30 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het lokaal sociaal beleid, vermeld in artikels 2, 9 tot en met 11, 17, 19 en 26 van het decreet van 9 februari 2018 betreffende het lokaal sociaal beleid(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-01-2019 en tekstbijwerking tot 26-10-2023)
HOOFDSTUK 1. - Definities
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Lokaal sociaal beleid in Brussel-Hoofdstad
Art. 2, 2/1
HOOFDSTUK 3. - Toegankelijke sociale hulp- en dienstverlening en onderbescherming aanpakken
Art. 3-6
HOOFDSTUK 4. - Ondersteuning
Art. 7-8, 8/2, 8/12, 8/13, 8/14, 8/15, 8/16, 8/17, 8/18, 8/19, 8/20
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
Art. 9-10
HOOFDSTUK 1. - Definities
Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder:
1° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG;
2° basiswerker: een medewerker van een kernactor van het samenwerkingsverband geïntegreerd breed onthaal;
3° decreet van 9 februari 2018: het decreet van 9 februari 2018 betreffende het lokaal sociaal beleid;
4° gebruiker: iedere natuurlijke persoon die een beroep doet of kan doen op het samenwerkingsverband geïntegreerd breed onthaal;
5° kernactor: het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, het erkende centrum voor algemeen welzijnswerk, vermeld in artikel 7 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende het algemeen welzijnswerk, en de erkende diensten maatschappelijk werk van de ziekenfondsen, vermeld in artikel 14 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, die samenwerken binnen het samenwerkingsverband geïntegreerd breed onthaal;
6° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;
7° samenwerkingsverband geïntegreerd breed onthaal: het samenwerkingsverband, vermeld in artikel 9, tweede lid, van het decreet van 9 februari 2018 betreffende het lokaal sociaal beleid;
8° verwerken: het uitvoeren van een verwerking, zoals gedefinieerd in artikel 4, 2) van de algemene verordening gegevensbescherming.
[1 9° secretaris-generaal: het personeelslid dat belast is met de leiding van het Departement Zorg, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg.
10° administratie: de administratie van het Departement Zorg, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg.]1
----------
(1)<BVR 2023-09-15/29, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 05-11-2023>
HOOFDSTUK 2. - Lokaal sociaal beleid in Brussel-Hoofdstad
Art.2.Om de doelstellingen van het decreet van 9 februari 2018 [1 en de bijbehorende Vlaamse beleidsprioriteiten]1 te realiseren in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad sluit de minister een convenant met de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de duurtijd van vijf jaar. Het convenant begint op 1 januari van het tweede jaar van de bestuursperiode van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie en eindigt op het einde van het eerste jaar van de daaropvolgende bestuursperiode.
----------
(1)<BVR 2023-09-15/29, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 05-11-2023>
Art. 2/1. [1 Binnen de perken van de begrotingskredieten wordt jaarlijks door de secretaris-generaal een subsidie van 154.600 euro toegekend aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de uitvoering van het convenant, vermeld in artikel 2, op basis van een goedgekeurd jaarplan.
Het basisbedrag, vermeld in het eerste lid, wordt aangepast aan de gezondheidsindex, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, in overeenstemming met de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De basisindex is die van 1 januari 2023.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij BVR 2023-09-15/29, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 05-11-2023>
HOOFDSTUK 3. - Toegankelijke sociale hulp- en dienstverlening en onderbescherming aanpakken
Art.3. Overeenkomstig artikel 9 van het decreet van 9 februari 2018 bouwt het lokaal bestuur een Sociaal Huis uit. Dat Sociaal Huis heeft minstens een informatie-, loket- en onthaalfunctie voor het aanbod van lokale sociale hulp- en dienstverlening.
De informatie- en loketfunctie van het Sociaal Huis wordt gerealiseerd door minstens een gezamenlijk loket op te richten dat op een geïntegreerde wijze toegang verleent tot de sociale dienstverlening van het lokaal bestuur.
De onthaalfunctie wordt gerealiseerd in afstemming met de kernactoren binnen het samenwerkingsverband geïntegreerd breed onthaal.
Art.4. Het samenwerkingsverband geïntegreerd breed onthaal vervult de volgende functies:
1° proactieve acties opzetten: opzetten van acties waarbij het samenwerkingsverband zelf het initiatief neemt om contact te zoeken met kwetsbare personen met als doel ervoor te zorgen dat die personen rechten krijgen en zorg en ondersteuning ontvangen;
2° de hulpvraag beluisteren en verhelderen vanuit een breed generalistisch perspectief: samen met de gebruiker de hulpvraag contextualiseren, de problemen inventariseren en in kaart brengen om een beter zicht te krijgen op de aard van de problemen, de gebruiker inzicht geven in zijn situatie en alle oplossingsalternatieven verkennen;
3° rechten van de gebruikers verkennen en gebruikers proactief informeren over hun sociale grondrechten;
4° objectieve en transparante informatie verstrekken over het volledige aanbod van de lokale sociale hulp- en dienstverlening: individueel en op maat gepaste informatie verstrekken in het kader van de hulp- en dienstverlening;
5° oriënterend advies verstrekken: de gebruiker objectief en transparant informeren en voorlichten, rekening houdend met zijn persoonlijke situatie; oplossingsperspectieven, keuzemogelijkheden en gedragsalternatieven aanreiken, zodat de gebruiker over meer kennis beschikt en een weloverwogen keuze kan maken. Het aanbod wordt verhelderd, zodat samen met de gebruiker bepaald kan worden welk hulpaanbod aangewezen is voor de hulpvraag;
6° rechten van de gebruikers realiseren: gebruikers ondersteunen om hun sociale grondrechten maximaal te realiseren en waar nodig sociaal-administratieve hulp verstrekken;
7° neutraal naar de gepaste lokale sociale hulp- en dienstverlening doorverwijzen: gebruikers toeleiden naar de gepaste lokale sociale hulp- en dienstverlening van hun keuze;
8° het overzicht behouden op het hulpverleningstraject van de gebruiker, fungeren als terugvalbasis als de verdere hulp- en dienstverlening aan de gebruiker stopt, beschikbaar blijven voor verdere vragen van de gebruiker en bemiddelen tussen de gebruiker en andere lokale actoren bij onduidelijkheden of problemen;
9° drempels signaleren: drempels die de toegankelijkheid van lokale sociale hulp- en dienstverlening bedreigen en factoren die de onderbescherming versterken, signaleren aan de verschillende betrokken lokale actoren.
In het eerste lid wordt verstaan onder sociale grondrechten: de rechten, vermeld in artikel 23 en 24, § 3, van de Grondwet.
Binnen het samenwerkingsverband geïntegreerd breed onthaal is elke kernactor verantwoordelijk om het onthaal als hulpverleningsvorm te organiseren. Elke kernactor realiseert het onthaal op een zodanige manier dat, in voorkomend geval, verder wordt gebouwd op de acties van de andere kernactoren en dat wordt vermeden dat een tweede onthaal dient te gebeuren bij een andere kernactor.
Art.5. Het samenwerkingsverband geïntegreerd breed onthaal vertrekt vanuit het centrale werkingsprincipe van een gezamenlijke visie, gezamenlijke doelstellingen en concrete acties die passen binnen het lokaal sociaal beleid. De doelgroep en de basiswerkers worden actief betrokken bij de uitbouw van het hulpaanbod van het samenwerkingsverband geïntegreerd breed onthaal.
Het samenwerkingsverband geïntegreerd breed onthaal hanteert naast de principes, vermeld in het eerste lid, de volgende werkingsprincipes die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn:
1° op het niveau van het samenwerkingsverband geïntegreerd breed onthaal:
a) proactief werken: het samenwerkingsverband zet proactieve acties op, gebaseerd op beschikbare indicatoren, om kwetsbare personen op de hoogte te brengen van hun rechten en het hulpaanbod waarvan ze kunnen gebruikmaken;
b) outreachend handelen bij kwetsbare doelgroepen: het samenwerkingsverband zet methodieken in om moeilijk bereikbare en hulpbehoevende personen die niet gebruikmaken van het bestaande aanbod aan lokale sociale hulp- en dienstverlening, in hun leefwereld op te zoeken. De focus ligt op personen in maatschappelijk kwetsbare situaties die niet of ontoereikend bereikt worden door de lokale sociale hulp- en dienstverlening;
c) het samenwerkingsverband maakt duidelijke en transparante afspraken over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden, waaronder de wijze waarop regie door het lokaal bestuur wordt gerealiseerd. De regie voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1) een draagvlak creëren;
2) het proces faciliteren en de communicatie tussen de verschillende partners ondersteunen;
3) een synthese maken van de behoeften en verwachtingen en op basis daarvan de nodige beslissingen nemen;
4) de beslissingen verantwoorden aan alle partners binnen het samenwerkingsverband;
d) het samenwerkingsverband zet in op het delen van kennis, expertise en innovatieve praktijken tussen de betrokken kernactoren;
e) de betrokken kernactoren van het samenwerkingsverband voorzien in de nodige ruimte, tijd en middelen voor hun basiswerkers om het samenwerkingsverband geïntegreerd breed onthaal te realiseren en motiveren hun keuzes voor de in te zetten middelen om de functies en werkingsprincipes te realiseren;
f) de betrokken kernactoren van het samenwerkingsverband werken gezamenlijk aan competentieversterking op het vlak van:
1) responsief en transparant handelen;
2) outreachend werken;
3) proactief werken;
4) participatief werken;
5) aanklampend werken;
6) inzetten op de krachten van de gebruikers;
7) werken op maat van de gebruikers;
8) samenwerken in een samenwerkingsverband;
9) inzetten van een brede expertise;
2° op het niveau van de gebruiker:
a) proactief werken: de kernactoren voeren proactieve acties uit, gebaseerd op de beschikbare indicatoren, om het hulpaanbod en de rechten voor de kwetsbare gebruiker te realiseren;
b) outreachend handelen bij de gebruiker: de hulpverlener verplaatst zich in de leefwereld van de kwetsbare gebruiker en erkent de waarden en normen die daar gelden. Die actieve benadering is erop gericht het welzijn van de kwetsbare gebruiker te bevorderen;
c) generalistisch werken: een holistisch perspectief hanteren dat aandacht heeft voor de verschillende levensdomeinen en voor de verwevenheid van problematieken en de interactie tussen gebruikers en de bredere maatschappelijke omgeving;
d) inzetten op een positieve hulpverleningsrelatie: de hulpverlening en de relatie die met de gebruiker wordt uitgebouwd, worden gekenmerkt door kwaliteiten, zoals wederzijds respect, vertrouwen, betrokkenheid, empathie, aanvaarding en oprechtheid, en houden rekening met de waarden, normen en keuzevrijheid van de gebruiker;
e) krachtgericht werken: de mogelijkheden en hulpbronnen van gebruikers en hun directe omgeving worden verkend en benut met het oog op zelfregie, zonder daarbij de aanwezige problematieken en kwetsbaarheden te negeren. Daarbij wordt de nodige professionele ondersteuning geboden;
f) participatief werken: de gebruiker wordt structureel en op een volwaardige en gelijkwaardige manier betrokken bij het hulpverleningstraject. Mogelijke oplossingen vertrekken vanuit het perspectief van de gebruiker en verlopen onder zijn regie en met respect voor zijn keuzevrijheid;
g) aanklampend werken: ongevraagd hulp verlenen in uitzonderlijke omstandigheden en op basis van signalen uit de omgeving, die erop gericht is de gezondheids- en welzijnssituatie van de gebruiker te verbeteren. De hulpverlening beoogt specifieke gebruikers die hulp op een zorgwekkende manier mijden of van wie de omgeving dat doet, te motiveren om hulp en ondersteuning te aanvaarden;
h) de continuïteit van de lokale sociale hulp- en dienstverlening opvolgen.
Art.6. § 1. De kernactoren, die betrokken zijn bij het individuele onthaaltraject van een gebruiker, verwerken de volgende persoonsgegevens van de gebruiker, voor zover de verwerking van deze gegevens strikt noodzakelijk is om de functies van het samenwerkingsverband geïntegreerd breed onthaal, vermeld in artikel 4, te realiseren:
1° de identificatie- en contactgegevens van de gebruiker;
2° de gegevens die noodzakelijk zijn om de rechten van de cliënt te verkennen en uit te voeren, onder meer de identificatie van het recht, de datum van de aanvraag, de datum en de aard van de beslissing;
3° de ondersteuningsvragen, doelstellingen en acties die de gebruiker formuleert op de verschillende levensdomeinen;
4° de relevante identificatie- en contactgegevens van de personen die betrokken zijn bij de hulp- en dienstverlening aan de gebruiker.
§ 2. De kernactoren verwerken de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, op grond van artikel 6, eerste lid, e), van de algemene verordening gegevensbescherming.
De verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 1, kan ook de verwerking omvatten van de volgende bijzondere categorieën van persoonsgegevens vermeld in artikel 9, eerste lid, van de algemene verordening gegevensbescherming:
1° persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst blijken;
2° persoonsgegevens waaruit politieke opvattingen blijken;
3° persoonsgegevens waaruit religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken;
4° persoonsgegevens waaruit het lidmaatschap van een vakbond blijkt;
5° gegevens over gezondheid;
6° gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid.
In uitvoering van artikel 9, tweede lid, g) van de algemene verordening gegevensbescherming worden de verwerkingen, vermeld in het tweede lid, beschouwd als noodzakelijke verwerkingen om redenen van zwaarwegend algemeen belang.
§ 3. Elke kernactor is apart verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens. Indien er een gezamenlijke verwerking van persoonsgegevens door de kernactoren plaatsvindt in een gezamenlijk gebruikersdossier, hebben de kernactoren een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid.
§ 4. Indien er een gezamenlijke verwerking van persoonsgegevens door de kernactoren plaatsvindt in een gezamenlijk gebruikersdossier, bedraagt de bewaartermijn van het gebruikersdossier 10 jaar. Deze termijn begint te lopen vanaf de datum van afsluiten van de hulpverlening in het gebruikersdossier. Na die termijn wordt het gebruikersdossier vernietigd.
§ 5. De kernactoren informeren de gebruikers over de gezamenlijke verwerking van de persoonsgegevens via een website en een brochure. Op de website en de brochure staan de contactgegevens vermeld waar gebruikers met vragen over de gezamenlijke verwerking van de persoonsgegevens terecht kunnen.
§ 6. Elke kernactor leeft de eigen verplichtingen inzake beveiliging van persoonsgegevens na. Indien er een gezamenlijke verwerking van persoonsgegevens plaatsvindt, neemt elke kernactor de volgende maatregelen in acht:
1° de beveiliging gebeurt op basis van een classificatie matrix die wordt opgesteld door de respectievelijke functionarissen voor gegevensbescherming van de kernactoren;
2° wat betreft de ontsluiting van deze gegevens, verloopt het toegangsbeheer via het gebruikers- en toegangsbeheer van de Vlaamse overheid waarbij enkel de authenticatiemethodes e-ID en itsme toegelaten zijn;
3° de functionaris voor gegevensbescherming is nauw betrokken bij deze verwerking en doet een periodieke controle op het gebruik van de toegangen.
§ 7. De gebruiker bezit de rechten vermeld in artikel 12 tot en met 19 en in artikel 21 en 22 van de algemene verordening gegevensbescherming.
Iedere basiswerker informeert de cliënt op gepaste wijze over zijn rechten in het kader van de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig de toepasselijke regelgeving.
HOOFDSTUK 4. - Ondersteuning
Art.7. De minister kan, binnen de perken van de begrotingskredieten, een subsidie verlenen voor projecten met een experimenteel of vernieuwend karakter die bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van het lokaal sociaal beleid. Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag wint de minister het advies van het lokaal bestuur in, als het lokaal bestuur niet betrokken is bij de totstandkoming van de subsidieaanvraag.
Art.8. De minister kan, binnen de perken van de begrotingskredieten, een subsidie verlenen aan de lokale besturen voor de uitvoering van de Vlaamse beleidsprioriteiten of aan initiatieven of organisaties die de lokale besturen bijstaan en ondersteunen bij de uitvoering van de Vlaamse beleidsprioriteiten.
Art. 8/2. [1 Binnen de perken van de begrotingskredieten wordt jaarlijks een subsidie van 300.800 euro toegekend aan de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten voor de uitvoering van het convenant, vermeld in artikel 8/1, op basis van een goedgekeurd jaarplan.
Het basisbedrag, vermeld in het eerste lid, wordt aangepast aan de gezondheidsindex, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, in overeenstemming met de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De basisindex is die van 1 januari 2023. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij BVR 2023-09-15/29, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 05-11-2023>
Art.8/12. [1 Binnen de perken van de begrotingskredieten wordt jaarlijks een subsidie van 468.000 euro toegekend aan Lus vzw voor de uitvoering van de overeenkomst, vermeld in artikel 8/11, op basis van een goedgekeurd jaarplan.
Binnen de perken van de begrotingskredieten wordt jaarlijks een subsidie van 315.000 euro toegekend aan Trefpunt Zelfhulp vzw voor de uitvoering van de overeenkomst, vermeld in artikel 8/11, op basis van een goedgekeurd jaarplan.
Het basisbedrag, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt aangepast aan de gezondheidsindex, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, in overeenstemming met de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De basisindex is die van 1 januari 2023. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij BVR 2023-09-15/29, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 05-11-2023>
Art. 8/13.[1 De organisaties, vermeld in artikel 8/12, wenden de subsidie-enveloppe, vermeld in artikel 8/12, aan voor al de volgende aspecten:
1° personeelskosten;
2° werkingskosten;
3° overeenkomsten met derden.
De subsidies worden niet aangewend voor investeringen.
Activiteiten waarvoor met toepassing van andere regelingen van de Vlaamse Gemeenschap of andere overheden subsidies worden ontvangen, komen niet in aanmerking voor de toekenning van de subsidie op grond van dit besluit als dat ertoe leidt dat dezelfde uitgaven voor die activiteit dubbel worden gesubsidieerd.
De subsidies kunnen alleen verleend worden als de organisaties, vermeld in artikel 8/12 van dit besluit, het decreet van 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers toepassen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij BVR 2023-09-15/29, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 05-11-2023>
Art. 8/14.[1 Uiterlijk op 30 oktober van het eerste jaar van de lokale beleidscyclus dienen de organisaties, vermeld in artikel 8/12, hun subsidieaanvraag in bij de administratie.
De subsidieaanvraag, vermeld in het eerste lid, bestaat uit een meerjarenplan dat voldoet aan de bepalingen, vermeld in het decreet van 9 februari 2018, en dit besluit. Het meerjarenplan heeft een duurtijd van zes jaar.
Het meerjarenplan, vermeld in het tweede lid, bevat al de volgende elementen:
1° de visie op lokaal sociaal beleid;
2° de doelstellingen en geplande acties in het kader van lokaal sociaal beleid, met per actie de vermelding van het plan van aanpak, de timing en de financiële prognose;
3° de criteria die worden gehanteerd om de resultaten te beoordelen. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij BVR 2023-09-15/29, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 05-11-2023>
Art. 8/15. [1 Uiterlijk op 30 april van het tweede jaar van de lokale beleidscyclus brengt de administratie de organisaties, vermeld in artikel 8/12, op de hoogte van het al dan niet aanvaarden van de subsidieaanvraag ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij BVR 2023-09-15/29, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 05-11-2023>
Art. 8/16. [1 Het subsidiebedrag wordt uitgekeerd in twee gelijke delen, uiterlijk op 30 juni en 30 november van elk jaar. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij BVR 2023-09-15/29, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 05-11-2023>
Art. 8/17. [1 Uiterlijk op 31 juli van elk jaar rapporteren de organisaties, vermeld in artikel 8/12, via een jaarlijks verslag aan de administratie over de daadwerkelijke uitvoering van het meerjarenplan in het voorafgaande jaar.
Het jaarlijkse verslag, vermeld in het eerste lid, bevat de volgende elementen:
1° in voorkomend geval, de gewijzigde onderdelen van het meerjarenplan;
2° het inhoudelijke overzicht van de voortgang en de realisatie van de acties aan de hand van de voorgestelde criteria, en de timing ervan, opgenomen in het meerjarenplan;
3° de financiële middelen die besteed zijn aan de uitvoering van het meerjarenplan;
4° een uittreksel uit de boekhouding voor het activiteitencentrum en een bijbehorende financiële nota op basis waarvan de uitgaven, vermeld in punt 3°, gestaafd worden.
De organisaties, vermeld in artikel 8/12, kunnen de resultaten van de gesubsidieerde activiteiten openbaar maken. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij BVR 2023-09-15/29, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 05-11-2023>
Art. 8/18. [1 In al de volgende gevallen dient de secretaris-generaal uiterlijk drie maanden nadat hij de rapportering, vermeld in artikel 8/17, heeft ontvangen, met een aangetekende brief bezwaar in bij de organisaties, vermeld in artikel 8/12:
1° als de organisaties, vermeld in artikel 8/12, niet voldoen aan de rapporteringsverplichtingen, vermeld in artikel 8/17;
2° als het jaarlijkse verslag, vermeld in artikel 8/17, onduidelijk is;
3° als de organisaties, vermeld in artikel 8/12, onvoldoende aantonen dat ze de vooropgestelde doelstellingen hebben nagestreefd.
De organisaties, vermeld in artikel 8/12, bezorgen, binnen twee maanden nadat ze het bezwaar, vermeld in het eerste lid, hebben ontvangen, aan de secretaris-generaal een aangepast jaarlijks verslag of een motiverende nota waarom bepaalde engagementen niet zijn nagekomen. De secretaris-generaal bezorgt daaropvolgend zijn beslissing aan de organisaties, vermeld in artikel 8/12, binnen twee maanden nadat hij het aangepaste jaarlijkse verslag of de motiverende nota heeft ontvangen.
Als uit het aangepaste jaarlijkse verslag of uit de motiverende nota blijkt dat de subsidie niet aangewend is voor het doel waarvoor ze is verleend, keert de administratie verdere toegezegde subsidies niet uit en vordert ze de subsidies terug die al zijn toegekend. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij BVR 2023-09-15/29, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 05-11-2023>
Art. 8/19. [1 Als de organisaties, vermeld in artikel 8/12, de subsidie in het jaar waarvoor de subsidie-enveloppe, vermeld in artikel 8/13, wordt toegekend, niet volledig aanwenden om de kosten, vermeld in artikel 8/13, te dekken, leggen ze reserves aan met het niet-aangewende gedeelte, tot maximaal 20% van de subsidie-enveloppe.
De organisaties, vermeld in artikel 8/12, wenden de reserves, vermeld in het eerste lid, aan om uitgaven te financieren die bijdragen tot de realisatie van hun taken in uitvoering van de doelstellingen van het decreet van 9 februari 2018 en dit besluit, en om de wettelijk bepaalde provisie voor vakantiegeld aan te leggen.
Van reserves die op het ogenblik van het afsluiten van het boekjaar meer bedragen dan de jaarlijkse subsidie stort de organisatie het bedrag dat de jaarlijkse subsidie overschrijdt, terug aan de Vlaamse overheid. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij BVR 2023-09-15/29, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 05-11-2023>
Art. 8/20. [1 De organisaties, vermeld in artikel 8/12, erkennen in hun werking het belang van het gebruik van de Nederlandse taal. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij BVR 2023-09-15/29, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 05-11-2023>
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
Art.9. De volgende regelgevende teksten treden in werking op 1 januari 2019:
1° het decreet van 9 februari 2018;
2° dit besluit.
Art. 10. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.