Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
2 MEI 2019. - Decreet tot wijziging van verscheidene wetgevingen inzake pacht(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 08-11-2019 en tekstbijwerking tot 12-12-2023)
Titre
2 MAI 2019. - Décret modifiant diverses législations en matière de bail à ferme(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 08-11-2019 et mise à jour au 12-12-2023)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (59)
Texte (59)
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in afdeling 3 ("Regels betreffende de pacht in het bijzonder") van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek
CHAPITRE Ier. - Modifications de la section 3 (" Des règles particulières aux baux à ferme ") du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil
Artikel 1. In artikel 2 van afdeling 3 ("Regels betreffende de pacht in het bijzonder") van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek, vervangen door de wet van 7 november 1988, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° onder 2° wordt het woord "exploitant" vervangen door het woord "landbouwexploitant";
  2° punt 5° wordt vervangen als volgt:
  "5° op de overeenkomsten tot oprichting van een vennootschap, erkend als landbouwonderneming in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, waarop de bepalingen van deze afdeling normaal van toepassing zouden zijn, maar die werd opgericht voor een duur van ten minste 27 jaar; ".
Article 1er. Dans l'article 2 de la section 3 (" Des règles particulières aux baux à ferme ") du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil, remplacé par la loi du 7 novembre 1988, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au 2°, le mot " agricole " est inséré entre les mots " l'exploitant " et les mots " de terres et de pâturages, après avoir effectué ";
  2° le 5° est remplacé par ce qui suit :
  " 5° les conventions visant la création d'une société agréée comme entreprise agricole au sens du Code des sociétés et associations qui serait normalement soumise aux dispositions de la présente section mais qui aurait été créée pour une durée d'au moins vingt-sept ans; ".
Art.2. In dezelfde afdeling wordt een artikel 2bis ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. 2bis. In de zin van deze afdeling wordt verstaan onder:
  1° de wettelijk samenwonenden: de wettelijk samenwonenden in de zin van artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek waarvan het samenwonen een ononderbroken duur van minstens twee jaar heeft voordat volgende gebeurtenissen zich voordoen:
  a) in de artikelen 7, 8, 8bis en 11bis, de datum waarop de pachter kennis van de opzegging wordt gegeven;
  b) in artikel 31, de datum waarop de onderpachtovereenkomst gesloten wordt;
  c) in de artikelen 34 en 35, de datum waarop de overdrachtsovereenkomst gesloten wordt;
  d) in artikel 37, de datum waarop het verzet tegen de hernieuwing van de pacht overeenkomstig artikel 36 bij de rechter aanhangig gemaakt wordt;
  e) in de artikelen 39, 41 en 43, de datum van overlijden van de pachter;
  f) in artikel 47, de datum waarop de pachter kennis geeft van zijn aanvaarding van het aanbod aan de notaris overeenkomstig artikel 48.1, lid 2;
  g) in artikel 48bis, de datum waarop de overdrachtsovereenkomst van de exploitatie gesloten wordt;
  h) in artikel 52, de datum waarop de verkoopovereenkomst gesloten wordt;
  i) in artikel 54, de datum waarop de overdrachtsovereenkomst van het goed of van de exploitatie gesloten wordt;
  2° de bevoorrechte overdracht: de overdracht van een pachtovereenkomst verricht met inachtneming van artikel 35 en die resulteert in een vernieuwing van de pacht.".
Art.2. Dans la même section, il est inséré un article 2bis rédigé comme suit :
  " Art. 2bis. Au sens de la présente section, l'on entend par :
  1° les cohabitants légaux : les cohabitants légaux au sens de l'article 1475 du Code civil dont la cohabitation connaît une durée ininterrompue d'au moins deux ans avant la survenance des évènements suivants :
  a) aux articles 7, 8, 8bis et 11bis, la date à laquelle le congé est notifié au preneur;
  b) à l'article 31, la date à laquelle le contrat de sous-location est conclu;
  c) aux articles 34 et 35, la date à laquelle le contrat de cession est conclu;
  d) à l'article 37, la date à laquelle le juge est saisi de l'opposition au renouvellement du bail conformément à l'article 36;
  e) aux articles 39, 41 et 43, la date du décès du preneur;
  f) à l'article 47, la date à laquelle le preneur notifie son acceptation de l'offre au notaire conformément à l'article 48.1, alinéa 2;
  g) à l'article 48bis, la date à laquelle le contrat de cession de l'exploitation est conclu;
  h) à l'article 52, la date à laquelle le contrat de vente est conclu;
  i) à l'article 54, la date à laquelle le contrat de cession du bien ou de l'exploitation est conclu;
  2° la cession privilégiée : la cession d'un bail à ferme opéré dans le respect de l'article 35 et qui aboutit à un renouvellement du bail. ".
Art.3. In dezelfde afdeling wordt een artikel 2ter ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. 2ter. Iedere zending krachtens één van de bepalingen van deze afdeling wordt geacht van een vaste datum voorzien te zijn wanneer de datum van ontvangst ervan bewezen kan worden en zij één van volgende vormen aanneemt:
  1° de gedateerde en ondertekende e-mail;
  2° het bij ter post aangetekend schrijven;
  3° de zendingen via privé-bedrijven tegen ontvangstbewijs;
  4° de afgifte van een akte tegen ontvangstbewijs.
  De toezending moet uiterlijk op de vervaldag van de termijn geschieden.".
Art.3. Dans la même section, il est inséré un article 2ter rédigé comme suit :
  " Art. 2ter. Tout envoi en vertu d'une des dispositions de la présente section est considéré avoir date certaine lorsque la date de sa réception peut être prouvée et lorsqu'il revêt une des formes suivantes :
  1° le courriel daté et signé;
  2° le recommandé postal;
  3° les envois par des sociétés privées contre accusé de réception;
  4° le dépôt d'un acte contre récépissé.
  L'envoi se fait au plus tard le jour de l'échéance du délai. ".
Art.4. Artikel 3 van dezelfde afdeling, gewijzigd bij de wet van 7 november 1988, wordt vervangen door hetgeen volgt:
  "Art. 3. § 1. Iedere pacht, vallend onder deze afdeling, evenals de wijziging of uitdrukkelijke verlenging ervan, worden schriftelijk vastgesteld. Dit geschrift bevat, los van de andere modaliteiten:
  1° de identiteit van de overeenkomstsluitende partijen, namelijk:
  a) voor de natuurlijke personen, hun naam, voornaam, woonst, geboortedatum en -plaats, burgerlijke stand, hun identificatienummer in het Rijksregister of in het BIS-register van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en, indien gekend, het producentennummer en het ondernemingsnummer bedoeld in artikel III.17 van het Wetboek van economisch recht;
  b) voor de rechtspersonen, hun benaming, hun maatschappelijke zetel en, indien gekend, hun producentennummer en hun ondernemingsnummer bedoeld in artikel III.17 van het Wetboek van economisch recht, evenals de identiteit van de personen die gemachtigd zijn om ze te vertegenwoordigen;
  2° de aanvangsdatum;
  3° de duur van de pacht volgens de artikelen 4 en 8, §§ 2 tot 5;
  4° de kadastrale aanduiding van de percelen zoals opgenomen op het uittreksel uit de kadastrale legger en onder vermelding van minstens: de gemeente waar de percelen gelegen zijn, de afdeling, de sectie, het perceelsnummer, de oppervlakte, evenals de straat- of veldnaam;
  5° het niet-geïndexeerd kadastraal inkomen van elk perceel, evenals de landbouwstreek waarin elk perceel gelegen is.
  Betreffende lid 1, 1°, wordt, wanneer een partij nog geen ondernemings- of producentennummer gekregen heeft, genoemd ondernemings- of producentennummer door die partij, zodra zij erover beschikt, medegedeeld aan alle andere partijen en wordt dit gewaarmerkt in de akte of in een aanvullende verklaring ondertekend onderaan op de akte.
  De meest gerede overeenkomstsluitende partij, kan, bij gebreke van uitvoering binnen de twintig dagen van een per zending betekende ingebrekestelling, de andere partij, in voorkomend geval via gerechtelijke weg, dwingen om een schriftelijke overeenkomst zoals bepaald in deze paragraaf op te stellen, aan te vullen of te ondertekenen.
  Een voorafgaande mondelinge overeenkomst tussen de partijen perkt de bevoegdheid van de rechter in.
  De Regering kan ter informatie een typemodel van pachtovereenkomst vastleggen.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, lid 3, kan het bewijs van het bestaan van de pachtovereenkomst bij alle rechtsmiddelen worden gevoerd. Daarenboven kan de exploitant het bewijs leveren van het bestaan van een pacht door voorlegging van een bewijs van persoonlijk aanbod van betaling, verricht overeenkomstig artikel 23, derde lid, en waartegen de verpachter niet heeft gereageerd door een oproeping in verzoening voor de bevoegde vrederechter binnen zes maanden na het aanbod.
  Binnen de vijftien dagen dient het door een zending bevestigd te worden waarin het bestaan van een pacht vermeld wordt, evenals het jaar en het perceel waarop de betaling betrekking heeft.
  Deze bevestigingsbrief vermeldt uitdrukkelijk:
  1° het woord "pacht";
  2° het jaar waarop de betaling betrekking heeft;
  3° dat de betaling geldt als bewijs van een pacht, tenzij de verpachter binnen de zes maanden na de dag van persoonlijk aanbod van betaling reageert door een oproeping in verzoening voor de bevoegde vrederechter.
  Indien de overeengekomen pachtprijs niet bewezen is, wordt hij vastgesteld door de rechter overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 20 oktober 2016 ter beperking van de pachtprijzen.
  Indien er een naar de vorm andersluidend geschrift is, kan degene die een landeigendom exploiteert, het bewijs leveren van het bestaan van een pacht en van de pachtvoorwaarden door alle middelen met inbegrip van getuigen en vermoedens.
  § 3. De pachten bedoeld in artikel 8, §§ 2 en 3, worden bij een authentieke akte vastgesteld.".
Art.4. L'article 3 de la même section, modifié par la loi du 7 novembre 1988, est remplacé par :
  " Art. 3. § 1er. Tout bail tombant sous la présente section ainsi que sa modification ou sa reconduction expresse, sont établis par écrit. Cet écrit contient indépendamment de toutes autres modalités :
  1° l'identité des parties contractantes, à savoir :
  a) pour les personnes physiques, leurs nom, prénom, domicile, date et lieu de naissance, état civil, leur numéro d'identification dans le registre national ou dans le registre bis de la Banque-Carrefour de la sécurité sociale et, s'ils sont connus, le numéro de producteur et le numéro d'entreprise visé à l'article III.17 du Code de droit économique;
  b) pour les personnes morales, leur dénomination, leur siège social et, s'ils sont connus, leur numéro de producteur et leur numéro d'entreprise visé à l'article III.17 du Code de droit économique, ainsi que l'identité des personnes habilitées à les représenter;
  2° la date de prise de cours;
  3° la durée du bail suivant les articles 4 et 8, §§ 2 à 5;
  4° la désignation cadastrale des parcelles telle que reprise sur l'extrait de la matrice cadastrale et mentionnant à tout le moins : la commune où se situent les parcelles, la division, la section, le numéro parcellaire, la contenance ainsi que le nom de la rue ou le lieu-dit;
  5° le revenu cadastral non-indexé de chaque parcelle ainsi que la Région agricole dans laquelle se situe chaque parcelle.
  Concernant l'alinéa 1er, 1°, lorsqu'un numéro d'entreprise ou un numéro de producteur n'a pas encore été attribué à une partie, cette partie transmet ce numéro d'entreprise ou ce numéro de producteur dès qu'elle en dispose à l'ensemble des parties et le certifie dans l'acte ou dans une déclaration complétive signée au pied de l'acte.
  La partie contractante la plus diligente peut, faute d'exécution dans les vingt jours d'une mise en demeure signifiée par envoi, contraindre l'autre partie, par voie judiciaire s'il échet, à dresser, compléter ou signer une convention écrite telle que prévue au présent paragraphe.
  La compétence du juge est limitée par l'existence préalable d'un contrat oral entre les parties.
  Le Gouvernement peut arrêter un modèle-type de contrat de bail à valeur indicative.
  § 2. Pour l'application du paragraphe 1er, alinéa 3, la preuve de l'existence du bail peut être fournie par toutes voies de droit. De plus, l'exploitant a la faculté de prouver l'existence du bail en produisant une preuve d'offre personnelle de paiement du fermage, conformément à l'article 23, alinéa 3, contre laquelle le bailleur n'a pas réagi dans un délai de six mois, prenant cours au moment de l'offre, par une demande en conciliation devant le juge de paix compétent.
  Elle doit être confirmée dans les quinze jours par un envoi dans lequel mention est faite de l'existence d'un bail ainsi que de l'année et de la parcelle concernées par le paiement.
  Cette lettre confirmative mentionnera expressément :
  1° le terme " bail ";
  2° l'année à laquelle le paiement se rapporte;
  3° que le paiement vaut preuve de l'existence d'un bail sauf si, dans un délai de six mois prenant cours à la date de la réception de l'offre personnelle de paiement du fermage, le bailleur entame une procédure en conciliation devant le juge de paix compétent.
  Si le montant du fermage convenu n'est pas établi, il est déterminé par le juge, conformément aux dispositions du décret du 20 octobre 2016 limitant les fermages.
  S'il existe un écrit autrement formulé, celui qui exploite un bien rural peut fournir la preuve de l'existence d'un bail et des conditions par toutes voies de droit, témoins et présomptions compris.
  § 3. Les baux visés à l'article 8, §§ 2 et 3, sont constatés par un acte authentique. ".
Art.5. Artikel 4 van dezelfde afdeling wordt gewijzigd als volgt:
  1° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
  "Bij gebreke van geldige opzegging wordt de pacht van rechtswege verlengd voor opeenvolgende periodes van negen jaar bij het eindigen van de gebruiksperiode, zelfs indien de huur van de eerste gebruiksperiode langer is geweest dan negen jaar. Na afloop van de derde verlenging eindigt de pacht van rechtswege.";
  2° het wordt aangevuld met een lid, luidend als volgt:
  "Wanneer de pachter na afloop van de derde verlenging op het pachtgoed wordt gelaten, wordt de pacht, in afwijking van lid 2, van jaar tot jaar tussen dezelfde pachtovereenkomstsluitende partijen verlengd. Er kan zich tijdens deze stilzwijgende verlenging geen enkele overdracht of bevoorrechte overdracht voordoen. In afwijking van artikel 43 wordt de pacht op dag van overlijden van de pachter of op een latere datum opgezegd, om de volledige oogst van de wassende vruchten door zijn erfgenamen of rechthebbenden mogelijk te maken.".
Art.5. A l'article 4 de la même section, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " A défaut de congé valable, le bail est prolongé de plein droit à son expiration par périodes successives de neuf ans mais dans la limite de trois prolongations, même si la durée de la première période a excédé neuf ans. Au terme de la troisième prolongation, le bail prend fin de plein droit. ";
  2° il est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 2, au terme de la troisième prolongation, lorsque le preneur est laissé dans les lieux, le bail se poursuit d'année en année par tacite reconduction entre les mêmes parties au bail à ferme. Aucune cession ou cession privilégiée ne peut intervenir durant cette tacite reconduction. Par dérogation à l'article 43, le bail est résilié au jour du décès du preneur ou à une date ultérieure permettant le complet enlèvement de la récolte croissante par ses héritiers ou ayants droits. ".
Art.6. Artikel 6 van dezelfde afdeling, gewijzigd bij de wet van 7 november 1988 en bij het decreet van 10 juli 2013, wordt gewijzigd als volgt:
  1° in paragraaf 1, 5°, worden de woorden "of van een besluit van de Regering" ingevoegd tussen de woorden "van een koninklijk besluit" en de woorden "dat de onteigening ten algemenen nutte beveelt of toestaat";
  2° in paragraaf 1, 6°, worden de woorden "of van een besluit van de Regering" ingevoegd tussen de woorden "van een koninklijk besluit" en de woorden "dat de onteigening ten algemenen nutte beveelt of toestaat";
  3° het wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidend als volgt:
  " § 4. In afwijking van artikel 4 kan de verpachter, met het oog op de verkoop van een perceel, van een blok percelen of van een deel van een landbouwperceel, eveneens de pacht beëindigen voor wat betreft de onder deze verkoop vallende oppervlakte als:
  1° dit landbouwperceel vooraf in de pachtovereenkomst geïdentificeerd is;
  2° dit landbouwperceel maximaal twee hectare groot is of niet meer dan tien percent vertegenwoordigt van een geheel van percelen uit één stuk die deel uitmaken van éénzelfde pachtovereenkomst tussen dezelfde verpachter en dezelfde pachter;
  3° de pachter de pachtovereenkomst betreffende het perceel genoten heeft gedurende minstens drie maanden voorafgaand aan de opzegging gedaan door de verpachter.
  De pachtovereenkomst wordt opgezegd op de dag van overschrijving van de authentieke akte van verkoop. Deze termijn wordt zo verlengd, dat de groeiende oogst volledig weggehaald kan worden.
  De dag van de opzegging wordt de pachtovereenkomst voortgezet voor de overige goeden die tussen partijen in pacht zijn gegeven. De oppervlaktes en de bedragen van de pacht worden zo aangepast dat de vermindering van de verpachte oppervlakte in rekening wordt gebracht.
  De opzegging gedaan aan de pachter:
  1° bevat de nauwkeurige aanduiding van het perceel dat in de verkoop wordt beoogd;
  2° geldt twee jaar te rekenen van de kennisgeving ervan. Als de verkoop van het perceel niet binnen die termijn is verwezenlijkt, vervalt de opzegging.
  Het voorkooprecht van de pachter bepaald in artikel 47 is van toepassing.".
Art.6. A l'article 6 de la même section, modifiée par la loi du 7 novembre 1988 et modifié par le décret du 10 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, 5°, les mots " ou d'un arrêté du Gouvernement " sont insérés entre les mots " d'un arrêté royal " et les mots " décrétant ou autorisant ";
  2° au paragraphe 1er, 6°, les mots " ou d'un arrêté du Gouvernement " sont insérés entre les mots " d'un arrêté royal " et les mots " décrétant ou autorisant ";
  3° il est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit :
  " § 4. Par dérogation à l'article 4, en vue de procéder à la vente d'une parcelle, d'un bloc de parcelles ou d'une partie de parcelle agricole, le bailleur peut également mettre fin au bail pour ce qui concerne la surface concernée par la vente si :
  1° cette parcelle agricole est identifiée préalablement dans le contrat de bail;
  2° cette parcelle agricole présente une superficie maximum de deux hectares ou ne représente pas plus de dix pourcents d'un ensemble de parcelles d'un seul tenant faisant partie d'un même bail entre le même bailleur et le même preneur;
  3° le preneur a bénéficié du bail portant sur la parcelle durant au moins trois ans préalablement au congé donné par le bailleur.
  Le bail est résilié au jour de la transcription de l'acte authentique de vente. Ce délai est prolongé pour permettre le complet enlèvement de la récolte croissante.
  Au jour de la résiliation, le contrat de bail se poursuit sur les biens restant mis en location entre les parties. Les superficies et les montants du fermage sont adaptés pour tenir compte de la diminution de la superficie louée.
  Le congé donné au preneur :
  1° contient l'identification de la parcelle visée par la vente;
  2° est valable deux ans à dater de sa notification. Si la vente de la parcelle n'est pas intervenue dans ce délai, le congé est considéré comme caduc.
  Le droit de préemption du preneur prévu à l'article 47 s'applique. ".
Art.7. Artikel 7, § 1, van dezelfde afdeling, vervangen bij de wet van 7 november 1988, wordt gewijzigd als volgt:
  a) de woorden ", aan zijn wettelijk samenwonende" worden ingevoegd tussen de woorden "over te dragen aan zijn echtgenoot" en de woorden "aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen";
  b) de woorden ", zijn wettelijk samenwonende" worden ingevoegd tussen de woorden "of aan die van zijn echtgenoot" en de woorden "of aan de echtgenoten";
  c) de woorden "of aan de wettelijk samenwonenden" worden ingevoegd tussen de woorden "of aan de echtgenoten" en de woorden "van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen";
  d) de woorden "of diens wettelijke samenwonende" worden ingevoegd tussen de woorden "ten behoeve van een medeëigenaar, zijn echtgenoot" en de woorden ", zijn afstammelingen of aangenomen kinderen";
  e) de woorden "of diens wettelijke samenwonende" worden ingevoegd tussen de woorden "zijn afstammelingen of aangenomen kinderen" en de woorden ", of die van zijn echtgenoot";
  f) de woorden "of de wettelijk samenwonenden" worden ingevoegd tussen de woorden "of de echtgenoten" en de woorden "van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen".
Art.7. A l'article 7, 1°, de la même section, remplacé par la loi du 7 novembre 1988, les modifications suivantes sont apportées :
  a) les mots " , à son cohabitant légal " sont insérés entre les mots " l'exploitation à son conjoint " et les mots " , à ses descendants ou enfants adoptifs ";
  b) les mots " , de son cohabitant légal " sont insérés entre les mots " ou à ceux de son conjoint " et les mots " ou aux conjoints ";
  c) les mots " ou aux cohabitants légaux " sont insérés entre les mots " ou aux conjoints " et les mots " desdits descendants ou enfants adoptifs ";
  d) les mots " ou de son cohabitant légal " sont insérés entre les mots " au profit d'un copropriétaire, de son conjoint " et les mots " , ses descendants, enfants adoptifs ou de son conjoint ";
  e) les mots " ou de son cohabitant légal " sont insérés entre les mots " ses descendants, enfants adoptifs ou de son conjoint " et les mots " ou des conjoints ";
  f) les mots " ou cohabitants légaux " sont insérés entre les mots " ou des conjoints " et les mots " desdits descendants ou enfants adoptifs, que si ce copropriétaire ".
Art.8. Artikel 8 van dezelfde afdeling, gewijzigd bij de wet van 7 november 1988, wordt vervangen door hetgeen volgt:
  "Art. 8. § 1. Te rekenen van de derde pachtperiode kan de verpachter, in afwijking van artikel 4 de pacht beëindigen mits een opzegging overeenkomstig artikel 11.3 gegeven, om zelf het verpachte goed geheel te exploiteren of de exploitatie ervan geheel over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn wettelijk samenwonende, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten of aan de samenwonende echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen of aan zijn bloedverwanten tot de vierde graad.
  De bepalingen van artikel 7, 1°, lid 2, zijn van toepassing.
  § 2. In afwijking van artikel 4 kunnen de partijen een pacht van minstens 27 jaar afsluiten, de zgn. langdurige pacht.
  Te rekenen van deze pacht kan de verpachter, in afwijking van artikel 4 de pacht beëindigen mits een opzegging overeenkomstig artikel 11.3 gedaan, om zelf het verpachte goed geheel te exploiteren of de exploitatie ervan geheel over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn wettelijk samenwonende, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan zijn wettelijk samenwonende of aan de echtgenoten of aan de samenwonende echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen. De bepalingen bedoeld in artikel 7, lid 2, en 9, lid 1, zijn van toepassing.
  Op het einde van deze pacht kan de verpachter eveneens geheel of gedeeltelijk een einde maken aan de pacht om de goederen te vervreemden.
  Onderpacht en pachtoverdracht zijn mogelijk overeenkomstig de artikelen 30, 31, 32, 34 en 34bis zonder dat echter hierdoor de vaste duur overschreden kan worden.
  Onder voorbehoud van huidige paragraaf zijn de bepalingen van deze wet volledig van toepassing op de pacht van minstens 27 jaar.
  Wanneer de pachter na de duur bedoeld in lid 1 op het pachtgoed wordt gelaten, wordt de pacht verlengd voor één enkele periode van negen jaar. Wanneer de pachter na afloop van deze negenjarige periode op het pachtgoed wordt gelaten, wordt de pacht, in afwijking van lid 2, van jaar tot jaar tussen dezelfde pachtovereenkomstsluitende partijen verlengd. Er kan zich tijdens deze stilzwijgende verlenging geen enkele overdracht of bevoorrechte overdracht voordoen. Wanneer de pachter gedurende deze stilzwijgende verlenging overlijdt, wordt de pacht, in afwijking van artikel 43, opgezegd op de dag van het overlijden van de pachter of op een latere datum zodat de groeiende oogst volledig weggehaald kan worden door zijn erfgenamen of rechthebbenden.
  De voordelen verbonden aan de langdurige pachtovereenkomsten blijven van toepassing tijdens de periodes van stilzwijgende verlenging.
  § 3. In afwijking van artikel 4 kunnen de partijen een loopbaanpacht afsluiten.
  De loopbaanpacht wordt afgesloten voor een bepaalde duur die gelijk is aan het verschil tussen het ogenblik waarop de pachter de wettelijke pensioenleeftijd bereikt zal hebben en zijn leeftijd op de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst. Die bepaalde periode bedraagt minstens zeventwintig jaar. In het geval er meerdere pachters zijn, wordt de bepaalde duur berekend volgens de leeftijd van de jongste medepachter.
  Op het einde van een loopbaanpacht kan de verpachter van rechtswege vrij over zijn goed beschikken zonder dat de pachter zich hiertegen kan verzetten.
  Onderpacht en pachtoverdracht zijn mogelijk overeenkomstig de artikelen 30, 31, 32, 34 en 34bis zonder dat echter hierdoor de vaste duur overschreden kan worden.
  Wanneer de pachter in het bezit van het goed wordt gelaten na het einde van de loopbaanpacht, wordt de loopbaanpacht stilzwijgend verlengd van jaar tot jaar. Er kan zich tijdens deze stilzwijgende verlenging geen enkele overdracht of bevoorrechte overdracht voordoen. In afwijking van artikel 43 wordt de pacht opgezegd op de dag van het overlijden van de pachter of op een latere datum zodat de groeiende oogst volledig weggehaald kan worden door zijn erfgenamen of rechthebbenden.
  Onder voorbehoud van de vorige leden zijn de bepalingen van deze wet volledig van toepassing op de loopbaanpacht.
  § 4. In afwijking van artikel 4 kan er, voor een duur van vijf jaar of minder, een zgn. pacht van korte duur worden afgesloten in de vorm opgelegd bij artikel 3.
  Na afloop van de overeengekomen duur kan de verpachter de pacht overeenkomstig artikel 11, 3/1, mits een opzegging zonder redenen beëindigen.
  Niettegenstaande iedere andersluidende clausule of overeenkomst wordt de pacht, bij gebreke van een verlof dat met inachtneming van de termijnen wordt medegedeeld of als de pachter het pachtgoed, zonder verweer van de verpachter, verder blijft gebruiken, geacht afgesloten te zijn voor een periode van negen jaar te rekenen van de datum waarop de aanvankelijke pacht van korte duur in werking is getreden.
  De pacht van korte duur kan slechts éénmalig tussen dezelfde partijen worden afgesloten en verlengd, onder dezelfde voorwaarden en zonder dat de totale pachtperiode om één der volgende redenen de vijf jaar overschrijdt:
  1° in afwachting van een beëindiging van onverdeeldheid of een vereffening van nalatenschap van de verpachters;
  2° in afwachting van het afstuderen van een afstammeling van de verpachter die landbouwer wil worden, aan een landbouwschool ter voorbereiding van de bedrijfsovername;
  3° in afwachting van de daadwerkelijke vestiging van een afstammeling van de verpachter binnen de vijf jaar te rekenen van het afsluiten van de pachtovereenkomst;
  4° bij ongeschiktheid of ernstige ziekte van de eigenaar-uitbater;
  5° in afwachting van een definitieve beslissing over een aanvraag, ingediend op grond van artikel D.IV.22, lid 1, 1°, 2° en 7°, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, voor de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de provincies, de gemeenten en de openbare instellingen;
  6° in afwachting dat de overheid percelen ten algemenen nutte een bestemming verleent.
  In afwachting van de leden 1 en 3 kan de pacht van korte duur, afgesloten om één van de redenen bedoeld in lid 4, 5° en 6°, na de vijf jaar, jaar per jaar, worden verlengd totdat de aanvragen, ingediend op grond van artikel D.IV.22, lid 1, 1°, 2° en 7°, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling beantwoord zijn.
  Een verpachter kan over een periode van achttien jaar hoogstens twee pachtovereenkomsten van korte duur afsluiten, telkenmale om verschillende redenen onder die welke beoogd zijn in lid 4 en onverminderd de oorzaken van verlenging bedoeld in de leden 4 en 5.
  § 5. In afwijking van artikel 4 kunnen de partijen een zgn. eindeloopbaanpacht afsluiten. De eindeloopbaanpacht wordt afgesloten voor een bepaalde duur die gelijk is aan het verschil tussen het ogenblik waarop de pachter de wettelijke pensioenleeftijd bereikt zal hebben en zijn leeftijd op de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst. In het geval er meerdere pachters zijn, wordt de bepaalde duur berekend volgens de leeftijd van de jongste medepachter.
  De eindeloopbaanpacht wordt enkel tussen dezelfde partijen afgesloten als die, welke de pacht, die komt te vervallen, afgesloten hebben, met dezelfde voorwaarden en voordelen en voor dezelfde landbouwgronden, onverminderd artikel 3/1, - 2, van het decreet van 20 oktober 2016 ter beperking van de pachtprijzen. Er kan evenwel geen eindeloopbaanpacht worden afgesloten als vervolg op een pacht van korte duur.
  Op het einde van een eindeloopbaanpacht kan de verpachter van rechtswege vrij over zijn goed beschikken zonder dat de pachter zich hiertegen kan verzetten.
  De onderpacht, de pachtoverdracht en het voorkooprecht als bepaald in artikelen 30, 31, 32, 34, 35 en 47 zijn niet van toepassing op de eindeloopbaanpacht.
  Wanneer de pachter na de periode, bedoeld in lid 1, in onderling overleg van de overeenkomstsluitende partijen op het pachtgoed wordt gelaten, wordt de pacht, jaar per paar, tussen bedoelde partijen verdergezet. In afwijking van artikel 43 wordt de pacht opgezegd op de dag van het overlijden van de pachter of op een latere datum zodat de groeiende oogst volledig weggehaald kan worden door zijn erfgenamen of rechthebbenden.".
Art.8. L'article 8 de la même section, remplacé par la loi du 7 novembre 1988 et modifié par la loi du 13 mai 1999, est remplacé par :
  " Art. 8. § 1er. A partir de la troisième période de bail, le bailleur peut, par dérogation à l'article 4, mettre fin au bail, moyennant un congé donné conformément à l'article 11.3, en vue d'exploiter lui-même l'ensemble du bien loué ou d'en céder la totalité de l'exploitation à son conjoint, son cohabitant légal, ses descendants ou enfants adoptifs ou à ceux de son conjoint ou de son cohabitant légal ou aux conjoints ou aux cohabitants légaux desdits descendants ou enfants adoptifs ou à ses parents jusqu'au quatrième degré.
  Les dispositions de l'article 7, 1°, alinéa 2, sont d'application.
  § 2. Par dérogation à l'article 4, les parties peuvent conclure un bail d'au moins vingt-sept ans, dit de longue durée.
  Au terme de ce bail, le bailleur peut mettre fin au bail, moyennant un congé donné conformément à l'article 11.3, en vue d'exploiter lui-même tout ou partie du bien loué ou d'en céder l'exploitation à son conjoint, son cohabitant légal, ses descendants ou enfants adoptifs ou à ceux de son conjoint ou de son cohabitant légal, ou aux conjoints ou cohabitants légaux desdits descendants ou enfants adoptifs. Les dispositions des articles 7, 1°, alinéa 2, et 9, alinéa 1er, sont d'application.
  Au terme du bail, le bailleur peut également mettre fin à tout ou partie du bail en vue d'aliéner les biens.
  La sous-location et la cession de bail sont possibles conformément aux articles 30, 31, 32, 34 et 34bis sans que la période fixe ne puisse toutefois être dépassée.
  Sous réserve du présent paragraphe, les dispositions de cette loi sont entièrement applicables au bail d'au moins 27 ans.
  Lorsque le preneur est laissé dans les lieux après la durée mentionnée à l'alinéa 1er, le bail se poursuit pour une seule période de neuf ans. Lorsque le preneur est laissé dans les lieux après cette période de neuf ans le bail se poursuit d'année en année par tacite reconduction entre les mêmes parties au bail à ferme. Aucune cession ou cession privilégiée ne peut intervenir durant cette tacite reconduction. Lorsque le décès du preneur intervient durant cette tacite reconduction, par dérogation à l'article 43, le bail est résilié au jour du décès du preneur ou à une date ultérieure permettant le complet enlèvement de la récolte croissante par ses héritiers ou ayants droits.
  Les avantages liés aux baux de longue durée restent applicables durant les périodes de tacite reconduction.
  § 3. Par dérogation à l'article 4, les parties peuvent conclure un bail de carrière.
  Le bail de carrière est conclu pour une période déterminée égale à la différence entre le moment où le preneur aura atteint l'âge légal de la pension et son âge à la date d'entrée en vigueur du contrat. Cette période déterminée comporte au minimum vingt-sept ans. Au cas où il y a plusieurs preneurs, la période déterminée est calculée sur base de l'âge du copreneur le moins âgé.
  Au terme d'un bail de carrière, le bailleur retrouve automatiquement la libre disposition de son bien sans que le preneur ne puisse s'y opposer.
  La sous-location et la cession de bail sont possibles conformément aux articles 30, 31, 32, 34 et 34bis sans que la période déterminée ne puisse toutefois être dépassée.
  Si le preneur est laissé en possession du bien après l'expiration du bail de carrière, le bail de carrière se poursuit tacitement d'année en année. Aucune cession ou cession privilégiée ne peut intervenir durant cette tacite reconduction. Par dérogation à l'article 43, le bail est résilié au jour du décès du preneur ou à une date ultérieure permettant le complet enlèvement de la récolte croissante par ses héritiers ou ayants droits.
  Sous réserve des alinéas précédents, les dispositions de cette loi sont entièrement applicables au bail de carrière.
  § 4. Par dérogation à l'article 4, un bail dit de courte durée peut être conclu, dans les formes prescrites par l'article 3, pour une durée inférieure ou égale à cinq ans.
  Au terme de la durée convenue, le bailleur peut mettre fin au bail, moyennant un congé donné sans motif, conformément à l'article 11, 3/1.
  Nonobstant toute clause ou toute convention contraire, à défaut d'un congé notifié dans les délais ou si le preneur continue à occuper les lieux sans opposition du bailleur, le bail est réputé avoir été conclu pour une période de neuf ans à compter de la date à laquelle le bail de courte durée initial est entré en vigueur.
  Le bail de courte durée peut être conclu et prorogé uniquement une seule fois, entre les mêmes parties, sous les mêmes conditions et sans que la durée totale de location n'excède cinq ans pour l'un des motifs suivants :
  1° en attente d'une sortie d'indivision ou d'une liquidation de succession des bailleurs;
  2° en attente de la fin des études agricoles préparant à la reprise d'exploitation d'un descendant du bailleur souhaitant devenir agriculteur;
  3° en attente de l'installation effective d'un descendant du bailleur dans les cinq ans à dater de la conclusion du contrat de bail;
  4° en cas d'incapacité ou de maladie grave du propriétaire exploitant;
  5° dans l'attente d'une décision définitive sur une demande introduite sur la base de l'article D.IV.22, alinéa 1er, 1°, 2° et 7° du Code du Développement territorial, pour l'Etat, les Régions, les Communautés, les provinces, les communes et les établissements publics;
  6° dans l'attente de l'affectation de parcelles, à des fins d'intérêt général, par un pouvoir public.
  Par dérogation aux alinéas 1er et 3, le bail de courte durée conclu pour l'un des motifs visé à l'alinéa 4, 5° et 6°, peut être prolongé au-delà de cinq ans, année par année le temps de l'obtention des réponses aux demandes introduites sur bases de l'article D.IV.22, alinéa 1er, 1°, 2° et 7°, du Code du Développement territorial.
  Un bailleur peut conclure un maximum de deux baux de courte durée sur une période de dix-huit ans, à chaque fois pour des motifs différents parmi ceux visés à l'alinéa 4 et sans préjudice des causes de prorogation visées aux alinéas 4 et 5.
  § 5. Par dérogation à l'article 4, les parties peuvent conclure un bail dit de fin de carrière. Il est conclu pour une période déterminée égale à la différence entre le moment où le preneur aura atteint l'âge légal de la pension et son âge à la date d'entrée en vigueur du contrat. Au cas où il y a plusieurs preneurs, la période déterminée est calculée sur base de l'âge du copreneur le plus jeune.
  Le bail de fin de carrière est conclu uniquement entre les mêmes parties que le bail venant à échéance, aux mêmes conditions et avantages et pour les mêmes terres agricoles, sans préjudice de l'article 3/1, § 2, du décret du 20 octobre 2016 limitant les fermages. Toutefois, un bail de fin de carrière ne peut être conclu à la suite d'un bail de courte durée.
  Au terme d'un bail de fin de carrière, le bailleur retrouve automatiquement la libre disposition de son bien sans que le preneur ne puisse s'y opposer.
  La sous-location, la cession de bail ainsi que le droit de préemption, prévus aux articles 30, 31, 32, 34, 35 et 47 ne sont pas applicables au bail de fin de carrière.
  Lorsque le preneur est laissé dans les lieux après la durée mentionnée à l'alinéa 1er, d'un commun accord entre les parties au bail, le bail se poursuit d'année en année par tacite reconduction entre les mêmes parties au bail à ferme. Par dérogation à l'article 43, le bail est résilié au jour du décès du preneur ou à une date ultérieure permettant le complet enlèvement de la récolte croissante par ses héritiers ou ayants droits. ".
Art.9. Artikel 8bis van dezelfde afdeling, vervangen bij de wet van 7 november 1988, wordt gewijzigd als volgt:
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
  "Indien de pachter die na het bereiken van de pensioenleeftijd een rust- of overlevingspensioen geniet, onder de in artikel 34 vermelde personen niemand kan aanwijzen die eventueel zijn exploitatie kan voortzetten, kan de verpachter mits een opzegging, gedaan overeenkomstig artikel 11.4, een einde maken aan de pacht om zelf het verpachte goed geheel of gedeeltelijk te exploiteren of de exploitatie ervan over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn wettelijk samenwonende, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende of aan de echtgenoten of wettelijk samenwonenden van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen. De bepalingen van artikel 7, 1°, lid 2, zijn van toepassing.";
  2° tussen het eerste en het tweede lid worden volgende twee leden ingevoegd:
  "De personen bedoeld in artikel 34, opgegeven door de pachter overeenkomstig lid 1, exploiteren zelf de in pacht gekregen gronden in een termijn van drie jaar, te rekenen van de zending van de opzegging. Bij gebreke daarvan kan de verpachter zonder opzegging en onverminderd de termijn die nodig is om de groeiende oogst op het tijdstip van de opzegging weg te halen, een einde maken aan de pacht.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt de bewijslast uitgevoerd overeenkomstig artikel 57bis.";
  3° in het voormalige lid 2, dat lid 4 wordt, worden de woorden "het voorgaande lid" vervangen door de woorden "lid 1";
  4° in het voormalig lid 3, dat lid 5 wordt, worden de woorden "dat het voorwerp van een ontwikkelingsplan uitmaakt, overeenkomstig de wetgeving en reglementering inzake de modernisering van de landbouwbedrijven" vervangen door de woorden " dat het voorwerp uitmaakt van een plan tot materiële verbetering van de exploitatie waaruit investeringen blijken die verricht zijn of zullen worden om de exploitatie op te richten, te ontwikkelen, te vermeerderen of om het inkomstenpeil in stand te houden . ";
  5° in het voormalige zesde lid, dat lid 8 wordt, worden de woorden "artikel 12, 1°, tweede lid" vervangen door de woorden "artikel 12.1, lid 2" en worden de woorden "van het derde lid van dit artikel" vervangen door de woorden "van lid 5";
  6° het wordt aangevuld met een lid, luidend als volgt:
  "Voor de toepassing van dit artikel worden de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Provincies, de gemeenten en de openbare inrichtingen ervan vrijgesteld om persoonlijk het pachtgoed geheel of gedeeltelijk uit te baten om de pacht te beëindigen. De pacht wordt beëindigd middels een opzegging, gegeven overeenkomstig artikel 11.4".
Art.9. A l'article 8bis de la même section, inséré par la loi du 7 novembre 1988, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Si le preneur ayant atteint l'âge légal de la pension, bénéficie d'une pension de retraite ou de survie et ne peut indiquer aucune des personnes mentionnées à l'article 34 comme pouvant poursuivre son exploitation, le bailleur peut mettre fin au bail moyennant un congé donné conformément à l'article 11.4., en vue d'exploiter lui-même tout ou partie du bien loué ou d'en céder l'exploitation à son conjoint, à son cohabitant légal, à ses descendants ou enfants adoptifs ou à ceux de son conjoint, de son cohabitant légal, ou aux conjoints ou aux cohabitants légaux, desdits descendants ou enfants adoptifs. Les dispositions de l'article 7, 1°, deuxième alinéa, sont d'application. ";
  2° deux alinéas, rédigés comme suit, sont insérés entre les alinéas 1er et 2 :
  " Les personnes mentionnées à l'article 34 et indiquées par le preneur en application de l'alinéa 1er exploitent elles-mêmes les terres affermées dans un délai de trois ans à dater de l'envoi du congé. A défaut, le bailleur peut mettre fin au bail sans préavis et sans préjudice du délai nécessaire à l'enlèvement de la récolte croissante au moment du congé.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, la charge de la preuve est réalisée conformément à l'article 57bis. ";
  3° à l'alinéa 2 ancien, devenant l'alinéa 4, les mots " l'alinéa précédent " sont remplacés par les mots " l'alinéa 1er ";
  4° à l'alinéa 3 ancien, devenant alinéa 5, les mots " faisant l'objet d'un plan de développement, conformément à la législation et à la réglementation en matière de modernisation des exploitations agricoles. " sont remplacés par les mots " faisant l'objet d'un plan d'amélioration matérielle de l'exploitation démontrant des investissements faits ou à faire dans le but de créer l'exploitation, de la développer, d'augmenter ou de maintenir le niveau de ses revenus. ";
  5° à l'alinéa 6 ancien, devenant l'alinéa 8, les mots " L'article 12, 1°, deuxième alinéa " sont remplacés par les mots " L'article 12.1., alinéa 2 " et les mots " du troisième alinéa du présent article " sont remplacés par les mots " de l'alinéa 5 ";
  6° il est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Pour l'application du présent article, l'Etat, les Régions, les Communautés, les Provinces, les communes et les établissements publics sont dispensés d'exploiter personnellement tout ou partie du bien pour mettre fin au bail. Il est mis fin au bail moyennant un congé donné conformément à l'article 11.4. ".
Art.10. Artikel 9 van dezelfde afdeling, vervangen door de wet van 7 november 1988 en gewijzigd bij de wet van 3 mei 2003, wordt gewijzigd volgt:
  1° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
  "De opzeggingsreden bestaande in de persoonlijke exploitatie wordt evenwel niet aangevoerd ten bate van personen die de wettelijke pensioenleeftijd bereikt zouden hebben op het tijdstip van de opzegging of, in geval van rechtspersonen, waarvan de verantwoordelijke organen of bestuurders de wettelijke pensioenleeftijd bereikt zouden hebben op het tijdstip van de opzegging. Die grens kan met vijf jaar vooruitgeschoven worden wanneer de begunstigde van de opzegging tijdens minstens drie jaar nooit landbouwer is geweest. Degene die na de overdracht van zijn landbouwbedrijf genoemd bedrijf verpacht heeft, kan die reden evenmin inroepen, behalve als de opzegging gegeven is ten bate van één van zijn naasten bedoeld in de artikelen 7, 1°, en 8, § 1, en op voorwaarde dat de begunstigde van het verlof niet deel genomen heeft aan de beslissing om af te zien van de exploitatie en de inpachtgeving.";
  2° in het vijfde lid worden de woorden "overeenkomstig de wet van 12 juli 1979 tot instelling van de landbouwvennootschap of in de vorm van een personenvennootschap of een eenpersoonsvennootschap met beperkte aansprakelijkheid" vervangen door de woorden "in de vorm van een vennootschap die erkend is als landbouwbedrijf in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen".
Art.10. A l'article 9 de la même section, remplacé par la loi du 7 novembre 1988 et modifié par la loi du 3 mai 2003, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Toutefois, le motif du congé consistant en l'exploitation personnelle n'est pas invoqué au profit de personnes qui auraient atteint ou, s'il s'agit de personnes morales, dont les organes ou dirigeants responsables auraient atteint l'âge légal de la pension au moment de l'expiration du préavis. Cette limite est avancée de cinq ans lorsque le bénéficiaire du congé n'a jamais été exploitant agricole pendant au moins trois ans. Ne peut davantage invoquer ce motif celui qui, après la cessation de son exploitation agricole, l'a donnée à bail, sauf si le congé est donné au profit de l'un de ses proches visés aux articles 7, 1°, et 8, § 1er, et à condition que le bénéficiaire du congé n'ait pas pris part à la décision d'abandon de l'exploitation et de concession du bail. ";
  2° à l'alinéa 5, les mots " conformément à la loi du 12 juillet 1979 créant la société agricole ou sous la forme d'une société de personnes ou d'une société d'une personne à responsabilité limitée " sont remplacés par les mots " sous la forme d'une société agréée comme entreprise agricole au sens du Code des sociétés et des associations ".
Art.11. In artikel 10 van dezelfde afdeling, vervangen door de wet van 7 november 1988, worden de woorden " van de rijkslandbouwkundige ingenieur van de streek" telkenmale vervangen door de woorden "van de ambtenaar aangewezen door de Regering".
Art.11. A l'article 10 de la même section, remplacé par la loi du 7 novembre 1988, les mots " de l'ingénieur agronome de l'Etat de la région " sont à chaque fois remplacés par les mots " du fonctionnaire désigné par le Gouvernement ".
Art.12. In dezelfde afdeling wordt een artikel 10bis ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. 10bis. Voor de toepassing van deze afdeling wordt de exploitatie als vennoot zaakvoerder van een VOFLO, als commanditaire vennoot van een CommVLO, als bestuurder van een BVLO of als bestuurder van een CVLO gelijkgesteld met een persoonlijke uitbating. Deze regel is zowel op de pachter als op de verpachter van toepassing, wier rechten en verplichten volledig behouden blijven.
  In geval van inbreng van de eigendom, van het gebruiksrecht of van het genotsrecht van het verpachte goed in een VOFLO, in een CommVLO, in een BVLO of in een CVLO, kan die vennootschap die opzegging enkel geven als de verpachter-inbrenger, diens echtgenoot (-genote), zijn wettelijk samenwonende, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of die van zijn of haar echtgenoot (-genote) of van zijn of haar wettelijk samenwonende als naar gelang het geval het statuut bezitten van vennoot-zaakvoerder, commanditaire vennoot of bestuurder in de vennootschap.".
Art.12. Dans la même section, il est inséré un article 10bis rédigé comme suit :
  " Art. 10bis. Pour l'application de la présente section, l'exploitation à titre d'associé gérant d'une SNCEA, d'associé commandité d'une SCommEA, d'administrateur d'une SRLEA ou d'administrateur d'une SCEA, est assimilée à l'exploitation personnelle. Cette règle s'applique tant au preneur qu'au bailleur, dont les droits et obligations subsistent intégralement.
  En cas d'apport de la propriété, du droit d'usage ou du droit de jouissance du bien loué par le bailleur dans une SNCEA, une SCommEA, d'une SRLEA ou d'une SCEA, cette société ne peut donner le congé que si le bailleur-apporteur, son conjoint, son cohabitant légal, ses descendants ou enfants adoptifs ou ceux de son conjoint ou ceux de son cohabitant légal, ont, selon le cas, le statut d'associé gérant, d'associé commandité ou d'administrateur dans la société. ".
Art.13. Artikel 11 van dezelfde afdeling, vervangen door de wet van 7 november 1988, wordt gewijzigd als volgt:
  1° onder 1. wordt de volzin "Deze termijn wordt verlengd om de pachter de tijd te geven de wassende vruchten te oogsten" vervangen door de volzin "Deze termijn wordt verlengd om de pachter de tijd te geven de wassende vruchten te oogsten.";
  2° er wordt een 1/1 ingevoegd, luidend als volgt:
  "1/1. In het geval bedoeld in artikel 6, § 4, wordt van de opzegging kennis aan de pachter gegeven minstens zes maanden voor de verkoop.";
  3° er wordt een 3/1 ingevoegd, luidend als volgt:
  "3/1. In het geval van artikel 8, § 4, wordt de pacht beëindigd mits een opzegging waarvan door één van beide partijen kennis wordt gegeven minstens zes maanden voor verstrijken van de overeengekomen duurtijd. De pacht wordt verlengd om de pachter de tijd te geven de wassende vruchten te oogsten.";
  4° het wordt aangevuld met een 5, luidend als volgt:
  "5. In het geval van een stilzwijgende verlenging jaar per jaar wordt de opzegging aan de pachter gegeven met een opzegging van zes maanden om de pachter zijn wassende vruchten te laten weghalen.".
Art.13. Dans l'article 11 de la même section, remplacé par la loi du 7 novembre 1988, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au 1. la phrase " Ce délai sera prolongé pour permettre au preneur d'enlever la récolte croissante. " est remplacée par la phrase " Le bail est prolongé pour permettre au preneur d'enlever la récolte croissante. ";
  2° il est inséré un 1/1 rédigé comme suit :
  " 1/1. Dans le cas visé à l'article 6, § 4, le congé est notifié au preneur au moins six mois avant la vente. ";
  3° il est inséré un 3/1 rédigé comme suit :
  " 3/1. Dans le cas de l'article 8, § 4, le bail prend fin moyennant un congé notifié par l'une ou l'autre des parties au moins six mois avant l'expiration de la durée convenue. Le bail est prolongé pour permettre au preneur d'enlever la récolte croissante. ";
  4° il est complété par un 5 rédigé comme suit :
  " 5. Dans les cas d'une tacite reconduction d'année en année, le congé est donné au preneur avec un préavis de six mois, le bail étant prolongé pour permettre au preneur d'enlever la récolte croissante. ".
Art.14. Artikel 11bis van dezelfde afdeling, ingevoegd bij de wet van 23 november 1978, wordt gewijzigd als volgt:
  1° de woorden ", aan zijn wettelijk samenwonende" worden ingevoegd tussen de woorden "of de exploitatie ervan over te dragen aan zijn echtgenoot" en de woorden "aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot";
  2° de woorden "of zijn wettelijk samenwonende" worden ingevoegd tussen de woorden "zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of die van zijn echtgenoot" en de woorden ", tijdens de pachtperiode die loopt op het ogenblik van het verlijden van de authentieke akte".
Art.14. A l'article 11bis de la même section, inséré par la loi du 23 novembre 1978, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots " , à son cohabitant légal " sont insérés entre les mots " loué ou pour en céder l'exploitation à son conjoint " et les mots " , ses descendants ou enfants adoptifs ou à ceux de son conjoint ";
  2° les mots " ou de son cohabitant légal " sont insérés entre les mots " ses descendants ou enfants adoptifs ou à ceux de son conjoint " et les mots " , pendant la période de bail qui est en cours au moment de la passation de l'acte authentique ".
Art.15. Artikel 12 van dezelfde afdeling, vervangen door de wet van 7 november 1988 en gewijzigd bij de wet van 3 mei 2003, wordt vervangen door hetgeen volgt:
  "Art. 12. § 1. Op straffe van nietigheid wordt de opzegging, uitgezonderd de opzegging bedoeld in artikel 11, 3/1, overgemaakt met inachtneming van de vorm bedoeld in artikel 57 en met duidelijke opgave van:
  1° de nauwkeurige reden(en) waarom deze opzegging gegeven wordt;
  2° in geval van overname voor persoonlijke exploitatie, de identiteit van de personen die worden aangewezen als zij die exploitatie op zich zullen nemen, namelijk:
  a) voor de natuurlijke personen, hun naam, voornaam, woonst, geboortedatum en -plaats, burgerlijke stand, hun identificatienummer in het Rijksregister of in het BIS-register van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en, indien gekend, het producentennummer en het ondernemingsnummer bedoeld in artikel III.17 van het Wetboek van economisch recht;
  b) voor de rechtspersonen, indien gekend, hun benaming, hun maatschappelijke zetel, hun producentennummer en hun ondernemingsnummer bedoeld in artikel III.17 van het Wetboek van economisch recht, evenals de identiteit van de personen die gemachtigd zijn om ze te vertegenwoordigen;
  3° een vermelding, in de zending die van de opzegging kennis geeft, van de procedure die gevolgd dient te worden om de opzegging te betwisten.
  § 2. Als de opzegging berust op redenen als bedoeld in de artikelen 6, § 1, 1° tot en met 4°, en 7, 10°, dient een voor eensluidend verklaard afschrift van de bebouwingsvergunning bij de opzegging te worden gevoegd, op straffe van nietigheid ervan.
  Als de bebouwingsvergunning, in het geval van een verkaveling, niet kan worden overgelegd omdat er vooraf wegenwerken uitgevoerd dienen te worden, moet een voor eensluidend verklaard afschrift van de bebouwingsvergunning bijgevoegd worden voor zover bij genoemd afschrift een verklaring van het gemeentebestuur gevoegd wordt waaruit blijkt dat de bebouwingsvergunning verstrekt zal kunnen worden zodra genoemde werken zijn uitgevoerd.
  § 3. Indien verscheidene pachters het goed gemeenschappelijk pachten, moet van de opzegging kennis gegeven worden aan al degenen die het goed exploiteren. Weet de verpachter niet wie het goed exploiteert, dan mag hij als exploitant beschouwen degenen die de laatste pacht hebben betaald of, bij gebreke van betaling, de pachter of de pachters die hun woonplaats hebben in de zetel van het bedrijf.
  Indien de verpachter bij het overlijden van de pachter niet weet welke erfgenaam of erfgenamen de exploitatie van het verpachte goed voortzetten, mag hij als zodanig beschouwen degene of degenen van de erfgenamen of rechtverkrijgenden die de laatste pacht hebben betaald of, bij gebreke van betaling, de erfgenamen of rechtverkrijgenden die hun woonplaats hebben in de zetel van het bedrijf van de overleden pachter.
  § 4. De opzegging gegeven door de verpachter met inachtneming van de vorm en de termijn bedoeld in deze afdeling, en die door de pachter niet is betwist, is geldig.
  De pachter kan de opzegging betwisten, daaronder inbegrepen de aangevoerde redenen, door de zaak aanhangig te maken bij de vrederechter binnen de drie maanden van de kennisgeving van de opzegging.
  § 5. Indien reeds in de loop van de opzeggingstermijn blijkt dat het motief bestaande in de persoonlijke exploitatie om een gewichtige reden niet kan worden waargemaakt, kan de pachter de ongeldigverklaring van de opzegging voor de vrederechter vorderen. In dat geval wordt de pacht voortgezet alsof er geen opzegging is betekend.
  § 6. Bij het verzoek tot geldigverklaring van de opzegging, gaat de rechter na of de opzeggingsredenen ernstig en gegrond zijn en met name of uit alle omstandigheden van de zaak blijkt dat de verpachter de als opzeggingsredenen bekend gemaakte voornemens ten uitvoer zal brengen.
  Daarenboven, wanneer de pachter zijn hoofdberoep in de landbouw heeft, kan de opzegging voor persoonlijke exploitatie door de rechter slechts geldig worden verklaard indien het exploiteren van het landbouwbedrijf, waarin de betrokken landeigendommen zullen worden geëxploiteerd, een overwegend deel van de beroepsactiviteit (van degene of degenen die volgens de opzegging de landbouwexploitatie moeten voortzetten en bovendien, indien zij rechtspersonen zijn, degene of degenen die als bestuurder of als zaakvoerder de leiding hebben van de activiteit) zal uitmaken.
  In geval van betwisting over het ernstig karakter van het voorgenoemde eigen gebruik, moet de verpachter preciseren hoe degene of degenen die in de opzegging als aanstaande exploitant is of zijn aangewezen, de persoonlijke werkelijke en voortgezette exploitatie zullen uitvoeren en bewijzen dat zij daartoe in staat zijn, alsmede dat zij aan de in artikel 9 gestelde voorwaarden voldoen.
  § 7. Wanneer de pachter zijn hoofdberoep in de landbouw heeft, kan de rechter weigeren de opzegging geldig te verklaren, wanneer de totale geëxploiteerde oppervlakte van het landbouwbedrijf:
  1° van de aanstaande exploitant boven de door de Regering bepaalde maximale oppervlakte komt te liggen;
  2° de huidige exploitant onder de rendabele minimumoppervlakte, vastgesteld door de Regering, blijft.
  Lid 1 is van toepassing voor iedere bijkomende uitbreiding:
  1° wanneer de onderneming van de aanstaande exploitant zich reeds over een grotere oppervlakte dan de maximumoppervlakte uitstrekt;
  2° wanneer de onderneming van de huidige exploitant, ten gevolge van die uitbreiding, onder de rendabele minimumoppervlakte komt te liggen.
  De Regering stelt bij besluit de rendabele minimum- en maximumoppervlaktes vast.
  Deze oppervlaktes worden minstens om de vijf jaar herzien. De rendabele minimum- en maximumoppervlaktes blijven van toepassing tot de inwerkingtreding van het nieuwe besluit.
  Deze oppervlaktes worden voor elke landbouwstreek zodanig vastgesteld dat zij op grond van artikel 2, § 1, lid 2, van het decreet van 20 oktober 2016 tot beperking van de pachtprijzen en, in voorkomend geval, voor iedere provincie binnen in elke landbouwstreek worden bepaald.
  Wanneer een landbouwer een in pacht gegeven grond verwerft voor eigen gebruik, zijn de oppervlaktevoorwaarden, die van toepassing zijn op een eventuele opzegging, de voorwaarden die bij de verkrijging ervan bestaan.
  De Regering kan de procedure en de nadere regels voor de vaststelling van de rendabele minimum- en maximumoppervlaktes nader bepalen.
  Wanneer een landbouwer een in pacht gegeven grond verwerft voor eigen gebruik, zijn de oppervlaktevoorwaarden, die van toepassing zijn op een eventuele opzegging, de voorwaarden die bij de verkrijging ervan bestaan.
  § 8. Is de opzegging met toepassing van het bepaalde in 4 onregelmatig of ongegrond verklaard, dan kan om geen enkele reden een nieuwe opzegging worden gedaan vóór er ten minste één jaar is verstreken na de kennisgeving van de opzegging die onregelmatig is verklaard naar de vorm Die termijn is drie jaar indien de rechter de geldigverklaring van de opzegging heeft geweigerd omdat de opgegeven reden ongegrond was.
  Een opzegging die naar de vorm onregelmatig verklaard zou moeten worden, kan door de rechter toch geldig worden verklaard indien de betrokken onregelmatigheid geen twijfel kan doen rijzen over de aard of de ernst van de opzegging door de pachter, noch over de identiteit van de persoon in wiens voordeel de opzegging wordt verricht.
  § 9. De opzegging die door de rechter geldig is verklaard of waarin de pachter schriftelijk heeft berust, wordt als niet bestaande beschouwd, indien de pachter in het bezit van het gepachte goed blijft en wordt gelaten. ".
Art.15. L'article 12 de la même section, remplacé par la loi du 7 novembre 1988 et modifié par la loi du 3 mai 2003, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 12. § 1er. A peine de nullité, le congé, à l'exception de celui visé à l'article 11, 3/1, est transmis suivant les formes prévues à l'article 57 et indique clairement :
  1° le ou les motifs précis pour lesquels il est donné;
  2° en cas de reprise pour exploitation personnelle, l'identité des personnes indiquées comme devant assurer l'exploitation, à savoir :
  a) pour les personnes physiques, leurs nom, prénom, domicile, date et lieu de naissance, état civil, leur numéro d'identification dans le registre national ou dans le registre bis de la Banque-Carrefour de la sécurité sociale et, s'ils sont connus, le numéro de producteur et le numéro d'entreprise visé à l'article III.17 du Code de droit économique;
  b) pour les personnes morales, s'ils sont connus, leur dénomination sociale, leur siège social, leur numéro de producteur et leur numéro d'entreprise visé à l'article III.17 du Code de droit économique, ainsi que l'identité des personnes habilitées à les représenter;
  3° une mention relative à la procédure à suivre pour contester le congé dans l'envoi notifiant ce dernier.
  § 2. Si le congé est basé sur des motifs visés aux articles 6, § 1er, 1° à 4° inclus, et 7, 10°, une copie certifiée conforme du permis d'urbanisation devra être jointe au congé à peine de nullité de celui-ci.
  Si, dans le cas d'un lotissement, le permis d'urbanisation ne peut être produit en raison du fait que des travaux de voirie doivent être exécutés au préalable, une copie certifiée conforme du permis d'urbanisation devra être jointe pour autant qu'à cette copie soit jointe une déclaration de l'administration communale d'où il résulte que le permis d'urbanisme pourra être délivré dès que ces travaux seront exécutés.
  § 3. Si le bien est loué en commun par plusieurs preneurs, la notification du congé doit être adressée à tous ceux qui exploitent le bien. Si le bailleur ignore l'identité des exploitants, il pourra considérer comme tels ceux qui ont payé le dernier fermage ou, à défaut de pareil paiement, celui ou ceux des preneurs qui sont domiciliés au siège de l'exploitation.
  Si, au décès du preneur, le bailleur ignore l'identité de celui ou de ceux des héritiers qui continuent l'exploitation du bien loué, il pourra considérer comme tels celui ou ceux des héritiers ou ayants droit qui ont payé le dernier fermage ou, à défaut de pareil paiement, les héritiers ou ayants droit domiciliés au siège de l'exploitation du défunt.
  § 4. Le congé donné par le bailleur dans les formes et délais prévus à la présente section et qui n'a pas été contesté par le preneur est valable.
  Le preneur peut contester le congé en ce compris les motifs invoqués en saisissant le juge de paix dans les trois mois de la notification du congé.
  § 5. S'il appert, en cours de durée du préavis, que le motif consistant en l'exploitation personnelle ne pourra être réalisé, par suite de motif grave, le preneur peut poursuivre l'annulation du congé devant le juge de paix. Dans ce cas, le bail se poursuivra comme si le congé n'avait pas été notifié.
  § 6. Lorsqu'il est saisi de la contestation, le juge apprécie si le motif de congé est sérieux et fondé et notamment s'il appert des circonstances de la cause que le bailleur mettra à exécution les intentions énoncées comme motifs de congé.
  En outre, quand le preneur exerce la profession agricole à titre principal, le juge ne pourra confirmer le congé en vue de l'exploitation personnelle que si l'exploitation de l'entreprise agricole dans laquelle les biens ruraux en question seront exploités, constituera une partie prépondérante de l'activité professionnelle (de la personne ou des personnes indiquées dans le congé devant assurer l'exploitation et, en outre, s'il s'agit de personnes morales, la ou les personnes qui dirigent l'activité en qualité d'administrateur ou de gérant).
  En cas de contestation sur le caractère sincère de l'exploitation personnelle, il appartiendra au bailleur de préciser comment la personne ou les personnes indiquées dans le congé comme devant assurer cette exploitation entendent le faire de façon personnelle, effective et continue et de prouver qu'elles sont en mesure de le faire et qu'elles répondent aux conditions prévues à l'article 9.
  § 7. Quand le preneur exerce la profession agricole à titre principal le juge peut refuser le congé lorsque celui-ci a pour conséquence de porter la superficie totale exploitée de l'entreprise agricole :
  1° du futur exploitant au-delà de la superficie maximale fixée par le Gouvernement;
  2° de l'exploitant actuel en-dessous de la superficie minimale de rentabilité fixée par le Gouvernement.
  L'alinéa 1er est applicable pour toute extension supplémentaire :
  1° lorsque l'entreprise du futur exploitant s'étend déjà sur une superficie supérieure à la superficie maximale;
  2° lorsque l'entreprise de l'exploitant actuel passe en dessous de la superficie minimale de rentabilité suite à cette extension.
  Le Gouvernement fixe par arrêté les superficies minimales et maximales de rentabilité.
  Ces superficies sont revues au moins tous les cinq ans. Les superficies minimales et maximales de rentabilité restent d'application jusqu'à l'entrée en vigueur du nouvel arrêté.
  Ces superficies sont fixées pour chaque région agricole telles que celles-ci sont déterminées sur base de l'article 2, § 1er, alinéa 2, du décret du 20 octobre 2016 limitant les fermages et le cas échéant, pour chaque province à l'intérieur de chaque région agricole.
  Lorsqu'un exploitant agricole acquiert une terre donnée à bail en vue d'en réaliser l'exploitation personnelle, les conditions de superficie applicables à un congé éventuel sont celles existant à l'acquisition.
  Le Gouvernement peut préciser la procédure et les modalités pour la fixation des superficies minimale et maximales de rentabilité.
  Lorsqu'un exploitant agricole acquiert une terre donnée à bail en vue d'en réaliser l'exploitation personnelle, les conditions de superficie applicable à un congé éventuel, sont celles existant à l'acquisition.
  § 8. Si, en application de la disposition prévue au 4, un congé a été déclaré irrégulier ou non fondé, un nouveau congé ne peut être donné pour quelque motif que ce soit avant un an au moins à dater de l'envoi du congé déclaré irrégulier en la forme. Ce délai est porté à trois ans si la validation du congé est refusée par le juge pour manque de fondement du motif invoqué.
  Le congé qui devrait être déclaré irrégulier en la forme peut néanmoins être validé par le juge si l'irrégularité constatée ne peut pas mettre en cause la nature ni le sérieux du congé ni l'identité de la personne en faveur de laquelle le congé est donné.
  § 9. Le congé est considéré comme non existant lorsque le preneur reste et est laissé en possession du bien loué. ".
Art.16. Artikel 17 van dezelfde afdeling wordt gewijzigd als volgt:
  1° onder 1. worden de woorden "of door de vrederechter vastgestelde" opgeheven;
  2° onder 3. worden de woorden "de Koning worden benoemd op de voordracht van de Minister van Landbouw" vervangen door de woorden "de Regering".
Art.16. A l'article 17 de la même section, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au 1, les mots " ou fixé par le juge de paix " sont abrogés;
  2° au 3, les mots " le Roi sur proposition du Ministre de l'Agriculture " sont remplacés par les mots " le Gouvernement ".
Art.17. Artikel 18 van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 18. § 1. De Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de provincies, de gemeenten en iedere andere publiekrechtelijke rechtspersoon, hierna " de openbare eigenaar " genoemd, verpachten hun landeigendommen bij wijze van inschrijving tegen het tarief van de wettelijke pachtprijs, in voorkomend geval verhoogd overeenkomstig het decreet van 20 oktober 2016 tot beperking van de pachtprijzen. De openbare eigenaar stelt een procedure vast, waarbij iedere belangstellende kandidaat-pachter een bod kan uitbrengen.
  De openbare eigenaar neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat iedere kandidaat-pachter tijdens die procedure gelijk behandeld wordt.
  In afwijking van lid 1 kan de openbare eigenaar een eindeloopbaanpacht afsluiten, zoals bepaald in artikel 8, § 5, zonder de bodprocedure, bedoeld in dit artikel, in te leiden.
  § 2. Onverminderd de paragrafen 3 en 4 bepaalt de openbare eigenaar de verpachtingsprocedure, daaronder inbegrepen de nadere regels voor het indienen van de inschrijvingen, stelt hij de criteria vast tot bepaling van de keuze van de pachter en stelt hij de contractuele bedingen vast inzake deze verpachting.
  De openbare eigenaar voorziet in een gepaste openbaarmaking van de verpachting van zijn goederen door het bericht van de verpachting via diverse verspreidingskanalen bekend te maken.
  De uiterste datum voor de ontvangst van de inschrijvingen wordt vastgesteld op minstens dertig dagen te rekenen van de dag volgend op de dag van bekendmaking van het bericht van de verpachting in het eerst gebruikte verspreidingskanaal.
  Door de Regering worden vastgesteld:
  1° de minimuminformatie die in het bericht inzake de verpachting moet staan;
  2° een type-bestek met informatieve waarde.
  § 3. De Regering kan in uitsluitingscriteria voorzien bij een toekenning van openbare onroerende goederen.
  Deze criteria mogen niet verder aangevuld worden met andere uitsluitingscriteria van de publieke eigenaar.
  § 4. De toewijzingscriteria bevatten kwaliteits-, leefmilieugebonden en sociale aspecten onder uitsluiting van de pachtprijs.
  De Regering kan een lijst aannemen met minimale toekenningscriteria die de openbare eigenaar in acht moet nemen bij de toewijzing, samen met, in voorkomend geval, een door haar bepaalde wegingsmethode voor de punten die aan de criteria verbonden zijn. Deze criteria kunnen, in voorkomend geval, worden aangevuld met eigen toewijzingscriteria van de openbare eigenaar.
  Voor de toepassing van lid 2 kan de Regering in de bewijsmiddelen voorzien waarmee nagegaan kan worden of de toewijzingscriteria vervuld zijn.
  § 5. De openbare eigenaar richt de toewijzingsbeslissing aan de gezamenlijke personen die een bod hebben ingediend. Het contract wordt gesloten zodra de toewijzingsbeslissing betekend is.
  § 6. In het geval waarin goederen, die om redenen van algemeen nut verworven of onteigend zijn, opnieuw verpacht worden, krijgt de voormalige pachter een recht van voorrang tegen het wettelijke pachttarief, in voorkomend geval vermeerderd overeenkomstig het decreet van 20 oktober 2016 tot beperking van de pachtprijzen.".
Art.17. L'article 18 de la même section est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 18. § 1er. L'Etat, les Régions, les Communautés, les provinces, les communes et toutes autres personnes morales de droit public, ci-après dénommés " le propriétaire public ", procèdent à la location de leurs biens ruraux en bail à ferme, par voie de soumissions, au taux du fermage légal, le cas échéant majoré conformément au décret du 20 octobre 2016 limitant les fermages. Le propriétaire public établit une procédure par laquelle tout candidat preneur intéressé peut présenter une soumission.
  Le propriétaire public prend les mesures nécessaires permettant lors de cette procédure d'assurer l'égalité de traitement entre tous les candidats preneurs.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le propriétaire public peut conclure un bail de fin de carrière tel que prévu à l'article 8, § 5, sans recourir à la procédure de soumission prévue au présent article.
  § 2. Sans préjudice des paragraphes 3 et 4, le propriétaire public détermine la procédure de location en ce compris les modalités de remise des soumissions, il fixe les critères qui détermineront le choix du locataire et il établit les clauses contractuelles relatives à la location.
  Le propriétaire public organise une publicité adéquate de la mise en location de ses biens en publiant l'avis de mise en location via divers canaux de diffusion.
  La date limite de réception des soumissions est fixée au minimum trente jours à dater du lendemain de la publication de l'avis de mise en location dans le premier canal de diffusion utilisé.
  Le Gouvernement fixe :
  1° les informations minimales que doit contenir l'avis de mise en location;
  2° un cahier des charges type à valeur indicative.
  § 3. Le Gouvernement peut prévoir des critères d'exclusion à une attribution de biens immeubles publics.
  Ces critères ne peuvent pas être complétés de critères d'exclusion complémentaires de la part du propriétaire public.
  § 4. Les critères d'attribution comprennent des aspects qualitatifs, environnementaux ou sociaux à l'exclusion du montant du fermage.
  Le Gouvernement peut adopter une liste de critères d'attribution minimaux que le propriétaire public respecte lors de l'attribution ainsi que, le cas échéant, une méthode de pondération de points aux critères qu'il définit. Ces critères peuvent être, le cas échéant, complétés par des critères d'attribution propres au propriétaire public.
  Pour l'application de l'alinéa 2, le Gouvernement peut prévoir les moyens de preuve destinés à vérifier la rencontre des critères d'attribution.
  § 5. Le propriétaire public envoie la décision d'attribution à l'ensemble des personnes ayant déposé une offre. La conclusion du contrat intervient une fois la décision d'attribution notifiée.
  § 6. Dans le cas où des biens acquis ou expropriés pour cause d'utilité publique sont remis en location, l'ancien preneur jouit d'un droit de préférence au taux du fermage légal, le cas échéant majoré conforment au décret du 20 octobre 2016 limitant les fermages. ".
Art.18. Artikel 19 van dezelfde afdeling wordt gewijzigd als volgt:
  1° in lid 3 worden de woorden "het Ministerie van Landbouw" vervangen door de woorden "de dienst aangewezen door de Regering";
  2° in lid 4 wordt het woord "Staat" vervangen door het woord "overheid".
Art.18. A l'article 19 de la même section, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 3, les mots " Ministère de l'Agriculture " sont remplacés par les mots " le service désigné par le Gouvernement ";
  2° à l'alinéa 4, les mots " l'Etat " sont remplacés par les mots " les pouvoirs publics ".
Art.19. Artikel 24 van dezelfde afdeling, vervangen door de wet van 7 november 1988, wordt gewijzigd als volgt:
  1° in de huidige tekst, die paragraaf 1 zal vormen:
  a) wordt lid 2 vervangen door:
  "Hiernavolgende bedingen worden niet beschouwd als bedingen die de vrije teeltkeuze inperken:
  1° de bedingen betreffende de teruggave van het gepachte goed in een staat van wisselbouw, vruchtbaarheid en zuiverheid, gelijkwaardig aan die waarin het zich bij de ingenottreding bevond, alsmede de bedingen welke het recht van beschikking over de stalmest gedurende de pacht beperken en de bedingen die het recht van beschikking over het stro van de laatste twee jaren beperken tot ten hoogste de helft;
  2° de bedingen, bepaald door de Regering, strekkende tot de handhaving van het goed en het milieu waarin het zich bevindt, en de bestrijding van de natuurrisico's;
  3° de bedingen, vrij overeengekomen tussen de partijen, tot handhaving van het goed en van het milieu waarin het zich bevindt, of tot vervulling van de doelen en functies van de landbouw, omschreven in artikel D.1 van het Landbouwwetboek;
  4° de bedingen tot behoud, daaronder inbegrepen het onderhoud of eventuele verbodsbepalingen betreffende topografische elementen en de landschapsstructuur als in de plaatsbeschrijving opgenomen.";
  b) tussen het tweede en het derde lid worden volgende twee leden ingevoegd, luidend als volgt:
  "De Regering is gemachtigd om de bedingen, bedoeld in lid 2, 2°, 3° en 4°, nader te bepalen, om een afzonderlijke regeling vast te stellen in functie van de aard van de verpachter en om een aanmoedigingsbeleid te voeren in verband met sommige van deze bedingen. Wat betreft de toepassing van lid 2, 3°, kan de Regering enkel haar bedingen openstellen voor openbare eigenaren, voor publiekrechtelijke vennootschappen, voor verenigingen of samenwerkende vennootschappen die wegens hun maatschappelijk doel geen landbouwpercelen kunnen verpachten zonder in leefmilieubedingen te voorzien.
  Voor de toepassing van lid 2 kan de Regering geen bedingen opleggen die een specifieke productiewijze bepalen, noch bedingen die één of ander gewas in het bijzonder beperken.";
  c) lid 3 wordt opgeheven.
  2° het wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidend als volgt:
  " § 2. De verpachter kan te allen tijde nagaan of de pachter de bedingen, overeengekomen krachtens paragraaf 1, lid 2, in acht neemt, op voorwaarde dat hij de pachter bij zending minstens tien werkdagen voor de datum waarop het plaatsbezoek afgelegd wordt, daarover inlicht.
  Voor de toepassing van lid wordt onder "werkdag" iedere dag verstaan, onder uitsluiting van de zaterdagen, de zondagen en de wettelijke feestdagen.
  Bij niet-naleving van de overeengekomen teeltpraktijken door de pachter kan de opzegging van de pachtovereenkomst mits zes maanden opzegtijd, betekend door de verhuurder, als bestraffing gelden.
  De niet-naleving waarvan sprake in lid 3 wordt door een landbouwdeskundige vastgesteld. Om deze vaststellingen uit te voeren, kan de Regering in een deskundigenlijst voorzien.
  Wanneer de pachter de voorwaarden inzake de teeltpraktijken, vermeld in lid 1, tijdens de duur van de zes maanden opzegtijd in acht neemt, kan hij via een zending de verpachter gelasten, de naleving van de overeengekomen teeltpraktijken vast te komen stellen. Nadat de verpachter of een onafhankelijk landbouwdeskundige vaststelt en per zending bevestigt dat de toestand geregulariseerd is, wordt de pacht op normale wijze voortgezet.
  Als dezelfde tekortkoming evenwel, afwijkend van lid 5, gedurende twee opeenvolgende jaren wordt vastgesteld ondanks de naleving van de voorwaarden inzake de in lid 1 bedoelde teeltpraktijken over de zes maanden opzegtijd, kan de verpachter dit overeenkomstig lid 7 bij de vrederechter aanhangig maken.
  Bij betwisting over de naleving van de bedingen binnen de zes maanden opzegtijd kunnen de verpachter of de pachter zich tegen het hernemen of het opzeggen van de pachtovereenkomst verzetten door zich, op straffe van nietigheid, uiterlijk drie maanden na afloop van de zes maanden opzegtijd tot de vrederechter te wenden.".
Art.19. A l'article 24 de la même section, remplacé par la loi du 7 novembre 1988, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au texte actuel qui formera le paragraphe 1er :
  a) l'aliéna 2 est remplacé par :
  " Ne sont pas considérées comme clauses restreignant la liberté culturale, les clauses :
  1° relatives à la restitution du bien loué dans un état d'assolement, de fertilité et de propreté équivalent à celui existant lors de l'entrée en jouissance, ainsi que celles qui limitent le droit de disposer du fumier de ferme au cours du bail et celles qui limitent à la moitié au maximum le droit de disposer de la paille des deux dernières années;
  2° définies par le Gouvernement et ayant pour objectif la préservation du bien et de son environnement et la lutte contre les risques naturels;
  3° librement convenues entre les parties, qui visent à préserver le bien, son environnement, ou qui visent à atteindre les objectifs et les fonctions de l'agriculture de l'article D.1 du Code wallon de l'Agriculture;
  4° visant le maintien en ce compris l'entretien ou d'éventuelles interdictions des éléments topographiques et la structure paysagère repris dans l'état des lieux. ";
  b) deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 2 et 3 :
  " Le Gouvernement est habilité à préciser les clauses visées à l'alinéa 2, 2°, 3° et 4°, à établir un régime distinct en fonction de la nature du bailleur, ainsi qu'à mettre en place des incitants pour encourager certaines de ces clauses. En ce qui concerne l'application de l'alinéa 2, 3°, le Gouvernement peut uniquement ouvrir ses clauses à des propriétaires publics, à des sociétés de droit public, à des associations ou à des coopératives qui en raison de leur objet social ne peuvent pas mettre en location des parcelles agricoles sans prévoir de clauses environnementales.
  Pour l'application de l'alinéa 2, le Gouvernement ne prévoit pas de clause revenant à prévoir via ces clauses un mode de production spécifique ainsi que des clauses revenant à limiter la pratique d'une culture en particulier. ";
  c) l'alinéa 3 est abrogé;
  2° il est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
  " § 2. Le bailleur peut en tout temps s'assurer du respect par le preneur des clauses convenues en vertu du paragraphe 1er, alinéa 2, sous réserve d'en avoir averti le preneur par envoi, au minimum dix jours ouvrables avant la date de la visite des lieux.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, par " jour ouvrable ", l'on entend tout jour, à l'exclusion des samedis, dimanches et jours fériés légaux.
  La violation par le preneur des pratiques culturales convenues peut être sanctionnée par la résiliation du bail moyennant un préavis de six mois notifié par le bailleur.
  La violation visée à l'alinéa 3 est constatée par un expert agricole. Le Gouvernement peut prévoir une liste d'expert pouvant réaliser ces constatations.
  Lorsque le preneur respecte les conditions des pratiques culturales mentionnées à l'alinéa 1er durant le délai de préavis de six mois, il peut via un envoi enjoindre le bailleur à venir constater le respect des pratiques culturales convenues. Le bail se poursuit alors normalement après constat de la régularisation de la situation par le bailleur ou par un expert agricole indépendant confirmé par un envoi.
  Toutefois, en dérogation de l'alinéa 5, si le même manquement est constaté deux années de suite malgré le respect des conditions des pratiques culturales mentionnées à l'alinéa 1er durant le délai de préavis de six mois, le bailleur peut saisir le juge de paix conformément à l'alinéa 7.
  En cas de contestation sur le respect des clauses dans le délai de préavis de six mois, le bailleur ou le preneur peut s'opposer à la reprise ou à la résiliation du bail en saisissant le juge de paix au plus trois mois après la fin du délai des 6 mois de préavis, à peine de déchéance. ".
Art.20. In artikel 26, 1, lid 5, van dezelfde afdeling, vervangen door de wet van 7 november 1988, worden de woorden "het Ministerie van Landbouw" vervangen door de woorden "de dienst aangewezen door de Regering".
Art.20. A l'article 26, 1, alinéa 5 de la même section, remplacé par la loi du 7 novembre 1988, les mots " du Ministère de l'Agriculture " sont remplacés par les mots " du service désigné par le Gouvernement ".
Art.21. Artikel 28 van dezelfde afdeling wordt gewijzigd als volgt:
  1° in lid 1 worden de woorden "voor het vervangen van dode hagen" ingevoegd tussen de woorden "van hoog- of laagstammige fruitbomen" en de woorden "voor het vervangen van bosbomen";
  2° in lid 3 worden de woorden "de tuinbouwkundige van de streek" vervangen door de woorden "de dienst aangewezen door de Regering".
Art.21. A l'article 28, de la même section, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " du remplacement des haies mortes, " sont insérés entre les mots " d'arbres fruitiers à haute ou à basse tige, " et les mots " du remplacement d'arbres forestiers ";
  2° à l'alinéa 3, les mots " conseiller d'horticulture de la région " sont remplacés par les mots " service désigné par le Gouvernement ".
Art.22. Artikel 30 van dezelfde afdeling, vervangen door de wet van 7 november, wordt vervangen door hetgeen volgt:
  "Art. 30. § 1. In afwijking van artikel 1717 van het Burgerlijk Wetboek geeft de pachter van landeigendommen noch het gepachte goed geheel of ten dele in onderpacht, noch draagt hij zijn pacht geheel of ten dele aan anderen over zonder toestemming van de verpachter. Deze toestemming wordt, op straffe van nietigheid en voorafgaand aan de onderpacht of aan de overdracht, schriftelijk gegeven.
  De toestemming tot overdracht van pacht kan niet gelden als toestemming tot onderpacht.
  Als onderpacht worden niet beschouwd:
  1° ruil met het oog op het betelen van pachtgoederen;
  2° de gemeenschappelijke exploitatie van een landeigendom die in pacht gegeven wordt aan een van de medeëxploitanten, op voorwaarde dat deze laatste alleen houder van de pacht blijft en hij als hoofdbedrijf actief aan de exploitatie deelneemt;
  3° de overeenkomsten, gesloten met inachtneming van artikel 2, 2°.
  Ruil als bedoeld in lid 3 is van generlei invloed op de rechten en verplichtingen van pachters of verpachters.
  § 2. Op straffe van nietigheid van de ruil, wordt, door de pachter aan de verpachter, minstens drie maanden voordat de ruil plaatsvindt van het voornemen tot ruil in de zin van paragraaf 1, lid 3, 1°, alsmede van de overeenkomst in de zin van paragraaf 1, lid 3, 3°, kennis gegeven, met opgave van:
  1° de identiteit van alle betrokkenen, namelijk:
  a) voor de natuurlijke personen, hun naam, voornaam, woonst, geboortedatum en -plaats, burgerlijke stand, hun identificatienummer in het Rijksregister of in het BIS-register van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en, indien gekend, het producentennummer en het ondernemingsnummer bedoeld in artikel III.17 van het Wetboek van economisch recht;
  b) voor de rechtspersonen, indien gekend, hun benaming, hun maatschappelijke zetel, hun producentennummer en hun ondernemingsnummer bedoeld in artikel III.17 van het Wetboek van economisch recht, evenals de identiteit van de personen die gemachtigd zijn om ze te vertegenwoordigen;
  2° de datum waarop de ruil ingaat, en in voorkomend geval, de duur ervan;
  3° de kadastrale aanduiding van de percelen zoals opgenomen op het uittreksel uit de kadastrale legger en onder vermelding van minstens: de gemeente waar de percelen gelegen zijn, de afdeling, de sectie, het perceelsnummer, de oppervlakte, evenals de straat- of veldnaam.
  De verpachter kan zich tegen ruil verzetten, om redenen als bepaald in artikel 7, 5°, 6°, 7° en 8°, en zich daarvoor, binnen de drie maanden na kennisgeving ervan, op straffe van nietigheid, tot de vrederechter wenden.
  De ruil wordt door de vrederechter vernietigd indien hij acht dat de redenen van verzet wettig zijn.
  § 3. Bij overdracht of onderpacht zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming kan de overeenkomst op verzoek van de verpachter worden ontbonden.".
Art.22. L'article 30 de la même section, remplacé par la loi du 7 novembre 1988 est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 30. § 1er. Par dérogation à l'article 1717 du Code civil, le preneur de biens ruraux ne sous-loue pas en tout ou en partie le bien loué ou ne cède pas son bail en tout ou en partie sans l'autorisation du bailleur. Cette autorisation est, à peine de nullité, préalable à la sous-location ou à la cession et est donnée par écrit.
  L'autorisation de cession de bail ne vaut pas autorisation de sous-location.
  Ne sont pas considérés comme des sous-locations :
  1° les échanges portant sur la culture des biens loués, réalisés par les preneurs;
  2° l'exploitation en commun d'un bien rural donné à bail à un des co-exploitants, si ce dernier reste seul titulaire du bail et participe activement, à titre d'occupation principale, à l'exploitation;
  3° les conventions conclues dans le respect de l'article 2, 2°.
  Les échanges visés à l'alinéa 3, n'affectent pas les droits et obligations, ni des preneurs ni des bailleurs.
  § 2. A peine de nullité des échanges, le preneur notifie au bailleur le projet des échanges au sens du paragraphe 1er, alinéa 3, 1°, ainsi que les convention au sens du paragraphe 1er, alinéa 3, 3°, au moins trois mois avant lesdits échanges en précisant :
  1° l'identité de toutes les parties concernées, à savoir :
  a) pour les personnes physiques, leurs nom, prénom, domicile, date et lieu de naissance, état civil, leur numéro d'identification dans le registre national ou dans le registre bis de la Banque-Carrefour de la sécurité sociale et, s'ils sont connus, le numéro de producteur et le numéro d'entreprise visé à l'article III.17 du Code de droit économique;
  b) pour les personnes morales, s'ils sont connus, leur dénomination sociale, leur siège social, leur numéro de producteur et leur numéro d'entreprise visé à l'article III.17 du Code de droit économique, ainsi que l'identité des personnes habilitées à les représenter;
  2° la date de prise en cours de ces échanges et, le cas échéant, la durée;
  3° la désignation cadastrale des parcelles telle que reprise sur l'extrait de la matrice cadastrale et mentionnant à tout le moins : la commune où se situent les parcelles, la division, la section, le numéro parcellaire, la contenance ainsi que le nom de la rue ou le lieu-dit.
  Le bailleur peut s'opposer aux échanges pour les motifs prévus à l'article 7, 5°, 6°, 7° et 8°, en saisissant le juge de paix dans les trois mois de la notification, à peine de déchéance.
  Le juge annule les échanges s'il considère que les motifs d'opposition sont légitimes.
  § 3. En cas de cession ou de sous-location non autorisée par un écrit préalable, le bail peut être résolu à la demande du bailleur. ".
Art.23. In dezelfde afdeling wordt een artikel 30bis ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. 30bis. De procedure als bedoeld in artikel 30, § 2, is mutatis mutandis van toepassing bij verandering van verpachter. Wanneer de verandering van verpachter het gevolg is van een overlijden, delen de erfgenamen of rechtverkrijgenden, afwijkend van artikel 30, § 2, drie maanden na dat overlijden, de verandering van verpachter mede.".
Art.23. Dans la même section, il est inséré un article 30bis rédigé comme suit :
  " Art. 30bis. La procédure prévue au l'article 30, § 2, est applicable mutandis mutatis en cas de changement dans le chef du bailleur. En dérogation à l'article 30, § 2, lorsque le changement dans le chef du bailleur est dû à un décès, les héritiers ou les ayants droits notifient dans les trois mois après le décès le changement de bailleur. ".
Art.24. Artikel 31 van dezelfde afdeling, vervangen door de wet van 7 november 1988, wordt gewijzigd als volgt:
  1° de woorden ", zijn wettelijk samenwonende" worden ingevoegd tussen de woorden "of aan die van zijn echtgenoot" en de woorden "evenals aan de echtgenoten";
  2° de woorden "of aan de wettelijk samenwonenden" worden ingevoegd tussen de woorden "evenals aan de echtgenoten" en de woorden "van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen";
  3° het wordt aangevuld met een lid, luidend als volgt:
  "De pachter licht er, op straffe van nietigheid van de onderpacht, de verpachter uiterlijk binnen de drie maanden na de onderverpachting zoals bepaald in lid 1, over in.".
Art.24. A l'article 31 de la même section, modifiée par la loi du 7 novembre 1988, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots " , de son cohabitant légal " sont insérés entre les mots " ou à ceux de son conjoint " et les mots " ou aux conjoints ";
  2° les mots " ou aux cohabitants légaux " sont insérés entres les mots " ou aux conjoints " et les mots " desdits descendants ou enfants adoptifs ";
  3° il est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Le preneur, à peine de nullité de la sous-location en informe le bailleur au plus tard dans les trois mois de la mise en sous-location telle que prévue à l'alinéa 1er. ".
Art.25. Artikel 34 van dezelfde afdeling, vervangen door de wet van 7 november 1988, wordt gewijzigd als volgt:
  1° in lid 1 worden de woorden ", zijn wettelijk samenwonende" ingevoegd tussen de woorden "of aan die van zijn echtgenoot" en de woorden "of van de echtgenoten van de voorvermelde afstammelingen";
  2° lid 1 wordt aangevuld met de woorden "of aan de wettelijk samenwonenden van de voorvermelde afstammelingen of aangenomen kinderen";
  3° het wordt aangevuld met een lid 3, luidend als volgt:
  "De pachter licht er, op straffe van nietigheid van de overdracht, de verpachter uiterlijk binnen de drie maanden na de overdracht zoals bepaald in lid 1, over in.".
Art.25. A l'article 34, de la même section remplacé par la loi du 7 novembre 1988, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " ou de son cohabitant légal " sont insérés entre les mots " ou à ceux de son conjoint " et les mots " ou aux conjoints desdits descendants ";
  2° l'alinéa 1er est complété par les mots " ou aux cohabitants légaux desdits descendants ou enfants adoptifs ";
  3° il est complété par un alinéa 3 nouveau rédigé comme suit :
  " Le preneur, à peine de nullité de la cession en informe le bailleur au plus tard dans les trois mois de la cession telle que prévue à l'alinéa 1er. ".
Art.26. Artikel 34bis van dezelfde afdeling, ingevoegd bij de wet van 7 november 1988, wordt gewijzigd als volgt:
  1° lid 1 wordt aangevuld met volgende zin:
  "De pachter geeft kennis van zijn terugtrekking aan de verpachter.";
  2° lid 2 wordt aangevuld met volgende woorden:
  ", op voorwaarde dat van het verzoek daartoe kennis gegeven wordt binnen de zes maanden na de kennisgeving van de terugtrekking, op straffe van nietigheid.".
Art.26. A l'article 34bis de la même section, inséré par la loi du 7 novembre 1988, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante :
  " Le preneur notifie son retrait au bailleur. ";
  2° l'alinéa 2 est complété par les mots :
  " , à condition d'en notifier la demande dans les six mois de la notification du retrait, à peine de déchéance. ".
Art.27. Artikel 35 van dezelfde afdeling, gewijzigd bij de wet van 7 november 1988, wordt vervangen door hetgeen volgt:
  "Art. 35. Op voorwaarde dat de pachter of zijn rechtverkrijgenden binnen drie maanden na de ingenottreding van de overnemer, aan de verpachter kennis geven van de pachtoverdracht die de pachter heeft gedaan aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot, van zijn wettelijk samenwonende of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen, en hem daarbij de namen, voornamen en het adres van de overnemer of de overnemers meedelen, ontstaat, bij gebreke van geldig verklaard verzet van de verpachter, van rechtswege pachtvernieuwing ten voordele van de overnemer of de overnemers.
  Die pachtvernieuwing heeft ten gevolge dat, met handhaving van alle andere voorwaarden ten voordele van de overnemer of overnemers, een nieuwe eerste pachtperiode van negen jaar ingaat op de verjaardag van de ingenottreding van de overdrager volgend op de kennisgeving; bovendien is de overdrager ontslagen van alle uit de pacht voortvloeiende verplichtingen die na de kennisgeving zijn ontstaan.
  Die pachtvernieuwing vindt enkel plaats als ofwel:
  1° de overnemer houder is van een studiegetuigschrift of diploma in een landbouwrichting;
  2° de overnemer sinds minstens één jaar een cursus volgt met het oog op het behalen van een studiegetuigschrift of een diploma in een landbouwrichting;
  3° de overnemer landbouwer is of is geweest tijdens minstens één jaar in de loop van de laatste vijf jaar.
  De Regering kan de studiegetuigschriften of de diploma's in een landbouwrichting bepalen.".
Art.27. L'article 35 de la même section, modifié par la loi du 7 novembre 1988, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 35. Si, dans les trois mois de l'entrée en jouissance du cessionnaire, le preneur ou ses ayants droit notifient au bailleur la cession que le preneur a faite du bail à ses descendants ou enfants adoptifs ou à ceux de son conjoint, de son cohabitant légal ou aux conjoints ou aux cohabitants légaux desdits descendants ou enfants adoptifs, en lui indiquant les noms, prénoms et adresses du ou des cessionnaires, le bail est, sauf opposition déclarée valable du bailleur, renouvelé de plein droit au profit du ou des cessionnaires.
  Ce renouvellement a pour effet que, toutes autres conditions étant maintenues, une nouvelle et première période de neuf ans prend cours au bénéfice du ou des cessionnaires, à la date anniversaire de l'entrée en jouissance du cédant qui suit la notification; en outre, le cédant est déchargé de toutes obligations résultant du bail nées postérieurement à la notification.
  Ce renouvellement n'a lieu qui si, soit :
  1° le cessionnaire est porteur d'un certificat d'études ou d'un diplôme à orientation agricole;
  2° le cessionnaire poursuit un cursus depuis un an au moins en vue d'obtenir un certificat d'études ou d'un diplôme à orientation agricole;
  3° le cessionnaire est exploitant agricole ou l'a été pendant au moins un an au cours des cinq dernières années.
  Le Gouvernement peut définir les certificats d'études ou les diplômes à orientation agricole. ".
Art.28. Artikel 36, lid 3, van dezelfde afdeling wordt vervangen door de volzin "Wordt het verzet toegelaten, dan is de overdracht ongeldig.".
Art.28. L'article 36, alinéa 3, de la même section est remplacée par la phrase " Si l'opposition est admise, la cession est nulle et non avenue. ".
Art.29. In dezelfde afdeling wordt een artikel 36bis ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. 36bis. Wanneer de verpachter de pachter zijn wens te kennen geeft, om een zakelijk recht op het (de) onder een pachtovereenkomst vallende goed(eren) te vervreemden, kan iedere bevoorrechte overdracht die plaatsvindt binnen de negen maanden na deze kennisgeving, niet aan de pachter of de derde-koper tegengeworpen worden.
  Wanneer de vervreemding niet binnen die periode van negen maanden wordt uitgevoerd, kan de pachter pas opnieuw gebruik maken van de regeling bedoeld in lid 1 na verstrijken van een periode van drie jaar, behoudens overeenstemming onder de partijen, die ingaat na verstrijken van de bewarende periode van negen maanden bedoeld in lid 1.".
Art.29. Dans la même section, il est inséré un article 36bis rédigé comme suit :
  " Art. 36bis. Lorsque le bailleur notifie au preneur son souhait d'aliéner un droit réel sur le ou les biens sur lesquels un contrat de bail à ferme est en cours, toute cession privilégiée intervenant dans les neuf mois suivant cette notification est inopposable au bailleur et au tiers acquéreur.
  Lorsque l'aliénation n'est pas réalisée dans cette période de neuf mois, le bailleur peut faire usage à nouveau du régime prévu à l'alinéa 1er, uniquement après l'expiration d'un délai de trois ans, sauf accord des parties, prenant cours à l'expiration de la période conservatoire de neuf mois prévue à l'alinéa 1er. ".
Art.30. In artikel 37, § 1, van dezelfde afdeling, wordt 2°, vervangen door de wet van 7 november 1988, vervangen door hetgeen volgt:
  " 2° het voornemen van de verpachter om het verpachte goed, binnen een termijn van minder dan vijf jaar zelf te exploiteren of de exploitatie ervan over te dragen aan zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen; ".
Art.30. Dans l'article 37, § 1er, de la même section, le 2°, remplacé par la loi du 7 novembre 1988, est remplacé par ce qui suit :
  " 2° l'intention du bailleur d'exploiter lui-même, dans un délai inférieur à cinq ans, le bien loué ou d'en céder l'exploitation à son conjoint, à son cohabitant légal, ses descendants ou enfants adoptifs ou ceux de son conjoint, de son cohabitant légal ou aux conjoints ou aux cohabitants légaux desdits descendants ou enfants adoptifs; ".
Art.31. In artikel 39 van dezelfde afdeling, gewijzigd bij de wet van 7 november 1988, wordt lid 1 vervangen door twee leden luidend als volgt:
  "Bij overlijden van de pachter behoort het diens erfgenamen of rechtverkrijgenden toe, de verpachter daar onverwijld via een zending over in te lichten.
  De verpachter kan enkel opzegging doen ten overstaan van de erfgenamen of de rechtverkrijgenden van de overleden pachter als hij zich in de pachtovereenkomst die mogelijkheid voorbehouden heeft en als de overleden pachter geen overlevende echtgenoot, geen overlevende wettelijk samenwonende of afstammelingen of aangenomen kinderen, of afstammelingen of aangenomen kinderen van zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende, of echtgenoten of wettelijk samenwonenden van de voorvermelde afstammelingen of aangenomen kinderen achterlaat.".
Art.31. A l'article 39 de la même section, modifié par la loi du 7 novembre 1988, l'alinéa 1er est remplacé par deux alinéas rédigés comme suit :
  " En cas de décès du preneur, il appartient à ses héritiers ou ayants droit d'en informer le bailleur dans les meilleurs délais via un envoi.
  Le bailleur peut donner congé aux héritiers ou ayants droit du preneur décédé uniquement s'il s'est réservé cette faculté dans le bail et si le preneur décédé ne laisse ni conjoint survivant, ni cohabitant légal survivant, ni descendants ou enfants adoptifs, ni descendants ou enfants adoptifs de son conjoint ou de son cohabitant légal, ni conjoints ou cohabitants légaux desdits descendants ou enfants adoptifs. ".
Art.32. In artikel 41, lid 3, van dezelfde afdeling wordt a) aangevuld met de woorden "of aan de overlevende wettelijk samenwonende voor zover hij een recht in de pachtovereenkomst heeft".
Art.32. Dans l'article 41, alinéa 3, de la même section, le a) est complété par les mots " ou au cohabitant légal survivant pour autant qu'il ait un droit au bail ".
Art.33. In artikel 43, lid 1, van dezelfde afdeling, gewijzigd bij de wet van 7 november 1988, worden de woorden "van diens echtgenoot zijn of echtgenoten" vervangen door de woorden "van diens echtgenoot of wettelijk samenwonende zijn, of echtgenoten of wettelijk samenwonenden".
Art.33. Dans l'article 43, alinéa 1er, de la même section, modifié par la loi du 7 novembre 1988, les mots " ou de son conjoint, ou des conjoints " sont remplacés par les mots " ou de son conjoint ou de son cohabitant légal, ou des conjoints ou des cohabitants légaux ".
Art.34. In artikel 45 van hetzelfde Wetboek, wordt 6. vervangen als volgt:
  "6. De partijen maken een tegensprekelijke, omstandig plaatsbeschrijving op waarvan ze samen de kosten dragen. Deze plaatsbeschrijving wordt ofwel voor de ingenottreding van de pachter ofwel voor de ingenottreding van een pachtovernemer die een bevoorrechte overdracht genoten heeft ofwel in de loop van de eerste drie maanden van gebruik door de pachter of de overnemer opgemaakt. Deze wordt bij de schriftelijke pachtovereenkomst gevoegd en is eveneens registratieplichtig.
  De Regering stelt de minimuminhoud van deze plaatsbeschrijving vast en voorziet in het type-bodemonderzoek dat daarvoor nodig is.
  Worden partijen het niet onderling eens over het opmaken van een plaatsbeschrijving, binnen de drie maanden volgend op de ingenottreding van de pachter of de overnemer, dan kan de vrederechter, bij een niet voor beroep vatbaar vonnis, een deskundige aanstellen om de plaatsbeschrijving op te maken. Het vonnis is uitvoerbaar niettegenstaande verzet.
  Wanneer er een nieuwe plaatsbeschrijving wordt opgemaakt nadat een bevoorrechte overdracht is tot stand gekomen, wordt er op tegenspraak een uitgaande plaatsbeschrijving opgemaakt tussen overdrager en pachter voordat de plaatsbeschrijving tussen de overnemer en de pachter wordt opgemaakt of minstens voor de ingenottreding van de overnemer. Deze zelfde plaatsbeschrijving kan dienen als uitgaande plaatsbeschrijving voor de overdrager en als inkomende plaatsbeschrijving van de overnemer voor zover zij op tegenspraak is uitgevoerd.
  Bij gebreke van ingaande plaatsbeschrijving wordt de pachter geacht het goed te hebben gekregen in de staat waarin het zich op het einde van het gebruik bevond. Dat vermoeden is onweerlegbaar voor wat betreft de elementen opgenomen in de minimuminhoud vastgesteld door de Regering. Voor het overige wordt het tegenbewijs toegelaten.".
Art.34. A l'article 45 de la même section, le 6. est remplacé par ce qui suit :
  " 6. Les parties dressent un état des lieux d'entrée détaillé contradictoirement et à frais communs. Cet état des lieux est dressé, soit avant l'entrée en jouissance du preneur, soit avant l'entrée en jouissance d'un cessionnaire ayant bénéficié d'une cession privilégiée, soit au cours des trois premiers mois d'occupation du preneur ou du cessionnaire. Il est annexé au contrat de bail écrit et est également soumis à enregistrement.
  Le Gouvernement fixe le contenu minimal de cet état des lieux et prévoit le type d'analyse de sols nécessaires à la réalisation de cet état des lieux.
  A défaut d'accord entre les parties sur l'établissement d'un état des lieux dans les trois mois qui suivent l'entrée en jouissance du preneur ou du cessionnaire, le juge de paix, par jugement non susceptible d'appel, peut désigner un expert pour dresser cet état des lieux. Le jugement est exécutoire malgré opposition.
  Lorsqu'un nouvel état des lieux est dressé suite à la survenance d'une cession privilégiée, un état des lieux de sortie entre le cédant et le bailleur intervient contradictoirement entre ces parties avant l'établissement de l'état des lieux entre le cessionnaire et le bailleur ou à tout le moins avant l'entrée en jouissance du cessionnaire. Le même état des lieux peut servir d'état des lieux de sortie du cédant et d'entrée du cessionnaire pour autant qu'il soit réalisé contradictoirement.
  A défaut d'état des lieux d'entrée, le preneur est présumé avoir reçu le bien dans l'état où il se trouve à la fin de l'occupation. Cette présomption est irréfragable pour ce qui concerne les éléments qui font l'objet du contenu minimal fixé par le Gouvernement. La preuve contraire est admise pour le surplus. ".
Art.35. Artikel 47 van dezelfde afdeling, vervangen door de wet van 7 november, wordt vervangen door hetgeen volgt:
  "Art. 47. Bij verkoop van een in pacht gegeven landeigendom geniet de pachter het recht van voorkoop voor zichzelf of voor zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of voor die van zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende, of voor de echtgenoten en wettelijk samenwonenden van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen, die daadwerkelijk aan de exploitatie van dat goed deelnemen, overeenkomstig de in deze afdeling bepaalde regels. ".
Art.35. L'article 47 de la même section, remplacé par la loi du 7 novembre 1988, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 47. En cas de vente d'un bien rural loué, le preneur jouit du droit de préemption pour lui-même ou pour ses descendants ou enfants adoptifs ou ceux de son conjoint, de son cohabitant légal ou pour les conjoints et cohabitants légaux desdits descendants ou enfants adoptifs, qui participent effectivement à l'exploitation de ce bien, suivant les règles déterminées à la présente section. ".
Art.36. Artikel 48 van dezelfde afdeling, gewijzigd bij de wet van 7 november 1988, wordt vervangen door hetgeen volgt:
  "Art. 48. § 1. De eigenaar mag het goed slechts aan iemand anders dan de pachter uit de hand verkopen nadat hij aan deze laatste de gelegenheid heeft gegeven om zijn recht van voorkoop uit te oefenen. Te dien einde geeft de notaris de pachter kennis van de inhoud van de akte die is opgesteld onder de opschortende voorwaarde van niet-uitoefening van het recht van voorkoop en waarbij enkel de identiteit van de koper opengelaten wordt Deze kennisgeving geldt als aanbod van verkoop.
  Aanvaardt de pachter het aanbod, dan moet hij daarvan aan de notaris kennis geven binnen een maand na de kennisgeving bepaald in het eerste lid, in welk geval de verkoop overeenkomstig artikel 1583 van het Burgerlijk Wetboek tussen partijen voltrokken is, zodra de aanvaarding van de pachter ter kennis is genomen van de notaris.
  Is het aanbod binnen de in lid 2 bedoelde termijn niet aanvaard, dan mag de eigenaar het goed niet uit de hand tegen een lagere prijs of gunstiger voorwaarden aan een derde verkopen zonder instemming van de pachter.
  Na verloop van een termijn van één jaar na het aanbod mag het goed niet uit de hand worden verkocht, zelfs niet onder de voorwaarden bepaald in het vorige lid, zonder dat aan de pachter een nieuw aanbod wordt gedaan.
  De instrumenterende ambtenaar die een akte van verkoop uit de hand aan iemand anders dan aan de pachter heeft verleden moet van de prijs en de voorwaarden daarvan aan de pachter kennis geven binnen één maand na de registratie.
  Niettegenstaande elk strijdig beding, beschikt de pachter over een termijn van een maand na de mededinging van zijn aanvaarding om de prijs te voldoen.
  § 2. Bij openbare verkoop is de instrumenterende ambtenaar gehouden ten minste vijftien dagen van te voren aan de pachter kennis te geven van plaats, dag en uur van de fysieke openbare verkoop of, bij een gedematerialiseerde verkoop, van de dag van aanvang en sluiting van de biedingen.
  Wanneer de pachter van bij aanvang beslist heeft, van de uitoefening van zijn recht af te zien, licht hij de instrumenterend ambtenaar, belast met de verkoop, uiterlijk voor aanvang van de veiling daarover in.
  Is er ten gevolge van een hoger bod een wederverkoop, wordt daar als bedoeld in lid 1 acht dagen van tevoren kennis van gegeven aan de pachter voor zover deze niet van het uitoefenen van zijn recht heeft afgezien.
  § 3. Indien de verkoop een fysieke openbare verkoop is die wordt gehouden zonder voorbehoud van eventuele uitoefening van het recht van hoger bod, stelt de instrumenterende ambtenaar bij het einde van de opbieding en vóór de toewijzing, in het openbaar de vraag of de pachter of zijn gevolmachtigde zijn recht van voorkoop wenst uit te oefenen tegen de laatst geboden prijs. Indien de pachter met de vraag van de instrumenterende ambtenaar instemt, is de verkoop definitief. In geval van weigering, afwezigheid of stilzwijgen, wordt de verkoop voortgezet.
  Indien de pachter zijn antwoord op de vraag van de instrumenterende ambtenaar in beraad houdt, geschiedt de toewijzing onder de opschortende voorwaarde van niet uitoefening van het recht van voorkoop.
  Indien de pachter binnen een termijn van tien dagen zijn instemming niet aan de notaris heeft betekend, overeenkomstig artikel 57 of die instemming niet heeft gegeven in een akte van de instrumenterende ambtenaar, is de toewijzing definitief.
  Indien de verkoop wordt gehouden onder voorbehoud van eventuele uitoefening van het recht van hoger bod, is de instrumenterende ambtenaar er niet toe gehouden aan de pachter de vraag te stellen of hij zijn recht van voorkoop uitoefent:
  a) indien er een hoger bod is, wordt dit aan de pachter die niet van de uitoefening van recht heeft afgezien, en aan de koper ter kennis gebracht. In dat geval wordt als in deze paragraaf te werk gegaan;
  b) indien er geen hoger bod wordt gedaan of indien de instrumenterend ambtenaar het hoger bod niet aanneemt, betekent hij het laatste bod aan de pachter en stelt hem de vraag of hij zijn recht van voorkoop wenst uit te oefenen. Indien de pachter binnen een termijn van tien dagen zijn instemming niet aan de instrumenterend ambtenaar heeft betekend, overeenkomstig artikel 57 of die instemming niet heeft gegeven in een akte van de instrumenterende ambtenaar, is de toewijzing definitief.
  § 4. Bij een gedematerialiseerde verkoop, gaat de instrumenterend ambtenaar, voor zover de pachter niet heeft afgezien van zijn recht van voorkoop voor het einde van de biedingen over tot de toewijzing onder opschortende voorwaarde van niet-uitoefening van dat recht.
  In dat geval beschikt de pachter over een termijn van tien dagen, te rekenen van de kennisgeving van een uittreksel uit de akte van toewijzing, opgemaakt door de instrumenterend ambtenaar, om laatstgenoemde in te lichten over zijn beslissing om zich in de plaats te stellen van de laatste bieder volgens artikel 57 of bij akte van de instrumenterend ambtenaar.
  Het uittreksel bevat de dag van de toewijzing, de prijs tegen welke de toewijzing gebeurde en de naam van de instrumenterend ambtenaar die de toewijzing ontving.".
Art.36. L'article 48 de la même section, modifié par la loi du 7 novembre 1988, est remplacé par :
  " Art. 48. § 1er. Le propriétaire vend le bien de gré à gré à une personne autre que le preneur uniquement après avoir mis celui-ci en mesure d'exercer son droit de préemption. A cet effet, le notaire notifie au preneur le contenu de l'acte établi sous condition suspensive de non-exercice du droit de préemption, l'identité de l'acheteur exceptée. Cette notification vaut offre de vente.
  Si le preneur accepte l'offre, il notifie son acceptation au Notaire dans le mois de la notification visée à l'alinéa 1er, auquel cas, conformément à l'article 1583 du Code civil, la vente est parfaite entre parties dès que l'acceptation du preneur est arrivée à la connaissance du Notaire.
  Si l'offre n'est pas acceptée dans le délai prévu à l'alinéa 2, aucune vente de gré à gré ne peut être consentie par le propriétaire à un tiers à un prix inférieur ou à des conditions plus favorables, sans l'accord du preneur.
  Après un délai d'un an à dater de l'offre, le bien ne peut être vendu de gré à gré, même dans les conditions prévues à l'alinéa 3, sans qu'une nouvelle offre soit faite au preneur.
  L'officier instrumentant qui passe un acte de vente de gré à gré à une personne autre que le preneur notifie à celui-ci le prix et les conditions de la vente, dans le mois de l'enregistrement.
  Nonobstant toute stipulation contraire, le preneur dispose d'un délai d'un mois à partir de la notification de son acceptation pour régler le prix.
  § 2. En cas de vente publique, l'officier instrumentant notifie au moins quinze jours à l'avance au preneur le lieu, la date et l'heure de la vente en cas de vente publique physique ou, en cas de vente dématérialisée, le jour de début et de clôture des enchères.
  Lorsqu'il a décidé d'emblée de renoncer à l'exercice de son droit, le preneur en informe l'officier instrumentant chargé de procéder à la vente au plus tard avant le début des enchères.
  En cas de revente par suite de surenchère, la notification visée à l'alinéa 1er est faite huit jours à l'avance au preneur, pour autant que ce dernier n'ait pas renoncé à l'exercice de son droit.
  § 3. En cas de vente publique physique, si la vente a lieu sans réserve de l'exercice éventuel du droit de surenchère, l'officier instrumentant demande publiquement, à la fin des enchères et avant l'adjudication, au preneur ou à son mandataire qui n'a pas renoncé à l'exercice de son droit, s'il désire exercer son droit de préemption au prix de la dernière offre. Si le preneur acquiesce à la question de l'officier instrumentant, la vente devient définitive. Si le preneur refuse, se tait ou est absent, la vente se poursuit.
  Si le preneur tient en suspens sa réponse à la question de l'officier instrumentant, l'adjudication a lieu sous la condition suspensive de non exercice du droit de préemption.
  Dans ce cas, si le preneur n'a pas, dans un délai de dix jours, notifié son acquiescement à l'officier instrumentant, selon l'article 57, ou donné son acquiescement par acte de l'officier instrumentant, l'adjudication est définitive.
  Si la vente a lieu sous réserve de l'exercice éventuel du droit de surenchère, l'officier instrumentant n'est pas tenu de demander au preneur s'il exerce son droit de préemption :
  a) s'il y a surenchère, l'exploit en est dénoncé à l'adjudicataire et au preneur qui n'a pas renoncé à l'exercice de son droit. Dans ce cas, il est procédé comme au présent paragraphe;
  b) s'il n'y a pas de surenchère ou si la surenchère est refusée par l'officier instrumentant, celui-ci notifiera le montant de la dernière offre au preneur qui n'a pas renoncé à l'exercice de son droit en lui demandant s'il désire exercer son droit de préemption. Si le preneur n'a pas, dans un délai de dix jours, notifié son acquiescement à l'officier instrumentant selon l'article 57 ou donné cet acquiescement par acte de l'officier instrumentant, l'adjudication est définitive.
  § 4. En cas de vente dématérialisée, pour autant que le preneur n'ait pas renoncé à son droit de préemption avant la fin des enchères, l'officier instrumentant procède à l'adjudication sous condition suspensive du non exercice de ce droit.
  Dans ce cas, le preneur dispose d'un délai de dix jours à dater de la notification d'un extrait de l'acte d'adjudication faite par l'officier instrumentant pour informer ce dernier de sa décision de se subroger au dernier enchérisseur, selon l'article 57 ou par acte de l'officier instrumentant.
  L'extrait contient le jour de l'adjudication, le prix pour lequel elle a été faite et le nom de l'officier instrumentant qui l'a reçue. ".
Art.37. Artikel 48bis van dezelfde afdeling, ingevoegd bij de wet van 12 juni 1975 en vervangen door de wet van 7 november 1988, wordt gewijzigd als volgt:
  1° in lid 3 worden de woorden "bij openbare verkoping" vervangen door de woorden "bij fysieke openbare verkoping" en de woorden "overeenkomstig artikel 48, 2, tweede lid " worden vervangen door de woorden "overeenkomstig artikel 48, § 3, eerste en tweede lid";
  2° twee nieuwe leden 4 en 5 worden ingevoegd tussen lid 3 en voormalig lid 4, luidend als volgt:
  "Bij een gedematerialiseerde verkoop verklaart de pachter zijn recht van voorkoop over te dragen en de derde verklaart dat recht uit te oefenen bij de kennisgeving bedoeld in artikel 48, 4, lid 2.
  In beide gevallen kan de verkoper eisen dat de derde een waarborg stelt.";
  3° het voormalige vijfde lid wordt vervangen als volgt:
  " De pachter die zijn recht van voorkoop heeft overgedragen onder de in dit artikel gestelde voorwaarden, mag gedurende een periode van negen jaar te rekenen van het begin van de nieuwe pachtperiode, bedoeld in het zesde lid, de exploitatie van het goed niet overdragen aan andere personen dan zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of die van zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende of aan de echtgenoten of wettelijk samenwonenden van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen. "
Art.37. Dans l'article 48bis de la même section, inséré par la loi du 12 juin 1975 et remplacé par la loi du 7 novembre 1988, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 3, le mot " physique " est inséré entre les mots " En cas de vente publique " et les mots " , le preneur déclare " et les mots " selon l'article 48, 2, alinéa 2, " sont remplacés par les mots " selon l'article 48, § 3, alinéas 1er et 2 ";
  2° deux nouveaux alinéas 4 et 5 sont insérés entre les alinéas 3 et 4 ancien, rédigé comme suit :
  " En cas de vente dématérialisée, le preneur déclare céder son droit de préemption et le tiers déclare exercer ce droit, à l'occasion de la notification visée à l'article 48, 4, alinéa 2.
  Dans les deux cas, le vendeur peut exiger que le tiers fournisse caution. ";
  3° l'alinéa 5 ancien, est remplacé par ce qui suit :
  " Le preneur qui a cédé son droit de préemption aux conditions prévues par le présent article ne peut pas, pendant une période de neuf ans à dater de l'entrée en vigueur du nouveau bail visé à l'alinéa 6, céder l'exploitation du bien à des personnes autres que son conjoint, son cohabitant légal, ses descendants ou enfants adoptifs ou ceux de son conjoint, de son cohabitant légal ou aux conjoints et aux cohabitants légaux desdits descendants ou enfants adoptifs. ".
Art.38. In artikel 49 van dezelfde afdeling wordt de eerste volzin vervangen als volgt:
  " Indien het goed door verscheidene pachters gemeenschappelijk gepacht wordt, moeten de in artikel 48 bedoelde kennisgevingen aan alle exploitanten van het goed gedaan worden."
Art.38. A l'article 49 de la même section, la première phrase est remplacée par :
  " Si le bien est loué en commun par plusieurs preneurs, les notifications visées à l'article 48 sont adressées à tous ceux qui exploitent le bien. ".
Art.39. Artikel 52 van dezelfde afdeling, vervangen door de wet van 7 november 1988, wordt gewijzigd als volgt:
  a) onder 1 worden de woorden "of door zijn wettelijk samenwonende" ingevoegd tussen de woorden "door hem persoonlijk of zijn echtgenoot" en de woorden ", zijn afstammelingen of aangenomen kinderen, of die van zijn echtgenoot", worden de woorden "of van zijn wettelijk samenwonende" ingevoegd tussen de woorden "aangenomen kinderen, of die van zijn echtgenoot" en worden de woorden "of de wettelijk samenwonenden" ingevoegd tussen de woorden "die van zijn echtgenoot of door de echtgenoten" en de woorden "van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen";
  b) er wordt een 1° /1 ingevoegd, luidend als volgt:
  "1° /1 als de pachter de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, een rust- of overlevingspensioen krijgt en geen enkele van de personen, vermeld in artikel 34, kan aanduiden als degene die zijn exploitatie kan voortzetten, wordt de bewijslast uitgevoerd overeenkomstig artikel 57bis";
  c) punt 2° wordt vervangen als volgt:
  " 2° in geval van verkoop van het goed aan zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of die van de zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende of aan de echtgenoten of wettelijk samenwonenden van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen van de eigenaar of van één van de medeëigenaren of aan de echtegnoten of aan de wettelijk samenwonenden van voorvermelde afstammelingen of aangenomen kinderen, die voor eigen rekening kopen en voor zover het goed niet opnieuw verkocht wordt binnen een termijn van twee jaar. ";
  d) het wordt aangevuld met een lid, luidend als volgt:
  "De uitzondering bedoeld in lid 1, 2°, is niet van toepassing wanneer de pachter zelf de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, een afstammeling of een aangenomen kind van de eigenaar of één der medeëigenaars of van de echtgenoot of van de wettelijk samenwonende van de eigenaar of één der medeëigenaars, of de echtgenoot of de wettelijk samenwonende van een van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen is.".
Art.39. A l'article 52 de la même section, modifié par la loi du 7 novembre 1988, les modifications suivantes sont apportées :
  a) au 1°, les mots " ou par son cohabitant légal, " sont insérés entre les mots " exploité par lui personnellement ou par son conjoint " et les mots " , ses descendants ou enfants adoptifs ou ceux de son conjoint ", les mots " ou de son cohabitant légal " sont insérés entre les mots " adoptifs ou ceux de son conjoint " et les mots " ou par les conjoints desdits descendants " et les mots " ou les cohabitants légaux " sont insérés entre les mots " ceux de son conjoint ou par les conjoints " et les mots " desdits descendants ou enfants adoptifs ";
  b) il est inséré un 1° /1 rédigé comme suit :
  " 1° /1 si le preneur a atteint l'âge légal de la pension, bénéficie d'une pension de retraite ou de survie et ne peut indiquer aucune des personnes mentionnées à l'article 34 comme pouvant poursuivre son exploitation, la charge de la preuve est réalisée conformément à l'article 57bis; ";
  c) le 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° en cas de vente du bien à son conjoint, à son cohabitant légal, à ses descendants ou enfants adoptifs ou à ceux de son conjoint ou de son cohabitant légal ou aux conjoints ou aux cohabitants légaux desdits descendants ou enfants adoptifs du propriétaire ou d'un des copropriétaires ou aux conjoints et aux cohabitants légaux desdits descendants ou enfants adoptifs, achetant pour leur propre compte et pour autant qu'il n'y ait pas revente avant deux ans. ";
  d) il est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " L'exception visée à l'alinéa 1er, 2°, n'est pas applicable lorsque le preneur est lui-même le conjoint, le cohabitant légal, un descendant ou enfant adoptif du propriétaire ou d'un des copropriétaires ou du conjoint ou du cohabitant légal du propriétaire ou d'un des copropriétaires, ou le conjoint ou le cohabitant légal d'un desdits descendants ou enfants adoptifs. ".
Art.40. In artikel 54 van dezelfde afdeling, gewijzigd bij de wet van 7 november 1988, wordt lid 1 vervangen door hetgeen volgt:
  " De pachter die gebruik heeft gemaakt van het recht van voorkoop, mag, gedurende een periode van vijf jaar te rekenen van de aankoop, het goed of de exploitatie ervan niet overdragen aan andere personen dan zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of die van zijn echtgenoot of van zijn wettelijk samenwonende of aan de echtgenoten of aan de wettelijk samenwonenden van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen. ".
Art.40. Dans l'article 54 de la même section, modifié par la loi du 7 novembre 1988, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Le preneur qui a fait usage de son droit de préemption ne peut pas, pendant une période de cinq ans à dater de l'acquisition, céder le bien ni son exploitation à des personnes autres que son conjoint, son cohabitant légal, ses descendants ou enfants adoptifs ou ceux de son conjoint ou de son cohabitant légal ou aux conjoints ou aux cohabitants légaux desdits descendants ou enfants adoptifs. ".
Art.41. Artikel 55 van dezelfde afdeling wordt vervangen als volgt:
  "Art. 55. Als de pachtovereenkomst een vroegere vaste datum heeft dan die van vervreemding van het verpachte goed, treedt de verkrijger onder bezwarende titel of om niet in de rechten en de verplichtingen van de verpachter op de datum van verlijden van de authentieke akte, zelfs als de pachtovereenkomst in de mogelijkheid tot uitdrijving bij vervreemding voorziet.
  Hetzelfde geldt wanneer de pachtovereenkomst geen vroegere vaste datum dan die van de vervreemding heeft, als de pachter het pachtgoed sinds minstens één jaar in gebruik heeft. In dat geval kan de verkrijger de pachtovereenkomst te allen tijde beëindigen om de redenen en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 7, mits een opzegging van zes maanden betekend aan de pachter, op straffe van nietigheid, binnen de drie maanden volgend op de datum van verlijden van de authentieke akte tot vaststelling van de eigendomsovergang. Die termijn wordt verlengd om de pachter de tijd te geven de wassende vruchten te oogsten.".
Art.41. L'article 55 de la même section est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 55. Si le bail a une date certaine antérieure à l'aliénation du bien loué, l'acquéreur à titre gratuit ou à titre onéreux est subrogé dans les droits et obligations du bailleur à la date de la passation de l'acte authentique, même si le bail prévoit la faculté d'expulsion en cas d'aliénation.
  Il en va de même lorsque le bail n'a pas date certaine antérieure à l'aliénation, si le preneur occupe le bien loué depuis un an au moins. Dans ce cas, l'acquéreur peut mettre fin au bail, à tout moment, pour les motifs et dans les conditions visées à l'article 7, moyennant un congé de six mois notifié au preneur, à peine de déchéance, dans les trois mois qui suivent la date de la passation de l'acte authentique constatant la mutation de la propriété. Ce délai est prolongé pour permettre au preneur d'enlever la récolte croissante. ".
Art.42. Artikel 57 van dezelfde afdeling, vervangen door de wet van 7 november, wordt vervangen door hetgeen volgt:
  "Art. 57. Opzegging, verzet of kennisgeving bepaald in de artikelen 6, 8, § 4, 11, 12, 14, lid 1, 24, 30, 33, 34bis, 35, 36, 36bis, 37, 38, 39, 40, 42, 44, 48, 49 en 55 moet, op straffe van niet bestaan betekend worden bij gerechtsdeurwaardersexploot of bij een zending.".
Art.42. L'article 57 de la même section, remplacé par la loi du 7 novembre 1988, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 57. Les congés, oppositions ou notifications prévus aux articles 6, 8, § 4, 11, 12, 14, alinéa 1er, 24, 30, 33, 34bis, 35, 36, 36bis, 37, 38, 39, 40, 42, 44, 48, 49 et 55 sont, à peine d'inexistence, signifiés par exploit d'huissier de justice ou par un envoi. ".
Art.43. In dezelfde afdeling wordt een artikel 57bis ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. 57bis. Vanaf het ogenblik waarop de pachter de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, kan de verpachter of de instrumenterend ambtenaar hem vragen of hij een rust- of overlevingspensioen geniet, met inachtneming van de vorm bepaald in artikel 57. Als de pachter niet binnen de twee maanden na deze vraag bewijst dat hij steeds bedrijvig is en geen rust- of overlevingspensioen geniet of als hij niet, in voorkomend geval, een persoon bedoeld in artikel 34 aanduidt als de persoon die zijn exploitatie voort kan zetten, wordt hij geacht een rust- of overlevingspensioen te genieten.".
Art.43. Dans la même section, il est inséré un article 57bis rédigé comme suit :
  " Art. 57bis. A partir du moment où le preneur a atteint l'âge légal de la pension, le bailleur ou l'officier instrumentant peut interroger celui-ci afin de déterminer s'il bénéficie d'une pension de retraite ou de survie, dans les formes prévues à l'article 57. Si le preneur n'apporte pas, dans les deux mois de la demande, la preuve qu'il est toujours en activité et qu'il ne perçoit pas une pension de retraite ou de survie ou s'il ne précise pas, le cas échéant, une personne mentionnée à l'article 34 comme pouvant poursuivre son exploitation, celui-ci est alors réputé bénéficier d'une pension de retraite ou de survie. ".
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in het Waals Landbouwwetboek
CHAPITRE II. - Modifications du Code wallon de l'Agriculture
Art.44. In artikel D.54 van het Waals Landbouwwetboek, gewijzigd bij het decreet van 17 juli 2018, worden twee leden, luidend als volgt, ingevoegd tussen lid 1 en lid 2:
  "De gegevens bedoeld in artikel 3, § 1, van afdeling 3 ("Regels betreffende de pacht in het bijzonder") van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek worden overwijld aan het Grondwaarnemingscentrum bedoeld in artikel D.571 overgemaakt door de meest gerede partij, namelijk de pachter als ze in een onderhandse of plaatsvervangende akte opgenomen zijn, of door de notaris, als ze in een door hem opgemaakte authentieke akte opgenomen zijn.
  De plaatsbeschrijving, bepaald krachtens artikel 45.6, van afdeling 3 ("Regels betreffende de pacht in het bijzonder") van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek of iedere plaatsvervangende akte wordt insgelijks onverwijld aan het Grondwaarnemingscentrum overgemaakt door de meest gerede partij of, in voorkomend geval, door de notaris.".
Art.44. Dans l'article D.54 du Code wallon de l'Agriculture, modifié par le décret du 17 juillet 2018, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre l'alinéa 1er et l'aliéna 2 :
  " Les données visées à l'article 3, § 1er, de la section 3 (" Des règles particulières aux baux à ferme ") du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil sont transmises sans délai à l'observatoire foncier visé à l'article D. 357, par la partie la plus diligente, à savoir le bailleur, si elles sont portées dans un acte sous seing privé ou dans tout acte en tenant lieu, ou par le notaire si elles sont portées dans un acte authentique dressé par lui.
  L'état des lieux prévu en vertu de l'article 45. 6, de la section 3 (" Des règles particulières aux baux à ferme ") du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil ou tout acte en tenant lieu est de même transmis sans délai à l'observatoire foncier, par la partie la plus diligente ou, le cas échéant, par le notaire. ".
Art.45. In artikel D.357 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 17 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "daaronder inbegrepen de pachtovereenkomsten" ingevoegd tussen de woorden "de door de Regering bepaalde verrichtingen betreffende landbouwkundige onroerende goederen" en de woorden "te inventariseren en te onderzoeken";
  2° in paragraaf 3, lid 1, worden de woorden "instrumenterende ambtenaren" vervangen door de woorden "personen bedoeld in artikel D.54".
Art.45. A l'article D.357 du même Code, modifié par le décret du 17 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, les mots " en ce compris les baux à ferme " sont insérés entre les mots " de répertorier et d'analyser les opérations " et les mots " portant sur des biens immobiliers agricoles ";
  2° au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " officiers instrumentant " sont remplacés par les mots " personnes visées à l'article D.54 ".
Art.46. In Titel XI, hoofdstuk IV, afdeling 2, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 357/1 ingevoegd luidend als volgt:
  "Art. D.357/1. Om het landbouwkundige grondbeleid overeenkomstig de doelstellingen van artikel D.1 te goede te komen, worden de pachtovereenkomsten door het Grondwaarnemingscentrum ingezameld en opgelijst met in achtneming van artikel 3 van afdeling 3 ("Regels betreffende de pacht in het bijzonder") van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek.
  Het verslag bedoeld krachtens artikel D.357, § 2, neemt een hoofdstuk op betreffende de evolutie van de pacht in het Waalse Gewest.".
Art.46. Dans le Titre XI, chapitre IV, section 2, du même Code, il est inséré un article D. 357/1 rédigé comme suit :
  " Art. D.357/1. Dans le but de servir la politique foncière agricole conformément aux objectifs prévus à l'article D.1er, l'observatoire du foncier agricole, collecte et répertorie les baux à ferme dans le respect de l'article 3 de la section 3 (" Des règles particulières aux baux à ferme ") du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil.
  Le rapport prévu en vertu de l'article D. 357, § 2, reprend un chapitre sur l'évolution du bail à ferme en Région wallonne. ".
Art.47. Artikel D.398, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 17 juli 2018, wordt aangevuld met een 7°, luidend als volgt:
  "7° hij die geen instrumenterend ambtenaar is en nalaat de gegevens, opgenomen in een onderhandse akte of in iedere plaatsvervangende akte, of de plaatsbeschrijving of iedere plaatsvervangende akte overeenkomstig de artikelen D.54, leden 2 en 3, en D.357, § 3, en de uitvoeringsbesluiten van deze artikelen, over te maken.".
Art.47. L'article D.398, § 1er, du même Code, modifié par le décret du 17 juillet 2018, est complété par un 7°, rédigé comme suit :
  " 7° n'étant pas officier instrumentant, néglige de transmettre les données portées dans un acte sous seing privé ou dans tout acte en tenant lieux, ou l'état des lieux ou tout acte en tenant lieux, conformément aux articles D.54, alinéa 2 et 3, et D.357, § 3, et des arrêtés d'exécution de ces articles. ".
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen in het decreet van 20 oktober 2016 tot beperking van de pachtprijzen
CHAPITRE III. - Modifications du décret du 20 octobre 2016 limitant les fermages
Art.48. In het decreet van 20 oktober 2016 tot beperking van de pachtprijzen wordt een artikel 3/1 ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. 3/1. § 1. De maximale pachtprijs kan in volgende gevallen en verhoudingen verhoogd worden:
  1° wanneer de pachtovereenkomst, tot stand gekomen via een authentieke akte, een eerste achttienjarige gebruiksperiode vaststelt, kan de pachtprijs, vastgesteld overeenkomstig artikel 1, § 1, lid 1, verhoogd worden met zesendertig percent en de pachtprijs, vastgesteld overeenkomstig artikel 1, § 1, lid 2, kan verhoogd worden met achttien percent;
  2° wanneer de pachtovereenkomst, tot stand gekomen via een authentieke akte, een eerste éénentwintigjarige gebruiksperiode vaststelt, kan de pachtprijs, vastgesteld overeenkomstig artikel 1, § 1, lid 1, verhoogd worden met tweeënveertig percent en de pachtprijs, vastgesteld overeenkomstig artikel 1, § 1, lid 2, kan verhoogd worden met eenentwintig percent;
  3° wanneer de pachtovereenkomst, tot stand gekomen via een authentieke akte, een eerste vierentwintigjarige gebruiksperiode vaststelt, kan de pachtprijs, vastgesteld overeenkomstig artikel 1, § 1, lid 1, verhoogd worden met achtenveertig percent en de pachtprijs, vastgesteld overeenkomstig artikel 1, § 1, lid 2, kan verhoogd worden met vierentwintig percent;
  4° wanneer de pachtovereenkomst, tot stand gekomen via een authentieke akte, een eerste vijfentwintigjarige gebruiksperiode of meer vaststelt, kan de pachtprijs, vastgesteld overeenkomstig artikel 1, § 1, lid 1 verhoogd worden met vijftig percent en de pachtprijs, vastgesteld overeenkomstig artikel 1, § 1, lid 2, kan verhoogd worden met vijfentwintig percent. Wanneer de pachtovereenkomst na de eerste zevenentwintigjarige periode wordt voortgezet, blijven de verhogingen van toepassing voor de latere verlengingen bedoeld in artikel 8, § 2, van afdeling 3 ("Regels betreffende de pacht in het bijzonder") van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek, hierna de pachtwet genoemd.
  Na de hierboven vermelde eerste gebruiksperiode gaat de maximale pachtprijs terug naar het niveau vastgesteld op basis van artikel 1, § 1. Als hij evenwel wordt afgesloten na een eerste gebruiksperiode waarvan de duur beoogd wordt in lid 1 en zonder onderbreking tussen dezelfde partijen een eindeloopbaanpacht in de zin van artikel 8, § 5, van de pachtwet, kan de maximale pachtprijs in dezelfde verhouding als voorheen verhoogd worden.
  § 2. Buiten de gevallen om, bedoeld in paragraaf 1, kan de maximale pachtprijs in volgende gevallen en verhoudingen verhoogd worden:
  1° twintig percent zowel voor het land als voor de gebouwen wanneer de pachtovereenkomst in een derde negenjarige periode treedt;
  2° dertig percent zowel voor het land als voor de gebouwen wanneer de pachtovereenkomst in een vierde negenjarige periode treedt.
  § 3. De maximale pachtprijs kan met vijftig percent verhoogd worden voor het land, en met vijfentwintig percent voor de gebouwen als de pachtovereenkomst een loopbaanpacht is overeenkomstig artikel 8, § 3, afdeling 3 ("Regels betreffende de pacht in het bijzonder") van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek.".
Art.48. Dans le décret du 20 octobre 2016 limitant les fermages, il est inséré un article 3/1 rédigé comme suit :
  " Art. 3/1. § 1er. Le fermage maximal peut être augmenté dans les cas et les proportions suivantes :
  1° lorsque le contrat de bail intervenu par acte authentique fixe une première période d'occupation de dix-huit ans, le fermage établi conformément à l'article 1er, § 1er, alinéa 1er, peut être augmenté de trente-six pourcents et le fermage établi conformément à l'article 1er, § 1er, alinéa 2, peut être augmenté de dix-huit pourcents;
  2° lorsque le contrat de bail intervenu par acte authentique fixe une première période d'occupation de vingt et un ans, le fermage établi conformément à l'article 1er, § 1er, alinéa 1er, peut être augmenté de quarante-deux pourcents et le fermage établi conformément à l'article 1er, § 1er, alinéa 2, peut être augmenté de vingt et un pourcents;
  3° lorsque le contrat de bail intervenu par acte authentique fixe une première période d'occupation de vingt-quatre ans, le fermage établi conformément à l'article 1er, § 1er, alinéa 1er, peut être augmenté de quarante-huit pourcents et le fermage établi conformément à l'article 1er, § 1er, alinéa 2, peut être augmenté de vingt-quatre pourcents;
  4° lorsque le contrat de bail intervenu par acte authentique fixe une première période d'occupation de vingt-cinq ans ou plus, le fermage établi conformément à l'article 1er, § 1er, alinéa 1er, peut être augmenté de cinquante pourcents et le fermage établi conformément à l'article 1er, § 1er, alinéa 2, peut être augmenté de vingt-cinq pourcents. Lorsque le contrat de bail se poursuit au-delà de la première période de 27 ans, les majorations restent d'application pour les reconductions ultérieures prévues à l'article 8, § 2, de la section 3 (" Des règles particulières aux baux à ferme ") du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil, ci-après dénommée loi sur le bail à ferme.
  Au-delà de la première période d'occupation stipulée à l'alinéa 1er, le fermage maximal revient au niveau fixé sur la base de l'article 1er, § 1er. Toutefois, s'il est conclu à la suite d'une première période d'occupation dont la durée est reprise à l'alinéa 1er et sans interruption entre les mêmes parties un bail de fin de carrière au sens de l'article 8, § 5, de la loi sur le bail à ferme, le fermage maximal peut être augmenté dans la même proportion qu'antérieurement.
  § 2. En dehors des cas visés au paragraphe 1er, le fermage maximal peut être augmenté dans les cas et les proportions suivantes :
  1° vingt pourcents tant pour les terres que pour les bâtiments lorsque le contrat de bail entre dans une troisième période de neuf ans;
  2° trente-cinq pourcents tant pour les terres que pour les bâtiments lorsque le contrat de bail entre dans une quatrième période de neuf ans.
  § 3. Le fermage maximal peut être augmenté de cinquante pourcents pour les terres et vingt-cinq pourcents pour les bâtiments si le contrat de bail est un contrat de bail de carrière conformément à l'article 8, § 3, de la section 3 (" Des règles particulières aux baux à ferme ") du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil . ".
Art.49. Artikel 4 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt:
  1° in lid 1 worden de woorden "in artikel 1 van dit decreet en in artikel 4 van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen" vervangen door de woorden "in de artikelen 1 en 3/1";
  2° in lid 2 worden de woorden "in artikel 1 van dit decreet en in artikel 4 van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen" vervangen door de woorden "in de artikelen 1 en 3/1".
Art.49. A l'article 4, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " à l'article 1er du présent décret et à l'article 4 de la loi du 4 novembre 1969 limitant les fermages " sont remplacés par les mots " aux articles 1er et 3/1 ";
  2° à l'alinéa 2, les mots " l'article 1er du présent décret et à l'article 4 de la loi du 4 novembre 1969 limitant les fermages " sont remplacés par les mots " aux articles 1er et 3/1 ".
Art.50. In hetzelfde decreet wordt een artikel 4/1 ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. 4/1. De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op:
  1° de retributies verschuldigd wegens concessies, gegeven door de overheid en met als doel het genot of de exploitatie van een landeigendom;
  2° de retributies geïnd voor het ter beschikking stellen van de gemeentegoederen zoals opgenomen in artikel 542 van het Burgerlijk Wetboek, daaronder inbegrepen de gerooide gemeentearealen als ze het genot of de exploitatie van een landeigendom tot doel hebben.".
Art.50. Dans le même décret, il est inséré un article 4/1, rédigé comme suit :
  " Art. 4/1. Les dispositions du présent décret s'appliquent :
  1° aux redevances dues du chef de concessions consenties par les pouvoirs publics et ayant pour objet la jouissance ou l'exploitation d'un bien rural;
  2° aux redevances perçues pour la mise à disposition des biens communaux tels que repris à l'article 542 du Code civil en ce compris les sarts communaux s'ils ont pour objet la jouissance ou l'exploitation d'un bien rural. ".
Art.51. In hetzelfde decreet wordt een artikel 4/2 ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. 4/2. Dit decreet is ondanks alle andersluidende bepalingen van de artikelen 3, 17, 18 en 19 van afdeling 3 ("Regels betreffende de pacht in het bijzonder") van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.".
Art.51. Dans le même décret, il est inséré un article 4/2, rédigé comme suit :
  " Art. 4/2. Le présent décret s'applique malgré toutes dispositions contraires des articles 3, 17, 18 et 19 de la section 3 (" Des règles particulières aux baux à ferme ") du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil. ".
HOOFDSTUK IV. - Overgangs- en opheffingsbepalingen
CHAPITRE IV. - Dispositions transitoires et abrogatoires
Art.52. Artikel 3 van afdeling 3 ("Regels betreffende de pacht in het bijzonder") van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 4 van dit decreet, is van toepassing op de overeenkomsten afgesloten na inwerkingtreding ervan.
  Mondelinge pachtovereenkomsten kunnen in onderlinge overeenstemming omgevormd worden tot loopbaan- of langdurige pachten van afdeling 3 ("Regels betreffende de pacht in het bijzonder") van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek. De aldus omgevormde pachtovereenkomsten worden geacht, nieuwe pachtovereenkomsten te zijn.
  De geldigheid en de gevolgen van de opzeggingen, gedaan voor de inwerkingtreding van dit decreet, worden beoordeeld overeenkomstig de wettelijke bepalingen geldend op het tijdstip van kennisgeving ervan.
  De pachtovereenkomsten, afgesloten voor de inwerkingtreding van dit decreet op grond van artikel 3 van afdeling 3 ("Regels betreffende de pacht in het bijzonder") van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek worden geacht, geldig te zijn afgesloten totdat er een nieuwe pachtovereenkomst tot stand komt of er zich een wijziging voordoet die een hernieuwing tot gevolg heeft als bepaald in de artikelen 35, 43 en 48bis van de wet van dezelfde afdeling.
  [1 De pachtovereenkomsten afgesloten op grond van artikel 4 van afdeling 3 van boek III, titel VIII, hoofdstuk II van het voormalige Burgerlijk Wetboek, of de wijzigingen die leiden tot een hernieuwing zoals bedoeld in de artikelen 35, 43 en 48bis van dezelfde afdeling, die van kracht zijn op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, worden beschouwd als pachtovereenkomsten of hernieuwingen die een derde gebruiksperiode ingaan op de datum van inwerkingtreding van dit decreet.]1
  [1 In afwijking van lid 5 en indien het bewijs wordt geleverd dat de pachtovereenkomst of de hernieuwing de derde gebruiksperiode niet heeft bereikt op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, zijn de termijnen bepaald in artikel 4 van afdeling 3 van boek III, titel VIII, hoofdstuk II van het voormalige Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 5 van dit decreet, onmiddellijk van toepassing.";
   2° het artikel wordt aangevuld met drie leden, die als volgt luiden:
   "Onverminderd lid 2 worden de pachtovereenkomsten afgesloten op grond van artikel 8, § 2, van afdeling 3 van boek III, titel VIII, hoofdstuk II van het voormalige Burgerlijk Wetboek, die van kracht zijn op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, beschouwd als pachtovereenkomsten die de negenjarige periode voorzien in lid 6 van voornoemde paragraaf, zoals gewijzigd door artikel 8 van dit decreet, ingaan op de datum van inwerkingtreding van dit decreet.
   In afwijking van lid 7 en indien het bewijs wordt geleverd dat de pachtovereenkomst het einde van de vaste periode bedoel in artikel 8, § 2, van afdeling 3 van boek III, titel VIII, hoofdstuk II van het voormalige Burgerlijk Wetboek niet heeft bereikt, zijn de termijnen bepaald in voornoemde paragraaf, zoals gewijzigd door artikel 8 van dit decreet, onmiddellijk van toepassing.
   Onverminderd lid 2 zijn de termijnen met betrekking tot de pachtovereenkomsten afgesloten op grond van artikel 8, § 3, van afdeling 3 van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het voormalige Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 8 van dit decreet, onmiddellijk van toepassing op pachtovereenkomsten die van kracht zijn op de datum van inwerkingtreding van dit decreet.]1

  
Art.52. L'article 3 de la section 3 (" Des règles particulières aux baux à ferme ") du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil l, tel que modifié par l'article 4 du présent décret s'applique aux contrats conclus après son entrée en vigueur.
  Les baux oraux en cours peuvent, d'un commun accord, être transformés en baux de carrière ou de longue durée de la section 3 (" Des règles particulières aux baux à ferme ") du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil. Les baux ainsi transformés sont réputés être de nouveaux baux.
  La validité et les effets des congés donnés antérieurement à l'entrée en vigueur du présent décret sont appréciés conformément aux dispositions légales en vigueur au moment de leur notification.
  Les baux conclus avant l'entrée en vigueur du présent décret sur base de l'article 3 de la section 3 (" Des règles particulières aux baux à ferme ") du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil, sont considérés comme valablement conclus jusqu'à ce qu'un nouveau bail intervienne ou une modification entrainant un renouvellement tel que prévu aux articles 35, 43 et 48bis de la loi de la même section.
  [1 Les baux conclus sur base de l'article 4 de la section 3 du livre III, titre VIII, chapitre II, de l'ancien Code civil, ou les modifications qui en- traînent un renouvellement telles que visées aux articles 35, 43 et 48bis de la même section, en cours au jour de l'entrée en vigueur du présent décret sont considérés comme des baux ou des renouvellements qui commencent une troisième période d'occupation à la date d'entrée en vigueur du présent décret.]1
  [1 En dérogation à l'alinéa 5, s'il est apporté la preuve que le bail ou le re- nouvellement n'a pas atteint la troisième période d'occupation à la date d'entrée en vigueur du présent décret, les durées prévues à l'article 4 de la section 3 du livre III, titre VIII, chapitre II, de l'ancien Code civil, tel que modifié par l'article 5 du présent décret, sont d'application immédiate. ";
   2° l'article est complété par trois alinéas rédigés comme suit :
   " Sans préjudice de l'alinéa 2, les baux conclus sur base de l'article 8, § 2, de la section 3 du livre III, titre VIII, chapitre II, de l'ancien Code civil, en cours au jour de l'entrée en vigueur du présent décret sont considérés comme des baux qui commencent la période de neuf ans prévue à l'alinéa 6 dudit paragraphe, tel que modifié par l'article 8 du présent décret, à la date d'entrée en vigueur du présent décret.
   En dérogation à l'alinéa 7, s'il est apporté la preuve que le bail n'a pas atteint la fin de la période fixe visée à l'article 8, § 2, alinéa 1er, de la section 3 du livre III, titre VIII, chapitre II, de l'ancien Code civil, les durées prévues audit paragraphe, tel que modifié par l'article 8 du présent décret, sont d'application immédiate.
   Sans préjudice de l'alinéa 2, les durées relatives aux baux conclus sur base de l'article 8, § 3, de la section 3 du livre III, titre VIII, chapitre II, de l'ancien Code civil, tel que modifié par l'article 8 du présent décret, sont d'application immédiate aux baux en cours au jour de l'entrée en vigueur du présent décret.]1

  
Art.53. De verhoging van de pachtprijs als bedoeld in artikel 3/1, § 2, van het decreet van 20 oktober 2016 zoals ingevoegd bij artikel 48, § 2, van het voorontwerp is enkel van toepassing op de pachtovereenkomsten, afgesloten na de inwerkingtreding van dit decreet.
Art.53. La majoration de fermage prévue à l'article 3/1, § 2, du décret du 20 octobre 2016 tel qu'inséré par l'article 48, § 2 de l'avant-projet est uniquement applicable aux baux conclus après l'entrée en vigueur du présent décret.
Art.54. Opgeheven worden:
  1° de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen, gewijzigd bij de wet van 7 november 1988 en bij het decreet van 20 oktober 2016;
  2° artikel 4, 5°, de wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen.
Art.54. Sont abrogés :
  1° la loi du 4 novembre 1969 limitant les fermages, modifiée par la loi du 7 novembre 1988 et par le décret du 20 octobre 2016;
  2° l'article 4, 5°, de la loi du 4 novembre 1969 modifiant la législation sur le bail à ferme et sur le droit de préemption en faveur des preneurs de biens ruraux.
Art. 55. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2020.
  In afwijking van lid 1 bepaalt de Regering de inwerkingtreding van de artikelen van dit decreet voor:
  1° artikel 12, § 7, van afdeling 3 ("Regels betreffende de pacht in het bijzonder"), van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 15;
  2° artikel 17;
  3° artikel 19;
  4° artikel 35, lid 3, van afdeling 3 ("Regels betreffende de pacht in het bijzonder"), van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 27;
  5° artikel 34;
  6° de artikelen 1, 2°, 10, 2°, en 11.
  De Regering kan data van inwerkingtreding bepalen, voorafgaand aan de data vermeld in het eerste lid, voor elke van de bepalingen van dit decreet.
Art. 55. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2020.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le Gouvernement détermine l'entrée en vigueur des articles du présent décret pour :
  1° l'article 12, § 7, de la section 3 (" Des règles particulières aux baux à ferme ") du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil. ", tel que modifié par l'article 15;
  2° l'article 17;
  3° l'article 19;
  4° l'article 35, alinéa 3, de la section 3 (" Des règles particulières aux baux à ferme ") du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil. ", tel que modifié par l'article 27;
  5° l'article 34;
  6° les articles 1er, 2°, 10, 2°, et 11.
  Le Gouvernement peut fixer des dates d'entrée en vigueur antérieures à celle mentionnée à l'alinéa 1er pour chacune des dispositions du présent décret.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 19 ; 34 ; 27 fixée au 01-01-2020 par ARW 2019-06-20/19, art. 28)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 17 fixée au 01-01-2020 par ARW 2019-06-20/20, art. 13)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 15 fixée au 01-01-2020 par ARW 2019-06-20/21, art. 5)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 1, 2° et 10, 2° fixée au 15-07-2019 par ARW 2021-04-29/14, art. 2)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'articles 11 fixée au 21-05-2021 par ARW 2021-04-29/14, art. 2)