Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
13 DECEMBER 2018. - Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de brandstofverdeelinstallaties voor de bevoorrading van motorvoertuigen met gasvormige alternatieve brandstof, wanneer het gaat om vloeibaar aardgas en tot wijziging van verschillende besluiten van de Waalse Regering betreffende de milieuvergunning
Titre
13 DECEMBRE 2018. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon dĂ©terminant les conditions sectorielles relatives aux installations de distribution de carburants destinĂ©es Ă  l'alimentation en carburant alternatif gazeux de rĂ©servoir de vĂ©hicules Ă  moteur, lorsqu'il s'agit de gaz naturel liquĂ©fiĂ© et modifiant divers arrĂȘtĂ©s du Gouvernement wallon relatifs au permis d'environnement
Documentinformatie
Numac: 2019010940
Datum: 2018-12-13
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2019010940
Date: 2018-12-13
Moniteur: Voir
Tekst (80)
Texte (80)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsveld en begripsomschrijvingen
CHAPITRE 1er. - Champ d'application et définitions
Artikel 1. Bij dit besluit wordt Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen gedeeltelijk omgezet.
Article 1er. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© transpose partiellement la Directive 2014/94/UE du Parlement europĂ©en et du Conseil du 22 octobre 2014 sur le dĂ©ploiement d'une infrastructure pour carburants alternatifs.
Art. 2. Dit besluit is van toepassing op de brandstofverdeelinstallaties bestemd voor de bevoorrading van motorvoertuigen met gasvormige alternatieve brandstof, bedoeld in rubriek 50.50.04.01 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, wanneer het gaat om vloeibaar aardgas.
Art. 2. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique aux installations de distribution de carburants destinĂ©es Ă  l'alimentation en carburant alternatif gazeux des rĂ©servoirs des vĂ©hicules Ă  moteur visĂ©es par la rubrique 50.50.04.01.02 de l'annexe I de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă  Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es, lorsqu'il s'agit de gaz naturel liquĂ©fiĂ©.
Art. 3. De installaties die de schepen met vloeibaar aardgas bevoorraden of die door schepen met vloeibaar aardgas worden bevoorraad, vallen niet onder dit besluit.
Art. 3. Les installations qui ravitaillent en gaz naturel liquĂ©fiĂ© les bateaux ou qui sont ravitaillĂ©es en gaz naturel liquĂ©fiĂ© par bateaux ne sont pas visĂ©es par le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 4. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° de losplaats: de plaats waar de vrachtwagen of aanhangwagen die bedoeld is om de cryogene tank met vloeibaar aardgas bij te vullen, is geparkeerd;
2° de bevoorradingsruimte: plaats waar het voertuig tijdens de bevoorrading parkeert;
3° de verdeelzuil : installatie die bestaat uit de teller, de pomp en één of meer verdeelpunten ;
4° het aansluitstuk om te lossen : de apparatuur die een snelle aansluiting en ontkoppeling mogelijk maakt van de buis die de vrachtwagen of aanhangwagen verbindt en die bedoeld is om de cryogene tank bij te vullen;
5° het aansluitstuk om te bevoorraden: de apparatuur die een snelle aansluiting en ontkoppeling van de buis mogelijk maakt die de cryogene tank verbindt met de tank van het bijgetankte voertuig;
6° het eilandje : constructie waarmee de verdeelzuilen verhoogd kunnen worden ten opzichte van de ruimte voor de bevoorrading van de voertuigen ;
7° de bevoorradingsinstallatie : brandstofverdeelinstallatie of het gedeelte ervan bestemd voor bevoorrading met vloeibaar aardgas voor motorvoertuigen;
8° het lospunt : apparatuur voor het bevoorraden van de cryogene tank met vloeibaar aardgas;
9° het verdeelpunt : uitrusting voor de bevoorrading van het motorvoertuig met vloeibaar aardgas;
10° de cryogene tank : de tank waarin aardgas in vloeibare vorm wordt opgeslagen in afwachting van distributie, bij een temperatuur tussen -153° C en -196° C;
11° de verdamper : de installatie waar de parameters van temperatuur en opslagdruk van vloeibaar aardgas wordt aangepast;
12° de bevoegde deskundige: de persoon of de technische dienst geaccrediteerd volgens de norm ISO/CEI 17020 of deskundige erkend in het vak "opslaginstallatie" overeenkomstig artikel 681/73 van titel III van het Algemeen reglement op de arbeidsbescherming.
Art. 4. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'on entend par :
1° l'aire de dĂ©potage : l'endroit oĂč stationne le camion ou la remorque destinĂ© Ă  rĂ©approvisionner le rĂ©servoir cryogĂ©nique en gaz naturel liquĂ©fiĂ© ;
2° l'aire de ravitaillement : l'endroit oĂč stationne le vĂ©hicule pendant son ravitaillement ;
3° la colonne de ravitaillement : l'installation comprenant le compteur, la pompe et un ou plusieurs points de distribution ;
4° l'embout de dépotage : le dispositif qui permet une rapide connexion et déconnexion du conduit reliant le camion ou la remorque destiné à réapprovisionner avec le réservoir cryogénique ;
5° l'embout de ravitaillement : le dispositif qui permet une rapide connexion et déconnexion du conduit reliant le réservoir cryogénique avec le réservoir du véhicule ravitaillé ;
6° l'ßlot : l'ouvrage permettant de surélever les colonnes de ravitaillement par rapport au niveau de l'aire de ravitaillement des véhicules ;
7° l'installation de ravitaillement : l'installation de distribution de carburants ou la partie de l'installation de distribution de carburants destinée à l'approvisionnement en gaz naturel liquéfié pour véhicule à moteur ;
8° le point de dépotage : l'équipement destiné au ravitaillement du réservoir cryogénique en gaz naturel liquéfié ;
9° le point de distribution : l'équipement destiné au ravitaillement en gaz naturel liquéfié de véhicules à moteur ;
10° le rĂ©servoir cryogĂ©nique : le rĂ©servoir oĂč est stockĂ© le gaz naturel sous forme liquide en attente de distribution, Ă  une tempĂ©rature comprise entre moins 153° C et moins 196° C ;
11° le vaporiseur : l'installation oĂč les paramĂštres de tempĂ©rature et de pression de stockage du gaz naturel liquĂ©fiĂ© est ajustĂ© ;
12° l'expert compétent : la personne ou le service technique accrédité suivant la norme ISO/CEI 17020 ou expert agréé dans la discipline " installation de stockage " conformément à l'article 681/73 du titre III du RÚglement général pour la protection du travail.
HOOFDSTUK 2. - Vestiging en bouw
CHAPITRE 2. - Implantation et construction
Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen
Section 1re. - Dispositions communes
Art. 5. De verdeelinstallatie is ontworpen en gebouwd overeenkomstig de norm EN ISO 16924: 2016 met betrekking tot vulstations voor vloeibaar aardgasvoertuigen.
De veiligheidsafstanden tussen de verschillende onderdelen van de verdeelinstallatie, tussen deze onderdelen en de naburige installaties, mogen niet kleiner zijn dan de in bijlage B van de bovengenoemde norm EN ISO 16924: 2016 vermelde afstanden.
Art. 5. L'installation de distribution est conçue et réalisée conformément à la norme EN ISO 16924 : 2016, relative aux stations de remplissage des véhicules à gaz naturel liquéfié.
Les distances de sĂ©curitĂ© entre les diffĂ©rentes parties de l'installation de distribution, entres celles-ci et les installations voisines ne peuvent pas ĂȘtre infĂ©rieures aux distances reprises Ă  l'annexe B de la norme EN ISO 16924 : 2016 prĂ©citĂ©e.
Art. 6. Het verdeelpunt en het lospunt bevinden zich in de open lucht en buiten elke inkuiping.
Wanneer het verdeelpunt en het lospunt onder een bovenbouw worden geplaatst, voorkomt het ontwerp van de bovenbouw de accumulatie van aardgas.
In dit geval wordt een explosiemeterdetector geĂŻnstalleerd om een mogelijke explosieve atmosfeer te detecteren na een aardgaslek.
De bijzondere voorwaarden specificeren hun locatie, controle en werking.
Wanneer de ondergrens inzake explosiviteit de drempel van tien procent bereikt, wordt een alarm geactiveerd.
Wanneer de ondergrens inzake explosiviteit de drempel van twintig procent bereikt, wordt de gehele installatie uitgeschakeld door het automatisch sluiten van de kleppen.
De overige delen van de installatie voor de aflevering van vloeibaar aardgas worden ingericht in een gesloten of openluchtruimte, ondergronds of aan de oppervlakte.
Art. 6. Le point de distribution et le point de dépotage se trouvent en plein air et en dehors de tout encuvement.
Lorsque le point de distribution et le point de dépotage sont placés sous une superstructure, la conception de celle-ci évite l'accumulation de gaz naturel.
Dans cette hypothÚse, un détecteur explosimÚtre permettant de détecter une atmosphÚre explosive éventuelle consécutive à une fuite de gaz naturel est installé.
Les conditions particuliÚres en précisent la localisation, le contrÎle et le fonctionnement.
Lorsque la limite inférieure d'explosivité atteint le seuil de dix pour cent, une alarme est activée.
Lorsque la limite infĂ©rieure d'explosivitĂ© atteint le seuil de vingt pour cent, toute l'installation est mise Ă  l'arrĂȘt par la fermeture automatique de vannes.
Les autres parties de l'installation de ravitaillement en gaz naturel liquéfié sont aménagées dans un espace fermé ou en plein air, en sous-sol ou en surface.
Art. 7. De bevoorradingsinstallatie, de cryogene tank en alle andere apparatuur die vloeibaar aardgas bevat, moeten zich buiten elk bewoond gebouw bevinden.
Art. 7. L'installation de ravitaillement, le réservoir cryogénique ainsi que tout autre équipement contenant du gaz naturel liquéfié sont implantés à l'extérieur de tout immeuble habité.
Art. 8. Het stilstaan van voertuigen voor de verdeelzuil alsook het stilstaan van tankwagens voor het lospunt hindert het verkeer op de openbare weg noch de doorgang van voetgangers op de stoep.
De bevoorradingsruimte alsook de losplaats bevinden zich volledig in de inrichting.
Art. 8. L'arrĂȘt des vĂ©hicules devant les colonnes de ravitaillement ainsi que l'arrĂȘt des vĂ©hicules de rĂ©approvisionnement devant le point de dĂ©potage n'empĂȘchent pas la circulation sur la voie publique ou le passage des piĂ©tons sur le trottoir.
L'aire de ravitaillement ainsi que l'aire de dépotage sont entiÚrement dans l'établissement.
Art. 9. De bevoorradingsruimte, de parkeerruimte voor de wachtende voertuigen en de losplaats zijn zo aangelegd dat de voertuigen de plaats voorwaarts kunnen ontruimen.
Art. 9. L'aire de ravitaillement des véhicules, l'aire de stationnement des véhicules en attente de ravitaillement et l'aire de dépotage sont installées de façon telle que les véhicules puissent évacuer les lieux en marche avant.
Art. 10. De uitrustingen die vloeibaar aardgas bevatten, met uitzondering van de verdeel- en lospunten, moet tegen de indringers worden afgeschermd door roosterwerk van ten minste twee meter hoog of door een andere voorziening die dezelfde bescherming biedt.
Dit beveiligingssysteem is uitgerust met een vergrendelbare opening of een ander vergrendelingssysteem met dezelfde mate van bescherming.
Dit gebied is gesloten voor het publiek.
Dit verbod wordt herhaald door middel van borden of affiches in het Frans, Nederlands, Duits en Engels die op verschillende zichtbare en toegankelijke plaatsen bij de opening van het hek zijn aangebracht. De borden of affiches moeten ten minste de volgende gegevens bevatten:
1° de naam en de gegevens van de exploitant ;
2° de namen en de gegevens van de personen waarmee in geval van nood contact moet worden opgenomen;
3° de gegevens van de diensten van de hulpverleningszone van het rechtsgebied;
4° de melding van de aanwezigheid van een gevaarlijke zone;
5° de naam van de opgeslagen vloeistof: LNG : vloeibaar aardgas ;
6° het (de) gevaarssymbo(o)l(en) ;
7° de inhoud van de tank(s);
8° de melding van de aanwezigheid van zeer lage temperaturen;
9° een herinnering aan het verbod op roken of het maken van vuur als bedoeld in artikel 37.
Het roosterwerk mag alleen worden geopend in aanwezigheid en onder de verantwoordelijkheid van de exploitant of een door hem gemachtigde persoon.
Art. 10. Les Ă©quipements contenant du gaz naturel liquĂ©fiĂ©, Ă  l'exception des points de distribution et de dĂ©potage, sont protĂ©gĂ©s contre les intrusions par un grillage de deux mĂštres de haut minimum ou de tout autre dispositif prĂ©sentant la mĂȘme protection.
Ce systĂšme de protection est muni d'une ouverture fermant Ă  clef ou de tout autre moyen de contrĂŽle de fermeture prĂ©sentant le mĂȘme degrĂ© de protection.
Cette zone est interdite au public.
Cette interdiction est rappelée au moyen de panneaux ou affiches rédigés en langue française, néerlandaise, allemande et anglaise apposés à différents endroits visibles et accessibles, situés à proximité de l'ouverture du grillage. Les panneaux ou les affiches reprennent au moins :
1° le nom et les coordonnées de l'exploitant ;
2° les noms et coordonnées des personnes à contacter en cas d'urgence ;
3° les coordonnées des services de la zone de secours du ressort ;
4° le signalement de la présence d'une zone dangereuse ;
5° le nom du liquide stocké : GNL : Gaz Naturel Liquéfié ;
6° le ou les symboles de danger ;
7° la contenance du ou des réservoirs ;
8° le signalement de la présence de trÚs basse température ;
9° le rappel de l'interdiction de fumer ou de faire du feu visé à l'article 37.
Le grillage ne peut ĂȘtre ouvert qu'en prĂ©sence et sous la responsabilitĂ© de l'exploitant ou d'une personne habilitĂ©e par celui-ci.
Art. 11. De toegang van de voertuigen van de dienst van de hulpverleningszone tot de voorzieningen die vloeibaar aardgas bevatten vanaf de openbare weg wordt gewaarborgd en in stand gehouden onder alle omstandigheden volgens de voorschriften van de dienst van de hulpverleningszone.
Art. 11. L'accĂšs des vĂ©hicules du service de la zone de secours vers les installations oĂč se trouve du gaz naturel liquĂ©fiĂ© Ă  partir de la voie publique est assurĂ© et est maintenu en toutes circonstances selon les prescriptions du service de la zone de secours.
Afdeling 2. - Cryogene tank voor de opslag van vloeibaar aardgas
Section 2. - Réservoir cryogénique de stockage du gaz naturel liquéfié
Art. 12. De opslag van vloeibaar aardgas vindt uitsluitend plaats in een cryogene tank, overeenkomstig norm NBN EN 13458 "Cryogene vaten - VacuĂŒm geĂŻsoleerde statische vaten", met dubbele mantel met luchtvacuĂŒm tussen de wanden.
Tussen de twee wanden is isolatiemateriaal aanwezig. Dit materiaal is ingedeeld als A1 of A2 volgens de Euroclass Reaction to Fire omschreven in NBN EN 13501-1.
Art. 12. Le stockage du gaz naturel liquéfié a lieu exclusivement dans un réservoir cryogénique, conforme à la norme NBN EN 13458 " Récipients cryogéniques - Récipients fixes, isolés sous vide ", à double enveloppe avec vide d'air entre les parois.
Un matériau isolant est présent entre les deux parois. Ce matériau est classé A1 ou A2 selon les Euroclass de réaction au feu définies dans la NBN EN 13501-1.
Art. 13. De maximale benuttingsgraad van de tank is vijfentachtig procent van zijn volume.
Een hoog niveau detectieapparatuur op vijfentachtig procent van het volume en een laag niveau detectieapparatuur op vijf procent stuurt een alarm voor maximaal en minimaal gebruik.
Op dezelfde manier meet een apparaat de druk boven het maximaal toelaatbare hoge niveau van vloeibaar aardgas en stuurt een alarm als de verzadigde dampdruk wordt overschreden.
De tank is uitgerust met de nodige instrumenten om de evolutie van de hoeveelheid vloeibaar aardgas in de tank te visualiseren.
Om accidentele lekkages op te sporen, wordt de temperatuur gemeten aan het laagste punt van de inkuiping of, bij gebrek daaraan, van de installatie.
Art. 13. Le taux d'utilisation maximum du réservoir est de quatre-vingt-cinq pour cent de son volume.
Un dispositif de détection de niveau haut à quatre-vingt-cinq pour cent du volume et un dispositif de détection de niveau bas à cinq pour cent envoie une alarme d'utilisation maximum et minimum.
De mĂȘme, un dispositif mesure la pression au-dessus du niveau haut maximum admissible du gaz naturel liquĂ©fiĂ© et envoie une alarme en cas de dĂ©passement de la pression de vapeur saturante.
Le réservoir est équipé de l'instrumentation nécessaire à la visualisation de l'évolution de la quantité de gaz naturel liquéfié contenu.
Afin de détecter les fuites accidentelles, la température est mesurée dans le point bas de l'encuvement ou à défaut de l'installation.
Art. 14. De gassen die door de veiligheidskleppen vrijkomen, worden via verticaal naar boven gerichte ontladingsbuizen in de atmosfeer gebracht.
In afwijking van lid 1 mogen de bijzondere voorwaarden de hoek gevormd door de ontladingsbuis en de verticale as van de ontladingsbuis bevestigen. In dit geval kan de geometrie van de ontladingsbuis geen accumulatie van gas over de gehele lengte toestaan.
De ontladingspunten van de in de leden 1 en 2 bedoelde buizen moeten zich ten minste een meter boven het hoogste punt van de inrichting bevinden.
De ontladingspunten moeten zijn uitgerust met een voorziening die het binnendringen van neerslag en andere voorwerpen in de ontladingsbuizen verhindert.
Ontladingsbuizen kunnen alleen worden gebruikt voor de veilige lozing van aardgas.
Art. 14. Les gaz éventuellement libérés par les soupapes de sécurité sont amenés à l'atmosphÚre par des tubes de décharge orientés verticalement, vers le haut.
En dérogation à l'alinéa 1er, les conditions particuliÚres peuvent fixer l'angle formé par l'axe du tube de décharge avec la verticale. Dans cette hypothÚse, la géométrie du tube de décharge ne peut permettre aucune accumulation de gaz sur toute sa longueur.
Les points de décharge des tubes visés aux alinéas 1er et 2 sont situés à au moins un mÚtre au-dessus du point le plus haut de l'établissement.
Les points de dĂ©charge sont Ă©quipĂ©s d'un dispositif qui empĂȘche l'entrĂ©e des prĂ©cipitations ainsi que de tout autre objet dans les tubes de dĂ©charge.
Les tubes de décharge peuvent uniquement servir au rejet de sécurité du gaz naturel.
Art. 15. Een branddetectiesysteem is geĂŻnstalleerd in de buurt van de cryogene tank.
De bijzondere voorwaarden specificeren de uitrusting, de controle en de werkingsprocedures.
Art. 15. Un systÚme de détection incendie est installé à proximité du réservoir cryogénique.
Les conditions particuliÚres en précisent les modalités d'équipement, de contrÎle et de fonctionnement.
Art. 16. Een netwerk van explosiemeterdetectoren is geĂŻnstalleerd in de buurt van de cryogene tank en eventuele verdampers.
De bijzondere voorwaarden specificeren de uitrusting, de controle en de werkingsprocedures.
Wanneer de ondergrens inzake explosiviteit de drempel van tien procent bereikt, wordt een alarm geactiveerd.
Wanneer de ondergrens inzake explosiviteit de drempel van twintig procent bereikt, wordt de gehele installatie uitgeschakeld door het automatisch sluiten van de kleppen.
Art. 16. Un réseau de détecteurs explosimÚtres est installé à proximité du réservoir cryogénique et des éventuels vaporisateurs.
Les conditions particuliÚres en précisent les modalités d'équipement, de contrÎle et de fonctionnement.
Lorsque la limite inférieure d'explosivité atteint le seuil de dix pour cent, une alarme est activée.
Lorsque la limite infĂ©rieure d'explosivitĂ© atteint le seuil de vingt pour cent, toute l'installation est mise Ă  l'arrĂȘt par la fermeture automatique de vannes.
Art. 17. De bijzondere voorwaarden bepalen het maximale volume van de cryogene tank.
Art. 17. Les conditions particuliÚres fixent le volume maximum du réservoir cryogénique.
Afdeling 3. - Het vullen van de cryogene tank en de verdeling van vloeibaar aardgas
Section 3. - Remplissage du réservoir cryogénique et distribution du gaz naturel liquéfié
Art. 18. Behalve als het om een hangtype gaat, worden de lospunten en de verdeelpunten tegen stoten van voertuigen beschermd door het aanbrengen van een eiland van minstens vijftien centimeter hoog of een verkeerspaal, een wielblok of elk ander systeem dat een gelijkwaardige bescherming biedt.
Art. 18. Sauf lorsqu'ils sont de type suspendu, les points de dépotage et de distribution sont protégés contre les heurts de véhicules par la mise en place d'un ßlot d'au moins quinze centimÚtres de hauteur ou d'une borne ou d'un butoir de roues ou de tout autre systÚme présentant une protection équivalente.
Art. 19. Een netwerk van explosiemeterdetectoren maakt het mogelijk om een mogelijke explosieve atmosfeer te detecteren na een aardgaslek tijdens het lossen.
Elk verdeelstation heeft ten minste één explosiemeterdetector om een mogelijke explosieve atmosfeer te detecteren na een methaanlek tijdens de bevoorrading.
De bijzondere voorwaarden bepalen de locatie, de controle en de werking van deze explosiedetectoren.
Wanneer de ondergrens inzake explosiviteit de drempel van tien procent bereikt, wordt een alarm geactiveerd.
Wanneer de ondergrens inzake explosiviteit de drempel van twintig procent bereikt, wordt de gehele installatie uitgeschakeld door het automatisch sluiten van de kleppen.
Art. 19. Un réseau de détecteurs explosimÚtres permet de détecter une atmosphÚre explosive éventuelle consécutive à une fuite de gaz naturel lors du déchargement.
Chaque poste de distribution possÚde au moins un détecteur explosimÚtre permettant de détecter une atmosphÚre explosive éventuelle consécutive à une fuite de méthane lors du ravitaillement.
Les conditions particuliÚres fixent la localisation, le contrÎle et le fonctionnement de ces détecteurs explosimÚtres.
Lorsque la limite inférieure d'explosivité atteint le seuil de dix pour cent, une alarme est activée.
Lorsque la limite infĂ©rieure d'explosivitĂ© atteint le seuil de vingt pour cent, toute l'installation est mise Ă  l'arrĂȘt par la fermeture automatique de vannes.
Art. 20. De losplaats en de bevoorradingsruimtes moeten zijn gemaakt van waterdichte materialen met voldoende mechanische sterkte en chemische inertie tegen de gebruikte technische vloeistoffen en vloeibaar aardgas.
Ze maken het mogelijk om de eventuele spatten te verzamelen en aan het vloeibaar aardgas om te verdampen.
Ze kunnen niet rechtstreeks worden aangesloten op een openbare riolering of grondwater.
Art. 20. L'aire de dépotage ainsi que les aires de ravitaillement sont réalisées en matériaux étanches, présentant une résistance mécanique et une inertie chimique suffisante vis-à-vis des fluides techniques utilisés et du gaz naturel liquéfié.
Elles permettent de récolter les éventuelles éclaboussures et au gaz naturel liquéfié de s'évaporer.
Elles ne peuvent pas ĂȘtre en liaison directe avec un Ă©gout public ou une eau souterraine.
Art. 21. Wanneer de bevoorradingsleiding van de cryogene tank en haar aansluitstuk om te lossen, evenals de distributieleiding en haar aansluitstuk om te bevoorraden uit een flexibel onderdeel bestaan, komen zij overeen met de norm NBN EN 12434 "Cryogene vaten - Cryogene flexibele slangen".
Art. 21. Lorsque la conduite de ravitaillement du réservoir cryogénique et son embout de dépotage ainsi que la conduite de distribution et son embout de ravitaillement sont constitués de partie flexible, ils sont conformes à la norme NBN EN 12434 " Récipients cryogéniques - Tuyaux flexibles cryogéniques ".
Art. 22. Het lospunt is uitgerust met een knop of trekker of een "dode man"-systeem dat de persoon die het bevoorraadt ten minste om de drie minuten moet resetten, op straffe van automatische stopzetting van de bevoorrading door het stoppen van de bevoorradingspomp en het sluiten van de kleppen.
Als het aansluitstuk om te lossen niet goed geplaatst is, kan de bevoorradingsoperatie niet starten.
Het bevoorradingspunt is uitgerust met een knop of trekker of een "dode man"-systeem dat de persoon die het bevoorraadt ten minste om de zestig minuten moet resetten, op straffe van automatische stopzetting van de bevoorrading door het stoppen van de bevoorradingspomp en het sluiten van de kleppen.
Als het aansluitstuk om te bevoorraden niet goed geplaatst is, kan de verdeeloperatie niet starten.
Art. 22. Le point de dĂ©potage est Ă©quipĂ© d'un bouton ou d'une gĂąchette ou d'un systĂšme d'" homme mort " que la personne procĂ©dant Ă  l'approvisionnement est tenue de rĂ©armer toutes les trois minutes au moins, sous peine d'arrĂȘt automatique du ravitaillement par l'arrĂȘt de la pompe de ravitaillement et la fermeture des vannes.
Si l'embout de dépotage n'est pas correctement positionné, l'opération de ravitaillement ne peut démarrer.
Le point de ravitaillement est Ă©quipĂ© d'un bouton, d'une gĂąchette ou d'un systĂšme d'" homme mort " que la personne procĂ©dant au ravitaillement est tenue de rĂ©armer toutes les soixante secondes au moins sous peine d'arrĂȘt automatique du ravitaillement par l'arrĂȘt de la pompe de ravitaillement et la fermeture des vannes.
Si l'embout de ravitaillement n'est pas correctement positionné, l'opération de distribution ne peut pas démarrer.
Art. 23. Het lospunt is uitgerust met een automatische uitschakeling door het sluiten van kleppen wanneer het volume van het vloeibare aardgas vijfentachtig procent van het nuttige volume van de cryogene tank bereikt.
Art. 23. Le point de dĂ©potage est pourvu d'un dispositif automatique d'arrĂȘt par la fermeture de vannes lorsque le volume du gaz naturel liquĂ©fiĂ© atteint quatre-vingt-cinq pour cent du volume utile du rĂ©servoir cryogĂ©nique.
Afdeling 4. - Hulpapparatuur
Section 4. - Auxiliaires
Art. 24. De verdampers bevinden zich op een plaats waar de lucht vrij kan circuleren, indien nodig wordt deze circulatie geforceerd.
Wanneer de cryogene tank in een inkuiping wordt geplaatst, kunnen zij deze in de inkuiping begeleiden.
Art. 24. Les vaporiseurs sont localisés dans un endroit ou l'air peut circuler librement, au besoin cette circulation est forcée.
Lorsque le réservoir cryogénique est placé dans un encuvement, ils peuvent l'accompagner dans celui-ci.
HOOFDSTUK 3. - Exploitatie
CHAPITRE 3. - Exploitation
Art. 25. De bevoorrading van motorvoertuigen met vloeibaar aardgas uit een mobiele installatie, zoals een vrachtwagen of aanhangwagen of een mobiele installatie zoals een container, moet voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 17 van de norm EN ISO 16924: 2016 met betrekking tot vulstations voor vloeibaar aardgasvoertuigen.
Art. 25. Le ravitaillement des réservoirs des véhicules à moteur en gaz naturel liquéfié à partir d'une installation mobile, telle que camion ou remorque ou d'une installation que l'on peut déplacer tel qu'un conteneur, respecte les prescriptions du chapitre 17 de la norme EN ISO 16924:2016 relative aux stations de remplissage des véhicules à gaz naturel liquéfié.
Art. 26. § 1. De exploitant zorgt ervoor dat de cryogene tank wordt gevuld door naar behoren gekwalificeerd personeel.
Dit personeel is in staat om het vullen van de tank te controleren en het vulapparaat veilig te bedienen.
De exploitant zorgt ervoor dat het in lid 2 bedoelde personeel vóór de indiensttreding een opleiding heeft gevolgd en dat dit personeel ten minste om de twee jaar een voortgezette opleiding heeft gevolgd.
§ 2. De exploitant zorgt ervoor dat de bevoorrading van de voertuigen wordt uitgevoerd door naar behoren gekwalificeerd personeel.
Dit personeel is in staat om het vullen van de tank te controleren en het vulapparaat veilig te bedienen.
De exploitant zorgt ervoor dat het in lid 2 bedoelde personeel vóór de indiensttreding een opleiding heeft gevolgd en dat dit personeel ten minste om de twee jaar een voortgezette opleiding heeft gevolgd.
§ 3. De exploitant of zijn aangestelden die permanent aanwezig zijn op de site van de inrichting zijn speciaal opgeleid voor:
1° de veiligheidsprocedures, ook in noodsituaties;
2° de routinematige onderhoudswerkzaamheden aan de installaties;
3° de operatie bij het uitbreken van een brand.
De exploitant of zijn aangestelden bedoeld in het eerste lid worden vóór hun indiensttreding opgeleid. Deze personen moeten ten minste om de twee jaar een voortgezette opleiding volgen.
Art. 26. § 1er. L'exploitant s'assure que le remplissage du réservoir cryogénique est réalisé par du personnel dûment qualifié.
Ce personnel est Ă  mĂȘme de contrĂŽler le remplissage du rĂ©servoir et de manoeuvrer le dispositif de remplissage en toute sĂ©curitĂ©.
L'exploitant s'assure que le personnel visé à l'alinéa 2 a été formé avant d'entrer en fonction et que ce personnel a suivi une formation continuée au moins une fois tous les deux ans.
§ 2. L'exploitant s'assure que le ravitaillement des véhicules est réalisé par du personnel dûment qualifié.
Ce personnel est Ă  mĂȘme de contrĂŽler le remplissage du rĂ©servoir et de manoeuvrer le dispositif de remplissage en toute sĂ©curitĂ©.
L'exploitant s'assure que le personnel visé à l'alinéa 2 a été formé avant d'entrer en fonction et que ce personnel a suivi une formation continuée au moins une fois tous les deux ans.
§ 3. L'exploitant ou ses préposés présents en permanence sur le site de l'établissement sont spécialement formés aux :
1° procédures de sécurité, y compris en situation d'urgence ;
2° travaux de maintenance de routine des installations ;
3° opérations en cas de départ de feu.
L'exploitant ou ses préposés visés à l'alinéa 1er sont formés avant d'entrer en fonction. Ces personnes suivent une formation continuée au moins une fois tous les deux ans.
Art. 27. De exploitant stelt de veiligheidsmaatregelen op. Deze specificeren dat voor en tijdens de handelingen m.b.t. de bevoorrading:
1° de motor van het voertuig stilstaat;
2° het voertuig zich op de bevoorradingsruimte of een van bevoorradingsruimtes bevindt;
3° het voertuig onder alle omstandigheden immobiel wordt gemaakt;
4° het voertuig is geaard via de aarding van het bevoorradingspunt.
Het aardingsproces is opgenomen in volle woorden en in de vorm van een schema in de veiligheidsmaatregelenen.
Art. 27. L'exploitant rédige les mesures de sécurité. Celles-ci précisent que préalablement au démarrage des opérations de ravitaillement et pendant celles-ci :
1° le moteur du vĂ©hicule est Ă  l'arrĂȘt ;
2° le véhicule se positionne sur l'aire ou une des aires de ravitaillement ;
3° le véhicule est rendu immobile quelques soient les circonstances ;
4° le véhicule est mis à la terre via la mise à la terre du point de ravitaillement.
Le procédé de mise à la terre est repris en toute lettre et sous la forme d'un schéma dans les mesures de sécurité.
Art. 28. De exploitant moet de veiligheidsmaatregelen duidelijk, zichtbaar en leesbaar in het Frans, Nederlands, Duits en Engels op de verdeelzuil in de buurt van de algemene noodschakelaars van de verdeelpunten en van de lospunten aanbrengen.
Art. 28. L'exploitant affiche les mesures de sécurité de maniÚre claire, visible et lisible en langue française, néerlandaise, allemande et anglaise, sur la colonne de ravitaillement, à proximité des interrupteurs généraux d'urgence des points de distribution et des points de dépotage.
Art. 29. Wanneer de installaties definitief worden stilgelegd, worden ze geledigd en ontgast.
Met uitzondering van het teruggewonnen aardgas worden de producten van deze operatie verwijderd of als afval positief verwerkt.
Art. 29. Lors de l'arrĂȘt dĂ©finitif des installations, celles-ci sont vidĂ©es et dĂ©gazĂ©es.
A l'exception du gaz naturel récupéré, les produits issus de cette opération sont éliminés ou valorisés comme des déchets.
Art. 30. Bij elke koeling voert de exploitant of zijn aangestelde het proces-verbaal van de koeling in het logboek in.
Art. 30. Lors de toute mise au froid, l'exploitant ou son préposé verse au journal de bord le procÚs-verbal de mise au froid.
Art. 31. De centrifugale cryogene pompen met holtes worden onmiddellijk vervangen of hersteld.
Art. 31. Les pompes cryogéniques centrifuges ayant cavité sont remplacées ou réparées immédiatement.
Art. 32. Het is verboden afval of allerlei brandbaar materiaal te laten accumuleren in de omheining van de inrichting, met inbegrip van droge kruiden of planten en in het bijzonder in de kuipen.
Art. 32. Il est interdit de laisser s'accumuler des déchets ou des matiÚres quelconques combustibles dans l'enceinte de l'établissement, y compris des herbes ou végétaux secs et en particulier dans les encuvements.
Art. 33. Regenwater en andere vloeistoffen die zich in de kuipen kunnen accumuleren, worden regelmatig verwijderd, terwijl de dichtheid behouden blijft.
Besmet water en andere vloeistoffen worden verwijderd en als afval behandeld.
Art. 33. Les eaux de pluie et les autres liquides pouvant s'accumuler dans les encuvements sont réguliÚrement enlevés tout en préservant leur étanchéité.
Les eaux et les autres liquides contaminés sont évacués et traités comme des déchets.
HOOFDSTUK 4. - Ongevallen- en brandpreventie
CHAPITRE 4. - Prévention des accidents et incendies
Art. 34. De maatregelen tot voorkoming van ongevallen en brand voldoen aan de hoofdstukken 15, 16, 18 en 20 van de norm EN ISO 16924: 2016 met betrekking tot vulstations voor vloeibaar aardgasvoertuigen.
Art. 34. Les mesures visant à prévenir les accidents et incendies sont conformes aux chapitres 15, 16, 18 et 20 de la norme EN ISO 16924 :2016 relative aux stations de remplissage des véhicules à gaz naturel liquéfié.
Art. 35. Vóór de tenuitvoerlegging van het project en vóór elke wijziging van de plaats en/of de exploitatieomstandigheden die de risico's voor brand of voor de verspreiding ervan zouden kunnen wijzigen, verstrekt de exploitant, via de burgemeester van het ambtsgebied, de dienst van de hulpverleningszone informatie over de getroffen maatregelen en de aangewende uitrustingen inzake de preventie en de bestrijding van brand en ontploffingen, met inachtneming van de bescherming van de bevolking en het leefmilieu.
Art. 35. Avant la mise en oeuvre du projet et avant chaque modification des lieux ou des circonstances d'exploitation susceptibles de modifier les risques d'incendie ou de sa propagation, l'exploitant informe, via le bourgmestre du ressort, le service de la zone de secours sur les mesures prises et les équipements mis en oeuvre en matiÚre de prévention et de lutte contre les incendies et explosions, dans le respect de la protection du public et de l'environnement.
Art. 36. Het brandbestrijdingsmaterieel is tegen vorst beschermd en gemakkelijk toegankelijk binnen de inrichting.
Dit materieel kan niet in de kuipen worden geĂŻnstalleerd.
Art. 36. Le matériel de lutte contre l'incendie est protégé contre le gel et aisément accessible dans l'établissement.
Ce matĂ©riel ne peut pas ĂȘtre installĂ© dans l'encuvement.
Art. 37. Er wordt via onderstaande verbodstekens gewezen op het verbod om te roken of vuur te maken op of in de nabijheid van de verdeel- en lospunten:
Art. 37. L'interdiction de fumer ou de faire du feu est rappelée par l'apposition sur ou à proximité des points de distribution et de dépotage des signaux d'interdiction :
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 20-02-2019, p. 17526)
Er wordt via een zichtbaar en leesbaar bord op of in de nabijheid van de verdeel- en lospunten gewezen op het verbod om gebruik te maken van gsm's, fototoestellen, meetinstrumenten en andere apparaten die niet overeenstemmen met de Europese wetgeving inzake het gebruik in explosiegevaarlijke zones.
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 20-02-2019, p. 17505)
L'interdiction d'utiliser des GSM, appareils photo, instruments de mesure et autres appareils qui ne sont pas conformes à la législation européenne en matiÚre d'utilisation dans des zones explosives est apposée sur un panneau de maniÚre visible et lisible sur ou à proximité des points de distribution et de dépotage.
Art. 38. Cryogene pompen met lekkende afdichtingen worden onmiddellijk vervangen of hersteld.
Deze bepaling is niet van toepassing op onderwaterpompen.
Art. 38. Les pompes cryogéniques présentant des fuites aux joints sont remplacées ou réparées immédiatement.
Cette disposition ne s'applique pas aux pompes immergées.
Art. 39. Cryogene pompen, de los- en verdeelpunten moeten zijn uitgerust met ten minste één algemene noodschakelaar van het type "vuistslag".
Art. 39. Les pompes cryogéniques, les points de dépotage et de distribution sont équipés d'au moins un interrupteur général d'urgence de type coup de poing.
HOOFDSTUK 5. - Controle en zelfcontrole
CHAPITRE 5. - ContrĂŽle et autocontrĂŽle
Art. 40. § 1. De exploitant laat zijn installaties vóór de eerste inbedrijfstelling en vervolgens ten minste eenmaal per jaar door een bevoegde deskundige controleren.
§ 2. De exploitant beschikt over een bezoekverslag van een bevoegde deskundige met de volgende informatie:
1° de gedane vaststellingen, met name wat betreft de naleving van de wettelijke en reglementaire voorschriften, met inbegrip van de in dit besluit vastgestelde voorwaarden, alsmede de aanvullende specifieke voorwaarden die zijn opgenomen in de vergunning die is verleend krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;
2° conclusies over de maatregelen die moeten worden genomen om de risicobeheersing te waarborgen, met name indien de installatie in bedrijf kan worden gesteld of in bedrijf kan worden gelaten of indien bepaalde installaties of delen van installaties buiten bedrijf moeten worden gesteld.
De exploitant past de periodiciteit tussen twee controles aan op basis van de opmerkingen van de bevoegde deskundige tijdens de controle.
Wanneer uit de conclusies van het bezoekverslag blijkt dat de installaties of delen van installaties buiten bedrijf moeten worden gesteld, neemt de exploitant de nodige maatregelen om de veiligheid te waarborgen en stelt hij de toezichthoudende ambtenaar daarvan onverwijld in kennis.
De resultaten van de tests worden in het logboek opgenomen.
Art. 40. § 1er. L'exploitant fait contrÎler ses installations par un expert compétent avant la premiÚre mise en service, et ensuite au moins une fois par an.
§ 2. L'exploitant dispose d'un rapport de visite d'un expert compétent dans lequel figurent les indications suivantes :
1° les constatations effectuĂ©es concernant notamment le respect des prescriptions lĂ©gales et rĂ©glementaires dont les conditions figurant au prĂ©sent arrĂȘtĂ© ainsi que les conditions particuliĂšres complĂ©mentaires prĂ©vues dans le permis octroyĂ© en vertu du dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ;
2° les conclusions sur les mesures Ă  prendre en vue de garantir la maĂźtrise des risques notamment si l'installation peut ĂȘtre mise ou laissĂ©e en service ou si certaines installations ou parties d'installations doivent ĂȘtre mises hors service.
L'exploitant adapte la périodicité entre deux contrÎles en fonction des observations faites par l'expert compétent lors du contrÎle.
Lorsque les conclusions du rapport de visite mettent en Ă©vidence que les installations ou parties d'installations doivent ĂȘtre mises hors service, l'exploitant prend les mesures nĂ©cessaires pour assurer la sĂ©curitĂ© et en informe sans dĂ©lai le fonctionnaire chargĂ© de la surveillance.
Le résultat des tests sont versés au journal de bord.
Art. 41. Gedurende de gehele exploitatie dient de exploitant ervoor te zorgen dat hij alle metingen van temperatuur, druk, volume van vloeibaar aardgas in de cryogene tank(s), alle alarmen, met inbegrip van de toestand van de gas- en branddetectiesystemen en de plaatsing van alle veiligheidskleppen, voortdurend controleert.
Art. 41. Pendant toute l'exploitation, l'exploitant s'assure qu'il contrÎle en permanence toutes les mesures de température, de pression, de volume de gaz naturel liquéfié dans le ou les réservoirs cryogéniques, toutes les alarmes, y compris l'état des systÚmes de détection de gaz et d'incendie ainsi que le positionnement de toutes les vannes de sécurité.
Art. 42. Voor elke zelfbedieningsinstallatie moet de exploitant ervoor zorgen dat:
1° alle in artikel 40 bedoelde metingen per telemetrie aan een alarmcentrale worden doorgegeven ;
2° de gegevens die aan de alarmcentrale worden doorgegeven, voortdurend worden gecontroleerd door een persoon die bevoegd is om ze te interpreteren;
3° de alarmcentrale operationeel is zodra de installatie is afgekoeld en totdat, wanneer de installatie wordt stilgelegd, de installatie volledig is ontgast.
Art. 42. Pour toute installation en libre-service, l'exploitant s'assure que :
1° toutes les mesures visées à l'article 40 sont transmises par télémétrie vers une centrale d'alarme ;
2° les données transmises à la centrale d'alarme sont en permanence sous la surveillance d'une personne compétente pour les interpréter ;
3° la centrale d'alarme est opĂ©rationnelle dĂšs que la mise au froid de l'installation est rĂ©alisĂ©e et jusqu'Ă  ce que, lors de la mise Ă  l'arrĂȘt de l'installation, le dĂ©gazage complet de celle-ci soit terminĂ©.
HOOFDSTUK 6. - Bijhouden van de registers en informatie
CHAPITRE 6. - Tenue des registres et informations
Art. 43. Elke opslagtank wordt geĂŻdentificeerd door middel van een signaletische kaart die op een zichtbare en toegankelijke plaats wordt aangebracht.
De signaletische kaart bevat ten minste:
1° de naam van de bouwer, de bouwdatum en het serienummer van de bouwer;
2° de bouwnorm;
3° de naam van de opgeslagen vloeistof: " LNG ", vloeibaar aardgas ;
4° het (de) gevaarssymbo(o)l(en) ;
5° de nominale capaciteit in volume van de vloeistof;
6° de nominale druk aan de bovenkant van de tank
7° de maximaal toelaatbare dichtheid van de aanwezige vloeistof;
8° het maximale vulniveau ;
9° de minimaal toelaatbare temperatuur.
Art. 43. Chaque réservoir de stockage est identifié par une fiche signalétique apposée à un endroit visible et accessible.
La fiche signalétique reprend au moins :
1° le nom du constructeur, la date de la construction, son numéro de série ;
2° la norme de construction ;
3° le nom du liquide stocké : G.N.L., Gaz Naturel Liquéfié ;
4° le ou les symboles de danger ;
5° la capacité nominale en volume de liquide ;
6° la pression nominale au sommet du réservoir ;
7° la densité maximale admissible du liquide contenu ;
8° le niveau maximum de remplissage ;
9° la température minimale admissible.
Art. 44. Elke cryogene pomp wordt geĂŻdentificeerd door middel van een signaletische kaart die op een zichtbare en toegankelijke plaats wordt aangebracht.
De signaletische kaart bevat ten minste:
1° de naam van de bouwer en, in voorkomend geval, diens wettelijke vertegenwoordiger;
2° het bouwjaar;
3° het type, de serie en het serienummer;
4° de temperatuur en nominale druk, het vermogen in kW en de werkingspanning in volts.
Art. 44. Chaque pompe cryogénique est identifiée par une fiche signalétique apposée à un endroit visible et accessible.
La fiche signalétique reprend au moins :
1° le nom du constructeur et, le cas échéant, de son représentant légal ;
2° l'année de sa construction ;
3° le type, la série et le numéro de série ;
4° la température et la pression nominale, sa puissance en kW et son voltage de fonctionnement en Volts.
Art. 45. Elk lospunt en elke verdeelzuil worden geĂŻdentificeerd door middel van een signaletische kaart die op een zichtbare en toegankelijke plaats wordt aangebracht.
De signaletische kaart bevat ten minste:
1° de naam en de gegevens van de exploitant ;
2° de namen en de gegevens van de personen waarmee in geval van nood contact moet worden opgenomen;
3° de gegevens van de diensten van de hulpverleningszone van het rechtsgebied;
4° de melding van de aanwezigheid van een gevaarlijke zone;
5° de naam van de opgeslagen vloeistof: LNG : vloeibaar aardgas ;
6° het (de) gevaarssymbo(o)l(en) ;
7° de melding van de aanwezigheid van zeer lage temperaturen;
8° een herinnering aan het verbod op roken of het maken van vuur als bedoeld in artikel 36.
De signaletische kaart wordt aangevuld door
- De gebruiksrichtlijnen ;
- de veiligheidsvoorschriften.
Art. 45. Chaque point de dépotage et chaque colonne de distribution sont identifiés par une fiche signalétique apposée à un endroit visible et accessible.
La fiche signalétique reprend au moins :
1° le nom et les coordonnées de l'exploitant ;
2° les noms et coordonnées des personnes à contacter en cas d'urgence ;
3° les coordonnées des services de secours du ressort ;
4° le signalement de la présence d'une zone dangereuse ;
5° le nom du liquide stocké : GNL : Gaz Naturel Liquéfié ;
6° le ou les symboles de danger ;
7° le signalement de la présence de trÚs basse température ;
8° le rappel de l'interdiction de fumer ou de faire du feu visé à l'article 36.
La fiche signalétique est complétée par
- les instructions d'utilisation ;
- les consignes de sécurité.
Art. 46. Wanneer de installatie is veilig gesteld en tijdens herstel- of controleperiodes, worden de los- en verdeelpunten onbeschikbaar gemaakt door middel van een voorziening die op een zichtbare en toegankelijke plaats in de buurt van de verbindingspunten of transferlijnen in het Frans, Nederlands, Duits en Engels en in de vorm van een schema of logo is aangebracht en die elke verbinding verbiedt totdat de oorzaken van de veiligheidsstand volledig zijn weggenomen, inclusief de daarop betrekking hebbende tests en controles.
Art. 46. Lorsque l'installation a été mise en sécurité ainsi que pendant les périodes de réparation ou de contrÎle, les points de dépotage et de distribution sont rendus indisponibles par un dispositif qui porte la mention, apposée à un endroit visible et accessible proche des points de raccordement ou des conduites de transfert, rédigée en langue française, néerlandaise, allemande et anglaise et sous forme de schéma ou de logo, interdisant tout branchement et cela jusqu'à la levée complÚte des causes de la mise en sécurité, y compris les tests et contrÎles y afférant.
Art. 47. Het of de gebruikshandboek(en) van de installatie moet(en) ten minste de volgende informatie bevatten:
1° de door de bouwer, invoerder of installateur verstrekte documentatie;
2° de werkingswijzen met het oog op een veilige werking ;
3° een lijst van voorzorgsmaatregelen ter bescherming tegen bekende gevaren, waaronder het gebruik van veiligheidskleding of persoonlijke bescherming;
4° het verboden gebruik in functie van de risico's;
5° de overblijvende risico's ;
6° de inbedrijfstellingshandleiding;
7° de handleiding voor koeling ;
8° de handleiding voor het stilleggen van de installatie;
9° de herstellingshandleiding ;
10° het onderhouds-, inspectie- en controleprogramma;
11° de lijst van slijtageonderdelen die moeten worden vervangen met de periodiciteit van de vervanging;
12° de stopprocedures, de procedures voor de omschakeling naar veiligheidsstand en de herstartprocedures;
13° de lijst van onderdelen en uitrusting die nodig zijn voor het onderhoud.
De exploitant vergewist zich ervan dat het gebruikshandboek waarvan sprake in het eerste lid minstens na elke wijziging aan de installaties bijgewerkt worden.
Art. 47. Le ou les manuels d'utilisation de l'installation comprennent au moins les informations suivantes :
1° la documentation transmise par le constructeur, l'importateur ou l'installateur ;
2° les modes opératoires en vue d'un fonctionnement en toute sécurité ;
3° la liste des prĂ©cautions Ă  prendre en vue de se prĂ©munir des dangers connus, y compris le port de vĂȘtements de sĂ©curitĂ© ou l'utilisation de protection personnelle ;
4° les utilisations interdites en fonction des risques ;
5° les risques résiduaires ;
6° le guide de mise en service ;
7° le guide de mise au froid ;
8° le guide de mise Ă  l'arrĂȘt de l'installation ;
9° le guide de dépannage ;
10° le programme de maintenance et d'inspection et de contrÎle ;
11° la liste des piÚces d'usure à remplacer avec la périodicité du remplacement ;
12° les procĂ©dures d'arrĂȘt, de mise en sĂ©curitĂ© et de redĂ©marrage ;
13° la liste des piÚces et équipements requis pour la maintenance.
L'exploitant s'assure que les manuels d'utilisation visés à l'alinéa 1er sont mis à jour au moins à chaque modification des installations.
Art. 48. Het logboek bevat ten minste de volgende informatie:
1° alle inspectie-, erkennings- en controleverslagen, met inbegrip van hun uitvoeringsdatum en vergezeld van de resultaten;
2° de processen-verbaal van inbedrijfstelling, koeling, uitschakeling en herstelling;
3° een plan dat de installatie en de bijbehorende risicogebieden weergeeft;
4° de officiële documenten of een kopie daarvan, met inbegrip van:
a) de certificaten van de gebruikte materialen, onderdelen en accessoires;
b) de controlecertificaten van de installaties ;
c) de vergunningen en machtigingen;
d) de conformiteitverklaring;
5° de afwijkingen van de normale exploitatie zoals omschreven in het gebruikshandboek
6° gevaarlijke situaties die zich hebben voorgedaan.
Deze informatie wordt in het logboek geregistreerd zodra zij zich voordoet.
Art. 48. Le journal de bord contient au moins les informations suivantes :
1° tous les rapports d'inspection, d'agrément et de contrÎle, repris avec leur date d'exécution et accompagnés des résultats ;
2° les procĂšs-verbaux de mise en service, de mise au froid, de mise Ă  l'arrĂȘt et de dĂ©pannage ;
3° un plan représentant l'installation et les zones à risques correspondantes ;
4° les documents officiels ou une copie de ceux-ci parmi lesquels :
a) les certificats des matériaux, piÚces et accessoires utilisés ;
b) les certificats de contrĂŽle des installations ;
c) les permis et autorisations ;
d) les déclarations de conformité ;
5° les divergences par rapport à l'exploitation normale telle que définie dans le manuel d'utilisation ;
6° les situations dangereuses s'étant présentées.
Ces informations sont consignées au journal de bord, dÚs leur survenance.
Art. 49. De exploitant of zijn aangestelden leggen de volgende stukken ter inzage van de dienst van de hulpverleningszone en van de toezichthoudend ambtenaar:
1° informatie met betrekking tot de kennisgevingen uitgevoerd overeenkomstig artikel 58, § 2, 2°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;
2° het (de) gebruikshandboeken, het logboek en de bijwerkingen ervan bedoeld in de artikelen 47 en 48;
3° de verslagen van de bevoegde deskundige.
De exploitant of zijn aangestelden houden deze documenten ten minste op de plaats van de installatie ter beschikking.
De exploitant of zijn aangestelden leggen de door de territoriaal bevoegde brandweerdienst opgemaakte rapporten ter inzage van de dienst van de hulpverleningszone.
Art. 49. L'exploitant ou ses préposés tiennent à la disposition du service de la zone de secours et du fonctionnaire chargé de la surveillance :
1° les informations relatives aux signalements effectués en application de l'article 58, § 2, 2°, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ;
2° le ou les manuels d'utilisation, le journal de bord et leurs mises à jour visés aux articles 47 et 48 ;
3° les rapports de l'expert compétent.
L'exploitant ou ses préposés tiennent ces documents à disposition sur le site de l'installation au moins.
L'exploitant ou ses préposés tiennent à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance les rapports rédigés par le service de la zone de secours.
Art. 50. De exploitant houdt het in de artikelen 47 en 48 bedoelde gebruikshandboek en het logboek ter beschikking van zijn personeel.
Art. 50. L'exploitant tient à la disposition de son personnel le manuel d'utilisation et le journal de bord visés aux articles 47 et 48.
HOOFDSTUK 7. - Wijzigings- en slotbepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions modificatives et finales
Afdeling 1. - Wijzigingen in het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning
Section 1re. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions gĂ©nĂ©rales d'exploitation des Ă©tablissements visĂ©s par le dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement
Art. 51. Artikel 19 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 22 december 2016, wordt aangevuld als volgt :
" bewoonde lokalen: lokalen die worden gebruikt als verblijfplaats of alle andere lokalen waarin personen doorgaans verblijven;
- lokalen die op de datum van de vergunning of verklaring geldig worden toegelaten: de lokalen die op de datum van toekenning van de milieuvergunning of de globale vergunning of op de datum van de verklaring in overeenstemming waren of zijn met de voorschriften die van toepassing zijn krachtens de bepalingen betreffende de ruimtelijke ordening en stedenbouw. ".
Art. 51. L'article 19 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions gĂ©nĂ©rales d'exploitation des Ă©tablissements visĂ©s par le dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 22 dĂ©cembre 2016, est complĂ©tĂ© par ce qui suit :
" - locaux habités : des locaux qui sont utilisés comme lieux de résidence ou tous autres locaux dans lesquels des personnes séjournent habituellement ;
- locaux valablement autorisés à la date du permis ou de la déclaration: les locaux qui, à la date de l'octroi du permis d'environnement ou du permis unique ou à la date de la déclaration, étaient ou sont conformes aux prescriptions applicables en vertu des dispositions relatives à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme. ".
Art. 52. In artikel 21 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 22 december 2016, wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"In de landbouw-, bos-, groen-, natuur-, park- en recreatiegebieden alsook in de gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorziening worden de grenzen gerespecteerd binnen een omtrek van vier meter rond de bewoonde lokalen, geldig toegelaten op de datum van de vergunning of verklaring.".
Art. 52. Dans l'article 21 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 22 dĂ©cembre 2016, l'alinĂ©a 2 est remplacĂ© par ce qui suit :
" Dans les zones agricoles, forestiÚres, d'espaces verts, naturelles, de parc, de loisirs, de services publics et d'équipement communautaire, les limites sont respectées dans un périmÚtre de quatre mÚtres autour des locaux habités, valablement autorisés à la date du permis ou de la déclaration. ".
Afdeling 2. - Wijziging in het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning
Section 2. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif Ă  la procĂ©dure et Ă  diverses mesures d'exĂ©cution du dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement
Art. 53. In artikel 2 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen tot uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, voor het laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 10 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "rubriek 50.50.04.01" worden vervangen door de woorden "rubriek 50.50.04.01.01";
2° bedoeld artikel wordt aangevuld met een nieuw lid, luidend als volgt:
" Als de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op een brandstofverdeelinstallatie die bestemd is voor de bevoorrading van motorvoertuigen met gasvormige alternatieve brandstoffen, zoals bedoeld in rubriek 50.50.04.01.02 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, bevat ze, behalve de gegevens vereist in het formulier bedoeld in het eerste lid, de gegevens opgenomen in bijlage XXXIV bij dit besluit. ".
Art. 53. A l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif Ă  la procĂ©dure et Ă  diverses mesures d'exĂ©cution du dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 dĂ©cembre 2015, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° les mots " rubrique 50.50.04.01. " sont remplacés par les mots " rubrique 50.50.04.01.01 " ;
2° il est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Si la demande de permis d'environnement est relative Ă  une installation de distribution de carburants destinĂ©es Ă  l'alimentation en carburants alternatifs gazeux de rĂ©servoir de vĂ©hicules Ă  moteur visĂ©e par la rubrique 50.50.04.01.02 de l'annexe I de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă  Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es, elle comprend outre les renseignements demandĂ©s dans le formulaire visĂ© Ă  l'alinĂ©a 1er, les informations reprises Ă  l'annexe XXXVI. ".
Art. 54. In artikel 30 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 10 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "rubriek 50.50.04.01" worden vervangen door de woorden "rubriek 50.50.04.01.01";
2° bedoeld artikel wordt aangevuld met een nieuw lid, luidend als volgt:
"Als de globale vergunningsaanvraag betrekking heeft op een brandstofverdeelinstallatie die bestemd is voor de bevoorrading van motorvoertuigen met gasvormige alternatieve brandstoffen, zoals bedoeld in rubriek 50.50.04.01.02 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, bevat ze, behalve de gegevens vereist in het formulier bedoeld in het eerste lid, de gegevens opgenomen in bijlage XXXIV bij dit besluit. ".
Art. 54. A l'article 30 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 dĂ©cembre 2015, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° les mots " rubrique 50.50.04.01. " sont remplacés par les mots " rubrique 50.50.04.01.01 " ;
2° il est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Si la demande de permis unique est relative Ă  une installation de distribution de carburants destinĂ©es Ă  l'alimentation en carburants alternatifs gazeux de rĂ©servoir de vĂ©hicules Ă  moteur visĂ©es par la rubrique 50.50.04.01.02 de l'annexe I de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă  Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es, elle comprend outre les renseignements demandĂ©s dans le formulaire visĂ© Ă  l'alinĂ©a 1er, les informations reprises Ă  l'annexe XXXVI du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. ".
Art. 55. In hetzelfde besluit wordt bijlage XXXIV, ingevoegd bij het besluit van de Waalse regering van 10 december 2015, vervangen door bijlage 1 bij dit besluit.
Art. 55. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, l'annexe XXXIV, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 dĂ©cembre 2015, est remplacĂ©e par l'annexe 1rejointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 56. In hetzelfde besluit wordt een bijlage XXXVI ingevoegd die als bijlage 2 bij dit besluit is gevoegd.
Art. 56. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© une annexe XXXVI qui est jointe en annexe 2 au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Afdeling 3. - Wijziging in het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten
Section 3. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă  Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es
Art. 57. In bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 22 december 2016, wordt de rubriek 50.50.04.01 vervangen als volgt :
"
Art. 57. Dans l'annexe I de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă  Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es, modifiĂ©e en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 22 dĂ©cembre 2016, la rubrique 50.50.04.01 est remplacĂ©e par ce qui suit :
"
Nummer - Installatie of activiteit Klasse EIE Risico Bodem Te raadplegen organen Deelfactoren
ZH ZHR ZI
50.50.04.01 Verdeelinstallatie bestemd voor de bevoorrading van de tanks van motorvoertuigen met gasvormige alternatieve gassen, met uitzondering van de bevoorradingseenheden bedoeld in rubriek 50.50.04.02.
Er wordt verstaan onder :
gasvormige alternatieve brandstof : een brandstof die de vloeibare brandstoffen bij gewone temperatuur en druk (0 ° C en 1 atmosfeer) vervangt als energiebron voor de vervoersmiddelen. Met name: waterstof; aardgas, met inbegrip van biomethaan, in gecomprimeerde gasvorm, doorgaans gecomprimeerd aardgas genoemd, afgekort CNG; aardgas, met inbegrip van biomethaan, in vloeibare vorm, doorgaans vloeibaar aardgas genoemd, afgekort LNG ;vloeibaar petroleumgas, afgekort LPG;
biomehaan: biogas gezuiverd om in een thermische motor gebruikt te worden;
biogas : gas dat ontstaat uit het biologische rottingsproces van biomateries door gebrek aan zuurstof in een biomethaniseringsinstallatie ;
50.50.04.01.01.: wanneer het gaat om gecomprimeerd aardgas 2 DRIGM
50.50.04.01.02.: wanneer het gaat om vloeibaar aardgas. 2 DRIGM
50.50.04.01.03: wanneer het gaat om vloeibaar petroleumgas 2 DRIGM
50.50.04.01.04: wanneer het gaat om waterstof 2 DRIGM
50.50.04.01.09.:in het geval van een gasvormige alternatieve brandstof die niet onder de rubrieken 50.50.04.01.01, 50.50.04.01.02, 50.50.04.01.03 en 50.50.04.01.04 valt 2 DRIGM
Nummer - Installatie of activiteit Klasse EIE Risico Bodem Te raadplegen organen DeelfactorenZH ZHR ZI
50.50.04.01 Verdeelinstallatie bestemd voor de bevoorrading van de tanks van motorvoertuigen met gasvormige alternatieve gassen, met uitzondering van de bevoorradingseenheden bedoeld in rubriek 50.50.04.02.
Er wordt verstaan onder :
gasvormige alternatieve brandstof : een brandstof die de vloeibare brandstoffen bij gewone temperatuur en druk (0 ° C en 1 atmosfeer) vervangt als energiebron voor de vervoersmiddelen. Met name: waterstof; aardgas, met inbegrip van biomethaan, in gecomprimeerde gasvorm, doorgaans gecomprimeerd aardgas genoemd, afgekort CNG; aardgas, met inbegrip van biomethaan, in vloeibare vorm, doorgaans vloeibaar aardgas genoemd, afgekort LNG ;vloeibaar petroleumgas, afgekort LPG;
biomehaan: biogas gezuiverd om in een thermische motor gebruikt te worden;
biogas : gas dat ontstaat uit het biologische rottingsproces van biomateries door gebrek aan zuurstof in een biomethaniseringsinstallatie ; 50.50.04.01.01.: wanneer het gaat om gecomprimeerd aardgas 2 DRIGM 50.50.04.01.02.: wanneer het gaat om vloeibaar aardgas. 2 DRIGM 50.50.04.01.03: wanneer het gaat om vloeibaar petroleumgas 2 DRIGM 50.50.04.01.04: wanneer het gaat om waterstof 2 DRIGM 50.50.04.01.09.:in het geval van een gasvormige alternatieve brandstof die niet onder de rubrieken 50.50.04.01.01, 50.50.04.01.02, 50.50.04.01.03 en 50.50.04.01.04 valt 2 DRIGM
"
Numéro - Installation ou activité Classe EIE Risque Sol Organismes
Ă  consulter
Facteurs de division
ZH ZHR ZI
50.50.04.01 Installation de distribution destinée à l'alimentation en carburants alternatifs gazeux des réservoirs de véhicules à moteur, à l'exception des unités de ravitaillement visées par la rubrique 50.50.04.02.
L'on entend par :
un carburant alternatif gazeux : un carburant qui se substitue aux carburants liquides à température et pression normales (0 ° C et 1 atmosphÚre) en tant que source d'énergie pour les transports. Notamment: l'hydrogÚne; le gaz naturel, y compris le biométhane, sous forme gazeuse comprimée, appelé habituellement gaz naturel comprimé, en abrégé GNC; le gaz naturel, y compris le biométhane, sous forme liquéfiée, appelé habituellement gaz naturel liquéfié, en abrégé GNL; le gaz de pétrole liquéfié, en abrégé GPL;
2° le biométhane : le biogaz épuré en vue de son utilisation dans un moteur thermique;
3° le biogaz : le gaz issu du processus de décomposition biologique de biomatiÚres en l'absence d'oxygÚne dans une installation de biométhanisation.
50.50.04.01.01.: lorsqu'il s'agit de gaz naturel comprimé 2 DRIGM
50.50.04.01.02.: lorsqu'il s'agit de gaz naturel liquéfié 2 DRIGM
50.50.04.01.03 : lorsqu'il s'agit de gaz de pétrole liquéfié 2 DRIGM
50.50.04.01.04 : lorsqu'il s'agit de l'hydrogĂšne 2 DRIGM
50.50.04.01.09 : lorsqu'il s'agit d'un carburant alternatif gazeux non visé par les rubriques 50.50.04.01.01, 50.50.04.01.02, 50.50.04.01.03 et 50.50.04.01.04 2 DRIGM
Numéro - Installation ou activité Classe EIE Risque Sol Organismes
Ă  consulter Facteurs de divisionZH ZHR ZI
50.50.04.01 Installation de distribution destinée à l'alimentation en carburants alternatifs gazeux des réservoirs de véhicules à moteur, à l'exception des unités de ravitaillement visées par la rubrique 50.50.04.02.
L'on entend par :
un carburant alternatif gazeux : un carburant qui se substitue aux carburants liquides à température et pression normales (0 ° C et 1 atmosphÚre) en tant que source d'énergie pour les transports. Notamment: l'hydrogÚne; le gaz naturel, y compris le biométhane, sous forme gazeuse comprimée, appelé habituellement gaz naturel comprimé, en abrégé GNC; le gaz naturel, y compris le biométhane, sous forme liquéfiée, appelé habituellement gaz naturel liquéfié, en abrégé GNL; le gaz de pétrole liquéfié, en abrégé GPL;
2° le biométhane : le biogaz épuré en vue de son utilisation dans un moteur thermique;
3° le biogaz : le gaz issu du processus de décomposition biologique de biomatiÚres en l'absence d'oxygÚne dans une installation de biométhanisation. 50.50.04.01.01.: lorsqu'il s'agit de gaz naturel comprimé 2 DRIGM 50.50.04.01.02.: lorsqu'il s'agit de gaz naturel liquéfié 2 DRIGM 50.50.04.01.03 : lorsqu'il s'agit de gaz de pétrole liquéfié 2 DRIGM 50.50.04.01.04 : lorsqu'il s'agit de l'hydrogÚne 2 DRIGM 50.50.04.01.09 : lorsqu'il s'agit d'un carburant alternatif gazeux non visé par les rubriques 50.50.04.01.01, 50.50.04.01.02, 50.50.04.01.03 et 50.50.04.01.04 2 DRIGM
"
Afdeling 4. - Wijzigingen in het besluit van de Waalse Regering van 10 december 2015 tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de installaties voor de distributie van brandstoffen bestemd om de tanks van motorvoertuigen te bevoorraden met alternatieve gasbrandstof, wanneer het gaat om gecomprimeerd aardgas, en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, alsook het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen tot uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning
Section 4. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 dĂ©cembre 2015 dĂ©terminant les conditions sectorielles relatives aux installations de distribution de carburants destinĂ©es Ă  l'alimentation en carburant alternatif gazeux de rĂ©servoir de vĂ©hicules Ă  moteur, lorsqu'il s'agit de gaz naturel comprimĂ© et modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă  Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es ainsi que l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif Ă  la procĂ©dure et Ă  diverses mesures d'exĂ©cution du dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement
Art. 58. In artikel 1 van het besluit van de Waalse Regering van 10 december 2015 tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de installaties voor de distributie van brandstoffen bestemd om de tanks van motorvoertuigen te bevoorraden met alternatieve gasbrandstof, wanneer het gaat om gecomprimeerd aardgas, en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, alsook het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen tot uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, worden de woorden "rubriek 50.50.04.01." vervangen door de woorden "rubriek 50.50.04.01.01".
Art. 58. Dans l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 10 dĂ©cembre 2015 dĂ©terminant les conditions sectorielles relatives aux installations de distribution de carburants destinĂ©es Ă  l'alimentation en carburant alternatif gazeux de rĂ©servoir de vĂ©hicules Ă  moteur, lorsqu'il s'agit de gaz naturel comprimĂ© et modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă  Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es ainsi que l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif Ă  la procĂ©dure et Ă  diverses mesures d'exĂ©cution du dĂ©cret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les mots " rubrique 50.50.04.01. " sont remplacĂ©s par les mots " rubrique 50.50.04.01.01 ".
Art. 59. Hetzelfde besluit wordt aangevuld met een artikel V/1, dat het artikel 18/1 omvat, luidend als volgt:
"Hoofdstuk V/1. Bepaling inzake de bevoorrading van de verdeelinstallaties van gecomprimeerd aardgas door vloeibaar aardgas
Art. 18/1. § 1er. De uitrusting voor het vullen van de cryogene tank, de cryogene tank en eventuele hulpmiddelen worden geplaatst, gebruikt en gecontroleerd overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 13 december 2018 tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de brandstofverdeelinstallaties voor de bevoorrading van motorvoertuigen met gasvormige alternatieve brandstof, wanneer het gaat om vloeibaar aardgas en tot wijziging van verschillende besluiten van de Waalse Regering betreffende de milieuvergunning.
§ 2. De uitrustingen voor het verwarmen en comprimeren van vloeibaar aardgas tot gecomprimeerd aardgas worden ontworpen, gebouwd en gebruikt overeenkomstig hoofdstuk 11 van de norm EN ISO 16924: 2016 met betrekking tot vulstations voor vloeibaar aardgasvoertuigen, LNG.
§ 3. Het aldus gecomprimeerde aardgas wordt ruikbaar gemaakt voor elke distributie.
De uitrustingen voor het ruikbaar maken van aardgas worden ontworpen, gebouwd en gebruikt overeenkomstig hoofdstuk 12 van de norm EN ISO 16924: 2016 met betrekking tot vulstations voor vloeibaar aardgasvoertuigen, LNG.".
Art. 59. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un chapitre V/1, comportant l'article 18/1, rĂ©digĂ© comme suit :
" Chapitre V/1. Disposition relative à l'alimentation des installations de distribution de gaz naturel comprimé par du gaz naturel liquéfié
Art. 18/1. § 1er. Les Ă©quipements de remplissage du rĂ©servoir cryogĂ©nique, le rĂ©servoir cryogĂ©nique et ses Ă©ventuels auxiliaires sont implantĂ©s, exploitĂ©s et contrĂŽlĂ©s conformĂ©ment Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 13 dĂ©cembre 2018 dĂ©terminant les conditions sectorielles relatives aux installations de distribution de carburants destinĂ©es Ă  l'alimentation en carburant alternatif gazeux de rĂ©servoir de vĂ©hicules Ă  moteur, lorsqu'il s'agit de gaz naturel liquĂ©fiĂ© et modifiant divers arrĂȘtĂ©s du Gouvernement wallon relatif au permis d'environnement.
§ 2. Les équipements de réchauffage et de compression du gaz naturel liquéfié en gaz naturel comprimé sont conçus, réalisés et exploités conformément au chapitre 11 de la norme EN ISO 16924 :2016 relative aux stations de remplissage des véhicules à gaz naturel liquéfié, GNL.
§ 3. Le gaz naturel ainsi comprimé est odorisé avant toute distribution.
Les équipements d'odorisation du gaz naturel sont conçus, réalisés et exploités conformément au chapitre 12 de la norme EN ISO 16924 :2016 relative aux stations de remplissage des véhicules à gaz naturel liquéfié, GNL. ".
Afdeling 5. - Overgangs- en slotbepalingen
Section 5. - Dispositions transitoire et finale
Art. 60. De in de artikelen 53 tot en met 58 bedoelde wijzigingen zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die worden ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Voor vergunningsaanvragen die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend De vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit ingediende vergunningsaanvragen alsmede voor de desbetreffende administratieve beroepen, blijven de regels die van kracht waren op de dag van indiening van de aanvraag van toepassing.
Art. 60. Les modifications visĂ©es aux articles 53 Ă  58 s'appliquent aux demandes de permis introduites Ă  partir de la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Pour les demandes de permis introduites avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ainsi que pour les recours administratifs y relatifs, les rĂšgles en vigueur au jour de l'introduction de la demande continuent Ă  s'appliquer.
Art. 61. De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 61. Le Ministre de l'Environnement est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage XXXI bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure
en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
Informatie met betrekking tot de brandstofverdeelinstallaties bestemd voor de bevoorrading van motorvoertuigen met gasvormige alternatieve brandstof, bedoeld in rubriek 50.50.04.01. van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten.
1° Wanneer de verdeelinstallatie voor gecomprimeerd aardgas wordt bevoorraad door vloeibaar aardgas, gelieve u uitsluitend aan te passen aan "Deel A" van het formulier.
2° Wanneer de verdeelinstallatie voor gecomprimeerd aardgas niet door vloeibaar aardgas wordt bevoorraad, gelieve u uitsluitend aan te passen aan "Deel B" van het formulier.
Art. N1. Annexe XXXIV Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif Ă  la procĂ©dure
et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement
Informations relatives aux installations de distribution de carburants destinĂ©es Ă  l'alimentation en carburant alternatif gazeux de rĂ©servoir de vĂ©hicules Ă  moteur visĂ©es par la rubrique 50.50.04.01.01 de l'annexe I de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă  Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es.
1° Lorsque l'installation de distribution de gaz naturel comprimé est alimentée par du gaz naturel liquéfié, veuillez vous conformer uniquement à la " Partie A " du formulaire ;
2° Lorsque l'installation de distribution de gaz naturel comprimé n'est pas alimentée par du gaz naturel liquéfié, veuillez vous conformez uniquement à la " Partie B " du formulaire.
Deel A. -
Als de capaciteit van de opslag van vloeibaar aardgas in de buffertank(s), uitgedrukt in mĂŒ water, hoger is dan 5 mĂŒ, laat de exploitant zijn vergunningsaanvraag vergezeld gaan van een risicoanalyse waarin minimum de volgende gegevens opgenomen worden :
1° een identificatie en een karakterisering van de potentiële gevaren, met name :
a) de aanwezigheid van stoffen die een ontploffing zouden kunnen veroorzaken;
b) de werking van de mogelijk gevaarlijke installaties;
c) de identificatie van de natuurlijke of elektrische risico's;
2° een uitvoerige analyse van de risico's met, voor elk verschijnsel, de gegevens betreffende de kans dat het zich voordoet, de ernst en de kinetica ervan alsook de afstanden van daarmee gepaarde effecten (overdruk en thermische radiatie) ;
3° een cartografie van de effectgebieden ;
4° een omschrijving van de preventie- en beschermingsmaatregelen m.b.t. de risico's.
Partie A. -
Lorsque la capacitĂ© de stockage de gaz naturel liquĂ©fiĂ© dans le ou les rĂ©servoirs tampons, exprimĂ©e en mĂŒ d'eau, est supĂ©rieure Ă  5 mĂŒ, l'exploitant joint Ă  sa demande de permis une analyse de risques, comprenant au minimum les Ă©lĂ©ments suivants :
1° une identification et une caractérisation des potentiels de dangers, à savoir :
a) la prĂ©sence de matiĂšres susceptibles d'ĂȘtre Ă  l'origine d'une explosion ;
b) le fonctionnement des installations potentiellement dangereuses ;
c) l'identification de risques naturels ou électriques ;
2° une étude détaillée des risques en présentant, pour chaque phénomÚne, les informations relatives à la probabilité d'occurrence, la gravité, la cinétique ainsi que les distances d'effets associés (surpression et radiation thermique) ;
3° une cartographie des zones d'effets ;
4° une description des mesures de prévention et de protection des risques.
Deel B. -
Als de capaciteit van de opslag van gecomprimeerd aardgas in de buffertank(s), uitgedrukt in mĂŒ water, hoger is dan tien mĂŒ, laat de exploitant zijn vergunningsaanvraag vergezeld gaan van een risicoanalyse waarin minimum de volgende gegevens opgenomen worden :
1° een identificatie en een karakterisering van de potentiële gevaren, met name :
a) de aanwezigheid van stoffen die een ontploffing zouden kunnen veroorzaken;
b) de werking van de mogelijk gevaarlijke installaties;
c) de identificatie van de natuurlijke of elektrische risico's;
2° een grondig onderzoek van de risico's met vermelding, voor elk verschijnsel, van informatie betreffende de waarschijnlijkheid, de ernst, de kinetica alsook de verbonden gevolgen (thermische overdruk en straling);
3° een cartografie van de effectgebieden ;
4° een omschrijving van de preventie- en beschermingsmaatregelen m.b.t. de risico's.
Partie B. -
Lorsque la capacitĂ© de stockage de gaz naturel comprimĂ© dans le ou les rĂ©servoirs tampons, exprimĂ©e en mĂŒ d'eau, est supĂ©rieure Ă  dix mĂŒ, l'exploitant joint Ă  sa demande de permis une analyse de risques, comprenant au minimum les Ă©lĂ©ments suivants :
1° une identification et une caractérisation des potentiels de dangers, à savoir :
a) la prĂ©sence de matiĂšres susceptibles d'ĂȘtre Ă  l'origine d'une explosion ;
b) le fonctionnement des installations potentiellement dangereuses ;
c) l'identification de risques naturels ou électriques ;
2° une étude détaillée des risques en présentant, pour chaque phénomÚne, les informations relatives à la probabilité d'occurrence, la gravité, la cinétique ainsi que les distances d'effets associés (surpression et radiation thermique) ;
3° une cartographie des zones d'effets ;
4° une description des mesures de prévention et de protection des risques.
Art. N2. Bijlage XXXVI bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure
en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning
Informatie met betrekking tot de brandstofverdeelinstallaties bestemd voor de bevoorrading van motorvoertuigen met gasvormige alternatieve brandstof, bedoeld in rubriek 50.50.04.01.02 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten.
Als de capaciteit van de opslag van vloeibaar aardgas in de buffertank(s), uitgedrukt in mĂŒ water, hoger is dan vijf mĂŒ, laat de exploitant zijn vergunningsaanvraag vergezeld gaan van een risicoanalyse waarin minimum de volgende gegevens opgenomen worden :
1° een identificatie en een karakterisering van de potentiële gevaren, met name :
a) de aanwezigheid van stoffen die een ontploffing zouden kunnen veroorzaken;
b) de werking van de mogelijk gevaarlijke installaties;
c) de identificatie van de natuurlijke of elektrische risico's;
2° een uitvoerige analyse van de risico's met, voor elk verschijnsel, de gegevens betreffende de kans dat het zich voordoet, de ernst en de kinetica ervan alsook de afstanden van daarmee gepaarde effecten (overdruk en thermische radiatie) ;
3° een cartografie van de effectgebieden ;
4° een omschrijving van de preventie- en beschermingsmaatregelen m.b.t. de risico's.
Art. N2. Annexe XXXVI Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif Ă  la procĂ©dure
et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement
Informations relatives aux installations de distribution de carburants destinĂ©es Ă  l'alimentation en carburant alternatif gazeux de rĂ©servoir de vĂ©hicules Ă  moteur visĂ©es par la rubrique 50.50.04.01.02 de l'annexe I de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrĂȘtant la liste des projets soumis Ă  Ă©tude d'incidences et des installations et activitĂ©s classĂ©es.
Lorsque la capacitĂ© de stockage de gaz naturel liquĂ©fiĂ© dans le ou les rĂ©servoirs tampons, exprimĂ©e en mĂŒ d'eau, est supĂ©rieure Ă  cinq mĂŒ, l'exploitant joint Ă  sa demande de permis une analyse de risques, comprenant au minimum les Ă©lĂ©ments suivants :
1° une identification et une caractérisation des potentiels de dangers, à savoir :
a) la prĂ©sence de matiĂšres susceptibles d'ĂȘtre Ă  l'origine d'une explosion ;
b) le fonctionnement des installations potentiellement dangereuses ;
c) l'identification de risques naturels ou électriques ;
2° une étude détaillée des risques en présentant, pour chaque phénomÚne, les informations relatives à la probabilité d'occurrence, la gravité, la cinétique ainsi que les distances d'effets associés (surpression et radiation thermique) ;
3° une cartographie des zones d'effets ;
4° une description des mesures de prévention et de protection des risques.