Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
25 JANUARI 2019. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het tijdelijk project "Leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs" (NOTA : bekrachtigd met uitwerking op 01-09-2019 bij DVR2019-04-05/15, art. 2)
Titre
25 JANVIER 2019. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif au projet temporaire " Transport scolaire dans l'enseignement spécial " (NOTE : confirmé avec effet au 01-09-2019 par DCFL2019-04-05/15, art. 2)
Documentinformatie
Numac: 2019040462
Datum: 2019-01-25
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2019040462
Date: 2019-01-25
Moniteur: Voir
Tekst (19)
Texte (19)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° Conceptnota: de bisconceptnota `Leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs', goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 17 juli 2015, opgenomen als bijlage.
2° Pilootproject: een geheel van geselecteerde pilootgebieden die bepaald worden door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer.
3° De vervoerder: de organisatie die instaat voor de praktische organisatie van het leerlingenvervoer. Tot op heden is dit de organisatie die op grond van de wet van 15 juli 1983 houdende oprichting van de Nationale dienst voor Leerlingenvervoer instaat voor de praktische organisatie van het leerlingenvervoer.
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° Note conceptuelle : la note conceptuelle bis " transport scolaire enseignement spécial ", approuvée par le Gouvernement flamand le 17 juillet 2015, reprise en annexe.
2° Projet pilote : un ensemble de zones pilotes déterminées par le ministre flamand chargé de l'enseignement et le ministre flamand chargé de la mobilité, des travaux publics et des transports.
3° Le transporteur : l'organisation en charge de l'organisation pratique du transport scolaire. Il s'agit à ce jour de l'organisation en charge du volet pratique du transport scolaire en vertu de la loi du 15 juillet 1983 portant création du Service national de Transport scolaire.
HOOFDSTUK 2. - Doelstelling en organisatie
CHAPITRE 2. - Objectif et organisation
Art. 2. Vanaf schooljaar 2019-2020 wordt een pilootproject `leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs' georganiseerd.
Art. 2. A partir de l'année scolaire 2019-2020, un projet pilote " transport scolaire enseignement spécial " est organisé.
Art. 3. Het pilootproject heeft de volgende doelstellingen:
1° een antwoord bieden op de vandaag bestaande knelpunten, zoals benoemd in de conceptnota;
2° de noodzakelijke randvoorwaarden en de kritische succesfactoren voor de implementatie van een nieuwe Vlaanderenbreed concept leerlingenvervoer in kaart brengen;
3° samenwerkingsverbanden ontwikkelen in functie van het concept basisbereikbaarheid zoals gedefinieerd in de op 18 december 2015 goedkeurde conceptnota van de Vlaamse Regering 'Met basisbereikbaarheid naar een efficiënt en aantrekkelijk vervoersmodel in Vlaanderen dat optimaal tegemoetkomt aan de globale en lokale vervoersvraag', toegevoegd als bijlage.
Het pilootproject leerlingenvervoer komt tegemoet aan de knelpunten van het huidig systeem leerlingenvervoer, zoals omschreven in de conceptnota en de evaluatie van de eerdere pilootprojecten leerlingenvervoer. Het pilootproject wordt gebruikt om in te schatten wat de implicaties zijn van de uitwerking van de conceptnota, op basis van volgende pijlers:
1° een lokale bepaling van het recht op leerlingenvervoer;
2° een multimodale organisatie van het leerlingenvervoer;
3° een decentralisatie die de vorming van verzorgingsgebieden omvat;
4° een verdere uitbouw van buitenschoolse opvang.
Het pilootproject leerlingenvervoer wordt gebruikt om samenwerkingsverbanden in kader van de uitrol van het concept basisbereikbaarheid op te zetten en in te schatten welke impact deze samenwerkingsverbanden kunnen hebben op de organisatie van het nieuwe concept leerlingenvervoer zoals omschreven in de conceptnota.
Art. 3. Le projet pilote poursuit les objectifs suivants :
1° apporter une réponse aux points problématiques actuels, tels qu'identifiés dans la note conceptuelle ;
2° cartographier la conditionnalité nécessaire et les facteurs clés de succès pour la mise en oeuvre d'un nouveau concept de transport scolaire pour l'ensemble de la Flandre ;
3° développer des structures de coopération en fonction du concept d'accessibilité de base tel que défini dans la note conceptuelle du Gouvernement flamand approuvée le 18 décembre 2015 " Avec une accessibilité de base vers un modèle de transport efficace et attrayant en Flandre qui répond de manière optimale à la demande globale et locale de transport ", reprise en annexe.
Le projet pilote " transport scolaire " répond aux problèmes du système actuel de transport scolaire, tels que décrits dans la note conceptuelle et dans l'évaluation des projets pilotes de transport scolaire précédents. Le projet pilote doit permettre d'estimer les implications de l'élaboration de la note conceptuelle sur la base des piliers suivants :
1° détermination locale du droit au transport scolaire ;
2° organisation multimodale du transport scolaire ;
3° décentralisation comprenant la formation de zones de desserte ;
4° poursuite du développement de l'accueil extrascolaire.
Le projet pilote " transport scolaire " doit permettre de mettre en place des structures de coopération dans le cadre du déploiement du concept d'accessibilité de base et d'estimer l'impact que ces structures de coopération peuvent avoir sur l'organisation du nouveau concept de transport scolaire tel que décrit dans la note conceptuelle.
Art. 4. De pilootgebieden in het pilootproject zijn geografisch afgebakend. Alle scholen buitengewoon onderwijs die in dit geografisch gebied gevestigd zijn, nemen deel.
De gebieden, geselecteerd voor het pilootproject, zijn:
1° het pilootgebied Leuven - Heverlee;
2° het pilootgebied Hooglede - Izegem - Ingelmunster - Roeselare - Moorslede - Torhout;
3° een (groot)stedelijk pilootgebied dat de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer, bepalen.
De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer, kunnen in onderling akkoord pilootgebieden toevoegen aan de lijst, vermeld in het eerste lid, of de pilootgebied vermeld in het eerste lid uitbreiden.
Als de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer, pilootgebieden toevoegen aan het pilootproject, moeten de pilootgebieden voldoen aan de volgende criteria:
1° beheersbaarheid van het aantal scholen;
2° bestaande samenwerkingsverbanden tussen scholen buitengewoon onderwijs;
3° een evenwichtige spreiding van landelijke en stedelijke gebieden;
4° evenwichtige verdeling van de verschillende types, opleidingsvormen en onderwijsnetten;
5° het engagement van het pilootgebied om tijdens het pilootproject mee te werken aan de uitwerking van de conceptnota;
6° aansluiten op de grenzen van de vervoerregio's, vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 4. Les zones pilotes sont géographiquement délimitées. Toutes les écoles de l'enseignement spécial situées dans cette zone géographique participent au projet pilote.
Les zones sélectionnées pour le projet pilote sont :
1° la zone pilote Louvain - Heverlee ;
2° la zone pilote Hooglede - Izegem - Ingelmunster - Roulers - Moorslede - Torhout ;
3° une zone pilote métropolitaine ou urbaine, déterminée par le ministre flamand chargé de l'enseignement et le ministre flamand chargé de la mobilité, des travaux publics et des transports.
Le ministre flamand chargé de l'enseignement et le ministre flamand chargé de la mobilité, des travaux publics et des transports peuvent, de commun accord, ajouter des zones pilotes à la liste visée à l'alinéa premier, ou étendre les zones pilotes visées à l'alinéa premier.
Si le ministre flamand chargé de l'enseignement et le ministre flamand chargé de la mobilité, des travaux publics et des transports ajoutent des zones pilotes au projet pilote, les zones pilotes doivent satisfaire aux critères suivants :
1° gérabilité du nombre d'écoles ;
2° structures de coopération existantes entres écoles de l'enseignement spécial ;
3° distribution équilibrée des zones rurales et urbaines ;
4° répartition équilibrée des différents types, formes d'enseignement et réseaux d'enseignement ;
5° l'engagement de la zone pilote de coopérer à l'élaboration de la note conceptuelle pendant le projet pilote ;
6° raccordement aux frontières des régions de transport, visées à l'annexe 3, jointe au présent arrêté.
Art. 5. De structurele implementatie van een nieuw concept leerlingenvervoer wordt verder voorbereid via dit pilootproject, waar binnen de volgende fasen toegewerkt zal worden naar de implementatie van het nieuwe concept in 2022.
Art. 5. L'introduction structurelle d'un nouveau concept de transport scolaire est préparée notamment dans le cadre de ce projet pilote, qui travaillera à la mise en oeuvre du nouveau concept en 2022 au cours des prochaines phases.
HOOFDSTUK 3. - Afwijkingen van reglementaire bepalingen
CHAPITRE 3. - Dérogations aux dispositions réglementaires
Art. 6. Het pilootproject kan afwijken van de volgende wettelijke bepalingen:
1° de wet van 15 juli 1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor Leerlingenvervoer;
2° artikel IV.35 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016;
3° het Koninklijk besluit van 7 februari 1974 betreffende de wijze waarop de reisonkosten van leerlingen uit het buitengewoon onderwijs ten laste worden genomen door de Staat.
Art. 6. Le projet pilote peut déroger aux dispositions légales suivantes :
1° la loi du 15 juillet 1983 portant création du Service national de Transport scolaire ;
2° l'article IV.35 de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016 ;
3° l'arrêté royal du 7 février 1974 déterminant les modalités de prise en charge par l'Etat des frais de déplacement des élèves de l'enseignement spécial.
Art. 7. Deze afwijkingen hebben geen invloed op de reglementaire bepalingen, rechten en garanties overeenkomstig het artikel 4 van het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, zoals gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009 en gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017.
Art. 7. Ces dérogations n'ont aucune influence sur les dispositions, droits et garanties réglementaires conformément à l'article 4 du décret du 9 décembre 2005 relatif à l'organisation de projets temporaires dans l'enseignement, tel que modifié par les décrets des 18 décembre 2009 et 16 juin 2017.
HOOFDSTUK 4. - Opvolging, begeleiding en evaluatie
CHAPITRE 4. - Suivi, encadrement et évaluation
Art. 8. Per pilootgebied wordt er een lokale werkgroep opgericht die het pilootproject op het terrein uitrolt, opvolgt en begeleidt. De werkgroep is samengesteld uit:
1° een lokale coördinator;
2° de directies of afgevaardigden van de deelnemende scholen;
3° de afgevaardigden van het Departement Onderwijs en Vorming van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming;
4° de afgevaardigden van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken van het Vlaams Ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken;
5° de afgevaardigden van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van het Vlaams Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
6° de afgevaardigde(n) van de vervoerder;
7° de afgevaardigde van het lokale stadsbestuur;
8° de afgevaardigde(n) of experts van de vervoerregioraad, een multidisciplinair en beleidsdomeinoverschrijdend overlegorgaan, verantwoordelijk voor het voorbereiden, opmaken, opvolgen, evalueren en, in voorkomend geval, herzien van het regionaal mobiliteitsplan;
9° de afgevaardigde(n) van het platform dat instaat voor de coördinatie van de inschrijvingen;
10° de afgevaardigde van het Centrum Leerlingenbegeleiding;
11° de externe experts.
Art. 8. Pour chaque projet pilote, il est créé un groupe de travail local chargé de mettre en pratique, de suivre et d'encadrer le projet pilote sur le terrain. Le groupe de travail est composé des membres suivants :
1° un coordinateur local ;
2° les directions ou représentants des écoles participantes ;
3° les représentants du Département de l'Enseignement et de la Formation du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation ;
4° les représentants du Département de la Mobilité et des Travaux Publics du Ministère flamand de la Mobilité et des Travaux Publics ;
5° les représentants du Département du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille du Ministère flamand du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille ;
6° le ou les représentants du transporteur ;
7° le représentant de l'administration de la ville ;
8° le ou les représentants ou experts du conseil régional de transport, un organe de concertation multidisciplinaire regroupant divers domaines politiques, chargé de la préparation, de l'établissement, du suivi, de l'évaluation et, le cas échéant, de la révision du plan de mobilité régional;
9° le ou les représentants de la plate-forme chargée de coordonner les inscriptions ;
10° le représentant du centre d'encadrement des élèves ;
11° les experts externes.
Art. 9. Er wordt een centrale stuurgroep opgericht die belast is met de opvolging van het pilootproject en de wijze van begeleiding en ondersteuning. De stuurgroep is samengesteld uit:
1° de afgevaardigden van de kabinetten Onderwijs, Mobiliteit en Welzijn;
2° de afgevaardigden van het Departement Onderwijs en Vorming van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming;
3° de afgevaardigden van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken van het Vlaams Ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken;
4° de afgevaardigden van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van het Vlaams Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
5° de afgevaardigden van het Gemeenschapsonderwijs en van de representatieve verenigingen van de schoolbesturen of inrichtende machten;
6° de afgevaardigde van het Agentschap voor Onderwijsdiensten;
7° de coördinatoren van de lokale werkgroepen;
8° de afgevaardigde van het Centrum Leerlingenbegeleiding;
9° de afgevaardigde van de vervoerder;
10° de afgevaardigde van Kind en Gezin;
11° de afgevaardigde van het Agentschap Jongerenwelzijn.
Elke geleding wijst een of meer vertegenwoordigers aan.
Art. 9. Il est créé un groupe de pilotage central qui est chargé du suivi du projet pilote et du mode d'encadrement et d'appui. Le groupe de pilotage est composé des membres suivants :
1° les représentants des cabinets Enseignement, Mobilité et Bien-Etre ;
2° les représentants du Département de l'Enseignement et de la Formation du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation ;
3° les représentants du Département de la Mobilité et des Travaux Publics du Ministère flamand de la Mobilité et des Travaux Publics ;
4° les représentants du Département du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille du Ministère flamand du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille ;
5° les représentants de l'Enseignement communautaire et des associations représentatives des autorités scolaires ou pouvoirs organisateurs ;
6° le représentant de l'Agence de Services d'Enseignement (Agentschap voor Onderwijsdiensten) ;
7° les coordinateurs des groupes de travail locaux ;
8° le représentant du centre d'encadrement des élèves ;
9° le représentant du transporteur ;
10° le représentant de Enfance et Famille (Kind en Gezin) ;
11° le représentant de l'Agence de l'Aide sociale aux Jeunes (Agentschap Jongerenwelzijn).
Chaque groupement désigne un ou plusieurs représentants.
Art. 10. De Vlaamse Onderwijsraad wordt op regelmatige tijdstippen geïnformeerd over de concretisering en de resultaten van het pilootproject.
Art. 10. Le Conseil flamand de l'Enseignement (Vlaamse Onderwijsraad) est informé à intervalles réguliers de la concrétisation et des résultats du projet pilote.
Art. 11. In de loop van het schooljaar 2019-2020 wordt, overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, een expertenpanel opgericht dat het pilootproject evalueert.
Deze opvolging mondt uit in een evaluatie van het pilootproject in het schooljaar 2021-2022. Het expertenpanel evalueert het pilootproject op het vlak van haalbaarheid, wenselijkheid van een organieke implementatie en van de uitwerking van de pijlers van de conceptnota zoals bepaald in artikel 3. Het geheel van de evaluatieresultaten maakt het voorwerp uit van een rapport dat opgemaakt is onder de verantwoordelijkheid van de centrale stuurgroep, en dat aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer, wordt bezorgd.
Het expertenpanel is samengesteld uit:
1° twee afgevaardigden van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming, waarvan één afgevaardigde het voorzitterschap vervult;
2° één afgevaardigde van het Vlaams ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken;
3° één afgevaardigde van het Agentschap voor Onderwijsdiensten;
4° één afgevaardigde van de onderwijsinspectie;
5° één afgevaardigde van het Gemeenschapsonderwijs;
6° één afgevaardigde van het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen;
7° één afgevaardigde van het Onderwijssecretariaat van Vlaamse Steden en Gemeenten;
8° één afgevaardigde van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen;
9° één afgevaardigde van het Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers;
10° één afgevaardigde van de representatieve vakorganisaties;
11° één afgevaardigde van de vervoerder;
12° één afgevaardigde van het Centrum Leerlingenbegeleiding;
13° afgevaardigden van de ouderbelangenverenigingen en de ouderkoepels van de verschillende onderwijsnetten.
Elke geleding duidt haar vertegenwoordiger(s) aan.
Art. 11. Dans le courant de l'année scolaire 2019-2020, il est établi, conformément à l'article 6 du décret du 9 décembre 2005 relatif à l'organisation de projets temporaires dans l'enseignement, un panel d'experts chargé d'évaluer le projet pilote.
Ce suivi aboutit à une évaluation du projet pilote pendant l'année scolaire 2021-2022. Le panel d'experts évalue le projet pilote au niveau de la faisabilité et de l'opportunité d'une mise en oeuvre organique et de l'élaboration des piliers de la note conceptuelle tels que visés à l'article 3. L'ensemble des résultats de l'évaluation fait l'objet d'un rapport qui est établi sous la responsabilité du groupe de pilotage central et présenté au ministre flamand chargé de l'enseignement et au ministre flamand chargé de la mobilité, des travaux publics et des transports.
Le panel d'experts se compose des membres suivants :
1° deux représentants du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, dont un assume la présidence ;
2° un seul représentant du Ministère flamand de la Mobilité et des Travaux publics ;
3° un seul représentant de l'Agence de Services d'Enseignement ;
4° un seul représentant de l'inspection de l'enseignement ;
5° un seul représentant de l'Enseignement communautaire ;
6° un seul représentant de l'Enseignement provincial flamand ;
7° un seul représentant du Secrétariat de l'enseignement des Villes et Communes flamandes (Onderwijssecretariaat van de Vlaamse Steden en Gemeenten) ;
8° un seul représentant de l'Enseignement catholique Flandre (Katholiek Onderwijs Vlaanderen) ;
9° un seul représentant de la Concertation petits dispensateurs d'enseignement (Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers) ;
10° un seul représentant des organisations syndicales représentatives ;
11° un seul représentant du transporteur ;
12° un seul représentant du centre d'encadrement des élèves ;
13° des représentants des associations d'intérêts de parents et des organisations coordinatrices de parents des différents réseaux d'enseignement.
Chaque groupement désigne son ou ses représentants.
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
Art. 12. Het pilootproject kan één keer verlengd worden als de haalbaarheid van de uitrol over Vlaanderen en alle toepassingsvoorwaarden niet verzekerd zijn.
Art. 12. Le projet pilote peut être prolongé une seule fois si la faisabilité du déploiement en Flandre et toutes les modalités d'application ne sont pas assurées.
Art. 13. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2019 en treedt buiten werking op 31 augustus 2022.
Art. 13. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2019 et cesse d'être en vigueur le 31 août 2022.
Art. 14. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 14. Le ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions, et le ministre flamand ayant la mobilité, les travaux publics et les transports dans ses attributions, sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.