Artikel 1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt punt 8° opgeheven;
2° in het eerste lid worden punt 11° en 12° vervangen door wat volgt:
"11° persoon ten laste:
a) het kind dat op de referentiedatum bij de kandidaat-koper gedomicilieerd is en dat minderjarig is, of voor wie kinderbijslag of wezenbijslag wordt uitbetaald;
b) het kind van de kandidaat-koper dat niet gedomicilieerd is bij hem, maar op regelmatige basis bij hem verblijft en dat minderjarig is, of voor wie kinderbijslag of wezenbijslag wordt uitbetaald;
c) de persoon die beschouwd wordt als ernstig gehandicapt, of die op het ogenblik waarop hij met pensioen ging, beschouwd werd als ernstig gehandicapt;
12° inkomen: de som van de volgende inkomsten van de kandidaat-koper en alle personen die met hem dezelfde woning zullen betrekken, ontvangen in het jaar waarop het laatst beschikbare aanslagbiljet betrekking heeft:
a) het gezamenlijk belastbaar inkomen en de afzonderlijke belastbare inkomsten;
b) het leefloon;
c) de inkomensvervangende tegemoetkoming aan personen met een handicap;
d) de van belasting vrijgestelde beroepsinkomsten uit het buitenland of de van belasting vrijgestelde beroepsinkomsten die verworven zijn bij een Europese of internationale instelling;";
3° in het tweede lid worden de woorden "of niet" vervangen door de woorden "en niet";
4° in het derde lid wordt de zinsnede "als vermeld in artikel 1" vervangen door de zinsnede "als de voorwaarden die bepaald worden ter uitvoering van artikel 1";
5° er worden een vijfde tot en met een zevende lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Het aanslagbiljet, vermeld in het eerste lid, 12°, heeft betrekking op de inkomsten van maximaal drie jaar voorafgaand aan de toepassing.
Voor de bepaling van het gezamenlijk belastbaar inkomen, vermeld in het eerste lid, 12°, a), wordt alleen rekening gehouden met de reële eigen beroepsinkomsten.
Het inkomen, vermeld in het eerste lid, 12°, wordt geïndexeerd volgens de gezondheidsindex van de maand juni van het jaar dat aan de toepassing ervan voorafgaat, met als basis de maand juni van het jaar waarop het inkomen betrekking heeft.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
24 MEI 2019. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen op het vlak van wonen
Titre
24 MAI 2019. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand modifiant diverses dispositions relatives au logement
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (49)
Texte (49)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 septembre 2006 relatif aux conditions de transfert de biens immobiliers de la SociĂ©tĂ© flamande du Logement et des sociĂ©tĂ©s sociales de logement en exĂ©cution du Code flamand du Logement.
Article 1er. § 1er. Dans l'article 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 septembre 2006 relatif aux conditions de transfert de biens immobiliers de la SociĂ©tĂ© flamande du Logement et des sociĂ©tĂ©s sociales de logement en exĂ©cution du Code flamand du Logement, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 fĂ©vrier 2017, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° à l'alinéa premier, le point 8° est supprimé ;
2° dans l'alinéa 1er, les points 11° et 12° sont remplacés par les dispositions suivantes :
" 11° personne à charge :
a) l'enfant qui à la date de référence est domicilié auprÚs du candidat-acquéreur et qui est mineur ou pour qui des allocations familiales ou des allocations d'orphelin sont payées ;
b) l'enfant du candidat-acquéreur qui n'est pas domicilié auprÚs de lui mais qui séjourne réguliÚrement chez lui et qui est mineur ou pour qui des allocations familiales ou des allocations d'orphelin sont payées ;
c) la personne considérée comme étant atteinte d'un handicap grave, ou qui, au moment de sa retraite, était considérée comme étant atteinte d'un handicap grave ;
12° revenus : la somme des revenus suivants du candidat acquĂ©reur et de toutes les personnes qui partageront la mĂȘme habitation avec lui, perçue dans l'annĂ©e Ă laquelle se rapporte le dernier avertissement-extrait de rĂŽle disponible :
a) le revenu imposable globalement et les revenus imposables séparément ;
b) le revenu d'intégration sociale ;
c) l'allocation de remplacement de revenus aux personnes handicapées ;
d) les revenus professionnels exonérés de taxes provenant de l'étranger ou les revenus professionnels exonérés de taxes acquis auprÚs d'une institution européenne ou internationale ;
3° à l'alinéa deux, les mots " ou non " sont remplacés par les mots " et non " ;
4° Ă l'alinĂ©a trois, le membre de phrase " tels que visĂ©s Ă l'article 1er " est remplacĂ© par le membre de phrase " que les conditions arrĂȘtĂ©es en exĂ©cution de l'article 1er " ;
5° il est ajouté un alinéa cinq à sept inclus, rédigés comme suit :
" L'avertissement-extrait de rÎle, visé à l'alinéa premier, 12°, concerne les revenus remontant à au maximum trois années précédant l'application.
Pour la détermination du revenu imposable globalement visé à l'alinéa premier, 12°, a), il est uniquement tenu compte des revenus professionnels propres réels.
Le revenu visé à l'alinéa premier, 12°, est indexé suivant l'indice santé du mois de juin de l'année précédant son application, la base étant le mois de juin de l'année à laquelle se rapporte le revenu. ".
1° à l'alinéa premier, le point 8° est supprimé ;
2° dans l'alinéa 1er, les points 11° et 12° sont remplacés par les dispositions suivantes :
" 11° personne à charge :
a) l'enfant qui à la date de référence est domicilié auprÚs du candidat-acquéreur et qui est mineur ou pour qui des allocations familiales ou des allocations d'orphelin sont payées ;
b) l'enfant du candidat-acquéreur qui n'est pas domicilié auprÚs de lui mais qui séjourne réguliÚrement chez lui et qui est mineur ou pour qui des allocations familiales ou des allocations d'orphelin sont payées ;
c) la personne considérée comme étant atteinte d'un handicap grave, ou qui, au moment de sa retraite, était considérée comme étant atteinte d'un handicap grave ;
12° revenus : la somme des revenus suivants du candidat acquĂ©reur et de toutes les personnes qui partageront la mĂȘme habitation avec lui, perçue dans l'annĂ©e Ă laquelle se rapporte le dernier avertissement-extrait de rĂŽle disponible :
a) le revenu imposable globalement et les revenus imposables séparément ;
b) le revenu d'intégration sociale ;
c) l'allocation de remplacement de revenus aux personnes handicapées ;
d) les revenus professionnels exonérés de taxes provenant de l'étranger ou les revenus professionnels exonérés de taxes acquis auprÚs d'une institution européenne ou internationale ;
3° à l'alinéa deux, les mots " ou non " sont remplacés par les mots " et non " ;
4° Ă l'alinĂ©a trois, le membre de phrase " tels que visĂ©s Ă l'article 1er " est remplacĂ© par le membre de phrase " que les conditions arrĂȘtĂ©es en exĂ©cution de l'article 1er " ;
5° il est ajouté un alinéa cinq à sept inclus, rédigés comme suit :
" L'avertissement-extrait de rÎle, visé à l'alinéa premier, 12°, concerne les revenus remontant à au maximum trois années précédant l'application.
Pour la détermination du revenu imposable globalement visé à l'alinéa premier, 12°, a), il est uniquement tenu compte des revenus professionnels propres réels.
Le revenu visé à l'alinéa premier, 12°, est indexé suivant l'indice santé du mois de juin de l'année précédant son application, la base étant le mois de juin de l'année à laquelle se rapporte le revenu. ".
Art. 2. In artikel 3 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder perceel, bestemd voor woningbouw: onbebouwde percelen in het woongebied, met uitsluiting van woonuitbreidingsgebied, vermeld op de ruimtelijke uitvoeringsplannen of op de plannen van aanleg, die aan een uitgeruste weg liggen als vermeld in artikel 4.3.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, alsook alle percelen waarvoor een niet-vervallen verkavelingsvergunning of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden bestaat.
Bij de verkoop van sociale koopwoningen en sociale kavels wordt de kandidaat-koper als woonbehoeftig beschouwd als hij op de referentiedatum aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° het inkomen, of in voorkomend geval de inkomsten die in aanmerking worden genomen conform het zevende lid, bedragen minimaal 8789 euro en maximaal:
a) 35.123 euro voor een alleenstaande persoon zonder personen ten laste;
b) 38.630 euro voor een alleenstaande persoon met een handicap als vermeld in artikel 1, eerste lid, 11°, c), die geen andere personen ten laste heeft;
c) 52.679 euro, verhoogd met 3507 euro per persoon ten laste voor anderen;
2° hij of een van zijn gezinsleden heeft geen woning of perceel, bestemd voor woningbouw, volledig of gedeeltelijk in volle eigendom;
3° hij of een van zijn gezinsleden heeft geen volledig of gedeeltelijk recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een woning of perceel, bestemd voor woningbouw;
4° hij of een van zijn gezinsleden heeft geen woning die of perceel, bestemd voor woningbouw, dat volledig of gedeeltelijk in erfpacht of opstal is gegeven;
5° hij of een van zijn gezinsleden heeft geen woning die of perceel, bestemd voor woningbouw, dat hij of een van zijn gezinsleden zelf volledig of gedeeltelijk in vruchtgebruik heeft gegeven;
6° hij of een van zijn gezinsleden zijn geen zaakvoerder, bestuurder of aandeelhouder van een vennootschap waarin ze zakelijke rechten als vermeld in punt 2° tot en met 5°, hebben ingebracht.
Als de sociale koopwoning of sociale kavel in een gemeente ligt die is opgenomen in cluster 1 of cluster 2 van de lijst die opgenomen is in de bijlage die is gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 houdende de voorwaarden waaronder de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en het Vlaams Woningfonds bijzondere sociale leningen aan particulieren kunnen toestaan, mag in afwijking van het tweede lid, 1°, het inkomen, of in voorkomend geval de inkomsten die in aanmerking worden genomen conform het zevende lid, op de referentiedatum niet meer bedragen dan:
1° 36.795 euro voor een alleenstaande persoon zonder personen ten laste;
2° 40.469 euro voor een alleenstaande persoon met een handicap als vermeld in artikel 1, eerste lid, 11°, c), die geen andere personen ten laste heeft;
3° 55.187 euro, verhoogd met 3674 euro per persoon ten laste voor anderen.
Met behoud van de toepassing van het vijfde lid, worden voor de toepassing van het tweede en het derde lid de gezinsleden die de sociale koopwoning of de woning op de sociale kavel niet mee zullen kopen en niet mee zullen bewonen, niet mee in aanmerking genomen.
In afwijking van het tweede lid, 2°, 3°, 4° en 5°, kan de kandidaat-koper als woonbehoeftig beschouwd worden als:
1° hij samen met zijn echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoont, zijn feitelijke partner, zijn ex-echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoonde of zijn ex-feitelijke partner een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, volledig in volle eigendom heeft als die persoon de sociale koopwoning of sociale kavel niet mee zal kopen en de woning of de op te richten woning niet mee zal bewonen;
2° hij samen met zijn echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoont, zijn feitelijke partner, zijn ex-echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoonde of zijn ex-feitelijke partner een volledig recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik heeft op een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, als die persoon de sociale koopwoning of sociale kavel niet mee zal kopen en de woning of de op te richten woning niet mee zal bewonen;
3° hij samen met zijn echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoont, zijn feitelijke partner, zijn ex-echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoonde of zijn ex-feitelijke partner een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, volledig in erfpacht, opstal of vruchtgebruik heeft gegeven, als die persoon de sociale koopwoning of sociale kavel niet mee zal kopen en de woning of de op te richten woning niet mee zal bewonen;
4° hij of een van zijn gezinsleden een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, ten kosteloze titel gedeeltelijk in volle eigendom heeft verworven;
5° hij of een van zijn gezinsleden een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw gedeeltelijk ten kosteloze titel heeft verworven;
6° hij of een van zijn gezinsleden een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, waarop een recht van erfpacht of opstal is gegeven, gedeeltelijk ten kosteloze titel heeft verworven.
Als het vijfde lid van toepassing is, moet de kandidaat-koper, of in voorkomend geval een van zijn gezinsleden, een jaar na het verlijden van de aankoopakte van de woning of kavel voldoen aan de onroerende bezitsvoorwaarde, vermeld in het tweede lid. Als ze daarvoor gegronde redenen kunnen aanvoeren, kunnen ze de verkoper verzoeken om die termijn van een jaar te verlengen. Als de koper, of in voorkomend geval een van zijn gezinsleden, niet voldoet aan de onroerende bezitsvoorwaarde na een jaar of, in voorkomend geval, de verlengde termijn, wordt de koopovereenkomst van rechtswege ontbonden.
Als het inkomen minder dan 8789 euro bedraagt, worden de inkomsten, vermeld in artikel 1, eerste lid, 12°, van drie opeenvolgende maanden voorafgaand aan de referentiedatum, en geëxtrapoleerd naar twaalf maanden, in aanmerking genomen.";
2° paragraaf 4 en 5 worden vervangen door wat volgt:
" § 4. Bij de vrijwillige verkoop van sociale huurwoningen aan de zittende huurder wordt de kandidaat-koper beschouwd als woonbehoeftig als hij op de referentiedatum voldoet aan de onroerende bezitsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid. Paragraaf 1, vierde, vijfde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 5. De kandidaat-koper, vermeld in paragraaf 1 en 4, kan bewijzen dat hij voldoet aan de onroerende bezitsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, met een verklaring op erewoord voor de onroerende goederen in het buitenland.";
3° in paragraaf 6, eerste lid, wordt de zinsnede "De voorwaarden in paragraaf 1, 2°, en 3°, en paragraaf 4" vervangen door de zinsnede "De onroerende bezitsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, en paragraaf 4";
4° in paragraaf 6, eerste lid, worden punt 1°, 4° en 5° opgeheven;
5° in paragraaf 6, tweede lid, wordt de zinsnede "de gevallen, vermeld in het eerste lid, 2°, 4° en 5° " vervangen door de zinsnede "het geval, vermeld in het eerste lid, 2° ";
6° aan paragraaf 6, tweede lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Als de koper daarvoor gegronde redenen kan aanvoeren, kan hij de verkoper verzoeken om de vermelde termijn van een jaar te verlengen.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder perceel, bestemd voor woningbouw: onbebouwde percelen in het woongebied, met uitsluiting van woonuitbreidingsgebied, vermeld op de ruimtelijke uitvoeringsplannen of op de plannen van aanleg, die aan een uitgeruste weg liggen als vermeld in artikel 4.3.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, alsook alle percelen waarvoor een niet-vervallen verkavelingsvergunning of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden bestaat.
Bij de verkoop van sociale koopwoningen en sociale kavels wordt de kandidaat-koper als woonbehoeftig beschouwd als hij op de referentiedatum aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° het inkomen, of in voorkomend geval de inkomsten die in aanmerking worden genomen conform het zevende lid, bedragen minimaal 8789 euro en maximaal:
a) 35.123 euro voor een alleenstaande persoon zonder personen ten laste;
b) 38.630 euro voor een alleenstaande persoon met een handicap als vermeld in artikel 1, eerste lid, 11°, c), die geen andere personen ten laste heeft;
c) 52.679 euro, verhoogd met 3507 euro per persoon ten laste voor anderen;
2° hij of een van zijn gezinsleden heeft geen woning of perceel, bestemd voor woningbouw, volledig of gedeeltelijk in volle eigendom;
3° hij of een van zijn gezinsleden heeft geen volledig of gedeeltelijk recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een woning of perceel, bestemd voor woningbouw;
4° hij of een van zijn gezinsleden heeft geen woning die of perceel, bestemd voor woningbouw, dat volledig of gedeeltelijk in erfpacht of opstal is gegeven;
5° hij of een van zijn gezinsleden heeft geen woning die of perceel, bestemd voor woningbouw, dat hij of een van zijn gezinsleden zelf volledig of gedeeltelijk in vruchtgebruik heeft gegeven;
6° hij of een van zijn gezinsleden zijn geen zaakvoerder, bestuurder of aandeelhouder van een vennootschap waarin ze zakelijke rechten als vermeld in punt 2° tot en met 5°, hebben ingebracht.
Als de sociale koopwoning of sociale kavel in een gemeente ligt die is opgenomen in cluster 1 of cluster 2 van de lijst die opgenomen is in de bijlage die is gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 houdende de voorwaarden waaronder de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en het Vlaams Woningfonds bijzondere sociale leningen aan particulieren kunnen toestaan, mag in afwijking van het tweede lid, 1°, het inkomen, of in voorkomend geval de inkomsten die in aanmerking worden genomen conform het zevende lid, op de referentiedatum niet meer bedragen dan:
1° 36.795 euro voor een alleenstaande persoon zonder personen ten laste;
2° 40.469 euro voor een alleenstaande persoon met een handicap als vermeld in artikel 1, eerste lid, 11°, c), die geen andere personen ten laste heeft;
3° 55.187 euro, verhoogd met 3674 euro per persoon ten laste voor anderen.
Met behoud van de toepassing van het vijfde lid, worden voor de toepassing van het tweede en het derde lid de gezinsleden die de sociale koopwoning of de woning op de sociale kavel niet mee zullen kopen en niet mee zullen bewonen, niet mee in aanmerking genomen.
In afwijking van het tweede lid, 2°, 3°, 4° en 5°, kan de kandidaat-koper als woonbehoeftig beschouwd worden als:
1° hij samen met zijn echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoont, zijn feitelijke partner, zijn ex-echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoonde of zijn ex-feitelijke partner een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, volledig in volle eigendom heeft als die persoon de sociale koopwoning of sociale kavel niet mee zal kopen en de woning of de op te richten woning niet mee zal bewonen;
2° hij samen met zijn echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoont, zijn feitelijke partner, zijn ex-echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoonde of zijn ex-feitelijke partner een volledig recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik heeft op een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, als die persoon de sociale koopwoning of sociale kavel niet mee zal kopen en de woning of de op te richten woning niet mee zal bewonen;
3° hij samen met zijn echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoont, zijn feitelijke partner, zijn ex-echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoonde of zijn ex-feitelijke partner een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, volledig in erfpacht, opstal of vruchtgebruik heeft gegeven, als die persoon de sociale koopwoning of sociale kavel niet mee zal kopen en de woning of de op te richten woning niet mee zal bewonen;
4° hij of een van zijn gezinsleden een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, ten kosteloze titel gedeeltelijk in volle eigendom heeft verworven;
5° hij of een van zijn gezinsleden een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw gedeeltelijk ten kosteloze titel heeft verworven;
6° hij of een van zijn gezinsleden een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, waarop een recht van erfpacht of opstal is gegeven, gedeeltelijk ten kosteloze titel heeft verworven.
Als het vijfde lid van toepassing is, moet de kandidaat-koper, of in voorkomend geval een van zijn gezinsleden, een jaar na het verlijden van de aankoopakte van de woning of kavel voldoen aan de onroerende bezitsvoorwaarde, vermeld in het tweede lid. Als ze daarvoor gegronde redenen kunnen aanvoeren, kunnen ze de verkoper verzoeken om die termijn van een jaar te verlengen. Als de koper, of in voorkomend geval een van zijn gezinsleden, niet voldoet aan de onroerende bezitsvoorwaarde na een jaar of, in voorkomend geval, de verlengde termijn, wordt de koopovereenkomst van rechtswege ontbonden.
Als het inkomen minder dan 8789 euro bedraagt, worden de inkomsten, vermeld in artikel 1, eerste lid, 12°, van drie opeenvolgende maanden voorafgaand aan de referentiedatum, en geëxtrapoleerd naar twaalf maanden, in aanmerking genomen.";
2° paragraaf 4 en 5 worden vervangen door wat volgt:
" § 4. Bij de vrijwillige verkoop van sociale huurwoningen aan de zittende huurder wordt de kandidaat-koper beschouwd als woonbehoeftig als hij op de referentiedatum voldoet aan de onroerende bezitsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid. Paragraaf 1, vierde, vijfde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 5. De kandidaat-koper, vermeld in paragraaf 1 en 4, kan bewijzen dat hij voldoet aan de onroerende bezitsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, met een verklaring op erewoord voor de onroerende goederen in het buitenland.";
3° in paragraaf 6, eerste lid, wordt de zinsnede "De voorwaarden in paragraaf 1, 2°, en 3°, en paragraaf 4" vervangen door de zinsnede "De onroerende bezitsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, en paragraaf 4";
4° in paragraaf 6, eerste lid, worden punt 1°, 4° en 5° opgeheven;
5° in paragraaf 6, tweede lid, wordt de zinsnede "de gevallen, vermeld in het eerste lid, 2°, 4° en 5° " vervangen door de zinsnede "het geval, vermeld in het eerste lid, 2° ";
6° aan paragraaf 6, tweede lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Als de koper daarvoor gegronde redenen kan aanvoeren, kan hij de verkoper verzoeken om de vermelde termijn van een jaar te verlengen.".
Art. 2. A l'article 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 octobre 2017, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Dans le présent paragraphe, on entend par parcelle, destinée à la construction d'habitations : les parcelles non bùties dans la zone d'habitat, à l'exception de la zone résidentielle d'extension mentionnées sur les plans d'exécution spatiale ou sur les plans d'aménagement, situées le long d'une voie dûment équipée, telle que visée à l'article 4.3.5 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, ainsi que toutes les parcelles pour lesquelles il existe une autorisation de lotissement non échue ou un permis d'environnement pour le lotissement de terrains ;
Lors de la vente de logements acquisitifs sociaux ou de lots sociaux, le candidat-acquĂ©reur est considĂ©rĂ© comme en quĂȘte de logement si, Ă la date de rĂ©fĂ©rence, il rĂ©pond Ă toutes les conditions suivantes :
1° le revenu ou, le cas échéant, les revenus éligibles conformément à l'alinéa 7, s'élÚvent à au minimum 8789 euros et à au maximum :
a) 35.123 euros pour une personne isolée sans personnes à charge ;
b) 38.630 euros pour une personne isolée handicapée, telle que visée à l'article 1er, alinéa premier, 11°, c), qui n'a pas d'autres personnes à charge ;
c) 52.679 euros, majorés de 3507 euros par personne à charge pour les autres ;
2° lui ou un des membres de sa famille n'est pas propriétaire, en tout ou en partie, d'une habitation ou d'une parcelle, destinée à la construction d'habitations ;
3° lui ou un des membres de sa famille ne jouit pas pleinement ou en partie d'un droit d'emphytéose, de superficie ou d'usufruit sur un logement ou une parcelle, destinée à la construction d'habitations ;
4° lui ou un des membres de sa famille n'a pas de logement ou de parcelle, destinée à la construction de logements, donnés entiÚrement ou partiellement en bail emphytéotique ou en superficie ;
5° lui ou lun des membres de sa famille n'a pas de logement ou de parcelle, destinĂ©e Ă la construction de logements, que lui-mĂȘme ou un des membres de sa famille ont donnĂ©s entiĂšrement ou partiellement en usufruit ;
6° lui ou un des membres de sa famille n'est pas gérant, administrateur ou actionnaire d'une société à laquelle ils ont apporté des droits réels, tels que visés aux points 2° à 5°.
Si l'habitation sociale d'achat ou le lot social se situe dans une commune reprise dans le cluster 1 ou le cluster 2 de la liste figurant Ă l'annexe de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013 portant les conditions auxquelles la SociĂ©tĂ© flamande du Logement social et le Fonds flamand du Logement peuvent octroyer des prĂȘts sociaux spĂ©ciaux Ă des particuliers, le revenu ou, le cas Ă©chĂ©ant, les revenus Ă©ligibles conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 7, ne peuvent dĂ©passer Ă la date de rĂ©fĂ©rence :
1° 36.795 euros pour une personne isolée sans personnes à charge ;
2° 40.469 euros pour une personne isolée handicapée, telle que visée à l'article 1er, alinéa premier, 11°, c), qui n'a pas d'autres personnes à charge ;
3° 55.187 euros, majorés de 3674 euros par personne à charge pour les autres.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa cinq, les membres de famille qui ne seront pas co-acquéreurs de l'habitation sociale d'achat ou de l'habitation sur le lot social et qui ne l'occuperont pas conjointement, ne sont pas pris en compte pour l'application des alinéas deux et trois.
Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a deux, 2°, 3°, 4° et 5°, le candidat-acquĂ©reur peut ĂȘtre considĂ©rĂ© comme Ă©tant en quĂȘte d'un logement :
1° si, ensemble avec son conjoint, la personne avec laquelle il cohabite légalement, son partenaire de fait, son ex-conjoint, la personne avec laquelle il a cohabité légalement ou son ancien partenaire de fait, il a une habitation ou une parcelle, destinée à la construction d'habitations, en pleine ou partielle propriété si cette personne ne sera pas co-acquéreur de l'habitation sociale d'achat ou du lot social et ne l'occupera pas conjointement ;
2° si, ensemble avec son conjoint, la personne avec laquelle il cohabite légalement, son partenaire de fait, son ex-conjoint, la personne avec laquelle il a cohabité légalement ou son ancien partenaire de fait, il a un droit entier d'emphytéose, de superficie ou d'usufruit sur une habitation ou une parcelle, destinée à la construction d'habitations, si cette personne ne sera pas co-acquéreur de l'habitation sociale d'achat ou du lot social et ne l'occupera pas conjointement ;
3° si, ensemble avec son conjoint, la personne avec laquelle il cohabite légalement, son partenaire de fait, son ex-conjoint, la personne avec laquelle il a cohabité légalement ou son ancien partenaire de fait, il a donné la totalité d'une habitation ou d'une parcelle, destinée à la construction d'habitations, en emphytéose, superficie ou usufruit, si cette personne ne sera pas co-acquéreur de l'habitation sociale d'achat ou du lot social et ne l'occupera pas conjointement ;
4° si lui ou un des membres de sa famille a partiellement acquis une habitation ou une parcelle, destinée à la construction d'habitations en pleine propriété, à titre gratuit ;
5° si lui ou un des membres de sa famille a acquis un droit d'emphytéose, de superficie ou d'usufruit sur une habitation ou une parcelle, destinée à la construction d'habitations, à titre gratuit en partie ;
6° si lui ou un des membres de sa famille a acquis, à titre gratuit en partie, une habitation ou une parcelle, destinée à la construction d'habitations, sur laquelle un droit d'emphytéose ou de superficie a été donné.
Si l'alinéa cinq s'applique, le candidat-acquéreur ou, le cas échéant, un des membres de sa famille, doit remplir la condition relative à la possession de biens immobiliers visée à l'alinéa deux, un an aprÚs la passation de l'acte d'achat de l'habitation ou du lot. Ils peuvent demander au vendeur de déroger à ce délai d'un an, s'ils peuvent invoquer des raisons légitimes. Si l'acquéreur ou, le cas échéant, un des membres de sa famille, ne remplit pas la condition relative à la possession de biens immobiliers aprÚs un an ou, le cas échéant, aprÚs la période prolongée, le contrat de vente est résilié d'office.
Si le revenu est inférieur à 8789 euros, les revenus, visés à l'article 1er, alinéa premier, 12°, de trois mois successifs préalables à la date de référence et extrapolés à douze mois, sont pris en compte. " ;
2° les paragraphes 4 et 5 sont remplacés par ce qui suit :
" § 4. En cas de vente volontaire d'habitations sociales de location au locataire en exercice, le candidat acquĂ©reur est considĂ©rĂ© comme Ă©tant en quĂȘte de logement si, Ă la date de rĂ©fĂ©rence, il remplit les conditions de possession de biens immobiliers, visĂ©es au paragraphe 1er, alinĂ©a deux. Le paragraphe 1er, alinĂ©as quatre, cinq et six, s'applique par analogie.
§ 5. Le candidat-acquéreur, visé aux paragraphes 1er et 4 peut prouver qu'il remplit les conditions relatives à la possession de biens immobiliers, visées au paragraphe 1er, alinéa deux, au moyen d'une déclaration sur l'honneur pour les biens immobiliers à l'étranger. " ;
3° au paragraphe 6, alinéa premier, le membre de phrase " Les conditions du paragraphe 1er, 2° et 3°, et du paragraphe 4 " est remplacé par le membre de phrase " Les conditions relatives à la possession de biens immobiliers, telles que visées au paragraphe 1er, alinéa deux, et au paragraphe 4 " ;
4° au paragraphe 6, alinéa premier, les points 1°, 4° et 5° sont abrogés ;
5° au paragraphe 6, alinéa deux, le membre de phrase "les cas, visés à l'alinéa 1er, 2°, 4° et 5° " sont remplacés par le membre de phrase "le cas visé à l'alinéa premier, 2° " ;
6° au paragraphe 6, alinéa 2, la phrase suivante est ajoutée :
" Si l'acheteur peut invoquer des motifs légitimes, il peut demander au vendeur de déroger au délai précité d'un an.".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Dans le présent paragraphe, on entend par parcelle, destinée à la construction d'habitations : les parcelles non bùties dans la zone d'habitat, à l'exception de la zone résidentielle d'extension mentionnées sur les plans d'exécution spatiale ou sur les plans d'aménagement, situées le long d'une voie dûment équipée, telle que visée à l'article 4.3.5 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, ainsi que toutes les parcelles pour lesquelles il existe une autorisation de lotissement non échue ou un permis d'environnement pour le lotissement de terrains ;
Lors de la vente de logements acquisitifs sociaux ou de lots sociaux, le candidat-acquĂ©reur est considĂ©rĂ© comme en quĂȘte de logement si, Ă la date de rĂ©fĂ©rence, il rĂ©pond Ă toutes les conditions suivantes :
1° le revenu ou, le cas échéant, les revenus éligibles conformément à l'alinéa 7, s'élÚvent à au minimum 8789 euros et à au maximum :
a) 35.123 euros pour une personne isolée sans personnes à charge ;
b) 38.630 euros pour une personne isolée handicapée, telle que visée à l'article 1er, alinéa premier, 11°, c), qui n'a pas d'autres personnes à charge ;
c) 52.679 euros, majorés de 3507 euros par personne à charge pour les autres ;
2° lui ou un des membres de sa famille n'est pas propriétaire, en tout ou en partie, d'une habitation ou d'une parcelle, destinée à la construction d'habitations ;
3° lui ou un des membres de sa famille ne jouit pas pleinement ou en partie d'un droit d'emphytéose, de superficie ou d'usufruit sur un logement ou une parcelle, destinée à la construction d'habitations ;
4° lui ou un des membres de sa famille n'a pas de logement ou de parcelle, destinée à la construction de logements, donnés entiÚrement ou partiellement en bail emphytéotique ou en superficie ;
5° lui ou lun des membres de sa famille n'a pas de logement ou de parcelle, destinĂ©e Ă la construction de logements, que lui-mĂȘme ou un des membres de sa famille ont donnĂ©s entiĂšrement ou partiellement en usufruit ;
6° lui ou un des membres de sa famille n'est pas gérant, administrateur ou actionnaire d'une société à laquelle ils ont apporté des droits réels, tels que visés aux points 2° à 5°.
Si l'habitation sociale d'achat ou le lot social se situe dans une commune reprise dans le cluster 1 ou le cluster 2 de la liste figurant Ă l'annexe de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013 portant les conditions auxquelles la SociĂ©tĂ© flamande du Logement social et le Fonds flamand du Logement peuvent octroyer des prĂȘts sociaux spĂ©ciaux Ă des particuliers, le revenu ou, le cas Ă©chĂ©ant, les revenus Ă©ligibles conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 7, ne peuvent dĂ©passer Ă la date de rĂ©fĂ©rence :
1° 36.795 euros pour une personne isolée sans personnes à charge ;
2° 40.469 euros pour une personne isolée handicapée, telle que visée à l'article 1er, alinéa premier, 11°, c), qui n'a pas d'autres personnes à charge ;
3° 55.187 euros, majorés de 3674 euros par personne à charge pour les autres.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa cinq, les membres de famille qui ne seront pas co-acquéreurs de l'habitation sociale d'achat ou de l'habitation sur le lot social et qui ne l'occuperont pas conjointement, ne sont pas pris en compte pour l'application des alinéas deux et trois.
Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a deux, 2°, 3°, 4° et 5°, le candidat-acquĂ©reur peut ĂȘtre considĂ©rĂ© comme Ă©tant en quĂȘte d'un logement :
1° si, ensemble avec son conjoint, la personne avec laquelle il cohabite légalement, son partenaire de fait, son ex-conjoint, la personne avec laquelle il a cohabité légalement ou son ancien partenaire de fait, il a une habitation ou une parcelle, destinée à la construction d'habitations, en pleine ou partielle propriété si cette personne ne sera pas co-acquéreur de l'habitation sociale d'achat ou du lot social et ne l'occupera pas conjointement ;
2° si, ensemble avec son conjoint, la personne avec laquelle il cohabite légalement, son partenaire de fait, son ex-conjoint, la personne avec laquelle il a cohabité légalement ou son ancien partenaire de fait, il a un droit entier d'emphytéose, de superficie ou d'usufruit sur une habitation ou une parcelle, destinée à la construction d'habitations, si cette personne ne sera pas co-acquéreur de l'habitation sociale d'achat ou du lot social et ne l'occupera pas conjointement ;
3° si, ensemble avec son conjoint, la personne avec laquelle il cohabite légalement, son partenaire de fait, son ex-conjoint, la personne avec laquelle il a cohabité légalement ou son ancien partenaire de fait, il a donné la totalité d'une habitation ou d'une parcelle, destinée à la construction d'habitations, en emphytéose, superficie ou usufruit, si cette personne ne sera pas co-acquéreur de l'habitation sociale d'achat ou du lot social et ne l'occupera pas conjointement ;
4° si lui ou un des membres de sa famille a partiellement acquis une habitation ou une parcelle, destinée à la construction d'habitations en pleine propriété, à titre gratuit ;
5° si lui ou un des membres de sa famille a acquis un droit d'emphytéose, de superficie ou d'usufruit sur une habitation ou une parcelle, destinée à la construction d'habitations, à titre gratuit en partie ;
6° si lui ou un des membres de sa famille a acquis, à titre gratuit en partie, une habitation ou une parcelle, destinée à la construction d'habitations, sur laquelle un droit d'emphytéose ou de superficie a été donné.
Si l'alinéa cinq s'applique, le candidat-acquéreur ou, le cas échéant, un des membres de sa famille, doit remplir la condition relative à la possession de biens immobiliers visée à l'alinéa deux, un an aprÚs la passation de l'acte d'achat de l'habitation ou du lot. Ils peuvent demander au vendeur de déroger à ce délai d'un an, s'ils peuvent invoquer des raisons légitimes. Si l'acquéreur ou, le cas échéant, un des membres de sa famille, ne remplit pas la condition relative à la possession de biens immobiliers aprÚs un an ou, le cas échéant, aprÚs la période prolongée, le contrat de vente est résilié d'office.
Si le revenu est inférieur à 8789 euros, les revenus, visés à l'article 1er, alinéa premier, 12°, de trois mois successifs préalables à la date de référence et extrapolés à douze mois, sont pris en compte. " ;
2° les paragraphes 4 et 5 sont remplacés par ce qui suit :
" § 4. En cas de vente volontaire d'habitations sociales de location au locataire en exercice, le candidat acquĂ©reur est considĂ©rĂ© comme Ă©tant en quĂȘte de logement si, Ă la date de rĂ©fĂ©rence, il remplit les conditions de possession de biens immobiliers, visĂ©es au paragraphe 1er, alinĂ©a deux. Le paragraphe 1er, alinĂ©as quatre, cinq et six, s'applique par analogie.
§ 5. Le candidat-acquéreur, visé aux paragraphes 1er et 4 peut prouver qu'il remplit les conditions relatives à la possession de biens immobiliers, visées au paragraphe 1er, alinéa deux, au moyen d'une déclaration sur l'honneur pour les biens immobiliers à l'étranger. " ;
3° au paragraphe 6, alinéa premier, le membre de phrase " Les conditions du paragraphe 1er, 2° et 3°, et du paragraphe 4 " est remplacé par le membre de phrase " Les conditions relatives à la possession de biens immobiliers, telles que visées au paragraphe 1er, alinéa deux, et au paragraphe 4 " ;
4° au paragraphe 6, alinéa premier, les points 1°, 4° et 5° sont abrogés ;
5° au paragraphe 6, alinéa deux, le membre de phrase "les cas, visés à l'alinéa 1er, 2°, 4° et 5° " sont remplacés par le membre de phrase "le cas visé à l'alinéa premier, 2° " ;
6° au paragraphe 6, alinéa 2, la phrase suivante est ajoutée :
" Si l'acheteur peut invoquer des motifs légitimes, il peut demander au vendeur de déroger au délai précité d'un an.".
Art. 3. In artikel 7/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2017, wordt de zinsnede ", sociale huurwoningen" telkens opgeheven.
Art. 3. Dans l'article 7/2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 11 octobre 2013 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 fĂ©vrier 2017, le membre de phrase " , d'habitations de location sociales " est chaque fois abrogĂ©.
Art. 4. Artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2011 en 3 februari 2017, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 8. Als sociale koopwoningen, ondanks voldoende publiciteit, niet verkocht kunnen worden aan de personen die voldoen aan de woonbehoeftigheidsvoorwaarden, vermeld in artikel 3, § 1, binnen een jaar na de eerste verwittiging, vermeld in artikel 7, § 1, tweede lid, van bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen ze verhuurd worden conform titel VII van de Vlaamse Wooncode. Ze kunnen daarvoor in beheer genomen worden door een andere sociale huisvestingsmaatschappij of een erkend sociaal verhuurkantoor of daarvoor verkocht worden aan een andere sociale huisvestingsmaatschappij, een gemeente, een autonoom gemeentebedrijf als vermeld in artikel 2bis van de Vlaamse Wooncode, een intergemeentelijk samenwerkingsverband, het Vlaams Woningfonds, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een OCMW-vereniging. Eventuele subsidies hoeven in die gevallen niet terugbetaald te worden aan het Vlaamse Gewest.".
"Art. 8. Als sociale koopwoningen, ondanks voldoende publiciteit, niet verkocht kunnen worden aan de personen die voldoen aan de woonbehoeftigheidsvoorwaarden, vermeld in artikel 3, § 1, binnen een jaar na de eerste verwittiging, vermeld in artikel 7, § 1, tweede lid, van bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen ze verhuurd worden conform titel VII van de Vlaamse Wooncode. Ze kunnen daarvoor in beheer genomen worden door een andere sociale huisvestingsmaatschappij of een erkend sociaal verhuurkantoor of daarvoor verkocht worden aan een andere sociale huisvestingsmaatschappij, een gemeente, een autonoom gemeentebedrijf als vermeld in artikel 2bis van de Vlaamse Wooncode, een intergemeentelijk samenwerkingsverband, het Vlaams Woningfonds, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een OCMW-vereniging. Eventuele subsidies hoeven in die gevallen niet terugbetaald te worden aan het Vlaamse Gewest.".
Art. 4. L'article 8 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 7 octobre 2011 et 3 fĂ©vrier 2017, est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 8. Si, malgrĂ© une publicitĂ© suffisante, les habitations sociales d'achat ne peuvent pas ĂȘtre vendues aux personnes qui remplissent les conditions de besoin de logement, visĂ©es Ă l'article 3, § 1er dans un dĂ©lai d'un an Ă compter de la premiĂšre notification visĂ©e Ă l'article 7, § 1er, alinĂ©a deux de l'annexe IĂšre, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, elles peuvent ĂȘtre louĂ©es conformĂ©ment au titre VII du code flamand du Logement. A cet effet, elles peuvent ĂȘtre gĂ©rĂ©es par une autre sociĂ©tĂ© de logement social ou un bureau de location sociale reconnu ou ĂȘtre vendues Ă une autre sociĂ©tĂ© de logement social, Ă une commune, Ă une rĂ©gie communale autonome au sens de l'article 2bis du Code flamand du Logement, Ă un partenariat intercommunal, au Fonds flamand du Logement (Vlaams Woningfonds), Ă un centre public d'action sociale ou Ă une association d'un CPAS. Dans ces cas, les subventions Ă©ventuelles ne doivent pas ĂȘtre remboursĂ©es Ă la RĂ©gion flamande. ".
" Art. 8. Si, malgrĂ© une publicitĂ© suffisante, les habitations sociales d'achat ne peuvent pas ĂȘtre vendues aux personnes qui remplissent les conditions de besoin de logement, visĂ©es Ă l'article 3, § 1er dans un dĂ©lai d'un an Ă compter de la premiĂšre notification visĂ©e Ă l'article 7, § 1er, alinĂ©a deux de l'annexe IĂšre, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, elles peuvent ĂȘtre louĂ©es conformĂ©ment au titre VII du code flamand du Logement. A cet effet, elles peuvent ĂȘtre gĂ©rĂ©es par une autre sociĂ©tĂ© de logement social ou un bureau de location sociale reconnu ou ĂȘtre vendues Ă une autre sociĂ©tĂ© de logement social, Ă une commune, Ă une rĂ©gie communale autonome au sens de l'article 2bis du Code flamand du Logement, Ă un partenariat intercommunal, au Fonds flamand du Logement (Vlaams Woningfonds), Ă un centre public d'action sociale ou Ă une association d'un CPAS. Dans ces cas, les subventions Ă©ventuelles ne doivent pas ĂȘtre remboursĂ©es Ă la RĂ©gion flamande. ".
Art. 5. Artikel 9 van hetzelfde besluit, opgeheven door het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2017, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"Art. 9. § 1. In dit artikel wordt onder de bevoegde overheden en instellingen verstaan:
1° het Rijksregister van de natuurlijke personen, vermeld in artikel 1 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
2° de instellingen van de sociale zekerheid, vermeld in artikel 1 en 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid en de personen waartoe het netwerk van de sociale zekerheid met toepassing van artikel 18 van de voormelde wet wordt uitgebreid;
3° de Federale Overheidsdienst Financiën;
4° het intern verzelfstandigd agentschap Informatie Vlaanderen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 houdende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Informatie Vlaanderen, de bepaling van diverse maatregelen voor de ontbinding zonder vereffening van het AGIV, de regeling van de overdracht van de activiteiten en het vermogen van het AGIV aan het agentschap Informatie Vlaanderen en de vaststelling van de werking, het beheer en de boekhouding van het Eigen Vermogen Informatie Vlaanderen.
§ 2. Met behoud van de toepassing van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, namelijk de regelgeving die specifiek van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd, vraagt de VMSW of een sociale huisvestingsmaatschappij bij de bevoegde overheden en instellingen en bij de lokale besturen de noodzakelijke documenten of gegevens over de voorwaarden en de verplichtingen, vermeld in dit besluit, op.
§ 3. Voor de uitvoering van de bepalingen van dit besluit doet de VMSW of een sociale huisvestingsmaatschappij een beroep op informatie die de bevoegde overheden of instellingen hem elektronisch kunnen bezorgen. Als op die manier geen of onvoldoende gegevens worden verkregen, wordt de kandidaat-koper of koper gevraagd de nodige gegevens te bezorgen. Als via de verkregen informatie van de bevoegde overheden of instellingen blijkt dat de kandidaat-koper of koper niet meer voldoet aan de voorwaarden en de verplichtingen, vermeld in dit besluit, wordt die vaststelling meegedeeld aan de kandidaat-koper of koper. Die kan dan binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de mededeling reageren.
§ 4. De VMSW coördineert de elektronische gegevensstromen en elektronische informatie-uitwisseling tussen de diverse actoren, vermeld in dit besluit. Alle elektronische gegevens mogen in dat kader via de VMSW uitgewisseld worden. De VMSW mag de gegevens ook gebruiken voor statistische verwerking en mag ze ter beschikking stellen van de andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking. De VMSW benoemt een functionaris voor gegevensbescherming als vermeld in artikel 37 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
"Art. 9. § 1. In dit artikel wordt onder de bevoegde overheden en instellingen verstaan:
1° het Rijksregister van de natuurlijke personen, vermeld in artikel 1 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
2° de instellingen van de sociale zekerheid, vermeld in artikel 1 en 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid en de personen waartoe het netwerk van de sociale zekerheid met toepassing van artikel 18 van de voormelde wet wordt uitgebreid;
3° de Federale Overheidsdienst Financiën;
4° het intern verzelfstandigd agentschap Informatie Vlaanderen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 houdende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Informatie Vlaanderen, de bepaling van diverse maatregelen voor de ontbinding zonder vereffening van het AGIV, de regeling van de overdracht van de activiteiten en het vermogen van het AGIV aan het agentschap Informatie Vlaanderen en de vaststelling van de werking, het beheer en de boekhouding van het Eigen Vermogen Informatie Vlaanderen.
§ 2. Met behoud van de toepassing van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, namelijk de regelgeving die specifiek van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd, vraagt de VMSW of een sociale huisvestingsmaatschappij bij de bevoegde overheden en instellingen en bij de lokale besturen de noodzakelijke documenten of gegevens over de voorwaarden en de verplichtingen, vermeld in dit besluit, op.
§ 3. Voor de uitvoering van de bepalingen van dit besluit doet de VMSW of een sociale huisvestingsmaatschappij een beroep op informatie die de bevoegde overheden of instellingen hem elektronisch kunnen bezorgen. Als op die manier geen of onvoldoende gegevens worden verkregen, wordt de kandidaat-koper of koper gevraagd de nodige gegevens te bezorgen. Als via de verkregen informatie van de bevoegde overheden of instellingen blijkt dat de kandidaat-koper of koper niet meer voldoet aan de voorwaarden en de verplichtingen, vermeld in dit besluit, wordt die vaststelling meegedeeld aan de kandidaat-koper of koper. Die kan dan binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de mededeling reageren.
§ 4. De VMSW coördineert de elektronische gegevensstromen en elektronische informatie-uitwisseling tussen de diverse actoren, vermeld in dit besluit. Alle elektronische gegevens mogen in dat kader via de VMSW uitgewisseld worden. De VMSW mag de gegevens ook gebruiken voor statistische verwerking en mag ze ter beschikking stellen van de andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking. De VMSW benoemt een functionaris voor gegevensbescherming als vermeld in artikel 37 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
Art. 5. L'article 9 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, abrogĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 fĂ©vrier 2017, est rĂ©tabli dans la rĂ©daction suivante :
" Art. 9. § 1. Dans le présent article, on entend par autorités et institutions compétentes :
1° le Registre national des personnes physiques, visé à l'article 1er de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques ;
2° les institutions de la sécurité sociale, visées aux articles 1er et 2, alinéa premier, 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale et les personnes auxquelles le réseau de la sécurité sociale est étendu en application de l'article 18 de la loi précitée ;
3° le Service Public Fédéral Finances ;
4° l'agence autonomisĂ©e interne " Informatie Vlaanderen ", Ă©tablie par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 portant crĂ©ation de l'agence autonomisĂ©e interne Flandre Information (Informatie Vlaanderen), dĂ©termination de diverses mesures pour la dissolution sans liquidation de l'AGIV, rĂšglement du transfert des activitĂ©s et des actifs de l'AGIV Ă l'agence Flandre Information et dĂ©termination du fonctionnement, de la gestion et de la comptabilitĂ© des Fonds propres Flandre Information.
§ 2. Sans prĂ©judice de l'application de la rĂ©glementation relative Ă la protection des personnes physiques Ă l'Ă©gard du traitement des donnĂ©es Ă caractĂšre personnel, notamment de la rĂ©glementation qui s'applique spĂ©cifiquement Ă la communication des donnĂ©es Ă caractĂšre personnel, telles qu'elles sont ou ont Ă©tĂ© prĂ©cisĂ©es, le cas Ă©chĂ©ant, au niveau fĂ©dĂ©ral ou flamand, la VMSW ou une sociĂ©tĂ© de logement social demande les documents ou donnĂ©es nĂ©cessaires concernant les conditions et obligations visĂ©es au prĂ©sent arrĂȘtĂ© auprĂšs des autoritĂ©s et institutions compĂ©tentes et auprĂšs des administrations locales.
§ 3. Pour l'exĂ©cution des dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, la VMSW ou une sociĂ©tĂ© de logement social fait appel Ă l'information que les autoritĂ©s ou institutions compĂ©tentes peuvent leur fournir par voie Ă©lectronique. A dĂ©faut d'obtention de donnĂ©es ou en cas d'obtention de donnĂ©es insuffisantes par cette voie, il est demandĂ© au candidat-acquĂ©reur ou Ă l'acquĂ©reur de fournir les donnĂ©es nĂ©cessaires. Si, sur la base des informations obtenues auprĂšs des autoritĂ©s ou institutions compĂ©tentes, il est constatĂ© que le candidat-acquĂ©reur ou l'acquĂ©reur ne remplit plus les conditions et obligations visĂ©es dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ce constat est notifiĂ© au candidat-acquĂ©reur ou Ă l'acquĂ©reur. Celui-ci peut alors rĂ©agir dans un dĂ©lai de quinze jours calendaires aprĂšs la notification.
§ 4. La VMSW coordonne les flux de donnĂ©es Ă©lectroniques et l'Ă©change de donnĂ©es Ă©lectroniques entre les divers acteurs, visĂ©s dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Toutes les donnĂ©es Ă©lectroniques peuvent dans ce cadre ĂȘtre Ă©changĂ©es via la VMSW. La VMSW peut Ă©galement utiliser les donnĂ©es Ă des fins de traitement statistique et peut les mettre Ă la disposition des autres entitĂ©s du domaine politique de l'Environnement et de l'AmĂ©nagement du Territoire Ă des fins de traitement statistique. La VMSW dĂ©signe un responsable du traitement des donnĂ©es, tel que visĂ© Ă l'article 37, du rĂšglement (UE) 2016/679 du Parlement europĂ©en et du Conseil du 27 avril 2016 relatif Ă la protection des personnes physiques Ă l'Ă©gard du traitement des donnĂ©es Ă caractĂšre personnel et Ă la libre circulation de ces donnĂ©es et abrogeant la directive 95/46/CE (rĂšglement gĂ©nĂ©ral sur la protection des donnĂ©es).
" Art. 9. § 1. Dans le présent article, on entend par autorités et institutions compétentes :
1° le Registre national des personnes physiques, visé à l'article 1er de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques ;
2° les institutions de la sécurité sociale, visées aux articles 1er et 2, alinéa premier, 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale et les personnes auxquelles le réseau de la sécurité sociale est étendu en application de l'article 18 de la loi précitée ;
3° le Service Public Fédéral Finances ;
4° l'agence autonomisĂ©e interne " Informatie Vlaanderen ", Ă©tablie par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 portant crĂ©ation de l'agence autonomisĂ©e interne Flandre Information (Informatie Vlaanderen), dĂ©termination de diverses mesures pour la dissolution sans liquidation de l'AGIV, rĂšglement du transfert des activitĂ©s et des actifs de l'AGIV Ă l'agence Flandre Information et dĂ©termination du fonctionnement, de la gestion et de la comptabilitĂ© des Fonds propres Flandre Information.
§ 2. Sans prĂ©judice de l'application de la rĂ©glementation relative Ă la protection des personnes physiques Ă l'Ă©gard du traitement des donnĂ©es Ă caractĂšre personnel, notamment de la rĂ©glementation qui s'applique spĂ©cifiquement Ă la communication des donnĂ©es Ă caractĂšre personnel, telles qu'elles sont ou ont Ă©tĂ© prĂ©cisĂ©es, le cas Ă©chĂ©ant, au niveau fĂ©dĂ©ral ou flamand, la VMSW ou une sociĂ©tĂ© de logement social demande les documents ou donnĂ©es nĂ©cessaires concernant les conditions et obligations visĂ©es au prĂ©sent arrĂȘtĂ© auprĂšs des autoritĂ©s et institutions compĂ©tentes et auprĂšs des administrations locales.
§ 3. Pour l'exĂ©cution des dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, la VMSW ou une sociĂ©tĂ© de logement social fait appel Ă l'information que les autoritĂ©s ou institutions compĂ©tentes peuvent leur fournir par voie Ă©lectronique. A dĂ©faut d'obtention de donnĂ©es ou en cas d'obtention de donnĂ©es insuffisantes par cette voie, il est demandĂ© au candidat-acquĂ©reur ou Ă l'acquĂ©reur de fournir les donnĂ©es nĂ©cessaires. Si, sur la base des informations obtenues auprĂšs des autoritĂ©s ou institutions compĂ©tentes, il est constatĂ© que le candidat-acquĂ©reur ou l'acquĂ©reur ne remplit plus les conditions et obligations visĂ©es dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ce constat est notifiĂ© au candidat-acquĂ©reur ou Ă l'acquĂ©reur. Celui-ci peut alors rĂ©agir dans un dĂ©lai de quinze jours calendaires aprĂšs la notification.
§ 4. La VMSW coordonne les flux de donnĂ©es Ă©lectroniques et l'Ă©change de donnĂ©es Ă©lectroniques entre les divers acteurs, visĂ©s dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Toutes les donnĂ©es Ă©lectroniques peuvent dans ce cadre ĂȘtre Ă©changĂ©es via la VMSW. La VMSW peut Ă©galement utiliser les donnĂ©es Ă des fins de traitement statistique et peut les mettre Ă la disposition des autres entitĂ©s du domaine politique de l'Environnement et de l'AmĂ©nagement du Territoire Ă des fins de traitement statistique. La VMSW dĂ©signe un responsable du traitement des donnĂ©es, tel que visĂ© Ă l'article 37, du rĂšglement (UE) 2016/679 du Parlement europĂ©en et du Conseil du 27 avril 2016 relatif Ă la protection des personnes physiques Ă l'Ă©gard du traitement des donnĂ©es Ă caractĂšre personnel et Ă la libre circulation de ces donnĂ©es et abrogeant la directive 95/46/CE (rĂšglement gĂ©nĂ©ral sur la protection des donnĂ©es).
Art. 6. In artikel 2, vierde lid, van bijlage I bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2009 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 4° wordt vervangen door wat volgt:
"4° de geboortedatum;";
2° punt 8° wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"8° de melding dat de sociale huisvestingsmaatschappij of de VMSW de noodzakelijke verklaringen, attesten of gegevens over de voorwaarden en de verplichtingen, vermeld in dit besluit, verkrijgt, overeenkomstig de regelgeving die specifiek van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd;".
1° punt 4° wordt vervangen door wat volgt:
"4° de geboortedatum;";
2° punt 8° wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"8° de melding dat de sociale huisvestingsmaatschappij of de VMSW de noodzakelijke verklaringen, attesten of gegevens over de voorwaarden en de verplichtingen, vermeld in dit besluit, verkrijgt, overeenkomstig de regelgeving die specifiek van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd;".
Art. 6. Dans l'article 2, alinĂ©a quatre, de l'annexe Ire du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 fĂ©vrier 2009 et modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 fĂ©vrier 2017, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° la date de naissance ; ";
2° le point 8° est rétabli dans la rédaction suivante :
" 8° la notification que la sociĂ©tĂ© de logement social ou la VMSW obtient les dĂ©clarations, certificats ou donnĂ©es nĂ©cessaires sur les conditions et obligations Ă©noncĂ©es dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, conformĂ©ment aux rĂšgles spĂ©cifiquement applicables Ă la communication de donnĂ©es Ă caractĂšre personnel, telles qu'elles ont Ă©tĂ© ou sont, le cas Ă©chĂ©ant, prĂ©cisĂ©es au niveau fĂ©dĂ©ral ou flamand ;".
1° le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° la date de naissance ; ";
2° le point 8° est rétabli dans la rédaction suivante :
" 8° la notification que la sociĂ©tĂ© de logement social ou la VMSW obtient les dĂ©clarations, certificats ou donnĂ©es nĂ©cessaires sur les conditions et obligations Ă©noncĂ©es dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, conformĂ©ment aux rĂšgles spĂ©cifiquement applicables Ă la communication de donnĂ©es Ă caractĂšre personnel, telles qu'elles ont Ă©tĂ© ou sont, le cas Ă©chĂ©ant, prĂ©cisĂ©es au niveau fĂ©dĂ©ral ou flamand ;".
Art. 7. In artikel 5, § 1, tweede lid, van bijlage I bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2017, worden de woorden "het register" vervangen door de woorden "al haar inschrijvingsregisters".
Art. 7. A l'article 5, § 1er, alinĂ©a 2, de l'annexe Ire du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 octobre 2011 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 fĂ©vrier 2017, les mots " le registre " sont remplacĂ©s par les mots " tous ses registres d'inscription ".
Art. 8. In artikel 2, vierde lid, van bijlage II bij hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 4° wordt vervangen door wat volgt:
"4° de geboortedatum;";
2° punt 8° wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"8° de melding dat de sociale huisvestingsmaatschappij of de VMSW de noodzakelijke verklaringen, attesten of gegevens over de voorwaarden en de verplichtingen, vermeld in dit besluit, verkrijgt, overeenkomstig de regelgeving die specifiek van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd;".
1° punt 4° wordt vervangen door wat volgt:
"4° de geboortedatum;";
2° punt 8° wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"8° de melding dat de sociale huisvestingsmaatschappij of de VMSW de noodzakelijke verklaringen, attesten of gegevens over de voorwaarden en de verplichtingen, vermeld in dit besluit, verkrijgt, overeenkomstig de regelgeving die specifiek van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd;".
Art. 8. A l'article 2, alinĂ©a quatre, de l'annexe II du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 fĂ©vrier 2017, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° la date de naissance ; ";
2° le point 8° est rétabli dans la rédaction suivante :
""8° la notification que la sociĂ©tĂ© de logement social ou la VMSW obtient les dĂ©clarations, certificats ou donnĂ©es nĂ©cessaires sur les conditions et obligations Ă©noncĂ©es dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, conformĂ©ment aux rĂšgles spĂ©cifiquement applicables Ă la communication de donnĂ©es Ă caractĂšre personnel, telles qu'elles ont Ă©tĂ© ou sont, le cas Ă©chĂ©ant, prĂ©cisĂ©es au niveau fĂ©dĂ©ral ou flamand ;".
1° le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° la date de naissance ; ";
2° le point 8° est rétabli dans la rédaction suivante :
""8° la notification que la sociĂ©tĂ© de logement social ou la VMSW obtient les dĂ©clarations, certificats ou donnĂ©es nĂ©cessaires sur les conditions et obligations Ă©noncĂ©es dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, conformĂ©ment aux rĂšgles spĂ©cifiquement applicables Ă la communication de donnĂ©es Ă caractĂšre personnel, telles qu'elles ont Ă©tĂ© ou sont, le cas Ă©chĂ©ant, prĂ©cisĂ©es au niveau fĂ©dĂ©ral ou flamand ;".
Art. 9. In artikel 5, § 1, tweede lid, van bijlage II bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2017, worden de woorden "het register" vervangen door de woorden "al haar inschrijvingsregisters".
Art. 9. A l'article 5, § 1er, alinĂ©a 2, de l'annexe II du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 octobre 2011 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 fĂ©vrier 2017, les mots " le registre " sont remplacĂ©s par les mots " tous ses registres d'inscription ".
Art. 10. In artikel 1 van bijlage III bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"De sociale huurwoningen, vermeld in het eerste lid, worden openbaar verkocht en kunnen toegewezen worden aan de hoogste bieder, ook al levert dat niet de venale waarde op. Als de openbare verkoop niet de venale waarde oplevert of als de kosten van een openbare verkoop niet in verhouding staan tot de venale waarde, kan er onderhands verkocht worden volgens de procedure van een bieding onder gesloten envelop op voorwaarde dat er voldoende publiciteit aan gegeven wordt. De verkoopprijs wordt in beide gevallen verhoogd met alle belastingen, heffingen, erelonen en kosten met betrekking tot de verkoopakte en de schatting, alsook met de kosten van de afpaling en de opmeting en de administratieve kosten. Het totale bedrag van de afpaling, de opmeting en de administratieve kosten is beperkt tot maximaal 880 euro. De kostprijs van het schattingsverslag dat de sociale huisvestingsmaatschappij aanvraagt bij een instantie als vermeld in artikel 27bis van de Vlaamse Wooncode, bedraagt 260 euro.";
2° het vierde lid wordt opgeheven.
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"De sociale huurwoningen, vermeld in het eerste lid, worden openbaar verkocht en kunnen toegewezen worden aan de hoogste bieder, ook al levert dat niet de venale waarde op. Als de openbare verkoop niet de venale waarde oplevert of als de kosten van een openbare verkoop niet in verhouding staan tot de venale waarde, kan er onderhands verkocht worden volgens de procedure van een bieding onder gesloten envelop op voorwaarde dat er voldoende publiciteit aan gegeven wordt. De verkoopprijs wordt in beide gevallen verhoogd met alle belastingen, heffingen, erelonen en kosten met betrekking tot de verkoopakte en de schatting, alsook met de kosten van de afpaling en de opmeting en de administratieve kosten. Het totale bedrag van de afpaling, de opmeting en de administratieve kosten is beperkt tot maximaal 880 euro. De kostprijs van het schattingsverslag dat de sociale huisvestingsmaatschappij aanvraagt bij een instantie als vermeld in artikel 27bis van de Vlaamse Wooncode, bedraagt 260 euro.";
2° het vierde lid wordt opgeheven.
Art. 10. A l'article 1er de l'annexe III du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 fĂ©vrier 2017, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Les logements locatifs sociaux, visĂ©s Ă l'alinĂ©a premier, sont vendus publiquement et peuvent ĂȘtre attribuĂ©s au plus offrant, mĂȘme si cela ne rapporte pas la valeur vĂ©nale. Si la vente publique ne rapporte pas la valeur vĂ©nale ou que les coĂ»ts d'une vente publique sont disproportionnĂ©s par rapport Ă la valeur vĂ©nale, il peut ĂȘtre procĂ©dĂ© Ă une vente de grĂ© Ă grĂ© selon la procĂ©dure de l'offre sous pli fermĂ©, Ă condition que la vente ait fait l'objet d'une publicitĂ© suffisante. Le prix de vente est dans les deux cas majorĂ© de tous les taxes, prĂ©lĂšvements, honoraires et coĂ»ts relatifs Ă l'acte de vente et Ă l'estimation, ainsi que des coĂ»ts du bornage et du mesurage et des frais administratifs. Le montant total du bornage, du mesurage et des frais administratifs est limitĂ© Ă au maximum 880 euros. Le coĂ»t du rapport d'expertise que la sociĂ©tĂ© de logement social demande auprĂšs d'une instance, telle que visĂ©e Ă l'article 27bis du Code flamand du Logement, s'Ă©lĂšve Ă 260 euros. " ;
2° l'alinéa quatre est abrogé.
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Les logements locatifs sociaux, visĂ©s Ă l'alinĂ©a premier, sont vendus publiquement et peuvent ĂȘtre attribuĂ©s au plus offrant, mĂȘme si cela ne rapporte pas la valeur vĂ©nale. Si la vente publique ne rapporte pas la valeur vĂ©nale ou que les coĂ»ts d'une vente publique sont disproportionnĂ©s par rapport Ă la valeur vĂ©nale, il peut ĂȘtre procĂ©dĂ© Ă une vente de grĂ© Ă grĂ© selon la procĂ©dure de l'offre sous pli fermĂ©, Ă condition que la vente ait fait l'objet d'une publicitĂ© suffisante. Le prix de vente est dans les deux cas majorĂ© de tous les taxes, prĂ©lĂšvements, honoraires et coĂ»ts relatifs Ă l'acte de vente et Ă l'estimation, ainsi que des coĂ»ts du bornage et du mesurage et des frais administratifs. Le montant total du bornage, du mesurage et des frais administratifs est limitĂ© Ă au maximum 880 euros. Le coĂ»t du rapport d'expertise que la sociĂ©tĂ© de logement social demande auprĂšs d'une instance, telle que visĂ©e Ă l'article 27bis du Code flamand du Logement, s'Ă©lĂšve Ă 260 euros. " ;
2° l'alinéa quatre est abrogé.
Art. 11. In artikel 2, § 1, eerste lid, van bijlage III bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2017, wordt de zin "Als het een leningskrediet van de VMSW betreft, wordt de vervroegde terugbetaling van de lening bij verkoop door de VMSW geboekt op de datum waarop de verkoopakte wordt verleden." opgeheven.
Art. 11. Dans l'article 2, § 1er, alinĂ©a 1er, de l'annexe III du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 fĂ©vrier 2017, la phrase suivante "S'il s'agit d'un prĂȘt de la VMSW, le remboursement anticipĂ© du prĂȘt lors de vente par la VMSW est enregistrĂ© Ă la date Ă laquelle l'acte de vente est passĂ©. " est abrogĂ©e.
Art. 12. Artikel 8 van bijlage IV bij hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 8. Niet-residentiële ruimten die oorspronkelijk voor de verkoop bestemd zijn, kunnen enkel openbaar verkocht worden en kunnen worden toegewezen aan de hoogste bieder, ook al levert dat niet de venale waarde op. Als de openbare verkoop niet de venale waarde oplevert of de kosten van een openbare verkoop niet in verhouding staan tot de venale waarde, kan er onderhands verkocht worden volgens de procedure van de bieding onder gesloten envelop, mits er voldoende publiciteit aan gegeven wordt.
De koper betaalt de kosten, vermeld in artikel 1, tweede lid, van bijlage III.".
"Art. 8. Niet-residentiële ruimten die oorspronkelijk voor de verkoop bestemd zijn, kunnen enkel openbaar verkocht worden en kunnen worden toegewezen aan de hoogste bieder, ook al levert dat niet de venale waarde op. Als de openbare verkoop niet de venale waarde oplevert of de kosten van een openbare verkoop niet in verhouding staan tot de venale waarde, kan er onderhands verkocht worden volgens de procedure van de bieding onder gesloten envelop, mits er voldoende publiciteit aan gegeven wordt.
De koper betaalt de kosten, vermeld in artikel 1, tweede lid, van bijlage III.".
Art. 12. L'article 8 de l'annexe IV du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 8. Les espaces non rĂ©sidentiels destinĂ©s Ă l'origine Ă la vente peuvent uniquement faire l'objet d'une vente publique et peuvent ĂȘtre attribuĂ©s au plus offrant, mĂȘme si cela ne rapporte pas la valeur vĂ©nale. Si la vente publique ne permet pas d'atteindre la valeur vĂ©nale ou que les coĂ»ts d'une vente publique sont disproportionnĂ©s par rapport Ă la valeur vĂ©nale, il peut ĂȘtre procĂ©dĂ© Ă une vente de grĂ© Ă grĂ© selon la procĂ©dure de l'offre sous pli fermĂ©, Ă condition que la vente ait fait l'objet d'une publicitĂ© suffisante.
L'acquéreur paie tous les frais, visés à l'article 1er, alinéa deux, de l'annexe III. ".
" Art. 8. Les espaces non rĂ©sidentiels destinĂ©s Ă l'origine Ă la vente peuvent uniquement faire l'objet d'une vente publique et peuvent ĂȘtre attribuĂ©s au plus offrant, mĂȘme si cela ne rapporte pas la valeur vĂ©nale. Si la vente publique ne permet pas d'atteindre la valeur vĂ©nale ou que les coĂ»ts d'une vente publique sont disproportionnĂ©s par rapport Ă la valeur vĂ©nale, il peut ĂȘtre procĂ©dĂ© Ă une vente de grĂ© Ă grĂ© selon la procĂ©dure de l'offre sous pli fermĂ©, Ă condition que la vente ait fait l'objet d'une publicitĂ© suffisante.
L'acquéreur paie tous les frais, visés à l'article 1er, alinéa deux, de l'annexe III. ".
Art. 13. Artikel 10 van bijlage IV bij hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 10. Leegstaande niet-residentiële ruimten die oorspronkelijk bestemd zijn voor verhuring moeten openbaar verkocht worden en kunnen worden toegewezen aan de hoogste bieder, ook al levert dat niet de venale waarde op. Als de openbare verkoop niet de venale waarde oplevert of de kosten van een openbare verkoop niet in verhouding staan tot de venale waarde, kan er onderhands verkocht worden volgens de procedure van de bieding onder gesloten envelop, mits er voldoende publiciteit aan gegeven wordt.
De koper betaalt de kosten, vermeld in artikel 1, tweede lid, van bijlage III.".
"Art. 10. Leegstaande niet-residentiële ruimten die oorspronkelijk bestemd zijn voor verhuring moeten openbaar verkocht worden en kunnen worden toegewezen aan de hoogste bieder, ook al levert dat niet de venale waarde op. Als de openbare verkoop niet de venale waarde oplevert of de kosten van een openbare verkoop niet in verhouding staan tot de venale waarde, kan er onderhands verkocht worden volgens de procedure van de bieding onder gesloten envelop, mits er voldoende publiciteit aan gegeven wordt.
De koper betaalt de kosten, vermeld in artikel 1, tweede lid, van bijlage III.".
Art. 13. L'article 10 de l'annexe IV du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 10. Les espaces non rĂ©sidentiels inoccupĂ©s destinĂ©s Ă l'origine Ă la location doivent faire l'objet d'une vente publique et peuvent ĂȘtre attribuĂ©s au plus offrant, mĂȘme si cela ne rapporte pas la valeur vĂ©nale. Si la vente publique ne permet pas d'atteindre la valeur vĂ©nale ou que les coĂ»ts d'une vente publique sont disproportionnĂ©s par rapport Ă la valeur vĂ©nale, il peut ĂȘtre procĂ©dĂ© Ă une vente de grĂ© Ă grĂ© selon la procĂ©dure de l'offre sous pli fermĂ©, Ă condition que la vente ait fait l'objet d'une publicitĂ© suffisante.
L'acquéreur paie les frais, visés à l'article 1er, alinéa deux, de l'annexe III. ".
" Art. 10. Les espaces non rĂ©sidentiels inoccupĂ©s destinĂ©s Ă l'origine Ă la location doivent faire l'objet d'une vente publique et peuvent ĂȘtre attribuĂ©s au plus offrant, mĂȘme si cela ne rapporte pas la valeur vĂ©nale. Si la vente publique ne permet pas d'atteindre la valeur vĂ©nale ou que les coĂ»ts d'une vente publique sont disproportionnĂ©s par rapport Ă la valeur vĂ©nale, il peut ĂȘtre procĂ©dĂ© Ă une vente de grĂ© Ă grĂ© selon la procĂ©dure de l'offre sous pli fermĂ©, Ă condition que la vente ait fait l'objet d'une publicitĂ© suffisante.
L'acquéreur paie les frais, visés à l'article 1er, alinéa deux, de l'annexe III. ".
Art. 14. In artikel 1 van bijlage VI bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2017 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "een van de wettelijke erfgenamen" vervangen door de zinsnede ", bij het overlijden van de persoon of personen die de sociale koopwoning hebben gekocht, een van de erfgenamen die een zakelijk recht om de woning te bewonen, heeft geërfd";
2° in het tweede lid worden tussen het woord "koper" en het woord "die" de woorden "of de erfgenaam" ingevoegd;
3° in het derde lid worden tussen het woord "koper" en het woord "leeft" de woorden "of de erfgenaam" ingevoegd.
1° in het eerste lid worden de woorden "een van de wettelijke erfgenamen" vervangen door de zinsnede ", bij het overlijden van de persoon of personen die de sociale koopwoning hebben gekocht, een van de erfgenamen die een zakelijk recht om de woning te bewonen, heeft geërfd";
2° in het tweede lid worden tussen het woord "koper" en het woord "die" de woorden "of de erfgenaam" ingevoegd;
3° in het derde lid worden tussen het woord "koper" en het woord "leeft" de woorden "of de erfgenaam" ingevoegd.
Art. 14. A l'article 1er de l'annexe VI du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 11 octobre 2013, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 fĂ©vrier 2017 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 octobre 2017, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au premier alinéa, les mots " un des héritiers légaux " sont remplacés par le membre de phrase " en cas de décÚs de la ou des personnes qui ont acheté l'habitation sociale d'achat, un des héritiers qui a hérité d'un droit réel d'occuper l'habitation "";
2° dans l'alinéa deux, les mots " ou l'héritier " sont insérés entre le mot " acquéreur " et le mot " qui " ;
3° dans l'alinéa trois, les mots " ou l'héritier " sont insérés entre le mot " acquéreur " et les mots " ne respecte " ;
1° au premier alinéa, les mots " un des héritiers légaux " sont remplacés par le membre de phrase " en cas de décÚs de la ou des personnes qui ont acheté l'habitation sociale d'achat, un des héritiers qui a hérité d'un droit réel d'occuper l'habitation "";
2° dans l'alinéa deux, les mots " ou l'héritier " sont insérés entre le mot " acquéreur " et le mot " qui " ;
3° dans l'alinéa trois, les mots " ou l'héritier " sont insérés entre le mot " acquéreur " et les mots " ne respecte " ;
Art. 15. In artikel 5 van bijlage VI bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 en 3 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° hij bewoont de woning, vermeld in punt 1°, persoonlijk gedurende tien jaar die ingaat op de datum van de voorlopige oplevering van de woning en hij vervreemdt de sociale kavel en de woning die erop gebouwd is, gedurende die termijn niet en staat er geen zakelijk recht op af. Het persoonlijk bewonen gebeurt door minstens een van de personen die de sociale kavel hebben gekocht, of, bij het overlijden van de persoon of personen die de sociale kavel hebben gekocht, door een van de erfgenamen die een zakelijk recht om de woning te bewonen, heeft geërfd.";
2° in het derde lid wordt het woord "koper" telkens vervangen door de woorden "koper of de erfgenaam";
3° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Als de koper de sociale kavel voor of tijdens het oprichten van de woning op de sociale kavel vervreemdt, geldt de volgende regeling: als de verkoopprijs minder dan 90 % van de venale waarde van de sociale kavel bedroeg, betaalt de koper een vergoeding die gelijk is aan minstens de helft van het verschil tussen 90 % van de venale waarde en de verkoopprijs van de sociale kavel. Als de verkoopprijs 90 % of meer bedroeg van de venale waarde van de sociale kavel, kan de verkoper een vergoeding vragen die maximaal gelijk is aan het verschil tussen de venale waarde en de verkoopprijs van de sociale kavel. De venale waarde en het bedrag van de vergoeding worden in de authentieke akte vermeld.".
1° in het eerste lid wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° hij bewoont de woning, vermeld in punt 1°, persoonlijk gedurende tien jaar die ingaat op de datum van de voorlopige oplevering van de woning en hij vervreemdt de sociale kavel en de woning die erop gebouwd is, gedurende die termijn niet en staat er geen zakelijk recht op af. Het persoonlijk bewonen gebeurt door minstens een van de personen die de sociale kavel hebben gekocht, of, bij het overlijden van de persoon of personen die de sociale kavel hebben gekocht, door een van de erfgenamen die een zakelijk recht om de woning te bewonen, heeft geërfd.";
2° in het derde lid wordt het woord "koper" telkens vervangen door de woorden "koper of de erfgenaam";
3° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Als de koper de sociale kavel voor of tijdens het oprichten van de woning op de sociale kavel vervreemdt, geldt de volgende regeling: als de verkoopprijs minder dan 90 % van de venale waarde van de sociale kavel bedroeg, betaalt de koper een vergoeding die gelijk is aan minstens de helft van het verschil tussen 90 % van de venale waarde en de verkoopprijs van de sociale kavel. Als de verkoopprijs 90 % of meer bedroeg van de venale waarde van de sociale kavel, kan de verkoper een vergoeding vragen die maximaal gelijk is aan het verschil tussen de venale waarde en de verkoopprijs van de sociale kavel. De venale waarde en het bedrag van de vergoeding worden in de authentieke akte vermeld.".
Art. 15. A l'article 5 de l'annexe VI du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 11 octobre 2013 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 27 novembre 2015 et 3 fĂ©vrier 2017, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° dans l'alinéa premier, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° il occupe l'habitation, visée au point 1°, en personne pendant une période de dix ans, qui prend cours à la date de la réception provisoire de l'habitation et il n'aliÚne pas le lot social et l'habitation construite sur ce lot pendant ce délai et ne cÚde pas de droit réel sur celui-ci. L'occupation personnelle se fait par au moins une des personnes qui ont acquis le lot social, ou, en cas de décÚs de la ou des personnes qui ont acheté le lot social, par un des héritiers qui a hérité d'un droit réel pour occuper l'habitation. " ;
2° dans l'alinéa 3, le mot " acquéreur " est chaque fois remplacé par les mots " acquéreur ou l'héritier " ;
3° il est ajouté un alinéa 5, rédigé comme suit :
"Si l'acquéreur aliÚne le lot social avant ou pendant la construction de l'habitation sur le lot social, l'arrangement suivant s'applique : si le prix de vente était inférieur à 90 % de la valeur vénale du lot social, l'acquéreur paie une indemnité égale à au moins la moitié de la différence entre 90 % de la valeur vénale et le prix de vente du lot social. Si le prix de vente s'élevait à 90 % ou plus de la valeur vénale du lot social, le vendeur peut demander une indemnité qui est tout au plus égale à la différence entre la valeur vénale et le prix de vente du lot social. La valeur vénale et le montant de l'indemnité sont mentionnés dans l'acte authentique. ".
1° dans l'alinéa premier, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° il occupe l'habitation, visée au point 1°, en personne pendant une période de dix ans, qui prend cours à la date de la réception provisoire de l'habitation et il n'aliÚne pas le lot social et l'habitation construite sur ce lot pendant ce délai et ne cÚde pas de droit réel sur celui-ci. L'occupation personnelle se fait par au moins une des personnes qui ont acquis le lot social, ou, en cas de décÚs de la ou des personnes qui ont acheté le lot social, par un des héritiers qui a hérité d'un droit réel pour occuper l'habitation. " ;
2° dans l'alinéa 3, le mot " acquéreur " est chaque fois remplacé par les mots " acquéreur ou l'héritier " ;
3° il est ajouté un alinéa 5, rédigé comme suit :
"Si l'acquéreur aliÚne le lot social avant ou pendant la construction de l'habitation sur le lot social, l'arrangement suivant s'applique : si le prix de vente était inférieur à 90 % de la valeur vénale du lot social, l'acquéreur paie une indemnité égale à au moins la moitié de la différence entre 90 % de la valeur vénale et le prix de vente du lot social. Si le prix de vente s'élevait à 90 % ou plus de la valeur vénale du lot social, le vendeur peut demander une indemnité qui est tout au plus égale à la différence entre la valeur vénale et le prix de vente du lot social. La valeur vénale et le montant de l'indemnité sont mentionnés dans l'acte authentique. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 houdende de voorwaarden waaronder de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en het Vlaams Woningfonds bijzondere sociale leningen aan particulieren kunnen toestaan
CHAPITRE 2. Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013 portant les conditions auxquelles la SociĂ©tĂ© flamande du Logement social et le Fonds flamand du Logement peuvent octroyer des prĂȘts sociaux spĂ©ciaux Ă des particuliers
Art. 16. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 houdende de voorwaarden waaronder de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en het Vlaams Woningfonds bijzondere sociale leningen aan particulieren kunnen toestaan, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014 en 27 november 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "zullen betrekken" vervangen door de zinsnede "zullen betrekken, met uitzondering van de personen ten laste";
2° in het eerste lid wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
"3° inkomen: de som van de volgende inkomsten van de referentiepersoon, ontvangen in het jaar waarop het laatst beschikbare aanslagbiljet betrekking heeft:
1° het gezamenlijk belastbaar inkomen en de afzonderlijke belastbare inkomsten;
2° het leefloon;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming aan personen met een handicap;
4° de van belasting vrijgestelde beroepsinkomsten uit het buitenland of de van belasting vrijgestelde beroepsinkomsten die verworven zijn bij een Europese of internationale instelling;";
3° in het eerste lid wordt punt 5° opgeheven;
4° in het eerste lid, 7°, wordt het woord "wederopneembare" opgeheven;
5° in het eerste lid wordt punt 8° vervangen door wat volgt:
"8° leningsaanbod: het aanbod, vermeld in artikel VII.127, § 3, van het Wetboek van Economisch Recht;";
6° in het eerste lid wordt punt 12° vervangen door wat volgt:
"12° persoon ten laste:
a) het kind dat op de referentiedatum bij de referentiepersoon gedomicilieerd is en dat minderjarig is, of voor wie kinderbijslag of wezenbijslag wordt uitbetaald;
b) het kind van de referentiepersoon dat niet gedomicilieerd is bij hem, maar op regelmatige basis bij hem verblijft en dat minderjarig is, of voor wie kinderbijslag of wezenbijslag wordt uitbetaald;
c) de persoon die beschouwd wordt als ernstig gehandicapt, of die op het ogenblik waarop hij met pensioen ging, beschouwd werd als ernstig gehandicapt;";
7° in het eerste lid, 13°, wordt punt b) opgeheven;
8° in het eerste lid, 13°, c), wordt tussen het woord "voor" en de woorden "de tiende" de zinsnede "de vijfde," ingevoegd;
9° in het eerste lid wordt punt 14° vervangen door wat volgt:
"14° referentiepersoon: naargelang het geval de aanvrager bij het aangaan van de lening of de ontlener en de natuurlijke persoon of personen die het beleende onroerend goed betrekken, met uitzondering van de personen ten laste;";
10° in het eerste lid, 16°, worden de woorden "geraamde waarde bij vrijwillige verkoop van de bouwgrond of kavel of" opgeheven;
11° in het eerste lid wordt punt 17° opgeheven;
12° in het tweede lid worden de woorden "of niet" vervangen door de woorden "en niet";
13° tussen het tweede en derde lid worden drie leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"Het aanslagbiljet, vermeld in het eerste lid, 3°, heeft betrekking op de inkomsten van maximaal drie jaar voorafgaand aan de toepassing.
Voor de bepaling van het gezamenlijk belastbaar inkomen, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt alleen rekening gehouden met de reële eigen beroepsinkomsten.
Het inkomen, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt geïndexeerd volgens de gezondheidsindex van de maand juni van het jaar dat aan de toepassing ervan voorafgaat, met als basis de maand juni van het jaar waarop het inkomen betrekking heeft.";
14° in het bestaande derde lid, dat het zesde lid wordt, wordt de zinsnede "de voorwaarden, vermeld in artikel 1, eerste lid, 22° " vervangen door de zinsnede "dezelfde voorwaarden als de voorwaarden die bepaald worden ter uitvoering van artikel 1, eerste lid, 22°, c)".
1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "zullen betrekken" vervangen door de zinsnede "zullen betrekken, met uitzondering van de personen ten laste";
2° in het eerste lid wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
"3° inkomen: de som van de volgende inkomsten van de referentiepersoon, ontvangen in het jaar waarop het laatst beschikbare aanslagbiljet betrekking heeft:
1° het gezamenlijk belastbaar inkomen en de afzonderlijke belastbare inkomsten;
2° het leefloon;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming aan personen met een handicap;
4° de van belasting vrijgestelde beroepsinkomsten uit het buitenland of de van belasting vrijgestelde beroepsinkomsten die verworven zijn bij een Europese of internationale instelling;";
3° in het eerste lid wordt punt 5° opgeheven;
4° in het eerste lid, 7°, wordt het woord "wederopneembare" opgeheven;
5° in het eerste lid wordt punt 8° vervangen door wat volgt:
"8° leningsaanbod: het aanbod, vermeld in artikel VII.127, § 3, van het Wetboek van Economisch Recht;";
6° in het eerste lid wordt punt 12° vervangen door wat volgt:
"12° persoon ten laste:
a) het kind dat op de referentiedatum bij de referentiepersoon gedomicilieerd is en dat minderjarig is, of voor wie kinderbijslag of wezenbijslag wordt uitbetaald;
b) het kind van de referentiepersoon dat niet gedomicilieerd is bij hem, maar op regelmatige basis bij hem verblijft en dat minderjarig is, of voor wie kinderbijslag of wezenbijslag wordt uitbetaald;
c) de persoon die beschouwd wordt als ernstig gehandicapt, of die op het ogenblik waarop hij met pensioen ging, beschouwd werd als ernstig gehandicapt;";
7° in het eerste lid, 13°, wordt punt b) opgeheven;
8° in het eerste lid, 13°, c), wordt tussen het woord "voor" en de woorden "de tiende" de zinsnede "de vijfde," ingevoegd;
9° in het eerste lid wordt punt 14° vervangen door wat volgt:
"14° referentiepersoon: naargelang het geval de aanvrager bij het aangaan van de lening of de ontlener en de natuurlijke persoon of personen die het beleende onroerend goed betrekken, met uitzondering van de personen ten laste;";
10° in het eerste lid, 16°, worden de woorden "geraamde waarde bij vrijwillige verkoop van de bouwgrond of kavel of" opgeheven;
11° in het eerste lid wordt punt 17° opgeheven;
12° in het tweede lid worden de woorden "of niet" vervangen door de woorden "en niet";
13° tussen het tweede en derde lid worden drie leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"Het aanslagbiljet, vermeld in het eerste lid, 3°, heeft betrekking op de inkomsten van maximaal drie jaar voorafgaand aan de toepassing.
Voor de bepaling van het gezamenlijk belastbaar inkomen, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt alleen rekening gehouden met de reële eigen beroepsinkomsten.
Het inkomen, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt geïndexeerd volgens de gezondheidsindex van de maand juni van het jaar dat aan de toepassing ervan voorafgaat, met als basis de maand juni van het jaar waarop het inkomen betrekking heeft.";
14° in het bestaande derde lid, dat het zesde lid wordt, wordt de zinsnede "de voorwaarden, vermeld in artikel 1, eerste lid, 22° " vervangen door de zinsnede "dezelfde voorwaarden als de voorwaarden die bepaald worden ter uitvoering van artikel 1, eerste lid, 22°, c)".
Art. 16. A l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013 portant les conditions auxquelles la SociĂ©tĂ© flamande du Logement social et le Fonds flamand du Logement peuvent octroyer des prĂȘts sociaux spĂ©ciaux Ă des particuliers, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 23 mai 2014 et 27 novembre 2015, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° dans l'alinĂ©a 1er, 1°, les mots " qui occuperont le bien immobilier donnĂ© en prĂȘt " sont remplacĂ©s par les mots " qui occuperont le bien immobilier donnĂ© en prĂȘt, Ă l'exception des personnes Ă charge " ;
2° à l'alinéa premier, le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° revenu : la somme des revenus suivants de la personne de référence, reçue dans l'année à laquelle se réfÚre l'avertissement-extrait de rÎle le plus récent disponible :
1° le revenu imposable globalement et les revenus imposables séparément ;
2° le revenu d'intégration sociale ;
3° l'allocation de remplacement de revenus aux personnes handicapées ;
4° les revenus professionnels exonérés de taxes provenant de l'étranger ou les revenus professionnels exonérés de taxes acquis auprÚs d'une institution européenne ou internationale ; " ;
3° dans l'alinéa 1er, le point 5° est abrogé ;
4° dans l'alinéa premier, 7°, les mots " avec possibilité de reprise " sont abrogés ;
5° dans l'alinéa 1er, le point 8° est remplacé par ce qui suit :
" 8° offre de crédit: l'offre visée à l'article VII.127, § 3, du Code de droit économique ; " ;
6° dans l'alinéa 1er, le point 12° est remplacé par ce qui suit :
" 12° personne à charge :
a) l'enfant qui, à la date de référence, est domicilié chez la personne de référence et qui est mineur ou pour qui des allocations familiales ou des allocations d'orphelin sont payées ;
b) l'enfant de la personne de référence qui n'est pas domicilié chez elle, mais qui séjourne réguliÚrement chez elle et qui est mineur ou pour qui des allocations familiales ou des allocations d'orphelin sont payées ;
c) la personne considérée comme étant atteinte d'un handicap grave, ou qui, au moment de sa retraite, était considérée comme étant atteinte d'un handicap grave ; ";
7° dans l'alinéa premier, 13°, le point b) est abrogé ;
8° dans l'alinĂ©a 1er, 13°, c), le membre de phrase " avant le deuxiĂšme, quatriĂšme et sixiĂšme anniversaire de l'acte du prĂȘt " est remplacĂ© par le membre de phrase " avant le cinquiĂšme, dixiĂšme, quinziĂšme, vingtiĂšme, vingt-cinquiĂšme anniversaire de l'acte du prĂȘt " ;
9° dans l'alinéa 1er, le point 14° est remplacé par ce qui suit :
" 14° personne de rĂ©fĂ©rence : selon le cas, le demandeur au moment de la conclusion du prĂȘt ou l'emprunteur et la ou les personnes physiques occupant le bien immobilier sur lequel le prĂȘt est accordĂ©, Ă l'exception des personnes Ă charge ;";
10° au premier alinĂ©a, 16°, les mots " la valeur estimĂ©e par le prĂȘteur ou sur l'ordre du prĂȘteur en cas de vente volontaire du terrain Ă bĂątir ou du lot, ou la valeur estimĂ©e " sont remplacĂ©s par les mots " la valeur estimĂ©e par le prĂȘteur ou sur l'ordre du prĂȘteur de la valeur estimĂ©e ;
11° dans l'alinéa 1er, le point 17° est abrogé ;
12° à l'alinéa deux, les mots " ou ne " sont remplacés par les mots " et ne " ;
13° entre les alinéas deux et trois sont insérés trois alinéas, rédigés comme suit :
" L'avertissement-extrait de rÎle, visé à l'alinéa premier, 3°, concerne les revenus remontant à au maximum trois années précédant l'application.
Pour la détermination du revenu imposable globalement visé à l'alinéa premier, 3°, il n'est tenu compte que des revenus professionnels propres réels.
Le revenu visé à l'alinéa premier, 3°, est indexé suivant l'indice santé du mois de juin de l'année précédant son application, la base étant le mois de juin de l'année à laquelle se rapporte le revenu. " ;
14° Ă l'alinĂ©a trois existant, qui devient l'alinĂ©a six, le membre de phrase " les conditions s'appliquent, visĂ©es Ă l'article 1er, alinĂ©a premier, 22° " est remplacĂ© par le membre de phrase "les mĂȘmes conditions s'appliquent que celles fixĂ©es en exĂ©cution de l'article 1er, alinĂ©a premier, 22°, c)".
1° dans l'alinĂ©a 1er, 1°, les mots " qui occuperont le bien immobilier donnĂ© en prĂȘt " sont remplacĂ©s par les mots " qui occuperont le bien immobilier donnĂ© en prĂȘt, Ă l'exception des personnes Ă charge " ;
2° à l'alinéa premier, le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° revenu : la somme des revenus suivants de la personne de référence, reçue dans l'année à laquelle se réfÚre l'avertissement-extrait de rÎle le plus récent disponible :
1° le revenu imposable globalement et les revenus imposables séparément ;
2° le revenu d'intégration sociale ;
3° l'allocation de remplacement de revenus aux personnes handicapées ;
4° les revenus professionnels exonérés de taxes provenant de l'étranger ou les revenus professionnels exonérés de taxes acquis auprÚs d'une institution européenne ou internationale ; " ;
3° dans l'alinéa 1er, le point 5° est abrogé ;
4° dans l'alinéa premier, 7°, les mots " avec possibilité de reprise " sont abrogés ;
5° dans l'alinéa 1er, le point 8° est remplacé par ce qui suit :
" 8° offre de crédit: l'offre visée à l'article VII.127, § 3, du Code de droit économique ; " ;
6° dans l'alinéa 1er, le point 12° est remplacé par ce qui suit :
" 12° personne à charge :
a) l'enfant qui, à la date de référence, est domicilié chez la personne de référence et qui est mineur ou pour qui des allocations familiales ou des allocations d'orphelin sont payées ;
b) l'enfant de la personne de référence qui n'est pas domicilié chez elle, mais qui séjourne réguliÚrement chez elle et qui est mineur ou pour qui des allocations familiales ou des allocations d'orphelin sont payées ;
c) la personne considérée comme étant atteinte d'un handicap grave, ou qui, au moment de sa retraite, était considérée comme étant atteinte d'un handicap grave ; ";
7° dans l'alinéa premier, 13°, le point b) est abrogé ;
8° dans l'alinĂ©a 1er, 13°, c), le membre de phrase " avant le deuxiĂšme, quatriĂšme et sixiĂšme anniversaire de l'acte du prĂȘt " est remplacĂ© par le membre de phrase " avant le cinquiĂšme, dixiĂšme, quinziĂšme, vingtiĂšme, vingt-cinquiĂšme anniversaire de l'acte du prĂȘt " ;
9° dans l'alinéa 1er, le point 14° est remplacé par ce qui suit :
" 14° personne de rĂ©fĂ©rence : selon le cas, le demandeur au moment de la conclusion du prĂȘt ou l'emprunteur et la ou les personnes physiques occupant le bien immobilier sur lequel le prĂȘt est accordĂ©, Ă l'exception des personnes Ă charge ;";
10° au premier alinĂ©a, 16°, les mots " la valeur estimĂ©e par le prĂȘteur ou sur l'ordre du prĂȘteur en cas de vente volontaire du terrain Ă bĂątir ou du lot, ou la valeur estimĂ©e " sont remplacĂ©s par les mots " la valeur estimĂ©e par le prĂȘteur ou sur l'ordre du prĂȘteur de la valeur estimĂ©e ;
11° dans l'alinéa 1er, le point 17° est abrogé ;
12° à l'alinéa deux, les mots " ou ne " sont remplacés par les mots " et ne " ;
13° entre les alinéas deux et trois sont insérés trois alinéas, rédigés comme suit :
" L'avertissement-extrait de rÎle, visé à l'alinéa premier, 3°, concerne les revenus remontant à au maximum trois années précédant l'application.
Pour la détermination du revenu imposable globalement visé à l'alinéa premier, 3°, il n'est tenu compte que des revenus professionnels propres réels.
Le revenu visé à l'alinéa premier, 3°, est indexé suivant l'indice santé du mois de juin de l'année précédant son application, la base étant le mois de juin de l'année à laquelle se rapporte le revenu. " ;
14° Ă l'alinĂ©a trois existant, qui devient l'alinĂ©a six, le membre de phrase " les conditions s'appliquent, visĂ©es Ă l'article 1er, alinĂ©a premier, 22° " est remplacĂ© par le membre de phrase "les mĂȘmes conditions s'appliquent que celles fixĂ©es en exĂ©cution de l'article 1er, alinĂ©a premier, 22°, c)".
Art. 17. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2017, wordt een artikel 1/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 1/1. In dit artikel wordt verstaan onder toezichthouder: de toezichthouder, vermeld in artikel 29bis van de Vlaamse Wooncode.
De lening is onderworpen aan de bepalingen van boek VII, titel 4, hoofdstuk 2 en 4 en titel 5 van het Wetboek van Economisch Recht, als dit besluit niet afwijkt van die bepalingen.
De kredietgever is onderworpen aan de bepalingen van boek VII, titel 4, hoofdstuk 4 van het Wetboek van Economisch Recht, als dit besluit niet afwijkt van die bepalingen. De kredietgever wordt voor de toepassing van dit besluit erkend als kredietgever inzake hypothecair krediet als vermeld in artikel VII.159, § 2, van het Wetboek van Economisch Recht, en staat onder toezicht van de toezichthouder.
De VMSW kan maximaal twee kredietbemiddelaars aanwijzen die hun maatschappelijke zetel hebben gevestigd in hetzelfde bestuurlijke arrondissement.
Met behoud van de toepassing van het vierde lid kan de VMSW een sociale huisvestingsmaatschappij die daarom verzoekt, machtigen om op te treden als kredietbemiddelaar als al de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° ze is financieel gezond;
2° haar personeel voldoet aan de vereisten over de beroepskennis, de geschiktheid en de professionele betrouwbaarheid;
3° ze voert de kredietbemiddeling uit conform de samenwerkingsovereenkomst, vermeld in het zesde lid;
4° ze beschikt over de infrastructuur die nodig is om de aanvragers op een klantvriendelijke wijze te ontvangen, met vrijwaring van hun privacy.
De VMSW en de sociale huisvestingsmaatschappij die gemachtigd wordt om op te treden als kredietbemiddelaar, sluiten een samenwerkingsovereenkomst die de praktische afspraken over de voorwaarden, vermeld in het vijfde lid, bevat. De raad van bestuur van de VMSW stelt een model van samenwerkingsovereenkomst vast.
De kredietbemiddelaar wordt voor de toepassing van dit besluit erkend als kredietbemiddelaar inzake hypothecair krediet als vermeld in artikel VII.177, eerste lid, 1°, en tweede lid, van het Wetboek van Economisch Recht, en staat onder toezicht van de toezichthouder.".
"Art. 1/1. In dit artikel wordt verstaan onder toezichthouder: de toezichthouder, vermeld in artikel 29bis van de Vlaamse Wooncode.
De lening is onderworpen aan de bepalingen van boek VII, titel 4, hoofdstuk 2 en 4 en titel 5 van het Wetboek van Economisch Recht, als dit besluit niet afwijkt van die bepalingen.
De kredietgever is onderworpen aan de bepalingen van boek VII, titel 4, hoofdstuk 4 van het Wetboek van Economisch Recht, als dit besluit niet afwijkt van die bepalingen. De kredietgever wordt voor de toepassing van dit besluit erkend als kredietgever inzake hypothecair krediet als vermeld in artikel VII.159, § 2, van het Wetboek van Economisch Recht, en staat onder toezicht van de toezichthouder.
De VMSW kan maximaal twee kredietbemiddelaars aanwijzen die hun maatschappelijke zetel hebben gevestigd in hetzelfde bestuurlijke arrondissement.
Met behoud van de toepassing van het vierde lid kan de VMSW een sociale huisvestingsmaatschappij die daarom verzoekt, machtigen om op te treden als kredietbemiddelaar als al de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° ze is financieel gezond;
2° haar personeel voldoet aan de vereisten over de beroepskennis, de geschiktheid en de professionele betrouwbaarheid;
3° ze voert de kredietbemiddeling uit conform de samenwerkingsovereenkomst, vermeld in het zesde lid;
4° ze beschikt over de infrastructuur die nodig is om de aanvragers op een klantvriendelijke wijze te ontvangen, met vrijwaring van hun privacy.
De VMSW en de sociale huisvestingsmaatschappij die gemachtigd wordt om op te treden als kredietbemiddelaar, sluiten een samenwerkingsovereenkomst die de praktische afspraken over de voorwaarden, vermeld in het vijfde lid, bevat. De raad van bestuur van de VMSW stelt een model van samenwerkingsovereenkomst vast.
De kredietbemiddelaar wordt voor de toepassing van dit besluit erkend als kredietbemiddelaar inzake hypothecair krediet als vermeld in artikel VII.177, eerste lid, 1°, en tweede lid, van het Wetboek van Economisch Recht, en staat onder toezicht van de toezichthouder.".
Art. 17. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 fĂ©vrier 2017, il est insĂ©rĂ© un article 1/1, rĂ©digĂ© comme suit :
" Art. 1er/1. Dans le présent article, on entend par contrÎleur : le contrÎleur, visé à l'article 29bis du Code flamand du Logement.
Le prĂȘt est soumis aux dispositions du livre VII, titre 4, chapitres 2 et 4, et titre 5 du Code de droit Ă©conomique, si le prĂ©sent arrĂȘtĂ© ne dĂ©roge pas Ă ces dispositions.
Le prĂȘteur est soumis aux dispositions du livre VII, titre 4, chapitre 4, du Code de droit Ă©conomique, si le prĂ©sent arrĂȘtĂ© ne dĂ©roge pas Ă ces dispositions. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le prĂȘteur est reconnu comme prĂȘteur en crĂ©dit hypothĂ©caire au sens de l'article VII.159, § 2, du Code de droit Ă©conomique et est sous contrĂŽle du contrĂŽleur.
La VMSW peut dĂ©signer au maximum deux intermĂ©diaires de crĂ©dit qui ont leur siĂšge social dans le mĂȘme arrondissement administratif.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa 4, la VMSW peut autoriser une société de logement social qui en fait la demande à agir en tant qu'intermédiaire de crédit si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° elle est en bonne santé financiÚre ;
2° son personnel répond aux exigences en matiÚre de connaissances professionnelles, d'aptitude et de fiabilité professionnelle ;
3° elle assure la médiation de crédit conformément à l'accord de coopération visé à l'alinéa six;
4° elle dispose de l'infrastructure nécessaire pour accueillir les demandeurs d'une maniÚre conviviale, tout en protégeant leur vie privée.
La VMSW et la société de logement social autorisée à agir en qualité d'intermédiaire de crédit, concluent un accord de coopération contenant les modalités pratiques en matiÚre des conditions visées à l'alinéa cinq. Le conseil d'administration de la VMSW établit un modÚle d'accord de coopération.
Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'intermĂ©diaire de crĂ©dit est agréé comme intermĂ©diaire de crĂ©dit hypothĂ©caire au sens de l'article VII.177, alinĂ©a 1er, 1° et alinĂ©a 2 du Code de droit Ă©conomique, et est sous contrĂŽle du contrĂŽleur.".
" Art. 1er/1. Dans le présent article, on entend par contrÎleur : le contrÎleur, visé à l'article 29bis du Code flamand du Logement.
Le prĂȘt est soumis aux dispositions du livre VII, titre 4, chapitres 2 et 4, et titre 5 du Code de droit Ă©conomique, si le prĂ©sent arrĂȘtĂ© ne dĂ©roge pas Ă ces dispositions.
Le prĂȘteur est soumis aux dispositions du livre VII, titre 4, chapitre 4, du Code de droit Ă©conomique, si le prĂ©sent arrĂȘtĂ© ne dĂ©roge pas Ă ces dispositions. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le prĂȘteur est reconnu comme prĂȘteur en crĂ©dit hypothĂ©caire au sens de l'article VII.159, § 2, du Code de droit Ă©conomique et est sous contrĂŽle du contrĂŽleur.
La VMSW peut dĂ©signer au maximum deux intermĂ©diaires de crĂ©dit qui ont leur siĂšge social dans le mĂȘme arrondissement administratif.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa 4, la VMSW peut autoriser une société de logement social qui en fait la demande à agir en tant qu'intermédiaire de crédit si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° elle est en bonne santé financiÚre ;
2° son personnel répond aux exigences en matiÚre de connaissances professionnelles, d'aptitude et de fiabilité professionnelle ;
3° elle assure la médiation de crédit conformément à l'accord de coopération visé à l'alinéa six;
4° elle dispose de l'infrastructure nécessaire pour accueillir les demandeurs d'une maniÚre conviviale, tout en protégeant leur vie privée.
La VMSW et la société de logement social autorisée à agir en qualité d'intermédiaire de crédit, concluent un accord de coopération contenant les modalités pratiques en matiÚre des conditions visées à l'alinéa cinq. Le conseil d'administration de la VMSW établit un modÚle d'accord de coopération.
Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'intermĂ©diaire de crĂ©dit est agréé comme intermĂ©diaire de crĂ©dit hypothĂ©caire au sens de l'article VII.177, alinĂ©a 1er, 1° et alinĂ©a 2 du Code de droit Ă©conomique, et est sous contrĂŽle du contrĂŽleur.".
Art. 18. Artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013 en 3 februari 2017, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 2. De kredietgever is ertoe gemachtigd om aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden leningen toe te staan voor de financiering van een of meer verrichtingen, vermeld in artikel 79, § 2, van de Vlaamse Wooncode. Een lening voor de aankoop op plan van een op te bouwen of in opbouw zijnde woning wordt beschouwd als een lening voor de aankoop van een woning.
Een lening voor de aankoop of het behoud van de gezinswoning in geval van een echtscheidingsprocedure of een beëindiging van de samenwoning, of voor de renovatie, de verbetering of de aanpassing van een woning kan worden toegestaan als de verkoopwaarde van de woning, eventueel na het uitvoeren van de beleende werken, niet hoger is dan 200.000 euro.
Als er op de referentiedatum bij het aangaan van de lening personen ten laste zijn, wordt het bedrag, vermeld in het tweede lid, op de volgende wijze verhoogd:
1° 10.000 euro per persoon ten laste, vanaf de derde persoon ten laste;
2° 10.000 euro per persoon ten laste die jonger is dan zes jaar.
In afwijking van het tweede lid geldt de maximale verkoopwaarde niet als de lening wordt aangegaan om het eigendomsaandeel van een partner in een gezinswoning over te nemen in geval van echtscheiding of beëindiging van de samenwoning en op voorwaarde dat de over te nemen woning is gefinancierd met een lening bij de kredietgever.
Een lening voor de aankoop van een sociale koopwoning, met inbegrip van de grond, kan worden toegestaan als de verkoopprijs van de woning, met inbegrip van de grond, exclusief BTW, verhoogd met de geraamde kostprijs van de nog uit te voeren werkzaamheden, exclusief BTW, niet hoger is dan 200.000 euro.
Een lening voor de aankoop van een sociale koopwoning en het in erfpacht nemen van de grond kan worden toegestaan als de verkoopprijs van de woning, exclusief btw, verhoogd met enerzijds de erfpachtvergoeding die wordt betaald bij het aangaan van de erfpachtovereenkomst, exclusief registratierechten, en anderzijds de geraamde kostprijs van de nog uit te voeren werkzaamheden, exclusief btw, niet hoger is dan 200.000 euro. Als er in de erfpachtovereenkomst een aankoopoptie is opgenomen, geldt bijkomend dat de aankoopoptie ten vroegste tien jaar na het sluiten van de erfpachtovereenkomst mag worden gelicht, om in aanmerking te komen voor een lening.
Een lening voor de aankoop van een woning onder het btw-stelsel kan worden toegestaan als de verkoopwaarde van de woning, eventueel na het uitvoeren van de beleende werken, niet hoger is dan 200.000 euro.
Als er op de referentiedatum bij het aangaan van de lening personen ten laste zijn, wordt het bedrag, vermeld in het vijfde, zesde en zevende lid, op de volgende wijze verhoogd:
1° 10.000 euro per persoon ten laste, vanaf de eerste persoon ten laste;
2° 10.000 euro per persoon ten laste die jonger is dan zes jaar.
De bedragen, vermeld in dit artikel, worden verhoogd met 10 % als de woning ligt in een gemeente die is opgenomen in cluster 1 van de lijst die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd. Als de gemeente is opgenomen in cluster 2 van de voormelde lijst, worden de bedragen, vermeld in dit artikel, verhoogd met 20 %.
Voor de vaststelling van de lijst van gemeenten, die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, wordt per gemeente een liggingscoëfficiënt vastgesteld op basis van de gegevens van de verkoopprijzen van woningen afkomstig van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de FOD Financiën van het jaar 2011. Aan de hand van die liggingscoëfficiënten worden de gemeenten in clusters verdeeld. Vijfjaarlijks, en voor het eerst in 2022, actualiseert de minister de lijst van gemeenten op basis van de meest recente beschikbare gegevens.
De bedragen, vermeld in dit artikel, worden gekoppeld aan de index, zoals berekend en gepubliceerd door de Associatie van Belgische Experten (ABEX) op de website www.abex.be, hierna ABEX-index te noemen, van november 2012. Ze worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan de ABEX-index van de maand november, die aan de aanpassing voorafgaat, en afgerond naar het hogere honderdtal.".
"Art. 2. De kredietgever is ertoe gemachtigd om aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden leningen toe te staan voor de financiering van een of meer verrichtingen, vermeld in artikel 79, § 2, van de Vlaamse Wooncode. Een lening voor de aankoop op plan van een op te bouwen of in opbouw zijnde woning wordt beschouwd als een lening voor de aankoop van een woning.
Een lening voor de aankoop of het behoud van de gezinswoning in geval van een echtscheidingsprocedure of een beëindiging van de samenwoning, of voor de renovatie, de verbetering of de aanpassing van een woning kan worden toegestaan als de verkoopwaarde van de woning, eventueel na het uitvoeren van de beleende werken, niet hoger is dan 200.000 euro.
Als er op de referentiedatum bij het aangaan van de lening personen ten laste zijn, wordt het bedrag, vermeld in het tweede lid, op de volgende wijze verhoogd:
1° 10.000 euro per persoon ten laste, vanaf de derde persoon ten laste;
2° 10.000 euro per persoon ten laste die jonger is dan zes jaar.
In afwijking van het tweede lid geldt de maximale verkoopwaarde niet als de lening wordt aangegaan om het eigendomsaandeel van een partner in een gezinswoning over te nemen in geval van echtscheiding of beëindiging van de samenwoning en op voorwaarde dat de over te nemen woning is gefinancierd met een lening bij de kredietgever.
Een lening voor de aankoop van een sociale koopwoning, met inbegrip van de grond, kan worden toegestaan als de verkoopprijs van de woning, met inbegrip van de grond, exclusief BTW, verhoogd met de geraamde kostprijs van de nog uit te voeren werkzaamheden, exclusief BTW, niet hoger is dan 200.000 euro.
Een lening voor de aankoop van een sociale koopwoning en het in erfpacht nemen van de grond kan worden toegestaan als de verkoopprijs van de woning, exclusief btw, verhoogd met enerzijds de erfpachtvergoeding die wordt betaald bij het aangaan van de erfpachtovereenkomst, exclusief registratierechten, en anderzijds de geraamde kostprijs van de nog uit te voeren werkzaamheden, exclusief btw, niet hoger is dan 200.000 euro. Als er in de erfpachtovereenkomst een aankoopoptie is opgenomen, geldt bijkomend dat de aankoopoptie ten vroegste tien jaar na het sluiten van de erfpachtovereenkomst mag worden gelicht, om in aanmerking te komen voor een lening.
Een lening voor de aankoop van een woning onder het btw-stelsel kan worden toegestaan als de verkoopwaarde van de woning, eventueel na het uitvoeren van de beleende werken, niet hoger is dan 200.000 euro.
Als er op de referentiedatum bij het aangaan van de lening personen ten laste zijn, wordt het bedrag, vermeld in het vijfde, zesde en zevende lid, op de volgende wijze verhoogd:
1° 10.000 euro per persoon ten laste, vanaf de eerste persoon ten laste;
2° 10.000 euro per persoon ten laste die jonger is dan zes jaar.
De bedragen, vermeld in dit artikel, worden verhoogd met 10 % als de woning ligt in een gemeente die is opgenomen in cluster 1 van de lijst die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd. Als de gemeente is opgenomen in cluster 2 van de voormelde lijst, worden de bedragen, vermeld in dit artikel, verhoogd met 20 %.
Voor de vaststelling van de lijst van gemeenten, die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, wordt per gemeente een liggingscoëfficiënt vastgesteld op basis van de gegevens van de verkoopprijzen van woningen afkomstig van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de FOD Financiën van het jaar 2011. Aan de hand van die liggingscoëfficiënten worden de gemeenten in clusters verdeeld. Vijfjaarlijks, en voor het eerst in 2022, actualiseert de minister de lijst van gemeenten op basis van de meest recente beschikbare gegevens.
De bedragen, vermeld in dit artikel, worden gekoppeld aan de index, zoals berekend en gepubliceerd door de Associatie van Belgische Experten (ABEX) op de website www.abex.be, hierna ABEX-index te noemen, van november 2012. Ze worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan de ABEX-index van de maand november, die aan de aanpassing voorafgaat, en afgerond naar het hogere honderdtal.".
Art. 18. L'article 2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 11 octobre 2013 et 3 fĂ©vrier 2017, est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 2. Le prĂȘteur est autorisĂ© Ă octroyer des prĂȘts Ă des familles et des isolĂ©s indigents en matiĂšre de logement, destinĂ©s au financement d'une ou plusieurs des opĂ©rations, visĂ©es Ă l'article 79, § 2, du Code flamand du Logement. Un prĂȘt pour l'achat sur plan d'une habitation Ă construire ou en construction est considĂ©rĂ© comme un prĂȘt pour l'achat d'une habitation.
Un prĂȘt pour l'achat ou la garde de la maison familiale en cas d'une procĂ©dure de divorce ou de cessation de la cohabitation, ou pour la rĂ©novation, l'amĂ©lioration ou l'adaptation d'une maison peut ĂȘtre accordĂ© si la valeur vĂ©nale de la maison, Ă©ventuellement aprĂšs l'exĂ©cution des travaux qui font l'objet d'un prĂȘt, ne dĂ©passe pas 200.000 euros.
Si Ă la date de rĂ©fĂ©rence, au moment de la conclusion du prĂȘt, il y a des personnes Ă charge, le montant visĂ© Ă l'alinĂ©a deux, est augmentĂ© de la maniĂšre suivante :
1° 10.000 euros par personne à charge, à partir de la troisiÚme personne à charge ;
2° 10.000 euros par personne à charge ùgée de moins de six ans.
Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a deux, la valeur vĂ©nale maximale n'est pas d'application si le prĂȘt est conclu pour reprendre la quote-part de propriĂ©tĂ© d'un partenaire dans une maison familiale en cas de divorce ou de cessation de la cohabitation et Ă condition que l'habitation Ă reprendre a Ă©tĂ© financĂ©e au moyen d'un prĂȘt auprĂšs du prĂȘteur.
Un prĂȘt pour l'acquisition d'une habitation sociale d'achat, en ce compris le terrain, peut ĂȘtre accordĂ© si le prix de vente de l'habitation, en ce compris le terrain, TVA non comprise, majorĂ© du prix de revient estimĂ© des travaux Ă exĂ©cuter, TVA non comprise, n'est pas supĂ©rieur Ă 200.000 euros.
Un prĂȘt pour l'acquisition d'une habitation sociale d'achat et pour la prise en emphytĂ©ose du terrain peut ĂȘtre accordĂ© si le prix de vente de l'habitation, TVA non comprise, majorĂ© d'une part du bail emphytĂ©otique qui est payĂ© lors de la conclusion de l'emphytĂ©ose, droits d'enregistrement non compris et d'autre part du prix de revient estimĂ© des travaux Ă exĂ©cuter, TVA non comprise, n'est pas supĂ©rieur Ă 200.000 euros. Si l'emphytĂ©ose comprend une option d'achat, il s'y ajoute que l'option d'achat ne peut ĂȘtre levĂ©e que dix ans aprĂšs la conclusion de l'emphytĂ©ose au plus tĂŽt, pour ĂȘtre Ă©ligible Ă un prĂȘt.
Un prĂȘt pour l'acquisition d'une habitation sous le rĂ©gime TVA peut ĂȘtre accordĂ© si la valeur vĂ©nale de l'habitation, le cas Ă©chĂ©ant aprĂšs l'exĂ©cution des travaux qui font l'objet d'un prĂȘt, n'est pas supĂ©rieure Ă 200.000 euros.
Si Ă la date de rĂ©fĂ©rence, au moment de la conclusion du prĂȘt, il y a des personnes Ă charge, le montant, visĂ© aux alinĂ©as cinq, six et sept, est augmentĂ© comme suit :
1° 10.000 euros par personne à charge, à partir de la premiÚre personne à charge.
2° 10.000 euros par personne à charge, ùgée de moins de six ans.
Les montants visĂ©s au prĂ©sent article sont majorĂ©s de 10 % si l'habitation est situĂ©e dans une commune qui figure dans le cluster 1 de la liste reprise Ă l'annexe du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Si la commune est reprise dans le cluster 2 de la liste prĂ©citĂ©e, les montants, visĂ©s dans le prĂ©sent article sont augmentĂ©s de 20 %.
Aux fins de l'Ă©tablissement de la liste des communes figurant Ă l'annexe du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, un coefficient de localisation est Ă©tabli pour chaque commune sur la base des donnĂ©es relatives aux prix de vente des logements fournies par l'Administration gĂ©nĂ©rale de la documentation patrimoniale du Service public fĂ©dĂ©ral des Finances pour l'annĂ©e 2011. Sur la base de ces coefficients de localisation, les communes sont rĂ©parties en clusters. Tous les cinq ans, et pour la premiĂšre fois en 2022, le ministre met Ă jour la liste des communes sur la base des donnĂ©es disponibles les plus rĂ©centes.
Les montants visés dans le présent article sont liés à l'indice, tel que calculé et publié par l'Association des Experts Belges (ABEX) sur le site www.abex.be, ci-aprÚs dénommé l'indice ABEX, de novembre 2012. Ils sont ajustés le 1er janvier de chaque année à l'indice ABEX du mois de novembre précédant l'ajustement, et arrondis à la centaine supérieure la plus proche. ".
" Art. 2. Le prĂȘteur est autorisĂ© Ă octroyer des prĂȘts Ă des familles et des isolĂ©s indigents en matiĂšre de logement, destinĂ©s au financement d'une ou plusieurs des opĂ©rations, visĂ©es Ă l'article 79, § 2, du Code flamand du Logement. Un prĂȘt pour l'achat sur plan d'une habitation Ă construire ou en construction est considĂ©rĂ© comme un prĂȘt pour l'achat d'une habitation.
Un prĂȘt pour l'achat ou la garde de la maison familiale en cas d'une procĂ©dure de divorce ou de cessation de la cohabitation, ou pour la rĂ©novation, l'amĂ©lioration ou l'adaptation d'une maison peut ĂȘtre accordĂ© si la valeur vĂ©nale de la maison, Ă©ventuellement aprĂšs l'exĂ©cution des travaux qui font l'objet d'un prĂȘt, ne dĂ©passe pas 200.000 euros.
Si Ă la date de rĂ©fĂ©rence, au moment de la conclusion du prĂȘt, il y a des personnes Ă charge, le montant visĂ© Ă l'alinĂ©a deux, est augmentĂ© de la maniĂšre suivante :
1° 10.000 euros par personne à charge, à partir de la troisiÚme personne à charge ;
2° 10.000 euros par personne à charge ùgée de moins de six ans.
Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a deux, la valeur vĂ©nale maximale n'est pas d'application si le prĂȘt est conclu pour reprendre la quote-part de propriĂ©tĂ© d'un partenaire dans une maison familiale en cas de divorce ou de cessation de la cohabitation et Ă condition que l'habitation Ă reprendre a Ă©tĂ© financĂ©e au moyen d'un prĂȘt auprĂšs du prĂȘteur.
Un prĂȘt pour l'acquisition d'une habitation sociale d'achat, en ce compris le terrain, peut ĂȘtre accordĂ© si le prix de vente de l'habitation, en ce compris le terrain, TVA non comprise, majorĂ© du prix de revient estimĂ© des travaux Ă exĂ©cuter, TVA non comprise, n'est pas supĂ©rieur Ă 200.000 euros.
Un prĂȘt pour l'acquisition d'une habitation sociale d'achat et pour la prise en emphytĂ©ose du terrain peut ĂȘtre accordĂ© si le prix de vente de l'habitation, TVA non comprise, majorĂ© d'une part du bail emphytĂ©otique qui est payĂ© lors de la conclusion de l'emphytĂ©ose, droits d'enregistrement non compris et d'autre part du prix de revient estimĂ© des travaux Ă exĂ©cuter, TVA non comprise, n'est pas supĂ©rieur Ă 200.000 euros. Si l'emphytĂ©ose comprend une option d'achat, il s'y ajoute que l'option d'achat ne peut ĂȘtre levĂ©e que dix ans aprĂšs la conclusion de l'emphytĂ©ose au plus tĂŽt, pour ĂȘtre Ă©ligible Ă un prĂȘt.
Un prĂȘt pour l'acquisition d'une habitation sous le rĂ©gime TVA peut ĂȘtre accordĂ© si la valeur vĂ©nale de l'habitation, le cas Ă©chĂ©ant aprĂšs l'exĂ©cution des travaux qui font l'objet d'un prĂȘt, n'est pas supĂ©rieure Ă 200.000 euros.
Si Ă la date de rĂ©fĂ©rence, au moment de la conclusion du prĂȘt, il y a des personnes Ă charge, le montant, visĂ© aux alinĂ©as cinq, six et sept, est augmentĂ© comme suit :
1° 10.000 euros par personne à charge, à partir de la premiÚre personne à charge.
2° 10.000 euros par personne à charge, ùgée de moins de six ans.
Les montants visĂ©s au prĂ©sent article sont majorĂ©s de 10 % si l'habitation est situĂ©e dans une commune qui figure dans le cluster 1 de la liste reprise Ă l'annexe du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Si la commune est reprise dans le cluster 2 de la liste prĂ©citĂ©e, les montants, visĂ©s dans le prĂ©sent article sont augmentĂ©s de 20 %.
Aux fins de l'Ă©tablissement de la liste des communes figurant Ă l'annexe du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, un coefficient de localisation est Ă©tabli pour chaque commune sur la base des donnĂ©es relatives aux prix de vente des logements fournies par l'Administration gĂ©nĂ©rale de la documentation patrimoniale du Service public fĂ©dĂ©ral des Finances pour l'annĂ©e 2011. Sur la base de ces coefficients de localisation, les communes sont rĂ©parties en clusters. Tous les cinq ans, et pour la premiĂšre fois en 2022, le ministre met Ă jour la liste des communes sur la base des donnĂ©es disponibles les plus rĂ©centes.
Les montants visés dans le présent article sont liés à l'indice, tel que calculé et publié par l'Association des Experts Belges (ABEX) sur le site www.abex.be, ci-aprÚs dénommé l'indice ABEX, de novembre 2012. Ils sont ajustés le 1er janvier de chaque année à l'indice ABEX du mois de novembre précédant l'ajustement, et arrondis à la centaine supérieure la plus proche. ".
Art. 19. In artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het bedrag van de lening mag niet hoger zijn dan een combinatie van de volgende elementen:
1° de koopprijs van de beleende woning, in voorkomend geval inclusief btw en registratierechten, en notariskosten;
2° de erfpachtvergoeding, vermeld in artikel 2, zesde lid, inclusief de registratierechten en notariskosten;
3° de kostprijs van de beleende werkzaamheden, inclusief BTW, of, als die lager is, de door de kredietgever geraamde waarde van de werken, als het gaat om het renoveren, verbeteren of aanpassen van een woning, te verhogen met de notariskosten;
4° de som van de bedragen van de schulden, inclusief de wederbeleggingsvergoeding, als het gaat om de terugbetaling van schulden voor het behoud van de gezinswoning in geval van een echtscheidingsprocedure of beëindiging van de samenwoning, te verhogen met de registratierechten en notariskosten.";
2° in het tweede lid wordt het woord "bovendien" opgeheven;
3° in het tweede lid worden de woorden "na de werken" vervangen door de woorden "na het uitvoeren van de beleende werken".
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het bedrag van de lening mag niet hoger zijn dan een combinatie van de volgende elementen:
1° de koopprijs van de beleende woning, in voorkomend geval inclusief btw en registratierechten, en notariskosten;
2° de erfpachtvergoeding, vermeld in artikel 2, zesde lid, inclusief de registratierechten en notariskosten;
3° de kostprijs van de beleende werkzaamheden, inclusief BTW, of, als die lager is, de door de kredietgever geraamde waarde van de werken, als het gaat om het renoveren, verbeteren of aanpassen van een woning, te verhogen met de notariskosten;
4° de som van de bedragen van de schulden, inclusief de wederbeleggingsvergoeding, als het gaat om de terugbetaling van schulden voor het behoud van de gezinswoning in geval van een echtscheidingsprocedure of beëindiging van de samenwoning, te verhogen met de registratierechten en notariskosten.";
2° in het tweede lid wordt het woord "bovendien" opgeheven;
3° in het tweede lid worden de woorden "na de werken" vervangen door de woorden "na het uitvoeren van de beleende werken".
Art. 19. Dans l'article 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 fĂ©vrier 2017, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Le montant du prĂȘt ne peut pas ĂȘtre supĂ©rieur Ă une combinaison des Ă©lĂ©ments suivants :
1° le prix d'achat de l'habitation qui fait l'objet du prĂȘt, le cas Ă©chĂ©ant, TVA, droits d'enregistrement et frais de notaire compris ;
2° le bail emphytéotique, visé à l'article 2, alinéa six, droits d'enregistrement et frais de notaire compris ;
3° le coĂ»t des travaux qui font l'objet du prĂȘt, TVA comprise ou, si elle est moins Ă©levĂ©e, la valeur estimĂ©e des travaux par le prĂȘteur lorsque ceux-ci concernent la rĂ©novation, l'amĂ©lioration ou l'adaptation d'une habitation, Ă majorer par les frais de notaire ;
4° la somme des montants des dettes, y compris l'indemnité de réemploi, dans le cas du remboursement de dettes pour la garde de la maison familiale en cas d'une procédure de divorce ou de cessation de la cohabitation, à majorer des droits d'enregistrement et des frais de notaire. " ;
2° dans l'alinéa deux les mots " en outre " sont abrogés ;
3° dans l'alinĂ©a deux, les mots " aprĂšs les travaux " sont remplacĂ©s par les mots " aprĂšs l'exĂ©cution des travaux faisant l'objet du prĂȘt ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Le montant du prĂȘt ne peut pas ĂȘtre supĂ©rieur Ă une combinaison des Ă©lĂ©ments suivants :
1° le prix d'achat de l'habitation qui fait l'objet du prĂȘt, le cas Ă©chĂ©ant, TVA, droits d'enregistrement et frais de notaire compris ;
2° le bail emphytéotique, visé à l'article 2, alinéa six, droits d'enregistrement et frais de notaire compris ;
3° le coĂ»t des travaux qui font l'objet du prĂȘt, TVA comprise ou, si elle est moins Ă©levĂ©e, la valeur estimĂ©e des travaux par le prĂȘteur lorsque ceux-ci concernent la rĂ©novation, l'amĂ©lioration ou l'adaptation d'une habitation, Ă majorer par les frais de notaire ;
4° la somme des montants des dettes, y compris l'indemnité de réemploi, dans le cas du remboursement de dettes pour la garde de la maison familiale en cas d'une procédure de divorce ou de cessation de la cohabitation, à majorer des droits d'enregistrement et des frais de notaire. " ;
2° dans l'alinéa deux les mots " en outre " sont abrogés ;
3° dans l'alinĂ©a deux, les mots " aprĂšs les travaux " sont remplacĂ©s par les mots " aprĂšs l'exĂ©cution des travaux faisant l'objet du prĂȘt ".
Art. 20. In artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht;
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het inkomen van de aanvrager, in voorkomend geval de inkomsten die in aanmerking worden genomen conform het derde lid, mogen op de referentiedatum bij het aangaan van de lening niet meer bedragen dan:
1° 35.123 euro voor een alleenstaande persoon zonder personen ten laste;
2° 38.630 euro voor een alleenstaande persoon met een handicap als vermeld in artikel 1, eerste lid, 12°, c), die geen andere personen ten laste heeft;
3° 52.679 euro voor andere personen, verhoogd met 3507 euro per persoon ten laste.";
2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Als de woning waarop de lening betrekking heeft, in een gemeente ligt die is opgenomen in cluster 1 of cluster 2 van de lijst, die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, mag in afwijking van het eerste lid, het inkomen van de aanvrager, en in voorkomend geval de inkomsten die in aanmerking worden genomen conform het derde lid, op de referentiedatum bij het aangaan van de lening niet meer bedragen dan:
1° 36.795 euro voor een alleenstaande persoon zonder personen ten laste;
2° 40.469 euro voor een alleenstaande persoon met een handicap als vermeld in artikel 1, eerste lid, 12°, c), die geen andere personen ten laste heeft;
3° 55.187 euro voor andere personen, verhoogd met 3674 euro per persoon ten laste.";
3° in het derde lid wordt het woord "eerste" vervangen door het woord "tweede";
4° in het derde lid wordt het woord "zevende" vervangen door het woord "zesde".
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het inkomen van de aanvrager, in voorkomend geval de inkomsten die in aanmerking worden genomen conform het derde lid, mogen op de referentiedatum bij het aangaan van de lening niet meer bedragen dan:
1° 35.123 euro voor een alleenstaande persoon zonder personen ten laste;
2° 38.630 euro voor een alleenstaande persoon met een handicap als vermeld in artikel 1, eerste lid, 12°, c), die geen andere personen ten laste heeft;
3° 52.679 euro voor andere personen, verhoogd met 3507 euro per persoon ten laste.";
2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Als de woning waarop de lening betrekking heeft, in een gemeente ligt die is opgenomen in cluster 1 of cluster 2 van de lijst, die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, mag in afwijking van het eerste lid, het inkomen van de aanvrager, en in voorkomend geval de inkomsten die in aanmerking worden genomen conform het derde lid, op de referentiedatum bij het aangaan van de lening niet meer bedragen dan:
1° 36.795 euro voor een alleenstaande persoon zonder personen ten laste;
2° 40.469 euro voor een alleenstaande persoon met een handicap als vermeld in artikel 1, eerste lid, 12°, c), die geen andere personen ten laste heeft;
3° 55.187 euro voor andere personen, verhoogd met 3674 euro per persoon ten laste.";
3° in het derde lid wordt het woord "eerste" vervangen door het woord "tweede";
4° in het derde lid wordt het woord "zevende" vervangen door het woord "zesde".
Art. 20. A l'article 5 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 fĂ©vrier 2017, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"A la date de rĂ©fĂ©rence, lors de la conclusion du prĂȘt, le revenu du demandeur, le cas Ă©chĂ©ant, les revenus pris en compte conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 3, ne peuvent excĂ©der :
1° 35.123 euros pour une personne isolée sans personnes à charge ;
2° 38.630 euros pour une personne isolée handicapée, telle que visée à l'article 1er, alinéa premier, 12°, c), qui n'a pas d'autres personnes à charge ;
3° 52.679 euros pour d'autres personnes, majorés de 3507 euros par personne à charge. " ;
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Si l'habitation Ă laquelle se rapporte le prĂȘt est situĂ©e dans une commune reprise dans le cluster 1 ou le cluster 2 de la liste reprise Ă l'annexe du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le revenu du demandeur et, le cas Ă©chĂ©ant, les revenus pris en compte conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 3, ne peuvent dĂ©passer, par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, Ă la date de rĂ©fĂ©rence, lors de la conclusion du prĂȘt, le montant de :
1° 36.795 euros pour une personne isolée sans personnes à charge ;
2° 40.469 euros pour une personne isolée handicapée, telle que visée à l'article 1er, alinéa premier, 12°, c), qui n'a pas d'autres personnes à charge ;
3° 55.187 euros pour d'autres personnes, majorés de 3674 euros par personne à charge. " ;
3° à l'alinéa 3, le mot " premier " est remplacé par le mot " deux ".
4° dans l'alinéa 3, le mot " sept " est remplacé par le mot " six ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"A la date de rĂ©fĂ©rence, lors de la conclusion du prĂȘt, le revenu du demandeur, le cas Ă©chĂ©ant, les revenus pris en compte conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 3, ne peuvent excĂ©der :
1° 35.123 euros pour une personne isolée sans personnes à charge ;
2° 38.630 euros pour une personne isolée handicapée, telle que visée à l'article 1er, alinéa premier, 12°, c), qui n'a pas d'autres personnes à charge ;
3° 52.679 euros pour d'autres personnes, majorés de 3507 euros par personne à charge. " ;
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Si l'habitation Ă laquelle se rapporte le prĂȘt est situĂ©e dans une commune reprise dans le cluster 1 ou le cluster 2 de la liste reprise Ă l'annexe du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le revenu du demandeur et, le cas Ă©chĂ©ant, les revenus pris en compte conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 3, ne peuvent dĂ©passer, par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, Ă la date de rĂ©fĂ©rence, lors de la conclusion du prĂȘt, le montant de :
1° 36.795 euros pour une personne isolée sans personnes à charge ;
2° 40.469 euros pour une personne isolée handicapée, telle que visée à l'article 1er, alinéa premier, 12°, c), qui n'a pas d'autres personnes à charge ;
3° 55.187 euros pour d'autres personnes, majorés de 3674 euros par personne à charge. " ;
3° à l'alinéa 3, le mot " premier " est remplacé par le mot " deux ".
4° dans l'alinéa 3, le mot " sept " est remplacé par le mot " six ".
Art. 21. Artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2017, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 6. Uiterlijk bij de ondertekening van de leningsakte voldoet de aanvrager aan al de volgende voorwaarden:
1° hij heeft geen woning, bouwgrond of kavel volledig of gedeeltelijk in volle eigendom;
2° hij heeft geen volledig of gedeeltelijk recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een woning, bouwgrond of kavel;
3° hij heeft geen woning, bouwgrond of kavel die volledig of gedeeltelijk in erfpacht of opstal is gegeven;
4° hij heeft geen woning, bouwgrond of kavel, die hij zelf volledig of gedeeltelijk in vruchtgebruik heeft gegeven;
5° hij is geen zaakvoerder, bestuurder of aandeelhouder van een vennootschap waarin hij zakelijke rechten als vermeld in punt 1° tot en met 4°, heeft ingebracht.
Als de aanvrager een sociale koopwoning aankoopt of een bouwgrond, kavel of een andere woning ten kosteloze titel gedeeltelijk in volle eigendom heeft verworven of een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een bouwgrond, kavel of een andere woning gedeeltelijk ten kosteloze titel heeft verworven of een bouwgrond, kavel of een andere woning waarop een recht van erfpacht of opstal is gegeven, gedeeltelijk ten kosteloze titel heeft verworven, is het eerste lid niet van toepassing. In die gevallen moet de ontlener een jaar na het verlijden van de leningsakte voldoen aan de onroerende bezitsvoorwaarde, vermeld in het eerste lid. Als hij daarvoor gegronde redenen kan aanvoeren, kan hij de kredietgever verzoeken om die termijn van een jaar te verlengen. Als ontlener niet voldoet aan de onroerende bezitsvoorwaarde na een jaar of, in voorkomend geval, de verlengde termijn, wordt de lening voortgezet tegen de referentierentevoet die wordt vermeld in de leningsakte en die wordt gebruikt bij het aangaan van de lening, verhoogd met twee procentpunten
Elke aanvrager die eigenaar is of wordt van de woning waarop de lening betrekking heeft, ondertekent de leningsakte als ontlener.".
"Art. 6. Uiterlijk bij de ondertekening van de leningsakte voldoet de aanvrager aan al de volgende voorwaarden:
1° hij heeft geen woning, bouwgrond of kavel volledig of gedeeltelijk in volle eigendom;
2° hij heeft geen volledig of gedeeltelijk recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een woning, bouwgrond of kavel;
3° hij heeft geen woning, bouwgrond of kavel die volledig of gedeeltelijk in erfpacht of opstal is gegeven;
4° hij heeft geen woning, bouwgrond of kavel, die hij zelf volledig of gedeeltelijk in vruchtgebruik heeft gegeven;
5° hij is geen zaakvoerder, bestuurder of aandeelhouder van een vennootschap waarin hij zakelijke rechten als vermeld in punt 1° tot en met 4°, heeft ingebracht.
Als de aanvrager een sociale koopwoning aankoopt of een bouwgrond, kavel of een andere woning ten kosteloze titel gedeeltelijk in volle eigendom heeft verworven of een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een bouwgrond, kavel of een andere woning gedeeltelijk ten kosteloze titel heeft verworven of een bouwgrond, kavel of een andere woning waarop een recht van erfpacht of opstal is gegeven, gedeeltelijk ten kosteloze titel heeft verworven, is het eerste lid niet van toepassing. In die gevallen moet de ontlener een jaar na het verlijden van de leningsakte voldoen aan de onroerende bezitsvoorwaarde, vermeld in het eerste lid. Als hij daarvoor gegronde redenen kan aanvoeren, kan hij de kredietgever verzoeken om die termijn van een jaar te verlengen. Als ontlener niet voldoet aan de onroerende bezitsvoorwaarde na een jaar of, in voorkomend geval, de verlengde termijn, wordt de lening voortgezet tegen de referentierentevoet die wordt vermeld in de leningsakte en die wordt gebruikt bij het aangaan van de lening, verhoogd met twee procentpunten
Elke aanvrager die eigenaar is of wordt van de woning waarop de lening betrekking heeft, ondertekent de leningsakte als ontlener.".
Art. 21. L'article 6 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 fĂ©vrier 2017, est remplacĂ© par la disposition suivante :
" Art. 6. Au plus tard lors de la signature de l'acte de prĂȘt, le demandeur remplit toutes les conditions suivantes :
1° il n'a pas d'habitation, de terrain à bùtir ou de lot en pleine propriété ou en propriété partielle ;
2° il ne jouit pas entiÚrement ou en partie d'un droit d'emphytéose, de superficie ou d'usufruit sur une habitation, terrain à bùtir ou lot ;
3° il n'a pas d'habitation, de terrain à bùtir ou de lot qui a été donné en tout ou en partie en emphytéose ou superficie ;
4° Il n'a pas d'habitation, de terrain Ă bĂątir ou de lot qu'il a lui-mĂȘme donnĂ© en tout ou en partie en usufruit ;
5° Il n'est pas gérant, administrateur ou actionnaire d'une société à laquelle il a apporté des droits réels, tels que visés aux points 1° à 4°.
Lorsque le demandeur achĂšte une habitation sociale d'achat ou a acquis un terrain Ă bĂątir, un lot ou une autre habitation en partie en pleine propriĂ©tĂ© Ă titre gratuit, ou a acquis un droit d'emphytĂ©ose, de superficie ou d'usufruit sur un terrain Ă bĂątir, un lot ou une autre habitation en partie Ă titre gratuit ou a acquis un terrain Ă bĂątir, un lot ou une autre habitation sur lesquels un droit d'emphytĂ©ose ou de superficie a Ă©tĂ© donnĂ©, Ă titre gratuit en partie, l'alinĂ©a 1er n'est pas applicable. Dans ces cas, l'emprunteur doit se conformer Ă la condition relative Ă la possession de biens immobiliers, visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er, un an aprĂšs la passation de l'acte d'emprunt. S'il peut invoquer des raisons lĂ©gitimes, il peut demander au prĂȘteur de dĂ©roger de ce dĂ©lai d'un an. Si l'emprunteur ne remplit pas la condition relative Ă la possession de biens immobiliers aprĂšs un an ou, le cas Ă©chĂ©ant, aprĂšs la pĂ©riode prolongĂ©e, le prĂȘt continue au taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence qui est visĂ© dans l'acte de prĂȘt et qui est utilisĂ© lors de la conclusion du prĂȘt, majorĂ© de deux points de pourcentage.
Tout demandeur qui est ou qui devient propriĂ©taire de l'habitation Ă laquelle se rapporte le prĂȘt, signe l'acte de prĂȘt en tant qu'emprunteur. ".
" Art. 6. Au plus tard lors de la signature de l'acte de prĂȘt, le demandeur remplit toutes les conditions suivantes :
1° il n'a pas d'habitation, de terrain à bùtir ou de lot en pleine propriété ou en propriété partielle ;
2° il ne jouit pas entiÚrement ou en partie d'un droit d'emphytéose, de superficie ou d'usufruit sur une habitation, terrain à bùtir ou lot ;
3° il n'a pas d'habitation, de terrain à bùtir ou de lot qui a été donné en tout ou en partie en emphytéose ou superficie ;
4° Il n'a pas d'habitation, de terrain Ă bĂątir ou de lot qu'il a lui-mĂȘme donnĂ© en tout ou en partie en usufruit ;
5° Il n'est pas gérant, administrateur ou actionnaire d'une société à laquelle il a apporté des droits réels, tels que visés aux points 1° à 4°.
Lorsque le demandeur achĂšte une habitation sociale d'achat ou a acquis un terrain Ă bĂątir, un lot ou une autre habitation en partie en pleine propriĂ©tĂ© Ă titre gratuit, ou a acquis un droit d'emphytĂ©ose, de superficie ou d'usufruit sur un terrain Ă bĂątir, un lot ou une autre habitation en partie Ă titre gratuit ou a acquis un terrain Ă bĂątir, un lot ou une autre habitation sur lesquels un droit d'emphytĂ©ose ou de superficie a Ă©tĂ© donnĂ©, Ă titre gratuit en partie, l'alinĂ©a 1er n'est pas applicable. Dans ces cas, l'emprunteur doit se conformer Ă la condition relative Ă la possession de biens immobiliers, visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er, un an aprĂšs la passation de l'acte d'emprunt. S'il peut invoquer des raisons lĂ©gitimes, il peut demander au prĂȘteur de dĂ©roger de ce dĂ©lai d'un an. Si l'emprunteur ne remplit pas la condition relative Ă la possession de biens immobiliers aprĂšs un an ou, le cas Ă©chĂ©ant, aprĂšs la pĂ©riode prolongĂ©e, le prĂȘt continue au taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence qui est visĂ© dans l'acte de prĂȘt et qui est utilisĂ© lors de la conclusion du prĂȘt, majorĂ© de deux points de pourcentage.
Tout demandeur qui est ou qui devient propriĂ©taire de l'habitation Ă laquelle se rapporte le prĂȘt, signe l'acte de prĂȘt en tant qu'emprunteur. ".
Art. 22. In artikel 7, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de zin "De minister bevoegd voor Wonen en de minister bevoegd voor Financiën en Begroting bepalen gezamenlijk de methode die wordt gehanteerd bij de berekening van de solvabiliteit" wordt vervangen door de zin "De minister en de minister bevoegd voor de financiën en de begrotingen bepalen na mededeling aan de Vlaamse regering gezamenlijk de methode die wordt gehanteerd bij de berekening van de solvabiliteit";
2° de zin "De huidige methode is een minimale basis voor het door de instellingen uit te werken intern solvabiliteitsreglement, waarbij ze rekening houden met het terugbetalingsrisico van de ontlener." wordt opgeheven.
1° de zin "De minister bevoegd voor Wonen en de minister bevoegd voor Financiën en Begroting bepalen gezamenlijk de methode die wordt gehanteerd bij de berekening van de solvabiliteit" wordt vervangen door de zin "De minister en de minister bevoegd voor de financiën en de begrotingen bepalen na mededeling aan de Vlaamse regering gezamenlijk de methode die wordt gehanteerd bij de berekening van de solvabiliteit";
2° de zin "De huidige methode is een minimale basis voor het door de instellingen uit te werken intern solvabiliteitsreglement, waarbij ze rekening houden met het terugbetalingsrisico van de ontlener." wordt opgeheven.
Art. 22. A l'article 7, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 mai 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° la phrase " Le Ministre compétent pour le Logement et le Ministre compétent pour les Finances fixent conjointement la méthode utilisée pour calculer la solvabilité " est remplacée par la phrase "Le ministre et le ministre responsable des finances et des budgets fixent conjointement, aprÚs communication au Gouvernement flamand, la méthode à utiliser pour le calcul de la solvabilité" ;
2° la phrase "L'actuelle méthode constitue une base minimale pour le rÚglement interne de solvabilité à élaborer par les établissements, dans lequel il tiennent compte du risque de remboursement de l'emprunteur. " est abrogée.
1° la phrase " Le Ministre compétent pour le Logement et le Ministre compétent pour les Finances fixent conjointement la méthode utilisée pour calculer la solvabilité " est remplacée par la phrase "Le ministre et le ministre responsable des finances et des budgets fixent conjointement, aprÚs communication au Gouvernement flamand, la méthode à utiliser pour le calcul de la solvabilité" ;
2° la phrase "L'actuelle méthode constitue une base minimale pour le rÚglement interne de solvabilité à élaborer par les établissements, dans lequel il tiennent compte du risque de remboursement de l'emprunteur. " est abrogée.
Art. 23. In artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014 en 3 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het derde lid opgeheven;
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. De oorspronkelijke jaarlijkse rentevoet van de lening is het eindresultaat van de volgende berekeningen:
1° de referentierentevoet die van toepassing is op de referentiedatum bij het aangaan van de lening wordt vermenigvuldigd met het inkomen, in voorkomend geval met de inkomsten die in aanmerking worden genomen conform artikel 5, derde lid, en dan gedeeld door het bedrag van 40.000 euro, met toepassing van de indexatie, vermeld in artikel 5, vierde lid, en afgerond naar de dichtstbij liggende vierde decimaal;
2° het resultaat van de berekening, vermeld in punt 1°, wordt per persoon ten laste verminderd met 10 % van de referentierentevoet, afgerond naar de dichtstbij liggende tweede decimaal, die van toepassing is op de referentiedatum bij het aangaan van de lening;
3° het resultaat van de berekening, vermeld in punt 1°, wordt verminderd met 5 % van de referentierentevoet, afgerond naar de dichtstbij liggende tweede decimaal, die van toepassing is op de referentiedatum bij het aangaan van de lening, als de woning gelegen is op het grondgebied van een gemeente die is opgenomen in cluster 1 van de lijst die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd. Als de gemeente is opgenomen in cluster 2 van de voormelde lijst, wordt het resultaat van de berekening, vermeld in punt 1°, verminderd met 10 % van de referentierentevoet, afgerond naar de dichtstbij liggende tweede decimaal, die van toepassing is op de referentiedatum bij het aangaan van de lening.
Het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt afgerond naar het eerst hogere 0,10 procentpunt en mag nooit hoger zijn dan vier derde van de referentierentevoet die van toepassing is op de referentiedatum bij het aangaan van de lening, en nooit lager dan twee derde van diezelfde referentierentevoet, afgerond naar de dichtstbij liggende tweede decimaal. De aldus berekende rentevoet van de lening mag nooit lager zijn dan 2 %.
Op basis van die jaarrente wordt de maandrente berekend en afgerond naar de dichtstbij liggende vierde decimaal.
De oorspronkelijke jaarlijkse rentevoet wordt vermeld in de leningsakte.";
3° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de zinsnede "2, 4° " vervangen door de zinsnede "2, tweede lid";
4° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
" § 4. Vijfjaarlijks en voor de eerste keer op de vijfde verjaardag van het verlijden van de leningsakte, wordt de op de lening toegepaste rentevoet herberekend op de wijze, vermeld in paragraaf 2. Bij de vijfjaarlijkse herberekeningen wordt het gemiddelde inkomen berekend over een periode van vijf jaar, die ingaat het zevende jaar dat aan de herberekening voorafgaat. Als het inkomen in een of meer van voormelde jaren nihil bedroeg, wordt dat niet in dat gemiddelde inkomen meegerekend. Bij de berekening van dat gemiddelde inkomen wordt rekening gehouden met de gezinstoestand zoals die vastgesteld wordt op de referentiedatum bij de vijfjaarlijkse herberekening. Met een vermindering van het aantal kinderen ten laste door overlijden wordt geen rekening gehouden.";
5° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "3 en" opgeheven.
1° in paragraaf 1 wordt het derde lid opgeheven;
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. De oorspronkelijke jaarlijkse rentevoet van de lening is het eindresultaat van de volgende berekeningen:
1° de referentierentevoet die van toepassing is op de referentiedatum bij het aangaan van de lening wordt vermenigvuldigd met het inkomen, in voorkomend geval met de inkomsten die in aanmerking worden genomen conform artikel 5, derde lid, en dan gedeeld door het bedrag van 40.000 euro, met toepassing van de indexatie, vermeld in artikel 5, vierde lid, en afgerond naar de dichtstbij liggende vierde decimaal;
2° het resultaat van de berekening, vermeld in punt 1°, wordt per persoon ten laste verminderd met 10 % van de referentierentevoet, afgerond naar de dichtstbij liggende tweede decimaal, die van toepassing is op de referentiedatum bij het aangaan van de lening;
3° het resultaat van de berekening, vermeld in punt 1°, wordt verminderd met 5 % van de referentierentevoet, afgerond naar de dichtstbij liggende tweede decimaal, die van toepassing is op de referentiedatum bij het aangaan van de lening, als de woning gelegen is op het grondgebied van een gemeente die is opgenomen in cluster 1 van de lijst die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd. Als de gemeente is opgenomen in cluster 2 van de voormelde lijst, wordt het resultaat van de berekening, vermeld in punt 1°, verminderd met 10 % van de referentierentevoet, afgerond naar de dichtstbij liggende tweede decimaal, die van toepassing is op de referentiedatum bij het aangaan van de lening.
Het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt afgerond naar het eerst hogere 0,10 procentpunt en mag nooit hoger zijn dan vier derde van de referentierentevoet die van toepassing is op de referentiedatum bij het aangaan van de lening, en nooit lager dan twee derde van diezelfde referentierentevoet, afgerond naar de dichtstbij liggende tweede decimaal. De aldus berekende rentevoet van de lening mag nooit lager zijn dan 2 %.
Op basis van die jaarrente wordt de maandrente berekend en afgerond naar de dichtstbij liggende vierde decimaal.
De oorspronkelijke jaarlijkse rentevoet wordt vermeld in de leningsakte.";
3° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de zinsnede "2, 4° " vervangen door de zinsnede "2, tweede lid";
4° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
" § 4. Vijfjaarlijks en voor de eerste keer op de vijfde verjaardag van het verlijden van de leningsakte, wordt de op de lening toegepaste rentevoet herberekend op de wijze, vermeld in paragraaf 2. Bij de vijfjaarlijkse herberekeningen wordt het gemiddelde inkomen berekend over een periode van vijf jaar, die ingaat het zevende jaar dat aan de herberekening voorafgaat. Als het inkomen in een of meer van voormelde jaren nihil bedroeg, wordt dat niet in dat gemiddelde inkomen meegerekend. Bij de berekening van dat gemiddelde inkomen wordt rekening gehouden met de gezinstoestand zoals die vastgesteld wordt op de referentiedatum bij de vijfjaarlijkse herberekening. Met een vermindering van het aantal kinderen ten laste door overlijden wordt geen rekening gehouden.";
5° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "3 en" opgeheven.
Art. 23. Dans l'article 8 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 23 mai 2014 et 3 fĂ©vrier 2017, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au paragraphe 1er, l'alinéa trois est abrogé ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le taux d'intĂ©rĂȘt annuel original du prĂȘt est le rĂ©sultat final des calculs suivants :
1° le taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence qui s'applique Ă la date de rĂ©fĂ©rence lors de la conclusion du contrat de prĂȘt est multipliĂ© par le revenu, le cas Ă©chĂ©ant par les revenus pris en compte conformĂ©ment Ă l'article 5, alinĂ©a 3, et ensuite divisĂ© par le montant de 40.000 euros, en application de l'indexation, visĂ©e Ă l'article 5, alinĂ©a quatre, et arrondi Ă la quatriĂšme dĂ©cimale la plus proche ;
2° le rĂ©sultat du calcul, visĂ© au point 1°, est rĂ©duit de 10 pour cent du taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence par personne Ă charge, arrondi Ă la deuxiĂšme dĂ©cimale la plus proche, qui s'applique Ă la date de rĂ©fĂ©rence lors de la conclusion du contrat de prĂȘt ;
3° le rĂ©sultat du calcul, visĂ© au point 1°, est rĂ©duit de 5 pour cent du taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence, arrondi Ă la deuxiĂšme dĂ©cimale la plus proche, qui s'applique Ă la date de rĂ©fĂ©rence lors de la conclusion du contrat de prĂȘt, lorsque l'habitation se situe sur le territoire d'une commune reprise dans le cluster 1 de la liste reprise dans l'annexe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Si la commune est reprise dans le cluster 2 de la liste prĂ©citĂ©e, le rĂ©sultat du calcul visĂ© au point 1° est rĂ©duit de 10 % du taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence, arrondi Ă la deuxiĂšme dĂ©cimale la plus proche, qui s'applique Ă la date de rĂ©fĂ©rence au moment de la conclusion du prĂȘt.
Le rĂ©sultat du calcul, visĂ© Ă l'alinĂ©a premier, est arrondi au 0,10 point de pourcentage supĂ©rieur le plus proche et ne peut jamais ĂȘtre supĂ©rieur Ă quatre tiers du taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence qui s'applique Ă la date de rĂ©fĂ©rence lors de la conclusion du contrat de prĂȘt, et ne peut jamais ĂȘtre infĂ©rieur Ă deux tiers de ce mĂȘme taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence, arrondi Ă la deuxiĂšme dĂ©cimale la plus proche. CalculĂ© ainsi, le taux d'intĂ©rĂȘt du prĂȘt ne peut jamais ĂȘtre infĂ©rieur Ă 2 %
Sur la base de cet intĂ©rĂȘt annuel, l'intĂ©rĂȘt mensuel est calculĂ© et arrondi Ă la quatriĂšme dĂ©cimale la plus proche.
Le taux d'intĂ©rĂȘt annuel original est mentionnĂ© dans l'acte de prĂȘt. " ;
3° dans le paragraphe 3, alinéa deux, le membre de phrase " 2, 4° " est remplacé par le membre de phrase " 2, alinéa deux " ;
4° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Tous les cinq ans et pour la premiĂšre fois Ă l'occasion du cinquiĂšme anniversaire de la passation de l'acte de prĂȘt, le taux d'intĂ©rĂȘt qui s'applique au prĂȘt est recalculĂ© de la maniĂšre, visĂ©e au paragraphe 2. Lors des recalculs quinquennaux, le revenu moyen est calculĂ© sur une pĂ©riode de cinq ans, qui prend cours la septiĂšme annĂ©e qui prĂ©cĂšde le recalcul. Lorsque le revenu dans une ou plusieurs des annĂ©es prĂ©citĂ©es Ă©tait inexistant, il n'est pas pris en compte pour ce revenu moyen. Lors du calcul de ce revenu moyen, il est tenu compte de la situation familiale, telle qu'elle est constatĂ©e Ă la date de rĂ©fĂ©rence lors du recalcul quinquennal. Il n'est pas tenu compte d'une diminution du nombre d'enfants Ă charge pour cause de dĂ©cĂšs. " ;
5° dans le paragraphe 5, le membre de phrase " 3 et " est abrogé.
1° au paragraphe 1er, l'alinéa trois est abrogé ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le taux d'intĂ©rĂȘt annuel original du prĂȘt est le rĂ©sultat final des calculs suivants :
1° le taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence qui s'applique Ă la date de rĂ©fĂ©rence lors de la conclusion du contrat de prĂȘt est multipliĂ© par le revenu, le cas Ă©chĂ©ant par les revenus pris en compte conformĂ©ment Ă l'article 5, alinĂ©a 3, et ensuite divisĂ© par le montant de 40.000 euros, en application de l'indexation, visĂ©e Ă l'article 5, alinĂ©a quatre, et arrondi Ă la quatriĂšme dĂ©cimale la plus proche ;
2° le rĂ©sultat du calcul, visĂ© au point 1°, est rĂ©duit de 10 pour cent du taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence par personne Ă charge, arrondi Ă la deuxiĂšme dĂ©cimale la plus proche, qui s'applique Ă la date de rĂ©fĂ©rence lors de la conclusion du contrat de prĂȘt ;
3° le rĂ©sultat du calcul, visĂ© au point 1°, est rĂ©duit de 5 pour cent du taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence, arrondi Ă la deuxiĂšme dĂ©cimale la plus proche, qui s'applique Ă la date de rĂ©fĂ©rence lors de la conclusion du contrat de prĂȘt, lorsque l'habitation se situe sur le territoire d'une commune reprise dans le cluster 1 de la liste reprise dans l'annexe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Si la commune est reprise dans le cluster 2 de la liste prĂ©citĂ©e, le rĂ©sultat du calcul visĂ© au point 1° est rĂ©duit de 10 % du taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence, arrondi Ă la deuxiĂšme dĂ©cimale la plus proche, qui s'applique Ă la date de rĂ©fĂ©rence au moment de la conclusion du prĂȘt.
Le rĂ©sultat du calcul, visĂ© Ă l'alinĂ©a premier, est arrondi au 0,10 point de pourcentage supĂ©rieur le plus proche et ne peut jamais ĂȘtre supĂ©rieur Ă quatre tiers du taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence qui s'applique Ă la date de rĂ©fĂ©rence lors de la conclusion du contrat de prĂȘt, et ne peut jamais ĂȘtre infĂ©rieur Ă deux tiers de ce mĂȘme taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence, arrondi Ă la deuxiĂšme dĂ©cimale la plus proche. CalculĂ© ainsi, le taux d'intĂ©rĂȘt du prĂȘt ne peut jamais ĂȘtre infĂ©rieur Ă 2 %
Sur la base de cet intĂ©rĂȘt annuel, l'intĂ©rĂȘt mensuel est calculĂ© et arrondi Ă la quatriĂšme dĂ©cimale la plus proche.
Le taux d'intĂ©rĂȘt annuel original est mentionnĂ© dans l'acte de prĂȘt. " ;
3° dans le paragraphe 3, alinéa deux, le membre de phrase " 2, 4° " est remplacé par le membre de phrase " 2, alinéa deux " ;
4° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Tous les cinq ans et pour la premiĂšre fois Ă l'occasion du cinquiĂšme anniversaire de la passation de l'acte de prĂȘt, le taux d'intĂ©rĂȘt qui s'applique au prĂȘt est recalculĂ© de la maniĂšre, visĂ©e au paragraphe 2. Lors des recalculs quinquennaux, le revenu moyen est calculĂ© sur une pĂ©riode de cinq ans, qui prend cours la septiĂšme annĂ©e qui prĂ©cĂšde le recalcul. Lorsque le revenu dans une ou plusieurs des annĂ©es prĂ©citĂ©es Ă©tait inexistant, il n'est pas pris en compte pour ce revenu moyen. Lors du calcul de ce revenu moyen, il est tenu compte de la situation familiale, telle qu'elle est constatĂ©e Ă la date de rĂ©fĂ©rence lors du recalcul quinquennal. Il n'est pas tenu compte d'une diminution du nombre d'enfants Ă charge pour cause de dĂ©cĂšs. " ;
5° dans le paragraphe 5, le membre de phrase " 3 et " est abrogé.
Art. 24. Artikel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 en 3 februari 2017, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 9. De duur van de lening bedraagt ten hoogste 300 maanden. In afwijking daarvan kan de looptijd van de lening maximaal 360 maanden bedragen als de ontlener onvoldoende solvabel is om de gevraagde lening af te betalen binnen 300 maanden. In dat geval wordt de looptijd van de lening als volgt vastgesteld: er wordt berekend wat het minimumaantal maanden is opdat de sociale ontlener wel solvabel is en dat resultaat wordt omgezet in jaren en afgerond naar het eerstvolgende natuurlijke getal. De lening moet bovendien volledig terugbetaald zijn in het jaar waarin de jongste ontlener 75 jaar wordt.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid mag de duur van de lening, vermeld in artikel 2, zesde lid, niet meer bedragen dan twee derde van de duur van de erfpachtovereenkomst.
De ontlener gaat een brandverzekering aan voor de nieuwbouwwaarde van de woning waarop de kredietgever een hypotheek neemt en houdt haar in stand zolang de woning beleend is door de kredietgever.
Als de ontlener geen brandverzekering voor de nieuwbouwwaarde heeft, zendt de kredietgever een aanmaning waarin wordt gewezen op de verplichting, vermeld in het derde lid. Als de ontlener zijn verplichting niet nakomt, treedt de kredietgever in de plaats van de ontlener als het openstaande saldo van de lening meer dan 50.000 euro bedraagt. De kredietgever vordert de premie voor de brandverzekering terug bij de ontlener.
De aflossing van de lening wordt gewaarborgd door de inschrijving van een hypotheek voor alle sommen op het onroerend goed waarop de lening betrekking heeft. Die hypotheek is in eerste rang in geval van aankoop. De hypothecaire hoofdsom dekt alle schulden bij de kredietgever.
De leningen met een hypotheek in lagere rang, toegestaan door de kredietgever, mogen niet meer bedragen dan het verschil tussen de verkoopwaarde van de woning, in voorkomend geval na uitvoering van de beleende werken, en de som van de bedragen van de hypotheken in hogere rang.
Bij wanbetaling rekent de kredietgever de volgende nalatigheidsintrest aan. Op het onbetaalde kapitaal wordt een nalatigheidsintrest pro rata temporis berekend tegen de periodieke rentevoet van het krediet, vermeerderd met een periodieke rentevoet die overeenstemt met een debetrentevoet van 0,25 %. Die verwijlintresten lopen vanaf de datum van wanbetaling tot de effectieve terugbetaling. Een maand na de wettelijke ingebrekestelling door de kredietgever wordt het saldo op het tijdstip van de wanbetaling vermenigvuldigd met de periodieke rentevoet die overeenstemt met een debetrentevoet van 0,25 %.
De procedures die bepalen hoe de kredietgever omgaat met de boekhoudkundige verwerking van dubieuze vorderingen en de procedure die wordt gevolgd bij wanbetaling van de ontlener, worden vastgesteld door de raad van bestuur van de kredietgever en meegedeeld aan de minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen.
Op gemotiveerd verzoek van de ontlener kan de kredietgever om sociale, medische of economische redenen een hypotheekoverdracht toestaan, op voorwaarde dat de nieuwe woning voldoet aan de voorwaarden over de maximale verkoopwaarden, vermeld in artikel 2. In voorkomend geval wordt de netto-opbrengst van de verkoop aangewend als gedeeltelijk vervroegde terugbetaling van de lening.
In het negende lid wordt verstaan onder netto-opbrengst van de verkoop: de opbrengst van de verkoop van het pand dat door de ontlener wordt verlaten, verminderd met de aankoopprijs van het pand, in voorkomend geval inclusief btw, dat de ontlener zal betrekken en in voorkomend geval verminderd met de registratiebelasting of registratierechten en de notariskosten voor de aankoop van het pand dat de ontlener zal betrekken, en ten slotte verminderd met een bedrag van 5000 euro.".
"Art. 9. De duur van de lening bedraagt ten hoogste 300 maanden. In afwijking daarvan kan de looptijd van de lening maximaal 360 maanden bedragen als de ontlener onvoldoende solvabel is om de gevraagde lening af te betalen binnen 300 maanden. In dat geval wordt de looptijd van de lening als volgt vastgesteld: er wordt berekend wat het minimumaantal maanden is opdat de sociale ontlener wel solvabel is en dat resultaat wordt omgezet in jaren en afgerond naar het eerstvolgende natuurlijke getal. De lening moet bovendien volledig terugbetaald zijn in het jaar waarin de jongste ontlener 75 jaar wordt.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid mag de duur van de lening, vermeld in artikel 2, zesde lid, niet meer bedragen dan twee derde van de duur van de erfpachtovereenkomst.
De ontlener gaat een brandverzekering aan voor de nieuwbouwwaarde van de woning waarop de kredietgever een hypotheek neemt en houdt haar in stand zolang de woning beleend is door de kredietgever.
Als de ontlener geen brandverzekering voor de nieuwbouwwaarde heeft, zendt de kredietgever een aanmaning waarin wordt gewezen op de verplichting, vermeld in het derde lid. Als de ontlener zijn verplichting niet nakomt, treedt de kredietgever in de plaats van de ontlener als het openstaande saldo van de lening meer dan 50.000 euro bedraagt. De kredietgever vordert de premie voor de brandverzekering terug bij de ontlener.
De aflossing van de lening wordt gewaarborgd door de inschrijving van een hypotheek voor alle sommen op het onroerend goed waarop de lening betrekking heeft. Die hypotheek is in eerste rang in geval van aankoop. De hypothecaire hoofdsom dekt alle schulden bij de kredietgever.
De leningen met een hypotheek in lagere rang, toegestaan door de kredietgever, mogen niet meer bedragen dan het verschil tussen de verkoopwaarde van de woning, in voorkomend geval na uitvoering van de beleende werken, en de som van de bedragen van de hypotheken in hogere rang.
Bij wanbetaling rekent de kredietgever de volgende nalatigheidsintrest aan. Op het onbetaalde kapitaal wordt een nalatigheidsintrest pro rata temporis berekend tegen de periodieke rentevoet van het krediet, vermeerderd met een periodieke rentevoet die overeenstemt met een debetrentevoet van 0,25 %. Die verwijlintresten lopen vanaf de datum van wanbetaling tot de effectieve terugbetaling. Een maand na de wettelijke ingebrekestelling door de kredietgever wordt het saldo op het tijdstip van de wanbetaling vermenigvuldigd met de periodieke rentevoet die overeenstemt met een debetrentevoet van 0,25 %.
De procedures die bepalen hoe de kredietgever omgaat met de boekhoudkundige verwerking van dubieuze vorderingen en de procedure die wordt gevolgd bij wanbetaling van de ontlener, worden vastgesteld door de raad van bestuur van de kredietgever en meegedeeld aan de minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen.
Op gemotiveerd verzoek van de ontlener kan de kredietgever om sociale, medische of economische redenen een hypotheekoverdracht toestaan, op voorwaarde dat de nieuwe woning voldoet aan de voorwaarden over de maximale verkoopwaarden, vermeld in artikel 2. In voorkomend geval wordt de netto-opbrengst van de verkoop aangewend als gedeeltelijk vervroegde terugbetaling van de lening.
In het negende lid wordt verstaan onder netto-opbrengst van de verkoop: de opbrengst van de verkoop van het pand dat door de ontlener wordt verlaten, verminderd met de aankoopprijs van het pand, in voorkomend geval inclusief btw, dat de ontlener zal betrekken en in voorkomend geval verminderd met de registratiebelasting of registratierechten en de notariskosten voor de aankoop van het pand dat de ontlener zal betrekken, en ten slotte verminderd met een bedrag van 5000 euro.".
Art. 24. L'article 9 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 19 dĂ©cembre 2014 et 3 fĂ©vrier 2017, est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 9. La durĂ©e du prĂȘt est d'au maximum 300 mois. Par dĂ©rogation Ă celle-ci, la durĂ©e du prĂȘt peut ĂȘtre de 360 mois au maximum si l'emprunteur n'est pas suffisamment solvable pour rembourser le prĂȘt demandĂ© dans les 300 mois. Dans ce cas, la durĂ©e du prĂȘt est dĂ©terminĂ©e comme suit : le nombre minimum de mois dont l'emprunteur social a besoin pour ĂȘtre solvable est calculĂ© et ce rĂ©sultat est converti en annĂ©es et arrondi au nombre naturel le plus proche. Le prĂȘt doit en plus ĂȘtre entiĂšrement remboursĂ© au cours de l'annĂ©e dans laquelle l'emprunteur le plus jeune aura 75 ans.
Sans prĂ©judice de l'application de l'alinĂ©a premier, la durĂ©e du prĂȘt, visĂ© Ă l'article 2, alinĂ©a six, ne peut pas dĂ©passer deux tiers de la durĂ©e de l'emphytĂ©ose.
L'emprunteur souscrit une assurance incendie pour la valeur Ă neuf de l'habitation sur laquelle le prĂȘteur contracte une hypothĂšque et la maintient aussi longtemps que l'habitation fait l'objet d'un prĂȘt par le prĂȘteur.
Lorsque l'emprunteur ne dispose pas d'une assurance incendie pour la valeur Ă neuf, le prĂȘteur envoie une sommation dans laquelle il est fait rĂ©fĂ©rence Ă l'obligation, visĂ©e Ă l'alinĂ©a trois. Si l'emprunteur ne remplit pas ses obligations, le prĂȘteur prendra la place de l'emprunteur si le solde dĂ©biteur du prĂȘt dĂ©passe 50.000 euros. Le prĂȘteur recouvre la prime d'assurance incendie auprĂšs de l'emprunteur.
L'amortissement du prĂȘt est garanti par l'inscription d'une hypothĂšque pour toutes les sommes sur le bien immobilier sur lequel porte le prĂȘt. Cette hypothĂšque est en premier rang en cas d'achat. La somme capitale hypothĂ©caire couvre toutes les dettes auprĂšs du prĂȘteur.
Les prĂȘts Ă hypothĂšque de rang infĂ©rieur, octroyĂ©s par le prĂȘteur, ne peuvent pas ĂȘtre supĂ©rieurs Ă la diffĂ©rence entre la valeur vĂ©nale de l'habitation, le cas Ă©chĂ©ant aprĂšs l'exĂ©cution des travaux qui font l'objet du prĂȘt, et la somme des montants des hypothĂšques de rang supĂ©rieur.
En cas de dĂ©faut de paiement, le prĂȘteur porte les intĂ©rĂȘts moratoires suivants en compte. Des intĂ©rĂȘts de retard sur le capital impayĂ© sont calculĂ©s pro rata temporis au taux d'intĂ©rĂȘt pĂ©riodique du crĂ©dit, majorĂ© d'un taux d'intĂ©rĂȘt pĂ©riodique correspondant Ă un taux d'intĂ©rĂȘt dĂ©biteur de 0,25 %. Ces intĂ©rĂȘts de retard prennent cours Ă compter de la date de dĂ©faut de paiement jusqu'Ă la date du remboursement effectif. Un mois aprĂšs la mise en demeure lĂ©gale par le prĂȘteur, le solde au moment du dĂ©faut de paiement est multipliĂ© par le taux d'intĂ©rĂȘt pĂ©riodique correspondant Ă un taux d'intĂ©rĂȘt dĂ©biteur de 0,25 %.
Les procĂ©dures dĂ©terminant la maniĂšre dont le prĂȘteur traite le traitement comptable de crĂ©ances douteuses et la procĂ©dure qui est suivie en cas de dĂ©faut de paiement de l'emprunteur sont dĂ©terminĂ©es par le conseil d'administration du prĂȘteur et communiquĂ©es au ministre et au ministre flamand chargĂ© des finances et du budget.
Sur la demande motivĂ©e de l'emprunteur, le prĂȘteur peut autoriser un transfert d'hypothĂšque, pour des raisons sociales, mĂ©dicales ou Ă©conomiques, Ă condition que la nouvelle habitation rĂ©ponde aux conditions relatives aux valeurs vĂ©nales maximales, visĂ©es Ă l'article 2. Le cas Ă©chĂ©ant, le produit net de la vente est affectĂ© comme remboursement anticipĂ© partiel du prĂȘt.
Dans l'alinéa neuf, on entend par produit net de la vente : le produit de la vente de l'immeuble qui est abandonné par l'emprunteur, diminué du prix d'achat de l'immeuble, le cas échéant TVA comprise, qu'occupera l'emprunteur et, le cas échéant, diminué de l'impÎt d'enregistrement ou des droits d'enregistrement et des frais de notaire pour l'achat de l'immeuble qu'occupera l'emprunteur, et en finale diminué d'un montant de 5.000 euros. ".
" Art. 9. La durĂ©e du prĂȘt est d'au maximum 300 mois. Par dĂ©rogation Ă celle-ci, la durĂ©e du prĂȘt peut ĂȘtre de 360 mois au maximum si l'emprunteur n'est pas suffisamment solvable pour rembourser le prĂȘt demandĂ© dans les 300 mois. Dans ce cas, la durĂ©e du prĂȘt est dĂ©terminĂ©e comme suit : le nombre minimum de mois dont l'emprunteur social a besoin pour ĂȘtre solvable est calculĂ© et ce rĂ©sultat est converti en annĂ©es et arrondi au nombre naturel le plus proche. Le prĂȘt doit en plus ĂȘtre entiĂšrement remboursĂ© au cours de l'annĂ©e dans laquelle l'emprunteur le plus jeune aura 75 ans.
Sans prĂ©judice de l'application de l'alinĂ©a premier, la durĂ©e du prĂȘt, visĂ© Ă l'article 2, alinĂ©a six, ne peut pas dĂ©passer deux tiers de la durĂ©e de l'emphytĂ©ose.
L'emprunteur souscrit une assurance incendie pour la valeur Ă neuf de l'habitation sur laquelle le prĂȘteur contracte une hypothĂšque et la maintient aussi longtemps que l'habitation fait l'objet d'un prĂȘt par le prĂȘteur.
Lorsque l'emprunteur ne dispose pas d'une assurance incendie pour la valeur Ă neuf, le prĂȘteur envoie une sommation dans laquelle il est fait rĂ©fĂ©rence Ă l'obligation, visĂ©e Ă l'alinĂ©a trois. Si l'emprunteur ne remplit pas ses obligations, le prĂȘteur prendra la place de l'emprunteur si le solde dĂ©biteur du prĂȘt dĂ©passe 50.000 euros. Le prĂȘteur recouvre la prime d'assurance incendie auprĂšs de l'emprunteur.
L'amortissement du prĂȘt est garanti par l'inscription d'une hypothĂšque pour toutes les sommes sur le bien immobilier sur lequel porte le prĂȘt. Cette hypothĂšque est en premier rang en cas d'achat. La somme capitale hypothĂ©caire couvre toutes les dettes auprĂšs du prĂȘteur.
Les prĂȘts Ă hypothĂšque de rang infĂ©rieur, octroyĂ©s par le prĂȘteur, ne peuvent pas ĂȘtre supĂ©rieurs Ă la diffĂ©rence entre la valeur vĂ©nale de l'habitation, le cas Ă©chĂ©ant aprĂšs l'exĂ©cution des travaux qui font l'objet du prĂȘt, et la somme des montants des hypothĂšques de rang supĂ©rieur.
En cas de dĂ©faut de paiement, le prĂȘteur porte les intĂ©rĂȘts moratoires suivants en compte. Des intĂ©rĂȘts de retard sur le capital impayĂ© sont calculĂ©s pro rata temporis au taux d'intĂ©rĂȘt pĂ©riodique du crĂ©dit, majorĂ© d'un taux d'intĂ©rĂȘt pĂ©riodique correspondant Ă un taux d'intĂ©rĂȘt dĂ©biteur de 0,25 %. Ces intĂ©rĂȘts de retard prennent cours Ă compter de la date de dĂ©faut de paiement jusqu'Ă la date du remboursement effectif. Un mois aprĂšs la mise en demeure lĂ©gale par le prĂȘteur, le solde au moment du dĂ©faut de paiement est multipliĂ© par le taux d'intĂ©rĂȘt pĂ©riodique correspondant Ă un taux d'intĂ©rĂȘt dĂ©biteur de 0,25 %.
Les procĂ©dures dĂ©terminant la maniĂšre dont le prĂȘteur traite le traitement comptable de crĂ©ances douteuses et la procĂ©dure qui est suivie en cas de dĂ©faut de paiement de l'emprunteur sont dĂ©terminĂ©es par le conseil d'administration du prĂȘteur et communiquĂ©es au ministre et au ministre flamand chargĂ© des finances et du budget.
Sur la demande motivĂ©e de l'emprunteur, le prĂȘteur peut autoriser un transfert d'hypothĂšque, pour des raisons sociales, mĂ©dicales ou Ă©conomiques, Ă condition que la nouvelle habitation rĂ©ponde aux conditions relatives aux valeurs vĂ©nales maximales, visĂ©es Ă l'article 2. Le cas Ă©chĂ©ant, le produit net de la vente est affectĂ© comme remboursement anticipĂ© partiel du prĂȘt.
Dans l'alinéa neuf, on entend par produit net de la vente : le produit de la vente de l'immeuble qui est abandonné par l'emprunteur, diminué du prix d'achat de l'immeuble, le cas échéant TVA comprise, qu'occupera l'emprunteur et, le cas échéant, diminué de l'impÎt d'enregistrement ou des droits d'enregistrement et des frais de notaire pour l'achat de l'immeuble qu'occupera l'emprunteur, et en finale diminué d'un montant de 5.000 euros. ".
Art. 25. In artikel 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "vermeld in" vervangen door de woorden "die vastgesteld worden met toepassing van";
2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De renovatiewerkzaamheden, vermeld in het eerste lid, worden uitgevoerd binnen twee jaar na de datum van ondertekening van de leningsakte. De kredietgever kan die termijn verlengen bij overmacht. Als de werken niet uitgevoerd worden binnen de toegestane termijn of als de woning na de uitvoering van die werken niet beantwoordt aan de veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsnormen, die vastgesteld worden met toepassing van artikel 5 van de Vlaamse Wooncode, wordt de lening door de kredietgever vervroegd opgeëist.";
3° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt de zinsnede "of voor een nieuwbouw," opgeheven";
4° het bestaande derde lid wordt opgeheven.
1° in het eerste lid worden de woorden "vermeld in" vervangen door de woorden "die vastgesteld worden met toepassing van";
2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De renovatiewerkzaamheden, vermeld in het eerste lid, worden uitgevoerd binnen twee jaar na de datum van ondertekening van de leningsakte. De kredietgever kan die termijn verlengen bij overmacht. Als de werken niet uitgevoerd worden binnen de toegestane termijn of als de woning na de uitvoering van die werken niet beantwoordt aan de veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsnormen, die vastgesteld worden met toepassing van artikel 5 van de Vlaamse Wooncode, wordt de lening door de kredietgever vervroegd opgeëist.";
3° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt de zinsnede "of voor een nieuwbouw," opgeheven";
4° het bestaande derde lid wordt opgeheven.
Art. 25. A l'article 10 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° à l'alinéa premier, les mots " visées à " sont remplacés par les mots " établies en application de " ;
2° il est inséré entre les alinéas premier et deux un alinéa, rédigé comme suit :
" Les travaux de rĂ©novation, visĂ©s Ă l'alinĂ©a premier, sont exĂ©cutĂ©s dans les deux annĂ©es aprĂšs la date de signature de l'acte de prĂȘt. Le prĂȘteur peut prolonger ce dĂ©lai en cas de force majeure. Si les travaux ne sont pas effectuĂ©s dans les dĂ©lais impartis ou si, aprĂšs l'exĂ©cution de ces travaux, l'habitation ne rĂ©pond pas aux normes de sĂ©curitĂ©, de santĂ© et de qualitĂ© de l'habitat, Ă©tablies en application de l'article 5 du Code flamand du logement, le prĂȘteur rĂ©clame le solde du prĂȘt de façon anticipĂ©e." ;
3° dans l'alinéa deux existant, qui devient l'alinéa trois, le membre de phrase " ou pour une construction neuve " est abrogé.
4° l'alinéa trois existant est abrogé.
1° à l'alinéa premier, les mots " visées à " sont remplacés par les mots " établies en application de " ;
2° il est inséré entre les alinéas premier et deux un alinéa, rédigé comme suit :
" Les travaux de rĂ©novation, visĂ©s Ă l'alinĂ©a premier, sont exĂ©cutĂ©s dans les deux annĂ©es aprĂšs la date de signature de l'acte de prĂȘt. Le prĂȘteur peut prolonger ce dĂ©lai en cas de force majeure. Si les travaux ne sont pas effectuĂ©s dans les dĂ©lais impartis ou si, aprĂšs l'exĂ©cution de ces travaux, l'habitation ne rĂ©pond pas aux normes de sĂ©curitĂ©, de santĂ© et de qualitĂ© de l'habitat, Ă©tablies en application de l'article 5 du Code flamand du logement, le prĂȘteur rĂ©clame le solde du prĂȘt de façon anticipĂ©e." ;
3° dans l'alinéa deux existant, qui devient l'alinéa trois, le membre de phrase " ou pour une construction neuve " est abrogé.
4° l'alinéa trois existant est abrogé.
Art. 26. In artikel 11 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Zolang de lening niet integraal is terugbetaald, bewoont minstens één van de ontleners de woning waarop de lening betrekking heeft, persoonlijk. Als de woning niet langer bestemd is als hoofdverblijfplaats van een van de ontleners, wordt de lening voortgezet tegen de referentierentevoet die wordt vermeld in de leningsakte en die wordt gebruikt bij het aangaan van de lening, verhoogd met twee procentpunten.";
2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
"De kredietgever kan een uitzondering toestaan op de plicht tot persoonlijke bewoning, vermeld in het tweede lid, om gewichtige redenen van overmacht. De plicht tot persoonlijke bewoning geldt niet tijdens de duur van de uitvoering van de beleende renovatie-, verbeterings-, of aanpassingswerken.";
3° het vierde en het vijfde lid worden opgeheven.
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Zolang de lening niet integraal is terugbetaald, bewoont minstens één van de ontleners de woning waarop de lening betrekking heeft, persoonlijk. Als de woning niet langer bestemd is als hoofdverblijfplaats van een van de ontleners, wordt de lening voortgezet tegen de referentierentevoet die wordt vermeld in de leningsakte en die wordt gebruikt bij het aangaan van de lening, verhoogd met twee procentpunten.";
2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
"De kredietgever kan een uitzondering toestaan op de plicht tot persoonlijke bewoning, vermeld in het tweede lid, om gewichtige redenen van overmacht. De plicht tot persoonlijke bewoning geldt niet tijdens de duur van de uitvoering van de beleende renovatie-, verbeterings-, of aanpassingswerken.";
3° het vierde en het vijfde lid worden opgeheven.
Art. 26. A l'article 11 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Tant que le prĂȘt n'est pas complĂštement remboursĂ©, au moins un des emprunteurs occupe l'habitation sur laquelle porte le prĂȘt en personne. Si le logement n'est plus destinĂ© Ă servir de rĂ©sidence principale Ă l'un des emprunteurs, le prĂȘt est maintenu au taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence indiquĂ© dans l'acte de prĂȘt et utilisĂ© pour contracter le prĂȘt, augmentĂ© de deux points de pourcentage. " ;
2° l'alinéa trois est remplacé par ce qui suit :
" Le prĂȘteur peut autoriser une exception Ă l'obligation d'occupation personnelle, visĂ©e Ă l'alinĂ©a deux, pour des raisons importantes de force majeure. L'obligation de l'occupation personnelle ne s'applique pas pendant la durĂ©e de l'exĂ©cution des travaux de rĂ©novation, d'amĂ©lioration ou de transformation faisant l'objet du prĂȘt." ;
3° les alinéas 4 et 5 sont abrogés.
1° l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Tant que le prĂȘt n'est pas complĂštement remboursĂ©, au moins un des emprunteurs occupe l'habitation sur laquelle porte le prĂȘt en personne. Si le logement n'est plus destinĂ© Ă servir de rĂ©sidence principale Ă l'un des emprunteurs, le prĂȘt est maintenu au taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence indiquĂ© dans l'acte de prĂȘt et utilisĂ© pour contracter le prĂȘt, augmentĂ© de deux points de pourcentage. " ;
2° l'alinéa trois est remplacé par ce qui suit :
" Le prĂȘteur peut autoriser une exception Ă l'obligation d'occupation personnelle, visĂ©e Ă l'alinĂ©a deux, pour des raisons importantes de force majeure. L'obligation de l'occupation personnelle ne s'applique pas pendant la durĂ©e de l'exĂ©cution des travaux de rĂ©novation, d'amĂ©lioration ou de transformation faisant l'objet du prĂȘt." ;
3° les alinéas 4 et 5 sont abrogés.
Art. 27. In artikel 12 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden tussen het woord "kredietgever" en de woorden "op diens vraag" de woorden "bij de aanvraag van de lening" ingevoegd;
2° in het eerste lid worden tussen het woord "bezorgt" en de zinsnede ", wordt" de woorden "of als die gegevens onjuist zijn" ingevoegd;
3° tussen het eerste en tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De ontlener bezorgt de kredietgever bij de herziening van de rentevoet op diens vraag alle noodzakelijke gegevens over zijn gezinssamenstelling en zijn inkomen. Als de ontlener die gegevens niet bezorgt, wordt de lening voortgezet tegen de referentierentevoet, die wordt vermeld in de leningsakte en die wordt gebruikt bij het aangaan van de lening, verhoogd met twee procentpunten.";
4° het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
"Als tijdens de duur van de lening blijkt dat de ontlener te kwader trouw onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd, wordt de lening vervroegd opgeëist.".
1° in het eerste lid worden tussen het woord "kredietgever" en de woorden "op diens vraag" de woorden "bij de aanvraag van de lening" ingevoegd;
2° in het eerste lid worden tussen het woord "bezorgt" en de zinsnede ", wordt" de woorden "of als die gegevens onjuist zijn" ingevoegd;
3° tussen het eerste en tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De ontlener bezorgt de kredietgever bij de herziening van de rentevoet op diens vraag alle noodzakelijke gegevens over zijn gezinssamenstelling en zijn inkomen. Als de ontlener die gegevens niet bezorgt, wordt de lening voortgezet tegen de referentierentevoet, die wordt vermeld in de leningsakte en die wordt gebruikt bij het aangaan van de lening, verhoogd met twee procentpunten.";
4° het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
"Als tijdens de duur van de lening blijkt dat de ontlener te kwader trouw onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd, wordt de lening vervroegd opgeëist.".
Art. 27. A l'article 12 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° dans l'alinĂ©a premier, les mots " Ă l'occasion de la demande du prĂȘt " sont insĂ©rĂ©s entre le mot " prĂȘteur " et les mots " , sur sa demande, ".
2° dans l'alinĂ©a premier, les mots " ou lorsque ces donnĂ©es sont incorrectes " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " les donnĂ©es " et les mots " , le prĂȘt " ;
3° entre l'alinéa premier et l'alinéa deux, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
" L'emprunteur remet au prĂȘteur, Ă l'occasion de la rĂ©vision du taux d'intĂ©rĂȘt, lorsque celui-ci en fait la demande, toutes les donnĂ©es nĂ©cessaires sur la composition de sa famille et ses revenus. En l'absence de la remise de ces donnĂ©es par l'emprunteur, le prĂȘt est continuĂ© au taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence mentionnĂ© dans l'acte de prĂȘt et utilisĂ© lors de la conclusion du prĂȘt, majorĂ© de deux points de pourcentage. " ;
4° l'alinéa deux existant, qui devient l'alinéa trois, est remplacé par ce qui suit :
" Lorsqu'il s'avĂšre, pendant la durĂ©e du prĂȘt, que l'emprunteur a de mauvaise foi fait des dĂ©clarations fausses ou incomplĂštes, le solde du prĂȘt est rĂ©clamĂ© anticipativement. ".
1° dans l'alinĂ©a premier, les mots " Ă l'occasion de la demande du prĂȘt " sont insĂ©rĂ©s entre le mot " prĂȘteur " et les mots " , sur sa demande, ".
2° dans l'alinĂ©a premier, les mots " ou lorsque ces donnĂ©es sont incorrectes " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " les donnĂ©es " et les mots " , le prĂȘt " ;
3° entre l'alinéa premier et l'alinéa deux, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
" L'emprunteur remet au prĂȘteur, Ă l'occasion de la rĂ©vision du taux d'intĂ©rĂȘt, lorsque celui-ci en fait la demande, toutes les donnĂ©es nĂ©cessaires sur la composition de sa famille et ses revenus. En l'absence de la remise de ces donnĂ©es par l'emprunteur, le prĂȘt est continuĂ© au taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence mentionnĂ© dans l'acte de prĂȘt et utilisĂ© lors de la conclusion du prĂȘt, majorĂ© de deux points de pourcentage. " ;
4° l'alinéa deux existant, qui devient l'alinéa trois, est remplacé par ce qui suit :
" Lorsqu'il s'avĂšre, pendant la durĂ©e du prĂȘt, que l'emprunteur a de mauvaise foi fait des dĂ©clarations fausses ou incomplĂštes, le solde du prĂȘt est rĂ©clamĂ© anticipativement. ".
Art. 28. Artikel 13 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 13. De kredietgever staat, op verzoek van de ontlener, een korting op de rentevoet toe voor alle hypothecaire leningen die hij heeft verstrekt, zonder dat de rentevoet met korting minder mag bedragen dan vier derde van de referentierentevoet die van toepassing is op de datum waarop de kredietgever een schriftelijk of digitaal voorstel bezorgt aan de ontlener. De rentevoet met korting mag nooit lager zijn dan 2 %. Die rentevoet na de korting is een vaste rentevoet voor de resterende looptijd van de lening. De kredietgever rekent bij het toestaan van die korting een vergoeding aan die gelijk is aan de interest van drie maanden op het openstaande saldo van de lening, berekend aan de rentevoet zonder korting, te verhogen met de dossierkosten. Als de woning waarop de lening betrekking heeft, niet persoonlijk wordt bewoond door een van de ontleners, kan er geen korting worden toegestaan. Een korting op de rentevoet kan ook niet worden toegestaan binnen de eerste 24 maanden na het sluiten van de lening of als de ontlener een betalingsachterstand heeft opgelopen.".
"Art. 13. De kredietgever staat, op verzoek van de ontlener, een korting op de rentevoet toe voor alle hypothecaire leningen die hij heeft verstrekt, zonder dat de rentevoet met korting minder mag bedragen dan vier derde van de referentierentevoet die van toepassing is op de datum waarop de kredietgever een schriftelijk of digitaal voorstel bezorgt aan de ontlener. De rentevoet met korting mag nooit lager zijn dan 2 %. Die rentevoet na de korting is een vaste rentevoet voor de resterende looptijd van de lening. De kredietgever rekent bij het toestaan van die korting een vergoeding aan die gelijk is aan de interest van drie maanden op het openstaande saldo van de lening, berekend aan de rentevoet zonder korting, te verhogen met de dossierkosten. Als de woning waarop de lening betrekking heeft, niet persoonlijk wordt bewoond door een van de ontleners, kan er geen korting worden toegestaan. Een korting op de rentevoet kan ook niet worden toegestaan binnen de eerste 24 maanden na het sluiten van de lening of als de ontlener een betalingsachterstand heeft opgelopen.".
Art. 28. L'article 13 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 13. Le prĂȘteur accorde, Ă la demande de l'emprunteur, une rĂ©duction sur le taux d'intĂ©rĂȘt pour tous les prĂȘts hypothĂ©caires qu'il a consentis, sans que le taux d'intĂ©rĂȘt rĂ©duit ne puisse ĂȘtre infĂ©rieur Ă quatre tiers du taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence qui s'applique Ă la date Ă laquelle le prĂȘteur remet une proposition Ă©crite ou numĂ©rique Ă l'emprunteur. Le taux d'intĂ©rĂȘt rĂ©duit ne peut jamais ĂȘtre infĂ©rieur Ă 2 %. Le taux d'intĂ©rĂȘt aprĂšs la rĂ©duction est un taux d'intĂ©rĂȘt fixe pour la durĂ©e restante du prĂȘt. Lors de l'octroi de cette rĂ©duction, le prĂȘteur porte en compte une indemnitĂ© qui est Ă©gale Ă l'intĂ©rĂȘt de trois mois sur le solde dĂ©biteur du prĂȘt, calculĂ© au taux d'intĂ©rĂȘt sans rĂ©duction, Ă majorer des frais de dossier. Si l'habitation sur laquelle porte le prĂȘt, n'est pas occupĂ©e par l'un des emprunteurs en personne, aucune rĂ©duction ne peut ĂȘtre accordĂ©e. Une rĂ©duction du taux d'intĂ©rĂȘt ne peut pas non plus ĂȘtre accordĂ©e dans les premiers 24 mois suivant la conclusion du prĂȘt ou si l'emprunteur est en retard de paiement. ".
" Art. 13. Le prĂȘteur accorde, Ă la demande de l'emprunteur, une rĂ©duction sur le taux d'intĂ©rĂȘt pour tous les prĂȘts hypothĂ©caires qu'il a consentis, sans que le taux d'intĂ©rĂȘt rĂ©duit ne puisse ĂȘtre infĂ©rieur Ă quatre tiers du taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence qui s'applique Ă la date Ă laquelle le prĂȘteur remet une proposition Ă©crite ou numĂ©rique Ă l'emprunteur. Le taux d'intĂ©rĂȘt rĂ©duit ne peut jamais ĂȘtre infĂ©rieur Ă 2 %. Le taux d'intĂ©rĂȘt aprĂšs la rĂ©duction est un taux d'intĂ©rĂȘt fixe pour la durĂ©e restante du prĂȘt. Lors de l'octroi de cette rĂ©duction, le prĂȘteur porte en compte une indemnitĂ© qui est Ă©gale Ă l'intĂ©rĂȘt de trois mois sur le solde dĂ©biteur du prĂȘt, calculĂ© au taux d'intĂ©rĂȘt sans rĂ©duction, Ă majorer des frais de dossier. Si l'habitation sur laquelle porte le prĂȘt, n'est pas occupĂ©e par l'un des emprunteurs en personne, aucune rĂ©duction ne peut ĂȘtre accordĂ©e. Une rĂ©duction du taux d'intĂ©rĂȘt ne peut pas non plus ĂȘtre accordĂ©e dans les premiers 24 mois suivant la conclusion du prĂȘt ou si l'emprunteur est en retard de paiement. ".
Art. 29. Artikel 16 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 16. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder bevoegde overheden en instellingen, vermeld in paragraaf 1 en in het eerste lid:
1° het Rijksregister van de natuurlijke personen, vermeld in artikel 1 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
2° de instellingen van de sociale zekerheid, vermeld in artikel 1 en 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid en de personen waartoe het netwerk van de sociale zekerheid met toepassing van artikel 18 van de voormelde wet wordt uitgebreid;
3° de Federale Overheidsdienst Financiën;
4° het intern verzelfstandigd agentschap Informatie Vlaanderen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 houdende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Informatie Vlaanderen, de bepaling van diverse maatregelen voor de ontbinding zonder vereffening van het AGIV, de regeling van de overdracht van de activiteiten en het vermogen van het AGIV aan het agentschap Informatie Vlaanderen en de vaststelling van de werking, het beheer en de boekhouding van het Eigen Vermogen Informatie Vlaanderen.
Met behoud van de toepassing van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, namelijk de regelgeving die specifiek van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd, vraagt de kredietgever bij de bevoegde overheden en instellingen en bij de lokale besturen de noodzakelijke documenten of gegevens over de voorwaarden en de verplichtingen, vermeld in dit besluit, op.
§ 2. Voor de uitvoering van de bepalingen van dit besluit doet de kredietgever een beroep op informatie die de bevoegde overheden of instellingen hem elektronisch kunnen bezorgen. Als op die manier geen of onvoldoende gegevens worden verkregen, wordt de aanvrager gevraagd de nodige gegevens te bezorgen. Als via de verkregen informatie van de bevoegde overheden of instellingen blijkt dat de aanvrager niet meer voldoet aan de voorwaarden en de verplichtingen, vermeld in dit besluit, wordt die vaststelling meegedeeld aan de aanvrager. Die kan dan binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de mededeling reageren.
§ 3. De kredietgever coördineert de elektronische gegevensstromen en elektronische informatie-uitwisseling tussen de diverse actoren, vermeld in dit besluit. Alle elektronische gegevens mogen in dit kader via de kredietgever uitgewisseld worden.
De kredietgever mag de gegevens ook gebruiken voor statistische verwerking en mag ze ter beschikking stellen van de andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking. De kredietgever benoemt een functionaris voor gegevensbescherming als vermeld in artikel 37 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
"Art. 16. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder bevoegde overheden en instellingen, vermeld in paragraaf 1 en in het eerste lid:
1° het Rijksregister van de natuurlijke personen, vermeld in artikel 1 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
2° de instellingen van de sociale zekerheid, vermeld in artikel 1 en 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid en de personen waartoe het netwerk van de sociale zekerheid met toepassing van artikel 18 van de voormelde wet wordt uitgebreid;
3° de Federale Overheidsdienst Financiën;
4° het intern verzelfstandigd agentschap Informatie Vlaanderen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 houdende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Informatie Vlaanderen, de bepaling van diverse maatregelen voor de ontbinding zonder vereffening van het AGIV, de regeling van de overdracht van de activiteiten en het vermogen van het AGIV aan het agentschap Informatie Vlaanderen en de vaststelling van de werking, het beheer en de boekhouding van het Eigen Vermogen Informatie Vlaanderen.
Met behoud van de toepassing van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, namelijk de regelgeving die specifiek van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd, vraagt de kredietgever bij de bevoegde overheden en instellingen en bij de lokale besturen de noodzakelijke documenten of gegevens over de voorwaarden en de verplichtingen, vermeld in dit besluit, op.
§ 2. Voor de uitvoering van de bepalingen van dit besluit doet de kredietgever een beroep op informatie die de bevoegde overheden of instellingen hem elektronisch kunnen bezorgen. Als op die manier geen of onvoldoende gegevens worden verkregen, wordt de aanvrager gevraagd de nodige gegevens te bezorgen. Als via de verkregen informatie van de bevoegde overheden of instellingen blijkt dat de aanvrager niet meer voldoet aan de voorwaarden en de verplichtingen, vermeld in dit besluit, wordt die vaststelling meegedeeld aan de aanvrager. Die kan dan binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de mededeling reageren.
§ 3. De kredietgever coördineert de elektronische gegevensstromen en elektronische informatie-uitwisseling tussen de diverse actoren, vermeld in dit besluit. Alle elektronische gegevens mogen in dit kader via de kredietgever uitgewisseld worden.
De kredietgever mag de gegevens ook gebruiken voor statistische verwerking en mag ze ter beschikking stellen van de andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking. De kredietgever benoemt een functionaris voor gegevensbescherming als vermeld in artikel 37 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
Art. 29. L'article 16 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 16. § 1er. Dans le présent article, on entend par autorités et institutions compétentes, visées au paragraphe 1er et à l'alinéa premier :
1° le Registre national des personnes physiques visé à l'article 1er de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques ;
2° les institutions de la sécurité sociale, visées aux articles 1er et 2, alinéa premier, 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale et les personnes auxquelles le réseau de la sécurité sociale est étendu en application de l'article 18 de la loi précitée ;
3° le Service Public Fédéral Finances ;
4° l'agence autonomisĂ©e interne Flandre Information, Ă©tablie par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 portant crĂ©ation de l'agence autonomisĂ©e interne Flandre Information, dĂ©termination de diverses mesures pour la dissolution sans liquidation de l'AGIV, rĂšglement du transfert des activitĂ©s et des actifs de l'AGIV Ă l'agence Flandre Information et dĂ©termination du fonctionnement, de la gestion et de la comptabilitĂ© des Fonds propres Flandre Information.
Sans prĂ©judice de l'application de la rĂ©glementation relative Ă la protection des personnes physiques Ă l'Ă©gard du traitement des donnĂ©es Ă caractĂšre personnel, notamment de la rĂ©glementation qui s'applique spĂ©cifiquement Ă la communication des donnĂ©es Ă caractĂšre personnel, telles qu'elles peuvent, le cas Ă©chĂ©ant, ĂȘtre dĂ©veloppĂ©es ou prĂ©cisĂ©es au niveau fĂ©dĂ©ral ou flamand, le prĂȘteur demande les documents ou donnĂ©es nĂ©cessaires relatifs aux conditions et aux obligations, visĂ©es dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ© auprĂšs des autoritĂ©s et institutions compĂ©tentes et auprĂšs des autoritĂ©s locales.
§ 2. En vue de l'exĂ©cution des dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le prĂȘteur fait appel Ă des informations que les autoritĂ©s ou institutions compĂ©tentes peuvent lui transmettre par voie Ă©lectronique. Si aucune information ou insuffisamment de donnĂ©es ne peuvent ĂȘtre obtenues de cette maniĂšre, il est demandĂ© au demandeur de fournir les donnĂ©es nĂ©cessaires. Si, sur la base des informations obtenues auprĂšs des autoritĂ©s ou institutions compĂ©tentes, il apparaĂźt que le demandeur ne remplit plus les conditions et obligations Ă©noncĂ©es dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, cette constatation est communiquĂ©e au demandeur. Celui-ci peut alors rĂ©agir dans un dĂ©lai de quinze jours calendaires aprĂšs la notification.
§ 3. Le prĂȘteur coordonne les flux de donnĂ©es Ă©lectroniques et l'Ă©change d'informations Ă©lectroniques entre les diffĂ©rents acteurs visĂ©s dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Toutes les donnĂ©es Ă©lectroniques peuvent dans ce cadre ĂȘtre Ă©changĂ©es via le prĂȘteur.
Le prĂȘteur peut Ă©galement utiliser les donnĂ©es Ă des fins de traitement statistique et peut les mettre Ă la disposition des autres entitĂ©s du domaine politique de l'Environnement et de l'AmĂ©nagement du Territoire Ă des fins de traitement statistique. Le prĂȘteur dĂ©signe un responsable du traitement des donnĂ©es, tel que visĂ© Ă l'article 37, du rĂšglement (UE) 2016/679 du Parlement europĂ©en et du Conseil du 27 avril 2016 relatif Ă la protection des personnes physiques Ă l'Ă©gard du traitement des donnĂ©es Ă caractĂšre personnel et Ă la libre circulation de ces donnĂ©es et abrogeant la directive 95/46/CE (rĂšglement gĂ©nĂ©ral sur la protection des donnĂ©es).
" Art. 16. § 1er. Dans le présent article, on entend par autorités et institutions compétentes, visées au paragraphe 1er et à l'alinéa premier :
1° le Registre national des personnes physiques visé à l'article 1er de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques ;
2° les institutions de la sécurité sociale, visées aux articles 1er et 2, alinéa premier, 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale et les personnes auxquelles le réseau de la sécurité sociale est étendu en application de l'article 18 de la loi précitée ;
3° le Service Public Fédéral Finances ;
4° l'agence autonomisĂ©e interne Flandre Information, Ă©tablie par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 portant crĂ©ation de l'agence autonomisĂ©e interne Flandre Information, dĂ©termination de diverses mesures pour la dissolution sans liquidation de l'AGIV, rĂšglement du transfert des activitĂ©s et des actifs de l'AGIV Ă l'agence Flandre Information et dĂ©termination du fonctionnement, de la gestion et de la comptabilitĂ© des Fonds propres Flandre Information.
Sans prĂ©judice de l'application de la rĂ©glementation relative Ă la protection des personnes physiques Ă l'Ă©gard du traitement des donnĂ©es Ă caractĂšre personnel, notamment de la rĂ©glementation qui s'applique spĂ©cifiquement Ă la communication des donnĂ©es Ă caractĂšre personnel, telles qu'elles peuvent, le cas Ă©chĂ©ant, ĂȘtre dĂ©veloppĂ©es ou prĂ©cisĂ©es au niveau fĂ©dĂ©ral ou flamand, le prĂȘteur demande les documents ou donnĂ©es nĂ©cessaires relatifs aux conditions et aux obligations, visĂ©es dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ© auprĂšs des autoritĂ©s et institutions compĂ©tentes et auprĂšs des autoritĂ©s locales.
§ 2. En vue de l'exĂ©cution des dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le prĂȘteur fait appel Ă des informations que les autoritĂ©s ou institutions compĂ©tentes peuvent lui transmettre par voie Ă©lectronique. Si aucune information ou insuffisamment de donnĂ©es ne peuvent ĂȘtre obtenues de cette maniĂšre, il est demandĂ© au demandeur de fournir les donnĂ©es nĂ©cessaires. Si, sur la base des informations obtenues auprĂšs des autoritĂ©s ou institutions compĂ©tentes, il apparaĂźt que le demandeur ne remplit plus les conditions et obligations Ă©noncĂ©es dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, cette constatation est communiquĂ©e au demandeur. Celui-ci peut alors rĂ©agir dans un dĂ©lai de quinze jours calendaires aprĂšs la notification.
§ 3. Le prĂȘteur coordonne les flux de donnĂ©es Ă©lectroniques et l'Ă©change d'informations Ă©lectroniques entre les diffĂ©rents acteurs visĂ©s dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Toutes les donnĂ©es Ă©lectroniques peuvent dans ce cadre ĂȘtre Ă©changĂ©es via le prĂȘteur.
Le prĂȘteur peut Ă©galement utiliser les donnĂ©es Ă des fins de traitement statistique et peut les mettre Ă la disposition des autres entitĂ©s du domaine politique de l'Environnement et de l'AmĂ©nagement du Territoire Ă des fins de traitement statistique. Le prĂȘteur dĂ©signe un responsable du traitement des donnĂ©es, tel que visĂ© Ă l'article 37, du rĂšglement (UE) 2016/679 du Parlement europĂ©en et du Conseil du 27 avril 2016 relatif Ă la protection des personnes physiques Ă l'Ă©gard du traitement des donnĂ©es Ă caractĂšre personnel et Ă la libre circulation de ces donnĂ©es et abrogeant la directive 95/46/CE (rĂšglement gĂ©nĂ©ral sur la protection des donnĂ©es).
Art. 30. Aan hetzelfde besluit wordt een bijlage toegevoegd, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 30. Il est ajoutĂ© au mĂȘme arrĂȘtĂ© une annexe, qui est jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Procedurebesluit Wonen van 14 juli 2017
CHAPITRE 3. - Modification de l'arrĂȘtĂ© ProcĂ©dure Logement du 14 juillet 2017
Art. 31. In artikel 1, 14°, van het Procedurebesluit Wonen van 14 juli 2017 wordt een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt:
"c) het besluit van de Vlaamse Regering van 16 november 2018 over het lokaal woonbeleid;".
"c) het besluit van de Vlaamse Regering van 16 november 2018 over het lokaal woonbeleid;".
Art. 31. A l'article 1er, 14°, de l'arrĂȘtĂ© ProcĂ©dure Logement du 14 juillet 2017, il est ajoutĂ© un point c), rĂ©digĂ© comme suit :
" c) l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 novembre 2018 relatif Ă la politique locale du logement ; ".
" c) l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 novembre 2018 relatif Ă la politique locale du logement ; ".
Art. 32. In artikel 3 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "woningen" vervangen door de zinsnede "woningen en bescheiden huurwoningen,";
2° in paragraaf 1 wordt tussen het tweede en het derde lid, een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor een bouw- of investeringsverrichting van sociale koopwoningen of bescheiden huurwoningen, is enkel het Bouwtechnisch Bestek Woningbouw voor bouwverrichtingen, vermeld in het tweede lid, 4°, van toepassing.";
3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "woningen' vervangen door de zinsnede "huurwoningen,".
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "woningen" vervangen door de zinsnede "woningen en bescheiden huurwoningen,";
2° in paragraaf 1 wordt tussen het tweede en het derde lid, een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor een bouw- of investeringsverrichting van sociale koopwoningen of bescheiden huurwoningen, is enkel het Bouwtechnisch Bestek Woningbouw voor bouwverrichtingen, vermeld in het tweede lid, 4°, van toepassing.";
3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "woningen' vervangen door de zinsnede "huurwoningen,".
Art. 32. A l'article 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " logements sociaux " sont remplacés par les mots " logements sociaux et logements locatifs modestes, " ;
2° dans le paragraphe 1er, il est inséré entre les alinéas deux et trois, un alinéa rédigé comme suit :
"Pour une opération de construction ou d'investissement de logements sociaux d'achat ou de logements locatifs modestes, seul le " Bouwtechnisch Bestek Woningbouw " pour les opérations de construction, visé à l'alinéa deux, 4°, est applicable. " ;
3° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " logements sociaux " sont remplacés par les mots " logements locatifs sociaux, ".
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " logements sociaux " sont remplacés par les mots " logements sociaux et logements locatifs modestes, " ;
2° dans le paragraphe 1er, il est inséré entre les alinéas deux et trois, un alinéa rédigé comme suit :
"Pour une opération de construction ou d'investissement de logements sociaux d'achat ou de logements locatifs modestes, seul le " Bouwtechnisch Bestek Woningbouw " pour les opérations de construction, visé à l'alinéa deux, 4°, est applicable. " ;
3° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " logements sociaux " sont remplacés par les mots " logements locatifs sociaux, ".
Art. 33. In artikel 8 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "sociale of bescheiden huur- of koopwoningen" worden telkens vervangen door de woorden "sociale huur- of koopwoningen of bescheiden huurwoningen";
2° in paragraaf 2 wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"4° de omzetting van sociale koopwoningen naar sociale huurwoningen.".
1° de woorden "sociale of bescheiden huur- of koopwoningen" worden telkens vervangen door de woorden "sociale huur- of koopwoningen of bescheiden huurwoningen";
2° in paragraaf 2 wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"4° de omzetting van sociale koopwoningen naar sociale huurwoningen.".
Art. 33. A l'article 8 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° les mots " logements locatifs ou acquisitifs sociaux ou modestes" sont chaque fois remplacés par les mots " logements locatifs ou acquisitifs sociaux ou logements locatifs modestes " ;
2° au paragraphe 2, il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
"4° la conversion de logements sociaux acquisitifs en logements sociaux locatifs. ".
1° les mots " logements locatifs ou acquisitifs sociaux ou modestes" sont chaque fois remplacés par les mots " logements locatifs ou acquisitifs sociaux ou logements locatifs modestes " ;
2° au paragraphe 2, il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
"4° la conversion de logements sociaux acquisitifs en logements sociaux locatifs. ".
Art. 34. In artikel 9, § 1, derde lid, 3°, van hetzelfde besluit worden de woorden "bescheiden huur- of koopwoningen of kavels" vervangen door de woorden "bescheiden huurwoningen".
Art. 34. A l'article 9, § 1er, alinĂ©a trois, 3° du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " logements locatifs ou acquisitifs ou parcelles modestes " sont remplacĂ©s par les mots " logements locatifs modestes ".
Art. 35. In artikel 12 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid, 7°, wordt de zinsnede ", uitgezonderd de nieuwbouw of vervangingsbouw van sociale koopwoningen" opgeheven;
2° tussen vierde en het vijfde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Een bouw- of investeringsverrichting van sociale koopwoningen of bescheiden huurwoningen dat deel uitmaakt van een project waarvan de verrichtingen principieel vatbaar zijn voor programmatie, wordt automatisch opgenomen op de korte termijnplanning, vermeld in onderafdeling 3, en doorloopt alleen de fase van de toewijzing van middelen op een jaarbudget, vermeld in onderafdeling 4.";
3° in het bestaande vijfde lid, dat het zesde lid wordt, wordt de zinsnede ", uitgezonderd de nieuwbouw of vervangingsbouw van sociale koopwoningen" opgeheven.
1° in het tweede lid, 7°, wordt de zinsnede ", uitgezonderd de nieuwbouw of vervangingsbouw van sociale koopwoningen" opgeheven;
2° tussen vierde en het vijfde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Een bouw- of investeringsverrichting van sociale koopwoningen of bescheiden huurwoningen dat deel uitmaakt van een project waarvan de verrichtingen principieel vatbaar zijn voor programmatie, wordt automatisch opgenomen op de korte termijnplanning, vermeld in onderafdeling 3, en doorloopt alleen de fase van de toewijzing van middelen op een jaarbudget, vermeld in onderafdeling 4.";
3° in het bestaande vijfde lid, dat het zesde lid wordt, wordt de zinsnede ", uitgezonderd de nieuwbouw of vervangingsbouw van sociale koopwoningen" opgeheven.
Art. 35. A l'article 12 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° dans l'alinéa deux, 7°, le membre de phrase " , à l'exception de la construction neuve ou de remplacement de logements acquisitifs sociaux " est abrogé ;
2° il est inséré entre les alinéas quatre et cinq, un alinéa rédigé comme suit :
" Une opération de construction ou d'investissement dans des logements sociaux acquisitifs ou dans des logements locatifs modestes, qui fait partie d'un projet dont les opérations sont en principe éligibles à une programmation, est automatiquement reprise dans le planning à court terme, visé à la sous-section 3, et ne parcourt que la phase de l'affectation de moyens à un budget annuel, visée à la sous-section 4. " ;
3° à l'alinéa cinq existant, qui devient l'alinéa six, le membre de phrase " à l'exception de la construction neuve ou de remplacement de logements acquisitifs sociaux " est abrogé.
1° dans l'alinéa deux, 7°, le membre de phrase " , à l'exception de la construction neuve ou de remplacement de logements acquisitifs sociaux " est abrogé ;
2° il est inséré entre les alinéas quatre et cinq, un alinéa rédigé comme suit :
" Une opération de construction ou d'investissement dans des logements sociaux acquisitifs ou dans des logements locatifs modestes, qui fait partie d'un projet dont les opérations sont en principe éligibles à une programmation, est automatiquement reprise dans le planning à court terme, visé à la sous-section 3, et ne parcourt que la phase de l'affectation de moyens à un budget annuel, visée à la sous-section 4. " ;
3° à l'alinéa cinq existant, qui devient l'alinéa six, le membre de phrase " à l'exception de la construction neuve ou de remplacement de logements acquisitifs sociaux " est abrogé.
Art. 36. In artikel 21, § 1, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor een bouw- of investeringsverrichting van sociale koopwoningen of bescheiden huurwoningen verklaart de initiatiefnemer dat het Bouwtechnisch Bestek Woningbouw voor bouwverrichtingen gevolgd werd bij de basisaanbesteding en dat de procedure van de wetgeving op de overheidsopdrachten is nageleefd.";
2° in het bestaande vijfde lid, dat het zesde lid wordt, wordt het woord "vierde" vervangen door het woord "vijfde".
1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor een bouw- of investeringsverrichting van sociale koopwoningen of bescheiden huurwoningen verklaart de initiatiefnemer dat het Bouwtechnisch Bestek Woningbouw voor bouwverrichtingen gevolgd werd bij de basisaanbesteding en dat de procedure van de wetgeving op de overheidsopdrachten is nageleefd.";
2° in het bestaande vijfde lid, dat het zesde lid wordt, wordt het woord "vierde" vervangen door het woord "vijfde".
Art. 36. A l'article 21, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° entre les alinéas deux et trois, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
" Dans le cas d'une opération de construction ou d'investissement dans des logements sociaux acquisitifs ou dans des logements locatifs modestes, le promoteur déclare que le " Bouwtechnisch Bestek Woningbouw " pour les opérations de construction a été suivi lors de l'appel d'offres de base et que la procédure prévue par la législation sur les marchés publics a été respectée. " ;
2° dans l'alinéa cinq existant, qui devient l'alinéa six, le mot " 4 " est remplacé par le mot " 5 ".
1° entre les alinéas deux et trois, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
" Dans le cas d'une opération de construction ou d'investissement dans des logements sociaux acquisitifs ou dans des logements locatifs modestes, le promoteur déclare que le " Bouwtechnisch Bestek Woningbouw " pour les opérations de construction a été suivi lors de l'appel d'offres de base et que la procédure prévue par la législation sur les marchés publics a été respectée. " ;
2° dans l'alinéa cinq existant, qui devient l'alinéa six, le mot " 4 " est remplacé par le mot " 5 ".
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Art. 37. Zolang de Vlaamse minister, bevoegd voor de huisvesting, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, na mededeling aan de Vlaamse Regering, de berekeningsmethode voor de solvabiliteit, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 houdende de voorwaarden waaronder de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en het Vlaams Woningfonds bijzondere sociale leningen aan particulieren kunnen toestaan, zoals van kracht na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, nog niet hebben bepaald, is het ministerieel besluit van 30 januari 2014 houdende de bepaling van de inkomsten die in aanmerking worden genomen voor de berekening van het maandelijkse netto-inkomen en de vaststelling van de methodiek met betrekking tot het solvabiliteitsonderzoek van toepassing.
Art. 37. Tant que le ministre flamand qui a le logement dans ses attributions et le ministre flamand qui a les finances et le budget dans ses attributions, n'ont pas encore, aprĂšs communication au Gouvernement flamand, arrĂȘtĂ© la mĂ©thode de calcul de la solvabilitĂ©, visĂ©e Ă l'article 7 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013 portant les conditions auxquelles la SociĂ©tĂ© flamande du Logement social et le Fonds flamand du Logement peuvent octroyer des prĂȘts sociaux spĂ©ciaux Ă des particuliers, tel qu'il Ă©tait en vigueur aprĂšs la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 30 janvier 2014 dĂ©terminant les recettes Ă prendre en compte pour le calcul du revenu mensuel net et Ă©tablissant la mĂ©thodologie pour l'Ă©valuation de solvabilitĂ© s'applique (" Ministerieel besluit houdende de bepaling van de inkomsten die in aanmerking worden genomen voor de berekening van het maandelijkse netto-inkomen en de vaststelling van de methodiek met betrekking tot het solvabiliteitsonderzoek ") .
Art. 38. Voor de koper van een sociale koopwoning of een sociale kavel als vermeld in artikel 59, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 2017 tot wijziging van diverse besluiten met betrekking tot wonen, of, bij het overlijden van de koper, een van de erfgenamen die een zakelijk recht om de woning te bewonen, heeft geërfd, gelden de verbintenissen, vermeld in artikel 1 en 5 van bijlage VI van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode, zoals van kracht na de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 38. Pour l'acquĂ©reur d'un logement acquisitif social ou d'un lot social, tels que visĂ©s Ă l'article 59, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 fĂ©vrier 2017 modifiant divers arrĂȘtĂ©s relatifs au logement ou, en cas de dĂ©cĂšs de l'acquĂ©reur, un des hĂ©ritiers qui a hĂ©ritĂ© d'un droit rĂ©el pour occuper le logement, s'appliquent les obligations, visĂ©es aux articles 1er et 5 de l'annexe VI de l' arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 septembre 2006 relatif aux conditions de transfert de biens immobiliers de la SociĂ©tĂ© flamande du Logement et des sociĂ©tĂ©s sociales de logement en exĂ©cution du Code flamand du Logement, tel qu'il Ă©tait en vigueur aprĂšs la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 39. Voor de kandidaat-kopers die zijn ingeschreven vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, gelden de onroerende bezitsvoorwaarden voor de toewijzing van een sociale koopwoning of een sociale kavel, vermeld in artikel 3, § 1, eerste en tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode, zoals van kracht vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, nog gedurende een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Als de koper daarvoor gegronde redenen kan aanvoeren, kan hij de verkoper verzoeken om de termijn van een jaar te verlengen.
Voor de kandidaat-kopers die zijn ingeschreven vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, en waarvoor toepassing werd gemaakt van de uitzonderingen, vermeld in artikel 3, § 6, eerste lid, 1°, 4° en 5° van het besluit, vermeld in het eerste lid, zoals van kracht vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijven de uitzonderingen ook gelden bij de toewijzing van de sociale koopwoning of sociale kavel. De kandidaat-kopers moeten in dat geval de woning of het perceel, bestemd voor woningbouw, waarvoor de uitzondering gold, verkopen op de vrije markt of aan een sociale huisvestingsmaatschappij binnen een termijn van een jaar vanaf de datum waarop de aankoopakte verleden is.
Voor de kandidaat-kopers die zijn ingeschreven vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, en waarvoor toepassing werd gemaakt van de verhoogde inkomensgrenzen, vermeld in artikel 3, § 1, tweede lid, van het besluit, vermeld in het eerste lid, zoals van kracht vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijven die verhoogde inkomensgrenzen ook gelden bij de toewijzing van de sociale koopwoning of sociale kavel.
Voor de personen die met toepassing van het eerste, tweede of derde lid een sociale koopwoning of sociale kavel krijgen toegewezen, geldt de onroerende eigendomsvoorwaarde voor het in aanmerking komen voor een sociale lening, vermeld in artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 houdende de voorwaarden waaronder de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en het Vlaams Woningfonds bijzondere sociale leningen aan particulieren kunnen toestaan, niet.
Voor de kandidaat-kopers die zijn ingeschreven vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, en waarvoor toepassing werd gemaakt van de uitzonderingen, vermeld in artikel 3, § 6, eerste lid, 1°, 4° en 5° van het besluit, vermeld in het eerste lid, zoals van kracht vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijven de uitzonderingen ook gelden bij de toewijzing van de sociale koopwoning of sociale kavel. De kandidaat-kopers moeten in dat geval de woning of het perceel, bestemd voor woningbouw, waarvoor de uitzondering gold, verkopen op de vrije markt of aan een sociale huisvestingsmaatschappij binnen een termijn van een jaar vanaf de datum waarop de aankoopakte verleden is.
Voor de kandidaat-kopers die zijn ingeschreven vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, en waarvoor toepassing werd gemaakt van de verhoogde inkomensgrenzen, vermeld in artikel 3, § 1, tweede lid, van het besluit, vermeld in het eerste lid, zoals van kracht vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijven die verhoogde inkomensgrenzen ook gelden bij de toewijzing van de sociale koopwoning of sociale kavel.
Voor de personen die met toepassing van het eerste, tweede of derde lid een sociale koopwoning of sociale kavel krijgen toegewezen, geldt de onroerende eigendomsvoorwaarde voor het in aanmerking komen voor een sociale lening, vermeld in artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 houdende de voorwaarden waaronder de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en het Vlaams Woningfonds bijzondere sociale leningen aan particulieren kunnen toestaan, niet.
Art. 39. Pour les candidats-acquĂ©reurs enregistrĂ©s avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, les conditions relatives Ă la possession de biens immobiliers pour l'attribution d'un logement acquisitif social ou d'un lot social, visĂ©es Ă l'article 3, § 1er, alinĂ©as premier et deux, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 septembre 2006 relatif aux conditions de transfert de biens immobiliers de la SociĂ©tĂ© flamande du Logement et des sociĂ©tĂ©s sociales de logement en exĂ©cution du Code flamand du Logement, tel qu'il s'appliquait avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, continuent Ă s'appliquer pendant encore un an aprĂšs la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Si l'acquĂ©reur peut invoquer des motifs lĂ©gitimes, il peut demander au vendeur de dĂ©roger du dĂ©lai d'un an.
Pour les candidats-acquĂ©reurs enregistrĂ©s avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et en faveur desquels sont adoptĂ©es les exceptions visĂ©es Ă l'article 3, § 6, alinĂ©a premier, 1°, 4° et 5° de l'arrĂȘtĂ©, visĂ© Ă l'alinĂ©a premier, tel qu'il Ă©tait en vigueur avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, les exceptions restent Ă©galement applicables Ă l'attribution du logement social acquisitif ou du lot social. Dans ce cas, les candidats-acquĂ©reurs doivent vendre l'habitation ou la parcelle, destinĂ©es Ă la construction d'habitations, auxquelles l'exception s'appliquait, sur le marchĂ© libre ou Ă une sociĂ©tĂ© de logement social dans un dĂ©lai d'un an Ă compter de la date Ă laquelle l'acte d'achat est passĂ©.
Pour les candidats-acquĂ©reurs enregistrĂ©s avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et en faveur desquels ont Ă©tĂ© appliquĂ©s les limites de revenus majorĂ©es visĂ©es Ă l'article 3, § 1er, alinĂ©a deux, de l'arrĂȘtĂ©, visĂ© Ă l'alinĂ©a premier, tel qu'il Ă©tait en vigueur avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ces limites de revenus majorĂ©es continuent Ă©galement Ă s'appliquer aux fins de l'attribution du logement social acquisitif ou du lot social.
Pour les personnes Ă qui un logement acquisitif social ou un lot social est attribuĂ© en application des alinĂ©as premier, deux ou trois, la condition relative Ă la possession de biens immobiliers pour l'Ă©ligibilitĂ© Ă un prĂȘt social, visĂ©e Ă l'article 6 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013 portant les conditions auxquelles la SociĂ©tĂ© flamande du Logement social et le Fonds flamand du Logement peuvent octroyer des prĂȘts sociaux spĂ©ciaux Ă des particuliers, ne s'applique pas.
Pour les candidats-acquĂ©reurs enregistrĂ©s avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et en faveur desquels sont adoptĂ©es les exceptions visĂ©es Ă l'article 3, § 6, alinĂ©a premier, 1°, 4° et 5° de l'arrĂȘtĂ©, visĂ© Ă l'alinĂ©a premier, tel qu'il Ă©tait en vigueur avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, les exceptions restent Ă©galement applicables Ă l'attribution du logement social acquisitif ou du lot social. Dans ce cas, les candidats-acquĂ©reurs doivent vendre l'habitation ou la parcelle, destinĂ©es Ă la construction d'habitations, auxquelles l'exception s'appliquait, sur le marchĂ© libre ou Ă une sociĂ©tĂ© de logement social dans un dĂ©lai d'un an Ă compter de la date Ă laquelle l'acte d'achat est passĂ©.
Pour les candidats-acquĂ©reurs enregistrĂ©s avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et en faveur desquels ont Ă©tĂ© appliquĂ©s les limites de revenus majorĂ©es visĂ©es Ă l'article 3, § 1er, alinĂ©a deux, de l'arrĂȘtĂ©, visĂ© Ă l'alinĂ©a premier, tel qu'il Ă©tait en vigueur avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ces limites de revenus majorĂ©es continuent Ă©galement Ă s'appliquer aux fins de l'attribution du logement social acquisitif ou du lot social.
Pour les personnes Ă qui un logement acquisitif social ou un lot social est attribuĂ© en application des alinĂ©as premier, deux ou trois, la condition relative Ă la possession de biens immobiliers pour l'Ă©ligibilitĂ© Ă un prĂȘt social, visĂ©e Ă l'article 6 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013 portant les conditions auxquelles la SociĂ©tĂ© flamande du Logement social et le Fonds flamand du Logement peuvent octroyer des prĂȘts sociaux spĂ©ciaux Ă des particuliers, ne s'applique pas.
Art. 40. De verrichtingen voor sociale koopwoningen die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit opgenomen zijn in de meerjarenplanning, vermeld in artikel 1, 21°, van het Procedurebesluit Wonen van 14 juli 2017, worden op datum van inwerkingtreding van dit besluit opgenomen op de kortetermijnplanning, vermeld in artikel 1, 17°, van het Procedurebesluit Wonen van 14 juli 2017.
Art. 40. Les opĂ©rations portant sur des logements acquisitifs sociaux qui ont Ă©tĂ© reprises dans le planning pluriannuel visĂ© Ă l'article 1er, 21°, de l'arrĂȘtĂ© ProcĂ©dure Logement du 14 juillet 2017, avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, sont reprises dans le planning Ă court terme visĂ© Ă l'article 1er, 17°, de l'arrĂȘtĂ© ProcĂ©dure Logement du 14 juillet 2017 Ă la date de l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 41. In dit artikel wordt verstaan onder besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 houdende de voorwaarden waaronder de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en het Vlaams Woningfonds bijzondere sociale leningen kunnen toestaan.
Voor de leningen die de kredietgever heeft verstrekt en de aanvragen waarvan het voorschot op de dossierkosten bij het aangaan van de lening door de kredietgever of door de instantie die de lening lokaal aanbiedt, werd ontvangen vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijven de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 gelden, zoals van toepassing vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, met dien verstande dat in afwijking daarvan artikel 9, vierde en zevende lid, artikel 11, tweede lid, en artikel 13, van het vermelde besluit, zoals van kracht na de datum van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing zijn.
In afwijking van het tweede lid, kan voor de leningen die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit bij een herziening al een korting op de rentevoet hebben gekregen of in aanmerking kwamen voor een korting overeenkomstig artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, zoals van kracht vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, bij de volgende herziening de rentevoet vastgelegd worden voor de resterende looptijd van de lening aan de referentierentevoet die van toepassing is op de datum van de herziening, verhoogd met 1 procentpunt. Die rentevoet mag niet lager zijn dan 2 %. Er kan geen korting op de rentevoet worden toegestaan als de ontlener een betalingsachterstand heeft opgelopen of als de woning waarop de lening betrekking heeft, niet persoonlijk wordt bewoond door een van de ontleners. De kredietgever rekent bij het toestaan van die korting geen vergoeding of dossierkosten aan.
Voor de leningen die de kredietgever heeft verstrekt en de aanvragen waarvan het voorschot op de dossierkosten bij het aangaan van de lening door de kredietgever of door de instantie die de lening lokaal aanbiedt, werd ontvangen vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijven de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 gelden, zoals van toepassing vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, met dien verstande dat in afwijking daarvan artikel 9, vierde en zevende lid, artikel 11, tweede lid, en artikel 13, van het vermelde besluit, zoals van kracht na de datum van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing zijn.
In afwijking van het tweede lid, kan voor de leningen die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit bij een herziening al een korting op de rentevoet hebben gekregen of in aanmerking kwamen voor een korting overeenkomstig artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, zoals van kracht vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, bij de volgende herziening de rentevoet vastgelegd worden voor de resterende looptijd van de lening aan de referentierentevoet die van toepassing is op de datum van de herziening, verhoogd met 1 procentpunt. Die rentevoet mag niet lager zijn dan 2 %. Er kan geen korting op de rentevoet worden toegestaan als de ontlener een betalingsachterstand heeft opgelopen of als de woning waarop de lening betrekking heeft, niet persoonlijk wordt bewoond door een van de ontleners. De kredietgever rekent bij het toestaan van die korting geen vergoeding of dossierkosten aan.
Art. 41. Dans le prĂ©sent article, on entend par arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013 l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013 portant les conditions auxquelles la SociĂ©tĂ© flamande du Logement social et le Fonds flamand du Logement peuvent octroyer des prĂȘts sociaux spĂ©ciaux Ă des particuliers.
Pour les prĂȘts que le prĂȘteur a accordĂ©s et les demandes dont les arrhes sur les frais de dossier lors de la conclusion du prĂȘt ont Ă©tĂ© perçues avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© par le prĂȘteur ou par l'instance offrant le prĂȘt au niveau local, les dispositions de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013 continuent Ă s'appliquer, telles qu'elles s'appliquaient avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, Ă©tant entendu que, par dĂ©rogation Ă celles-ci, l'article 9, alinĂ©as quatre et sept, l'article 11, alinĂ©a deux, et l'article 13, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, tels qu'ils s'appliquent aprĂšs la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, s'appliquent.
Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a deux, pour les prĂȘts qui, Ă la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ont dĂ©jĂ bĂ©nĂ©ficiĂ© d'une rĂ©duction du taux d'intĂ©rĂȘt suite Ă une rĂ©vision ou Ă©taient Ă©ligibles Ă une rĂ©duction conformĂ©ment Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013, tel qu'il s'appliquait avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le taux d'intĂ©rĂȘt pour la durĂ©e restante du prĂȘt peut, Ă l'occasion d'une rĂ©vision suivante, ĂȘtre fixĂ© au taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence applicable Ă la date de la rĂ©vision, augmentĂ© d'un point de pourcentage. Ce taux d'intĂ©rĂȘt ne peut pas ĂȘtre infĂ©rieur Ă 2 %. Aucune rĂ©duction sur le taux d'intĂ©rĂȘt ne peut ĂȘtre accordĂ©e si l'emprunteur est en retard de paiement ou si le logement auquel le prĂȘt se rapporte n'est pas occupĂ© par l'un des emprunteurs en personne. Le prĂȘteur ne porte pas en compte d'indemnitĂ©s ni de frais de dossier lors de l'octroi de cette rĂ©duction.
Pour les prĂȘts que le prĂȘteur a accordĂ©s et les demandes dont les arrhes sur les frais de dossier lors de la conclusion du prĂȘt ont Ă©tĂ© perçues avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© par le prĂȘteur ou par l'instance offrant le prĂȘt au niveau local, les dispositions de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013 continuent Ă s'appliquer, telles qu'elles s'appliquaient avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, Ă©tant entendu que, par dĂ©rogation Ă celles-ci, l'article 9, alinĂ©as quatre et sept, l'article 11, alinĂ©a deux, et l'article 13, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, tels qu'ils s'appliquent aprĂšs la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, s'appliquent.
Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a deux, pour les prĂȘts qui, Ă la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ont dĂ©jĂ bĂ©nĂ©ficiĂ© d'une rĂ©duction du taux d'intĂ©rĂȘt suite Ă une rĂ©vision ou Ă©taient Ă©ligibles Ă une rĂ©duction conformĂ©ment Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 septembre 2013, tel qu'il s'appliquait avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le taux d'intĂ©rĂȘt pour la durĂ©e restante du prĂȘt peut, Ă l'occasion d'une rĂ©vision suivante, ĂȘtre fixĂ© au taux d'intĂ©rĂȘt de rĂ©fĂ©rence applicable Ă la date de la rĂ©vision, augmentĂ© d'un point de pourcentage. Ce taux d'intĂ©rĂȘt ne peut pas ĂȘtre infĂ©rieur Ă 2 %. Aucune rĂ©duction sur le taux d'intĂ©rĂȘt ne peut ĂȘtre accordĂ©e si l'emprunteur est en retard de paiement ou si le logement auquel le prĂȘt se rapporte n'est pas occupĂ© par l'un des emprunteurs en personne. Le prĂȘteur ne porte pas en compte d'indemnitĂ©s ni de frais de dossier lors de l'octroi de cette rĂ©duction.
Art. 42. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2019.
Art. 42. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1 septembre 2019.
Art. 43. De Vlaamse minister, bevoegd voor de huisvesting, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 43. Le Ministre flamand qui a le logement dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage. Lijst van gemeenten in cluster 1 en 2
Art. N. Annexe. Liste des communes dans les clusters 1 et 2
| cluster 1 | cluster 2 |
| AALST | AARTSELAAR |
| AALTER | ANTWERPEN |
| AARSCHOT | ASSE |
| AFFLIGEM | BEERSEL |
| ARENDONK | BERTEM |
| BAARLE-HERTOG | BIERBEEK |
| BEERNEM | BOECHOUT |
| BEERSE | BONHEIDEN |
| BEGIJNENDIJK | BORSBEEK |
| BERLAAR | BRASSCHAAT |
| BERLARE | BRECHT |
| BEVER | BRUGGE |
| BEVEREN-WAAS | DAMME |
| BLANKENBERGE | DEINZE |
| BOOM | DE PINTE |
| BOORTMEERBEEK | DESTELBERGEN |
| BORNEM | DILBEEK |
| BOUTERSEM | DROGENBOS |
| BREDENE | DUFFEL |
| BUGGENHOUT | EDEGEM |
| DE HAAN | GENT |
| DE PANNE | GRIMBERGEN |
| DENDERMONDE | HALLE |
| EEKLO | HERENT |
| ESSEN | HOEILAART |
| EVERGEM | HOVE |
| GALMAARDEN | HULDENBERG |
| GAVERE | KALMTHOUT |
| GISTEL | KAPELLEN |
| GOOIK | KEERBERGEN |
| GROBBENDONK | KNOKKE-HEIST |
| HAACHT | KONTICH |
| HAMME | KORTENBERG |
| HASSELT | KRAAINEM |
| HEIST-OP-DEN-BERG | LENNIK |
| HEMIKSEM | LEUVEN |
| HERENTALS | LIER |
| HERENTHOUT | LIEVEGEM |
| HERNE | LINKEBEEK |
| HERSELT | LINT |
| HOLSBEEK | LUBBEEK |
| HOOGSTRATEN | MACHELEN |
| HULSHOUT | MALLE |
| JABBEKE | MECHELEN |
| KAMPENHOUT | MEISE |
| KAPELLE-OP-DEN-BOS | MERELBEKE |
| KAPRIJKE | MORTSEL |
| KASTERLEE | OVERIJSE |
| KOKSIJDE | RANST |
| KORTRIJK | RUMST |
| KRUIBEKE | SCHILDE |
| KRUISEM | SCHOTEN |
| LAARNE | SINT-GENESIUS-RODE |
| LEBBEKE | SINT-MARTENS-LATEM |
| LIEDEKERKE | SINT-PIETERS-LEEUW |
| LILLE | STABROEK |
| LOCHRISTI | TERVUREN |
| LOKEREN | VILVOORDE |
| LONDERZEEL | WEMMEL |
| MALDEGEM | WEZEMBEEK-OPPEM |
| MELLE | WIJNEGEM |
| MERCHTEM | WOMMELGEM |
| MERKSPLAS | ZAVENTEM |
| MIDDELKERKE | ZEMST |
| MOERBEKE-WAAS | ZOERSEL |
| NAZARETH | ZWIJNDRECHT |
| NIEL | |
| NIEUWPOORT | |
| NIJLEN | |
| OLEN | |
| OOSTENDE | |
| OOSTERZELE | |
| OOSTKAMP | |
| OPWIJK | |
| OUD-HEVERLEE | |
| OUD-TURNHOUT | |
| PEPINGEN | |
| PUTTE | |
| PUURS-SINT-AMANDS | |
| RAVELS | |
| RETIE | |
| RIJKEVORSEL | |
| ROESELARE | |
| ROOSDAAL | |
| ROTSELAAR | |
| RUISELEDE | |
| SCHELLE | |
| SINT-GILLIS-WAAS | |
| SINT-KATELIJNE-WAVER | |
| SINT-NIKLAAS | |
| STEENOKKERZEEL | |
| STEKENE | |
| TEMSE | |
| TERNAT | |
| TIELT-WINGE | |
| TORHOUT | |
| TREMELO | |
| TURNHOUT | |
| VEURNE | |
| VORSELAAR | |
| VOSSELAAR | |
| WAASMUNSTER | |
| WAREGEM | |
| WESTERLO | |
| WETTEREN | |
| WILLEBROEK | |
| WINGENE | |
| WUUSTWEZEL | |
| ZANDHOVEN | |
| ZEDELGEM | |
| ZELE | |
| ZUIENKERKE | |
| ZULTE |
| cluster 1: | cluster 2: |
| ALOST | AARTSELAAR |
| AALTER | ANVERS |
| AARSCHOT | ASSE |
| AFFLIGEM | BEERSEL |
| ARENDONK | BERTEM |
| BAERLE-DUC | BIERBEEK |
| BEERNEM | BOECHOUT |
| BEERSE | BONHEIDEN |
| BEGIJNENDIJK | BORSBEEK |
| BERLAAR | BRASSCHAAT |
| BERLARE | BRECHT |
| BEVER | BRUGES |
| BEVEREN-WAAS | DAMME |
| BLANKENBERGE | DEINZE |
| BOOM | DE PINTE |
| BOORTMEERBEEK | DESTELBERGEN |
| BORNEM | DILBEEK |
| BOUTERSEM | DROGENBOS |
| BREDENE | DUFFEL |
| BUGGENHOUT | EDEGEM |
| COQ-SUR-MER | GAND |
| LA PANNE | GRIMBERGEN |
| TERMONDE | HAL |
| EEKLO | HERENT |
| ESSEN | HOEILAART |
| EVERGEM | HOVE |
| GAMMERAGES | HULDENBERG |
| GAVERE | KALMTHOUT |
| GISTEL | KAPELLEN |
| GOOIK | KEERBERGEN |
| GROBBENDONK | KNOKKE-HEIST |
| HAACHT | KONTICH |
| HAMME | KORTENBERG |
| HASSELT | CRAINHEM |
| HEIST-OP-DEN-BERG | LENNIK |
| HEMIKSEM | LOUVAIN |
| HERENTALS | LIERRE |
| HERENTHOUT | LIEVEGEM |
| HERNE | LINKEBEEK |
| HERSELT | LINT |
| HOLSBEEK | LUBBEEK |
| HOOGSTRATEN | MACHELEN |
| HULSHOUT | MALLE |
| JABBEKE | MALINES |
| KAMPENHOUT | MEISE |
| KAPELLE-OP-DEN-BOS | MERELBEKE |
| KAPRIJKE | MORTSEL |
| KASTERLEE | OVERIJSE |
| COXYDE | RANST |
| COURTRAI | RUMST |
| KRUIBEKE | SCHILDE |
| KRUISEM | SCHOTEN |
| LAARNE | RHODE-SAINT-GENESE |
| LEBBEKE | SINT-MARTENS-LATEM |
| LIEDEKERKE | LEEUW-SAINT-PIERRE |
| LILLE | STABROEK |
| LOCHRISTI | TERVUREN |
| LOKEREN | VILVORDE |
| LONDERZEEL | WEMMEL |
| MALDEGEM | WEZEMBEEK-OPPEM |
| MELLE | WIJNEGEM |
| MERCHTEM | WOMMELGEM |
| MERKSPLAS | ZAVENTEM |
| MIDDELKERKE | ZEMST |
| MOERBEKE-WAAS | ZOERSEL |
| NAZARETH | ZWIJNDRECHT |
| NIEL | |
| NIEUPORT | |
| NIJLEN | |
| OLEN | |
| OSTENDE | |
| OOSTERZELE | |
| OOSTKAMP | |
| OPWIJK | |
| OUD-HEVERLEE | |
| OUD-TURNHOUT | |
| PEPINGEN | |
| PUTTE | |
| PUURS-SINT-AMANDS | |
| RAVELS | |
| RETIE | |
| RIJKEVORSEL | |
| ROULERS | |
| ROOSDAAL | |
| ROTSELAAR | |
| RUISELEDE | |
| SCHELLE | |
| SAINT-GILLES-WAES | |
| WAVRE-SAINTE-CATHERINE | |
| SAINT-NICOLAS | |
| STEENOKKERZEEL | |
| STEKENE | |
| TAMISE | |
| TERNAT | |
| TIELT-WINGE | |
| TORHOUT | |
| TREMELO | |
| TURNHOUT | |
| FURNES | |
| VORSELAAR | |
| VOSSELAAR | |
| WAASMUNSTER | |
| WAREGEM | |
| WESTERLO | |
| WETTEREN | |
| WILLEBROECK | |
| WINGENE | |
| WUUSTWEZEL | |
| ZANDHOVEN | |
| ZEDELGEM | |
| ZELE | |
| ZUYENKERQUE | |
| ZULTE |