Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
15 MAART 2019. - Decreet tot uitvoering van maatregelen betreffende het onderwijs uit cao XI vanaf het schooljaar 2019-2020
Titre
15 MARS 2019. - Décret portant exécution des mesures relatives à l'enseignement de la CCT XI à partir de l'année scolaire 2019-2020
Documentinformatie
Numac: 2019040969
Datum: 2019-03-15
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2019040969
Date: 2019-03-15
Moniteur: Voir
Tekst (65)
Texte (65)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991
CHAPITRE 2. - Modifications du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire
Art. 2. Aan artikel 3 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt een punt 44° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"44° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie.".
Art. 2. L'article 3 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, tel que modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, est complété par un point 44° ainsi rédigé :
" 44° encadrement initial : le soutien structurel d'un membre du personnel temporaire qui est désigné pour une durée déterminée. L'encadrement initial vise à aider le membre du personnel temporaire à apprendre à gérer ses tâches essentielles, à apprendre à se développer davantage en tant que personne et en tant que professionnel et à trouver sa voie dans son établissement en tant que lieu de travail et organisation apprenante. ".
Art. 3. In artikel 4, § 4, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt het getal "720" vervangen door het getal "580".
Art. 3. Dans l'article 4, § 4, alinéa 2, du même décret, inséré par le décret du 6 juillet 2018, le nombre " 720 " est remplacé par le nombre " 580 ".
Art. 4. Aan artikel 20 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 mei 1999, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 4. Een tijdelijke aanstelling gebeurt in een vacante betrekking of in een niet-vacante betrekking voor een bepaalde duur of voor een doorlopende duur.".
Art. 4. A l'article 20 du même décret, remplacé par le décret du 18 mai 1999, il est ajouté un paragraphe 4 rédigé comme suit :
" § 4. Une désignation temporaire se fait dans un emploi vacant ou non vacant pour une durée déterminée ou pour une durée ininterrompue. ".
Art. 5. In hoofdstuk III, afdeling 2, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt een artikel 20bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 20bis. § 1. Een tijdelijk personeelslid wordt altijd aangesteld voor bepaalde duur, tenzij het personeelslid voldoet aan artikel 21, 21bis, 100quater decies of 100quinquies decies.
Tijdens de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur heeft een tijdelijk personeelslid recht op aanvangsbegeleiding. Het tijdelijke personeelslid wordt tijdens de periode van aanvangsbegeleiding gecoacht en ondersteund. De duur en intensiteit van de aanvangsbegeleiding worden bepaald in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator en opgenomen in een schriftelijke overeenkomst of in voorkomend geval in de functiebeschrijving van het personeelslid. De schriftelijke overeenkomst wordt in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator tijdens de periode van de aanvangsbegeleiding aangepast als gevolg van nieuwe afspraken.
Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de raad van bestuur, door de afgevaardigd bestuurder in het geval van het vormingscentrum, of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort.
§ 2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 55bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet.".
Art. 5. Dans le chapitre III, section 2 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, il est inséré un article 20bis rédigé comme suit :
" Art. 20bis. § 1er. Le membre du personnel temporaire est toujours désigné pour une durée déterminée, à moins qu'il ne réponde aux articles 21, 21bis, 100quater decies ou 100quinquies decies.
Pendant la désignation temporaire à durée déterminée, le membre du personnel temporaire a droit à l'encadrement initial. Le membre du personnel temporaire est accompagné et soutenu pendant l'encadrement initial. La durée et l'intensité de l'encadrement initial sont déterminées d'un commun accord entre le membre du personnel et le premier évaluateur et sont fixées dans une convention écrite ou, le cas échéant, dans la description de fonction du membre du personnel. La convention écrite est adaptée d'un commun accord entre le membre du personnel et le premier évaluateur pendant la période de l'encadrement initial à la suite de nouveaux arrangements.
Les arrangements généraux sur l'encadrement initial sont négociés au sein du comité local compétent par le conseil d'administration, par l'administrateur délégué dans le cas du centre de formation, ou par le centre d'enseignement si l'institution appartient à un centre d'enseignement.
§ 2. Pour un membre du personnel nommé à titre définitif qui est désigné temporairement pour une durée déterminée par application de l'article 55bis ou à la suite d'une réaffectation ou d'une remise au travail, l'obligation d'encadrement initial visée au paragraphe 1er ne s'applique pas. ".
Art. 6. In artikel 21 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt de zin "Een tijdelijke aanstelling in een instelling kan gebeuren in een vacante en/of niet vacante betrekking voor een bepaalde of voor een doorlopende duur." vervangen door de zin "Een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur kan gebeuren in een vacante betrekking of in een niet-vacante betrekking.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in paragraaf 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
2° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de voorwaarden, vermeld in punt 1°, bereikt geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.
Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIIIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIIIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens die bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen.
Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de raad van bestuur. De raad van bestuur gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De raad van bestuur bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de raad van bestuur vragen om gehoord te worden. De raad van bestuur hoort in dat geval beide partijen voordat hij een beslissing neemt.
De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dat akkoord blijkt uit de ondertekening van dat deel van de beoordeling in kwestie door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;
2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.
Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.";
3° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "in § 3" telkens vervangen door de zinsnede "in paragraaf 3 of artikel 100quater decies";
4° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "in § 3" telkens vervangen door de zinsnede "in paragraaf 3 of artikel 100quater decies";
5° in paragraaf 5, vierde lid, wordt de zin "Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit." vervangen door de zin "Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, derde lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 490 dagen dienstanciënniteit.".
6° in paragraaf 7 wordt de zinsnede " § 3 en § 4 van dit artikel" telkens vervangen door de zinsnede "paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quater decies" en wordt de zinsnede "in § 3 van dit artikel" vervangen door de zinsnede "in paragraaf 3 van dit artikel of artikel 100quater decies";
7° in paragraaf 7bis wordt de zinsnede " § 3 en § 4 van dit artikel" telkens vervangen door de zinsnede "paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quater decies";
8° in paragraaf 7ter wordt de zinsnede " § 3 en § 4 van dit artikel" telkens vervangen door de zinsnede "paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quater decies";
9° in paragraaf 7quater wordt de zinsnede "in § 3" vervangen door de zinsnede "in paragraaf 3 of artikel 100quater decies".
Art. 6. Dans l'article 21 du même décret, remplacé par le décret du 24 février 2003 et modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, la phrase " Une désignation temporaire dans une institution peut s'effectuer pour une durée déterminée ou pour une durée ininterrompue à un emploi vacant et/ou non vacant. " est remplacé par la phrase " Une désignation temporaire pour une durée ininterrompue peut s'effectuer dans un emploi vacant ou non vacant. " ;
2° le paragraphe 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Un membre du personnel a droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue pour une fonction visée au paragraphe 5 s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles :
1° avoir acquis, au cours d'une période d'au moins deux années scolaires, une ancienneté de service d'au moins 580 jours, dont 400 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 140 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
2° ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation avec points d'amélioration telle que visée à l'alinéa 2. Si le membre du personnel n'a pas été évalué au plus tard le 30 juin de l'année scolaire au cours de laquelle il remplit les conditions visées au point 1°, cette condition est réputée remplie.
Sans préjudice de l'application du chapitre VIIIter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et peut lui donner une évaluation avec points d'amélioration. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et les points d'amélioration, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. Dans ce cas, le membre du personnel est tenu de prester 200 jours supplémentaires de jours effectifs après lesquels il acquiert le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, à condition que, en application du chapitre VIIIter, le membre du personnel n'ait pas bénéficié, au plus tard à la fin de cette période, d'une évaluation définitive avec la conclusion finale " insuffisant ". Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte pendant cette période supplémentaire comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation. A chaque nouvelle désignation du membre du personnel dans la fonction concernée, il est établi, conformément aux points d'amélioration de l'évaluation, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant cette période supplémentaire.
Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation avec points d'amélioration visée à l'alinéa 2 peut introduire un recours auprès du conseil d'administration. Le conseil d'administration examine ensuite si l'évaluation avec points d'amélioration est raisonnable et si le report du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue est justifié. Le conseil d'administration confirme ou annule l'évaluation avec points d'amélioration. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au conseil d'administration d'être entendus. Dans ce cas, le conseil d'administration entend les deux parties avant de prendre une décision.
L'instance compétente du culte concerné ou de la morale non confessionnelle doit également donner son accord à l'évaluation de l'enseignant de cours philosophiques pour ce qui est des aspects techniques et du contenu du cours enseigné. Cet accord est attesté par la signature de cette partie de l'évaluation en question par un représentant de l'instance compétente.
Quant à l'évaluation, des arrangements généraux sont négociés au sein du comité local compétent.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les fonctions :
1° dans les établissements du même groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement ;
2° dans les établissements du même groupe d'écoles appartenant à un centre d'enseignement.
Pour pouvoir exercer son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat auprès du conseil d'administration par lettre recommandée avant le 15 juin. Lorsque le membre du personnel est pour la première fois effectivement désigné pour une durée ininterrompue dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles à la fonction pour laquelle il a acquis le droit, cette désignation vaut à partir de ce moment comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre Vbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge. " ;
3° au paragraphe 4, le membre de phrase " au § 3 " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " au § 3 ou à l'article 100quater decies " ;
4° au paragraphe 5, le membre de phrase " au § 3 " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " au § 3 ou à l'article 100quater decies " ;
5° au paragraphe 5, alinéa, 4 la phrase " Cette ancienneté de service est calculée conformément au paragraphe 4, dernier alinéa, du présent article et est limitée pour cette application à une ancienneté de service de 600 jours au maximum. " est remplacée par la phrase " Cette ancienneté de service est calculée conformément au paragraphe 4, alinéa 3, du présent article et est limitée pour cette application à une ancienneté de service de 490 jours au maximum. ".
6° au paragraphe 7, le membre de phrase " aux §§ 3 et 4 du présent article " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " aux paragraphes 3 et 4 du présent article ou à l'article 100quater decies " et le membre de phrase " au § 3 du présent article " est remplacé par le membre de phrase " au paragraphe 3 du présent article ou à l'article 100quater decies " ;
7° au paragraphe 7bis, le membre de phrase " aux §§ 3 et 4 du présent article " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " aux paragraphes 3 et 4 du présent article ou à l'article 100quater decies " ;
8° au paragraphe 7ter, le membre de phrase " aux §§ 3 et 4 du présent article " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " aux paragraphes 3 et 4 du présent article ou à l'article 100quater decies " ;
9° au paragraphe 7quater, le membre de phrase " au § 3 " est remplacé par le membre de phrase " au paragraphe 3 ou à l'article 100quater decies ".
Art. 7. In artikel 21bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt de zin "Een tijdelijke aanstelling in een instelling kan gebeuren in een vacante en/of niet vacante betrekking voor een bepaalde of voor een doorlopende duur." vervangen door de zin "Een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur kan gebeuren in een vacante betrekking of in een niet-vacante betrekking.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in paragraaf 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
2° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de voorwaarden, vermeld in punt 1°, bereikt geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.
Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIIIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding werd afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIIIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens deze bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens deze bijkomende periode moet volgen.
Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de raad van bestuur. De raad van bestuur gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De raad van bestuur bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de raad van bestuur vragen om gehoord te worden. De raad van bestuur hoort in dat geval beide partijen voordat het een beslissing neemt.
De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken beoordeling door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net;
2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;
3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.
Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.";
3° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "in § 3" vervangen door de zinsnede "in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies";
4° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "in § 3" telkens vervangen door de zinsnede "in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies";
5° in paragraaf 5 wordt het getal "600" vervangen door het getal "490";
6° in paragraaf 7 wordt de zinsnede " § 3 en § 4 van dit artikel" telkens vervangen door de zinsnede "paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quinquies decies" en wordt de zinsnede "in § 3 van dit artikel" vervangen door de zinsnede "in paragraaf 3 van dit artikel of artikel 100quinquies decies";
7° in paragraaf 7bis wordt de zinsnede " § 3 en § 4 van dit artikel" telkens vervangen door de zinsnede "paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quinquies decies";
8° in paragraaf 7ter wordt de zinsnede " § 3 en § 4 van dit artikel" telkens vervangen door de zinsnede "paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quinquies decies";
9° in paragraaf 7quater wordt de zinsnede "in § 3" vervangen door de zinsnede "in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies".
Art. 7. A l'article 21bis du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998, remplacé par le décret du 14 février 2003 et modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 2, la phrase " Une désignation temporaire dans une institution peut s'effectuer pour une durée déterminée ou pour une durée ininterrompue à un emploi vacant et/ou non vacant. " est remplacé par la phrase " Une désignation temporaire pour une durée ininterrompue peut s'effectuer dans un emploi vacant ou non vacant. " ;
2° le paragraphe 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Un membre du personnel a droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue à une fonction visée au paragraphe 5 s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles :
1° avoir acquis, au cours d'une période d'au moins deux années scolaires, une ancienneté de service d'au moins 580 jours, dont 400 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 140 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
2° ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation avec points d'amélioration telle que visée à l'alinéa 2. Si le membre du personnel n'a pas été évalué au plus tard le 30 juin de l'année scolaire au cours de laquelle il remplit les conditions visées au point 1°, cette condition est réputée remplie.
Sans préjudice de l'application du chapitre VIIIter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et peut lui donner une évaluation avec points d'amélioration. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et les points d'amélioration, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. Dans ce cas, le membre du personnel est tenu de prester 200 jours supplémentaires de jours effectifs après lesquels il acquiert le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, à condition que, en application du chapitre VIIIter, le membre du personnel n'ait pas bénéficié, au plus tard à la fin de cette période, d'une évaluation définitive avec la conclusion finale " insuffisant ". Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte pendant cette période supplémentaire comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation. A chaque nouvelle désignation du membre du personnel dans la fonction concernée, il est établi, conformément aux points d'amélioration de l'évaluation, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant cette période supplémentaire.
Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation avec points d'amélioration visée à l'alinéa 2 peut introduire un recours auprès du conseil d'administration. Le conseil d'administration examine ensuite si l'évaluation avec points d'amélioration est raisonnable et si le report du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue est justifié. Le conseil d'administration confirme ou annule l'évaluation avec points d'amélioration. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au conseil d'administration d'être entendus. Dans ce cas, le conseil d'administration entend les deux parties avant de prendre une décision.
L'instance compétente du culte concerné ou de la morale non confessionnelle doit également donner son accord à l'évaluation de l'enseignant de cours philosophiques pour ce qui est des aspects techniques et du contenu enseigné. Cet accord est attesté par la signature de cette partie de l'évaluation en question par un représentant de l'instance compétente.
Quant à l'évaluation, des arrangements généraux sont négociés au sein du comité local compétent.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les fonctions :
1° dans les établissements du même centre d'enseignement quel que soit le réseau ;
2° dans les établissements d'un autre centre d'enseignement du même groupe d'écoles ;
3° dans les établissements du même groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement.
Pour pouvoir exercer son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat auprès du conseil d'administration par lettre recommandée avant le 15 juin. Lorsque le membre du personnel est pour la première fois effectivement désigné pour une durée ininterrompue à la fonction pour laquelle il a acquis le droit dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles, cette désignation vaut à partir de ce moment comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre Vbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge. " ;
3° au paragraphe 4, le membre de phrase " au § 3 " est remplacé par le membre de phrase " au § 3 ou à l'article 100quinquies decies " ;
4° au paragraphe 5, le membre de phrase " au § 3 " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " au § 3 ou à l'article 100quinquies decies " ;
5° au paragraphe 5, le nombre " 600 " est remplacé par le nombre " 490 ".
6° au paragraphe 7, le membre de phrase " aux §§ 3 et 4 du présent article " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " aux paragraphes 3 et 4 du présent article ou à l'article 100quinquies decies " et le membre de phrase " au § 3 du présent article " est remplacé par le membre de phrase " au paragraphe 3 du présent article ou à l'article 100quinquies decies " ;
7° au paragraphe 7bis, le membre de phrase " aux §§ 3 et 4 du présent article " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " aux paragraphes 3 et 4 du présent article ou à l'article 100quinquies decies " ;
8° au paragraphe 7ter, le membre de phrase " aux §§ 3 et 4 du présent article " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " aux paragraphes 3 et 4 du présent article ou à l'article 100quinquies decies " ;
9° au paragraphe 7quater, le membre de phrase " au § 3 " est remplacé par le membre de phrase " au paragraphe 3 ou à l'article 100quinquies decies ".
Art. 8. In artikel 36 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 6 juli 2018, wordt in punt 1° de zinsnede "op 30 juni voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat ten minste 720 dagen dienstanciënniteit telt" vervangen door de zinsnede "op 31 augustus voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat ten minste 690 dagen dienstanciënniteit telt" en wordt de zinsnede "van de 720 dagen er 360 werden gepresteerd" vervangen door de zinsnede "van de 690 dagen er 360 zijn gepresteerd".
Art. 8. Dans l'article 36 du même décret, remplacé par le décret du 6 juillet 2018, au point 1°, le membre de phrase " il compte au 30 juin précédant la date de l'entrée en vigueur de la nomination au moins 720 jours d'ancienneté de service " est remplacé par le membre de phrase " il compte au 30 août précédant la date d'entrée en vigueur de la nomination au moins 690 jours d'ancienneté de service " et le membre de phrase " 360 de ces 720 jours aient été prestés " sont remplacés par le membre de phrase " 360 de ces 690 jours aient été prestés ".
Art. 9. In artikel 55vicies/8, § 5, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 juni 2015, wordt de zinsnede "zoals bedoeld in artikel 21, § 3, of 21bis, § 3," vervangen door de zinsnede "zoals bedoeld in artikel 21, § 3, artikel 100quater decies, artikel 21bis, § 3, of artikel 100quinquies decies,".
Art. 9. L'article 55vicies/8, § 5, du même décret, inséré par le décret du 19 juin 2015, le membre de phrase " telle que visée à l'article 21, § 3, ou 21 bis, § 3, " est remplacé par le membre de phrase " telle que visée à l'article 21, § 3, à l'article 100quater decies, à l'article 21bis, § 3, ou à l'article 100quinquies decies, ".
Art. 10. In artikel 56, § 5, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, wordt de zinsnede "zoals bedoeld in artikel 21, § 3, of 21bis, § 3, van dit decreet, of in artikelen 23, § 3, of 23bis, § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs" vervangen door de zinsnede "zoals bedoeld in artikel 21, § 3, of artikel 100quater decies, en artikel 21bis, § 3, of artikel 100quinquies decies, van dit decreet of in artikel 23, § 3, of artikel 77bis en artikel 23bis, § 3, of artikel 77ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs,".
Art. 10. Dans l'article 56, § 5, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 mai 2009, le membre de phrase " telle que visée à l'article 21, § 3, ou 21bis, § 3, du présent décret, ou à l'article 23, § 3, ou 23bis, § 3, du décret relatif au statut des personnels de l'enseignement subventionné " est remplacé par le membre de phrase " telle que visée à l'article 21, § 3, ou à l'article 100quater decies et à l'article 21bis, § 3, ou à l'article 100quinquies decies du présent décret, ou à l'article 23, § 3, ou à l'article 77bis et à l'article 23bis, § 3, ou à l'article 77ter du décret relatif au statut des personnels de l'enseignement subventionné, ".
Art. 11. In artikel 56/1, § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 juni 2018, wordt de zinsnede "zoals bedoeld in artikel 21, § 3, en artikel 21bis, § 3, van dit decreet of in artikel 23, § 3, en artikel 23bis, § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs," vervangen door de zinsnede "zoals bedoeld in artikel 21, § 3, of artikel 100quater decies en artikel 21bis, § 3, of artikel 100quinquies decies van dit decreet of in artikel 23, § 3, of artikel 77bis en artikel 23bis, § 3, of artikel 77ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs,".
Art. 11. Dans l'article 56/1, § 3, du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009 et modifié en dernier lieu par le décret du 15 juin 2018, le membre de phrase " telle que visée aux articles 21, § 3, et 21bis, § 3, du présent décret, ou aux articles 23, § 3, et 23bis, § 3, du décret relatif au statut des personnels de l'enseignement subventionné, " est remplacé par le membre de phrase " telle que visée à l'article 21, § 3, ou à l'article 100quater decies et à l'article 21bis, § 3, ou à l'article 100quinquies decies du présent décret, ou à l'article 23, § 3, ou à l'article 77bis et à l'article 23bis, § 3, ou à l'article 77ter du décret relatif au statut des personnels de l'enseignement subventionné, ".
Art. 12. In artikel 73ter, § 7, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007 en gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, worden de woorden "permanente vorming en nascholing" vervangen door de woorden "aanvangsbegeleiding, permanente vorming en nascholing".
Art. 12. Dans l'article 73ter, § 7, du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998, remplacé par le décret du 13 juillet 2007 et modifié par le décret du 8 mai 2009, les mots " en matière de formation permanente et de formation continuée " sont remplacés par les mots " en matière d'encadrement initial, de formation permanente et de formation continuée ".
Art. 13. In artikel 91, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003 en 10 juli 2003, wordt de zinsnede "van de artikelen 21, § 3, en 21bis, § 3" vervangen door de zinsnede "van de artikelen 21, § 3, of 100quater decies en 21bis, § 3, of 100 quinquies decies".
Art. 13. L'article 91, § 1er, du même décret, modifié par les décrets des 14 février 2003 et 10 juillet 2003, le membre de phrase " des articles 21, § 3, et 21bis, § 3 " est remplacé par le membre de phrase " des articles 21, § 3 ou 100quater decies, et 21bis, § 3 ou 100quinquies decies ".
Art. 14. In hoofdstuk XI van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt een artikel 100quater decies ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 100quater decies. § 1. In afwijking van artikel 21, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2019 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5, als het personeelslid uiterlijk op 30 juni 2019 in dat ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep gespreid over ten minste drie schooljaren in dat ambt een dienstanciënniteit heeft verworven van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;
2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.
Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 en 3 en van artikel 21, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2020 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5, als het personeelslid:
1° tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt aangesteld is in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep;
2° uiterlijk op 30 juni 2020 in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep in het betrokken ambt gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft verworven van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;
2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.
Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 en van artikel 21, § 3, heeft een personeelslid op 1 september recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° na 31 augustus 2019 tijdelijk aangesteld worden in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep;
2° uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
3° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.
Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIIIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding werd afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIIIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens deze bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens deze bijkomende periode moet volgen.
Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de raad van bestuur. De raad van bestuur gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De raad van bestuur bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de raad van bestuur vragen om gehoord te worden. De raad van bestuur hoort in dat geval beide partijen voordat hij een beslissing neemt.
De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken beoordeling door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
In het bevoegde lokaal comité van de scholengroep worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;
2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.
Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.".
Art. 14. Dans le chapitre XI du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, il est inséré un article 100quater decies, qui s'énonce comme suit :
" Art. 100quater decies. § 1er. Par dérogation à l'article 21, § 3, un membre du personnel a droit, à compter du 1er septembre 2019, à une désignation temporaire à durée ininterrompue pour une fonction visée à l'article 21, § 5, s'il a acquis, au plus tard le 30 juin 2019, au cours d'une période d'au moins trois années scolaires, dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles, une ancienneté de service d'au moins 720 jours, dont 600 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 210 jours pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les fonctions :
1° dans les établissements du même groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement ;
2° dans les établissements du même groupe d'écoles appartenant à un centre d'enseignement.
Pour pouvoir exercer son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat auprès du conseil d'administration par lettre recommandée avant le 15 juin. Lorsque le membre du personnel est pour la première fois effectivement désigné pour une durée ininterrompue à la fonction pour laquelle il a acquis le droit dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles, cette désignation vaut à partir de ce moment comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre Vbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge.
§ 2. Par dérogation aux paragraphes 1er et 3 et à l'article 21, § 3, un membre du personnel a droit, à compter du 1er septembre 2020, à une désignation temporaire à durée ininterrompue pour une fonction visée à l'article 21, § 5, si le membre du personnel :
1° est désigné pendant l'année scolaire 2019-2020 à la fonction en question dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles ;
2° a acquis, au plus tard le 30 juin 2020, au cours d'une période d'au moins trois années scolaires, dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles, une ancienneté de service d'au moins 720 jours, dont 600 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 210 jours pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les fonctions :
1° dans les établissements du même groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement ;
2° dans les établissements du même groupe d'écoles appartenant à un centre d'enseignement.
Pour pouvoir exercer son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat auprès du conseil d'administration par lettre recommandée avant le 15 juin. Lorsque le membre du personnel est pour la première fois effectivement désigné pour une durée ininterrompue à la fonction pour laquelle il a acquis le droit dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles, cette désignation vaut à partir de ce moment comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre Vbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge.
§ 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2 et à l'article 21, § 3, un membre du personnel a droit, à compter du 1er septembre 2020, à une désignation temporaire à durée ininterrompue à une fonction telle que visée à l'article 21, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles :
1° être désigné après le 31 août 2019 à la fonction en question dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles ;
2° avoir acquis, au plus tard le 30 juin 2019, au cours d'une période d'au moins deux années scolaires, dans la fonction concernée, une ancienneté de service d'au moins 580 jours et d'au plus 719 jours, dont 400 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 140 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
3° ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation avec points d'amélioration telle que visée à l'alinéa 2. Si le membre du personnel n'a pas été évalué au plus tard le 30 juin de l'année scolaire au cours de laquelle il a été désigné temporairement, cette condition est réputée remplie.
Sans préjudice de l'application du chapitre VIIIter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et peut lui donner une évaluation avec points d'amélioration. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et les points d'amélioration, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. Dans ce cas, le membre du personnel est tenu de prester 200 jours supplémentaires de jours effectifs après lesquels il acquiert le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, à condition que, en application du chapitre VIIIter, le membre du personnel n'ait pas bénéficié, au plus tard à la fin de cette période, d'une évaluation définitive avec la conclusion finale " insuffisant ". Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte pendant cette période supplémentaire comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation. A chaque nouvelle désignation du membre du personnel à la fonction concernée, il est établi, conformément aux points d'amélioration de l'évaluation, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant cette période supplémentaire.
Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation avec points d'amélioration visée à l'alinéa 2 peut introduire un recours auprès du conseil d'administration. Le conseil d'administration examine ensuite si l'évaluation avec points d'amélioration est raisonnable et si le report du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue est justifié. Le conseil d'administration confirme ou annule l'évaluation avec points d'amélioration. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au conseil d'administration d'être entendus. Dans ce cas, le conseil d'administration entend les deux parties avant de prendre une décision.
L'instance compétente du culte concerné ou de la morale non confessionnelle doit également donner son accord à l'évaluation de l'enseignant de cours philosophiques pour ce qui est des aspects techniques et du contenu du cours enseigné. Cet accord est attesté par la signature de cette partie de l'évaluation en question par un représentant de l'instance compétente.
Quant à l'évaluation, des arrangements généraux sont négociés au sein du comité local compétent du groupe d'écoles.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les fonctions :
1° dans les établissements du même groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement ;
2° dans les établissements du même groupe d'écoles appartenant à un centre d'enseignement.
Pour pouvoir exercer son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat auprès du conseil d'administration par lettre recommandée avant le 15 juin. Lorsque le membre du personnel est pour la première fois effectivement désigné pour une durée ininterrompue à la fonction pour laquelle il a acquis le droit dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles, cette désignation vaut à partir de ce moment comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre Vbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge. ".
Art. 15. In hoofdstuk XI van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt een artikel 100quinquies decies ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 100quinquies decies. § 1. In afwijking van artikel 21bis, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2019 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5, als het personeelslid uiterlijk op 30 juni 2019 in dat ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep gespreid over ten minste drie schooljaren in dat ambt een dienstanciënniteit heeft verworven van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net;
2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;
3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.
Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 en 3 en van artikel 21bis, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2020 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5, als het personeelslid:
1° tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt aangesteld is in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep;
2° uiterlijk op 30 juni 2020 in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft verworven van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net;
2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;
3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.
Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 en van artikel 21bis, § 3, heeft een personeelslid recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21bis, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° na 31 augustus 2019 tijdelijk aangesteld worden in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep;
2° uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
3° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.
Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIIIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding werd afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIIIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens deze bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens deze bijkomende periode moet volgen.
Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de raad van bestuur. De raad van bestuur gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De raad van bestuur bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de raad van bestuur vragen om gehoord te worden. De raad van bestuur hoort in dat geval beide partijen voordat het een beslissing neemt.
De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken beoordeling door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net;
2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;
3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.
Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.".
Art. 15. Dans le chapitre XI du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, il est inséré un article 100quinquies decies, qui s'énonce comme suit :
" Art. 103quinquies decies. § 1er. Par dérogation à l'article 21bis, § 3, un membre du personnel a droit, à compter du 1er septembre 2019, à une désignation temporaire à durée ininterrompue pour une fonction visée à l'article 21, § 5, s'il a acquis, au plus tard le 30 juin 2019, au cours d'une période d'au moins trois années scolaires, dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles, une ancienneté de service d'au moins 720 jours, dont 600 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 210 jours pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les fonctions :
1° dans les établissements du même centre d'enseignement quel que soit le réseau ;
2° dans les établissements d'un autre centre d'enseignement du même groupe d'écoles ;
3° dans les établissements du même groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement.
Pour pouvoir exercer son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat auprès du conseil d'administration par lettre recommandée avant le 15 juin. Lorsque le membre du personnel est pour la première fois effectivement désigné pour une durée ininterrompue à la fonction pour laquelle il a acquis le droit dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles, cette désignation vaut à partir de ce moment comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre Vbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge.
§ 2. Par dérogation aux paragraphes 1er et 3 et à l'article 21, § 3, un membre du personnel a droit, à compter du 1er septembre 2020, à une désignation temporaire à durée ininterrompue à une fonction visée à l'article 21, § 5, si le membre du personnel :
1° est désigné pendant l'année scolaire 2019-2020 à la fonction en question dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles ;
2° s'il a acquis, au plus tard le 30 juin 2020, au cours d'une période d'au moins trois années scolaires, dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles, une ancienneté de service d'au moins de 720 jours, dont 600 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 210 jours pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les fonctions :
1° dans les établissements du même centre d'enseignement quel que soit le réseau ;
2° dans les établissements d'un autre centre d'enseignement du même groupe d'écoles ;
3° dans les établissements du même groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement.
Pour pouvoir exercer son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat auprès du conseil d'administration par lettre recommandée avant le 15 juin. Lorsque le membre du personnel est pour la première fois effectivement désigné pour une durée ininterrompue à la fonction pour laquelle il a acquis le droit dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles, cette désignation vaut à partir de ce moment comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre Vbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge.
§ 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2 et à l'article 21, § 3, un membre du personnel a droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue pour une fonction telle que visée à l'article 21bis, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles :
1° être désigné après le 31 août 2019 à la fonction en question dans un ou plusieurs établissements du même groupe d'écoles ;
2° avoir acquis, au plus tard le 30 juin 2019, au cours d'une période d'au moins deux années scolaires, dans la fonction concernée, une ancienneté de service d'au moins 580 jours et d'au plus 719 jours, dont 400 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 140 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
3° ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation avec points d'amélioration telle que visée à l'alinéa 2. Si le membre du personnel n'a pas été évalué au plus tard le 30 juin de l'année scolaire au cours de laquelle il a été désigné temporairement, cette condition est réputée remplie.
Sans préjudice de l'application du chapitre VIIIter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et peut lui donner une évaluation avec points d'amélioration. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et les points d'amélioration, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. Dans ce cas, le membre du personnel est tenu de prester 200 jours supplémentaires de jours effectifs après lesquels il acquiert le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, à condition que, en application du chapitre VIIIter, le membre du personnel n'ait pas bénéficié, au plus tard à la fin de cette période, d'une évaluation définitive avec la conclusion finale " insuffisant ". Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte pendant cette période supplémentaire comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation. A chaque nouvelle désignation du membre du personnel à la fonction concernée, il est établi, conformément aux points d'amélioration de l'évaluation, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant cette période supplémentaire.
Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation avec points d'amélioration visée à l'alinéa 2 peut introduire un recours auprès du conseil d'administration. Le conseil d'administration examine ensuite si l'évaluation avec points d'amélioration est raisonnable et si le report du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue est justifié. Le conseil d'administration confirme ou annule l'évaluation avec points d'amélioration. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au conseil d'administration d'être entendus. Dans ce cas, le conseil d'administration entend les deux parties avant de prendre une décision.
L'instance compétente du culte concerné ou de la morale non confessionnelle doit également donner son accord à l'évaluation de l'enseignant de cours philosophiques pour ce qui est des aspects techniques et du contenu du cours enseigné. Cet accord est attesté par la signature de cette partie de l'évaluation en question par un représentant de l'instance compétente.
Quant à l'évaluation, des arrangements généraux sont négociés au sein du comité local compétent.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue vaut dans l'ordre suivant pour les fonctions :
1° dans les établissements du même centre d'enseignement quel que soit le réseau ;
2° dans les établissements d'un autre centre d'enseignement du même groupe d'écoles ;
3° dans les établissements du même groupe d'écoles n'appartenant pas à un centre d'enseignement.
Pour pouvoir exercer son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat auprès du conseil d'administration par lettre recommandée avant le 15 juin. Lorsque le membre du personnel est pour la première fois effectivement désigné pour une durée ininterrompue à la fonction pour laquelle il a acquis le droit dans un ou plusieurs établissements du groupe d'écoles, cette désignation vaut à partir de ce moment comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre Vbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge. ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991
CHAPITRE 3. - Modifications du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné
Art. 16. Aan artikel 5 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt een punt 33° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"33° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie.".
Art. 16. L'article 5 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des personnels de l'enseignement subventionné, tel que modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, est complété par un point 33° ainsi rédigé :
" 33° encadrement initial : le soutien structurel d'un membre du personnel temporaire qui est désigné pour une durée déterminée. L'encadrement initial vise à aider le membre du personnel temporaire à apprendre à gérer ses tâches essentielles, à apprendre à se développer davantage en tant que personne et en tant que professionnel et à trouver sa voie dans son établissement en tant que lieu de travail et organisation apprenante. ".
Art. 17. In artikel 6, § 4, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt het getal "720" vervangen door het getal "580".
Art. 17. Dans l'article 6, § 4, alinéa 2, du même décret, inséré par le décret du 6 juillet 2018, le nombre " 720 " est remplacé par le nombre " 580 ".
Art. 18. Aan artikel 20 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999 en 15 juni 2007, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 4. Een tijdelijke aanstelling gebeurt in een vacante betrekking of in een niet-vacante betrekking voor een bepaalde duur of voor een doorlopende duur.".
Art. 18. L'article 20 du même décret, modifié par les décrets des 18 mai 1999 et 15 juin 2012, est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit :
" § 4. Une désignation temporaire se fait dans un emploi vacant ou non vacant pour une durée déterminée ou pour une durée ininterrompue. ".
Art. 19. In titel II, hoofdstuk III, afdeling 2, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt een artikel 20bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 20bis. Een tijdelijk personeelslid wordt altijd aangesteld voor bepaalde duur, tenzij het personeelslid voldoet aan artikel 23, 23bis, 77bis of 77ter.
Tijdens de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur heeft een tijdelijk personeelslid recht op aanvangsbegeleiding. Het tijdelijke personeelslid wordt tijdens de periode van aanvangsbegeleiding gecoacht en ondersteund. De duur en intensiteit van de aanvangsbegeleiding worden bepaald in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator en opgenomen in een schriftelijke overeenkomst of in voorkomend geval in de functiebeschrijving van het personeelslid. De schriftelijke overeenkomst wordt in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator tijdens de periode van de aanvangsbegeleiding aangepast als gevolg van nieuwe afspraken.
Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de inrichtende macht of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort.
§ 2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 44bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet.".
Art. 19. Dans le titre II, chapitre III, section 2 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, il est inséré un article 20bis rédigé comme suit :
" Art. 20bis. Le membre du personnel temporaire est toujours désigné pour une durée déterminée, à moins qu'il ne réponde aux articles 23, 23bis, 77bis ou 77ter.
Pendant la désignation temporaire à durée déterminée, le membre du personnel temporaire a droit à l'encadrement initial. Le membre du personnel temporaire est accompagné et soutenu pendant l'encadrement initial. La durée et l'intensité de l'encadrement initial sont déterminées d'un commun accord entre le membre du personnel et le premier évaluateur et sont fixées dans une convention écrite ou, le cas échéant, dans la description de fonction du membre du personnel. La convention écrite est adaptée d'un commun accord entre le membre du personnel et le premier évaluateur pendant la période de l'encadrement initial à la suite de nouveaux arrangements.
Les arrangements généraux sur l'encadrement initial sont négociés au sein du comité local compétent par le pouvoir organisateur ou par le centre d'enseignement au cas où l'école appartient à un centre d'enseignement.
§ 2. Pour un membre du personnel nommé à titre définitif qui est désigné temporairement pour une durée déterminée par application de l'article 44bis ou à la suite d'une réaffectation ou d'une remise au travail, l'obligation d'encadrement initial visée au paragraphe 1er ne s'applique pas.
Art. 20. In artikel 23 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt de zin "Een tijdelijke aanstelling in een instelling of CLB kan gebeuren in een vacante en/of niet vacante betrekking voor een bepaalde of voor een doorlopende duur." vervangen door de zin "Een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur kan gebeuren in een vacante betrekking of in een niet-vacante betrekking.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in paragraaf 5, als hij in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
2° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de voorwaarden, vermeld in punt 1°, bereikt geen beoordeling heeft gekregen, wordt die voorwaarde geacht vervuld te zijn.
Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens die bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen.
Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de inrichtende macht. De inrichtende macht gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De inrichtende macht bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de inrichtende macht vragen om gehoord te worden. De inrichtende macht hoort in dat geval beide partijen voordat ze een beslissing neemt.
De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dat akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de beoordeling in kwestie door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht waarbij het recht is verworven.
Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij die inrichtende macht met een ter post aangetekende brief. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven. Als het personeelslid in een of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.";
3° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "in § 3" telkens vervangen door de zinsnede "in paragraaf 3 of artikel 77bis";
4° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "in § 3" telkens vervangen door de zinsnede "in paragraaf 3 of artikel 77bis";
5° in paragraaf 5, vierde lid, wordt de zin "Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit." vervangen door de zin "Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, derde lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 490 dagen dienstanciënniteit.";
6° in paragraaf 7 wordt de zinsnede " § 3 en § 4 van dit artikel" telkens vervangen door de zinsnede "paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77bis" en wordt de zinsnede " § 3 van dit artikel" vervangen door "paragraaf 3 van dit artikel of artikel 77bis";
7° in paragraaf 7bis wordt de zinsnede " § 3 en § 4 van dit artikel" telkens vervangen door de zinsnede "paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77bis";
8° in paragraaf 7ter wordt de zinsnede " § 3 en § 4 van dit artikel" telkens vervangen door de zinsnede "paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77bis";
9° in paragraaf 7quater wordt de zinsnede "in § 3" vervangen door de zinsnede "in paragraaf 3 of artikel 77bis".
Art. 20. A l'article 23 du même décret, remplacé par le décret du 14 février 2003 et modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, la phrase " Une désignation temporaire dans un établissement ou CLB peut se faire en un emploi vacant et/ou non vacant pour une durée déterminée ou pour une durée ininterrompue. " est remplacée par la phrase " Une désignation temporaire à durée ininterrompue peut s'effectuer dans un emploi vacant ou non vacant. " ;
2° le paragraphe 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Un membre du personnel a droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue pour une fonction visée au paragraphe 5 s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements ou CLB du même pouvoir organisateur :
1° avoir acquis, au cours d'une période d'au moins deux années scolaires, une ancienneté de service d'au moins 580 jours, dont 400 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 140 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
2° ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation avec points d'amélioration telle que visée à l'alinéa 2. Si le membre du personnel n'a pas été évalué au plus tard le 30 juin de l'année scolaire au cours de laquelle il remplit les conditions visées au point 1°, cette condition est réputée remplie.
Sans préjudice de l'application du chapitre VIter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et peut lui donner une évaluation avec points d'amélioration. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et les points d'amélioration, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. Dans ce cas, le membre du personnel est tenu de prester 200 jours supplémentaires de jours effectifs après lesquels il acquiert le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, à condition que, en application du chapitre VIter, le membre du personnel n'ait pas bénéficié, au plus tard à la fin de cette période, d'une évaluation définitive avec la conclusion finale " insuffisant ". Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte pendant cette période supplémentaire comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation. A chaque nouvelle désignation du membre du personnel à la fonction concernée, il est établi, conformément aux points d'amélioration de l'évaluation, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant cette période supplémentaire.
Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation avec points d'amélioration visée à l'alinéa 2 peut introduire un recours auprès du pouvoir organisateur. Le pouvoir organisateur examine ensuite si l'évaluation avec points d'amélioration est raisonnable et si le report du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue est justifié. Le pouvoir organisateur confirme ou annule l'évaluation avec points d'amélioration. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au pouvoir organisateur d'être entendus. Dans ce cas, le pouvoir organisateur entend les deux parties avant de prendre une décision.
L'instance compétente du culte concerné ou de la morale non confessionnelle doit également donner son accord à l'évaluation de l'enseignant de cours philosophiques pour ce qui est des aspects techniques et du contenu du cours enseigné. Cet accord est attesté par la signature de cette partie de l'évaluation en question par un représentant de l'instance compétente.
Quant à l'évaluation, des arrangements généraux sont négociés au sein du comité local compétent.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue s'applique aux emplois dans tous les établissements ou CLB du pouvoir organisateur auprès desquels le droit a été acquis.
Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès de ce pouvoir organisateur. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis. Lorsque le membre du personnel est pour la première fois effectivement désigné pour une durée ininterrompue à la fonction pour laquelle il a acquis le droit dans un ou plusieurs établissements ou CLB du pouvoir organisateur, cette désignation vaut à partir de ce moment comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge. " ;
3° au paragraphe 4, le membre de phrase " au § 3 " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " au § 3 ou à l'article 77bis " ;
4° au paragraphe 5, le membre de phrase " au § 3 " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " au § 3 ou à l'article 77bis " ;
5° au paragraphe 5, alinéa 4, la phrase " Cette ancienneté de service est calculée conformément au paragraphe 4, dernier alinéa, du présent article et est limitée pour cette application à une ancienneté de service de 600 jours au maximum. " est remplacée par la phrase " Cette ancienneté de service est calculée conformément au paragraphe 4, alinéa 3, du présent article et est limitée pour cette application à une ancienneté de service de 490 jours au maximum. " ;
6° au paragraphe 7, le membre de phrase " aux §§ 3 et 4 du présent article " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " aux paragraphes 3 et 4 du présent article ou à l'article 77bis " et le membre de phrase " § 3 du présent article " est remplacé par le membre de phrase " au paragraphe 3 du présent article ou à l'article 77bis " ;
7° au paragraphe 7bis, le membre de phrase " aux §§ 3 et 4 du présent article " est chaque fois remplacé par les mots " aux paragraphes 3 et 4 du présent article ou à l'article 77bis " ;
8° au paragraphe 7ter, le membre de phrase " aux §§ 3 et 4 du présent article " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " aux paragraphes 3 et 4 du présent article ou à l'article 77bis " ;
9° au paragraphe 7quater, le membre de phrase " au § 3 " est remplacé par le membre de phrase " au paragraphe 3 ou à l'article 77bis ".
Art. 21. In artikel 23bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 worden de woorden "voor een bepaalde of voor een doorlopende duur in een vacante en/of niet-vacante betrekking" vervangen door de woorden "voor een doorlopende duur in een vacante betrekking of in een niet-vacante betrekking";
2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in paragraaf 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
2° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de voorwaarden, vermeld in punt 1°, bereikt geen beoordeling heeft gekregen, wordt die voorwaarde geacht vervuld te zijn.
Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens die bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen.
Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de inrichtende macht. De inrichtende macht gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De inrichtende macht bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de inrichtende macht vragen om gehoord te worden. De inrichtende macht hoort in dat geval beide partijen voordat ze een beslissing neemt.
De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dat akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de beoordeling in kwestie door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
In het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling.
Als het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in een of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dat recht voor betrekkingen in alle instellingen van die scholengemeenschap.
Om een beroep te doen op dat recht moet het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat stellen met een ter post aangetekende brief bij een inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie.
Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan die waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven.
Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengemeenschap een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.";
3° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "in § 3" vervangen door de zinsnede "in paragraaf 3 of artikel 77ter";
4° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "in § 3" telkens vervangen door de zinsnede "in paragraaf 3 of artikel 77ter";
5° in paragraaf 5, vierde lid, wordt het getal "600" vervangen door het getal "490";
6° in paragraaf 7 wordt de zinsnede " § 3 en § 4 van dit artikel" telkens vervangen door de zinsnede "paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77ter" en wordt de zinsnede " § 3 van dit artikel" vervangen door "paragraaf 3 van dit artikel of artikel 77ter";
7° in paragraaf 7bis wordt de zinsnede " § 3 en § 4 van dit artikel" telkens vervangen door de zinsnede "paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77ter";
8° in paragraaf 7ter wordt de zinsnede " § 3 en § 4 van dit artikel" telkens vervangen door de zinsnede "paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77ter";
9° in paragraaf 7quater wordt de zinsnede "in § 3" vervangen door de zinsnede "in paragraaf 3 of artikel 77ter".
Art. 21. A l'article 23bis du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998, remplacé par le décret du 14 février 2003 et modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 2, les mots " pour une durée déterminée ou ininterrompue dans un emploi vacant et/ou non vacant " sont remplacés par les mots " pour une durée ininterrompue dans un emploi vacant et/ou non vacant " ;
2° le paragraphe 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Un membre du personnel a droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue pour une fonction visée au paragraphe 5 s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement :
1° avoir acquis, au cours d'une période d'au moins deux années scolaires, une ancienneté de service d'au moins 580 jours, dont 400 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 140 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
2° ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation avec points d'amélioration telle que visée à l'alinéa 2. Si le membre du personnel n'a pas été évalué au plus tard le 30 juin de l'année scolaire au cours de laquelle il remplit les conditions visées au point 1°, cette condition est réputée remplie.
Sans préjudice de l'application du chapitre VIter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et peut lui donner une évaluation avec points d'amélioration. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et les points d'amélioration, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. Dans ce cas, le membre du personnel est tenu de prester 200 jours supplémentaires de jours effectifs après lesquels il acquiert le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, à condition que, en application du chapitre VIter, le membre du personnel n'ait pas bénéficié, au plus tard à la fin de cette période, d'une évaluation définitive avec la conclusion finale " insuffisant ". Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte pendant cette période supplémentaire comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation. A chaque nouvelle désignation du membre du personnel à la fonction concernée, il est établi, conformément aux points d'amélioration de l'évaluation, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant cette période supplémentaire.
Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation avec points d'amélioration visée à l'alinéa 2 peut introduire un recours auprès du pouvoir organisateur. Le pouvoir organisateur examine ensuite si l'évaluation avec points d'amélioration est raisonnable et si le report du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue est justifié. Le pouvoir organisateur confirme ou annule l'évaluation avec points d'amélioration. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au pouvoir organisateur d'être entendus. Dans ce cas, le pouvoir organisateur entend les deux parties avant de prendre une décision.
L'instance compétente du culte concerné ou de la morale non confessionnelle doit également donner son accord à l'évaluation de l'enseignant de cours philosophiques pour ce qui est des aspects techniques et du contenu du cours enseigné. Cet accord est attesté par la signature de cette partie de l'évaluation en question par un représentant de l'instance compétente.
Quant à l'évaluation, des arrangements généraux sont négociés au sein du comité local compétent du centre d'enseignement.
Lorsque le membre du personnel a acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue auprès d'un ou de plusieurs établissements d'un centre d'enseignement, ce droit vaut pour les emplois dans tous les établissements de ce centre d'enseignement.
Pour faire valoir son droit, le membre du personnel doit, sous peine de le perdre pour l'année scolaire suivante, se porter candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès d'un pouvoir organisateur d'un des établissements du centre d'enseignement. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis et pour tous les établissements du centre d'enseignement en question.
Lorsque le membre du personnel a presté des services auprès d'un autre pouvoir organisateur que celui auprès duquel il introduit sa candidature, il ajoute à sa candidature une liste des services déjà prestés afin de justifier l'exercice de son droit à une désignation à durée ininterrompue.
Lorsque le membre du personnel est pour la première fois effectivement désigné pour une durée ininterrompue dans la fonction pour laquelle il a acquis le droit dans un ou plusieurs établissements du centre d'enseignement, cette désignation vaut à partir de ce moment comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge. " ;
3° au paragraphe 4, le membre de phrase " au § 3 " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " au § 3 ou à l'article 77ter " ;
4° au paragraphe 5, le membre de phrase " au § 3 " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " au § 3 ou à l'article 77ter " ;
5° au paragraphe 5, alinéa 4, le nombre " 600 " est remplacé par le nombre " 490 " ;
6° au paragraphe 7, le membre de phrase " aux §§ 3 et 4 du présent article " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " aux paragraphes 3 et 4 du présent article ou à l'article 77ter " et le membre de phrase " au § 3 du présent article " est remplacé par le membre de phrase " au paragraphe 3 du présent article ou à l'article 77ter " ;
7° au paragraphe 7bis, le membre de phrase " aux §§ 3 et 4 du présent article " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " aux paragraphes 3 et 4 du présent article ou à l'article 77ter " ;
8° au paragraphe 7ter, le membre de phrase " aux §§ 3 et 4 du présent article " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " aux paragraphes 3 et 4 du présent article ou à l'article 77ter " ;
9° au paragraphe 7quater, le membre de phrase " au § 3 " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " au paragraphe 3 ou à l'article 77ter ".
Art. 22. In artikel 31, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 6 juli 2018, wordt in punt 1° de zinsnede "op 30 juni voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat ten minste 720 dagen dienstanciënniteit heeft" vervangen door de zinsnede "op 31 augustus voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat ten minste 690 dagen dienstanciënniteit heeft" en wordt de zinsnede "kan de inrichtende macht eisen dat van de 720 dagen er 360 werden gepresteerd" vervangen door de zinsnede "kan de inrichtende macht eisen dat van de 690 dagen er 360 zijn gepresteerd".
Art. 22. L'article 31, § 1er, du même décret, remplacé par le décret du 6 juillet 2018, au point 1°, le membre de phrase " il compte au 30 juin précédant la date de l'entrée en vigueur de la nomination au moins 720 jours d'ancienneté de service " est remplacé par le membre de phrase " il compte au 30 août précédant la date d'entrée en vigueur de la nomination au moins 690 jours d'ancienneté de service " et le membre de phrase " le pouvoir organisateur peut exiger que 360 de ces 720 jours aient été prestés " sont remplacés par le membre de phrase " le pouvoir organisateur peut exiger que 360 des 690 jours aient été prestés ".
Art. 23. In artikel 47ter, § 8, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007 en gewijzigd bij de decreten van 4 juli 2008 en 8 mei 2009, worden de woorden "permanente vorming en nascholing" vervangen door de woorden "aanvangsbegeleiding, permanente vorming en nascholing".
Art. 23. A l'article 47ter, § 8, du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998, remplacé par le décret du 13 juillet 2007 et modifié par les décrets des 4 juillet 2008 et 8 mai 2009, les mots " en matière de formation permanente et de formation continuée " sont remplacés par les mots " en matière d'encadrement initial, de formation permanente et de formation continuée ".
Art. 24. In artikel 65, § 5, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2007, wordt de zinsnede "naargelang het geval artikel 23, § 3, of artikel 23bis, § 3," vervangen door de zinsnede "naargelang het geval artikel 23, § 3, artikel 77bis, artikel 23bis, § 3, of artikel 77ter,".
Art. 24. L'article 65, § 5, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 22 juin 2007, le membre de phrase " le cas échéant, l'article 23, § 3 ou l'article 23 bis, § 3, " est remplacé par le membre de phrase " le cas échéant, l'article 23, § 3, l'article 77 bis, l'article 23 bis, § 3 ou l'article 77 ter, ".
Art. 25. In artikel 74bis1, § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 juni 2018, wordt de zinsnede "zoals bedoeld in artikel 23, § 3, en artikel 23bis, § 3, van dit decreet of in artikel 21, § 3, en artikel 21bis, § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs," vervangen door de zinsnede "zoals bedoeld in artikel 23, § 3, of artikel 77bis en artikel 23bis, § 3, of artikel 77ter van dit decreet of in artikel 21, § 3, of artikel 100quater decies en artikel 21bis, § 3, of artikel 100quinquies decies van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs,".
Art. 25. Dans l'article 74bis 1, § 3, du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009 et modifié en dernier lieu par le décret du 15 juin 2018, le membre de phrase " telle que visée aux articles 23, § 3, et 21bis, § 3, du présent décret, ou aux articles 21, § 3, et 23bis, § 3, du décret relatif au statut des personnels de l'enseignement subventionné, " est remplacé par le membre de phrase " telle que visée à l'article 23, § 3, ou à l'article 77bis et à l'article 23bis, § 3, ou à l'article 77ter du présent décret, ou à l'article 21, § 3, ou à l'article 100quater decies et à l'article 21bis, § 3, ou à l'article 100quinquies decies du décret relatif au statut des personnels de l'enseignement subventionné, ".
Art. 26. In artikel 77 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 28 april 1993, 14 februari 2003 en 10 juli 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "voor de toepassing van artikel 23, § 3, en 23bis, § 3," vervangen door de zinsnede "voor de toepassing van artikel 23, § 3, of artikel 77bis en artikel 23bis, § 3, of artikel 77ter,";
2° in paragraaf 8 wordt de zinsnede "voor de toepassing van artikel 23, § 3, en artikel 23bis, § 3," vervangen door de zinsnede "voor de toepassing van artikel 23, § 3, of artikel 77bis en artikel 23bis, § 3, of artikel 77ter,".
Art. 26. A l'article 77 du même décret, modifié par les décrets des 28 avril 1993, 14 février 2003 et 10 juillet 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 2, le membre de phrase " en application de l'article 23, § 3, et 23bis, § 3 " sont remplacés par les mots " en application de l'article 23, § 3, ou de l'article 77bis et de l'article 23bis, § 3, ou de l'article 77ter, " ;
2° au paragraphe 8, le membre de phrase " en application des articles 23, § 3, et 23bis, § 3, " sont remplacés par les mots " en application de l'article 23, § 3, ou de l'article 77bis et de l'article 23bis, § 3, ou de l'article 77ter, ".
Art. 27. In titel 2, hoofdstuk XI, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt een artikel 77bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 77bis. § 1. In afwijking van artikel 23, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2019 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23, § 5, als het personeelslid uiterlijk op 30 juni 2019 in dat ambt in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft verworven van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht waarbij het recht is verworven.
Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij die inrichtende macht met een ter post aangetekende brief. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven.
Als het personeelslid in een of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 en 3 en van artikel 23, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2020 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23, § 5, als het personeelslid:
1° tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt aangesteld is in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht;
2° uiterlijk op 30 juni 2020 in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht in het betrokken ambt gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft verworven van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht waarbij het recht is verworven.
Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij die inrichtende macht met een ter post aangetekende brief. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven.
Als het personeelslid in een of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 en van artikel 23, § 3, heeft een personeelslid op 1 september recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23, § 5, als hij in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° na 31 augustus 2019 tijdelijk aangesteld worden in het betrokken ambt in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht;
2° uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
3° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld geen beoordeling heeft gekregen, wordt die voorwaarde geacht vervuld te zijn.
Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens die bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen.
Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de inrichtende macht. De inrichtende macht gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De inrichtende macht bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de inrichtende macht vragen om gehoord te worden. De inrichtende macht hoort in dat geval beide partijen voordat ze een beslissing neemt.
De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dat akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de beoordeling in kwestie door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht waarbij het recht is verworven.
Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij die inrichtende macht met een ter post aangetekende brief. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven. Als het personeelslid in een of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.".
Art. 27. Dans le titre 2, chapitre XI du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, il est inséré un article 77bis, qui s'énonce comme suit :
" Art. 77bis. § 1er. Par dérogation à l'article 23, § 3, un membre du personnel a droit, à compter du 1er septembre 2019, à une désignation temporaire à durée ininterrompue pour une fonction visée à l'article 23bis, § 5, s'il a acquis, au plus tard le 30 juin 2019, au cours d'une période d'au moins trois années scolaires, dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements ou CLB, une ancienneté de service d'au moins 720, dont 600 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 210 jours pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue s'applique aux emplois dans tous les établissements ou CLB du pouvoir organisateur auprès desquels le droit a été acquis.
Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès de ce pouvoir organisateur. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis.
Lorsque le membre du personnel est pour la première fois effectivement désigné pour une durée ininterrompue à la fonction pour laquelle il a acquis le droit dans un ou plusieurs établissements ou CLB du pouvoir organisateur, cette désignation vaut à partir de ce moment comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge.
§ 2. Par dérogation aux paragraphes 1er et 3 et à l'article 23, § 3, un membre du personnel a droit, à compter du 1er septembre 2020, à une désignation temporaire à durée ininterrompue pour une fonction visée à l'article 23, § 5, si le membre du personnel :
1° est désigné pendant l'année scolaire 2019-2020 à la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements ou CLB du même pouvoir organisateur ;
2° s'il a acquis, au plus tard le 30 juin 2020, au cours d'une période d'au moins trois années scolaires, dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements ou CLB du même pouvoir organisateur, une ancienneté de service d'au moins 720 jours, dont 600 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 210 jours pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue s'applique aux emplois dans tous les établissements ou CLB du pouvoir organisateur auprès desquels le droit a été acquis.
Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès de ce pouvoir organisateur. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis.
Lorsque le membre du personnel est pour la première fois effectivement désigné pour une durée ininterrompue à la fonction pour laquelle il a acquis le droit dans un ou plusieurs établissements ou CLB du pouvoir organisateur, cette désignation vaut à partir de ce moment comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge.
§ 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2 et à l'article 23, § 3, un membre du personnel a droit, à compter du 1er septembre, à une désignation temporaire à durée ininterrompue pour une fonction telle que visée à l'article 23, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements ou CLB du même pouvoir organisateur :
1° être désigné après le 31 août 2019 à la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements ou CLB du même pouvoir organisateur ;
2° avoir acquis, au plus tard le 30 juin 2019, au cours d'une période d'au moins deux années scolaires, dans la fonction concernée, une ancienneté de service d'au moins 580 jours et d'au plus 719 jours, dont 400 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 140 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
3° ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation avec points d'amélioration telle que visée à l'alinéa 2. Si le membre du personnel n'a pas été évalué au plus tard le 30 juin de l'année scolaire au cours de laquelle il a été désigné temporairement, cette condition est réputée remplie.
Sans préjudice de l'application du chapitre VIter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et peut lui donner une évaluation avec points d'amélioration. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et les points d'amélioration, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. Dans ce cas, le membre du personnel est tenu de prester 200 jours supplémentaires de jours effectifs après lesquels il acquiert le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, à condition que, en application du chapitre VIter, le membre du personnel n'ait pas bénéficié, au plus tard à la fin de cette période, d'une évaluation définitive avec la conclusion finale " insuffisant ". Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte pendant cette période supplémentaire comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation. A chaque nouvelle désignation du membre du personnel à la fonction concernée, il est établi, conformément aux points d'amélioration de l'évaluation, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant cette période supplémentaire.
Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation avec points d'amélioration visée à l'alinéa 2 peut introduire un recours auprès du pouvoir organisateur. Le pouvoir organisateur examine ensuite si l'évaluation avec points d'amélioration est raisonnable et si le report du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue est justifié. Le pouvoir organisateur confirme ou annule l'évaluation avec points d'amélioration. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au pouvoir organisateur d'être entendus. Dans ce cas, le pouvoir organisateur entend les deux parties avant de prendre une décision.
L'instance compétente du culte concerné ou de la morale non confessionnelle doit également donner son accord à l'évaluation de l'enseignant de cours philosophiques pour ce qui est des aspects techniques et du contenu du cours enseigné. Cet accord est attesté par la signature de cette partie de l'évaluation en question par un représentant de l'instance compétente.
Quant à l'évaluation, des arrangements généraux sont négociés au sein du comité local compétent.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue s'applique aux emplois dans tous les établissements ou CLB du pouvoir organisateur auprès desquels le droit a été acquis.
Pour faire valoir son droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, le membre du personnel, sous peine de perdre son droit pour l'année scolaire suivante, se porte candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès de ce pouvoir organisateur. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis. Lorsque le membre du personnel est pour la première fois effectivement désigné pour une durée ininterrompue à la fonction pour laquelle il a acquis le droit dans un ou plusieurs établissements ou CLB du pouvoir organisateur, cette désignation vaut à partir de ce moment comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge. ".
Art. 28. In titel 2, hoofdstuk XI, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt een artikel 77ter ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 77ter. § 1. In afwijking van artikel 23bis, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2019 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23bis, § 5, als het personeelslid uiterlijk op 30 juni 2019 in dat ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft verworven van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.
Als het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in een of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dat recht voor betrekkingen in alle instellingen van die scholengemeenschap.
Om een beroep te doen op dat recht moet het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat stellen met een ter post aangetekende brief bij een inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie.
Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan die waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven.
Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengemeenschap een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 en 3 en van artikel 23bis, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2020 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23bis, § 5, als het personeelslid:
1° tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt aangesteld is in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap;
2° uiterlijk op 30 juni 2020 in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft verworven van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.
Als het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in een of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dat recht voor betrekkingen in alle instellingen van die scholengemeenschap.
Om een beroep te doen op dat recht moet het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat stellen met een ter post aangetekende brief bij een inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie.
Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan die waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven.
Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengemeenschap een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 en van artikel 23bis, § 3, heeft een personeelslid recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23bis, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° na 31 augustus 2019 tijdelijk aangesteld worden in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap;
2° uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen of ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
3° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld geen beoordeling heeft gekregen, wordt die voorwaarde geacht vervuld te zijn.
Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens die bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen.
Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de inrichtende macht. De inrichtende macht gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De inrichtende macht bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de inrichtende macht vragen om gehoord te worden. De inrichtende macht hoort in dat geval beide partijen voordat ze een beslissing neemt.
De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dat akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de beoordeling in kwestie door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
In het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling.
Als het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in een of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dat recht voor betrekkingen in alle instellingen van die scholengemeenschap.
Om een beroep te doen op dat recht moet het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat stellen met een ter post aangetekende brief bij een inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie.
Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan die waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven.
Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengemeenschap een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.".
Art. 28. Dans le titre 2, chapitre XI du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, il est inséré un article 77ter, qui s'énonce comme suit :
" Art. 77ter. § 1er. Par dérogation à l'article 23bis, § 3, un membre du personnel a droit, à compter du 1er septembre 2019, à une désignation temporaire à durée ininterrompue à une fonction visée à l'article 23bis, § 5, s'il a acquis, au plus tard le 30 juin 2019, au cours d'une période d'au moins trois années scolaires, dans la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement, une ancienneté de service de 720 jours au moins, dont 600 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation.. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 210 jours pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation.
Lorsque le membre du personnel a acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue auprès d'un ou de plusieurs établissements d'un centre d'enseignement, ce droit vaut pour les emplois dans tous les établissements de ce centre d'enseignement.
Pour faire valoir son droit, le membre du personnel doit, sous peine de le perdre pour l'année scolaire suivante, se porter candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès d'un pouvoir organisateur d'un des établissements du centre d'enseignement. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis et pour tous les établissements du centre d'enseignement en question.
Lorsque le membre du personnel a presté des services auprès d'un autre pouvoir organisateur que celui auprès duquel il introduit sa candidature, il ajoute à sa candidature une liste des services déjà prestés afin de justifier l'exercice de son droit à une désignation à durée ininterrompue.
Lorsque le membre du personnel est pour la première fois effectivement désigné pour une durée ininterrompue à la fonction pour laquelle il a acquis le droit dans un ou plusieurs établissements du centre d'enseignement, cette désignation vaut à partir de ce moment comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge.
§ 2. Par dérogation aux paragraphes 1er et 3 et à l'article 23bis, § 3, un membre du personnel a droit, à compter du 1er septembre 2020, à une désignation temporaire à durée ininterrompue pour une fonction visée à l'article 23bis, § 5, si le membre du personnel :
1° est désigné pendant l'année scolaire 2019-2020 à la fonction en question dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement ;
2° a acquis, au plus tard le 30 juin 2020, dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement, dans la fonction concernée, une ancienneté de service au cours d'au moins trois années scolaires, d'au moins 720 jours, dont 600 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 210 jours pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation.
Lorsque le membre du personnel a acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue auprès d'un ou de plusieurs établissements d'un centre d'enseignement, ce droit vaut pour les emplois dans tous les établissements de ce centre d'enseignement.
Pour faire valoir son droit, le membre du personnel doit, sous peine de le perdre pour l'année scolaire suivante, se porter candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès d'un pouvoir organisateur d'un des établissements du centre d'enseignement. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis et pour tous les établissements du centre d'enseignement en question.
Lorsque le membre du personnel a presté des services auprès d'un autre pouvoir organisateur que celui auprès duquel il introduit sa candidature, il ajoute à sa candidature une liste des services déjà prestés afin de justifier l'exercice de son droit à une désignation à durée ininterrompue.
Lorsque le membre du personnel est pour la première fois effectivement désigné pour une durée ininterrompue à la fonction pour laquelle il a acquis le droit dans un ou plusieurs établissements du centre d'enseignement, cette désignation vaut à partir de ce moment comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge.
§ 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2 et à l'article 23bis, § 3, un membre du personnel a droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue pour une fonction telle que visée à l'article 21bis, § 5, s'il remplit les conditions suivantes dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement :
1° être désigné après le 31 août 2019 à la fonction concernée dans un ou plusieurs établissements du même centre d'enseignement ;
2° avoir acquis, au plus tard le 30 juin 2019, au cours d'une période d'au moins deux années scolaires, dans la fonction concernée, une ancienneté de service d'au moins 580 jours et d'au plus 719 jours, dont 400 jours effectivement prestés, les jours suivants étant également assimilés à des jours effectivement prestés : les samedis, dimanches, jours de congé légaux et vacances scolaires, pour autant que ceux-ci tombent dans la période de désignation. Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 140 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation ;
3° ne pas avoir reçu de la part du premier évaluateur, pour la fonction concernée, une évaluation avec points d'amélioration telle que visée à l'alinéa 2. Si le membre du personnel n'a pas été évalué au plus tard le 30 juin de l'année scolaire au cours de laquelle il a été désigné temporairement, cette condition est réputée remplie.
Sans préjudice de l'application du chapitre VIter, le premier évaluateur peut également juger que le membre du personnel ne remplit pas encore les conditions pour acquérir le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, et peut lui donner une évaluation avec points d'amélioration. A cette fin, le premier évaluateur établit un rapport dans lequel il inclut cette décision et les points d'amélioration, ainsi que le parcours suivi lors de l'encadrement initial. Dans ce cas, le membre du personnel est tenu de prester 200 jours supplémentaires de jours effectifs après lesquels il acquiert le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, à condition que, en application du chapitre VIter, le membre du personnel n'ait pas bénéficié, au plus tard à la fin de cette période, d'une évaluation définitive avec la conclusion finale " insuffisant ". Le congé de maternité et la période d'écartement du travail pour raison de menace de maladie professionnelle et/ou en tant que mesure de protection de la maternité sont pris en compte pendant cette période supplémentaire comme des jours effectivement prestés jusqu'à un maximum de 70 jours, pour autant que ces jours tombent dans la période de désignation. A chaque nouvelle désignation du membre du personnel à la fonction concernée, il est établi, conformément aux points d'amélioration de l'évaluation, un parcours d'encadrement initial adapté à suivre par le membre du personnel pendant cette période supplémentaire.
Tout membre du personnel qui n'est pas d'accord avec l'évaluation avec points d'amélioration visée à l'alinéa 2 peut introduire un recours auprès du pouvoir organisateur. Le pouvoir organisateur examine ensuite si l'évaluation avec points d'amélioration est raisonnable et si le report du droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue est justifié. Le pouvoir organisateur confirme ou annule l'évaluation avec points d'amélioration. Tant le membre du personnel que le premier évaluateur peuvent demander au pouvoir organisateur d'être entendus. Dans ce cas, le pouvoir organisateur entend les deux parties avant de prendre une décision.
L'instance compétente du culte concerné ou de la morale non confessionnelle doit également donner son accord à l'évaluation de l'enseignant de cours philosophiques pour ce qui est des aspects techniques et du contenu du cours enseigné. Cet accord est attesté par la signature de cette partie de l'évaluation en question par un représentant de l'instance compétente.
Quant à l'évaluation, des arrangements généraux sont négociés au sein du comité local compétent du centre d'enseignement.
Lorsque le membre du personnel a acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue auprès d'un ou de plusieurs établissements d'un centre d'enseignement, ce droit vaut pour les emplois dans tous les établissements de ce centre d'enseignement.
Pour faire valoir son droit, le membre du personnel doit, sous peine de le perdre pour l'année scolaire suivante, se porter candidat par lettre recommandée à la poste avant le 15 juin auprès d'un pouvoir organisateur d'un des établissements du centre d'enseignement. Cet acte de candidature vaut pour tous les emplois pour lesquels le droit a été acquis et pour tous les établissements du centre d'enseignement concerné.
Lorsque le membre du personnel a presté des services auprès d'un autre pouvoir organisateur que celui auprès duquel il introduit sa candidature, il ajoute à sa candidature une liste des services déjà prestés afin de justifier l'exercice de son droit à une désignation à durée ininterrompue.
Lorsque le membre du personnel est pour la première fois effectivement désigné pour une durée ininterrompue à la fonction pour laquelle il a acquis le droit dans un ou plusieurs établissements du centre d'enseignement, cette désignation vaut à partir de ce moment comme une candidature pluriannuelle à cette fonction.
Le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ne vaut pas pour les membres du personnel visés au chapitre IVbis en ce qui concerne le volume de leur charge définitive pour laquelle ils ont obtenu un congé en vue d'exercer temporairement une autre charge. ".
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs
CHAPITRE 4. - Modification au décret du 5 avril 1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné
Art. 29. Aan artikel 27, tweede lid, van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"4° het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling of dat geen beoordeling heeft gekregen en het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat op basis van de beoordeling een verslag met werkpunten krijgt, met binnen die laatste groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen. Die gegevens worden verstrekt per school.".
Art. 29. A l'article 27, alinéa 2, du décret du 5 avril 1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné, il est ajouté un point 4° ainsi rédigé :
" 4° le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui acquièrent le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue sur la base d'une évaluation positive ou qui n'ont pas été évalués et le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui reçoivent un rapport avec des points d'amélioration sur la base de l'évaluation, avec dans ce dernier groupe une distinction entre les membres du personnel qui obtiennent par la suite une nouvelle désignation et les membres du personnel qui n'obtiennent pas par la suite une nouvelle désignation. Ces données sont fournies par école. ".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997
CHAPITRE 5. - Modifications du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental
Art. 30. In artikel 125novies, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2011, wordt aan punt 8° de zinsnede "en over de aanvangsbegeleiding van personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor bepaalde duur;" toegevoegd.
Art. 30. L'article 125novies, § 1er, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, inséré par le décret du 10 juillet 2003 et modifié en dernier lieu par le décret du 17 juin 2011, le membre de phrase " et à l'encadrement initial des membres du personnel désignés à titre temporaire pour une période déterminée " est ajouté au point 8°.
Art. 31. Aan artikel 125vicies, § 2, derde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008, wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"4° inlichtingen over het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling of dat geen beoordeling heeft gekregen en het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat op basis van de beoordeling een verslag met werkpunten krijgt, met binnen die laatste groep een opsplitsing van diegenen die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en van diegenen die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen.".
Art. 31. A l'article 125vicies, § 2, alinéa 3, du même décret, inséré par le décret du 4 juillet 2008, il est ajouté un point 4° rédigé comme suit :
" 4° des informations sur le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui, dans les écoles du centre d'enseignement, acquièrent le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue sur la base d'une évaluation positive ou qui n'ont pas été évalués et le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui reçoivent un rapport avec des points d'amélioration sur la base de l'évaluation, avec dans ce dernier groupe une distinction entre ceux qui obtiennent par la suite une nouvelle désignation et ceux qui n'obtiennent pas par la suite une nouvelle désignation. ".
Art. 32. Aan artikel 125tricies bis, § 2, derde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008, wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"4° inlichtingen over het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling of dat geen beoordeling heeft gekregen en het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat op basis van de beoordeling een verslag met werkpunten krijgt, met binnen die laatste groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen.".
Art. 32. A l'article 125tricies bis, § 2, alinéa 3, du même décret, inséré par le décret du 4 juillet 2008, il est ajouté un point 4° rédigé comme suit :
" 4° des informations sur le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui, dans les écoles du centre d'enseignement, acquièrent le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue sur la base d'une évaluation positive ou qui n'ont pas été évalués et le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui reçoivent un rapport avec des points d'amélioration sur la base de l'évaluation, avec dans ce dernier groupe une distinction entre les membres du personnel qui obtiennent par la suite une nouvelle désignation et les membres du personnel qui n'obtiennent pas par la suite une nouvelle désignation. "
Art. 33. Artikel 138, § 1, eerste lid, 8°, van hetzelfde decreet, opgeheven door het decreet van 6 juli 2012, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"8° lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering.".
Art. 33. L'article 138, § 1er, alinéa 1er, 8°, du même décret, abrogé par le décret du 6 juillet 2012, est rétabli dans la rédaction suivante :
" 8° des périodes de cours pour l'encadrement initial, l'aide à la décision politique et la professionnalisation. ".
Art. 34. Aan hoofdstuk IX, afdeling 2, onderafdeling B, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een sectie 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
"Sectie 4. Aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering".
Art. 34. Le chapitre IX, section 2, sous-section B, du même décret, dernièrement modifié par le décret du 16 juin 2017, est complété par une section 4 ainsi rédigée :
" Section 4. Périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial, l'aide à la décision politique et la professionnalisation ".
Art. 35. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt in sectie 4, toegevoegd bij artikel 34, een artikel 139septies decies ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 139septies decies. § 1. Het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering bedraagt, voor het schooljaar 2019-2020, in het gewoon basisonderwijs 7766 lestijden en in het buitengewoon basisonderwijs 1156 lestijden.
Voor het schooljaar X-X+1, startend in schooljaar 2020-2021, worden de 7766 lestijden, vermeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A1 = X/Y, waarbij:
1° X: het totale aantal leerlingen in het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari X;
2° Y: het totale aantal leerlingen in het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari 2019.
Voor het schooljaar X-X+1, startend in schooljaar 2020-2021, worden de 1156 lestijden, vermeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A2 = R/S, waarbij:
1° R: het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari X;
2° S: het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari 2019.
§ 2. Het aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering waarop de school voor gewoon basisonderwijs recht heeft, is A*B, waarbij:
1° A: de beschikbare lestijden voor het gewoon basisonderwijs, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het gewoon basisonderwijs van het vorige schooljaar van alle scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden in het gewoon basisonderwijs wordt verstaan de som van het totale aantal:
a) lestijden volgens de schalen;
b) SES-lestijden;
c) additionele lestijden volgens de schalen die gebaseerd zijn op de leerlingleerkrachtratio;
d) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing;
2° B: het totale aantal lestijden van de school van het vorige schooljaar, waarbij onder het totale aantal lestijden van de school wordt verstaan de som van de:
a) lestijden volgens de schalen;
b) SES-lestijden;
c) additionele lestijden volgens de schalen die gebaseerd zijn op de leerlingleerkrachtratio;
d) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing.
De lestijden, vermeld in het eerste lid, worden binnen een school als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.
§ 3. Het aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering waarop de school voor buitengewoon basisonderwijs recht heeft, is C*D, waarbij:
1° C: de beschikbare lestijden voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het buitengewoon basisonderwijs van het vorige schooljaar van alle scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden in het buitengewoon basisonderwijs wordt verstaan de som van het totale aantal:
a) lestijden volgens de schalen;
b) aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs;
c) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing;
2° D: het totale aantal lestijden van de school van het vorige schooljaar waarbij onder het totale aantal lestijden van de school wordt verstaan de som van de:
a) lestijden volgens de schalen;
b) aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs;
c) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing.
De lestijden, vermeld in het eerste lid, worden binnen een school als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.
§ 4. Uit de lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, kunnen, in het gewoon kleuteronderwijs, betrekkingen worden ingericht:
1° in het ambt van kleuteronderwijzer;
2° in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.
De lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, worden als volgt omgerekend naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen van kleuteronderwijzer of leermeester lichamelijke opvoeding: de lestijden worden gedeeld door 24 tot op de eenheid voor het ambt van kleuteronderwijzer of leermeester lichamelijke opvoeding. Het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen.
§ 5. De lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, kunnen, in het gewoon kleuteronderwijs, worden ingericht in het ambt van kinderverzorger, na omzetting volgens de onderstaande tabel:
Art. 35. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, il est inséré dans la section 4, insérée par l'article 34, un article 139septies decies, qui s'énonce comme suit :
" Art. 139septies decies. § 1er. Le nombre total de périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial, l'aide à la décision politique et la professionnalisation pour l'année scolaire 2019-2020 est de 7766 périodes de cours dans l'enseignement fondamental ordinaire et de 1156 dans l'enseignement fondamental spécial.
Pour l'année scolaire X-X+1, à compter de l'année scolaire 2020-2021, les 7 766 périodes de cours mentionnées à l'alinéa 1er sont multipliées par le coefficient d'adaptation A1 = X/Y, où :
1° X : le nombre total d'élèves dans l'enseignement fondamental ordinaire au premier jour de classe de février X;
2° Y : le nombre total d'élèves dans l'enseignement fondamental ordinaire au premier jour de classe de février 2019.
Pour l'année scolaire X-X+1, à compter de l'année scolaire 2020-2021, les 1156 périodes de cours mentionnées à l'alinéa 1er sont multipliées par le coefficient d'adaptation A2 = R/S, où :
1° R : le nombre total d'élèves dans l'enseignement fondamental spécial au premier jour de classe de février X ;
2° S : le nombre total d'élèves dans l'enseignement fondamental spécial au premier jour de classe de février 2019.
§ 2. Le nombre de périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial, l'aide à la décision politique et la professionnalisation auxquelles l'école d'enseignement fondamental ordinaire a droit est A*B, où :
1° A : le nombre de périodes de cours disponibles pour l'enseignement fondamental ordinaire, visé au paragraphe 1er, divisé par le nombre total de périodes de cours dans l'enseignement fondamental ordinaire de l'année scolaire précédente pour l'ensemble des écoles, le nombre total de périodes de cours dans l'enseignement fondamental ordinaire étant la somme du nombre total :
a) de périodes de cours selon les échelles ;
b) de périodes de cours SES ;
c) de périodes de cours additionnelles selon les échelles qui sont basées sur le ratio élèves/enseignant ;
d) de périodes de cours complémentaires de religion, de morale non confessionnelle et de considération de la culture ;
2° B : le nombre total de périodes de cours de l'école de l'année scolaire précédente, où le nombre total de périodes de cours de l'école s'entend comme la somme :
a) des périodes de cours selon les échelles ;
b) des périodes de cours SES ;
c) des périodes de cours additionnelles selon les échelles qui sont basées sur le ratio élèves/enseignant ;
d) des périodes de cours complémentaires de religion, de morale non confessionnelle et de considération de la culture.
Les périodes de cours visées à l'alinéa 1er sont arrondies au sein de l'école comme suit : si le premier chiffre après la virgule est supérieur à quatre, le nombre est arrondi à l'unité supérieure. Si le premier chiffre après la virgule est inférieur ou égal à quatre, le nombre est arrondi à l'unité inférieure.
§ 3. Le nombre de périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial, l'aide à la décision politique et la professionnalisation auxquelles l'école d'enseignement fondamental spécial a droit est C*D, où :
1° C : le nombre de périodes de cours disponibles pour l'enseignement fondamental spécial, visé au paragraphe 1er, divisé par le nombre total de périodes de cours dans l'enseignement fondamental spécial de l'année scolaire précédente pour l'ensemble des écoles, où le nombre total de périodes de cours dans l'enseignement fondamental spécial s'entend comme la somme du nombre total :
a) de périodes de cours selon les échelles ;
b) de périodes de cours complémentaires destinées à la conduite d'une politique d'égalité des chances dans l'enseignement fondamental spécial ;
c) de périodes de cours complémentaires de religion, de morale non confessionnelle et de considération de la culture ;
2° D : le nombre total de périodes de cours de l'école de l'année scolaire précédente, où le nombre total de périodes de cours de l'école s'entend comme la somme :
a) des périodes de cours selon les échelles ;
b) des périodes de cours complémentaires destinées à la conduite d'une politique d'égalité des chances dans l'enseignement fondamental spécial ;
c) des périodes de cours complémentaires de religion, de morale non confessionnelle et de considération de la culture.
Les périodes de cours visées à l'alinéa 1er sont arrondies au sein de l'école comme suit : si le premier chiffre après la virgule est supérieur à quatre, le nombre est arrondi à l'unité supérieure. Si le premier chiffre après la virgule est inférieur ou égal à quatre, le nombre est arrondi à l'unité inférieure.
§ 4. A partir des périodes de cours obtenues conformément au paragraphe 2, des emplois peuvent être organisés dans l'enseignement maternel ordinaire :
1° dans la fonction d'instituteur maternel ;
2° dans la fonction de maître d'éducation physique.
Les périodes de cours obtenues conformément au paragraphe 2 sont converties comme suit en emplois financés ou subventionnés à plein temps ou à temps partiel d'instituteur maternel ou de maître d'éducation physique comme suit : les périodes de cours sont divisées par 24 jusqu'à l'unité pour la fonction d'instituteur maternel ou de maître d'éducation physique. Le quotient est égal au nombre possible d'emplois à temps plein.
§ 5. Les périodes de cours obtenues conformément au paragraphe 2 peuvent, dans l'enseignement maternel ordinaire, être organisées dans la fonction de puériculteur, après conversion selon le tableau ci-dessous :
lestijden uren kinderverzorger
1 2
2 3
3 5
4 6
5 8
6 10
7 11
8 13
9 14
10 16
11 17
12 19
13 21
14 22
15 24
16 25
17 27
18 29
19 30
20 32
lestijden uren kinderverzorger1 22 33 54 65 86 107 118 139 1410 1611 1712 1913 2114 2215 2416 2517 2718 2919 3020 32
De omrekening van de uren naar gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen kinderverzorger gebeurt door de som van de uren verkregen overeenkomstig het eerste lid te delen door 32 tot op de eenheid; het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen.
§ 6. Uit de lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, kunnen, in het gewoon lager onderwijs, betrekkingen worden ingericht:
1° in het ambt van onderwijzer;
2° in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding;
3° in het ambt van leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer.
De lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, worden als volgt omgerekend naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen van onderwijzer, leermeester lichamelijke opvoeding of leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer: de lestijden worden gedeeld door 24 tot op de eenheid voor het ambt van onderwijzer, leermeester lichamelijke opvoeding of leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer. Het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen.
§ 7. De lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, kunnen, in het gewoon basisonderwijs, worden omgezet in punten, na omzetting volgens de onderstaande tabel:
périodes de cours heures de puériculteur
1 2
2 3
3 5
4 6
5 8
6 10
7 11
8 13
9 14
10 16
11 17
12 19
13 21
14 22
15 24
16 25
17 27
18 29
19 30
20 32
périodes de cours heures de puériculteur1 22 33 54 65 86 107 118 139 1410 1611 1712 1913 2114 2215 2416 2517 2718 2919 3020 32
La conversion des heures en emplois financés ou subventionnés à temps plein ou à temps partiel de puériculteur s'opère en divisant la somme des heures obtenues conformément à l'alinéa 1er par 32 jusqu'à l'unité ; le quotient est égal au nombre possible d'emplois à temps plein.
§ 6. A partir des périodes de cours obtenues conformément au paragraphe 2, des emplois peuvent être organisés dans l'enseignement primaire ordinaire :
1° dans la fonction d'instituteur ;
2° dans la fonction de maître d'éducation physique ;
3° dans la fonction de maître de religion ou de maître de morale non confessionnelle.
Les périodes de cours, obtenues conformément au paragraphe 2, sont converties en emplois financés ou subventionnés à temps plein ou à temps partiel d'instituteur, de maître d'éducation physique ou de maître de religion ou de morale non confessionnelle comme suit : les périodes de cours sont divisées par 24 jusqu'à l'unité pour la fonction d'instituteur, de maître d'éducation physique ou de maître de religion ou de morale non confessionnelle. Le quotient est égal au nombre possible d'emplois à temps plein.
§ 7. Les périodes de cours obtenues conformément au paragraphe 2 peuvent, dans l'enseignement fondamental ordinaire, être converties en points selon le tableau ci-dessous :
lestijden punten
1 4
2 7
3 11
4 14
5 18
6 21
7 25
8 28
9 32
10 35
11 39
12 43
13 46
14 50
15 53
16 57
17 60
18 64
19 67
20 71
21 74
22 78
23 81
24 85
lestijden punten1 42 73 114 145 186 217 258 289 3210 3511 3912 4313 4614 5015 5316 5717 6018 6419 6720 7121 7422 7823 8124 85
Uit de punten, verkregen volgens het eerste lid, kunnen de volgende ambten worden ingericht:
1° het ambt van zorgcoördinator uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel;
2° het ambt van ICT-coördinator uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel;
3° het ambt van administratief medewerker uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel.
De omrekening van punten naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse betrekkingen van het beleids- en ondersteund personeel gebeurt volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 betreffende de puntenenveloppen voor de scholengemeenschappen basisonderwijs.
§ 8. Uit de lestijden, verkregen volgens paragraaf 3, kunnen, in het buitengewoon onderwijs, betrekkingen worden ingericht in:
1° het ambt van kleuteronderwijzer algemene en sociale vorming;
2° het ambt van onderwijzer algemene en sociale vorming;
3° het ambt van leermeester algemene en sociale vorming, specialiteit lichamelijke opvoeding;
4° het ambt van leermeester algemene en sociale vorming, compensatietechnieken braille, type 6;
5° het ambt van leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer.
De lestijden, verkregen volgens paragraaf 3, worden als volgt omgerekend naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen: de lestijden worden gedeeld door 22 tot op de eenheid. Het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen.
§ 9. De lestijden, verkregen volgens paragraaf 3, kunnen, in het buitengewoon basisonderwijs, worden omgezet in uren paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel, na omzetting volgens de onderstaande tabel:
périodes de cours points
1 4
2 7
3 11
4 14
5 18
6 21
7 25
8 28
9 32
10 35
11 39
12 43
13 46
14 50
15 53
16 57
17 60
18 64
19 67
20 71
21 74
22 78
23 81
24 85
périodes de cours points1 42 73 114 145 186 217 258 289 3210 3511 3912 4313 4614 5015 5316 5717 6018 6419 6720 7121 7422 7823 8124 85
A partir des points obtenus conformément au paragraphe 1er, les fonctions suivantes peuvent être organisées :
1° la fonction de coordinateur de soins dans la catégorie du personnel directeur et d'appui ;
2° la fonction de coordinateur TIC dans la catégorie du personnel directeur et d'appui ;
3° la fonction de collaborateur administratif dans la catégorie du personnel directeur et d'appui.
La conversion des points en emplois financés ou subventionnés à temps plein du personnel directeur et d'appui se fait conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mars 2004 relatif à l'enveloppe de points pour les centres d'enseignement de l'enseignement fondamental.
§ 8. A partir des périodes de cours obtenues conformément au paragraphe 3, des emplois peuvent être organisés dans l'enseignement spécial :
1° la fonction d'instituteur maternel de formation générale et sociale ;
2° la fonction d'instituteur de formation générale et sociale ;
3° la fonction de maître d'éducation générale et sociale, spécialité éducation physique ;
4° la fonction de maître de formation générale et sociale, technique de compensation-braille, type 6 ;
5° la fonction de maître de religion ou de maître de morale non confessionnelle.
Les périodes de cours obtenues conformément au paragraphe 3 sont converties en emplois financés ou subventionnés à temps plein ou à temps partiel comme suit : les périodes de cours sont divisées par 22 jusqu'à l'unité. Le quotient est égal au nombre possible d'emplois à temps plein.
§ 9. Les périodes de cours obtenues conformément au paragraphe 3 peuvent, dans l'enseignement fondamental spécial, être converties en heures pour le personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique selon le tableau ci-dessous :
lestijden uren
1 1
2 3
3 4
4 6
5 7
6 9
7 10
8 12
9 13
10 15
11 16
12 18
13 19
14 21
15 22
16 24
17 25
18 27
19 28
20 29
21 31
22 32
23 34
24 35
25 37
26 38
27 40
lestijden uren1 12 33 44 65 76 97 108 129 1310 1511 1612 1813 1914 2115 2216 2417 2518 2719 2820 2921 3122 3223 3424 3525 3726 3827 40
De omrekening van uren naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse betrekkingen van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel gebeurt volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs.
§ 10. De lestijden, verkregen volgens paragraaf 3, kunnen, in het buitengewoon basisonderwijs, worden omgezet in punten, na omzetting volgens de onderstaande tabel:
périodes de cours heures
1 1
2 3
3 4
4 6
5 7
6 9
7 10
8 12
9 13
10 15
11 16
12 18
13 19
14 21
15 22
16 24
17 25
18 27
19 28
20 29
21 31
22 32
23 34
24 35
25 37
26 38
27 40
périodes de cours heures1 12 33 44 65 76 97 108 129 1310 1511 1612 1813 1914 2115 2216 2417 2518 2719 2820 2921 3122 3223 3424 3525 3726 3827 40
La conversion des heures en emplois financés ou subventionnés à temps plein du personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique se fait conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 juin 1997 relatif au cadre organique dans l'enseignement fondamental spécial.
§ 10. Les périodes de cours obtenues conformément au paragraphe 3 peuvent, dans l'enseignement fondamental spécial, être converties en points selon le tableau ci-dessous :
lestijden punten
1 4
2 8
3 12
4 15
5 19
6 23
7 27
8 31
9 35
10 39
11 43
12 46
13 50
14 54
15 58
16 62
17 66
18 70
19 73
20 77
21 81
22 85
lestijden punten1 42 83 124 155 196 237 278 319 3510 3911 4312 4613 5014 5415 5816 6217 6618 7019 7320 7721 8122 85
Uit de punten, verkregen volgens het eerste lid, kunnen de volgende ambten worden ingericht:
1° het ambt van zorgcoördinator uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel;
2° het ambt van ICT-coördinator uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel;
3° het ambt van administratief medewerker uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel.
De omrekening van punten naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse betrekkingen van het beleids- en ondersteund personeel gebeurt volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 betreffende de puntenenveloppen voor de scholengemeenschappen basisonderwijs.
§ 11. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om de omzettingstabellen vervat in dit artikel te wijzigen.".
périodes de cours points
1 4
2 8
3 12
4 15
5 19
6 23
7 27
8 31
9 35
10 39
11 43
12 46
13 50
14 54
15 58
16 62
17 66
18 70
19 73
20 77
21 81
22 85
périodes de cours points1 42 83 124 155 196 237 278 319 3510 3911 4312 4613 5014 5415 5816 6217 6618 7019 7320 7721 8122 85
A partir des points obtenus conformément au paragraphe 1er, les fonctions suivantes peuvent être organisées :
1° la fonction de coordinateur de soins dans la catégorie du personnel directeur et d'appui ;
2° la fonction de coordinateur TIC dans la catégorie du personnel directeur et d'appui ;
3° la fonction de collaborateur administratif dans la catégorie du personnel directeur et d'appui.
La conversion des points en emplois financés ou subventionnés à temps plein du personnel directeur et d'appui se fait conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mars 2004 relatif à l'enveloppe de points pour les centres d'enseignement de l'enseignement fondamental.
§ 11. Le Gouvernement flamand est autorisé à modifier les tableaux de conversion visés au présent article.
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs
CHAPITRE 6. - Modifications du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes
Art. 36. In artikel 98 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 maart 2018, wordt een paragraaf 4bis ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 4bis. Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden jaarlijks 15.111 aanvullende leraarsuren aan de centra voor volwassenenonderwijs toegekend voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in het kader van de organisatie van aanvangsbegeleiding.
De Vlaamse Regering kan vanwege de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende leraarsuren, vermeld in het eerste lid.
Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft vanaf 1 september 2019 recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding als het aandeel aan leraarsuren waarop het centrum volgens de berekening van paragraaf 1 recht heeft.
Een centrumbestuur kan de aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding omzetten in aanvullende punten voor aanvangsbegeleiding volgens de onderstaande tabel:
Art. 36. Dans l'article 98 du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, modifié en dernier lieu par le décret du 16 mars 2018, il est inséré un paragraphe 4bis qui s'énonce comme suit :
" § 4bis. A partir de l'année scolaire 2019-2020, 15.111 périodes/enseignant complémentaires sont allouées annuellement aux centres d'éducation des adultes pour la création d'emplois dans la fonction d'enseignant de l'enseignement secondaire des adultes dans le cadre de l'organisation de l'encadrement initial.
Le Gouvernement flamand peut déroger au volume total de périodes/enseignant complémentaires à répartir, visé à l'alinéa 1er, en raison des moyens disponibles pour une année budgétaire déterminée.
A compter du 1er septembre 2019, chaque centre d'éducation des adultes a droit à la même part de périodes/enseignant complémentaires pour l'encadrement initial que la part de périodes/enseignant à laquelle le centre a droit selon le calcul prévu au paragraphe 1er.
L'autorité d'un centre peut convertir les périodes/enseignant complémentaires pour encadrement initial en points complémentaires pour encadrement initial selon le tableau ci-dessous :
leraarsuren punten
40 5
80 9
120 14
160 19
200 24
240 28
280 33
320 38
360 43
400 47
440 52
480 57
520 63
560 66
600 71
640 76
680 82
720 85
760 90
800 95
840 100
880 104
920 110
960 114
1000 120
leraarsuren punten40 580 9120 14160 19200 24240 28280 33320 38360 43400 47440 52480 57520 63560 66600 71640 76680 82720 85760 90800 95840 100880 104920 110960 1141000 120
Deze aanvullende leraarsuren kunnen worden samengelegd. Centra voor volwassenenonderwijs die kiezen om de aanvullende leraarsuren samen te leggen, richten daartoe een samenwerkingsverband `aanvangsbegeleiding' op dat bestaat uit twee of meer centra. Het samenwerkingsverband maakt afspraken over de aanwending van de aanvullende lesuren. De Vlaamse Regering kan met betrekking tot dit samenwerkingsverband volgende maatregelen vastleggen:
- de duur van de samenwerking;
- de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht;
- de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de overheid.".
périodes/enseignant points
40 5
80 9
120 14
160 19
200 24
240 28
280 33
320 38
360 43
400 47
440 52
480 57
520 63
560 66
600 71
640 76
680 82
720 85
760 90
800 95
840 100
880 104
920 110
960 114
1000 120
périodes/enseignant points40 580 9120 14160 19200 24240 28280 33320 38360 43400 47440 52480 57520 63560 66600 71640 76680 82720 85760 90800 95840 100880 104920 110960 1141000 120
Ces périodes/enseignant complémentaires peuvent être regroupées. Les centres d'éducation des adultes qui choisissent de regrouper les périodes/enseignant complémentaires établissent à cet effet un partenariat " encadrement initial " composé de deux centres ou plus. Le partenariat conclut des accords sur l'utilisation des heures de cours complémentaires. En ce qui concerne ce partenariat, le Gouvernement flamand peut prévoir les mesures suivantes :
- la durée de la coopération ;
- la forme de la convention par laquelle le partenariat est constitué ;
- la méthode et le moment de la communication du partenariat aux autorités. ".
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs
CHAPITRE 7. - Modifications du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement
Art. 37. In artikel 8 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste en tweede lid wordt het woord "nascholingsplan" telkens vervangen door het woord "professionaliseringsplan";
2° tussen het eerste en tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"In het professionaliseringsplan worden ook de aanpak en uitwerking opgenomen van de aanvangsbegeleiding voor de personeelsleden die aangesteld zijn voor bepaalde duur als vermeld in artikel 20bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 20bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.".
Art. 37. A l'article 8 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement sont apportées les modifications suivantes :
1° dans les alinéas 1er et 2, les mots " plan de formation continuée " sont chaque fois remplacés par les mots " plan de professionnalisation " ;
2° entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, il est inséré un alinéa ainsi rédigé :
" Le plan de professionnalisation comprend également l'approche et l'élaboration de l'encadrement initial pour les membres du personnel désignés pour une durée déterminée visés à l'article 20bis du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et à l'article 20bis du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des personnels de l'enseignement subventionné. ".
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010
CHAPITRE 8. - Modifications du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010
Art. 38. In de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2011, wordt in deel III, titel 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, een onderafdeling 2/3 toegevoegd, die luidt als volgt:
"Onderafdeling 2/3. Aanvangsbegeleiding".
Art. 38. Dans le Code de l'enseignement secondaire du 17 décembre 2010, sanctionné par le décret du 27 mai 2011, dans la partie III, titre 1er, chapitre 3, section 2, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, une sous-section 2/3 est ajoutée qui se lit comme suit :
" Sous-section 2/3. Encadrement initial ".
Art. 39. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt in deel III, titel 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 2/3, toegevoegd bij artikel 38, een artikel 22/18 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 22/18. Aan scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs worden vanaf het schooljaar 2019-2020 een aantal organieke uren-leraar aanvangsbegeleiding toegekend.
Aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs worden vanaf het schooljaar 2019-2020 een aantal organieke lesuren aanvangsbegeleiding toegekend.
Ook in het geval van overdracht of herverdeling kunnen die uren-leraar en lesuren alleen voor aanvangsbegeleiding worden aangewend.
De uren-leraar aanvangsbegeleiding worden aangewend in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het ondersteunend personeel. Voor de aanwending in het ondersteunend personeel worden uren-leraar omgezet naar punten als vermeld in artikel 22/20.
De lesuren aanvangsbegeleiding worden aangewend in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel, het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel of het psychologisch personeel. Voor de aanwending in het ondersteunend personeel worden lesuren omgezet naar punten als vermeld in artikel 22/20. Voor de aanwending in het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel of het psychologisch personeel worden lesuren omgezet naar uren als vermeld in artikel 22/20.
Voor de toepassing van de personeelsregelgeving wordt, voor wat het bestuurs- en onderwijzend personeel betreft, aanvangsbegeleiding beschouwd als uren die geen lesuren zijn maar ermee gelijkgesteld worden.".
Art. 39. Dans le même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, il est inséré dans la partie III, titre 1er, chapitre 3, section 2, sous-section 2/3, ajouté par l'article 38, un article 22/18 rédigé comme suit :
" Art. 22/18. A partir de l'année scolaire 2019-2020, les écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et les centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel bénéficient d'un nombre de périodes-professeur organiques d'encadrement initial.
A partir de l'année scolaire 2019-2020, les écoles d'enseignement secondaire spécial bénéficient d'un nombre d'heures de cours organiques d'encadrement initial.
En cas de transfert ou de redistribution, ces périodes-professeur et heures de cours ne peuvent être utilisées qu'à titre d'encadrement initial.
Les périodes-professeur d'encadrement initial sont utilisées dans les fonctions de recrutement du personnel directeur et enseignant ou du personnel d'appui. Pour l'utilisation pour le personnel d'appui, les périodes-professeur sont converties en points tels que mentionnés à l'article 22/20.
Les heures de cours d'encadrement initial sont utilisées pour le recrutement du personnel directeur et enseignant, du personnel d'appui, du personnel paramédical, du personnel médical, du personnel social, du personnel orthopédagogique ou du personnel psychologique. Pour le personnel d'appui, les heures de cours sont converties en points conformément à l'article 22/20. Pour le personnel paramédical, le personnel médical, le personnel social, le personnel orthopédagogique ou le personnel psychologique, les heures de cours sont converties en heures telles que visées à l'article 22/20.
Pour l'application de la réglementation applicable aux personnels, pour ce qui du personnel directeur et enseignant, l'encadrement initial est considéré comme des heures qui ne sont pas des heures de cours, mais qui sont assimilées à celles-ci. ".
Art. 40. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt in deel III, titel 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 2/3, toegevoegd bij artikel 38, een artikel 22/19 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 22/19. Het globaal beschikbaar aantal uren aanvangsbegeleiding voor het schooljaar 2019-2020 bedraagt 3649 uren en wordt als volgt verdeeld:
1° voltijds gewoon secundair onderwijs: 3086 uren-leraar;
2° buitengewoon secundair onderwijs: 491 lesuren;
3° deeltijds beroepssecundair onderwijs: 72 uren-leraar.
Vanaf het schooljaar 2020-2021 wordt het globaal beschikbaar aantal uren en de verdeling over punt 1° tot en met punt 3° evenredig aangepast aan eventuele leerlingenfluctuaties ten opzichte van het voorafgaande schooljaar, waarbij altijd de eerste lesdag van februari als teldatum wordt genomen.
Die uren worden over de scholen en centra als volgt verdeeld:
1° voltijds gewoon secundair onderwijs: in verhouding tot het pakket uren-leraar van de school en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de pakketten uren-leraar van alle scholen. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket uren-leraar:
a) de uren-leraar voor de levensbeschouwelijke vakken als vermeld in artikel 209;
b) de uren-leraar voor de niet-levensbeschouwelijke vakken als vermeld in artikel 209;
c) de uren-leraar geïntegreerd ondersteuningsaanbod als vermeld in artikel 226, 227, 234 en 235;
2° buitengewoon secundair onderwijs: in verhouding tot het pakket lesuren van de school en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de pakketten lesuren van alle scholen. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket lesuren:
a) de lesuren voor de levensbeschouwelijke vakken als vermeld in artikel 300;
b) de lesuren niet-levensbeschouwing als vermeld in artikel 298, 299, 301, 302 en 303;
c) de lesuren geïntegreerd ondersteuningsaanbod als vermeld in artikel 318 en 319;
3° deeltijds beroepssecundair onderwijs: in verhouding tot het pakket uren-leraar van het centrum en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de pakketten uren-leraar van alle centra. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket uren-leraar de uren-leraar als vermeld in artikel 89 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.".
Art. 40. Dans le même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, il est inséré dans la partie III, titre 1er, chapitre 3, section 2, sous-section 2/3, ajouté par l'article 38, un article 22/19 rédigé comme suit :
" Art. 22/19. Le nombre global d'heures d'encadrement initial disponible pour l'année scolaire 2019-2020 est de 3649 heures et se répartit comme suit :
1° l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein : 3086 périodes-professeur ;
2° l'enseignement secondaire spécial : 491 heures de cours ;
3° l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel : 72 périodes-professeur.
A partir de l'année scolaire 2020-2021, le nombre global d'heures disponible et la répartition entre les points 1° à 3° est ajusté proportionnellement aux fluctuations éventuelles du nombre d'élèves par rapport à l'année scolaire précédente, le premier jour de février étant toujours considéré comme la date de comptage.
Ces heures sont réparties entre les écoles et les centres comme suit :
1° l'enseignement secondaire ordinaire à plein temps : par rapport au capital " périodes-professeur " de l'école et de l'année scolaire en question dans la totalité des capitaux " périodes-professeur " de toutes les écoles. Pour l'application de la présente disposition, le capital " périodes-professeur " comprend :
a) les périodes-professeur pour l'enseignement des cours philosophiques visées à l'article 209 ;
b) les périodes-professeur pour l'enseignement des cours non philosophiques visées à l'article 209 ;
c) les périodes-professeur d'offre d'appui intégrée visées aux articles 226, 227, 234 et 235 ;
2° l'enseignement secondaire spécial : par rapport au capital d'heures de cours de l'école et de l'année scolaire en question dans la totalité des capitaux d'heures de cours de toutes les écoles. Pour l'application de la présente disposition, le capital d'heures de cours comprend :
a) les heures de cours pour l'enseignement des cours philosophiques visées à l'article 300 ;
b) les heures de cours non philosophiques visées aux articles 298, 299, 301, 302 et 303 ;
c) les heures de cours d'offre d'appui intégrée visées aux articles 318 et 319 ;
3° l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel : par rapport au capital " périodes-professeur " du centre et de l'année scolaire en question dans la totalité des capitaux " périodes-professeur " de tous les centres. Pour l'application de la présente disposition, le capital " périodes-professeur " comprend les périodes-professeur telles que visées à l'article 89 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande. ".
Art. 41. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt in deel III, titel 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 2/3, toegevoegd bij artikel 38, een artikel 22/20 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 22/20. De aanwending van de uren-leraar of lesuren aanvangsbegeleiding in wervingsambten van het ondersteunend personeel gebeurt op basis van de volgende omzettingstabel:
1° voltijds gewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs:
a) 11 uren-leraar = 31,5 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste secundair onderwijs in een wervingsambt van het ondersteunend personeel;
b) 22 uren-leraar = 63 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste secundair onderwijs in een wervingsambt van het ondersteunend personeel;
c) 11 uren-leraar = 41 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste bachelor in een wervingsambt van het ondersteunend personeel;
d) 22 uren-leraar = 82 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste bachelor in een wervingsambt van het ondersteunend personeel;
e) 10 uren-leraar = 60 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste master in een wervingsambt van het ondersteunend personeel;
f) 20 uren-leraar = 120 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste master in een wervingsambt van het ondersteunend personeel;
2° buitengewoon secundair onderwijs:
a) 11 lesuren = 31,5 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste secundair onderwijs in een wervingsambt van het ondersteunend personeel;
b) 22 lesuren = 63 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste secundair onderwijs in een wervingsambt van het ondersteunend personeel;
c) 11 lesuren = 41 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste bachelor in een wervingsambt van het ondersteunend personeel;
d) 22 lesuren = 82 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste bachelor in een wervingsambt van het ondersteunend personeel;
e) 11 lesuren = 60 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste master in een wervingsambt van het ondersteunend personeel;
f) 22 lesuren = 120 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste master in een wervingsambt van het ondersteunend personeel.
De aanwending van de lesuren aanvangsbegeleiding in wervingsambten van het medisch, paramedisch, orthopedagogisch, psychologisch of sociaal personeel gebeurt op basis van de volgende omzettingstabellen:
1° arts, orthopedagoog en psycholoog:
Art. 41. Dans le même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 6 juillet 2018, il est inséré dans la partie III, titre 1er, chapitre 3, section 2, sous-section 2/3, ajouté par l'article 38, un article 22/20 rédigé comme suit :
" Art. 22/20. L'utilisation des périodes-professeur ou des heures de cours d'encadrement initial dans des fonctions de recrutement du personnel d'appui se fait sur la base du tableau de conversion suivant :
1° l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ;
a) 11 périodes-professeur = 31,5 points dans le cas d'un emploi à mi-temps avec un titre de l'enseignement secondaire au moins dans une fonction de recrutement du personnel d'appui ;
b) 22 périodes-professeur = 63 points dans le cas d'un emploi à temps plein avec un titre de l'enseignement secondaire au moins dans une fonction de recrutement du personnel d'appui ;
c) 11 périodes-professeur = 41 points dans le cas d'un emploi à mi-temps avec un titre de bachelor au moins dans une fonction de recrutement du personnel d'appui ;
d) 22 périodes-professeur = 82 points dans le cas d'un emploi à temps plein avec un titre de bachelor au moins dans une fonction de recrutement du personnel d'appui ;
e) 10 périodes-professeur = 60 points dans le cas d'un emploi à mi-temps avec un titre de master au moins dans une fonction de recrutement du personnel d'appui ;
f) 20 périodes-professeur = 120 points dans le cas d'un emploi à temps plein avec un titre de master au moins dans une fonction de recrutement du personnel d'appui ;
2° l'enseignement secondaire spécial :
a) 11 heures de cours = 31,5 points dans le cas d'un emploi à mi-temps avec un titre de l'enseignement secondaire au moins dans une fonction de recrutement du personnel d'appui ;
b) 22 heures de cours = 61 points dans le cas d'un emploi à temps plein avec un titre de l'enseignement secondaire au moins dans une fonction de recrutement du personnel d'appui ;
c) 11 heures de cours = 41 points dans le cas d'un emploi à mi-temps avec un titre de bachelor au moins dans une fonction de recrutement du personnel d'appui ;
d) 22 heures de cours = 82 points dans le cas d'un emploi à temps plein avec un titre de bachelor au moins dans une fonction de recrutement du personnel d'appui ;
e) 11 heures de cours = 60 points dans le cas d'un emploi à mi-temps avec un titre de master au moins dans une fonction de recrutement du personnel d'appui ;
f) 22 heures de cours = 120 points dans le cas d'un emploi à temps plein avec un titre de master au moins dans une fonction de recrutement du personnel d'appui.
L'utilisation des heures de cours d'encadrement initial dans des fonctions de recrutement du personnel médical, paramédical, orthopédique, psychologique ou social se fait sur la base des tableaux de conversion suivants :
1° médecin, orthopédagogue et psychologue :
lesuren uren
1 1
2 3
3 4
4 6
5 7
6 9
7 10
8 12
9 13
10 15
11 16
12 18
13 19
14 21
15 22
16 24
17 25
18 27
19 28
20 29
21 31
22 32
23 34
24 35
25 37
26 38
27 40
lesuren uren1 12 33 44 65 76 97 108 129 1310 1511 1612 1813 1914 2115 2216 2417 2518 2719 2820 2921 3122 3223 3424 3525 3726 3827 40
;
2° ergotherapeut, kinderverzorger, kinesitherapeut, maatschappelijk werker en verpleger:
heures de cours heures
1 1
2 3
3 4
4 6
5 7
6 9
7 10
8 12
9 13
10 15
11 16
12 18
13 19
14 21
15 22
16 24
17 25
18 27
19 28
20 29
21 31
22 32
23 34
24 35
25 37
26 38
27 40
heures de cours heures1 12 33 44 65 76 97 108 129 1310 1511 1612 1813 1914 2115 2216 2417 2518 2719 2820 2921 3122 3223 3424 3525 3726 3827 40
;
2° ergothérapeute, puériculteur, kinésithérapeute, assistant social et infirmier :
lesuren uren
1 1
2 3
3 4
4 6
5 7
6 9
7 10
8 12
9 13
10 15
11 16
12 18
13 19
14 21
15 22
16 24
17 25
18 27
19 28
20 29
21 31
22 32
lesuren uren1 12 33 44 65 76 97 108 129 1310 1511 1612 1813 1914 2115 2216 2417 2518 2719 2820 2921 3122 32
;
3° logopedist:
heures de cours heures
1 1
2 3
3 4
4 6
5 7
6 9
7 10
8 12
9 13
10 15
11 16
12 18
13 19
14 21
15 22
16 24
17 25
18 27
19 28
20 29
21 31
22 32
heures de cours heures1 12 33 44 65 76 97 108 129 1310 1511 1612 1813 1914 2115 2216 2417 2518 2719 2820 2921 3122 32
;
3° logopède :
lesuren uren
1 1
2 3
3 4
4 6
5 7
6 9
7 10
8 12
9 13
10 15
11 16
12 18
13 19
14 21
15 22
16 24
17 25
18 27
19 28
20 30
lesuren uren1 12 33 44 65 76 97 108 129 1310 1511 1612 1813 1914 2115 2216 2417 2518 2719 2820 30
De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om de hiervoor vermelde omzettingstabellen te wijzigen.".
heures de cours heures
1 1
2 3
3 4
4 6
5 7
6 9
7 10
8 12
9 13
10 15
11 16
12 18
13 19
14 21
15 22
16 24
17 25
18 27
19 28
20 30
heures de cours heures1 12 33 44 65 76 97 108 129 1310 1511 1612 1813 1914 2115 2216 2417 2518 2719 2820 30
Le Gouvernement flamand est autorisé à modifier les tableaux de conversion mentionnés ci-dessus. ".
Art. 42. In artikel 57 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 17 juni 2011 en 25 april 2014, wordt aan punt 3° de zinsnede "en over de aanvangsbegeleiding van personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor bepaalde duur;" toegevoegd.
Art. 42. Dans l'article 57 du même Code, tel que modifié par les décrets du 17 juin 2011 et du 25 avril 2014, le membre de phrase " et l'encadrement initial des membres du personnel désignés à titre temporaire pour une période déterminée " est ajouté au point 3°.
Art. 43. Aan artikel 76, § 2, tweede lid, van dezelfde codex wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"4° het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling en het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat op basis van de beoordeling een verslag met werkpunten krijgt, met binnen die laatste groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen.".
Art. 43. A l'article 76, § 2, alinéa 2, du même Code, il est ajouté un point 4° ainsi rédigé :
" 4° le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui, dans les écoles du centre d'enseignement, acquièrent le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue sur la base d'une évaluation positive et le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui reçoivent un rapport avec des points d'amélioration sur la base de l'évaluation, avec dans ce dernier groupe une distinction entre les membres du personnel qui obtiennent par la suite une nouvelle désignation et les membres du personnel qui n'obtiennent pas par la suite une nouvelle désignation. ".
Art. 44. Aan artikel 88, § 2, tweede lid, van dezelfde codex wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"4° het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling en het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat op basis van de beoordeling een verslag met werkpunten krijgt, met binnen die laatste groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen.".
Art. 44. A l'article 88, § 2, alinéa 2, du même Code, il est ajouté un point 4° ainsi rédigé :
" 4° le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui, dans les écoles du centre d'enseignement, acquièrent le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue sur la base d'une évaluation positive et le nombre de membres du personnel temporaires avec une désignation à durée déterminée qui reçoivent un rapport avec des points d'amélioration sur la base de l'évaluation, avec dans ce dernier groupe une distinction entre les membres du personnel qui obtiennent par la suite une nouvelle désignation et les membres du personnel qui n'obtiennent pas par la suite une nouvelle désignation. ".
Art. 45. In artikel 211, § 2, tweede lid, van dezelfde codex wordt in punt 1° tussen de zinsnede "nascholing," en het woord "inhaallessen" het woord "aanvangsbegeleiding" ingevoegd.
Art. 45. Dans l'article 211, § 2, alinéa 2, du même Code, les mots " l'encadrement initial " sont insérés entre les mots " le recyclage " et les mots " les cours de rattrapage ".
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs
CHAPITRE 9. - Modifications du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel
Art. 46. In hoofdstuk 5, afdeling 2, onderafdeling 4, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs wordt een artikel 76/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 76/1. § 1. Een academie heeft vanaf het schooljaar 2019-2020 recht op aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding die als volgt berekend worden: A x B, waarbij:
1° A: het totale aantal lestijden van de academie, dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het voorgaande schooljaar;
2° B: X/Y, waarbij:
a) X: het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs;
b) Y: het totale aantal lestijden voor het deeltijds kunstonderwijs berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het voorgaande schooljaar.
Het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs, vermeld in het eerste lid, bedraagt, voor het schooljaar 2019-2020 326 lestijden.
Voor het schooljaar X-X+1, startend in schooljaar 2020-2021, worden de 326 lestijden, vermeld in het vorige lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A = X/Y, waarbij:
1° X: het totale aantal leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari X;
2° Y: het totale aantal leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari 2019.
Het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar de lagere eenheid.
§ 2. Met de aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding organiseert de academie betrekkingen in het ambt van leraar of begeleider conform de berekening, vermeld in artikel 39 van het besluit van 4 mei 2018 van de Vlaamse Regering betreffende het opleidingsaanbod, de organisatie, de personeelsformatie, de inning van het inschrijvingsgeld en de certificering van het deeltijds kunstonderwijs. De opdracht van de leraar wordt gelijkgesteld met een van de vakken, vermeld in artikel 4, 6, 8 en 10, van hetzelfde besluit.
§ 3. De aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding kunnen worden samengelegd.
Academies die kiezen om de aanvullende lestijden samen te leggen, richten daartoe een samenwerkingsverband `aanvangsbegeleiding' op dat bestaat uit twee of meer academies. Het samenwerkingsverband maakt afspraken over de aanwending van de aanvullende lestijden.
De Vlaamse Regering kan met betrekking tot het samenwerkingsverband, vermeld in het tweede lid, volgende maatregelen vastleggen:
1° de duur van de samenwerking;
2° de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht;
3° de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de overheid.
§ 4. Een academie of een samenwerkingsverband, vermeld in paragraaf 3, kan een of meer lestijden voor aanvangsbegeleiding omzetten naar administratieve omkaderingseenheden. Daarbij wordt het aantal lestijden als volgt in rekening gebracht:
Art. 46. Dans le chapitre 5, section 2, sous-section 4 du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel, il est inséré un article 76/1 rédigé comme suit :
" Art. 76/1. § 1er. A partir de l'année académique 2019-2020, une académie a droit à des périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial, calculées comme suit : A x B, où :
1° A : le nombre total de périodes de cours de l'académie, qui est calculé conformément à l'article 69 sur la base du comptage des élèves au 1er février de l'année scolaire précédente ;
2° B : X/Y, où :
a) X : le nombre total de périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial pour l'enseignement artistique à temps partiel ;
b) Y : le nombre total de périodes de cours pour l'enseignement artistique à temps partiel, qui est calculé conformément à l'article 69 sur la base du comptage des élèves au 1er février de l'année scolaire précédente.
Le nombre total périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial dans l'enseignement artistique à temps partiel visé à l'alinéa 1er est de 326 pour l'année scolaire 2019-2020.
Pour l'année scolaire X-X+1, à compter de l'année scolaire 2020-2021, les 326 périodes de cours mentionnées à l'alinéa précédent sont multipliées par le coefficient d'adaptation A = X/Y, où :
1° X : le nombre total d'élèves dans l'enseignement artistique à temps partiel au 1er février X ;
2° Y : le nombre total d'élèves dans l'enseignement artistique à temps partiel au 1er février 2019.
Le résultat du calcul visé à l'alinéa 1er est arrondi comme suit : si le premier chiffre après la virgule est supérieur à quatre, le nombre est arrondi à l'unité supérieure. Si le premier chiffre après la virgule est inférieur ou égal à quatre, le nombre est arrondi à l'unité inférieure.
§ 2. Avec les périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial, l'académie organise des emplois dans la fonction de professeur ou d'accompagnateur selon le calcul visé à l'article 39 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mai 2018 relatif à l'offre de formation, à l'organisation, au cadre du personnel, à la perception des droits d'inscription et à la certification de l'enseignement artistique à temps partiel. La charge de professeur est assimilée à l'un des cours visés aux articles 4, 6, 8 et 10 du même arrêté.
§ 3. Les périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial peuvent être regroupés.
Les académies qui choisissent de regrouper les périodes de cours complémentaires établissent à cet effet un partenariat " encadrement initial " composé de deux académies ou plus. Le partenariat conclut des arrangements sur l'utilisation des périodes de cours complémentaires.
En ce qui concerne ce partenariat visé à l'alinéa 2, le Gouvernement flamand peut prévoir les mesures suivantes :
1° la durée de la coopération ;
2° la forme de la convention par laquelle le partenariat est constitué ;
3° la méthode et le moment de la communication du partenariat aux autorités.
§ 4. Une académie ou un partenariat visé au paragraphe 3 peut convertir une ou plusieurs périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial en unités d'encadrement administratif. Le nombre de périodes de cours est pris en compte comme suit :
lestijden administratieve omkaderingseenheden
1 2
2 4
3 7
4 9
5 11
6 13
7 15
8 17
9 20
10 22
lestijden administratieve omkaderingseenheden1 22 43 74 95 116 137 158 179 2010 22
Met de administratieve omkaderingseenheden organiseert de academie betrekkingen in het ambt van administratief medewerker conform de berekening, vermeld in artikel 46 van het besluit van 4 mei 2018 van de Vlaamse Regering betreffende het opleidingsaanbod, de organisatie, de personeelsformatie, de inning van het inschrijvingsgeld en de certificering van het deeltijds kunstonderwijs.".
périodes de cours unités d'encadrement administratif
1 2
2 4
3 7
4 9
5 11
6 13
7 15
8 17
9 20
10 22
périodes de cours unités d'encadrement administratif1 22 43 74 95 116 137 158 179 2010 22
Avec les unités d'encadrement administratif, l'académie organise des emplois dans la fonction de collaborateur administratif selon le calcul visé à l'article 46 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mai 2018 relatif à l'offre de formation, à l'organisation, au cadre du personnel, à la perception des droits d'inscription et à la certification de l'enseignement artistique à temps partiel. ".
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding
CHAPITRE 10. - Modifications du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et les centres d'encadrement des élèves
Art. 47. In het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding wordt een artikel 41/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 41/1. Aan de centra worden voor het schooljaar 2019-2020 globaal 4,6 organieke omkaderingsgewichten aanvangsbegeleiding toegekend. Vanaf het schooljaar 2020-2021 wordt het beschikbaar aantal organieke omkaderingsgewichten evenredig aangepast aan eventuele wijzigingen aan de totaliteit van de reële omkadering van alle centra ten opzichte van het voorafgaande schooljaar.
Die omkaderingsgewichten worden over de centra verdeeld in verhouding tot de reële omkadering van het centrum en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de reële omkadering van alle centra.
De aanwending van de omkaderingsgewichten aanvangsbegeleiding gebeurt in wervingsambten van het technisch personeel of van het ondersteunend personeel.
De omkaderingsgewichten aanvangsbegeleiding die elk centrum ontvangt, kunnen door elk centrum gedeeltelijk of volledig worden overgedragen aan een al dan niet netoverstijgend samenwerkingsverband van centra onderling, naar de permanente ondersteuningscel of een netoverstijgend samenwerkingsverband van de permanente ondersteuningscellen of naar een netoverstijgende regionale ondersteuningscel. Ook in het geval van overdracht kunnen die omkaderingsgewichten alleen voor aanvangsbegeleiding in wervingsambten van het technisch personeel of van het ondersteunend personeel worden aangewend.".
Art. 47. Dans le décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves, il est inséré un article 41/1 rédigé comme suit :
" Art. 41/1. Pour l'année scolaire 2019-2020, un total de 4,6 pondérations d'encadrement organiques pour l'encadrement initial sont attribuées aux centres. A partir de l'année scolaire 2020-2021, le nombre disponible de pondérations d'encadrement organiques est ajusté proportionnellement aux modifications éventuelles de la totalité de l'encadrement réel de tous les centres par rapport à l'année scolaire précédente.
Ces pondérations d'encadrement sont réparties entre les centres en fonction de l'encadrement réel du centre et de l'année scolaire en question dans la totalité de l'encadrement réel de tous les centres.
L'utilisation des pondérations d'encadrement organiques pour l'encadrement initial se fait dans les fonctions de recrutement du personnel technique ou du personnel d'appui.
Les pondérations d'encadrement organiques pour l'encadrement initial reçues par chaque centre peuvent être transférées en tout ou en partie par chaque centre à un partenariat inter-réseaux ou non des centres entre eux, à une cellule permanente d'appui ou à un partenariat inter-réseaux de cellules permanentes d'appui ou à une cellule régionale d'appui inter-réseaux. De même dans le cas d'un transfert, ces pondérations d'encadrement ne peuvent être utilisées qu'à titre d'encadrement initial dans des fonctions de recrutement du personnel technique ou du personnel d'appui. ".
Art. 48. In artikel 42, § 1, van hetzelfde decreet wordt tussen de zinsnede "artikel 41" en de zinsnede ", overdragen" de zinsnede "en 41/1" ingevoegd.
Art. 48. Dans l'article 42, § 1er, du même décret, le membre de phrase " et à l'article 14/1 " est ajouté après le membre de phrase " à l'article 41 ".
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 23 december 2016
CHAPITRE 11. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement, sanctionnées par le décret du 23 décembre 2016
Art. 49. Aan deel III van de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een hoofdstuk 8 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 8. Aanvangsbegeleiding".
Art. 49. A la partie III de la codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016, modifiée en dernier lieu par le décret du 16 juin 2017, il est inséré un chapitre 8 ainsi rédigé :
" Chapitre 8. Encadrement initial ".
Art. 50. In dezelfde codificatie wordt aan hoofdstuk 8, toegevoegd bij artikel 49, een artikel III.46 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. III.46. § 1. Aan instellingen voor residentiële en semiresidentiële opvang van leerlingen, hierna instellingen te noemen, worden uren toegekend voor aanvangsbegeleiding.
§ 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als instellingen beschouwd:
1° internaten als vermeld in de artikelen III.21 en III.35 voor wat betreft hun openstelling op schooldagen;
2° tehuizen als vermeld in de artikelen III.1, § 1, eerste lid, III.20 en III.35, § 1, 2°, voor wat betreft hun openstelling op niet-schooldagen;
3° internaten buitengewoon onderwijs, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2;
4° internaten met permanente openstelling als vermeld in hoofdstuk 6;
5° semi-internaten als vermeld in het koninklijk besluit van 21 augustus 1978 houdende organisatie van de semi-internaten in het buitengewoon onderwijs van de Staat en tot vaststelling van de personeelsnormen.".
Art. 50. Dans la même codification, le chapitre 8, ajouté par l'article 49, est complété par un article III.46 rédigé comme suit :
" Art. III.46. § 1er. Les institutions de prise en charge résidentielle et semi-résidentielle des élèves, ci-après dénommés " les institutions ", se voient allouer des heures d'encadrement initial.
§ 2. Pour l'application du présent chapitre, on entend par institutions :
1° les internats visés aux articles III.21 et III.35 pour ce qui est de leur ouverture durant les jours scolaires ;
2° les homes d'accueil visés aux articles III.1, § 1er, alinéa 1er, III.20 et III.35, § 1er, 2° pour ce qui est de leur ouverture durant les jours non scolaires ;
3° les internats d'enseignement spécial, visés au chapitre 4, section 1re, sous-section 2 ;
4° les internats avec ouverture permanente tels que mentionnés au chapitre 6 ;
5° les semi-internats tels que visés à l'arrêté royal du 21 août 1978 portant organisation des semi-internats dans l'enseignement spécial de l'Etat et déterminant les normes du personnel. ".
Art. 51. In dezelfde codificatie wordt aan hoofdstuk 8, toegevoegd bij artikel 49, een artikel III.47 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. III.47. § 1. Het totale aantal uren voor aanvangsbegeleiding bedraagt voor internaten en tehuizen 104 uren.
§ 2. Het aantal uren voor aanvangsbegeleiding waarop een instelling recht heeft, is 104 X B/C, waarbij:
1° B: het totale aantal toegekende uren van de instelling van het vorige schooljaar;
2° C: het totale aantal toegekende uren van alle instellingen van het vorige schooljaar van alle instellingen samen.
De uren, vermeld in het eerste lid, worden binnen een instelling als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.
§ 3. Voor het bepalen van B en C:
1° worden de toegekende ambten van studiemeesters-opvoeders omgezet in uren, waarbij een voltijds ambt in 36 uren wordt omgezet;
2° worden de toegekende ambten in semi-internaten omgezet in uren, waarbij een voltijds ambt in 38 uren wordt omgezet;
3° wordt voor de toegekende omkadering van internaten buitengewoon onderwijs rekening gehouden met de toepassing van artikel III.29.
§ 4. De uren, vermeld in het eerste lid, kunnen worden samengelegd.
De instellingen die kiezen om de uren samen te leggen, richten daartoe een of meerdere samenwerkingsverbanden `aanvangsbegeleiding' op, waar afspraken worden gemaakt over de aanwending van deze uren.
Een samenwerkingsverband `aanvangsbegeleiding' kan bestaan uit:
1° een of meerdere internaten als vermeld in artikel III.46, § 2, 1° ; en/of
2° een of meerdere tehuizen als vermeld in artikel III.46, § 2, 2° ; en/of
3° een of meerdere internaten buitengewoon onderwijs als vermeld in artikel III.46, § 2, 3° ; en/of
4° een of meerdere internaten met permanente openstelling als vermeld in artikel III.46, § 2, 4° ; en/of
5° een of meerdere semi-internaten als vermeld in artikel III.46, § 2, 5.
De Vlaamse Regering kan met betrekking tot het samenwerkingsverband, vermeld in het tweede lid, volgende maatregelen vastleggen:
1° de duur van de samenwerking;
2° de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht;
3° de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de overheid.".
Art. 51. Dans la même codification, le chapitre 8, ajouté par l'article 49, est complété par un article III.47 rédigé comme suit :
" Art. III.47. § 1er. Le nombre total d'heures consacrées à l'encadrement initial dans les internats et les homes d'accueil est de 104 heures.
§ 2. Le nombre d'heures d'encadrement initial auquel une institution a droit est de 104 X B/C, où :
1° B : le nombre total d'heures allouées à l'institution de l'année scolaire précédente ;
2° C : le nombre total d'heures allouées à toutes les institutions de l'année scolaire précédente pour l'ensemble des institutions.
Les heures visées à l'alinéa 1er sont arrondies au sein de l'école comme suit : si le premier chiffre après la virgule est supérieur à quatre, le nombre est arrondi à l'unité supérieure. Si le premier chiffre après la virgule est inférieur ou égal à quatre, le nombre est arrondi à l'unité inférieure.
§ 3. Pour déterminer B et C :
1° les fonctions attribuées de surveillants-éducateurs sont converties en heures, une fonction à temps plein étant convertie en 36 heures ;
2° les fonctions attribuées aux semi-internats sont converties en heures, une fonction à temps plein étant convertie en 38 heures ;
3° il est tenu compte de l'application de l'article III.29 pour l'encadrement accordé aux internats d'enseignement spécial.
§ 4. Les heures visées à l'alinéa 1er, 2° peuvent être regroupées.
Les institutions optant pour un regroupement des heures établissent un ou plusieurs partenariats de d'" encadrement initial ", dans le cadre desquels des arrangements sont conclus en matière de l'utilisation de ces heures.
Un partenariat d'" encadrement initial " peut comprendre :
1° un ou plusieurs internats tels que visés à l'article III.46, § 2, 1° ; et/ou
2° un ou plusieurs homes d'accueil tels que visés à l'article III.46, § 2, 2° ; et/ou
3° un ou plusieurs internats d'enseignement spécial tels que visés à l'article III.46, § 2, 3° ; et/ou
4° un ou plusieurs internats avec ouverture permanente tels que visés à l'article III.46, § 2, 4° ; et/ou
5° un ou plusieurs semi-internats tels que visés à l'article III.46, § 2, 5.
En ce qui concerne le partenariat visé à l'alinéa 2, le Gouvernement flamand peut prévoir les mesures suivantes :
1° la durée de la coopération ;
2° la forme de la convention par laquelle le partenariat est constitué ;
3° la méthode et le moment de la communication du partenariat aux autorités. ".
Art. 52. In dezelfde codificatie wordt aan hoofdstuk 8, toegevoegd bij artikel 49, een artikel III.48 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. III.48. Met de uren kunnen in elke instelling betrekkingen in wervingsambten worden ingericht overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de toegekende omkadering als vermeld in artikel III.47, § 2, voor die instelling.".
Art. 52. Dans la même codification, le chapitre 8, ajouté par l'article 49, est complété par un article III.48 rédigé comme suit :
" Art. III.48. Les heures peuvent être utilisées dans chaque institution pour l'organisation d'emplois dans des fonctions de recrutement conformément aux dispositions régissant l'encadrement accordé tel que visé à l'article III.47, § 2 à cette institution. ".
HOOFDSTUK 12. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 12. - Entrée en vigueur
Art. 53. Dit decreet treedt in werking op 1 september 2019, met uitzondering van artikel 3, artikel 6, 5°, artikel 7, 5°, artikel 17, artikel 20, 5°, en artikel 21, 5°, die in werking treden op 1 juni 2020.
Art. 53. Le présent décret entre en vigueur le 1er septembre 2019, à l'exception des articles 3, 6, 5°, 7, 5°, 17, 20, 5°, et de l'article 21, 5°, qui entrent en vigueur le 1er juin 2020.