Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
13 APRIL 2019. - Wet houdende diverse bepalingen inzake pensioenen
Titre
13 AVRIL 2019. - Loi portant des dispositions diverses en matière de pension
Documentinformatie
Numac: 2019041057
Datum: 2019-04-13
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2019041057
Date: 2019-04-13
Moniteur: Voir
Tekst (71)
Texte (71)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Opheffing van de Nationale Kas voor Oorlogspensioenen
CHAPITRE 2. - Suppression de la Caisse Nationale des Pensions de la Guerre
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 2. De Nationale Kas voor oorlogspensioenen, opgericht bij de wet van 23 januari 1925 tot oprichting van een Nationale Kas voor oorlogspensioenen, wordt ontbonden.
Art. 2. La Caisse Nationale des Pensions de la Guerre, créée par la loi du 23 janvier 1925 instituant une Caisse Nationale des Pensions de la Guerre est dissoute.
Art. 3. Alle wettelijke en contractuele rechten en plichten betreffende de door de Nationale Kas voor oorlogspensioenen uitgeoefende opdrachten worden ambtshalve overgedragen aan de Federale Pensioendienst bedoeld in artikel 40 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
Art. 3. Tous les droits et obligations légaux et contractuels relatifs aux missions effectuées par la Caisse Nationale des Pensions de la Guerre sont transférés d'office au Service fédéral des Pensions visé à l'article 40 de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.
Art. 4. Artikel 77, tweede lid, van de wet van 18 maart 2016 betreffende de Federale Pensioendienst, ingevoegd bij de wet van 22 december 2017, wordt aangevuld met volgende woorden : "en voor de wettelijke en reglementaire bepalingen die verband houden met de Nationale Kas voor oorlogspensioenen.".
Art. 4. L'article 77, alinéa 2, de la loi du 18 mars 2016 relative au Service fédéral des Pensions, inséré par la loi du 22 décembre 2017, est complété par les mots suivants : "et pour les dispositions légales et réglementaires liées à la Caisse Nationale des Pensions de la Guerre.".
Afdeling 2. - Opheffingsbepaling
Section 2. - Disposition abrogatoire
Art. 5. De wet van 23 januari 1925 tot oprichting van een Nationale Kas voor oorlogspensioenen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 november 1979 tot wijziging van sommige bepalingen inzake de betaling en de financiering van de oorlogspensioenen en -renten, wordt opgeheven.
Art. 5. La loi du 23 janvier 1925 instituant une Caisse Nationale des Pensions de la Guerre, modifiée en dernier lieu par la loi du 30 novembre 1979 modifiant certaines dispositions en matière de paiement et de financement des pensions et rentes de guerre, est abrogée.
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
Section 3. - Entrée en vigueur
Art. 6. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2018.
Art. 6. Le présent chapitre produit ses effets le 1er janvier 2018.
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 15 maart 1954 betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 en hun rechthebbenden
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 15 mars 1954 relative aux pensions de dédommagement des victimes civiles de la guerre 1940-1945 et de leurs ayants droit
Afdeling 1. - Wijzigingsbepaling
Section 1re. - Disposition modificative
Art. 7. In artikel 10ter van de wet van 15 maart 1954 betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 en hun rechthebbenden wordt het vierde lid, ingevoegd bij de wet van 11 juli 1979, vervangen als volgt :
  "Indien de gerechtigden invaliden zijn die onder de toepassing vallen van artikel 6, § 2, gewijzigd bij de wetten van 15 juni 1967 en 27 mei 1969, of van artikel 6, § 3bis, ingevoegd bij de wet van 15 juni 1967 en gewijzigd bij de wet van 27 mei 1969, zijn de enige bedragen van de speciale vergoedingen voor hulp van een derde persoon gelijk aan de enige bedragen van de vergoedingen die uit hoofde van gebreken van dezelfde aard door artikel 12, b), van de op 5 oktober 1948 gecoördineerde wetten op de vergoedingspensioenen worden toegekend aan de invaliden gerechtigd op artikel 15 van dezelfde gecoördineerde wetten.".
Art. 7. Dans l'article 10ter de la loi du 15 mars 1954 relative aux pensions de dédommagement des victimes civiles de la guerre 1940-1945 et de leurs ayants droit, l'alinéa 4, inséré par la loi du 11 juillet 1979, est remplacé par ce qui suit :
  "Lorsque les bénéficiaires sont des invalides tombant sous l'application de l'article 6, § 2, modifié par les lois des 15 juin 1967 et 27 mai 1969, ou de l'article 6, § 3bis, inséré par la loi du 15 juin 1967 et modifié par la loi du 27 mai 1969, les taux uniques des indemnités spéciales pour aide de tierce personne sont identiques aux taux uniques des indemnités attribuées en raison d'infirmités de même nature par l'article 12, b), des lois coordonnées du 5 octobre 1948 sur les pensions de réparation aux invalides bénéficiaires de l'article 15 des mêmes lois coordonnées.".
Afdeling 2. - Inwerkingtreding
Section 2. - Entrée en vigueur
Art. 8. Artikel 7 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2017.
Art. 8. L'article 7 produit ses effets le 1er juillet 2017.
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden
CHAPITRE 4. - Modification de la loi du 13 juin 1966 relative à la pension de retraite et de survie des ouvriers, des employés, des marins naviguant sous pavillon belge, des ouvriers mineurs et des assurés libres
Afdeling 1. - Wijzigingsbepaling
Section 1re. - Disposition modificative
Art. 9. In het artikel 21, § 4, van de wet van 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden, wordt het eerste lid aangevuld met de woorden "of door het verrichten van ambtshalve inhoudingen in toepassing van het artikel 1410, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek".
Art. 9. Dans l'article 21, § 4, de la loi du 13 juin 1966 relative à la pension de retraite et de survie des ouvriers, des employés, des marins naviguant sous pavillon belge, des ouvriers mineurs et des assurés libres, l'alinéa 1er est complété par les mots "ou par l'exécution des retenues d'office en application de l'article 1410, § 4, du Code judiciaire".
Afdeling 2. - Inwerkingtreding
Section 2. - Entrée en vigueur
Art. 10. Artikel 9 treedt in werking de dag volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 10. L'article 9 entre en vigueur le lendemain de sa publication au Moniteur belge.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen
CHAPITRE 5. - Modifications de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants
Afdeling 1. - Wijzigingsbepaling
Section 1re. - Disposition modificative
Art. 11. In artikel 36, § 2, van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen wordt het derde lid aangevuld met de woorden "of door het verrichten van ambtshalve inhoudingen met toepassing van artikel 1410, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek".
Art. 11. Dans l'article 36, § 2, de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, l'alinéa 3 est complété par les mots "ou par l'exécution des retenues d'office en application de l'article 1410, § 4, du Code judiciaire".
Afdeling 2. - Inwerkingtreding
Section 2. - Entrée en vigueur
Art. 12. Artikel 11 treedt in werking de dag volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 12. L'article 11 entre en vigueur le lendemain de sa publication au Moniteur belge.
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van de wet van 4 maart 2004 houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst
CHAPITRE 6. - Modification de la loi du 4 mars 2004 accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public
Afdeling 1. - Wijzigingsbepalingen
Section 1re. - Dispositions modificatives
Art. 13. In artikel 2 van de wet van 4 maart 2004 houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst wordt de bepaling onder 2° /1 ingevoegd, luidende :
  "2° /1. op de personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen met toepassing van artikel 10, § 1, van het koninklijk besluit van 16 november 2006 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de management- en staffuncties in sommige instellingen van openbaar nut en voor zover de betrokken instelling van openbaar nut niet is aangesloten bij het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden;".
Art. 13. Dans l'article 2 de la loi du 4 mars 2004 accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public, il est inséré le 2° /1 rédigé comme suit :
  "2° /1. aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement en application de l'article 10, § 1er, de l'arrêté royal du 16 novembre 2006 relatif à la désignation et à l'exercice des fonctions de management et d'encadrement dans certains organismes d'intérêt public pour autant que l'organisme d'intérêt public concerné ne soit pas affilié au régime de pension institué par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leur ayants droit;".
Art. 14. In hoofdstuk 1 van dezelfde wet wordt een artikel 9/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 9/1. De aan de in artikel 2, 2° /1 bedoelde personen toegekende aanvullende voordelen inzake rustpensioen, met uitzondering van het in artikel 6 bepaalde kapitaal of van de aan dit kapitaal beantwoordende rente waarvan de last gedragen wordt door de Federale Pensioendienst, zijn ten laste van de instelling waar zij hun management- of staffunctie hebben uitgeoefend.".
Art. 14. Dans le chapitre 1er de la même loi, il est inséré un article 9/1 libellé comme suit :
  "Art. 9/1. Les avantages complémentaires en matière de pension de retraite accordés aux personnes visées à l'article 2, 2° /1, à l'exception du capital visé à l'article 6 ou de la rente correspondante à ce capital dont la charge est supportée par le Service fédéral des Pensions, sont à charge de l'organisme dans lequel elles ont exercé leur fonction de management ou d'encadrement.".
Art. 15. Artikel 18 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "In afwijking van het vorige lid worden voor de in artikel 2, 2° /1, bedoelde personen slechts de mandaatperioden vanaf 1 januari 2019 in aanmerking genomen.".
Art. 15. L'article 18 de la même loi est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Par dérogation à l'alinéa précédent, pour les personnes visées à l'article 2, 2° /1, seules les périodes de mandat depuis le 1er janvier 2019 sont prises en compte.".
(NOTE : par son arrêt n° 48/2021 du 18-03-2021 (2021-03-18/32, M.B. 19-05-2021, p. 48790), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Afdeling 2. - Inwerkingtreding
Section 2. - Entrée en vigueur
Art. 16. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019.
Art. 16. Le présent chapitre produit ses effets le 1er janvier 2019.
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I)
CHAPITRE 7. - Modification de la loi modifiant la loi du 29 novembre 2010 portant des dispositions diverses (I)
Afdeling 1. - Wijzigingsbepalingen
Section 1re. - Dispositions modificatives
Art. 17. In de artikelen 139, 145/1, 149, 150, 152, 153, 155, 157, 159, 160, 161, 162/1, 162/2 en 163 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I) wordt het woord "PDOS" telkens vervangen door het woord "FPD".
Art. 17. Dans les articles 139, 145/1, 149, 150, 152, 153, 155, 157, 159, 160, 161, 162/1, 162/2 et 163 de la de la loi du 29 décembre 2010 portant des dispositions diverses (I), le mot "SdPSP" est remplacé chaque fois par le mot "SFP".
Art. 18. In titel 13, enig hoofdstuk, afdeling 4, onderafdeling 3, van dezelfde wet wordt een artikel 147/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 147/1. De laatste werkgever bij wie een personeelslid vóór 1 januari 2011 uit dienst is getreden zonder een rustpensioen bekomen te hebben, is ertoe gehouden een elektronisch attest "historische gegevens" aan te geven en te valideren binnen de termijn van een maand vanaf de ontvangst van de aanvraag die daartoe werd ingediend door een pensioeninstelling van de overheidssector.".
Art. 18. Dans le titre 13, chapitre unique, section 4, sous-section 3, de la même loi, il est inséré un article 147/1 rédigé comme suit :
  "Art. 147/1. Le dernier employeur auprès duquel un membre du personnel a cessé ses fonctions avant le 1er janvier 2011 sans avoir obtenu une pension de retraite, est tenu de délivrer et de valider une attestation électronique "données historiques" dans le délai d'un mois à partir de la réception de la demande introduite à cette fin par une institution de pension du secteur public.".
Art. 19. In titel 13, enig hoofdstuk, afdeling 5, van dezelfde wet wordt een artikel 157/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 157/1. § 1. De FPD kan een werkgever uitstel verlenen van de in de artikelen 143 tot en met 148 bedoelde aangiftetermijn voor zijn personeelsleden die niet vast zijn benoemd.
  Het in het eerste lid bedoelde uitstel kan enkel worden verleend voor zover de werkgever een gemotiveerde aanvraag tot uitstel indient bij de FPD.
  Voor elk personeelslid verstrijkt het in het eerste lid bedoelde uitstel één maand na :
  1° de vaste benoeming van dit personeelslid bij zijn werkgever;
  2° de uitdiensttreding bij zijn werkgever indien dit personeelslid onmiddellijk in dienst wordt genomen bij een andere werkgever;
  3° de indiensttreding bij een nieuwe werkgever indien dit personeelslid uit dienst is getreden bij zijn werkgever en hij later opnieuw in dienst treedt bij een andere werkgever;
  4° de aanvraag van de FPD om het attest historische gegevens aan te geven, welke ook de datum van deze aanvraag is.
  Het in het eerste lid bedoelde uitstel wordt vastgelegd in een protocolovereenkomst tussen de FPD en de werkgever.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde protocolovereenkomst kan op gemotiveerde vraag van de werkgever een vrijstelling bevatten van de in de artikelen 140 tot en met 142 bedoelde aangifteverplichtingen.
  In dit geval bevat het attest historische gegevens eveneens de gegevens die ingevolge de in de artikelen 140 tot en met 142 bedoelde aangiften zouden aangegeven geweest zijn.".
Art. 19. Dans le titre 13, chapitre unique, section 5, de la même loi, il est inséré un article 157/1 rédigé comme suit :
  "Art. 157/1 § 1er. Le SFP peut accorder à l'employeur un sursis au délai de déclaration visé aux articles 143 jusque et y compris 148 pour les membres du personnel qui ne sont pas nommés à titre définitif.
  Le sursis visé à l'alinéa 1er ne peut être accordé que si l'employeur introduit une demande motivée auprès du SFP.
  Pour chaque membre du personnel, le sursis visé à l'alinéa 1er expire un mois après :
  1° la nomination à titre définitif de ce membre du personnel auprès de son employeur;
  2° le départ du service auprès de son employeur si ce membre du personnel entre immédiatement en service auprès d'un autre employeur;
  3° l'entrée en service auprès d'un nouvel employeur si ce membre du personnel est parti du service auprès de son employeur et qu'il entre par la suite de nouveau en service auprès d'un autre employeur;
  4° la demande du SFP de fournir l'attestation de données historiques, peu importe la date de cette demande.
  Le sursis visé à l'alinéa 1er est fixé dans un accord de protocole entre le SFP et l'employeur.
  § 2. L'accord de protocole visé au paragraphe 1er peut contenir à la demande motivée de l'employeur une dispense des obligations de déclaration visées aux articles 140 jusque et y compris 142.
  Dans ce cas, l'attestation de données historiques contient également les données qui aurait été déclarées suite aux déclarations visées aux articles 140 jusque et y compris 142.".
Art. 20. In titel 13, enig hoofdstuk, van dezelfde wet wordt een afdeling 6/1 ingevoegd die de artikelen 161/1 tot 161/5 bevat, luidende :
  "Afdeling 6/1. - Sancties".
Art. 20. Dans le titre 13, chapitre unique, de la même loi, il est inséré une section 6/1 comportant les articles 161/1 à 161/5, rédigée comme suit :
  "Section 6/1. - Sanctions".
Art. 21. In afdeling 6/1, ingevoegd bij artikel 20, wordt een artikel 161/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 161/1. De werkgever die een in de artikelen 141, 142, 145, 145/1, 146, 147, 147/1, 148, 149 en 161 voorgeschreven verplichting niet is nagekomen binnen de daartoe voorziene termijn is van rechtswege aan de FPD een boete verschuldigd die gelijk is aan 100 euro per maand vertraging in het nakomen van de verplichting.
  De werkgever die de in de artikelen 143 en 144 voorgeschreven verplichting tot het aangeven en valideren van de elektronische attesten "historische gegevens" niet volledig is nagekomen vóór 1 januari 2016 is, vanaf het ogenblik waarop hij de in het derde lid bepaalde verplichting niet is nagekomen, van rechtswege aan de FPD een boete verschuldigd van 100 euro per personeelslid en per maand waarvoor hij het vereiste elektronisch attest "historische gegevens" niet heeft aangegeven en gevalideerd.
  De in het tweede lid bedoelde werkgever is ertoe gehouden de in de artikelen 143 en 144 bedoelde elektronische attesten "historische gegevens" aan te geven en te valideren :
  1° binnen de drie maanden vanaf de inwerkingtreding van deze bepaling voor ten minste 70 pct. van de personeelsleden in dienst op 1 januari 2011;
  2° binnen de zes maanden vanaf de inwerkingtreding van deze bepaling voor ten minste 80 pct. van de personeelsleden in dienst op 1 januari 2011;
  3° binnen de negen maanden vanaf de inwerkingtreding van deze bepaling voor ten minste 90 pct. van de personeelsleden in dienst op 1 januari 2011;
  4° binnen de twaalf maanden vanaf de inwerkingtreding van deze bepaling voor elk personeelslid in dienst op 1 januari 2011.
  De in het tweede lid bedoelde boete mag, per werkgever, een bedrag van 10 000 euro per maand niet overschrijden.".
Art. 21. Dans la section 6/1 insérée par l'article 20, il est inséré un article 161/1 rédigé comme suit :
  "Art. 161/1. L'employeur qui n'a pas respecté dans le délai prévu une des obligations prévues aux articles 141, 142, 145, 145/1, 146, 147, 147/1, 148, 149 et 161, est redevable de plein droit au SFP d'une amende égale à 100 euros par mois de retard dans l'exécution de l'obligation.
  L'employeur qui n'a pas entièrement respecté avant le 1er janvier 2016 l'obligation de délivrer et de valider les attestations électroniques "données historiques" prévue aux articles 143 et 144, est, à partir du moment où il n'a pas respecté l'obligation reprise dans l'alinéa 3, redevable de plein droit au SFP d'une amende de 100 euros par membre du personnel et par mois pour lesquels il n'a pas délivré et validé l'attestation électronique "données historiques" requise.
  L'employeur visé à alinéa 2 est tenu de délivrer et de valider les attestations électroniques "données historiques" visées aux articles 143 et 144 comme suit :
  1° dans les trois mois à partir de l'entrée en vigueur de la présente disposition pour au moins 70 pct. des membres du personnel en service le 1er janvier 2011;
  2° dans les six mois à partir de l'entrée en vigueur de la présente disposition pour au moins 80 pct. des membres du personnel en service le 1er janvier 2011;
  3° dans les neuf mois à partir de l'entrée en vigueur de la présente disposition pour au moins 90 pct. des membres du personnel en service le 1er janvier 2011;
  4° dans les douze mois à partir de l'entrée en vigueur de la présente disposition pour chaque membre du personnel en service le 1er janvier 2011.
  L'amende visée à l'alinéa 2 ne peut, par employeur, dépasser un montant de 10 000 euros par mois.".
Art. 22. In dezelfde afdeling 6/1, wordt een artikel 161/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 161/2. De FPD kan de werkgever die binnen de termijn van een maand geen gevolg heeft gegeven aan een in artikel 157 bedoeld verzoek om inlichtingen een boete opleggen die per maand vertraging gelijk is aan 1 000 euro.".
Art. 22. Dans la même section 6/1, il est inséré un article 161/2 rédigé comme suit :
  "Art. 161/2. Le SFP peut infliger à l'employeur qui n'a pas donné suite dans le délai d'un mois à une demande de renseignements prévue à l'article 157, une amende égale à 1 000 euros par mois de retard.".
Art. 23. In dezelfde afdeling 6/1, wordt een artikel 161/3 ingevoegd, luidende :
  "Art. 161/3. De FPD kan de werkgever die binnen de termijn van een maand geen gevolg heeft gegeven aan een in artikel 160 bedoeld verzoek om inlichtingen een boete opleggen die per maand vertraging en per personeelslid gelijk is aan 250 euro.".
Art. 23. Dans la même section 6/1, il est inséré un article 161/3 rédigé comme suit :
  "Art. 161/3. Le SFP peut infliger à l'employeur qui n'a pas donné suite dans le délai d'un mois à une demande de renseignements prévue à l'article 160, une amende égale à 250 euros par mois de retard et par membre du personnel.".
Art. 24. In dezelfde afdeling 6/1, wordt een artikel 161/4 ingevoegd, luidende :
  "Art. 161/4. De in deze afdeling bedoelde boeten worden gelijkgesteld met de administratieve geldboeten zoals bedoeld in het Sociaal Strafwetboek, behalve voor wat betreft de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank en het arbeidshof in de beroepsprocedure.
  De boeten zijn bestemd voor de FPD.".
Art. 24. Dans la même section 6/1, il est inséré un article 161/4 rédigé comme suit :
  "Art. 161/4. Les amendes prévues par la présente section sont assimilées à des amendes administratives visées par le Code pénal social, sauf pour la compétence du tribunal de travail et, en procédure d'appel, de la cour du travail.
  Les amendes sont destinées au SFP.".
Art. 25. In dezelfde afdeling 6/1, wordt een artikel 161/5 ingevoegd, luidende :
  "Art. 161/5. De Koning kan, op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de pensioenen behoort, het bedrag van de in deze afdeling bedoelde boeten en van het in artikel 161/1, vierde lid, bedoelde maximum verhogen.".
Art. 25. Dans la même section 6/1, il est inséré un article 161/5 rédigé comme suit :
  "Art. 161/5. le Roi peut, sur la proposition du ministre qui a les pensions dans ses attributions, augmenter le montant des amendes visées à la présente section et du maximum visé à l'article 161/1, alinéa 4.".
Art. 26. In artikel 163 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
  " § 2. Voor HR-Rail alsook voor de werkgevers waarvan het pensioen van hun personeelsleden op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze bepaling niet toegekend of beheerd wordt door de FPD, is afdeling 4 van toepassing met dien verstande dat voor deze werkgevers :
  - de in de artikelen 143 en 161/1, tweede lid, bedoelde datum "1 januari 2016" moet gelezen worden als "1 januari 2022";
  - de in artikel 161/1, derde lid, 1°, bedoelde woorden "binnen de drie maanden vanaf de inwerkingtreding van deze bepaling" moeten gelezen worden als "vóór 1 april 2022";
  - de in artikel 161/1, derde lid, 2°, bedoelde woorden "binnen de zes maanden vanaf de inwerkingtreding van deze bepaling" moeten gelezen worden als "vóór 1 juli 2022";
  - de in artikel 161/1, derde lid, 3°, bedoelde woorden "binnen de negen maanden vanaf de inwerkingtreding van deze bepaling" moeten gelezen worden als "vóór 1 september 2022";
  - de in artikel 161/1, derde lid, 4°, bedoelde woorden "binnen de twaalf maanden vanaf de inwerkingtreding van deze bepaling" moeten gelezen worden als "vóór 1 januari 2023".";
  2° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 26. A l'article 163 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 2 est remplacé comme suit :
  " § 2. Pour HR-Rail ainsi que pour les employeurs dont la pension de leurs membres du personnel n'est pas attribuée ou gérée par le SFP au moment de l'entrée en vigueur de la présente disposition, la section 4 est d'application, étant entendu que pour ces employeurs :
  - il convient de lire la date "1er janvier 2016" visée aux articles 143 et 161/1, alinéa 2, comme "1er janvier 2022";
  - il convient de lire les mots "dans les trois mois à partir de l'entrée en vigueur de la présente disposition" visés à l'article 161/1, alinéa 3, 1°, comme "avant le 1er avril 2022";
  - il convient de lire les mots "dans les six mois à partir de l'entrée en vigueur de la présente disposition" visés à l'article 161/1, alinéa 3, 2°, comme "avant le 1er juillet 2022";
  - il convient de lire les mots "dans les neufs mois à partir de l'entrée en vigueur de la présente disposition" visés à l'article 161/1, alinéa 3, 3°, comme "avant le 1er septembre 2022";
  - il convient de lire les mots "dans les douze mois à partir de l'entrée en vigueur de la présente disposition" visés à l'article 161/1, alinéa 3, 4°, comme "avant le 1er janvier 2023".";
  2° le paragraphe 3 est abrogé.
Afdeling 2. - Inwerkingtreding
Section 2. - Entrée en vigueur
Art. 27. Dit hoofdstuk treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van artikel 17 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2011.
Art. 27. Le présent chapitre entre en vigueur le premier jour du deuxième mois qui suit sa publication au Moniteur belge, à l'exception de l'article 17 qui produit ses effets le 1er janvier 2011.
HOOFDSTUK 8. - Wijziging van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 8. - Modification de la loi du 24 octobre 2011 assurant un financement pérenne des pensions des membres du personnel nommé des administrations provinciales et locales et des zones de police locale, modifiant la loi du 6 mai 2002 portant création du Fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale et portant diverses dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijzigingsbepalingen
Section 1re. - Dispositions modificatives
Art. 28. In de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen wordt een artikel 16/1 ingevoegd, luidende :
  "Voor de toepassing van de artikelen 15 en 16, eerste lid, 2), wordt het plaatselijk bestuur dat ontstaan is ingevolge een fusie waarbij één of meerdere plaatselijke besturen die op 31 december 2011 aangesloten waren bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke besturen betrokken zijn, beschouwd als zijnde aangesloten bij dit pensioenstelsel op 31 december 2011.
  In geval van een fusie van twee of meerdere plaatselijke besturen die allen voor het geheel van hun vastbenoemde personeelsleden op 31 december 2011 aangesloten waren bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke besturen, wordt de in artikel 16, eerste lid, 2), bedoelde tussenkomst van het reservefonds toegekend voor alle vastbenoemde personeelsleden van het ingevolge de fusie ontstane plaatselijk bestuur.
  In de overige gevallen van een fusie waarbij één of meerdere plaatselijke besturen betrokken zijn die op 31 december 2011 aangesloten waren bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke besturen, wordt de in artikel 16, eerste lid, 2), bedoelde tussenkomst van het reservefonds enkel toegekend voor de vastbenoemde personeelsleden van het ingevolge de fusie ontstane plaatselijk bestuur voor wie de dag vóór de fusie de tussenkomst van het reservefonds reeds werd toegekend.".
Art. 28. A la loi du 24 octobre 2011 assurant un financement pérenne des pensions des membres du personnel nommé à titre définitif des administrations provinciales et locales et des zones de police locale et modifiant la loi du 6 mai 2002 portant création du fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale et contenant diverses dispositions modificatives, un article 16/1 est inséré, rédigé comme suit :
  "Pour l'application des articles 15 et 16, alinéa 1er, 2), l'administration locale qui a été créée suite à une fusion impliquant une ou plusieurs administrations locales qui étaient affilées au régime commun de pension des pouvoirs locaux au 31 décembre 2011, est considérée comme étant affilée à ce régime de pension au 31 décembre 2011.
  En cas d'une fusion de deux ou plus d'administrations locales qui étaient toutes affilées au régime commun de pension des pouvoirs locaux au 31 décembre 2011 pour la totalité de leurs membres du personnel nommés à titre définitif, l'intervention du Fonds de réserve visée à l'article 16, alinéa 1er, 2), est accordée pour tous les membres du personnel nommés à titre définitif de l'administration locale créée suite à la fusion.
  Dans les autres cas d'une fusion impliquant une ou plusieurs administrations locales qui étaient affilées au régime commun de pension des pouvoirs locaux au 31 décembre 2011, l'intervention du Fonds de réserve visée à l'article 16, alinéa 1er, 2) n'est accordée que pour les membres du personnel nommés à titre définitif de l'administration locale créée suite à la fusion pour lesquels l'intervention du Fonds de réserve était déjà accordée à la veille de la fusion.".
Afdeling 2. - Inwerkingtreding
Section 2. - Entrée en vigueur
Art. 29. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019.
Art. 29. Le présent chapitre produit ses effets le 1er janvier 2019.
HOOFDSTUK 9. - Wijziging van de wet van de wet van 18 maart 2016 betreffende de Federale Pensioendienst
CHAPITRE 9. - Modification de la loi du 18 mars 2016 relative au Service fédéral des Pensions
Afdeling 1. - Wijzigingsbepaling
Section 1re. - Disposition modificative
Art. 30. Artikel 13, 1°, van de wet van 18 maart 2016 betreffende de Federale Pensioendienst wordt aangevuld met de bepalingen onder c) en d), luidende :
  "c) de aanvullende voordelen inzake rustpensioen bedoeld in de wet van 4 maart 2004 houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst;
  d) de bijkomende voordelen van de in a) tot en met c), bedoelde pensioenen, renten en vergoedingen;".
Art. 30. L'article 13, 1°, de la loi du 18 mars 2016 relative au Service fédéral des Pensions est complété par les c) et d), rédigés comme suit :
  "c) aux avantages complémentaires en matière de pension de retraite visés dans la loi du 4 mars 2004 accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public;
  d) les avantages accessoires aux pensions, rentes et allocations visées aux a) à c);".
Art. 31. In artikel 23 van dezelfde wet worden een derde en vierde lid ingevoegd luidende :
  "De Koning stelt jaarlijks in de loop van de maand september van het voorgaande kalenderjaar de in het eerste lid bedoelde werkgeversbijdrage vast. Daartoe formuleert het Beheerscomité van de Gemeenschappelijke sociale dienst jaarlijks vóór 1 juli aan de minister een voorstel met betrekking tot de werkgeversbijdrage voor het volgende kalenderjaar. Deze bijdrage stemt overeen met een percentage van het loon dat als basis dient voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen.
  In afwijking van het vorige lid wordt de werkgeversbijdragevoet voor het jaar 2018 vastgesteld op 0,15 % en voor het jaar 2019 op 0,14 %."
Art. 31. Dans l'article 23 de la même loi, un troisième et quatrième alinéas sont insérés, rédigés comme suit :
  "Le Roi fixe chaque année la cotisation patronale visée à l'alinéa 1er au cours du mois de septembre de l'année civile qui précède. A cet effet, le Comité de gestion du Service social collectif fait, chaque année, avant le 1er juillet, une proposition au ministre relative à la cotisation patronale pour l'année civile suivante. Cette cotisation correspond à un pourcentage de la rémunération servant de base au calcul des cotisations de sécurité sociale.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, le taux de la cotisation patronale est fixé à 0,15 % pour l'année 2018 et à 0,14 % pour l'année 2019."
Afdeling 2. - Inwerkingtreding
Section 2. - Entrée en vigueur
Art. 32. Artikel 30 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2016 en artikel 31 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2018.
Art. 32. L'article 30 produit ses effets le 1er avril 2016 et l'article 31 produit ses effets le 1er janvier 2018.
HOOFDSTUK 10. - Instelling van een pensioenwaarborgregeling voor ambtenaren die worden overgeheveld van de provincie Vlaams-Brabant naar de Vlaamse overheid of naar een Vlaams agentschap met rechtspersoonlijkheid dat aangesloten is bij het pensioenstelsel bedoeld in de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden
CHAPITRE 10. - Instauration d'une garantie en matière de pension pour les agents qui ont été transférés de la province du Brabant flamand vers l'autorité flamande ou vers une Agence flamande avec personnalité juridique qui est affiliée à la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit
Afdeling 1. - Waarborgregeling
Section 1re. - Règle de garantie
Art. 33. § 1. Het bedrag van het pensioen dat wordt toegekend aan de personeelsleden van de provincie Vlaams-Brabant die, ter uitvoering van artikel 264bis van het Vlaams Provinciedecreet van 9 december 2005, op 1 januari 2018 werden overgeheveld naar de Vlaamse overheid of naar een Vlaams agentschap met rechtspersoonlijkheid dat aangesloten is bij het pensioenstelsel bedoeld in de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, mag niet lager zijn dan het bedrag van het pensioen dat zij zouden hebben gekregen overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die op 31 december 2017 op hen van toepassing waren, maar rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen later zouden hebben ondergaan krachtens algemene maatregelen van toepassing op de provincie Vlaams-Brabant.
  § 2. Het bedrag van het pensioen dat wordt toegekend aan de personeelsleden van de provincie Vlaams-Brabant die vóór hun diensten bij de provincie Vlaams-Brabant tewerkgesteld waren bij de provincie Brabant en die, ter uitvoering van artikel 264bis van het Vlaams Provinciedecreet van 9 december 2005, op 1 januari 2018 werden overgeheveld naar de Vlaamse overheid of naar een Vlaams agentschap met rechtspersoonlijkheid dat aangesloten is bij het pensioenstelsel bedoeld in de voormelde wet van 28 april 1958, mag niet lager zijn dan het bedrag van het pensioen dat zij zouden hebben gekregen overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die op 31 december 2017 op hen van toepassing waren, maar rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen later zouden hebben ondergaan krachtens algemene maatregelen van toepassing op de instelling waartoe zij behoorden op het ogenblik dat zij, ter uitvoering van artikel 92bis, § 4quater, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van de provincie Brabant werden overgeheveld naar de provincie Vlaams-Brabant.
Art. 33. § 1er. Le montant de la pension qui est accordée aux membres du personnel de la province du Brabant flamand qui, en exécution de l'article 264 bis du décret provincial du 9 décembre 2005, ont été transférés au 1er janvier 2018 à l'Autorité flamande ou à une Agence flamande qui est affilée au régime de pension visé par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certaines organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit, ne peut pas être inférieur au montant de pension dont ils auraient bénéficié sur la base des dispositions légales et réglementaires qui leur étaient d'application au 31 décembre 2017, mais tenant compte des modifications ultérieures dont ces dispositions feraient l'objet consécutivement à des règles générales applicables à la province du Brabant flamand.
  § 2. Le montant de la pension qui est accordée aux membres du personnel de la province du Brabant flamand qui, avant leurs services prestés à cette province étaient affectés à la province du Brabant et qui, en exécution de l'article 264bis du décret provincial du 9 décembre 2005, ont été transférés au 1er janvier 2018 à l'Autorité flamande ou à une Agence flamande qui est affilée au régime de pension visé par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certaines organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit, ne peut pas être inférieur au montant de la pension dont ils auraient bénéficié sur la base des dispositions légales et réglementaires qui leur étaient applicables au 31 décembre 2017 mais tenant compte des modifications ultérieures dont ces dispositions feraient l'objet consécutivement à des règles générales applicables à l'institution à laquelle ils appartenaient au moment où, en exécution de l'article 92bis, § 4quater de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, ils ont été transférés de la province du Brabant vers la province du Brabant flamand.
Art. 34. De in artikel 33 bedoelde waarborgen vervallen indien het personeelslid na 1 januari 2018 de Vlaamse overheid of het Vlaams agentschap verlaat waarnaar het op die datum werd overgeheveld en na die datum diensten verstrekt waarvoor hem een pensioen wordt toegekend in een van de pensioenregelingen bedoeld in artikel 1 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector.
Art. 34. Les garanties visées à l'article 33 ne sont pas d'application si le membre du personnel, postérieurement au 1er janvier 2018, quitte l'Autorité flamande ou l'Agence flamande vers laquelle il a été transféré à cette date, et a presté après cette même date des services pour lesquels une pension lui a été accordée dans un des régimes de pension visé à l'article 1er de la loi du 14 avril 1965 établissant certaines relations entre les divers régimes de pension du secteur public.
Art. 35. De bijkomende uitgaven die het gevolg zijn van de in artikel 33 bedoelde waarborgen vallen ten laste van de provincie Vlaams-Brabant.
  De nadere regelen voor het ten laste nemen van de in het eerste lid bedoelde bijkomende uitgaven worden door de Koning vastgesteld op de voordracht van de minister die bevoegd is voor Pensioenen.
Art. 35. Les dépenses supplémentaires, consécutives aux garanties visées à l'article 33, sont à charge de la province du Brabant flamand.
  Les mesures concrètes relatives à la prise en charge des dépenses supplémentaires visées à l'alinéa premier, sont fixées par le Roi sur proposition du ministre compétent en matière de pensions.
Afdeling 2. - Inwerkingtreding
Section 2. - Entrée en vigueur
Art. 36. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2018.
Art. 36. Le présent chapitre produit ses effets le 1er janvier 2018.
HOOFDSTUK 11. - Wijziging van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid
CHAPITRE 11. - Modification de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de sécurité sociale
Art. 37. In artikel 48/2 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, ingevoegd bij de wet van 30 maart 2018 met betrekking tot het niet in aanmerking nemen van diensten gepresteerd als niet-vastbenoemd personeelslid voor een pensioen van de overheidssector, tot wijziging van de individuele responsabilisering van de provinciale en lokale overheden binnen het Gesolidariseerde pensioenfonds, tot aanpassing van de reglementering inzake aanvullende pensioenen, tot wijziging van de modaliteiten van de financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen en tot bijkomende financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen, wordt een paragraaf 2 ingevoegd, luidende :
  " § 2. Een openbare werkgever kan de hoedanigheid van inrichter van een pensioentoezegging ten gunste van werknemers van verschillende openbare entiteiten of publiekrechtelijke rechtspersonen op zich nemen.
  In geval van toepassing van het eerste lid, in afwijking van artikel 3, § 1, 11°, b), 1, wordt de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, anders dan door overlijden of pensionering, die wordt gevolgd door het sluiten van een arbeidsovereenkomst met een openbare entiteit of publiekrechtelijke rechtspersoon, die onder het toepassingsgebied van hetzelfde pensioenstelsel valt als dat van de vorige openbare entiteit of publiekrechtelijke rechtspersoon, niet als een uittreding beschouwd.
  In geval van toepassing van het eerste lid, in afwijking van artikel 31, § 1, eerste lid, mag de periode van kennisgeving tot ten hoogste één jaar worden verlengd. Binnen diezelfde periode kan de aangeslotene evenwel zelf de pensioeninstelling van zijn uittreding in kennis stellen. Na deze kennisgeving door de aangeslotene zijn de bepalingen van artikel 31, § 1, tweede lid en derde lid van toepassing. Binnen diezelfde periode van kennisgeving kan de aangeslotene de pensioeninstelling meedelen dat hij bij dezelfde pensioentoezegging aangesloten blijft. In dat geval is de procedure bedoeld in artikel 32 niet van toepassing. In geval de bepalingen van dit lid worden toegepast, dient de procedure bij uittreding te worden geregeld in het pensioenreglement.".
Art. 37. A l'article 48/2 de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de sécurité sociale, inséré par la loi du 30 mars 2018 relative à la non prise en considération de services en tant que personnel non nommé à titre définitif dans une pension du secteur public, modifiant la responsabilisation individuelle des administrations provinciales et locales au sein du Fonds de pension solidarisé, adaptant la règlementation des pensions complémentaires, modifiant les modalités de financement du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales et portant un financement supplémentaire du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales, il est inséré un paragraphe 2 rédigé comme suit :
  " § 2. Un employeur public peut assumer la qualité d'organisateur d'un engagement de pension en faveur de travailleurs de différentes entités publiques ou personnes morales de droit public.
  En cas d'application de l'alinéa 1er, par dérogation à l'article 3, § 1er, 11°, b), 1, l'expiration du contrat de travail autrement que par le décès ou la mise à la retraite, suivie par la conclusion d'un contrat de travail avec une entité publique ou une personne morale de droit public qui tombe sous le champ d'application du même régime de pension que celui de la précédente entité publique ou personne morale de droit public n'est pas considéré comme une sortie.
  En cas d'application de l'alinéa 1er, par dérogation à l'article 31, § 1er, alinéa 1er, la période de communication peut être portée au maximum à un an. Pendant cette même période, l'affilié peut toutefois lui-même communiquer sa sortie à l'organisme de pension. Après cette communication faite par l'affilié, les dispositions de l'article 31, § 1er, alinéa 2 et 3 sont applicables. Pendant cette même période de communication, l'affilié peut informer l'organisme de pension qu'il reste affilié au même engagement de pension. Dans ce cas, la procédure visée à l'article 32 n'est pas d'application. Au cas où il est fait application des dispositions de présent alinéa, la procédure de sortie est réglée dans le règlement de pension.".
HOOFDSTUK 12. - Wijzigingen van de programmawet (I) van 27 december 2006
CHAPITRE 12. - Modifications de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006
Art. 38. Artikel 306/4, punt 3, van de programmawet (I) van 27 december 2006 wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Deze gedetailleerde informatie draagt de titel "pensioenoverzicht".".
Art. 38. L'article 306/4, 3, de la Loi-programme (I) du 27 décembre 2006 est complété par ce qui suit :
  "Cette information détaillée porte le titre de "relevé des droits à retraite".".
Art. 39. Artikel 306/6 van dezelfde wet wordt aangevuld met een punt 6, luidende :
  "6. Voor de pensioeninstellingen die onder het toepassingsgebied van DB2P vallen en die bovendien beheerd worden door pensioeninstellingen die onderworpen zijn aan de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening bevat het pensioenoverzicht bovendien de volgende informatie :
  1° de persoonsgegevens van de aangeslotene, met vermelding van, naargelang wat van toepassing is, de wettelijke pensioenleeftijd, de in de pensioenregeling vastgestelde of door de IBP geraamde pensioenleeftijd, of de door de aangeslotene vastgestelde pensioenleeftijd;
  2° de naam en het contactadres van de IBP en de identificatie van de pensioenregeling van de aangeslotene;
  3° indien volledige of gedeeltelijke garanties uit hoofde van de pensioenregeling van toepassing is, vermelden waar verdere informatie te vinden is;
  4° informatie over de op basis van de onder 1° vermelde pensioenleeftijd gemaakte pensioenprojecties, met een waarschuwing dat die projecties kunnen verschillen van de definitieve waarde van de uitkeringen.
  Indien de pensioenprojecties worden uitgevoerd op basis van economische scenario's, moet die informatie ook een meest realistisch scenario en een ongunstig scenario omvatten, rekening houdend met de specifieke aard van de pensioenregeling.
  De FSMA kan bij reglement de voorschriften bepalen voor de hypotheses voor de bedoelde pensioenprojecties. De IBP past die voorschriften toe voor de vaststelling van, indien van toepassing, het jaarlijkse percentage van de nominale beleggingsresultaten, het jaarlijkse inflatiepercentage en de toekomstige loontrend;
  5° informatie over de bijdragen die de bijdragende onderneming en de aangeslotene aan de pensioenregeling gedurende ten minste de afgelopen twaalf maanden hebben betaald, rekening houdend met de specifieke aard van de pensioenregeling;
  6° een uitsplitsing van de kosten die de IBP gedurende ten minste de afgelopen twaalf maanden heeft ingehouden en die een impact hebben op de rechten van de aangeslotenen;
  7° waar en hoe aanvullende informatie kan worden verkregen over onder meer :
  - verdere praktische informatie over de opties waarover de aangeslotenen in het kader van de pensioenregeling beschikken;
  - de in de jaarrekeningen en jaarverslagen vermelde informatie alsook de in de verklaring inzake beleggingsbeginselen vermelde informatie;
  - indien van toepassing, informatie over de gehanteerde hypothesen voor in renten uitgedrukte bedragen, met name over het percentage van de rente, het soort aanbieder en de duur van de rente;
  - informatie over de hoogte van de uitkeringen in geval van beëindiging van de dienstbetrekking.".
Art. 39. L'article 306/6 de la même loi est complété par un 6 rédigé comme suit :
  "6. Pour les organismes de pension relevant du champ d'application DB2P et gérés par des organismes de pension soumis à la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, le relevé des droits à retraite comporte également les informations suivantes :
  1° les données personnelles concernant l'affilié, y compris une indication claire, selon le cas, de l'âge légal de départ à la retraite, de l'âge de départ à la retraite fixé dans le régime de retraite ou estimé par l'IRP, ou de l'âge de départ à la retraite fixé par l'affilié;
  2° le nom de l'IRP et son adresse de contact et l'identification du régime de retraite de l'affilié;
  3° l'endroit où trouver de plus amples informations sur les garanties totales ou partielles au titre du régime de retraite éventuellement d'application;
  4° des informations relatives aux projections en matière de retraites fondées sur l'âge de retraite fixé au point 1°, et un avertissement d'après lequel ces projections peuvent différer du montant final des prestations.
  Si les projections en matière de retraites sont fondées sur des scénarios économiques, ces informations contiennent également le meilleur scénario et un scénario moins favorable, en tenant compte de la nature propre du régime de retraite.
  La FSMA peut, par voie de règlement, énoncer les règles permettant de déterminer les hypothèses sur lesquelles se fondent les projections en matière de retraite susvisées. Ces règles sont appliquées par l'IRP pour déterminer, le cas échéant, le taux annuel de rendement nominal des investissements, le taux d'inflation annuel et l'évolution future des salaires;
  5° des informations sur les cotisations versées par l'entreprise d'affiliation et l'affilié dans le régime de retraite au moins au cours des douze derniers mois, tenant compte de la nature propre du régime de retraite;
  6° une ventilation des coûts qui ont été déduits par l'IRP au moins au cours des douze derniers mois et qui ont un impact sur les droits des affiliés;
  7° où et comment obtenir des informations supplémentaires, notamment :
  - de plus amples informations pratiques sur les options offertes aux affiliés par le régime de retraite;
  - les informations contenues dans les comptes et rapports annuels, ainsi que les informations contenues dans la déclaration relative aux principes fondant la politique de placement;
  - le cas échéant, des informations sur les hypothèses utilisées pour estimer les montants exprimés en rente viagère, en particulier le taux de rente, le type de prestataire et la durée de la rente;
  - des informations sur le niveau des prestations en cas de cessation d'emploi.".
Art. 40. De artikelen 38 en 39 treden in werking op een datum bepaald bij koninklijk besluit en ten laatste op 31 december 2020.
Art. 40. Les articles 38 et 39 entrent en vigueur à une date fixée par arrêté royal et au plus tard le 31 décembre 2020.