Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
23 MEI 2019. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de inschakelingsbetrekking zoals bedoeld in artikel 60, § 7 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-06-2019 en tekstbijwerking tot 03-09-2020)
Titre
23 MAI 2019. - Arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'emploi d'insertion visé à l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 18-06-2019 et mise à jour au 03-09-2020)
Documentinformatie
Numac: 2019013063
Datum: 2019-05-23
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2019013063
Date: 2019-05-23
Moniteur: Voir
Tekst (35)
Texte (35)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
  1° "rechthebbende": de rechthebbende op maatschappelijke integratie met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie of op financiële maatschappelijke hulp met toepassing van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  2° "centrum": openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat optreedt als werkgever met toepassing van artikel 60, § 7, tweede lid van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  3° "inschakelingsbetrekking": betrekking met toepassing van artikel 60, § 7, tweede lid van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  4° "externe gebruiker": privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon zoals bedoeld in artikel 60, § 7, derde lid van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, waarmee het centrum een overeenkomst sluit met toepassing van artikel 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra;
  5° "interne gebruiker": dienst bij het centrum die optreedt als werkgever zoals bedoeld in artikel 60, § 7, vijfde lid van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  6° "Minister": Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevoegd voor Tewerkstelling;
  7° "Actiris": de Brusselse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, georganiseerd door de ordonnantie van 18 januari 2001 houdende organisatie en werking van Actiris;
  8° "overeenkomst": overeenkomst voor terbeschikkingstelling zoals bedoeld in artikel 60, § 7, derde lid van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté on entend par :
  1° " ayant droit " : ayant droit à l'intégration sociale en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale ou à l'aide sociale financière en application de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale;
  2° " centre " : centre public d'action sociale qui agit comme employeur en application de l'article 60, § 7, alinéa 2 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale;
  3° " emploi d'insertion " : emploi en application de l'article 60, § 7, alinéa 2 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale;
  4° " utilisateur externe " : personne morale de droit privé ou de droit public visée à l'article 60, § 7, alinéa 3 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale avec laquelle le centre conventionne en application de l'article 61 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale;
  5° " utilisateur interne " : service au sein du centre qui agit comme employeur visé à l'article 60, § 7, alinéa 5 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale;
  6° " Ministre " : Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale qui a la compétence de l'Emploi;
  7° " Actiris " : l'office régional bruxellois de l'emploi, organisé par l'ordonnance du 18 janvier 2001 portant organisation et fonctionnement d'Actiris;
  8° " convention " : convention de mise à disposition visée à l'article 60, § 7, alinéa 3 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale.
HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen die gelden voor de betrekkingen met toepassing van artikel 60, § 7
CHAPITRE 2. - Dispositions générales applicables aux emplois en application de l'article 60, § 7
Afdeling 1. - modaliteiten met betrekking tot de gebruikers
Section 1ère. - modalités relatives aux utilisateurs
Art. 2. Een externe gebruiker die een beroep wil doen op een inschakelingsbetrekking moet een samenwerkingsaanvraag indienen bij een centrum.
  Bovenop de administratieve informatie over de externe gebruiker, moet de samenwerkingsaanvraag vergezeld gaan van een formulier met daarin met name de volgende informatie:
  - een beschrijving van de betrekking, met een beoordeling van de risico's op het vlak van welzijn op het werk;
  - de plaats van tewerkstelling;
  - de voorgestelde arbeidstijdregeling;
  - de jaarlijkse sluitingsdagen;
  - het voorgestelde beroepsinschakelingsproject.
  Na overleg met Actiris en met de centra legt de minister het formulier vast, alsook de erbij te voegen documenten.
Art. 2. L'utilisateur externe qui souhaite avoir recours à un emploi d'insertion doit introduire une demande de collaboration auprès d'un centre.
  Outre les informations administratives de l'utilisateur externe, la demande de collaboration est accompagnée d'un formulaire reprenant notamment les informations suivantes :
  - description du poste avec évaluation des risques en matière de bien-être au travail;
  - lieu d'affectation;
  - horaire de travail proposé;
  - jours de fermeture annuels;
  - projet d'insertion professionnelle proposé.
  Après concertation avec Actiris et avec les centres, le Ministre établit le formulaire ainsi que les documents à y annexer.
Art. 3. De externe gebruiker moet op het moment van de samenwerkingsaanvraag aantonen dat hij geen bestaande betrekkingen vervangt door inschakelingsbetrekkingen en dat hij zich ertoe verbindt de hoeveelheid tewerkgestelde personen te zijnen laste van voor de terbeschikkingstelling te handhaven.
  De inschakelingsbetrekking moet bijkomende tewerkstelling vormen voor de externe gebruiker, die het centrum een verklaring op erewoord verstrekt met vermelding van de hoeveelheid tewerkgestelde personen te zijnen laste op het moment van de samenwerkingsaanvraag of op het moment van de aanvraag tot hernieuwing van de samenwerking.
Art. 3. L'utilisateur externe doit, au moment de la demande de collaboration, démontrer qu'il ne remplace pas d'emplois existants par des emplois d'insertion et qu'il s'engage à maintenir le volume d'emploi à sa charge tel qu'existant avant la mise à disposition.
  L'emploi d'insertion doit représenter de l'emploi supplémentaire pour l'utilisateur externe, qui fournit au centre une déclaration sur l'honneur reprenant le volume d'emploi à sa charge au moment de la demande de collaboration ou au moment de la demande de reconduction de la collaboration.
Art. 4. Wanneer het centrum in het bezit is van alle stukken met betrekking tot de samenwerkingsaanvraag van de externe gebruiker, maakt het centrum zijn beslissing tot aanvaarding of weigering van de samenwerking bekend. In geval van weigering van de samenwerking motiveert het centrum zijn beslissing.
Art. 4. Lorsque le centre est en possession de l'ensemble des pièces relatives à la demande de collaboration de l'utilisateur externe, le centre notifie sa décision d'acceptation ou de refus de collaboration. En cas de refus de collaboration, le centre motive sa décision.
Afdeling 2. - Overeenkomst en begeleiding
Section 2. - Convention et accompagnement
Art. 5. § 1. De overeenkomst moet minstens een administratief gedeelte en een individueel gedeelte bevatten:
  Het administratieve gedeelte moet minstens de volgende elementen bevatten:
  - de geldende arbeidstijdregeling;
  - de geldende verlofregeling;
  - de plaats van tewerkstelling;
  - de financiële tussenkomst door de gebruiker;
  - het verbod op trapsgewijze terbeschikkingstelling.
  Het individuele gedeelte moet minstens de volgende elementen bevatten:
  - de duur van de terbeschikkingstelling;
  - de functiebeschrijving;
  - de begeleidingsmodaliteiten en de elementen van opleiding op het werk, met inbegrip van de opleidingstijd;
  - de informatie met betrekking tot de mogelijkheid om de tijdens de tewerkstelling verworven competenties te laten erkennen.
  De twee gedeelten kunnen het voorwerp uitmaken van specifieke overeenkomsten indien het OCMW verschillende personen ter beschikking van een en dezelfde gebruiker stelt. In dat geval zal de overeenkomst samengesteld zijn uit een raamovereenkomst die de in het tweede lid bedoelde elementen bevat en een individuele overeenkomst die de in het derde lid bedoelde elementen bevat.
  § 2. Het centrum ziet erop toe dat de werknemer volledig op de hoogte gebracht wordt van de elementen met betrekking tot het uit te voeren werk onder zijn voorwaarden, alsook tot de begeleiding zoals geformaliseerd in het in artikel 60, § 7, vierde en vijfde lid bedoelde competentieverwervingsplan.
Art. 5. § 1er. La convention comprend un volet administratif et un volet individuel.
  Le volet administratif comprend au minimum les éléments suivants :
  - l'horaire de travail applicable;
  - le régime de congé applicable;
  - le lieu d'affectation;
  - l'intervention financière de l'utilisateur;
  - l'interdiction de mise à disposition en cascade.
  Le volet individuel comprend au minimum les éléments suivants :
  - la durée de la mise à disposition;
  - la description des tâches;
  - les modalités d'accompagnement et les éléments de formation au travail en ce compris le temps de formation;
  - l'information relative à la possibilité de faire valider les compétences acquises durant l'emploi.
  Les deux volets peuvent faire l'objet de conventions spécifiques si le CPAS met à disposition d'un même utilisateur externe plusieurs personnes. Dans ce cas, la convention sera composée d'une convention cadre reprenant les éléments visés à l'alinéa 2 et d'une convention individuelle reprenant les éléments visés à l'alinéa 3.
  § 2. Le centre veille à la complète information du travailleur quant aux éléments relatifs au travail à réaliser, à ses conditions ainsi qu'à l'accompagnement formalisé par le plan d'acquisition de compétences visé à l'article 60, § 7 aux alinéas 4 et 5.
Art. 6. § 1. De begeleiding zoals bedoeld in artikel 5, § 2 moet verplicht het volgende omvatten:
  1° professionele begeleiding van de rechthebbende met het oog op de opleiding voor de betrekking die hij uitoefent of de ontwikkeling van zijn zelfstandigheid met het oog op zijn doorstroming naar duurzaam en kwaliteitsvol werk;
  2° sociale begeleiding van de rechthebbende met het oog op de verbetering van zijn aanpassing aan de werkomgeving, zowel bij de sociale en administratieve procedures, als door de communicatie in de onderneming te vergemakkelijken met de verschillende betrokken partijen;
  3° in voorkomend geval, het voorstel door het centrum of de externe gebruiker van een inschrijving bij een centrum voor de erkenning van de verworven competenties in verband met de uitgevoerde taken, en dit ten laatste drie maanden voor het vermoedelijke einde van de tewerkstelling.
  § 2. Wanneer de inschakelingsbetrekking wordt uitgeoefend bij een externe gebruiker, wordt de begeleiding verstrekt door referentiepersonen geïdentificeerd in een bijlage bij de overeenkomst en die personeelsleden van het centrum en/of de externe gebruiker kunnen zijn.
  Wanneer dit niet de hoofdfunctie van de referentiepersoon is, moet de functie van begeleider het voorwerp uitmaken van een bijlage bij de arbeidsovereenkomst waarin de verantwoordelijkheden in verband met deze opdracht worden vastgesteld. De bijlage wordt bij de arbeidsovereenkomst gevoegd vóór de uitoefening van de begeleidingsopdracht.
  Het centrum voert een driemaandelijkse opvolging uit van de begeleiding bij de externe gebruikers.
Art. 6. § 1. L'accompagnement visé à l'article 5, § 2 comprend obligatoirement :
  1° un accompagnement professionnel de l'ayant droit visant à la formation à l'emploi qu'il occupe ou le développement de son autonomie dans une perspective de transition vers un emploi durable et de qualité;
  2° un accompagnement social de l'ayant droit visant à l'amélioration de son adaptation à l'environnement de travail tant dans les procédures sociale et administrative qu'en facilitant la communication dans l'entreprise avec les différents intervenants;
  3° le cas échéant, la proposition par le centre ou l'utilisateur externe d'une inscription auprès d'un centre de validation des compétences acquises en lien avec les tâches réalisées et ce au plus tard 3 mois avant la fin présumée de l'emploi.
  § 2. Lorsque l'emploi d'insertion est exécuté auprès d'un utilisateur externe, l'accompagnement est mis en oeuvre par des personnes référentes identifiées dans une annexe à la convention et qui peuvent être des membres du personnel du centre et/ou de l'utilisateur externe.
  A défaut d'être la fonction principale de la personne référente, la fonction d'accompagnant doit faire l'objet d'une annexe au contrat de travail fixant les responsabilités afférentes à cette mission. L'annexe est jointe au contrat de travail avant l'exercice de la mission d'accompagnement.
  Le centre réalise un suivi trimestriel de l'accompagnement auprès des utilisateurs externes.
Art. 7. Na overleg met Actiris en de centra legt de Minister de modelovereenkomst, het modelcompetentieverwervingsplan en de eventuele bijlagen vast.
Art. 7. Après concertation avec Actiris et les centres, le ministre établit les modèles de convention et de plan d'acquisition de compétences ainsi que les éventuelles annexes.
HOOFDSTUK 3. - Tussenkomst door de externe gebruikers in de kosten in verband met de inschakelingsbetrekking
CHAPITRE 3. - Intervention des utilisateurs externes dans les frais liés à l'emploi d'insertion
Art. 8. Elke gebruiker komt financieel tussen ten gunste van het centrum voor een bedrag gelijk aan het verschil tussen de jaarlijkse loonkosten en het jaarlijkse subsidiebedrag zoals bedoeld in artikel 36 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en artikel 5, § 4bis van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
  De tussenkomst door de externe gebruiker in de loonkosten wordt maandelijks uitbetaald op basis van een bedrag gelijk aan een twaalfde van het in het voorgaande lid bedoelde verschil. Aan het einde van het jaar of van de arbeidsovereenkomst stelt het centrum een overzicht op van de individuele financiële tussenkomst waarin het nog door de externe gebruiker te betalen of door het centrum terug te betalen bedrag wordt vastgesteld.
  Onder jaarlijkse loonkosten verstaat men de som van het nettoloon, de bedrijfsvoorheffing, de werknemersbijdragen voor de sociale zekerheid, de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid, de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid, de eindejaarspremie, het vakantiegeld, het vakantiegeld uitdiensttreding, de verbrekingsvergoeding ingevolge beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de legale en extralegale voordelen.
  De toegepaste bezoldiging mag niet lager zijn dan de toepasselijke minimumbezoldiging in uitvoering van de omzendbrief van 28 april 1994 betreffende het sociale handvest dat van toepassing is op de plaatselijke besturen.
  Alle verloven, met inbegrip van verlof wegens ziekte, die de uitbetaling van een loon impliceren, impliceert tussenkomst door de externe gebruiker.
Art. 8. Tout utilisateur externe intervient financièrement au bénéfice du centre pour un montant équivalent à la différence entre, d'une part, la charge salariale annuelle et, d'autre part, le montant annuel de la subvention visée aux articles 36 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale et 5, § 4bis de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'action sociale.
  L'intervention de l'utilisateur externe dans la charge salariale est payée mensuellement sur base d'un montant équivalent au douzième de la différence visée à l'alinéa précédent. En fin d'année ou à la fin du contrat de travail, le centre établit un relevé d'intervention financière individuel fixant le montant restant à payer par l'utilisateur externe ou à restituer par le centre.
  On entend par charge salariale annuelle, la somme de la rémunération nette, du précompte professionnel, des cotisations de sécurité sociale du travailleur, des cotisations de sécurité sociale patronales, de la cotisation spéciale de sécurité sociale, de la prime de fin d'année, du pécule de vacances, du pécule de vacances de sortie et de l'indemnité de rupture suite à la résiliation du contrat de travail ainsi que les avantages légaux et extra-légaux.
  La rémunération appliquée ne peut être inférieure à la rémunération minimum applicable en exécution de la circulaire du 28 avril 1994 relative à la charte sociale applicable aux pouvoirs locaux.
  Tout congé, y compris pour cause de maladie, impliquant le paiement d'un salaire, implique l'intervention de l'utilisateur externe.
Art. 9. In afwijking van artikel 8 kunnen de volgende externe gebruikers geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van betaling van het maandelijkse tussenkomstbedrag:
  - verenigingen zonder winstoogmerk gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met een maatschappelijk doel dat verband houdt met cultuur, sociale, gezondheid, opleiding en onderwijs of sport;
  - de verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII en hoofdstuk X IIbis van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  - erkende sociale ondernemingen met toepassing van de ordonnantie van 23 juli 2018 met betrekking tot de erkenning en de ondersteuning van de sociale ondernemingen.
  [1 - de openbare vastgoedmaatschappijen als bedoeld in hoofdstuk II van titel IV van de Brusselse Huisvestingscode worden door de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij erkend.]1
  Het vrijstellingsvoorstel wordt door het vast bureau ter beslissing voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn. Het vrijstellingsvoorstel preciseert de gewaardeerde tegenprestatie voor een opdracht van algemeen belang door de externe gebruiker, zoals bedoeld in het voorgaande lid.
  De externe gebruiker die recht heeft op een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van betaling van het tussenkomstbedrag stelt jaarlijks een verslag op aan de raad voor maatschappelijk welzijn, waarin hij beschrijft hoe hij de gewaardeerde tegenprestatie voor een opdracht van algemeen belang heeft uitgevoerd.
  Als de raad voor maatschappelijk welzijn de uitvoering van de tegenprestatie ontoereikend acht, kan er beslist worden het bedrag waarvoor de externe gebruiker onterecht geheel of gedeeltelijk vrijgesteld werd van betaling terug te vorderen en kan de samenwerking met de externe gebruiker worden stopgezet.
  
Art. 9. Par dérogation à l'article 8, le montant de l'intervention mensuelle peut être exonéré totalement ou partiellement pour les utilisateurs externes suivants :
  - les associations sans but lucratif établies en Région de Bruxelles-Capitale ayants un objet social relatif à la culture, le social, la santé, la formation et l'enseignement ou le sport;
  - les associations visées au chapitre XII et au chapitre X IIbis de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale;
  - les entreprises sociales agréées en application de l'ordonnance du 23 juillet 2018 relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales.
  [1 - les sociétés immobilières de service public visées au chapitre II du Titre IV du Code bruxellois du logement agréées par la Société du Logement de la Région de Bruxelles-Capitale.]1
  La proposition d'exonération est soumise par le Bureau permanent au Conseil de l'action sociale pour décision. La proposition d'exonération précise la contrepartie pour mission d'intérêt général valorisée par l'utilisateur externe visé à l'alinéa précédent.
  L'utilisateur externe qui bénéficie d'une exonération totale ou partielle du montant de l'intervention rédige annuellement un rapport au Conseil de l'action sociale décrivant la manière dont il a mis en oeuvre la contrepartie pour mission d'intérêt général valorisée.
  Si la mise en oeuvre de la contrepartie est jugée insuffisante par le Conseil de l'action sociale, il peut décider de réclamer tout ou partie du montant jugé indûment exonéré et de mettre fin à la collaboration avec l'utilisateur externe.
  
Art. 10. In afwijking van artikel 8 stelt het centrum in onderlinge overeenkomst met het op zijn grondgebied gelegen gemeentebestuur de maandelijkse tussenkomst of de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van betaling van de tussenkomst vast wanneer dat laatste een externe gebruiker is. De instemming wordt vastgelegd in de notulen van het overlegcomité zoals bedoeld in artikel 26, § 2 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Art. 10. Par dérogation à l'article 8, le centre fixe, de commun accord avec l'administration communale située sur son territoire, l'intervention mensuelle ou l'exonération totale ou partielle de l'intervention lorsque cette dernière est utilisatrice externe. L'accord est consigné au procès-verbal du comité de concertation visé à l'article 26, § 2 de la loi organique du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale.
HOOFDSTUK 4. - Toekenningvoorwaarden en bedrag van de subsidie in geval van deeltijdse tewerkstelling
CHAPITRE 4. - Conditions d'octroi et montant de la subvention en cas d'emploi à temps partiel
Art. 11. Voor de toekenning van de subsidie zoals bedoeld in artikel 36, § 2, eerste lid van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie moet gelijktijdig voldaan zijn aan de volgende voorwaarden met betrekking tot de deeltijdse arbeidsovereenkomst gesloten tussen de rechthebbende en het centrum met toepassing van artikel 60, § 7, tweede lid van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn:
  1° de deeltijdse arbeidsovereenkomst moet gesloten worden voor een stelsel van minstens halftijdse tewerkstelling;
  2° de looptijd van de deeltijdse arbeidsovereenkomst mag niet langer zijn dan zes maanden.
  De in het voorgaande lid bedoelde betrekking kan één keer hernieuwd worden, rekening houdend met de sociale situatie van de rechthebbende, onder voorbehoud van een naar behoren gemotiveerde beslissing van het centrum.
Art. 11. Pour l'octroi de la subvention, visée à l'article 36, § 2, alinéa 1er, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, les conditions suivantes doivent simultanément être remplies concernant le contrat de travail à temps partiel, conclu entre l'ayant-droit et le centre en application de l'article 60, § 7, alinéa 2 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale :
  1° le contrat de travail à temps partiel doit être conclu pour un régime de travail au moins à mi-temps;
  2° la durée du contrat de travail à temps partiel ne peut pas dépasser six mois.
  L'emploi visé à l'alinéa précédent peut être renouvelé une fois en tenant compte de la situation sociale de l'ayant droit, sous réserve d'une décision du centre dûment motivée.
Art. 12. Het bedrag van de subsidie is het bedrag van het in artikel 14, § 1, 3° van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie vastgestelde leefloon, verminderd tot een bedrag evenredig met de wekelijkse arbeidsduur zoals contractueel voorzien voor een deeltijdse betrekking.
Art. 12. Le montant de la subvention est le montant du revenu d'intégration fixé à l'article 14, § 1, 3° de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale réduit à un montant proportionnel à la durée de travail hebdomadaire prévue contractuellement dans l'emploi à temps partiel.
HOOFDSTUK 5. - Toekenningsvoorwaarden en bedrag van de subsidie in het kader van de sociale-inschakelingseconomie
CHAPITRE 5. - Conditions d'octroi et montant de la subvention dans le cadre de l'économie sociale d'insertion
Art. 13. In afwijking van de hoofdstukken 3 en 4 beloopt, wanneer een centrum een rechthebbende aanwerft en ter beschikking stelt van een sociale-inschakelingsonderneming zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van de ordonnantie van 23 juli 2018 met betrekking tot de erkenning en de ondersteuning van de sociale ondernemingen, het bedrag van de subsidie zoals bedoeld in artikel 36 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en artikel 5, § 4bis van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn 18.592 euro op jaarbasis voor een voltijdse betrekking.
  Het in het eerste lid bedoelde bedrag van 18.592 euro is gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
  Het bedrag wordt elk jaar op 1 januari bijgewerkt en vastgesteld door de Minister.
Art. 13. Par dérogation aux chapitres 3 et 4, lorsqu'un centre engage un ayant droit et le met à disposition d'une entreprise sociale d'insertion visée au chapitre 4 de l'ordonnance du 23 juillet 2018 relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales, le montant de la subvention visée à l'article 36 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale et à l'article 5, § 4bis de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'action sociale s'élève au montant de 18 592 euros sur une base annuelle pour un emploi temps plein.
  Le montant de 18 592 euros visé à l'alinéa 1 est lié à l'indice pivot 103,14 (base 1996 = 100) des prix à la consommation, conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation, des traitements, des salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
  Le montant est mis à jour le 1er janvier de chaque année et fixé par le Ministre.
Art. 14. Wanneer de werknemer niet voltijds tewerkgesteld wordt:
  1° wordt het in artikel 13 bedoelde bedrag verminderd tot een bedrag dat evenredig is met de wekelijkse arbeidstijd zoals contractueel voorzien voor de deeltijdse betrekking;
  2° wordt de duur van de subsidiëring beperkt tot maximaal zes maanden.
  De in het voorgaande lid bedoelde betrekking kan één keer hernieuwd worden, rekening houdend met de sociale situatie van de rechthebbende onder voorbehoud van een naar behoren gemotiveerde beslissing van het centrum.
Art. 14. Lorsque le travailleur n'est pas occupé à temps plein :
  1° le montant visé à l'article 13, est réduit à un montant proportionnel à la durée de travail hebdomadaire prévue contractuellement dans l'emploi à temps partiel;
  2° la durée de la subvention est limitée à six mois au maximum.
  L'emploi visé à l'alinéa précédent peut être renouvelé une fois en tenant compte de la situation sociale de l'ayant droit, sous réserve d'une décision dûment motivée du centre.
Art. 15. Het aantal inschakelingsbetrekkingen waarvoor een subsidiebedrag zoals vastgesteld in artikel 13 kan worden verkregen, wordt jaarlijks door de Minister vastgelegd voor elk centrum, en dit ten laatste op 31 januari van het desbetreffende jaar. Bij ontstentenis kan het aantal betrekkingen niet lager zijn dan in het voorgaande jaar.
Art. 15. Le nombre d'emplois d'insertion bénéficiant d'un montant de subvention fixé à l'article 13 est établit annuellement pour chaque centre par le Ministre au plus tard le 31 janvier de l'année concernée. A défaut, le nombre d'emplois ne peut être inférieur à l'année précédente.
Art. 16. In afwijking van hoofdstuk 3 kunnen de arbeidsplaatsen waarvoor een subsidiebedrag zoals vastgesteld in artikel 13 kan worden verkregen niet het voorwerp uitmaken van een aanvraag tot tussenkomst door het centrum in de loonkosten van de werknemer uitgaande van de sociale-inschakelingsonderneming. Deze betrekking wordt beschouwd als een terbeschikkingstelling ten laste van het centrum.
  In geval van verlies van de hoedanigheid van sociale-inschakelingsonderneming komt de externe gebruiker tussen in de kosten in verband met de inschakelingsbetrekking zoals bepaald in artikel 8, en dit vanaf de eerste dag van de maand die volgt op dit verlies van hoedanigheid.
Art. 16. Par dérogation au chapitre 3, les postes bénéficiant d'un montant de subvention fixé à l'article 13 ne peuvent faire l'objet d'une demande d'intervention de l'entreprise sociale d'insertion dans la charge salariale du travailleur par le centre. Cet emploi est considéré comme une mise à disposition à charge du centre.
  En cas de perte de la qualité d'entreprise sociale d'insertion, l'utilisateur externe intervient dans les frais liés à l'emploi d'insertion tels que définis à l'article 8 à partir du 1er jour du mois suivant cette perte.
HOOFDSTUK 6. - Subsidie voor specifieke opleidingskosten
CHAPITRE 6. - Subvention pour frais spécifique de formation
Art. 17. In het kader van het competentieverwervingsplan kan het centrum de opleidingskosten op zich nemen om de ontwikkeling van de competenties van de rechthebbende te ondersteunen.
  Het centrum heeft recht op een subsidie van maximaal 3.000 euro per rechthebbende als de volgende voorwaarden worden nageleefd:
  1° de opleidingsverstrekker is erkend door een bevoegde instantie inzake opleiding, beroepsopleiding of onderwijs, met inbegrip van de op het sectorale niveau door de sociale partners georganiseerde opleidingen;
  2° de gemaakte kosten worden vastgelegd in een bewijsstuk dat de naam van de rechthebbende bevat.
  De opleidingsprestaties moeten verstrekt worden tijdens de in artikel 60, § 7, tweede lid van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bedoelde opleidingstijd.
Art. 17. Dans le cadre du plan d'acquisition de compétences, le centre peut prendre en charge les frais de formation afin de soutenir le développement des compétences de l'ayant droit.
  Le centre bénéficie d'une subvention de maximum 3.000 euros par ayant droit si les conditions suivantes sont respectées :
  1° le prestataire est reconnu ou agréé par une autorité compétente en matière de formation, formation professionnelle ou d'enseignement, ainsi que les formations organisés au niveau sectoriel par les partenaires sociaux;
  2° les frais exposés sont établis sur pièces justificatives comportant le nom de l'ayant droit.
  Les prestations de formation doivent être réalisées durant le temps de formation visé à l'article 60, § 7, alinéa 2, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale.
HOOFDSTUK 7. - Steun aan de centra bij de uitvoering van artikel 60, § 7, tweede lid en evaluatie van de maatregel
CHAPITRE 7. - Soutien aux centres dans la mise en oeuvre de l'article 60, § 7, alinéa 2 et évaluation du dispositif
Art. 18. Het centrum ontvangt jaarlijkse financiële steun ten belope van 350 euro, vermenigvuldigd met het jaarlijkse gemiddelde aantal arbeidsplaatsen.
  Die premie dekt een deel van de kosten voor het centrum voor het administratieve en sociale beheer van de inschakelingsbetrekking.
Art. 18. Le centre reçoit un soutien financier annuel de 350 euros multiplié par le nombre moyen annuel de postes.
  Cette prime couvre partiellement les frais du centre dans la gestion administrative et sociale de l'emploi d'insertion.
Art. 19. § 1. Het centrum dient jaarlijks de financiële steunaanvraag in bij Actiris, en dit uiterlijk op 28 februari.
  Wordt bij deze aanvraag gevoegd, het jaarverslag met betrekking tot het voorgaande jaar, wat het volgende bevat:
  - de gegevens in verband met de uitvoering door het centrum van de in artikel 60, § 7, tweede lid van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bedoelde opdracht, met inbegrip van het jaarlijkse gemiddelde aantal arbeidsplaatsen;
  - de aanwending van de vrijgestelde middelen krachtens artikel 28/15 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen.
  § 2. De financiële steun zoals bedoeld in artikel 18 voor een welbepaald jaar wordt bepaald op grond van het jaarlijkse gemiddelde aantal arbeidsplaatsen vermeld in het verslag zoals bedoeld in § 1, tweede lid.
  Actiris betaalt de financiële steun uit na goedkeuring van het verslag zoals bedoeld in § 1, tweede lid.
  § 3. In overleg met Actiris en de Federatie van de Brusselse OCMW's legt de Minister het door het centrum te gebruiken modelformulier en jaarverslag om financiële steun te verkrijgen vast.
Art. 19. § 1er . Le centre introduit annuellement la demande de soutien financier auprès d'Actiris, et au plus tard le 28 février.
  Est joint à cette demande un rapport, relatif à l'année précédente, comportant :
  - les données relatives à l'exécution par le centre de la mission visée à l'article 60, § 7, alinéa 2 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociales dont le nombre moyen annuel de postes;
  - l'utilisation des moyens exonérés par l'article 28/15 de l'arrête royal du 16 mai 2003 pris en exécution du chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale.
  § 2. Le soutien financier, visé à l'article 18, pour une année est déterminé sur base du nombre moyen annuel de postes repris dans le rapport visé au § 1er alinéa 2.
  Actiris paye le soutien financier après approbation du rapport visé au § 1er alinéa 2.
  § 3. En concertation avec Actiris et la Fédération des CPAS Bruxellois, le Ministre établit le modèle de formulaire et de rapport annuel à utiliser par le centre pour bénéficier du soutien financier.
Art. 20. De Regering bezorgt het Parlement een samenvatting van de op uiterlijk 1 oktober door de OCMW's bezorgde jaarverslagen. De eerste samenvatting wordt op uiterlijk 1 oktober 2020 bezorgd.
  De samenvatting van de jaarverslagen wordt ook bezorgd aan het Beheerscomité van Actiris, de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Federatie van de Brusselse OCMW's.
Art. 20. Le Gouvernement communique au Parlement une synthèse des rapports annuels communiqués par les CPAS au plus tard le 1er octobre. La première synthèse est communiquée au plus tard le 1er octobre 2020.
  La synthèse des rapports annuels est également communiquées au Comité de Gestion d'Actiris, au Conseil Economique et Social de la Région de Bruxelles-Capitale ainsi qu'à la Fédération des CPAS Bruxellois.
Art. 21. Er wordt een Opvolgingscomité opgericht, dat samengesteld is uit een vertegenwoordiger van de Minister bevoegd voor Tewerkstelling, een vertegenwoordiger van de Minister bevoegd voor Plaatselijke Besturen, een vertegenwoordiger van Actiris en een vertegenwoordiger van de Federatie van de Brusselse OCMW's. De vertegenwoordiger van de Minister van Tewerkstelling zit het Comité voor. Het secretariaat wordt verzorgd door Actiris.
  Het Comité brengt een advies uit over de samenvatting van de jaarverslagen alvorens ze te bezorgen aan de Regering en het Parlement. Het Comité mag om het even welk nuttig advies over de maatregel uitbrengen aan de Regering.
  Het Opvolgingscomité vergadert minstens één keer per jaar, alsook op het verzoek van minstens één van de leden.
  De Regering kan het Opvolgingscomité opdragen om elke mogelijke opdracht uit te voeren met het oog op de onderlinge afstemming van de praktijken van de centra, met name wat betreft de in artikel 9 bedoelde notie van algemeen belang.
Art. 21. Un Comité de suivi est instauré et composé d'un représentant du Ministre qui à l'Emploi dans ses compétences, d'un représentant du Ministre qui a les Pouvoirs-Locaux dans ses compétences, d'un représentant d'Actiris et d'un représentant de la Fédération des CPAS Bruxellois. Le représentant du Ministre de l'Emploi préside le Comité. Le secrétariat est assuré par Actiris.
  Le Comité remet un avis concernant la synthèse des rapports annuels avant d'être communiqué au Gouvernement et au Parlement. Le Comité peut remettre tout avis utile concernant le dispositif au Gouvernement.
  Le Comité de suivi se réunit au moins une fois par an et à la demande d'au moins un des membres.
  Le Gouvernement peut mandater le comité de suivi pour toute mission visant l'harmonisation des pratiques des centres, notamment concernant la notion d'intérêt général visée à l'article 9.
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions modificatives
Art. 22. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 2 april 1998 tot uitvoering van artikel 33 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid wordt vervangen door:
  " § 1. De bijkomende financiële middelen voortvloeiend uit de vrijstelling van de werkgeversbijdragen, bedoeld in artikel 33, § 1, van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid moeten volledig besteed worden aan het beroepsinschakelingsbeleid van het centrum, en dat volgens de in de volgende paragraaf voorziene modaliteiten.
  § 2. Het centrum moet de financiële middelen voortvloeiend uit de vrijstelling van de werkgeversbijdragen prioritair besteden aan:
  - het nastreven van de implementering van een inschakelingsbetrekkingsbeleid in toepassing van artikel 60, § 7, tweede lid van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn op het grondgebied van het centrum voor minstens 10% van het gemiddelde jaarlijkse aantal rechthebbenden op maatschappelijke integratie en op maatschappelijke hulp gelijk aan die van het voorgaande jaar;
  - de aanwerving van een voltijdsequivalent-begeleider per schijf van 50 arbeidsplaatsen voor inschakelingsbetrekkingen als jaarlijks gemiddelde met toepassing van artikel 60, § 7, tweede lid van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  Het centrum besteedt de rest van de financiële middelen integraal bedoeld in het vorige lid aan de uitvoering van de acties voor socioprofessionele inschakeling van de rechthebbenden via om het even welke begeleidings-, opleidings- of tewerkstellingsformule die toelaat het aantal kansen om de arbeidsmarkt te betreden te vergroten."
Art. 22. L'article 1er de l'arrêté royal du 2 avril 1998 portant exécution de l'article 33 de la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi est remplacé par :
  " § 1er. Les moyens financiers supplémentaires dégagés suite à l'exonération des cotisations patronales visées à l'article 33, § 1er, de la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi doivent être consacrés intégralement à la politique d'insertion professionnelle du centre, suivant les modalités prévues au paragraphe suivant.
  § 2. Le centre doit prioritairement affecter les moyens financiers dégagés par l'exonération des cotisations patronales à :
  - tendre à mettre en oeuvre une politique d'emplois d'insertion en application de l'article 60, § 7, alinéa 2, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale sur le territoire du centre équivalent au moins à 10 % du nombre annuel moyen d'ayant droit à l'intégration sociale et à l'aide sociale équivalente de l'année précédente;
  - engager un accompagnateur en équivalent temps plein par tranche de 50 postes d'emploi d'insertion en moyenne annuelle en application de l'article 60, § 7 alinéa 2, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale;
  Le centre consacre intégralement le solde des moyens financiers visés à l'alinéa précédent à la réalisation d'actions d'insertion socioprofessionnelle des ayants droit par toutes formes d'accompagnement, de formation ou d'emploi permettant d'augmenter les chances d'accéder au marché de l'emploi. "
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Art. 23. De specifieke bepalingen voor de inschakelingsbetrekkingen zoals voorzien in dit besluit zijn van toepassing voor de inschakelingsbetrekkingen waarvoor een overeenkomst wordt gesloten vanaf 1 januari 2020.
  Voor de betrekkingen waarvoor een overeenkomst werd gesloten vóór 1 januari 2020 worden de modaliteiten nageleefd zoals vastgesteld op de datum van ondertekening van de arbeidsovereenkomst.
Art. 23. Les dispositions spécifiques aux emplois d'insertion prévues par le présent arrêté s'appliquent pour les emplois d'insertion conclus à partir du 1er janvier 2020.
  Les emplois conclus avant le 1er janvier 2020 respectent les modalités fixées à la date de signature du contrat de travail.
Art. 24. Treden in werking op 1 januari 2020:
  1° de ordonnantie van 28 maart 2019 betreffende de maatregel voor inschakeling op de arbeidsmarkt in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  2° dit besluit, met uitzondering van artikel 8, vierde lid, dat in werking treedt op 1 januari 2022.
Art. 24. Entrent en vigueur le 1er janvier 2020 :
  1° l'ordonnance du 28 mars 2019 relative au dispositif d'insertion à l'emploi dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale;
  2° le présent arrêté, à l'exception de l'article 8, alinéa 4 qui entre en vigueur le 1er janvier 2022.