Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
13 APRIL 2019. - Wet tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-04-2019 en tekstbijwerking tot 23-03-2023)
Titre
13 AVRIL 2019. - Loi introduisant le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-04-2019 et mise à jour au 23-03-2023)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
HOOFDSTUK 2. - Wetboek van de minnelijke en ged...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen
Afdeling 1. - Wetboek van de belasting over de ...
Afdeling 2. - Wetboek van de inkomstenbelasting...
Afdeling 3. - Wetboek van de met de inkomstenbe...
Afdeling 4. - Wetboek diverse rechten en taksen
Afdeling 5. - Wetboek der successierechten
Afdeling 6. - Wetboek van Strafvordering
Afdeling 7. - Domaniale wet van 22 december 1949
Afdeling 8. - Wet van 27 juni 1969 tot herzieni...
Afdeling 9. - Wet van 8 augustus 1980 betreffen...
Afdeling 10. - Wet van 18 december 1986 houdend...
Afdeling 11. - Programmawet van 9 juli 2004
Afdeling 12. - Wet van 25 april 2007 houdende d...
Afdeling 13. - Programmawet I van 29 maart 2012
Afdeling 14. - Wet van 3 augustus 2012 houdende...
Afdeling 15. - Programmawet van 25 december 2017
Afdeling 16. - Koninklijk besluit nr. 39 van 17...
Afdeling 17. - Koninklijk besluit van 27 august...
Afdeling 18. - Koninklijk besluit van 8 juli 19...
HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepaling
HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
CHAPITRE 2. - Code du recouvrement amiable et f...
CHAPITRE 3. - Dispositions modificatives et abr...
Section 1re. - Code de la taxe sur la valeur aj...
Section 2. - Code des impôts sur les revenus 1992
Section 3. - Code des taxes assimilées aux impô...
Section 4. - Code des droits et taxes divers
Section 5. - Code des droits de succession
Section 6. - Code d'instruction criminelle
Section 7. - Loi domaniale du 22 décembre 1949
Section 8. - Loi du 27 juin 1969 révisant l'arr...
Section 9. - Loi du 8 août 1980 relative aux pr...
Section 10. - Loi du 18 décembre 1986 habilitan...
Section 11. - Loi-programme du 9 juillet 2004
Section 12. - Loi du 25 avril 2007 portant des ...
Section 13. - Loi-programme I du 29 mars 2012
Section 14. - Loi du 3 août 2012 portant dispos...
Section 15. - Loi-programme du 25 décembre 2017
Section 16. - Arrêté royal n° 39 du 17 octobre ...
Section 17. - Arrêté royal du 27 août 1993 d'ex...
Section 18. - Arrêté royal du 8 juillet 1970 po...
CHAPITRE 4. - Disposition transitoire
CHAPITRE 5. - Entrée en vigueur
Tekst (162)
Texte (162)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen
CHAPITRE 2. - Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales
Art. 2. De hiernavolgende bepalingen vormen het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen:
Art. 2. Les dispositions qui suivent forment le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales :
"WETBOEK VAN DE MINNELIJKE EN GEDWONGEN INVORDERING VAN FISCALE EN NIET-FISCALE SCHULDVORDERINGEN
"CODE DU RECOUVREMENT AMIABLE ET FORCE DES CREANCES FISCALES ET NON FISCALES
(NOTE : pour le Code, voir 2019-04-13/12)
HOOFDSTUK 3. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions modificatives et abrogatoires
Afdeling 1. - Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Section 1re. - Code de la taxe sur la valeur ajoutée
Art. 3. In artikel 63bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wetten van 22 april 2003, 29 maart 2012, 1 juli 2016 en 8 juli 2018 worden het eerste, tweede en derde lid opgeheven.
Art. 3. Dans l'article 63bis du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 1992 et modifié par les lois des 22 avril 2003, 29 mars 2012, 1er juillet 2016 et 8 juillet 2018, les alinéas 1er, 2 et 3 sont abrogés.
Art. 4. In artikel 83 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 8 augustus 1980, 15 maart 1999, 26 maart 2018 en 26 november 2018, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"Elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing, de inning of de invordering van de belasting, de interesten en administratieve geldboeten, dat wordt ingesteld door de Belgische Staat of door een schuldenaar van deze belasting, deze interesten en deze geldboeten, met inbegrip van iedere persoon die niet is opgenomen in het innings- en invorderingsregister bedoeld in artikel 85, maar die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, alsook door iedere andere persoon die een verkregen en dadelijk belang heeft om in rechte te treden, schorst de verjaring.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Afstand van de op de verjaring verlopen termijn wordt ten aanzien van zijn gevolgen gelijkgesteld met de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde stuitingsdaden.".
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"Elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing, de inning of de invordering van de belasting, de interesten en administratieve geldboeten, dat wordt ingesteld door de Belgische Staat of door een schuldenaar van deze belasting, deze interesten en deze geldboeten, met inbegrip van iedere persoon die niet is opgenomen in het innings- en invorderingsregister bedoeld in artikel 85, maar die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, alsook door iedere andere persoon die een verkregen en dadelijk belang heeft om in rechte te treden, schorst de verjaring.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Afstand van de op de verjaring verlopen termijn wordt ten aanzien van zijn gevolgen gelijkgesteld met de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde stuitingsdaden.".
Art. 4. A l'article 83 du même Code, modifié par les lois des 8 août 1980, 15 mars 1999, 26 mars 2018 et 26 novembre 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Toute instance en justice relative à l'application, à la perception ou au recouvrement de la taxe, des intérêts et des amendes fiscales, qui est introduite par l'Etat belge ou par un redevable de cette taxe, de ces intérêts et de ces amendes, en ce compris toute personne non reprise au registre de perception et recouvrement visé à l'article 85 mais tenue au paiement de la dette en vertu du présent Code, du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, des arrêtés pris pour leur exécution ou du droit commun, ainsi que par toute autre personne qui a un intérêt né et actuel à agir, suspend le cours de la prescription.";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La renonciation au temps couru de la prescription est assimilée, quant à ses effets, aux actes interruptifs visés au paragraphe 1er, alinéa 1er.".
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Toute instance en justice relative à l'application, à la perception ou au recouvrement de la taxe, des intérêts et des amendes fiscales, qui est introduite par l'Etat belge ou par un redevable de cette taxe, de ces intérêts et de ces amendes, en ce compris toute personne non reprise au registre de perception et recouvrement visé à l'article 85 mais tenue au paiement de la dette en vertu du présent Code, du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, des arrêtés pris pour leur exécution ou du droit commun, ainsi que par toute autre personne qui a un intérêt né et actuel à agir, suspend le cours de la prescription.";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La renonciation au temps couru de la prescription est assimilée, quant à ses effets, aux actes interruptifs visés au paragraphe 1er, alinéa 1er.".
Art. 5. In hetzelfde Wetboek wordt de titel van Hoofdstuk XIV vervangen als volgt:
"HOOFDSTUK XIV. Inning en gedingen".
"HOOFDSTUK XIV. Inning en gedingen".
Art. 5. Dans le même Code, l'intitulé du Chapitre XIV est remplacé par ce qui suit:
"CHAPITRE XIV. Perception et instances".
"CHAPITRE XIV. Perception et instances".
Art. 6. Artikel 84bis van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 27 april 2016 en 26 november 2018, wordt opgeheven.
Art. 6. L'article 84bis du même Code, modifié par les lois des 27 avril 2016 et 26 novembre 2018, est abrogé.
Art. 7. Artikel 84quinquies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 april 2007 en gewijzigd bij de wetten van 27 april 2016 en 26 november 2018, wordt opgeheven.
Art. 7. L'article 84quinquies du même Code, inséré par la loi du 27 avril 2007 et modifié par les lois des 27 avril 2016 et 26 novembre 2018, est abrogé.
Art. 8. Artikel 84sexies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, wordt opgeheven.
Art. 8. L'article 84sexies du même Code, inséré par la loi du 27 avril 2007 et modifié par la loi du 27 avril 2016, est abrogé.
Art. 9. Artikel 84septies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 26 november 2018, wordt opgeheven.
Art. 9. L'article 84septies du même Code, inséré par la loi du 27 avril 2007 et modifié par la loi du 26 novembre 2018, est abrogé.
Art. 10. Artikel 84octies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, wordt opgeheven.
Art. 10. L'article 84octies du même Code, inséré par la loi du 27 avril 2007 et modifié par la loi du 27 avril 2016, est abrogé.
Art. 11. Artikel 84nonies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 april 2007 en gewijzigd bij de wetten van 27 april 2016 en 26 november 2018, wordt opgeheven.
Art. 11. L'article 84nonies du même Code, inséré par la loi du 27 avril 2007 et modifié par les lois des 27 avril 2016 et 26 novembre 2018, est abrogé.
Art. 12. Artikel 84decies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, wordt opgeheven.
Art. 12. L'article 84decies du même Code, inséré par la loi du 27 avril 2007 et modifié par la loi du 27 avril 2016, est abrogé.
Art. 13. Artikel 84undecies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 april 2007, wordt opgeheven.
Art. 13. L'article 84undecies du même Code, inséré par la loi du 27 avril 2007, est abrogé.
Art. 14. In artikel 85 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 26 november 2018, worden de paragrafen 4, 5 en 6 opgeheven.
Art. 14. Dans l'article 85 du même Code, remplacé par la loi du 26 novembre 2018, les paragraphes 4, 5 et 6 sont abrogés.
Art. 15. Artikel 85bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989, 20 juli 2006 en 26 november 2018, wordt opgeheven.
Art. 15. L'article 85bis du même Code, inséré par la loi du 8 août 1980 et modifié par les lois des 22 décembre 1989, 20 juillet 2006 et 26 novembre 2018, est abrogé.
Art. 16. Artikel 85ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, wordt opgeheven.
Art. 16. L'article 85ter du même Code, inséré par la loi du 25 avril 2007, est abrogé.
Art. 17. Artikel 86 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 26 november 2018, wordt opgeheven.
Art. 17. L'article 86 du même Code, remplacé par la loi du 26 novembre 2018, est abrogé.
Art. 18. Artikel 87 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 juli 1993 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt opgeheven.
Art. 18. L'article 87 du même Code, remplacé par la loi du 22 juillet 1993 et modifié par la loi du 27 décembre 2006, est abrogé.
Art. 19. Artikel 88 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 26 november 2018, wordt opgeheven.
Art. 19. L'article 88 du même Code, remplacé par la loi du 26 novembre 2018, est abrogé.
Art. 20. Artikel 88bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006 en gewijzigd bij de wetten van 27 april 2007 en 27 april 2016, wordt opgeheven.
Art. 20. L'article 88bis du même Code, inséré par la loi du 27 décembre 2006 et modifié par les lois des 27 avril 2007 et 27 avril 2016, est abrogé.
Art. 21. Artikel 88ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006 en gewijzigd bij de wet van 27 april 2007, het koninklijk besluit van 19 december 2010 en de wet van 27 april 2016, wordt opgeheven.
Art. 21. L'article 88ter du même Code, inséré par la loi du 27 décembre 2006 et modifié par la loi du 27 avril 2007, par l'arrêté royal du 19 décembre 2010 et par la loi du 27 avril 2016, est abrogé.
Art. 22. Artikel 89 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 26 november 2018, wordt opgeheven.
Art. 22. L'article 89 du même Code, remplacé par la loi du 26 novembre 2018, est abrogé.
Art. 23. Artikel 89bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006 en vervangen bij de wet van 26 november 2018, wordt opgeheven.
Art. 23. L'article 89bis du même Code, inséré par la loi du 27 décembre 2006 et remplacé par la loi du 26 novembre 2018, est abrogé.
Art. 24. Artikel 92 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999 en gewijzigd bij de wetten van 25 april 2014 en 27 april 2016, wordt vervangen als volgt:
"Art. 92. De bepalingen van dit Wetboek doen geen afbreuk aan het recht van de Staat om het herstel van de schade te vorderen die kan bestaan uit de niet-betaling van de belastingen, interesten, administratieve geldboeten en bijbehoren, door een burgerlijke partijstelling of door een aansprakelijkheidsvordering.".
"Art. 92. De bepalingen van dit Wetboek doen geen afbreuk aan het recht van de Staat om het herstel van de schade te vorderen die kan bestaan uit de niet-betaling van de belastingen, interesten, administratieve geldboeten en bijbehoren, door een burgerlijke partijstelling of door een aansprakelijkheidsvordering.".
Art. 24. L'article 92 du même Code, remplacé par la loi du 15 mars 1999 et modifié par les lois des 25 avril 2014 et 27 avril 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 92. Les dispositions du présent Code ne font pas obstacle au droit pour l'Etat de demander la réparation du dommage pouvant consister dans le non-paiement de la taxe, des intérêts, des amendes fiscales et des accessoires, par la constitution de partie civile ou par l'action en responsabilité.".
"Art. 92. Les dispositions du présent Code ne font pas obstacle au droit pour l'Etat de demander la réparation du dommage pouvant consister dans le non-paiement de la taxe, des intérêts, des amendes fiscales et des accessoires, par la constitution de partie civile ou par l'action en responsabilité.".
Art. 25. Hoofdstuk XVI van hetzelfde Wetboek, dat de artikelen 93ter tot 93undeciesE bevat, ingevoegd bij de wetten van 8 augustus 1980, 10 augustus 2005, 20 juli 2006, 27 december 2006 en 26 maart 2018 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 februari 2018, wordt opgeheven.
Art. 25. Le chapitre XVI du même Code, comportant les articles 93ter à 93undeciesE, inséré par les lois des 8 août 1980, 10 août 2005, 20 juillet 2006, 27 décembre 2006 et 26 mars 2018 et modifié en dernier lieu par la loi du 11 février 2018, est abrogé.
Art. 26. In hetzelfde Wetboek wordt het hoofdstuk XVII dat artikel 93duodecies bevat, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980, opgeheven.
Art. 26. Dans le même Code, le chapitre XVII comportant l'article 93duodecies, inséré par la loi du 8 août 1980, est abrogé.
Art. 27. In artikel 93quaterdecies, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1989 en gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992 en 25 april 2014, worden de woorden "of de invordering" opgeheven.
Art. 27. A l'article 93quaterdecies, § 1er, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 22 décembre 1989 et modifié par les lois des 28 décembre 1992 et 25 avril 2014, les mots "ou du recouvrement" sont abrogés.
Afdeling 2. - Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Section 2. - Code des impôts sur les revenus 1992
Art. 28. In artikel 126 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt het derde lid opgeheven;
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende:
" § 5. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, bepaalt de Koning de wijze waarop het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van elke echtgenoot wordt vastgesteld.".
1° in paragraaf 2 wordt het derde lid opgeheven;
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende:
" § 5. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, bepaalt de Koning de wijze waarop het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van elke echtgenoot wordt vastgesteld.".
Art. 28. A l'article 126 du Code des impôts sur les revenus 1992, remplacé par la loi du 10 août 2001, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2, l'alinéa 3 est abrogé ;
2° l'article est complété par un paragraphe 5, rédigé comme suit :
" § 5. Lorsqu'une imposition commune est établie, le Roi fixe la manière dont est établie la quotité de l'impôt afférente au revenu imposable de chaque conjoint.".
1° dans le paragraphe 2, l'alinéa 3 est abrogé ;
2° l'article est complété par un paragraphe 5, rédigé comme suit :
" § 5. Lorsqu'une imposition commune est établie, le Roi fixe la manière dont est établie la quotité de l'impôt afférente au revenu imposable de chaque conjoint.".
Art. 29. In hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van Titel VII vervangen als volgt:
"TITEL VII. - VESTIGING EN INNING VAN DE BELASTINGEN".
"TITEL VII. - VESTIGING EN INNING VAN DE BELASTINGEN".
Art. 29. Dans le même Code, l'intitulé du Titre VII est remplacé par ce qui suit :
"TITRE VII. - ETABLISSEMENT ET PERCEPTION DES IMPOTS".
"TITRE VII. - ETABLISSEMENT ET PERCEPTION DES IMPOTS".
Art. 30. In artikel 298 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 februari 2017, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 30. Dans l'article 298 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 20 février 2017, le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 31. Artikel 300 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 1 juli 2016, wordt vervangen als volgt:
"Art. 300. § 1. De Koning regelt de wijze waarop men dient te handelen voor de aangiften, de opmaking en de kennisgeving van de kohieren, de betalingen en de kwijtschriften.
§ 2. De bepalingen van dit Wetboek doen geen afbreuk aan het recht van de Staat om het herstel van de schade te vorderen die kan bestaan uit de niet-betaling van de belastingen en de voorheffingen, interesten, administratieve geldboeten, belastingverhogingen en bijbehoren, door een burgerlijke partijstelling of door een aansprakelijkheidsvordering.".
"Art. 300. § 1. De Koning regelt de wijze waarop men dient te handelen voor de aangiften, de opmaking en de kennisgeving van de kohieren, de betalingen en de kwijtschriften.
§ 2. De bepalingen van dit Wetboek doen geen afbreuk aan het recht van de Staat om het herstel van de schade te vorderen die kan bestaan uit de niet-betaling van de belastingen en de voorheffingen, interesten, administratieve geldboeten, belastingverhogingen en bijbehoren, door een burgerlijke partijstelling of door een aansprakelijkheidsvordering.".
Art. 31. L'article 300 du même Code, modifié par la loi du 1er juillet 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 300. § 1er. Le Roi détermine le mode à suivre pour les déclarations, la formation et la notification des rôles, les paiements et les quittances.
§ 2. Les dispositions du présent Code ne font pas obstacle au droit pour l'Etat de demander la réparation du dommage pouvant consister dans le non-paiement des impôts et des précomptes, des intérêts, des amendes administratives, des accroissements et des accessoires, par la constitution de partie civile ou par l'action en responsabilité.".
"Art. 300. § 1er. Le Roi détermine le mode à suivre pour les déclarations, la formation et la notification des rôles, les paiements et les quittances.
§ 2. Les dispositions du présent Code ne font pas obstacle au droit pour l'Etat de demander la réparation du dommage pouvant consister dans le non-paiement des impôts et des précomptes, des intérêts, des amendes administratives, des accroissements et des accessoires, par la constitution de partie civile ou par l'action en responsabilité.".
Art. 32. Artikel 319bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 december 1996 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 7 november 2011, wordt opgeheven.
Art. 32. L'article 319bis du même Code, inséré par l'arrêté royal du 12 decembre 1996 et modifié par les lois des 27 decembre 2006 et 7 novembre 2011, est abrogé.
Art. 33. In artikel 327, § 1, van hetzelfde Wetboek worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden telkens de woorden "of de invordering" opgeheven;
2° in het derde lid, gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden ", of deze belast met de inning en de invordering," opgeheven.
1° in het eerste lid worden telkens de woorden "of de invordering" opgeheven;
2° in het derde lid, gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden ", of deze belast met de inning en de invordering," opgeheven.
Art. 33. A l'article 327, § 1er, du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots "ou du recouvrement" sont chaque fois abrogés ;
2° à l'alinéa 3, modifié par la loi du 25 avril 2014, les mots ", ou celle en charge de la perception et du recouvrement," sont abrogés.
1° à l'alinéa 1er, les mots "ou du recouvrement" sont chaque fois abrogés ;
2° à l'alinéa 3, modifié par la loi du 25 avril 2014, les mots ", ou celle en charge de la perception et du recouvrement," sont abrogés.
Art. 34. In artikel 337 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 6 juli 1994, 15 maart 1999, 25 april 2014 en 25 december 2017, wordt het vierde lid aangevuld met de woorden "of van een medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen".
Art. 34. Dans l'article 337 du même Code, modifié par les lois des 6 juillet 1994, 15 mars 1999, 25 avril 2014 et 25 décembre 2017, l'alinéa 4 est complété par les mots "ou d'un codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales".
Art. 35. In artikel 339/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 2011, worden de woorden "de inning en de" ingevoegd tussen de woorden "voor de vestiging of" het woord "invordering".
Art. 35. Dans l'article 339/1 du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 2011, les mots "la perception et" sont inséré entre les mots "l'établissement ou" et les mots "le recouvrement".
Art. 36. In [1 artikel 354, vijfde lid]1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 15 maart 1999, 24 december 2002 en 27 april 2016, worden de woorden "of de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd" vervangen door de woorden ", zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen".
Art. 36. Dans [1 l'article 354, alinéa 5]1, du même Code, modifié par les lois des 15 mars 1999, 24 décembre 2002 et 27 avril 2016, les mots "ou le conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement" sont remplacés par les mots ", son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement ou le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales".
Wijzigingen
Art. 37. In artikel 366, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999 en gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, worden de woorden "of de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen" ingevoegd tussen de woorden "wordt ingevorderd" en de woorden ", kan tegen het bedrag van de gevestigde aanslag, opcentiemen, verhogingen en geldboeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar indienen".
Art. 37. Dans l'article 366, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 15 mars 1999 et modifié par la loi du 27 avril 2016, les mots "ou le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales" sont insérés entre les mots "est mise en recouvrement" et les mots ", peut se pourvoir en réclamation".
Art. 38. In artikel 372 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999, worden de woorden "of zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd" vervangen door de woorden ", zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen".
Art. 38. Dans l'article 372 du même Code, remplacé par la loi du 15 mars 1999, les mots "ou son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement" sont remplacés par les mots ", son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement ou le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales".
Art. 39. In artikel 373, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999 en gewijzigd bij de wet van 19 mei 2010, worden de woorden "zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, binnen een termijn van drie maanden", vervangen door de woorden ", zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, binnen een termijn van zes maanden".
Art. 39. Dans l'article 373, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 15 mars 1999 et modifié par la loi du 19 mai 2010, les mots "son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement, peut, dans un délai de trois mois" sont remplacés par les mots "son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement ou le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, peut, dans un délai de six mois".
Art. 40. In artikel 375 van hetzelfde Wetboek worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, vervangen bij de wet van 15 maart 1999 en gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, worden de woorden "of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd", vervangen door de woorden ", door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen";
2° in paragraaf 1, tweede lid, vervangen bij de wet van 15 maart 1999 en gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden "of door de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd", vervangen door de woorden ", door de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen";
3° in paragraaf 1/1, ingevoegd bij de wet van 15 april 2018, worden de woorden "of zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd" vervangen door de woorden", de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen".
1° in paragraaf 1, eerste lid, vervangen bij de wet van 15 maart 1999 en gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, worden de woorden "of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd", vervangen door de woorden ", door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen";
2° in paragraaf 1, tweede lid, vervangen bij de wet van 15 maart 1999 en gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden "of door de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd", vervangen door de woorden ", door de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen";
3° in paragraaf 1/1, ingevoegd bij de wet van 15 april 2018, worden de woorden "of zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd" vervangen door de woorden", de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen".
Art. 40. A l'article 375 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, remplacé par la loi du 15 mars 1999 et modifié par la loi du 27 avril 2016, les mots "ou par son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement" sont remplacés par les mots ", par son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement ou par le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales" ;
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2, remplacé par la loi du 15 mars 1999 et modifié par la loi du 25 décembre 2017, les mots "ou par le conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement" sont remplacés par les mots ", par le conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement ou par le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales" ;
3° dans le paragraphe 1er/1er, du même Code, inséré par la loi du 15 avril 2018, les mots "ou son conjoint, sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement" sont remplacés par les mots ", son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement ou par le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, remplacé par la loi du 15 mars 1999 et modifié par la loi du 27 avril 2016, les mots "ou par son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement" sont remplacés par les mots ", par son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement ou par le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales" ;
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2, remplacé par la loi du 15 mars 1999 et modifié par la loi du 25 décembre 2017, les mots "ou par le conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement" sont remplacés par les mots ", par le conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement ou par le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales" ;
3° dans le paragraphe 1er/1er, du même Code, inséré par la loi du 15 avril 2018, les mots "ou son conjoint, sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement" sont remplacés par les mots ", son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement ou par le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales".
Art. 41. In artikel 376 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 juli 2016, worden de woorden "of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd," telkens vervangen door de woorden ", door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen,".
Art. 41. Dans l'article 376 du même Code, remplacé par la loi du 15 mars 1999 et modifié en dernier lieu par la loi du 1er juillet 2016, les mots "ou par son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement" sont chaque fois remplacés par les mots ", par son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement ou par le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales".
Art. 42. In artikel 376ter, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004 en gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, worden de woorden "of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd" vervangen door de woorden ", door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of door de medeschuldenaar bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen".
Art. 42. Dans l'article 376ter, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 27 décembre 2004 et modifié par la loi du 27 avril 2016, les mots "ou son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement" sont remplacés par les mots ", par son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement ou par le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales".
Art. 43. In artikel 376quinquies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wetten van 29 april 2013 en 27 april 2016, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "en de medeschuldenaar bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen" ingevoegd tussen de woorden "wordt ingevorderd" en de woorden "een aanvraag tot bemiddeling indienen";
2° in paragraaf 2 worden de woorden", zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of de medeschuldenaar bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen" ingevoegd tussen de woorden "wanneer de belastingschuldige" en de woorden "vooraf een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg heeft ingesteld" en tussen de woorden "Wanneer een belastingschuldige" en de woorden "een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg heeft ingesteld".
1° in paragraaf 1 worden de woorden "en de medeschuldenaar bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen" ingevoegd tussen de woorden "wordt ingevorderd" en de woorden "een aanvraag tot bemiddeling indienen";
2° in paragraaf 2 worden de woorden", zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of de medeschuldenaar bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen" ingevoegd tussen de woorden "wanneer de belastingschuldige" en de woorden "vooraf een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg heeft ingesteld" en tussen de woorden "Wanneer een belastingschuldige" en de woorden "een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg heeft ingesteld".
Art. 43. A l'article 376quinquies du même Code, inséré par la loi du 25 avril 2007 et modifié par les lois des 29 avril 2013 et 27 avril 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, les mots "et le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales" sont insérés entre les mots "est mise en recouvrement" et les mots ", peuvent introduire une demande de conciliation " ;
2° au paragraphe 2, les mots ", son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement ou le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales" sont insérés entre les mots "lorsque le redevable" et les mots "a introduit au préalable une action auprès du tribunal de première instance" et entre les mots "Lorsque le redevable" et les mots "a introduit une action auprès du tribunal de première instance".
1° au paragraphe 1er, les mots "et le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales" sont insérés entre les mots "est mise en recouvrement" et les mots ", peuvent introduire une demande de conciliation " ;
2° au paragraphe 2, les mots ", son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement ou le codébiteur visé à l'article 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales" sont insérés entre les mots "lorsque le redevable" et les mots "a introduit au préalable une action auprès du tribunal de première instance" et entre les mots "Lorsque le redevable" et les mots "a introduit une action auprès du tribunal de première instance".
Art. 44. In titel VII van hetzelfde Wetboek, wordt het opschrift van hoofdstuk VIII vervangen als volgt:
"HOOFDSTUK VIII. - Naleving van de inhoudingsplicht, betaaltermijn en interesten".
"HOOFDSTUK VIII. - Naleving van de inhoudingsplicht, betaaltermijn en interesten".
Art. 44. Dans le titre VII, du même Code, l'intitulé du chapitre VIII est remplacé par ce qui suit :
"CHAPITRE VIII. - Respect de l'obligation de retenue, délai de paiement et intérêts".
"CHAPITRE VIII. - Respect de l'obligation de retenue, délai de paiement et intérêts".
Art. 45. In titel VII, hoofdstuk VIII, van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van afdeling I vervangen als volgt:
"Afdeling I. Naleving van de inhoudingsplicht".
"Afdeling I. Naleving van de inhoudingsplicht".
Art. 45. Dans le titre VII, chapitre VIII, du même Code, l'intitulé de la section première est remplacé par ce qui suit :
"Section Ire. Respect de l'obligation de retenue".
"Section Ire. Respect de l'obligation de retenue".
Art. 46. Artikel 393 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 april 2007, wordt vervangen als volgt:
"Art. 393. § 1. De ambtenaren van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen gaan na of de inhoudings- en stortingsplicht bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen wordt nageleefd door de opdrachtgever en de aannemer.
§ 2. Wanneer de stortingen bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen niet werden verricht, wordt het verschuldigde bedrag verdubbeld en binnen de in artikel 354 bedoelde termijn als administratieve geldboete ingekohierd lastens de overtreder.
De Koning kan bepalen onder welke voorwaarden de geldboete kan worden verminderd.".
"Art. 393. § 1. De ambtenaren van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen gaan na of de inhoudings- en stortingsplicht bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen wordt nageleefd door de opdrachtgever en de aannemer.
§ 2. Wanneer de stortingen bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen niet werden verricht, wordt het verschuldigde bedrag verdubbeld en binnen de in artikel 354 bedoelde termijn als administratieve geldboete ingekohierd lastens de overtreder.
De Koning kan bepalen onder welke voorwaarden de geldboete kan worden verminderd.".
Art. 46. L'article 393 du même Code, modifié par la loi du 27 avril 2007, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 393. § 1er. Les fonctionnaires de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de l'établissement des impôts sur les revenus vérifient que l'obligation de retenue et de versement prévue à l'article 55 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales est respectée par le donneur d'ordre et l'entrepreneur.
§ 2. Lorsque les versements prévus à l'article 55 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales n'ont pas été effectués, le montant dû est doublé et enrôlé à charge du contrevenant, à titre d'amende administrative, dans le délai prévu à l'article 354.
Le Roi peut déterminer sous quelles conditions l'amende peut être réduite.".
"Art. 393. § 1er. Les fonctionnaires de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de l'établissement des impôts sur les revenus vérifient que l'obligation de retenue et de versement prévue à l'article 55 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales est respectée par le donneur d'ordre et l'entrepreneur.
§ 2. Lorsque les versements prévus à l'article 55 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales n'ont pas été effectués, le montant dû est doublé et enrôlé à charge du contrevenant, à titre d'amende administrative, dans le délai prévu à l'article 354.
Le Roi peut déterminer sous quelles conditions l'amende peut être réduite.".
Art. 47. Artikel 393bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, wordt opgeheven.
Art. 47. L'article 393bis du même Code, inséré par la loi du 4 mai 1999 et modifié par la loi du 10 août 2001, est abrogé.
Art. 48. Artikel 394 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 4 mei 1999, 10 augustus 2001 en 10 augustus 2005, wordt opgeheven.
Art. 48. L'article 394 du même Code, modifié par les lois des 4 mai 1999, 10 août 2001 et 10 août 2005, est abrogé.
Art. 49. Artikel 394bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 juli 1992 en hersteld bij de wet van 15 december 2004, wordt opgeheven.
Art. 49. L'article 394bis du même Code, inséré par la loi du 28 juillet 1992 et rétabli par la loi du 15 décembre 2004, est abrogé.
Art. 50. Artikel 395 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 50. L'article 395 du même Code est abrogé.
Art. 51. Artikel 396 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 51. L'article 396 du même Code est abrogé.
Art. 52. Artikel 397 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 6 juli 1994, wordt opgeheven.
Art. 52. L'article 397 du même Code, modifié par la loi du 6 juillet 1994, est abrogé.
Art. 53. Artikel 398 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, wordt opgeheven.
Art. 53. L'article 398 du même Code, modifié par la loi du 27 avril 2016, est abrogé.
Art. 54. Artikel 399 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 54. L'article 399 du même Code est abrogé.
Art. 55. Artikel 399bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007 en vervangen bij de wet van 10 juli 2017, wordt opgeheven.
Art. 55. L'article 399bis du même Code, inséré par la loi du 25 avril 2007 et remplacé par la loi du 10 juillet 2017, est abrogé.
Art. 56. Artikel 399ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 december 2008, wordt opgeheven.
Art. 56. L'article 399ter du même Code, inséré par la loi du 11 décembre 2008, est abrogé.
Art. 57. In Titel VII, Hoofdstuk VIII, van hetzelfde Wetboek wordt afdeling II, die de artikelen 400 tot 408 bevat, laatstelijk gewijzigd op 18 december 2016, opgeheven.
Art. 57. Dans le titre VII, Chapitre VIII, du même Code, la section II, comportant les articles 400 à 408, modifié en dernier lieu par la loi du 18 décembre 2016, est abrogée.
Art. 58. In titel VII, Hoofdstuk VIII, van hetzelfde Wetboek wordt afdeling III, die de artikelen 409 tot 411 bevat, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, opgeheven.
Art. 58. Dans le Titre VII, Chapitre VIII, du même Code, la section III, comportant les articles 409 à 411, modifié en dernier lieu par la loi du 27 avril 2016, est abrogée.
Art. 59. In titel VII, hoofdstuk VIII, van hetzelfde Wetboek wordt afdeling IVbis, die de artikelen 413bis tot 413octies bevat, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, opgeheven.
Art. 59. Dans le titre VII, chapitre VIII, du même Code, la section IVbis, comportant les articles 413bis à 413octies, modifié en dernier lieu par la loi du 27 avril 2016, est abrogée.
Art. 60. In artikel 414, § 2 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999, worden de woorden "artikel 410" vervangen door de woorden "artikel 62 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen".
Art. 60. Dans l'article 414, § 2, du même Code, remplacé par la loi du 15 mars 1999, les mots "l'article 410" sont remplacés par les mots "l'article 62 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales".
Art. 61. Artikel 417 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, wordt opgeheven.
Art. 61. L'article 417 du même Code, modifié par la loi du 27 avril 2016, est abrogé.
Art. 62. In titel VII van hetzelfde Wetboek wordt hoofdstuk IX, dat de artikelen 420 tot 443 bevat, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 maart 2018, opgeheven.
Art. 62. Dans le titre VII, du même Code, le chapitre IX, comportant les articles 420 à 443, modifié en dernier lieu par la loi du 26 mars 2018, est abrogé.
Art. 63. In titel VII van hetzelfde Wetboek wordt hoofdstuk IXbis, dat de artikelen 443bis en 443ter bevat, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 maart 2018, opgeheven.
Art. 63. Dans le titre VII, du même Code, le chapitre IXbis, comportant les articles 443bis et 443ter, modifié en dernier lieu par la loi du 26 mars 2018, est abrogé.
Afdeling 3. - Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
Section 3. - Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus
Art. 64. In artikel 2, eerste lid van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 maart 2018, worden de woorden "394, 398, 399bis, 409 tot 411, 413 en 414, 417 tot 419, 422 tot 442, 442quinquies, 443bis, 443ter" vervangen door de woorden "413, 414, 418, 419".
Art. 64. Dans l'article 2, alinéa 1er, du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, modifié en dernier lieu par la loi du 26 mars 2018, les mots "394, 398, 399bis, 409 à 411, 413 et 414, 417 à 419, 422 à 442, 442quinquies, 443bis, 443ter" sont remplacés par les mots "413, 414, 418, 419".
Art. 65. In hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van Hoofdstuk X van Titel II vervangen als volgt:
"HOOFDSTUK X. - Vestiging en inning".
"HOOFDSTUK X. - Vestiging en inning".
Art. 65. Dans le même Code, l'intitulé du Chapitre X du Titre II est remplacé par ce qui suit:
"CHAPITRE X. - Etablissement et perception".
"CHAPITRE X. - Etablissement et perception".
Art. 66. Artikel 32 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 mei 2010, wordt vervangen als volgt:
"Art. 32. De bezwaarschriften moeten gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend uiterlijk vier maanden vanaf de laatste dag van de periode waarvoor de belasting is verschuldigd, zonder dat de termijn nochtans minder dan zes maanden mag bedragen te rekenen vanaf:
- de derde werkdag volgend op de datum van het aanslagbiljet of de kennisgeving van de aanslag, of
- de datum waarop het aanslagbiljet ter beschikking wordt gesteld van de belastingschuldige door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt wanneer de belastingschuldige, middels een uitdrukkelijke verklaring in die zin, ervoor gekozen heeft aanslagbiljetten uitsluitend via een dergelijke procedure te ontvangen."
"Art. 32. De bezwaarschriften moeten gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend uiterlijk vier maanden vanaf de laatste dag van de periode waarvoor de belasting is verschuldigd, zonder dat de termijn nochtans minder dan zes maanden mag bedragen te rekenen vanaf:
- de derde werkdag volgend op de datum van het aanslagbiljet of de kennisgeving van de aanslag, of
- de datum waarop het aanslagbiljet ter beschikking wordt gesteld van de belastingschuldige door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt wanneer de belastingschuldige, middels een uitdrukkelijke verklaring in die zin, ervoor gekozen heeft aanslagbiljetten uitsluitend via een dergelijke procedure te ontvangen."
Art. 66. L'article 32 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 19 mai 2010, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 32. Les réclamations doivent être motivées et présentées, sous peine de déchéance, au plus tard quatre mois à partir du dernier jour de la période pour laquelle la taxe est due, sans cependant que le délai puisse être inférieur à six mois à compter:
- du troisième jour ouvrable qui suit la date de l'avertissement-extrait de rôle ou de l'avis de cotisation, ou
- de la date à laquelle l'avertissement-extrait de rôle est mis à disposition du redevable au moyen d'une procédure utilisant des techniques informatiques lorsque le redevable a opté, moyennant une déclaration explicite en ce sens, pour une réception des avertissements-extraits de rôle exclusivement au moyen d'une telle procédure."
"Art. 32. Les réclamations doivent être motivées et présentées, sous peine de déchéance, au plus tard quatre mois à partir du dernier jour de la période pour laquelle la taxe est due, sans cependant que le délai puisse être inférieur à six mois à compter:
- du troisième jour ouvrable qui suit la date de l'avertissement-extrait de rôle ou de l'avis de cotisation, ou
- de la date à laquelle l'avertissement-extrait de rôle est mis à disposition du redevable au moyen d'une procédure utilisant des techniques informatiques lorsque le redevable a opté, moyennant une déclaration explicite en ce sens, pour une réception des avertissements-extraits de rôle exclusivement au moyen d'une telle procédure."
Art. 67. In titel III van hetzelfde Wetboek wordt Hoofdstuk VI, dat artikel 63 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 april 1967, opgeheven.
Art. 67. Dans le titre III du même Code, le Chapitre VI, comportant l'article 63, modifié par l'arrêté royal du 18 avril 1967, est abrogé.
Art. 68. In artikel 70 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 februari 1981, worden telkens de woorden ", een waarborg te stellen" opgeheven.
Art. 68. Dans l'article 70 du même Code, remplacé par la loi du 10 février 1981, les mots ", de fournir une garantie" sont chaque fois abrogés.
Art. 69. In hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van hoofdstuk IV van titel IV vervangen als volgt:
"HOOFDSTUK IV. - Eisbaarheid van de belasting, aangifte en inning".
"HOOFDSTUK IV. - Eisbaarheid van de belasting, aangifte en inning".
Art. 69. Dans le même Code, l'intitulé du chapitre IV du titre IV est remplacé par ce qui suit :
"CHAPITRE IV. - Exigibilité de la taxe, déclaration et perception".
"CHAPITRE IV. - Exigibilité de la taxe, déclaration et perception".
Art. 70. Artikel 103bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 mei 1993 en gewijzigd bij de wet van 19 mei 2010, wordt vervangen als volgt:
"Art. 103bis. De bezwaarschriften moeten gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend uiterlijk vier maanden vanaf de laatste dag van het aanslagjaar, zonder dat de termijn nochtans minder dan zes maanden mag bedragen te rekenen vanaf:
- de derde werkdag volgend op de datum van het aanslagbiljet of de kennisgeving van de aanslag, of
- de datum waarop het aanslagbiljet ter beschikking wordt gesteld van de belastingschuldige door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt wanneer de belastingschuldige, middels een uitdrukkelijke verklaring in die zin, ervoor gekozen heeft aanslagbiljetten uitsluitend via een dergelijke procedure te ontvangen."
"Art. 103bis. De bezwaarschriften moeten gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend uiterlijk vier maanden vanaf de laatste dag van het aanslagjaar, zonder dat de termijn nochtans minder dan zes maanden mag bedragen te rekenen vanaf:
- de derde werkdag volgend op de datum van het aanslagbiljet of de kennisgeving van de aanslag, of
- de datum waarop het aanslagbiljet ter beschikking wordt gesteld van de belastingschuldige door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt wanneer de belastingschuldige, middels een uitdrukkelijke verklaring in die zin, ervoor gekozen heeft aanslagbiljetten uitsluitend via een dergelijke procedure te ontvangen."
Art. 70. L'article 103bis du même Code, inséré par la loi du 25 mai 1993 et modifié par la loi du 19 mai 2010, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 103bis. Les réclamations doivent être motivées et présentées, sous peine de déchéance, au plus tard quatre mois à partir du dernier jour de l'exercice d'imposition, sans cependant que le délai puisse être inférieur à six mois à compter:
- du troisième jour ouvrable qui suit la date de l'avertissement-extrait de rôle ou de l'avis de cotisation, ou
- de la date à laquelle l'avertissement-extrait de rôle est mis à disposition du redevable au moyen d'une procédure utilisant des techniques informatiques lorsque le redevable a opté, moyennant une déclaration explicite en ce sens, pour une réception des avertissements-extraits de rôle exclusivement au moyen d'une telle procédure."
"Art. 103bis. Les réclamations doivent être motivées et présentées, sous peine de déchéance, au plus tard quatre mois à partir du dernier jour de l'exercice d'imposition, sans cependant que le délai puisse être inférieur à six mois à compter:
- du troisième jour ouvrable qui suit la date de l'avertissement-extrait de rôle ou de l'avis de cotisation, ou
- de la date à laquelle l'avertissement-extrait de rôle est mis à disposition du redevable au moyen d'une procédure utilisant des techniques informatiques lorsque le redevable a opté, moyennant une déclaration explicite en ce sens, pour une réception des avertissements-extraits de rôle exclusivement au moyen d'une telle procédure."
Art. 71. In de Franse versie van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van hoofdstuk VI van titel VII vervangen als volgt:
"CHAPITRE VI. - Mode de versement, établissement et perception de la taxe".
"CHAPITRE VI. - Mode de versement, établissement et perception de la taxe".
Art. 71. Dans le même Code, l'intitulé du chapitre VI du titre VII est remplacé par ce qui suit:
"CHAPITRE VI. - Mode de versement, établissement et perception de la taxe".
"CHAPITRE VI. - Mode de versement, établissement et perception de la taxe".
Art. 72. In artikel 119 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 mei 2001, worden in de Franse tekst de woorden "le recouvrement" vervangen door de woorden "la perception" en worden de woorden "au recouvrement" vervangen door de woorden "à la perception".
Art. 72. Dans l'article 119 du même Code, inséré par la loi du 22 mai 2001, les mots "le recouvrement" sont remplacés par les mots "la perception" et les mots "au recouvrement" sont remplacés par les mots "à la perception".
Afdeling 4. - Wetboek diverse rechten en taksen
Section 4. - Code des droits et taxes divers
Art. 73. In boek I van het Wetboek diverse rechten en taksen wordt een titel VIIbis ingevoegd, luidende:
"Titel VIIbis. Vervolgingen en gedingen - Zekerheden gegeven aan de Schatkist".
"Titel VIIbis. Vervolgingen en gedingen - Zekerheden gegeven aan de Schatkist".
Art. 73. Dans le livre Ier du Code des droits et taxes divers, il est inséré un titre VIIbis rédigé comme suit :
"Titre VIIbis. Poursuites et instances - Sûretés données au Trésor".
"Titre VIIbis. Poursuites et instances - Sûretés données au Trésor".
Art. 74. In titel VIIbis, ingevoegd bij artikel 73 wordt een artikel 231 ingevoegd, luidende:
"Art. 231. Moeilijkheden die zich kunnen voordoen met betrekking tot de heffing of de invordering van de rechten vóór het inleiden van een rechtsgeding, worden opgelost door de minister van Financiën of de door hem gemachtigde ambtenaar.
Indien na onderhandelingen met de minister of met de door hem gemachtigde ambtenaar geen akkoord wordt bereikt over een moeilijkheid als bedoeld in het eerste lid, kan de belastingplichtige een aanvraag tot bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld in artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV).
De Koning kan bepalen voor welke moeilijkheden met betrekking tot de heffing en de invordering van de rechten tussenkomst door de fiscale bemiddelingsdienst is uitgesloten.
De minister van Financiën gaat dadingen aan met de belastingplichtigen, voor zover deze niet leiden tot vrijstelling of vermindering van belasting.".
"Art. 231. Moeilijkheden die zich kunnen voordoen met betrekking tot de heffing of de invordering van de rechten vóór het inleiden van een rechtsgeding, worden opgelost door de minister van Financiën of de door hem gemachtigde ambtenaar.
Indien na onderhandelingen met de minister of met de door hem gemachtigde ambtenaar geen akkoord wordt bereikt over een moeilijkheid als bedoeld in het eerste lid, kan de belastingplichtige een aanvraag tot bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld in artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV).
De Koning kan bepalen voor welke moeilijkheden met betrekking tot de heffing en de invordering van de rechten tussenkomst door de fiscale bemiddelingsdienst is uitgesloten.
De minister van Financiën gaat dadingen aan met de belastingplichtigen, voor zover deze niet leiden tot vrijstelling of vermindering van belasting.".
Art. 74. Dans le titre VIIbis inséré par l'article 73, il est inséré un article 231 rédigé comme suit:
"Art. 231. La solution des difficultés qui peuvent s'élever relativement à la perception ou au recouvrement des droits avant l'introduction des instances appartient au ministre des Finances ou au fonctionnaire délégué par lui.
Si après échanges de vues, le désaccord avec le ministre ou le fonctionnaire délégué par lui persiste sur une difficulté visée à l'alinéa 1er, le contribuable peut introduire une demande de conciliation auprès du service de conciliation fiscale visé à l'article 116 de la loi du 25 avril 2007 portant des dispositions diverses (IV).
Le Roi peut déterminer les difficultés relatives à la perception et au recouvrement des droits pour lesquelles l'intervention du service de conciliation fiscale est exclue.
Le ministre des Finances conclut les transactions avec les contribuables, pourvu qu'elles n'impliquent pas exemption ou modération d'impôt.".
"Art. 231. La solution des difficultés qui peuvent s'élever relativement à la perception ou au recouvrement des droits avant l'introduction des instances appartient au ministre des Finances ou au fonctionnaire délégué par lui.
Si après échanges de vues, le désaccord avec le ministre ou le fonctionnaire délégué par lui persiste sur une difficulté visée à l'alinéa 1er, le contribuable peut introduire une demande de conciliation auprès du service de conciliation fiscale visé à l'article 116 de la loi du 25 avril 2007 portant des dispositions diverses (IV).
Le Roi peut déterminer les difficultés relatives à la perception et au recouvrement des droits pour lesquelles l'intervention du service de conciliation fiscale est exclue.
Le ministre des Finances conclut les transactions avec les contribuables, pourvu qu'elles n'impliquent pas exemption ou modération d'impôt.".
Art. 75. In dezelfde titel VIIbis wordt een artikel 232 ingevoegd, luidende:
"Art. 232. De eerste akte van vervolging tot invordering van de rechten of boeten en bijbehoren is een dwangschrift.
Het wordt door de met de invordering belaste ontvanger uitgevaardigd; het wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de bevoegde adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de rechten bedoeld in het Wetboek en bij deurwaardersexploot betekend.".
"Art. 232. De eerste akte van vervolging tot invordering van de rechten of boeten en bijbehoren is een dwangschrift.
Het wordt door de met de invordering belaste ontvanger uitgevaardigd; het wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de bevoegde adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de rechten bedoeld in het Wetboek en bij deurwaardersexploot betekend.".
Art. 75. Dans le même titre VIIbis, il est inséré un article 232 rédigé comme suit :
"Art. 232. Le premier acte de poursuite pour le recouvrement des droits ou amendes et des accessoires est une contrainte.
Elle est décernée par le receveur chargé du recouvrement ; elle est visée et déclarée exécutoire par le conseiller général compétent de l'administration en charge de l'établissement des droits établis par le Code et signifiée par exploit d'huissier de justice.".
"Art. 232. Le premier acte de poursuite pour le recouvrement des droits ou amendes et des accessoires est une contrainte.
Elle est décernée par le receveur chargé du recouvrement ; elle est visée et déclarée exécutoire par le conseiller général compétent de l'administration en charge de l'établissement des droits établis par le Code et signifiée par exploit d'huissier de justice.".
Art. 76. In dezelfde titel VIIbis wordt een artikel 233 ingevoegd, luidende:
"Art. 233. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een rechtsvordering.".
"Art. 233. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een rechtsvordering.".
Art. 76. Dans le même titre VIIbis, il est inséré un article 233 rédigé comme suit :
"Art. 233. L'exécution de la contrainte ne peut être interrompue que par une action en justice.".
"Art. 233. L'exécution de la contrainte ne peut être interrompue que par une action en justice.".
Art. 77. In dezelfde titel VIIbis, wordt een artikel 234 ingevoegd, luidende:
"Art. 234. Voor de invordering van de rechten bedoeld in dit Wetboek, evenals van de interesten en kosten, heeft de Schatkist een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de schuldenaar en een wettelijke hypotheek op al zijn onroerende goederen. Het voorrecht neemt rang onmiddellijk na deze vermeld in de artikelen 19 en 20 van de Wet van 16 december 1851 en deze in artikel 23 van Boek II van het Wetboek van koophandel. De wettelijke hypotheek neemt rang te rekenen vanaf de dag van de inschrijving die genomen wordt krachtens het dwangschrift dat is opgesteld, geviseerd en uitvoerbaar verklaard overeenkomstig artikel 232 van dit Wetboek.
Bovendien kan de schuldenaar, in geval van verzet tegen het dwangschrift, op vervolging van de administratie belast met de vestiging of de inning en de invordering van de rechten vastgesteld door het Wetboek en vóór het vonnis dat het geschil beslecht, veroordeeld worden, volgens de rechtspleging ingesteld door de artikelen 1035 tot 1041 van het Gerechtelijk Wetboek, tot het verstrekken, binnen de termijn door de rechter vast te stellen, hetzij van een provisionele storting, hetzij van een borgstelling, voor het geheel of een deel van de door het dwangschrift gevorderde sommen. Het bevel is uitvoerbaar niettegenstaande beroep.
Ingeval het verzet tegen dwangschrift verworpen werd, kan geen beroep tegen de rechterlijke beslissing geldig aangetekend worden alvorens het bedrag der verschuldigde sommen geconsigneerd werd.".
"Art. 234. Voor de invordering van de rechten bedoeld in dit Wetboek, evenals van de interesten en kosten, heeft de Schatkist een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de schuldenaar en een wettelijke hypotheek op al zijn onroerende goederen. Het voorrecht neemt rang onmiddellijk na deze vermeld in de artikelen 19 en 20 van de Wet van 16 december 1851 en deze in artikel 23 van Boek II van het Wetboek van koophandel. De wettelijke hypotheek neemt rang te rekenen vanaf de dag van de inschrijving die genomen wordt krachtens het dwangschrift dat is opgesteld, geviseerd en uitvoerbaar verklaard overeenkomstig artikel 232 van dit Wetboek.
Bovendien kan de schuldenaar, in geval van verzet tegen het dwangschrift, op vervolging van de administratie belast met de vestiging of de inning en de invordering van de rechten vastgesteld door het Wetboek en vóór het vonnis dat het geschil beslecht, veroordeeld worden, volgens de rechtspleging ingesteld door de artikelen 1035 tot 1041 van het Gerechtelijk Wetboek, tot het verstrekken, binnen de termijn door de rechter vast te stellen, hetzij van een provisionele storting, hetzij van een borgstelling, voor het geheel of een deel van de door het dwangschrift gevorderde sommen. Het bevel is uitvoerbaar niettegenstaande beroep.
Ingeval het verzet tegen dwangschrift verworpen werd, kan geen beroep tegen de rechterlijke beslissing geldig aangetekend worden alvorens het bedrag der verschuldigde sommen geconsigneerd werd.".
Art. 77. Dans le même titre VIIbis, il est inséré un article 234 rédigé comme suit :
"Art. 234. Pour le recouvrement des droits établis par le présent Code, ainsi que des intérêts et frais, le Trésor a un privilège général sur tous les biens meubles du débiteur et une hypothèque légale sur tous ses biens immeubles. Le privilège prend rang immédiatement après ceux mentionnés aux articles 19 et 20 de la loi du 16 décembre 1851 et à l'article 23 du Livre II du Code de commerce. L'hypothèque légale prend rang à compter du jour de l'inscription qui en est faite en vertu de la contrainte décernée, visée et déclarée exécutoire conformément à l'article 232 du présent Code.
En outre, en cas d'opposition à la contrainte, le débiteur peut, sur la poursuite de l'administration en charge de l'établissement ou de la perception et du recouvrement des droits établis par le Code et avant le jugement vidant le débat, être condamné, selon la procédure instaurée par les article s 1035 à 1041 du Code judiciaire, à fournir, dans le délai à fixer par le juge, soit un versement provisionnel, soit un cautionnement, pour tout ou partie des sommes réclamées par la contrainte. L'ordonnance est exécutoire nonobstant appel.
Dans le cas où l'opposition à contrainte a été rejetée, aucun recours contre la décision judiciaire ne peut être valablement introduit avant que le montant des sommes dues ait été consigné.".
"Art. 234. Pour le recouvrement des droits établis par le présent Code, ainsi que des intérêts et frais, le Trésor a un privilège général sur tous les biens meubles du débiteur et une hypothèque légale sur tous ses biens immeubles. Le privilège prend rang immédiatement après ceux mentionnés aux articles 19 et 20 de la loi du 16 décembre 1851 et à l'article 23 du Livre II du Code de commerce. L'hypothèque légale prend rang à compter du jour de l'inscription qui en est faite en vertu de la contrainte décernée, visée et déclarée exécutoire conformément à l'article 232 du présent Code.
En outre, en cas d'opposition à la contrainte, le débiteur peut, sur la poursuite de l'administration en charge de l'établissement ou de la perception et du recouvrement des droits établis par le Code et avant le jugement vidant le débat, être condamné, selon la procédure instaurée par les article s 1035 à 1041 du Code judiciaire, à fournir, dans le délai à fixer par le juge, soit un versement provisionnel, soit un cautionnement, pour tout ou partie des sommes réclamées par la contrainte. L'ordonnance est exécutoire nonobstant appel.
Dans le cas où l'opposition à contrainte a été rejetée, aucun recours contre la décision judiciaire ne peut être valablement introduit avant que le montant des sommes dues ait été consigné.".
Art. 78. In boek II van hetzelfde Wetboek, wordt er een titel XII ingevoegd, luidende:
"Titel XII. - Jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen".
"Titel XII. - Jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen".
Art. 78. Dans le livre II, du même Code, il est inséré un titre XII rédigé comme suit :
"Titre XII. - Taxe annuelle sur les organismes de placement collectif".
"Titre XII. - Taxe annuelle sur les organismes de placement collectif".
Art. 79. In titel XII, ingevoegd door artikel 79, wordt een artikel 20120 ingevoegd, luidende:
"Art. 20120. Onderworpen aan een jaarlijkse taks vanaf de eerste januari volgend op hun inschrijving hetzij bij de Federale Overheidsdienst Financiën op de lijst van gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen, hetzij bij de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten zijn
1° de beleggingsvennootschappen, bedoeld in artikel 3, 11° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, de beleggingsvennootschappen bedoeld in artikel 3, 11° van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, met uitzondering van de private privaks, bedoeld in artikel 298 van dezelfde wet, en de openbare of institutionele gereglementeerde vastgoedvennootschappen bedoeld in artikel 2, 1°, 2° en 3° van de wet van 12 mei 2014 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen;
2° de beheersvennootschappen die instaan voor het beheer van de beleggingsinstellingen die geregeld zijn bij overeenkomst, bedoeld in artikel 6 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen en in de artikelen 181 en 282 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;
3° de instellingen voor collectieve belegging naar buitenlands recht bedoeld in artikel 148 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, met uitzondering van de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, en de alternatieve instellingen voor collectieve belegging naar buitenlands recht bedoeld in artikel 259 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders.".
"Art. 20120. Onderworpen aan een jaarlijkse taks vanaf de eerste januari volgend op hun inschrijving hetzij bij de Federale Overheidsdienst Financiën op de lijst van gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen, hetzij bij de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten zijn
1° de beleggingsvennootschappen, bedoeld in artikel 3, 11° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, de beleggingsvennootschappen bedoeld in artikel 3, 11° van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, met uitzondering van de private privaks, bedoeld in artikel 298 van dezelfde wet, en de openbare of institutionele gereglementeerde vastgoedvennootschappen bedoeld in artikel 2, 1°, 2° en 3° van de wet van 12 mei 2014 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen;
2° de beheersvennootschappen die instaan voor het beheer van de beleggingsinstellingen die geregeld zijn bij overeenkomst, bedoeld in artikel 6 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen en in de artikelen 181 en 282 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;
3° de instellingen voor collectieve belegging naar buitenlands recht bedoeld in artikel 148 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, met uitzondering van de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, en de alternatieve instellingen voor collectieve belegging naar buitenlands recht bedoeld in artikel 259 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders.".
Art. 79. Dans le titre XII inséré par l'article 79, il est inséré un article 20120 rédigé comme suit :
"Art. 20120. Sont assujettis à une taxe annuelle à partir du 1er janvier qui suit leur inscription soit auprès du Service public fédéral Finances sur la liste des fonds d'investissement immobiliers spécialisés, soit auprès de l'Autorité des services et marchés financiers :
1° les sociétés d'investissement, visées à l'article 3, 11°, de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances, les sociétés d'investissement visées à l'article 3, 11°, de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leur gestionnaires, à l'exception des pricaf privées visées à l'article 298 de la même loi, et les sociétés immobilières réglementées publiques ou institutionnelles visées à l'article 2, 1°, 2° et 3°, de la loi du 12 mai 2014 relative aux sociétés immobilières réglementées ;
2° les sociétés de gestion responsables de la gestion des organismes de placement qui revêtent la forme contractuelle, visés à l'article 6 de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances et aux articles 181 et 282 de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leur gestionnaires ;
3° les organismes de placement collectif de droit étranger visés à l'article 148 de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances, à l'exception des organismes de placement en créances, et des organismes de placement collectif alternatifs visés à l'article 259 de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leur gestionnaires.".
"Art. 20120. Sont assujettis à une taxe annuelle à partir du 1er janvier qui suit leur inscription soit auprès du Service public fédéral Finances sur la liste des fonds d'investissement immobiliers spécialisés, soit auprès de l'Autorité des services et marchés financiers :
1° les sociétés d'investissement, visées à l'article 3, 11°, de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances, les sociétés d'investissement visées à l'article 3, 11°, de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leur gestionnaires, à l'exception des pricaf privées visées à l'article 298 de la même loi, et les sociétés immobilières réglementées publiques ou institutionnelles visées à l'article 2, 1°, 2° et 3°, de la loi du 12 mai 2014 relative aux sociétés immobilières réglementées ;
2° les sociétés de gestion responsables de la gestion des organismes de placement qui revêtent la forme contractuelle, visés à l'article 6 de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances et aux articles 181 et 282 de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leur gestionnaires ;
3° les organismes de placement collectif de droit étranger visés à l'article 148 de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances, à l'exception des organismes de placement en créances, et des organismes de placement collectif alternatifs visés à l'article 259 de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leur gestionnaires.".
Art. 80. In dezelfde titel XII wordt een artikel 20121 ingevoegd, luidende:
"Art. 20121. § 1. Wat de beleggingsinstellingen bedoeld in artikel 20120, 1° en 2°, betreft, is de taks verschuldigd op het totaal van de in België op 31 december van het voorgaande jaar netto uitstaande bedragen.
Voor de toepassing van het eerste lid:
1° worden de in het buitenland voor rekening van een rijksinwoner verworven rechten van deelneming, geacht uit te staan in België;
2° is, indien de beleggingsinstelling verzuimd heeft de elementen die nuttig en noodzakelijk zijn voor de heffing van de taks aan de administratie te verstrekken, en onverminderd de toepassing van Boek III, de taks verschuldigd op de totaalwaarde van het beheerd vermogen op 31 december van het voorafgaande jaar.
De Koning kan de voor de heffing van de taks nuttige en noodzakelijke elementen bepalen.
§ 2. Wat betreft de beleggingsinstellingen, bedoeld in artikel 20120, 3°, is de taks verschuldigd op het totaal van de in België netto uitstaande bedragen op 31 december van het voorgaande jaar, vanaf hun inschrijving bij de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten.
Voor de toepassing van het eerste lid:
1° kunnen de rechten van deelneming die door een financiële tussenpersoon in het buitenland werden geplaatst, niet afgetrokken worden van de in België bruto uitstaande bedragen in geval van de inkoop door de tussenkomst van een financiële tussenpersoon in België;
2° is, indien de beleggingsinstelling verzuimd heeft de elementen die nuttig en noodzakelijk zijn voor de heffing van de taks aan de administratie te verstrekken en onverminderd de toepassing van Boek III, de taks verschuldigd op het totaal van de in België bruto uitstaande bedragen op 31 december van het voorgaande jaar.
De Koning kan de voor de heffing van de taks nuttige en noodzakelijke elementen bepalen.
§ 3. Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 worden voor een beleggingsinstelling die rechten van deelneming heeft in een beleggingsinstelling, de bedragen die bij een beleggingsinstelling werden opgenomen in de belastbare grondslag, niet meegerekend.
"Art. 20121. § 1. Wat de beleggingsinstellingen bedoeld in artikel 20120, 1° en 2°, betreft, is de taks verschuldigd op het totaal van de in België op 31 december van het voorgaande jaar netto uitstaande bedragen.
Voor de toepassing van het eerste lid:
1° worden de in het buitenland voor rekening van een rijksinwoner verworven rechten van deelneming, geacht uit te staan in België;
2° is, indien de beleggingsinstelling verzuimd heeft de elementen die nuttig en noodzakelijk zijn voor de heffing van de taks aan de administratie te verstrekken, en onverminderd de toepassing van Boek III, de taks verschuldigd op de totaalwaarde van het beheerd vermogen op 31 december van het voorafgaande jaar.
De Koning kan de voor de heffing van de taks nuttige en noodzakelijke elementen bepalen.
§ 2. Wat betreft de beleggingsinstellingen, bedoeld in artikel 20120, 3°, is de taks verschuldigd op het totaal van de in België netto uitstaande bedragen op 31 december van het voorgaande jaar, vanaf hun inschrijving bij de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten.
Voor de toepassing van het eerste lid:
1° kunnen de rechten van deelneming die door een financiële tussenpersoon in het buitenland werden geplaatst, niet afgetrokken worden van de in België bruto uitstaande bedragen in geval van de inkoop door de tussenkomst van een financiële tussenpersoon in België;
2° is, indien de beleggingsinstelling verzuimd heeft de elementen die nuttig en noodzakelijk zijn voor de heffing van de taks aan de administratie te verstrekken en onverminderd de toepassing van Boek III, de taks verschuldigd op het totaal van de in België bruto uitstaande bedragen op 31 december van het voorgaande jaar.
De Koning kan de voor de heffing van de taks nuttige en noodzakelijke elementen bepalen.
§ 3. Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 worden voor een beleggingsinstelling die rechten van deelneming heeft in een beleggingsinstelling, de bedragen die bij een beleggingsinstelling werden opgenomen in de belastbare grondslag, niet meegerekend.
Art. 80. Dans le même titre XII, il est inséré un article 20121 rédigé comme suit :
"Art. 20121. § 1er. En ce qui concerne les organismes de placement visés à l'article 20120, 1° et 2°, la taxe est due sur le total, au 31 décembre de l'année précédente, des montants nets placés en Belgique.
Pour l'application de l'alinéa 1er :
1° sont considérées comme placées en Belgique, les parts qui sont acquises à l'étranger pour le compte d'un habitant du Royaume ;
2° lorsque l'organisme de placement a omis de fournir à l'administration les éléments utiles et nécessaires pour la perception de la taxe, et sans préjudice de l'application du Livre III, la taxe est due sur la valeur totale du patrimoine géré au 31 décembre de l'année précédente.
Le Roi peut déterminer les éléments utiles et nécessaires pour la perception de la taxe.
§ 2. En ce qui concerne les organismes de placement visés à l'article 20120, 3°, la taxe est due sur le total au 31 décembre de l'année précédente des montants nets placés en Belgique, à partir de leur inscription auprès de l'Autorité des services et marchés financiers.
Pour l'application de l'alinéa 1er :
1° les parts qui ont été placées à l'étranger par un intermédiaire financier ne peuvent être déduites des montants bruts placés en Belgique en cas d'achat à l'intervention d'un intermédiaire financier en Belgique ;
2° lorsque l'organisme de placement a omis de fournir à l'administration les éléments utiles et nécessaires pour la perception de la taxe, et sans préjudice de l'application du Livre III, la taxe est due sur le total au 31 décembre de l'année précédente des montants bruts placés en Belgique.
Le Roi peut fixer les éléments utiles et nécessaires pour la perception de la taxe.
§ 3. Pour l'application des paragraphes 1er et 2 ne sont pas repris dans la base imposable d'un organisme de placement qui détient des parts dans un organisme de placement, les montants qui ont déjà été compris dans la base imposable d'un organisme de placement.
"Art. 20121. § 1er. En ce qui concerne les organismes de placement visés à l'article 20120, 1° et 2°, la taxe est due sur le total, au 31 décembre de l'année précédente, des montants nets placés en Belgique.
Pour l'application de l'alinéa 1er :
1° sont considérées comme placées en Belgique, les parts qui sont acquises à l'étranger pour le compte d'un habitant du Royaume ;
2° lorsque l'organisme de placement a omis de fournir à l'administration les éléments utiles et nécessaires pour la perception de la taxe, et sans préjudice de l'application du Livre III, la taxe est due sur la valeur totale du patrimoine géré au 31 décembre de l'année précédente.
Le Roi peut déterminer les éléments utiles et nécessaires pour la perception de la taxe.
§ 2. En ce qui concerne les organismes de placement visés à l'article 20120, 3°, la taxe est due sur le total au 31 décembre de l'année précédente des montants nets placés en Belgique, à partir de leur inscription auprès de l'Autorité des services et marchés financiers.
Pour l'application de l'alinéa 1er :
1° les parts qui ont été placées à l'étranger par un intermédiaire financier ne peuvent être déduites des montants bruts placés en Belgique en cas d'achat à l'intervention d'un intermédiaire financier en Belgique ;
2° lorsque l'organisme de placement a omis de fournir à l'administration les éléments utiles et nécessaires pour la perception de la taxe, et sans préjudice de l'application du Livre III, la taxe est due sur le total au 31 décembre de l'année précédente des montants bruts placés en Belgique.
Le Roi peut fixer les éléments utiles et nécessaires pour la perception de la taxe.
§ 3. Pour l'application des paragraphes 1er et 2 ne sont pas repris dans la base imposable d'un organisme de placement qui détient des parts dans un organisme de placement, les montants qui ont déjà été compris dans la base imposable d'un organisme de placement.
Art. 81. In dezelfde titel XII wordt een artikel 20122 ingevoegd, luidende:
"Art. 20122. Het tarief van de taks wordt vastgesteld op 0,0925 pct.
Het wordt evenwel vastgesteld op 0,01 pct. in de mate dat de financieringsmiddelen van de beleggingsinstelling, één of meerdere van haar compartimenten of klassen van aandelen, uitsluitend worden aangetrokken bij institutionele of professionele beleggers die voor eigen rekening handelen, en waarvan de effecten uitsluitend door deze beleggers kunnen worden verworven.".
"Art. 20122. Het tarief van de taks wordt vastgesteld op 0,0925 pct.
Het wordt evenwel vastgesteld op 0,01 pct. in de mate dat de financieringsmiddelen van de beleggingsinstelling, één of meerdere van haar compartimenten of klassen van aandelen, uitsluitend worden aangetrokken bij institutionele of professionele beleggers die voor eigen rekening handelen, en waarvan de effecten uitsluitend door deze beleggers kunnen worden verworven.".
Art. 81. Dans le même titre XII, il est inséré un article 20122 rédigé comme suit :
"Art. 20122. Le tarif de la taxe est fixé à 0,0925 p.c.
Il est toutefois fixé à 0,01 p.c. dans la mesure où les moyens financiers de l'organisme de placement, d'un ou de plusieurs de ses compartiments ou des classes de titres, sont recueillis exclusivement auprès d'investisseurs institutionnels ou professionnels agissant pour leur propre compte, et dont les titres ne peuvent être acquis que par ces investisseurs.".
"Art. 20122. Le tarif de la taxe est fixé à 0,0925 p.c.
Il est toutefois fixé à 0,01 p.c. dans la mesure où les moyens financiers de l'organisme de placement, d'un ou de plusieurs de ses compartiments ou des classes de titres, sont recueillis exclusivement auprès d'investisseurs institutionnels ou professionnels agissant pour leur propre compte, et dont les titres ne peuvent être acquis que par ces investisseurs.".
Art. 82. In dezelfde titel XII wordt een artikel 20123 ingevoegd, luidende:
"Art. 20123. De taks is opeisbaar de eerste januari van elk jaar.
Hij moet betaald zijn uiterlijk op 31 maart van elk jaar.
Indien de taks niet betaald wordt binnen deze termijn, is de wettelijke interest, volgens het percentage in burgerlijke zaken, van rechtswege verschuldigd te rekenen van de dag waarop de betaling had moeten geschieden.
Voor de berekening van de interesten wordt elke fractie van een maand gerekend als een volle maand.".
"Art. 20123. De taks is opeisbaar de eerste januari van elk jaar.
Hij moet betaald zijn uiterlijk op 31 maart van elk jaar.
Indien de taks niet betaald wordt binnen deze termijn, is de wettelijke interest, volgens het percentage in burgerlijke zaken, van rechtswege verschuldigd te rekenen van de dag waarop de betaling had moeten geschieden.
Voor de berekening van de interesten wordt elke fractie van een maand gerekend als een volle maand.".
Art. 82. Dans le même titre XII, il est inséré un article 20123 rédigé comme suit:
"Art. 20123. La taxe est exigible le 1er janvier de chaque année.
Elle doit être acquittée au plus tard le 31 mars de chaque année.
Si la taxe n'est pas payée dans le délai prescrit, l'intérêt légal au taux fixé en matière civile est exigible de plein droit à compter du jour où le paiement aurait dû être effectué.
Pour le calcul de l'intérêt, toute fraction de mois est comptée comme mois entier.".
"Art. 20123. La taxe est exigible le 1er janvier de chaque année.
Elle doit être acquittée au plus tard le 31 mars de chaque année.
Si la taxe n'est pas payée dans le délai prescrit, l'intérêt légal au taux fixé en matière civile est exigible de plein droit à compter du jour où le paiement aurait dû être effectué.
Pour le calcul de l'intérêt, toute fraction de mois est comptée comme mois entier.".
Art. 83. In dezelfde titel XII wordt een artikel 20124 ingevoegd, luidende:
"Art. 20124. De instellingen bedoeld in artikel 20120 zijn gehouden uiterlijk op 31 maart van ieder aanslagjaar een aangifte in te dienen waarin de belastbare grondslag wordt opgegeven.
Indien de aangifte niet ingediend wordt binnen de voorgeschreven termijn, wordt een geldboete verbeurd van 250 euro per week vertraging. Elke begonnen week wordt gerekend als een volle week.".
"Art. 20124. De instellingen bedoeld in artikel 20120 zijn gehouden uiterlijk op 31 maart van ieder aanslagjaar een aangifte in te dienen waarin de belastbare grondslag wordt opgegeven.
Indien de aangifte niet ingediend wordt binnen de voorgeschreven termijn, wordt een geldboete verbeurd van 250 euro per week vertraging. Elke begonnen week wordt gerekend als een volle week.".
Art. 83. Dans le même titre XII, il est inséré un article 20124 rédigé comme suit:
"Art. 20124. Les établissements visés à l'article 20120 sont tenus de déposer, au plus tard le 31 mars de chaque année d'imposition, une déclaration faisant connaître la base imposable.
Si la déclaration n'est pas déposée dans le délai prescrit, il est encouru une amende de 250 euros par semaine de retard. Toute semaine commencée est comptée comme semaine entière.".
"Art. 20124. Les établissements visés à l'article 20120 sont tenus de déposer, au plus tard le 31 mars de chaque année d'imposition, une déclaration faisant connaître la base imposable.
Si la déclaration n'est pas déposée dans le délai prescrit, il est encouru une amende de 250 euros par semaine de retard. Toute semaine commencée est comptée comme semaine entière.".
Art. 84. In dezelfde titel XII wordt een artikel 20125 ingevoegd, luidende:
"Art. 20125. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van de aangifte. Hij kan betalingsmodaliteiten bepalen alsook aanvullende regels om de juiste heffing van de belasting te verzekeren.".
"Art. 20125. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van de aangifte. Hij kan betalingsmodaliteiten bepalen alsook aanvullende regels om de juiste heffing van de belasting te verzekeren.".
Art. 84. Dans le même titre XII, il est inséré un article 20125 rédigé comme suit :
"Art. 20125. Le Roi arrête la forme et le contenu de la déclaration. Il peut fixer des modalités de paiement ainsi que des règles complémentaires en vue d'assurer la juste perception de la taxe.".
"Art. 20125. Le Roi arrête la forme et le contenu de la déclaration. Il peut fixer des modalités de paiement ainsi que des règles complémentaires en vue d'assurer la juste perception de la taxe.".
Art. 85. In dezelfde titel XII wordt een artikel 20126 ingevoegd, luidende:
"Art. 20126. Elke onnauwkeurigheid of weglating die vastgesteld wordt in de aangifte bedoeld in artikel 20124, evenals iedere andere onregelmatigheid begaan in de uitvoering van de wettelijke of reglementaire bepalingen, wordt gestraft met een geldboete gelijk aan tweemaal het ontdoken recht, zonder dat deze geldboete lager mag zijn dan 250 euro per overtreding.".
"Art. 20126. Elke onnauwkeurigheid of weglating die vastgesteld wordt in de aangifte bedoeld in artikel 20124, evenals iedere andere onregelmatigheid begaan in de uitvoering van de wettelijke of reglementaire bepalingen, wordt gestraft met een geldboete gelijk aan tweemaal het ontdoken recht, zonder dat deze geldboete lager mag zijn dan 250 euro per overtreding.".
Art. 85. Dans le même titre XII, il est inséré un article 20126 rédigé comme suit :
"Art. 20126. Toute inexactitude ou omission constatée dans la déclaration visée à l'article 20124, ainsi que toute autre irrégularité commise dans l'exécution des dispositions légales ou réglementaires, est punie d'une amende égale à deux fois le droit éludé sans que cette amende puisse être inférieure à 250 euros par contravention.".
"Art. 20126. Toute inexactitude ou omission constatée dans la déclaration visée à l'article 20124, ainsi que toute autre irrégularité commise dans l'exécution des dispositions légales ou réglementaires, est punie d'une amende égale à deux fois le droit éludé sans que cette amende puisse être inférieure à 250 euros par contravention.".
Art. 86. In dezelfde titel XII wordt een artikel 20127 ingevoegd, luidende:
"Art. 20127. De taks wordt teruggegeven voor het gedeelte dat meer bedraagt dan hetgeen wettelijk verschuldigd is.
De Koning bepaalt de wijze en de voorwaarden van de terugbetaling.".
"Art. 20127. De taks wordt teruggegeven voor het gedeelte dat meer bedraagt dan hetgeen wettelijk verschuldigd is.
De Koning bepaalt de wijze en de voorwaarden van de terugbetaling.".
Art. 86. Dans le même titre XII, il est inséré un article 20127 rédigé comme suit :
"Art. 20127. La taxe est restituée à concurrence de ce qui excède le montant légalement dû.
Le Roi détermine le mode et les conditions de cette restitution.".
"Art. 20127. La taxe est restituée à concurrence de ce qui excède le montant légalement dû.
Le Roi détermine le mode et les conditions de cette restitution.".
Art. 87. In dezelfde titel XII wordt een artikel 20128 ingevoegd, luidende:
"Art. 20128. De ambtenaren belast met de vestiging of de heffing van de taks kunnen kennis nemen van alle documenten nodig om de juiste heffing van de taks te verzekeren.".
"Art. 20128. De ambtenaren belast met de vestiging of de heffing van de taks kunnen kennis nemen van alle documenten nodig om de juiste heffing van de taks te verzekeren.".
Art. 87. Dans le même titre XII, il est inséré un article 20128 rédigé comme suit :
"Art. 20128. Les fonctionnaires en charge de l'établissement ou de la perception de la taxe peuvent prendre connaissance de tous les documents nécessaires à l'effet d'assurer l'exacte perception de la taxe.".
"Art. 20128. Les fonctionnaires en charge de l'établissement ou de la perception de la taxe peuvent prendre connaissance de tous les documents nécessaires à l'effet d'assurer l'exacte perception de la taxe.".
Art. 88. In boek II van hetzelfde Wetboek wordt een titel XIII ingevoegd, luidende:
"Titel XIII - Jaarlijkse taks op de verzekeringsondernemingen".
"Titel XIII - Jaarlijkse taks op de verzekeringsondernemingen".
Art. 88. Dans le Livre II du même Code, il est inséré un Titre XIII rédigé comme suit :
"Titre XIII - Taxe annuelle sur les entreprises d'assurance".
"Titre XIII - Taxe annuelle sur les entreprises d'assurance".
Art. 89. In titel XIII, ingevoegd door artikel 88, wordt een artikel 20129 ingevoegd, luidende:
"Art. 20129. Onderworpen aan een jaarlijkse taks vanaf de eerste januari volgend op hun inschrijving bij de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten zijn:
1° de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 6 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, die inkomsten toekennen als bedoeld in artikel 21, 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of die dividenden toekennen die van de vennootschapsbelasting zijn vrijgesteld op grond van artikel 185, § 1, van dat Wetboek;
2° de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 6 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, die verzekeringsverrichtingen doen als bedoeld in bijlage II, A, 23, van dezelfde wet.".
"Art. 20129. Onderworpen aan een jaarlijkse taks vanaf de eerste januari volgend op hun inschrijving bij de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten zijn:
1° de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 6 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, die inkomsten toekennen als bedoeld in artikel 21, 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of die dividenden toekennen die van de vennootschapsbelasting zijn vrijgesteld op grond van artikel 185, § 1, van dat Wetboek;
2° de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 6 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, die verzekeringsverrichtingen doen als bedoeld in bijlage II, A, 23, van dezelfde wet.".
Art. 89. Dans le titre XIII inséré par l'article 88, il est inséré un article 20129 rédigé comme suit :
"Art. 20129. Sont assujetties à une taxe annuelle à partir du 1er janvier qui suit leur inscription soit auprès de l'Autorité des services et marchés financiers :
1° les entreprises d'assurances visées à l'article 6 de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance qui attribuent des revenus visés à l'article 21, 9°, du Code des impôts sur les revenus 1992 ou qui attribuent des dividendes qui sont exonérés de l'impôt des sociétés sur base de l'article 185, § 1er, de ce Code ;
2° les entreprises d'assurances visées à l'article 6 de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance, qui effectuent des opérations d'assurance telles que visées à l'annexe II, A, 23 de cette même loi.".
"Art. 20129. Sont assujetties à une taxe annuelle à partir du 1er janvier qui suit leur inscription soit auprès de l'Autorité des services et marchés financiers :
1° les entreprises d'assurances visées à l'article 6 de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance qui attribuent des revenus visés à l'article 21, 9°, du Code des impôts sur les revenus 1992 ou qui attribuent des dividendes qui sont exonérés de l'impôt des sociétés sur base de l'article 185, § 1er, de ce Code ;
2° les entreprises d'assurances visées à l'article 6 de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance, qui effectuent des opérations d'assurance telles que visées à l'annexe II, A, 23 de cette même loi.".
Art. 90. In dezelfde titel XIII wordt een artikel 20130 ingevoegd, luidende:
"Art. 20130. § 1. De taks is verschuldigd op het totaal bedrag op 1 januari van het aanslagjaar van de wiskundige balansprovisies en de technische provisies die betrekking hebben op:
- de levensverzekeringscontracten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 21, 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
- de verzekeringsverrichtingen die met een beleggingsfonds verbonden zijn, met uitzondering van levensverzekeringscontracten waarvan het kapitaal of de afkoopwaarde onderworpen is aan de inkomstenbelasting of aan de taks op het langetermijnsparen.
De Koning kan de voor de heffing van de taks nuttige en noodzakelijke elementen bepalen.
§ 2. Voor de toepassing van § 1, eerste lid, tweede streepje, worden voor een verzekeringsonderneming die rechten van deelneming heeft in een beleggingsinstelling, de bedragen die bij een beleggingsinstelling werden opgenomen in de belastbare grondslag voor de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen niet meegerekend.
§ 3. In geval een verzekeringsonderneming bedoeld in artikel 20129 de vorm heeft aangenomen van een coöperatieve vennootschap erkend door de Nationale Raad van de Coöperatie, is de taks bovendien verschuldigd op een quotiteit van het maatschappelijk kapitaal op 1 januari van het aanslagjaar. Die quotiteit is gelijk aan de verhouding van het totaal van de op grond van artikel 185, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 niet-belastbare dividenden tot het totaal van de toegekende dividenden voor het boekjaar dat voorafgaat.".
"Art. 20130. § 1. De taks is verschuldigd op het totaal bedrag op 1 januari van het aanslagjaar van de wiskundige balansprovisies en de technische provisies die betrekking hebben op:
- de levensverzekeringscontracten die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 21, 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
- de verzekeringsverrichtingen die met een beleggingsfonds verbonden zijn, met uitzondering van levensverzekeringscontracten waarvan het kapitaal of de afkoopwaarde onderworpen is aan de inkomstenbelasting of aan de taks op het langetermijnsparen.
De Koning kan de voor de heffing van de taks nuttige en noodzakelijke elementen bepalen.
§ 2. Voor de toepassing van § 1, eerste lid, tweede streepje, worden voor een verzekeringsonderneming die rechten van deelneming heeft in een beleggingsinstelling, de bedragen die bij een beleggingsinstelling werden opgenomen in de belastbare grondslag voor de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen niet meegerekend.
§ 3. In geval een verzekeringsonderneming bedoeld in artikel 20129 de vorm heeft aangenomen van een coöperatieve vennootschap erkend door de Nationale Raad van de Coöperatie, is de taks bovendien verschuldigd op een quotiteit van het maatschappelijk kapitaal op 1 januari van het aanslagjaar. Die quotiteit is gelijk aan de verhouding van het totaal van de op grond van artikel 185, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 niet-belastbare dividenden tot het totaal van de toegekende dividenden voor het boekjaar dat voorafgaat.".
Art. 90. Dans le même titre XIII, il est inséré un article 20130 rédigé comme suit :
"Art. 20130. § 1er. La taxe est due sur le montant total des provisions mathématiques du bilan et des provisions techniques au 1er janvier de l'année d'imposition, afférentes :
- aux contrats d'assurance-vie qui répondent aux conditions fixées par l'article 21, 9°, du Code des impôts sur les revenus 1992 ;
- aux opérations d'assurance liées à un fonds d'investissement à l'exclusion des contrats d'assurance-vie dont le capital ou la valeur de rachat est imposable à l'impôt sur les revenus ou à la taxe sur l'épargne à long terme.
Le Roi peut fixer les éléments utiles et nécessaires pour la perception de la taxe.
§ 2. Pour l'application du § 1er, alinéa 1er, deuxième tiret, ne sont pas repris dans la base imposable d'une entreprise d'assurances qui détient des parts dans un organisme de placement, les montants qui ont déjà été compris dans la base imposable pour la taxe sur les organismes de placement collectif.
§ 3. Dans le cas où une entreprise d'assurance visée à l'article 20129, a adopté la forme d'une société coopérative agréée par le Conseil national de la coopération, la taxe est en outre due sur une quotité du capital social au 1er janvier de l'année d'imposition. Cette quotité est égale à la proportion entre le total des dividendes non imposables sur base de l'article 185, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, et le total des dividendes attribués pour l'exercice social qui précède.".
"Art. 20130. § 1er. La taxe est due sur le montant total des provisions mathématiques du bilan et des provisions techniques au 1er janvier de l'année d'imposition, afférentes :
- aux contrats d'assurance-vie qui répondent aux conditions fixées par l'article 21, 9°, du Code des impôts sur les revenus 1992 ;
- aux opérations d'assurance liées à un fonds d'investissement à l'exclusion des contrats d'assurance-vie dont le capital ou la valeur de rachat est imposable à l'impôt sur les revenus ou à la taxe sur l'épargne à long terme.
Le Roi peut fixer les éléments utiles et nécessaires pour la perception de la taxe.
§ 2. Pour l'application du § 1er, alinéa 1er, deuxième tiret, ne sont pas repris dans la base imposable d'une entreprise d'assurances qui détient des parts dans un organisme de placement, les montants qui ont déjà été compris dans la base imposable pour la taxe sur les organismes de placement collectif.
§ 3. Dans le cas où une entreprise d'assurance visée à l'article 20129, a adopté la forme d'une société coopérative agréée par le Conseil national de la coopération, la taxe est en outre due sur une quotité du capital social au 1er janvier de l'année d'imposition. Cette quotité est égale à la proportion entre le total des dividendes non imposables sur base de l'article 185, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, et le total des dividendes attribués pour l'exercice social qui précède.".
Art. 91. In dezelfde titel XIII wordt een artikel 20131 ingevoegd, luidende:
"Art. 20131. Het tarief van de taks wordt vastgesteld:
1° op 0,0925 pct. voor het in artikel 20130, paragraaf 1, bedoelde totaal bedrag van de wiskundige balansprovisies en de technische provisies die betrekking hebben op levensverzekeringscontracten en op verzekeringsverrichtingen die verbonden zijn aan beleggingsfondsen;
2° op 0,0925 pct. voor de in artikel 20130, § 3, bedoelde quotiteit van het maatschappelijk kapitaal van de in artikel 20129, 1° of 2°, bedoelde ondernemingen die de vorm van een coöperatieve vennootschap hebben aangenomen, erkend door de Nationale Raad van de Coöperatie.".
"Art. 20131. Het tarief van de taks wordt vastgesteld:
1° op 0,0925 pct. voor het in artikel 20130, paragraaf 1, bedoelde totaal bedrag van de wiskundige balansprovisies en de technische provisies die betrekking hebben op levensverzekeringscontracten en op verzekeringsverrichtingen die verbonden zijn aan beleggingsfondsen;
2° op 0,0925 pct. voor de in artikel 20130, § 3, bedoelde quotiteit van het maatschappelijk kapitaal van de in artikel 20129, 1° of 2°, bedoelde ondernemingen die de vorm van een coöperatieve vennootschap hebben aangenomen, erkend door de Nationale Raad van de Coöperatie.".
Art. 91. Dans le même titre XIII, il est inséré un article 20131 rédigé comme suit :
"Art. 20131. Le tarif de la taxe est fixé :
1° à 0,0925 p.c. du montant total visé à l'article 20130, des provisions mathématiques du bilan et des provisions techniques, afférentes aux contrats d'assurance-vie et aux opérations d'assurance liées à un fonds de placement ;
2° à 0,0925 p.c. de la quotité du capital social visée à l'article 20130, § 3, des entreprises visées à l'article 20129, 1° où 2°, qui ont adopté la forme d'une société coopérative agréée par le Conseil national de la coopération.".
"Art. 20131. Le tarif de la taxe est fixé :
1° à 0,0925 p.c. du montant total visé à l'article 20130, des provisions mathématiques du bilan et des provisions techniques, afférentes aux contrats d'assurance-vie et aux opérations d'assurance liées à un fonds de placement ;
2° à 0,0925 p.c. de la quotité du capital social visée à l'article 20130, § 3, des entreprises visées à l'article 20129, 1° où 2°, qui ont adopté la forme d'une société coopérative agréée par le Conseil national de la coopération.".
Art. 92. In dezelfde titel XIII wordt een artikel 20132 ingevoegd, luidende:
"Art. 20132. De taks is opeisbaar de eerste januari van elk jaar.
Hij moet betaald zijn uiterlijk op 31 maart van elk jaar. Nochtans wordt die termijn, wat betreft de betaling van de taks of van het gedeelte van de taks met betrekking tot de dividenden bedoeld in artikel 20129,1°, in voorkomend geval, verlengd tot de achtste werkdag na de datum van de algemene vergadering waarop over de toekenning van de dividenden is beslist.
Indien de taks of het gedeelte van de taks niet betaald wordt binnen deze termijn, is de wettelijke interest, volgens het percentage in burgerlijke zaken, van rechtswege verschuldigd te rekenen van de dag waarop de betaling had moeten geschieden.
Voor de berekening van de interesten wordt elke fractie van een maand gerekend als een volle maand.".
"Art. 20132. De taks is opeisbaar de eerste januari van elk jaar.
Hij moet betaald zijn uiterlijk op 31 maart van elk jaar. Nochtans wordt die termijn, wat betreft de betaling van de taks of van het gedeelte van de taks met betrekking tot de dividenden bedoeld in artikel 20129,1°, in voorkomend geval, verlengd tot de achtste werkdag na de datum van de algemene vergadering waarop over de toekenning van de dividenden is beslist.
Indien de taks of het gedeelte van de taks niet betaald wordt binnen deze termijn, is de wettelijke interest, volgens het percentage in burgerlijke zaken, van rechtswege verschuldigd te rekenen van de dag waarop de betaling had moeten geschieden.
Voor de berekening van de interesten wordt elke fractie van een maand gerekend als een volle maand.".
Art. 92. Dans le même titre XIII, il est inséré un article 20132 rédigé comme suit :
"Art. 20132. La taxe est exigible le 1er janvier de chaque année.
Elle doit être acquittée au plus tard le 31 mars de chaque année. Toutefois, ce délai est prorogé, le cas échéant, en ce qui concerne le paiement de la taxe ou de la partie de la taxe afférente aux dividendes visés à l'article 20129, 1°, jusqu'au huitième jour ouvrable qui suit la date de l'assemblée générale qui décide de l'attribution des dividendes.
Si la taxe ou la partie de la taxe n'est pas payée dans le délai prescrit, l'intérêt légal au taux fixé en matière civile est exigible de plein droit à compter du jour où le paiement aurait dû être effectué.
Pour le calcul de l'intérêt, toute fraction de mois est comptée comme mois entier.".
"Art. 20132. La taxe est exigible le 1er janvier de chaque année.
Elle doit être acquittée au plus tard le 31 mars de chaque année. Toutefois, ce délai est prorogé, le cas échéant, en ce qui concerne le paiement de la taxe ou de la partie de la taxe afférente aux dividendes visés à l'article 20129, 1°, jusqu'au huitième jour ouvrable qui suit la date de l'assemblée générale qui décide de l'attribution des dividendes.
Si la taxe ou la partie de la taxe n'est pas payée dans le délai prescrit, l'intérêt légal au taux fixé en matière civile est exigible de plein droit à compter du jour où le paiement aurait dû être effectué.
Pour le calcul de l'intérêt, toute fraction de mois est comptée comme mois entier.".
Art. 93. In dezelfde titel XIII wordt een artikel 20133 ingevoegd, luidende:
"Art. 20133. De ondernemingen bedoeld in artikel 20129 zijn gehouden uiterlijk op 31 maart van ieder aanslagjaar een aangifte in te dienen waarin de belastbare grondslag wordt opgegeven. Evenwel moeten, wat betreft de taks of het gedeelte van de taks met betrekking tot de dividenden bedoeld in artikel 20129, 1°, de coöperatieve vennootschappen erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie de aangifte of een bijkomende aangifte die de belastbare grondslag opgeeft van de taks of van het gedeelte van de taks betreffende die dividenden indienen ten laatste de dag waarop de betaling overeenkomstig artikel 20132, tweede lid, moet worden gedaan.
Indien de aangifte niet ingediend wordt binnen de voorgeschreven termijn, wordt een geldboete verbeurd van 250 euro per week vertraging. Elke begonnen week wordt gerekend als een volle week.".
"Art. 20133. De ondernemingen bedoeld in artikel 20129 zijn gehouden uiterlijk op 31 maart van ieder aanslagjaar een aangifte in te dienen waarin de belastbare grondslag wordt opgegeven. Evenwel moeten, wat betreft de taks of het gedeelte van de taks met betrekking tot de dividenden bedoeld in artikel 20129, 1°, de coöperatieve vennootschappen erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie de aangifte of een bijkomende aangifte die de belastbare grondslag opgeeft van de taks of van het gedeelte van de taks betreffende die dividenden indienen ten laatste de dag waarop de betaling overeenkomstig artikel 20132, tweede lid, moet worden gedaan.
Indien de aangifte niet ingediend wordt binnen de voorgeschreven termijn, wordt een geldboete verbeurd van 250 euro per week vertraging. Elke begonnen week wordt gerekend als een volle week.".
Art. 93. Dans le même titre XIII, il est inséré un article 20133 rédigé comme suit :
"Art. 20133. Les entreprises visées à l'article 20129 sont tenues de déposer, au plus tard le 31 mars de chaque année d'imposition, une déclaration faisant connaître la base imposable. Toutefois, les sociétés coopératives agréées par le Conseil national de la coopération, doivent, en ce qui concerne la taxe ou la partie de la taxe afférente aux dividendes visés à l'article 20129, 1°, déposer la déclaration ou une déclaration complémentaire faisant connaître la base imposable de la taxe ou de la partie de la taxe afférente aux dividendes visés, au plus tard le jour auquel le paiement doit être effectué conformément à l'article 20132, alinéa 2.
Si la déclaration n'est pas déposée dans le délai prescrit, il est encouru une amende de 250 euros par semaine de retard. Toute semaine commencée est comptée comme semaine entière.".
"Art. 20133. Les entreprises visées à l'article 20129 sont tenues de déposer, au plus tard le 31 mars de chaque année d'imposition, une déclaration faisant connaître la base imposable. Toutefois, les sociétés coopératives agréées par le Conseil national de la coopération, doivent, en ce qui concerne la taxe ou la partie de la taxe afférente aux dividendes visés à l'article 20129, 1°, déposer la déclaration ou une déclaration complémentaire faisant connaître la base imposable de la taxe ou de la partie de la taxe afférente aux dividendes visés, au plus tard le jour auquel le paiement doit être effectué conformément à l'article 20132, alinéa 2.
Si la déclaration n'est pas déposée dans le délai prescrit, il est encouru une amende de 250 euros par semaine de retard. Toute semaine commencée est comptée comme semaine entière.".
Art. 94. In dezelfde titel XIII wordt een artikel 20134 ingevoegd, luidende:
"Art. 20134. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van de aangifte. Hij kan betalingsmodaliteiten bepalen alsook aanvullende regels om de juiste heffing van de belasting te verzekeren.".
"Art. 20134. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van de aangifte. Hij kan betalingsmodaliteiten bepalen alsook aanvullende regels om de juiste heffing van de belasting te verzekeren.".
Art. 94. Dans le même titre XIII, il est inséré un article 20134 rédigé comme suit :
"Art. 20134. Le Roi arrête la forme et le contenu de la déclaration. Il peut fixer des modalités de paiement ainsi que des règles complémentaires en vue d'assurer la juste perception de l'impôt.".
"Art. 20134. Le Roi arrête la forme et le contenu de la déclaration. Il peut fixer des modalités de paiement ainsi que des règles complémentaires en vue d'assurer la juste perception de l'impôt.".
Art. 95. In dezelfde titel XIII wordt een artikel 20135 ingevoegd, luidende:
"Art. 20135. Elke onnauwkeurigheid of weglating die vastgesteld wordt in de aangifte bedoeld in artikel 20133, evenals iedere andere onregelmatigheid begaan in de uitvoering van de wettelijke of reglementaire bepalingen, wordt gestraft met een geldboete gelijk aan tweemaal het ontdoken recht, zonder dat deze geldboete lager mag zijn dan 250 euro per overtreding.".
"Art. 20135. Elke onnauwkeurigheid of weglating die vastgesteld wordt in de aangifte bedoeld in artikel 20133, evenals iedere andere onregelmatigheid begaan in de uitvoering van de wettelijke of reglementaire bepalingen, wordt gestraft met een geldboete gelijk aan tweemaal het ontdoken recht, zonder dat deze geldboete lager mag zijn dan 250 euro per overtreding.".
Art. 95. Dans le même titre XIII, il est inséré un article 20135 rédigé comme suit :
"Art. 20135. Toute inexactitude ou omission constatée dans la déclaration visée à l'article 20133, ainsi que toute autre irrégularité commise dans l'exécution des dispositions légales ou réglementaires, est punie d'une amende égale à deux fois le droit éludé, sans que cette amende puisse être inférieure à 250 euros par contravention.".
"Art. 20135. Toute inexactitude ou omission constatée dans la déclaration visée à l'article 20133, ainsi que toute autre irrégularité commise dans l'exécution des dispositions légales ou réglementaires, est punie d'une amende égale à deux fois le droit éludé, sans que cette amende puisse être inférieure à 250 euros par contravention.".
Art. 96. In dezelfde Titel XIII wordt een artikel 20136 ingevoegd, luidende:
"Art. 20136. De taks wordt teruggegeven voor het gedeelte dat meer bedraagt dan hetgeen wettelijk verschuldigd is.
De Koning bepaalt de wijze en de voorwaarden van de terugbetaling.".
"Art. 20136. De taks wordt teruggegeven voor het gedeelte dat meer bedraagt dan hetgeen wettelijk verschuldigd is.
De Koning bepaalt de wijze en de voorwaarden van de terugbetaling.".
Art. 96. Dans le même Titre XIII, il est inséré un article 20136 rédigé comme suit :
"Art. 20136. La taxe est restituée à concurrence de ce qui excède le montant légalement dû.
Le Roi détermine le mode et les conditions de cette restitution.".
"Art. 20136. La taxe est restituée à concurrence de ce qui excède le montant légalement dû.
Le Roi détermine le mode et les conditions de cette restitution.".
Art. 97. In dezelfde Titel XIII wordt een artikel 20137 ingevoegd, luidende:
"Art. 20137. De ambtenaren belast met de vestiging of de heffing van de taks kunnen kennis nemen van alle documenten nodig om de juiste heffing van de taks te verzekeren.".
"Art. 20137. De ambtenaren belast met de vestiging of de heffing van de taks kunnen kennis nemen van alle documenten nodig om de juiste heffing van de taks te verzekeren.".
Art. 97. Dans le même Titre XIII est inséré un article 20137 rédigé comme suit :
"Art. 20137. Les fonctionnaires en charge de l'établissement ou de la perception de la taxe peuvent prendre connaissance de tous les documents nécessaires à l'effet d'assurer l'exacte perception de la taxe.".
"Art. 20137. Les fonctionnaires en charge de l'établissement ou de la perception de la taxe peuvent prendre connaissance de tous les documents nécessaires à l'effet d'assurer l'exacte perception de la taxe.".
Art. 98. In Boek II van hetzelfde Wetboek wordt een Titel XIV ingevoegd, luidende:
"Titel XIV. - Bepalingen gemeen aan de diverse taksen".
"Titel XIV. - Bepalingen gemeen aan de diverse taksen".
Art. 98. Dans le Livre II, du même Code, il est inséré un Titre XIV rédigé comme suit :
"Titre XIV. - Dispositions communes aux taxes diverses".
"Titre XIV. - Dispositions communes aux taxes diverses".
Art. 99. In Titel XIV, ingevoegd bij artikel 98, wordt een artikel 20138 ingevoegd, luidende:
"Art. 20138. Moeilijkheden inzake de heffing van de diverse taksen die vóór het inleiden van een rechtsgeding ontstaan, worden opgelost door de minister van Financiën of de door hem gemachtigde ambtenaar.
Indien na onderhandelingen met de minister of met de door hem gemachtigde ambtenaar geen akkoord wordt bereikt over een moeilijkheid als bedoeld in het eerste lid, kan de belastingplichtige een aanvraag tot bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld in artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV).
De Koning kan bepalen voor welke moeilijkheden met betrekking tot de heffing van de diverse taksen tussenkomst door de fiscale bemiddelingsdienst is uitgesloten.
De minister van Financiën gaat dadingen aan met de belastingplichtige, voor zover deze niet leiden tot vrijstelling of vermindering van belasting.".
"Art. 20138. Moeilijkheden inzake de heffing van de diverse taksen die vóór het inleiden van een rechtsgeding ontstaan, worden opgelost door de minister van Financiën of de door hem gemachtigde ambtenaar.
Indien na onderhandelingen met de minister of met de door hem gemachtigde ambtenaar geen akkoord wordt bereikt over een moeilijkheid als bedoeld in het eerste lid, kan de belastingplichtige een aanvraag tot bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld in artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV).
De Koning kan bepalen voor welke moeilijkheden met betrekking tot de heffing van de diverse taksen tussenkomst door de fiscale bemiddelingsdienst is uitgesloten.
De minister van Financiën gaat dadingen aan met de belastingplichtige, voor zover deze niet leiden tot vrijstelling of vermindering van belasting.".
Art. 99. Dans le Titre XIV inséré par l'article 98, il est inséré un article 20138 rédigé comme suit :
"Art. 20138. La solution des difficultés qui peuvent s'élever relativement à la perception des taxes diverses avant l'introduction des instances appartient au ministre des Finances ou au fonctionnaire délégué par lui.
Si après échanges de vues, le désaccord avec le ministre ou le fonctionnaire délégué par lui persiste sur une difficulté visée à l'alinéa 1er, le contribuable peut introduire une demande de conciliation auprès du service de conciliation fiscale visé à l'article 116 de la loi du 25 avril 2007 portant des dispositions diverses (IV).
Le Roi peut déterminer les difficultés relatives à la perception des taxes diverses pour lesquelles l'intervention du service de conciliation fiscale est exclue.
Le ministre des Finances conclut les transactions avec le contribuable, pourvu qu'elles n'impliquent pas exemption ou modération d'impôt.".
"Art. 20138. La solution des difficultés qui peuvent s'élever relativement à la perception des taxes diverses avant l'introduction des instances appartient au ministre des Finances ou au fonctionnaire délégué par lui.
Si après échanges de vues, le désaccord avec le ministre ou le fonctionnaire délégué par lui persiste sur une difficulté visée à l'alinéa 1er, le contribuable peut introduire une demande de conciliation auprès du service de conciliation fiscale visé à l'article 116 de la loi du 25 avril 2007 portant des dispositions diverses (IV).
Le Roi peut déterminer les difficultés relatives à la perception des taxes diverses pour lesquelles l'intervention du service de conciliation fiscale est exclue.
Le ministre des Finances conclut les transactions avec le contribuable, pourvu qu'elles n'impliquent pas exemption ou modération d'impôt.".
Art. 100. In dezelfde Titel XIV wordt een artikel 20139 ingevoegd, luidende:
"Art. 20139. § 1. Bij niet-betaling van de belastingschuld bestaande uit de taks, de interesten, de geldboeten en de bijbehoren, wordt deze opgenomen in een innings- en invorderingsregister, dat de uitvoerbare titel vormt waardoor de belastingschuld kan ingevorderd worden en deze concretiseerd wordt. Een innings- en invorderingsregister vermeldt, voor elke schuldenaar erin opgenomen:
- zijn identificatiegegevens;
- de belastingschuld verschuldigd door hem, zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister;
- de verantwoording van de belastingschuld bedoeld in het vijfde lid.
De belastingschuld kan het voorwerp uitmaken van verbeterende innings- en invorderingsregisters, in het geval van een latere wijziging, om welke reden dan ook, van de bedragen opgenomen in het innings- en invorderingsregister overeenkomstig het eerste lid.
De gegevens opgenomen in de innings- en invorderingsregisters bedoeld in het eerste en tweede lid zijn dezelfde ongeacht of deze registers op elektronische wijze zijn opgemaakt of niet.
Ingeval de innings- en invorderingsregisters bedoeld in het eerste en tweede lid op elektronische wijze worden opgemaakt, wordt de oorsprong en de integriteit van de inhoud van deze innings- en invorderingsregisters verzekerd door middel van geschikte beveiligingstechnieken.
De verantwoording van de fiscale schuld moet uiterlijk een maand voor de opname ervan in een innings- en invorderingsregister bedoeld in het eerste of tweede lid, ter kennis van de belastingplichtige worden gebracht, behalve indien de rechten van de Schatkist in het gedrang komen. In dat laatste geval moet zij ten laatste op het ogenblik dat de fiscale schuld in een innings- en invorderingsregister wordt opgenomen aan de belastingschuldige ter kennis wordt gebracht. Indien de belastingschuldige geen gekende woonplaats in België of in het buitenland heeft, wordt deze verantwoording verstuurd naar de procureur des Konings te Brussel.
Mits de uitdrukkelijke toestemming van de belastingschuldige, kan de verantwoording van de belastingschuld hem uitsluitend ter kennis worden gebracht op elektronische wijze. In dat geval geldt de terbeschikkingstelling op elektronische wijze als rechtsgeldige kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de procedure bedoeld in het zesde lid.
§ 2. De innings- en invorderingsregisters worden opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door de administrateur-generaal van de administratie belast met de taks of door de door hem gemachtigde ambtenaar.
Wanneer eeninnings- en invorderingsregister uitvoerbaar wordt verklaard op elektronische wijze, wordt deze ondertekend door de administrateur-generaal van de administratie belast met de taks of door de door hem gemachtigde ambtenaar door middel van:
- een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.11. van de Verordening (EU) n° 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG, of
- een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van deze Verordening.
De Federale Overheidsdienst Financiën vertegenwoordigd door de Voorzitter van het Directiecomité is de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, en in overeenstemming met de wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financïen in het kader van zijn opdrachten, voor de verwerking van persoonsgegevens die nodig zijin voor de uitvoering van de bepalingen van dit Wetboek.
Onverminderd de noodzakelijke bewaring voor de latere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/ EG, worden de innings- en invorderingsregisters niet langer bewaard dan nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn opgemaakt met een maximale bewaartermijn die verstrijkt op 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin de verjaring plaatsvindt van alle handelingen die tot de bevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijken bedoeld in het derde lid behoren en, in voorkomend geval, waarin de volledige betaling van alle ermee verbonden bedragen, evenals de definitieve beëindiging van de ermee verbonden procedures en administratieve en gerechtelijke beroepen, is geschied.
§ 3. Van zodra het innings- en invorderingsregister uitvoerbaar wordt verklaard, wordt de opname van de belastingschuld in dit register aan de belastingschuldige ter kennis gebracht door de verzending, onder gesloten omslag, van een innings- en invorderingsbericht, dat een uittreksel is van het innings- en invorderingsregister met betrekking tot de betrokken schuldenaar en hem informeert dat de belastingschuld die hij verschuldigd is in een innings- en invorderingsregister werden opgenomen met het oog op zijn invordering. Het innings- en invorderingsbericht vermeldt:
- de identificatiegegevens van de schuldenaar;
- de belastingschuld verschuldigd door hem, zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister;
- de verantwoording van de belastingschuld bedoeld in paragraaf 1, vijfde lid;
- de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister waaraan het innings- en invorderingsbericht is verbonden;
- de administrateur-generaal van de administratie belast met de taks of door de door hem gemachtigde ambtenaar die het innings- en invorderingsregister waaraan het innings- en invorderingsbericht is verbonden uitvoerbaar heeft verklaard.
In afwijking van het eerste lid kan de belastingschuldige, mits hij een uitdrukkelijke verklaring in die zin aflegt, er evenwel voor opteren om de innings- en invorderingsberichten uitsluitend op elektronische wijze, te ontvangen. In dit geval geldt de aanbieding op elektronische wijze als rechtsgeldige verzending van het innings- en invorderingsbericht.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de in het tweede lid bedoelde procedure.".
"Art. 20139. § 1. Bij niet-betaling van de belastingschuld bestaande uit de taks, de interesten, de geldboeten en de bijbehoren, wordt deze opgenomen in een innings- en invorderingsregister, dat de uitvoerbare titel vormt waardoor de belastingschuld kan ingevorderd worden en deze concretiseerd wordt. Een innings- en invorderingsregister vermeldt, voor elke schuldenaar erin opgenomen:
- zijn identificatiegegevens;
- de belastingschuld verschuldigd door hem, zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister;
- de verantwoording van de belastingschuld bedoeld in het vijfde lid.
De belastingschuld kan het voorwerp uitmaken van verbeterende innings- en invorderingsregisters, in het geval van een latere wijziging, om welke reden dan ook, van de bedragen opgenomen in het innings- en invorderingsregister overeenkomstig het eerste lid.
De gegevens opgenomen in de innings- en invorderingsregisters bedoeld in het eerste en tweede lid zijn dezelfde ongeacht of deze registers op elektronische wijze zijn opgemaakt of niet.
Ingeval de innings- en invorderingsregisters bedoeld in het eerste en tweede lid op elektronische wijze worden opgemaakt, wordt de oorsprong en de integriteit van de inhoud van deze innings- en invorderingsregisters verzekerd door middel van geschikte beveiligingstechnieken.
De verantwoording van de fiscale schuld moet uiterlijk een maand voor de opname ervan in een innings- en invorderingsregister bedoeld in het eerste of tweede lid, ter kennis van de belastingplichtige worden gebracht, behalve indien de rechten van de Schatkist in het gedrang komen. In dat laatste geval moet zij ten laatste op het ogenblik dat de fiscale schuld in een innings- en invorderingsregister wordt opgenomen aan de belastingschuldige ter kennis wordt gebracht. Indien de belastingschuldige geen gekende woonplaats in België of in het buitenland heeft, wordt deze verantwoording verstuurd naar de procureur des Konings te Brussel.
Mits de uitdrukkelijke toestemming van de belastingschuldige, kan de verantwoording van de belastingschuld hem uitsluitend ter kennis worden gebracht op elektronische wijze. In dat geval geldt de terbeschikkingstelling op elektronische wijze als rechtsgeldige kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de procedure bedoeld in het zesde lid.
§ 2. De innings- en invorderingsregisters worden opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door de administrateur-generaal van de administratie belast met de taks of door de door hem gemachtigde ambtenaar.
Wanneer eeninnings- en invorderingsregister uitvoerbaar wordt verklaard op elektronische wijze, wordt deze ondertekend door de administrateur-generaal van de administratie belast met de taks of door de door hem gemachtigde ambtenaar door middel van:
- een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.11. van de Verordening (EU) n° 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG, of
- een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van deze Verordening.
De Federale Overheidsdienst Financiën vertegenwoordigd door de Voorzitter van het Directiecomité is de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, en in overeenstemming met de wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financïen in het kader van zijn opdrachten, voor de verwerking van persoonsgegevens die nodig zijin voor de uitvoering van de bepalingen van dit Wetboek.
Onverminderd de noodzakelijke bewaring voor de latere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/ EG, worden de innings- en invorderingsregisters niet langer bewaard dan nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn opgemaakt met een maximale bewaartermijn die verstrijkt op 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin de verjaring plaatsvindt van alle handelingen die tot de bevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijken bedoeld in het derde lid behoren en, in voorkomend geval, waarin de volledige betaling van alle ermee verbonden bedragen, evenals de definitieve beëindiging van de ermee verbonden procedures en administratieve en gerechtelijke beroepen, is geschied.
§ 3. Van zodra het innings- en invorderingsregister uitvoerbaar wordt verklaard, wordt de opname van de belastingschuld in dit register aan de belastingschuldige ter kennis gebracht door de verzending, onder gesloten omslag, van een innings- en invorderingsbericht, dat een uittreksel is van het innings- en invorderingsregister met betrekking tot de betrokken schuldenaar en hem informeert dat de belastingschuld die hij verschuldigd is in een innings- en invorderingsregister werden opgenomen met het oog op zijn invordering. Het innings- en invorderingsbericht vermeldt:
- de identificatiegegevens van de schuldenaar;
- de belastingschuld verschuldigd door hem, zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister;
- de verantwoording van de belastingschuld bedoeld in paragraaf 1, vijfde lid;
- de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister waaraan het innings- en invorderingsbericht is verbonden;
- de administrateur-generaal van de administratie belast met de taks of door de door hem gemachtigde ambtenaar die het innings- en invorderingsregister waaraan het innings- en invorderingsbericht is verbonden uitvoerbaar heeft verklaard.
In afwijking van het eerste lid kan de belastingschuldige, mits hij een uitdrukkelijke verklaring in die zin aflegt, er evenwel voor opteren om de innings- en invorderingsberichten uitsluitend op elektronische wijze, te ontvangen. In dit geval geldt de aanbieding op elektronische wijze als rechtsgeldige verzending van het innings- en invorderingsbericht.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de in het tweede lid bedoelde procedure.".
Art. 100. Dans le même Titre XIV, il est inséré un article 20139 rédigé comme suit :
"Art. 20139. § 1er. En cas de non-paiement de la dette fiscale composée de la taxe, des intérêts, des amendes et des accessoires, celle-ci est reprise à un registre de perception et recouvrement, lequel constitue le titre exécutoire permettant le recouvrement de la dette fiscale et concrétisant celle-ci. Un registre de perception et recouvrement fait mention, pour chaque redevable y repris :
- de ses données d'identification ;
- de la dette fiscale due par celui-ci, telle que reprise au registre de perception et recouvrement ;
- de la justification de la dette fiscale visée à l'alinéa 5.
La dette fiscale peut faire l'objet de registres de perception et recouvrement rectificatifs en cas de modification ultérieure, pour quelque cause que ce soit, des montants repris au registre de perception et recouvrement conformément à l'alinéa 1er.
Les données reprises dans les registres de perception et recouvrement visés aux alinéas 1er et 2 sont les mêmes que ces registres soient établis de manière électronique ou non.
En cas d'établissement des registres de perception et recouvrement visés aux alinéas 1er et 2 de manière électronique, l'origine et l'intégrité du contenu de ces registres de perception et recouvrement sont assurées au moyen de techniques de protection adaptées.
La justification de la dette fiscale doit avoir été portée à la connaissance du redevable au plus tard un mois avant que la dette fiscale ne soit reprise à un registre de perception et recouvrement visé à l'alinéa 1er ou 2, sauf si les droits du Trésor sont en péril, auquel cas elle doit avoir été portée à la connaissance du redevable au plus tard au moment où la dette fiscale est reprise à un registre de perception et recouvrement. Lorsque le redevable n'a pas de domicile connu en Belgique ou à l'étranger, cette justification est adressée au procureur du Roi à Bruxelles.
Moyennant l'accord explicite du redevable, la justification de la dette fiscale peut être portée à sa connaissance exclusivement par voie électronique. Dans ce cas, la mise à disposition par voie électronique vaut valablement notification de la justification de la dette fiscale.
Le Roi détermine les modalités d'application de la procédure visée à l'alinéa 6.
§ 2. Les registres de perception et recouvrement sont formés et rendus exécutoires par l'administrateur général de l'administration en charge de la taxe ou par le fonctionnaire délégué par lui.
Lorsqu'un registre de perception et recouvrement est rendu exécutoire de manière électronique, il est signé par l'administrateur général de l'administration en charge de la taxe ou par le fonctionnaire délégué par lui au moyen :
- d'une signature électronique avancée au sens de l'article 3.11. du Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE, ou
- d'une signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12. de ce Règlement.
Le Service public fédéral Finances représenté par le Président du Comité de direction est le responsable du traitement au sens du règlement (UE) 2016/679 du Parlement et du Conseil européens du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données personnelles et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE, conformément à la loi du 3 août 2012 portant dispositions relatives aux traitements de données à caractère personnel réalisées par le Service public fédéral Finances dans le cadre de ses missions, pour le traitement des données à caractère personnel qui sont nécessaires pour la mise en oeuvre du présent Code.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement ultérieur à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visé à l'article 89 du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, les registres de perception et recouvrement ne sont pas conservés plus longtemps que nécessaire au regard de la finalité pour laquelle ils sont établis, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder le 31 décembre de l'année qui suit celle au cours de laquelle sont intervenus la prescription de toutes les actions qui relèvent de la compétence du responsable du traitement visé à l'alinéa 3 et, le cas échéant, le paiement intégral de tous les montants y liés, ainsi que la cessation définitive des procédures et recours administratifs et judiciaires y liés.
§ 3. Aussitôt que le registre de perception et recouvrement est rendu exécutoire, la reprise de la dette fiscale à ce registre est portée à la connaissance du redevable par l'envoi, sous pli fermé, d'un avis de perception et recouvrement, lequel constitue un extrait du registre de perception et recouvrement afférent au redevable concerné et l'informe que la dette fiscale dont il est redevable a été reprise dans un registre de perception et recouvrement en vue de permettre son recouvrement. L'avis de perception et recouvrement fait mention :
- des données d'identification du redevable ;
- de la dette fiscale due par celui-ci, telle que reprise au registre de perception et recouvrement ;
- de la justification de la dette fiscale visée au paragraphe 1er, alinéa 5 ;
- de la date d'exécutoire du registre de perception et recouvrement auquel l'avis de perception et recouvrement est attaché ;
- de l'administrateur général de l'administration en charge de la taxe ou du fonctionnaire délégué par lui qui a rendu exécutoire le registre de perception et recouvrement auquel l'avis de perception et recouvrement est attaché.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le redevable peut toutefois, moyennant une déclaration explicite dans ce sens, opter pour une réception des avis de perception et recouvrement exclusivement par voie électronique. Dans ce cas, la mise à disposition par voie électronique vaut valablement envoi de l'avis de perception et recouvrement.
Le Roi détermine les modalités d'application de la procédure visée à l'alinéa 2.".
"Art. 20139. § 1er. En cas de non-paiement de la dette fiscale composée de la taxe, des intérêts, des amendes et des accessoires, celle-ci est reprise à un registre de perception et recouvrement, lequel constitue le titre exécutoire permettant le recouvrement de la dette fiscale et concrétisant celle-ci. Un registre de perception et recouvrement fait mention, pour chaque redevable y repris :
- de ses données d'identification ;
- de la dette fiscale due par celui-ci, telle que reprise au registre de perception et recouvrement ;
- de la justification de la dette fiscale visée à l'alinéa 5.
La dette fiscale peut faire l'objet de registres de perception et recouvrement rectificatifs en cas de modification ultérieure, pour quelque cause que ce soit, des montants repris au registre de perception et recouvrement conformément à l'alinéa 1er.
Les données reprises dans les registres de perception et recouvrement visés aux alinéas 1er et 2 sont les mêmes que ces registres soient établis de manière électronique ou non.
En cas d'établissement des registres de perception et recouvrement visés aux alinéas 1er et 2 de manière électronique, l'origine et l'intégrité du contenu de ces registres de perception et recouvrement sont assurées au moyen de techniques de protection adaptées.
La justification de la dette fiscale doit avoir été portée à la connaissance du redevable au plus tard un mois avant que la dette fiscale ne soit reprise à un registre de perception et recouvrement visé à l'alinéa 1er ou 2, sauf si les droits du Trésor sont en péril, auquel cas elle doit avoir été portée à la connaissance du redevable au plus tard au moment où la dette fiscale est reprise à un registre de perception et recouvrement. Lorsque le redevable n'a pas de domicile connu en Belgique ou à l'étranger, cette justification est adressée au procureur du Roi à Bruxelles.
Moyennant l'accord explicite du redevable, la justification de la dette fiscale peut être portée à sa connaissance exclusivement par voie électronique. Dans ce cas, la mise à disposition par voie électronique vaut valablement notification de la justification de la dette fiscale.
Le Roi détermine les modalités d'application de la procédure visée à l'alinéa 6.
§ 2. Les registres de perception et recouvrement sont formés et rendus exécutoires par l'administrateur général de l'administration en charge de la taxe ou par le fonctionnaire délégué par lui.
Lorsqu'un registre de perception et recouvrement est rendu exécutoire de manière électronique, il est signé par l'administrateur général de l'administration en charge de la taxe ou par le fonctionnaire délégué par lui au moyen :
- d'une signature électronique avancée au sens de l'article 3.11. du Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE, ou
- d'une signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12. de ce Règlement.
Le Service public fédéral Finances représenté par le Président du Comité de direction est le responsable du traitement au sens du règlement (UE) 2016/679 du Parlement et du Conseil européens du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données personnelles et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE, conformément à la loi du 3 août 2012 portant dispositions relatives aux traitements de données à caractère personnel réalisées par le Service public fédéral Finances dans le cadre de ses missions, pour le traitement des données à caractère personnel qui sont nécessaires pour la mise en oeuvre du présent Code.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement ultérieur à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visé à l'article 89 du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, les registres de perception et recouvrement ne sont pas conservés plus longtemps que nécessaire au regard de la finalité pour laquelle ils sont établis, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder le 31 décembre de l'année qui suit celle au cours de laquelle sont intervenus la prescription de toutes les actions qui relèvent de la compétence du responsable du traitement visé à l'alinéa 3 et, le cas échéant, le paiement intégral de tous les montants y liés, ainsi que la cessation définitive des procédures et recours administratifs et judiciaires y liés.
§ 3. Aussitôt que le registre de perception et recouvrement est rendu exécutoire, la reprise de la dette fiscale à ce registre est portée à la connaissance du redevable par l'envoi, sous pli fermé, d'un avis de perception et recouvrement, lequel constitue un extrait du registre de perception et recouvrement afférent au redevable concerné et l'informe que la dette fiscale dont il est redevable a été reprise dans un registre de perception et recouvrement en vue de permettre son recouvrement. L'avis de perception et recouvrement fait mention :
- des données d'identification du redevable ;
- de la dette fiscale due par celui-ci, telle que reprise au registre de perception et recouvrement ;
- de la justification de la dette fiscale visée au paragraphe 1er, alinéa 5 ;
- de la date d'exécutoire du registre de perception et recouvrement auquel l'avis de perception et recouvrement est attaché ;
- de l'administrateur général de l'administration en charge de la taxe ou du fonctionnaire délégué par lui qui a rendu exécutoire le registre de perception et recouvrement auquel l'avis de perception et recouvrement est attaché.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le redevable peut toutefois, moyennant une déclaration explicite dans ce sens, opter pour une réception des avis de perception et recouvrement exclusivement par voie électronique. Dans ce cas, la mise à disposition par voie électronique vaut valablement envoi de l'avis de perception et recouvrement.
Le Roi détermine les modalités d'application de la procédure visée à l'alinéa 2.".
Art. 101. In boek III van hetzelfde Wetboek wordt titel I, die het artikel 2022 bevat, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, opgeheven.
Art. 101. Dans le livre III, du même Code, le titre premier, comportant l'article 2022, modifié en dernier lieu par la loi du 27 avril 2016, est abrogé.
Art. 102. In hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van Titel II van Boek III, ingevoegd bij de wet van 19 december 2016, vervangen als volgt:
"Titel II. - Verjaring en betaling".
"Titel II. - Verjaring en betaling".
Art. 102. Dans le même Code, l'intitulé du Titre II du Livre III, inséré par la loi du 19 décembre 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Titre II. - Prescription et paiement".
"Titre II. - Prescription et paiement".
Art. 103. In artikel 2024 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 63 van 28 november 1939 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, worden het eerste tot het vierde lid opgeheven.
Art. 103. Dans l'article 2024 du même Code, inséré par l'arrêté royal nr. 63 du 28 novembre 1939 et modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2007, les alinéas 1er à 4 sont abrogés.
Art. 104. Artikel 2024bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, wordt opgeheven.
Art. 104. L'article 2024bis du même Code, inséré par la loi du 4 août 1986 et modifié en dernier lieu par la loi du 27 avril 2016, est abrogé.
Art. 105. Artikel 2025 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 juni 1951 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, wordt opgeheven.
Art. 105. L'article 2025 du même Code, inséré par la loi du 13 juin 1951 et modifié en dernier lieu par la loi du 27 avril 2016, est abrogé.
Art. 106. Artikel 2026 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 juni 1951 en vervangen bij de wet van 15 maart 1999, wordt opgeheven.
Art. 106. L'article 2026 du même Code, inséré par la loi du 13 juin 1951 et remplacé par la loi du 15 mars 1999, est abrogé.
Art. 107. Artikel 2029 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 63, vernummerd bij de wet van 13 juni 1951 van 28 november 1939 en gewijzigd door de wetten van 19 december 2006 en 26 maart 2018, wordt vervangen als volgt:
"Art. 2029. § 1. De verjaringen worden, zowel voor de invordering als voor de terugbetaling van de rechten, de interesten en de geldboeten, gestuit op de wijze en onder de voorwaarden voorzien in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. In dit geval wordt een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, verkregen twee jaar na de laatste stuitingsdaad van de vorige verjaring, indien er geen rechtsgeding aanhangig is.
Elk rechtsgeding met betrekking tot de vestiging, de inning of de invordering van de rechten, de interesten en de geldboeten dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de belastingschuldige van deze rechten, interesten en geldboeten, door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling ervan op grond van dit Wetboek, de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, schorst de verjaring.
De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
§ 2. De verjaringen worden, zowel voor de invordering als voor de terugave van de diverse taksen, interesten en geldboeten, gestuit op de wijze en onder de voorwaarden voorzien in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van artikel 2244, paragraaf 2. In dat geval wordt een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, verkregen vijf jaar na de laatste stuitingsdaad van de vorige verjaring.
Elk rechtsgeding met betrekking tot de vestiging, de inning of de invordering van de diverse taksen, de interesten en de geldboeten, ingesteld door de Belgische Staat, door de belastingschuldige van de taksen, interesten en geldboeten, door iedere persoon die tot betaling ervan gehouden is krachtens dit Wetboek, het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, alsook door iedere persoon die een verkregen en dadelijk belang heeft om in rechte op te treden, schorst de verjaring.
De schorsing vangt aan met de gedinginleidende akte en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
§ 3. Afstand van de op de verjaring verlopen termijn wordt ten aanzien van zijn gevolgen gelijkgesteld met de in paragraaf 1, eerste lid, en in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde stuitingsdaden.
§ 4. Elke daad van onderzoek of van vervolging bedoeld in artikel 22 van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de overtredingen bedoeld in de artikelen 207 en 207bis schorst de verjaring van de vordering tot invordering van het recht, de taks, de interesten en de erop betrekking hebbende geldboeten.
De schorsing neemt aanvang vanaf het ogenblik dat de strafvordering wordt ingesteld en eindigt wanneer de strafvervolging wordt stopgezet, de strafvordering uitdooft of wanneer het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde is getreden voor de overtredingen bedoeld in het eerste lid.".
"Art. 2029. § 1. De verjaringen worden, zowel voor de invordering als voor de terugbetaling van de rechten, de interesten en de geldboeten, gestuit op de wijze en onder de voorwaarden voorzien in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. In dit geval wordt een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, verkregen twee jaar na de laatste stuitingsdaad van de vorige verjaring, indien er geen rechtsgeding aanhangig is.
Elk rechtsgeding met betrekking tot de vestiging, de inning of de invordering van de rechten, de interesten en de geldboeten dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de belastingschuldige van deze rechten, interesten en geldboeten, door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling ervan op grond van dit Wetboek, de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, schorst de verjaring.
De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
§ 2. De verjaringen worden, zowel voor de invordering als voor de terugave van de diverse taksen, interesten en geldboeten, gestuit op de wijze en onder de voorwaarden voorzien in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van artikel 2244, paragraaf 2. In dat geval wordt een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, verkregen vijf jaar na de laatste stuitingsdaad van de vorige verjaring.
Elk rechtsgeding met betrekking tot de vestiging, de inning of de invordering van de diverse taksen, de interesten en de geldboeten, ingesteld door de Belgische Staat, door de belastingschuldige van de taksen, interesten en geldboeten, door iedere persoon die tot betaling ervan gehouden is krachtens dit Wetboek, het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, alsook door iedere persoon die een verkregen en dadelijk belang heeft om in rechte op te treden, schorst de verjaring.
De schorsing vangt aan met de gedinginleidende akte en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
§ 3. Afstand van de op de verjaring verlopen termijn wordt ten aanzien van zijn gevolgen gelijkgesteld met de in paragraaf 1, eerste lid, en in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde stuitingsdaden.
§ 4. Elke daad van onderzoek of van vervolging bedoeld in artikel 22 van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de overtredingen bedoeld in de artikelen 207 en 207bis schorst de verjaring van de vordering tot invordering van het recht, de taks, de interesten en de erop betrekking hebbende geldboeten.
De schorsing neemt aanvang vanaf het ogenblik dat de strafvordering wordt ingesteld en eindigt wanneer de strafvervolging wordt stopgezet, de strafvordering uitdooft of wanneer het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde is getreden voor de overtredingen bedoeld in het eerste lid.".
Art. 107. L'article 2029 du même Code, inséré par l'arrêté royal nr. 63, renummeroté par la loi du 13 juin 1951 et modifié par les lois des 19 décembre 2006 et 26 mars 2018, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 2029. § 1er. Les prescriptions, tant pour le recouvrement que pour la restitution du droit, des intérêts et des amendes, sont interrompues de la manière et dans les conditions prévues par les articles 2244 et suivants du Code civil. En ce cas, une nouvelle prescription, susceptible d'être interrompue de la même manière, est acquise deux ans après le dernier acte interruptif de la précédente prescription, s'il n'y a instance en justice.
Toute instance en justice relative à l'établissement, à la perception ou au recouvrement du droits, des intérêts et des amendes, introduite par l'Etat belge, par le redevable de ces droit, intérêts et amendes, par toute personne tenue à leur paiement en vertu du présent Code, des arrêtés pris pour leur exécution ou du droit commun, suspend le cours de la prescription.
La suspension débute avec l'acte introductif d'instance et se termine lorsque la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.
§ 2. Les prescriptions, tant pour le recouvrement que pour la restitution des taxes diverses, intérêts et amendes, sont interrompus de la manière et dans les conditions prévues par les articles 2244 et suivants du Code civil, à l'exception de l'article 2244, paragraphe 2. En ce cas, une nouvelle prescription, susceptible d'être interrompue de la même manière est acquise cinq ans après le dernier acte interruptif de la précédente prescription.
Toute instance en justice relative à l'établissement, à la perception ou au recouvrement des taxes diverses, des intérêts et des amendes, introduite par l'Etat belge, par le redevable de ces taxes, intérêts et amendes, par toute personne tenue à leur paiement en vertu du présent Code, du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, des arrêtés pris pour leur exécution ou du droit commun, ainsi que par toute autre personne qui a un intérêt né et actuel à agir, suspend le cours de la prescription.
La suspension débute avec l'acte introductif d'instance et se termine lorsque la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.
§ 3. La renonciation au temps couru de la prescription est assimilée, quant à ses effets, aux actes interruptifs visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, et au paragraphe 2, alinéa 1er.
§ 4. Tout acte d'instruction ou de poursuite visé à l'article 22 du Titre préliminaire du Code de procédure pénale, relatives aux infractions visées aux articles 207 et 207bis, suspend la prescription de l'action en recouvrement du droit, de la taxe, des intérêts et des amendes y afférents.
La suspension débute dès que l'action publique est mise en mouvement et se termine par l'abandon des poursuites pénales, l'extinction de l'action publique ou lorsque le jugement ou l'arrêt est coulé en force de chose jugée pour les infractions visées à l'alinéa 1er.".
"Art. 2029. § 1er. Les prescriptions, tant pour le recouvrement que pour la restitution du droit, des intérêts et des amendes, sont interrompues de la manière et dans les conditions prévues par les articles 2244 et suivants du Code civil. En ce cas, une nouvelle prescription, susceptible d'être interrompue de la même manière, est acquise deux ans après le dernier acte interruptif de la précédente prescription, s'il n'y a instance en justice.
Toute instance en justice relative à l'établissement, à la perception ou au recouvrement du droits, des intérêts et des amendes, introduite par l'Etat belge, par le redevable de ces droit, intérêts et amendes, par toute personne tenue à leur paiement en vertu du présent Code, des arrêtés pris pour leur exécution ou du droit commun, suspend le cours de la prescription.
La suspension débute avec l'acte introductif d'instance et se termine lorsque la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.
§ 2. Les prescriptions, tant pour le recouvrement que pour la restitution des taxes diverses, intérêts et amendes, sont interrompus de la manière et dans les conditions prévues par les articles 2244 et suivants du Code civil, à l'exception de l'article 2244, paragraphe 2. En ce cas, une nouvelle prescription, susceptible d'être interrompue de la même manière est acquise cinq ans après le dernier acte interruptif de la précédente prescription.
Toute instance en justice relative à l'établissement, à la perception ou au recouvrement des taxes diverses, des intérêts et des amendes, introduite par l'Etat belge, par le redevable de ces taxes, intérêts et amendes, par toute personne tenue à leur paiement en vertu du présent Code, du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, des arrêtés pris pour leur exécution ou du droit commun, ainsi que par toute autre personne qui a un intérêt né et actuel à agir, suspend le cours de la prescription.
La suspension débute avec l'acte introductif d'instance et se termine lorsque la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.
§ 3. La renonciation au temps couru de la prescription est assimilée, quant à ses effets, aux actes interruptifs visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, et au paragraphe 2, alinéa 1er.
§ 4. Tout acte d'instruction ou de poursuite visé à l'article 22 du Titre préliminaire du Code de procédure pénale, relatives aux infractions visées aux articles 207 et 207bis, suspend la prescription de l'action en recouvrement du droit, de la taxe, des intérêts et des amendes y afférents.
La suspension débute dès que l'action publique est mise en mouvement et se termine par l'abandon des poursuites pénales, l'extinction de l'action publique ou lorsque le jugement ou l'arrêt est coulé en force de chose jugée pour les infractions visées à l'alinéa 1er.".
Art. 108. In artikel 2043 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 augustus 1947, worden de woorden "deze samengeschakelde wetten" vervangen door de woorden "dit Wetboek".
Art. 108. Dans l'article 2043 du même Code, inséré par la loi du 13 août 1947, les mots "des présentes lois coordonnées" sont remplacés par les mots "du présent Code".
Afdeling 5. - Wetboek der successierechten
Section 5. - Code des droits de succession
Art. 109. Boek IIbis van het Wetboek der successierechten, dat de artikelen 161 tot 162/1 bevat, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2017, wordt opgeheven.
Art. 109. Le Livre IIbis du Code des droits de succession, comportant les articles 161 à 162/1, modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2017, est abrogé.
Afdeling 6. - Wetboek van Strafvordering
Section 6. - Code d'instruction criminelle
Art. 110. In artikel 29, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, worden de woorden ", van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen" ingevoegd tussen de woorden "naar luid van de belastingwetten" en de woorden "en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten".
Art. 110. Dans l'article 29, alinéa 2 du Code d'instruction criminelle, modifié en dernier lieu par la loi du 25 décembre 2016, les mots ", du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales" sont insérés entre les mots "aux termes des lois fiscales" et les mots "et des arrêtés pris pour leur exécution".
Art. 111. In artikel 46quater, § 1, tweede lid, van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016 en gewijzigd bij de wet van 18 september 2017, worden de woorden "in de artikelen 85 en 86 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen," ingevoegd tussen de woorden "Algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen," en de woorden "in de artikelen 3.15.3.0.1. en 3.15.3.0.2. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit".
Art. 111. Dans l'article 46quater, § 1er, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 1 juillet 2016 et modifié par la loi du 18 septembre 2017, les mots "aux articles 85 et 86 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales," sont insérés entre les mots "Loi générale du 18 juillet 1977 sur les douanes et accises," et les mots "aux articles 3.15.3.0.1. en 3.15.3.0.2. du Code flamand de la Fiscalité".
Afdeling 7. - Domaniale wet van 22 december 1949
Section 7. - Loi domaniale du 22 décembre 1949
Art. 112. Artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949, gewijzigd bij de wetten van 1 juli 2016 en 25 december 2017, wordt vervangen als volgt:
"Art. 3. § 1. Elke som, verschuldigd aan de Staat of aan Staatsinstellingen, waarvan de invordering wordt verzekerd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen, kan, overeenkomstig het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, worden ingevorderd op basis van een uitvoerbaar verklaard innings- en invorderingsregister of van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van deze som.
Voor de toepassing van de hiernavolgende bepalingen wordt verstaan onder "niet-fiscale schuldvordering" elke som van niet-fiscale aard verschuldigd aan de Staat of aan Staatsinstellingen, in hoofdsom, interesten en bijbehoren, waarvan de invordering wordt verzekerd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen.
§ 2. Behalve wanneer de niet-fiscale schuldvordering het voorwerp uitmaakt van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling ervan, wordt de niet-fiscale schuldvordering, in geval van niet-betaling, opgenomen in een innings- en invorderingsregister, dat de uitvoerbare titel vormt waardoor de niet-fiscale schuldvordering kan ingevorderd worden. Een innings- en invorderingsregister vermeldt, voor iedere schuldenaar erin opgenomen:
- zijn identificatiegegevens;
- de belastingschuld verschuldigd door hem, zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister;
De niet-fiscale schuldvordering kan het voorwerp uitmaken van verbeterende innings- en invorderingsregisters, in geval van latere wijziging, om welke reden dan ook, van de bedragen opgenomen in het innings- en invorderingsregister overeenkomstig het eerste lid.
De gegevens opgenomen in de innings- en invorderingsregisters bedoeld in het eerste en tweede lid zijn dezelfde ongeacht of deze registers op elektronische wijze zijn opgemaakt of niet.
Ingeval de innings- en invorderingsregisters bedoeld in het eerste en tweede lid op elektronische wijze worden opgemaakt, wordt de oorsprong en de integriteit van de inhoud van deze innings- en invorderingsregisters verzekerd door middel van geschikte beveiligingstechnieken.
§ 3. De innings- en invorderingsregisters worden opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door de bevoegde adviseur-generaal van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen of door een door hem gemachtigde ambtenaar.
Wanneer het innings- en invorderingsregister uitvoerbaar wordt verklaard op elektronische wijze, wordt deze ondertekend door de administrateur-generaal van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van deze niet-fiscale schuldvorderingen of door de door hem gemachtigde ambtenaar door middel van:
- een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.11. van de Verordening (EU) n° 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG, of
- een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van deze Verordening.
De Federale Overheidsdienst Financiën vertegenwoordigd door de Voorzitter van het Directiecomité is de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, en in overeenstemming met de wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financïen in het kader van zijn opdrachten, voor de verwerking van persoonsgegevens die nodig zijn voor de uitvoering van de bepalingen van dit Wetboek.
Onverminderd de noodzakelijke bewaring voor de latere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/ EG, worden de innings- en invorderingsregisters niet langer bewaard dan nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn opgemaakt met een maximale bewaartermijn die verstrijkt op 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin de verjaring plaatsvindt van alle handelingen die tot de bevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijken bedoeld in het derde lid behoren en, in voorkomend geval, waarin de volledige betaling van alle ermee verbonden bedragen, evenals de definitieve beëindiging van de ermee verbonden procedures en administratieve en gerechtelijke beroepen, is geschied.
§ 4. Van zodra het innings- en invorderingsregister uitvoerbaar verklaard is, wordt de opname van de niet-fiscale schuldvordering in dit register ter kennis gebracht van de schuldenaar door de verzending, onder gesloten omslag, van een innings- en invorderingsbericht, dat een uittreksel is van het innings- en invorderingsregister met betrekking tot de betrokken schuldenaar en hem informeert dat de niet-fiscale schuldvordering die hij verschuldigd is in een innings- en invorderingsregister werden opgenomen met het oog op zijn invordering. Het innings- en invorderingsbericht vermeldt:
- de identificatiegegevens van de schuldenaar;
- de niet-fiscale schuldvordering verschuldigd door hem, zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister;
- de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister waaraan het innings- en invorderingsbericht is verbonden;
- de adviseur-generaal van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van deze niet-fiscale schuldvorderingen of door de door hem gemachtigde ambtenaar die het innings- en invorderingsregister waaraan het innings- en invorderingsbericht is verbonden uitvoerbaar heeft verklaard.
In afwijking van het eerste lid kan de schuldenaar, middels een uitdrukkelijke verklaring in die zin, ervoor opteren innings- en invorderingsberichten uitsluitend op elektronische wijze te ontvangen. In dit geval geldt de aanbieding op elektronische wijze als rechtsgeldige verzending van het innings- en invorderingsbericht.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de in het tweede lid bedoelde procedure.".
"Art. 3. § 1. Elke som, verschuldigd aan de Staat of aan Staatsinstellingen, waarvan de invordering wordt verzekerd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen, kan, overeenkomstig het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, worden ingevorderd op basis van een uitvoerbaar verklaard innings- en invorderingsregister of van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van deze som.
Voor de toepassing van de hiernavolgende bepalingen wordt verstaan onder "niet-fiscale schuldvordering" elke som van niet-fiscale aard verschuldigd aan de Staat of aan Staatsinstellingen, in hoofdsom, interesten en bijbehoren, waarvan de invordering wordt verzekerd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen.
§ 2. Behalve wanneer de niet-fiscale schuldvordering het voorwerp uitmaakt van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling ervan, wordt de niet-fiscale schuldvordering, in geval van niet-betaling, opgenomen in een innings- en invorderingsregister, dat de uitvoerbare titel vormt waardoor de niet-fiscale schuldvordering kan ingevorderd worden. Een innings- en invorderingsregister vermeldt, voor iedere schuldenaar erin opgenomen:
- zijn identificatiegegevens;
- de belastingschuld verschuldigd door hem, zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister;
De niet-fiscale schuldvordering kan het voorwerp uitmaken van verbeterende innings- en invorderingsregisters, in geval van latere wijziging, om welke reden dan ook, van de bedragen opgenomen in het innings- en invorderingsregister overeenkomstig het eerste lid.
De gegevens opgenomen in de innings- en invorderingsregisters bedoeld in het eerste en tweede lid zijn dezelfde ongeacht of deze registers op elektronische wijze zijn opgemaakt of niet.
Ingeval de innings- en invorderingsregisters bedoeld in het eerste en tweede lid op elektronische wijze worden opgemaakt, wordt de oorsprong en de integriteit van de inhoud van deze innings- en invorderingsregisters verzekerd door middel van geschikte beveiligingstechnieken.
§ 3. De innings- en invorderingsregisters worden opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door de bevoegde adviseur-generaal van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen of door een door hem gemachtigde ambtenaar.
Wanneer het innings- en invorderingsregister uitvoerbaar wordt verklaard op elektronische wijze, wordt deze ondertekend door de administrateur-generaal van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van deze niet-fiscale schuldvorderingen of door de door hem gemachtigde ambtenaar door middel van:
- een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.11. van de Verordening (EU) n° 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG, of
- een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van deze Verordening.
De Federale Overheidsdienst Financiën vertegenwoordigd door de Voorzitter van het Directiecomité is de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, en in overeenstemming met de wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financïen in het kader van zijn opdrachten, voor de verwerking van persoonsgegevens die nodig zijn voor de uitvoering van de bepalingen van dit Wetboek.
Onverminderd de noodzakelijke bewaring voor de latere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/ EG, worden de innings- en invorderingsregisters niet langer bewaard dan nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn opgemaakt met een maximale bewaartermijn die verstrijkt op 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin de verjaring plaatsvindt van alle handelingen die tot de bevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijken bedoeld in het derde lid behoren en, in voorkomend geval, waarin de volledige betaling van alle ermee verbonden bedragen, evenals de definitieve beëindiging van de ermee verbonden procedures en administratieve en gerechtelijke beroepen, is geschied.
§ 4. Van zodra het innings- en invorderingsregister uitvoerbaar verklaard is, wordt de opname van de niet-fiscale schuldvordering in dit register ter kennis gebracht van de schuldenaar door de verzending, onder gesloten omslag, van een innings- en invorderingsbericht, dat een uittreksel is van het innings- en invorderingsregister met betrekking tot de betrokken schuldenaar en hem informeert dat de niet-fiscale schuldvordering die hij verschuldigd is in een innings- en invorderingsregister werden opgenomen met het oog op zijn invordering. Het innings- en invorderingsbericht vermeldt:
- de identificatiegegevens van de schuldenaar;
- de niet-fiscale schuldvordering verschuldigd door hem, zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister;
- de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister waaraan het innings- en invorderingsbericht is verbonden;
- de adviseur-generaal van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van deze niet-fiscale schuldvorderingen of door de door hem gemachtigde ambtenaar die het innings- en invorderingsregister waaraan het innings- en invorderingsbericht is verbonden uitvoerbaar heeft verklaard.
In afwijking van het eerste lid kan de schuldenaar, middels een uitdrukkelijke verklaring in die zin, ervoor opteren innings- en invorderingsberichten uitsluitend op elektronische wijze te ontvangen. In dit geval geldt de aanbieding op elektronische wijze als rechtsgeldige verzending van het innings- en invorderingsbericht.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de in het tweede lid bedoelde procedure.".
Art. 112. L'article 3 de la loi domaniale du 22 décembre 1949, modifié par les lois des 1er juillet 2016 et 25 décembre 2017, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 3. § 1er. Toute somme due à l'Etat ou à des organismes d'Etat dont le recouvrement est poursuivi par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales peut être recouvrée, conformément au Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, sur base d'un registre de perception et recouvrement rendu exécutoire ou d'une décision judiciaire coulée en force de chose jugée portant condamnation au paiement de cette somme.
Pour l'application des dispositions qui suivent, on entend par "créance non fiscale" toute somme de nature non fiscale due à l'Etat ou à des organismes d'Etat, en principal, intérêts et accessoires, dont le recouvrement est assuré par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales.
§ 2. Sauf lorsque la créance non fiscale fait l'objet d'une décision judiciaire coulée en force de chose jugée portant condamnation au paiement de celle-ci, la créance non fiscale est, en cas de non-paiement, reprise à un registre de perception et recouvrement, lequel constitue le titre exécutoire permettant le recouvrement de la créance non fiscale. Un registre de perception et recouvrement fait mention, pour chaque redevable y repris :
- de ses données d'identification ;
- de la créance non fiscale due par celui-ci, telle que reprise au registre de perception et recouvrement.
La créance non fiscale peut faire l'objet de registres de perception et recouvrement rectificatifs en cas de modification ultérieure, pour quelque cause que ce soit, des montants repris au registre de perception et recouvrement conformément à l'alinéa 1er.
Les données reprises dans les registres de perception et recouvrement visés aux alinéas 1er et 2 sont les mêmes que ces registres soient établis de manière électronique ou non.
En cas d'établissement des registres de perception et recouvrement visés aux alinéas 1er et 2 de manière électronique, l'origine et l'intégrité du contenu de ces registres de perception et recouvrement sont assurées au moyen de techniques de protection adaptées.
§ 3. Les registres de perception et recouvrement sont formés et rendus exécutoires par le conseiller général compétent de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales ou par un fonctionnaire délégué par lui.
Lorsqu'un registre de perception et recouvrement est rendu exécutoire de manière électronique, il est signé par le conseiller général compétent de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales ou par un fonctionnaire délégué par lui au moyen :
- d'une signature électronique avancée au sens de l'article 3.11. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE, ou
- d'une signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12. de ce Règlement.
Le Service public fédéral Finances représenté par le Président du Comité de direction est le responsable du traitement au sens du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement et du Conseil européens du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données personnelles et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE, conformément à la loi du 3 août 2012 portant dispositions relatives aux traitements de données à caractère personnel réalisées par le Service public fédéral Finances dans le cadre de ses missions, pour le traitement des données à caractère personnel qui sont nécessaires pour la mise en oeuvre du présent Code.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement ultérieur à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visé à l'article 89 du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, les registres de perception et recouvrement ne sont pas conservés plus longtemps que nécessaire au regard de la finalité pour laquelle ils sont établis, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder le 31 décembre de l'année qui suit celle au cours de laquelle sont intervenus la prescription de toutes les actions qui relèvent de la compétence du responsable du traitement visé à l'alinéa 3 et, le cas échéant, le paiement intégral de tous les montants y liés, ainsi que la cessation définitive des procédures et recours administratifs et judiciaires y liés.
§ 4. Aussitôt que le registre de perception et recouvrement est rendu exécutoire, la reprise de la créance non fiscale à ce registre est portée à la connaissance du redevable par l'envoi, sous pli fermé, d'un avis de perception et recouvrement, lequel constitue un extrait du registre de perception et recouvrement afférent au redevable concerné et l'informe que la créance non fiscale dont il est redevable a été reprise dans un registre de perception et recouvrement en vue de permettre son recouvrement. L'avis de perception et recouvrement fait mention :
- des données d'identification du redevable ;
- de la créance non fiscale due par celui-ci, telle que reprise au registre de perception et recouvrement ;
- de la date d'exécutoire du registre de perception et recouvrement auquel l'avis de perception et recouvrement est attaché ;
- du conseiller général compétent de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales ou du fonctionnaire délégué par lui qui a rendu exécutoire le registre de perception et recouvrement auquel l'avis de perception et recouvrement est attaché.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le redevable peut, moyennant une déclaration explicite dans ce sens, opter pour une réception des avis de perception et recouvrement exclusivement par voie électronique. Dans ce cas, la mise à disposition par voie électronique vaut valablement envoi de l'avis de perception et recouvrement.
Le Roi détermine les modalités d'application de la procédure visée à l'alinéa 2.".
"Art. 3. § 1er. Toute somme due à l'Etat ou à des organismes d'Etat dont le recouvrement est poursuivi par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales peut être recouvrée, conformément au Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, sur base d'un registre de perception et recouvrement rendu exécutoire ou d'une décision judiciaire coulée en force de chose jugée portant condamnation au paiement de cette somme.
Pour l'application des dispositions qui suivent, on entend par "créance non fiscale" toute somme de nature non fiscale due à l'Etat ou à des organismes d'Etat, en principal, intérêts et accessoires, dont le recouvrement est assuré par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales.
§ 2. Sauf lorsque la créance non fiscale fait l'objet d'une décision judiciaire coulée en force de chose jugée portant condamnation au paiement de celle-ci, la créance non fiscale est, en cas de non-paiement, reprise à un registre de perception et recouvrement, lequel constitue le titre exécutoire permettant le recouvrement de la créance non fiscale. Un registre de perception et recouvrement fait mention, pour chaque redevable y repris :
- de ses données d'identification ;
- de la créance non fiscale due par celui-ci, telle que reprise au registre de perception et recouvrement.
La créance non fiscale peut faire l'objet de registres de perception et recouvrement rectificatifs en cas de modification ultérieure, pour quelque cause que ce soit, des montants repris au registre de perception et recouvrement conformément à l'alinéa 1er.
Les données reprises dans les registres de perception et recouvrement visés aux alinéas 1er et 2 sont les mêmes que ces registres soient établis de manière électronique ou non.
En cas d'établissement des registres de perception et recouvrement visés aux alinéas 1er et 2 de manière électronique, l'origine et l'intégrité du contenu de ces registres de perception et recouvrement sont assurées au moyen de techniques de protection adaptées.
§ 3. Les registres de perception et recouvrement sont formés et rendus exécutoires par le conseiller général compétent de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales ou par un fonctionnaire délégué par lui.
Lorsqu'un registre de perception et recouvrement est rendu exécutoire de manière électronique, il est signé par le conseiller général compétent de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales ou par un fonctionnaire délégué par lui au moyen :
- d'une signature électronique avancée au sens de l'article 3.11. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE, ou
- d'une signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12. de ce Règlement.
Le Service public fédéral Finances représenté par le Président du Comité de direction est le responsable du traitement au sens du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement et du Conseil européens du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données personnelles et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE, conformément à la loi du 3 août 2012 portant dispositions relatives aux traitements de données à caractère personnel réalisées par le Service public fédéral Finances dans le cadre de ses missions, pour le traitement des données à caractère personnel qui sont nécessaires pour la mise en oeuvre du présent Code.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement ultérieur à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques visé à l'article 89 du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, les registres de perception et recouvrement ne sont pas conservés plus longtemps que nécessaire au regard de la finalité pour laquelle ils sont établis, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder le 31 décembre de l'année qui suit celle au cours de laquelle sont intervenus la prescription de toutes les actions qui relèvent de la compétence du responsable du traitement visé à l'alinéa 3 et, le cas échéant, le paiement intégral de tous les montants y liés, ainsi que la cessation définitive des procédures et recours administratifs et judiciaires y liés.
§ 4. Aussitôt que le registre de perception et recouvrement est rendu exécutoire, la reprise de la créance non fiscale à ce registre est portée à la connaissance du redevable par l'envoi, sous pli fermé, d'un avis de perception et recouvrement, lequel constitue un extrait du registre de perception et recouvrement afférent au redevable concerné et l'informe que la créance non fiscale dont il est redevable a été reprise dans un registre de perception et recouvrement en vue de permettre son recouvrement. L'avis de perception et recouvrement fait mention :
- des données d'identification du redevable ;
- de la créance non fiscale due par celui-ci, telle que reprise au registre de perception et recouvrement ;
- de la date d'exécutoire du registre de perception et recouvrement auquel l'avis de perception et recouvrement est attaché ;
- du conseiller général compétent de l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales ou du fonctionnaire délégué par lui qui a rendu exécutoire le registre de perception et recouvrement auquel l'avis de perception et recouvrement est attaché.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le redevable peut, moyennant une déclaration explicite dans ce sens, opter pour une réception des avis de perception et recouvrement exclusivement par voie électronique. Dans ce cas, la mise à disposition par voie électronique vaut valablement envoi de l'avis de perception et recouvrement.
Le Roi détermine les modalités d'application de la procédure visée à l'alinéa 2.".
Art. 113. Artikel 4 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 25 december 2017, wordt vervangen als volgt:
"Art. 4. Met het oog op de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van deze schuldvorderingen, kan de bevoegde adviseur-generaal van deze administratie of een door hem gemachtigde ambtenaar met hem dadingen treffen, in de gevallen waarin de situatie van de schuldenaar te goeder trouw het rechtvaardigt, zonder dat de schuldeiser hiermee moet instemmen.".
"Art. 4. Met het oog op de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van deze schuldvorderingen, kan de bevoegde adviseur-generaal van deze administratie of een door hem gemachtigde ambtenaar met hem dadingen treffen, in de gevallen waarin de situatie van de schuldenaar te goeder trouw het rechtvaardigt, zonder dat de schuldeiser hiermee moet instemmen.".
Art. 113. L'article 4 de la même loi, remplacé par la loi du 25 décembre 2017, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 4. En vue du recouvrement des créances non fiscales par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement de ces créances, le conseiller général compétent de cette administration ou un fonctionnaire délégué par lui peut, dans les cas où la situation du débiteur de bonne foi le justifie, conclure avec lui des transactions, sans que le créancier ne doive y consentir.".
"Art. 4. En vue du recouvrement des créances non fiscales par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement de ces créances, le conseiller général compétent de cette administration ou un fonctionnaire délégué par lui peut, dans les cas où la situation du débiteur de bonne foi le justifie, conclure avec lui des transactions, sans que le créancier ne doive y consentir.".
Art. 114. Artikel 5 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016 en gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, wordt opgeheven.
Art. 114. L'article 5 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2016 et modifié par la loi du 25 décembre 2017, est abrogé.
Art. 115. Artikel 6 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016, wordt opgeheven.
Art. 115. L'article 6 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2016, est abrogé.
Art. 116. Artikel 7 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016, wordt opgeheven.
Art. 116. L'article 7 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2016, est abrogé.
Art. 117. Artikel 8 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016, wordt opgeheven.
Art. 117. L'article 8 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2016, est abrogé.
Art. 118. Artikel 9 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016 en gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, wordt opgeheven.
Art. 118. L'article 9 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2016 et modifié par la loi du 25 décembre 2017, est abrogé.
Art. 119. Artikel 10 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016, wordt opgeheven.
Art. 119. L'article 10 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2016, est abrogé.
Art. 120. Artikel 11 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016, wordt opgeheven.
Art. 120. L'article 11 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2016, est abrogé.
Art. 121. Artikel 12 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016, wordt opgeheven.
Art. 121. L'article 12 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2016, est abrogé.
Art. 122. Artikel 13 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016, wordt opgeheven.
Art. 122. L'article 13 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2016, est abrogé.
Art. 123. Artikel 14 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016, wordt opgeheven.
Art. 123. L'article 14 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2016, est abrogé.
Art. 124. Artikel 15 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016, wordt opgeheven.
Art. 124. L'article 15 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2016, est abrogé.
Afdeling 8. - Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
Section 8. - Loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs
Art. 125. In artikel 30bis, § 3, elfde lid van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2015, worden de woorden "in artikel 402, § 4, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992" vervangen door de woorden "in artikel 54, § 4, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen".
Art. 125. Dans l'article 30bis, § 3, alinéa 11, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, modifiés en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2015, les mots "à l'article 402, § 4, du Code des impôts sur les revenus 1992" sont remplacés par les mots "à l'article 54, § 4, du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales".
Art. 126. In artikel 30ter, § 2, elfde lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2015, worden de woorden "in artikel 402, § 4, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992" vervangen door de woorden "in artikel 54, § 4, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen".
Art. 126. Dans l'article 30ter, § 2, alinéa 11, de la meme loi, modifiés en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2015, les mots "à l'article 402, § 4, du Code des impôts sur les revenus 1992" sont remplacés par les mots "à l'article 54, § 4, du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales".
Afdeling 9. - Wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980
Section 9. - Loi du 8 août 1980 relative aux propositions budgétaires 1979-1980
Art. 127. Artikel 87 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979 1980, vervangen bij de wet van 15 maart 1999 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt vervangen als volgt:
"Art. 87. De Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie en hun ambtenaren hebben alle bevoegdheden die door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake belastingen, rechten en taksen worden verleend aan de algemene fiscale administraties van de Federale Overheidsdienst Financiën.".
"Art. 87. De Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie en hun ambtenaren hebben alle bevoegdheden die door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake belastingen, rechten en taksen worden verleend aan de algemene fiscale administraties van de Federale Overheidsdienst Financiën.".
Art. 127. L'article 87 de la loi du 8 août 1980 relative aux propositions budgétaires 1979 1980, remplacé par la loi du 15 mars 1999 et modifié par la loi du 25 avril 2014, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 87. L'Administration générale de l'inspection spéciale des impôts et ses fonctionnaires ont tous les pouvoirs que les dispositions légales et réglementaires en matière d'impôts, droits et taxes attribuent aux administrations générales fiscales du Service public fédéral Finances.".
"Art. 87. L'Administration générale de l'inspection spéciale des impôts et ses fonctionnaires ont tous les pouvoirs que les dispositions légales et réglementaires en matière d'impôts, droits et taxes attribuent aux administrations générales fiscales du Service public fédéral Finances.".
Afdeling 10. - Wet van 18 december 1986 houdende bevoegdverklaring van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen tot invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor rekening van de Gemeenschappen, de Gewesten en de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen
Section 10. - Loi du 18 décembre 1986 habilitant l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales à effectuer le recouvrement des créances non fiscales pour le compte des Communautés, des Régions, ainsi que des organismes d'intérêt public qui en dépendent
Art. 128. In artikel 2 van de wet van 18 december 1986 houdende bevoegdverklaring van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen tot invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor rekening van de Gemeenschappen, de Gewesten en de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen, vervangen bij de wet van 1 juli 2016, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 128. Dans l'article 2 de la loi du 18 décembre 1986 habilitant l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales à effectuer le recouvrement des créances non fiscales pour le compte des Communautés, des Régions, ainsi que des organismes d'intérêt public qui en dépendent, remplacé par la loi du 1 juillet 2016, l'alinéa 2 est abrogé.
Afdeling 11. - Programmawet van 9 juli 2004
Section 11. - Loi-programme du 9 juillet 2004
Art. 129. Artikel 49 van de programmawet van 9 juli 2004 wordt opgeheven.
Art. 129. L'article 49 de la loi-programme de 9 juillet 2004 est abrogé.
Afdeling 12. - Wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV)
Section 12. - Loi du 25 avril 2007 portant des dispositions diverses (IV)
Art. 130. In artikel 116, paragraaf 1/2, tweede lid, van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV), ingevoegd bij de wet van 10 juli 2017 en gewijzigd bij de wet van 29 maart 2018, worden de woorden "ingevoegd in uitvoering van artikel 300, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het uitvoerend beslag onder derden vervat in artikel 85bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, het uitvoerend beslag onder derden vervat in artikel 6 van de domaniale wet van 22 december 1949" vervangen door de woorden "vervat in artikel 21 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen".
Art. 130. Dans l'article 116, paragraphe 1er/2, alinéa 2, de la loi du 25 avril 2007 portant des dispositions diverses (IV), inséré par la loi du 10 juillet 2017 et modifié par la loi du 29 mars 2018, les mots "insérée en exécution de l'article 300, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, pour la saisie-arrêt-exécution entre les mains d'un tiers inscrite à l'article 85bis du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, pour la saisie-arrêt-exécution entre les mains d'un tiers inscrite à l'article 6 de la loi domaniale du 22 décembre 1949" sont remplacés par les mots "inscrite à l'article 21 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales".
Afdeling 13. - Programmawet I van 29 maart 2012
Section 13. - Loi-programme I du 29 mars 2012
Art. 131. In artikel 157 van de programmawet I van 29 maart 2012, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012 en 11 februari 2019, wordt paragraaf 1, eerste lid, vervangen als volgt:
" § 1. De notarissen die verzocht zijn om een in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de door de erflater, zijn erfgenamen en legatarissen, waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of de begunstigden van een door de erflater gemaakte contractuele erfstelling, verschuldigde sommen waarvan de verschuldigdheid ter kennis kunnen worden gebracht overeenkomstig artikel 158, indien zij daarvan geen bericht geven aan:
1° de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op elektronische wijze;
2° de door de Koning aangeduide ambtenaar van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°. In dat geval wordt het bij aangetekende zending verzonden.".
" § 1. De notarissen die verzocht zijn om een in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de door de erflater, zijn erfgenamen en legatarissen, waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of de begunstigden van een door de erflater gemaakte contractuele erfstelling, verschuldigde sommen waarvan de verschuldigdheid ter kennis kunnen worden gebracht overeenkomstig artikel 158, indien zij daarvan geen bericht geven aan:
1° de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op elektronische wijze;
2° de door de Koning aangeduide ambtenaar van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°. In dat geval wordt het bij aangetekende zending verzonden.".
Art. 131. Dans l'article 157 de la loi-programme I du 29 mars 2012, modifié par la loi du 13 décembre 2012 et du 11 février 2019, le paragraphe 1er, alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Les notaires requis de rédiger l'acte ou le certificat d'hérédité visés à l'article 1240bis du Code civil sont personnellement responsables du paiement des dettes dont la débition est susceptible d'être notifiée conformément à l'article 158, qui sont dues par le de cujus, ses héritiers et légataires dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus s'ils n'en avisent pas :
1° le service en charge de l'information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique ;
2° le fonctionnaire de l'Administration générale de la documentation patrimoniale désigné par le Roi lorsque la communication de l'avis ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°. Dans ce cas, l'avis est adressé par envoi recommandé.".
" § 1er. Les notaires requis de rédiger l'acte ou le certificat d'hérédité visés à l'article 1240bis du Code civil sont personnellement responsables du paiement des dettes dont la débition est susceptible d'être notifiée conformément à l'article 158, qui sont dues par le de cujus, ses héritiers et légataires dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus s'ils n'en avisent pas :
1° le service en charge de l'information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique ;
2° le fonctionnaire de l'Administration générale de la documentation patrimoniale désigné par le Roi lorsque la communication de l'avis ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°. Dans ce cas, l'avis est adressé par envoi recommandé.".
Art. 132. In artikel 158 van dezelfde programmawet, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012 en 11 februari 2019, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"De voor de invordering van de fiscale schuld bevoegde ontvanger van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, kan aan de notaris die het in artikel 157 bedoelde bericht verzonden heeft, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de verzendingsdatum van dat bericht, kennisgeven van het bestaan, lastens de erflater of een andere persoon vermeld in het bericht, van een fiscale schuld in hoofdsom, boeten en bijbehoren, met opgave voor elk van de schuldenaars van het bedrag van de hiervoor bedoelde schuld:
1° op elektronische wijze, volgens de door de Koning bepaalde procedure;
2° bij aangetekende zending, wanneer de mededeling van de kennisgeving omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het bericht bedoeld in artikel 157, § 1, verzonden heeft bij aangetekende zending.".
"De voor de invordering van de fiscale schuld bevoegde ontvanger van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, kan aan de notaris die het in artikel 157 bedoelde bericht verzonden heeft, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de verzendingsdatum van dat bericht, kennisgeven van het bestaan, lastens de erflater of een andere persoon vermeld in het bericht, van een fiscale schuld in hoofdsom, boeten en bijbehoren, met opgave voor elk van de schuldenaars van het bedrag van de hiervoor bedoelde schuld:
1° op elektronische wijze, volgens de door de Koning bepaalde procedure;
2° bij aangetekende zending, wanneer de mededeling van de kennisgeving omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het bericht bedoeld in artikel 157, § 1, verzonden heeft bij aangetekende zending.".
Art. 132. Dans l'article 158 de la même loi-programme, modifié par la loi du 13 décembre 2012 et du 11 février 2019, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Avant l'expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d'envoi de l'avis visé à l'article 157, le receveur de l'Administration générale de la documentation patrimoniale compétent pour le recouvrement de la dette fiscale peut notifier au notaire ayant expédié l'avis, l'existence, dans le chef du de cujus ou d'une autre personne mentionnée dans l'avis, d'une dette fiscale en principal, amendes et accessoires, ainsi que le montant, dans le chef de chaque débiteur, de la dette susvisée :
1° par voie électronique, selon une procédure déterminée par le Roi ;
2° par envoi recommandé, lorsque la communication de la notification ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°, ou lorsque le notaire a adressé l'avis visé à l'article 157, § 1er, par envoi recommandé.".
"Avant l'expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d'envoi de l'avis visé à l'article 157, le receveur de l'Administration générale de la documentation patrimoniale compétent pour le recouvrement de la dette fiscale peut notifier au notaire ayant expédié l'avis, l'existence, dans le chef du de cujus ou d'une autre personne mentionnée dans l'avis, d'une dette fiscale en principal, amendes et accessoires, ainsi que le montant, dans le chef de chaque débiteur, de la dette susvisée :
1° par voie électronique, selon une procédure déterminée par le Roi ;
2° par envoi recommandé, lorsque la communication de la notification ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°, ou lorsque le notaire a adressé l'avis visé à l'article 157, § 1er, par envoi recommandé.".
Afdeling 14. - Wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten
Section 14. - Loi du 3 août 2012 portant dispositions relatives aux traitements de données à caractère personnel réalisés par le Service public fédéral Finances dans le cadre de ses missions
Art. 133. In artikel 6, § 3, van de wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten, vervangen bij de wet van 5 september 2018, worden de woorden ", van artikel 14 van de domaniale wet van 22 december 1949" vervangen door de woorden ", van artikel 83 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen".
Art. 133. Dans l'article 6, § 3, de la loi du 3 août 2012 portant dispositions relatives aux traitements de données à caractère personnel réalisés par le Service public fédéral Finances dans le cadre de ses missions, remplacé par la loi du 5 septembre 2018, les mots "de l'article 14 de la loi domaniale du 22 décembre 1949" sont remplacés par les mots "de l'article 83 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales".
Afdeling 15. - Programmawet van 25 december 2017
Section 15. - Loi-programme du 25 décembre 2017
Art. 134. In titel 5, hoofdstuk 3, van de programmawet van 25 december 2017, wordt afdeling 1, die artikel 152 omvat, opgeheven.
Art. 134. Dans le titre 5, chapitre 3, de la loi-programme du 25 décembre 2017, la section 1re, comportant l'article 152, est abrogée.
Afdeling 16. - Koninklijk besluit nr. 39 van 17 oktober 1980 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van artikel 93duodecies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Section 16. - Arrêté royal n° 39 du 17 octobre 1980 réglant les modalités d'application de l'article 93duodecies du Code de la taxe sur la valeur ajoutée
Art. 135. Het koninklijk besluit nr. 39 van 17 oktober 1980 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van artikel 93duodecies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wordt opgeheven.
Art. 135. L'arrêté royal n° 39 du 17 octobre 1980 réglant les modalités d'application de l'article 93duodecies du Code de la taxe sur la valeur ajoutée est abrogé.
Afdeling 17. - Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Section 17. - Arrêté royal du 27 août 1993 d'exécution du Code des impôts sur les revenues 1992
Art. 136. In hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen worden opgeheven:
1° afdeling V, onderafdeling III, die de artikelen 164 tot 166 omvat, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 mei 2017;
2° afdeling XIV, die de artikelen 211 tot 219 bevat, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 december 2007;
3° afdeling XV, die de artikelen 220 tot 224 bevat.
1° afdeling V, onderafdeling III, die de artikelen 164 tot 166 omvat, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 mei 2017;
2° afdeling XIV, die de artikelen 211 tot 219 bevat, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 december 2007;
3° afdeling XV, die de artikelen 220 tot 224 bevat.
Art. 136. Dans le chapître III de l'arrêté royal du 27 août 1993 d'exécution du Code des impôts sur les revenues 1992 sont abrogrés :
1° la section V, sous-section III, comportant les articles 164 à 166, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 22 mai 2017 ;
2° la section XIV, comportant les articles 211 à 219, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 7 décembre 2007 ;
3° la section XV, comportant les articles 220 à 224.
1° la section V, sous-section III, comportant les articles 164 à 166, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 22 mai 2017 ;
2° la section XIV, comportant les articles 211 à 219, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 7 décembre 2007 ;
3° la section XV, comportant les articles 220 à 224.
Afdeling 18. - Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
Section 18. - Arrêté royal du 8 juillet 1970 portant réglement général des taxes assimilées aux impôts sur les revenus
Art. 137. In titel III van hetzelfde besluit wordt hoofdstuk IV, dat de artikelen 51 en 52 omvat, opgeheven.
Art. 137. Dans le titre III du même arrêté, le chapître IV, comportant les articles 51 et 52, est abrogé.
HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepaling
CHAPITRE 4. - Disposition transitoire
Art. 138. Deze wet is niet van toepassing:
1° op het administratieve dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde dat ter kennis werd gebracht of werd betekend voor de datum van haar inwerkingtreding;
2° op het administratieve dwangbevel inzake diverse rechten en taksen dat betekend werd voor de datum van haar inwerkingtreding;
3° op het administratieve dwangbevel inzake rolrechten dat betekend werd voor de datum van haar inwerkingtreding;
4° op het administratieve dwangbevel inzake niet-fiscale schuldvorderingen dat ter kennis werd gebracht of werd betekend voor de datum van haar inwerkingtreding;
5° op fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen opgenomen in een kohier, een bijzonder kohier of een innings- en invorderingsregister, uitvoerbaar verklaard voor de datum van haar inwerkingtreding;
6° op fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, andere dan deze waarvan de inning en de invordering verzekerd zijn in toepassing van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot hun betaling, voor de datum van haar inwerkingtreding.
[1 In afwijking van het eerste lid, is Hoofdstuk 2 van Titel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen vanaf 1 februari 2024 van toepassing op alle fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen zoals gedefinieerd in artikel 2, § 1, 7° en 8° van hetzelfde Wetboek.]1
1° op het administratieve dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde dat ter kennis werd gebracht of werd betekend voor de datum van haar inwerkingtreding;
2° op het administratieve dwangbevel inzake diverse rechten en taksen dat betekend werd voor de datum van haar inwerkingtreding;
3° op het administratieve dwangbevel inzake rolrechten dat betekend werd voor de datum van haar inwerkingtreding;
4° op het administratieve dwangbevel inzake niet-fiscale schuldvorderingen dat ter kennis werd gebracht of werd betekend voor de datum van haar inwerkingtreding;
5° op fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen opgenomen in een kohier, een bijzonder kohier of een innings- en invorderingsregister, uitvoerbaar verklaard voor de datum van haar inwerkingtreding;
6° op fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, andere dan deze waarvan de inning en de invordering verzekerd zijn in toepassing van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot hun betaling, voor de datum van haar inwerkingtreding.
[1 In afwijking van het eerste lid, is Hoofdstuk 2 van Titel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen vanaf 1 februari 2024 van toepassing op alle fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen zoals gedefinieerd in artikel 2, § 1, 7° en 8° van hetzelfde Wetboek.]1
Art. 138. La présente loi n'est pas applicable :
1° à la contrainte administrative en matière de taxe sur la valeur ajoutée qui a été notifiée ou signifiée avant la date de son entrée en vigueur ;
2° à la contrainte administrative en matière de droits et taxes divers qui a été signifiée avant la date de son entrée en vigueur ;
3° à la contrainte administrative en matière de droits de mise au rôle qui a été signifiée avant la date de son entrée en vigueur ;
4° à la contrainte administrative en matière de créances non fiscales qui a été notifiée ou signifiée avant la date de son entrée en vigueur ;
5° aux créances fiscales et non fiscales reprises dans un rôle, un rôle spécial ou un registre de perception et recouvrement rendus exécutoires avant la date de son entrée en vigueur ;
6° aux créances fiscales et non fiscales, autres que celles dont la perception et le recouvrement sont assurés en application de la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances, ayant faisant l'objet d'une décision judiciaire portant condamnation à leur paiement coulée en force de chose jugée avant la date de son entrée en vigueur.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, le Chapitre 2 du Titre 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales est applicable à toutes les créances fiscales et non fiscales telles que définies à l'article 2, § 1er, 7° et 8° de ce même Code, à compter du 1er février 2024.]1
1° à la contrainte administrative en matière de taxe sur la valeur ajoutée qui a été notifiée ou signifiée avant la date de son entrée en vigueur ;
2° à la contrainte administrative en matière de droits et taxes divers qui a été signifiée avant la date de son entrée en vigueur ;
3° à la contrainte administrative en matière de droits de mise au rôle qui a été signifiée avant la date de son entrée en vigueur ;
4° à la contrainte administrative en matière de créances non fiscales qui a été notifiée ou signifiée avant la date de son entrée en vigueur ;
5° aux créances fiscales et non fiscales reprises dans un rôle, un rôle spécial ou un registre de perception et recouvrement rendus exécutoires avant la date de son entrée en vigueur ;
6° aux créances fiscales et non fiscales, autres que celles dont la perception et le recouvrement sont assurés en application de la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances, ayant faisant l'objet d'une décision judiciaire portant condamnation à leur paiement coulée en force de chose jugée avant la date de son entrée en vigueur.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, le Chapitre 2 du Titre 2 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales est applicable à toutes les créances fiscales et non fiscales telles que définies à l'article 2, § 1er, 7° et 8° de ce même Code, à compter du 1er février 2024.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 5. - Entrée en vigueur
Art. 139. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2020.
De Koning kan voor iedere categorie van schuldvordering een vroegere datum van inwerkingtreding bepalen.
De Koning kan voor iedere categorie van schuldvordering een vroegere datum van inwerkingtreding bepalen.
Art. 139. La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 2020.
Le Roi peut fixer pour chaque catégorie de créance une entrée en vigueur antérieure.
Le Roi peut fixer pour chaque catégorie de créance une entrée en vigueur antérieure.