Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
9 MEI 2019. - Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van het reglementair deel van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling
Titre
9 MAI 2019. - Arrêté du Gouvernement wallon modifiant la partie réglementaire du Code du Développement territorial
Documentinformatie
Numac: 2019015240
Datum: 2019-05-09
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2019015240
Date: 2019-05-09
Moniteur: Voir
Tekst (44)
Texte (44)
HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen van het reglementair deel van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling
CHAPITRE Ier. - Dispositions modificatives de la partie réglementaire du Code du Développement territorial
Artikel 1. In het reglementair deel van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling wordt een artikel R.0.1-2 ingevoegd, luidend als volgt :
  " Art. R.0.1-2. Naast de delegaties, bepaald in dit Wetboek, heeft de Minister van Ruimtelijke Ordening delegatie voor : de procedure tot goedkeuring van de uitwerking, de herziening en de opheffing van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, een gemeentelijk ontwikkelingsplan, een lokaal beleidsontwikkelingsplan, een gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding, de oprichting en de hernieuwing van een gemeentelijke commissie, de afdelingen ervan en het huishoudelijk reglement ervan en alle dienovereenkomstige handelingen van het administratief toezicht die onder dit Wetboek vallen.
  De volgende taken worden eveneens gedelegeerd aan de Minister van Ruimtelijke Ordening : de procedure voor het opstellen, herzien en opheffen, met inbegrip van de beoordeling van de milieueffecten en de gevolgen daarvan voor een ander Gewest of een andere Staat, van een gewestplan op gemeentelijk initiatief of op initiatief van een privaatrechtelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon, van een te herontwikkelen locatie, al dan niet opgenomen in de lijst van de locaties met te herontwikkelen landschappen en milieus, van een stedelijke verkavelingsomtrek, van een omtrek van voorkooprecht, van een ruilverkaveling en herverkaveling, alsmede het nemen van de individuele beslissingen zoals bedoeld in de boeken IV en VII.
  De Minister van Ruimtelijke Ordening is tevens bevoegd voor de gezamenlijke procedures, bedoeld in de artikelen D.II.54 en D.V.16, in de gevallen, bedoeld in het tweede lid.
  Wanneer de gewestelijke handleiding voor stedenbouw of een deel van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betrekking heeft op een deel van het gewestelijk grondgebied waarvan de Regering de grenzen heeft vastgesteld, is de Minister van Ruimtelijke Ordening bevoegd om het territoriaal toepassingsgebied van die handleiding of dat deel van de handleiding aan te nemen, te herzien of op te heffen zonder er de inhoud van te wijzigen.
  De Minister tot wiens bevoegdheden de stadsheropleving en de stadsvernieuwing behoren, is bevoegd voor de aanneming van de desbetreffende besluiten als bedoeld in boek V
  Voor alle in dit Wetboek bedoelde delegaties kan de minister bevoegd voor ruimtelijke ordening, bij afwezigheid of verhindering van laatstgenoemde de Minister een andere Minister aanwijzen die bevoegd is om in diens naam en opdracht te tekenen.".
Article 1er. Dans la partie réglementaire du Code du Développement territorial, il est inséré un article R.0.1-2, rédigé comme suit :
  " Art. R.0.1-2. Outre les délégations prévues dans le présent Code, sont délégués au Ministre de l'Aménagement du Territoire : la procédure d'approbation de l'élaboration, de la révision et de l'abrogation d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal, d'un schéma d'orientation local, d'un guide communal d'urbanisme, de l'établissement et du renouvellement d'une Commission communale, de ses sections et de son règlement d'ordre intérieur et tous les actes de tutelle administrative y afférents et qui relèvent du présent Code.
  Sont également délégués au Ministre de l'Aménagement du Territoire : la procédure d'élaboration, de révision et d'abrogation, en ce compris l'évaluation des incidences sur l'environnement et ses impacts sur une autre Région ou un autre Etat, d'un plan de secteur d'initiative communale ou d'initiative d'une personne physique ou morale privée, d'un site à réaménager compris ou non dans la liste des sites de réhabilitation paysagère et environnementale, d'un périmètre de remembrement urbain, d'un périmètre de droit de préemption, d'un remembrement et d'un relotissement, ainsi que l'adoption des décisions individuelles visées aux Livres IV et VII.
  Le Ministre de l'Aménagement du Territoire est également compétent pour les procédures conjointes visées aux articles D.II.54 et D.V.16 dans les cas visés à l'alinéa 2.
  Lorsque le guide régional d'urbanisme ou une partie du guide régional d'urbanisme porte sur une partie du territoire régional dont le Gouvernement a fixé les limites, le Ministre de l'Aménagement du Territoire est compétent pour adopter, réviser ou abroger le champ d'application territorial de ce guide ou cette partie de guide sans en modifier le contenu.
  Le Ministre qui a la revitalisation urbaine et la rénovation urbaine dans ses attributions est compétent pour l'adoption des décisions y afférentes visées au Livre V.
  Pour toutes les délégations prévues par le présent Code, en cas d'absence ou d'empêchement du Ministre qui a l'aAménagement du territoire dans ses attributions, celui-ci peut désigner un autre Ministre habilité à signer en son nom et pour son compte. ".
Art. 2. In artikel R.I.10-5 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, eerste lid, van de Franse versie wordt het woord "commisison" vervangen door het woord "commission";
  2° in paragraaf 5, wordt het derde lid vervangen als volgt:
  "Het gewone lid brengt de plaatsvervanger van zijn afwezigheid op de hoogte.".
Art. 2. Dans l'article R.I.10-5 de la partie réglementaire du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le mot " commisison " est remplacé par le mot " commission " ;
  2° dans le paragraphe 5, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  " Le membre effectif prévient le membre suppléant de son absence. ".
Art. 3. In Boek I, enige titel, hoofdstuk V, van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling 7 ingevoegd, bevattende artikel R.I.12-8, luidend als volgt:
  " Afdeling 7. - Subsidie met betrekking tot de Permanente Conferentie van de ruimtelijke ontwikkeling
  Art. R.I.12-8. § 1. De Permanente Conferentie van de ruimtelijke ontwikkeling, hierna de P.C.R.O. genoemd, omvat de "Université catholique de Louvain" (CREAT), de "Université libre de Bruxelles" (IGEAT) en de "Université de Liège" (LEPUR).
  § 2. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de regering een werkingssubsidie toekennen aan de PCRO voor de volgende opdrachten:
  1° de voortgezette opleiding van de adviseurs ruimtelijke ordening en stedenbouw :
  2° elk onderzoek of elke expertise met betrekking tot de doelstellingen bedoeld in artikel D.II.2, § 2, tweede lid;
  3° de kapitalisatie van dit onderzoek of deze expertise en de verspreiding ervan door middel van publicaties, een internetsite, symposia of studiebijeenkomsten;
  4° de promotie van doctoraten in het kader van de thematische doctoraatsschool voor Ruimtelijke Ontwikkeling die de drie Franstalige academies samenbrengen.
  Het subsidiebesluit stelt de lijst van de opdrachten die aan de P.C.R.O. worden toevertrouwd vast in een jaarlijks werkprogramma.
  Tenzij in het subsidiebesluit anders is bepaald, wijden universitaire centra ten minste één halftijdse onderzoeker aan het onderzoek of de expertise waaraan zij worden toegewezen. De universitaire centra kunnen een beroep doen op elke onderaanneming die nodig is voor de uitvoering van het jaarlijkse werkprogramma.
  De subsidie is jaarlijks. Het wordt toegekend en vereffend tegen een tarief van een derde aan elke universiteit
  § 3. De vereffening van de subsidie geschiedt als volgt :
  1° vijfenveertig procent van de jaarlijkse subsidie op het moment dat het besluit dat de subsidie toekent wordt verzonden;
  2° vijfenveertig procent van de jaarlijkse subsidie op basis van een gezamenlijk tussentijds verslag dat door het sturingscomité is goedgekeurd.
  3° tien procent van de jaarlijkse subsidie op basis van een gezamenlijk eindverslag dat uiterlijk op 31 januari van het volgende jaar wordt ingediend en door het sturingscomité wordt goedgekeurd.
  § 4. De Regering richt een sturingscomité op en wijst de leden ervan aan voor een periode van maximaal vijf jaar.
  Het comité bestaat uit :
  1° één vertegenwoordiger van de Minister, die het voorzitterschap waarneemt ;
  2° een vertegenwoordiger van elk van de andere Ministers van de Regering;
  3° de inspecteur-generaal van het departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw en een gemachtigd ambtenaar van een buitendirectie van hetzelfde departement van het DGO4.
  4° een vertegenwoordiger van het "Institut wallon de l'évaluation, de la prospective et de la statistique" (Waals instituut voor Evaluatie, Toekomstverwachting en Statistiek);
  5° één vertegenwoordiger van elk van de drie universiteiten.
  Voor elk onderzoek waarbij een of meer bevoegdheden van een ander operationeel directoraat-generaal van de Waalse Overheidsdienst dan de DGO4 betrokken zijn, wordt een vertegenwoordiger van deze directie, aangewezen door de minister, uitgenodigd op voorstel van de minister waarvan deze directie deel uitmaakt.
  Het Comité wordt ten minste driemaal per jaar door de voorzitter van het Comité bijeengeroepen. De vertegenwoordiger van elk van de drie universiteiten zetelt met raadgevende stem.
  § 5. Het secretariaat van de P.C.R.O. en van het sturingscomité wordt waargenomen door het departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van het DGO4.
  § 6. De opdrachten van het comité bestaan uit:
  1° de prioriteiten en de kalender m.b.t. de uitvoering van het jaarlijkse werkprogramma vaststellen;
  2° de goede uitvoering van de in paragraaf 2 bedoelde opdrachten evalueren en controleren, de tussentijdse en eindverslagen goedkeuren en, indien nodig, het werkprogramma bijstellen;
  3° de noodzakelijke aanpassingen tussen de begrotingsposten binnen het goedgekeurde werkprogramma valideren;
  4° instemmen met het gebruik van onderzoeksresultaten of expertise door universitaire centra of derden.
  § 7. Het comité stelt de minister voor, op gemotiveerde wijze, volgens de consensusprocedure en na de vertegenwoordigers van elk van de drie universiteiten te hebben uitgenodigd om hun argumenten te laten gelden, om een onderzoek, expertise of opdracht te schorsen wanneer hij van oordeel is dat de voorwaarden voor het welslagen ervan niet langer vervuld zijn.
  Onverminderd de bepalingen van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de Gemeenschappen en de Gewesten, alsook voor de organisatie van de controle van Rekenhof, en rekening houdend met de wetenschappelijke aard van de resultaten van onderzoek, expertise of opdrachten, stelt het sturingscomité aan de Minister voor, op gemotiveerde wijze, volgens de consensusprocedure en na de vertegenwoordigers van elk van de drie universiteiten uitgenodigd te hebben om hun argumenten te laten gelden, het bedrag van de al dan niet terug te betalen subsidie, indien het gezamenlijk tussentijds verslag of het gezamenlijk eindverslag niet wordt goedgekeurd. Hij stelt ook een herverdeling van de desbetreffende begroting voor.
  Tussentijdse of eindresultaten van een opgeschort of niet-goedgekeurd onderzoek of expertise worden op geen enkele wijze verspreid of gecommuniceerd.
Art. 3. Dans le livre Ier, titre unique, chapitre V, de la partie réglementaire du même Code, il est inséré une section 7, comportant l'article R.I.12-8, rédigé comme suit :
  " Section 7. - Subvention relative à la Conférence permanente du développement territorial
  Art. R.I.12-8. § 1er. La Conférence permanente du développement territorial ci-après dénommé C.P.D.T. regroupe l'Université catholique de Louvain (CREAT), l'Université libre de Bruxelles (IGEAT) et l'Université de Liège (LEPUR).
  § 2. Dans les limites des crédits disponibles, le Gouvernement peut octroyer une subvention de fonctionnement à la CPDT pour l'accomplissement des missions qui suivent :
  1° la formation continuée des conseillers en aménagement du territoire et urbanisme ;
  2° toute recherche ou expertise relative aux objectifs visés à l'article D.II.2, § 2, alinéa 2 ;
  3° la capitalisation de ces recherches ou expertises et leur diffusion par des publications, un site Internet, des colloques ou séminaires ;
  4° la promotion de doctorats dans le cadre de l'école doctorale thématique en développement territorial regroupant les trois académies francophones.
  L'arrêté de subvention fixe la liste des missions confiées à la C.P.D.T. dans un programme annuel de travail.
  Sauf exception prévue dans l'arrêté de subvention, les centres universitaires consacrent au moins un chercheur à mi-temps pour la recherche ou l'expertise à laquelle ils sont affectés. Les centres universitaires peuvent recourir à toute sous-traitance qui est nécessaire à l'accomplissement du programme annuel de travail.
  La subvention est annuelle. Elle est octroyée et liquidée à raison d'un tiers à chaque université.
  § 3. La liquidation de la subvention s'effectue comme suit :
  1° quarante-cinq pour cent de la subvention annuelle à l'envoi de l'arrêté octroyant la subvention ;
  2° quarante-cinq pour cent de la subvention annuelle sur la base d'un rapport intermédiaire commun approuvé par le comité de pilotage ;
  3° dix pour cent de la subvention annuelle sur la base d'un rapport final commun transmis au plus tard le 31 janvier de l'année qui suit et approuvé par le comité de pilotage.
  § 4. Le Gouvernement institue un comité de pilotage dont il désigne les membres pour une durée maximale de cinq ans.
  Le comité se compose :
  1° d'un représentant du Ministre, qui en assure la présidence ;
  2° d'un représentant de chacun des autres Ministres du Gouvernement ;
  3° de l'inspecteur général du département de l'Aménagement du Territoire et de l'Urbanisme et d'un fonctionnaire délégué d'une direction extérieure du même département de la DGO4 ;
  4° d'un représentant de l'Institut wallon de l'évaluation, de la prospective et de la statistique ;
  5° d'un représentant de chacune des trois universités.
  Pour toute recherche qui implique une ou des compétences d'une direction générale opérationnelle du Service public de Wallonie autre que la DGO4, un représentant de cette direction désigné par le Ministre est invité sur la proposition du Ministre dont cette direction relève.
  Le comité est convoqué par le président au minimum trois fois par an. Le représentant de chacune des trois universités siège avec voix consultative.
  § 5. Le secrétariat de la C.P.D.T. et du comité de pilotage est assuré par le département de l'Aménagement du Territoire et de l'Urbanisme de la DGO4.
  § 6. Les missions du comité consistent à :
  1° établir les priorités et le calendrier d'exécution du programme annuel de travail ;
  2° évaluer et contrôler le bon accomplissement des missions visées au paragraphe2, approuver les rapports intermédiaires et finaux et, le cas échéant, réorienter le programme de travail ;
  3° valider les ajustements nécessaires entre postes budgétaires au sein du programme de travail tel qu'il a été approuvé ;
  4° donner son accord sur l'utilisation des résultats des recherches ou expertises par des centres universitaires ou des tiers.
  § 7. Le comité propose au Ministre, de manière motivée, selon la procédure du consensus et après avoir invité les représentants de chacune des trois universités à faire valoir leurs arguments, de suspendre une recherche, une expertise ou une mission lorsqu'il estime que les conditions d'aboutissement de celle-ci ne sont plus réunies.
  Sans préjudice des dispositions de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des Comptes, et compte tenu du caractère scientifique du résultat des recherches, expertises ou missions, le comité de pilotage propose au Ministre de manière motivée, selon la procédure du consensus et après avoir invité les représentants de chacune des trois universités à faire valoir leurs arguments, le montant de la subvention à rembourser ou à ne pas payer en cas de non approbation du rapport intermédiaire commun ou du rapport final commun. Il propose également la réallocation budgétaire y relative.
  Les résultats intermédiaires ou finaux d'une recherche ou d'une expertise suspendue ou non approuvée ne sont pas diffusés ou communiqués, de quelque manière que ce soit. ".
Art. 4. In boek II, titel 2, hoofdstuk III, afdeling 3, onderafdeling 2, van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel R.II.47 ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. R.I..47. De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.47, § 2, nuttig acht om te raadplegen en draagt de DGO4 op om het dossier voor advies voor te leggen.".
Art. 4. Dans le livre II, titre 2, chapitre III, section 3, sous-section 2, de la partie réglementaire du même Code, il est inséré un article R.II.47, rédigé comme suit :
  " Art. R.II.47. Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.47, § 2, et charge la DGO4 de soumettre le dossier pour avis. ".
Art. 5. In boek II, titel 2, hoofdstuk III, afdeling 3, onderafdeling 3, van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel R.II.48 ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. R.II.48. De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.48, § 4, nuttig acht om te raadplegen en draagt de DGO4 op om het dossier voor advies voor te leggen.".
Art. 5. Dans le livre II, titre 2, chapitre III, section 3, sous-section 3, de la partie réglementaire du même Code, il est inséré un article R.II.48, rédigé comme suit :
  " Art. R.II.48. Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.48, § 4, et charge la DGO4 de soumettre le dossier pour avis. ".
Art. 6. Artikel R.II.49-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
  "Art. R.II.49-1. De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.49, § 2, nuttig acht om te raadplegen en draagt de DGO4 op om het dossier voor advies voor te leggen.".
Art. 6. L'article R.II.49-1 de la partie réglementaire du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. R.II.49-1. Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.49, § 2, et charge la DGO4 de soumettre le dossier pour avis. ".
Art. 7. In artikel R.II.49-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek worden de woorden "of de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon," ingevoegd tussen de woorden "de gemeenteraad" en de woorden "in over de beslissing".
Art. 7. Dans l'article R.II.49-2 de la partie réglementaire du même Code, les mots " ou la personne physique ou morale, privée ou publique, " sont insérés entre les mots " le conseil communal " et les mots " de la décision d'approbation ".
Art. 8. Artikel R.II.51-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
  "Art. R.II.51-1. DGO4 richt het afschrift van het besluit voor advies aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, overeenkomstig artikel D.II.51, § 1. De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.51, § 2, nuttig acht om te raadplegen en draagt de DGO4 op om het dossier voor advies voor te leggen. DGO4 richt het afschrift van de beslissing aan de gemeenten en aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, overeenkomstig artikel D.II.51, § 5.".
Art. 8. L'article R.II.51-1 de la partie réglementaire du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. R.II.51-1. La DGO4 envoie la copie de l'arrêté pour avis aux propriétaires des biens immobiliers concernés en application de l'article D.II.51, § 1er. Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.51, § 2, et charge la DGO4 de soumettre le dossier pour avis. La DGO4 envoie la copie de la décision aux communes et aux propriétaires des biens immobiliers concernés en application de l'article D.II.51, § 5. ".
Art. 9. In boek II, titel 2, hoofdstuk 3, afdeling 4, van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, wordt de onderafdeling 1 verplaatst tussen de titel "Afdeling 4 - Versnelde herzieningen" en artikel R.II.51-1.
Art. 9. Dans le livre II, titre 2, chapitre 3, section 4, de la partie réglementaire du même Code, la sous-section 1ère est déplacé entre le titre " Section 4 - Révisions accélérées " et l'article R.II.51-1.
Art. 10. In boek II, titel 2, hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 2, van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel R.II.52-1 ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. R.I..52-1. DGO4 richt het afschrift van het besluit voor advies aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, overeenkomstig artikel D.II.52, § 1. De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.52, § 3, nuttig acht om te raadplegen en draagt de DGO4 op om het dossier voor advies voor te leggen. DGO4 richt het afschrift van de beslissing aan de gemeenten en aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, overeenkomstig artikel D.II.52, § 7.".
Art. 10. Dans le livre II, titre 2, chapitre 3, section 4, sous-section 2, de la partie réglementaire du même Code, il est inséré un article R.II.52-1, rédigé comme suit :
  " Art. R.II.52-1. La DGO4 envoie la copie de l'arrêté pour avis aux propriétaires des biens immobiliers concernés en application de l'article D.II.52, § 1er. Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.52, § 3, et charge la DGO4 de soumettre le dossier pour avis. La DGO4 envoie la copie de la décision aux communes et aux propriétaires des biens immobiliers concernés en application de l'article D.II.52, § 7. ".
Art. 11. Artikel R.III.3-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 11. L'article R.III.3-1 de la partie réglementaire du même Code est abrogé.
Art. 12. In artikel R.IV.1-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er worden na het derde lid, twee leden ingevoegd, luidend als volgt:
  "De handelingen en werken met een beperkte impact doen geen afbreuk aan:
  1° het voorafgaand eensluidend advies van de gemachtigd ambtenaar bedoeld in artikel D.IV.17 ;
  2° het voorafgaand verplicht advies van de gemachtigd ambtenaar bedoeld in artikel D.IV.16, eerste lid, 3° en 2°, indien de aanvraag één of meer afwijkingen van de bodembestemmingskaart of de gewestelijke handleiding voor stedenbouw met zich meebrengt;
  3° het facultatief voorafgaand advies van de gedelegeerde ambtenaar indien het gemeentecollege hierom vraagt.
  De handelingen en werken die zijn vrijgesteld van vergunningen doen geen afbreuk aan de toepassing van het decreet van 28 november 2013 betreffende de energieprestatie van gebouwen en de uitvoeringsbesluiten ervan." ;
  2° het laatste lid dat het zesde geworden is, wordt vervangen door een lid, luidend als volgt:
  "In de zin van deze nomenclatuur wordt verstaan onder :
  1° technische kast : kast, geplaatst in de nabijheid van een telecommunicatieantenne of een locatie voor telecommunicatieantennes en waarin de nodige technische elementen geplaatst zijn voor de goede werking van een telecommunicatieantenne of een locatie voor telecommunicatieantennes, zoals elektriciteitsdistributie, noodbatterijen, transmissie-elementen en koelsystemen, met inbegrip van het steunelement; kasten voor het transport, de distributie en de particuliere aansluiting van elektriciteit en gas, waarin de technische elementen zijn ondergebracht die nodig zijn voor de goede werking van deze installaties, zoals gasverbindingskasten, laag- en middenspanningskasten voor het aansluiten of afsluiten van elektriciteit, telecommunicatiekasten, laad- en losstations voor elektriciteit en gas;
  2° grondinneming : het oppervlak dat overeenkomt met de verticale projectie op de grond, berekend van de buitenkant van de muren, installatie of constructie, met uitzondering van het traditionele uitspringend deel of de architectonische elementen zoals erkers, onbedekte overhangende balkons en dakoverstekken;
  3° bouwschil : geheel van muren van het beschermde volume, gevormd door alle ruimten van een gebouw dat thermisch beschermd wordt van de buitenomgeving (lucht of water), van de bodem en alle omgevende ruimtes;
  4° voor- en achtertuinen : ruimte op de bodem, ter verfraaiing van een woonst, gelegen voor, achter of aan de zijkant ervan, en gevormd door:
  a) ofwel een oprit, als ruimte bestemd voor een verharde of een niet-gladgestreken bodembedekking;
  b) ofwel een tuin, als groene ruimte,
  ofwel een combinatie van beide elementen;
  5° technische installatie bedoeld in punt Y : de technische uitrustingen, geplaatst in de nabijheid van de telecommunicatieantennes of kabeltelevisie-, glasvezel-, elektriciteits- en gastransmissie- en -distributie-installaties en die nodig zijn voor de goede werking en de veiligheid van de locatie, zoals aan de grond vastgemaakte kabels, de kabelgoten die bovenop aan de grond vastgemaakte kabels gevestigd zijn, de roostervloerplaten, de behuizing voor radiomodules op afstand, de verlichting, de verwijderbare veiligheidshandleiders, de bliksemafleidsystemen of de stabilisatieplaten voor masten;
  6° pergola: de kleine tuinstructuur bestaande uit dakvormige balken, ondersteund door kolommen, die klimplanten ondersteunen;
  7° eigendom: een in feite en in rechte homogeen onroerend geheel ;
  8° bijenkorf: structuur waarin een bijenvolk ondergebracht is ;
  9° bijenkast: een gebouw, opgetrokken om bijenkorven in onder te brengen ;
  10° reeds ingerichte technische locatie: de gronden waarop zich installaties bevinden voor de productie, het transport en de distributie van drinkwater, elektriciteit of aardgas of voor de waterverdamping;
  11° functionele eenheid: een geheel van elementen, gelegen in elkaars nabijheid en die afzonderlijk verschillende functies kunnen uitoefenen maar samen bijdragen tot het vervullen van één enkele hoofdfunctie;
  12° bijgebouw: daaronder verstaan, een alleenstaand bouwvolume, ondergebracht op hetzelfde eigendom als het hoofdgebouw en dat er een functionele eenheid mee vormt;
  13° secundair volume : een ander bouwvolume als aanbouw aan het hoofdgebouw dan een veranda en die er een functionele eenheid mee vormt; het secundair bouwvolume kan door een dakelement op het hoofdgebouw aangesloten worden." ;
  3° de tabel wordt vervangen door de volgende tabel:
  "
Art. 12. Dans l'article R.IV.1-1 de la partie réglementaire du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° il est inséré après l'alinéa 3, deux alinéas rédigés comme suit :
  " Les actes et travaux d'impact limité ne préjudicient pas :
  1° de l'avis préalable conforme du fonctionnaire délégué visé à l'article D.IV.17 ;
  2° de l'avis préalable obligatoire du fonctionnaire délégué visé à l'article D.IV.16, alinéa 1er, 3° et 2°, si la demande implique un ou plusieurs écarts par rapport à la carte d'affectation des sols ou au guide régional d'urbanisme ;
  3° de l'avis préalable facultatif du fonctionnaire délégué s'il est sollicité par le collège communal.
  Les actes et travaux dispensés de permis ne préjudicient pas à l'application du décret du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments et de ses arrêtés d'exécution. " ;
  2° le dernier alinéa, devenu 6, est remplacé par l'alinéa libellé comme suit :
  " Au sens de la présente nomenclature, on entend par :
  1° armoire technique : l'armoire installée à proximité d'une antenne de télécommunication ou d'un site d'antennes et à l'intérieur de laquelle sont placés des éléments techniques nécessaires au bon fonctionnement d'une antenne ou d'un site d'antennes de télécommunications tels que la distribution électrique, les batteries de secours, les éléments de transmission et les systèmes de refroidissement, y compris son support ; les armoires pour le transport, la distribution et les raccordements privés d'électricité et de gaz, à l'intérieur desquelles sont placés les éléments techniques nécessaires au bon fonctionnement de ces installations tels que des armoires de détente ou de raccordement en gaz, des armoires de raccordement ou de sectionnement basse et moyenne tension en électricité, des armoires de télécommunication, des bornes de rechargement en électricité et en gaz ;
  2° emprise au sol : la surface qui correspond à la projection verticale au sol, calculée à partir de l'extérieur des murs, de l'installation ou de la construction, exception faite des saillies traditionnelles ou des éléments architecturaux tels des oriels, des balcons en porte-à-faux non couverts, des débordements de toiture ;
  3° enveloppe : l'ensemble des parois du volume protégé qui est constitué de tous les espaces d'un bâtiment qui est protégé, du point de vue thermique, de l'environnement extérieur (air ou eau), du sol et de tous les espaces adjacents ;
  4° espace de cours et jardins : l'espace au sol à vocation d'agrément lié à une habitation situé soit à l'arrière, soit à l'avant, soit sur le côté de celle-ci et constitué :
  a) soit d'une cour qui est l'espace pourvu d'un revêtement en dur ou en matériau discontinu,
  b) soit d'un jardin qui est l'espace végétalisé,
  soit d'une combinaison de ces deux éléments ;
  5° installation technique visée au point Y : les équipements techniques installés sur un site à proximité des antennes de télécommunications ou d'installations de télédistribution, de fibre optique, de transport et de distribution d'électricité et de gaz et qui sont nécessaires au bon fonctionnement et à la sécurité du site, tels que les câbles fixés au sol, les chemins de câbles couvrant les câbles fixés au sol, les caillebotis, les boîtiers de modules radio distants, les concentrateurs, l'éclairage, les rambardes de sécurité amovibles, les systèmes de protection anti-foudre ou les dalles de stabilisation de mâts ;
  6° pergola : la petite structure de jardin faite de poutres en forme de toiture soutenue par des colonnes, qui sert de support à des plantes grimpantes ;
  7° propriété : un ensemble immobilier homogène en droit et en fait ;
  8° ruche : une structure abritant une colonie d'abeilles ;
  9° rucher : un bâtiment construit pour abriter des ruches ;
  10° site technique déjà aménagé : les terrains sur lesquels se situent des installations pour la production, le transport et la distribution d'eau potable, d'électricité ou de gaz naturel ou pour l'épuration des eaux ;
  11° unité fonctionnelle : un ensemble d'éléments qui sont situés à proximité l'un de l'autre et qui, pris séparément peuvent avoir des fonctions différentes mais qui, conjointement, contribuent à remplir une seule fonction principale ;
  12° volume annexe : une construction d'un volume isolé, situé sur la même propriété que le bâtiment principal et qui forme une unité fonctionnelle avec celui-ci ;
  13° volume secondaire : un volume contigu au bâtiment principal, autre qu'une véranda et qui forme une unité fonctionnelle avec celui-ci ; le volume secondaire peut être raccordé au volume principal par un élément avec toiture. " ;
  3° le tableau est remplacé par le tableau suivant :
  "
 Handelingen/werken/
  installaties
 Omschrijving/eigenschappen Vrijgesteld worden van een stedenbouwkundige vergunning Hebben een geringe impact Vereisen de verplichte tussenkomst van een architect niet
A Wijziging van de bouwschil van een gebouw (isolatie, opgaande muren, dak, openingen) 1 De plaatsing van de materialen voor de bekleding van de opgaande muren en de bedekking van de daken vormen de bouwschil van het gebouw of de vervanging ervan door andere materialen om de vigerende energienormen onder de volgende voorwaarden te bereiken:
  a) de materialen hebben hetzelfde buitenaanzicht;
  b) de bijkomende laag bedraagt niet meer dan 0,30 m
  c) indien het goed valt onder de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende de beschermde gebieden van sommige gemeenten inzake stedenbouw of betreffende de gebouwen in landelijk gebied, of de artikelenR.II.36-6 à R.II.36-9, D.II.37, § 4, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 à R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, stemmen de kleuren en materialen overeen met de betrokken aanduidingen en voorschriften.
x  x
  2 De plaatsing van fotovoltaïsche dakbedekkingsmaterialen of de vervanging van fotovoltaïsche of niet-fotovoltaïsche dakbedekkingsmaterialen door fotovoltaïsche dakbedekkingsmaterialen, op voorwaarde dat, wanneer het onroerend goed onderworpen is aan de artikelen R.II.36-6 tot R.II.36-9, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 tot R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, de kleuren in overeenstemming zijn met de betrokken aanduidingen en voorschriften x  x
  3 De constructie van groene gevel(s) die niet zichtbaar zijn vanaf de weg of groendak(ken) op een bestaande constructie of installatie. x  x
  4 Het schilderen of bepleisteren van een bestaande constructie of het zandstralen of opnieuw voegen van een bestaande constructie  x x
  5 De plaatsing of vervanging van materialen voor gevelbekledingen en dakbedekkingen door materialen voor bekledingen die niet voldoen aan de in de punten 1 tot en met 3 genoemde voorwaarden.  x x
  6 De vervanging van deuren of ramen in de opgaande muren of in de daken door deuren of ramen met als doel het bereiken van de vigerende energienormen. x  x
  7 Het sluiten, het maken of het wijzigen van openingen die zich bevinden in het dakvlak op maximum één verdieping en met in het totaal maximum één kwart van de lengte van de overeenstemmende opgaande muur; het sluiten dient uitgevoerd te worden met hetzelfde materieel als dat van het dak. x  x
  8 Het sluiten, openen of wijzigen van deuren of openingen in de opgaande muren met in het totaal maximum één kwart van de lengte van de overeenstemmende opgaande muur voor zover:
  a) Het sluiten, openen of wijzigen niet uitgevoerd wordt in een opgaande muur gelegen op de rooilijn en/of waarvan het plan gericht is op de verbindingsweg van het betrokken hoofdgebouw;
  b) het sluiten of het wijzigen gebeuren met dezelfde bekledingsmaterialen als die voor de opgaande muur;
  c) elke opening of wijziging op maximum één verdieping wordt uitgevoerd;
  d) als het goed valt onder een gewestelijk of gemeentelijke handleiding voor stedenbouw stemmen de handelingen en werken met de handeling overeen.
x  x
  9 Het sluiten, openen of wijzigen van deuren en ramen die in totaal niet meer dan een vierde van de lengte van de desbetreffende hoogte bedragen en die de in de punt 7 en 8 bedoelde voorwaarden niet vervullen.  x x
  10 De installatie of vervanging van schoorstenen of schoorsteenkanalen, regengoten of regenpijpen, afvoersystemen voor installaties zoals afzuigkappen en verwarmingsketels, op voorwaarde dat, wanneer het onroerend goed onderworpen is aan de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw die betrekking hebben op de beschermde gebieden van bepaalde gemeenten op het gebied van stedenbouw of op gebouwen in landelijk gebied, de handelingen en werkzaamheden in overeenstemming zijn met deze handleiding. x  x
  11 De plaatsing of vervanging van de in punt 10 genoemde elementen die niet aan de voorwaarden voldoen  x x
  12 De afbraak of het weghalen van de in de punten 10 en 11 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x  x
B Verbouwing van een bestaand bouwwerk 1 De vervanging van de dragende structuur van een dak zonder wijziging van het gebouwde volume en voor zover de punten A1 en A7 worden gerespecteerd. x  x
  2 De verbouwing zonder vergroting van een bestaand bouwwerk met het oog op de oprichting van meerdere kamers niet bestemd voor bewoning, voor zover de handelingen en werken, in voorkomend geval, vermeld worden in de punten A1, A2, A3, A6, A7, A8 et A10. x  x
  3 De verbouwing zonder vergroting van een bestaand, niet in de punten 1 en 2 bedoeld bouwwerk, die geen gevolgen heeft voor de dragende structuur van het gebouw.  x x
  4 De verbouwing met vergroting overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw van een bestaand bouwwerk met het oog op de oprichting van een kamer niet bestemd voor bewoning onder de volgende cumulatieve voorwaarden:
  a) één enkel secundair volume per eigendom, d.w.z. dat er geen ander secundair volume op het eigendom bestaat, en dat er niet meer dan één veranda op het eigendom bestaat;
  b) de uitbreiding heeft een grondinneming kleiner dan of gelijk aan 40,00 m2 en is:
  i) ofwel een secundair volume zonder verdieping, noch kelder;
  ii) ofwel de verlenging van het hoofdvolume en het gevormde geheel is zonder verdieping, noch kelder; c) de uitbreiding wordt uitgevoerd met materialen met dezelfde kleurschakering als die van het bestaande bouwwerk ;
  d) de uitbreiding is gelegen op minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grens.
x  x
  5 De verbouwing van een bestaand bouwwerk dat voldoet aan de cumulatieve voorwaarden opgenomen in punt 4 en dat niet overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw.   x
  6 Het plaatsen van een buitentrap  x x
  7 Plaatsing van een airconditioning apparaat  x x
  8 De verbouwing van een ander bestaand bouwwerk dan dat bedoeld in punt 1 tot 7 voor zover de grondinneming van het gevormde geheel maximum verdubbeld wordt.  x  
  9 De afbraak of verwijdering van een secundair volume een buitentrap of een airconditioningsinstallatie voor zover de sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x  x
C Veranda 1 Overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw.
  één enkel per eigendom, d.w.z. dat er geen ander veranda op het eigendom bestaat, en dat er niet meer dan één secundair volume op het eigendom bestaat.
  Gelegen : leunt tegen een bestaand gebouw aansluit, aan de achterkant van dat gebouw ten opzichte van de verbindingsweg.
  Ligging : op minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grens.
  Maximale oppervlakte van 40,00 m2.
  Volumetrie : zonder verdieping, plat dak of met een hellend dak of meerdere hellende daken
  Maximale hoogten berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau en voor zover het dakgootniveau kleiner is dan het dakgootniveau van het hoofdgebouw onder de volgende cumulatieve voorwaarden:
  a) 3,00 m aan de druipkant;
  b) 5,00 m aan de nok;
  c) in voorkomend geval, 3,20 m aan de acroterie.
  Materialen : lichte structuur en wanden hoofdzakelijk van glas of van polycarbonaat zowel in de opgaande muren als in de daken
x  x
  2 De bouw van een veranda met een maximale oppervlakte van 40,00 m2 die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervult  x x
  3 De afbraak van een veranda voor zover de sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x  x
D Oprichting van één of meerdere woningen 1 De oprichting van een tweede woning in een gebouw voor zover de verbouwingshandelingen en -werken de verplichte tussenkomst van een architect niet vereisen.  x x
  2 De oprichting van een woning die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervult, of de oprichting van meerdere woningen in een gebouw.  x  
E Plaatsing van installaties en bouw of heropbouw van een bijgebouw zoals:
  garage,
  atelier,
  pool house,
  opslagplatform
  geprefabriceerde gebouwen
  ...
1 Overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw.
  Eén enkel per gebouw, d.w.z. dat er geen ander bestaat op het eigendom.
  Niet-bestemd voor bewoning.
  Gelegen :
  * Behalve als het om een volume bestemd voor een motorvoertuig gaat, wordt het aan de achterkant van een bestaand gebouw opgericht.
  * Als het om een volume bestemd voor een motorvoertuig gaat, is dit volume rechtstreeks verbonden met de verbindingsweg en het gevelaanzicht aan de straatkant van het bijgebouw is niet gelegen verder dan het gevelaanzicht van het hoofdgebouw aan de achterkant.
  Ligging : op minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grens.
  Maximale oppervlakte: 40,00 m2.
  Volumetrie : zonder verdieping, plat dak of met een hellend dak of meerdere hellende daken.
  Maximale hoogten berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau en voor zover het dakgootniveau kleiner is dan het dakgootniveau van het hoofdgebouw op voorwaarde dat de volgende voorwaarden worden nageleefd:
  a) 2,50 m aan de druipkant;
  b) 3,50 m aan de nok;
  c) in voorkomend geval, 3,20 m aan de acroterie.
  Materialen : hout voor de opgaande muren of elk ander materiaal met dezelfde kleurschakering als die van het hoofdgebouw.
x  x
  2 Plaatsing, verbouwing, vergroting van een technische installatie in de zin van artikel R.IV.1-2, tweede lid, met inbegrip van een kuip, die een functionele eenheid met de bestaande onderneming vormt
  Maximaal drie per gebouw, d.w.z. er zijn er niet meer dan drie op het eigendom.
  Gelegen : in een bedrijfsruimte.
  Ligging:
  a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg;
  b) binnen een straal van 30,00 m van het toegelaten hoofdgebouw;
  c) op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant ;
  d) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen;
  e) op minimum 10,00 m van een waterloop;
  f) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte;
  g) die het vellen van bomen, hagen of paden in de zin van artikel D.IV.4. 11° niet als gevolg heeft.
  Maximale oppervlakte: de totale gecumuleerde oppervlakte van de plaatsing en uitbreiding van technische installaties die van de vergunning zijn vrijgesteld, bedraagt minder dan 100 m2 en minder dan 50 % van de totale oppervlakte van het hoofdgebouw.
  Hoogte : maximum 10,00 m en kleiner dan de hoogte van het hoogste gebouw gelegen op het eigendom.
x  x
  3 Bouw, verbouwing, vergroting van een gebouw of plaatsing of verplaatsing van geprefabriceerde gebouwen, met inbegrip van de buitentrap, niet-bestemd voor bewoning en dat een functionele eenheid vormt met de bestaande onderneming.
  Gelegen : in een bedrijfsruimte.
  Ligging:
  a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg;
  b) binnen een straal van 30,00 m van het toegelaten hoofdgebouw;
  c) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen;
  d) op minimum 10,00 m van een waterloop;
  e) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte;
  f) die het vellen van bomen, hagen of paden in de zin van artikel D.IV.4. 11° niet als gevolg heeft.
  Maximale oppervlakte : de gecumuleerde totale oppervlakte van de bouw, de vergroting en van het geprefabriceerde gebouw vrijgesteld van vergunning bedraagt 75,00 m2.
  Volumetrie : één verdieping maximum, plat dak of met een hellend dak of meerdere hellende daken.
  Maximale hoogte van de acroterie of van de nok: 7,00 m en kleiner dan de hoogte van het hoogste gebouw gelegen op het eigendom.
  Materialen : met dezelfde kleurschakering als die van het hoofdgebouw.
x  x
  4 De installatie van een opslagplaat voor ze zover geen merkbare wijziging van het bodemreliëf als gevolg heeft.
  Eén enkele plaat per gebouw, d.w.z. dat er geen andere bestaat op het eigendom.
  Gelegen : in een bedrijfsruimte.
  Ligging:
  a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg;
  b) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen;
  c) op minimum 10,00 m van een waterloop;
  d) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte;
  e) die het vellen van bomen, hagen of paden in de zin van artikel D.IV.4. 11° niet als gevolg heeft.
  Maximale oppervlakte: 75,00 m2.
x  x
  5 De bouw van een bijgebouw of de plaatsing van een installatie die niet in de punten 1 tot en met 4, wordt bedoeld of die niet voldoet aan de in de punten 1 tot en met 4 bedoelde voorwaarden, die niet bestemd is voor huisvesting en die een functionele eenheid vormt met een of meer bestaande constructies, op voorwaarde dat de grondinneming van het gevormde samenstel ten hoogste verdubbeld wordt.  x x
  6 De afbraak of de verwijdering van een bijgebouw, van een technische installatie, van een bouw of van een geprefabriceerd gebouw zoals bedoeld in de punten 1 tot 5 voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of de verwijdering afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x  x
F Carport, toegang en parkeerplaats 1 Eén enkele carport per gebouw, d.w.z. dat er geen andere bestaat op het eigendom.
  Gelegen :
  a) rechtstreeks verbonden met de verbindingsweg ;
  b) Het gevelaanzicht mag niet hoger uitkomen dan het gevelaanzicht aan de achterkant van het hoofdgebouw
  Maximale oppervlakte: 40,00 m2.
  Volumetrie : plat dak of met een hellend dak of meerdere hellende daken.
  Maximale hoogten:
  a) 2,50 m aan de druipkant;
  b) 3,50 m aan de nok; in voorkomend geval, 3,20 m aan de
  acroterie.
  Materialen:
  a) Structuur bestaande uit houten, betonnen of metalen palen of op pijlers met materialen vergelijkbaar met de bekleding van het bestaand gebouw of met dezelfde kleurschakering.
  b) dak met één of verschillende hellingen met materialen vergelijkbaar met die van het hoofdgebouw.
x  x
  2 De andere carport die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervult  x x
  3 De verwijdering of de afbraak van de in punt 1 en 2 bedoelde carport voor zover de sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x  x
  4 De parkeerplaatsen in de open lucht en hun toegang tegen de volgende cumulatieve voorwaarden:
  a) ze zijn gelegen in de omgeving van een behoorlijk toegelaten gebouw en vormen samen met dat gebouw een functionele eenheid;
  b) ze zijn rechtstreeks verbonden met de verbindingsweg ;
  c) ze bestaan uit waterdoorlatende en niet gladgestreken materialen ;
  d) zij hebben een maximale oppervlakte van 300 m2 ;
  e) zij vereisen geen significante wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3, punten 1° tot en met 5°, 7° tot en met 9°, 11°, 12° en 15°
x  x
  5 De paden en parkeerplaatsen in de open lucht en in de omgeving van een behoorlijk toegelaten bouw of installatie en die samen met deze installatie een functionele eenheid vormen, anders dan degene bedoeld in punt 4.  x x
G Tuinhuisje en berging 1 Eén enkel hok of berging per gebouw, d.w.z. dat er geen ander bestaat op het eigendom.
  Gelegen :
  a) in de ruimtes van hoven en tuinen;
  b) ofwel niet-zichtbaar vanaf de weg, ofwel gelegen aan de achterkant ten opzichte van het openbaar domein van de weg
  Ligging : minimum op 1,00 m van de gemeenschappelijke grenzen.
  Maximale oppervlakte: 20,00 m2.
  Volumetrie : hellend dak of meerdere hellende daken of plat dak.
  Maximale hoogten:
  a) 2,50 m aan de druipkant;
  b) 3,50 m aan de nok;
  c) in voorkomend geval, 3,20 m aan de acroterie.
  Materialen : van hout of elk ander materiaal met een kleurschakering gelijk aan het gebouw of de omgeving waarop het betrekking heeft.
x  x
  2 De tuinhuisjes of bergingen die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervullen.  x x
  3 De verwijdering of de afbraak van de in punt 1 en 2 bedoelde tuinhuisjes of bergingen voor zover de sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x  x
H Zwembad 1 Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen niet-zichtbaar vanaf de weg.
  Ligging : minimum op 1,00 m van de gemeenschappelijke grenzen.
  Opbouw- of zelfdragende zwembaden.
x  x
  2 Eén enkele per gebouw, d.w.z. dat er geen andere gedeeltelijk of volledig ingegraven zwembad bestaat op het eigendom
  Gedeeltelijk of volledig ingegraven alsook elke veiligheidsinrichting met een maximale hoogte van 2,00 m rond het zwembad en voor zover de volgende voorwaarden nageleefd worden:
  a) al dan niet overdekt worden door een lichte, uitschuifbare telescopische zwembadoverkapping waarmee de oppervlakte bedekt wordt voor zover de nokhoogte kleiner is dan 3,50 m;
  b) voor privé-doeleinden;
  c) de afgegraven aarde voor deze inrichtingen brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het eigendom
  Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen niet-zichtbaar vanaf de weg.
  Ligging : minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen.
  Maximale oppervlakte: 75,00 m2.
x  x
  3 De zwembaden die de in de punten 1 en 2 bedoelde voorwaarden niet vervullen.  x x
  4 Het weghalen, de afbraak of de opvulling van de in de punten 1 en 3 bedoelde zwembaden voor zover de sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving en voor zover de opvullingen met de vigerende wetgeving overeenstemmen. x  x
I Poel en vijver 1 Eén enkele per gebouw, d.w.z. dat er geen andere bestaat op het eigendom.
  Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen en in voor het publiek toegankelijke parken
  Ligging : minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen.
  Maximale oppervlakte: 100,00 m2.
  De afgegraven aarde voor deze inrichtingen brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het eigendom.
x  x
  2 De vijvers en poelen die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervullen.  x x
  3 De verwijdering of de opvulling van de vijvers en poelen bedoeld in punt 1 voor zover de opvullingen met de vigerende wetgeving overeenstemmen x  x
J Inrichtingen, accessoires en meubilair 1 Het plaatsen van luifels, zonneschermen of daken van een terras op de begane grond, aangrenzend of geïsoleerd.
  Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen;
  Maximale hoogte: 3,50 m.
  Maximale totale oppervlakte van al deze inrichtingen: 40,00 m2.
  Ligging : minimum op 2,00 m van de gemeenschappelijke grenzen.
x  x
  2 Het plaatsen van tuinmeubilair zoals banken, tafels, stoelen, open haarden of barbecues, vuilnisemmers, compostbakken, pergola's of zuilen, bloemenballen, sierfonteinen, watertuinen, kinderspelletjes, structuren voor bomen met traliewerk.
  Het plaatsen van lantaarn- en verlichtingspalen zodat de op de grond overgebrachte lichtbundel van de lampen de eigendomsbeperking niet overstelpt.
  De speel- en sportterreinen van waterdoorlatende materialen en de apparaten die strikt nodig zijn voor het gebruik ervan.
  Gelegen ofwel in de ruimtes van hoven en tuinen, ofwel in de omgeving van een bouwwerk gelegen in een voor bebouwing bestemd gebied en die samen met dit bouwwerk een functionele eenheid vormt.
  Maximale hoogte: 3,50 m.
x  x
  3 De aanleg van paden van waterdoorlatende materialen en van terrassen in de omgeving van één of meerdere bouwwerken op grondniveau en die geen merkbare wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 vereist. x  x
  4 Het plaatsen van tuinhuisjes die een maximale oppervlakte van 20 m2 hebben. x  x
  5 Zolang ze het eigendom niet afbakenen:
  a) De aanleg van afsluitingen die bestaan uit met elkaar verbonden palen met draad of draadgaas met brede mazen, met eventueel op de basis ervan een betonplaat of een muurtje met een maximumhoogte van 0,70 m, ofwel uit met elkaar verbonden palen met horizontale dwarsstukken, palissades van hout, ofwel uit schanskorven met een maximale dikte van 20 cm en de installatie van deuren, poorten of hekjes met een maximale hoogte van 2,00 m
  b) de bouw en de wijziging van steunmuren, met inbegrip van schanskorven, met een maximale hoogte van 0,70 m;
  c) de bouw en de wijziging van muren met een maximale hoogte van 2, 00 m niet-zichtbaar vanaf de weg of aan de achterkant van het gebouw.
x  x
  6 De inrichtingen, accessoires, tuinmeubilair, niet bedoeld in de punten 1 tot 5 of die de in de punten 1 tot 5 bedoelde voorwaarden niet vervullen.  x x
  7 De afbraak, de verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 6 bedoelde tuinhuisjes voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving x  x
K Microwoningen in de zin van het Waals Wetboek van Duurzaam Wonen 1 De plaatsing van de geprefabriceerde of kit microwoningen.   x
  2 De plaatsing van microwoningen niet bedoeld in punt 1 voor zover zij :
  a) zonder verdieping zijn ;
  b) een oppervlakte van minder dan 40m2 hebben;
  c) een maximale hoogte van 2,50 m onder een kroonlijst hebben, 3,50 m op de nok en, indien van toepassing, 3,20 m bij de acroterie.
  x
L Hernieuwbare energieën
  Modules voor de productie van elektriciteit of warmte
1 Het plaatsen van één of meer modules voor de productie van elektriciteit of warmte waarmee ieder bouwwerk, iedere installatie of ieder gebouw bevoorraad worden, gelegen op hetzelfde onroerend goed waarvan de energiebron hernieuwbaar is en waarbij tegemoet wordt gekomen aan één of meerdere van de volgende gevallen:
  o Zonne-energie:
  a) indien de module(s) gevestigd is (zijn) op een hellend dak, is de projectie van het uitstekende deel op het verticale vlak kleiner dan of gelijk aan 0,30 meter en het verschil in hellingsgraad tussen de module en het dak van dat gebouw kleiner dan of gelijk aan 15 graden;
  b) indien de module(s) gevestigd is (zijn) op een plat dak, bedraagt het verticaal uitstekende deel maximum 1,50 meter en bedraagt de helling van de module maximum 35 graden;
  c) indien de module(s) gevestigd is (zijn) op een opgaande muur, bedraagt het horizontaal uitstekende deel tussen 1,20 meter en 1,50 meter en bedraagt de helling van de module tussen 25 en 45 graden;
  o Warmtepompen:
  in de grond, met een maximaal capaciteitsvolume van één m3, op een afstand van 3 m ten opzichte van de gemeenschappelijke grenzen en niet-zichtbaar vanaf de verbindingsweg.
x  x
  2 Het plaatsen van één of meer modules voor de productie van elektriciteit of warmte waarmee ieder bouwwerk, iedere installatie of ieder gebouw bevoorraad worden, gelegen op hetzelfde onroerend goed waarvan de energiebron hernieuwbaar is en die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen.  x x
  3 De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 2 bedoelde tuinhuisjes voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x  x
M Afsluitingen, afsluitingsmuren, steunmuren als afsluiting, d.w.z. die het eigendom afbakenen 1 Het plaatsen van afsluitingen met een maximumhoogte van 2,00 m die bestaan uit met elkaar verbonden palen met draad of draadgaas met brede mazen, met eventueel op de basis ervan een betonplaat of een muurtje met een maximumhoogte van 0,70 m, ofwel uit met elkaar verbonden palen met horizontale dwarsstukken, palissades van hout, ofwel uit schanskorven met een maximale dikte van 20 cm.
  De bouw of de wijziging van steunmuren van minder dan 0,70 m hoog, met inbegrip van schanskorven;
  Het plaatsen van deurtjes, hekjes of poorten met een maximumhoogte van 2,00 meter waardoor een breed gezicht op de eigendom mogelijk blijft.
x  x
  2 Het plaatsen van afsluitingen met een maximale hoogte van 2, 00 m niet-zichtbaar vanaf de weg of aan de achterkant van het gebouw. x  x
  3 Het plaatsen van afsluitingen, deurtjes, poorten of hekjes die de voorwaarden bedoeld in de punten 1 tot 2 niet vervullen of die niet bedoeld zijn in punt 1 en 2.  x x
  4 De bouw of de wijziging van steunmuren met een hoogte van meer dan 0,70 m of afsluitingsmuren in de omgeving van een behoorlijk toegelaten bouwwerk of installatie.  x x
  5 De afbraak of het weghalen van de in de punten 1 tot 4 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x  x
N Hokken voor één of meerdere dieren met inbegrip van de bijenstallen en mestvloeren 1 Een of meerdere bijenkorven per eigendom.
  Onverminderd de toepassing van de bepalingen bedoeld in het Landbouwwetboek en de integrale voorwaarden genomen krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning
x  x
  2 Eén of meerdere hokken voor dieren per eigendom
  Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen.
  Ligging:
  a) minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen
  b) op minimum 20,00 m van elke naburige woning
  niet gelegen in de zichtlijn die loodrecht staat op de achtergevel van een naburige woonst.
  Maximale totale oppervlakte van alle hokken voor dieren op het eigendom: 20,00 m2 voor één of meerdere hokken of 25,00 m2 voor één of meerdere hokken waaronder een duiventil
  Volumetrie : zonder verdieping, een dak met één helling, of twee hellingen met dezelfde hellingsgraad en lengte of met een plat dak.
  Maximale hoogte berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau:
  a) 2,50 m aan de kroonlijst;
  b) 3,50 m aan de nok;
  in voorkomend geval, 3,20 m aan de acroterie.
  Materialen : hout of traliewerk of vergelijkbaar met de materialen van het bestaande hoofdgebouw.
  Onverminderd de toepassing van de bepalingen bedoeld in het Landbouwwetboek en de integrale en sectorale voorwaarden genomen krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning
x  x
  3 De aanleg van een mestvloer.
  Gelegen ten minste 20,00 m van een andere woning dan die op het eigendom.
  Ligging : op een afstand van minimum 10,00 m van de gemeenschappelijke grenzen
  Hoogte : op de begane grond
  Maximale oppervlakte: 10,00 m2.
 x x
  4 De plaatsing of de bouw van hokken voor dieren die de voorwaarden van de punten 1 tot 2 niet vervullen.  x x
  5 De afbraak en het weghalen van de in de punten 1 en 4 bedoelde hokken, bijenkorven en mestvloeren voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x  x
O Landbouwbedrijven 1 De bouw van geheel of gedeeltelijk ingegraven opslagsilo's, voor zover de bovenhoogte van de steunmuren niet meer dan 2,00 m boven het niveau van het natuurlijk bodemreliëf uitstijgt x  x
  2 De aanleg van een mestvloer.
  Gelegen op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant.
  Ligging : op een afstand van minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen
  Hoogte : de bovenhoogte van de mestvloer of van de steunmuren niet meer bedraagt dan 2,00 m boven het niveau van het natuurlijke bodemreliëf.
x  x
  3 Het plaatsen van tanks voor de inzameling of opslag van water of dierlijke mest, geheel of gedeeltelijk ingegraven of de aanleg van een aaltzak.
  Gelegen op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant en buiten het woongebied.
  Ligging:
  a) op minimum 10,00 m van elke bevaarbare of niet-bevaarbare waterloop;
  b) op minimum 3,00 m van het openbaar domein.
  Hoogte : de bovenhoogte van de steunmuur bedraagt niet dan 0,70 m
x  x
  4 Het plaatsen van tunnelserres bestemd voor de teelt van de landbouw- en tuinbouwgewassen en die na de teelt worden weggehaald. x  x
  5 De anti-hagelnetten die een in de grond verankerde structuur impliceren en het plaatsen of de bouw van de elementen die de in de punten 1 tot 4 bedoelde voorwaarden niet vervullen.  x x
  6 Het plaatsen van een installatie voor waterwinning in een niet-bevaarbare of niet-ingedeelde waterloop die uitsluitend bestemd is voor het drinken van vee x  x
  7 De afbraak en het weghalen van de in de punten 1 tot 6 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x  x
P Bouwwerken en tijdelijke installaties 1 De tijdelijke constructies voor de installatie van bouwplaatsen voor toegelaten handelingen en werken, met inbegrip van refters, onderkomens en sanitair evenals de ontvangstpaviljoenen, tijdens de duur van de handelingen en werken en voor zover de bouwplaats onafgebroken plaatsvindt. x  x
  2 Het plaatsen van installaties met een sociaal, cultureel, sportief of recreatief karakter met inbegrip van de desbetreffende parkeerplaatsen in de openlucht voor een maximumduur van negentig dagen voor zover het goed na afloop van die termijn in zijn oorspronkelijke toestand hersteld wordt x  x
  3 De plaatsing van commerciële installaties, op het openbaar domein, of op het private domein op voorwaarde dat ze verbonden zijn met een bestaande activiteit, met inbegrip van de bijbehorende buitenparkeerplaatsen, voor een periode van maximaal zestig dagen, op voorwaarde dat de installaties voldoen aan de gemeentelijke en gewestelijke handleiding voor stedenbouw en dat op het einde van de periode het goed terugkeert in zijn oorspronkelijke staat. x  x
  4 Het tijdelijk plaatsen van installaties die nodig zijn om een ontheemde activiteit onder te brengen, voor de duur van de handelingen en werken waarvoor een vergunning vereist is, op voorwaarde dat de werkzaamheden ononderbroken worden voortgezet en dat na het verrichten van de handelingen en werken of het verstrijken van de vergunning de installaties worden verwijderd. x  x
  5 De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 4 bedoelde elementen.
  x
 x
Q Uithangborden en reclamezuilen 1 Het plaatsen van één of meer uithangborden of reclamezuilen  x x
  2 De verwijdering of het weghalen van de in punt1 bedoelde uithangborden en reclamezuilen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x  x
R Miradors en uitkijkposten 1 In de bosgebieden, in het gebied aanpalend aan het bosgebied en in een landbouwgebied, de houten of metalen miradors en andere uitkijkposten van bleke kleur bedoeld in artikel 1, § 1, 9° van de jachtwet van 28 februari 1882. x  x
  2 De verwijdering van de miradors en uitkijkposten bedoeld in punt1 voor zover de afval voortvloeiend uit het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x  x
S Bomen en hagen 1 De bebossing of de ontbossing  x x
  2 De boslandbouw als exploitatiewijze van de landbouwgronden waarin houtgewassen met de teelt of het grasland worden verbonden. x  x
  3 Onverminderd artikel R.IV.4-4, de kerstbomenteelt  x x
  4 Het kappen van een haag over een doorlopende lengte van minder dan 2,50 m om één enkele toegang tot een bestaande woning te creëren. x  x
  5 Het vellen van losstaande hoogstammige bomen in groengebieden die krachtens het geldend plan van aanleg of een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan, het vellen van een haag of het vellen van één of meer of alle bomen in een pad.  x x
  6 Het vellen, het toebrengen van schade aan het wortelstelsel of de wijziging van het aspect van een waardevolle boom, struik of haag  x x
  7 Het rooien of wijzigen van de beplanting bedoeld in elk gebied bedoeld in artikel R.IV.4-11.  x x
  8 Het vellen van bomend bedoeld in de punten 5 en 7 dat het voorwerp uitmaakt van een besluit van de burgemeester genomen bij hoogdringendheid met het oog op het verzekeren van de openbare veiligheid. x  x
T Wijziging van het bodemreliëf 1 De merkbare wijziging van het bodemreliëf voor het boren of nemen van bodemmonsters in het kader van een geotechnisch onderzoek, een geologische prospectie- of bodemverontreinigingsonderzoek. x  x
  2 De merkbare wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 binnen een straal van 30,00 m van een behoorlijk toegelaten bouwwerk of installatie.  x x
  3 Voor de uitvoering van een actieprogramma voor rivieren door middel van een geïntegreerde en sectorale aanpak als bedoeld in artikel D. 33/3 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek
  inhoudt:
  a) opvulmateriaal of uitgegraven materiaal dat niet meer dan 50 centimeter hoog is en dat zich op een maximale afstand van 6,00 m van de top van de oever van een waterloop bevindt, ook in gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat;
  het storten en verspreiden van producten die het gevolg zijn van de ruimingswerken van een waterloop
x  x
U Gebruik van een terrein voor opslagen en mobiele installaties 1 Gewoonlijk grond gebruiken voor het plaatsen van één of meer mobiele installaties in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 15°, b om een "onthaalplaats voor boerderijen" in de zin van artikel 252/1.D van het Waalse Wetboek van Toerisme te creëren, met inbegrip van de installatie of de transformatie van de grondleidingen die nodig zijn voor het onderhoud van het terrein, op voorwaarde dat deze in overeenstemming is met het decreet en de reglementaire vereisten van het gewestplan. x  x
  2 Een terrein doorgaans gebruiken voor:
  a) de opslag van één of meer afgedankte wagens, schroot, materialen of afvalstoffen;
  b) de plaatsing van één of meer mobiele installaties, zoals woonwagens, caravans, afgedankte voertuigen en tenten, met uitzondering van mobiele installaties die door een vergunning bedoeld in het Waalse Wetboek van Toerisme, het decreet van 4 maart 1991 betreffende de voorwaarden voor het exploiteren van caravanterreinen of het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 9 mei 1994 zijn toegelaten.
 x x
V Structuur die als toeristische en vrijetijdslogies dient 1 De plaatsing van één of meerdere mobiele kampeerverblijven in de zin van artikel 1 D, 2° van het Waalse Wetboek van Toerisme, tegen de volgende cumulatieve voorwaarden:
  a) het mobiele kampeerverblijf heeft een maximale oppervlakte van 50,00 m2;
  b) de plaatsing of constructie ervan vereist geen belangrijke wijziging van het bodemreliëf;
  c) het is gelegen :
  - in een toeristisch kampeerterrein of in een kampeerterrein op de hoeve dat is toegestaan volgens het Waalse Wetboek van Toerisme;
  - in een caravanterrein dat is toegestaan krachtens het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 betreffende de voorwaarden voor het exploiteren van caravanterreinen;
  - in een camping die is toegestaan krachtens het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 9 mei 1994 over de campings en kampeerterreinen.
x  x
  2 De bouw van een terras met of zonder leuningen dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 249 BWR, eerste lid, 3° en tweede lid van het Waalse Wetboek van Toerisme in een toeristisch kampeerterrein. x  x
  3 De bouw van blokhutten of het plaatsen van tenten, tipi's, joerten en luchtbellen in een bosgebied.  x x
  4 Het weghalen of de afbraak van de in de punten 1 en 3 bedoelde toeristische of vrijetijdslogies, terrassen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x  x
W Handelingen en werken op het openbaar domein van de weg, spoorwegen en waterlopen 1 Voor zover de grondslag van die rijwegen niet verbreed worden, de hernieuwing van de funderingen en de verharding van de wegen, bermen, boorden, trottoirs, eilandjes en openbare plaatsen uitgezonderd de veranderingen van verhardingen bestaande uit natuursteen en, voor openbare plaatsen, voor zover dat de handelingen en werken niet leiden tot een toename van de oppervlakte van de verhardingen van ondoordringbaar materiaal. x  x
  2 De plaatsing, de hernieuwing, de verplaatsing of de verwijdering van de bijkomende elementen zoals de radarinstallaties, relingen, de beveiligingsconstructies en de schampranden, met uitzondering van de steunmuren en de geluidsschermen. x  x
  3 De plaatsing, de verplaatsing, de verbouwing, de uitbreiding, of de verwijdering van vloeistofnetwerken, met een druk van ten hoogste 20 bar voor gas, energie, een spanning van ten hoogste 70 KV voor elektriciteit en telecommunicatienetwerken die in het publieke domein zijn aangebracht, verankerd, ondersteund of overhangend, met inbegrip van privé-aansluitingen, hulpelementen en bijbehorende uitrusting zoals palen, technische kasten, pylonen en palen met een maximale hoogte van 14 meter. x  x
  4 De tijdelijke weginrichtingen met een maximale duur van vijf jaar. x  x
  5 De werken voor de aanleg van ruimten voor voetgangers, personen met een verminderde beweeglijkheid of fietsers en waarbij de plaatselijke oprichting of verruiming van die ruimten, de verbetering van hun esthetisch aspect of de veiligheid van de gebruikers wordt beoogd, ongeacht of deze werkzaamheden al dan niet leiden tot een versmalling van de grondslag van de weg of van de wegen. x  x
  6 Het plaatsen of vernieuwen van klein stadmeubilair zoals banken, tafels, stoelen, vuilnisemmers, lantaarn- en verlichtingspalen, plantenbakken, fonteintjes, elektrische aansluitpunten, containers, al dan niet ingegraven en bestemd voor de ophaling van huishoudelijke en daarmee gelijkgestelde afval. x  x
  7 De werken voor de inrichting van de ruimtes bestemd voor de beplantingen. x  x
  8 De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van de signalisatie-elementen :
  a) de verkeersborden, met inbegrip van de steunstructuren en portalen, evenals van de bescherming ervan tegenover het verkeer;
  b) de vaste of mobiele installaties waarbij het verkeer, het parkeren of de snelheid beperkt worden;
  c) de installaties voor de controle op het parkeren zoals parkeermeters of parkeerautomaten;
  d) de niet-overdekte installaties voor het parkeren van tweewielers;
  e) de bijkomende technische al dan niet ondergrondse installaties zoals kasten voor de elektrische bediening van verkeerslichten of van de openbare verlichting, praatpalen, brandpalen en bedieningskasten voor teledistributie.
x  x
  9 De plaatsing de verplaatsing of het weghalen van inrichtingen voor de openbare verlichting. x  x
  10 Voor zover ze niet onderworpen worden aan de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende de beschermde gebieden van sommige gemeente inzake stedenbouw, de plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van de volgende reclameborden:
  a) de aanplakzuilen waarvan de schacht met een diameter van maximum 1,20 m beperkt blijft tot 3,50 m hoogte;
  b) de aanplakborden op voeten waarvan de maximale hoogte en breedte respectievelijk niet meer dan 2,50 m en 1,70 m bedragen en waarvan de bruikbare oppervlakte niet meer dan 4 m2 per vlak bedraagt.
x  x
  11 Het aanbrengen of de wijziging van de wegmarkeringen. x  x
  12 De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van verkeersdrempels. x  x
  13 Het aanbrengen, verwijderen of hernieuwen van funderingen en inrichtingen voor het gebruik van de wegen en de openbare vervoerslijnen zoals rails, verbindingen, ballast, palen van bovenleidingen, signalen, portieken, hokjes, bedieningskasten voor verkeersborden of palen voor bus- of tramhaltes voor reizigers. x  x
  14 Het plaatsen van een seizoensgebonden openluchtterras in de horecasector, voor zover de oppervlakte ervan niet meer bedraagt dan 50,00 m2. x  x
  15 De hokjes voor de reizigers bij de haltes van het openbaar vervoer. x  x
  16 De plaatsing of de verplaatsing van brievenbussen. x  x
  17 De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van beelden, gedenktekens en andere kunstwerken geplaatst door de overheid of op bevel van de overheid. x  
  x
  18 Het aanleggen, vernieuwen of verwijderen van kunstwerken voor de bescherming van de oevers in een niet-bevaarbare waterloop, met uitzondering van gemetselde muren, op een lengte van niet meer dan 100 m en een maximale hoogte van 2 m. x  
  x
X Riolering, leiding en netten buiten het openbaar domein van de weg, spoorwegen en waterlopen, boringen en waterwinningen 1 Het plaatsen, de verplaatsing, de wijziging van privé-aansluitingen, met inbegrip van de technische kasten, op ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen, alsook het plaatsen, de verplaatsing, de wijziging van ondergrondse water- of brandstoffenopslagtanks, straatkolken, zakputten, straatgoten, inspectieputten, deksels en septische tanken en ieder ander individueel zuiveringssysteem tegen de volgende cumulatieve voorwaarden:
  a) de eventuele afgegraven aarde voor deze inrichtingen brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het eigendom;
  die inrichtingen hebben betrekking op de infrastructuur die noodzakelijk is voor het aanleggen van het eigendom en zijn uitsluitend gelegen op bedoeld eigendom.
x  x
  2 De privé-aansluitingen, met inbegrip van de technische kasten, op ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen, evenals het plaatsen van ondergrondse water- of brandstoffenopslagtanks, straatkolken, zakputten, straatgoten, inspectieputten, deksels en septische tanken en ieder ander individueel zuiveringssysteem die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen.  x x
  3 Het plaatsen van bovengrondse tanks.  x x
  4 De invoering of de versterking van ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen in een reeds ingerichte technische locatie tegen de volgende cumulatieve voorwaarden:
  a) de ontworpen werken zijn eigen aan de functie van de locatie;
  b) de bestaande installaties, gebouwen, bouwwerken en bedekking zijn wettelijk toegelaten;
  c) de werken beogen de bouw van een gebouw niet ;
  d) de grondinneming beperkt de bestaande isoleringsomtrekken of voorzieningen niet.
x  x
  5 De boringen van putten of waterwinningen. x  x
  6 In de niet-bebouwingsgebieden, en voor zover geen vergunning vereist is in de zin van artikel R.IV.4-3, eerste lid, punt 1, 6°, het aanleggen of wijzigen van een drainagesysteem voor zover het terrein niet gelegen is in een locatie erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van de 2000 Natura-locaties, of blootgesteld aan een groot natuurrisico of grote geotechnische druk zoals bedoeld in artikel D.IV.57, 3°. x  x
  7 De installatie, de verplaatsing, de wijziging of de uitbreiding van ingebouwde, verankerde ondergrondse of bovendraineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen en de bijkomende en bijbehorende uitrustingen wanneer ze buiten het openbare domein gelegen zijn.  x x
  8 Het weghalen van de in de punten 1 en 7 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x  x
Y Telecommunicatie, kabeltelevisie, glasvezel, gas, elektriciteit 1 De vervanging van installaties of technische kasten door installaties of technische kasten van een kleiner of gelijkwaardig volume. x  x
  2 De vervanging van bestaande antennes door antennes met een gelijke, of kleinere of grotere afmeting op voorwaarde dat de totale hoogte van de mast niet verhoogd wordt en dat de nieuwe antennes een maximale hoogte van 3,00 m hebben. x  x
  3 De vervanging van een pyloon of een bestaande paal door een zo hoge pyloon of paal van hetzelfde type geïnstalleerd op dezelfde locatie. x  x
  4 De plaatsing van een technische kast op een plat dak op voorwaarde dat ze vanaf de weg niet-zichtbaar is, dat ze gelegen is op een afstand van minstens een anderhalf keer de hoogte van de kast vanaf de acroterie. x  x
  5 De plaatsing of de vervanging van technische kasten naast een pyloon of een paal geplaatst op de bodem of in een technisch lokaal gelegen in de nabijheid van een mast geplaatst op een dak. x  x
  6 De aanleg van technische installaties om de stabiliteit en de veiligheid van bestaande installaties evenals hun goede werking te verzekeren. x  x
  7 De plaatsing van antennes of radiogolven, technische kasten en installaties tijdens culturele, sport-, recreatie- of commerciële evenementen, geplaatst voor een maximale duur van 90 dagen op voorwaarde dat deze antennes of golven, kasten en installaties niet meer dan 15 dagen voor het begin van het evenement geplaatst worden en dat ze uiterlijk 15 dagen na het einde van het evenement weggehaald worden. x  x
  8 De plaatsing en/of de heropbouw van antennes of radiogolven, ingebouwde, verankerde ondergrondse of bovenleidingen en technische kasten en installaties om dringende redenen, om redenen van veiligheid of openbaar belang onvoorzienbaar uit hoofde van de beheerder, de tijd nodig om alle vereiste vergunningen voor de verplaatsing en/of de heropbouw van de locatie te krijgen. x  x
  9 De tijdelijke verplaatsing van een bestaande installatie om de continuïteit van de diensten te verzekeren in geval van werken uitgevoerd door de eigenaar van de oorspronkelijke structuur voor de uitsluitende duur van de werken. x  x
  10 De plaatsing van installaties zoals antennes, radiogolven, technische kasten en installaties voor zover ze gelegen zijn binnen gebouwen, bouwwerken of bestaande structuren of overdekt met materialen die lijken op de bestaande materialen. x  x
  11 De plaatsing van radiogolven met een maximale diameter van 90 cm op een bestaande pyloon of een mast op een dak die behoorlijk toegelaten is. x  x
  12 Het plaatsen van een radio- en televisie-antenne of radiogolven (parabolische antenne of paneelantenne).
  Gelegen :
  * ofwel verankerd op een opgaande muur aan de achterkant van het gebouw ten opzichte van de verbindingsweg of minstens 4,00 m achter de rooilijn
  * ofwel verankerd in de grond of op een dakdeel en gevestigd aan de achterkant van het gebouw ten opzichte van de verbindingsweg.
  Maximale oppervlakte: 1,00 m2.
  Materialen : de antenne vertoont een kleurschakering die gelijk is aan die van haar draagbasis
x  x
  13 Het plaatsen van een radio- en televisie-antenne of radiogolven (parabolische antenne of paneelantenne).
  Ligging : op een plat dak
  Maximale hoogte: 5,00 meter, met inbegrip van de steun, en de hoogte is kleiner dan de afstand tussen de installatie en de acroterie.
  Maximale oppervlakte: 1,00 m2.
x  x
  14 Het plaatsen van een in de punten 1 of 2 bedoelde antenne die de voorwaarden bedoeld in de punten 1 of 2 niet vervult.  x x
  15 De plaatsing van antennes en van de behuizing voor radiomodules op afstand op een bestaande pyloon verankerd op de bodem of op behoorlijk toegelaten mast op een dak op voorwaarde dat de afstand maximum 1 m is in het geval van een pyloon en maximum 40 cm in het geval van een mast en dat de hoogte van de pyloon of van de mast niet overschreden is. x  x
  16 De plaatsing van antennes tegen een bestaande gevel met maximum één antenne ( met inbegrip van de actieve elementen die nodig zijn voor de aansluiting ervan), over zes strekkende gevelmeters, of op een bestaande puntgevel met maximum één antenne per puntgevel, of op een schoorsteen op voorwaarde dat die antennes een kleur gelijk aan de bedekking van de gevel of van de puntgevel heeft. x  x
  17 De plaatsing van antennes op het plat dak of het plat gedeelte van het dak van een gebouw op voorwaarde dat ze een maximale hoogte van 3 meter, met inbegrip van de steun, hebben, dat die hoogte kleiner is dan de afstand tussen de installatie en de lagere kant of de rand van het dak of de acroterie en dat het gebouw minstens 12 m hoog is. x  x
  18 De plaatsing op de gevel of bovengronds van elektronische of numerieke communicatiekabels en leidingen en van verbindingsdozen voor zover de kleur neutraal en discreet is en voor zover het tracé van de kabel de bouwkundige lijnen van de woning volgt, zoals de raamdorpel, de kroonlijst, de verbindingen tussen de gevels, de lagere kant of de rand van het dak, de acroterie. x  x
  19 De plaatsing van de antenne van een radioamateur in de zin van het ministerieel besluit van 9 januari 2001betreffende het aanleggen en het doen werken van radiostations door radioamateurs.  x x
  20 Het plaatsen op het openbaar domein van steunen met een maximale diameter van 30 cm en een maximale hoogte van 8 meter voor technische telecommunicatieapparatuur en antennes, met inbegrip van radiogolven met een maximale diameter van 90 cm, met een afstand van niet meer dan 40 cm. x  x
  21 De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 tot 20 bedoelde tuinhuisjes voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x  x
Z Militaire domeinen 1 De uitvoering van defensieve werken van operationele aard of die strategisch geheim moeten blijven, ten behoeve van het ministerie van Defensie en waarvan de lijst gezamenlijk wordt opgesteld door de Minister van Defensie en de Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening x  x
Handelingen/werken/
  installaties Omschrijving/eigenschappen Vrijgesteld worden van een stedenbouwkundige vergunning Hebben een geringe impact Vereisen de verplichte tussenkomst van een architect nietA Wijziging van de bouwschil van een gebouw (isolatie, opgaande muren, dak, openingen) 1 De plaatsing van de materialen voor de bekleding van de opgaande muren en de bedekking van de daken vormen de bouwschil van het gebouw of de vervanging ervan door andere materialen om de vigerende energienormen onder de volgende voorwaarden te bereiken:
  a) de materialen hebben hetzelfde buitenaanzicht;
  b) de bijkomende laag bedraagt niet meer dan 0,30 m
  c) indien het goed valt onder de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende de beschermde gebieden van sommige gemeenten inzake stedenbouw of betreffende de gebouwen in landelijk gebied, of de artikelenR.II.36-6 à R.II.36-9, D.II.37, § 4, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 à R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, stemmen de kleuren en materialen overeen met de betrokken aanduidingen en voorschriften. x x2 De plaatsing van fotovoltaïsche dakbedekkingsmaterialen of de vervanging van fotovoltaïsche of niet-fotovoltaïsche dakbedekkingsmaterialen door fotovoltaïsche dakbedekkingsmaterialen, op voorwaarde dat, wanneer het onroerend goed onderworpen is aan de artikelen R.II.36-6 tot R.II.36-9, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 tot R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, de kleuren in overeenstemming zijn met de betrokken aanduidingen en voorschriften x x3 De constructie van groene gevel(s) die niet zichtbaar zijn vanaf de weg of groendak(ken) op een bestaande constructie of installatie. x x4 Het schilderen of bepleisteren van een bestaande constructie of het zandstralen of opnieuw voegen van een bestaande constructie x x5 De plaatsing of vervanging van materialen voor gevelbekledingen en dakbedekkingen door materialen voor bekledingen die niet voldoen aan de in de punten 1 tot en met 3 genoemde voorwaarden. x x6 De vervanging van deuren of ramen in de opgaande muren of in de daken door deuren of ramen met als doel het bereiken van de vigerende energienormen. x x7 Het sluiten, het maken of het wijzigen van openingen die zich bevinden in het dakvlak op maximum één verdieping en met in het totaal maximum één kwart van de lengte van de overeenstemmende opgaande muur; het sluiten dient uitgevoerd te worden met hetzelfde materieel als dat van het dak. x x8 Het sluiten, openen of wijzigen van deuren of openingen in de opgaande muren met in het totaal maximum één kwart van de lengte van de overeenstemmende opgaande muur voor zover:
  a) Het sluiten, openen of wijzigen niet uitgevoerd wordt in een opgaande muur gelegen op de rooilijn en/of waarvan het plan gericht is op de verbindingsweg van het betrokken hoofdgebouw;
  b) het sluiten of het wijzigen gebeuren met dezelfde bekledingsmaterialen als die voor de opgaande muur;
  c) elke opening of wijziging op maximum één verdieping wordt uitgevoerd;
  d) als het goed valt onder een gewestelijk of gemeentelijke handleiding voor stedenbouw stemmen de handelingen en werken met de handeling overeen. x x9 Het sluiten, openen of wijzigen van deuren en ramen die in totaal niet meer dan een vierde van de lengte van de desbetreffende hoogte bedragen en die de in de punt 7 en 8 bedoelde voorwaarden niet vervullen. x x10 De installatie of vervanging van schoorstenen of schoorsteenkanalen, regengoten of regenpijpen, afvoersystemen voor installaties zoals afzuigkappen en verwarmingsketels, op voorwaarde dat, wanneer het onroerend goed onderworpen is aan de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw die betrekking hebben op de beschermde gebieden van bepaalde gemeenten op het gebied van stedenbouw of op gebouwen in landelijk gebied, de handelingen en werkzaamheden in overeenstemming zijn met deze handleiding. x x11 De plaatsing of vervanging van de in punt 10 genoemde elementen die niet aan de voorwaarden voldoen x x12 De afbraak of het weghalen van de in de punten 10 en 11 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x xB Verbouwing van een bestaand bouwwerk 1 De vervanging van de dragende structuur van een dak zonder wijziging van het gebouwde volume en voor zover de punten A1 en A7 worden gerespecteerd. x x2 De verbouwing zonder vergroting van een bestaand bouwwerk met het oog op de oprichting van meerdere kamers niet bestemd voor bewoning, voor zover de handelingen en werken, in voorkomend geval, vermeld worden in de punten A1, A2, A3, A6, A7, A8 et A10. x x3 De verbouwing zonder vergroting van een bestaand, niet in de punten 1 en 2 bedoeld bouwwerk, die geen gevolgen heeft voor de dragende structuur van het gebouw. x x4 De verbouwing met vergroting overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw van een bestaand bouwwerk met het oog op de oprichting van een kamer niet bestemd voor bewoning onder de volgende cumulatieve voorwaarden:
  a) één enkel secundair volume per eigendom, d.w.z. dat er geen ander secundair volume op het eigendom bestaat, en dat er niet meer dan één veranda op het eigendom bestaat;
  b) de uitbreiding heeft een grondinneming kleiner dan of gelijk aan 40,00 m2 en is:
  i) ofwel een secundair volume zonder verdieping, noch kelder;
  ii) ofwel de verlenging van het hoofdvolume en het gevormde geheel is zonder verdieping, noch kelder; c) de uitbreiding wordt uitgevoerd met materialen met dezelfde kleurschakering als die van het bestaande bouwwerk ;
  d) de uitbreiding is gelegen op minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grens. x x5 De verbouwing van een bestaand bouwwerk dat voldoet aan de cumulatieve voorwaarden opgenomen in punt 4 en dat niet overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. x6 Het plaatsen van een buitentrap x x7 Plaatsing van een airconditioning apparaat x x8 De verbouwing van een ander bestaand bouwwerk dan dat bedoeld in punt 1 tot 7 voor zover de grondinneming van het gevormde geheel maximum verdubbeld wordt. x 9 De afbraak of verwijdering van een secundair volume een buitentrap of een airconditioningsinstallatie voor zover de sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x xC Veranda 1 Overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw.
  één enkel per eigendom, d.w.z. dat er geen ander veranda op het eigendom bestaat, en dat er niet meer dan één secundair volume op het eigendom bestaat.
  Gelegen : leunt tegen een bestaand gebouw aansluit, aan de achterkant van dat gebouw ten opzichte van de verbindingsweg.
  Ligging : op minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grens.
  Maximale oppervlakte van 40,00 m2.
  Volumetrie : zonder verdieping, plat dak of met een hellend dak of meerdere hellende daken
  Maximale hoogten berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau en voor zover het dakgootniveau kleiner is dan het dakgootniveau van het hoofdgebouw onder de volgende cumulatieve voorwaarden:
  a) 3,00 m aan de druipkant;
  b) 5,00 m aan de nok;
  c) in voorkomend geval, 3,20 m aan de acroterie.
  Materialen : lichte structuur en wanden hoofdzakelijk van glas of van polycarbonaat zowel in de opgaande muren als in de daken x x2 De bouw van een veranda met een maximale oppervlakte van 40,00 m2 die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervult x x3 De afbraak van een veranda voor zover de sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x xD Oprichting van één of meerdere woningen 1 De oprichting van een tweede woning in een gebouw voor zover de verbouwingshandelingen en -werken de verplichte tussenkomst van een architect niet vereisen. x x2 De oprichting van een woning die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervult, of de oprichting van meerdere woningen in een gebouw. x E Plaatsing van installaties en bouw of heropbouw van een bijgebouw zoals:
  garage,
  atelier,
  pool house,
  opslagplatform
  geprefabriceerde gebouwen
  ... 1 Overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw.
  Eén enkel per gebouw, d.w.z. dat er geen ander bestaat op het eigendom.
  Niet-bestemd voor bewoning.
  Gelegen :
  * Behalve als het om een volume bestemd voor een motorvoertuig gaat, wordt het aan de achterkant van een bestaand gebouw opgericht.
  * Als het om een volume bestemd voor een motorvoertuig gaat, is dit volume rechtstreeks verbonden met de verbindingsweg en het gevelaanzicht aan de straatkant van het bijgebouw is niet gelegen verder dan het gevelaanzicht van het hoofdgebouw aan de achterkant.
  Ligging : op minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grens.
  Maximale oppervlakte: 40,00 m2.
  Volumetrie : zonder verdieping, plat dak of met een hellend dak of meerdere hellende daken.
  Maximale hoogten berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau en voor zover het dakgootniveau kleiner is dan het dakgootniveau van het hoofdgebouw op voorwaarde dat de volgende voorwaarden worden nageleefd:
  a) 2,50 m aan de druipkant;
  b) 3,50 m aan de nok;
  c) in voorkomend geval, 3,20 m aan de acroterie.
  Materialen : hout voor de opgaande muren of elk ander materiaal met dezelfde kleurschakering als die van het hoofdgebouw. x x2 Plaatsing, verbouwing, vergroting van een technische installatie in de zin van artikel R.IV.1-2, tweede lid, met inbegrip van een kuip, die een functionele eenheid met de bestaande onderneming vormt
  Maximaal drie per gebouw, d.w.z. er zijn er niet meer dan drie op het eigendom.
  Gelegen : in een bedrijfsruimte.
  Ligging:
  a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg;
  b) binnen een straal van 30,00 m van het toegelaten hoofdgebouw;
  c) op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant ;
  d) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen;
  e) op minimum 10,00 m van een waterloop;
  f) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte;
  g) die het vellen van bomen, hagen of paden in de zin van artikel D.IV.4. 11° niet als gevolg heeft.
  Maximale oppervlakte: de totale gecumuleerde oppervlakte van de plaatsing en uitbreiding van technische installaties die van de vergunning zijn vrijgesteld, bedraagt minder dan 100 m2 en minder dan 50 % van de totale oppervlakte van het hoofdgebouw.
  Hoogte : maximum 10,00 m en kleiner dan de hoogte van het hoogste gebouw gelegen op het eigendom. x x3 Bouw, verbouwing, vergroting van een gebouw of plaatsing of verplaatsing van geprefabriceerde gebouwen, met inbegrip van de buitentrap, niet-bestemd voor bewoning en dat een functionele eenheid vormt met de bestaande onderneming.
  Gelegen : in een bedrijfsruimte.
  Ligging:
  a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg;
  b) binnen een straal van 30,00 m van het toegelaten hoofdgebouw;
  c) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen;
  d) op minimum 10,00 m van een waterloop;
  e) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte;
  f) die het vellen van bomen, hagen of paden in de zin van artikel D.IV.4. 11° niet als gevolg heeft.
  Maximale oppervlakte : de gecumuleerde totale oppervlakte van de bouw, de vergroting en van het geprefabriceerde gebouw vrijgesteld van vergunning bedraagt 75,00 m2.
  Volumetrie : één verdieping maximum, plat dak of met een hellend dak of meerdere hellende daken.
  Maximale hoogte van de acroterie of van de nok: 7,00 m en kleiner dan de hoogte van het hoogste gebouw gelegen op het eigendom.
  Materialen : met dezelfde kleurschakering als die van het hoofdgebouw. x x4 De installatie van een opslagplaat voor ze zover geen merkbare wijziging van het bodemreliëf als gevolg heeft.
  Eén enkele plaat per gebouw, d.w.z. dat er geen andere bestaat op het eigendom.
  Gelegen : in een bedrijfsruimte.
  Ligging:
  a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg;
  b) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen;
  c) op minimum 10,00 m van een waterloop;
  d) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte;
  e) die het vellen van bomen, hagen of paden in de zin van artikel D.IV.4. 11° niet als gevolg heeft.
  Maximale oppervlakte: 75,00 m2. x x5 De bouw van een bijgebouw of de plaatsing van een installatie die niet in de punten 1 tot en met 4, wordt bedoeld of die niet voldoet aan de in de punten 1 tot en met 4 bedoelde voorwaarden, die niet bestemd is voor huisvesting en die een functionele eenheid vormt met een of meer bestaande constructies, op voorwaarde dat de grondinneming van het gevormde samenstel ten hoogste verdubbeld wordt. x x6 De afbraak of de verwijdering van een bijgebouw, van een technische installatie, van een bouw of van een geprefabriceerd gebouw zoals bedoeld in de punten 1 tot 5 voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of de verwijdering afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x xF Carport, toegang en parkeerplaats 1 Eén enkele carport per gebouw, d.w.z. dat er geen andere bestaat op het eigendom.
  Gelegen :
  a) rechtstreeks verbonden met de verbindingsweg ;
  b) Het gevelaanzicht mag niet hoger uitkomen dan het gevelaanzicht aan de achterkant van het hoofdgebouw
  Maximale oppervlakte: 40,00 m2.
  Volumetrie : plat dak of met een hellend dak of meerdere hellende daken.
  Maximale hoogten:
  a) 2,50 m aan de druipkant;
  b) 3,50 m aan de nok; in voorkomend geval, 3,20 m aan de
  acroterie.
  Materialen:
  a) Structuur bestaande uit houten, betonnen of metalen palen of op pijlers met materialen vergelijkbaar met de bekleding van het bestaand gebouw of met dezelfde kleurschakering.
  b) dak met één of verschillende hellingen met materialen vergelijkbaar met die van het hoofdgebouw. x x2 De andere carport die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervult x x3 De verwijdering of de afbraak van de in punt 1 en 2 bedoelde carport voor zover de sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x x4 De parkeerplaatsen in de open lucht en hun toegang tegen de volgende cumulatieve voorwaarden:
  a) ze zijn gelegen in de omgeving van een behoorlijk toegelaten gebouw en vormen samen met dat gebouw een functionele eenheid;
  b) ze zijn rechtstreeks verbonden met de verbindingsweg ;
  c) ze bestaan uit waterdoorlatende en niet gladgestreken materialen ;
  d) zij hebben een maximale oppervlakte van 300 m2 ;
  e) zij vereisen geen significante wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3, punten 1° tot en met 5°, 7° tot en met 9°, 11°, 12° en 15° x x5 De paden en parkeerplaatsen in de open lucht en in de omgeving van een behoorlijk toegelaten bouw of installatie en die samen met deze installatie een functionele eenheid vormen, anders dan degene bedoeld in punt 4. x xG Tuinhuisje en berging 1 Eén enkel hok of berging per gebouw, d.w.z. dat er geen ander bestaat op het eigendom.
  Gelegen :
  a) in de ruimtes van hoven en tuinen;
  b) ofwel niet-zichtbaar vanaf de weg, ofwel gelegen aan de achterkant ten opzichte van het openbaar domein van de weg
  Ligging : minimum op 1,00 m van de gemeenschappelijke grenzen.
  Maximale oppervlakte: 20,00 m2.
  Volumetrie : hellend dak of meerdere hellende daken of plat dak.
  Maximale hoogten:
  a) 2,50 m aan de druipkant;
  b) 3,50 m aan de nok;
  c) in voorkomend geval, 3,20 m aan de acroterie.
  Materialen : van hout of elk ander materiaal met een kleurschakering gelijk aan het gebouw of de omgeving waarop het betrekking heeft. x x2 De tuinhuisjes of bergingen die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervullen. x x3 De verwijdering of de afbraak van de in punt 1 en 2 bedoelde tuinhuisjes of bergingen voor zover de sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x xH Zwembad 1 Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen niet-zichtbaar vanaf de weg.
  Ligging : minimum op 1,00 m van de gemeenschappelijke grenzen.
  Opbouw- of zelfdragende zwembaden. x x2 Eén enkele per gebouw, d.w.z. dat er geen andere gedeeltelijk of volledig ingegraven zwembad bestaat op het eigendom
  Gedeeltelijk of volledig ingegraven alsook elke veiligheidsinrichting met een maximale hoogte van 2,00 m rond het zwembad en voor zover de volgende voorwaarden nageleefd worden:
  a) al dan niet overdekt worden door een lichte, uitschuifbare telescopische zwembadoverkapping waarmee de oppervlakte bedekt wordt voor zover de nokhoogte kleiner is dan 3,50 m;
  b) voor privé-doeleinden;
  c) de afgegraven aarde voor deze inrichtingen brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het eigendom
  Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen niet-zichtbaar vanaf de weg.
  Ligging : minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen.
  Maximale oppervlakte: 75,00 m2. x x3 De zwembaden die de in de punten 1 en 2 bedoelde voorwaarden niet vervullen. x x4 Het weghalen, de afbraak of de opvulling van de in de punten 1 en 3 bedoelde zwembaden voor zover de sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving en voor zover de opvullingen met de vigerende wetgeving overeenstemmen. x xI Poel en vijver 1 Eén enkele per gebouw, d.w.z. dat er geen andere bestaat op het eigendom.
  Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen en in voor het publiek toegankelijke parken
  Ligging : minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen.
  Maximale oppervlakte: 100,00 m2.
  De afgegraven aarde voor deze inrichtingen brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het eigendom. x x2 De vijvers en poelen die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervullen. x x3 De verwijdering of de opvulling van de vijvers en poelen bedoeld in punt 1 voor zover de opvullingen met de vigerende wetgeving overeenstemmen x xJ Inrichtingen, accessoires en meubilair 1 Het plaatsen van luifels, zonneschermen of daken van een terras op de begane grond, aangrenzend of geïsoleerd.
  Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen;
  Maximale hoogte: 3,50 m.
  Maximale totale oppervlakte van al deze inrichtingen: 40,00 m2.
  Ligging : minimum op 2,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. x x2 Het plaatsen van tuinmeubilair zoals banken, tafels, stoelen, open haarden of barbecues, vuilnisemmers, compostbakken, pergola's of zuilen, bloemenballen, sierfonteinen, watertuinen, kinderspelletjes, structuren voor bomen met traliewerk.
  Het plaatsen van lantaarn- en verlichtingspalen zodat de op de grond overgebrachte lichtbundel van de lampen de eigendomsbeperking niet overstelpt.
  De speel- en sportterreinen van waterdoorlatende materialen en de apparaten die strikt nodig zijn voor het gebruik ervan.
  Gelegen ofwel in de ruimtes van hoven en tuinen, ofwel in de omgeving van een bouwwerk gelegen in een voor bebouwing bestemd gebied en die samen met dit bouwwerk een functionele eenheid vormt.
  Maximale hoogte: 3,50 m. x x3 De aanleg van paden van waterdoorlatende materialen en van terrassen in de omgeving van één of meerdere bouwwerken op grondniveau en die geen merkbare wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 vereist. x x4 Het plaatsen van tuinhuisjes die een maximale oppervlakte van 20 m2 hebben. x x5 Zolang ze het eigendom niet afbakenen:
  a) De aanleg van afsluitingen die bestaan uit met elkaar verbonden palen met draad of draadgaas met brede mazen, met eventueel op de basis ervan een betonplaat of een muurtje met een maximumhoogte van 0,70 m, ofwel uit met elkaar verbonden palen met horizontale dwarsstukken, palissades van hout, ofwel uit schanskorven met een maximale dikte van 20 cm en de installatie van deuren, poorten of hekjes met een maximale hoogte van 2,00 m
  b) de bouw en de wijziging van steunmuren, met inbegrip van schanskorven, met een maximale hoogte van 0,70 m;
  c) de bouw en de wijziging van muren met een maximale hoogte van 2, 00 m niet-zichtbaar vanaf de weg of aan de achterkant van het gebouw. x x6 De inrichtingen, accessoires, tuinmeubilair, niet bedoeld in de punten 1 tot 5 of die de in de punten 1 tot 5 bedoelde voorwaarden niet vervullen. x x7 De afbraak, de verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 6 bedoelde tuinhuisjes voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving x xK Microwoningen in de zin van het Waals Wetboek van Duurzaam Wonen 1 De plaatsing van de geprefabriceerde of kit microwoningen. x2 De plaatsing van microwoningen niet bedoeld in punt 1 voor zover zij :
  a) zonder verdieping zijn ;
  b) een oppervlakte van minder dan 40m2 hebben;
  c) een maximale hoogte van 2,50 m onder een kroonlijst hebben, 3,50 m op de nok en, indien van toepassing, 3,20 m bij de acroterie. xL Hernieuwbare energieën
  Modules voor de productie van elektriciteit of warmte 1 Het plaatsen van één of meer modules voor de productie van elektriciteit of warmte waarmee ieder bouwwerk, iedere installatie of ieder gebouw bevoorraad worden, gelegen op hetzelfde onroerend goed waarvan de energiebron hernieuwbaar is en waarbij tegemoet wordt gekomen aan één of meerdere van de volgende gevallen:
  o Zonne-energie:
  a) indien de module(s) gevestigd is (zijn) op een hellend dak, is de projectie van het uitstekende deel op het verticale vlak kleiner dan of gelijk aan 0,30 meter en het verschil in hellingsgraad tussen de module en het dak van dat gebouw kleiner dan of gelijk aan 15 graden;
  b) indien de module(s) gevestigd is (zijn) op een plat dak, bedraagt het verticaal uitstekende deel maximum 1,50 meter en bedraagt de helling van de module maximum 35 graden;
  c) indien de module(s) gevestigd is (zijn) op een opgaande muur, bedraagt het horizontaal uitstekende deel tussen 1,20 meter en 1,50 meter en bedraagt de helling van de module tussen 25 en 45 graden;
  o Warmtepompen:
  in de grond, met een maximaal capaciteitsvolume van één m3, op een afstand van 3 m ten opzichte van de gemeenschappelijke grenzen en niet-zichtbaar vanaf de verbindingsweg. x x2 Het plaatsen van één of meer modules voor de productie van elektriciteit of warmte waarmee ieder bouwwerk, iedere installatie of ieder gebouw bevoorraad worden, gelegen op hetzelfde onroerend goed waarvan de energiebron hernieuwbaar is en die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen. x x3 De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 2 bedoelde tuinhuisjes voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x xM Afsluitingen, afsluitingsmuren, steunmuren als afsluiting, d.w.z. die het eigendom afbakenen 1 Het plaatsen van afsluitingen met een maximumhoogte van 2,00 m die bestaan uit met elkaar verbonden palen met draad of draadgaas met brede mazen, met eventueel op de basis ervan een betonplaat of een muurtje met een maximumhoogte van 0,70 m, ofwel uit met elkaar verbonden palen met horizontale dwarsstukken, palissades van hout, ofwel uit schanskorven met een maximale dikte van 20 cm.
  De bouw of de wijziging van steunmuren van minder dan 0,70 m hoog, met inbegrip van schanskorven;
  Het plaatsen van deurtjes, hekjes of poorten met een maximumhoogte van 2,00 meter waardoor een breed gezicht op de eigendom mogelijk blijft. x x2 Het plaatsen van afsluitingen met een maximale hoogte van 2, 00 m niet-zichtbaar vanaf de weg of aan de achterkant van het gebouw. x x3 Het plaatsen van afsluitingen, deurtjes, poorten of hekjes die de voorwaarden bedoeld in de punten 1 tot 2 niet vervullen of die niet bedoeld zijn in punt 1 en 2. x x4 De bouw of de wijziging van steunmuren met een hoogte van meer dan 0,70 m of afsluitingsmuren in de omgeving van een behoorlijk toegelaten bouwwerk of installatie. x x5 De afbraak of het weghalen van de in de punten 1 tot 4 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x xN Hokken voor één of meerdere dieren met inbegrip van de bijenstallen en mestvloeren 1 Een of meerdere bijenkorven per eigendom.
  Onverminderd de toepassing van de bepalingen bedoeld in het Landbouwwetboek en de integrale voorwaarden genomen krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning x x2 Eén of meerdere hokken voor dieren per eigendom
  Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen.
  Ligging:
  a) minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen
  b) op minimum 20,00 m van elke naburige woning
  niet gelegen in de zichtlijn die loodrecht staat op de achtergevel van een naburige woonst.
  Maximale totale oppervlakte van alle hokken voor dieren op het eigendom: 20,00 m2 voor één of meerdere hokken of 25,00 m2 voor één of meerdere hokken waaronder een duiventil
  Volumetrie : zonder verdieping, een dak met één helling, of twee hellingen met dezelfde hellingsgraad en lengte of met een plat dak.
  Maximale hoogte berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau:
  a) 2,50 m aan de kroonlijst;
  b) 3,50 m aan de nok;
  in voorkomend geval, 3,20 m aan de acroterie.
  Materialen : hout of traliewerk of vergelijkbaar met de materialen van het bestaande hoofdgebouw.
  Onverminderd de toepassing van de bepalingen bedoeld in het Landbouwwetboek en de integrale en sectorale voorwaarden genomen krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning x x3 De aanleg van een mestvloer.
  Gelegen ten minste 20,00 m van een andere woning dan die op het eigendom.
  Ligging : op een afstand van minimum 10,00 m van de gemeenschappelijke grenzen
  Hoogte : op de begane grond
  Maximale oppervlakte: 10,00 m2. x x4 De plaatsing of de bouw van hokken voor dieren die de voorwaarden van de punten 1 tot 2 niet vervullen. x x5 De afbraak en het weghalen van de in de punten 1 en 4 bedoelde hokken, bijenkorven en mestvloeren voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x xO Landbouwbedrijven 1 De bouw van geheel of gedeeltelijk ingegraven opslagsilo's, voor zover de bovenhoogte van de steunmuren niet meer dan 2,00 m boven het niveau van het natuurlijk bodemreliëf uitstijgt x x2 De aanleg van een mestvloer.
  Gelegen op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant.
  Ligging : op een afstand van minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen
  Hoogte : de bovenhoogte van de mestvloer of van de steunmuren niet meer bedraagt dan 2,00 m boven het niveau van het natuurlijke bodemreliëf. x x3 Het plaatsen van tanks voor de inzameling of opslag van water of dierlijke mest, geheel of gedeeltelijk ingegraven of de aanleg van een aaltzak.
  Gelegen op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant en buiten het woongebied.
  Ligging:
  a) op minimum 10,00 m van elke bevaarbare of niet-bevaarbare waterloop;
  b) op minimum 3,00 m van het openbaar domein.
  Hoogte : de bovenhoogte van de steunmuur bedraagt niet dan 0,70 m x x4 Het plaatsen van tunnelserres bestemd voor de teelt van de landbouw- en tuinbouwgewassen en die na de teelt worden weggehaald. x x5 De anti-hagelnetten die een in de grond verankerde structuur impliceren en het plaatsen of de bouw van de elementen die de in de punten 1 tot 4 bedoelde voorwaarden niet vervullen. x x6 Het plaatsen van een installatie voor waterwinning in een niet-bevaarbare of niet-ingedeelde waterloop die uitsluitend bestemd is voor het drinken van vee x x7 De afbraak en het weghalen van de in de punten 1 tot 6 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x xP Bouwwerken en tijdelijke installaties 1 De tijdelijke constructies voor de installatie van bouwplaatsen voor toegelaten handelingen en werken, met inbegrip van refters, onderkomens en sanitair evenals de ontvangstpaviljoenen, tijdens de duur van de handelingen en werken en voor zover de bouwplaats onafgebroken plaatsvindt. x x2 Het plaatsen van installaties met een sociaal, cultureel, sportief of recreatief karakter met inbegrip van de desbetreffende parkeerplaatsen in de openlucht voor een maximumduur van negentig dagen voor zover het goed na afloop van die termijn in zijn oorspronkelijke toestand hersteld wordt x x3 De plaatsing van commerciële installaties, op het openbaar domein, of op het private domein op voorwaarde dat ze verbonden zijn met een bestaande activiteit, met inbegrip van de bijbehorende buitenparkeerplaatsen, voor een periode van maximaal zestig dagen, op voorwaarde dat de installaties voldoen aan de gemeentelijke en gewestelijke handleiding voor stedenbouw en dat op het einde van de periode het goed terugkeert in zijn oorspronkelijke staat. x x4 Het tijdelijk plaatsen van installaties die nodig zijn om een ontheemde activiteit onder te brengen, voor de duur van de handelingen en werken waarvoor een vergunning vereist is, op voorwaarde dat de werkzaamheden ononderbroken worden voortgezet en dat na het verrichten van de handelingen en werken of het verstrijken van de vergunning de installaties worden verwijderd. x x5 De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 4 bedoelde elementen.
  x xQ Uithangborden en reclamezuilen 1 Het plaatsen van één of meer uithangborden of reclamezuilen x x2 De verwijdering of het weghalen van de in punt1 bedoelde uithangborden en reclamezuilen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x xR Miradors en uitkijkposten 1 In de bosgebieden, in het gebied aanpalend aan het bosgebied en in een landbouwgebied, de houten of metalen miradors en andere uitkijkposten van bleke kleur bedoeld in artikel 1, § 1, 9° van de jachtwet van 28 februari 1882. x x2 De verwijdering van de miradors en uitkijkposten bedoeld in punt1 voor zover de afval voortvloeiend uit het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x xS Bomen en hagen 1 De bebossing of de ontbossing x x2 De boslandbouw als exploitatiewijze van de landbouwgronden waarin houtgewassen met de teelt of het grasland worden verbonden. x x3 Onverminderd artikel R.IV.4-4, de kerstbomenteelt x x4 Het kappen van een haag over een doorlopende lengte van minder dan 2,50 m om één enkele toegang tot een bestaande woning te creëren. x x5 Het vellen van losstaande hoogstammige bomen in groengebieden die krachtens het geldend plan van aanleg of een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan, het vellen van een haag of het vellen van één of meer of alle bomen in een pad. x x6 Het vellen, het toebrengen van schade aan het wortelstelsel of de wijziging van het aspect van een waardevolle boom, struik of haag x x7 Het rooien of wijzigen van de beplanting bedoeld in elk gebied bedoeld in artikel R.IV.4-11. x x8 Het vellen van bomend bedoeld in de punten 5 en 7 dat het voorwerp uitmaakt van een besluit van de burgemeester genomen bij hoogdringendheid met het oog op het verzekeren van de openbare veiligheid. x xT Wijziging van het bodemreliëf 1 De merkbare wijziging van het bodemreliëf voor het boren of nemen van bodemmonsters in het kader van een geotechnisch onderzoek, een geologische prospectie- of bodemverontreinigingsonderzoek. x x2 De merkbare wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 binnen een straal van 30,00 m van een behoorlijk toegelaten bouwwerk of installatie. x x3 Voor de uitvoering van een actieprogramma voor rivieren door middel van een geïntegreerde en sectorale aanpak als bedoeld in artikel D. 33/3 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek
  inhoudt:
  a) opvulmateriaal of uitgegraven materiaal dat niet meer dan 50 centimeter hoog is en dat zich op een maximale afstand van 6,00 m van de top van de oever van een waterloop bevindt, ook in gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat;
  het storten en verspreiden van producten die het gevolg zijn van de ruimingswerken van een waterloop x xU Gebruik van een terrein voor opslagen en mobiele installaties 1 Gewoonlijk grond gebruiken voor het plaatsen van één of meer mobiele installaties in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 15°, b om een "onthaalplaats voor boerderijen" in de zin van artikel 252/1.D van het Waalse Wetboek van Toerisme te creëren, met inbegrip van de installatie of de transformatie van de grondleidingen die nodig zijn voor het onderhoud van het terrein, op voorwaarde dat deze in overeenstemming is met het decreet en de reglementaire vereisten van het gewestplan. x x2 Een terrein doorgaans gebruiken voor:
  a) de opslag van één of meer afgedankte wagens, schroot, materialen of afvalstoffen;
  b) de plaatsing van één of meer mobiele installaties, zoals woonwagens, caravans, afgedankte voertuigen en tenten, met uitzondering van mobiele installaties die door een vergunning bedoeld in het Waalse Wetboek van Toerisme, het decreet van 4 maart 1991 betreffende de voorwaarden voor het exploiteren van caravanterreinen of het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 9 mei 1994 zijn toegelaten. x xV Structuur die als toeristische en vrijetijdslogies dient 1 De plaatsing van één of meerdere mobiele kampeerverblijven in de zin van artikel 1 D, 2° van het Waalse Wetboek van Toerisme, tegen de volgende cumulatieve voorwaarden:
  a) het mobiele kampeerverblijf heeft een maximale oppervlakte van 50,00 m2;
  b) de plaatsing of constructie ervan vereist geen belangrijke wijziging van het bodemreliëf;
  c) het is gelegen :
  - in een toeristisch kampeerterrein of in een kampeerterrein op de hoeve dat is toegestaan volgens het Waalse Wetboek van Toerisme;
  - in een caravanterrein dat is toegestaan krachtens het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 betreffende de voorwaarden voor het exploiteren van caravanterreinen;
  - in een camping die is toegestaan krachtens het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 9 mei 1994 over de campings en kampeerterreinen. x x2 De bouw van een terras met of zonder leuningen dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 249 BWR, eerste lid, 3° en tweede lid van het Waalse Wetboek van Toerisme in een toeristisch kampeerterrein. x x3 De bouw van blokhutten of het plaatsen van tenten, tipi's, joerten en luchtbellen in een bosgebied. x x4 Het weghalen of de afbraak van de in de punten 1 en 3 bedoelde toeristische of vrijetijdslogies, terrassen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x xW Handelingen en werken op het openbaar domein van de weg, spoorwegen en waterlopen 1 Voor zover de grondslag van die rijwegen niet verbreed worden, de hernieuwing van de funderingen en de verharding van de wegen, bermen, boorden, trottoirs, eilandjes en openbare plaatsen uitgezonderd de veranderingen van verhardingen bestaande uit natuursteen en, voor openbare plaatsen, voor zover dat de handelingen en werken niet leiden tot een toename van de oppervlakte van de verhardingen van ondoordringbaar materiaal. x x2 De plaatsing, de hernieuwing, de verplaatsing of de verwijdering van de bijkomende elementen zoals de radarinstallaties, relingen, de beveiligingsconstructies en de schampranden, met uitzondering van de steunmuren en de geluidsschermen. x x3 De plaatsing, de verplaatsing, de verbouwing, de uitbreiding, of de verwijdering van vloeistofnetwerken, met een druk van ten hoogste 20 bar voor gas, energie, een spanning van ten hoogste 70 KV voor elektriciteit en telecommunicatienetwerken die in het publieke domein zijn aangebracht, verankerd, ondersteund of overhangend, met inbegrip van privé-aansluitingen, hulpelementen en bijbehorende uitrusting zoals palen, technische kasten, pylonen en palen met een maximale hoogte van 14 meter. x x4 De tijdelijke weginrichtingen met een maximale duur van vijf jaar. x x5 De werken voor de aanleg van ruimten voor voetgangers, personen met een verminderde beweeglijkheid of fietsers en waarbij de plaatselijke oprichting of verruiming van die ruimten, de verbetering van hun esthetisch aspect of de veiligheid van de gebruikers wordt beoogd, ongeacht of deze werkzaamheden al dan niet leiden tot een versmalling van de grondslag van de weg of van de wegen. x x6 Het plaatsen of vernieuwen van klein stadmeubilair zoals banken, tafels, stoelen, vuilnisemmers, lantaarn- en verlichtingspalen, plantenbakken, fonteintjes, elektrische aansluitpunten, containers, al dan niet ingegraven en bestemd voor de ophaling van huishoudelijke en daarmee gelijkgestelde afval. x x7 De werken voor de inrichting van de ruimtes bestemd voor de beplantingen. x x8 De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van de signalisatie-elementen :
  a) de verkeersborden, met inbegrip van de steunstructuren en portalen, evenals van de bescherming ervan tegenover het verkeer;
  b) de vaste of mobiele installaties waarbij het verkeer, het parkeren of de snelheid beperkt worden;
  c) de installaties voor de controle op het parkeren zoals parkeermeters of parkeerautomaten;
  d) de niet-overdekte installaties voor het parkeren van tweewielers;
  e) de bijkomende technische al dan niet ondergrondse installaties zoals kasten voor de elektrische bediening van verkeerslichten of van de openbare verlichting, praatpalen, brandpalen en bedieningskasten voor teledistributie. x x9 De plaatsing de verplaatsing of het weghalen van inrichtingen voor de openbare verlichting. x x10 Voor zover ze niet onderworpen worden aan de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende de beschermde gebieden van sommige gemeente inzake stedenbouw, de plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van de volgende reclameborden:
  a) de aanplakzuilen waarvan de schacht met een diameter van maximum 1,20 m beperkt blijft tot 3,50 m hoogte;
  b) de aanplakborden op voeten waarvan de maximale hoogte en breedte respectievelijk niet meer dan 2,50 m en 1,70 m bedragen en waarvan de bruikbare oppervlakte niet meer dan 4 m2 per vlak bedraagt. x x11 Het aanbrengen of de wijziging van de wegmarkeringen. x x12 De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van verkeersdrempels. x x13 Het aanbrengen, verwijderen of hernieuwen van funderingen en inrichtingen voor het gebruik van de wegen en de openbare vervoerslijnen zoals rails, verbindingen, ballast, palen van bovenleidingen, signalen, portieken, hokjes, bedieningskasten voor verkeersborden of palen voor bus- of tramhaltes voor reizigers. x x14 Het plaatsen van een seizoensgebonden openluchtterras in de horecasector, voor zover de oppervlakte ervan niet meer bedraagt dan 50,00 m2. x x15 De hokjes voor de reizigers bij de haltes van het openbaar vervoer. x x16 De plaatsing of de verplaatsing van brievenbussen. x x17 De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van beelden, gedenktekens en andere kunstwerken geplaatst door de overheid of op bevel van de overheid. x
  x18 Het aanleggen, vernieuwen of verwijderen van kunstwerken voor de bescherming van de oevers in een niet-bevaarbare waterloop, met uitzondering van gemetselde muren, op een lengte van niet meer dan 100 m en een maximale hoogte van 2 m. x
  xX Riolering, leiding en netten buiten het openbaar domein van de weg, spoorwegen en waterlopen, boringen en waterwinningen 1 Het plaatsen, de verplaatsing, de wijziging van privé-aansluitingen, met inbegrip van de technische kasten, op ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen, alsook het plaatsen, de verplaatsing, de wijziging van ondergrondse water- of brandstoffenopslagtanks, straatkolken, zakputten, straatgoten, inspectieputten, deksels en septische tanken en ieder ander individueel zuiveringssysteem tegen de volgende cumulatieve voorwaarden:
  a) de eventuele afgegraven aarde voor deze inrichtingen brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het eigendom;
  die inrichtingen hebben betrekking op de infrastructuur die noodzakelijk is voor het aanleggen van het eigendom en zijn uitsluitend gelegen op bedoeld eigendom. x x2 De privé-aansluitingen, met inbegrip van de technische kasten, op ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen, evenals het plaatsen van ondergrondse water- of brandstoffenopslagtanks, straatkolken, zakputten, straatgoten, inspectieputten, deksels en septische tanken en ieder ander individueel zuiveringssysteem die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen. x x3 Het plaatsen van bovengrondse tanks. x x4 De invoering of de versterking van ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen in een reeds ingerichte technische locatie tegen de volgende cumulatieve voorwaarden:
  a) de ontworpen werken zijn eigen aan de functie van de locatie;
  b) de bestaande installaties, gebouwen, bouwwerken en bedekking zijn wettelijk toegelaten;
  c) de werken beogen de bouw van een gebouw niet ;
  d) de grondinneming beperkt de bestaande isoleringsomtrekken of voorzieningen niet. x x5 De boringen van putten of waterwinningen. x x6 In de niet-bebouwingsgebieden, en voor zover geen vergunning vereist is in de zin van artikel R.IV.4-3, eerste lid, punt 1, 6°, het aanleggen of wijzigen van een drainagesysteem voor zover het terrein niet gelegen is in een locatie erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van de 2000 Natura-locaties, of blootgesteld aan een groot natuurrisico of grote geotechnische druk zoals bedoeld in artikel D.IV.57, 3°. x x7 De installatie, de verplaatsing, de wijziging of de uitbreiding van ingebouwde, verankerde ondergrondse of bovendraineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen en de bijkomende en bijbehorende uitrustingen wanneer ze buiten het openbare domein gelegen zijn. x x8 Het weghalen van de in de punten 1 en 7 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x xY Telecommunicatie, kabeltelevisie, glasvezel, gas, elektriciteit 1 De vervanging van installaties of technische kasten door installaties of technische kasten van een kleiner of gelijkwaardig volume. x x2 De vervanging van bestaande antennes door antennes met een gelijke, of kleinere of grotere afmeting op voorwaarde dat de totale hoogte van de mast niet verhoogd wordt en dat de nieuwe antennes een maximale hoogte van 3,00 m hebben. x x3 De vervanging van een pyloon of een bestaande paal door een zo hoge pyloon of paal van hetzelfde type geïnstalleerd op dezelfde locatie. x x4 De plaatsing van een technische kast op een plat dak op voorwaarde dat ze vanaf de weg niet-zichtbaar is, dat ze gelegen is op een afstand van minstens een anderhalf keer de hoogte van de kast vanaf de acroterie. x x5 De plaatsing of de vervanging van technische kasten naast een pyloon of een paal geplaatst op de bodem of in een technisch lokaal gelegen in de nabijheid van een mast geplaatst op een dak. x x6 De aanleg van technische installaties om de stabiliteit en de veiligheid van bestaande installaties evenals hun goede werking te verzekeren. x x7 De plaatsing van antennes of radiogolven, technische kasten en installaties tijdens culturele, sport-, recreatie- of commerciële evenementen, geplaatst voor een maximale duur van 90 dagen op voorwaarde dat deze antennes of golven, kasten en installaties niet meer dan 15 dagen voor het begin van het evenement geplaatst worden en dat ze uiterlijk 15 dagen na het einde van het evenement weggehaald worden. x x8 De plaatsing en/of de heropbouw van antennes of radiogolven, ingebouwde, verankerde ondergrondse of bovenleidingen en technische kasten en installaties om dringende redenen, om redenen van veiligheid of openbaar belang onvoorzienbaar uit hoofde van de beheerder, de tijd nodig om alle vereiste vergunningen voor de verplaatsing en/of de heropbouw van de locatie te krijgen. x x9 De tijdelijke verplaatsing van een bestaande installatie om de continuïteit van de diensten te verzekeren in geval van werken uitgevoerd door de eigenaar van de oorspronkelijke structuur voor de uitsluitende duur van de werken. x x10 De plaatsing van installaties zoals antennes, radiogolven, technische kasten en installaties voor zover ze gelegen zijn binnen gebouwen, bouwwerken of bestaande structuren of overdekt met materialen die lijken op de bestaande materialen. x x11 De plaatsing van radiogolven met een maximale diameter van 90 cm op een bestaande pyloon of een mast op een dak die behoorlijk toegelaten is. x x12 Het plaatsen van een radio- en televisie-antenne of radiogolven (parabolische antenne of paneelantenne).
  Gelegen :
  * ofwel verankerd op een opgaande muur aan de achterkant van het gebouw ten opzichte van de verbindingsweg of minstens 4,00 m achter de rooilijn
  * ofwel verankerd in de grond of op een dakdeel en gevestigd aan de achterkant van het gebouw ten opzichte van de verbindingsweg.
  Maximale oppervlakte: 1,00 m2.
  Materialen : de antenne vertoont een kleurschakering die gelijk is aan die van haar draagbasis x x13 Het plaatsen van een radio- en televisie-antenne of radiogolven (parabolische antenne of paneelantenne).
  Ligging : op een plat dak
  Maximale hoogte: 5,00 meter, met inbegrip van de steun, en de hoogte is kleiner dan de afstand tussen de installatie en de acroterie.
  Maximale oppervlakte: 1,00 m2. x x14 Het plaatsen van een in de punten 1 of 2 bedoelde antenne die de voorwaarden bedoeld in de punten 1 of 2 niet vervult. x x15 De plaatsing van antennes en van de behuizing voor radiomodules op afstand op een bestaande pyloon verankerd op de bodem of op behoorlijk toegelaten mast op een dak op voorwaarde dat de afstand maximum 1 m is in het geval van een pyloon en maximum 40 cm in het geval van een mast en dat de hoogte van de pyloon of van de mast niet overschreden is. x x16 De plaatsing van antennes tegen een bestaande gevel met maximum één antenne ( met inbegrip van de actieve elementen die nodig zijn voor de aansluiting ervan), over zes strekkende gevelmeters, of op een bestaande puntgevel met maximum één antenne per puntgevel, of op een schoorsteen op voorwaarde dat die antennes een kleur gelijk aan de bedekking van de gevel of van de puntgevel heeft. x x17 De plaatsing van antennes op het plat dak of het plat gedeelte van het dak van een gebouw op voorwaarde dat ze een maximale hoogte van 3 meter, met inbegrip van de steun, hebben, dat die hoogte kleiner is dan de afstand tussen de installatie en de lagere kant of de rand van het dak of de acroterie en dat het gebouw minstens 12 m hoog is. x x18 De plaatsing op de gevel of bovengronds van elektronische of numerieke communicatiekabels en leidingen en van verbindingsdozen voor zover de kleur neutraal en discreet is en voor zover het tracé van de kabel de bouwkundige lijnen van de woning volgt, zoals de raamdorpel, de kroonlijst, de verbindingen tussen de gevels, de lagere kant of de rand van het dak, de acroterie. x x19 De plaatsing van de antenne van een radioamateur in de zin van het ministerieel besluit van 9 januari 2001betreffende het aanleggen en het doen werken van radiostations door radioamateurs. x x20 Het plaatsen op het openbaar domein van steunen met een maximale diameter van 30 cm en een maximale hoogte van 8 meter voor technische telecommunicatieapparatuur en antennes, met inbegrip van radiogolven met een maximale diameter van 90 cm, met een afstand van niet meer dan 40 cm. x x21 De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 tot 20 bedoelde tuinhuisjes voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. x xZ Militaire domeinen 1 De uitvoering van defensieve werken van operationele aard of die strategisch geheim moeten blijven, ten behoeve van het ministerie van Defensie en waarvan de lijst gezamenlijk wordt opgesteld door de Minister van Defensie en de Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening x x
 Actes/travaux /
  installations
 Descriptions/caractéristiques Sont exonérés du permis d'urbanisme Sont d'impact limité Ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte
A Modification de l'enveloppe d'un bâtiment (isolation, élévations, toiture, baies) 1 Le placement des matériaux de parements d'élévation ou de couvertures de toiture formant l'enveloppe du bâtiment ou le remplacement de ceux-ci par d'autres matériaux en vue d'atteindre les normes énergétiques en vigueur aux conditions suivantes :
  a) les matériaux présentent le même aspect extérieur ;
  b) l'accroissement d'épaisseur n'excède pas 0,30 m ;
  c) lorsque le bien est soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme ou relatives aux bâtisses en site rural, ou aux articles R.II.36-6 à R.II.36-9, D.II.37, § 4, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 à R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, les couleurs et les matériaux sont conformes aux indications et prescriptions concernées.
x  x
  2 Le placement de matériaux de couvertures de toiture photovoltaïques ou le remplacement de matériaux de couvertures de toiture, photovoltaïques ou non, par des matériaux de couvertures de toiture photovoltaïques pour autant que, lorsque le bien est soumis aux articles R.II.36-6 à R.II.36-9, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 à R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, les couleurs soient conformes aux indications et prescriptions concernées. x  x
  3 La réalisation de façade(s) végétale(s) non visible(s) depuis la voirie ou de toiture(s) végétale(s) sur une construction ou une installation existante. x  x
  4 La pose d'une peinture ou d'un enduit sur une construction existante ou le sablage ou le rejointoyage d'une construction existante.  x x
  5 Le placement ou le remplacement de matériaux de parements d'élévation et de couvertures de toiture par des matériaux de parements qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 3.  x x
  6 Le placement ou le remplacement de portes ou de châssis, en élévation ou en toiture, par des portes ou des châssis visant à atteindre les normes énergétique en vigueur. x  x
  7 L'obturation, l'ouverture ou la modification de baies situées dans le plan de la toiture, sur maximum un niveau et totalisant au maximum un quart de la longueur de l'élévation correspondante, pour autant que l'obturation ou la modification soit effectuée dans les mêmes matériaux que ceux de la toiture. x  x
  8 L'obturation, l'ouverture ou la modification de portes ou de baies dans les élévations totalisant au maximum un quart de la longueur de l'élévation correspondante pour autant que, cumulativement :
  a) l'obturation, l'ouverture ou la modification n'est pas effectuée dans une élévation située à l'alignement et/ou dont le plan est orienté vers la voirie de desserte du bâtiment principal concerné ;
  b) l'obturation ou la modification est effectuée avec les mêmes c) matériaux de parement que ceux de l'élévation ;
  d) chaque ouverture ou modification s'étend sur maximum un niveau ;
  lorsque le bien est soumis à un guide régional ou communal d'urbanisme, les actes et travaux sont conformes au guide.
x  x
  9 L'obturation, l'ouverture ou la modification de portes ou de baies totalisant au maximum un quart de la longueur de l'élévation correspondante qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 7 et 8.  x x
  10 Le placement ou le remplacement de cheminées ou de conduits de cheminée, de gouttières ou de tuyaux de descentes d'eau de pluie, de systèmes d'évacuation pour des installations telles que hotte, chaudière, pour autant que, lorsque le bien est soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme ou relatives aux bâtisses en site rural, les actes et travaux soient conformes au guide. x  x
  11 Le placement ou le remplacement des éléments visés au point 10 qui ne remplissent pas les conditions.  x x
  12 La démolition ou l'enlèvement des éléments visés aux points 10 et 11 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x  x
B Transformation d'une construction existante 1 Le remplacement de la structure portante d'une toiture sans modification du volume construit et pour autant que les points A1 et A7 soient respectés. x  x
  2 La transformation sans agrandissement d'une construction existante en vue de créer une ou plusieurs pièces non destinées à l'habitation, pour autant que, le cas échéant, les actes et travaux soient repris aux points A1, A2, A3, A6, A7, A8 et A10. x  x
  3 La transformation sans agrandissement d'une construction existante non visée aux points 1 et 2 et qui ne portent pas atteinte à la structure portante de la construction.  x x
  4 La transformation avec agrandissement conforme aux prescriptions décrétales et réglementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme d'une construction existante en vue de créer une pièce non destinée à l'habitation, aux conditions cumulatives suivantes :
  a) un seul volume secondaire par propriété, c'est-à-dire qu'il n'existe pas d'autre volume secondaire sur la propriété, et qu'il n'existe pas plus d'une véranda sur la propriété;
  b) l'extension est d'une emprise au sol inférieure ou égale 40,00 m2 et est:
  i) soit un volume secondaire sans étage, ni sous-sol ;
  ii) soit la prolongation du volume principal et l'ensemble formé est sans étage, ni sous-sol ; c) l'extension est effectuée dans des matériaux de tonalité similaire à ceux de la construction existante ;
  d) l'extension est implantée à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne.
x  x
  5 La transformation d'une construction existante qui répond aux conditions cumulatives reprises au point 4 et qui n'est pas conforme aux prescriptions décrétales et réglementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme.   x
  6 Le placement d'un escalier extérieur.  x x
  7 Le placement d'un appareil de conditionnement d'air.  x x
  8 La transformation d'une construction existante autre que celles visées aux points 1 à 7 pour autant que l'emprise au sol de l'ensemble formé soit au maximum doublée.  x  
  9 La démolition ou l'enlèvement d'un volume secondaire, d'un escalier extérieur ou d'un appareil de conditionnement d'air, pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. x  x
C Véranda 1 Conforme aux prescriptions décrétales et réglementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme.
  Une seule par propriété c'est-à-dire qu'il n'existe pas d'autre véranda sur la propriété et qu'il n'existe pas plus d'un volume secondaire sur la propriété.
  Situation : érigée en contiguïté avec un bâtiment existant, à l'arrière de ce bâtiment par rapport à la voirie de desserte.
  Implantation : à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne.
  Superficie maximale de 40,00 m2.
  Volumétrie : sans étage, toiture plate ou à un versant ou plusieurs versants
  Hauteurs maximales calculées par rapport au niveau naturel du sol et pour autant que le niveau de gouttière soit inférieur au niveau de gouttière du volume principal et aux conditions cumulatives suivantes :
  a) 3,00 m sous corniche ;
  b) 5,00 m au faîte ;
  c) le cas échéant, 3,20 m à l'acrotère.
  Matériaux : structure légère et parois majoritairement en verre ou en polycarbonate tant en élévation qu'en toiture
x  x
  2 La construction d'une véranda d'une superficie maximale de 40,00 m2 qui ne remplit pas les conditions visées au point 1.  x x
  3 La démolition d'une véranda pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. x  x
D Création d'un ou plusieurs logements 1 La création d'un deuxième logement dans un bâtiment pour autant que les actes et travaux de transformation ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte.  x x
  2 La création d'un logement qui ne remplit pas les conditions visées au point 1 ou la création de plusieurs logements dans un bâtiment.  x  
E Placement d'installations et construction ou reconstruction d'un volume annexe tels que :
  garage,
  atelier,
  pool house,
  dalle de stockage,
  bâtiments préfabriqués,
  ...
1 Conforme aux prescriptions décrétales et réglementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme.
  Un seul par propriété c'est-à-dire qu'il n'en existe pas d'autre sur la propriété.
  Non destiné à l'habitation.
  Situation :
  * Sauf lorsqu'il s'agit d'un volume destiné à un véhicule motorisé, il est érigé à l'arrière d'un bâtiment existant.
  * Lorsqu'il s'agit d'un volume destiné à un véhicule motorisé, ce volume est en relation directe avec la voirie de desserte et le plan de l'élévation à rue du volume annexe n'est pas situé au-delà du plan de l'élévation arrière du bâtiment principal.
  Implantation : à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne.
  Superficie maximale : 40,00 m2.
  Volumétrie : sans étage, toiture plate ou à un versant ou plusieurs versants.
  Hauteurs maximales calculées par rapport au niveau naturel du sol et pour autant que le niveau de gouttière soit inférieur au niveau de gouttière du volume principal et que les conditions suivantes soient respectées :
  a) 2,50 m sous corniche ;
  b) 3,50 m au faîte ;
  c) le cas échéant, 3,20 m à l'acrotère.
  Matériaux : bois pour les élévations ou tout autre matériau de tonalité similaire à ceux du bâtiment principal.
x  x
  2 Placement, transformation, agrandissement d'une installation technique au sens de l'article R.IV.1-2, alinéa 2, en ce compris un encuvement, qui forme une unité fonctionnelle avec l'entreprise existante.
  Trois maximum par propriété c'est-à-dire qu'il n'en existe pas plus de trois sur la propriété.
  Situation : en zone d'activité économique.
  Implantation :
  a) non situé entre une façade principale et une voirie publique ;
  b) dans un rayon de 30,00 m du bâtiment principal autorisé ;
  c) 20,00 m minimum de tout logement autre que celui de l'exploitant ;
  d) 3,00 m minimum de limites mitoyennes ;
  e) 10,00 m minimum d'un cours d'eau ;
  f) dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique ;
  g) n'impliquant pas d'abattage d'arbre, de haie ou d'allée au sens de l'article D.IV.4, 11°.
  Superficie maximale : la superficie totale cumulée du placement et de l'agrandissement des installations techniques dispensée de permis est inférieure à 100 m2 et de moins de 50% du bâtiment principal.
  Hauteur : maximum 10,00 m et inférieure à celle du bâtiment le plus haut situé sur la propriété.
x  x
  3 Construction, transformation, agrandissement d'un bâtiment ou placement ou déplacement de bâtiments préfabriqués, en ce compris l'escalier extérieur, non destiné à l'habitation et formant une unité fonctionnelle avec l'entreprise existante.
  Situation : en zone d'activité économique.
  Implantation :
  a) non situé entre une façade principale et une voirie publique ;
  b) dans un rayon de 30,00 m du bâtiment principal autorisé ;
  c) à 3,00 m minimum de limites mitoyennes ;
  d) à 10,00 m minimum d'un cours d'eau ;
  e) en dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique ;
  f) n'impliquant pas d'abattage d'arbre, de haie ou d'allée au sens de l'article D.IV.4, 11°.
  Superficie maximale: la superficie totale cumulée de la construction, de l'agrandissement et du bâtiment préfabriqué dispensée de permis est de 75,00 m2.
  Volumétrie : un étage maximum, toiture plate ou à un versant ou plusieurs versants.
  Hauteur maximale de l'acrotère ou du faîte: 7,00 m et inférieure à celle du bâtiment le plus haut situé sur la propriété.
  Matériaux : de tonalité similaire avec ceux du bâtiment principal.
x  x
  4 L'établissement d'une dalle de stockage pour autant qu'il n'implique aucune modification sensible du relief du sol.
  Une seule dalle par propriété c'est-à-dire qu'il n'en existe pas d'autre sur la propriété.
  Situation : en zone d'activité économique.
  Implantation :
  a) non situé entre une façade principale et une voirie publique ;
  b) à 3,00 m minimum de limites mitoyennes ;
  c) à 10,00 m minimum d'un cours d'eau ;
  d) en dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique ;
  e) n'impliquant pas d'abattage d'arbre, de haie ou d'allée au sens de l'article D.IV.4, 11°.
  Superficie maximale : 75,00 m2.
x  x
  5 La construction d'un volume annexe ou le placement d'une installation non visé (e) au point 1 à 4 ou qui ne remplit pas les conditions visées aux points 1 à 4, non destinée à l'habitation et qui forme une unité fonctionnelle avec une construction ou un ensemble de constructions existant pour autant que l'emprise au sol de l'ensemble formé soit au maximum doublée.  x x
  6 La démolition ou l'enlèvement d'une annexe, d'une installation technique, d'une construction ou d'un bâtiment préfabriqué visés aux points 1 à 5 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x  x
F Car-port, accès et parcage 1 Un seul car-port par propriété c'est-à-dire qu'il n'en existe pas d'autre sur la propriété
  Situation :
  a) en relation directe avec la voirie de desserte ;
  b) le plan de l'élévation à rue du car-port ne peut être situé au-delà du plan de l'élévation arrière du bâtiment principal.
  Superficie maximale : 40,00 m2
  Volumétrie : toiture plate ou à un ou plusieurs versants
  Hauteurs maximales :
  a) 2,50 m sous corniche ;
  b) 3,50 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à l'acrotère.
  Matériaux :
  a) structure constituée de poteaux en bois, en béton, métalliques ou de piliers en matériaux similaires au parement du bâtiment existant ou d'une tonalité similaire à ceux-ci ;
  b) toiture à un ou plusieurs versants en matériaux similaires à ceux du bâtiment principal.
x  x
  2 Le car-port autre qui ne remplit pas les conditions visées au point 1.  x x
  3 L'enlèvement ou la démolition d'un car-port visé aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. x  x
  4 . Les emplacements de stationnement en plein air ainsi que leurs accès aux conditions cumulatives suivantes :
  a) ils sont situés aux abords d'un bâtiment dûment autorisé et forment une unité fonctionnelle avec celui-ci ;
  b) ils sont en relation directe avec la voirie de desserte ;
  c) ils sont constitués en matériaux perméables et discontinus ;
  d) ils présentent une superficie maximale de 300 m2 ;
  e) ils ne nécessitent pas de modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3, points 1° à 5°, 7° à 9°, 11°, 12° et 15°
x  x
  5 Les chemins et emplacements de stationnement en plein air aux abords d'une construction ou d'une installation dûment autorisée et formant une unité fonctionnelle avec celle-ci, autres que ceux visés au point 4.  x x
G Abri de jardin et remise 1 Un seul abri ou une seule remise par propriété c'est-à-dire qu'il n'en existe pas d'autre sur la propriété.
  Situation :
  a)dans les espaces de cours et jardins ;
  b)soit non visible de la voirie, soit situé(e) à l'arrière du bâtiment par rapport au domaine public de la voirie.
  Implantation : à 1,00 m au moins des limites mitoyennes.
  Superficie maximale : 20,00 m2.
  Volumétrie : toiture à un ou plusieurs versants ou toiture plate.
  Hauteurs maximales :
  a) 2,50 m à la gouttière ;
  b) 3,50 m au faîte ;
  c) Le cas échéant, 3,20 m à l'acrotère.
  Matériaux : en bois ou tout autre matériau de tonalité similaire avec le bâtiment ou le milieu auquel il se rapporte.
x  x
  2 Les abris de jardin ou les remises qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1.  x x
  3 L'enlèvement ou la démolition des abris de jardins ou remises visés aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. x  x
H Piscine 1 Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie.
  Implantation : à 1,00 m au moins des limites mitoyennes.
  Hors sol ou autoportante.
x  x
  2 Une seule par propriété c'est-à-dire qu'il n'existe pas d'autre piscine enterrée, partiellement ou complètement, sur la propriété
  Enterrée partiellement ou complètement, ainsi que tout dispositif de sécurité d'une hauteur maximale de 2,00 m entourant la piscine et pour autant que les conditions suivantes soient respectées:
  a) non couverte ou couverte par un abri télescopique à structure légère et repliable qui en recouvre la surface pour autant que la hauteur du faîte soit inférieure à 3, 50 m ;
  b) à usage privé ;
  c) les déblais nécessaires à ces aménagements n'entraînent aucune modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste de la propriété.
  Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie.
  Implantation : à 3,00 m au moins des limites mitoyennes.
  Superficie maximale : 75,00 m2.
x  x
  3 Les piscines qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 et 2.  x x
  4 L'enlèvement, la démolition ou le remblaiement de piscines visées aux points 1 à 3 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur et que les remblais soient conformes à la législation en vigueur. x  x
I Mare et étang 1 Une ou un seul(e) par propriété c'est-à-dire qu'il n'en existe pas d'autre sur la propriété.
  Situation : dans les espaces de cours et jardins et les parcs ouverts au public
  Implantation : à 3,00 m au moins des limites mitoyennes.
  Superficie maximale : 100,00 m2.
  Les déblais nécessaires à ces aménagements n'entraînent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste de la propriété.
x  x
  2 Les étangs et mares qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1.  x x
  3 La suppression ou le remblaiement des étangs et mares visés au point 1 pour autant que les remblais soient conformes à la législation en vigueur. x  x
J Aménagements, accessoires et mobiliers 1 Le placement d'auvents, de tentes solaires ou de couvertures d'une terrasse située au niveau du sol, accolés ou isolés.
  Situation : dans les espaces de cours et jardins.
  Hauteur maximale : 3,50 m.
  Superficie maximale totale de l'ensemble de ces aménagements : 40,00 m2.
  Implantation : à 2,00 m au moins des limites mitoyennes.
x  x
  2 Le placement de mobilier de jardin, tel que bancs, tables, sièges, feux ouverts ou barbecues, poubelles, compostières, pergolas, colonnes, bacs à plantations, fontaines décoratives, bassins de jardin, jeux pour enfants, structures pour arbres palissés.
  Le placement de candélabres et de poteaux d'éclairage, de manière telle que le faisceau lumineux issu de lampes reporté au sol n'excède pas les limites mitoyennes.
  Les aires de jeux et de sport en matériaux perméables et les appareillages strictement nécessaires à leur pratique.
  Situation : soit dans les espaces de cours et jardins, soit aux abords d'une construction située dans une zone destinée à l'urbanisation et formant une unité fonctionnelle avec cette construction.
  Hauteur maximale : 3,50 m.
x  x
  3 La création de chemins en matériaux perméables et de terrasses, aux abords d'une ou plusieurs constructions existantes, au niveau du sol et qui ne requiert pas de modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3. x  x
  4 Le placement de serres de jardin qui totalisent une superficie maximale de 20 m2. x  x
  5 Pour autant qu'ils ne délimitent pas la propriété :
  a) la pose de clôture constituées soit de piquets reliés entre eux par des fils ou treillis avec, éventuellement, à la base, une plaque de béton ou un muret de 0,70 m de hauteur maximum, soit de piquets reliés entre eux par une ou deux traverses horizontales, soit de palissades en bois, soit de gabions d'une épaisseur maximale de 20 cm ainsi que la pose de portique, portail, portillon d'une hauteur maximale de 2,00 m ;
  b) la construction et la transformation de murs de soutènement, en ce compris en gabions, d'une hauteur maximale de 0,70 m ;
  c) la construction et la transformation de murs d'une hauteur maximale de 2,00 m non visible depuis la voirie ou à l'arrière d'un bâtiment.
x  x
  6 Les aménagements, accessoires, mobiliers de jardins, non visés aux points 1 à 5 ou qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 5.  x x
  7 La démolition, suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 6 pour autant que les déchets provenant de la démolition, de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x  x
K Habitations légères au sens du Code wallon de l'habitation durable 1 Le placement d'habitations légères préfabriquées ou en kit.   x
  2 Le placement d'habitations légères non visées au point 1 pour autant qu'elles soient :
  a) sans étage ;
  b) d'une superficie inférieure à 40m2 ;
  c) d'une hauteur maximale de 2,50 m sous corniche, 3,50 m au faîte et, le cas échéant, 3,20 m à l'acrotère.
  x
L Energies renouvelables
  Modules de production d'électricité ou de chaleur
1 Le placement d'un ou de plusieurs modules de production d'électricité ou de chaleur dont la source d'énergie est renouvelable qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bâtiment situé sur le même bien immobilier et qui rentre dans une ou plusieurs des hypothèses suivantes:
  Energie solaire :
  a) lorsque le ou les modules sont fixés sur une toiture à versant(s), la projection du débordement dans le plan vertical est inférieure ou égale à 0,30 m et la différence entre les pentes du module et de la toiture de ce bâtiment est inférieure ou égale à 15 degrés ;
  b) lorsque le ou les modules sont fixés sur une toiture plate, le débordement vertical est de 1,50 m maximum et la pente du module est de 35 degrés maximum ;
  c) lorsque le ou les modules sont fixés sur une élévation, la projection du débordement dans le plan horizontal est comprise entre 1,20 et 1,50 m et la pente du module est comprise entre 25 et 45 degrés ;
  Pompes à chaleur :
  au sol, d'un volume capable maximal d'un m3, à une distance de 3 m par rapport aux limites mitoyennes et non visible depuis la voirie de desserte.
x  x
  2 Le placement d'un ou plusieurs modules de production d'électricité ou de chaleur qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bâtiment situé sur le même bien immobilier dont la source d'énergie est renouvelable qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1.  x x
  3 La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x  x
M Clôtures, murs de clôtures, murs de soutènement en clôture c'est-à-dire qui délimitent la propriété. 1 La pose de clôtures de 2,00 m de hauteur maximum constituées soit de piquets reliés entre eux par des fils ou treillis avec, éventuellement, à la base, une plaque de béton ou un muret de 0,70 m de hauteur maximum, soit de piquets reliés entre eux par une ou deux traverses horizontales, soit de palissades en bois, soit de gabions d'une épaisseur maximale de 20 cm.
  La construction ou la transformation de murs de soutènement de moins de 0,70 m de haut, en ce compris en gabions.
  La pose de portiques, portillons ou portails d'une hauteur maximale de 2,00 m permettant une large vue sur la propriété.
x  x
  2 La pose de clôtures de 2,00 m de hauteur maximum non visibles depuis la voirie ou à l'arrière d'un bâtiment. x  x
  3 La pose de clôtures, de portiques, portails ou de portillons qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 2 ou qui ne sont pas visés au point 1 et 2.  x x
  4 La construction ou la transformation de murs de soutènement de plus de 0,70 m de haut ou de murs de clôture aux abords d'une construction ou d'une installation dûment autorisée.  x x
  5 La démolition ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 4 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x  x
N Abris pour un ou des animaux en ce compris les ruchers et les dalles fumières 1 Une ou plusieurs ruches par propriété.
  Sans préjudice de l'application des dispositions visées au Code rural et des conditions intégrales prises en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
x  x
  2 Un ou plusieurs abris pour animaux par propriété.
  Situation : dans les espaces de cours et jardins.
  Implantation :
  a) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes ;
  b) à 20,00 m au moins de toute habitation voisine ;
  c) non situé dans l'axe de vue perpendiculaire à la façade arrière d'une habitation voisine.
  Superficie maximale totale de l'ensemble des abris pour animaux sur la propriété : 20,00 m2 pour un ou plusieurs abris ou 25,00 m2 pour un ou plusieurs abris dont un colombier
  Volumétrie : sans étage, toiture à un versant, à deux versants de mêmes pente et longueur ou d'une toiture plate.
  Hauteur maximale calculée par rapport au niveau naturel du sol:
  a) 2,50 m à la corniche ;
  b) 3,50 m au faîte ;
  c) le cas échéant, 3,20 m à l'acrotère.
  Matériaux : bois ou grillage ou similaires à ceux du bâtiment principal existant.
  Sans préjudice de l'application des dispositions visées dans le Code rural et des conditions intégrales et sectorielles prises en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
x  x
  3 L'établissement d'une dalle de fumière.
  Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle située sur la propriété.
  Implantation : distante de 10,00 m minimum des limites mitoyennes.
  Hauteur : au niveau du sol.
  Superficie maximale : 10,00 m2.
 x x
  4 Le placement ou la construction d'abris pour animaux qui ne remplissent pas les conditions des points 1 à 2.  x x
  5 La démolition et l'enlèvement des abris, ruches et dalles fumières visés aux points 1 à 4 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur x  x
O Exploitations agricoles 1 La construction de silos de stockage en tout ou en partie enterrés, pour autant que le niveau supérieur des murs de soutènement n'excède pas de 2,00 m le niveau du relief naturel du sol. x  x
  2 L'établissement d'une dalle de fumière.
  Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle de l'exploitant.
  Implantation : distante de 3,00 m minimum des limites mitoyennes.
  Hauteur : le niveau supérieur de la dalle ou des murs de soutènement n'excède pas de 2,00 m le niveau du relief naturel du sol.
x  x
  3 La pose de citernes de récolte ou de stockage d'eau ou d'effluents d'élevage, en tout ou en partie enterrées ou le placement de poche à lisier.
  Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle de l'exploitant et en dehors de la zone d'habitat.
  Implantation :
  à 10,00 m minimum de tout cours d'eau navigable ou non navigable ;
  à 3,00 m minimum du domaine public.
  Hauteur : le niveau supérieur du mur de soutènement n'excède pas 0,70 m.
x  x
  4 Le placement de serres-tunnels destinées à la culture de plantes agricoles ou horticoles et qui sont enlevées après la récolte. x  x
  5 Les filets anti-grêle qui impliquent une structure ancrée au sol et le placement ou la construction des éléments qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 4.  x x
  6 Le placement d'une installation de prise d'eau dans un cours d'eau non navigable ou non classé, destinée exclusivement à l'abreuvement du bétail. x  x
  7 La démolition et l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 6 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x  x
P Constructions et installations provisoires 1 Les constructions provisoires d'infrastructures de chantiers relatifs à des actes et travaux autorisés, en ce compris les réfectoires, logements et sanitaires ainsi que les pavillons d'accueil, pendant la durée des actes et travaux et pour autant que le chantier se poursuive de manière continue. x  x
  2 Le placement d'installations à caractère social, culturel, sportif ou récréatif, en ce compris les emplacements de stationnement en plein air y relatifs, pour une durée maximale de nonante jours pour autant qu'au terme de ce délai, le bien retrouve son état initial. x  x
  3 Le placement d'installations à caractère commercial, sur le domaine public, ou sur le domaine privé à la condition d'être en lien avec une activité existante, en ce compris les emplacements de stationnement en plein air y relatifs, pour une durée maximale de soixante jours pour autant que les installations soient conformes aux guide communal et régional d'urbanisme et qu'au terme du délai, le bien retrouve son état initial. x  x
  4 Le placement provisoire d'installations nécessaires à l'accueil d'une activité déplacée, pendant la durée des actes et travaux soumis à permis, pour autant que le chantier se poursuive de manière continue et qu'une fois les actes et travaux réalisés ou le permis périmé, les installations soient enlevées. x  x
  5 La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 et 4. x  x
Q Enseignes et dispositifs de publicité 1 Le placement d'une ou plusieurs enseignes, ou d'un ou plusieurs dispositifs de publicité.  x x
  2 L'enlèvement des enseignes et dispositifs visés au point 1 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x  x
R Miradors et postes d'observation 1 En zone forestière, dans la zone contiguë à la zone forestière et en zone agricole, les miradors et autres postes d'observation en bois ou métalliques de ton mat visés à l'article 1er, § 1er, 9° de la loi du 28 février 1882 sur la chasse. x  x
  2 L'enlèvement des miradors et des postes d'observation visés au point 1 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x  x
S Arbres et haies 1 Le boisement ou le déboisement.  x x
  2 L'agroforesterie en tant que mode d'exploitation des terres agricoles associant des plantations ligneuses à des cultures ou des pâturages. x  x
  3 Sans préjudice de l'article R.IV.4-4, la culture de sapins de Noël.  x x
  4 L'abattage d'une haie sur une longueur continue de moins de 2,50 m en vue de créer un seul accès à une habitation existante. x  x
  5 L'abattage d'arbres isolés à haute tige, plantés dans les zones d'espaces verts prévues par le plan de secteur ou un schéma d'orientation local en vigueur, l'abattage d'une haie ou l'abattage d'un ou plusieurs ou tous les arbres d'une allée.  x x
  6 L'abattage, l'atteinte au système racinaire ou la modification de l'aspect d'un arbre remarquable, d'un arbuste remarquable ou d'une haie remarquable.  x x
  7 Le défrichage ou la modification de la végétation de toute zone visée à l'article R.IV.4- 11.  x x
  8 L'abattage d'arbres visé aux points 5 à 7 faisant l'objet d'un arrêté du bourgmestre pris en urgence dans le but d'assurer la sécurité publique. x  x
T Modification du relief du sol 1 La modification sensible du relief du sol pour les forages ou carottages réalisés dans le cadre d'une étude géotechnique, d'une prospection géologique ou d'une étude de la pollution du sol. x  x
  2 La modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 dans un rayon de 30,00 m d'une construction ou d'une installation dûment autorisée.  x x
  3 a) our la mise en oeuvre d'un programme d'action sur les rivières par une approche intégrée et sectorisée visé à l'article D. 33/3 du Livre II du Code de l'environnement, constituant le Code de l'eau, qui concerne :
  a) les travaux de remblais ou de déblais n'excédant pas 50 centimètres et situés à une distance maximum de 6,00 m à partir de la crête de berge d'un cours d'eau, y compris dans les zones soumises à l'aléa d'inondation ;
  b) le dépôt et l'étalement des produits provenant des travaux de curage d'un cours d'eau.
x  x
U Utilisation d'un terrain pour dépôts et installations mobiles 1 Utiliser habituellement un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations mobiles au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 15°, b en vue de réaliser une " aire d'accueil à la ferme " au sens de l'article 252/1.D du Code wallon du Tourisme, en ce compris l'installation ou la transformation des impétrants nécessaires à la viabilisation du terrain, pour autant qu'elle soit conforme aux prescriptions décrétales et règlementaires du plan de secteur. x  x
  2 a) Utiliser habituellement un terrain pour :
  le dépôt d'un ou plusieurs véhicules usagés, de mitrailles, de matériaux ou de déchets ;
  b) le placement d'une ou plusieurs installations mobiles, telles que roulottes, caravanes, véhicules désaffectés et tentes, à l'exception des installations mobiles autorisées par une autorisation visée par le Code wallon du tourisme, le décret du 4 mars 1991 relatif aux conditions d'exploitation des terrains de caravanage ou le décret de la Communauté germanophone du 9 mai 1994.
 x x
V Structure destinée à l'hébergement touristique et de loisirs 1 Le placement d'un ou plusieurs abris mobiles au sens de l'article 1er D, 2° du Code wallon du tourisme, aux conditions cumulatives suivantes :
  l'abri mobile a une superficie maximale de 50,00 m2 ;
  son placement ou sa construction ne nécessite pas de modification sensible du relief du sol ;
  il est situé :
  dans un camping touristique ou dans un camping à la ferme autorisé en vertu du Code wallon du Tourisme ;
  dans un terrain de caravanage autorisé en vertu du décret du 4 mars 1991 relatif aux conditions d'exploitation des terrains de caravanage ;
  dans un camping autorisé en vertu du décret du Conseil de la Communauté germanophone du 9 mai 1994 sur le camping et les terrains de camping.
x  x
  2 La construction d'une terrasse avec ou sans balustrades qui respecte les conditions de l'article 249 AGW, alinéa 1er, 3° et alinéa 2 du Code wallon du Tourisme dans un camping touristique. x  x
  3 La construction de cabanes en bois ou le placement de tentes, tipis, yourtes et bulles en zone forestière.  x x
  4 L'enlèvement ou la démolition des hébergements touristiques ou de loisirs, de terrasses visés aux points 1 à 3 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x  x
W Actes et travaux sur le domaine public de la voirie, des voies ferrées et des cours d'eau 1 Pour autant qu'il n'y ait pas d'élargissement de l'assiette des voiries, le renouvellement des fondations et du revêtement des voiries, bermes, bordures, trottoirs, îlots et places publiques, à l'exception des changements de revêtements constitués de pierres naturelles et, pour les places publiques, pour autant que les actes et travaux n'augmentent pas la superficie des revêtements en matériau imperméable. x  x
  2 La pose, le renouvellement, le déplacement ou l'enlèvement des éléments accessoires tels que les radars, parapets, les glissières et bordures de sécurité, à l'exception des murs de soutènement et des écrans anti-bruits. x  x
  3 L'installation, le déplacement, la transformation, l'extension ou l'enlèvement des réseaux de fluides, d'une pression inférieure ou égale à 20 bars pour le gaz, d'énergie, d'une tension inférieure ou égale à 70 KV pour l'électricité, et de télécommunication insérés, ancrés, prenant appui ou surplombant le domaine public en ce compris les raccordements privés, les éléments accessoires et équipements connexes tels que bornes, armoires techniques, pylônes et poteaux d'une hauteur maximale de 14 mètres. x  x
  4 Les aménagements provisoires de voirie d'une durée maximale de cinq ans. x  x
  5 Les travaux d'aménagement des espaces réservés aux piétons, personnes à mobilité réduite ou cyclistes et visant la création ou l'agrandissement local de ces espaces, l'amélioration de leur aspect esthétique ou la sécurité des usagers, que ces travaux entraînent ou non un rétrécissement de l'assiette de la ou des voiries. x  x
  6 Le placement ou le renouvellement de petit mobilier urbain tels que bancs, tables, sièges, poubelles, candélabres, bacs à plantations, petites pièces d'eau, bornes électriques, conteneurs, enterrés ou non, affectés à la collecte des déchets ménagers ou assimilés. x  x
  7 Les travaux d'aménagement des espaces réservés aux plantations. x  x
  8 Le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs ou éléments de signalisation suivants :
  a) la signalisation, en ce compris son support et les portiques, ainsi que sa protection vis-à-vis de la circulation ;
  b) les dispositifs fixes ou mobiles limitant la circulation, le stationnement ou la vitesse ;
  c) les dispositifs de contrôle du stationnement, tels que les parcmètres ou appareils horodateurs ;
  d) les dispositifs de stationnement non-couverts pour véhicules à deux roues ;
  e) les dispositifs accessoires d'installations techniques, souterraines ou non, tels que des armoires de commande électrique de feux de signalisation ou d'éclairage public, bornes téléphoniques, bornes incendies et armoires de télédiffusion.
x  x
  9 Le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs d'éclairage public. x  x
  10 Pour autant qu'ils ne soient pas soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme, le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs d'affichage et de publicité suivants :
  a) les colonnes dont le fût est d'au plus 1,20 m de diamètre et ne dépasse pas 3,50 m de hauteur ;
  b) les panneaux sur pieds dont les hauteur et largeur maximales ne dépassent pas respectivement 2,50 m et 1,70 m et dont la superficie utile ne dépasse pas 4,00 m2 par face.
x  x
  11 L'établissement ou la modification de la signalisation au sol. x  x
  12 Le placement, le déplacement ou l'enlèvement de ralentisseurs de trafic. x  x
  13 La pose, l'enlèvement ou le renouvellement des fondations et des dispositifs d'exploitation des voies et des lignes de transport en commun existants tels que rails, traverses, ballast, poteaux caténaires, signaux, portiques, loges, armoires de signalisation ou poteaux d'arrêts pour les voyageurs. x  x
  14 Le placement d'une terrasse ouverte saisonnière dans le secteur horeca, pour autant que sa superficie ne dépasse pas 50,00 m2. x  x
  15 Les abris pour voyageurs aux arrêts de transport public. x  x
  16 Le placement ou le déplacement de boîtes postales. x  x
  17 Le placement, le déplacement ou l'enlèvement de statues, monuments commémoratifs et autres oeuvres artistiques, placés par les autorités ou sur l'ordre des autorités. x  x
  18 La pose, le renouvellement ou l'enlèvement d'ouvrages de protection des berges dans un cours d'eau non navigable, à l'exception de murs maçonnés, sur un linéaire n'excédant pas 100 m et d'une hauteur maximum de 2 m. X  
  X
X Egouttage, canalisation et réseaux en dehors du domaine public de la voirie, des voies ferrées et des cours d'eau, forages et prises d'eau 1 L'installation, le déplacement, la transformation de raccordements privés, en ce compris les armoires techniques, aux réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication ainsi que l'installation, le déplacement, la transformation de citernes à eau ou combustibles enfouies, drains, avaloirs, filets d'eau, regards, taques et fosses septiques et tout autre système d'épuration individuelle des eaux usées domestiques pour autant que, cumulativement :
  a) les déblais éventuels nécessaires à ces aménagements n'entrainent aucune modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le restant de la propriété ;
  b) ces dispositifs soient en rapport avec l'infrastructure nécessaire à l'aménagement de la propriété et situés exclusivement sur celle-ci.
x  x
  2 Les raccordements privés, en ce compris les armoires techniques, aux réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication ainsi que le placement de citernes à eau ou combustibles enfouies, drains, avaloirs, filets d'eau, regards, taques et fosses septiques et tout autre système d'épuration individuelle qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1.  x x
  3 Le placement de citernes aériennes.  x x
  4 L'insertion ou le renforcement de réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication dans un site technique déjà aménagé pour autant que, cumulativement :
  a) les travaux projetés sont propres à la fonction du site ;
  b) les installations, bâtiments, constructions et revêtement existants ont été légalement autorisés ;
  c) les travaux ne visent pas la construction d'un bâtiment ;
  d) l'emprise au sol ne réduit pas les périmètres ou les dispositifs d'isolement existants.
x  x
  5 Les forages de puits et les prises d'eau. x  x
  6 Dans les zones non destinées à l'urbanisation et à condition de ne pas nécessiter de permis au sens de l'article R.IV.4-3, alinéa 1er, 6°, l'établissement ou la modification d'un système de drainage pour autant que le terrain ne soit pas situé dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception des sites Natura 2000, ou exposé à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tel que visé à l'article D.IV.57, 3°. x  x
  7 L'installation, le déplacement, la transformation ou l'extension des réseaux de fluides, d'énergie et de télécommunication insérés ou ancrés, enterrés ou aériens et les éléments accessoires et les équipements connexes, lorsqu'ils sont situés en dehors du domaine public.  x x
  8 L'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 7 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x  x
Y Télécommu-nication, télédistribu-tion, fibre optique, gaz, électricité 1 Le remplacement d'installation ou d'armoires techniques par des installations ou armoires techniques d'un volume moindre ou équivalent. x  x
  2 Le remplacement d'antennes existantes par des antennes de dimensions égales ou inférieures ou supérieures, à la condition que la hauteur totale incluant leur mât de support ne soit pas augmentée et que les nouvelles antennes soient d'une hauteur maximale de 3,00 m. x  x
  3 Le remplacement d'un pylône ou d'un poteau existant par un pylône ou un poteau de même hauteur et de même type installé sur le même site. x  x
  4 Le placement d'une armoire technique sur une toiture plate à condition qu'elle ne soit pas visible de la voirie, à savoir qu'elle soit située à une distance d'au moins une fois et demi la hauteur de l'armoire depuis l'acrotère. x  x
  5 Le placement ou le remplacement d'armoires techniques à côté d'un pylône ou d'un poteau posé au sol ou dans un local technique situé à proximité d'un mât de support placé sur un toit. x  x
  6 La pose d'installations techniques en vue d'assurer la stabilité et la sécurité d'installations existantes ainsi que leur bon fonctionnement. x  x
  7 Le placement d'antennes ou faisceaux hertziens, d'armoires et d'installations techniques lors d'évènements culturels, sportifs, récréatifs ou commerciaux, placées pour une durée maximale de 90 jours à condition que ces antennes ou faisceaux, armoires et installations ne soient pas placés plus de 15 jours avant le début de l'évènement et qu'ils soient enlevés au plus tard 15 jours après la fin de l'événement. x  x
  8 Le déplacement et/ou la reconstruction d'antennes ou faisceaux hertziens, de réseaux insérés, ancrés, enterrés ou aériens, et d'armoires et installations techniques pour des raisons d'urgence, de sécurité ou d'intérêt public imprévisibles dans le chef de l'opérateur, le temps nécessaire pour obtenir toutes les autorisations requises au déplacement et/ou à la reconstruction du site. x  x
  9 Le déplacement temporaire d'une installation existante afin d'assurer la continuité des services, en cas de travaux effectués par le propriétaire de la structure initiale, pour la durée exclusive des travaux. x  x
  10 La pose d'installations telles que les antennes, faisceaux hertziens, armoires et installations techniques pour autant qu'elles soient situées à l'intérieur de bâtiments, de constructions ou de structures existantes ou couvertes par des matériaux ayant la même apparence que les matériaux existants. x  x
  11 Le placement de faisceaux hertziens ayant un diamètre maximal de 90 cm sur un pylône existant ou un mât de support en toiture dûment autorisé. x  x
  12 Le placement d'une antenne de radio-télévision ou de faisceaux hertziens (antenne parabolique ou antenne-panneau).
  Situation :
  * soit ancrée sur une élévation à l'arrière du bâtiment par rapport à la voirie de desserte ou en recul d'au moins 4,00 m de l'alignement ;
  * soit ancrée au sol ou sur un pan de toiture et implantée à l'arrière du bâtiment par rapport à la voirie de desserte.
  Superficie maximale : 1,00 m2.
  Matériaux : l'antenne soit d'un ton similaire à celui de son support.
x  x
  13 Le placement d'une antenne de radio-télévision ou de faisceaux hertziens (antenne parabolique ou antenne-panneau).
  Situation : sur un toit plat.
  Hauteur maximale : 5,00m support compris, et la hauteur est inférieure à la distance séparant l'installation de l'acrotère.
  Superficie maximale : 1,00 m2.
x  x
  14 Le placement d'une antenne visée aux points 1 ou 2, et qui ne remplit pas les conditions énoncées aux points 1 ou 2.  x x
  15 Le placement d'antennes et de boîtiers de modules radio distants sur un pylône existant ancré au sol ou un mât de support en toiture dûment autorisé, à condition que le déport soit de maximum 1,00 m dans le cas d'un pylône et de maximum 0,40 m dans le cas d'un mât de support, et que la hauteur du pylône ou du mât ne soit pas dépassée. x  x
  16 Le placement d'antennes accolées à une façade existante avec un maximum d'une antenne, en ce compris les éléments actifs nécessaires à son raccordement, par 6 mètres courants de façade, ou à un pignon existant avec un maximum d'une antenne par pignon, ou sur une cheminée à condition que ces antennes aient une couleur similaire au revêtement de la façade ou du pignon. x  x
  17 Le placement d'antennes sur le toit plat ou la partie plate du toit d'un immeuble, à condition qu'elles aient une hauteur maximale de 3,00 m support inclus, que cette hauteur soit inférieure à la distance séparant l'installation du bord inférieur ou de la rive de la toiture ou de l'acrotère et que le bâtiment soit d'une hauteur minimale de 12,00 m. x  x
  18 Le placement sur façade et en aérien de câbles et conduites de communications électroniques ou numériques et des boîtes de raccordement connexes, pour autant que la couleur soit neutre et discrète et pour autant que le tracé du câble suive les lignes architecturales de l'habitation telles que le seuil de la fenêtre, la corniche, les jointages entre façade, le bord inférieur ou la rive de toiture, l'acrotère. x  x
  19 Le placement de l'antenne d'une station d'amateur au sens de l'arrêté ministériel du 9 janvier 2001 relatif à l'établissement et la mise en service de stations radioélectriques par des radioamateurs.  x x
  20 Le placement sur le domaine public de supports d'un diamètre maximum de 30 cm et d'une hauteur maximale de 8m supportant des équipements techniques de télécommunication et des antennes, y compris des faisceaux hertziens d'un diamètre maximum de 90 cm, avec un déport n'excédant pas 40 cm. x  x
  21 La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 20, pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x  x
Z Domaines militaires 1 La réalisation d'ouvrages défensifs à caractère opérationnel ou devant rester secret stratégique, pour le compte du Ministère de la Défense nationale et dont la liste est établie conjointement par le Ministre de la Défense nationale et le Ministre ayant l'Aménagement du territoire dans ses attributions. x  x
Actes/travaux /
  installations Descriptions/caractéristiques Sont exonérés du permis d'urbanisme Sont d'impact limité Ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecteA Modification de l'enveloppe d'un bâtiment (isolation, élévations, toiture, baies) 1 Le placement des matériaux de parements d'élévation ou de couvertures de toiture formant l'enveloppe du bâtiment ou le remplacement de ceux-ci par d'autres matériaux en vue d'atteindre les normes énergétiques en vigueur aux conditions suivantes :
  a) les matériaux présentent le même aspect extérieur ;
  b) l'accroissement d'épaisseur n'excède pas 0,30 m ;
  c) lorsque le bien est soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme ou relatives aux bâtisses en site rural, ou aux articles R.II.36-6 à R.II.36-9, D.II.37, § 4, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 à R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, les couleurs et les matériaux sont conformes aux indications et prescriptions concernées. x x2 Le placement de matériaux de couvertures de toiture photovoltaïques ou le remplacement de matériaux de couvertures de toiture, photovoltaïques ou non, par des matériaux de couvertures de toiture photovoltaïques pour autant que, lorsque le bien est soumis aux articles R.II.36-6 à R.II.36-9, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 à R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, les couleurs soient conformes aux indications et prescriptions concernées. x x3 La réalisation de façade(s) végétale(s) non visible(s) depuis la voirie ou de toiture(s) végétale(s) sur une construction ou une installation existante. x x4 La pose d'une peinture ou d'un enduit sur une construction existante ou le sablage ou le rejointoyage d'une construction existante. x x5 Le placement ou le remplacement de matériaux de parements d'élévation et de couvertures de toiture par des matériaux de parements qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 3. x x6 Le placement ou le remplacement de portes ou de châssis, en élévation ou en toiture, par des portes ou des châssis visant à atteindre les normes énergétique en vigueur. x x7 L'obturation, l'ouverture ou la modification de baies situées dans le plan de la toiture, sur maximum un niveau et totalisant au maximum un quart de la longueur de l'élévation correspondante, pour autant que l'obturation ou la modification soit effectuée dans les mêmes matériaux que ceux de la toiture. x x8 L'obturation, l'ouverture ou la modification de portes ou de baies dans les élévations totalisant au maximum un quart de la longueur de l'élévation correspondante pour autant que, cumulativement :
  a) l'obturation, l'ouverture ou la modification n'est pas effectuée dans une élévation située à l'alignement et/ou dont le plan est orienté vers la voirie de desserte du bâtiment principal concerné ;
  b) l'obturation ou la modification est effectuée avec les mêmes c) matériaux de parement que ceux de l'élévation ;
  d) chaque ouverture ou modification s'étend sur maximum un niveau ;
  lorsque le bien est soumis à un guide régional ou communal d'urbanisme, les actes et travaux sont conformes au guide. x x9 L'obturation, l'ouverture ou la modification de portes ou de baies totalisant au maximum un quart de la longueur de l'élévation correspondante qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 7 et 8. x x10 Le placement ou le remplacement de cheminées ou de conduits de cheminée, de gouttières ou de tuyaux de descentes d'eau de pluie, de systèmes d'évacuation pour des installations telles que hotte, chaudière, pour autant que, lorsque le bien est soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme ou relatives aux bâtisses en site rural, les actes et travaux soient conformes au guide. x x11 Le placement ou le remplacement des éléments visés au point 10 qui ne remplissent pas les conditions. x x12 La démolition ou l'enlèvement des éléments visés aux points 10 et 11 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x xB Transformation d'une construction existante 1 Le remplacement de la structure portante d'une toiture sans modification du volume construit et pour autant que les points A1 et A7 soient respectés. x x2 La transformation sans agrandissement d'une construction existante en vue de créer une ou plusieurs pièces non destinées à l'habitation, pour autant que, le cas échéant, les actes et travaux soient repris aux points A1, A2, A3, A6, A7, A8 et A10. x x3 La transformation sans agrandissement d'une construction existante non visée aux points 1 et 2 et qui ne portent pas atteinte à la structure portante de la construction. x x4 La transformation avec agrandissement conforme aux prescriptions décrétales et réglementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme d'une construction existante en vue de créer une pièce non destinée à l'habitation, aux conditions cumulatives suivantes :
  a) un seul volume secondaire par propriété, c'est-à-dire qu'il n'existe pas d'autre volume secondaire sur la propriété, et qu'il n'existe pas plus d'une véranda sur la propriété;
  b) l'extension est d'une emprise au sol inférieure ou égale 40,00 m2 et est:
  i) soit un volume secondaire sans étage, ni sous-sol ;
  ii) soit la prolongation du volume principal et l'ensemble formé est sans étage, ni sous-sol ; c) l'extension est effectuée dans des matériaux de tonalité similaire à ceux de la construction existante ;
  d) l'extension est implantée à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne. x x5 La transformation d'une construction existante qui répond aux conditions cumulatives reprises au point 4 et qui n'est pas conforme aux prescriptions décrétales et réglementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme. x6 Le placement d'un escalier extérieur. x x7 Le placement d'un appareil de conditionnement d'air. x x8 La transformation d'une construction existante autre que celles visées aux points 1 à 7 pour autant que l'emprise au sol de l'ensemble formé soit au maximum doublée. x 9 La démolition ou l'enlèvement d'un volume secondaire, d'un escalier extérieur ou d'un appareil de conditionnement d'air, pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. x xC Véranda 1 Conforme aux prescriptions décrétales et réglementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme.
  Une seule par propriété c'est-à-dire qu'il n'existe pas d'autre véranda sur la propriété et qu'il n'existe pas plus d'un volume secondaire sur la propriété.
  Situation : érigée en contiguïté avec un bâtiment existant, à l'arrière de ce bâtiment par rapport à la voirie de desserte.
  Implantation : à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne.
  Superficie maximale de 40,00 m2.
  Volumétrie : sans étage, toiture plate ou à un versant ou plusieurs versants
  Hauteurs maximales calculées par rapport au niveau naturel du sol et pour autant que le niveau de gouttière soit inférieur au niveau de gouttière du volume principal et aux conditions cumulatives suivantes :
  a) 3,00 m sous corniche ;
  b) 5,00 m au faîte ;
  c) le cas échéant, 3,20 m à l'acrotère.
  Matériaux : structure légère et parois majoritairement en verre ou en polycarbonate tant en élévation qu'en toiture x x2 La construction d'une véranda d'une superficie maximale de 40,00 m2 qui ne remplit pas les conditions visées au point 1. x x3 La démolition d'une véranda pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. x xD Création d'un ou plusieurs logements 1 La création d'un deuxième logement dans un bâtiment pour autant que les actes et travaux de transformation ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte. x x2 La création d'un logement qui ne remplit pas les conditions visées au point 1 ou la création de plusieurs logements dans un bâtiment. x E Placement d'installations et construction ou reconstruction d'un volume annexe tels que :
  garage,
  atelier,
  pool house,
  dalle de stockage,
  bâtiments préfabriqués,
  ... 1 Conforme aux prescriptions décrétales et réglementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme.
  Un seul par propriété c'est-à-dire qu'il n'en existe pas d'autre sur la propriété.
  Non destiné à l'habitation.
  Situation :
  * Sauf lorsqu'il s'agit d'un volume destiné à un véhicule motorisé, il est érigé à l'arrière d'un bâtiment existant.
  * Lorsqu'il s'agit d'un volume destiné à un véhicule motorisé, ce volume est en relation directe avec la voirie de desserte et le plan de l'élévation à rue du volume annexe n'est pas situé au-delà du plan de l'élévation arrière du bâtiment principal.
  Implantation : à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne.
  Superficie maximale : 40,00 m2.
  Volumétrie : sans étage, toiture plate ou à un versant ou plusieurs versants.
  Hauteurs maximales calculées par rapport au niveau naturel du sol et pour autant que le niveau de gouttière soit inférieur au niveau de gouttière du volume principal et que les conditions suivantes soient respectées :
  a) 2,50 m sous corniche ;
  b) 3,50 m au faîte ;
  c) le cas échéant, 3,20 m à l'acrotère.
  Matériaux : bois pour les élévations ou tout autre matériau de tonalité similaire à ceux du bâtiment principal. x x2 Placement, transformation, agrandissement d'une installation technique au sens de l'article R.IV.1-2, alinéa 2, en ce compris un encuvement, qui forme une unité fonctionnelle avec l'entreprise existante.
  Trois maximum par propriété c'est-à-dire qu'il n'en existe pas plus de trois sur la propriété.
  Situation : en zone d'activité économique.
  Implantation :
  a) non situé entre une façade principale et une voirie publique ;
  b) dans un rayon de 30,00 m du bâtiment principal autorisé ;
  c) 20,00 m minimum de tout logement autre que celui de l'exploitant ;
  d) 3,00 m minimum de limites mitoyennes ;
  e) 10,00 m minimum d'un cours d'eau ;
  f) dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique ;
  g) n'impliquant pas d'abattage d'arbre, de haie ou d'allée au sens de l'article D.IV.4, 11°.
  Superficie maximale : la superficie totale cumulée du placement et de l'agrandissement des installations techniques dispensée de permis est inférieure à 100 m2 et de moins de 50% du bâtiment principal.
  Hauteur : maximum 10,00 m et inférieure à celle du bâtiment le plus haut situé sur la propriété. x x3 Construction, transformation, agrandissement d'un bâtiment ou placement ou déplacement de bâtiments préfabriqués, en ce compris l'escalier extérieur, non destiné à l'habitation et formant une unité fonctionnelle avec l'entreprise existante.
  Situation : en zone d'activité économique.
  Implantation :
  a) non situé entre une façade principale et une voirie publique ;
  b) dans un rayon de 30,00 m du bâtiment principal autorisé ;
  c) à 3,00 m minimum de limites mitoyennes ;
  d) à 10,00 m minimum d'un cours d'eau ;
  e) en dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique ;
  f) n'impliquant pas d'abattage d'arbre, de haie ou d'allée au sens de l'article D.IV.4, 11°.
  Superficie maximale: la superficie totale cumulée de la construction, de l'agrandissement et du bâtiment préfabriqué dispensée de permis est de 75,00 m2.
  Volumétrie : un étage maximum, toiture plate ou à un versant ou plusieurs versants.
  Hauteur maximale de l'acrotère ou du faîte: 7,00 m et inférieure à celle du bâtiment le plus haut situé sur la propriété.
  Matériaux : de tonalité similaire avec ceux du bâtiment principal. x x4 L'établissement d'une dalle de stockage pour autant qu'il n'implique aucune modification sensible du relief du sol.
  Une seule dalle par propriété c'est-à-dire qu'il n'en existe pas d'autre sur la propriété.
  Situation : en zone d'activité économique.
  Implantation :
  a) non situé entre une façade principale et une voirie publique ;
  b) à 3,00 m minimum de limites mitoyennes ;
  c) à 10,00 m minimum d'un cours d'eau ;
  d) en dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique ;
  e) n'impliquant pas d'abattage d'arbre, de haie ou d'allée au sens de l'article D.IV.4, 11°.
  Superficie maximale : 75,00 m2. x x5 La construction d'un volume annexe ou le placement d'une installation non visé (e) au point 1 à 4 ou qui ne remplit pas les conditions visées aux points 1 à 4, non destinée à l'habitation et qui forme une unité fonctionnelle avec une construction ou un ensemble de constructions existant pour autant que l'emprise au sol de l'ensemble formé soit au maximum doublée. x x6 La démolition ou l'enlèvement d'une annexe, d'une installation technique, d'une construction ou d'un bâtiment préfabriqué visés aux points 1 à 5 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x xF Car-port, accès et parcage 1 Un seul car-port par propriété c'est-à-dire qu'il n'en existe pas d'autre sur la propriété
  Situation :
  a) en relation directe avec la voirie de desserte ;
  b) le plan de l'élévation à rue du car-port ne peut être situé au-delà du plan de l'élévation arrière du bâtiment principal.
  Superficie maximale : 40,00 m2
  Volumétrie : toiture plate ou à un ou plusieurs versants
  Hauteurs maximales :
  a) 2,50 m sous corniche ;
  b) 3,50 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à l'acrotère.
  Matériaux :
  a) structure constituée de poteaux en bois, en béton, métalliques ou de piliers en matériaux similaires au parement du bâtiment existant ou d'une tonalité similaire à ceux-ci ;
  b) toiture à un ou plusieurs versants en matériaux similaires à ceux du bâtiment principal. x x2 Le car-port autre qui ne remplit pas les conditions visées au point 1. x x3 L'enlèvement ou la démolition d'un car-port visé aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. x x4 . Les emplacements de stationnement en plein air ainsi que leurs accès aux conditions cumulatives suivantes :
  a) ils sont situés aux abords d'un bâtiment dûment autorisé et forment une unité fonctionnelle avec celui-ci ;
  b) ils sont en relation directe avec la voirie de desserte ;
  c) ils sont constitués en matériaux perméables et discontinus ;
  d) ils présentent une superficie maximale de 300 m2 ;
  e) ils ne nécessitent pas de modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3, points 1° à 5°, 7° à 9°, 11°, 12° et 15° x x5 Les chemins et emplacements de stationnement en plein air aux abords d'une construction ou d'une installation dûment autorisée et formant une unité fonctionnelle avec celle-ci, autres que ceux visés au point 4. x xG Abri de jardin et remise 1 Un seul abri ou une seule remise par propriété c'est-à-dire qu'il n'en existe pas d'autre sur la propriété.
  Situation :
  a)dans les espaces de cours et jardins ;
  b)soit non visible de la voirie, soit situé(e) à l'arrière du bâtiment par rapport au domaine public de la voirie.
  Implantation : à 1,00 m au moins des limites mitoyennes.
  Superficie maximale : 20,00 m2.
  Volumétrie : toiture à un ou plusieurs versants ou toiture plate.
  Hauteurs maximales :
  a) 2,50 m à la gouttière ;
  b) 3,50 m au faîte ;
  c) Le cas échéant, 3,20 m à l'acrotère.
  Matériaux : en bois ou tout autre matériau de tonalité similaire avec le bâtiment ou le milieu auquel il se rapporte. x x2 Les abris de jardin ou les remises qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. x x3 L'enlèvement ou la démolition des abris de jardins ou remises visés aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. x xH Piscine 1 Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie.
  Implantation : à 1,00 m au moins des limites mitoyennes.
  Hors sol ou autoportante. x x2 Une seule par propriété c'est-à-dire qu'il n'existe pas d'autre piscine enterrée, partiellement ou complètement, sur la propriété
  Enterrée partiellement ou complètement, ainsi que tout dispositif de sécurité d'une hauteur maximale de 2,00 m entourant la piscine et pour autant que les conditions suivantes soient respectées:
  a) non couverte ou couverte par un abri télescopique à structure légère et repliable qui en recouvre la surface pour autant que la hauteur du faîte soit inférieure à 3, 50 m ;
  b) à usage privé ;
  c) les déblais nécessaires à ces aménagements n'entraînent aucune modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste de la propriété.
  Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie.
  Implantation : à 3,00 m au moins des limites mitoyennes.
  Superficie maximale : 75,00 m2. x x3 Les piscines qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 et 2. x x4 L'enlèvement, la démolition ou le remblaiement de piscines visées aux points 1 à 3 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur et que les remblais soient conformes à la législation en vigueur. x xI Mare et étang 1 Une ou un seul(e) par propriété c'est-à-dire qu'il n'en existe pas d'autre sur la propriété.
  Situation : dans les espaces de cours et jardins et les parcs ouverts au public
  Implantation : à 3,00 m au moins des limites mitoyennes.
  Superficie maximale : 100,00 m2.
  Les déblais nécessaires à ces aménagements n'entraînent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste de la propriété. x x2 Les étangs et mares qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. x x3 La suppression ou le remblaiement des étangs et mares visés au point 1 pour autant que les remblais soient conformes à la législation en vigueur. x xJ Aménagements, accessoires et mobiliers 1 Le placement d'auvents, de tentes solaires ou de couvertures d'une terrasse située au niveau du sol, accolés ou isolés.
  Situation : dans les espaces de cours et jardins.
  Hauteur maximale : 3,50 m.
  Superficie maximale totale de l'ensemble de ces aménagements : 40,00 m2.
  Implantation : à 2,00 m au moins des limites mitoyennes. x x2 Le placement de mobilier de jardin, tel que bancs, tables, sièges, feux ouverts ou barbecues, poubelles, compostières, pergolas, colonnes, bacs à plantations, fontaines décoratives, bassins de jardin, jeux pour enfants, structures pour arbres palissés.
  Le placement de candélabres et de poteaux d'éclairage, de manière telle que le faisceau lumineux issu de lampes reporté au sol n'excède pas les limites mitoyennes.
  Les aires de jeux et de sport en matériaux perméables et les appareillages strictement nécessaires à leur pratique.
  Situation : soit dans les espaces de cours et jardins, soit aux abords d'une construction située dans une zone destinée à l'urbanisation et formant une unité fonctionnelle avec cette construction.
  Hauteur maximale : 3,50 m. x x3 La création de chemins en matériaux perméables et de terrasses, aux abords d'une ou plusieurs constructions existantes, au niveau du sol et qui ne requiert pas de modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3. x x4 Le placement de serres de jardin qui totalisent une superficie maximale de 20 m2. x x5 Pour autant qu'ils ne délimitent pas la propriété :
  a) la pose de clôture constituées soit de piquets reliés entre eux par des fils ou treillis avec, éventuellement, à la base, une plaque de béton ou un muret de 0,70 m de hauteur maximum, soit de piquets reliés entre eux par une ou deux traverses horizontales, soit de palissades en bois, soit de gabions d'une épaisseur maximale de 20 cm ainsi que la pose de portique, portail, portillon d'une hauteur maximale de 2,00 m ;
  b) la construction et la transformation de murs de soutènement, en ce compris en gabions, d'une hauteur maximale de 0,70 m ;
  c) la construction et la transformation de murs d'une hauteur maximale de 2,00 m non visible depuis la voirie ou à l'arrière d'un bâtiment. x x6 Les aménagements, accessoires, mobiliers de jardins, non visés aux points 1 à 5 ou qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 5. x x7 La démolition, suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 6 pour autant que les déchets provenant de la démolition, de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x xK Habitations légères au sens du Code wallon de l'habitation durable 1 Le placement d'habitations légères préfabriquées ou en kit. x2 Le placement d'habitations légères non visées au point 1 pour autant qu'elles soient :
  a) sans étage ;
  b) d'une superficie inférieure à 40m2 ;
  c) d'une hauteur maximale de 2,50 m sous corniche, 3,50 m au faîte et, le cas échéant, 3,20 m à l'acrotère. xL Energies renouvelables
  Modules de production d'électricité ou de chaleur 1 Le placement d'un ou de plusieurs modules de production d'électricité ou de chaleur dont la source d'énergie est renouvelable qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bâtiment situé sur le même bien immobilier et qui rentre dans une ou plusieurs des hypothèses suivantes:
  Energie solaire :
  a) lorsque le ou les modules sont fixés sur une toiture à versant(s), la projection du débordement dans le plan vertical est inférieure ou égale à 0,30 m et la différence entre les pentes du module et de la toiture de ce bâtiment est inférieure ou égale à 15 degrés ;
  b) lorsque le ou les modules sont fixés sur une toiture plate, le débordement vertical est de 1,50 m maximum et la pente du module est de 35 degrés maximum ;
  c) lorsque le ou les modules sont fixés sur une élévation, la projection du débordement dans le plan horizontal est comprise entre 1,20 et 1,50 m et la pente du module est comprise entre 25 et 45 degrés ;
  Pompes à chaleur :
  au sol, d'un volume capable maximal d'un m3, à une distance de 3 m par rapport aux limites mitoyennes et non visible depuis la voirie de desserte. x x2 Le placement d'un ou plusieurs modules de production d'électricité ou de chaleur qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bâtiment situé sur le même bien immobilier dont la source d'énergie est renouvelable qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. x x3 La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x xM Clôtures, murs de clôtures, murs de soutènement en clôture c'est-à-dire qui délimitent la propriété. 1 La pose de clôtures de 2,00 m de hauteur maximum constituées soit de piquets reliés entre eux par des fils ou treillis avec, éventuellement, à la base, une plaque de béton ou un muret de 0,70 m de hauteur maximum, soit de piquets reliés entre eux par une ou deux traverses horizontales, soit de palissades en bois, soit de gabions d'une épaisseur maximale de 20 cm.
  La construction ou la transformation de murs de soutènement de moins de 0,70 m de haut, en ce compris en gabions.
  La pose de portiques, portillons ou portails d'une hauteur maximale de 2,00 m permettant une large vue sur la propriété. x x2 La pose de clôtures de 2,00 m de hauteur maximum non visibles depuis la voirie ou à l'arrière d'un bâtiment. x x3 La pose de clôtures, de portiques, portails ou de portillons qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 2 ou qui ne sont pas visés au point 1 et 2. x x4 La construction ou la transformation de murs de soutènement de plus de 0,70 m de haut ou de murs de clôture aux abords d'une construction ou d'une installation dûment autorisée. x x5 La démolition ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 4 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x xN Abris pour un ou des animaux en ce compris les ruchers et les dalles fumières 1 Une ou plusieurs ruches par propriété.
  Sans préjudice de l'application des dispositions visées au Code rural et des conditions intégrales prises en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement. x x2 Un ou plusieurs abris pour animaux par propriété.
  Situation : dans les espaces de cours et jardins.
  Implantation :
  a) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes ;
  b) à 20,00 m au moins de toute habitation voisine ;
  c) non situé dans l'axe de vue perpendiculaire à la façade arrière d'une habitation voisine.
  Superficie maximale totale de l'ensemble des abris pour animaux sur la propriété : 20,00 m2 pour un ou plusieurs abris ou 25,00 m2 pour un ou plusieurs abris dont un colombier
  Volumétrie : sans étage, toiture à un versant, à deux versants de mêmes pente et longueur ou d'une toiture plate.
  Hauteur maximale calculée par rapport au niveau naturel du sol:
  a) 2,50 m à la corniche ;
  b) 3,50 m au faîte ;
  c) le cas échéant, 3,20 m à l'acrotère.
  Matériaux : bois ou grillage ou similaires à ceux du bâtiment principal existant.
  Sans préjudice de l'application des dispositions visées dans le Code rural et des conditions intégrales et sectorielles prises en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement. x x3 L'établissement d'une dalle de fumière.
  Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle située sur la propriété.
  Implantation : distante de 10,00 m minimum des limites mitoyennes.
  Hauteur : au niveau du sol.
  Superficie maximale : 10,00 m2. x x4 Le placement ou la construction d'abris pour animaux qui ne remplissent pas les conditions des points 1 à 2. x x5 La démolition et l'enlèvement des abris, ruches et dalles fumières visés aux points 1 à 4 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur x xO Exploitations agricoles 1 La construction de silos de stockage en tout ou en partie enterrés, pour autant que le niveau supérieur des murs de soutènement n'excède pas de 2,00 m le niveau du relief naturel du sol. x x2 L'établissement d'une dalle de fumière.
  Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle de l'exploitant.
  Implantation : distante de 3,00 m minimum des limites mitoyennes.
  Hauteur : le niveau supérieur de la dalle ou des murs de soutènement n'excède pas de 2,00 m le niveau du relief naturel du sol. x x3 La pose de citernes de récolte ou de stockage d'eau ou d'effluents d'élevage, en tout ou en partie enterrées ou le placement de poche à lisier.
  Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle de l'exploitant et en dehors de la zone d'habitat.
  Implantation :
  à 10,00 m minimum de tout cours d'eau navigable ou non navigable ;
  à 3,00 m minimum du domaine public.
  Hauteur : le niveau supérieur du mur de soutènement n'excède pas 0,70 m. x x4 Le placement de serres-tunnels destinées à la culture de plantes agricoles ou horticoles et qui sont enlevées après la récolte. x x5 Les filets anti-grêle qui impliquent une structure ancrée au sol et le placement ou la construction des éléments qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 4. x x6 Le placement d'une installation de prise d'eau dans un cours d'eau non navigable ou non classé, destinée exclusivement à l'abreuvement du bétail. x x7 La démolition et l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 6 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x xP Constructions et installations provisoires 1 Les constructions provisoires d'infrastructures de chantiers relatifs à des actes et travaux autorisés, en ce compris les réfectoires, logements et sanitaires ainsi que les pavillons d'accueil, pendant la durée des actes et travaux et pour autant que le chantier se poursuive de manière continue. x x2 Le placement d'installations à caractère social, culturel, sportif ou récréatif, en ce compris les emplacements de stationnement en plein air y relatifs, pour une durée maximale de nonante jours pour autant qu'au terme de ce délai, le bien retrouve son état initial. x x3 Le placement d'installations à caractère commercial, sur le domaine public, ou sur le domaine privé à la condition d'être en lien avec une activité existante, en ce compris les emplacements de stationnement en plein air y relatifs, pour une durée maximale de soixante jours pour autant que les installations soient conformes aux guide communal et régional d'urbanisme et qu'au terme du délai, le bien retrouve son état initial. x x4 Le placement provisoire d'installations nécessaires à l'accueil d'une activité déplacée, pendant la durée des actes et travaux soumis à permis, pour autant que le chantier se poursuive de manière continue et qu'une fois les actes et travaux réalisés ou le permis périmé, les installations soient enlevées. x x5 La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 et 4. x xQ Enseignes et dispositifs de publicité 1 Le placement d'une ou plusieurs enseignes, ou d'un ou plusieurs dispositifs de publicité. x x2 L'enlèvement des enseignes et dispositifs visés au point 1 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x xR Miradors et postes d'observation 1 En zone forestière, dans la zone contiguë à la zone forestière et en zone agricole, les miradors et autres postes d'observation en bois ou métalliques de ton mat visés à l'article 1er, § 1er, 9° de la loi du 28 février 1882 sur la chasse. x x2 L'enlèvement des miradors et des postes d'observation visés au point 1 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x xS Arbres et haies 1 Le boisement ou le déboisement. x x2 L'agroforesterie en tant que mode d'exploitation des terres agricoles associant des plantations ligneuses à des cultures ou des pâturages. x x3 Sans préjudice de l'article R.IV.4-4, la culture de sapins de Noël. x x4 L'abattage d'une haie sur une longueur continue de moins de 2,50 m en vue de créer un seul accès à une habitation existante. x x5 L'abattage d'arbres isolés à haute tige, plantés dans les zones d'espaces verts prévues par le plan de secteur ou un schéma d'orientation local en vigueur, l'abattage d'une haie ou l'abattage d'un ou plusieurs ou tous les arbres d'une allée. x x6 L'abattage, l'atteinte au système racinaire ou la modification de l'aspect d'un arbre remarquable, d'un arbuste remarquable ou d'une haie remarquable. x x7 Le défrichage ou la modification de la végétation de toute zone visée à l'article R.IV.4- 11. x x8 L'abattage d'arbres visé aux points 5 à 7 faisant l'objet d'un arrêté du bourgmestre pris en urgence dans le but d'assurer la sécurité publique. x xT Modification du relief du sol 1 La modification sensible du relief du sol pour les forages ou carottages réalisés dans le cadre d'une étude géotechnique, d'une prospection géologique ou d'une étude de la pollution du sol. x x2 La modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 dans un rayon de 30,00 m d'une construction ou d'une installation dûment autorisée. x x3 a) our la mise en oeuvre d'un programme d'action sur les rivières par une approche intégrée et sectorisée visé à l'article D. 33/3 du Livre II du Code de l'environnement, constituant le Code de l'eau, qui concerne :
  a) les travaux de remblais ou de déblais n'excédant pas 50 centimètres et situés à une distance maximum de 6,00 m à partir de la crête de berge d'un cours d'eau, y compris dans les zones soumises à l'aléa d'inondation ;
  b) le dépôt et l'étalement des produits provenant des travaux de curage d'un cours d'eau. x xU Utilisation d'un terrain pour dépôts et installations mobiles 1 Utiliser habituellement un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations mobiles au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 15°, b en vue de réaliser une " aire d'accueil à la ferme " au sens de l'article 252/1.D du Code wallon du Tourisme, en ce compris l'installation ou la transformation des impétrants nécessaires à la viabilisation du terrain, pour autant qu'elle soit conforme aux prescriptions décrétales et règlementaires du plan de secteur. x x2 a) Utiliser habituellement un terrain pour :
  le dépôt d'un ou plusieurs véhicules usagés, de mitrailles, de matériaux ou de déchets ;
  b) le placement d'une ou plusieurs installations mobiles, telles que roulottes, caravanes, véhicules désaffectés et tentes, à l'exception des installations mobiles autorisées par une autorisation visée par le Code wallon du tourisme, le décret du 4 mars 1991 relatif aux conditions d'exploitation des terrains de caravanage ou le décret de la Communauté germanophone du 9 mai 1994. x xV Structure destinée à l'hébergement touristique et de loisirs 1 Le placement d'un ou plusieurs abris mobiles au sens de l'article 1er D, 2° du Code wallon du tourisme, aux conditions cumulatives suivantes :
  l'abri mobile a une superficie maximale de 50,00 m2 ;
  son placement ou sa construction ne nécessite pas de modification sensible du relief du sol ;
  il est situé :
  dans un camping touristique ou dans un camping à la ferme autorisé en vertu du Code wallon du Tourisme ;
  dans un terrain de caravanage autorisé en vertu du décret du 4 mars 1991 relatif aux conditions d'exploitation des terrains de caravanage ;
  dans un camping autorisé en vertu du décret du Conseil de la Communauté germanophone du 9 mai 1994 sur le camping et les terrains de camping. x x2 La construction d'une terrasse avec ou sans balustrades qui respecte les conditions de l'article 249 AGW, alinéa 1er, 3° et alinéa 2 du Code wallon du Tourisme dans un camping touristique. x x3 La construction de cabanes en bois ou le placement de tentes, tipis, yourtes et bulles en zone forestière. x x4 L'enlèvement ou la démolition des hébergements touristiques ou de loisirs, de terrasses visés aux points 1 à 3 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x xW Actes et travaux sur le domaine public de la voirie, des voies ferrées et des cours d'eau 1 Pour autant qu'il n'y ait pas d'élargissement de l'assiette des voiries, le renouvellement des fondations et du revêtement des voiries, bermes, bordures, trottoirs, îlots et places publiques, à l'exception des changements de revêtements constitués de pierres naturelles et, pour les places publiques, pour autant que les actes et travaux n'augmentent pas la superficie des revêtements en matériau imperméable. x x2 La pose, le renouvellement, le déplacement ou l'enlèvement des éléments accessoires tels que les radars, parapets, les glissières et bordures de sécurité, à l'exception des murs de soutènement et des écrans anti-bruits. x x3 L'installation, le déplacement, la transformation, l'extension ou l'enlèvement des réseaux de fluides, d'une pression inférieure ou égale à 20 bars pour le gaz, d'énergie, d'une tension inférieure ou égale à 70 KV pour l'électricité, et de télécommunication insérés, ancrés, prenant appui ou surplombant le domaine public en ce compris les raccordements privés, les éléments accessoires et équipements connexes tels que bornes, armoires techniques, pylônes et poteaux d'une hauteur maximale de 14 mètres. x x4 Les aménagements provisoires de voirie d'une durée maximale de cinq ans. x x5 Les travaux d'aménagement des espaces réservés aux piétons, personnes à mobilité réduite ou cyclistes et visant la création ou l'agrandissement local de ces espaces, l'amélioration de leur aspect esthétique ou la sécurité des usagers, que ces travaux entraînent ou non un rétrécissement de l'assiette de la ou des voiries. x x6 Le placement ou le renouvellement de petit mobilier urbain tels que bancs, tables, sièges, poubelles, candélabres, bacs à plantations, petites pièces d'eau, bornes électriques, conteneurs, enterrés ou non, affectés à la collecte des déchets ménagers ou assimilés. x x7 Les travaux d'aménagement des espaces réservés aux plantations. x x8 Le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs ou éléments de signalisation suivants :
  a) la signalisation, en ce compris son support et les portiques, ainsi que sa protection vis-à-vis de la circulation ;
  b) les dispositifs fixes ou mobiles limitant la circulation, le stationnement ou la vitesse ;
  c) les dispositifs de contrôle du stationnement, tels que les parcmètres ou appareils horodateurs ;
  d) les dispositifs de stationnement non-couverts pour véhicules à deux roues ;
  e) les dispositifs accessoires d'installations techniques, souterraines ou non, tels que des armoires de commande électrique de feux de signalisation ou d'éclairage public, bornes téléphoniques, bornes incendies et armoires de télédiffusion. x x9 Le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs d'éclairage public. x x10 Pour autant qu'ils ne soient pas soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme, le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs d'affichage et de publicité suivants :
  a) les colonnes dont le fût est d'au plus 1,20 m de diamètre et ne dépasse pas 3,50 m de hauteur ;
  b) les panneaux sur pieds dont les hauteur et largeur maximales ne dépassent pas respectivement 2,50 m et 1,70 m et dont la superficie utile ne dépasse pas 4,00 m2 par face. x x11 L'établissement ou la modification de la signalisation au sol. x x12 Le placement, le déplacement ou l'enlèvement de ralentisseurs de trafic. x x13 La pose, l'enlèvement ou le renouvellement des fondations et des dispositifs d'exploitation des voies et des lignes de transport en commun existants tels que rails, traverses, ballast, poteaux caténaires, signaux, portiques, loges, armoires de signalisation ou poteaux d'arrêts pour les voyageurs. x x14 Le placement d'une terrasse ouverte saisonnière dans le secteur horeca, pour autant que sa superficie ne dépasse pas 50,00 m2. x x15 Les abris pour voyageurs aux arrêts de transport public. x x16 Le placement ou le déplacement de boîtes postales. x x17 Le placement, le déplacement ou l'enlèvement de statues, monuments commémoratifs et autres oeuvres artistiques, placés par les autorités ou sur l'ordre des autorités. x x18 La pose, le renouvellement ou l'enlèvement d'ouvrages de protection des berges dans un cours d'eau non navigable, à l'exception de murs maçonnés, sur un linéaire n'excédant pas 100 m et d'une hauteur maximum de 2 m. X
  XX Egouttage, canalisation et réseaux en dehors du domaine public de la voirie, des voies ferrées et des cours d'eau, forages et prises d'eau 1 L'installation, le déplacement, la transformation de raccordements privés, en ce compris les armoires techniques, aux réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication ainsi que l'installation, le déplacement, la transformation de citernes à eau ou combustibles enfouies, drains, avaloirs, filets d'eau, regards, taques et fosses septiques et tout autre système d'épuration individuelle des eaux usées domestiques pour autant que, cumulativement :
  a) les déblais éventuels nécessaires à ces aménagements n'entrainent aucune modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le restant de la propriété ;
  b) ces dispositifs soient en rapport avec l'infrastructure nécessaire à l'aménagement de la propriété et situés exclusivement sur celle-ci. x x2 Les raccordements privés, en ce compris les armoires techniques, aux réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication ainsi que le placement de citernes à eau ou combustibles enfouies, drains, avaloirs, filets d'eau, regards, taques et fosses septiques et tout autre système d'épuration individuelle qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. x x3 Le placement de citernes aériennes. x x4 L'insertion ou le renforcement de réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication dans un site technique déjà aménagé pour autant que, cumulativement :
  a) les travaux projetés sont propres à la fonction du site ;
  b) les installations, bâtiments, constructions et revêtement existants ont été légalement autorisés ;
  c) les travaux ne visent pas la construction d'un bâtiment ;
  d) l'emprise au sol ne réduit pas les périmètres ou les dispositifs d'isolement existants. x x5 Les forages de puits et les prises d'eau. x x6 Dans les zones non destinées à l'urbanisation et à condition de ne pas nécessiter de permis au sens de l'article R.IV.4-3, alinéa 1er, 6°, l'établissement ou la modification d'un système de drainage pour autant que le terrain ne soit pas situé dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception des sites Natura 2000, ou exposé à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tel que visé à l'article D.IV.57, 3°. x x7 L'installation, le déplacement, la transformation ou l'extension des réseaux de fluides, d'énergie et de télécommunication insérés ou ancrés, enterrés ou aériens et les éléments accessoires et les équipements connexes, lorsqu'ils sont situés en dehors du domaine public. x x8 L'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 7 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x xY Télécommu-nication, télédistribu-tion, fibre optique, gaz, électricité 1 Le remplacement d'installation ou d'armoires techniques par des installations ou armoires techniques d'un volume moindre ou équivalent. x x2 Le remplacement d'antennes existantes par des antennes de dimensions égales ou inférieures ou supérieures, à la condition que la hauteur totale incluant leur mât de support ne soit pas augmentée et que les nouvelles antennes soient d'une hauteur maximale de 3,00 m. x x3 Le remplacement d'un pylône ou d'un poteau existant par un pylône ou un poteau de même hauteur et de même type installé sur le même site. x x4 Le placement d'une armoire technique sur une toiture plate à condition qu'elle ne soit pas visible de la voirie, à savoir qu'elle soit située à une distance d'au moins une fois et demi la hauteur de l'armoire depuis l'acrotère. x x5 Le placement ou le remplacement d'armoires techniques à côté d'un pylône ou d'un poteau posé au sol ou dans un local technique situé à proximité d'un mât de support placé sur un toit. x x6 La pose d'installations techniques en vue d'assurer la stabilité et la sécurité d'installations existantes ainsi que leur bon fonctionnement. x x7 Le placement d'antennes ou faisceaux hertziens, d'armoires et d'installations techniques lors d'évènements culturels, sportifs, récréatifs ou commerciaux, placées pour une durée maximale de 90 jours à condition que ces antennes ou faisceaux, armoires et installations ne soient pas placés plus de 15 jours avant le début de l'évènement et qu'ils soient enlevés au plus tard 15 jours après la fin de l'événement. x x8 Le déplacement et/ou la reconstruction d'antennes ou faisceaux hertziens, de réseaux insérés, ancrés, enterrés ou aériens, et d'armoires et installations techniques pour des raisons d'urgence, de sécurité ou d'intérêt public imprévisibles dans le chef de l'opérateur, le temps nécessaire pour obtenir toutes les autorisations requises au déplacement et/ou à la reconstruction du site. x x9 Le déplacement temporaire d'une installation existante afin d'assurer la continuité des services, en cas de travaux effectués par le propriétaire de la structure initiale, pour la durée exclusive des travaux. x x10 La pose d'installations telles que les antennes, faisceaux hertziens, armoires et installations techniques pour autant qu'elles soient situées à l'intérieur de bâtiments, de constructions ou de structures existantes ou couvertes par des matériaux ayant la même apparence que les matériaux existants. x x11 Le placement de faisceaux hertziens ayant un diamètre maximal de 90 cm sur un pylône existant ou un mât de support en toiture dûment autorisé. x x12 Le placement d'une antenne de radio-télévision ou de faisceaux hertziens (antenne parabolique ou antenne-panneau).
  Situation :
  * soit ancrée sur une élévation à l'arrière du bâtiment par rapport à la voirie de desserte ou en recul d'au moins 4,00 m de l'alignement ;
  * soit ancrée au sol ou sur un pan de toiture et implantée à l'arrière du bâtiment par rapport à la voirie de desserte.
  Superficie maximale : 1,00 m2.
  Matériaux : l'antenne soit d'un ton similaire à celui de son support. x x13 Le placement d'une antenne de radio-télévision ou de faisceaux hertziens (antenne parabolique ou antenne-panneau).
  Situation : sur un toit plat.
  Hauteur maximale : 5,00m support compris, et la hauteur est inférieure à la distance séparant l'installation de l'acrotère.
  Superficie maximale : 1,00 m2. x x14 Le placement d'une antenne visée aux points 1 ou 2, et qui ne remplit pas les conditions énoncées aux points 1 ou 2. x x15 Le placement d'antennes et de boîtiers de modules radio distants sur un pylône existant ancré au sol ou un mât de support en toiture dûment autorisé, à condition que le déport soit de maximum 1,00 m dans le cas d'un pylône et de maximum 0,40 m dans le cas d'un mât de support, et que la hauteur du pylône ou du mât ne soit pas dépassée. x x16 Le placement d'antennes accolées à une façade existante avec un maximum d'une antenne, en ce compris les éléments actifs nécessaires à son raccordement, par 6 mètres courants de façade, ou à un pignon existant avec un maximum d'une antenne par pignon, ou sur une cheminée à condition que ces antennes aient une couleur similaire au revêtement de la façade ou du pignon. x x17 Le placement d'antennes sur le toit plat ou la partie plate du toit d'un immeuble, à condition qu'elles aient une hauteur maximale de 3,00 m support inclus, que cette hauteur soit inférieure à la distance séparant l'installation du bord inférieur ou de la rive de la toiture ou de l'acrotère et que le bâtiment soit d'une hauteur minimale de 12,00 m. x x18 Le placement sur façade et en aérien de câbles et conduites de communications électroniques ou numériques et des boîtes de raccordement connexes, pour autant que la couleur soit neutre et discrète et pour autant que le tracé du câble suive les lignes architecturales de l'habitation telles que le seuil de la fenêtre, la corniche, les jointages entre façade, le bord inférieur ou la rive de toiture, l'acrotère. x x19 Le placement de l'antenne d'une station d'amateur au sens de l'arrêté ministériel du 9 janvier 2001 relatif à l'établissement et la mise en service de stations radioélectriques par des radioamateurs. x x20 Le placement sur le domaine public de supports d'un diamètre maximum de 30 cm et d'une hauteur maximale de 8m supportant des équipements techniques de télécommunication et des antennes, y compris des faisceaux hertziens d'un diamètre maximum de 90 cm, avec un déport n'excédant pas 40 cm. x x21 La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 20, pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. x xZ Domaines militaires 1 La réalisation d'ouvrages défensifs à caractère opérationnel ou devant rester secret stratégique, pour le compte du Ministère de la Défense nationale et dont la liste est établie conjointement par le Ministre de la Défense nationale et le Ministre ayant l'Aménagement du territoire dans ses attributions. x x
Art. 13. In artikel R.IV.1-2 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in punt 3°, worden de woorden "die geen verbinding vereisen" geschrapt;
  b) tussen punt 4° en punt 5° wordt een punt 4/1° ingevoegd, luidend als volgt :
  " 4/1° de bouw van een loods bedoeld in artikel R.II.37-4, een vissershut, een jachthut, een observatiepost;";
  c) in punt 5°, wordt punt a) vervangen als volgt :
  "a) werken, waarin de technieken van een ingenieur van doorslaggevende betekenis zijn, zoals bruggen en tunnels, wegen, openbare plaatsen, parkings, spoorwegen, metro en ieder vervoer met vaste steunpunten, startbanen der vliegvelden, waterwerken, stuwdammen, kanalen, havens en jachthavens, waterwinningsplaatsen, elektrische lijnen, pylonen, masten, de inkoopstations, windmolens, turbines, gasleidingen, olieleidingen, pijpleidingen en televerbindingen;".
Art. 13. Dans l'article R.IV.1-2 de la partie réglementaire du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  a) au point 3°, les mots " , ne nécessitant aucun assemblage " sont supprimés ;
  b) il est inséré entre le 4° et le 5° un point 4/1°, rédigé comme suit :
  " 4/1° la construction d'un hangar visé à l'article R.II.37-4, d'un refuge de pêche, d'un refuge de chasse, d'un poste d'observation ; " ;
  c) dans le point 5°, le point a) est remplacé parce qui suit :
  " a) les travaux pour lesquels les techniques de l'ingénieur ont une part prépondérante tels que les ponts et tunnels, routes, places publiques, parkings, voies ferrées, métro et tout transport à supports fixes, pistes des aérodromes, ouvrages hydrauliques, barrages, canaux, ports et marines, captage des eaux, lignes électriques, pylônes, mâts, cabines de tête, éoliennes, turbines, gazoducs, oléoducs, pipe-lines, télécommunication ; ".
Art. 14. In artikel R.IV.4-3 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, 7°, a), worden de woorden "1, 2, 3, 6, 7, 8" ingevoegd tussen de woorden "de beheerseenheden" en de woorden "10 en 11";
  2° er wordt tussen het derde en het vierde lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
  "In afwijking van het lid, 1° en 2° zijn wijzigingen van het bodemreliëf die verband houden met een landbouwactiviteit en die worden uitgevoerd met grond uit het wassen of de mechanische behandeling op vibrerende tafel van suikerbieten, aardappelen en andere producties van akkerbouwmatig geteelde groenten, gevoelig wanneer zij meer dan vijftig centimeter bedragen.".
Art. 14. Dans l'article R.IV.4-3 de la partie réglementaire du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, 7°, a), les mots " 1, 2, 3, 6, 7, 8 " sont insérés entre les mots " unités de gestion " et les mots " 10 et 11 " ;
  2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 3 et 4 :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, les modifications du relief du sol liées à une activité agricole et réalisées avec des terres issues du lavage ou du traitement mécanique sur table vibrante de produits agricoles tels que les betteraves, les pommes de terre, et autres productions de légumes de plein champ, sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres. ".
Art. 15. In artikel R.IV.4-4, tweede lid, 4°, van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "artikel R.II.37-1" vervangen door de woorden "de artikelen D.II.37 en R.II.37-1 in bosgebied".
Art. 15. Dans l'article R.IV.4-4, alinéa 2, 4°, de la partie réglementaire du même Code, les mots " l'article R.II.37-1 " sont remplacés par les mots " les articles D.II.37 et R.II.37-1 en zone forestière ".
Art. 16. In artikel R.IV.4-11 van hetzelfde Boek, worden de volgende de wijzigingen aangebracht:
  a) punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
  "3° de gebieden erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van de aangewezen Natura 2000-gebieden.";
  b) punt 4° wordt opgeheven.
Art. 16. Dans l'article R.IV.4-11 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° les sites reconnus par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception des sites Natura 2000 désignés. " ;
  b) le point 4° est abrogé.
Art. 17. In artikel R.IV.22-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in de inleidende zin worden de woorden "artikel D.IV.21" vervangen door de woorden "artikel D.IV.22";
  b) in punt 4°, worden de woorden "de Verkavelingscomités opgericht voor de ruilverkaveling van landeigendommen" vervangen door de woorden "de Comités voor landinrichting";
  c) het artikel wordt aangevuld met een punt 22°, luidend als volgt:
  "22° de politiezone".
Art. 17. Dans l'article R.IV.22-1 de la partie réglementaire du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans la phrase liminaire, les mots " article D.IV.21 " sont remplacés par les mots " article D.IV.22 " ;
  b) au 4°, les mots " de remembrement créés pour le remembrement légal de biens ruraux " sont remplacés par les mots " d'aménagement foncier " ;
  c) l'article est complété par un 22°, rédigé comme suit :
  " 22° la zone de police ".
Art. 18. Artikel R.IV.25-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 18. L'article R.IV.25-1 de la partie réglementaire du même Code est abrogé.
Art. 19. In artikel R.IV.26-3 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt vóór het voorlaatste lid een lid ingevoegd, luidend als volgt :
  "De gemeenten kunnen de bijlagen 4 tot en met 11 aanpassen in het kader van de toepassing van het reglement betreffende de bescherming van hun persoonsgegevens en uitsluitend voor dit doel, en de naam van de gemeente en haar logo toevoegen aan het aangepaste formulier.".
Art. 19. Dans l'article R.IV.26-3 de la partie réglementaire du même Code, un alinéa rédigé comme suit est inséré avant l'avant dernier alinéa :
  " Les communes peuvent adapter les annexes 4 à 11 dans le cadre de l'application de la réglementation relative à la protection des données personnelles qui les concerne et pour cette seule fin, et ajouter au formulaire adapté le nom de la commune et son logo. ".
Art. 20. In artikel R.IV.30-3 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt vóór het laatste lid een lid ingevoegd, luidend als volgt :
  "De gemeenten kunnen de bijlagen 14 tot en met 15 aanpassen in het kader van de toepassing van het reglement betreffende de bescherming van hun persoonsgegevens en uitsluitend voor dit doel, en de naam van de gemeente en haar logo toevoegen aan het aangepaste formulier.".
Art. 20. Dans l'article R.IV.30-3 de la partie réglementaire du même Code, un alinéa rédigé comme suit est inséré avant le dernier aliéna :
  " Les communes peuvent adapter les annexes 14 et 15 dans le cadre de l'application de la réglementation relative à la protection des données personnelles qui les concerne et pour cette seule fin, et ajouter au formulaire adapté le nom de la commune et son logo. ".
Art. 21. In de tabel van artikel R.IV.35-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de regel "in de nabijheid van een luchthaven", wordt het woord "BELGOCONTROL" vervangen door "SKEYES" ;
  2° de regel "Toeristische uitrusting" wordt vervangen als volgt :
  "
Art. 21. Dans le tableau de l'article R.IV.35-1 de la partie réglementaire du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans la ligne " à proximité d'un aéroport ", le mot " BELGOCONTROL " est remplacé par " SKEYES " ;
  2° la ligne " Equipement touristique " est remplacée par ce qui suit :
  "
Toeristische uitrusting Toeristisch project waarvan de oppervlakte hoger dan 5ha is in de zin van artikel R.IV.45-3 Commissariaat-generaal voor toerisme
 Toeristisch project in bosgebied in het kader van het gewestelijk project voor de toeristische valorisering van de bosarealen van het Waalse Gewest Commissariaat-generaal voor toerisme
Toeristische uitrusting Toeristisch project waarvan de oppervlakte hoger dan 5ha is in de zin van artikel R.IV.45-3 Commissariaat-generaal voor toerismeToeristisch project in bosgebied in het kader van het gewestelijk project voor de toeristische valorisering van de bosarealen van het Waalse Gewest Commissariaat-generaal voor toerisme
" ;
  3° de regel "Afwijkingen" wordt opgeheven".
Equipement touristique Projet touristique dont la superficie est supérieure à 5 ha au sens de l'article R.IV.45-3 Commissariat Général au Tourisme
 Projet touristique en zone forestière dans le cadre du projet régional de valorisation touristique des massifs forestiers développé par la Région wallonne Commissariat Général au Tourisme
Equipement touristique Projet touristique dont la superficie est supérieure à 5 ha au sens de l'article R.IV.45-3 Commissariat Général au TourismeProjet touristique en zone forestière dans le cadre du projet régional de valorisation touristique des massifs forestiers développé par la Région wallonne Commissariat Général au Tourisme
" ;
  3° la ligne " Dérogations " est abrogée ".
Art. 22. Artikel R.IV.66-3 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 22. L'article R.IV.66-3 de la partie réglementaire du même Code est abrogé.
Art. 23. Artikel R.V.2-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
  "Art. R.V.2-1. De "DAO" neemt haar beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk bevonden wordt binnen twintig dagen na ontvangst van de aanvraag.".
Art. 23. L'article R.V.2-1 de la partie réglementaire du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. R.V.2-1. La DAO statue sur le caractère complet et recevable de la demande dans les vingt jours de la réception de la demande. ".
Art. 24. Artikel R.V.7-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
  "Art. R.V.7-1. De "DAO" neemt haar beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk bevonden wordt binnen twintig dagen na ontvangst van de aanvraag.".
Art. 24. L'article R.V.7-1 de la partie réglementaire du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. R.V.7-1. La DAO statue sur le caractère complet et recevable de la demande dans les vingt jours de la réception de la demande. ".
Art. 25. Artikel R.V.11-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 25. L'article R.V.11-1 de la partie réglementaire du même Code est abrogé.
Art. 26. Artikel R.V.16-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 26. L'article R.V.16-1 de la partie réglementaire du même Code est abrogé.
Art. 27. In boek VI, titel 4, hoofdstuk II, afdeling 1, onderafdeling 1, van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel R.VI.50-1 ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. R.VI.50-1. § 1. De belastingplichtige die de belasting wenst te verminderen, moet de verklaring op erewoord ten belope van het bedrag van de te verrichten investering en het financieel plan aan het personeelslid van niveau A dat verantwoordelijk is voor het Departement Vestiging en Controle Belastingen van het Operationeel Directoraat-generaal Fiscaliteit van de Waalse Overheidsdienst, of aan het personeelslid dat deze functie uitoefent, of aan het personeelslid dat hij heeft gedelegeerd, overmaken na ontvangst van de vergunning bedoeld in artikel D.VI.48, eerste lid, 2°, tweede streepje, en uiterlijk 60 dagen na ontvangst van de vergunning op straffe van het verliezen van zijn vermindering; hij voegt een afschrift van de vergunning en van de plannen bij. Voor de verklaring op erewoord wordt gebruik gemaakt van het formulier in bijlage 28. De Minister kan bijlage 28 wijzigen.
  Het financieringsplan bevat het gedetailleerde provisionele bedrag van de te verrichten investering en informatie over de financieringsbronnen ervan. Het financieringsplan wordt uitsluitend gebaseerd op het project waarop de afgegeven vergunning betrekking heeft en wordt, in voorkomend geval, verdeeld tussen de percelen of delen van percelen waarvoor de verandering van bestemming geldt en die waarvoor deze niet geldt; deze verdeling moet worden toegelicht en gemotiveerd.
  § 2. Overeenkomstig artikel D.VI.50, § 3, eerste lid, wordt, wanneer het toegestane project wordt uitgevoerd op verschillende percelen of delen van percelen die genieten van de bestemmingswijziging, de vermindering in mindering gebracht op het totale bedrag dat de schuldenaar voor alle betrokken percelen of delen van percelen verschuldigd is, ongeacht de verdeling op grond van de uit te voeren handelingen en werken.
  § 3. Wanneer het personeelslid bedoeld in het eerste lid het financieel plan niet overtuigend heeft bevonden en de belasting daardoor niet wordt verlaagd, voegt hij bij het aanslagbiljet een verklaring van de reden of redenen waarom hij van mening was dat het document niet overtuigend is. Een financieel plan is niet overtuigend wanneer het te kort of onrealistisch is.
  § 4. Zodra het bedrag van de investering die aanleiding gaf tot de vermindering van de belasting, is geïnvesteerd en uiterlijk bij het verstrijken van de termijn van tien jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop de belasting verschuldigd is, zendt de belastingplichtige het bewijs van de investering aan het personeelslid bedoeld in het eerste lid.
  Deze bewijsstukken bestaan uit de betaling van de facturen voor aankopen, studies, handelingen en werken die nodig zijn voor het in lid 2 bedoelde project en die daadwerkelijk zijn uitgevoerd op de percelen of delen van percelen waarvoor de verandering van bestemming geldt.
  Indien het bedrag van de investering die aanleiding heeft gegeven tot de belastingvermindering niet volledig gerechtvaardigd is, wordt het bedrag van de verleende vermindering bij de belastingbetaler in gelijke mate teruggevorderd." .
Art. 27. Dans le livre VI, titre 4, chapitre II, section 1ère, sous-section 1ère, de la partie réglementaire du même Code, il est inséré un article R.VI.50-1, rédigé comme suit :
  " Art. R.VI.50-1. § 1er. Le redevable qui souhaite une réduction de la taxe transmet la déclaration sur l'honneur attestant du montant de l'investissement à réaliser et le plan financier à l'agent de niveau A responsable du Département de l'Etablissement et du Contrôle de la Direction générale opérationnelle Fiscalité du Service public de Wallonie, ou l'agent qui exerce cette fonction, ou l'agent délégué par lui, dès réception du permis visé à l'article D.VI.48, alinéa 1er, 2°, second tiret, et, au plus tard, dans les soixante jours de sa réception sous peine de perdre le droit à la réduction; il joint une copie du permis délivré et des plans. La déclaration sur l'honneur est introduite en utilisant le formulaire repris en annexe 28. Le Ministre peut modifier l'annexe 28.
  Le plan financier comporte le montant prévisionnel détaillé de l'investissement à réaliser et renseigne ses sources de financement. Le plan financier est basé uniquement sur le projet qui fait l'objet du permis délivré, et est, le cas échéant, ventilé entre les parcelles ou parties de parcelle bénéficiant de la modification de destination et celles qui n'en bénéficient pas; cette ventilation est expliquée et justifiée.
  § 2. Conformément à l'article D.VI.50, § 3, alinéa 1er, lorsque le projet autorisé est réalisé sur plusieurs parcelles ou parties de parcelle bénéficiant de la modification de destination, la réduction est imputée sur le montant total dû par le redevable pour l'ensemble des parcelles ou parties de parcelle concernées, indépendamment de la répartition sur le terrain des actes et travaux à réaliser.
  § 3. Lorsqu'il a jugé le plan financier non probant et qu'en conséquence la taxe n'est pas réduite, l'agent visé à l'alinéa 1er joint à l'avertissement-extrait de rôle un exposé de la ou des raisons pour lesquelles il a estimé que ce document n'est pas probant. Un plan financier n'est pas probant lorsqu'il est trop succinct ou peu réaliste.
  § 4. Dès que le montant de l'investissement qui a donné lieu à la réduction de la taxe est investi et au plus tard à l'échéance des dix ans prenant cours à dater du moment où la taxe est due, le redevable transmet les preuves de la réalisation de l'investissement à l'agent visé à l'alinéa 1er.
  Ces preuves consistent en des paiements de factures relatives aux acquisitions, études, actes et travaux nécessaires au projet visé à l'alinéa 2, tel qu'il est dans les faits réalisé sur les parcelles ou parties de parcelle bénéficiant de la modification de destination.
  Lorsque le montant de l'investissement qui a donné lieu à la réduction de la taxe n'est pas totalement justifié, le montant de la réduction accordée est recouvré à due concurrence auprès du redevable. ".
Art. 28. Artikel R.II.57-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
  "Art. R.VI.57-1. De kohieren worden gevormd door het personeelslid van niveau A aangewezen door de directeur-generaal van DGO4 of het door hem gemachtigd personeelslid.
  Wanneer een belastingvermindering wordt gevraagd, worden de kohieren gezamenlijk gevormd door het personeelslid van niveau A aangewezen door de directeur-generaal van DGO4 of het door hem gemachtigd personeelslid en door het personeelslid van niveau A verantwoordelijk voor het Departement Vestiging en Controle Belastingen van het Operationeel Directoraat-generaal Fiscaliteit van de Waalse Overheidsdienst of het personeelslid dat deze functie uitoefent, of het door hem gemachtigd personeelslid.
  De kohieren worden uitvoerbaar verklaard door het personeelslid van niveau A verantwoordelijk voor het Departement Vestiging en Controle Belastingen van het Operationeel Directoraat-generaal Fiscaliteit van de Waalse Overheidsdienst of het personeelslid dat deze functie uitoefent, of het door hem gemachtigd personeelslid.
Art. 28. L'article R.VI.57-1 de la partie réglementaire du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. R.VI.57-1. Les rôles sont formés par l'agent de niveau A désigné par le directeur général de la DGO4 ou l'agent délégué par lui.
  Lorsqu'une réduction de la taxe est sollicitée, les rôles sont formés conjointement par l'agent de niveau A désigné par le directeur général de la DGO4 ou l'agent délégué par lui et par l'agent de niveau A responsable du Département de l'Etablissement et du Contrôle de la Direction générale opérationnelle Fiscalité du Service public de Wallonie ou l'agent qui exerce cette fonction, ou l'agent délégué par lui.
  Les rôles sont rendus exécutoires par l'agent de niveau A responsable du Département de la Fiscalité générale de la Direction générale opérationnelle Fiscalité du Service public de Wallonie ou l'agent qui exerce cette fonction, ou l'agent délégué par lui. ".
Art. 29. In artikel R.VI.57-4 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "van DGO4" ingevoegd tussen de woorden "naar het personeelslid" en "belast met het opstellen van de kohieren".
Art. 29. Dans l'article R.VI.57-4 de la partie réglementaire du même Code, les mots " de la DGO4 " sont ajoutés après les mots " à l'agent chargé de former les rôles ".
Art. 30. In artikel R.VI.57-5 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "van DGO4" ingevoegd tussen de woorden "naar het personeelslid" en "belast met het opstellen van de kohieren".
Art. 30. Dans l'article R.VI.57-5 de la partie réglementaire du même Code, les mots " de la DGO4 " sont ajoutés après les mots " à l'agent chargé de former les rôles ".
Art. 31. In artikel R.VII.3-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de inleidende zin van het eerste lid, wordt in de Franse versie het woord "constateur" vervangen door het woord "constatateur";
  2° in het derde lid, 2°, worden de woorden "D.VII.1, tweede lid" vervangen door de woorden "D.VII.11, tweede lid".
Art. 31. Dans l'article R.VII.3-1 de la partie réglementaire du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans la phrase liminaire de l'alinéa 1er, le mot " constateur " est remplacé par le mot " constatateur " ;
  2° dans l'alinéa 3, 2°, les mots " D.VII.1, alinéa 2 " sont remplacés par les mots " D.VII.11, alinéa 2 ".
Art. 32. Artikel R.VIII.6-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
  "Art. R.VIII. 6-1. Het advies van project aankondiging bedoeld in artikel D.VIII.6 aangeplakt op het terrein wordt afgedrukt in zwarte letters op lichtgroene achtergrond en is in A2-formaat. Het advies van project aankondiging bedoeld in artikel D.VIII.6 dat door het gemeentecollege op de gebruikelijke plaatsen van aanplakking wordt geplaatst, wordt afgedrukt in zwarte letters op een lichtgroene achtergrond en is in A4-formaat.
  Hij omvat minstens de aanduidingen naar het model opgenomen in bijlage 25.".
Art. 32. L'article R.VIII.6-1 de la partie réglementaire du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. R.VIII. 6-1. L'avis d'annonce de projet visé à l'article D.VIII.6 affiché sur le terrain est imprimé en lettres noires sur fond vert clair et est au format A2. L'avis d'annonce de projet visé à l'article D.VIII.6 affiché par le collège communal aux endroits habituels d'affichage est imprimé en lettres noires sur fond vert clair et est au format A4.
  Il comporte au minimum les indications reprises dans le modèle qui figure à l'annexe 25. ".
Art. 33. In artikel R.VIII.7-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "Het bericht van openbaar onderzoek bedoeld in artikel D.VIII.7 aangeplakt op het terrein wordt afgedrukt in zwarte letters op gele achtergrond en is in A2-formaat. Het bericht van openbaar onderzoek bedoeld in artikel D.VIII.7 dat door het gemeentecollege op de gebruikelijke plaatsen van aanplakking wordt geplaatst, wordt afgedrukt in zwarte letters op een gele achtergrond en is in A4-formaat.".
Art. 33. Dans l'article R.VIII.7-1 de la partie réglementaire du même Code, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " L'avis d'enquête publique visé à l'article D.VIII.7 affiché sur le terrain est imprimé en lettres noires sur fond jaune et est au format A2. L'avis d'enquête publique visé à l'article D.VIII.7 affiché par le collège communal aux endroits habituels d'affichage est imprimé en lettres noires sur fond jaune et est au format A4. ".
Art. 34. In boek VIII, titel 2, hoofdstuk II, van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel R. VIII.31-1 ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. R.VIII.31-1. Wat het gewestplan betreft, bepaalt de Minister de personen of instanties die hij krachtens artikel D.VIII.31, § 4, nuttig acht om te raadplegen en draagt de DGO4 op om het dossier voor advies voor te leggen.".
Art. 34. Dans le livre VIII, titre 2, chapitre II, de la partie réglementaire du même Code, il est inséré un article R.VIII.31-1, rédigé comme suit :
  " Art. R.VIII.31-1. En ce qui concerne le plan de secteur, le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.VIII.31, § 4, et charge la DGO4 de soumettre le dossier pour avis. ".
Art. 35. In artikel R.VIII.33-1 van het reglementair deel van hetzelfde Wetboek, wordt een zin tussen de eerste en de tweede zin ingevoegd, luidend als volgt: Wat het ruimtelijk ontwikkelingsplan en het gewestplan betreft, bepaalt de Minister de personen of instanties die hij krachtens artikel D.VIII.33, § 4, eerste lid, nuttig acht om te raadplegen en draagt de DGO4 op om het dossier voor advies voor te leggen.".
Art. 35. Dans l'article R.VIII.33-1 de la partie réglementaire du même Code, une phrase rédigée comme suit est insérée entre la première et la deuxième phrase : " Il détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.VIII.33, § 4, alinéa 1er, et charge la DGO4 de soumettre le dossier pour avis, en ce qui concerne le schéma de développement du territoire et le plan de secteur. ".
Art. 36. In het reglementair deel van hetzelfde Wetboek worden de bijlagen 3 tot en met 21 vervangen en aangevuld door de bijlagen 3 tot en met 21 en 28 bij dit besluit.
Art. 36. Dans la partie réglementaire du même Code, les annexes 3 à 21 sont remplacées et complétées par les annexes 3 à 21 et 28 jointes au présent arrêté.
HOOFDSTUK II. - Overgangs- en slotbepalingen
CHAPITRE II. - Dispositions transitoires et finales
Art. 37. De aanvragen van stedenbouwkundige vergunningen, bebouwingsvergunningen of stedenbouwkundig certificaat nr. 2, waarvan de indiening, bevestigd met een ontvangstbewijs of waarvan de ontvangst van de zending, bevestigd met een bericht van ontvangst van de post of gelijkgestelde dateert van voor de inwerkingtreding van dit besluit, worden verder behandeld op grond van de bepalingen die van toepassing waren op de datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag.
Art. 37. Les demandes de permis d'urbanisme, de permis d'urbanisation ou de certificat d'urbanisme n° 2 dont le dépôt, attesté par un récépissé ou dont la réception de l'envoi, attestée par un accusé de réception postal ou assimilé est antérieure à l'entrée en vigueur du présent arrêté, poursuivent leur instruction sur la base des dispositions en vigueur à la date du récépissé ou de l'accusé de réception de la demande.
Art. 38. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2019.
Art. 38. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2019.
Art. 39. De Minister van Ruimtelijke Ordening is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 39. Le Ministre de l'Aménagement du Territoire est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlagen 3 tot en met 21.
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 14-11-2019, p. 106384)
Art. N1. Annexes 3 à 21
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 14-11-2019, p. 105999)
Art. 1N1. Bijlage 28.
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 14-11-2019, p. [---]
Art. 1N1. Annexe 28.
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 14-11-2019, p. 106160)