaats, zijn de volgende adviezen mogelijk:";
2° aan punt 2° wordt de volgende zin toegevoegd:
"Een ongunstig advies voor een structuuronderdeel binnen een vestigingsplaats, kan nooit automatisch leiden tot de intrekking van de erkenning van dat structuuronderdeel als datzelfde structuuronderdeel ook aangeboden wordt op andere vestigingsplaatsen.".
Art. 59. A l'article 39, § 5, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° la première phrase est remplacée par ce qui suit :
" § 5. Pour l'ensemble de l'établissement ou une subdivision structurelle distincte, et ce éventuellement au sein d'une implantation, les avis suivants peuvent être émis : " ;
2° le point 2° est complété par la phrase suivante :
" Un avis défavorable pour une subdivision structurelle au sein d'une implantation ne peut jamais entraîner automatiquement le retrait de la reconnaissance de cette subdivision structurelle si la même subdivision structurelle est également proposée dans d'autres implantations. ".
1° la première phrase est remplacée par ce qui suit :
" § 5. Pour l'ensemble de l'établissement ou une subdivision structurelle distincte, et ce éventuellement au sein d'une implantation, les avis suivants peuvent être émis : " ;
2° le point 2° est complété par la phrase suivante :
" Un avis défavorable pour une subdivision structurelle au sein d'une implantation ne peut jamais entraîner automatiquement le retrait de la reconnaissance de cette subdivision structurelle si la même subdivision structurelle est également proposée dans d'autres implantations. ".
Art. 60. In deel III van hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk VI/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk VI/1. Vastbenoemde personeelsleden die tijdelijk belast zijn met een andere opdracht".
"Hoofdstuk VI/1. Vastbenoemde personeelsleden die tijdelijk belast zijn met een andere opdracht".
Art. 60. Dans le titre III du même décret, il est inséré un chapitre IV/1 rédigé comme suit :
" Chapitre VI/1. Personnels nommés à titre définitif s'acquittant temporairement d'une autre charge ".
" Chapitre VI/1. Personnels nommés à titre définitif s'acquittant temporairement d'une autre charge ".
Art. 61. In hetzelfde decreet wordt in hoofdstuk VI/1, ingevoegd bij artikel 60, een artikel 105/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 105/1. Een vastbenoemd personeelslid van de inspectie kan, met zijn instemming, geheel of gedeeltelijk afzien van de uitoefening van de opdracht waarvoor het vastbenoemd is om tijdelijk belast te worden met een andere opdracht waarvoor het niet vastbenoemd is. Het vastbenoemde personeelslid vraagt daarvoor aan de inspecteur-generaal een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. De inspecteur-generaal kan dat verlof toestaan.
Het personeelslid kan het verlof, vermeld in het eerste lid, ook aanvragen aan de inspecteur-generaal om een opdracht op te nemen in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt in een instelling als vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, in een centrum voor basiseducatie, in een hogeschool of bij de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De inspecteur-generaal kan dat verlof toestaan.
Tijdens de periode waarin het personeelslid tijdelijk belast wordt met een andere opdracht en voor de beëindiging ervan, gelden de regels die voor de tijdelijke personeelsleden van toepassing zijn op het ambt waarin het personeelslid tijdelijk aangesteld is.
In afwijking van het derde lid wordt het vastbenoemde personeelslid tijdens de periode van tijdelijke aanstelling verder beschouwd als vastbenoemd personeelslid voor de toepassing van de reglementaire bepalingen over:
1° het bevallingsverlof;
2° het verlof wegens een bedreiging door een beroepsziekte en het verlof wegens moederschapsbescherming;
3° het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, met inbegrip van arbeidsongevallen, van ongevallen op de weg van en naar het werk en van beroepsziekten;
4° de anciënniteit voor het bepalen van het recht op verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;
5° de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten.
Dit lid is niet van toepassing op het personeelslid dat een tijdelijke opdracht uitoefent bij een hogeschool.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regeling van de administratieve en geldelijke toestand van de vastbenoemde personeelsleden van de inspectie die een verlof nemen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.".
"Art. 105/1. Een vastbenoemd personeelslid van de inspectie kan, met zijn instemming, geheel of gedeeltelijk afzien van de uitoefening van de opdracht waarvoor het vastbenoemd is om tijdelijk belast te worden met een andere opdracht waarvoor het niet vastbenoemd is. Het vastbenoemde personeelslid vraagt daarvoor aan de inspecteur-generaal een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. De inspecteur-generaal kan dat verlof toestaan.
Het personeelslid kan het verlof, vermeld in het eerste lid, ook aanvragen aan de inspecteur-generaal om een opdracht op te nemen in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt in een instelling als vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, in een centrum voor basiseducatie, in een hogeschool of bij de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De inspecteur-generaal kan dat verlof toestaan.
Tijdens de periode waarin het personeelslid tijdelijk belast wordt met een andere opdracht en voor de beëindiging ervan, gelden de regels die voor de tijdelijke personeelsleden van toepassing zijn op het ambt waarin het personeelslid tijdelijk aangesteld is.
In afwijking van het derde lid wordt het vastbenoemde personeelslid tijdens de periode van tijdelijke aanstelling verder beschouwd als vastbenoemd personeelslid voor de toepassing van de reglementaire bepalingen over:
1° het bevallingsverlof;
2° het verlof wegens een bedreiging door een beroepsziekte en het verlof wegens moederschapsbescherming;
3° het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, met inbegrip van arbeidsongevallen, van ongevallen op de weg van en naar het werk en van beroepsziekten;
4° de anciënniteit voor het bepalen van het recht op verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;
5° de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten.
Dit lid is niet van toepassing op het personeelslid dat een tijdelijke opdracht uitoefent bij een hogeschool.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regeling van de administratieve en geldelijke toestand van de vastbenoemde personeelsleden van de inspectie die een verlof nemen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.".
Art. 61. Dans le même décret, il est inséré dans le chapitre VI/1, inséré par l'article 60, un article 105/1 rédigé comme suit :
" Art. 105/1. Moyennant son accord, le membre du personnel nommé à titre définitif de l'inspection peut renoncer entièrement ou partiellement à l'exercice de la charge pour laquelle il est nommé à titre définitif afin d'assumer temporairement une autre charge pour laquelle il n'est pas nommé à titre définitif. A cette fin, le membre du personnel nommé à titre définitif demande à son inspecteur général un congé pour exercer temporairement une autre charge. L'inspecteur général peut accorder ce congé.
Le membre du personnel peut également demander le congé, visé à l'alinéa 1er, à l'inspecteur général pour assumer une charge dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion dans un établissement, tel que visé à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, ou à l'article 4, § 1er, a), du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, dans un centre d'éducation de base, dans un institut supérieur ou auprès de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques. L'inspecteur général peut accorder ce congé.
Pendant la période au cours de laquelle le membre du personnel est chargé temporairement d'une autre charge et avant la fin de celle-ci, les mêmes règles que celles applicables aux personnels temporaires sont d'application à la fonction exercée temporairement par le membre du personnel.
Par dérogation à l'alinéa 3, le membre du personnel nommé à titre définitif continue à être considéré, pendant la période de désignation temporaire, comme un membre du personnel définitif pour l'application des dispositions réglementaires sur :
1° le congé de maternité ;
2° le congé d'écartement du risque de maladie professionnelle et le congé de protection de la maternité ;
3° le congé pour cause de maladie ou d'infirmité, y compris les accidents du travail, les accidents survenus sur le chemin du travail et les maladies professionnelles ;
4° l'ancienneté pour la fixation du droit au congé pour cause de maladie ou d'infirmité ;
5° l'octroi d'une indemnité pour frais funéraires.
Le présent alinéa n'est pas applicable au membre du personnel qui exerce une charge temporaire auprès d'un institut supérieur.
Le Gouvernement flamand précise la réglementation relative à la position administrative et au statut pécuniaire des personnels nommés à titre définitif de l'inspection qui prennent congé pour accomplir temporairement une autre charge. ".
" Art. 105/1. Moyennant son accord, le membre du personnel nommé à titre définitif de l'inspection peut renoncer entièrement ou partiellement à l'exercice de la charge pour laquelle il est nommé à titre définitif afin d'assumer temporairement une autre charge pour laquelle il n'est pas nommé à titre définitif. A cette fin, le membre du personnel nommé à titre définitif demande à son inspecteur général un congé pour exercer temporairement une autre charge. L'inspecteur général peut accorder ce congé.
Le membre du personnel peut également demander le congé, visé à l'alinéa 1er, à l'inspecteur général pour assumer une charge dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion dans un établissement, tel que visé à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, ou à l'article 4, § 1er, a), du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, dans un centre d'éducation de base, dans un institut supérieur ou auprès de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques. L'inspecteur général peut accorder ce congé.
Pendant la période au cours de laquelle le membre du personnel est chargé temporairement d'une autre charge et avant la fin de celle-ci, les mêmes règles que celles applicables aux personnels temporaires sont d'application à la fonction exercée temporairement par le membre du personnel.
Par dérogation à l'alinéa 3, le membre du personnel nommé à titre définitif continue à être considéré, pendant la période de désignation temporaire, comme un membre du personnel définitif pour l'application des dispositions réglementaires sur :
1° le congé de maternité ;
2° le congé d'écartement du risque de maladie professionnelle et le congé de protection de la maternité ;
3° le congé pour cause de maladie ou d'infirmité, y compris les accidents du travail, les accidents survenus sur le chemin du travail et les maladies professionnelles ;
4° l'ancienneté pour la fixation du droit au congé pour cause de maladie ou d'infirmité ;
5° l'octroi d'une indemnité pour frais funéraires.
Le présent alinéa n'est pas applicable au membre du personnel qui exerce une charge temporaire auprès d'un institut supérieur.
Le Gouvernement flamand précise la réglementation relative à la position administrative et au statut pécuniaire des personnels nommés à titre définitif de l'inspection qui prennent congé pour accomplir temporairement une autre charge. ".
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010
CHAPITRE 11. - Modifications du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010
Art. 62. In artikel 22/3 van de Codex Secundair Onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt de zinsnede "Tijdens het schooljaar 2018-2019" vervangen door de zinsnede "Tijdens het schooljaar 2018-2019 en het schooljaar 2019-2020".
Art. 62. Dans l'article 22/3 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, inséré par le décret du 6 juillet 2018, le membre de phrase " Pendant l'année scolaire 2018-2019 " est remplacé par le membre de phrase " Pendant l'année scolaire 2018-2019 et l'année scolaire 2019-2020 ".
Art. 63. In artikel 22/13 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt de zinsnede "vanaf 2019-2020" opgeheven.
Art. 63. Dans l'article 22/13 du même Code, inséré par le décret du 6 juillet 2018, le membre de phrase " à partir de 2019-2020 " est abrogé.
Art. 64. In artikel 35 van dezelfde codex wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Na overleg binnen de schoolraad bepalen de schoolbesturen de lijst van bijdragen die aan de betrokken personen kunnen worden gevraagd, evenals de afwijkingen die op deze bijdrageregeling worden toegekend. De bijdrageregeling wordt door middel van het school- of centrumreglement aan de betrokken personen meegedeeld. Zowel de bijdrageregeling als de schoolfacturen vermelden dat gespreide betaling mogelijk is evenals een contactpersoon tot wie de betrokken personen die dergelijke gespreide betaling wensen, zich kunnen richten.".
"Na overleg binnen de schoolraad bepalen de schoolbesturen de lijst van bijdragen die aan de betrokken personen kunnen worden gevraagd, evenals de afwijkingen die op deze bijdrageregeling worden toegekend. De bijdrageregeling wordt door middel van het school- of centrumreglement aan de betrokken personen meegedeeld. Zowel de bijdrageregeling als de schoolfacturen vermelden dat gespreide betaling mogelijk is evenals een contactpersoon tot wie de betrokken personen die dergelijke gespreide betaling wensen, zich kunnen richten.".
Art. 64. Dans l'article 35 du même Code, l'alinéa 2 est remplacé par la disposition suivante :
" Après concertation au sein du conseil scolaire, les autorités scolaires établissent la liste des contributions pouvant être demandées aux personnes concernées, ainsi que les dérogations accordées à ce régime de contributions. Le régime de contribution est communiqué aux personnes concernées au moyen du règlement d'école ou de centre. Tant le régime de contribution que les factures scolaires mentionnent qu'un paiement échelonné est possible, ainsi qu'une personne de contact à laquelle les personnes concernées qui souhaitent effectuer ce paiement échelonné peuvent s'adresser. ".
" Après concertation au sein du conseil scolaire, les autorités scolaires établissent la liste des contributions pouvant être demandées aux personnes concernées, ainsi que les dérogations accordées à ce régime de contributions. Le régime de contribution est communiqué aux personnes concernées au moyen du règlement d'école ou de centre. Tant le régime de contribution que les factures scolaires mentionnent qu'un paiement échelonné est possible, ainsi qu'une personne de contact à laquelle les personnes concernées qui souhaitent effectuer ce paiement échelonné peuvent s'adresser. ".
Art. 65. Artikel 51 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014 en gewijzigd bij de decreten van 16 juni 2017 en 15 juni 2018, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 51. Scholengemeenschappen komen vrijwillig tot stand voor een periode van zes schooljaren vanaf 1 september volgend op de datum van de beslissing of de schriftelijke overeenkomst tot vorming van die scholengemeenschap. Indien de scholengemeenschap bestaat uit een of meer scholen van hetzelfde schoolbestuur, dan gebeurt de vorming ervan bij beslissing van dat schoolbestuur. Indien de scholengemeenschap bestaat uit scholen van verschillende schoolbesturen, dan gebeurt de vorming ervan bij schriftelijke overeenkomst tussen die schoolbesturen. Als onmiddellijk na voormelde periode de samenstelling van de scholengemeenschap niet wijzigt, wordt de scholengemeenschap van rechtswege verlengd voor een nieuwe periode van zes schooljaren.
Scholengemeenschappen die op 31 augustus 2020 bestaan, kunnen op 1 september 2020 onder de voorwaarden van het eerste lid van rechtswege worden verlengd voor een periode van zes schooljaren.
Tijdens voormelde periode kan de beslissing of overeenkomst inzake de vorming van een scholengemeenschap worden gewijzigd, in die zin dat een school alsnog tot een scholengemeenschap kan toetreden of uit een scholengemeenschap kan stappen. Een uitstap uit de scholengemeenschap kan alleen in volgende gevallen:
1° indien de scholengemeenschap minder dan 900 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke tellingsdatum;
2° indien de school wordt overgenomen door een schoolbestuur van een ander onderwijsnet, waarbij voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft een onderscheid wordt gemaakt tussen elke erkende godsdienst en het niet-confessioneel onderwijs, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt;
3° indien de school met een vereniging van gemeenten als schoolbestuur wordt overgenomen door een schoolbestuur dat geen vereniging van gemeenten is.
Elke beslissing of overeenkomst met betrekking tot de vorming of de wijziging van een scholengemeenschap wordt uiterlijk 31 maart van het schooljaar voorafgaand aan de inwerkingtreding getroffen, aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en schriftelijk aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid gemeld. Ook een verlenging van rechtswege wordt uiterlijk op voormelde datum aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en schriftelijk aan de bevoegde diensten gemeld.
Een scholengemeenschap neemt al dan niet een rechtspersoonlijkheid of een rechtsvorm aan.".
"Art. 51. Scholengemeenschappen komen vrijwillig tot stand voor een periode van zes schooljaren vanaf 1 september volgend op de datum van de beslissing of de schriftelijke overeenkomst tot vorming van die scholengemeenschap. Indien de scholengemeenschap bestaat uit een of meer scholen van hetzelfde schoolbestuur, dan gebeurt de vorming ervan bij beslissing van dat schoolbestuur. Indien de scholengemeenschap bestaat uit scholen van verschillende schoolbesturen, dan gebeurt de vorming ervan bij schriftelijke overeenkomst tussen die schoolbesturen. Als onmiddellijk na voormelde periode de samenstelling van de scholengemeenschap niet wijzigt, wordt de scholengemeenschap van rechtswege verlengd voor een nieuwe periode van zes schooljaren.
Scholengemeenschappen die op 31 augustus 2020 bestaan, kunnen op 1 september 2020 onder de voorwaarden van het eerste lid van rechtswege worden verlengd voor een periode van zes schooljaren.
Tijdens voormelde periode kan de beslissing of overeenkomst inzake de vorming van een scholengemeenschap worden gewijzigd, in die zin dat een school alsnog tot een scholengemeenschap kan toetreden of uit een scholengemeenschap kan stappen. Een uitstap uit de scholengemeenschap kan alleen in volgende gevallen:
1° indien de scholengemeenschap minder dan 900 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke tellingsdatum;
2° indien de school wordt overgenomen door een schoolbestuur van een ander onderwijsnet, waarbij voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft een onderscheid wordt gemaakt tussen elke erkende godsdienst en het niet-confessioneel onderwijs, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt;
3° indien de school met een vereniging van gemeenten als schoolbestuur wordt overgenomen door een schoolbestuur dat geen vereniging van gemeenten is.
Elke beslissing of overeenkomst met betrekking tot de vorming of de wijziging van een scholengemeenschap wordt uiterlijk 31 maart van het schooljaar voorafgaand aan de inwerkingtreding getroffen, aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en schriftelijk aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid gemeld. Ook een verlenging van rechtswege wordt uiterlijk op voormelde datum aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en schriftelijk aan de bevoegde diensten gemeld.
Een scholengemeenschap neemt al dan niet een rechtspersoonlijkheid of een rechtsvorm aan.".
Art. 65. L'article 51 du même Code, inséré par le décret du 25 avril 2014 et modifié par les décrets des 16 juin 2017 et 15 juin 2018, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 51. Les centres d'enseignement sont créés sur une base volontaire pour une période de six années scolaires à compter du 1er septembre suivant la date de la décision ou de la convention écrite relative à la création de ce centre d'enseignement. Si le centre d'enseignement se compose d'une ou de plusieurs écoles de la même autorité scolaire, sa création se fait par décision de l'autorité scolaire en question. Si le centre d'enseignement se compose d'écoles de différentes autorités scolaires, sa création se fait par convention écrite entre ces autorités scolaires. Si, immédiatement après la période susmentionnée, rien ne change dans la composition du centre d'enseignement, le centre d'enseignement est prolongé de plein droit pour une nouvelle période de six années scolaires.
Les centres d'enseignement existant au 31 août 2020 peuvent être prolongés de plein droit au 1er septembre 2020 pour une période de six années scolaires aux conditions prévues à l'alinéa 1er.
Au cours de la période précitée, la décision ou convention relative à la création d'un centre d'enseignement peut être modifiée pour permettre à une école d'adhérer ou de quitter un centre d'enseignement. Quitter le centre d'enseignement n'est possible que dans les cas suivants :
1° si le centre d'enseignement compte moins de 900 élèves réguliers à la date de comptage habituelle ;
2° si l'école est reprise par une autorité scolaire d'un autre réseau d'enseignement, en distinguant, dans le cas de l'enseignement libre subventionné, entre chaque religion reconnue et l'enseignement non confessionnel, à condition que toutes les autorités scolaires appartenant au centre d'enseignement acceptent que l'école quitte ce centre d'enseignement ;
3° si l'école ayant une association de communes comme autorité scolaire est reprise par une autorité scolaire non constituée d'une association de communes.
Toute décision ou convention relative à la création ou à la modification d'un centre d'enseignement doit intervenir avant le 31 mars de l'année scolaire précédant la date d'entrée en vigueur, est communiquée aux membres du personnel concernés et notifiée par écrit au service compétent de l'Autorité flamande. Au plus tard à la date susmentionnée, toute prolongation de plein droit doit également être communiquée aux membres du personnel concernés et notifiée par écrit au service compétent de l'Autorité flamande.
Un centre d'enseignement prend ou non une personnalité juridique ou une forme juridique. ".
" Art. 51. Les centres d'enseignement sont créés sur une base volontaire pour une période de six années scolaires à compter du 1er septembre suivant la date de la décision ou de la convention écrite relative à la création de ce centre d'enseignement. Si le centre d'enseignement se compose d'une ou de plusieurs écoles de la même autorité scolaire, sa création se fait par décision de l'autorité scolaire en question. Si le centre d'enseignement se compose d'écoles de différentes autorités scolaires, sa création se fait par convention écrite entre ces autorités scolaires. Si, immédiatement après la période susmentionnée, rien ne change dans la composition du centre d'enseignement, le centre d'enseignement est prolongé de plein droit pour une nouvelle période de six années scolaires.
Les centres d'enseignement existant au 31 août 2020 peuvent être prolongés de plein droit au 1er septembre 2020 pour une période de six années scolaires aux conditions prévues à l'alinéa 1er.
Au cours de la période précitée, la décision ou convention relative à la création d'un centre d'enseignement peut être modifiée pour permettre à une école d'adhérer ou de quitter un centre d'enseignement. Quitter le centre d'enseignement n'est possible que dans les cas suivants :
1° si le centre d'enseignement compte moins de 900 élèves réguliers à la date de comptage habituelle ;
2° si l'école est reprise par une autorité scolaire d'un autre réseau d'enseignement, en distinguant, dans le cas de l'enseignement libre subventionné, entre chaque religion reconnue et l'enseignement non confessionnel, à condition que toutes les autorités scolaires appartenant au centre d'enseignement acceptent que l'école quitte ce centre d'enseignement ;
3° si l'école ayant une association de communes comme autorité scolaire est reprise par une autorité scolaire non constituée d'une association de communes.
Toute décision ou convention relative à la création ou à la modification d'un centre d'enseignement doit intervenir avant le 31 mars de l'année scolaire précédant la date d'entrée en vigueur, est communiquée aux membres du personnel concernés et notifiée par écrit au service compétent de l'Autorité flamande. Au plus tard à la date susmentionnée, toute prolongation de plein droit doit également être communiquée aux membres du personnel concernés et notifiée par écrit au service compétent de l'Autorité flamande.
Un centre d'enseignement prend ou non une personnalité juridique ou une forme juridique. ".
Art. 66. In artikel 110/30, § 1, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2013, wordt het derde lid opgeheven.
Art. 66. Dans l'article 110/30, § 1er, du même Code, inséré par le décret du 19 juillet 2013, l'alinéa 3 est abrogé.
Art. 67. Aan artikel 112, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 17 juni 2016 en 27 april 2018, wordt een punt 18° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"18° de vermelding dat de betrokken personen, in voorkomend geval, de school onmiddellijk op de hoogte brengen van het feit dat de medische toestand van de leerling die is ingeschreven in een opleiding waar voedingsmiddelen worden verwerkt, een risico inhoudt op (on)rechtstreekse verontreiniging van levensmiddelen, met als gevolg dat na beslissing van de school de leerling hetzij tijdelijk bepaalde programmaonderdelen niet mag volgen, hetzij de opleiding in zijn geheel niet langer mag volgen en naar een andere opleiding moet overstappen. Daarbij wordt eveneens vermeld dat de gegevens over de medische toestand worden verwerkt onder de verantwoordelijkheid van de schooldirecteur en dat de schooldirecteur en de personeelsleden van de school die deze gegevens over de medische toestand verwerken, gehouden zijn tot geheimhouding over deze gegevens.".
"18° de vermelding dat de betrokken personen, in voorkomend geval, de school onmiddellijk op de hoogte brengen van het feit dat de medische toestand van de leerling die is ingeschreven in een opleiding waar voedingsmiddelen worden verwerkt, een risico inhoudt op (on)rechtstreekse verontreiniging van levensmiddelen, met als gevolg dat na beslissing van de school de leerling hetzij tijdelijk bepaalde programmaonderdelen niet mag volgen, hetzij de opleiding in zijn geheel niet langer mag volgen en naar een andere opleiding moet overstappen. Daarbij wordt eveneens vermeld dat de gegevens over de medische toestand worden verwerkt onder de verantwoordelijkheid van de schooldirecteur en dat de schooldirecteur en de personeelsleden van de school die deze gegevens over de medische toestand verwerken, gehouden zijn tot geheimhouding over deze gegevens.".
Art. 67. A l'article 112, alinéa 1er, du même Code, modifié par les décrets des 17 juin 2016 et 27 avril 2018, il est ajouté un point 18° rédigé comme suit :
" 18° la mention indiquant que les personnes concernées, le cas échéant, informent immédiatement l'école du fait que l'état de santé de l'élève inscrit à une formation où des denrées alimentaires sont transformées, comporte un risque de contamination (in)directe des denrées alimentaires, de sorte que, suite à une décision de l'école, l'élève il se trouve soit temporairement exclu de certaines composantes de la formation ou soit il ne peut plus suivre la formation en général et doit passer à un autre cours de formation. Il est également précisé que les données relatives à l'état de santé sont traitées sous la responsabilité du directeur de l'école et que le directeur de l'école et les membres du personnel de l'école qui traitent ces données relatives à l'état de santé sont tenus au secret à l'égard de ces données. ".
" 18° la mention indiquant que les personnes concernées, le cas échéant, informent immédiatement l'école du fait que l'état de santé de l'élève inscrit à une formation où des denrées alimentaires sont transformées, comporte un risque de contamination (in)directe des denrées alimentaires, de sorte que, suite à une décision de l'école, l'élève il se trouve soit temporairement exclu de certaines composantes de la formation ou soit il ne peut plus suivre la formation en général et doit passer à un autre cours de formation. Il est également précisé que les données relatives à l'état de santé sont traitées sous la responsabilité du directeur de l'école et que le directeur de l'école et les membres du personnel de l'école qui traitent ces données relatives à l'état de santé sont tenus au secret à l'égard de ces données. ".
Art. 68. In artikel 116 van de Codex Secundair Onderwijs, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt tussen het getal "120" en het woord "wordt" de zinsnede "en artikel 122/1" ingevoegd;
2° punt 2° wordt opgeheven.
1° in het eerste lid wordt tussen het getal "120" en het woord "wordt" de zinsnede "en artikel 122/1" ingevoegd;
2° punt 2° wordt opgeheven.
Art. 68. A l'article 116 du Code de l'Enseignement secondaire, modifié par le décret du 21 mars 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " et de l'article 122/1 " est inséré entre les mots " des articles 116 à 120 inclus " et le membre de phrase " , " ;
2° le point 2° est abrogé.
1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " et de l'article 122/1 " est inséré entre les mots " des articles 116 à 120 inclus " et le membre de phrase " , " ;
2° le point 2° est abrogé.
Art. 69. Artikel 117 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 117. § 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om secundair onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis.
§ 2. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis. De regering maakt hierbij een onderscheid tussen een veelvuldige afwezigheid omwille van een chronische ziekte en een langdurige afwezigheid.
Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een veelvuldige afwezigheid vanwege een chronische ziekte.
§ 3. De regering bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt, welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en de voorwaarden tot het verkrijgen van uren-leraar en lesuren tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan.
§ 4. Het schoolbestuur is verplicht om de betrokken personen bij leerlingen die recht hebben of zullen hebben op tijdelijk onderwijs aan huis te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis.
§ 5. De uitdrukkelijke vraag van de betrokken personen voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om tijdelijk onderwijs aan huis te organiseren.
De verplichting om tijdelijk onderwijs aan huis in te richten, vervalt voor de school ten aanzien van de leerling gedurende zijn verblijf in een ziekenhuis, een residentiële setting of een preventorium waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of bij zijn opname in een dienst als bedoeld in artikel IV.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.
§ 6. Het recht op tijdelijk onderwijs aan huis kan gecombineerd worden met het recht op synchroon internetonderwijs als bedoeld in artikel 117/1.".
"Art. 117. § 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om secundair onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis.
§ 2. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis. De regering maakt hierbij een onderscheid tussen een veelvuldige afwezigheid omwille van een chronische ziekte en een langdurige afwezigheid.
Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een veelvuldige afwezigheid vanwege een chronische ziekte.
§ 3. De regering bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt, welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en de voorwaarden tot het verkrijgen van uren-leraar en lesuren tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan.
§ 4. Het schoolbestuur is verplicht om de betrokken personen bij leerlingen die recht hebben of zullen hebben op tijdelijk onderwijs aan huis te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis.
§ 5. De uitdrukkelijke vraag van de betrokken personen voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om tijdelijk onderwijs aan huis te organiseren.
De verplichting om tijdelijk onderwijs aan huis in te richten, vervalt voor de school ten aanzien van de leerling gedurende zijn verblijf in een ziekenhuis, een residentiële setting of een preventorium waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of bij zijn opname in een dienst als bedoeld in artikel IV.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.
§ 6. Het recht op tijdelijk onderwijs aan huis kan gecombineerd worden met het recht op synchroon internetonderwijs als bedoeld in artikel 117/1.".
Art. 69. L'article 117 du même Code, modifié par le décret du 25 avril 2014 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 117. § 1er. Les élèves qui sont temporairement dans l'impossibilité de suivre l'enseignement secondaire dans leur école pour cause de maladie ou d'accident, ont droit à un enseignement temporaire en milieu familial.
§ 2. Le Gouvernement flamand fixe les conditions d'admissibilité à l'enseignement temporaire en milieu familial. Le gouvernement fait une distinction entre des absences répétées dues à une maladie chronique et une absence de longue durée.
Une absence de moins de 21 jours calendaires ne constitue pas une absence de longue durée pour l'application du présent article, sauf en cas d'absences répétées pour cause de maladie chronique.
§ 3. Le gouvernement détermine l'organisation de l'enseignement en milieu familial, le type d'aide dont bénéficie l'école pour organiser l'enseignement en milieu familial et les conditions d'obtention des périodes-professeur et des heures de cours pour l'enseignement temporaire en milieu familial, ainsi que leur nombre et leur mode de calcul.
§ 4. L'autorité scolaire est tenue d'informer les personnes concernées intervenant auprès d'élèves qui ont ou auront droit à l'enseignement temporaire en milieu familial sur le droit à l'enseignement temporaire en milieu familial, ses possibilités et modalités.
§ 5. A la demande explicite des personnes concernées intervenant auprès d'un élève tel que visé au paragraphe 2, l'autorité scolaire est obligée d'organiser un enseignement temporaire en milieu familial.
L'obligation de l'école d'organiser un enseignement temporaire en milieu familial pour l'élève échoit pour la période pendant laquelle l'élève en question séjourne à l'hôpital, dans une structure résidentielle ou un préventorium où l'on dispense un enseignement de type 5 financé ou subventionné ou est admis dans un service tel que prévu à l'article IV.2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement.
§ 6. Le droit à l'enseignement temporaire en milieu familial peut être combiné avec le droit à l'enseignement synchrone par internet tel que visé à l'article 117/1. ".
" Art. 117. § 1er. Les élèves qui sont temporairement dans l'impossibilité de suivre l'enseignement secondaire dans leur école pour cause de maladie ou d'accident, ont droit à un enseignement temporaire en milieu familial.
§ 2. Le Gouvernement flamand fixe les conditions d'admissibilité à l'enseignement temporaire en milieu familial. Le gouvernement fait une distinction entre des absences répétées dues à une maladie chronique et une absence de longue durée.
Une absence de moins de 21 jours calendaires ne constitue pas une absence de longue durée pour l'application du présent article, sauf en cas d'absences répétées pour cause de maladie chronique.
§ 3. Le gouvernement détermine l'organisation de l'enseignement en milieu familial, le type d'aide dont bénéficie l'école pour organiser l'enseignement en milieu familial et les conditions d'obtention des périodes-professeur et des heures de cours pour l'enseignement temporaire en milieu familial, ainsi que leur nombre et leur mode de calcul.
§ 4. L'autorité scolaire est tenue d'informer les personnes concernées intervenant auprès d'élèves qui ont ou auront droit à l'enseignement temporaire en milieu familial sur le droit à l'enseignement temporaire en milieu familial, ses possibilités et modalités.
§ 5. A la demande explicite des personnes concernées intervenant auprès d'un élève tel que visé au paragraphe 2, l'autorité scolaire est obligée d'organiser un enseignement temporaire en milieu familial.
L'obligation de l'école d'organiser un enseignement temporaire en milieu familial pour l'élève échoit pour la période pendant laquelle l'élève en question séjourne à l'hôpital, dans une structure résidentielle ou un préventorium où l'on dispense un enseignement de type 5 financé ou subventionné ou est admis dans un service tel que prévu à l'article IV.2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement.
§ 6. Le droit à l'enseignement temporaire en milieu familial peut être combiné avec le droit à l'enseignement synchrone par internet tel que visé à l'article 117/1. ".
Art. 70. In dezelfde codex wordt artikel 117/1, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011 en vervangen bij het decreet van 25 april 2015, vervangen door wat volgt:
"Art. 117/1. § 1. Synchroon internetonderwijs, verder in dit hoofdstuk SIO te noemen, biedt leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school de mogelijkheid om op afstand, via digitale toepassingen, rechtstreeks en in interactie met de leerkrachten en klasgenoten de lessen te volgen.
SIO ondersteunt het leerproces, beperkt de leerachterstand en bereidt de terugkeer naar school voor. Door SIO blijft de band van de afwezige leerling met de school, leerkrachten en medeleerlingen behouden.
§ 2. Leerlingen komen in aanmerking voor SIO als aan volgende voorwaarden voldaan is:
1° de school beschikt over bewijsstukken voor de afwezigheid van de leerling ten gevolge van ziekte of ongeval;
2° het gebruik van SIO is verenigbaar met de medische toestand van de leerling. De betrokken personen brengen de behandelende arts op de hoogte; de school informeert de CLB-arts;
3° SIO is voor de betrokken leerling haalbaar en zinvol:
a) SIO komt tegemoet aan de ondersteuningsbehoefte van de leerling conform paragraaf 1, tweede lid. SIO wordt niet aangewend als permanent alternatief voor onderwijs op school;
b) op basis van het ziektebeeld en de inschatting van het ziekteverloop mag aangenomen worden dat de leerling die langdurig of veelvuldig afwezig zal zijn, het SIO zal gebruiken voor een periode van minimaal 36 halve lesdagen;
c) de leerling en de school maken er optimaal gebruik van. Het CLB is betrokken.
De regering kan bijkomende criteria met betrekking tot zinvolheid en haalbaarheid voor de leerling vastleggen.
§ 3. Het schoolbestuur is verplicht om de betrokken personen bij leerlingen die recht hebben of zullen hebben op SIO te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van SIO.
§ 4. De uitdrukkelijke vraag van de betrokken personen voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om SIO te organiseren.
§ 5. Het recht op SIO kan gecombineerd worden met het recht op tijdelijk onderwijs aan huis als bedoeld in artikel 117, een verblijf in een ziekenhuis, een residentiële setting of een preventorium waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of met een opname in een dienst bedoeld in artikel IV.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.
Het recht op SIO kan niet gecombineerd worden met permanent onderwijs aan huis als bedoeld in artikel 118.".
"Art. 117/1. § 1. Synchroon internetonderwijs, verder in dit hoofdstuk SIO te noemen, biedt leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school de mogelijkheid om op afstand, via digitale toepassingen, rechtstreeks en in interactie met de leerkrachten en klasgenoten de lessen te volgen.
SIO ondersteunt het leerproces, beperkt de leerachterstand en bereidt de terugkeer naar school voor. Door SIO blijft de band van de afwezige leerling met de school, leerkrachten en medeleerlingen behouden.
§ 2. Leerlingen komen in aanmerking voor SIO als aan volgende voorwaarden voldaan is:
1° de school beschikt over bewijsstukken voor de afwezigheid van de leerling ten gevolge van ziekte of ongeval;
2° het gebruik van SIO is verenigbaar met de medische toestand van de leerling. De betrokken personen brengen de behandelende arts op de hoogte; de school informeert de CLB-arts;
3° SIO is voor de betrokken leerling haalbaar en zinvol:
a) SIO komt tegemoet aan de ondersteuningsbehoefte van de leerling conform paragraaf 1, tweede lid. SIO wordt niet aangewend als permanent alternatief voor onderwijs op school;
b) op basis van het ziektebeeld en de inschatting van het ziekteverloop mag aangenomen worden dat de leerling die langdurig of veelvuldig afwezig zal zijn, het SIO zal gebruiken voor een periode van minimaal 36 halve lesdagen;
c) de leerling en de school maken er optimaal gebruik van. Het CLB is betrokken.
De regering kan bijkomende criteria met betrekking tot zinvolheid en haalbaarheid voor de leerling vastleggen.
§ 3. Het schoolbestuur is verplicht om de betrokken personen bij leerlingen die recht hebben of zullen hebben op SIO te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van SIO.
§ 4. De uitdrukkelijke vraag van de betrokken personen voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om SIO te organiseren.
§ 5. Het recht op SIO kan gecombineerd worden met het recht op tijdelijk onderwijs aan huis als bedoeld in artikel 117, een verblijf in een ziekenhuis, een residentiële setting of een preventorium waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of met een opname in een dienst bedoeld in artikel IV.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.
Het recht op SIO kan niet gecombineerd worden met permanent onderwijs aan huis als bedoeld in artikel 118.".
Art. 70. Dans le même Code, l'article 117/1 inséré par le décret du 1er juillet 2011 et remplacé par le décret du 25 avril 2015 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 117/1. § 1er. L'enseignement synchrone par internet, appelé SIO dans le présent chapitre, offre aux élèves qui sont temporairement dans l'impossibilité de suivre l'enseignement dans leur école pour cause de maladie ou d'accident, la possibilité de suivre les cours à distance, via des applications numériques, directement et en interaction avec les enseignants et leurs camarades de classe.
Le SIO soutient le processus d'apprentissage, limite le retard scolaire et prépare le retour à l'école. Grâce au SIO, le lien de l'élève absent avec l'école, les enseignants et les autres élèves est maintenu.
§ 2. Les élèves sont admissibles au SIO si les conditions suivantes sont remplies :
1° l'école dispose de justificatifs de l'absence de l'élève pour cause de maladie ou d'accident ;
2° l'utilisation du SIO est compatible avec l'état de santé de l'élève. Les personnes concernées en informent le médecin traitant ; l'école en informe le médecin du CLB ;
3° le SIO est faisable et utile pour l'élève concerné :
a) le SIO répond au besoin de soutien de l'élève conformément au paragraphe 1er, alinéa 2. Le SIO n'est pas utilisé comme une alternative permanente à l'enseignement dispensé à l'école ;
b) sur la base du syndrome et de l'évaluation de l'évolution de la maladie, on peut supposer que l'élève dont l'état de santé conduit à une absence prolongée ou à des absences répétées, utilisera le SIO pendant au moins 36 demi-journées de classe ;
c) l'élève et l'école en font un usage optimal. Le CLB est impliqué.
Le gouvernement peut fixer des critères supplémentaires en ce qui concerne la faisabilité et la pertinence pour l'élève.
§ 3. L'autorité scolaire est tenue d'informer les personnes concernées intervenant auprès des élèves qui ont ou auront droit au SIO sur le droit au SIO et les possibilités et modalités du SIO.
§ 4. A la demande explicite des personnes concernées intervenant auprès d'un élève tel que visé au paragraphe 2, l'autorité scolaire est obligée d'organiser le SIO.
§ 5. Le droit au SIO peut être combiné avec un enseignement temporaire en milieu familial, tel que visé à l'article 117, un séjour à l'hôpital, dans une structure résidentielle ou un préventorium où l'on dispense un enseignement du type 5 financé ou subventionné ou avec une admission dans un service telle que prévue à l'article IV.2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement.
Le droit au SIO ne peut être cumulé avec l'enseignement permanent en milieu familial visé à l'article 118. ".
" Art. 117/1. § 1er. L'enseignement synchrone par internet, appelé SIO dans le présent chapitre, offre aux élèves qui sont temporairement dans l'impossibilité de suivre l'enseignement dans leur école pour cause de maladie ou d'accident, la possibilité de suivre les cours à distance, via des applications numériques, directement et en interaction avec les enseignants et leurs camarades de classe.
Le SIO soutient le processus d'apprentissage, limite le retard scolaire et prépare le retour à l'école. Grâce au SIO, le lien de l'élève absent avec l'école, les enseignants et les autres élèves est maintenu.
§ 2. Les élèves sont admissibles au SIO si les conditions suivantes sont remplies :
1° l'école dispose de justificatifs de l'absence de l'élève pour cause de maladie ou d'accident ;
2° l'utilisation du SIO est compatible avec l'état de santé de l'élève. Les personnes concernées en informent le médecin traitant ; l'école en informe le médecin du CLB ;
3° le SIO est faisable et utile pour l'élève concerné :
a) le SIO répond au besoin de soutien de l'élève conformément au paragraphe 1er, alinéa 2. Le SIO n'est pas utilisé comme une alternative permanente à l'enseignement dispensé à l'école ;
b) sur la base du syndrome et de l'évaluation de l'évolution de la maladie, on peut supposer que l'élève dont l'état de santé conduit à une absence prolongée ou à des absences répétées, utilisera le SIO pendant au moins 36 demi-journées de classe ;
c) l'élève et l'école en font un usage optimal. Le CLB est impliqué.
Le gouvernement peut fixer des critères supplémentaires en ce qui concerne la faisabilité et la pertinence pour l'élève.
§ 3. L'autorité scolaire est tenue d'informer les personnes concernées intervenant auprès des élèves qui ont ou auront droit au SIO sur le droit au SIO et les possibilités et modalités du SIO.
§ 4. A la demande explicite des personnes concernées intervenant auprès d'un élève tel que visé au paragraphe 2, l'autorité scolaire est obligée d'organiser le SIO.
§ 5. Le droit au SIO peut être combiné avec un enseignement temporaire en milieu familial, tel que visé à l'article 117, un séjour à l'hôpital, dans une structure résidentielle ou un préventorium où l'on dispense un enseignement du type 5 financé ou subventionné ou avec une admission dans un service telle que prévue à l'article IV.2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement.
Le droit au SIO ne peut être cumulé avec l'enseignement permanent en milieu familial visé à l'article 118. ".
Art. 71. In dezelfde codex wordt in artikel 122/1, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014 en gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 117, hebben desbetreffende leerlingen recht op tijdelijk onderwijs aan huis. Onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 117/1, hebben desbetreffende leerlingen recht op SIO.".
"Onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 117, hebben desbetreffende leerlingen recht op tijdelijk onderwijs aan huis. Onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 117/1, hebben desbetreffende leerlingen recht op SIO.".
Art. 71. Dans le même Code, l'alinéa 2 de l'article 122/1 inséré par le décret du 4 avril 2014 et modifié par le décret du 17 juin 2016, est remplacé par ce qui suit :
" Aux conditions telles que visées à l'article 117, les élèves en question ont droit à l'enseignement temporaire en milieu familial. Aux conditions telles que visées à l'article 117/1, les élèves en question ont droit au SIO. ".
" Aux conditions telles que visées à l'article 117, les élèves en question ont droit à l'enseignement temporaire en milieu familial. Aux conditions telles que visées à l'article 117/1, les élèves en question ont droit au SIO. ".
Art. 72. In artikel 139, § 2, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 26 januari 2018, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De eindtermen voor de eerste graad die worden geformuleerd in functie van competenties in andere talen als vermeld in het eerste lid, 3°, worden in de B-stroom ten minste in het Frans gerealiseerd.".
"De eindtermen voor de eerste graad die worden geformuleerd in functie van competenties in andere talen als vermeld in het eerste lid, 3°, worden in de B-stroom ten minste in het Frans gerealiseerd.".
Art. 72. A l'article 139, § 2, du même Code, remplacé par le décret du 26 janvier 2018, il est ajouté un alinéa 3 rédigé comme suit :
" Les objectifs finaux du premier degré formulés en fonction des compétences dans d'autres langues telles que visées à l'alinéa, 3°, doivent être atteints au moins en français dans la filière B. ".
" Les objectifs finaux du premier degré formulés en fonction des compétences dans d'autres langues telles que visées à l'alinéa, 3°, doivent être atteints au moins en français dans la filière B. ".
Art. 73. Aan artikel 147/1, § 3, van de Codex Secundair Onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 26 januari 2018, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De onderwijsinspectie baseert zich bij de doorlichting op de doelen die van toepassing zijn tijdens het schooljaar van de doorlichting en op die van het daaraan voorafgaande schooljaar. Waar echter een curriculumdossier nog niet of nog niet volledig van toepassing is, wordt de doorlichting gebaseerd op de volgende, naargelang van het structuuronderdeel of structuuronderdelen, toepasbare doelen: de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, de doelen leidend tot erkende beroepskwalificaties en de leerplannen.".
"De onderwijsinspectie baseert zich bij de doorlichting op de doelen die van toepassing zijn tijdens het schooljaar van de doorlichting en op die van het daaraan voorafgaande schooljaar. Waar echter een curriculumdossier nog niet of nog niet volledig van toepassing is, wordt de doorlichting gebaseerd op de volgende, naargelang van het structuuronderdeel of structuuronderdelen, toepasbare doelen: de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, de doelen leidend tot erkende beroepskwalificaties en de leerplannen.".
Art. 73. L'article 147/1, § 3, du Code de l'Enseignement secondaire, inséré par le décret du 26 janvier 2018, est complété par un alinéa 2 rédigé comme suit :
" L'inspection de l'enseignement fonde son audit sur les objectifs qui s'appliquent pendant l'année scolaire de l'audit et sur ceux de l'année scolaire précédente. Toutefois, lorsqu'un dossier du cursus scolaire n'est pas encore ou n'est pas encore pleinement applicable, l'audit est basé sur les objectifs applicables suivants, en fonction de la ou des subdivisions structurelles : les objectifs finaux, les objectifs de développement, les objectifs finaux spécifiques, les objectifs menant à des qualifications professionnelles reconnues et les programmes d'études. ".
" L'inspection de l'enseignement fonde son audit sur les objectifs qui s'appliquent pendant l'année scolaire de l'audit et sur ceux de l'année scolaire précédente. Toutefois, lorsqu'un dossier du cursus scolaire n'est pas encore ou n'est pas encore pleinement applicable, l'audit est basé sur les objectifs applicables suivants, en fonction de la ou des subdivisions structurelles : les objectifs finaux, les objectifs de développement, les objectifs finaux spécifiques, les objectifs menant à des qualifications professionnelles reconnues et les programmes d'études. ".
Art. 74. In artikel 179, eerste lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 20 april 2018, wordt tussen de woorden "derde leerjaar van de derde graad" en de woorden "dat door de Vlaamse Regering" de zinsnede ", met uitzondering van het naamloos leerjaar BSO" ingevoegd.
Art. 74. Dans l'article 179, alinéa 1er, du même Code, remplacé par le décret du 20 avril 2018, les mots " , à l'exception de l'année d'études anonyme BSO " sont insérés entre les mots " de la troisième année d'études du troisième degré " et les mots " qui a été fixée par le Gouvernement flamand ".
Art. 75. In artikel 179/1, eerste lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 20 april 2018, wordt tussen de woorden "derde leerjaar van de derde graad BSO" en de woorden "dat door de Vlaamse Regering" de zinsnede ", met uitzondering van het naamloos leerjaar" ingevoegd.
Art. 75. Dans l'article 179/1, alinéa 1er, du même Code, remplacé par le décret du 20 avril 2018, les mots " , à l'exception de l'année d'études anonyme " sont insérés entre les mots " de la troisième année d'études du troisième degré BSO " et les mots " fixée par le Gouvernement flamand ".
Art. 76. In artikel 179/2, § 1, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 20 april 2018, wordt tussen het eerste en het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Tot en met het schooljaar 2024-2025 kan het derde leerjaar van de derde graad BSO, ingericht als naamloos leerjaar, vrij worden geprogrammeerd. De programmatie wordt opgevat als een voorbereiding op de lokale invulling van het gemoderniseerd secundair studieaanbod.".
"Tot en met het schooljaar 2024-2025 kan het derde leerjaar van de derde graad BSO, ingericht als naamloos leerjaar, vrij worden geprogrammeerd. De programmatie wordt opgevat als een voorbereiding op de lokale invulling van het gemoderniseerd secundair studieaanbod.".
Art. 76. Dans l'article 179/2, § 2 du même Code, remplacé par le décret du 20 avril 2018, il est inséré, entre les alinéas 1er et 2, un nouvel alinéa rédigé comme suit:
" Jusqu'à l'année scolaire 2024-2025 incluse, la troisième année d'études du troisième degré bso, indiquée comme année d'études anonyme, peut être librement programmée. La programmation est conçue comme une préparation à la mise en oeuvre locale de l'offre d'études secondaire modernisée. ".
" Jusqu'à l'année scolaire 2024-2025 incluse, la troisième année d'études du troisième degré bso, indiquée comme année d'études anonyme, peut être librement programmée. La programmation est conçue comme une préparation à la mise en oeuvre locale de l'offre d'études secondaire modernisée. ".
Art. 77. In artikel 242, § 1, 2°, van dezelfde codex wordt punt c) opgeheven.
Art. 77. Dans l'article 242, § 1er, 2°, du même Code, le point c) est abrogé.
Art. 78. In artikel 245, eerste lid, van dezelfde codex wordt de zinsnede "schoolkenmerk V1, V2 en SK_Gon" vervangen door de zinsnede "schoolkenmerk V1 en V2".
Art. 78. Dans l'article 245, alinéa 1er, du même Code, le membre de phrase " de la caractéristique de l'école V1, V2 et SK_Gon " est remplacé par le membre de phrase " des caractéristiques de l'école V1 et V2 ".
Art. 79. In artikel 249 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 23 december 2016 en 8 juli 2017, wordt in paragraaf 1 de zinsnede "schoolkenmerk V1, V2 en SK_Gon" vervangen door de zinsnede "schoolkenmerk V1 en V2".
Art. 79. Dans l'article 249 du même Code, modifié par les décrets des 23 décembre 2016 et 8 juillet 2017, le membre de phrase " de la caractéristique de l'école V1, V2 et SK_Gon " dans le paragraphe 1er est remplacé par le membre de phrase " des caractéristiques de l'école V1 et V2 ".
Art. 80. In artikel 252 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 1/1. In afwijking van paragraaf 1, a), 1), is ook regelmatige leerling, de leerling waarvoor aan volgende gezamenlijke voorwaarden is voldaan:
1° het niet beantwoorden aan de toelatingsvoorwaarden wordt door de school in kwestie of door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij verificatie vastgesteld, ten vroegste twee maanden na de start van de effectieve lesbijwoning door de leerling;
2° in deze particuliere en uitzonderlijke gevallen, wordt de beslissing om de leerling als regelmatige leerling te beschouwen, genomen door de directeur van de school in kwestie, na kennisname van het advies van de begeleidende klassenraad van het structuuronderdeel dat de leerling volgt;
3° de beslissing van de directeur is alleszins gebaseerd op volgende elementen: het vlot verloop van het studiecurriculum, de gunstige tussentijdse evaluatieresultaten en de regelmatige schoolaanwezigheid;
4° de schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de directeur en het advies van de begeleidende klassenraad worden opgenomen in het leerlingendossier.
Als blijkt dat de directie van de school in kwestie herhaaldelijk of op een andere wijze oneigenlijk gebruik of misbruik maakt van haar beslissingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, kan de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap die beslissingsbevoegdheid opheffen.
De leerling, bedoeld in het eerste lid, wordt niet in aanmerking genomen bij toepassing van de bepalingen van artikel 169.";
2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "het onder a) of b) gestelde" vervangen door de zinsnede "paragraaf 1 of paragraaf 1/1".
1° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 1/1. In afwijking van paragraaf 1, a), 1), is ook regelmatige leerling, de leerling waarvoor aan volgende gezamenlijke voorwaarden is voldaan:
1° het niet beantwoorden aan de toelatingsvoorwaarden wordt door de school in kwestie of door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij verificatie vastgesteld, ten vroegste twee maanden na de start van de effectieve lesbijwoning door de leerling;
2° in deze particuliere en uitzonderlijke gevallen, wordt de beslissing om de leerling als regelmatige leerling te beschouwen, genomen door de directeur van de school in kwestie, na kennisname van het advies van de begeleidende klassenraad van het structuuronderdeel dat de leerling volgt;
3° de beslissing van de directeur is alleszins gebaseerd op volgende elementen: het vlot verloop van het studiecurriculum, de gunstige tussentijdse evaluatieresultaten en de regelmatige schoolaanwezigheid;
4° de schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de directeur en het advies van de begeleidende klassenraad worden opgenomen in het leerlingendossier.
Als blijkt dat de directie van de school in kwestie herhaaldelijk of op een andere wijze oneigenlijk gebruik of misbruik maakt van haar beslissingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, kan de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap die beslissingsbevoegdheid opheffen.
De leerling, bedoeld in het eerste lid, wordt niet in aanmerking genomen bij toepassing van de bepalingen van artikel 169.";
2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "het onder a) of b) gestelde" vervangen door de zinsnede "paragraaf 1 of paragraaf 1/1".
Art. 80. A l'article 252 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
1° il est inséré un paragraphe 1/1 rédigé comme suit :
" § 1er/1. Par dérogation au paragraphe 1er, a), 1), on entend également par élève régulier, l'élève répondant aux conditions cumulées suivantes :
1° le non-respect des conditions d'admission est constaté par l'école en question ou par le service compétent de la Communauté flamande après vérification, au plus tôt deux mois après le début de la fréquentation scolaire effective de l'élève ;
2° dans ces cas particuliers et exceptionnels, la décision de considérer l'élève comme un élève régulier est prise par le directeur de l'école en question, après avoir pris connaissance de l'avis du conseil de classe accompagnateur de la subdivision structurelle suivie par l'élève ;
3° la décision du directeur se fonde en tout état de cause sur les éléments suivants : le bon déroulement du parcours d'études, les résultats favorables de l'évaluation intérimaire et la fréquentation scolaire régulière ;
4° la décision écrite et motivée du directeur et l'avis du conseil de classe accompagnateur sont versés au dossier de l'élève.
S'il apparaît que la direction de l'école en question fait, de manière répétée ou de toute autre manière, un usage impropre ou abusif de son pouvoir de décision visé à l'alinéa 1er, le service compétent de la Communauté flamande peut annuler ce pouvoir de décision.
L'élève visé à l'alinéa 1er n'est pas pris en compte pour l'application des dispositions de l'article 169. " ;
2° dans le paragraphe 2, le membre de phrase " sous a) ou b) " est remplacé par le membre de phrase " au paragraphe 1er ou au paragraphe 1/1 ".
1° il est inséré un paragraphe 1/1 rédigé comme suit :
" § 1er/1. Par dérogation au paragraphe 1er, a), 1), on entend également par élève régulier, l'élève répondant aux conditions cumulées suivantes :
1° le non-respect des conditions d'admission est constaté par l'école en question ou par le service compétent de la Communauté flamande après vérification, au plus tôt deux mois après le début de la fréquentation scolaire effective de l'élève ;
2° dans ces cas particuliers et exceptionnels, la décision de considérer l'élève comme un élève régulier est prise par le directeur de l'école en question, après avoir pris connaissance de l'avis du conseil de classe accompagnateur de la subdivision structurelle suivie par l'élève ;
3° la décision du directeur se fonde en tout état de cause sur les éléments suivants : le bon déroulement du parcours d'études, les résultats favorables de l'évaluation intérimaire et la fréquentation scolaire régulière ;
4° la décision écrite et motivée du directeur et l'avis du conseil de classe accompagnateur sont versés au dossier de l'élève.
S'il apparaît que la direction de l'école en question fait, de manière répétée ou de toute autre manière, un usage impropre ou abusif de son pouvoir de décision visé à l'alinéa 1er, le service compétent de la Communauté flamande peut annuler ce pouvoir de décision.
L'élève visé à l'alinéa 1er n'est pas pris en compte pour l'application des dispositions de l'article 169. " ;
2° dans le paragraphe 2, le membre de phrase " sous a) ou b) " est remplacé par le membre de phrase " au paragraphe 1er ou au paragraphe 1/1 ".
Art. 81. In artikel 256/3 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 29 juni 2012, wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt:
" § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2, eerste lid, bestaat, voor wat betreft de examens tot het behalen van een getuigschrift van de eerste graad, het examenprogramma uit de basisvorming van de A- stroom of de basisvorming van de B-stroom, naargelang van de keuze van de kandidaat.".
" § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2, eerste lid, bestaat, voor wat betreft de examens tot het behalen van een getuigschrift van de eerste graad, het examenprogramma uit de basisvorming van de A- stroom of de basisvorming van de B-stroom, naargelang van de keuze van de kandidaat.".
Art. 81. Dans l'article 256/3 du même Code, inséré par le décret du 29 juin 2012, le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, alinéa 1er, le programme d'examen consiste, en ce qui concerne les examens pour l'obtention d'un certificat du premier degré, de la formation de base de la filière A ou de la formation de base de la filière B, selon le choix du candidat. ".
" § 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, alinéa 1er, le programme d'examen consiste, en ce qui concerne les examens pour l'obtention d'un certificat du premier degré, de la formation de base de la filière A ou de la formation de base de la filière B, selon le choix du candidat. ".
Art. 82. In artikel 260/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 17 juni 2016 en gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de derde zin vervangen door wat volgt:
"Regelmatige leerling zijn in een bepaalde school sluit niet uit dat een deel van de vorming van de opleidingsvorm en in voorkomend geval ook opleiding of studierichting waarin de leerling is ingeschreven, wordt verstrekt door leraars van een andere school voor buitengewoon secundair onderwijs dan de school waarin de leerling is ingeschreven en dit op een vestigingsplaats van die andere school. Dit is mogelijk:
a) bij leerlingen ingeschreven in opleidingsvorm 1, 2 of 3: zowel in dezelfde administratieve groep als in een andere administratieve groep;
b) bij leerlingen ingeschreven in opleidingsvorm 4: zowel in dezelfde administratieve groep en dezelfde opleidingsvorm als in een andere administratieve groep en dezelfde opleidingsvorm.";
2° aan punt 7° wordt de zinsnede ", en dat gedurende maximum een gedeelte van één lopend schooljaar" toegevoegd.
1° in het eerste lid wordt de derde zin vervangen door wat volgt:
"Regelmatige leerling zijn in een bepaalde school sluit niet uit dat een deel van de vorming van de opleidingsvorm en in voorkomend geval ook opleiding of studierichting waarin de leerling is ingeschreven, wordt verstrekt door leraars van een andere school voor buitengewoon secundair onderwijs dan de school waarin de leerling is ingeschreven en dit op een vestigingsplaats van die andere school. Dit is mogelijk:
a) bij leerlingen ingeschreven in opleidingsvorm 1, 2 of 3: zowel in dezelfde administratieve groep als in een andere administratieve groep;
b) bij leerlingen ingeschreven in opleidingsvorm 4: zowel in dezelfde administratieve groep en dezelfde opleidingsvorm als in een andere administratieve groep en dezelfde opleidingsvorm.";
2° aan punt 7° wordt de zinsnede ", en dat gedurende maximum een gedeelte van één lopend schooljaar" toegevoegd.
Art. 82. A l'article 260/1 du même Code, inséré par le décret du 17 juin 2016 et modifié par le décret du 16 juin 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, la troisième phrase est remplacée par ce qui suit :
" Etre un élève régulier dans une école particulière n'exclut pas qu'une partie de l'éducation de la forme de formation et, le cas échéant, de la formation ou de l'orientation d'études dans laquelle l'élève a été inscrit, est proposée par des enseignants d'une école d'enseignement secondaire spécial autre que l'école dans laquelle l'élève est inscrit et ce dans une implantation de cette autre école. Ceci est possible :
a) pour les élèves inscrits à la forme de formation 1, 2 ou 3 : tant dans le même groupe administratif que dans un autre groupe administratif ;
b) pour les élèves inscrits à la forme de formation de type 4 : tant dans le même groupe administratif et la même forme de formation que dans un autre groupe administratif et la même forme de formation. " ;
2° au point 7°, le membre de phrase " , et ce pour au maximum une partie d'une année scolaire en cours " sont ajoutés.
1° dans l'alinéa 1er, la troisième phrase est remplacée par ce qui suit :
" Etre un élève régulier dans une école particulière n'exclut pas qu'une partie de l'éducation de la forme de formation et, le cas échéant, de la formation ou de l'orientation d'études dans laquelle l'élève a été inscrit, est proposée par des enseignants d'une école d'enseignement secondaire spécial autre que l'école dans laquelle l'élève est inscrit et ce dans une implantation de cette autre école. Ceci est possible :
a) pour les élèves inscrits à la forme de formation 1, 2 ou 3 : tant dans le même groupe administratif que dans un autre groupe administratif ;
b) pour les élèves inscrits à la forme de formation de type 4 : tant dans le même groupe administratif et la même forme de formation que dans un autre groupe administratif et la même forme de formation. " ;
2° au point 7°, le membre de phrase " , et ce pour au maximum une partie d'une année scolaire en cours " sont ajoutés.
Art. 83. In dezelfde codex wordt in deel V, titel II, hoofdstuk 1, afdeling 1, een artikel 260/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 260/2. De leerling die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden moet, om regelmatige leerling te zijn, van zodra met de effectieve lesbijwoning wordt gestart, de vorming van het structuuronderdeel waar hij is ingeschreven volledig en daadwerkelijk volgen in de school waar hij is ingeschreven, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid. De leerling die niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt een vrije leerling.
Regelmatige leerling zijn in opleidingsvorm 1, 2 of 3 in een bepaalde school, sluit niet uit dat een deel van de vorming van de opleidingsvorm en in voorkomend geval ook opleiding waarin de leerling is ingeschreven, wordt verstrekt door leraars van de eigen school voor buitengewoon secundair onderwijs in een andere administratieve groep, dan die waarin de leerling is ingeschreven.
Indien van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
1° de regeling wordt in het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven opgenomen;
2° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken school;
3° de leraars van de andere administratieve groep die aan de leerling vorming geven, maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden;
4° de leerling kan maximaal halftijds een deel van de vorming bijwonen in de andere administratieve groep van het buitengewoon secundair onderwijs, dit wil zeggen maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waar hij is ingeschreven, en dit gedurende maximum een gedeelte van 1 lopend schooljaar;
5° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 136/1 is opgenomen.".
"Art. 260/2. De leerling die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden moet, om regelmatige leerling te zijn, van zodra met de effectieve lesbijwoning wordt gestart, de vorming van het structuuronderdeel waar hij is ingeschreven volledig en daadwerkelijk volgen in de school waar hij is ingeschreven, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid. De leerling die niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt een vrije leerling.
Regelmatige leerling zijn in opleidingsvorm 1, 2 of 3 in een bepaalde school, sluit niet uit dat een deel van de vorming van de opleidingsvorm en in voorkomend geval ook opleiding waarin de leerling is ingeschreven, wordt verstrekt door leraars van de eigen school voor buitengewoon secundair onderwijs in een andere administratieve groep, dan die waarin de leerling is ingeschreven.
Indien van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
1° de regeling wordt in het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven opgenomen;
2° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken school;
3° de leraars van de andere administratieve groep die aan de leerling vorming geven, maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden;
4° de leerling kan maximaal halftijds een deel van de vorming bijwonen in de andere administratieve groep van het buitengewoon secundair onderwijs, dit wil zeggen maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waar hij is ingeschreven, en dit gedurende maximum een gedeelte van 1 lopend schooljaar;
5° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 136/1 is opgenomen.".
Art. 83. Dans le même Code, il est inséré dans la partie V, titre II, chapitre 1er, section 1re un article 260/2 rédigé comme suit :
" Art. 260/2. Pour être un élève régulier, l'élève qui remplit les conditions d'admission doit, dès le début de la fréquentation effective des cours, achever et suivre effectivement la formation de la subdivision structurelle à laquelle il est inscrit dans l'école où il est inscrit, sauf en cas d'absence légitime. L'élève qui ne satisfait pas à ces conditions devient un élève libre.
Etre un élève régulier dans la forme de formation 1, 2 ou 3 d'une école particulière n'exclut pas qu'une partie de l'éducation de la forme de formation et, le cas échéant, de la formation ou de l'orientation d'études dans laquelle l'élève a été inscrit, est proposée par des enseignants de l'école d'enseignement secondaire spécial dans un groupe administratif autre que celui dans lequel l'élève est inscrit.
S'il est fait usage de cette possibilité, les conditions suivantes s'appliquent :
1° l'arrangement est prévu dans le règlement d'école de l'école où l'élève est inscrit ;
2° l'arrangement est négocié au préalable dans les comités locaux compétents en matière de conditions de travail et de ressources humaines, de l'école concernée ;
3° les enseignants de l'autre groupe administratif qui assurent la formation de l'élève ont voix délibérative aux conseils de classe compétents ;
4° l'élève peut au maximum suivre à mi-temps une partie de la formation dans un autre groupe administratif de l'enseignement secondaire spécial, cela veut dire au maximum la moitié des heures de cours hebdomadaires de la subdivision structurelle de l'enseignement spécial où il est inscrit, et ce, pour au maximum une partie d'une année scolaire en cours ;
5° cet arrangement ne peut pas être combiné avec les dispositions de l'article 136/1 dans le chef de l'élève pendant la même année scolaire. ".
" Art. 260/2. Pour être un élève régulier, l'élève qui remplit les conditions d'admission doit, dès le début de la fréquentation effective des cours, achever et suivre effectivement la formation de la subdivision structurelle à laquelle il est inscrit dans l'école où il est inscrit, sauf en cas d'absence légitime. L'élève qui ne satisfait pas à ces conditions devient un élève libre.
Etre un élève régulier dans la forme de formation 1, 2 ou 3 d'une école particulière n'exclut pas qu'une partie de l'éducation de la forme de formation et, le cas échéant, de la formation ou de l'orientation d'études dans laquelle l'élève a été inscrit, est proposée par des enseignants de l'école d'enseignement secondaire spécial dans un groupe administratif autre que celui dans lequel l'élève est inscrit.
S'il est fait usage de cette possibilité, les conditions suivantes s'appliquent :
1° l'arrangement est prévu dans le règlement d'école de l'école où l'élève est inscrit ;
2° l'arrangement est négocié au préalable dans les comités locaux compétents en matière de conditions de travail et de ressources humaines, de l'école concernée ;
3° les enseignants de l'autre groupe administratif qui assurent la formation de l'élève ont voix délibérative aux conseils de classe compétents ;
4° l'élève peut au maximum suivre à mi-temps une partie de la formation dans un autre groupe administratif de l'enseignement secondaire spécial, cela veut dire au maximum la moitié des heures de cours hebdomadaires de la subdivision structurelle de l'enseignement spécial où il est inscrit, et ce, pour au maximum une partie d'une année scolaire en cours ;
5° cet arrangement ne peut pas être combiné avec les dispositions de l'article 136/1 dans le chef de l'élève pendant la même année scolaire. ".
Art. 84. Artikel 281 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014, 17 juni 2016 en 20 april 2018, wordt opgeheven.
Art. 84. L'article 281 du même Code, modifié par les décrets des 21 mars 2014, 17 juin 2016 et 20 avril 2018, est abrogé.
Art. 85. Artikel 282 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014 en 20 april 2018, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 282. De vrijwillige afbouw van een opleiding in opleidingsvorm 3 gebeurt leerjaar na leerjaar, te beginnen met het laagste.
Scholen die op 1 september 2019 een of meer opleidingen in afbouw hebben, omdat ze op 1 oktober van een jaar voorafgaand aan 2019 niet aan de toenmalige rationalisatienormen voor de opleidingen voldeden, zetten die afbouw voort na 1 september 2019.".
"Art. 282. De vrijwillige afbouw van een opleiding in opleidingsvorm 3 gebeurt leerjaar na leerjaar, te beginnen met het laagste.
Scholen die op 1 september 2019 een of meer opleidingen in afbouw hebben, omdat ze op 1 oktober van een jaar voorafgaand aan 2019 niet aan de toenmalige rationalisatienormen voor de opleidingen voldeden, zetten die afbouw voort na 1 september 2019.".
Art. 85. L'article 282 du même Code, modifié par les décrets des 21 mars 2014 et 20 avril 2018 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 282. Il est procédé à la suppression progressive de la formation dans la forme de formation 3, année d'études après année d'études, à commencer par la première année.
Les écoles qui, au 1er septembre 2019, ont une ou plusieurs formations en voie de suppression parce qu'elles ne satisfaisaient pas aux normes de rationalisation applicables aux formations au 1er octobre d'une année antérieure à 2019, poursuivent cette suppression progressive après le 1er septembre 2019. ".
" Art. 282. Il est procédé à la suppression progressive de la formation dans la forme de formation 3, année d'études après année d'études, à commencer par la première année.
Les écoles qui, au 1er septembre 2019, ont une ou plusieurs formations en voie de suppression parce qu'elles ne satisfaisaient pas aux normes de rationalisation applicables aux formations au 1er octobre d'une année antérieure à 2019, poursuivent cette suppression progressive après le 1er septembre 2019. ".
Art. 86. In artikel 289 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014, 17 juni 2016, 20 april 2018 en 6 juli 2018 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 3°, worden de woorden "die beantwoordt aan de rationalisatienorm" opgeheven;
2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. Een bestaande school die opleidingsvorm 3 organiseert die aan de rationalisatienorm voldoet, kan een of meer bijkomende opleidingen inrichten.
Om een programmatieaanvraag in te dienen voor de oprichting van een of meer bijkomende opleidingen in opleidingsvorm 3, stelt het schoolbestuur een oprichtingsdossier samen, dat ten minste de volgende elementen bevat:
1° de identificatiegegevens van het schoolbestuur, de school en de vestigingsplaats;
2° het schooljaar waarop de programmatie betrekking heeft;
3° de benaming van de opleiding of opleidingen, bepaald door de Vlaamse Regering, waarop de programmatie betrekking heeft, samen met een grondige motivering waarom zij deze opleiding of opleidingen wenst te programmeren;
4° per opleiding een samenwerkingsovereenkomst met ten minste één school voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een gelijkaardig studieaanbod in de buurt uit het beroepssecundair onderwijs;
5° bewijsstukken, namelijk:
a) de samenwerkingsovereenkomst met een of meer scholen voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een gelijkaardig aanbod in het beroepssecundair onderwijs;
b) in voorkomend geval, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité en, als de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.
De Vlaamse Regering houdt bij haar beslissing rekening met al de volgende criteria:
1° de eventuele beperkingen of voorwaarden die vanuit macrodoelmatigheid aan het aanbod van de opleiding zijn gekoppeld;
2° de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften voor het aanbod van secundair onderwijs in de onderwijszone in kwestie met het oog op vervolgonderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt;
3° de keuzevrijheid van ouders en leerlingen;
4° de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de scholengemeenschap;
5° de getroffen voorbereidingen op het vlak van materiële infrastructuur en leermiddelen die voldoende en gepast zijn met het oog op de te verwerven competenties van de geprogrammeerde opleiding;
6° de aantoonbare samenwerkingsmogelijkheden met lokale arbeidsmarktactoren en de bedrijfswereld;
7° de afspraken die met andere lokale onderwijsinrichters, binnen en buiten de scholengemeenschap in kwestie, zijn gemaakt over een rationeel en transparant studieaanbod.
Het schoolbestuur stuurt een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten uiterlijk op 30 november van het tweede schooljaar voorafgaand aan de programmatie. Het dossier kan zowel structuuronderdelen van hetzij de opleidingsfase, hetzij de kwalificatiefase en de integratiefase bevatten als structuuronderdelen van desbetreffende fasen samen. Voormelde termijn geldt als vervaltermijn. Aanvragen die later worden ingediend, zijn onontvankelijk.
Indien de voormelde aanvraag betrekking heeft op de programmatie per 1 september 2021 of 2022 van een niet-gemoderniseerd structuuronderdeel van de kwalificatiefase en de integratiefase, dan moet de aanvraag eveneens de toekomstige concordantie naar het gemoderniseerde structuuronderdeel bevatten om ontvankelijk te zijn. Niet-gemoderniseerde structuuronderdelen zijn niet programmeerbaar in de opleidingsfase en vanaf 1 september 2023 in de kwalificatiefase en de integratiefase.
De Vlaamse Onderwijsraad, de Onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten brengen binnen een redelijke termijn en uiterlijk twee maanden na de ontvangst van de aanvragen, vakantieperioden niet inbegrepen, een advies uit aan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs.
De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, legt een voorstel van beslissing voor aan de Vlaamse Regering.
Een bijkomende opleiding kan op 1 september in een school alleen worden opgericht na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt een beslissing uiterlijk op 30 april van het schooljaar van de aanvraag.
Het Agentschap voor Onderwijsdiensten deelt de beslissing van de Vlaamse Regering binnen een periode van twee weken schriftelijk mee aan het schoolbestuur.";
3° er wordt een paragraaf 3/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 3/1. In aanvulling op artikel 286 moet een schoolbestuur bij de programmatie van een nieuwe school met opleidingsvorm 3 eveneens een programmatieaanvraag en een oprichtingsdossier indienen voor de oprichting van een of meer nieuwe opleidingen in opleidingsvorm 3 en een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering krijgen om deze te kunnen oprichten. Hierbij moeten de bepalingen van paragraaf 3 toegepast worden op de nieuwe opleidingen in de nieuw op te richten opleidingsvorm 3 in een nieuwe school en niet op bijkomende opleidingen in een opleidingsvorm 3 dat aan de rationalisatienorm voldoet in een bestaande school.";
4° er wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 6. In aanvulling op paragraaf 1, 5° en 6°, en paragrafen 2, 4 en 5, moet een schoolbestuur dat opleidingsvorm 3 wil oprichten eveneens een programmatieaanvraag en een oprichtingsdossier indienen voor de oprichting van een of meer nieuwe opleidingen in opleidingsvorm 3 en een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering krijgen om deze te kunnen oprichten. Hierbij moeten de bepalingen van paragraaf 3 toegepast worden op de nieuwe opleidingen in de nieuw op te richten opleidingsvorm 3 in een bestaande school en niet op bijkomende opleidingen in een opleidingsvorm 3 dat aan de rationalisatienorm voldoet in een bestaande school.".
1° in paragraaf 1, 3°, worden de woorden "die beantwoordt aan de rationalisatienorm" opgeheven;
2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. Een bestaande school die opleidingsvorm 3 organiseert die aan de rationalisatienorm voldoet, kan een of meer bijkomende opleidingen inrichten.
Om een programmatieaanvraag in te dienen voor de oprichting van een of meer bijkomende opleidingen in opleidingsvorm 3, stelt het schoolbestuur een oprichtingsdossier samen, dat ten minste de volgende elementen bevat:
1° de identificatiegegevens van het schoolbestuur, de school en de vestigingsplaats;
2° het schooljaar waarop de programmatie betrekking heeft;
3° de benaming van de opleiding of opleidingen, bepaald door de Vlaamse Regering, waarop de programmatie betrekking heeft, samen met een grondige motivering waarom zij deze opleiding of opleidingen wenst te programmeren;
4° per opleiding een samenwerkingsovereenkomst met ten minste één school voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een gelijkaardig studieaanbod in de buurt uit het beroepssecundair onderwijs;
5° bewijsstukken, namelijk:
a) de samenwerkingsovereenkomst met een of meer scholen voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een gelijkaardig aanbod in het beroepssecundair onderwijs;
b) in voorkomend geval, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité en, als de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.
De Vlaamse Regering houdt bij haar beslissing rekening met al de volgende criteria:
1° de eventuele beperkingen of voorwaarden die vanuit macrodoelmatigheid aan het aanbod van de opleiding zijn gekoppeld;
2° de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften voor het aanbod van secundair onderwijs in de onderwijszone in kwestie met het oog op vervolgonderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt;
3° de keuzevrijheid van ouders en leerlingen;
4° de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de scholengemeenschap;
5° de getroffen voorbereidingen op het vlak van materiële infrastructuur en leermiddelen die voldoende en gepast zijn met het oog op de te verwerven competenties van de geprogrammeerde opleiding;
6° de aantoonbare samenwerkingsmogelijkheden met lokale arbeidsmarktactoren en de bedrijfswereld;
7° de afspraken die met andere lokale onderwijsinrichters, binnen en buiten de scholengemeenschap in kwestie, zijn gemaakt over een rationeel en transparant studieaanbod.
Het schoolbestuur stuurt een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten uiterlijk op 30 november van het tweede schooljaar voorafgaand aan de programmatie. Het dossier kan zowel structuuronderdelen van hetzij de opleidingsfase, hetzij de kwalificatiefase en de integratiefase bevatten als structuuronderdelen van desbetreffende fasen samen. Voormelde termijn geldt als vervaltermijn. Aanvragen die later worden ingediend, zijn onontvankelijk.
Indien de voormelde aanvraag betrekking heeft op de programmatie per 1 september 2021 of 2022 van een niet-gemoderniseerd structuuronderdeel van de kwalificatiefase en de integratiefase, dan moet de aanvraag eveneens de toekomstige concordantie naar het gemoderniseerde structuuronderdeel bevatten om ontvankelijk te zijn. Niet-gemoderniseerde structuuronderdelen zijn niet programmeerbaar in de opleidingsfase en vanaf 1 september 2023 in de kwalificatiefase en de integratiefase.
De Vlaamse Onderwijsraad, de Onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten brengen binnen een redelijke termijn en uiterlijk twee maanden na de ontvangst van de aanvragen, vakantieperioden niet inbegrepen, een advies uit aan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs.
De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, legt een voorstel van beslissing voor aan de Vlaamse Regering.
Een bijkomende opleiding kan op 1 september in een school alleen worden opgericht na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt een beslissing uiterlijk op 30 april van het schooljaar van de aanvraag.
Het Agentschap voor Onderwijsdiensten deelt de beslissing van de Vlaamse Regering binnen een periode van twee weken schriftelijk mee aan het schoolbestuur.";
3° er wordt een paragraaf 3/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 3/1. In aanvulling op artikel 286 moet een schoolbestuur bij de programmatie van een nieuwe school met opleidingsvorm 3 eveneens een programmatieaanvraag en een oprichtingsdossier indienen voor de oprichting van een of meer nieuwe opleidingen in opleidingsvorm 3 en een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering krijgen om deze te kunnen oprichten. Hierbij moeten de bepalingen van paragraaf 3 toegepast worden op de nieuwe opleidingen in de nieuw op te richten opleidingsvorm 3 in een nieuwe school en niet op bijkomende opleidingen in een opleidingsvorm 3 dat aan de rationalisatienorm voldoet in een bestaande school.";
4° er wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 6. In aanvulling op paragraaf 1, 5° en 6°, en paragrafen 2, 4 en 5, moet een schoolbestuur dat opleidingsvorm 3 wil oprichten eveneens een programmatieaanvraag en een oprichtingsdossier indienen voor de oprichting van een of meer nieuwe opleidingen in opleidingsvorm 3 en een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering krijgen om deze te kunnen oprichten. Hierbij moeten de bepalingen van paragraaf 3 toegepast worden op de nieuwe opleidingen in de nieuw op te richten opleidingsvorm 3 in een bestaande school en niet op bijkomende opleidingen in een opleidingsvorm 3 dat aan de rationalisatienorm voldoet in een bestaande school.".
Art. 86. A l'article 289 du même Code, modifié par les décrets des 21 mars 2014, 17 juin 2016, 20 avril 2018 et 6 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, 3°, les mots " qui satisfait à la norme de rationalisation " sont abrogés ;
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Une école existante qui organise une forme de formation 3 satisfaisant à la norme de rationalisation peut organiser une ou plusieurs formations supplémentaires.
Afin d'introduire une demande de programmation pour la création d'une ou plusieurs formations supplémentaires dans la forme de formation 3, l'autorité scolaire constitue un dossier de création comportant au moins les éléments suivants :
1° les données d'identification de l'autorité scolaire, de l'école et de l'implantation ;
2° l'année scolaire à laquelle la programmation a trait ;
3° la dénomination de la ou des formations, déterminée par le Gouvernement flamand, auxquelles la programmation se rapporte, ainsi qu'une justification détaillée de la programmation souhaitée de cette ou ces formations ;
4° par formation un accord de coopération avec au moins une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein avec une offre d'études similaire à proximité de l'enseignement secondaire professionnel ;
5° des pièces justificatives, à savoir :
a) l'accord de coopération avec une ou plusieurs écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein avec une offre similaire dans l'enseignement secondaire professionnel ;
b) le cas échéant, le protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent et, au cas où l'école appartient à un centre d'enseignement, un extrait du procès-verbal démontrant que la programmation est conforme aux arrangements faits au sein du centre d'enseignement.
En prenant sa décision, le Gouvernement flamand tient compte de tous les critères suivants :
1° les restrictions ou conditions éventuelles qui, du point de vue de la macro-efficacité, sont liées à l'offre de la formation ;
2° les besoins quantitatifs et qualitatifs pour l'offre d'enseignement secondaire dans la zone d'enseignement en question en vue de l'enseignement complémentaire ou l'entrée sur le marché du travail ;
3° la liberté de choix des parents et des élèves ;
4° la continuité des études des élèves au sein du centre d'enseignement ;
5° les préparatifs en matière d'infrastructure matérielle et de moyens didactiques qui sont suffisants et adaptés aux compétences à acquérir de la formation programmée ;
6° les possibilités démontrables de coopération avec des acteurs locaux du marché de l'emploi et le secteur des entreprises ;
7° les accords conclus avec d'autres organisateurs d'enseignement locaux, à l'intérieur comme à l'extérieur du centre d'enseignement en question, concernant une offre d'études rationnelle et transparente.
L'autorité scolaire envoie une demande motivée avec le dossier de création à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten (Agence de Services d'Enseignement) au plus tard le 30 novembre de la deuxième année scolaire précédant la programmation. Le dossier peut contenir tant des subdivisions structurelles de la phase de formation ou de la phase de qualification et de la phase d'intégration, que des subdivisions structurelles de l'ensemble des phases concernées. Ce délai vaut comme délai d'échéance. Les demandes présentées après ce délai seront irrecevables.
Si la demande susmentionnée concerne la programmation au 1er septembre 2021 ou 2022 d'une subdivision structurelle non modernisée de la phase de qualification et de la phase d'intégration, la demande doit également contenir la concordance future avec la subdivision structurelle modernisée afin d'être recevable. Des subdivisions structurelles non modernisées ne sont pas programmables dans la phase de formation et à partir du 1er septembre 2023 dans les phases de qualification et d'intégration.
Le Vlaamse Onderwijsraad (Conseil flamand de l'enseignement), l'Inspection de l'Enseignement et l'Agentschap voor Onderwijsdiensten émettent un avis, dans un délai raisonnable et dans les deux mois de la réception de la demande, périodes de vacances non comprises, au Ministre flamand chargé de l'enseignement.
Le Ministre flamand chargé de l'enseignement soumet une proposition de décision au Gouvernement flamand.
Une formation complémentaire ne peut être mise en place le 1er septembre dans une école qu'après une décision favorable du Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand prend une décision au plus tard le 30 avril de l'année scolaire de la demande.
L'Agence de Services d'Enseignement communique la décision du Gouvernement flamand dans un délai de deux semaines par écrit à l'autorité scolaire. " ;
3° il est inséré un paragraphe 3/1, rédigé comme suit :
" § 3/1. En complément de l'article 286, lors de la programmation d'une nouvelle école de la forme de formation 3, une autorité scolaire doit également soumettre une demande de programmation et un dossier de création pour la création d'une ou plusieurs nouvelles formations de la forme de formation 3 et recevoir une décision favorable du Gouvernement flamand pour les mettre en place. Les dispositions du paragraphe 3 doivent être appliquées aux nouvelles formations dans la nouvelle forme de formation 3 à créer dans une nouvelle école et non aux formations supplémentaires dans une forme de formation 3 qui répond à la norme de rationalisation dans une école existante. " ;
4° il est ajouté un paragraphe 6 rédigé comme suit :
" § 6. En complément au paragraphe 1er, 5° et 6° et aux paragraphes 2, 4 et 5, une autorité scolaire souhaitant créer une forme de formation 3 doit également soumettre une demande de programmation et un dossier de création pour la création d'une ou plusieurs nouvelles formations de la forme de formation 3 et recevoir une décision favorable du Gouvernement flamand pour les mettre en place. Les dispositions du paragraphe 3 doivent s'être appliquées aux nouvelles formations dans la nouvelle forme de formation 3 à créer dans une école existante et non aux formations supplémentaires dans une forme de formation 3 qui répond à la norme de rationalisation dans une école existante. ".
1° dans le paragraphe 1er, 3°, les mots " qui satisfait à la norme de rationalisation " sont abrogés ;
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Une école existante qui organise une forme de formation 3 satisfaisant à la norme de rationalisation peut organiser une ou plusieurs formations supplémentaires.
Afin d'introduire une demande de programmation pour la création d'une ou plusieurs formations supplémentaires dans la forme de formation 3, l'autorité scolaire constitue un dossier de création comportant au moins les éléments suivants :
1° les données d'identification de l'autorité scolaire, de l'école et de l'implantation ;
2° l'année scolaire à laquelle la programmation a trait ;
3° la dénomination de la ou des formations, déterminée par le Gouvernement flamand, auxquelles la programmation se rapporte, ainsi qu'une justification détaillée de la programmation souhaitée de cette ou ces formations ;
4° par formation un accord de coopération avec au moins une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein avec une offre d'études similaire à proximité de l'enseignement secondaire professionnel ;
5° des pièces justificatives, à savoir :
a) l'accord de coopération avec une ou plusieurs écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein avec une offre similaire dans l'enseignement secondaire professionnel ;
b) le cas échéant, le protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent et, au cas où l'école appartient à un centre d'enseignement, un extrait du procès-verbal démontrant que la programmation est conforme aux arrangements faits au sein du centre d'enseignement.
En prenant sa décision, le Gouvernement flamand tient compte de tous les critères suivants :
1° les restrictions ou conditions éventuelles qui, du point de vue de la macro-efficacité, sont liées à l'offre de la formation ;
2° les besoins quantitatifs et qualitatifs pour l'offre d'enseignement secondaire dans la zone d'enseignement en question en vue de l'enseignement complémentaire ou l'entrée sur le marché du travail ;
3° la liberté de choix des parents et des élèves ;
4° la continuité des études des élèves au sein du centre d'enseignement ;
5° les préparatifs en matière d'infrastructure matérielle et de moyens didactiques qui sont suffisants et adaptés aux compétences à acquérir de la formation programmée ;
6° les possibilités démontrables de coopération avec des acteurs locaux du marché de l'emploi et le secteur des entreprises ;
7° les accords conclus avec d'autres organisateurs d'enseignement locaux, à l'intérieur comme à l'extérieur du centre d'enseignement en question, concernant une offre d'études rationnelle et transparente.
L'autorité scolaire envoie une demande motivée avec le dossier de création à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten (Agence de Services d'Enseignement) au plus tard le 30 novembre de la deuxième année scolaire précédant la programmation. Le dossier peut contenir tant des subdivisions structurelles de la phase de formation ou de la phase de qualification et de la phase d'intégration, que des subdivisions structurelles de l'ensemble des phases concernées. Ce délai vaut comme délai d'échéance. Les demandes présentées après ce délai seront irrecevables.
Si la demande susmentionnée concerne la programmation au 1er septembre 2021 ou 2022 d'une subdivision structurelle non modernisée de la phase de qualification et de la phase d'intégration, la demande doit également contenir la concordance future avec la subdivision structurelle modernisée afin d'être recevable. Des subdivisions structurelles non modernisées ne sont pas programmables dans la phase de formation et à partir du 1er septembre 2023 dans les phases de qualification et d'intégration.
Le Vlaamse Onderwijsraad (Conseil flamand de l'enseignement), l'Inspection de l'Enseignement et l'Agentschap voor Onderwijsdiensten émettent un avis, dans un délai raisonnable et dans les deux mois de la réception de la demande, périodes de vacances non comprises, au Ministre flamand chargé de l'enseignement.
Le Ministre flamand chargé de l'enseignement soumet une proposition de décision au Gouvernement flamand.
Une formation complémentaire ne peut être mise en place le 1er septembre dans une école qu'après une décision favorable du Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand prend une décision au plus tard le 30 avril de l'année scolaire de la demande.
L'Agence de Services d'Enseignement communique la décision du Gouvernement flamand dans un délai de deux semaines par écrit à l'autorité scolaire. " ;
3° il est inséré un paragraphe 3/1, rédigé comme suit :
" § 3/1. En complément de l'article 286, lors de la programmation d'une nouvelle école de la forme de formation 3, une autorité scolaire doit également soumettre une demande de programmation et un dossier de création pour la création d'une ou plusieurs nouvelles formations de la forme de formation 3 et recevoir une décision favorable du Gouvernement flamand pour les mettre en place. Les dispositions du paragraphe 3 doivent être appliquées aux nouvelles formations dans la nouvelle forme de formation 3 à créer dans une nouvelle école et non aux formations supplémentaires dans une forme de formation 3 qui répond à la norme de rationalisation dans une école existante. " ;
4° il est ajouté un paragraphe 6 rédigé comme suit :
" § 6. En complément au paragraphe 1er, 5° et 6° et aux paragraphes 2, 4 et 5, une autorité scolaire souhaitant créer une forme de formation 3 doit également soumettre une demande de programmation et un dossier de création pour la création d'une ou plusieurs nouvelles formations de la forme de formation 3 et recevoir une décision favorable du Gouvernement flamand pour les mettre en place. Les dispositions du paragraphe 3 doivent s'être appliquées aux nouvelles formations dans la nouvelle forme de formation 3 à créer dans une école existante et non aux formations supplémentaires dans une forme de formation 3 qui répond à la norme de rationalisation dans une école existante. ".
Art. 87. In artikel 293 van dezelfde codex, vervangen door het decreet van 21 maart 2014 en gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt in paragraaf 3 de zinsnede "artikel 314/8" vervangen door de zinsnede "artikel 314/8 en artikel 314/9".
Art. 87. Dans l'article 293 du même Code, remplacé par le décret du 21 mars 2014 et modifié par le décret du 16 juin 2017, le membre de phrase " de l'article 314/8 " dans le paragraphe 3 est remplacé par le membre de phrase " des articles 314/8 et 314/9 ".
Art. 88. In artikel 294 van dezelfde codex, vervangen door het decreet van 21 maart 2014 en gewijzigd bij de decreten van 19 juni 2015 en 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "artikel 37 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding," vervangen door de zinsnede "artikel 7 van het decreet van 27 april 2018 over de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding,";
2° aan paragraaf 3 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor een leerling die voor het eerst naar school gaat en met een individueel aangepast curriculum wil starten in het gewoon onderwijs moet in afwijking van paragraaf 2, 1°, a) en b), en 2°, a) en b), worden aangetoond dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling in het gemeenschappelijk curriculum mee te nemen en moet in afwijking van paragraaf 2, 1°, e), en 2°, f), bepaald worden welk type voor de leerling van toepassing is, als bepaald in artikel 259, § 1, 2°, 4°, 6° of 7°. ";
3° paragraaf 6 wordt vervangen door wat volgt:
" § 6. Voor leerlingen die tijdens het schooljaar 2014-2015 met een inschrijvingsverslag ingeschreven waren in een school voor buitengewoon of gewoon onderwijs geldt paragraaf 2 alleen bij wijziging van onderwijsniveau, van type of bij overgang van buitengewoon onderwijs naar gewoon onderwijs of omgekeerd.";
4° in paragraaf 9 wordt tussen de woorden "gewoon secundair onderwijs" en de zinsnede ", dan" de woorden "of omgekeerd" ingevoegd;
5° in paragraaf 10 wordt de zinsnede "artikel 314/8" vervangen door de zinsnede "artikel 314/8 en artikel 314/9.".
1° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "artikel 37 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding," vervangen door de zinsnede "artikel 7 van het decreet van 27 april 2018 over de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding,";
2° aan paragraaf 3 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor een leerling die voor het eerst naar school gaat en met een individueel aangepast curriculum wil starten in het gewoon onderwijs moet in afwijking van paragraaf 2, 1°, a) en b), en 2°, a) en b), worden aangetoond dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling in het gemeenschappelijk curriculum mee te nemen en moet in afwijking van paragraaf 2, 1°, e), en 2°, f), bepaald worden welk type voor de leerling van toepassing is, als bepaald in artikel 259, § 1, 2°, 4°, 6° of 7°. ";
3° paragraaf 6 wordt vervangen door wat volgt:
" § 6. Voor leerlingen die tijdens het schooljaar 2014-2015 met een inschrijvingsverslag ingeschreven waren in een school voor buitengewoon of gewoon onderwijs geldt paragraaf 2 alleen bij wijziging van onderwijsniveau, van type of bij overgang van buitengewoon onderwijs naar gewoon onderwijs of omgekeerd.";
4° in paragraaf 9 wordt tussen de woorden "gewoon secundair onderwijs" en de zinsnede ", dan" de woorden "of omgekeerd" ingevoegd;
5° in paragraaf 10 wordt de zinsnede "artikel 314/8" vervangen door de zinsnede "artikel 314/8 en artikel 314/9.".
Art. 88. A l'article 294 du même Code, remplacé par le décret du 21 mars 2014 et modifié par les décrets des 19 juin 2015 et 6 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2, le membre de phrase " l'article 37 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves " est remplacé par le membre de phrase " l'article 7 du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves, " ;
2° au paragraphe 3, il est ajouté un alinéa, rédigé comme suit :
" Pour un élève qui fréquente l'école pour la première fois et qui veut suivre un programme adapté individuellement dans l'enseignement ordinaire, il faut, par dérogation au paragraphe 2, 1°, a) et b) et 2°, a) et b) démontrer que les aménagements, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires et dispensatoires seront soit disproportionnels, soit insuffisants, pour que l'élève puisse suivre le programme d'études commun et il faut, par dérogation au paragraphe 2, 1°, e) et 2°, f), déterminer quel type s'applique à l'élève, tel que visé à l'article 259, § 1er, 2°, 4°, 6° ou 7°. " ;
3° le paragraphe 6 est remplacé par ce qui suit :
" § 6. Pour ce qui est des élèves en possession d'un rapport d'inscription inscrits pendant l'année scolaire 2014-2015 à une école d'enseignement spécial ou ordinaire, le paragraphe 2 s'applique uniquement en cas de modification de niveau d'enseignement, de type ou en cas de passage de l'enseignement spécial à l'enseignement ordinaire ou inversement. " ;
4° dans le paragraphe 9, les mots " ou inversement " sont insérés entre les mots " à l'enseignement fondamental ordinaire " et le membre de phrase " , le centre d'encadrement des élèves annule " ;
5° dans le paragraphe 10, le membre de phrase " de l'article 314/8 " est remplacé par le membre de phrase " des articles 314/8 et 314/9 ".
1° dans le paragraphe 2, le membre de phrase " l'article 37 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves " est remplacé par le membre de phrase " l'article 7 du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves, " ;
2° au paragraphe 3, il est ajouté un alinéa, rédigé comme suit :
" Pour un élève qui fréquente l'école pour la première fois et qui veut suivre un programme adapté individuellement dans l'enseignement ordinaire, il faut, par dérogation au paragraphe 2, 1°, a) et b) et 2°, a) et b) démontrer que les aménagements, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires et dispensatoires seront soit disproportionnels, soit insuffisants, pour que l'élève puisse suivre le programme d'études commun et il faut, par dérogation au paragraphe 2, 1°, e) et 2°, f), déterminer quel type s'applique à l'élève, tel que visé à l'article 259, § 1er, 2°, 4°, 6° ou 7°. " ;
3° le paragraphe 6 est remplacé par ce qui suit :
" § 6. Pour ce qui est des élèves en possession d'un rapport d'inscription inscrits pendant l'année scolaire 2014-2015 à une école d'enseignement spécial ou ordinaire, le paragraphe 2 s'applique uniquement en cas de modification de niveau d'enseignement, de type ou en cas de passage de l'enseignement spécial à l'enseignement ordinaire ou inversement. " ;
4° dans le paragraphe 9, les mots " ou inversement " sont insérés entre les mots " à l'enseignement fondamental ordinaire " et le membre de phrase " , le centre d'encadrement des élèves annule " ;
5° dans le paragraphe 10, le membre de phrase " de l'article 314/8 " est remplacé par le membre de phrase " des articles 314/8 et 314/9 ".
Art. 89. In dezelfde codex wordt het opschrift van onderafdeling 3/4 van deel V, titel 2, hoofdstuk 3, afdeling 1, ingevoegd bij het decreet van 16 juni 2017, als volgt gewijzigd:
"Onderafdeling 3/4. Invoering van regionale ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs en van een mechanisme voor de ondersteuning van scholen voor gewoon secundair onderwijs met leerlingen met een gemotiveerd verslag, verslag of inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 7".
"Onderafdeling 3/4. Invoering van regionale ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs en van een mechanisme voor de ondersteuning van scholen voor gewoon secundair onderwijs met leerlingen met een gemotiveerd verslag, verslag of inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 7".
Art. 89. Dans le même Code, l'intitulé de la sous-section 3/4 de la partie V, titre 2, chapitre 3, section 1re, inséré par le décret du 16 juin 2017, est modifié comme suit :
" Sous-section 3/4. Introduction de réseaux régionaux de soutien dans l'enseignement fondamental et secondaire et d'un mécanisme de soutien aux écoles d'enseignement secondaire ordinaire dispensant un enseignement aux élèves en possession d'un rapport motivé, d'un rapport ou d'un rapport d'inscription de type 2, 4, 6 ou 7 ".
" Sous-section 3/4. Introduction de réseaux régionaux de soutien dans l'enseignement fondamental et secondaire et d'un mécanisme de soutien aux écoles d'enseignement secondaire ordinaire dispensant un enseignement aux élèves en possession d'un rapport motivé, d'un rapport ou d'un rapport d'inscription de type 2, 4, 6 ou 7 ".
Art. 90. In artikel 314/8 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 16 juni 2017 en gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° 18.013,5 begeleidingseenheden, waarvan 11.163 voor het basisonderwijs en 6850,5 voor het secundair onderwijs;";
2° de paragrafen 2 en 2/1, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018, worden opgeheven;
3° in paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
" § 3. Het budget, vermeld in paragraaf 1, wordt door de Vlaamse Regering toegewezen aan ondersteuningsnetwerken en volledig toegekend aan de scholen buitengewoon onderwijs, voor de ondersteuning in het gewoon basis- of secundair onderwijs van leerlingen met een inschrijvingsverslag waarover ze beschikken omdat ze, voor het basisonderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 16, § 2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 of, voor het secundair onderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 352, § 2, van deze codex en leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag type basisaanbod, 3 of 9, die voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 of artikel 259, § 1, 1°, 3° en 8°, van deze codex, waarbij:
1° 70 % wordt verdeeld op basis van het leerlingenaantal op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar van de scholen en centra voor gewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk;
2° 30 % wordt verdeeld op basis van het gemiddeld aantal leerlingen met een verslag, gemotiveerd verslag of inschrijvingsverslag in de scholen en centra voor gewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk op de eerste schooldag van februari van de zes voorafgaande schooljaren;
3° in afwijking van punt 2° gelden als teldagen:
a) voor het schooljaar 2017-2018: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2011-2012 tot en met 2016-2017;
b) voor het schooljaar 2018-2019: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van het schooljaar 2017-2018;
c) voor het schooljaar 2019-2020: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019;";
4° in paragraaf 3 wordt in het laatste lid de zinsnede "artikel VI.1, § 2, eerste lid, 4°, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften" vervangen door de zinsnede "artikel 21/1 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs";
5° in paragraaf 3 wordt een tiende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Middelen voor coördinatie van een ondersteuningsnetwerk van het overleg kleine onderwijsverstrekkers kunnen worden georganiseerd vanuit het begeleidingskorps dat aan de kleine onderwijsverstrekkers werd toegekend in toepassing van artikel VI.1, § 4, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.";
6° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "bedoeld in paragraaf 2" vervangen door de zinsnede "bedoeld in artikel 314/9";
7° in paragraaf 5 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"In afwijking hiervan worden de in paragraaf 1, 1°, vermelde 18.013,5 begeleidingseenheden door de Vlaamse Regering rechtstreeks terug verdeeld naar de scholen voor buitengewoon onderwijs die in het schooljaar 2016-2017 begeleidingen deden in het kader van het geïntegreerd onderwijs naar rato van:
1° 100 % in het schooljaar 2017-2018;
2° 66 % in het schooljaar 2018-2019;
3° 33 % in het schooljaar 2019-2020.";
8° in paragraaf 8 wordt het zesde lid opgeheven;
9° paragraaf 8/1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 8/1. In elk ondersteuningsnetwerk wordt ten minste één personeelslid aangesteld in een school voor buitengewoon onderwijs, dat belast wordt met coördinerende taken. Een voltijdse betrekking wordt steeds toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast.
Met behoud van de toegekende middelen voor coördinatie, vermeld in paragraaf 3, negende en tiende lid, kan tot een door de Vlaamse Regering te bepalen maximumpercentage van het totale budget van een ondersteuningsnetwerk aangewend worden voor coördinatieopdrachten voor het ondersteuningsnetwerk. Dit kan enkel wanneer het ondersteuningsnetwerk kan aantonen dat de toegekende middelen voor coördinatie ontoereikend zijn. Deze middelen mogen enkel ingezet worden voor coördinatietaken.
Paragraaf 6, 7 en 8 zijn van toepassing op de personeelsleden, vermeld in het eerste en tweede lid.".
1° in paragraaf 1 wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° 18.013,5 begeleidingseenheden, waarvan 11.163 voor het basisonderwijs en 6850,5 voor het secundair onderwijs;";
2° de paragrafen 2 en 2/1, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018, worden opgeheven;
3° in paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
" § 3. Het budget, vermeld in paragraaf 1, wordt door de Vlaamse Regering toegewezen aan ondersteuningsnetwerken en volledig toegekend aan de scholen buitengewoon onderwijs, voor de ondersteuning in het gewoon basis- of secundair onderwijs van leerlingen met een inschrijvingsverslag waarover ze beschikken omdat ze, voor het basisonderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 16, § 2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 of, voor het secundair onderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 352, § 2, van deze codex en leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag type basisaanbod, 3 of 9, die voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 of artikel 259, § 1, 1°, 3° en 8°, van deze codex, waarbij:
1° 70 % wordt verdeeld op basis van het leerlingenaantal op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar van de scholen en centra voor gewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk;
2° 30 % wordt verdeeld op basis van het gemiddeld aantal leerlingen met een verslag, gemotiveerd verslag of inschrijvingsverslag in de scholen en centra voor gewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk op de eerste schooldag van februari van de zes voorafgaande schooljaren;
3° in afwijking van punt 2° gelden als teldagen:
a) voor het schooljaar 2017-2018: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2011-2012 tot en met 2016-2017;
b) voor het schooljaar 2018-2019: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van het schooljaar 2017-2018;
c) voor het schooljaar 2019-2020: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019;";
4° in paragraaf 3 wordt in het laatste lid de zinsnede "artikel VI.1, § 2, eerste lid, 4°, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften" vervangen door de zinsnede "artikel 21/1 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs";
5° in paragraaf 3 wordt een tiende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Middelen voor coördinatie van een ondersteuningsnetwerk van het overleg kleine onderwijsverstrekkers kunnen worden georganiseerd vanuit het begeleidingskorps dat aan de kleine onderwijsverstrekkers werd toegekend in toepassing van artikel VI.1, § 4, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.";
6° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "bedoeld in paragraaf 2" vervangen door de zinsnede "bedoeld in artikel 314/9";
7° in paragraaf 5 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"In afwijking hiervan worden de in paragraaf 1, 1°, vermelde 18.013,5 begeleidingseenheden door de Vlaamse Regering rechtstreeks terug verdeeld naar de scholen voor buitengewoon onderwijs die in het schooljaar 2016-2017 begeleidingen deden in het kader van het geïntegreerd onderwijs naar rato van:
1° 100 % in het schooljaar 2017-2018;
2° 66 % in het schooljaar 2018-2019;
3° 33 % in het schooljaar 2019-2020.";
8° in paragraaf 8 wordt het zesde lid opgeheven;
9° paragraaf 8/1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 8/1. In elk ondersteuningsnetwerk wordt ten minste één personeelslid aangesteld in een school voor buitengewoon onderwijs, dat belast wordt met coördinerende taken. Een voltijdse betrekking wordt steeds toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast.
Met behoud van de toegekende middelen voor coördinatie, vermeld in paragraaf 3, negende en tiende lid, kan tot een door de Vlaamse Regering te bepalen maximumpercentage van het totale budget van een ondersteuningsnetwerk aangewend worden voor coördinatieopdrachten voor het ondersteuningsnetwerk. Dit kan enkel wanneer het ondersteuningsnetwerk kan aantonen dat de toegekende middelen voor coördinatie ontoereikend zijn. Deze middelen mogen enkel ingezet worden voor coördinatietaken.
Paragraaf 6, 7 en 8 zijn van toepassing op de personeelsleden, vermeld in het eerste en tweede lid.".
Art. 90. A l'article 314/8 du même Code, inséré par le décret du 16 juin 2017 et modifié par le décret du 6 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
1° de 18.013,5 unités d'accompagnement, dont 11.163 pour l'enseignement fondamental et 6.850,5 pour l'enseignement secondaire ; " ;
2° les paragraphes 2 et 2/1, insérés par le décret du 6 juillet 2018, sont abrogés ;
3° dans le paragraphe 3, l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Le budget, visé au paragraphe 1er, est attribué par le Gouvernement flamand aux réseaux de soutien et est accordé dans son ensemble aux écoles d'enseignement spécial pour le soutien dans l'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire d'élèves en possession d'un rapport d'inscription dont ils disposent parce qu'ils tombent, pour l'enseignement fondamental, dans le champ d'application de l'article 16, § 2 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, pour l'enseignement secondaire, dans le champ d'application de l'article 352, § 2, du présent Code et d'élèves en possession d'un rapport motivé ou d'un rapport du type offre de base, 3 ou 9, qui satisfont aux critères visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 1°, 3° et 8° du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental ou à l'article 259, § 1er, 1°, 3° et 8° du présent Code, dont :
1° 70 % est réparti sur la base du nombre d'élèves au premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente des écoles et centres d'enseignement ordinaire du réseau de soutien ;
2° 30 % est réparti sur la base du nombre moyen d'élèves en possession d'un rapport, d'un rapport motivé ou d'un rapport d'inscription dans les écoles et centres d'enseignement ordinaire du réseau de soutien au premier jour de classe de février des six années scolaires précédentes ;
3° par dérogation au point 2°, les jours de comptage suivantes s'appliquent :
a) pour l'année scolaire 2017-2018 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2011-2012 à 2016-2017 ;
b) pour l'année scolaire 2018-2019 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2012-2013 à 2016-2017 et le premier jour de classe de février de l'année scolaire 2017-2018 ;
c) pour l'année scolaire 2019-2020 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2013-2014 à 2016-2017 et le premier jour de classe de février des années scolaires 2017-2018 et 2018-2019 ; " ;
4° dans le dernier alinéa du paragraphe 3, le membre de phrase " l'article VI.1, § 2, alinéa 1er, 4° du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques " est remplacé par le membre de phrase " l'article 21/1 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement " ;
5° au paragraphe 3, il est ajouté un alinéa 10 rédigé comme suit :
" Des moyens pour la coordination d'un réseau de soutien de la " Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers " (Concertation petits dispensateurs d'enseignement) peuvent être organisés à partir de l'équipe d'encadrement attribuée aux petits dispensateurs d'enseignement par application de l'article VI.1, § 4 du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques. " ;
6° dans le paragraphe 4, le membre de phrase " visés au paragraphe 2, " est remplacé par le membre de phrase " visés à l'article 314/9 " ;
7° dans le paragraphe 5, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à cette disposition, les 18.013,5 unités d'accompagnement visées au paragraphe 1er, 1°, sont directement réaffectées par le Gouvernement flamand aux écoles d'enseignement spécial qui assuraient dans l'année scolaire 2016-2017 des démarches d'accompagnement dans le cadre de l'enseignement intégré au prorata de :
1° 100 % dans l'année scolaire 2017-2018 ;
2° 66 % dans l'année scolaire 2018-2019 ;
3° 33 % dans l'année scolaire 2019-2020. " ;
8° dans le paragraphe 8, l'alinéa 6 est abrogé ;
9° le paragraphe 8/1 est remplacé par ce qui suit :
" § 8/1. Dans chaque réseau de soutien, au moins un membre du personnel est désigné dans une école d'enseignement spécial pour assumer des tâches de coordination. Un emploi à temps plein est toujours conféré soit à un seul membre du personnel, soit à deux membres du personnel chargés chacun d'un emploi à mi-temps.
Tout en maintenant les moyens affectés à la coordination visés au paragraphe 3, alinéas 9 et 10, un pourcentage maximal à déterminer par le Gouvernement flamand du budget total d'un réseau de soutien peut être utilisé pour des tâches de coordination pour le réseau de soutien. Cela n'est possible que si le réseau de soutien peut démontrer que les moyens alloués à la coordination sont insuffisants. Ces moyens ne peuvent être utilisés que pour des tâches de coordination.
Les paragraphes 6, 7 et 8 s'appliquent aux membres du personnel visés aux alinéas 1er et 2. ".
1° dans le paragraphe 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
1° de 18.013,5 unités d'accompagnement, dont 11.163 pour l'enseignement fondamental et 6.850,5 pour l'enseignement secondaire ; " ;
2° les paragraphes 2 et 2/1, insérés par le décret du 6 juillet 2018, sont abrogés ;
3° dans le paragraphe 3, l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Le budget, visé au paragraphe 1er, est attribué par le Gouvernement flamand aux réseaux de soutien et est accordé dans son ensemble aux écoles d'enseignement spécial pour le soutien dans l'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire d'élèves en possession d'un rapport d'inscription dont ils disposent parce qu'ils tombent, pour l'enseignement fondamental, dans le champ d'application de l'article 16, § 2 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, pour l'enseignement secondaire, dans le champ d'application de l'article 352, § 2, du présent Code et d'élèves en possession d'un rapport motivé ou d'un rapport du type offre de base, 3 ou 9, qui satisfont aux critères visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 1°, 3° et 8° du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental ou à l'article 259, § 1er, 1°, 3° et 8° du présent Code, dont :
1° 70 % est réparti sur la base du nombre d'élèves au premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente des écoles et centres d'enseignement ordinaire du réseau de soutien ;
2° 30 % est réparti sur la base du nombre moyen d'élèves en possession d'un rapport, d'un rapport motivé ou d'un rapport d'inscription dans les écoles et centres d'enseignement ordinaire du réseau de soutien au premier jour de classe de février des six années scolaires précédentes ;
3° par dérogation au point 2°, les jours de comptage suivantes s'appliquent :
a) pour l'année scolaire 2017-2018 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2011-2012 à 2016-2017 ;
b) pour l'année scolaire 2018-2019 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2012-2013 à 2016-2017 et le premier jour de classe de février de l'année scolaire 2017-2018 ;
c) pour l'année scolaire 2019-2020 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2013-2014 à 2016-2017 et le premier jour de classe de février des années scolaires 2017-2018 et 2018-2019 ; " ;
4° dans le dernier alinéa du paragraphe 3, le membre de phrase " l'article VI.1, § 2, alinéa 1er, 4° du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques " est remplacé par le membre de phrase " l'article 21/1 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement " ;
5° au paragraphe 3, il est ajouté un alinéa 10 rédigé comme suit :
" Des moyens pour la coordination d'un réseau de soutien de la " Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers " (Concertation petits dispensateurs d'enseignement) peuvent être organisés à partir de l'équipe d'encadrement attribuée aux petits dispensateurs d'enseignement par application de l'article VI.1, § 4 du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques. " ;
6° dans le paragraphe 4, le membre de phrase " visés au paragraphe 2, " est remplacé par le membre de phrase " visés à l'article 314/9 " ;
7° dans le paragraphe 5, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à cette disposition, les 18.013,5 unités d'accompagnement visées au paragraphe 1er, 1°, sont directement réaffectées par le Gouvernement flamand aux écoles d'enseignement spécial qui assuraient dans l'année scolaire 2016-2017 des démarches d'accompagnement dans le cadre de l'enseignement intégré au prorata de :
1° 100 % dans l'année scolaire 2017-2018 ;
2° 66 % dans l'année scolaire 2018-2019 ;
3° 33 % dans l'année scolaire 2019-2020. " ;
8° dans le paragraphe 8, l'alinéa 6 est abrogé ;
9° le paragraphe 8/1 est remplacé par ce qui suit :
" § 8/1. Dans chaque réseau de soutien, au moins un membre du personnel est désigné dans une école d'enseignement spécial pour assumer des tâches de coordination. Un emploi à temps plein est toujours conféré soit à un seul membre du personnel, soit à deux membres du personnel chargés chacun d'un emploi à mi-temps.
Tout en maintenant les moyens affectés à la coordination visés au paragraphe 3, alinéas 9 et 10, un pourcentage maximal à déterminer par le Gouvernement flamand du budget total d'un réseau de soutien peut être utilisé pour des tâches de coordination pour le réseau de soutien. Cela n'est possible que si le réseau de soutien peut démontrer que les moyens alloués à la coordination sont insuffisants. Ces moyens ne peuvent être utilisés que pour des tâches de coordination.
Les paragraphes 6, 7 et 8 s'appliquent aux membres du personnel visés aux alinéas 1er et 2. ".
Art. 91. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt in deel V, titel 2, hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 3/4, een artikel 314/9 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 314/9. § 1. Scholen voor gewoon secundair onderwijs kunnen vanuit scholen buitengewoon onderwijs, die over de vereiste handicapspecifieke expertise beschikken, ondersteuning ontvangen voor:
1° leerlingen met een inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 7, waarover deze leerlingen beschikken omdat ze vallen onder de toepassing van artikel 352, § 2;
2° leerlingen met een gemotiveerd verslag type 2, 4, 6 of 7, vermeld in artikel 352;
3° leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 of 7, vermeld in artikel 294.
§ 2. De school voor gewoon secundair onderwijs deelt per leerling, vermeld in paragraaf 1, die nood heeft aan ondersteuning en die geteld wordt op de teldagen vermeld in paragraaf 4, aan het agentschap voor onderwijsdiensten mee welke school voor buitengewoon onderwijs de ondersteuning opneemt voor het betrokken schooljaar. De school betrekt de ouders van de betrokken leerlingen en het CLB bij deze keuze. De school voor gewoon onderwijs is verantwoordelijk om voor de leerlingen, die al gekend zijn die keuze voor het einde van het voorafgaande schooljaar mee te delen aan de scholen voor buitengewoon onderwijs waarmee ze zal samenwerken.
De scholen voor gewoon secundair onderwijs kunnen netoverschrijdende samenwerkingen aangaan met scholen voor buitengewoon onderwijs. De aangeduide scholen voor buitengewoon onderwijs zijn bepalend voor de toekenning van lesuren, uren en begeleidingseenheden aan die scholen.
§ 3. De lesuren, uren en begeleidingseenheden worden als volgt bepaald:
1° voor leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 en 7 in het gewoon secundair onderwijs en leerlingen met een inschrijvingsverslag type 2 in het gewoon secundair onderwijs:
a) type 2: 4 lesuren en 1,5 uren;
b) type 4: 3,420 lesuren en 3,5 uren;
c) type 6: 4,436 lesuren en 1,5 uren;
d) type 7: 3,850 lesuren en 1,6 uren;
2° voor leerlingen met een inschrijvingsverslag type 4, 6 of 7 in het gewoon secundair onderwijs of een gemotiveerd verslag type 2, 4, 6 of 7 in het gewoon secundair onderwijs:
a) type 2: 2 begeleidingseenheden;
b) type 4: 2 begeleidingseenheden;
c) type 6: 3,51 begeleidingseenheden;
d) type 7: 2,38 begeleidingseenheden.
De lesuren, de uren en de begeleidingseenheden worden per school voor buitengewoon onderwijs telkens per type en afzonderlijk voor punt 1° en 2° opgeteld en in geval van een decimaal getal naar de hogere eenheid afgerond.
In functie van extra ondersteuningsnoden voor leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 of 7 of met een inschrijvingsverslag type 2 bovenop de lesuren die ze genereren in een school voor gewoon onderwijs of het behoud van expertise en tewerkstelling in een school voor buitengewoon onderwijs die het aanbod heeft voor leerlingen conform artikel 259, § 1, 2° en/of 4°, en/of 6°, en/of 7°, kan, met toepassing van de omzettingstabel als vermeld in artikel 22/20, 2°, tweede lid, 1°, 2° en 3°, een omzetting gebeuren van lesuren naar uren of omgekeerd om voormelde leerlingen, indien de situatie het vereist, beter te ondersteunen. Deze omzetting is afhankelijk van het akkoord van de ouders en van de lokale onderhandelingscomités van de school voor gewoon en buitengewoon onderwijs.
§ 4. De teldagen voor de toekenning van de lesuren, uren en begeleidingseenheden aan scholen voor buitengewoon onderwijs zijn:
1° de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar;
2° de eerste schooldag van februari van het lopende schooljaar.
De lesuren, uren en begeleidingseenheden toegekend op basis van de telling op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar vormt het gegarandeerde basispakket voor het volledige schooljaar.
Als op basis van de berekening, vermeld in paragraaf 1, 2, en 3, op de eerste schooldag van februari een hoger aantal lesuren, uren of begeleidingseenheden per type gegenereerd wordt voor een school voor buitengewoon onderwijs in vergelijking met het aantal dat op de eerste schooldag van oktober werd toegekend, ontvangt deze school dit verschil aan lesuren, uren of begeleidingseenheden per type met ingang van de eerste schooldag van februari. In geval van een daling behoudt de school voor buitengewoon onderwijs de lesuren, uren en begeleidingseenheden per type berekend op basis van de eerste schooldag van oktober.
§ 5. Scholen voor buitengewoon onderwijs ontvangen de lesuren, uren en begeleidingseenheden voor de leerlingen van de scholen voor gewoon secundair onderwijs waarmee ze samenwerken.
In geval een school voor gewoon secundair onderwijs voor ondersteuning samenwerkt met een school voor buitengewoon basisonderwijs worden de lesuren, vermeld in paragraaf 3, 1°, door het agentschap voor onderwijsdiensten toegekend als lestijden.
Begeleidingseenheden kunnen naargelang de aard van de ondersteuning die nodig is, omgezet worden in lesuren of uren.
§ 6. De lesuren en uren, inclusief de omgezette begeleidingseenheden, worden voor scholen buitengewoon secundair onderwijs beschouwd als extra lesuren en extra uren en als extra lestijden en uren in scholen voor buitengewoon basisonderwijs, zoals bedoeld in artikel 3, 14° en 14° bis, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, indien de school voor gewoon secundair onderwijs voor ondersteuningen samenwerkt met een school voor buitengewoon basisonderwijs.
De lesuren en uren, inclusief de omgezette begeleidingseenheden kunnen in afwijking van artikel 19, 20 en 313, § 2, netoverschrijdend en na 1 november overgedragen worden en in afwijking van artikel 2, § 3, overgedragen worden van een school van buitengewoon secundair onderwijs naar een school van buitengewoon basisonderwijs.
De lesuren en uren, inclusief de omgezette begeleidingseenheden, kunnen, in afwijking van artikel 21 en artikel 313, § 1, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar.
Paragraaf 6, 7 en 8 van artikel 314/8 zijn van toepassing op de personeelsleden die aangesteld worden in de extra lesuren en extra uren.
§ 7. Scholen voor buitengewoon onderwijs werken netoverschrijdend samen om aan expertisedeling te doen in functie van hun ondersteunende opdracht naar scholen voor gewoon onderwijs.
§ 8. De scholen voor gewoon secundair onderwijs hebben recht op ondersteuning van de scholen voor buitengewoon onderwijs. In onderling overleg en met betrokkenheid van de ouders, waar mogelijk de leerling en met het CLB wordt bepaald hoe de lesuren, uren en begeleidingseenheden die de leerlingen met toepassing van paragraaf 3 en op basis van de teldagen vermeld in paragraaf 4 inbrengen, worden ingezet naargelang de vastgestelde ondersteuningsnoden.
De ondersteuning kan binnen de school voor gewoon secundair onderwijs en over scholen voor gewoon secundair onderwijs heen flexibel aangewend worden voor leerlinggerichte, leerkrachtgerichte of teamgerichte ondersteuning op basis van de ondersteuningsnoden die er zijn. Er kunnen geen lesuren, uren of begeleidingseenheden toegekend in toepassing van dit artikel aangewend worden voor ondersteuning in toepassing van artikel 314/8.
De scholen voor buitengewoon onderwijs starten met ondersteuning vanaf de eerste schooldag van het lopende schooljaar en in voorkomend geval ook vanaf de eerste schooldag van februari voor de leerlingen met een inschrijvingsverslag, gemotiveerd verslag of verslag type 2, 4, 6 of 7 die al gekend zijn en waarvoor er nood is aan ondersteuning.
§ 9. De onderwijsinspectie voert gerichte kwaliteitscontroles uit op de handelingsgerichte diagnostische trajecten die leiden tot de opmaak van verslagen en gemotiveerde verslagen type 2, 4, 6 en 7.
§ 10. Het toezicht door de onderwijsinspectie en de administratie en de evaluatie en monitoring, als vermeld in artikel 314/8, § 9 en § 10, zijn ook van toepassing op de uitvoering van dit artikel.
§ 11. Voor de toepassing van dit artikel wordt school begrepen als een gefinancierde of gesubsidieerde school.".
"Art. 314/9. § 1. Scholen voor gewoon secundair onderwijs kunnen vanuit scholen buitengewoon onderwijs, die over de vereiste handicapspecifieke expertise beschikken, ondersteuning ontvangen voor:
1° leerlingen met een inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 7, waarover deze leerlingen beschikken omdat ze vallen onder de toepassing van artikel 352, § 2;
2° leerlingen met een gemotiveerd verslag type 2, 4, 6 of 7, vermeld in artikel 352;
3° leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 of 7, vermeld in artikel 294.
§ 2. De school voor gewoon secundair onderwijs deelt per leerling, vermeld in paragraaf 1, die nood heeft aan ondersteuning en die geteld wordt op de teldagen vermeld in paragraaf 4, aan het agentschap voor onderwijsdiensten mee welke school voor buitengewoon onderwijs de ondersteuning opneemt voor het betrokken schooljaar. De school betrekt de ouders van de betrokken leerlingen en het CLB bij deze keuze. De school voor gewoon onderwijs is verantwoordelijk om voor de leerlingen, die al gekend zijn die keuze voor het einde van het voorafgaande schooljaar mee te delen aan de scholen voor buitengewoon onderwijs waarmee ze zal samenwerken.
De scholen voor gewoon secundair onderwijs kunnen netoverschrijdende samenwerkingen aangaan met scholen voor buitengewoon onderwijs. De aangeduide scholen voor buitengewoon onderwijs zijn bepalend voor de toekenning van lesuren, uren en begeleidingseenheden aan die scholen.
§ 3. De lesuren, uren en begeleidingseenheden worden als volgt bepaald:
1° voor leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 en 7 in het gewoon secundair onderwijs en leerlingen met een inschrijvingsverslag type 2 in het gewoon secundair onderwijs:
a) type 2: 4 lesuren en 1,5 uren;
b) type 4: 3,420 lesuren en 3,5 uren;
c) type 6: 4,436 lesuren en 1,5 uren;
d) type 7: 3,850 lesuren en 1,6 uren;
2° voor leerlingen met een inschrijvingsverslag type 4, 6 of 7 in het gewoon secundair onderwijs of een gemotiveerd verslag type 2, 4, 6 of 7 in het gewoon secundair onderwijs:
a) type 2: 2 begeleidingseenheden;
b) type 4: 2 begeleidingseenheden;
c) type 6: 3,51 begeleidingseenheden;
d) type 7: 2,38 begeleidingseenheden.
De lesuren, de uren en de begeleidingseenheden worden per school voor buitengewoon onderwijs telkens per type en afzonderlijk voor punt 1° en 2° opgeteld en in geval van een decimaal getal naar de hogere eenheid afgerond.
In functie van extra ondersteuningsnoden voor leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 of 7 of met een inschrijvingsverslag type 2 bovenop de lesuren die ze genereren in een school voor gewoon onderwijs of het behoud van expertise en tewerkstelling in een school voor buitengewoon onderwijs die het aanbod heeft voor leerlingen conform artikel 259, § 1, 2° en/of 4°, en/of 6°, en/of 7°, kan, met toepassing van de omzettingstabel als vermeld in artikel 22/20, 2°, tweede lid, 1°, 2° en 3°, een omzetting gebeuren van lesuren naar uren of omgekeerd om voormelde leerlingen, indien de situatie het vereist, beter te ondersteunen. Deze omzetting is afhankelijk van het akkoord van de ouders en van de lokale onderhandelingscomités van de school voor gewoon en buitengewoon onderwijs.
§ 4. De teldagen voor de toekenning van de lesuren, uren en begeleidingseenheden aan scholen voor buitengewoon onderwijs zijn:
1° de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar;
2° de eerste schooldag van februari van het lopende schooljaar.
De lesuren, uren en begeleidingseenheden toegekend op basis van de telling op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar vormt het gegarandeerde basispakket voor het volledige schooljaar.
Als op basis van de berekening, vermeld in paragraaf 1, 2, en 3, op de eerste schooldag van februari een hoger aantal lesuren, uren of begeleidingseenheden per type gegenereerd wordt voor een school voor buitengewoon onderwijs in vergelijking met het aantal dat op de eerste schooldag van oktober werd toegekend, ontvangt deze school dit verschil aan lesuren, uren of begeleidingseenheden per type met ingang van de eerste schooldag van februari. In geval van een daling behoudt de school voor buitengewoon onderwijs de lesuren, uren en begeleidingseenheden per type berekend op basis van de eerste schooldag van oktober.
§ 5. Scholen voor buitengewoon onderwijs ontvangen de lesuren, uren en begeleidingseenheden voor de leerlingen van de scholen voor gewoon secundair onderwijs waarmee ze samenwerken.
In geval een school voor gewoon secundair onderwijs voor ondersteuning samenwerkt met een school voor buitengewoon basisonderwijs worden de lesuren, vermeld in paragraaf 3, 1°, door het agentschap voor onderwijsdiensten toegekend als lestijden.
Begeleidingseenheden kunnen naargelang de aard van de ondersteuning die nodig is, omgezet worden in lesuren of uren.
§ 6. De lesuren en uren, inclusief de omgezette begeleidingseenheden, worden voor scholen buitengewoon secundair onderwijs beschouwd als extra lesuren en extra uren en als extra lestijden en uren in scholen voor buitengewoon basisonderwijs, zoals bedoeld in artikel 3, 14° en 14° bis, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, indien de school voor gewoon secundair onderwijs voor ondersteuningen samenwerkt met een school voor buitengewoon basisonderwijs.
De lesuren en uren, inclusief de omgezette begeleidingseenheden kunnen in afwijking van artikel 19, 20 en 313, § 2, netoverschrijdend en na 1 november overgedragen worden en in afwijking van artikel 2, § 3, overgedragen worden van een school van buitengewoon secundair onderwijs naar een school van buitengewoon basisonderwijs.
De lesuren en uren, inclusief de omgezette begeleidingseenheden, kunnen, in afwijking van artikel 21 en artikel 313, § 1, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar.
Paragraaf 6, 7 en 8 van artikel 314/8 zijn van toepassing op de personeelsleden die aangesteld worden in de extra lesuren en extra uren.
§ 7. Scholen voor buitengewoon onderwijs werken netoverschrijdend samen om aan expertisedeling te doen in functie van hun ondersteunende opdracht naar scholen voor gewoon onderwijs.
§ 8. De scholen voor gewoon secundair onderwijs hebben recht op ondersteuning van de scholen voor buitengewoon onderwijs. In onderling overleg en met betrokkenheid van de ouders, waar mogelijk de leerling en met het CLB wordt bepaald hoe de lesuren, uren en begeleidingseenheden die de leerlingen met toepassing van paragraaf 3 en op basis van de teldagen vermeld in paragraaf 4 inbrengen, worden ingezet naargelang de vastgestelde ondersteuningsnoden.
De ondersteuning kan binnen de school voor gewoon secundair onderwijs en over scholen voor gewoon secundair onderwijs heen flexibel aangewend worden voor leerlinggerichte, leerkrachtgerichte of teamgerichte ondersteuning op basis van de ondersteuningsnoden die er zijn. Er kunnen geen lesuren, uren of begeleidingseenheden toegekend in toepassing van dit artikel aangewend worden voor ondersteuning in toepassing van artikel 314/8.
De scholen voor buitengewoon onderwijs starten met ondersteuning vanaf de eerste schooldag van het lopende schooljaar en in voorkomend geval ook vanaf de eerste schooldag van februari voor de leerlingen met een inschrijvingsverslag, gemotiveerd verslag of verslag type 2, 4, 6 of 7 die al gekend zijn en waarvoor er nood is aan ondersteuning.
§ 9. De onderwijsinspectie voert gerichte kwaliteitscontroles uit op de handelingsgerichte diagnostische trajecten die leiden tot de opmaak van verslagen en gemotiveerde verslagen type 2, 4, 6 en 7.
§ 10. Het toezicht door de onderwijsinspectie en de administratie en de evaluatie en monitoring, als vermeld in artikel 314/8, § 9 en § 10, zijn ook van toepassing op de uitvoering van dit artikel.
§ 11. Voor de toepassing van dit artikel wordt school begrepen als een gefinancierde of gesubsidieerde school.".
Art. 91. Dans le même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, il est inséré dans la partie V, titre 2, chapitre 3, section 1re, sous-section 3/4, un article 314/9 rédigé comme suit :
" Art. 314/9. § 1er. Les écoles d'enseignement secondaire ordinaire peuvent recevoir de la part d'écoles d'enseignement spécial qui possèdent l'expertise spécifique au handicap requise, un soutien pour :
1° les élèves en possession d'un rapport d'inscription pour le type 2, 4, 6 ou 7 dont ces élèves disposent parce qu'ils relèvent de l'application de l'article 352, § 2 ;
2° les élèves en possession d'un rapport motivé pour le type 2, 4, 6 ou 7, visé à l'article 352 ;
3° les élèves en possession d'un rapport de type 2, 4, 6 ou 7 visé à l'article 294.
§ 2. Par élève, mentionné au paragraphe 1er, nécessitant un soutien et qui est compté aux jours de comptage, mentionnés au paragraphe 4, l'école d'enseignement secondaire ordinaire informe l'Agentschap voor Onderwijsdiensten de l'école d'enseignement spécial qui s'occupe du soutien pour l'année scolaire en question. L'école associe les parents des élèves concernés et le CLB à ce choix. Pour les élèves qui sont déjà connus, l'école d'enseignement ordinaire est chargée de communiquer ce choix avant la fin de l'année scolaire précédente aux écoles d'enseignement spécial avec lesquelles elle coopérera.
Les écoles d'enseignement secondaire ordinaire peuvent s'engager dans une coopération inter-réseaux avec les écoles d'enseignement spécial. Les écoles d'enseignement spécial désignées sont déterminantes pour l'attribution des heures de cours, des heures et des unités d'accompagnement à ces écoles.
§ 3. Les heures de cours, heures et unités d'accompagnement sont déterminées comme suit :
1° pour les élèves en possession d'un rapport de type 2, 4, 6 et 7 dans l'enseignement secondaire ordinaire et les élèves en possession d'un rapport d'inscription de type 2 dans l'enseignement secondaire ordinaire :
a) type 2 : 4 heures de cours et 1,5 heures ;
b) type 4 : 3,420 heures de cours et 3,5 heures ;
c) type 6 : 4,436 heures de cours et 1,5 heures ;
d) type 7 : 3,850 heures de cours et 1,6 heures ;
2° pour les élèves en possession d'un rapport d'inscription de type 4, 6 ou 7 dans l'enseignement secondaire ordinaire ou d'un rapport motivé de type 2, 4, 6 ou 7 dans l'enseignement secondaire ordinaire :
a) type 2 : 2 unités d'accompagnement ;
b) type 4 : 2 unités d'accompagnement ;
c) type 6 : 3,51 unités d'accompagnement ;
d) type 7 : 2,38 unités d'accompagnement.
Les heures de cours, les heures et les unités d'accompagnement sont additionnées par type par école d'enseignement spécial et séparément pour les points 1° et 2°, et dans le cas d'un nombre décimal, arrondies à l'unité supérieure suivante.
En fonction des besoins d'accompagnement supplémentaires des élèves en possession d'un rapport de type 2, 4, 6 ou 7 ou d'un rapport d'inscription de type 2 en plus des périodes de cours qu'ils génèrent dans une école d'enseignement ordinaire ou en fonction du maintien de l'expertise et de l'emploi dans une école d'enseignement spécial qui propose l'offre pour les élèves conformément à l'article 259, § 1er, 2° et/ou 4°, et/ou 6°, et/ou 7°, une conversion d'heures de cours en heures ou vice versa peut être effectuée conformément au tableau de conversion, visé à l'article 22/20, 2°, alinéa 2, 1°, 2° et 3° afin de mieux soutenir lesdits élèves si la situation l'exige. Cette conversion dépend de l'accord des parents et des comités locaux de négociation de l'école d'enseignement ordinaire et spécial.
§ 4. Les jours de comptage pour l'attribution des heures de cours, des heures et des unités d'accompagnement aux écoles d'enseignement spécial sont :
1° le premier jour de classe d'octobre de l'année scolaire en cours ;
2° le premier jour classe de février de l'année scolaire en cours.
Les heures de cours, les heures et les unités d'accompagnement allouées sur la base du comptage au premier jour de classe d'octobre de l'année scolaire en cours constituent l'ensemble de base garanti pour l'année scolaire entière.
Si, sur la base du calcul visé aux paragraphes 1er, 2 et 3, un nombre plus élevé d'heures de cours, d'heures ou d'unités d'accompagnement par type est généré au premier jour de classe de février pour une école d'enseignement spécial par rapport au nombre attribué au premier jour de classe d'octobre, cette école reçoit cette différence d'heures de cours, d'heures ou d'unités d'accompagnement par type à compter du premier jour de classe de février. En cas de baisse, l'école d'enseignement spécial conserve les heures de cours, heures et unités d'accompagnement calculées par type sur la base du premier jour de classe d'octobre.
§ 5. Les écoles d'enseignement spécial reçoivent les heures de cours, heures et unités d'accompagnement pour les élèves des écoles d'enseignement secondaire ordinaire avec lesquelles elles coopèrent.
Dans le cas où une école d'enseignement secondaire ordinaire coopère pour le soutien avec une école d'enseignement fondamental spécial, les heures de cours mentionnées au paragraphe 3, 1°, sont allouées par l'Agentschap voor Onderwijsdiensten comme des heures de cours.
En fonction de la nature du soutien nécessaire, les unités d'accompagnement peuvent être converties en heures de cours ou en heures.
§ 6. Les heures de cours et les heures, y compris les unités d'accompagnement converties, sont considérées pour les écoles d'enseignement secondaire spécial comme des heures de cours supplémentaires et des heures supplémentaires et comme des heures de cours supplémentaires et des heures pour les écoles d'enseignement fondamental spécial, visées à l'article 3, 14° et 14° bis, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, si l'école d'enseignement secondaire ordinaire collabore pour le soutien avec une école d'enseignement fondamental spécial.
Par dérogation aux articles 19, 20 et 313, § 2, les heures de cours et les heures, y compris les unités d'accompagnement converties, peuvent être transférées à travers les réseaux et après le 1er novembre et, par dérogation à l'article 2, § 3, transférées d'une école d'enseignement secondaire spécial à une école d'enseignement fondamental spécial.
Par dérogation aux articles 21 et 313, § 1er, les heures de cours, et les heures, y compris les unités d'accompagnement converties, ne peuvent pas être transférées à l'année scolaire suivante.
Les paragraphes 6, 7 et 8 de l'article 314/8 s'appliquent aux membres du personnel engagés dans les heures de cours supplémentaires et des heures supplémentaires.
§ 7. Les écoles d'enseignement spécial travaillent ensemble à travers les réseaux pour partager leur expertise en fonction de leur mission de soutien aux écoles d'enseignement ordinaire.
§ 8. Les écoles d'enseignement secondaire ordinaire peuvent prétendre au soutien des écoles d'enseignement spécial. De commun accord et avec la participation des parents, si possible de l'élève et du CLB, il est déterminé comment les heures de cours, les heures et les unités d'accompagnement que les élèves génèrent conformément au paragraphe 3 et sur la base des jours de comptage visés au paragraphe 4, sont utilisées en fonction des besoins de soutien établis.
Le soutien peut être utilisé de manière flexible au sein de l'école d'enseignement secondaire ordinaire et au-delà des écoles d'enseignement secondaire ordinaire pour un soutien axé sur l'élève, l'enseignant ou l'équipe en fonction des besoins de soutien qui existent. Les heures de cours, les heures ou les unités d'accompagnement, allouées en application du présent article, ne peuvent pas être utilisées à des fins de soutien en application de l'article 314/8.
Les écoles d'enseignement spécial commencent avec un soutien à partir du premier jour de classe de l'année scolaire en cours et, le cas échéant, également à partir du premier jour de classe de février pour les élèves en possession d'un rapport d'inscription, d'un rapport motivé ou d'un rapport de type 2, 4, 6 ou 7 qui sont déjà connus et qui nécessitent un soutien.
§ 9. L'inspection de l'enseignement effectue des contrôles de qualité ciblés sur des parcours diagnostiques orientés vers l'action débouchant sur la rédaction des rapports et des rapports motivés de type 2, 4, 6 et 7.
§ 10. Le contrôle exercé par l'inspection de l'enseignement et l'administration ainsi que l'évaluation et le suivi visés à l'article 314/8, §§ 9 et 10, s'appliquent également à l'exécution du présent article.
§ 11. Pour l'application du présent article, on entend par école toute école financée ou subventionnée. ".
" Art. 314/9. § 1er. Les écoles d'enseignement secondaire ordinaire peuvent recevoir de la part d'écoles d'enseignement spécial qui possèdent l'expertise spécifique au handicap requise, un soutien pour :
1° les élèves en possession d'un rapport d'inscription pour le type 2, 4, 6 ou 7 dont ces élèves disposent parce qu'ils relèvent de l'application de l'article 352, § 2 ;
2° les élèves en possession d'un rapport motivé pour le type 2, 4, 6 ou 7, visé à l'article 352 ;
3° les élèves en possession d'un rapport de type 2, 4, 6 ou 7 visé à l'article 294.
§ 2. Par élève, mentionné au paragraphe 1er, nécessitant un soutien et qui est compté aux jours de comptage, mentionnés au paragraphe 4, l'école d'enseignement secondaire ordinaire informe l'Agentschap voor Onderwijsdiensten de l'école d'enseignement spécial qui s'occupe du soutien pour l'année scolaire en question. L'école associe les parents des élèves concernés et le CLB à ce choix. Pour les élèves qui sont déjà connus, l'école d'enseignement ordinaire est chargée de communiquer ce choix avant la fin de l'année scolaire précédente aux écoles d'enseignement spécial avec lesquelles elle coopérera.
Les écoles d'enseignement secondaire ordinaire peuvent s'engager dans une coopération inter-réseaux avec les écoles d'enseignement spécial. Les écoles d'enseignement spécial désignées sont déterminantes pour l'attribution des heures de cours, des heures et des unités d'accompagnement à ces écoles.
§ 3. Les heures de cours, heures et unités d'accompagnement sont déterminées comme suit :
1° pour les élèves en possession d'un rapport de type 2, 4, 6 et 7 dans l'enseignement secondaire ordinaire et les élèves en possession d'un rapport d'inscription de type 2 dans l'enseignement secondaire ordinaire :
a) type 2 : 4 heures de cours et 1,5 heures ;
b) type 4 : 3,420 heures de cours et 3,5 heures ;
c) type 6 : 4,436 heures de cours et 1,5 heures ;
d) type 7 : 3,850 heures de cours et 1,6 heures ;
2° pour les élèves en possession d'un rapport d'inscription de type 4, 6 ou 7 dans l'enseignement secondaire ordinaire ou d'un rapport motivé de type 2, 4, 6 ou 7 dans l'enseignement secondaire ordinaire :
a) type 2 : 2 unités d'accompagnement ;
b) type 4 : 2 unités d'accompagnement ;
c) type 6 : 3,51 unités d'accompagnement ;
d) type 7 : 2,38 unités d'accompagnement.
Les heures de cours, les heures et les unités d'accompagnement sont additionnées par type par école d'enseignement spécial et séparément pour les points 1° et 2°, et dans le cas d'un nombre décimal, arrondies à l'unité supérieure suivante.
En fonction des besoins d'accompagnement supplémentaires des élèves en possession d'un rapport de type 2, 4, 6 ou 7 ou d'un rapport d'inscription de type 2 en plus des périodes de cours qu'ils génèrent dans une école d'enseignement ordinaire ou en fonction du maintien de l'expertise et de l'emploi dans une école d'enseignement spécial qui propose l'offre pour les élèves conformément à l'article 259, § 1er, 2° et/ou 4°, et/ou 6°, et/ou 7°, une conversion d'heures de cours en heures ou vice versa peut être effectuée conformément au tableau de conversion, visé à l'article 22/20, 2°, alinéa 2, 1°, 2° et 3° afin de mieux soutenir lesdits élèves si la situation l'exige. Cette conversion dépend de l'accord des parents et des comités locaux de négociation de l'école d'enseignement ordinaire et spécial.
§ 4. Les jours de comptage pour l'attribution des heures de cours, des heures et des unités d'accompagnement aux écoles d'enseignement spécial sont :
1° le premier jour de classe d'octobre de l'année scolaire en cours ;
2° le premier jour classe de février de l'année scolaire en cours.
Les heures de cours, les heures et les unités d'accompagnement allouées sur la base du comptage au premier jour de classe d'octobre de l'année scolaire en cours constituent l'ensemble de base garanti pour l'année scolaire entière.
Si, sur la base du calcul visé aux paragraphes 1er, 2 et 3, un nombre plus élevé d'heures de cours, d'heures ou d'unités d'accompagnement par type est généré au premier jour de classe de février pour une école d'enseignement spécial par rapport au nombre attribué au premier jour de classe d'octobre, cette école reçoit cette différence d'heures de cours, d'heures ou d'unités d'accompagnement par type à compter du premier jour de classe de février. En cas de baisse, l'école d'enseignement spécial conserve les heures de cours, heures et unités d'accompagnement calculées par type sur la base du premier jour de classe d'octobre.
§ 5. Les écoles d'enseignement spécial reçoivent les heures de cours, heures et unités d'accompagnement pour les élèves des écoles d'enseignement secondaire ordinaire avec lesquelles elles coopèrent.
Dans le cas où une école d'enseignement secondaire ordinaire coopère pour le soutien avec une école d'enseignement fondamental spécial, les heures de cours mentionnées au paragraphe 3, 1°, sont allouées par l'Agentschap voor Onderwijsdiensten comme des heures de cours.
En fonction de la nature du soutien nécessaire, les unités d'accompagnement peuvent être converties en heures de cours ou en heures.
§ 6. Les heures de cours et les heures, y compris les unités d'accompagnement converties, sont considérées pour les écoles d'enseignement secondaire spécial comme des heures de cours supplémentaires et des heures supplémentaires et comme des heures de cours supplémentaires et des heures pour les écoles d'enseignement fondamental spécial, visées à l'article 3, 14° et 14° bis, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, si l'école d'enseignement secondaire ordinaire collabore pour le soutien avec une école d'enseignement fondamental spécial.
Par dérogation aux articles 19, 20 et 313, § 2, les heures de cours et les heures, y compris les unités d'accompagnement converties, peuvent être transférées à travers les réseaux et après le 1er novembre et, par dérogation à l'article 2, § 3, transférées d'une école d'enseignement secondaire spécial à une école d'enseignement fondamental spécial.
Par dérogation aux articles 21 et 313, § 1er, les heures de cours, et les heures, y compris les unités d'accompagnement converties, ne peuvent pas être transférées à l'année scolaire suivante.
Les paragraphes 6, 7 et 8 de l'article 314/8 s'appliquent aux membres du personnel engagés dans les heures de cours supplémentaires et des heures supplémentaires.
§ 7. Les écoles d'enseignement spécial travaillent ensemble à travers les réseaux pour partager leur expertise en fonction de leur mission de soutien aux écoles d'enseignement ordinaire.
§ 8. Les écoles d'enseignement secondaire ordinaire peuvent prétendre au soutien des écoles d'enseignement spécial. De commun accord et avec la participation des parents, si possible de l'élève et du CLB, il est déterminé comment les heures de cours, les heures et les unités d'accompagnement que les élèves génèrent conformément au paragraphe 3 et sur la base des jours de comptage visés au paragraphe 4, sont utilisées en fonction des besoins de soutien établis.
Le soutien peut être utilisé de manière flexible au sein de l'école d'enseignement secondaire ordinaire et au-delà des écoles d'enseignement secondaire ordinaire pour un soutien axé sur l'élève, l'enseignant ou l'équipe en fonction des besoins de soutien qui existent. Les heures de cours, les heures ou les unités d'accompagnement, allouées en application du présent article, ne peuvent pas être utilisées à des fins de soutien en application de l'article 314/8.
Les écoles d'enseignement spécial commencent avec un soutien à partir du premier jour de classe de l'année scolaire en cours et, le cas échéant, également à partir du premier jour de classe de février pour les élèves en possession d'un rapport d'inscription, d'un rapport motivé ou d'un rapport de type 2, 4, 6 ou 7 qui sont déjà connus et qui nécessitent un soutien.
§ 9. L'inspection de l'enseignement effectue des contrôles de qualité ciblés sur des parcours diagnostiques orientés vers l'action débouchant sur la rédaction des rapports et des rapports motivés de type 2, 4, 6 et 7.
§ 10. Le contrôle exercé par l'inspection de l'enseignement et l'administration ainsi que l'évaluation et le suivi visés à l'article 314/8, §§ 9 et 10, s'appliquent également à l'exécution du présent article.
§ 11. Pour l'application du présent article, on entend par école toute école financée ou subventionnée. ".
Art. 92. In artikel 323 van dezelfde codex wordt punt c) opgeheven.
Art. 92. Dans l'article 323 du même Code, le point c) est abrogé.
Art. 93. In artikel 326 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de tekst van punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
"1° voor de leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs wordt het puntengewicht als volgt vastgesteld:";
2° in de tabel in punt 1° worden de rijen 3 tot en met 8 opgeheven.
1° de tekst van punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
"1° voor de leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs wordt het puntengewicht als volgt vastgesteld:";
2° in de tabel in punt 1° worden de rijen 3 tot en met 8 opgeheven.
Art. 93. A l'article 326 du même Code, modifié par le décret du 21 mars 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° le texte du point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° pour les élèves de l'enseignement secondaire spécial, la pondération est déterminée comme suit : " ;
2° dans le tableau du point 1°, les rangs 3 à 8 sont abrogés.
1° le texte du point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° pour les élèves de l'enseignement secondaire spécial, la pondération est déterminée comme suit : " ;
2° dans le tableau du point 1°, les rangs 3 à 8 sont abrogés.
Art. 94. In artikel 329 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 8 juli 2011, 23 december 2016 en 16 juni 2017, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt:
" § 1. Per school wordt het totale aantal punten berekend door het aantal leerlingen, geteld op de teldatum, vermeld in artikel 169 tot en met 172, te vermenigvuldigen met hun puntengewicht voor schoolkenmerken, met uitzondering van schoolkenmerk V1, V2.".
" § 1. Per school wordt het totale aantal punten berekend door het aantal leerlingen, geteld op de teldatum, vermeld in artikel 169 tot en met 172, te vermenigvuldigen met hun puntengewicht voor schoolkenmerken, met uitzondering van schoolkenmerk V1, V2.".
Art. 94. Dans l'article 329 du même Code, modifié par les décrets des 8 juillet 2011, 23 décembre 2016 et 16 juin 2017, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Par école, le nombre total de points est calculé en multipliant le nombre d'élèves comptés à la date de comptage mentionnée aux articles 169 à 172, par leur pondération pour les caractéristiques de l'école, à l'exception des caractéristiques de l'école V1, V2. ".
" § 1er. Par école, le nombre total de points est calculé en multipliant le nombre d'élèves comptés à la date de comptage mentionnée aux articles 169 à 172, par leur pondération pour les caractéristiques de l'école, à l'exception des caractéristiques de l'école V1, V2. ".
Art. 95. In dezelfde codex wordt in deel V, titel 2, hoofdstuk 3, afdeling 2, het opschrift van onderafdeling 5 vervangen door wat volgt:
"Onderafdeling 5. Berekening van de werkingsmiddelen voor scholen buitengewoon onderwijs actief in het kader van het ondersteuningsmodel".
"Onderafdeling 5. Berekening van de werkingsmiddelen voor scholen buitengewoon onderwijs actief in het kader van het ondersteuningsmodel".
Art. 95. Dans le même Code, l'intitulé de la sous-section 5 dans la partie V, titre 2, chapitre 3, section 2 est remplacé par ce qui suit :
" Sous-section 5. Calcul des moyens de fonctionnement pour les écoles d'enseignement spécial actives dans le cadre du modèle de soutien ".
" Sous-section 5. Calcul des moyens de fonctionnement pour les écoles d'enseignement spécial actives dans le cadre du modèle de soutien ".
Art. 96. Artikel 330 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt opgeheven.
Art. 96. L'article 330 du même Code, modifié par le décret du 25 avril 2014, est abrogé.
Art. 97. Artikel 330/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2016 en gewijzigd bij het decreet van 30 juni 2017, wordt opgeheven.
Art. 97. L'article 330/1 du même Code, inséré par le décret du 23 décembre 2016 et modifié par le décret du 30 juin 2017, est abrogé.
Art. 98. Artikel 330/2 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 22 december 2017, wordt opgeheven.
Art. 98. L'article 330/2 du même Code, inséré par le décret du 22 décembre 2017, est abrogé.
Art. 99. Artikel 330/3 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 330/3. § 1. Er worden jaarlijks werkingsmiddelen toegekend aan de schoolbesturen van scholen buitengewoon onderwijs die met toepassing van artikel 314/8 en 314/9 ondersteuning bieden.
§ 2. Voor de leerlingen, vermeld in artikel 314/8 en 314/9, § 3, 2°, worden de voormelde werkingsmiddelen voor het schooljaar (X, X+1) berekend door het aantal aan de schoolbesturen toegekende begeleidingseenheden, extra lesuren, en extra uren in het kader van het ondersteuningsmodel, vermeld in artikel 314/8 en 314/9, § 3, 2°, in voorkomend geval na overdrachten, te vermenigvuldigen met een bedrag per begeleidingseenheid, lesuur of uur.
Het bedrag, vermeld in het eerste lid, werd berekend door het budget dat op de onderwijsbegroting voor 2018 voorzien was voor de toekenning van werkingsmiddelen voor het ondersteuningsmodel te delen door het totaal aantal toegekende begeleidingseenheden, extra lestijden, extra lesuren en extra uren in het kader van het ondersteuningsmodel voor het schooljaar 2017-2018.
Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die berekend wordt conform de volgende formule:
A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x- 2.
§ 3. Voor de leerlingen, vermeld in artikel 314/9, § 3, 1°, die op een van de teldagen, vermeld in artikel 314/9, § 4, begeleid worden, krijgt de begeleidende school voor buitengewoon onderwijs de volgende werkingsmiddelen toegekend:
1° type 2, 6 of 7: 355,06 euro per leerling;
2° type 4: 529,26 euro per leerling.
De werkingsmiddelen toegekend aan de school voor buitengewoon onderwijs op basis van de leerlingen op de eerste schooldag van oktober, worden gegarandeerd voor het volledige schooljaar.
Als op basis van de telling op de eerste schooldag van februari van het lopende schooljaar en met toepassing van de bedragen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, een hoger bedrag aan werkingsmiddelen wordt bekomen voor een school voor buitengewoon onderwijs in vergelijking met de werkingsmiddelen toegekend op basis van de telling van de eerste schooldag van oktober, dan ontvangt deze school dit verschil aan werkingsmiddelen. In geval van een daling behoudt de school voor buitengewoon onderwijs de werkingsmiddelen berekend op basis van de eerste schooldag van oktober.
In geval een school voor gewoon secundair onderwijs voor ondersteuning samenwerkt met een school voor buitengewoon basisonderwijs, dan worden de werkingsmiddelen bepaald met toepassing van de bedragen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, toegekend aan die school voor buitengewoon basisonderwijs.
§ 4. De bedragen, vermeld in paragraaf 3, eerst lid, 1° en 2°, worden jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die berekend wordt conform de volgende formule:
A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x- 2.".
"Art. 330/3. § 1. Er worden jaarlijks werkingsmiddelen toegekend aan de schoolbesturen van scholen buitengewoon onderwijs die met toepassing van artikel 314/8 en 314/9 ondersteuning bieden.
§ 2. Voor de leerlingen, vermeld in artikel 314/8 en 314/9, § 3, 2°, worden de voormelde werkingsmiddelen voor het schooljaar (X, X+1) berekend door het aantal aan de schoolbesturen toegekende begeleidingseenheden, extra lesuren, en extra uren in het kader van het ondersteuningsmodel, vermeld in artikel 314/8 en 314/9, § 3, 2°, in voorkomend geval na overdrachten, te vermenigvuldigen met een bedrag per begeleidingseenheid, lesuur of uur.
Het bedrag, vermeld in het eerste lid, werd berekend door het budget dat op de onderwijsbegroting voor 2018 voorzien was voor de toekenning van werkingsmiddelen voor het ondersteuningsmodel te delen door het totaal aantal toegekende begeleidingseenheden, extra lestijden, extra lesuren en extra uren in het kader van het ondersteuningsmodel voor het schooljaar 2017-2018.
Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die berekend wordt conform de volgende formule:
A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x- 2.
§ 3. Voor de leerlingen, vermeld in artikel 314/9, § 3, 1°, die op een van de teldagen, vermeld in artikel 314/9, § 4, begeleid worden, krijgt de begeleidende school voor buitengewoon onderwijs de volgende werkingsmiddelen toegekend:
1° type 2, 6 of 7: 355,06 euro per leerling;
2° type 4: 529,26 euro per leerling.
De werkingsmiddelen toegekend aan de school voor buitengewoon onderwijs op basis van de leerlingen op de eerste schooldag van oktober, worden gegarandeerd voor het volledige schooljaar.
Als op basis van de telling op de eerste schooldag van februari van het lopende schooljaar en met toepassing van de bedragen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, een hoger bedrag aan werkingsmiddelen wordt bekomen voor een school voor buitengewoon onderwijs in vergelijking met de werkingsmiddelen toegekend op basis van de telling van de eerste schooldag van oktober, dan ontvangt deze school dit verschil aan werkingsmiddelen. In geval van een daling behoudt de school voor buitengewoon onderwijs de werkingsmiddelen berekend op basis van de eerste schooldag van oktober.
In geval een school voor gewoon secundair onderwijs voor ondersteuning samenwerkt met een school voor buitengewoon basisonderwijs, dan worden de werkingsmiddelen bepaald met toepassing van de bedragen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, toegekend aan die school voor buitengewoon basisonderwijs.
§ 4. De bedragen, vermeld in paragraaf 3, eerst lid, 1° en 2°, worden jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die berekend wordt conform de volgende formule:
A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x- 2.".
Art. 99. L'article 330/3 du même Code, inséré par le décret du 6 juillet 2018, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 330/3. § 1er. Des moyens de fonctionnement sont alloués annuellement aux autorités scolaires d'écoles d'enseignement spécial qui fournissent un soutien par application des articles 314/8 et 314/9.
§ 2. Pour les élèves visés aux articles 314/8 et 314/9, § 3, 2°, les moyens de fonctionnement précités pour l'année scolaire (X, X+1) sont calculés en multipliant le nombre d'unités d'accompagnement, d'heures de cours supplémentaires et d'heures supplémentaires accordées aux autorités scolaires dans le cadre du modèle de soutien, visées aux articles 314/8 et 314/9, § 3, 2°, le cas échéant, après des transferts, par un montant par unité d'accompagnement, heure de cours ou heure.
Le montant visé à l'alinéa 1er a été calculé en divisant le budget inscrit au budget de l'enseignement pour 2018 pour l'attribution de moyens de fonctionnement au modèle de soutien, par le nombre total d'unités d'accompagnement, de périodes de cours supplémentaires, d'heures de cours supplémentaires et d'heures supplémentaires dans le cadre du modèle de soutien pour l'année scolaire 2017-2018.
Le montant visé à l'alinéa 2 est multiplié annuellement par le coefficient d'adaptation A, qui est calculé à l'aide de la formule suivante :
A = (Cx-1/Cx-2), où :
1° Cx-1 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-1 ;
2° Cx-2 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-2.
§ 3. Pour les élèves visés à l'article 314/9, § 3, 1°, qui sont accompagnés à l'un des jours de comptage visés à l'article 314/9, § 4, l'école accompagnatrice d'enseignement spécial se voit attribuer les moyens de fonctionnement suivants :
1° type 2, 6 ou 7 : 355,06 euros par élève ;
2° type 4 : 529,26 euros par élève.
Les moyens de fonctionnement alloués à l'école d'enseignement spécial sur la base des élèves au premier jour de classe d'octobre sont garantis pour toute l'année scolaire.
Si, sur la base du comptage au premier jour de classe de février de l'année scolaire en cours et par application des montants, visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, un montant plus élevé de moyens de fonctionnement est obtenu pour une école d'enseignement spécial par rapport aux moyens de fonctionnement alloués sur la base du comptage du premier jour de classe d'octobre, cette école reçoit cette différence de moyens de fonctionnement. En cas de baisse du nombre d'élèves, l'école d'enseignement spécial maintient les moyens de fonctionnement calculés sur la base du premier jour de classe d'octobre.
Dans le cas où une école d'enseignement secondaire ordinaire coopère pour le soutien avec une école d'enseignement fondamental spécial, les moyens de fonctionnement sont déterminés en appliquant les montants visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, accordés à cette école d'enseignement fondamental spécial.
§ 4. Les montants visés au paragraphe 3, l'alinéa 1er, 1° et 2°, sont multipliés annuellement par le coefficient d'adaptation A qui est calculé à l'aide de la formule suivante :
A = (Cx-1/Cx-2), où :
1° Cx-1 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-1 ;
2° Cx-2 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-2. ".
" Art. 330/3. § 1er. Des moyens de fonctionnement sont alloués annuellement aux autorités scolaires d'écoles d'enseignement spécial qui fournissent un soutien par application des articles 314/8 et 314/9.
§ 2. Pour les élèves visés aux articles 314/8 et 314/9, § 3, 2°, les moyens de fonctionnement précités pour l'année scolaire (X, X+1) sont calculés en multipliant le nombre d'unités d'accompagnement, d'heures de cours supplémentaires et d'heures supplémentaires accordées aux autorités scolaires dans le cadre du modèle de soutien, visées aux articles 314/8 et 314/9, § 3, 2°, le cas échéant, après des transferts, par un montant par unité d'accompagnement, heure de cours ou heure.
Le montant visé à l'alinéa 1er a été calculé en divisant le budget inscrit au budget de l'enseignement pour 2018 pour l'attribution de moyens de fonctionnement au modèle de soutien, par le nombre total d'unités d'accompagnement, de périodes de cours supplémentaires, d'heures de cours supplémentaires et d'heures supplémentaires dans le cadre du modèle de soutien pour l'année scolaire 2017-2018.
Le montant visé à l'alinéa 2 est multiplié annuellement par le coefficient d'adaptation A, qui est calculé à l'aide de la formule suivante :
A = (Cx-1/Cx-2), où :
1° Cx-1 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-1 ;
2° Cx-2 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-2.
§ 3. Pour les élèves visés à l'article 314/9, § 3, 1°, qui sont accompagnés à l'un des jours de comptage visés à l'article 314/9, § 4, l'école accompagnatrice d'enseignement spécial se voit attribuer les moyens de fonctionnement suivants :
1° type 2, 6 ou 7 : 355,06 euros par élève ;
2° type 4 : 529,26 euros par élève.
Les moyens de fonctionnement alloués à l'école d'enseignement spécial sur la base des élèves au premier jour de classe d'octobre sont garantis pour toute l'année scolaire.
Si, sur la base du comptage au premier jour de classe de février de l'année scolaire en cours et par application des montants, visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, un montant plus élevé de moyens de fonctionnement est obtenu pour une école d'enseignement spécial par rapport aux moyens de fonctionnement alloués sur la base du comptage du premier jour de classe d'octobre, cette école reçoit cette différence de moyens de fonctionnement. En cas de baisse du nombre d'élèves, l'école d'enseignement spécial maintient les moyens de fonctionnement calculés sur la base du premier jour de classe d'octobre.
Dans le cas où une école d'enseignement secondaire ordinaire coopère pour le soutien avec une école d'enseignement fondamental spécial, les moyens de fonctionnement sont déterminés en appliquant les montants visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, accordés à cette école d'enseignement fondamental spécial.
§ 4. Les montants visés au paragraphe 3, l'alinéa 1er, 1° et 2°, sont multipliés annuellement par le coefficient d'adaptation A qui est calculé à l'aide de la formule suivante :
A = (Cx-1/Cx-2), où :
1° Cx-1 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-1 ;
2° Cx-2 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-2. ".
Art. 100. In artikel 352 van dezelfde codex, vervangen door het decreet van 21 maart 2014 en gewijzigd bij de decreten van 19 juni 2015 en 6 juli 2018, wordt in paragraaf 1 de zinsnede "artikel 314/8" vervangen door de zinsnede "artikel 314/8 en artikel 314/9".
Art. 100. Dans l'article 352 du même Code, remplacé par le décret du 21 mars 2014 et modifié par les décrets des 19 juin 2015 et 6 juillet 2018, le membre de phrase " à l'article 314/8 " dans le paragraphe 1er est remplacé par le membre de phrase " aux articles 314/8 et 314/9 ".
Art. 101. Artikel 356 van dezelfde codex wordt opgeheven.
Art. 101. L'article 356 du même Code est abrogé.
Art. 102. In artikel 357/9, § 4, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 30 maart 2018, worden een derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Een personeelslid kan met het oog op de verplichting, vermeld in het tweede lid, en onverminderd de daar gestelde verplichting om in een passende compensatieregeling te voorzien, op vrijwillige basis de jaarlijkse vakantie, die van kracht is in de school of het centrum waar hij is aangesteld, in een andere periode van het schooljaar opnemen met inachtneming van de organisatie van de school en onder de verantwoordelijkheid van de directeur van de school of het centrum in het gemeenschapsonderwijs of van de inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs. In het bevoegde lokaal comité of in de ondernemingsraad worden daarover verdere criteria en afspraken onderhandeld, waarbij alleszins rekening wordt gehouden met het volgende:
1° de termijn van aanvraag om als personeelslid in een andere periode vakantie op te nemen;
2° de periode van afwijking van de jaarlijkse vakantie in de school of het centrum.
De jaarlijkse vakantie als vermeld in het derde lid, wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.".
"Een personeelslid kan met het oog op de verplichting, vermeld in het tweede lid, en onverminderd de daar gestelde verplichting om in een passende compensatieregeling te voorzien, op vrijwillige basis de jaarlijkse vakantie, die van kracht is in de school of het centrum waar hij is aangesteld, in een andere periode van het schooljaar opnemen met inachtneming van de organisatie van de school en onder de verantwoordelijkheid van de directeur van de school of het centrum in het gemeenschapsonderwijs of van de inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs. In het bevoegde lokaal comité of in de ondernemingsraad worden daarover verdere criteria en afspraken onderhandeld, waarbij alleszins rekening wordt gehouden met het volgende:
1° de termijn van aanvraag om als personeelslid in een andere periode vakantie op te nemen;
2° de periode van afwijking van de jaarlijkse vakantie in de school of het centrum.
De jaarlijkse vakantie als vermeld in het derde lid, wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.".
Art. 102. A l'article 357/9, § 4, du même Code, inséré par le décret du 30 mars 2018, il est ajouté des alinéas 3 et 4 rédigés comme suit :
" Aux fins de l'obligation visée à l'alinéa 2, et sans préjudice de l'obligation qui y est prévue en vue de prévoir une compensation appropriée, le membre du personnel peut, sur une base volontaire, prendre le congé annuel de vacances en vigueur dans l'école ou le centre auquel il a été désigné pendant une autre période de l'année scolaire, en tenant compte de l'organisation de l'école et sous la responsabilité du directeur de l'école ou du centre dans l'enseignement communautaire ou du pouvoir organisateur dans l'enseignement subventionné. D'autres critères et accords sont négociés au sein du comité local compétent ou du conseil d'entreprise, en tenant compte en tout état de cause des éléments suivants :
1° le délai de demande pour prendre des vacances en qualité de membre du personnel dans une autre période ;
2° la période d'écart par rapport au congé annuel de vacances dans l'école ou le centre.
Le congé annuel de vacances tel que visé à l'alinéa 3, est assimilé à une période d'activité de service. ".
" Aux fins de l'obligation visée à l'alinéa 2, et sans préjudice de l'obligation qui y est prévue en vue de prévoir une compensation appropriée, le membre du personnel peut, sur une base volontaire, prendre le congé annuel de vacances en vigueur dans l'école ou le centre auquel il a été désigné pendant une autre période de l'année scolaire, en tenant compte de l'organisation de l'école et sous la responsabilité du directeur de l'école ou du centre dans l'enseignement communautaire ou du pouvoir organisateur dans l'enseignement subventionné. D'autres critères et accords sont négociés au sein du comité local compétent ou du conseil d'entreprise, en tenant compte en tout état de cause des éléments suivants :
1° le délai de demande pour prendre des vacances en qualité de membre du personnel dans une autre période ;
2° la période d'écart par rapport au congé annuel de vacances dans l'école ou le centre.
Le congé annuel de vacances tel que visé à l'alinéa 3, est assimilé à une période d'activité de service. ".
Art. 103. Aan artikel 357/23 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 30 maart 2018, worden een derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Een personeelslid kan met het oog op de verplichting, vermeld in het tweede lid, en onverminderd de daar gestelde verplichting om in een passende compensatieregeling te voorzien, op vrijwillige basis de jaarlijkse vakantie, die van kracht is in de school of het centrum waar hij is aangesteld, in een andere periode van het schooljaar opnemen met inachtneming van de organisatie van de school of het centrum en onder de verantwoordelijkheid van de directeur van de school in het gemeenschapsonderwijs of van de inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs. In het bevoegde lokaal comité of in de ondernemingsraad worden daarover verdere criteria en afspraken onderhandeld, waarbij alleszins rekening wordt gehouden met het volgende:
1° de termijn van aanvraag om als personeelslid in een andere periode vakantie op te nemen;
2° de periode van afwijking van de jaarlijkse vakantie in de school of het centrum.
De jaarlijkse vakantie als vermeld in het derde lid, wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.".
"Een personeelslid kan met het oog op de verplichting, vermeld in het tweede lid, en onverminderd de daar gestelde verplichting om in een passende compensatieregeling te voorzien, op vrijwillige basis de jaarlijkse vakantie, die van kracht is in de school of het centrum waar hij is aangesteld, in een andere periode van het schooljaar opnemen met inachtneming van de organisatie van de school of het centrum en onder de verantwoordelijkheid van de directeur van de school in het gemeenschapsonderwijs of van de inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs. In het bevoegde lokaal comité of in de ondernemingsraad worden daarover verdere criteria en afspraken onderhandeld, waarbij alleszins rekening wordt gehouden met het volgende:
1° de termijn van aanvraag om als personeelslid in een andere periode vakantie op te nemen;
2° de periode van afwijking van de jaarlijkse vakantie in de school of het centrum.
De jaarlijkse vakantie als vermeld in het derde lid, wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.".
Art. 103. A l'article 357/23 du même Code, inséré par le décret du 30 mars 2018, il est ajouté des alinéas 3 et 4 rédigés comme suit :
" Aux fins de l'obligation visée à l'alinéa 2, et sans préjudice de l'obligation qui y est prévue en vue de prévoir une compensation appropriée, le membre du personnel peut, sur une base volontaire, prendre le congé annuel de vacances en vigueur dans l'école ou le centre auquel il a été désigné pendant une autre période de l'année scolaire, en tenant compte de l'organisation de l'école ou du centre et sous la responsabilité du directeur de l'école ou du centre dans l'enseignement communautaire ou du pouvoir organisateur dans l'enseignement subventionné. D'autres critères et accords sont négociés au sein du comité local compétent ou du conseil d'entreprise, en tenant compte en tout état de cause des éléments suivants :
1° le délai de demande pour prendre des vacances en qualité de membre du personnel dans une autre période ;
2° la période d'écart par rapport au congé annuel de vacances dans l'école ou le centre.
Le congé annuel de vacances tel que visé à l'alinéa 3, est assimilé à une période d'activité de service. ".
" Aux fins de l'obligation visée à l'alinéa 2, et sans préjudice de l'obligation qui y est prévue en vue de prévoir une compensation appropriée, le membre du personnel peut, sur une base volontaire, prendre le congé annuel de vacances en vigueur dans l'école ou le centre auquel il a été désigné pendant une autre période de l'année scolaire, en tenant compte de l'organisation de l'école ou du centre et sous la responsabilité du directeur de l'école ou du centre dans l'enseignement communautaire ou du pouvoir organisateur dans l'enseignement subventionné. D'autres critères et accords sont négociés au sein du comité local compétent ou du conseil d'entreprise, en tenant compte en tout état de cause des éléments suivants :
1° le délai de demande pour prendre des vacances en qualité de membre du personnel dans une autre période ;
2° la période d'écart par rapport au congé annuel de vacances dans l'école ou le centre.
Le congé annuel de vacances tel que visé à l'alinéa 3, est assimilé à une période d'activité de service. ".
Art. 104. Bijlage 1 bij dezelfde codex wordt vervangen door de bijlage die bij dit decreet is toegevoegd.
Art. 104. L'annexe 1re au même Code est remplacée par l'annexe jointe au présent décret.
HOOFDSTUK 12. - Wijzigingen van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013
CHAPITRE 12. - Modifications du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013
Art. 105. Aan artikel II.79 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 3. De Universiteit Hasselt kan in het administratief arrondissement Hasselt de educatieve masteropleiding Wetenschappen en Technologie aanbieden en de desbetreffende graad van master uitreiken in het studiegebied Wetenschappen. Zij sluit hiertoe een samenwerkingsovereenkomst af met een andere Vlaamse universiteit die bevoegd is om deze masteropleiding te organiseren.".
" § 3. De Universiteit Hasselt kan in het administratief arrondissement Hasselt de educatieve masteropleiding Wetenschappen en Technologie aanbieden en de desbetreffende graad van master uitreiken in het studiegebied Wetenschappen. Zij sluit hiertoe een samenwerkingsovereenkomst af met een andere Vlaamse universiteit die bevoegd is om deze masteropleiding te organiseren.".
Art. 105. L'article II.79 du Code de l'Enseignement supérieur est complété par un paragraphe 3 rédigé comme suit :
" § 3. Dans l'arrondissement administratif de Hasselt, l'Universiteit Hasselt peut offrir une formation de master en sciences de l'éducation " Wetenschappen en Technologie " (sciences et technologie) et décerner le diplôme de master correspondant dans la discipline " Wetenschappen " (Sciences). A cet effet, elle conclut un accord de coopération avec une autre université flamande compétente pour organiser cette formation de master. ".
" § 3. Dans l'arrondissement administratif de Hasselt, l'Universiteit Hasselt peut offrir une formation de master en sciences de l'éducation " Wetenschappen en Technologie " (sciences et technologie) et décerner le diplôme de master correspondant dans la discipline " Wetenschappen " (Sciences). A cet effet, elle conclut un accord de coopération avec une autre université flamande compétente pour organiser cette formation de master. ".
Art. 106. In artikel II.170, § 2, derde lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 8 december 2017, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° indien van toepassing het studiegebied, een deel van het studiegebied of studiegebieden waarbinnen een opleiding wordt ondergebracht;".
"1° indien van toepassing het studiegebied, een deel van het studiegebied of studiegebieden waarbinnen een opleiding wordt ondergebracht;".
Art. 106. Dans l'article II.170, § 2, alinéa 3, du même Code, remplacé par le décret du 8 décembre 2017, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° si applicable, la discipline, une partie de la discipline ou des disciplines où est classée une formation ; ".
" 1° si applicable, la discipline, une partie de la discipline ou des disciplines où est classée une formation ; ".
Art. 107. In artikel II.187, § 3, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 8 december 2017, wordt tussen het vierde en het vijfde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Dubbel gerangschikte kandidaten die voor beide toelatingsexamens in aanmerking komen voor een gunstige rangschikking, worden uitsluitend gunstig gerangschikt voor de opleiding van hun keuze, vermeld in paragraaf 8.".
"Dubbel gerangschikte kandidaten die voor beide toelatingsexamens in aanmerking komen voor een gunstige rangschikking, worden uitsluitend gunstig gerangschikt voor de opleiding van hun keuze, vermeld in paragraaf 8.".
Art. 107. Dans l'article II.187, § 3, du même Code, remplacé par le décret du 8 décembre 2017, il est inséré, entre les alinéas 4 et 5, un nouvel alinéa rédigé comme suit :
" Les candidats doublement classés qui sont éligibles à un classement favorable pour les deux examens d'admission ne seront classés favorablement que pour la formation de leur choix, comme mentionnée au paragraphe 8. ".
" Les candidats doublement classés qui sont éligibles à un classement favorable pour les deux examens d'admission ne seront classés favorablement que pour la formation de leur choix, comme mentionnée au paragraphe 8. ".
Art. 108. Aan artikel II.187, § 8, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 8 december 2017, worden een tweede en derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Kandidaten voor beide toelatingsexamens melden bij hun inschrijving uitdrukkelijk voor welke opleiding ze een voorkeur hebben.
De keuze, vermeld in het tweede lid, is bindend. Door die keuze worden kandidaten als ze voor een dubbele gunstige rangschikking in aanmerking komen, alleen opgenomen als gunstig gerangschikte kandidaat op de lijst, vermeld in paragraaf 3, zesde lid, voor de opleiding van hun keuze.".
"Kandidaten voor beide toelatingsexamens melden bij hun inschrijving uitdrukkelijk voor welke opleiding ze een voorkeur hebben.
De keuze, vermeld in het tweede lid, is bindend. Door die keuze worden kandidaten als ze voor een dubbele gunstige rangschikking in aanmerking komen, alleen opgenomen als gunstig gerangschikte kandidaat op de lijst, vermeld in paragraaf 3, zesde lid, voor de opleiding van hun keuze.".
Art. 108. L'article II.187, § 8, du même Code, inséré par le décret du 8 décembre 2017, est complété par un alinéa 2 et un alinéa 3 rédigés comme suit :
" Les candidats aux deux examens d'admission indiquent explicitement, au moment de leur inscription, la formation qu'ils préfèrent.
Le choix, visé à l'alinéa 2, est contraignant. En conséquence de ce choix, les candidats qui bénéficient d'un double classement favorable ne sont inclus comme candidats favorables sur la liste visée au paragraphe 3, alinéa 6, que pour la formation de leur choix. ".
" Les candidats aux deux examens d'admission indiquent explicitement, au moment de leur inscription, la formation qu'ils préfèrent.
Le choix, visé à l'alinéa 2, est contraignant. En conséquence de ce choix, les candidats qui bénéficient d'un double classement favorable ne sont inclus comme candidats favorables sur la liste visée au paragraphe 3, alinéa 6, que pour la formation de leur choix. ".
Art. 109. In artikel II.210, § 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De bepalingen in het eerste en tweede lid gelden niet voor een inschrijving in een bachelor-na-bacheloropleiding en een master-na-masteropleiding.".
"De bepalingen in het eerste en tweede lid gelden niet voor een inschrijving in een bachelor-na-bacheloropleiding en een master-na-masteropleiding.".
Art. 109. A l'article II.210, § 1er, du même Code, modifié par le décret du 19 décembre 2014, il est ajouté un alinéa 3 rédigé comme suit :
" Les dispositions des alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas à l'inscription à une formation de bachelor après bachelor et une formation de master après master. ".
" Les dispositions des alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas à l'inscription à une formation de bachelor après bachelor et une formation de master après master. ".
Art. 110. In artikel II.261, § 4, van dezelfde codex wordt het woord "met" vervangen door het woord "niet".
Art. 110. Dans l'article II.261, § 4, du même Code, le mot " met " dans le texte néerlandais est remplacé par le mot " niet ".
Art. 111. Aan artikel II.277 van dezelfde codex wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor wat betreft de examens houdt de openbaarheid van bestuur in dat studenten een recht op inzage in en toelichting bij de door hen afgelegde examens hebben. Indien na de toelichting blijkt dat de betrokken student een kopie wil van het door hen afgelegde examen, dan heeft deze student kopierecht. Iedere kopie dient persoonlijk en vertrouwelijk behandeld te worden en mag enkel gebruikt worden in functie van de onderwijsloopbaan van de student.".
"Voor wat betreft de examens houdt de openbaarheid van bestuur in dat studenten een recht op inzage in en toelichting bij de door hen afgelegde examens hebben. Indien na de toelichting blijkt dat de betrokken student een kopie wil van het door hen afgelegde examen, dan heeft deze student kopierecht. Iedere kopie dient persoonlijk en vertrouwelijk behandeld te worden en mag enkel gebruikt worden in functie van de onderwijsloopbaan van de student.".
Art. 111. L'article II.277 du même Code est complété par un alinéa 2 rédigé comme suit :
" Pour ce qui est des examens, la publicité de l'administration signifie que les étudiants ont le droit de consulter les examens et d'obtenir des informations utiles à la compréhension de leurs résultats obtenus aux examens. Si, après la communication des informations utiles à la compréhension des résultats obtenus, il s'avère que l'étudiant concerné veut une copie de l'examen qu'il a passé, cet étudiant dispose du droit d'obtenir copie de son examen. Toute copie doit être traitée de manière personnelle et confidentielle et ne peut être utilisée qu'en fonction de la carrière scolaire de l'étudiant. ".
" Pour ce qui est des examens, la publicité de l'administration signifie que les étudiants ont le droit de consulter les examens et d'obtenir des informations utiles à la compréhension de leurs résultats obtenus aux examens. Si, après la communication des informations utiles à la compréhension des résultats obtenus, il s'avère que l'étudiant concerné veut une copie de l'examen qu'il a passé, cet étudiant dispose du droit d'obtenir copie de son examen. Toute copie doit être traitée de manière personnelle et confidentielle et ne peut être utilisée qu'en fonction de la carrière scolaire de l'étudiant. ".
Art. 112. Aan artikel II.314 van dezelfde codex wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 3. In samenspraak met de studentenraad werkt de instelling een beleidskader uit voor studentenparticipatie. Het beleidskader is een generieke beschrijving van de beleidskeuzes van de instelling over studentenparticipatie. Het bevat de visie van de instelling op studentenparticipatie en de strategische doelstellingen die ze daarbij vooropstelt.".
" § 3. In samenspraak met de studentenraad werkt de instelling een beleidskader uit voor studentenparticipatie. Het beleidskader is een generieke beschrijving van de beleidskeuzes van de instelling over studentenparticipatie. Het bevat de visie van de instelling op studentenparticipatie en de strategische doelstellingen die ze daarbij vooropstelt.".
Art. 112. L'article II.314 du même Code est complété par un paragraphe 3 rédigé comme suit :
" § 3. En consultation avec le conseil des étudiants, l'institution élabore un cadre politique pour la participation des étudiants. Le cadre politique est une description générique des choix politiques de l'institution en matière de participation des étudiants. Il contient la vision de l'institution de la participation des étudiants et les objectifs stratégiques qu'elle se fixe à cet égard. ".
" § 3. En consultation avec le conseil des étudiants, l'institution élabore un cadre politique pour la participation des étudiants. Le cadre politique est une description générique des choix politiques de l'institution en matière de participation des étudiants. Il contient la vision de l'institution de la participation des étudiants et les objectifs stratégiques qu'elle se fixe à cet égard. ".
Art. 113. Aan artikel II.332, eerste lid, van dezelfde codex wordt een vierde punt toegevoegd, dat luidt als volgt:
"4° de bepaling dat als de studentenraad meent dat de instelling haar decretale verplichtingen inzake studentenparticipatie zoals beschreven in artikel II.314 tot en met II.334 niet nakomt, de studentenraad het Regeringscommissariaat daarvan kan op de hoogte stellen.".
"4° de bepaling dat als de studentenraad meent dat de instelling haar decretale verplichtingen inzake studentenparticipatie zoals beschreven in artikel II.314 tot en met II.334 niet nakomt, de studentenraad het Regeringscommissariaat daarvan kan op de hoogte stellen.".
Art. 113. A l'article II.332, alinéa 1er, du même Code, il est ajouté un point 4°, ainsi rédigé :
" 4° la disposition que si le conseil des étudiants considère que l'institution ne respecte pas ses obligations décrétales en matière de participation des étudiants telles que décrites aux articles II.314 à II.334, le conseil des étudiants peut en informer le Commissariat du Gouvernement. ".
" 4° la disposition que si le conseil des étudiants considère que l'institution ne respecte pas ses obligations décrétales en matière de participation des étudiants telles que décrites aux articles II.314 à II.334, le conseil des étudiants peut en informer le Commissariat du Gouvernement. ".
Art. 114. Aan artikel II.334 van dezelfde codex worden een paragraaf 4 en 5 toegevoegd, die luiden als volgt:
" § 4. Het statuut van studentenvertegenwoordiger, vermeld in paragraaf 1, wordt automatisch toegekend voor een mandaat dat onder de toepassing van het statuut valt vanaf het ogenblik dat de studentenvertegenwoordiger het mandaat effectief opneemt.
§ 5. De faciliteiten, vermeld in paragraaf 1, kunnen worden ingezet voor alle mandaten die de studentenvertegenwoordiger effectief opneemt in interne en externe raden en organen. Ze kunnen ook tijdens stages ingezet worden, op voorwaarde dat de stagegever daarmee akkoord gaat. De instelling ziet erop toe dat de studentenvertegenwoordigers de toegekende faciliteiten ook effectief kunnen opnemen.".
" § 4. Het statuut van studentenvertegenwoordiger, vermeld in paragraaf 1, wordt automatisch toegekend voor een mandaat dat onder de toepassing van het statuut valt vanaf het ogenblik dat de studentenvertegenwoordiger het mandaat effectief opneemt.
§ 5. De faciliteiten, vermeld in paragraaf 1, kunnen worden ingezet voor alle mandaten die de studentenvertegenwoordiger effectief opneemt in interne en externe raden en organen. Ze kunnen ook tijdens stages ingezet worden, op voorwaarde dat de stagegever daarmee akkoord gaat. De instelling ziet erop toe dat de studentenvertegenwoordigers de toegekende faciliteiten ook effectief kunnen opnemen.".
Art. 114. A l'article II.334 du même Code, les paragraphes 4 et 5 suivants sont ajoutés :
" § 4. Le statut de représentant des étudiants, visé au paragraphe 1er, est automatiquement accordé pour un mandat qui relève de l'application du statut à partir du moment où le représentant des étudiants s'acquitte effectivement du mandat.
§ 5. Les facilités visées au paragraphe 1er peuvent être utilisées pour tous les mandats détenus effectivement par le représentant des étudiants au sein des conseils et organes internes et externes. Ils peuvent également être utilisés pendant les stages, à condition que le donneur de stage y consente. L'institution veille à ce que les représentants des étudiants soient en mesure d'utiliser effectivement les facilités qui leur sont allouées. ".
" § 4. Le statut de représentant des étudiants, visé au paragraphe 1er, est automatiquement accordé pour un mandat qui relève de l'application du statut à partir du moment où le représentant des étudiants s'acquitte effectivement du mandat.
§ 5. Les facilités visées au paragraphe 1er peuvent être utilisées pour tous les mandats détenus effectivement par le représentant des étudiants au sein des conseils et organes internes et externes. Ils peuvent également être utilisés pendant les stages, à condition que le donneur de stage y consente. L'institution veille à ce que les représentants des étudiants soient en mesure d'utiliser effectivement les facilités qui leur sont allouées. ".
Art. 115. Aan artikel V.16 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 15 juni 2018, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Wanneer de totale omvang van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, na toepassing van de reductie, vermeld in het tweede lid, meer dan 120 % bedraagt, wordt de omvang van de opdracht die het personeelslid nog uitoefent aan de universiteit gereduceerd tot 45 %.".
"Wanneer de totale omvang van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, na toepassing van de reductie, vermeld in het tweede lid, meer dan 120 % bedraagt, wordt de omvang van de opdracht die het personeelslid nog uitoefent aan de universiteit gereduceerd tot 45 %.".
Art. 115. A l'article V.16 du même Code, remplacé par le décret du 15 juin 2018, il est ajouté un alinéa 3 rédigé comme suit :
" Lorsque le volume total des charges, visées à l'alinéa 1er, après application de la réduction, visée à l'alinéa 2, dépasse 120 %, le volume de la charge que le membre du personnel exerce à l'université est réduit à 45 %. ".
" Lorsque le volume total des charges, visées à l'alinéa 1er, après application de la réduction, visée à l'alinéa 2, dépasse 120 %, le volume de la charge que le membre du personnel exerce à l'université est réduit à 45 %. ".
Art. 116. In artikel V.17/1, vierde lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 15 juni 2018, wordt het woord "tweede" vervangen door het woord "derde".
Art. 116. Dans l'article V.17/1, alinéa 4, du même Code, inséré par le décret du 15 juin 2018, le mot " 2 " sont remplacés par le mot " 3 ".
Art. 117. Aan artikel V.21 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid kan het universiteitsbestuur op grond van een omstandige motivering ook personen die op een andere manier dan met een diploma van master blijk geven van de vereiste deskundigheid, binnen dezelfde loonvoorwaarden, aanstellen tot praktijkassistent.".
"In afwijking van het eerste lid kan het universiteitsbestuur op grond van een omstandige motivering ook personen die op een andere manier dan met een diploma van master blijk geven van de vereiste deskundigheid, binnen dezelfde loonvoorwaarden, aanstellen tot praktijkassistent.".
Art. 117. A l'article V.21 du même Code, modifié par le décret du 19 juin 2015, il est ajouté un alinéa 3 rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, les autorités universitaires peuvent, sur la base d'une motivation circonstanciée, désigner également comme assistant chargé d'exercices, aux mêmes conditions de rémunération, des personnes qui démontrent l'expertise requise par un moyen autre qu'un diplôme de master. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, les autorités universitaires peuvent, sur la base d'une motivation circonstanciée, désigner également comme assistant chargé d'exercices, aux mêmes conditions de rémunération, des personnes qui démontrent l'expertise requise par un moyen autre qu'un diplôme de master. ".
Art. 118. In artikel V.46 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, worden het vijfde en het zesde lid vervangen door wat volgt:
"Als het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties `onvoldoende' is of driemaal `onvoldoende' is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het personeelslid in kwestie ontslaan. In die gevallen kent het universiteitsbestuur een opzeggingstermijn toe. De opzeggingstermijn bedraagt drie maanden voor het personeelslid dat minder dan vijf jaar anciënniteit heeft aan de universiteit. De termijn wordt verhoogd met drie maanden per begonnen periode van vijf jaar anciënniteit. Het universiteitsbestuur en het personeelslid in kwestie kunnen een langere of kortere opzeggingstermijn overeenkomen.
De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending.
Het universiteitsbestuur kan beslissen dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dat geval betaalt het universiteitsbestuur een verbrekingsvergoeding die gelijk is aan het salaris dat overeenstemt met de duur van de berekende opzeggingstermijn.
Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de universiteit de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen.".
"Als het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties `onvoldoende' is of driemaal `onvoldoende' is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het personeelslid in kwestie ontslaan. In die gevallen kent het universiteitsbestuur een opzeggingstermijn toe. De opzeggingstermijn bedraagt drie maanden voor het personeelslid dat minder dan vijf jaar anciënniteit heeft aan de universiteit. De termijn wordt verhoogd met drie maanden per begonnen periode van vijf jaar anciënniteit. Het universiteitsbestuur en het personeelslid in kwestie kunnen een langere of kortere opzeggingstermijn overeenkomen.
De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending.
Het universiteitsbestuur kan beslissen dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dat geval betaalt het universiteitsbestuur een verbrekingsvergoeding die gelijk is aan het salaris dat overeenstemt met de duur van de berekende opzeggingstermijn.
Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de universiteit de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen.".
Art. 118. Dans l'article V.46 du même Code, modifié par le décret du 21 mars 2014, les alinéas 5 et 6 sont remplacés par ce qui suit :
" Si le jugement final de deux évaluations successives est " insuffisant " ou s'il est à trois reprises " insuffisant " dans le courant de la carrière professionnelle, les autorités universitaires peuvent licencier le membre du personnel intéressé. Dans ces cas, les autorités universitaires accordent un délai de préavis. Le délai de préavis est de trois mois pour le membre du personnel ayant complété moins de cinq ans d'ancienneté à l'université. Ce délai est majoré de trois mois pour chaque période quinquennale entamée d'ancienneté. Les autorités universitaires et le membre du personnel intéressé peuvent convenir d'un délai de préavis plus long ou plus court.
Le délai de préavis commence le premier jour du mois suivant la notification du licenciement. La notification se fait par lettre recommandée et prend effet le troisième jour après l'envoi.
Les autorités universitaires peuvent décider de licencier le membre du personnel intéressé avec effet immédiat. Dans ce cas, les autorités universitaires versent une indemnité de rupture égale au traitement correspondant à la durée du préavis calculé.
En vue de la reprise du membre du personnel dans le régime de l'assurance chômage, de l'assurance maladie (secteur allocations) et de l'assurance maternité, les cotisations ouvrières concernées sont retenues pendant le délai de préavis ou sur l'indemnité de rupture, et versées ensemble avec les cotisations patronales. Lorsque ces cotisations ne suffisent pas, l'université paie les cotisations patronales et ouvrières encore requises. ".
" Si le jugement final de deux évaluations successives est " insuffisant " ou s'il est à trois reprises " insuffisant " dans le courant de la carrière professionnelle, les autorités universitaires peuvent licencier le membre du personnel intéressé. Dans ces cas, les autorités universitaires accordent un délai de préavis. Le délai de préavis est de trois mois pour le membre du personnel ayant complété moins de cinq ans d'ancienneté à l'université. Ce délai est majoré de trois mois pour chaque période quinquennale entamée d'ancienneté. Les autorités universitaires et le membre du personnel intéressé peuvent convenir d'un délai de préavis plus long ou plus court.
Le délai de préavis commence le premier jour du mois suivant la notification du licenciement. La notification se fait par lettre recommandée et prend effet le troisième jour après l'envoi.
Les autorités universitaires peuvent décider de licencier le membre du personnel intéressé avec effet immédiat. Dans ce cas, les autorités universitaires versent une indemnité de rupture égale au traitement correspondant à la durée du préavis calculé.
En vue de la reprise du membre du personnel dans le régime de l'assurance chômage, de l'assurance maladie (secteur allocations) et de l'assurance maternité, les cotisations ouvrières concernées sont retenues pendant le délai de préavis ou sur l'indemnité de rupture, et versées ensemble avec les cotisations patronales. Lorsque ces cotisations ne suffisent pas, l'université paie les cotisations patronales et ouvrières encore requises. ".
Art. 119. In artikel V.62 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, worden het vijfde, zesde en zevende lid vervangen door wat volgt:
"Als de prestaties van een personeelslid als ondermaats of als onvoldoende worden beoordeeld, kan het universiteitsbestuur het personeelslid op zijn verzoek terugzetten in een lagere graad.
Als het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties `onvoldoende' is of driemaal `onvoldoende' is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het personeelslid in kwestie ontslaan. In die gevallen kent het universiteitsbestuur een opzeggingstermijn toe. De opzeggingstermijn bedraagt drie maanden voor het personeelslid dat minder dan vijf jaar anciënniteit heeft aan de universiteit. De termijn wordt verhoogd met drie maanden per begonnen periode van vijf jaar anciënniteit. Het universiteitsbestuur en het personeelslid in kwestie kunnen een langere of kortere opzeggingstermijn overeenkomen.
De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending.
Het universiteitsbestuur kan beslissen dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dat geval betaalt het universiteitsbestuur een verbrekingsvergoeding die gelijk is aan het salaris dat overeenstemt met de duur van de berekende opzeggingstermijn.
Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de universiteit de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen.".
"Als de prestaties van een personeelslid als ondermaats of als onvoldoende worden beoordeeld, kan het universiteitsbestuur het personeelslid op zijn verzoek terugzetten in een lagere graad.
Als het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties `onvoldoende' is of driemaal `onvoldoende' is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het personeelslid in kwestie ontslaan. In die gevallen kent het universiteitsbestuur een opzeggingstermijn toe. De opzeggingstermijn bedraagt drie maanden voor het personeelslid dat minder dan vijf jaar anciënniteit heeft aan de universiteit. De termijn wordt verhoogd met drie maanden per begonnen periode van vijf jaar anciënniteit. Het universiteitsbestuur en het personeelslid in kwestie kunnen een langere of kortere opzeggingstermijn overeenkomen.
De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending.
Het universiteitsbestuur kan beslissen dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dat geval betaalt het universiteitsbestuur een verbrekingsvergoeding die gelijk is aan het salaris dat overeenstemt met de duur van de berekende opzeggingstermijn.
Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de universiteit de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen.".
Art. 119. Dans l'article V.62 du même Code, modifié par le décret du 21 mars 2014, les alinéas 5, 6 et 7 sont remplacés par ce qui suit :
" Lorsque les prestations d'un membre du personnel sont jugées médiocres ou insuffisantes, les autorités universitaires peuvent le rétrograder à sa demande.
Si le jugement final de deux évaluations successives est " insuffisant " ou s'il est à trois reprises " insuffisant " dans le courant de la carrière professionnelle, les autorités universitaires peuvent licencier le membre du personnel intéressé. Dans ces cas, les autorités universitaires accordent un délai de préavis. Le délai de préavis est de trois mois pour le membre du personnel ayant complété moins de cinq ans d'ancienneté à l'université. Ce délai est majoré de trois mois pour chaque période quinquennale entamée d'ancienneté. Les autorités universitaires et le membre du personnel intéressé peuvent convenir d'un délai de préavis plus long ou plus court.
Le délai de préavis commence le premier jour du mois suivant la notification du licenciement. La notification se fait par lettre recommandée et prend effet le troisième jour après l'envoi.
Les autorités universitaires peuvent décider de licencier le membre du personnel intéressé avec effet immédiat. Dans ce cas, les autorités universitaires versent une indemnité de rupture égale au traitement correspondant à la durée du préavis calculé.
En vue de la reprise du membre du personnel dans le régime de l'assurance chômage, de l'assurance maladie (secteur allocations) et de l'assurance maternité, les cotisations ouvrières concernées sont retenues pendant le délai de préavis ou sur l'indemnité de rupture, et versées ensemble avec les cotisations patronales. Lorsque ces cotisations ne suffisent pas, l'université paie les cotisations patronales et ouvrières encore requises. ".
" Lorsque les prestations d'un membre du personnel sont jugées médiocres ou insuffisantes, les autorités universitaires peuvent le rétrograder à sa demande.
Si le jugement final de deux évaluations successives est " insuffisant " ou s'il est à trois reprises " insuffisant " dans le courant de la carrière professionnelle, les autorités universitaires peuvent licencier le membre du personnel intéressé. Dans ces cas, les autorités universitaires accordent un délai de préavis. Le délai de préavis est de trois mois pour le membre du personnel ayant complété moins de cinq ans d'ancienneté à l'université. Ce délai est majoré de trois mois pour chaque période quinquennale entamée d'ancienneté. Les autorités universitaires et le membre du personnel intéressé peuvent convenir d'un délai de préavis plus long ou plus court.
Le délai de préavis commence le premier jour du mois suivant la notification du licenciement. La notification se fait par lettre recommandée et prend effet le troisième jour après l'envoi.
Les autorités universitaires peuvent décider de licencier le membre du personnel intéressé avec effet immédiat. Dans ce cas, les autorités universitaires versent une indemnité de rupture égale au traitement correspondant à la durée du préavis calculé.
En vue de la reprise du membre du personnel dans le régime de l'assurance chômage, de l'assurance maladie (secteur allocations) et de l'assurance maternité, les cotisations ouvrières concernées sont retenues pendant le délai de préavis ou sur l'indemnité de rupture, et versées ensemble avec les cotisations patronales. Lorsque ces cotisations ne suffisent pas, l'université paie les cotisations patronales et ouvrières encore requises. ".
Art. 120. In artikel V.108, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt tussen het woord "Een" en de woorden "benoemd personeelslid" de woorden "tijdelijk of" ingevoegd;
2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Een tijdelijk of benoemd personeelslid of personeelslid als bedoeld in artikel V.264, 2°, dat door ambtswijziging een andere aanstelling krijgt in de hogeschool, behoudt zijn aanstelling of benoeming of zijn overgangsrechten in zijn vorige ambt zolang het niet benoemd wordt in het andere ambt in die hogeschool.";
3° in het derde lid wordt tussen het woord "De" en de woorden "benoemde personeelsleden" de woorden "tijdelijke of" ingevoegd en worden tussen de woorden "waarin zij" en de woorden "benoemd zijn" de woorden "voor de ambtswijziging aangesteld of" ingevoegd.
1° in het eerste lid wordt tussen het woord "Een" en de woorden "benoemd personeelslid" de woorden "tijdelijk of" ingevoegd;
2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Een tijdelijk of benoemd personeelslid of personeelslid als bedoeld in artikel V.264, 2°, dat door ambtswijziging een andere aanstelling krijgt in de hogeschool, behoudt zijn aanstelling of benoeming of zijn overgangsrechten in zijn vorige ambt zolang het niet benoemd wordt in het andere ambt in die hogeschool.";
3° in het derde lid wordt tussen het woord "De" en de woorden "benoemde personeelsleden" de woorden "tijdelijke of" ingevoegd en worden tussen de woorden "waarin zij" en de woorden "benoemd zijn" de woorden "voor de ambtswijziging aangesteld of" ingevoegd.
Art. 120. A l'article V.108, § 1er, du même Code, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " temporaire ou " sont insérés entre les mots " Un membre du personnel " et les mots " nommé à titre définitif " ;
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Un membre du personnel temporaire ou nommé à titre définitif ou un membre du personnel tel que visé à l'article V.264, 2°, qui reçoit une autre désignation par changement de fonction dans l'institut supérieur, maintient sa désignation ou sa nomination ou ses droits transitoires liés à sa fonction précédente aussi longtemps qu'il n'est pas nommé dans l'autre fonction dans cet institut supérieur. " ;
3° dans l'alinéa 3, les mots " temporaires ou nommés " sont insérés entre les mots " les membres du personnel " et les mots " restent " et les mots " dans laquelle ils sont nommés jusqu'au moment de leur nomination dans la nouvelle fonction " sont remplacés par les mots " dans laquelle ils sont désignés ou nommés avant le changement de fonction jusqu'au moment de leur nomination dans la nouvelle fonction ".
1° dans l'alinéa 1er, les mots " temporaire ou " sont insérés entre les mots " Un membre du personnel " et les mots " nommé à titre définitif " ;
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Un membre du personnel temporaire ou nommé à titre définitif ou un membre du personnel tel que visé à l'article V.264, 2°, qui reçoit une autre désignation par changement de fonction dans l'institut supérieur, maintient sa désignation ou sa nomination ou ses droits transitoires liés à sa fonction précédente aussi longtemps qu'il n'est pas nommé dans l'autre fonction dans cet institut supérieur. " ;
3° dans l'alinéa 3, les mots " temporaires ou nommés " sont insérés entre les mots " les membres du personnel " et les mots " restent " et les mots " dans laquelle ils sont nommés jusqu'au moment de leur nomination dans la nouvelle fonction " sont remplacés par les mots " dans laquelle ils sont désignés ou nommés avant le changement de fonction jusqu'au moment de leur nomination dans la nouvelle fonction ".
Art. 121. Aan dezelfde codex wordt een artikel V.110/1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. V.110/1. In uitvoering van artikel V.170 reduceert het hogeschoolbestuur ambtshalve en zonder opzegging de aanstelling van een lid van het onderwijzend personeel als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
1° het personeelslid heeft aan de hogeschool ten minste een halftijdse benoeming of aanstelling binnen een of meer ambten van het onderwijzend personeel;
2° het personeelslid oefent naast de opdracht aan de hogeschool nog een andere bezoldigde activiteit of beroepsactiviteit uit;
3° de totale omvang van de opdrachten, vermeld in punt 1° en 2°, bedraagt meer dan 120 %.".
"Art. V.110/1. In uitvoering van artikel V.170 reduceert het hogeschoolbestuur ambtshalve en zonder opzegging de aanstelling van een lid van het onderwijzend personeel als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
1° het personeelslid heeft aan de hogeschool ten minste een halftijdse benoeming of aanstelling binnen een of meer ambten van het onderwijzend personeel;
2° het personeelslid oefent naast de opdracht aan de hogeschool nog een andere bezoldigde activiteit of beroepsactiviteit uit;
3° de totale omvang van de opdrachten, vermeld in punt 1° en 2°, bedraagt meer dan 120 %.".
Art. 121. Au même Code, il est ajouté un article V.110/1 rédigé comme suit :
" Art. V.110/1. En application de l'article V.170, la direction de l'institut supérieur réduit d'office et sans préavis la désignation d'un membre du personnel enseignant si toutes les conditions suivantes sont réunies :
1° le membre du personnel a au moins une désignation ou nomination à temps plein ou à mi-temps à une ou plusieurs fonctions du personnel enseignant de l'institut supérieur ;
2° le membre du personnel exerce une autre activité rémunérée ou une activité professionnelle en plus de sa charge à l'institut supérieur ;
3° le volume total des charges visées aux points 1° et 2° est supérieur à 120 %. ".
" Art. V.110/1. En application de l'article V.170, la direction de l'institut supérieur réduit d'office et sans préavis la désignation d'un membre du personnel enseignant si toutes les conditions suivantes sont réunies :
1° le membre du personnel a au moins une désignation ou nomination à temps plein ou à mi-temps à une ou plusieurs fonctions du personnel enseignant de l'institut supérieur ;
2° le membre du personnel exerce une autre activité rémunérée ou une activité professionnelle en plus de sa charge à l'institut supérieur ;
3° le volume total des charges visées aux points 1° et 2° est supérieur à 120 %. ".
Art. 122. In artikel V.111, § 2, van dezelfde codex wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"In de gevallen, vermeld in het eerste lid, kent het hogeschoolbestuur een opzeggingstermijn toe. De opzeggingstermijn bedraagt drie maanden voor het personeelslid dat minder dan vijf jaar anciënniteit heeft in de hogeschool in kwestie of haar rechtsvoorganger. De termijn wordt verhoogd met drie maanden per begonnen schijf van vijf jaar anciënniteit. Het hogeschoolbestuur en het personeelslid in kwestie kunnen een langere of kortere opzeggingstermijn overeenkomen.
De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending.
Het hogeschoolbestuur kan beslissen dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dat geval betaalt het hogeschoolbestuur een verbrekingsvergoeding die gelijk is aan het salaris dat overeenstemt met de duur van de berekende opzeggingstermijn.
Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de hogeschool de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen.".
"In de gevallen, vermeld in het eerste lid, kent het hogeschoolbestuur een opzeggingstermijn toe. De opzeggingstermijn bedraagt drie maanden voor het personeelslid dat minder dan vijf jaar anciënniteit heeft in de hogeschool in kwestie of haar rechtsvoorganger. De termijn wordt verhoogd met drie maanden per begonnen schijf van vijf jaar anciënniteit. Het hogeschoolbestuur en het personeelslid in kwestie kunnen een langere of kortere opzeggingstermijn overeenkomen.
De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending.
Het hogeschoolbestuur kan beslissen dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dat geval betaalt het hogeschoolbestuur een verbrekingsvergoeding die gelijk is aan het salaris dat overeenstemt met de duur van de berekende opzeggingstermijn.
Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de hogeschool de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen.".
Art. 122. Dans l'article V.111, § 2, du même Code, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Dans les cas visés à l'alinéa 1er, la direction de l'institut supérieur accorde un délai de préavis. Le délai de préavis est de trois mois pour le membre du personnel ayant complété moins de cinq ans d'ancienneté à l'institut supérieur ou son prédécesseur. Ce délai est majoré de trois mois par tranche entamée de cinq ans d'ancienneté. La direction de l'institut supérieur et le membre du personnel intéressé peuvent convenir d'un délai de préavis plus long ou plus court.
Le délai de préavis commence le premier jour du mois suivant la notification du licenciement. La notification se fait par lettre recommandée et prend effet le troisième jour après l'envoi.
La direction de l'institut supérieur peut décider que le licenciement prend effet immédiatement. Dans ce cas, la direction de l'institut supérieur verse une indemnité de rupture égale au traitement correspondant à la durée du préavis calculé.
En vue de la reprise du membre du personnel dans le régime de l'assurance chômage, de l'assurance maladie (secteur allocations) et de l'assurance maternité, les cotisations ouvrières concernées sont retenues pendant le délai de préavis ou sur l'indemnité de rupture, et versées ensemble avec les cotisations patronales. Lorsque ces cotisations ne suffisent pas, l'institut supérieur paie les cotisations patronales et ouvrières encore requises. ".
" Dans les cas visés à l'alinéa 1er, la direction de l'institut supérieur accorde un délai de préavis. Le délai de préavis est de trois mois pour le membre du personnel ayant complété moins de cinq ans d'ancienneté à l'institut supérieur ou son prédécesseur. Ce délai est majoré de trois mois par tranche entamée de cinq ans d'ancienneté. La direction de l'institut supérieur et le membre du personnel intéressé peuvent convenir d'un délai de préavis plus long ou plus court.
Le délai de préavis commence le premier jour du mois suivant la notification du licenciement. La notification se fait par lettre recommandée et prend effet le troisième jour après l'envoi.
La direction de l'institut supérieur peut décider que le licenciement prend effet immédiatement. Dans ce cas, la direction de l'institut supérieur verse une indemnité de rupture égale au traitement correspondant à la durée du préavis calculé.
En vue de la reprise du membre du personnel dans le régime de l'assurance chômage, de l'assurance maladie (secteur allocations) et de l'assurance maternité, les cotisations ouvrières concernées sont retenues pendant le délai de préavis ou sur l'indemnité de rupture, et versées ensemble avec les cotisations patronales. Lorsque ces cotisations ne suffisent pas, l'institut supérieur paie les cotisations patronales et ouvrières encore requises. ".
Art. 123. Aan dezelfde codex wordt een artikel V.111/1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. V.111/1. In uitvoering van artikel V.170 reduceert het hogeschoolbestuur ambtshalve en zonder opzegging de benoeming van een lid van het onderwijzend personeel als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
1° het personeelslid heeft aan de hogeschool ten minste een halftijdse benoeming of aanstelling binnen een of meer ambten van het onderwijzend personeel;
2° het personeelslid oefent naast de opdracht aan de hogeschool nog een andere bezoldigde activiteit of beroepsactiviteit uit;
3° de totale omvang van de opdrachten, vermeld in punt 1° en 2°, bedraagt meer dan 120 %;
4° er is geen verdere ambtshalve reductie van een aanstelling als lid van het onderwijzend personeel mogelijk.".
"Art. V.111/1. In uitvoering van artikel V.170 reduceert het hogeschoolbestuur ambtshalve en zonder opzegging de benoeming van een lid van het onderwijzend personeel als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
1° het personeelslid heeft aan de hogeschool ten minste een halftijdse benoeming of aanstelling binnen een of meer ambten van het onderwijzend personeel;
2° het personeelslid oefent naast de opdracht aan de hogeschool nog een andere bezoldigde activiteit of beroepsactiviteit uit;
3° de totale omvang van de opdrachten, vermeld in punt 1° en 2°, bedraagt meer dan 120 %;
4° er is geen verdere ambtshalve reductie van een aanstelling als lid van het onderwijzend personeel mogelijk.".
Art. 123. Au même Code, il est ajouté un article V.111/1 rédigé comme suit :
" Art. V.111/1. En application de l'article V.170, la direction de l'institut supérieur réduit d'office et sans préavis la nomination d'un membre du personnel enseignant si toutes les conditions suivantes sont réunies :
1° le membre du personnel a au moins une désignation ou nomination à temps plein ou à mi-temps à une ou plusieurs fonctions du personnel enseignant de l'institut supérieur ;
2° le membre du personnel exerce une autre activité rémunérée ou une activité professionnelle en plus de sa charge à l'institut supérieur ;
3° le volume total des charges visées aux points 1° et 2° est supérieur à 120 % ;
4° aucune autre réduction d'office d'une désignation comme membre du personnel enseignant n'est possible. ".
" Art. V.111/1. En application de l'article V.170, la direction de l'institut supérieur réduit d'office et sans préavis la nomination d'un membre du personnel enseignant si toutes les conditions suivantes sont réunies :
1° le membre du personnel a au moins une désignation ou nomination à temps plein ou à mi-temps à une ou plusieurs fonctions du personnel enseignant de l'institut supérieur ;
2° le membre du personnel exerce une autre activité rémunérée ou une activité professionnelle en plus de sa charge à l'institut supérieur ;
3° le volume total des charges visées aux points 1° et 2° est supérieur à 120 % ;
4° aucune autre réduction d'office d'une désignation comme membre du personnel enseignant n'est possible. ".
Art. 124. In artikel V.116/1, eerste lid, 3°, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 15 juni 2018 en vervangen bij het decreet van 21 december 2018, wordt de zinsnede ", OCMW-voorzitter" opgeheven.
Art. 124. Dans l'article V.116/1, alinéa 1er, 3°, du même Code, inséré par le décret du 15 juin 2018 et remplacé par le décret du 21 décembre 2018, le membre de phrase " de président du CPAS " est abrogé.
Art. 125. In artikel V.116/2 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 15 juni 2018 en vervangen bij het decreet van 21 december 2018, worden de woorden "of van" vervangen door de zinsnede "van de gemeente Voeren of van een gemeente als vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 of voorzitter van".
Art. 125. Dans l'article V.116/2 du même Code, inséré par le décret du 15 juin 2018 et remplacé par le décret du 21 décembre 2018, les mots " ou du " sont remplacés par le membre de phrase " de la commune de Fourons ou d'une commune telle que visée à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, ou de président du ".
Art. 126. Artikel V.140 van dezelfde codex wordt opgeheven.
Art. 126. L'article V.140 du même Code est abrogé.
Art. 127. In artikel V.148, § 3, van dezelfde codex wordt tussen het woord "eveneens" en de woorden "het brevet" de zinsnede "ofwel een STCW-vaarbevoegdheidsbewijs van master voor zeeschepen met een bruto tonnage van 3000 of meer ofwel" ingevoegd.
Art. 127. Dans l'article V.148, § 3, du même Code, le membre de phrase " soit un brevet d'aptitude STCW de master de navires de mer d'un tonnage brut égal ou supérieur à 3000, soit " est inséré entre le membre de phrase " Pour la formation Sciences nautiques, " et les mots " le brevet de capitaine au long cours ".
Art. 128. Aan artikel V.170 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 15 juni 2018, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Wanneer de totale omvang van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, na toepassing van de reductie, vermeld in het tweede lid, meer dan 120 % bedraagt, wordt de omvang van de opdracht die het personeelslid nog uitoefent aan de hogeschool gereduceerd tot 45 %.".
"Wanneer de totale omvang van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, na toepassing van de reductie, vermeld in het tweede lid, meer dan 120 % bedraagt, wordt de omvang van de opdracht die het personeelslid nog uitoefent aan de hogeschool gereduceerd tot 45 %.".
Art. 128. A l'article V.170 du même Code, remplacé par le décret du 15 juin 2018, il est ajouté un alinéa 3 rédigé comme suit :
" Lorsque le volume total des charges, visées à l'alinéa 1er, après application de la réduction, visée à l'alinéa 2, dépasse 120 %, le volume de la charge que le membre du personnel exerce à l'institut supérieur est réduit à 45 %. ".
" Lorsque le volume total des charges, visées à l'alinéa 1er, après application de la réduction, visée à l'alinéa 2, dépasse 120 %, le volume de la charge que le membre du personnel exerce à l'institut supérieur est réduit à 45 %. ".
Art. 129. Artikel V.171 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 15 juni 2018, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. V.171. In afwijking van artikel V.170 wordt de opdracht van het personeelslid dat belast is met ten minste een halftijdse opdracht van artistiek gebonden onderwijsactiviteiten in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, en Muziek en podiumkunsten, vermeld in artikel V.164, § 1, en dat daarnaast een andere bezoldigde activiteit of beroepsactiviteit uitoefent, niet beperkt tot 120 % als deze nevenactiviteiten van artistieke aard zijn en verband houden met de onderwijsactiviteiten die het personeelslid verstrekt. Deze afwijking geldt eveneens voor nevenactiviteiten in het kunstonderwijs. De principes van de uitoefening van nevenactiviteiten in het kunstonderwijs worden verder uitgewerkt in het hogeschoolonderhandelingscomité.".
"Art. V.171. In afwijking van artikel V.170 wordt de opdracht van het personeelslid dat belast is met ten minste een halftijdse opdracht van artistiek gebonden onderwijsactiviteiten in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, en Muziek en podiumkunsten, vermeld in artikel V.164, § 1, en dat daarnaast een andere bezoldigde activiteit of beroepsactiviteit uitoefent, niet beperkt tot 120 % als deze nevenactiviteiten van artistieke aard zijn en verband houden met de onderwijsactiviteiten die het personeelslid verstrekt. Deze afwijking geldt eveneens voor nevenactiviteiten in het kunstonderwijs. De principes van de uitoefening van nevenactiviteiten in het kunstonderwijs worden verder uitgewerkt in het hogeschoolonderhandelingscomité.".
Art. 129. L'article V.171 du même Code, remplacé par le décret du 15 juin 2018, est remplacé par ce qui suit :
" Art. V.171. Par dérogation à l'article V.170, la charge du membre du personnel qui exerce au moins une charge à mi-temps d'activités d'enseignement artistique dans les disciplines Arts audiovisuels et plastiques, et Musique et arts de la scène, visées à l'article V.164, § 1er, et qui exerce également une autre activité rémunérée ou activité professionnelle, n'est pas limitée à 120 % si ces activités accessoires sont de nature artistique et sont connexes à ses activités d'enseignement. Cette dérogation s'applique également aux activités accessoires dans l'enseignement artistique. Les principes de l'exercice des activités accessoires dans l'enseignement artistique sont développés plus en détail au sein du comité de négociation de l'institut supérieur. ".
" Art. V.171. Par dérogation à l'article V.170, la charge du membre du personnel qui exerce au moins une charge à mi-temps d'activités d'enseignement artistique dans les disciplines Arts audiovisuels et plastiques, et Musique et arts de la scène, visées à l'article V.164, § 1er, et qui exerce également une autre activité rémunérée ou activité professionnelle, n'est pas limitée à 120 % si ces activités accessoires sont de nature artistique et sont connexes à ses activités d'enseignement. Cette dérogation s'applique également aux activités accessoires dans l'enseignement artistique. Les principes de l'exercice des activités accessoires dans l'enseignement artistique sont développés plus en détail au sein du comité de négociation de l'institut supérieur. ".
Art. 130. In artikel V.172/1, vierde lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 15 juni 2018, wordt het woord "tweede" vervangen door het woord "derde".
Art. 130. Dans l'article V.172/1, alinéa 4, du même Code, inséré par le décret du 15 juin 2018, le mot " 2 " sont remplacés par le mot " 3 ".
HOOFDSTUK 13. - Wijzigingen van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen
CHAPITRE 13. - Modifications du décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects des formations en alternance
Art. 131. In artikel 7, § 1, eerste lid, van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin worden na het woord "worden" de woorden "of te blijven" ingevoegd;
2° in punt 1° :
a) worden aan punt a) de woorden "zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven" toegevoegd;
b) wordt er een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt:
"c) een mentoropleiding moet volgen;".
1° in de inleidende zin worden na het woord "worden" de woorden "of te blijven" ingevoegd;
2° in punt 1° :
a) worden aan punt a) de woorden "zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven" toegevoegd;
b) wordt er een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt:
"c) een mentoropleiding moet volgen;".
Art. 131. A l'article 7, § 1er, alinéa 1er, du décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects des formations en alternance sont apportées les modifications suivantes :
1° dans la phrase introductive, les mots " ou pour rester agréée " sont insérés après les mots " Pour être agréée " ;
1° dans le point 1° :
a) sont ajoutés au point a) les mots " attestée par un extrait du casier juridique délivré depuis un an au maximum " ;
b) il est ajouté un point c) rédigé comme suit :
" c) doit suivre une formation de tuteur ; ".
1° dans la phrase introductive, les mots " ou pour rester agréée " sont insérés après les mots " Pour être agréée " ;
1° dans le point 1° :
a) sont ajoutés au point a) les mots " attestée par un extrait du casier juridique délivré depuis un an au maximum " ;
b) il est ajouté un point c) rédigé comme suit :
" c) doit suivre une formation de tuteur ; ".
Art. 132. Artikel 19 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 19. De leerling volgt de schoolvakantieregeling zoals bepaald in artikel 12 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. In afwijking hiervan:
1° kan het sectoraal partnerschap in de betrokken sector, of bij afwezigheid van een sectoraal partnerschap, het Vlaams Partnerschap Duaal Leren op verzoek van een onderneming, omwille van seizoensgebonden activiteiten een structurele afwijking op de schoolvakantieregeling vastleggen die door de Vlaamse Regering wordt goedgekeurd;
2° kunnen de partijen overeenkomen dat de leerling omwille van een leeropportuniteit wordt opgeleid tijdens een schoolvakantie;
3° kan het sectoraal partnerschap, of bij afwezigheid van een sectoraal partnerschap, het Vlaams Partnerschap Duaal Leren op verzoek van een onderneming, in consensus de schoolvakantieregeling in een opleiding van het deeltijds beroepssecundair onderwijs, de leertijd, de kwalificatiefase en integratiefase van het buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 3, in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad van het voltijds secundair onderwijs verminderen tot twaalf schoolvakantieweken. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor criteria op voorstel van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren. In sectoren waar er een sectoraal partnerschap is, doet het Vlaams Partnerschap Duaal Leren het voorstel na advies van dit Sectoraal partnerschap;
4° wordt de schoolvakantie gereduceerd tot acht schoolvakantieweken op schooljaarbasis voor leerlingen in een duaal structuuronderdeel ingericht op niveau van Se-n-Se of het derde leerjaar van de derde graad van het voltijds secundair onderwijs, al dan niet ingericht in de vorm van een specialisatie.
De leerling die met toepassing van het eerste lid, 1° of 2°, wordt opgeleid tijdens een schoolvakantie, moet deze opleidingsdagen recupereren tijdens de lesweken op dagen waarop hij volgens het uurrooster in de onderneming moet worden opgeleid en dit binnen hetzelfde schooljaar.
De vakantiedagen zijn onbetaald met uitzondering van de vakantiedagen die de leerling opbouwt conform de regelgeving inzake betaalde vakantie die op hem van toepassing is.
De in het derde lid vermelde betaalde vakantiedagen moeten worden opgenomen tijdens de schoolvakanties.".
"Art. 19. De leerling volgt de schoolvakantieregeling zoals bepaald in artikel 12 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. In afwijking hiervan:
1° kan het sectoraal partnerschap in de betrokken sector, of bij afwezigheid van een sectoraal partnerschap, het Vlaams Partnerschap Duaal Leren op verzoek van een onderneming, omwille van seizoensgebonden activiteiten een structurele afwijking op de schoolvakantieregeling vastleggen die door de Vlaamse Regering wordt goedgekeurd;
2° kunnen de partijen overeenkomen dat de leerling omwille van een leeropportuniteit wordt opgeleid tijdens een schoolvakantie;
3° kan het sectoraal partnerschap, of bij afwezigheid van een sectoraal partnerschap, het Vlaams Partnerschap Duaal Leren op verzoek van een onderneming, in consensus de schoolvakantieregeling in een opleiding van het deeltijds beroepssecundair onderwijs, de leertijd, de kwalificatiefase en integratiefase van het buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 3, in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad van het voltijds secundair onderwijs verminderen tot twaalf schoolvakantieweken. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor criteria op voorstel van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren. In sectoren waar er een sectoraal partnerschap is, doet het Vlaams Partnerschap Duaal Leren het voorstel na advies van dit Sectoraal partnerschap;
4° wordt de schoolvakantie gereduceerd tot acht schoolvakantieweken op schooljaarbasis voor leerlingen in een duaal structuuronderdeel ingericht op niveau van Se-n-Se of het derde leerjaar van de derde graad van het voltijds secundair onderwijs, al dan niet ingericht in de vorm van een specialisatie.
De leerling die met toepassing van het eerste lid, 1° of 2°, wordt opgeleid tijdens een schoolvakantie, moet deze opleidingsdagen recupereren tijdens de lesweken op dagen waarop hij volgens het uurrooster in de onderneming moet worden opgeleid en dit binnen hetzelfde schooljaar.
De vakantiedagen zijn onbetaald met uitzondering van de vakantiedagen die de leerling opbouwt conform de regelgeving inzake betaalde vakantie die op hem van toepassing is.
De in het derde lid vermelde betaalde vakantiedagen moeten worden opgenomen tijdens de schoolvakanties.".
Art. 132. L'article 19 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 19. L'élève suit le régime des vacances scolaires tel que visé à l'article 12 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 ; ". Par dérogation à cette règle:
1° le partenariat sectoriel ou en l'absence d'un partenariat sectoriel le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " peut, à la demande d'une entreprise, en raison d'activités saisonnières, autoriser une dérogation structurelle au régime des vacances scolaires qui doit être approuvée par le Gouvernement flamand ;
2° les parties peuvent convenir que l'élève sera formé pendant les vacances scolaires en raison d'une opportunité d'apprentissage ;
3° le partenariat sectoriel, ou en l'absence de partenariat sectoriel, le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " peut, à la demande d'une entreprise, par consensus, réduire à douze semaines de vacances scolaires, le régime des vacances scolaires dans une formation de l'enseignement professionnel secondaire à temps partiel, dans l'apprentissage, dans la phase de qualification et la phase d'intégration de l'enseignement secondaire spécial forme de formation 3, dans les première et deuxième années d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire à temps plein. Le Gouvernement flamand définit les critères à cet effet sur la proposition du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren ". Dans les secteurs où il existe un partenariat sectoriel, le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " fait la proposition après avis de ce partenariat sectoriel ;
4° les vacances scolaires sont réduites à huit semaines de vacances scolaires par année scolaire pour les élèves d'une subdivision structurelle duale organisée au niveau de Se-n-Se ou de la troisième année du troisième degré de l'enseignement secondaire à temps plein, qu'elle soit ou non organisée sous la forme d'une spécialisation.
L'élève qui est formé conformément à l'alinéa 1er, 1° ou 2°, pendant les vacances scolaires, doit récupérer ces jours de formation pendant les semaines de cours aux jours où il doit être formé dans l'entreprise selon l'horaire, et ce, au cours de la même année scolaire.
Les jours de vacances ne sont pas payés, à l'exception des jours de vacances accumulés par l'élève conformément aux règles sur les vacances payées qui lui sont applicables.
Les vacances payées visées à l'alinéa 3 doivent être prises pendant les vacances scolaires. ".
" Art. 19. L'élève suit le régime des vacances scolaires tel que visé à l'article 12 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 ; ". Par dérogation à cette règle:
1° le partenariat sectoriel ou en l'absence d'un partenariat sectoriel le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " peut, à la demande d'une entreprise, en raison d'activités saisonnières, autoriser une dérogation structurelle au régime des vacances scolaires qui doit être approuvée par le Gouvernement flamand ;
2° les parties peuvent convenir que l'élève sera formé pendant les vacances scolaires en raison d'une opportunité d'apprentissage ;
3° le partenariat sectoriel, ou en l'absence de partenariat sectoriel, le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " peut, à la demande d'une entreprise, par consensus, réduire à douze semaines de vacances scolaires, le régime des vacances scolaires dans une formation de l'enseignement professionnel secondaire à temps partiel, dans l'apprentissage, dans la phase de qualification et la phase d'intégration de l'enseignement secondaire spécial forme de formation 3, dans les première et deuxième années d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire à temps plein. Le Gouvernement flamand définit les critères à cet effet sur la proposition du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren ". Dans les secteurs où il existe un partenariat sectoriel, le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " fait la proposition après avis de ce partenariat sectoriel ;
4° les vacances scolaires sont réduites à huit semaines de vacances scolaires par année scolaire pour les élèves d'une subdivision structurelle duale organisée au niveau de Se-n-Se ou de la troisième année du troisième degré de l'enseignement secondaire à temps plein, qu'elle soit ou non organisée sous la forme d'une spécialisation.
L'élève qui est formé conformément à l'alinéa 1er, 1° ou 2°, pendant les vacances scolaires, doit récupérer ces jours de formation pendant les semaines de cours aux jours où il doit être formé dans l'entreprise selon l'horaire, et ce, au cours de la même année scolaire.
Les jours de vacances ne sont pas payés, à l'exception des jours de vacances accumulés par l'élève conformément aux règles sur les vacances payées qui lui sont applicables.
Les vacances payées visées à l'alinéa 3 doivent être prises pendant les vacances scolaires. ".
Art. 133. Artikel 20 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 20. In afwijking van artikel 18, tweede lid, is de onderneming in de volgende gevallen geen leervergoeding verschuldigd:
1° bij arbeidsongeschiktheid wegens arbeidsongeval en beroepsziekte;
2° bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte voor arbeidsongeschiktheidsdagen die samenvallen met onbetaalde vakantiedagen zoals vermeld in artikel 19, derde lid.".
"Art. 20. In afwijking van artikel 18, tweede lid, is de onderneming in de volgende gevallen geen leervergoeding verschuldigd:
1° bij arbeidsongeschiktheid wegens arbeidsongeval en beroepsziekte;
2° bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte voor arbeidsongeschiktheidsdagen die samenvallen met onbetaalde vakantiedagen zoals vermeld in artikel 19, derde lid.".
Art. 133. L'article 20 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 20. Par dérogation à l'article 18, alinéa 2, l'entreprise est dispensée de payer une allocation d'apprentissage dans les cas suivants :
1° en cas d'incapacité de travail due à un accident du travail ou une maladie professionnelle ;
2° en cas d'incapacité de travail pour cause de maladie pour les jours d'incapacité de travail coïncidant avec les jours de vacances non payés visés à l'article 19, alinéa 3. ".
" Art. 20. Par dérogation à l'article 18, alinéa 2, l'entreprise est dispensée de payer une allocation d'apprentissage dans les cas suivants :
1° en cas d'incapacité de travail due à un accident du travail ou une maladie professionnelle ;
2° en cas d'incapacité de travail pour cause de maladie pour les jours d'incapacité de travail coïncidant avec les jours de vacances non payés visés à l'article 19, alinéa 3. ".
Art. 134. In artikel 28 van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "artikel 19," vervangen door de zinsnede "artikel 19, eerste lid, 3° ".
Art. 134. Dans l'article 28 du même décret, le membre de phrase " de l'article 19 " est remplacé par le membre de phrase " de l'article 19, alinéa 1er, 3° ".
Art. 135. Artikel 29 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 135. L'article 29 du même décret est abrogé.
HOOFDSTUK 14. - Wijzigingen van de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016
CHAPITRE 14. - Modifications de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016
Art. 136. In artikel III.27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs wordt het getal "6,3" bij 3. secundair onderwijs en bij 9. secundair onderwijs telkens vervangen door het getal "7,3".
Art. 136. Dans l'article III.27 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement, le chiffre " 6.3 " pour le " 3. enseignement secondaire et le 9. enseignement secondaire " est remplacé par le chiffre " 7.3 ".
Art. 137. In artikel IV.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"10° centrale organisatie synchroon internet onderwijs.".
"10° centrale organisatie synchroon internet onderwijs.".
Art. 137. L'article IV.1 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement est complété par un point 10° rédigé comme suit :
10° organisation centrale de l'enseignement synchrone via internet. ".
10° organisation centrale de l'enseignement synchrone via internet. ".
Art. 138. In deel IV van dezelfde codificatie wordt een hoofdstuk 11 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 11. Centrale organisatie synchroon internetonderwijs".
"Hoofdstuk 11. Centrale organisatie synchroon internetonderwijs".
Art. 138. Dans la partie IV de la même codification, il est inséré un chapitre 11 rédigé comme suit :
" Chapitre 11. Organisation centrale de l'enseignement synchrone via internet ".
" Chapitre 11. Organisation centrale de l'enseignement synchrone via internet ".
Art. 139. In dezelfde codificatie wordt in hoofdstuk 11, ingevoegd bij artikel 138, een artikel IV.52 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. IV.52. De regering garandeert de centrale organisatie van het synchroon internetonderwijs, verder in dit hoofdstuk SIO te noemen, zoals vermeld in artikel 36/1 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 117/1 van de Codex Secundair Onderwijs.
De regering bepaalt de opdracht van de centrale organisator.
De subsidieovereenkomst heeft maximaal een duurtijd van vier schooljaren.
De centrale organisator neemt een vertegenwoordiging van de regering op in zijn bestuursorganen.".
"Art. IV.52. De regering garandeert de centrale organisatie van het synchroon internetonderwijs, verder in dit hoofdstuk SIO te noemen, zoals vermeld in artikel 36/1 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 117/1 van de Codex Secundair Onderwijs.
De regering bepaalt de opdracht van de centrale organisator.
De subsidieovereenkomst heeft maximaal een duurtijd van vier schooljaren.
De centrale organisator neemt een vertegenwoordiging van de regering op in zijn bestuursorganen.".
Art. 139. Dans la même codification, le chapitre 11, inséré par l'article 138, est complété par un article IV.52 rédigé comme suit :
" Art. IV.52. Le Gouvernement flamand garantit l'organisation centrale de l'enseignement synchrone via internet, à dénommer SIO dans le présent chapitre, conformément à l'article 36/1 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental et à l'article 117/1 du Code de l'enseignement secondaire.
Le gouvernement fixe la charge de l'organisateur central.
La convention de subvention a une durée maximale de quatre années scolaires.
L'organisateur central doit inclure une représentation du gouvernement dans ses organes d'administration. ".
" Art. IV.52. Le Gouvernement flamand garantit l'organisation centrale de l'enseignement synchrone via internet, à dénommer SIO dans le présent chapitre, conformément à l'article 36/1 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental et à l'article 117/1 du Code de l'enseignement secondaire.
Le gouvernement fixe la charge de l'organisateur central.
La convention de subvention a une durée maximale de quatre années scolaires.
L'organisateur central doit inclure une représentation du gouvernement dans ses organes d'administration. ".
Art. 140. In dezelfde codificatie wordt in hoofdstuk 11, ingevoegd bij artikel 138, een artikel IV.53 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. IV.53. Een organisatie die de taak van centrale organisator wil opnemen, al dan niet in samenwerking met andere partners voor specifieke deelopdrachten, moet daarvoor, na oproep door de Vlaamse Regering, een aanvraagdossier indienen.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanstelling van de centrale organisator en de manier waarop de organisatie haar samenwerking met andere partners voor specifieke deelopdrachten moet beschrijven.".
"Art. IV.53. Een organisatie die de taak van centrale organisator wil opnemen, al dan niet in samenwerking met andere partners voor specifieke deelopdrachten, moet daarvoor, na oproep door de Vlaamse Regering, een aanvraagdossier indienen.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanstelling van de centrale organisator en de manier waarop de organisatie haar samenwerking met andere partners voor specifieke deelopdrachten moet beschrijven.".
Art. 140. Dans la même codification, le chapitre 11, inséré par l'article 138, est complété par un article IV.53 rédigé comme suit :
" Art. IV.53. Une organisation qui souhaite jouer le rôle d'organisateur central, que ce soit ou non en coopération avec d'autres partenaires pour des sous-tâches spécifiques, doit soumettre un dossier de demande en réponse à un appel du Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand détermine la procédure de désignation de l'organisateur central et la manière dont l'organisation doit décrire sa coopération avec d'autres partenaires pour des sous-tâches spécifiques. ".
" Art. IV.53. Une organisation qui souhaite jouer le rôle d'organisateur central, que ce soit ou non en coopération avec d'autres partenaires pour des sous-tâches spécifiques, doit soumettre un dossier de demande en réponse à un appel du Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand détermine la procédure de désignation de l'organisateur central et la manière dont l'organisation doit décrire sa coopération avec d'autres partenaires pour des sous-tâches spécifiques. ".
Art. 141. In dezelfde codificatie, wordt aan deel IV een hoofdstuk 12 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 12. Netwerk Islamexperten".
"Hoofdstuk 12. Netwerk Islamexperten".
Art. 141. A la partie IV de la même codification, il est ajouté un chapitre 12 rédigé comme suit :
" Chapitre 12. Netwerk Islamexperten (Réseau d'experts en islam) ".
" Chapitre 12. Netwerk Islamexperten (Réseau d'experts en islam) ".
Art. 142. In dezelfde codificatie wordt in hoofdstuk 12, ingevoegd bij artikel 141, een artikel IV.52 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. IV.52. Binnen de beschikbare kredieten subsidieert de Vlaamse Regering jaarlijks de door het Executief van de Moslims van België erkende vzw die optreedt als erkende instantie van het islamitische godsdienstonderwijs in de Vlaamse Gemeenschap.
De subsidie strekt ertoe om de loonkost van de medewerkers in kwestie en de werkingskost van het ingediende project te dekken. Dat project moet activiteiten omvatten op het vlak van levensbeschouwelijke diversiteit, polarisering, radicalisering en extremisme binnen de werking van onderwijsinstellingen, vormingscentra en centra voor leerlingenbegeleiding die door de Vlaamse Gemeenschap zijn erkend.
De Vlaamse Regering sluit met vermelde vzw een beheersovereenkomst telkens voor maximaal vier jaren waarin opzet en doelstellingen, invulling, evaluatie en aanwending van de subsidie nader zijn omschreven.".
"Art. IV.52. Binnen de beschikbare kredieten subsidieert de Vlaamse Regering jaarlijks de door het Executief van de Moslims van België erkende vzw die optreedt als erkende instantie van het islamitische godsdienstonderwijs in de Vlaamse Gemeenschap.
De subsidie strekt ertoe om de loonkost van de medewerkers in kwestie en de werkingskost van het ingediende project te dekken. Dat project moet activiteiten omvatten op het vlak van levensbeschouwelijke diversiteit, polarisering, radicalisering en extremisme binnen de werking van onderwijsinstellingen, vormingscentra en centra voor leerlingenbegeleiding die door de Vlaamse Gemeenschap zijn erkend.
De Vlaamse Regering sluit met vermelde vzw een beheersovereenkomst telkens voor maximaal vier jaren waarin opzet en doelstellingen, invulling, evaluatie en aanwending van de subsidie nader zijn omschreven.".
Art. 142. Dans la même codification, le chapitre 12, inséré par l'article 141, est complété par un article IV.52 rédigé comme suit :
" Art. IV.52. Dans la limite des crédits disponibles, le Gouvernement flamand subventionne chaque année l'A.S.B.L. reconnue par l'Exécutif des Musulmans de Belgique, qui agit en tant qu'instance reconnue pour l'enseignement religieux islamique dans la Communauté flamande.
La subvention est destinée à couvrir les coûts salariaux du personnel concerné et les coûts de fonctionnement du projet présenté. Ce projet doit inclure des activités dans le domaine de la diversité idéologique, de la polarisation, de la radicalisation et de l'extrémisme au sein du fonctionnement des établissements d'enseignement, des centres de formation et des centres d'encadrement des élèves reconnus par la Communauté flamande.
Le Gouvernement flamand conclut avec l'A.S.B.L. précitée une convention de gestion d'une durée maximale de quatre ans, dans laquelle la structure et les objectifs, la réalisation, l'évaluation et l'utilisation de la subvention seront décrits plus en détail. ".
" Art. IV.52. Dans la limite des crédits disponibles, le Gouvernement flamand subventionne chaque année l'A.S.B.L. reconnue par l'Exécutif des Musulmans de Belgique, qui agit en tant qu'instance reconnue pour l'enseignement religieux islamique dans la Communauté flamande.
La subvention est destinée à couvrir les coûts salariaux du personnel concerné et les coûts de fonctionnement du projet présenté. Ce projet doit inclure des activités dans le domaine de la diversité idéologique, de la polarisation, de la radicalisation et de l'extrémisme au sein du fonctionnement des établissements d'enseignement, des centres de formation et des centres d'encadrement des élèves reconnus par la Communauté flamande.
Le Gouvernement flamand conclut avec l'A.S.B.L. précitée une convention de gestion d'une durée maximale de quatre ans, dans laquelle la structure et les objectifs, la réalisation, l'évaluation et l'utilisation de la subvention seront décrits plus en détail. ".
Art. 143. In artikel V.1, 6°, van dezelfde codificatie wordt de zinsnede "artikel 127, § 1, 1° en 2° van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs" vervangen door de zinsnede "artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie".
Art. 143. Dans l'article V.1, 6°, de la même codification, le membre de phrase " à l'article 127, § 1er, 1° et 2°, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 3 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base ".
Art. 144. In artikel V.2 van dezelfde codificatie worden de woorden "of voor de basiseducatie tot elke functie" opgeheven.
Art. 144. Dans l'article V.2 de la même codification, les mots " ou, pour ce qui est de l'éducation de base, à chaque emploi " sont abrogés.
Art. 145. In artikel V.4 van dezelfde codificatie worden de woorden "of voor de basiseducatie voor een functie" opgeheven.
Art. 145. Dans l'article V.4 de la même codification, les mots " ou, pour ce qui est de l'éducation de base, pour un emploi " sont abrogés.
Art. 146. In artikel VI.5, § 2, van dezelfde codificatie wordt de zinsnede "artikel 125quinquies, § 3 of § 6, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, van artikel 51, derde lid, van de Codex Secundair Onderwijs," vervangen door de zinsnede "artikel 125quinquies van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, van artikel 51 van de Codex Secundair Onderwijs,".
Art. 146. Dans l'article VI.5, § 2, de la même codification, le membre de phrase " l'article 125quinquies, § 3 ou § 6, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, de l'article 51, alinéa 3, du Code de l'enseignement secondaire, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 125quinquies du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, de l'article 51 du Code de l'Enseignement secondaire, ".
Art. 147. Aan deel VI van dezelfde codificatie wordt een hoofdstuk 4 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 4. Digitale verantwoording van de aanwending van middelen".
"Hoofdstuk 4. Digitale verantwoording van de aanwending van middelen".
Art. 147. La partie VI de la même codification est complétée par un chapitre 4 rédigé comme suit :
" Chapitre 4. Justification numérique de l'affectation des moyens ".
" Chapitre 4. Justification numérique de l'affectation des moyens ".
Art. 148. In hetzelfde decreet wordt aan hoofdstuk 4, toegevoegd bij artikel 143, een artikel VI.9 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. VI.9. Instellingen die gefinancierd of gesubsidieerd worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming of het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs kunnen verantwoordingsstukken die betrekking hebben op de te verantwoorden subsidie op elektronische wijze beschikbaar stellen en kunnen de analoge documenten die ze opmaken of ontvangen bij de toepassing van wettelijke of reglementaire bepalingen, vervangen door elektronische kopieën.
De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor die vervanging.
Elektronische kopieën die worden opgemaakt en bewaard conform het eerste lid, behouden dezelfde geldigheid als de originelen voor de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen, vermeld in het eerste lid.".
"Art. VI.9. Instellingen die gefinancierd of gesubsidieerd worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming of het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs kunnen verantwoordingsstukken die betrekking hebben op de te verantwoorden subsidie op elektronische wijze beschikbaar stellen en kunnen de analoge documenten die ze opmaken of ontvangen bij de toepassing van wettelijke of reglementaire bepalingen, vervangen door elektronische kopieën.
De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor die vervanging.
Elektronische kopieën die worden opgemaakt en bewaard conform het eerste lid, behouden dezelfde geldigheid als de originelen voor de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen, vermeld in het eerste lid.".
Art. 148. Dans le même décret, le chapitre 4, inséré par l'article 143, est complétée par un article VI.9 rédigé comme suit :
" Art. VI.9. Les établissements financés ou subventionnés par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation ou l'Agence de l'Infrastructure dans l'Enseignement peuvent mettre à disposition par voie électronique les pièces justificatives relatives à la subvention à justifier et peuvent remplacer par des copies électroniques les documents administratifs analogiques qu'ils établissent ou reçoivent par application des dispositions légales ou réglementaires.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités de ce remplacement.
Les copies électroniques établies et conservées conformément à l'alinéa 1er restent valables au même titre que les originaux aux fins des dispositions légales et réglementaires visées à l'alinéa 1er. ".
" Art. VI.9. Les établissements financés ou subventionnés par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation ou l'Agence de l'Infrastructure dans l'Enseignement peuvent mettre à disposition par voie électronique les pièces justificatives relatives à la subvention à justifier et peuvent remplacer par des copies électroniques les documents administratifs analogiques qu'ils établissent ou reçoivent par application des dispositions légales ou réglementaires.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités de ce remplacement.
Les copies électroniques établies et conservées conformément à l'alinéa 1er restent valables au même titre que les originaux aux fins des dispositions légales et réglementaires visées à l'alinéa 1er. ".
HOOFDSTUK 15. - Wijzigingen van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie
CHAPITRE 15. - Modifications du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base
Art. 149. In artikel 29 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid wordt de zinsnede "behoort tot het bestuurs-, onderwijzend en ondersteunend personeel" vervangen door de zinsnede "aangesteld is in het ambt van directeur, adjunct-directeur, stafmedewerker of leraar basiseducatie";
2° in het derde lid wordt de zinsnede "behoort tot een andere personeelscategorie dan de personeelscategorie, vermeld in het tweede lid" vervangen door de zinsnede "aangesteld is in het ambt van beleidsondersteunend administratief medewerker, uitvoerend administratief medewerker of ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting,";
3° in het vierde lid worden de woorden "dat behoort tot het bestuurs- en onderwijzend personeel" vervangen door de woorden "aangesteld in het ambt van leraar basiseducatie".
1° in het tweede lid wordt de zinsnede "behoort tot het bestuurs-, onderwijzend en ondersteunend personeel" vervangen door de zinsnede "aangesteld is in het ambt van directeur, adjunct-directeur, stafmedewerker of leraar basiseducatie";
2° in het derde lid wordt de zinsnede "behoort tot een andere personeelscategorie dan de personeelscategorie, vermeld in het tweede lid" vervangen door de zinsnede "aangesteld is in het ambt van beleidsondersteunend administratief medewerker, uitvoerend administratief medewerker of ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting,";
3° in het vierde lid worden de woorden "dat behoort tot het bestuurs- en onderwijzend personeel" vervangen door de woorden "aangesteld in het ambt van leraar basiseducatie".
Art. 149. A l'article 29 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 2, le membre de phrase " appartenant au personnel directeur et au personnel d'appui, " est remplacé par le membre de phrase " désigné dans la fonction de directeur, de directeur adjoint, de collaborateur ou d'enseignant de l'éducation de base " ;
2° dans l'alinéa 3, le membre de phrase " appartenant à une catégorie du personnel autre que celle visée à l'alinéa 2 " est remplacé par le membre de phrase " désigné dans la fonction de collaborateur administratif chargé de l'aide à la gestion, de collaborateur administratif exécutif ou d'expert du vécu en pauvreté et exclusion sociale, " ;
3° dans l'alinéa 4, les mots " appartenant au personnel directeur et enseignant " sont remplacés par les mots " désigné dans la fonction d'enseignant de l'éducation de base ".
1° dans l'alinéa 2, le membre de phrase " appartenant au personnel directeur et au personnel d'appui, " est remplacé par le membre de phrase " désigné dans la fonction de directeur, de directeur adjoint, de collaborateur ou d'enseignant de l'éducation de base " ;
2° dans l'alinéa 3, le membre de phrase " appartenant à une catégorie du personnel autre que celle visée à l'alinéa 2 " est remplacé par le membre de phrase " désigné dans la fonction de collaborateur administratif chargé de l'aide à la gestion, de collaborateur administratif exécutif ou d'expert du vécu en pauvreté et exclusion sociale, " ;
3° dans l'alinéa 4, les mots " appartenant au personnel directeur et enseignant " sont remplacés par les mots " désigné dans la fonction d'enseignant de l'éducation de base ".
Art. 150. In artikel 70, § 1, van hetzelfde decreet wordt punt 6° opgeheven.
Art. 150. Dans l'article 70, § 1er, du même décret, le point 6° est abrogé.
HOOFDSTUK 16. - Wijzigingen van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs
CHAPITRE 16. - Modifications du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel
Art. 151. In artikel 3 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, gewijzigd bij het decreet van 15 juni 2018 betreffende het onderwijs XXVIII, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 13° wordt vervangen door wat volgt:
"13° bijzondere vestigingsplaats: een gebouw of een gebouwencomplex waarin een orgel of beiaard tot het onroerend patrimonium behoort en waar uitsluitend orgel of beiaard gegeven worden of met moeilijk verplaatsbare slagwerkinstrumenten waar uitsluitend het vak slagwerk wordt gegeven die eigendom zijn van een socio-culturele vereniging, van een school voor secundair onderwijs of van een School of Arts en waar uitsluitend slagwerk gegeven wordt, of een gevangenis of een gesloten federaal centrum gelegen in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of een vestigingsplaats die voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 118bis;";
2° in punt 48° worden de woorden "de vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten" vervangen door de woorden "de vierde graad van een studierichting in het domein beeldende en audiovisuele kunsten" en worden de woorden "de vierde graad van het domein muziek" vervangen door de woorden "de vierde graad van een studierichting in het domein muziek";
3° in punt 54° worden de woorden "en het inschrijvingsgeld betaald heeft" opgeheven.
1° punt 13° wordt vervangen door wat volgt:
"13° bijzondere vestigingsplaats: een gebouw of een gebouwencomplex waarin een orgel of beiaard tot het onroerend patrimonium behoort en waar uitsluitend orgel of beiaard gegeven worden of met moeilijk verplaatsbare slagwerkinstrumenten waar uitsluitend het vak slagwerk wordt gegeven die eigendom zijn van een socio-culturele vereniging, van een school voor secundair onderwijs of van een School of Arts en waar uitsluitend slagwerk gegeven wordt, of een gevangenis of een gesloten federaal centrum gelegen in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of een vestigingsplaats die voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 118bis;";
2° in punt 48° worden de woorden "de vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten" vervangen door de woorden "de vierde graad van een studierichting in het domein beeldende en audiovisuele kunsten" en worden de woorden "de vierde graad van het domein muziek" vervangen door de woorden "de vierde graad van een studierichting in het domein muziek";
3° in punt 54° worden de woorden "en het inschrijvingsgeld betaald heeft" opgeheven.
Art. 151. A l'article 3 du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel, modifié par le décret du 15 juin 2018 relatif à l'enseignement XXVIII, sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 13° est remplacé par ce qui suit :
" 13° implantation spéciale : un bâtiment ou complexe de bâtiments dans lequel se trouve un orgue ou carillon appartenant au patrimoine immobilier et seul le cours d'orgue ou de carillon est donné ou un bâtiment ou complexe de bâtiments où se trouvent des instruments de percussion difficiles à déplacer qui appartiennent à une association socioculturelle, à une école d'enseignement secondaire ou à une School of Arts et où seule la percussion est donnée, ou une prison ou un centre fédéral fermé situé dans la région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue Bruxelles-Capitale ou une implantation qui remplit les conditions fixées à l'article 118bis ; " ;
2° dans le point 48°, les mots " le quatrième degré du domaine arts plastiques et audiovisuels " sont remplacés par les mots " le quatrième degré d'une orientation d'études dans le domaine arts plastiques et audiovisuels " et les mots " le quatrième degré du domaine musique " sont remplacés par les mots " le quatrième degré d'une orientation d'études dans le domaine musique " ;
3° dans le point 54°, les mots " et a payé les droits d'inscription " sont abrogés.
1° le point 13° est remplacé par ce qui suit :
" 13° implantation spéciale : un bâtiment ou complexe de bâtiments dans lequel se trouve un orgue ou carillon appartenant au patrimoine immobilier et seul le cours d'orgue ou de carillon est donné ou un bâtiment ou complexe de bâtiments où se trouvent des instruments de percussion difficiles à déplacer qui appartiennent à une association socioculturelle, à une école d'enseignement secondaire ou à une School of Arts et où seule la percussion est donnée, ou une prison ou un centre fédéral fermé situé dans la région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue Bruxelles-Capitale ou une implantation qui remplit les conditions fixées à l'article 118bis ; " ;
2° dans le point 48°, les mots " le quatrième degré du domaine arts plastiques et audiovisuels " sont remplacés par les mots " le quatrième degré d'une orientation d'études dans le domaine arts plastiques et audiovisuels " et les mots " le quatrième degré du domaine musique " sont remplacés par les mots " le quatrième degré d'une orientation d'études dans le domaine musique " ;
3° dans le point 54°, les mots " et a payé les droits d'inscription " sont abrogés.
Art. 152. Aan artikel 4, derde lid, van hetzelfde decreet wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"4° organisatie van verdiepende leeractiviteiten voor studenten hoger onderwijs op advies van een instelling voor hoger onderwijs, met het oog op het versterken van hun artistieke en culturele competenties.".
"4° organisatie van verdiepende leeractiviteiten voor studenten hoger onderwijs op advies van een instelling voor hoger onderwijs, met het oog op het versterken van hun artistieke en culturele competenties.".
Art. 152. A l'article 4, alinéa 3, du même décret il est ajouté un point 4° rédigé comme suit :
" 4° l'organisation d'activités privilégiant un apprentissage en profondeur pour les étudiants de l'enseignement supérieur sur avis d'une institution d'enseignement supérieur, en vue de renforcer leurs compétences artistiques et culturelles. ".
" 4° l'organisation d'activités privilégiant un apprentissage en profondeur pour les étudiants de l'enseignement supérieur sur avis d'une institution d'enseignement supérieur, en vue de renforcer leurs compétences artistiques et culturelles. ".
Art. 153. Aan artikel 6 van hetzelfde decreet wordt een zevende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor de kwaliteitscontrole met het oog op de erkenning en de doorlichting, vermeld in artikel 32, 1° en 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, baseert de onderwijsinspectie zich op het verwerven van de basiscompetenties, de competenties van de beroepskwalificatie of de competenties van het specifieke gedeelte van de onderwijskwalificatie.".
"Voor de kwaliteitscontrole met het oog op de erkenning en de doorlichting, vermeld in artikel 32, 1° en 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, baseert de onderwijsinspectie zich op het verwerven van de basiscompetenties, de competenties van de beroepskwalificatie of de competenties van het specifieke gedeelte van de onderwijskwalificatie.".
Art. 153. L'article 6 du même décret est complété par un alinéa 7 rédigé comme suit :
" Aux fins du contrôle de la qualité en vue de l'agrément et de l'audit visés à l'article 32, 1° et 2° du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, l'inspection de l'enseignement se base sur l'acquisition des compétences de base, des compétences de la qualification professionnelle ou des compétences de la partie spécifique de la qualification d'enseignement. ".
" Aux fins du contrôle de la qualité en vue de l'agrément et de l'audit visés à l'article 32, 1° et 2° du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, l'inspection de l'enseignement se base sur l'acquisition des compétences de base, des compétences de la qualification professionnelle ou des compétences de la partie spécifique de la qualification d'enseignement. ".
Art. 154. In artikel 27, § 2, van hetzelfde decreet wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° een met redenen omkleed advies aan de Vlaamse Regering verlenen over de aanvragen van de academies voor de programmatie van domeinen en structuuronderdelen, conform de voorwaarden, vermeld in artikel 115 tot en met 118, en de aanvragen van de academies voor onderwijsbevoegdheid, vermeld in artikel 130;".
"2° een met redenen omkleed advies aan de Vlaamse Regering verlenen over de aanvragen van de academies voor de programmatie van domeinen en structuuronderdelen, conform de voorwaarden, vermeld in artikel 115 tot en met 118, en de aanvragen van de academies voor onderwijsbevoegdheid, vermeld in artikel 130;".
Art. 154. Dans l'article 27, § 2, du même décret, le point 2° est remplacé par la disposition suivante :
2° émettre un avis motivé au Gouvernement flamand sur les demandes des académies pour la programmation de domaines et subdivisions structurelles conformément aux conditions visées aux articles 115 à 118, et les demandes de compétence d'enseignement des académies, visées à l'article 130 ; ".
2° émettre un avis motivé au Gouvernement flamand sur les demandes des académies pour la programmation de domaines et subdivisions structurelles conformément aux conditions visées aux articles 115 à 118, et les demandes de compétence d'enseignement des académies, visées à l'article 130 ; ".
Art. 155. In artikel 32 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° na het eerste lid wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid kan de directeur op advies van de betrokken leerkrachten een leerling die de instrumenttechnische competenties van de tweede graad muziek niet volledig verworven heeft toch toelaten tot de derde graad muziek onder de volgende voorwaarden:
1° de leerling heeft alle overige competenties verworven;
2° de leerling volgt een instrumentvak in de tweede graad;
3° de leerling is vrijgesteld voor het instrumentvak in de derde graad.";
2° in het tweede lid, dat nu het derde lid wordt, wordt het woord "wooordkunst-drama" vervangen door het woord "woordkunst-drama";
3° het derde lid, dat nu het vierde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
"Om toegelaten te worden tot de derde graad voor jongeren van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° de basiscompetenties van de tweede graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten verworven hebben of de leeftijd van twaalf jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar;
2° niet ouder zijn dan zeventien jaar op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.".
1° na het eerste lid wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid kan de directeur op advies van de betrokken leerkrachten een leerling die de instrumenttechnische competenties van de tweede graad muziek niet volledig verworven heeft toch toelaten tot de derde graad muziek onder de volgende voorwaarden:
1° de leerling heeft alle overige competenties verworven;
2° de leerling volgt een instrumentvak in de tweede graad;
3° de leerling is vrijgesteld voor het instrumentvak in de derde graad.";
2° in het tweede lid, dat nu het derde lid wordt, wordt het woord "wooordkunst-drama" vervangen door het woord "woordkunst-drama";
3° het derde lid, dat nu het vierde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
"Om toegelaten te worden tot de derde graad voor jongeren van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° de basiscompetenties van de tweede graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten verworven hebben of de leeftijd van twaalf jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar;
2° niet ouder zijn dan zeventien jaar op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.".
Art. 155. A l'article 32 du même décret les modifications suivantes sont apportées :
1° après l'alinéa 1er, il est ajouté un alinéa 2 rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, le directeur peut, sur avis des enseignants concernés, admettre au troisième degré de musique un élève qui n'a pas acquis pleinement les compétences instrumentales du deuxième degré de musique aux conditions suivantes :
1° l'élève a acquis toutes les autres compétences ;
2° l'élève suit un cours d'instrument dans le deuxième degré ;
3° l'élève est dispensé pour le cours d'instrument dans le troisième degré. " ;
2° dans l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, le mot " wooordkunst-drama " dans le texte néerlandais est remplacé par le mot " woordkunst-drama " ;
3° l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, est remplacé par ce qui suit :
" Pour être admis au troisième degré pour jeunes du domaine des arts plastiques et audiovisuels, l'élève doit répondre aux conditions suivantes :
1° avoir acquis les compétences de base du deuxième degré du domaine des arts plastiques et audiovisuels ou avoir atteint l'âge de douze ans au 31 décembre suivant la rentrée scolaire ;
2° ne pas être âgé de plus de dix-sept ans au 31 décembre suivant la rentrée scolaire. ".
1° après l'alinéa 1er, il est ajouté un alinéa 2 rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, le directeur peut, sur avis des enseignants concernés, admettre au troisième degré de musique un élève qui n'a pas acquis pleinement les compétences instrumentales du deuxième degré de musique aux conditions suivantes :
1° l'élève a acquis toutes les autres compétences ;
2° l'élève suit un cours d'instrument dans le deuxième degré ;
3° l'élève est dispensé pour le cours d'instrument dans le troisième degré. " ;
2° dans l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, le mot " wooordkunst-drama " dans le texte néerlandais est remplacé par le mot " woordkunst-drama " ;
3° l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, est remplacé par ce qui suit :
" Pour être admis au troisième degré pour jeunes du domaine des arts plastiques et audiovisuels, l'élève doit répondre aux conditions suivantes :
1° avoir acquis les compétences de base du deuxième degré du domaine des arts plastiques et audiovisuels ou avoir atteint l'âge de douze ans au 31 décembre suivant la rentrée scolaire ;
2° ne pas être âgé de plus de dix-sept ans au 31 décembre suivant la rentrée scolaire. ".
Art. 156. Aan artikel 33, § 1, van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid kan de directeur op advies van de betrokken leerkrachten een leerling die de instrumenttechnische competenties van de derde graad muziek niet volledig verworven heeft toch toelaten tot de vierde graad muziek onder de volgende voorwaarden:
1° de leerling heeft alle overige competenties verworven;
2° de leerling volgt een instrumentvak in de derde graad;
3° de leerling is vrijgesteld voor het instrumentvak in de vierde graad.".
"In afwijking van het eerste lid kan de directeur op advies van de betrokken leerkrachten een leerling die de instrumenttechnische competenties van de derde graad muziek niet volledig verworven heeft toch toelaten tot de vierde graad muziek onder de volgende voorwaarden:
1° de leerling heeft alle overige competenties verworven;
2° de leerling volgt een instrumentvak in de derde graad;
3° de leerling is vrijgesteld voor het instrumentvak in de vierde graad.".
Art. 156. A l'article 33, § 1er du même décret, il est ajouté un alinéa 2 rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, le directeur peut, sur l'avis des enseignants concernés, admettre au quatrième degré de musique un élève qui n'a pas acquis pleinement les compétences instrumentales du troisième degré de musique aux conditions suivantes :
1° l'élève a acquis toutes les autres compétences ;
2° l'élève suit un cours d'instrument dans le troisième degré ;
3° l'élève est dispensé pour le cours d'instrument dans le quatrième degré. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, le directeur peut, sur l'avis des enseignants concernés, admettre au quatrième degré de musique un élève qui n'a pas acquis pleinement les compétences instrumentales du troisième degré de musique aux conditions suivantes :
1° l'élève a acquis toutes les autres compétences ;
2° l'élève suit un cours d'instrument dans le troisième degré ;
3° l'élève est dispensé pour le cours d'instrument dans le quatrième degré. ".
Art. 157. In artikel 35 van hetzelfde decreet wordt in het tweede lid de zinsnede "vermeld in artikel 29 tot en met 33" vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 29 en 33".
Art. 157. Dans l'article 35, alinéa 2, du même décret, le membre de phrase " visées aux articles 29 à 33 " est remplacé par le membre de phrase " visées aux articles 29 et 33 ".
Art. 158. In artikel 37, § 1, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Als een academie voor een bepaalde opleiding verschillende trajecten aanbiedt, kan de leerling kiezen in welk traject hij de opleiding volgt. Een leerling kan na toestemming van de directeur van traject veranderen. Als de leerling daardoor de globale studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20, overschrijdt, wordt dat beschouwd als een verlenging van het leertraject, vermeld in artikel 62, tweede lid.";
2° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Een leerling die voor de inwerkingtreding van dit decreet is afgestudeerd in een opleiding van de oude structuur, kan zich niet meer opnieuw inschrijven in de overeenkomstige opleiding van de nieuwe structuur, tenzij de leerling bijkomende competenties verwerft. De Vlaamse Regering bepaalt de overeenstemming tussen de opleidingen van de oude en de nieuwe structuur.".
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Als een academie voor een bepaalde opleiding verschillende trajecten aanbiedt, kan de leerling kiezen in welk traject hij de opleiding volgt. Een leerling kan na toestemming van de directeur van traject veranderen. Als de leerling daardoor de globale studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20, overschrijdt, wordt dat beschouwd als een verlenging van het leertraject, vermeld in artikel 62, tweede lid.";
2° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Een leerling die voor de inwerkingtreding van dit decreet is afgestudeerd in een opleiding van de oude structuur, kan zich niet meer opnieuw inschrijven in de overeenkomstige opleiding van de nieuwe structuur, tenzij de leerling bijkomende competenties verwerft. De Vlaamse Regering bepaalt de overeenstemming tussen de opleidingen van de oude en de nieuwe structuur.".
Art. 158. A l'article 37, § 1er, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Si une académie offre différents parcours pour une formation particulière, l'élève est libre de choisir le parcours de formation. Un élève peut changer de parcours avec l'autorisation du directeur. Si, en conséquence, l'élève dépasse le volume des études global visé aux articles 12 à 20, ceci est considéré comme un prolongement du parcours d'apprentissage visé à l'article 62, alinéa 2. " ;
2° il est ajouté un alinéa 4 rédigé comme suit :
" Un élève qui, avant l'entrée en vigueur du présent décret, se voit décerner un diplôme d'une formation de l'ancienne structure, ne peut plus s'inscrire à nouveau dans la formation correspondante de la nouvelle structure, sauf s'il acquiert des compétences supplémentaires. Le Gouvernement flamand détermine la concordance entre les formations de l'ancienne et de la nouvelle structure. ".
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Si une académie offre différents parcours pour une formation particulière, l'élève est libre de choisir le parcours de formation. Un élève peut changer de parcours avec l'autorisation du directeur. Si, en conséquence, l'élève dépasse le volume des études global visé aux articles 12 à 20, ceci est considéré comme un prolongement du parcours d'apprentissage visé à l'article 62, alinéa 2. " ;
2° il est ajouté un alinéa 4 rédigé comme suit :
" Un élève qui, avant l'entrée en vigueur du présent décret, se voit décerner un diplôme d'une formation de l'ancienne structure, ne peut plus s'inscrire à nouveau dans la formation correspondante de la nouvelle structure, sauf s'il acquiert des compétences supplémentaires. Le Gouvernement flamand détermine la concordance entre les formations de l'ancienne et de la nouvelle structure. ".
Art. 159. In artikel 38 van hetzelfde decreet worden de punten 1°, 2° en 3° vervangen door wat volgt:
"1° zich akkoord verklaard hebben met het academiereglement;
2° zich akkoord verklaard hebben met het eigen artistiek-pedagogische project van de academie.".
"1° zich akkoord verklaard hebben met het academiereglement;
2° zich akkoord verklaard hebben met het eigen artistiek-pedagogische project van de academie.".
Art. 159. Dans l'article 38 du même décret, les points 1°, 2° et 3° sont remplacés par les dispositions suivantes :
" 1° s'être déclaré d'accord avec le règlement d'académie ;
2° s'être déclaré d'accord avec le projet artistique et pédagogique de l'académie. ".
" 1° s'être déclaré d'accord avec le règlement d'académie ;
2° s'être déclaré d'accord avec le projet artistique et pédagogique de l'académie. ".
Art. 160. In artikel 39 van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "30 juni" vervangen door de zinsnede "15 juli".
Art. 160. Dans l'article 392, du même décret, le membre de phrase " 30 juin " est remplacé par le membre de phrase " 15 juillet ".
Art. 161. Aan artikel 46 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid deelt een schoolbestuur dat de inschrijving van een leerling weigert op grond van artikel 44, tweede lid, zijn beslissing schriftelijk of elektronisch mee ten laatste op 30 september van het schooljaar waarvoor de vraag tot inschrijving geldt.".
"In afwijking van het eerste lid deelt een schoolbestuur dat de inschrijving van een leerling weigert op grond van artikel 44, tweede lid, zijn beslissing schriftelijk of elektronisch mee ten laatste op 30 september van het schooljaar waarvoor de vraag tot inschrijving geldt.".
Art. 161. L'article 46 du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel est complété par un alinéa 2 rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, une autorité scolaire qui refuse d'inscrire un élève sur la base de l'article 44, alinéa 2, notifie sa décision par écrit ou par voie électronique au plus tard le 30 septembre de l'année scolaire à laquelle la demande d'inscription se rapporte. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, une autorité scolaire qui refuse d'inscrire un élève sur la base de l'article 44, alinéa 2, notifie sa décision par écrit ou par voie électronique au plus tard le 30 septembre de l'année scolaire à laquelle la demande d'inscription se rapporte. ".
Art. 162. In artikel 52 van hetzelfde decreet worden in het tweede lid de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 2° wordt het woord "bepaling" vervangen door het woord "bepalingen";
2° in punt 3° wordt de zinsnede " § 2" vervangen door de zinsnede "paragraaf 2 en 3 en artikel 30".
1° in punt 2° wordt het woord "bepaling" vervangen door het woord "bepalingen";
2° in punt 3° wordt de zinsnede " § 2" vervangen door de zinsnede "paragraaf 2 en 3 en artikel 30".
Art. 162. A l'article 52 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le point 2°, le mot " bepaling " dans le texte néerlandais est remplacé par le mot " bepalingen " ;
1° dans le point 3°, le membre de phrase " § 2 " est remplacé par le membre de phrase " paragraphes 2 et 3, et 30 ".
1° dans le point 2°, le mot " bepaling " dans le texte néerlandais est remplacé par le mot " bepalingen " ;
1° dans le point 3°, le membre de phrase " § 2 " est remplacé par le membre de phrase " paragraphes 2 et 3, et 30 ".
Art. 163. In artikel 54 van hetzelfde decreet wordt in paragraaf 1 de zinsnede "heeft het inschrijvingsgeld, vermeld in de artikelen 90 tot en met 92, betaald en" opgeheven.
Art. 163. Dans l'article 54, paragraphe 1er, du même décret, le membre de phrase " a payé les droits d'inscription visés aux articles 90 à 92 et " est abrogé.
Art. 164. Aan artikel 58, tweede lid, wordt een punt 14° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"14° de uiterste datum waarop de leerling het inschrijvingsgeld betaalt conform artikel 90 en in voorkomend geval de mogelijkheden tot gespreide betaling.".
"14° de uiterste datum waarop de leerling het inschrijvingsgeld betaalt conform artikel 90 en in voorkomend geval de mogelijkheden tot gespreide betaling.".
Art. 164. L'article 58, alinéa 2, est complété par un point 14° rédigé comme suit :
" 14° la date limite à laquelle l'élève paie les droits d'inscription conformément à l'article 90 et, le cas échéant, les possibilités de paiement échelonné. "
" 14° la date limite à laquelle l'élève paie les droits d'inscription conformément à l'article 90 et, le cas échéant, les possibilités de paiement échelonné. "
Art. 165. Aan artikel 73, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede ", verplaatsen of vervangen door extra-murosactiviteiten." toegevoegd.
Art. 165. L'article 73, § 2, alinéa 2, du même décret, est complété par le membre de phrase suivant " les déplacer ou remplacer par des activités extra-muros ".
Art. 166. In artikel 90 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs wordt in het eerste lid de zinsnede "1 oktober" vervangen door de zinsnede "1 november".
Art. 166. Dans l'article 90 du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel, le membre de phrase " 1er octobre " dans l'alinéa 1er est remplacé par le membre de phrase " 1er novembre ".
Art. 167. In artikel 110 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Elke regelmatige leerling telt in elk domein en in elke vestigingsplaats van een academie voor één teleenheid.".
"Elke regelmatige leerling telt in elk domein en in elke vestigingsplaats van een academie voor één teleenheid.".
Art. 167. Dans l'article 110 du même décret, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Chaque élève régulier compte pour une unité de comptage dans chaque domaine et dans chaque implantation d'une académie. ".
" Chaque élève régulier compte pour une unité de comptage dans chaque domaine et dans chaque implantation d'une académie. ".
Art. 168. In artikel 114 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Een nieuwe academie kan in plaats van de eerste graad van een domein het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten of zowel de eerste graad van een domein als de domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten.";
2° in paragraaf 2 wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° een twaalfde van de programmatienormen van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, bereiken;";
3° in paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe academie gedurende elf schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, a rato van het aantal schooljaren dat de nieuwe academie al in oprichting is.".
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Een nieuwe academie kan in plaats van de eerste graad van een domein het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten of zowel de eerste graad van een domein als de domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten.";
2° in paragraaf 2 wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° een twaalfde van de programmatienormen van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, bereiken;";
3° in paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe academie gedurende elf schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, a rato van het aantal schooljaren dat de nieuwe academie al in oprichting is.".
Art. 168. A l'article 114 du même décret les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Au lieu du premier degré d'un domaine, une nouvelle académie peut organiser une subdivision structurelle d'une formation d'initiation transversale ou organiser à la fois le premier degré d'un domaine et la formation d'initiation transversale. " ;
2° dans le paragraphe 2, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° atteindre un douzième des normes de programmation pour les domaines qu'elle a créés, visées aux articles 119 et 120 ; "
3° dans le paragraphe 3, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Pour sécuriser le financement ou le subventionnement, la nouvelle académie doit atteindre, pendant les onze années scolaires suivant l'année de sa création, chaque fois au jour de comptage de l'année scolaire en cours, les normes de programmation des domaines qu'elle a créés, visées aux articles 119 et 120, proportionnellement au nombre d'années scolaires que la nouvelle académie est déjà en cours de création. ".
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Au lieu du premier degré d'un domaine, une nouvelle académie peut organiser une subdivision structurelle d'une formation d'initiation transversale ou organiser à la fois le premier degré d'un domaine et la formation d'initiation transversale. " ;
2° dans le paragraphe 2, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° atteindre un douzième des normes de programmation pour les domaines qu'elle a créés, visées aux articles 119 et 120 ; "
3° dans le paragraphe 3, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Pour sécuriser le financement ou le subventionnement, la nouvelle académie doit atteindre, pendant les onze années scolaires suivant l'année de sa création, chaque fois au jour de comptage de l'année scolaire en cours, les normes de programmation des domaines qu'elle a créés, visées aux articles 119 et 120, proportionnellement au nombre d'années scolaires que la nouvelle académie est déjà en cours de création. ".
Art. 169. In artikel 115 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden het derde en het vierde lid vervangen door wat volgt:
"Een academie moet dit domein uiterlijk in het achtste schooljaar na de oprichting volledig uitgebouwd hebben. Daarbij kan ze de structuuronderdelen van een domein gelijktijdig oprichten, voor zover ze elk structuuronderdeel leerjaar per leerjaar opricht. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kan ze evenwel in één tijd oprichten.
Een nieuw domein in een academie kan vanaf 1 september in de financierings- of subsidiëringsregeling opgenomen worden, als het op de teldag van het oprichtingsjaar een achtste van de programmatienormen, vermeld in artikel 119 en 120, bereikt.";
2° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"Voor een verdere financiering of subsidiëring moet het nieuwe domein gedurende zeven schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken, vermeld in artikel 119 en 120, naar rato van het aantal schooljaren dat het nieuwe domein al in oprichting is.";
3° in paragraaf 3 wordt het woord "zevende" vervangen door het woord "negende".
1° in paragraaf 1 worden het derde en het vierde lid vervangen door wat volgt:
"Een academie moet dit domein uiterlijk in het achtste schooljaar na de oprichting volledig uitgebouwd hebben. Daarbij kan ze de structuuronderdelen van een domein gelijktijdig oprichten, voor zover ze elk structuuronderdeel leerjaar per leerjaar opricht. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kan ze evenwel in één tijd oprichten.
Een nieuw domein in een academie kan vanaf 1 september in de financierings- of subsidiëringsregeling opgenomen worden, als het op de teldag van het oprichtingsjaar een achtste van de programmatienormen, vermeld in artikel 119 en 120, bereikt.";
2° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"Voor een verdere financiering of subsidiëring moet het nieuwe domein gedurende zeven schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken, vermeld in artikel 119 en 120, naar rato van het aantal schooljaren dat het nieuwe domein al in oprichting is.";
3° in paragraaf 3 wordt het woord "zevende" vervangen door het woord "negende".
Art. 169. A l'article 115 du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, les alinéas 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
" Une académie doit avoir pleinement développé ce domaine au plus tard la huitième année scolaire suivant sa création. Dans ce contexte, elle peut créer simultanément les subdivisions structurelles d'un domaine, à condition qu'elle crée chaque subdivision structurelle, année d'études par année d'études. Toutefois, les subdivisions structurelles du premier degré peuvent être mises en place en une seule fois.
Un nouveau domaine d'une académie peut être inclus dans le régime de financement ou de subventionnement à partir du 1er septembre, s'il atteint un huitième des normes de programmation visées aux articles 119 et 120 au jour de comptage de l'année de création. " ;
2° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Pour sécuriser le financement ou subventionnement, le nouveau domaine doit atteindre, pendant les sept années scolaires suivant l'année de sa création, chaque fois au jour de comptage de l'année scolaire en cours, les normes de programmation visées aux articles 119 et 120, proportionnellement au nombre d'années scolaires que le nouveau domaine est déjà en cours de création. " ;
3° dans le paragraphe 3, le mot " septième " est remplacé par le mot " neuvième ".
1° dans le paragraphe 1er, les alinéas 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
" Une académie doit avoir pleinement développé ce domaine au plus tard la huitième année scolaire suivant sa création. Dans ce contexte, elle peut créer simultanément les subdivisions structurelles d'un domaine, à condition qu'elle crée chaque subdivision structurelle, année d'études par année d'études. Toutefois, les subdivisions structurelles du premier degré peuvent être mises en place en une seule fois.
Un nouveau domaine d'une académie peut être inclus dans le régime de financement ou de subventionnement à partir du 1er septembre, s'il atteint un huitième des normes de programmation visées aux articles 119 et 120 au jour de comptage de l'année de création. " ;
2° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Pour sécuriser le financement ou subventionnement, le nouveau domaine doit atteindre, pendant les sept années scolaires suivant l'année de sa création, chaque fois au jour de comptage de l'année scolaire en cours, les normes de programmation visées aux articles 119 et 120, proportionnellement au nombre d'années scolaires que le nouveau domaine est déjà en cours de création. " ;
3° dans le paragraphe 3, le mot " septième " est remplacé par le mot " neuvième ".
Art. 170. Aan artikel 116 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Onder de oprichting van een structuuronderdeel, vermeld in het tweede lid en in artikel 117, wordt de oprichting van een nieuw structuuronderdeel van een domein waarvan de academie al een of meer structuuronderdelen organiseert in een bestaande of nieuwe vestigingsplaats verstaan.";
2° een derde lid wordt toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor de structuuronderdelen van een nieuw opgericht domein, conform artikel 115, die in het negende bestaansjaar van het nieuw opgerichte domein nog in oprichting zijn, gelden de programmatievoorwaarden, vermeld in artikel 117 en 118 tot de structuuronderdelen volledig zijn opgericht.".
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Onder de oprichting van een structuuronderdeel, vermeld in het tweede lid en in artikel 117, wordt de oprichting van een nieuw structuuronderdeel van een domein waarvan de academie al een of meer structuuronderdelen organiseert in een bestaande of nieuwe vestigingsplaats verstaan.";
2° een derde lid wordt toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor de structuuronderdelen van een nieuw opgericht domein, conform artikel 115, die in het negende bestaansjaar van het nieuw opgerichte domein nog in oprichting zijn, gelden de programmatievoorwaarden, vermeld in artikel 117 en 118 tot de structuuronderdelen volledig zijn opgericht.".
Art. 170. A l'article 116 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Par la création d'une subdivision structurelle telle que visée à l'alinéa 2 et à l'article 117, on entend la création d'une nouvelle subdivision structurelle d'un domaine dont l'académie organise déjà une ou plusieurs subdivisions structurelles dans une implantation existante ou nouvelle. " ;
2° il est ajouté un alinéa 3 rédigé comme suit :
" Pour les subdivisions structurelles d'un domaine nouvellement créé, conformément à l'article 115, qui sont encore en cours de création dans la neuvième année d'existence du domaine nouvellement créé, les conditions de programmation mentionnées aux articles 117 et 118 s'appliquent jusqu'à ce que les subdivisions structurelles aient été complètement créées. ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Par la création d'une subdivision structurelle telle que visée à l'alinéa 2 et à l'article 117, on entend la création d'une nouvelle subdivision structurelle d'un domaine dont l'académie organise déjà une ou plusieurs subdivisions structurelles dans une implantation existante ou nouvelle. " ;
2° il est ajouté un alinéa 3 rédigé comme suit :
" Pour les subdivisions structurelles d'un domaine nouvellement créé, conformément à l'article 115, qui sont encore en cours de création dans la neuvième année d'existence du domaine nouvellement créé, les conditions de programmation mentionnées aux articles 117 et 118 s'appliquent jusqu'à ce que les subdivisions structurelles aient été complètement créées. ".
Art. 171. In hetzelfde decreet wordt een artikel 118bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 118bis. De Vlaamse Regering kan een schoolbestuur toestaan een bijzondere vestigingsplaats zoals bedoeld in artikel 3, 13°, in gebruik te nemen, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het schoolbestuur toont aan dat de infrastructuur van de vestigingsplaats, haar specifieke toerusting of de aard van de leerlingenpopulatie die er verblijft, verantwoordt dat de rationalisatie- en programmatienormen niet op de vestigingsplaats van toepassing zijn;
2° er is een protocol van de onderhandelingen in het bevoegde lokale comité over het in gebruik nemen van de vestigingsplaats.
Een aanvraag kan op elk moment in het schooljaar worden ingediend.
De Vlaamse Regering kan verdere modaliteiten vastleggen voor de manier waarop de aanvragen moeten worden ingediend en de wijze waarop ze worden beoordeeld.".
"Art. 118bis. De Vlaamse Regering kan een schoolbestuur toestaan een bijzondere vestigingsplaats zoals bedoeld in artikel 3, 13°, in gebruik te nemen, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het schoolbestuur toont aan dat de infrastructuur van de vestigingsplaats, haar specifieke toerusting of de aard van de leerlingenpopulatie die er verblijft, verantwoordt dat de rationalisatie- en programmatienormen niet op de vestigingsplaats van toepassing zijn;
2° er is een protocol van de onderhandelingen in het bevoegde lokale comité over het in gebruik nemen van de vestigingsplaats.
Een aanvraag kan op elk moment in het schooljaar worden ingediend.
De Vlaamse Regering kan verdere modaliteiten vastleggen voor de manier waarop de aanvragen moeten worden ingediend en de wijze waarop ze worden beoordeeld.".
Art. 171. Dans le même décret, il est inséré un article 118bis rédigé comme suit :
" Art. 118bis. Le Gouvernement flamand peut autoriser une autorité scolaire à occuper une implantation spéciale telle que visée à l'article 3, 13°, si les conditions suivantes sont remplies :
1° l'autorité scolaire démontre que l'infrastructure d'une implantation spéciale, ses équipements spécifiques ou la nature de la population scolaire qui y réside justifie que les normes de rationalisation et de programmation ne s'appliquent pas à cette implantation ;
2° il existe un protocole des négociations au sein du comité local compétent sur la mise en service de l'implantation.
Une demande peut être soumise à tout moment de l'année scolaire.
Le Gouvernement flamand peut fixer des modalités de dépôt et d'évaluation des demandes. ".
" Art. 118bis. Le Gouvernement flamand peut autoriser une autorité scolaire à occuper une implantation spéciale telle que visée à l'article 3, 13°, si les conditions suivantes sont remplies :
1° l'autorité scolaire démontre que l'infrastructure d'une implantation spéciale, ses équipements spécifiques ou la nature de la population scolaire qui y réside justifie que les normes de rationalisation et de programmation ne s'appliquent pas à cette implantation ;
2° il existe un protocole des négociations au sein du comité local compétent sur la mise en service de l'implantation.
Une demande peut être soumise à tout moment de l'année scolaire.
Le Gouvernement flamand peut fixer des modalités de dépôt et d'évaluation des demandes. ".
Art. 172. Aan artikel 124, § 2, van hetzelfde decreet wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De vestigingsplaatsen van structuuronderdelen, vermeld in artikel 129, waarop de rationalisatienorm niet van toepassing is, worden in het tweede lid niet in rekening gebracht.".
"De vestigingsplaatsen van structuuronderdelen, vermeld in artikel 129, waarop de rationalisatienorm niet van toepassing is, worden in het tweede lid niet in rekening gebracht.".
Art. 172. L'article 124, § 2, du même décret est complété par un alinéa 3 rédigé comme suit :
" Les implantations des subdivisions structurelles visées à l'article 129, auxquelles la norme de rationalisation ne s'applique pas, ne sont pas prises en compte dans l'alinéa 2. ".
" Les implantations des subdivisions structurelles visées à l'article 129, auxquelles la norme de rationalisation ne s'applique pas, ne sont pas prises en compte dans l'alinéa 2. ".
Art. 173. In artikel 130 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt:
" § 3. Een academie die gedurende drie opeenvolgende schooljaren geen enkele optie uit de clusters van opties, geen enkel muziekinstrument uit de clusters van muziekinstrumenten georganiseerd heeft, een optie of een muziekinstrument niet georganiseerd heeft, verliest vanaf het daaropvolgende schooljaar de onderwijsbevoegdheid voor die cluster van opties, cluster van muziekinstrumenten, optie of dat muziekinstrument.".
" § 3. Een academie die gedurende drie opeenvolgende schooljaren geen enkele optie uit de clusters van opties, geen enkel muziekinstrument uit de clusters van muziekinstrumenten georganiseerd heeft, een optie of een muziekinstrument niet georganiseerd heeft, verliest vanaf het daaropvolgende schooljaar de onderwijsbevoegdheid voor die cluster van opties, cluster van muziekinstrumenten, optie of dat muziekinstrument.".
Art. 173. Dans l'article 130 du même décret, le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Une académie qui, pendant trois années scolaires consécutives, n'a organisé aucune option des clusters d'options, aucun instrument de musique des clusters d'instruments de musique, aucune option ou aucun instrument de musique perd, à partir de l'année scolaire suivante, la compétence d'enseignement pour ce cluster d'options, ce cluster d'instruments de musique, cette option ou cet instrument de musique. ".
" § 3. Une académie qui, pendant trois années scolaires consécutives, n'a organisé aucune option des clusters d'options, aucun instrument de musique des clusters d'instruments de musique, aucune option ou aucun instrument de musique perd, à partir de l'année scolaire suivante, la compétence d'enseignement pour ce cluster d'options, ce cluster d'instruments de musique, cette option ou cet instrument de musique. ".
Art. 174. In artikel 134 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Een academie of een volledige vestigingsplaats of een of meer structuuronderdelen in een vestigingsplaats kunnen definitief van adres wijzigen, waarbij alle leerlingen op hetzelfde moment naar het nieuwe adres verhuizen. Bij de verhuizing van een volledige academie, een volledige vestigingsplaats of een volledig structuuronderdeel zijn de programmatienormen niet van toepassing.";
2° het tweede lid wordt opgeheven;
3° na het derde lid, dat het tweede lid wordt, wordt een nieuw lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Een schoolbestuur kan bij het begin van het schooljaar een deel van de leerlingen van een volledig opgericht structuuronderdeel overbrengen naar een nieuwe vestigingsplaats omwille van infrastructurele noodwendigheden. De programmatienormen zijn niet van toepassing. De rationalisatienormen zijn wel van toepassing. Het schoolbestuur meldt de uitbreiding van een bestaand structuuronderdeel naar een nieuwe vestigingsplaats uiterlijk 30 september aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.".
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Een academie of een volledige vestigingsplaats of een of meer structuuronderdelen in een vestigingsplaats kunnen definitief van adres wijzigen, waarbij alle leerlingen op hetzelfde moment naar het nieuwe adres verhuizen. Bij de verhuizing van een volledige academie, een volledige vestigingsplaats of een volledig structuuronderdeel zijn de programmatienormen niet van toepassing.";
2° het tweede lid wordt opgeheven;
3° na het derde lid, dat het tweede lid wordt, wordt een nieuw lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Een schoolbestuur kan bij het begin van het schooljaar een deel van de leerlingen van een volledig opgericht structuuronderdeel overbrengen naar een nieuwe vestigingsplaats omwille van infrastructurele noodwendigheden. De programmatienormen zijn niet van toepassing. De rationalisatienormen zijn wel van toepassing. Het schoolbestuur meldt de uitbreiding van een bestaand structuuronderdeel naar een nieuwe vestigingsplaats uiterlijk 30 september aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.".
Art. 174. A l'article 134 du même décret les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Une académie ou une implantation entière ou une ou plusieurs subdivisions structurelles dans une implantation peuvent changer définitivement d'adresse, tous les élèves déménageant à leur nouvelle adresse en même temps. En cas de déménagement d'une académie entière, d'une implantation entière ou d'une subdivision structurelle entière, les normes de programmation ne s'appliquent pas. " ;
2° l'alinéa 2 est abrogé ;
3° après alinéa 3, qui devient l'alinéa 2, il est ajouté un alinéa rédigé comme suit :
" Au début de l'année scolaire, une autorité scolaire peut transférer une partie des élèves d'une subdivision structurelle entièrement créée à une nouvelle implantation en raison des besoins en infrastructure. Les normes de programmation ne sont pas d'application. Les normes de rationalisation sont d'application. L'autorité scolaire avise l'Agentschap voor Onderwijsdiensten (Agence de Services d'Enseignement) de l'extension d'une subdivision structurelle existante à une nouvelle implantation au plus tard le 30 septembre. ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Une académie ou une implantation entière ou une ou plusieurs subdivisions structurelles dans une implantation peuvent changer définitivement d'adresse, tous les élèves déménageant à leur nouvelle adresse en même temps. En cas de déménagement d'une académie entière, d'une implantation entière ou d'une subdivision structurelle entière, les normes de programmation ne s'appliquent pas. " ;
2° l'alinéa 2 est abrogé ;
3° après alinéa 3, qui devient l'alinéa 2, il est ajouté un alinéa rédigé comme suit :
" Au début de l'année scolaire, une autorité scolaire peut transférer une partie des élèves d'une subdivision structurelle entièrement créée à une nouvelle implantation en raison des besoins en infrastructure. Les normes de programmation ne sont pas d'application. Les normes de rationalisation sont d'application. L'autorité scolaire avise l'Agentschap voor Onderwijsdiensten (Agence de Services d'Enseignement) de l'extension d'une subdivision structurelle existante à une nouvelle implantation au plus tard le 30 septembre. ".
Art. 175. Aan artikel 139 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In een samenwerkingsinitiatief dat in 2019 of 2020 is goedgekeurd, maar omwille van een ontoereikend globaal beschikbaar volume van punten en werkingsmiddelen, vermeld in artikel 140, paragraaf 1 en 2, niet weerhouden is, kan een schoolbestuur gedurende maximaal 3 schooljaren personeelsleden aanstellen ten laste van de werkingsmiddelen of van eigen middelen, conform artikel 82. Artikel 144 is van toepassing. De bepalingen, vermeld in artikel 143, 1° en 2°, zijn niet van toepassing.".
"In een samenwerkingsinitiatief dat in 2019 of 2020 is goedgekeurd, maar omwille van een ontoereikend globaal beschikbaar volume van punten en werkingsmiddelen, vermeld in artikel 140, paragraaf 1 en 2, niet weerhouden is, kan een schoolbestuur gedurende maximaal 3 schooljaren personeelsleden aanstellen ten laste van de werkingsmiddelen of van eigen middelen, conform artikel 82. Artikel 144 is van toepassing. De bepalingen, vermeld in artikel 143, 1° en 2°, zijn niet van toepassing.".
Art. 175. A l'article 139 du même décret, il est ajouté un alinéa 2 rédigé comme suit :
" Dans une initiative de coopération approuvée en 2019 ou 2020, mais non sélectionnée en raison d'un volume total insuffisant de points et de moyens de fonctionnement disponibles visés à l'article 140, paragraphes 1er et 2, une autorité scolaire peut désigner des membres du personnel pour un maximum de trois années scolaires à charge des moyens de fonctionnement ou des propres moyens, conformément à l'article 82. L'article 144 est applicable. Les dispositions visées à l'article 143, 1° et 2°, ne sont pas d'application. ".
" Dans une initiative de coopération approuvée en 2019 ou 2020, mais non sélectionnée en raison d'un volume total insuffisant de points et de moyens de fonctionnement disponibles visés à l'article 140, paragraphes 1er et 2, une autorité scolaire peut désigner des membres du personnel pour un maximum de trois années scolaires à charge des moyens de fonctionnement ou des propres moyens, conformément à l'article 82. L'article 144 est applicable. Les dispositions visées à l'article 143, 1° et 2°, ne sont pas d'application. ".
Art. 176. In artikel 153, vierde lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "de bepalingen in artikel 76, 77, tweede lid en 78" vervangen door de zinsnede "de bepalingen in artikel 74, eerste en tweede lid".
Art. 176. Dans l'article 153, alinéa 4, du même décret, le membre de phrase " aux dispositions des articles 76, 77, alinéa 2 et 78 " est remplacé par le membre de phrase " aux dispositions de l'article 74, alinéas 1er et 2 ".
HOOFDSTUK 17. - Wijzigingen van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding
CHAPITRE 17. - Modifications du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves
Art. 177. In het tweede lid van artikel 6, § 4, van het decreet betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding van 27 april 2018 wordt de zin "Ouders dienen hiervoor toestemming te geven." opgeheven.
Art. 177. Dans l'alinéa 2 de l'article 6, § 4, du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves, la phrase " Les parents doivent donner leur accord. " est abrogée.
Art. 178. In het vierde lid van artikel 9, § 2, van hetzelfde decreet wordt de zin "Ouders dienen hiervoor toestemming te geven." opgeheven.
Art. 178. Dans l'alinéa 4 de l'article 9, § 2, du même décret, la phrase " Les parents doivent donner leur accord. " est abrogée.
Art. 179. In artikel 10, derde lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "wetgeving tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer" vervangen door de woorden "regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens".
Art. 179. Dans l'article 10, alinéa 3, du même décret, les mots " législation de protection de la vie privée " sont remplacés par les mots " réglementation sur la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel ".
Art. 180. Aan artikel 16 van hetzelfde decreet wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 3. De centra maken netoverstijgend afspraken om onafhankelijke bemiddeling mogelijk te maken voor leerlingen of ouders over het ondersteuningsaanbod in functie van de leerling met specifieke onderwijsbehoeften.
De bemiddeling wordt ingezet op verzoek van leerlingen of ouders als ze klachten hebben over:
1° redelijke aanpassingen door de school;
2° ondersteuning door het ondersteuningsnetwerk of een school voor buitengewoon onderwijs;
3° een gemotiveerd verslag of een verslag door het centrum.
De bemiddeling kan alleen ingezet worden als de leerling of de ouders de klacht eerst rechtstreeks met de betrokken medewerker van het centrum hebben besproken:
1° bij klachten over redelijke aanpassingen wordt eerst de betrokken school voor gewoon onderwijs aangesproken, met ondersteuning van de betrokken medewerker van het centrum;
2° bij klachten over ondersteuning wordt eerst het betrokken ondersteuningsnetwerk en de school voor buitengewoon onderwijs aangesproken, met ondersteuning van de betrokken medewerker van het centrum;
3° bij klachten over een gemotiveerd verslag of een verslag wordt eerst de betrokken medewerker van het centrum aangesproken waarbij de klachtenprocedure van het centrum wordt gevolgd.
Een medewerker van een ander centrum die niet betrokken is bij de school waar de leerling ingeschreven is en de betrokken school voor buitengewoon onderwijs die voorziet in een ondersteuningsaanbod en de begeleiding van de leerling, treedt op als onafhankelijke bemiddelaar.
Met behoud van de toepassing van het eerste, tweede en derde lid wordt vanaf 1 september 2023 bemiddeling opgenomen als bijkomend thema voor de netoverstijgende regionale ondersteuningscel.".
" § 3. De centra maken netoverstijgend afspraken om onafhankelijke bemiddeling mogelijk te maken voor leerlingen of ouders over het ondersteuningsaanbod in functie van de leerling met specifieke onderwijsbehoeften.
De bemiddeling wordt ingezet op verzoek van leerlingen of ouders als ze klachten hebben over:
1° redelijke aanpassingen door de school;
2° ondersteuning door het ondersteuningsnetwerk of een school voor buitengewoon onderwijs;
3° een gemotiveerd verslag of een verslag door het centrum.
De bemiddeling kan alleen ingezet worden als de leerling of de ouders de klacht eerst rechtstreeks met de betrokken medewerker van het centrum hebben besproken:
1° bij klachten over redelijke aanpassingen wordt eerst de betrokken school voor gewoon onderwijs aangesproken, met ondersteuning van de betrokken medewerker van het centrum;
2° bij klachten over ondersteuning wordt eerst het betrokken ondersteuningsnetwerk en de school voor buitengewoon onderwijs aangesproken, met ondersteuning van de betrokken medewerker van het centrum;
3° bij klachten over een gemotiveerd verslag of een verslag wordt eerst de betrokken medewerker van het centrum aangesproken waarbij de klachtenprocedure van het centrum wordt gevolgd.
Een medewerker van een ander centrum die niet betrokken is bij de school waar de leerling ingeschreven is en de betrokken school voor buitengewoon onderwijs die voorziet in een ondersteuningsaanbod en de begeleiding van de leerling, treedt op als onafhankelijke bemiddelaar.
Met behoud van de toepassing van het eerste, tweede en derde lid wordt vanaf 1 september 2023 bemiddeling opgenomen als bijkomend thema voor de netoverstijgende regionale ondersteuningscel.".
Art. 180. A l'article 16 du même décret, il est ajouté un paragraphe 3 rédigé comme suit :
" § 3. Les centres favorisent à travers d'arrangements inter-réseaux l'organisation d'une médiation indépendante pour les élèves ou les parents afin de déterminer l'offre d'appui en fonction de l'élève à besoins éducatifs spécifiques.
La médiation est initiée à la demande des élèves ou des parents souhaitant déposer une plainte concernant :
1° des aménagements raisonnables par l'école ;
2° le soutien par le réseau d'appui ou une école d'enseignement spécial ;
3° un rapport motivé ou un rapport par le centre.
La médiation ne peut être entamée que si l'élève ou les parents ont d'abord discuté de la plainte directement avec le collaborateur concerné du centre :
1° en cas de plaintes concernant les aménagements raisonnables, l'école d'enseignement ordinaire concernée est la première à être contactée, avec le concours du collaborateur concerné du centre ;
2° en cas de plaintes concernant le soutien, le réseau d'appui concerné et l'école d'enseignement spécial sont les premiers à être contactés, avec le concours du collaborateur concerné du centre ;
3° lors de plaintes relatives à un rapport motivé ou un rapport, le collaborateur concerné du centre est le premier à être contacté conformément à la procédure de règlement des plaintes du centre.
Un collaborateur d'un autre centre non impliqué dans l'école où l'élève est inscrit et l'école d'enseignement spécial impliquée qui prévoit une offre d'appui et l'encadrement de l'élève, agit en tant que médiateur indépendant.
Sans préjudice de l'application des alinéas 1er, 2 et 3, la médiation sera incluse à partir du 1er septembre 2023 en tant que thème supplémentaire pour la cellule régionale d'appui inter-réseaux. ".
" § 3. Les centres favorisent à travers d'arrangements inter-réseaux l'organisation d'une médiation indépendante pour les élèves ou les parents afin de déterminer l'offre d'appui en fonction de l'élève à besoins éducatifs spécifiques.
La médiation est initiée à la demande des élèves ou des parents souhaitant déposer une plainte concernant :
1° des aménagements raisonnables par l'école ;
2° le soutien par le réseau d'appui ou une école d'enseignement spécial ;
3° un rapport motivé ou un rapport par le centre.
La médiation ne peut être entamée que si l'élève ou les parents ont d'abord discuté de la plainte directement avec le collaborateur concerné du centre :
1° en cas de plaintes concernant les aménagements raisonnables, l'école d'enseignement ordinaire concernée est la première à être contactée, avec le concours du collaborateur concerné du centre ;
2° en cas de plaintes concernant le soutien, le réseau d'appui concerné et l'école d'enseignement spécial sont les premiers à être contactés, avec le concours du collaborateur concerné du centre ;
3° lors de plaintes relatives à un rapport motivé ou un rapport, le collaborateur concerné du centre est le premier à être contacté conformément à la procédure de règlement des plaintes du centre.
Un collaborateur d'un autre centre non impliqué dans l'école où l'élève est inscrit et l'école d'enseignement spécial impliquée qui prévoit une offre d'appui et l'encadrement de l'élève, agit en tant que médiateur indépendant.
Sans préjudice de l'application des alinéas 1er, 2 et 3, la médiation sera incluse à partir du 1er septembre 2023 en tant que thème supplémentaire pour la cellule régionale d'appui inter-réseaux. ".
Art. 181. In artikel 17, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "regelgeving over de bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens" vervangen door de woorden "regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens".
Art. 181. Dans l'article 17, alinéa 2, du même décret, les mots " des règles relatives à la protection lors du traitement de données à caractère personnel " sont remplacés par les mots " de la réglementation sur la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel ".
Art. 182. In hetzelfde decreet wordt een artikel 39/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 39/1. Een centrum dat de samenwerking met een school stopzet vanuit de intentie om minder leerlingen te begeleiden met de gegarandeerde omkadering, vermeld in artikel 39, verliest 10 % van die gegarandeerde omkadering die het voor de omkaderingsperiode 2014-2017 gekregen heeft. Het verlies van 10 % is recurrent als de samenwerking met die school uitblijft op jaarbasis. Het verlies van 10 % is cumulatief per school waarmee het centrum niet meer samenwerkt. De bevoegde dienst van de Vlaamse overheid beslist tot verlies van omkadering nadat de bemiddelingscommissie, vermeld in artikel 14, § 4, de bemiddelingsprocedure tot samenwerken heeft ingezet.".
"Art. 39/1. Een centrum dat de samenwerking met een school stopzet vanuit de intentie om minder leerlingen te begeleiden met de gegarandeerde omkadering, vermeld in artikel 39, verliest 10 % van die gegarandeerde omkadering die het voor de omkaderingsperiode 2014-2017 gekregen heeft. Het verlies van 10 % is recurrent als de samenwerking met die school uitblijft op jaarbasis. Het verlies van 10 % is cumulatief per school waarmee het centrum niet meer samenwerkt. De bevoegde dienst van de Vlaamse overheid beslist tot verlies van omkadering nadat de bemiddelingscommissie, vermeld in artikel 14, § 4, de bemiddelingsprocedure tot samenwerken heeft ingezet.".
Art. 182. Dans le même décret, il est inséré un article 39/1 rédigé comme suit :
" Art. 39/1. Un centre qui cesse de coopérer avec une école dans le but d'encadrer moins d'élèves avec l'encadrement garanti, visé à l'article 39, perd 10 % de l'encadrement garanti qu'il a reçu pour la période d'encadrement 2014-2017. La perte de 10 % est récurrente s'il n'y a pas de coopération sur une base annuelle avec cette école. La perte de 10 % est cumulable par école avec laquelle le centre ne coopère plus. Le service compétent de l'Autorité flamande se prononce sur la perte de l'encadrement après que la commission de médiation visée à l'article 14, § 4, a engagé la procédure de médiation pour la coopération. ".
" Art. 39/1. Un centre qui cesse de coopérer avec une école dans le but d'encadrer moins d'élèves avec l'encadrement garanti, visé à l'article 39, perd 10 % de l'encadrement garanti qu'il a reçu pour la période d'encadrement 2014-2017. La perte de 10 % est récurrente s'il n'y a pas de coopération sur une base annuelle avec cette école. La perte de 10 % est cumulable par école avec laquelle le centre ne coopère plus. Le service compétent de l'Autorité flamande se prononce sur la perte de l'encadrement après que la commission de médiation visée à l'article 14, § 4, a engagé la procédure de médiation pour la coopération. ".
Art. 183. In artikel 42, § 2, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid worden de woorden "voor de permanente ondersteuningscel" vervangen door de woorden "in de permanente ondersteuningscel";
2° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt:
"De betrekkingen die met de overgedragen omkaderingsgewichten worden opgericht voor de regionale ondersteuningscel of netoverstijgende regionale ondersteuningscel, worden administratief verbonden aan een of meer van de centra die deel uitmaken van deze regionale ondersteuningscel of netoverstijgende regionale ondersteuningscel.".
1° in het tweede lid worden de woorden "voor de permanente ondersteuningscel" vervangen door de woorden "in de permanente ondersteuningscel";
2° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt:
"De betrekkingen die met de overgedragen omkaderingsgewichten worden opgericht voor de regionale ondersteuningscel of netoverstijgende regionale ondersteuningscel, worden administratief verbonden aan een of meer van de centra die deel uitmaken van deze regionale ondersteuningscel of netoverstijgende regionale ondersteuningscel.".
Art. 183. A l'article 42, § 2, du même décret, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 2, les mots " pour la cellule permanente d'appui " sont remplacés par les mots " dans la cellule permanente d'appui " ;
2° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" Les emplois qui sont créés avec les pondérations d'encadrement transférées pour la cellule régionale d'appui ou la cellule régionale d'appui inter-réseaux, sont liés administrativement à un ou plusieurs des centres qui font partie de la cellule régionale d'appui ou de la cellule régionale d'appui inter-réseaux. ".
1° dans l'alinéa 2, les mots " pour la cellule permanente d'appui " sont remplacés par les mots " dans la cellule permanente d'appui " ;
2° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" Les emplois qui sont créés avec les pondérations d'encadrement transférées pour la cellule régionale d'appui ou la cellule régionale d'appui inter-réseaux, sont liés administrativement à un ou plusieurs des centres qui font partie de la cellule régionale d'appui ou de la cellule régionale d'appui inter-réseaux. ".
Art. 184. In artikel 48, § 2, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "of van de Vlaamse ondersteuningspremie, uitgekeerd door de VDAB," vervangen door de zinsnede "van de Vlaamse ondersteuningspremie, uitgekeerd door de VDAB, of van subsidies toegekend door het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,".
Art. 184. Dans l'article 48, § 2, du même décret, le membre de phrase " ou de la prime de soutien flamande versée par le VDAB " est remplacé par le membre de phrase " de la prime de soutien flamande versée par le VDAB ou des subventions accordées par le Domaine politique du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille, ".
HOOFDSTUK 18. - Wijzigingen van het decreet van 30 november 2018 betreffende het duaal leren in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4
CHAPITRE 18. - Modifications du décret du 30 novembre 2018 relatif à la formation duale dans l'enseignement secondaire spécial des formes de formation 3 et 4
Art. 185. Artikel 3 van het decreet van 30 november 2018 betreffende het duaal leren in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4 wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 3. In artikel 308/1, § 1, eerste lid, en § 2, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt het woord "tuinbouwarbeider" telkens vervangen door de zinsnede "tuinbouwarbeider, de opleiding medewerker groen- en tuinbeheer duaal en de opleiding assistent plantaardige productie duaal.".
"Art. 3. In artikel 308/1, § 1, eerste lid, en § 2, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt het woord "tuinbouwarbeider" telkens vervangen door de zinsnede "tuinbouwarbeider, de opleiding medewerker groen- en tuinbeheer duaal en de opleiding assistent plantaardige productie duaal.".
Art. 185. A l'article 3 du décret du 30 novembre 2018 relatif à la formation duale dans l'enseignement secondaire spécial des formes de formation 3 et 4, les modifications suivantes sont apportées :
" Art. 3. Dans l'article 308/1, § 1er, alinéa 1er, et § 2, du même Code, inséré par le décret du 1er juillet 2011, les mots " tuinbouwarbeider (travailleur horticole) " sont chaque fois remplacés par les mots " tuinbouwarbeider (travailleur horticole) ", la formation duale de medewerker groen- en tuinbeheer (collaborateur en gestion d'espaces verts et de jardins) et la formation duale d'" assistent plantaardige productie " (assistant de production végétale). ".
" Art. 3. Dans l'article 308/1, § 1er, alinéa 1er, et § 2, du même Code, inséré par le décret du 1er juillet 2011, les mots " tuinbouwarbeider (travailleur horticole) " sont chaque fois remplacés par les mots " tuinbouwarbeider (travailleur horticole) ", la formation duale de medewerker groen- en tuinbeheer (collaborateur en gestion d'espaces verts et de jardins) et la formation duale d'" assistent plantaardige productie " (assistant de production végétale). ".
HOOFDSTUK 19. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 19. - Entrée en vigueur
Art. 186. Dit decreet treedt in werking op 1 september 2019, met uitzondering van:
1° artikel 6, 23, 24, 25, 33, 65, 104 en 146, die in werking treden op 1 september 2020;
2° artikel 56, 2°, dat in werking treedt op 1 september 2021;
3° artikel 56, 1°, dat in werking treedt op 1 september 2022;
4° artikel 56, 4° en 9°, die in werking treden op 1 september 2023;
5° artikel 56, 3° en 7°, die in werking treden op 1 september 2024;
6° artikel 56, 5°, dat in werking treedt op 1 september 2025;
7° artikel 127, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2002;
8° artikel 110, dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2013;
9° artikel 109, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2014;
10° artikel 17, 18, 19, 21, 77, 78, 79, 92 tot en met 98, en 101, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2018;
11° artikel 34, 73, 116, 121, 123, 129, 130, 162, 170, 174, 176 en 183, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2018;
12° artikel 12, 28, 29, 106, 120, 124, 125 en 126, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2019;
13° artikel 45, 141 en 142, die uitwerking hebben met ingang van 1 mei 2019.
1° artikel 6, 23, 24, 25, 33, 65, 104 en 146, die in werking treden op 1 september 2020;
2° artikel 56, 2°, dat in werking treedt op 1 september 2021;
3° artikel 56, 1°, dat in werking treedt op 1 september 2022;
4° artikel 56, 4° en 9°, die in werking treden op 1 september 2023;
5° artikel 56, 3° en 7°, die in werking treden op 1 september 2024;
6° artikel 56, 5°, dat in werking treedt op 1 september 2025;
7° artikel 127, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2002;
8° artikel 110, dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2013;
9° artikel 109, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2014;
10° artikel 17, 18, 19, 21, 77, 78, 79, 92 tot en met 98, en 101, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2018;
11° artikel 34, 73, 116, 121, 123, 129, 130, 162, 170, 174, 176 en 183, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2018;
12° artikel 12, 28, 29, 106, 120, 124, 125 en 126, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2019;
13° artikel 45, 141 en 142, die uitwerking hebben met ingang van 1 mei 2019.
Art. 186. Le présent décret entre en vigueur le 1er septembre 2019, à l'exception :
1° des articles 6, 23, 24, 25, 33, 65, 104 et 146, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2020 ;
2° de l'article 56, 2°, qui entre en vigueur le 1er septembre 2021 ;
3° de l'article 56, 1°, qui entre en vigueur le 1er septembre 2022 ;
4° de l'article 56, 4° et 9°, qui entre en vigueur le 1er septembre 2023 ;
1° de l'article 56, 3° et 7°, qui entre en vigueur le 1er septembre 2024 ;
6° de l'article 56, 5°, qui entre en vigueur le 1er septembre 2025 ;
7° de l'article 127, qui produit ses effets le 1er janvier 2002 ;
8° de l'article 110, qui produit ses effets le 1er octobre 2013 ;
9° de l'article 109, qui produit ses effets le 1er septembre 2014 ;
10° des articles 17, 18, 19, 21, 77, 78, 79, 92 à 98 et 101, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2018 ;
11° des articles 34, 73, 116, 121, 123, 129, 130, 162, 170, 174, 176 et 183, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2018 ;
12° des articles 12, 28, 29, 106, 120, 124, 125 et 126, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2019 ;
13° des articles 45, 141 et 142 qui produisent leurs effets le 1er mai 2019.
1° des articles 6, 23, 24, 25, 33, 65, 104 et 146, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2020 ;
2° de l'article 56, 2°, qui entre en vigueur le 1er septembre 2021 ;
3° de l'article 56, 1°, qui entre en vigueur le 1er septembre 2022 ;
4° de l'article 56, 4° et 9°, qui entre en vigueur le 1er septembre 2023 ;
1° de l'article 56, 3° et 7°, qui entre en vigueur le 1er septembre 2024 ;
6° de l'article 56, 5°, qui entre en vigueur le 1er septembre 2025 ;
7° de l'article 127, qui produit ses effets le 1er janvier 2002 ;
8° de l'article 110, qui produit ses effets le 1er octobre 2013 ;
9° de l'article 109, qui produit ses effets le 1er septembre 2014 ;
10° des articles 17, 18, 19, 21, 77, 78, 79, 92 à 98 et 101, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2018 ;
11° des articles 34, 73, 116, 121, 123, 129, 130, 162, 170, 174, 176 et 183, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2018 ;
12° des articles 12, 28, 29, 106, 120, 124, 125 et 126, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2019 ;
13° des articles 45, 141 et 142 qui produisent leurs effets le 1er mai 2019.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Indeling in onderwijszones
Bijlage bij het decreet van 5 april 2019 betreffende het Onderwijs XXIX als vermeld in artikel 104
Bijlage 1 - Indeling in onderwijszones
Zonenummer / Gemeenten
1. Antwerpen, Wommelgem, Zwijndrecht
2. Aartselaar, Boom, Bornem, Hemiksem, Niel, Puurs-Sint-Amands, Rumst, Schelle, Willebroek
3. Geel, Grobbendonk, Herentals, Herenthout, Laakdal, Lille, Olen, Vorselaar, Westerlo
4. Essen, Kalmthout, Kapellen, Stabroek, Wuustwezel,
5. Berlaar, Heist-op-den-Berg, Lier, Lint, Nijlen, Ranst
6. Baarle-Hertog, Brasschaat, Brecht, Hoogstraten, Malle, Merksplas, Rijkevorsel, Schilde, Schoten, Wijnegem, Zandhoven, Zoersel
7. Bonheiden, Boortmeerbeek, Duffel, Haacht, Kampenhout, Keerbergen, Mechelen, Putte, Rotselaar, Sint-Katelijne-Waver, Tremelo, Zemst
8. Balen, Dessel, Meerhout, Mol
9. Boechout, Borsbeek, Edegem, Hove, Kontich, Mortsel
10. Arendonk, Beerse, Kasterlee, Oud-Turnhout, Ravels, Retie, Turnhout, Vosselaar
11. Aarschot, Begijnendijk, Herselt, Holsbeek, Hulshout, Tielt-Winge
12. Affligem, Asse, Dilbeek, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk, Ternat, Wemmel
13. Alle gemeenten van het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad
14. Bekkevoort, Diest, Halen, Scherpenheuvel-Zichem, Tessenderlo
15. Beersel, Drogenbos, Gooik, Halle, Herne, Lennik, Linkebeek, Pepingen, SintGenesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw
16. Bertem, Bierbeek, Herent, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee
17. Boutersem, Geetbets, Glabbeek, Hoegaarden, Kortenaken, Linter, Tienen, Zoutleeuw
18. Grimbergen, Hoeilaart, Huldenberg, Kortenberg, Kraainem, Machelen, Overijse, Steenokkerzeel, Tervuren, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem
19. Beringen, Ham, Hechtel-Eksel, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen,
20. As, Genk, Houthalen-Helchteren, Zutendaal
21. Alken, Diepenbeek, Hasselt, Herk-de-Stad, Zonhoven
22. Bocholt, Bree, Hamont-Achel, Lommel, Oudsbergen, Pelt, Peer
23. Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Maaseik, Maasmechelen,
24. Gingelom, Heers, Landen, Nieuwerkerken, Sint-Truiden, Wellen
25. Bilzen, Borgloon, Herstappe, Hoeselt, Kortessem, Lanaken, Riemst, Tongeren, Voeren
26. Aalst, Erpe-Mere, Lede
27. Aalter, Deinze, Dentergem, Meulebeke, Nazareth, Kruisem, Oostrozebeke, Pittem, Ruiselede, Tielt, Wingene, Zulte
28. Buggenhout, Dendermonde, Hamme, Lebbeke,
29. Assenede, Eeklo, Kaprijke, Maldegem, Sint-Laureins, Zelzate, Lievegem
30. De Pinte, Destelbergen, Evergem, Gent, Lochristi, Melle, Merelbeke, Moerbeke-Waas, Sint-Martens-Latem, Wachtebeke
31. Bever, Galmaarden, Geraardsbergen, Lierde
32. Berlare, Laarne, Lokeren, Oosterzele, Waasmunster, Wetteren, Wichelen, Zele
33. Denderleeuw, Haaltert, Liedekerke, Ninove, Roosdaal
34. Gavere, Horebeke, Kluisbergen, Maarkedal, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Zwalm
35. Beveren, Kruibeke, Sint-Gillis-Waas, Sint-Niklaas, Stekene, Temse
36. Brakel, Herzele, Sint-Lievens-Houtem, Zottegem
37. Beernem, Blankenberge, Brugge, Damme, De Haan, Jabbeke, Knokke-Heist, Oostkamp, Zuienkerke
38. Heuvelland, Ieper, Langemark-Poelkapelle, Mesen, Poperinge, Vleteren, Zonnebeke
39. Deerlijk, Harelbeke, Kortrijk, Kuurne, Menen, Spiere-Helkijn, Wervik, Wevelgem, Zwevegem
40. Bredene, Gistel, Middelkerke, Oostende, Oudenburg
41. Ardooie, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lendelede, Moorslede, Roeselare, Staden
42. Ichtegem, Koekelare, Kortemark, Lichtervelde, Torhout, Zedelgem
43. Alveringem, De Panne, Diksmuide, Houthulst, Koksijde, Lo-Reninge, Nieuwpoort, Veurne
44. Anzegem, Avelgem, Waregem, Wielsbeke
Bijlage bij het decreet van 5 april 2019 betreffende het Onderwijs XXIX als vermeld in artikel 104
Bijlage 1 - Indeling in onderwijszones
Zonenummer / Gemeenten
1. Antwerpen, Wommelgem, Zwijndrecht
2. Aartselaar, Boom, Bornem, Hemiksem, Niel, Puurs-Sint-Amands, Rumst, Schelle, Willebroek
3. Geel, Grobbendonk, Herentals, Herenthout, Laakdal, Lille, Olen, Vorselaar, Westerlo
4. Essen, Kalmthout, Kapellen, Stabroek, Wuustwezel,
5. Berlaar, Heist-op-den-Berg, Lier, Lint, Nijlen, Ranst
6. Baarle-Hertog, Brasschaat, Brecht, Hoogstraten, Malle, Merksplas, Rijkevorsel, Schilde, Schoten, Wijnegem, Zandhoven, Zoersel
7. Bonheiden, Boortmeerbeek, Duffel, Haacht, Kampenhout, Keerbergen, Mechelen, Putte, Rotselaar, Sint-Katelijne-Waver, Tremelo, Zemst
8. Balen, Dessel, Meerhout, Mol
9. Boechout, Borsbeek, Edegem, Hove, Kontich, Mortsel
10. Arendonk, Beerse, Kasterlee, Oud-Turnhout, Ravels, Retie, Turnhout, Vosselaar
11. Aarschot, Begijnendijk, Herselt, Holsbeek, Hulshout, Tielt-Winge
12. Affligem, Asse, Dilbeek, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk, Ternat, Wemmel
13. Alle gemeenten van het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad
14. Bekkevoort, Diest, Halen, Scherpenheuvel-Zichem, Tessenderlo
15. Beersel, Drogenbos, Gooik, Halle, Herne, Lennik, Linkebeek, Pepingen, SintGenesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw
16. Bertem, Bierbeek, Herent, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee
17. Boutersem, Geetbets, Glabbeek, Hoegaarden, Kortenaken, Linter, Tienen, Zoutleeuw
18. Grimbergen, Hoeilaart, Huldenberg, Kortenberg, Kraainem, Machelen, Overijse, Steenokkerzeel, Tervuren, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem
19. Beringen, Ham, Hechtel-Eksel, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen,
20. As, Genk, Houthalen-Helchteren, Zutendaal
21. Alken, Diepenbeek, Hasselt, Herk-de-Stad, Zonhoven
22. Bocholt, Bree, Hamont-Achel, Lommel, Oudsbergen, Pelt, Peer
23. Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Maaseik, Maasmechelen,
24. Gingelom, Heers, Landen, Nieuwerkerken, Sint-Truiden, Wellen
25. Bilzen, Borgloon, Herstappe, Hoeselt, Kortessem, Lanaken, Riemst, Tongeren, Voeren
26. Aalst, Erpe-Mere, Lede
27. Aalter, Deinze, Dentergem, Meulebeke, Nazareth, Kruisem, Oostrozebeke, Pittem, Ruiselede, Tielt, Wingene, Zulte
28. Buggenhout, Dendermonde, Hamme, Lebbeke,
29. Assenede, Eeklo, Kaprijke, Maldegem, Sint-Laureins, Zelzate, Lievegem
30. De Pinte, Destelbergen, Evergem, Gent, Lochristi, Melle, Merelbeke, Moerbeke-Waas, Sint-Martens-Latem, Wachtebeke
31. Bever, Galmaarden, Geraardsbergen, Lierde
32. Berlare, Laarne, Lokeren, Oosterzele, Waasmunster, Wetteren, Wichelen, Zele
33. Denderleeuw, Haaltert, Liedekerke, Ninove, Roosdaal
34. Gavere, Horebeke, Kluisbergen, Maarkedal, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Zwalm
35. Beveren, Kruibeke, Sint-Gillis-Waas, Sint-Niklaas, Stekene, Temse
36. Brakel, Herzele, Sint-Lievens-Houtem, Zottegem
37. Beernem, Blankenberge, Brugge, Damme, De Haan, Jabbeke, Knokke-Heist, Oostkamp, Zuienkerke
38. Heuvelland, Ieper, Langemark-Poelkapelle, Mesen, Poperinge, Vleteren, Zonnebeke
39. Deerlijk, Harelbeke, Kortrijk, Kuurne, Menen, Spiere-Helkijn, Wervik, Wevelgem, Zwevegem
40. Bredene, Gistel, Middelkerke, Oostende, Oudenburg
41. Ardooie, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lendelede, Moorslede, Roeselare, Staden
42. Ichtegem, Koekelare, Kortemark, Lichtervelde, Torhout, Zedelgem
43. Alveringem, De Panne, Diksmuide, Houthulst, Koksijde, Lo-Reninge, Nieuwpoort, Veurne
44. Anzegem, Avelgem, Waregem, Wielsbeke
Art. N. Répartition en zones d'enseignement
Annexe au décret du 5 avril 2019 relatif à l'enseignement XXIX telle que visée à l'article 104
Annexe Ire. - Répartition en zones d'enseignement
Numéro de zone / Communes
1. Antwerpen, Wommelgem, Zwijndrecht
2. Aartselaar, Boom, Bornem, Hemiksem, Niel, Puurs-Sint-Amands, Rumst, Schelle, Willebroek
3. Geel, Grobbendonk, Herentals, Herenthout, Laakdal, Lille, Olen, Vorselaar, Westerlo
4. Essen, Kalmthout, Kapellen, Stabroek, Wuustwezel,
5. Berlaar, Heist-op-den-Berg, Lier, Lint, Nijlen, Ranst
6. Baarle-Hertog, Brasschaat, Brecht, Hoogstraten, Malle, Merksplas, Rijkevorsel, Schilde, Schoten, Wijnegem, Zandhoven, Zoersel
7. Bonheiden, Boortmeerbeek, Duffel, Haacht, Kampenhout, Keerbergen, Mechelen, Putte, Rotselaar, Sint-Katelijne-Waver, Tremelo, Zemst
8. Balen, Dessel, Meerhout, Mol
9. Boechout, Borsbeek, Edegem, Hove, Kontich, Mortsel
10. Arendonk, Beerse, Kasterlee, Oud-Turnhout, Ravels, Retie, Turnhout, Vosselaar
11. Aarschot, Begijnendijk, Herselt, Holsbeek, Hulshout, Tielt-Winge
12. Affligem, Asse, Dilbeek, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk, Ternat, Wemmel
13. Toutes les communes de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale
14. Bekkevoort, Diest, Halen, Scherpenheuvel-Zichem, Tessenderlo
15. Beersel, Drogenbos, Gooik, Halle, Herne, Lennik, Linkebeek, Pepingen, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw
16. Bertem, Bierbeek, Herent, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee
17. Boutersem, Geetbets, Glabbeek, Hoegaarden, Kortenaken, Linter, Tienen, Zoutleeuw
18. Grimbergen, Hoeilaart, Huldenberg, Kortenberg, Kraainem, Machelen, Overijse, Steenokkerzeel, Tervuren, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem
19. Beringen, Ham, Hechtel-Eksel, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen,
20. As, Genk, Houthalen-Helchteren, Zutendaal
21. Alken, Diepenbeek, Hasselt, Herk-de-Stad, Zonhoven
22. Bocholt, Bree, Hamont-Achel, Lommel, Oudsbergen, Pelt, Peer
23. Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Maaseik, Maasmechelen,
24. Gingelom, Heers, Landen, Nieuwerkerken, Sint-Truiden, Wellen
25. Bilzen, Borgloon, Herstappe, Hoeselt, Kortessem, Lanaken, Riemst, Tongeren, Voeren
26. Aalst, Erpe-Mere, Lede
27. Aalter, Deinze, Dentergem, Meulebeke, Nazareth, Kruisem, Oostrozebeke, Pittem, Ruiselede, Tielt, Wingene, Zulte
28. Buggenhout, Dendermonde, Hamme, Lebbeke,
29. Assenede, Eeklo, Kaprijke, Maldegem, Sint-Laureins, Zelzate, Lievegem
30. De Pinte, Destelbergen, Evergem, Gent, Lochristi, Melle, Merelbeke, Moerbeke-Waas, Sint-Martens-Latem, Wachtebeke
31. Bever, Galmaarden, Geraardsbergen, Lierde
32. Berlare, Laarne, Lokeren, Oosterzele, Waasmunster, Wetteren, Wichelen, Zele
33. Denderleeuw, Haaltert, Liedekerke, Ninove, Roosdaal
34. Gavere, Horebeke, Kluisbergen, Maarkedal, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Zwalm
35. Beveren, Kruibeke, Sint-Gillis-Waas, Sint-Niklaas, Stekene, Temse
36. Brakel, Herzele, Sint-Lievens-Houtem, Zottegem
37. Beernem, Blankenberge, Brugge, Damme, De Haan, Jabbeke, Knokke-Heist, Oostkamp, Zuienkerke
38. Heuvelland, Ieper, Langemark-Poelkapelle, Mesen, Poperinge, Vleteren, Zonnebeke
39. Deerlijk, Harelbeke, Kortrijk, Kuurne, Menen, Spiere-Helkijn, Wervik, Wevelgem, Zwevegem
40. Bredene, Gistel, Middelkerke, Oostende, Oudenburg
41. Ardooie, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lendelede, Moorslede, Roeselare, Staden
42. Ichtegem, Koekelare, Kortemark, Lichtervelde, Torhout, Zedelgem
43. Alveringem, De Panne, Diksmuide, Houthulst, Koksijde, Lo-Reninge, Nieuwpoort, Veurne
44. Anzegem, Avelgem, Waregem, Wielsbeke
Annexe au décret du 5 avril 2019 relatif à l'enseignement XXIX telle que visée à l'article 104
Annexe Ire. - Répartition en zones d'enseignement
Numéro de zone / Communes
1. Antwerpen, Wommelgem, Zwijndrecht
2. Aartselaar, Boom, Bornem, Hemiksem, Niel, Puurs-Sint-Amands, Rumst, Schelle, Willebroek
3. Geel, Grobbendonk, Herentals, Herenthout, Laakdal, Lille, Olen, Vorselaar, Westerlo
4. Essen, Kalmthout, Kapellen, Stabroek, Wuustwezel,
5. Berlaar, Heist-op-den-Berg, Lier, Lint, Nijlen, Ranst
6. Baarle-Hertog, Brasschaat, Brecht, Hoogstraten, Malle, Merksplas, Rijkevorsel, Schilde, Schoten, Wijnegem, Zandhoven, Zoersel
7. Bonheiden, Boortmeerbeek, Duffel, Haacht, Kampenhout, Keerbergen, Mechelen, Putte, Rotselaar, Sint-Katelijne-Waver, Tremelo, Zemst
8. Balen, Dessel, Meerhout, Mol
9. Boechout, Borsbeek, Edegem, Hove, Kontich, Mortsel
10. Arendonk, Beerse, Kasterlee, Oud-Turnhout, Ravels, Retie, Turnhout, Vosselaar
11. Aarschot, Begijnendijk, Herselt, Holsbeek, Hulshout, Tielt-Winge
12. Affligem, Asse, Dilbeek, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk, Ternat, Wemmel
13. Toutes les communes de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale
14. Bekkevoort, Diest, Halen, Scherpenheuvel-Zichem, Tessenderlo
15. Beersel, Drogenbos, Gooik, Halle, Herne, Lennik, Linkebeek, Pepingen, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw
16. Bertem, Bierbeek, Herent, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee
17. Boutersem, Geetbets, Glabbeek, Hoegaarden, Kortenaken, Linter, Tienen, Zoutleeuw
18. Grimbergen, Hoeilaart, Huldenberg, Kortenberg, Kraainem, Machelen, Overijse, Steenokkerzeel, Tervuren, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem
19. Beringen, Ham, Hechtel-Eksel, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen,
20. As, Genk, Houthalen-Helchteren, Zutendaal
21. Alken, Diepenbeek, Hasselt, Herk-de-Stad, Zonhoven
22. Bocholt, Bree, Hamont-Achel, Lommel, Oudsbergen, Pelt, Peer
23. Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Maaseik, Maasmechelen,
24. Gingelom, Heers, Landen, Nieuwerkerken, Sint-Truiden, Wellen
25. Bilzen, Borgloon, Herstappe, Hoeselt, Kortessem, Lanaken, Riemst, Tongeren, Voeren
26. Aalst, Erpe-Mere, Lede
27. Aalter, Deinze, Dentergem, Meulebeke, Nazareth, Kruisem, Oostrozebeke, Pittem, Ruiselede, Tielt, Wingene, Zulte
28. Buggenhout, Dendermonde, Hamme, Lebbeke,
29. Assenede, Eeklo, Kaprijke, Maldegem, Sint-Laureins, Zelzate, Lievegem
30. De Pinte, Destelbergen, Evergem, Gent, Lochristi, Melle, Merelbeke, Moerbeke-Waas, Sint-Martens-Latem, Wachtebeke
31. Bever, Galmaarden, Geraardsbergen, Lierde
32. Berlare, Laarne, Lokeren, Oosterzele, Waasmunster, Wetteren, Wichelen, Zele
33. Denderleeuw, Haaltert, Liedekerke, Ninove, Roosdaal
34. Gavere, Horebeke, Kluisbergen, Maarkedal, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Zwalm
35. Beveren, Kruibeke, Sint-Gillis-Waas, Sint-Niklaas, Stekene, Temse
36. Brakel, Herzele, Sint-Lievens-Houtem, Zottegem
37. Beernem, Blankenberge, Brugge, Damme, De Haan, Jabbeke, Knokke-Heist, Oostkamp, Zuienkerke
38. Heuvelland, Ieper, Langemark-Poelkapelle, Mesen, Poperinge, Vleteren, Zonnebeke
39. Deerlijk, Harelbeke, Kortrijk, Kuurne, Menen, Spiere-Helkijn, Wervik, Wevelgem, Zwevegem
40. Bredene, Gistel, Middelkerke, Oostende, Oudenburg
41. Ardooie, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lendelede, Moorslede, Roeselare, Staden
42. Ichtegem, Koekelare, Kortemark, Lichtervelde, Torhout, Zedelgem
43. Alveringem, De Panne, Diksmuide, Houthulst, Koksijde, Lo-Reninge, Nieuwpoort, Veurne
44. Anzegem, Avelgem, Waregem, Wielsbeke