Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° aanvrager: naargelang van het geval de persoon met een handicap of zijn wettelijke vertegenwoordiger en, als de persoon met een handicap een rechterlijke beschermingsmaatregel geniet met toepassing van boek I, titel XI, hoofdstuk II, afdeling 3, van het Burgerlijk Wetboek, rekening houdend met de beschermingsmaatregel, de persoon met een handicap en de bewindvoerder samen of de bewindvoerder;
2° agentschap: het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
3° besluit van 24 juli 1991: het besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 1991 betreffende de indiening en afhandeling van de aanvraag tot ondersteuning bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
4° besluit van 27 november 2015: het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget;
5° budget: een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap;
6° dagondersteuning: dagondersteuning als vermeld in artikel 1, 3°, van het besluit van 27 november 2015;
7° decreet van 7 mei 2004: het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
8° directeur: de directeur, vermeld in artikel 3, 2°, van de wet van 5 mei 2014;
9° geïnterneerde persoon: een persoon die geïnterneerd is conform de wet van 5 mei 2014;
10° individuele dienstverleningsovereenkomst: een individuele dienstverleningsovereenkomst als vermeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap;
11° module van ondersteuning: een module van ondersteuning als vermeld in de tabel die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd;
12° persoon met een handicap: een persoon met een handicap als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 7 mei 2004;
13° unit voor geïnterneerden: een unit voor geïnterneerden als vermeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden;
14° vergunde zorgaanbieder: de aanbieder van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning die vergund is conform het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet- rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap;
15° woonondersteuning: de woonondersteuning, vermeld in artikel 1, 23°, van het besluit van 27 november 2015;
16° wet van 5 mei 2014: de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
14 DECEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering over de zorg en ondersteuning voor geïnterneerde personen met een handicap door vergunde zorgaanbieders(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-02-2019 en tekstbijwerking tot 08-10-2025)
Titre
14 DECEMBRE 2018. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux soins et au soutien pour les personnes handicapées internées par des offreurs de soins autorisés(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-02-2019 et mise à jour au 08-10-2025)
Documentinformatie
Numac: 2019010525
Datum: 2018-12-14
Info du document
Numac: 2019010525
Date: 2018-12-14
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Definities
HOOFDSTUK 2. - Doelgroep
HOOFDSTUK 3. - Het aanvragen van een budget en ...
HOOFDSTUK 4. - De aanvraag en afhandeling van d...
HOOFDSTUK 5. - Voorwaarden voor de vergunde zor...
HOOFDSTUK 6. - Organisatie van de ondersteuning
HOOFDSTUK 7. - Subsidiëring van de vergunde zor...
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
BIJLAGE.
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Définitions
CHAPITRE 2. - Groupe-cible
CHAPITRE 3. - La demande d'un budget et la cess...
CHAPITRE 4. - Demande et traitement de la demande
CHAPITRE 5. - Conditions pour les offreurs de s...
CHAPITRE 6. - Organisation du soutien
CHAPITRE 7. - Subventionnement des offreurs de ...
CHAPITRE 8. - Dispositions modificatives
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
ANNEXE.
Tekst (31)
Texte (31)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° demandeur : selon le cas, la personne handicapée ou son représentant légal et, lorsque la personne handicapée bénéficie d'une mesure de protection judiciaire en application du livre I, titre XI, chapitre II, section 3, du Code civil, en tenant compte de la mesure de protection, la personne handicapée et l'administrateur ensemble ou l'administrateur ;
2° agence : l'Agence flamande pour les Personnes handicapées, créée par le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées) ;
3° arrêté du 24 juillet 1991 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991 relatif à l'introduction et traitement de la demande de soutien auprès de l'" Agentschap voor Personen met een Handicap " ;
4° arrêté du 27 novembre 2015 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes majeures handicapées et relatif à la mise à disposition dudit budget ;
5° budget : un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles, tels que visés au chapitre 5 du décret du 25 avril 2014 portant le financement personnalisé pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées ;
6° aide de jour : l'aide de jour prévue à l'article 1er, 3° de l'arrêté du 27 novembre 2015 ;
7° décret du 7 mai 2004 : le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " ;
8° directeur : le directeur, visé à l'article 3, 2°, du décret du 5 mai 2014 ;
9° personne internée : une personne internée conformément à la loi du 5 mai 2014 ;
10° contrat individuel de services : le contrat individuel de services, visé à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées ;
11° module de soutien : un module de soutien tel que visé au tableau repris en annexe jointe au présent arrêté ;
12° personne handicapée : une personne handicapée telle que visée à l'article 2, 2°, du décret du 7 mai 2004 ;
13° unité pour internés : une unité pour internés telle que visée à l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés ;
14° offreur de soins autorisé : l'offreur de soins et de soutien non directement accessibles qui est autorisé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant autorisation des offreurs de soins et de soutien non directement accessibles pour personnes handicapées ;
15° accompagnement au logement : l'accompagnement au logement, visé à l'article 1er, 23°, de l'arrêté du 27 novembre 2015 ;
16° loi du 5 mai 2014 : la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement.
1° demandeur : selon le cas, la personne handicapée ou son représentant légal et, lorsque la personne handicapée bénéficie d'une mesure de protection judiciaire en application du livre I, titre XI, chapitre II, section 3, du Code civil, en tenant compte de la mesure de protection, la personne handicapée et l'administrateur ensemble ou l'administrateur ;
2° agence : l'Agence flamande pour les Personnes handicapées, créée par le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées) ;
3° arrêté du 24 juillet 1991 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991 relatif à l'introduction et traitement de la demande de soutien auprès de l'" Agentschap voor Personen met een Handicap " ;
4° arrêté du 27 novembre 2015 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes majeures handicapées et relatif à la mise à disposition dudit budget ;
5° budget : un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles, tels que visés au chapitre 5 du décret du 25 avril 2014 portant le financement personnalisé pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées ;
6° aide de jour : l'aide de jour prévue à l'article 1er, 3° de l'arrêté du 27 novembre 2015 ;
7° décret du 7 mai 2004 : le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " ;
8° directeur : le directeur, visé à l'article 3, 2°, du décret du 5 mai 2014 ;
9° personne internée : une personne internée conformément à la loi du 5 mai 2014 ;
10° contrat individuel de services : le contrat individuel de services, visé à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées ;
11° module de soutien : un module de soutien tel que visé au tableau repris en annexe jointe au présent arrêté ;
12° personne handicapée : une personne handicapée telle que visée à l'article 2, 2°, du décret du 7 mai 2004 ;
13° unité pour internés : une unité pour internés telle que visée à l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés ;
14° offreur de soins autorisé : l'offreur de soins et de soutien non directement accessibles qui est autorisé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant autorisation des offreurs de soins et de soutien non directement accessibles pour personnes handicapées ;
15° accompagnement au logement : l'accompagnement au logement, visé à l'article 1er, 23°, de l'arrêté du 27 novembre 2015 ;
16° loi du 5 mai 2014 : la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement.
HOOFDSTUK 2. - Doelgroep
CHAPITRE 2. - Groupe-cible
Art.2. Dit besluit is van toepassing op geïnterneerde personen die verblijven in een van de volgende inrichtingen:
1° een inrichting als vermeld in 3, 4°, a), van de wet van 5 mei 2014;
2° een inrichting als vermeld in artikel 3, 4°, b), van de voormelde wet;
3° een inrichting als vermeld in artikel 3, 4°, c), van de voormelde wet;
4° [1 een project dat de bevoegde overheid subsidieert via de samenwerkingsovereenkomsten "opdracht in het kader van de uitbouw van een gedeelte van het zorgtraject voor geïnterneerde personen binnen de hervorming van de geestelijke gezondheidszorg" of "opdracht in het kader van de uitbouw voor het werkingsgebied Vlaanderen van een gedeelte van het zorgtraject voor gedetineerde en geïnterneerde seksuele plegers met een medium-riskprofiel binnen de hervorming van de geestelijke gezondheidszorg" als het een geïnterneerde persoon betreft met een vermoeden van handicap als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 7 mei 2004;]1
5° een unit voor geïnterneerden.
1° een inrichting als vermeld in 3, 4°, a), van de wet van 5 mei 2014;
2° een inrichting als vermeld in artikel 3, 4°, b), van de voormelde wet;
3° een inrichting als vermeld in artikel 3, 4°, c), van de voormelde wet;
4° [1 een project dat de bevoegde overheid subsidieert via de samenwerkingsovereenkomsten "opdracht in het kader van de uitbouw van een gedeelte van het zorgtraject voor geïnterneerde personen binnen de hervorming van de geestelijke gezondheidszorg" of "opdracht in het kader van de uitbouw voor het werkingsgebied Vlaanderen van een gedeelte van het zorgtraject voor gedetineerde en geïnterneerde seksuele plegers met een medium-riskprofiel binnen de hervorming van de geestelijke gezondheidszorg" als het een geïnterneerde persoon betreft met een vermoeden van handicap als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 7 mei 2004;]1
5° een unit voor geïnterneerden.
Art.2. Le présent arrêté s'applique aux personnes internées qui séjournent dans un des établissements suivants :
1° un établissement tel que visé à l'article 3, 4°, a), de la loi du 5 mai 2014 ;
2° un établissement tel que visé à l'article 3, 4°, b) de la loi précitée ;
3° un établissement tel que visé à l'article 3, 4°, c) de la loi précitée ;
4° [1 un projet subventionné par l'autorité compétente par le biais des accords de coopération " mission dans le cadre du développement d'une partie du trajet de soins pour personnes internées dans le cadre de la réforme de la santé mentale " ou " mission dans le cadre du développement pour la zone d'action Flandre d'une partie du trajet de soins pour les auteurs d'infractions sexuelles détenus et internés présentant un profil de risque moyen dans le cadre de la réforme de la santé mentale " s'il s'agit d'une personne internée avec une présomption de handicap telle que visée à l'article 2, 2°, du décret du 7 mai 2004 ;]1
5° une unité pour internés.
1° un établissement tel que visé à l'article 3, 4°, a), de la loi du 5 mai 2014 ;
2° un établissement tel que visé à l'article 3, 4°, b) de la loi précitée ;
3° un établissement tel que visé à l'article 3, 4°, c) de la loi précitée ;
4° [1 un projet subventionné par l'autorité compétente par le biais des accords de coopération " mission dans le cadre du développement d'une partie du trajet de soins pour personnes internées dans le cadre de la réforme de la santé mentale " ou " mission dans le cadre du développement pour la zone d'action Flandre d'une partie du trajet de soins pour les auteurs d'infractions sexuelles détenus et internés présentant un profil de risque moyen dans le cadre de la réforme de la santé mentale " s'il s'agit d'une personne internée avec une présomption de handicap telle que visée à l'article 2, 2°, du décret du 7 mai 2004 ;]1
5° une unité pour internés.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 3. - Het aanvragen van een budget en het stopzetten van de toewijzingen terbeschikkingstelling van een budget
CHAPITRE 3. - La demande d'un budget et la cessation de l'attribution et de la mise à disposition d'un budget
Art.3. § 1. In afwijking van artikel 3 van het besluit van 27 november 2015 kan er geen toewijzing van een budget worden aangevraagd door of voor een geïnterneerde persoon die verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 1° tot en met 4°, van dit besluit.
Het agentschap kan geen budget toewijzen of ter beschikking stellen aan geïnterneerde personen met een handicap die verblijven in een inrichting als vermeld in het eerste lid.
De beslissing van het agentschap tot toewijzing of terbeschikkingstelling van een budget vervalt vanaf het ogenblik dat een geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting als vermeld in het eerste lid.
In afwijking van het derde lid wordt de uitvoering van de beslissing tot toewijzing of terbeschikkingstelling van een budget geschorst gedurende de periode dat de geïnterneerde persoon onder het statuut plaatsing, vermeld in artikel 19 van de wet van 5 mei 2014, verblijft in een inrichting als vermeld in het eerste lid, als gevolg van een voorlopige aanhouding als vermeld in artikel 65 van de voormelde wet, of van een schorsing van een invrijheidstelling op proef of een elektronisch toezicht als vermeld in artikel 61 van de voormelde wet en wordt de beslissing tot toewijzing of terbeschikkingstelling van een budget stopgezet vanaf de eerste dag van de vierde maand na de maand waarin de geïnterneerde persoon met een handicap voor crisisondersteuning of time-out is overgestapt naar een inrichting als vermeld in artikel 2, 4°.
§ 2. In afwijking van artikel 3 van het besluit van 27 november 2015 kunnen de geïnterneerde personen die verblijven in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°, van dit besluit, of die een individuele dienstverleningsovereenkomst hebben afgesloten als vermeld in artikel 9 van dit besluit, ten vroegste een budget aanvragen met toepassing van het besluit van 27 november 2015 vanaf de eerste dag van de zevende maand na de maand waarin ze zijn opgenomen in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°, van dit besluit, of waarin de individuele dienstverleningsovereenkomst is gestart.
In afwijking van artikel 22 van het besluit van 27 november 2015 wordt het dossier niet voorgelegd aan de [2 Vlaamse toeleidingscommissie]2. Er wordt van rechtswege prioriteitengroep 1 toegekend. De vraag naar een budget wordt binnen de prioriteitengroep 1 gerangschikt met de datum van de aanvraag, vermeld in artikel 5 van het besluit van 27 november 2015.
[1 § 3. Als een geïnterneerde persoon met een handicap die verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°, een aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 4, indient bij het agentschap, wordt de aanvraag van een budget waarover het agentschap nog geen beslissing heeft genomen op de datum van de aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 4, van rechtswege stopgezet. De beslissing van het agentschap tot toewijzing van een budget vervalt vanaf de datum van de aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 4.
§ 4. Als het agentschap een budget ter beschikking stelt dat is toegewezen naar aanleiding van een aanvraag van een budget van een geïnterneerde persoon die verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°, van dit besluit, of die een individuele dienstverleningsovereenkomst heeft gesloten als vermeld in artikel 9 van dit besluit, wordt de nood aan zorg en ondersteuning binnen een periode van drie maanden vanaf de datum van de beslissing over de terbeschikkingstelling van het budget opnieuw geobjectiveerd door een multidisciplinair team conform artikel 13 van het besluit van 27 november 2015. Als de nood aan zorg en ondersteuning niet binnen de voormelde periode van drie maanden opnieuw wordt geobjectiveerd, wordt de terbeschikkingstelling stopgezet met ingang van de eerste dag van de zevende maand die volgt op de maand waarin het agentschap de beslissing over de terbeschikkingstelling van het budget heeft genomen. De beslissing tot toewijzing wordt opgeheven met ingang van dezelfde dag.
Het agentschap stelt op basis van de ondersteuningsfuncties en frequenties, vermeld in het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering, vermeld in artikel 1, 15°, van het besluit van 27 november 2015, dat is bezorgd in het kader van de aanvraag van een budget, vermeld in het eerste lid, en op basis van het resultaat van de nieuwe objectivering van de nood aan zorg en ondersteuning, vermeld in het eerste lid, een budgetcategorie vast conform artikel 17 tot en met artikel 21 van het besluit van 27 november 2015. De beslissing tot toewijzing van die budgetcategorie vervangt de eerdere beslissing over de toewijzing van een budget.
Als de budgetcategorie, die wordt vastgesteld conform het tweede lid, lager is dan de budgetcategorie van het budget, vermeld in het eerste lid, dat ter beschikking is gesteld, wordt de nieuwe budgetcategorie toegewezen en ter beschikking gesteld met ingang van de eerste dag van de vierde maand die volgt op de maand waarin het agentschap de beslissing over de terbeschikkingstelling heeft genomen.
Als de budgetcategorie, die wordt vastgesteld conform het tweede lid, hoger is dan de budgetcategorie van het budget, vermeld in het eerste lid, dat ter beschikking gesteld is, wordt die budgetcategorie onmiddellijk toegewezen en ter beschikking gesteld.]1
Het agentschap kan geen budget toewijzen of ter beschikking stellen aan geïnterneerde personen met een handicap die verblijven in een inrichting als vermeld in het eerste lid.
De beslissing van het agentschap tot toewijzing of terbeschikkingstelling van een budget vervalt vanaf het ogenblik dat een geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting als vermeld in het eerste lid.
In afwijking van het derde lid wordt de uitvoering van de beslissing tot toewijzing of terbeschikkingstelling van een budget geschorst gedurende de periode dat de geïnterneerde persoon onder het statuut plaatsing, vermeld in artikel 19 van de wet van 5 mei 2014, verblijft in een inrichting als vermeld in het eerste lid, als gevolg van een voorlopige aanhouding als vermeld in artikel 65 van de voormelde wet, of van een schorsing van een invrijheidstelling op proef of een elektronisch toezicht als vermeld in artikel 61 van de voormelde wet en wordt de beslissing tot toewijzing of terbeschikkingstelling van een budget stopgezet vanaf de eerste dag van de vierde maand na de maand waarin de geïnterneerde persoon met een handicap voor crisisondersteuning of time-out is overgestapt naar een inrichting als vermeld in artikel 2, 4°.
§ 2. In afwijking van artikel 3 van het besluit van 27 november 2015 kunnen de geïnterneerde personen die verblijven in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°, van dit besluit, of die een individuele dienstverleningsovereenkomst hebben afgesloten als vermeld in artikel 9 van dit besluit, ten vroegste een budget aanvragen met toepassing van het besluit van 27 november 2015 vanaf de eerste dag van de zevende maand na de maand waarin ze zijn opgenomen in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°, van dit besluit, of waarin de individuele dienstverleningsovereenkomst is gestart.
In afwijking van artikel 22 van het besluit van 27 november 2015 wordt het dossier niet voorgelegd aan de [2 Vlaamse toeleidingscommissie]2. Er wordt van rechtswege prioriteitengroep 1 toegekend. De vraag naar een budget wordt binnen de prioriteitengroep 1 gerangschikt met de datum van de aanvraag, vermeld in artikel 5 van het besluit van 27 november 2015.
[1 § 3. Als een geïnterneerde persoon met een handicap die verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°, een aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 4, indient bij het agentschap, wordt de aanvraag van een budget waarover het agentschap nog geen beslissing heeft genomen op de datum van de aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 4, van rechtswege stopgezet. De beslissing van het agentschap tot toewijzing van een budget vervalt vanaf de datum van de aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 4.
§ 4. Als het agentschap een budget ter beschikking stelt dat is toegewezen naar aanleiding van een aanvraag van een budget van een geïnterneerde persoon die verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°, van dit besluit, of die een individuele dienstverleningsovereenkomst heeft gesloten als vermeld in artikel 9 van dit besluit, wordt de nood aan zorg en ondersteuning binnen een periode van drie maanden vanaf de datum van de beslissing over de terbeschikkingstelling van het budget opnieuw geobjectiveerd door een multidisciplinair team conform artikel 13 van het besluit van 27 november 2015. Als de nood aan zorg en ondersteuning niet binnen de voormelde periode van drie maanden opnieuw wordt geobjectiveerd, wordt de terbeschikkingstelling stopgezet met ingang van de eerste dag van de zevende maand die volgt op de maand waarin het agentschap de beslissing over de terbeschikkingstelling van het budget heeft genomen. De beslissing tot toewijzing wordt opgeheven met ingang van dezelfde dag.
Het agentschap stelt op basis van de ondersteuningsfuncties en frequenties, vermeld in het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering, vermeld in artikel 1, 15°, van het besluit van 27 november 2015, dat is bezorgd in het kader van de aanvraag van een budget, vermeld in het eerste lid, en op basis van het resultaat van de nieuwe objectivering van de nood aan zorg en ondersteuning, vermeld in het eerste lid, een budgetcategorie vast conform artikel 17 tot en met artikel 21 van het besluit van 27 november 2015. De beslissing tot toewijzing van die budgetcategorie vervangt de eerdere beslissing over de toewijzing van een budget.
Als de budgetcategorie, die wordt vastgesteld conform het tweede lid, lager is dan de budgetcategorie van het budget, vermeld in het eerste lid, dat ter beschikking is gesteld, wordt de nieuwe budgetcategorie toegewezen en ter beschikking gesteld met ingang van de eerste dag van de vierde maand die volgt op de maand waarin het agentschap de beslissing over de terbeschikkingstelling heeft genomen.
Als de budgetcategorie, die wordt vastgesteld conform het tweede lid, hoger is dan de budgetcategorie van het budget, vermeld in het eerste lid, dat ter beschikking gesteld is, wordt die budgetcategorie onmiddellijk toegewezen en ter beschikking gesteld.]1
Art.3. § 1er. Par dérogation à l'article 3 de l'arrêté du 27 novembre 2015, aucune attribution d'un budget ne peut être demandée par ou pour une personne internée qui séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 1° à 4°, du présent arrêté.
L'agence ne peut pas attribuer ou mettre à disposition un budget à des personnes handicapées internées qui séjournent dans un établissement tel que visé à l'alinéa 1er.
La décision de l'agence d'attribution ou de mise à disposition d'un budget échoit à partir du moment où une personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'alinéa 1er.
Par dérogation à l'alinéa 3, l'exécution de la décision d'attribution ou de mise à disposition d'un budget est suspendue pendant la période que la personne internée séjourne, sous le statut du placement, visé à l'article 19 de la loi du 5 mai 2014, dans un établissement tel que visé à l'alinéa 1er, suite à une arrestation provisoire telle que visée à l'article 65 de la loi précitée, ou d'une suspension de la libération à l'essai ou de la surveillance électronique telle que visée à l'article 61 de la loi précitée, et la décision d'attribution ou de mise à disposition d'un budget est arrêtée à partir du premier jour du quatrième mois après le mois auquel la personne handicapée internée est passée à un établissement tel que visé à l'article 2, 4°, pour un soutien en cas de crise ou un time-out.
§ 2. Par dérogation à l'article 3 de l'arrêté du 27 novembre 2015, les personnes internées qui séjournent dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°, du présent arrêté ou qui ont conclu un contrat individuel de services tel que visé à l'article 9 du présent arrêté, peuvent demander un budget en application de l'arrêté du 27 novembre 2015 au plus tôt à partir du premier jour du septième mois après le mois auquel elles sont admises dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°, du présent arrêté, ou auquel le contrat individuel de services a commencé.
Par dérogation à l'article 22 de l'arrêté du 27 novembre 2015, le dossier n'est pas soumis à[2 commission d'orientation flamande]2. Le groupe prioritaire 1 est attribué de plein droit. La demande d'un budget est classée, au sein du groupe prioritaire 1, avec la date de la demande, visée à l'article 5 de l'arrêté du 27 novembre 2015.
[1 § 3. Lorsqu'une personne internée handicapée qui séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°, introduit une demande de soutien visée à l'article 4, auprès de l'agence, la demande d'un budget pour lequel l'agence n'a pas encore pris de décision à la date de la demande de soutien visée à l'article 4, prend fin de plein droit. La décision de l'agence d'attribution d'un budget expire à partir de la date de la demande de soutien visée à l'article 4.
§ 4. Lorsque l'agence met à disposition un budget qui est attribué suite à une demande d'un budget d'une personne internée qui séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°, du présent arrêté, ou qui a conclu un contrat individuel de services tel que visé à l'article 9 du présent arrêté, la nécessité de soins et de soutien est à nouveau objectivée par une équipe multidisciplinaire conformément à l'article 13 de l'arrêté du 27 novembre 2015 dans une période de trois mois à partir de la date de la décision relative à la mise à disposition du budget. Si la nécessité de soins et de soutien n'est pas à nouveau objectivée dans la période de trois mois précitée, la mise à disposition est arrêtée à partir du premier jour du septième mois qui suit le mois au cours duquel l'agence a pris la décision de mise à disposition du budget. La décision d'attribution est abrogée à partir du même jour.
Sur la base des fonctions de soutien et des fréquences visées au plan de soutien du financement personnalisé visé à l'article 1, 15°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, qui est fourni dans le cadre de la demande d'un budget visé à l'alinéa premier, et sur la base du résultat de la nouvelle objectivation de la nécessité de soins et de soutien visé à l'alinéa premier, l'agence fixe une catégorie budgétaire conformément aux articles 17 à 21 de l'arrêté du 27 novembre 2015. La décision d'attribution de cette catégorie budgétaire remplace la décision antérieure d'attribution d'un budget.
Si la catégorie budgétaire, fixée conformément à l'alinéa deux, est inférieure à la catégorie budgétaire du budget visée à l'alinéa premier, qui est mise à disposition, la nouvelle catégorie budgétaire est attribuée et mise à disposition à partir du premier jour du quatrième mois qui suit le mois au cours duquel l'agence a pris la décision sur la mise à disposition.
Lorsque la catégorie budgétaire, fixée conformément à l'alinéa deux, est supérieure à la catégorie budgétaire du budget visée à l'alinéa premier, qui est mise à disposition, cette catégorie budgétaire est immédiatement attribuée et mise à disposition.]1
L'agence ne peut pas attribuer ou mettre à disposition un budget à des personnes handicapées internées qui séjournent dans un établissement tel que visé à l'alinéa 1er.
La décision de l'agence d'attribution ou de mise à disposition d'un budget échoit à partir du moment où une personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'alinéa 1er.
Par dérogation à l'alinéa 3, l'exécution de la décision d'attribution ou de mise à disposition d'un budget est suspendue pendant la période que la personne internée séjourne, sous le statut du placement, visé à l'article 19 de la loi du 5 mai 2014, dans un établissement tel que visé à l'alinéa 1er, suite à une arrestation provisoire telle que visée à l'article 65 de la loi précitée, ou d'une suspension de la libération à l'essai ou de la surveillance électronique telle que visée à l'article 61 de la loi précitée, et la décision d'attribution ou de mise à disposition d'un budget est arrêtée à partir du premier jour du quatrième mois après le mois auquel la personne handicapée internée est passée à un établissement tel que visé à l'article 2, 4°, pour un soutien en cas de crise ou un time-out.
§ 2. Par dérogation à l'article 3 de l'arrêté du 27 novembre 2015, les personnes internées qui séjournent dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°, du présent arrêté ou qui ont conclu un contrat individuel de services tel que visé à l'article 9 du présent arrêté, peuvent demander un budget en application de l'arrêté du 27 novembre 2015 au plus tôt à partir du premier jour du septième mois après le mois auquel elles sont admises dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°, du présent arrêté, ou auquel le contrat individuel de services a commencé.
Par dérogation à l'article 22 de l'arrêté du 27 novembre 2015, le dossier n'est pas soumis à[2 commission d'orientation flamande]2. Le groupe prioritaire 1 est attribué de plein droit. La demande d'un budget est classée, au sein du groupe prioritaire 1, avec la date de la demande, visée à l'article 5 de l'arrêté du 27 novembre 2015.
[1 § 3. Lorsqu'une personne internée handicapée qui séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°, introduit une demande de soutien visée à l'article 4, auprès de l'agence, la demande d'un budget pour lequel l'agence n'a pas encore pris de décision à la date de la demande de soutien visée à l'article 4, prend fin de plein droit. La décision de l'agence d'attribution d'un budget expire à partir de la date de la demande de soutien visée à l'article 4.
§ 4. Lorsque l'agence met à disposition un budget qui est attribué suite à une demande d'un budget d'une personne internée qui séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°, du présent arrêté, ou qui a conclu un contrat individuel de services tel que visé à l'article 9 du présent arrêté, la nécessité de soins et de soutien est à nouveau objectivée par une équipe multidisciplinaire conformément à l'article 13 de l'arrêté du 27 novembre 2015 dans une période de trois mois à partir de la date de la décision relative à la mise à disposition du budget. Si la nécessité de soins et de soutien n'est pas à nouveau objectivée dans la période de trois mois précitée, la mise à disposition est arrêtée à partir du premier jour du septième mois qui suit le mois au cours duquel l'agence a pris la décision de mise à disposition du budget. La décision d'attribution est abrogée à partir du même jour.
Sur la base des fonctions de soutien et des fréquences visées au plan de soutien du financement personnalisé visé à l'article 1, 15°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, qui est fourni dans le cadre de la demande d'un budget visé à l'alinéa premier, et sur la base du résultat de la nouvelle objectivation de la nécessité de soins et de soutien visé à l'alinéa premier, l'agence fixe une catégorie budgétaire conformément aux articles 17 à 21 de l'arrêté du 27 novembre 2015. La décision d'attribution de cette catégorie budgétaire remplace la décision antérieure d'attribution d'un budget.
Si la catégorie budgétaire, fixée conformément à l'alinéa deux, est inférieure à la catégorie budgétaire du budget visée à l'alinéa premier, qui est mise à disposition, la nouvelle catégorie budgétaire est attribuée et mise à disposition à partir du premier jour du quatrième mois qui suit le mois au cours duquel l'agence a pris la décision sur la mise à disposition.
Lorsque la catégorie budgétaire, fixée conformément à l'alinéa deux, est supérieure à la catégorie budgétaire du budget visée à l'alinéa premier, qui est mise à disposition, cette catégorie budgétaire est immédiatement attribuée et mise à disposition.]1
Art.4. Geïnterneerde personen kunnen, binnen de grenzen van de middelen die daarvoor zijn vastgelegd op zijn begroting bij het agentschap aanspraak maken op zorg en ondersteuning voor geïnterneerde personen met een handicap die wordt geboden door een vergunde zorgaanbieder die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7 van dit besluit, en daarvoor wordt gesubsidieerd door het agentschap, als ze aan al de volgende voorwaarden voldoen:
1° ze verblijven op het moment van de aanvraag van ondersteuning conform dit besluit in een inrichting als vermeld in artikel 2 van dit besluit;
2° ze zijn door het agentschap erkend als een persoon met een handicap en zijn geen persoon met uitsluitend een of meer psychische stoornissen als vermeld in artikel 2 van het besluit van 27 november 2015;
3° het agentschap heeft positief beslist over de aanvraag van ondersteuning conform dit besluit;
4° ze hebben nood aan ondersteuning die wordt geboden vanuit een handicapspecifieke en forensische knowhow binnen een aangepaste infrastructuur als vermeld in artikel 7, tweede lid, van dit besluit.
1° ze verblijven op het moment van de aanvraag van ondersteuning conform dit besluit in een inrichting als vermeld in artikel 2 van dit besluit;
2° ze zijn door het agentschap erkend als een persoon met een handicap en zijn geen persoon met uitsluitend een of meer psychische stoornissen als vermeld in artikel 2 van het besluit van 27 november 2015;
3° het agentschap heeft positief beslist over de aanvraag van ondersteuning conform dit besluit;
4° ze hebben nood aan ondersteuning die wordt geboden vanuit een handicapspecifieke en forensische knowhow binnen een aangepaste infrastructuur als vermeld in artikel 7, tweede lid, van dit besluit.
Art.4. Dans les limites des moyens engagés à cet effet à son budget auprès de l'agence, les personnes internées peuvent prétendre aux soins et au soutien pour les personnes handicapées internées qui sont offerts par un offreur de soins autorisé qui répond aux conditions visées à l'article 7 du présent arrêté, et qui est subventionné à cet effet par l'agence, si elles répondent à toutes les conditions suivantes :
1° conformément au présent arrêté, elles séjournent dans un établissement tel que visé à l'article 2 du présent arrêté, au moment de la demande de soutien ;
2° elles sont agréées par l'agence en tant que personne handicapée et ne sont pas de personne atteinte d'un seul trouble mental ou de troubles mentaux multiples telle que visée à l'article 2 de l'arrêté du 27 novembre 2015 ;
3° l'agence a pris une décision positive sur la demande de soutien conformément au présent arrêté ;
4° elles ont besoin de soutien qui est offert à partir de savoir-faire spécifique au handicap et médicolégal au sein d'une infrastructure adaptée telle que visée à l'article 7, alinéa 2, du présent arrêté.
1° conformément au présent arrêté, elles séjournent dans un établissement tel que visé à l'article 2 du présent arrêté, au moment de la demande de soutien ;
2° elles sont agréées par l'agence en tant que personne handicapée et ne sont pas de personne atteinte d'un seul trouble mental ou de troubles mentaux multiples telle que visée à l'article 2 de l'arrêté du 27 novembre 2015 ;
3° l'agence a pris une décision positive sur la demande de soutien conformément au présent arrêté ;
4° elles ont besoin de soutien qui est offert à partir de savoir-faire spécifique au handicap et médicolégal au sein d'une infrastructure adaptée telle que visée à l'article 7, alinéa 2, du présent arrêté.
HOOFDSTUK 4. - De aanvraag en afhandeling van de aanvraag
CHAPITRE 4. - Demande et traitement de la demande
Art.5. De aanvraag van de ondersteuning, vermeld in artikel 4, omvat al de volgende elementen:
1° een aanvraagdocument waarvan het sjabloon wordt vastgesteld door het agentschap;
2° een verslag dat is opgesteld door een multidisciplinair team als vermeld in artikel 22, eerste lid, van het besluit van 24 juli 1991, waarin informatie wordt aangeleverd die toelaat te beoordelen of de persoon die ondersteuning vraagt of de persoon voor wie ondersteuning wordt gevraagd, al dan niet een persoon is met een handicap, met in voorkomend geval een positief of negatief advies daarover als vermeld in artikel 28, § 1, van het voormelde besluit, en een duidelijke en omstandige afbakening van de toestand en de behoeften van de aanvrager op medisch, psychopedagogisch en sociaal gebied als vermeld in artikel 28, § 2, eerste lid, 1°, van het voormelde besluit;
3° een verslag dat wordt opgemaakt door de directeur als de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 1° of 2°, van dit besluit, of door de verantwoordelijke van de zorg als de persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 3° of 4°, van dit besluit, door of de verantwoordelijke van de unit voor geïnterneerden als de persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°, van dit besluit. In het verslag wordt een inschatting geformuleerd van de nood aan begeleiding en de nood aan permanentie van de geïnterneerde persoon en wordt omstandig gemotiveerd waarom de persoon ondersteuning als vermeld in artikel 4, 4°, van dit besluit, nodig heeft en waaruit die ondersteuning moet bestaan. De nodige zorg en ondersteuning wordt uitgedrukt aan de hand van de ondersteuningsfuncties woonondersteuning, dagondersteuning en individuele ondersteuningsfuncties, met vermelding van de frequentie als woonondersteuning of dagondersteuning noodzakelijk wordt geacht. De frequentie van woonondersteuning wordt uitgedrukt in nachten per week. De frequentie van dagondersteuning wordt uitgedrukt in dagen per week.
In het eerste lid, 3°, wordt verstaan onder:
1° individuele ondersteuningsfuncties: de individuele ondersteuningsfuncties, vermeld in artikel 1, 7°, van het besluit van 27 november 2015;
2° nood aan begeleiding: de nood aan ondersteuning door personen overdag;
3° nood aan permanentie: de nood aan aanwezigheid van en toezicht door personen overdag, en nachtpermanentie, die de nood aan toezicht en ondersteuning 's nachts uitdrukt;
4° ondersteuningsfuncties: de ondersteuningsfuncties, vermeld in artikel 1, 14°, van het besluit van 27 november 2015.
Als de geïnterneerde persoon die ondersteuning vraagt of voor wie ondersteuning wordt gevraagd, al is erkend door het agentschap als een persoon met een handicap hoeft het verslag, vermeld in het eerste lid, 2°, niet te worden aangeleverd.
Het aanvraagdocument, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt ondertekend door de aanvrager en door:
1° de directeur als de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 1° of 2° ;
2° de verantwoordelijke van de zorg als de persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 3° of 4° ;
3° de verantwoordelijke van de unit voor geïnterneerden als de persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°.
Het aanvraagdocument, vermeld in het eerste lid, 1°, en het verslag, vermeld in het eerste lid, 3°, worden op de door het agentschap vastgestelde elektronische wijze aan het agentschap bezorgd door:
1° de directeur als de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 1° of 2° ;
2° de verantwoordelijke van de zorg als de persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 3° of 4° ;
3° de verantwoordelijke van de unit voor geïnterneerden als de persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°.
Het agentschap controleert of de aanvraag conform het eerste tot en met het vijfde lid is ingediend en kan bijkomende informatie opvragen of in voorkomend geval vragen om de aanvraag te vervolledigen. Als de gevraagde informatie niet wordt aangeleverd of de aanvraag niet wordt vervolledigd binnen een maand vanaf de dag waarop het agentschap heeft gevraagd informatie aan te leveren of het dossier te vervolledigen, wordt de aanvraag stopgezet.
1° een aanvraagdocument waarvan het sjabloon wordt vastgesteld door het agentschap;
2° een verslag dat is opgesteld door een multidisciplinair team als vermeld in artikel 22, eerste lid, van het besluit van 24 juli 1991, waarin informatie wordt aangeleverd die toelaat te beoordelen of de persoon die ondersteuning vraagt of de persoon voor wie ondersteuning wordt gevraagd, al dan niet een persoon is met een handicap, met in voorkomend geval een positief of negatief advies daarover als vermeld in artikel 28, § 1, van het voormelde besluit, en een duidelijke en omstandige afbakening van de toestand en de behoeften van de aanvrager op medisch, psychopedagogisch en sociaal gebied als vermeld in artikel 28, § 2, eerste lid, 1°, van het voormelde besluit;
3° een verslag dat wordt opgemaakt door de directeur als de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 1° of 2°, van dit besluit, of door de verantwoordelijke van de zorg als de persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 3° of 4°, van dit besluit, door of de verantwoordelijke van de unit voor geïnterneerden als de persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°, van dit besluit. In het verslag wordt een inschatting geformuleerd van de nood aan begeleiding en de nood aan permanentie van de geïnterneerde persoon en wordt omstandig gemotiveerd waarom de persoon ondersteuning als vermeld in artikel 4, 4°, van dit besluit, nodig heeft en waaruit die ondersteuning moet bestaan. De nodige zorg en ondersteuning wordt uitgedrukt aan de hand van de ondersteuningsfuncties woonondersteuning, dagondersteuning en individuele ondersteuningsfuncties, met vermelding van de frequentie als woonondersteuning of dagondersteuning noodzakelijk wordt geacht. De frequentie van woonondersteuning wordt uitgedrukt in nachten per week. De frequentie van dagondersteuning wordt uitgedrukt in dagen per week.
In het eerste lid, 3°, wordt verstaan onder:
1° individuele ondersteuningsfuncties: de individuele ondersteuningsfuncties, vermeld in artikel 1, 7°, van het besluit van 27 november 2015;
2° nood aan begeleiding: de nood aan ondersteuning door personen overdag;
3° nood aan permanentie: de nood aan aanwezigheid van en toezicht door personen overdag, en nachtpermanentie, die de nood aan toezicht en ondersteuning 's nachts uitdrukt;
4° ondersteuningsfuncties: de ondersteuningsfuncties, vermeld in artikel 1, 14°, van het besluit van 27 november 2015.
Als de geïnterneerde persoon die ondersteuning vraagt of voor wie ondersteuning wordt gevraagd, al is erkend door het agentschap als een persoon met een handicap hoeft het verslag, vermeld in het eerste lid, 2°, niet te worden aangeleverd.
Het aanvraagdocument, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt ondertekend door de aanvrager en door:
1° de directeur als de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 1° of 2° ;
2° de verantwoordelijke van de zorg als de persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 3° of 4° ;
3° de verantwoordelijke van de unit voor geïnterneerden als de persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°.
Het aanvraagdocument, vermeld in het eerste lid, 1°, en het verslag, vermeld in het eerste lid, 3°, worden op de door het agentschap vastgestelde elektronische wijze aan het agentschap bezorgd door:
1° de directeur als de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 1° of 2° ;
2° de verantwoordelijke van de zorg als de persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 3° of 4° ;
3° de verantwoordelijke van de unit voor geïnterneerden als de persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°.
Het agentschap controleert of de aanvraag conform het eerste tot en met het vijfde lid is ingediend en kan bijkomende informatie opvragen of in voorkomend geval vragen om de aanvraag te vervolledigen. Als de gevraagde informatie niet wordt aangeleverd of de aanvraag niet wordt vervolledigd binnen een maand vanaf de dag waarop het agentschap heeft gevraagd informatie aan te leveren of het dossier te vervolledigen, wordt de aanvraag stopgezet.
Art.5. La demande du soutien, visée à l'article 4, comprend tous les éléments suivants :
1° un document de demande dont le modèle est fixé par l'agence ;
2° un rapport établi par une équipe multidisciplinaire telle que visée à l'article 22, alinéa 1er, de l'arrêté du 24 juillet 1991, qui fournit les informations permettant à évaluer si la personne qui demande le soutien ou la personne pour laquelle le soutien est demandé, est ou non une personne handicapée, le cas échéant avec un avis positif ou négatif à ce sujet, tel que visé à l'article 28, § 1er, de l'arrêté précité, et une délimitation claire et circonstanciée de la situation et des besoins du demandeur sur le plan médical, psychopédagogique et social, telle que visée à l'article 28, § 2, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté précité ;
3° un rapport établi par le directeur si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 1° ou 2°, du présent arrêté, ou par le responsable des soins si la personne séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 3° ou 4°, du présent arrêté, ou par le responsable de l'unité pour internés si la personne séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°, du présent arrêté. Le rapport formule une estimation du besoin d'accompagnement et du besoin de permanence de la personne internée, et motive de manière circonstanciée pourquoi la personne a besoin du soutien tel que visé à l'article 4, 4°, du présent arrêté, et ce que ce soutien doit comprendre. Les soins et le soutien nécessaires sont exprimés à l'aide des fonctions de soutien `accompagnement au logement', `accompagnement de jour' et des fonctions de soutien individuel, avec mention de la fréquence si l'accompagnement au logement ou l'accompagnement de jour sont censés nécessaires. La fréquence de l'accompagnement au logement est exprimée en nuits par semaine. La fréquence de l'accompagnement de jour est exprimée en jours par semaine.
Dans l'alinéa 1er, 3°, on entend par :
1° fonctions de soutien individuel : les fonctions de soutien individuel, visées à l'article 1er, 7°, de l'arrêté du 27 novembre 2015 ;
2° besoin d'accompagnement : le besoin de soutien par des personnes pendant la journée ;
3° besoin de permanence : le besoin de la présence de personnes et de la surveillance par ces personnes, et la permanence de nuit, qui exprime le besoin de surveillance et de soutien de nuit ;
4° fonctions de soutien : les fonctions de soutien, visées à l'article 1er, 14°, de l'arrêté du 27 novembre 2015.
Si la personne internée qui demande le soutien ou pour qui le soutien est demandé, est déjà reconnue par l'agence comme personne handicapée, le rapport visé à l'alinéa 1er, 2°, ne doit pas être remis.
Le document de demande, visé à l'alinéa 1er, 1°, est signé par le demandeur et par :
1° le directeur si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 1° ou 2° ;
2° le responsable des soins si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 3° ou 4° ;
3° le responsable de l'unité pour internés si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°.
Le document de demande, visé à l'alinéa 1er, 1°, et le rapport, visé à l'alinéa 1er, 3°, sont transmis à l'agence de la manière électronique établie par l'agence :
1° par le directeur si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 1° ou 2° ;
2° par le responsable des soins si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 3° ou 4° ;
3° par le responsable de l'unité pour internés si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°.
L'agence contrôle si le demande est introduite conformément aux alinéas 1er à 5, et peut demander des informations supplémentaires ou, le cas échéant, demander de compléter la demande. Si les informations demandées ne sont pas fournies ou si la demande n'est pas complétée dans un mois à partir du jour auquel l'agence a demandé de fournir des informations ou de compléter le dossier, la demande est arrêtée.
1° un document de demande dont le modèle est fixé par l'agence ;
2° un rapport établi par une équipe multidisciplinaire telle que visée à l'article 22, alinéa 1er, de l'arrêté du 24 juillet 1991, qui fournit les informations permettant à évaluer si la personne qui demande le soutien ou la personne pour laquelle le soutien est demandé, est ou non une personne handicapée, le cas échéant avec un avis positif ou négatif à ce sujet, tel que visé à l'article 28, § 1er, de l'arrêté précité, et une délimitation claire et circonstanciée de la situation et des besoins du demandeur sur le plan médical, psychopédagogique et social, telle que visée à l'article 28, § 2, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté précité ;
3° un rapport établi par le directeur si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 1° ou 2°, du présent arrêté, ou par le responsable des soins si la personne séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 3° ou 4°, du présent arrêté, ou par le responsable de l'unité pour internés si la personne séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°, du présent arrêté. Le rapport formule une estimation du besoin d'accompagnement et du besoin de permanence de la personne internée, et motive de manière circonstanciée pourquoi la personne a besoin du soutien tel que visé à l'article 4, 4°, du présent arrêté, et ce que ce soutien doit comprendre. Les soins et le soutien nécessaires sont exprimés à l'aide des fonctions de soutien `accompagnement au logement', `accompagnement de jour' et des fonctions de soutien individuel, avec mention de la fréquence si l'accompagnement au logement ou l'accompagnement de jour sont censés nécessaires. La fréquence de l'accompagnement au logement est exprimée en nuits par semaine. La fréquence de l'accompagnement de jour est exprimée en jours par semaine.
Dans l'alinéa 1er, 3°, on entend par :
1° fonctions de soutien individuel : les fonctions de soutien individuel, visées à l'article 1er, 7°, de l'arrêté du 27 novembre 2015 ;
2° besoin d'accompagnement : le besoin de soutien par des personnes pendant la journée ;
3° besoin de permanence : le besoin de la présence de personnes et de la surveillance par ces personnes, et la permanence de nuit, qui exprime le besoin de surveillance et de soutien de nuit ;
4° fonctions de soutien : les fonctions de soutien, visées à l'article 1er, 14°, de l'arrêté du 27 novembre 2015.
Si la personne internée qui demande le soutien ou pour qui le soutien est demandé, est déjà reconnue par l'agence comme personne handicapée, le rapport visé à l'alinéa 1er, 2°, ne doit pas être remis.
Le document de demande, visé à l'alinéa 1er, 1°, est signé par le demandeur et par :
1° le directeur si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 1° ou 2° ;
2° le responsable des soins si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 3° ou 4° ;
3° le responsable de l'unité pour internés si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°.
Le document de demande, visé à l'alinéa 1er, 1°, et le rapport, visé à l'alinéa 1er, 3°, sont transmis à l'agence de la manière électronique établie par l'agence :
1° par le directeur si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 1° ou 2° ;
2° par le responsable des soins si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 3° ou 4° ;
3° par le responsable de l'unité pour internés si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°.
L'agence contrôle si le demande est introduite conformément aux alinéas 1er à 5, et peut demander des informations supplémentaires ou, le cas échéant, demander de compléter la demande. Si les informations demandées ne sont pas fournies ou si la demande n'est pas complétée dans un mois à partir du jour auquel l'agence a demandé de fournir des informations ou de compléter le dossier, la demande est arrêtée.
Art.6. § 1. Als de persoon die zorg en ondersteuning, als vermeld in artikel 4, vraagt of voor wie die zorg en ondersteuning wordt gevraagd, nog niet erkend is als een persoon met een handicap, legt het agentschap het dossier voor aan de [2 Vlaamse toeleidingscommissie]2, vermeld in artikel 12 van het besluit van 24 juli 1991.
De [2 Vlaamse toeleidingscommissie]2, vermeld in het eerste lid, bepaalt of de persoon getroffen is door een handicap als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 7 mei 2004. De [2 Vlaamse toeleidingscommissie]2 steunt haar beoordeling op het verslag, vermeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van dit besluit.
De aanvrager kan vragen om te worden gehoord door de [2 Vlaamse toeleidingscommissie]2, vermeld in het eerste lid.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt het dossier niet voorgelegd aan de [2 Vlaamse toeleidingscommissie]2, vermeld in artikel 12 van het besluit van 24 juli 1991, als de persoon zich in een van de situaties bevindt, vermeld in artikel 2, § 2bis, van het voormelde besluit. De persoon die zich bevindt in een van de situaties, vermeld in het voormelde artikel 2, § 2bis, wordt automatisch erkend als een persoon met een handicap.
§ 3. Het agentschap onderzoekt of is voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 20 en 21 van het decreet van 7 mei 2004.
Als de persoon is erkend als een persoon met een handicap en er is voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 20 en 21 van het decreet van 7 mei 2004, bepaalt het agentschap op basis van het verslag, vermeld in artikel 5, eerste lid, 3°, van dit besluit, conform de tabel die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, de module van ondersteuning die kan worden toegewezen.
Het agentschap kan geen combinatie van modules van ondersteuning toewijzen. Het agentschap kan de module dag- en woonondersteuning + toewijzen als in het verslag, vermeld artikel 5, eerste lid, 3°, een van de volgende situaties is aangetoond:
1° de geïnterneerde persoon heeft voltijds dag- en woonondersteuning nodig, er moet voortdurend iemand aanwezig zijn en er moet toezicht uitgeoefend worden binnen gehoorsafstand;
2° de geïnterneerde persoon heeft voltijds dag- en woonondersteuning nodig, er moet voortdurend iemand moet aanwezig zijn zonder dat die persoon voortdurend toezicht moet uitoefenen en de persoon heeft dagelijks ondersteuning nodig op de meeste levensdomeinen, voornamelijk in de vorm van inhoudelijke of praktische begeleiding van een deel van de activiteit.
De beslissing tot toewijzing of weigering van een module ondersteuning als vermeld in de tabel die opgenomen is in de bijlage bij die dit besluit is gevoegd, wordt meegedeeld:
1° aan de aanvrager en aan de directeur als de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 1° of 2° ;
2° aan de verantwoordelijke van de zorg als de persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 3° of 4° ;
3° aan de verantwoordelijke van de unit voor geïnterneerden als de persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°.
De beslissing van het agentschap tot toewijzing van een module ondersteuning als vermeld in de tabel die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, vervalt in volgende gevallen:
1° als er binnen het jaar te rekenen vanaf de datum van de beslissing, vermeld in paragraaf 3, vierde lid, geen individuele dienstverleningsovereenkomst als vermeld in artikel 9 van dit besluit, is geregistreerd bij het agentschap;
2° [1 vanaf het ogenblik van de definitieve invrijheidstelling, vermeld in artikel 77 van de wet van 5 mei 2014, behalve als een individuele dienstverleningsovereenkomst als vermeld in artikel 9 van dit besluit, is aangegaan en een budget is toegewezen of aangevraagd of binnen drie maanden na de datum van de definitieve invrijheidstelling een ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering als vermeld in artikel 1, 15°, van het besluit 27 november 2015, aan het agentschap is bezorgd;]1
3° als een budget ter beschikking wordt gesteld aan de geïnterneerde persoon;
4° als de geïnterneerde persoon opnieuw verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2 van dit besluit;
[1 5° vanaf de dag van het overlijden van de geïnterneerde persoon;
6° vanaf de datum van de beslissing van het agentschap tot toewijzing van ondersteuning als vermeld in artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden.]1
In afwijking van het vijfde lid, 4°, wordt de beslissing van het agentschap tot toewijzing van een module ondersteuning als vermeld in de tabel die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, geschorst gedurende de periode dat de geïnterneerde persoon onder het statuut plaatsing, vermeld in artikel 19 van de wet van 5 mei 2014, verblijft in een inrichting als vermeld in het eerste lid, als gevolg van een voorlopige aanhouding als vermeld in artikel 65 van de voormelde wet, of van een schorsing van een invrijheidstelling op proef of een elektronisch toezicht als vermeld in artikel 61 van de voormelde wet en wordt de beslissing tot toewijzing van een module ondersteuning stopgezet vanaf de eerste dag van de vierde maand na de maand waarin de geïnterneerde persoon met een handicap voor crisisondersteuning of time-out is overgestapt naar een inrichting als vermeld in artikel 2, 4°.
De [2 Vlaamse toeleidingscommissie]2, vermeld in het eerste lid, bepaalt of de persoon getroffen is door een handicap als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 7 mei 2004. De [2 Vlaamse toeleidingscommissie]2 steunt haar beoordeling op het verslag, vermeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van dit besluit.
De aanvrager kan vragen om te worden gehoord door de [2 Vlaamse toeleidingscommissie]2, vermeld in het eerste lid.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt het dossier niet voorgelegd aan de [2 Vlaamse toeleidingscommissie]2, vermeld in artikel 12 van het besluit van 24 juli 1991, als de persoon zich in een van de situaties bevindt, vermeld in artikel 2, § 2bis, van het voormelde besluit. De persoon die zich bevindt in een van de situaties, vermeld in het voormelde artikel 2, § 2bis, wordt automatisch erkend als een persoon met een handicap.
§ 3. Het agentschap onderzoekt of is voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 20 en 21 van het decreet van 7 mei 2004.
Als de persoon is erkend als een persoon met een handicap en er is voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 20 en 21 van het decreet van 7 mei 2004, bepaalt het agentschap op basis van het verslag, vermeld in artikel 5, eerste lid, 3°, van dit besluit, conform de tabel die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, de module van ondersteuning die kan worden toegewezen.
Het agentschap kan geen combinatie van modules van ondersteuning toewijzen. Het agentschap kan de module dag- en woonondersteuning + toewijzen als in het verslag, vermeld artikel 5, eerste lid, 3°, een van de volgende situaties is aangetoond:
1° de geïnterneerde persoon heeft voltijds dag- en woonondersteuning nodig, er moet voortdurend iemand aanwezig zijn en er moet toezicht uitgeoefend worden binnen gehoorsafstand;
2° de geïnterneerde persoon heeft voltijds dag- en woonondersteuning nodig, er moet voortdurend iemand moet aanwezig zijn zonder dat die persoon voortdurend toezicht moet uitoefenen en de persoon heeft dagelijks ondersteuning nodig op de meeste levensdomeinen, voornamelijk in de vorm van inhoudelijke of praktische begeleiding van een deel van de activiteit.
De beslissing tot toewijzing of weigering van een module ondersteuning als vermeld in de tabel die opgenomen is in de bijlage bij die dit besluit is gevoegd, wordt meegedeeld:
1° aan de aanvrager en aan de directeur als de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 1° of 2° ;
2° aan de verantwoordelijke van de zorg als de persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 3° of 4° ;
3° aan de verantwoordelijke van de unit voor geïnterneerden als de persoon verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 5°.
De beslissing van het agentschap tot toewijzing van een module ondersteuning als vermeld in de tabel die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, vervalt in volgende gevallen:
1° als er binnen het jaar te rekenen vanaf de datum van de beslissing, vermeld in paragraaf 3, vierde lid, geen individuele dienstverleningsovereenkomst als vermeld in artikel 9 van dit besluit, is geregistreerd bij het agentschap;
2° [1 vanaf het ogenblik van de definitieve invrijheidstelling, vermeld in artikel 77 van de wet van 5 mei 2014, behalve als een individuele dienstverleningsovereenkomst als vermeld in artikel 9 van dit besluit, is aangegaan en een budget is toegewezen of aangevraagd of binnen drie maanden na de datum van de definitieve invrijheidstelling een ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering als vermeld in artikel 1, 15°, van het besluit 27 november 2015, aan het agentschap is bezorgd;]1
3° als een budget ter beschikking wordt gesteld aan de geïnterneerde persoon;
4° als de geïnterneerde persoon opnieuw verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2 van dit besluit;
[1 5° vanaf de dag van het overlijden van de geïnterneerde persoon;
6° vanaf de datum van de beslissing van het agentschap tot toewijzing van ondersteuning als vermeld in artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden.]1
In afwijking van het vijfde lid, 4°, wordt de beslissing van het agentschap tot toewijzing van een module ondersteuning als vermeld in de tabel die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, geschorst gedurende de periode dat de geïnterneerde persoon onder het statuut plaatsing, vermeld in artikel 19 van de wet van 5 mei 2014, verblijft in een inrichting als vermeld in het eerste lid, als gevolg van een voorlopige aanhouding als vermeld in artikel 65 van de voormelde wet, of van een schorsing van een invrijheidstelling op proef of een elektronisch toezicht als vermeld in artikel 61 van de voormelde wet en wordt de beslissing tot toewijzing van een module ondersteuning stopgezet vanaf de eerste dag van de vierde maand na de maand waarin de geïnterneerde persoon met een handicap voor crisisondersteuning of time-out is overgestapt naar een inrichting als vermeld in artikel 2, 4°.
Art.6. § 1er. Si la personne qui demande les soins et le soutien, tels que visés à l'article 4, ou pour qui ces soins et soutien sont demandés, n'est pas encore reconnue comme personne handicapée, l'agence soumet le dossier à la commission d'évaluation provinciale, visée à l'article 12 de l'arrêté du 24 juillet 1991.
La commission d'évaluation provinciale, visée à l'alinéa 1er, arrête si la personne est atteinte d'un handicap tel que visé à l'article 2, 2°, du décret du 7 mai 2004. La commission d'évaluation provinciale base son évaluation sur le rapport, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, du présent arrêté.
Le demandeur peut demander d'être entendu par la commission d'évaluation provinciale, visée à l'alinéa 1er.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le dossier n'est pas soumis à la commission d'évaluation provinciale, visée à l'article 12 de l'arrêté du 24 juillet 1991, si la personne se trouve dans une des situations visées à l'article 2, § 2bis, de l'arrêté précité. La personne qui se trouve dans une des situations visées à l'article 2, § 2bis précité, est reconnue automatiquement comme personne handicapée.
§ 3. L'agence examine s'il est satisfait aux conditions, visées aux articles 20 et 21 du décret du 7 mai 2004.
Si la personne est reconnue comme personne handicapée et les conditions visées aux articles 20 et 21 du décret du 7 mai 2004 sont remplies, l'agence détermine sur la base du rapport, visé à l'article 5, alinéa 1er, 3°, du présent arrêté, conformément au tableau repris en annexe jointe au présent arrêté, le module de soutien qui peut être attribué.
L'agence ne peut pas attribuer de combinaison de modules de soutien. L'agence peut attribuer le module d'accompagnement de jour et au logement + si le rapport visé à l'article 5, alinéa 1er, 3°, démontre une des situations suivantes :
1° la personne internée a besoin d'un accompagnement de jour et au logement à temps plein, et un intervenant doit être présent et assurer une surveillance à portée de voix en permanence ;
2° la personne internée a besoin d'un accompagnement de jour et au logement à temps plein, et un intervenant doit être présent en permanence sans que cette personne ne doit assurer une surveillance continue, et la personne a besoin d'un soutien journalier dans la plupart des domaines de la vie, surtout sous forme d'accompagnement de fond ou pratique d'une partie de l'activité.
La décision d'attribution ou de refus d'un module de soutien tel que visé au tableau repris en annexe au présent arrêté, est communiquée :
1° au demandeur et au directeur si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 1° ou 2° ;
2° au responsable des soins si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 3° ou 4° ;
3° au responsable de l'unité pour internés si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°.
La décision de l'agence d'attribution d'un module de soutien tel que visé au tableau repris en annexe au présent arrêté, échoit dans les cas suivants :
1° si aucun contrat individuel de services tel que visé à l'article 9 du présent arrêté n'est enregistré auprès de l'agence dans le délai d'un an à compter de la date de la décision visée au paragraphe 3, alinéa 4 ;
2° [1 à partir du moment de la libération définitive visée à l'article 77 de la loi du 5 mai 2014, sauf si un contrat individuel de services tel que visé à l'article 9 du présent arrêté, a été conclu et qu'un budget a été attribué ou demandé ou si, dans les trois mois de la date de la libération définitive, un plan de soutien du financement personnalisé tel que visé à l'article 1, 15°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, a été transmis à l'agence ;]1
3° si un budget est mis à disposition de la personne internée ;
4° si la personne internée séjourne à nouveau dans un établissement tel que visé à l'article 2 du présent arrêté;
[1 5° à partir du jour du décès de la personne internée ;
6° à partir de la date de la décision de l'agence d'attribution du soutien, telle que visée à l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés.]1
Par dérogation à l'alinéa 5, 4°, la décision de l'agence d'attribution d'un module de soutien tel que visé au tableau repris en annexe jointe au présent arrêté, est suspendue pendant la période que la personne internée séjourne, sous le statut du placement, visé à l'article 19 de la loi du 5 mai 2014, dans un établissement tel que visé à l'alinéa 1er, suite à une arrestation provisoire telle que visée à l'article 65 de la loi précitée, ou d'une suspension de la libération à l'essai ou de la surveillance électronique telle que visée à l'article 61 de la loi précitée, et la décision d'attribution d'un module de soutien est arrêtée à partir du premier jour du quatrième mois après le mois auquel la personne handicapée internée est passée à un établissement tel que visé à l'article 2, 4°, pour un soutien en cas de crise ou un time-out.
La commission d'évaluation provinciale, visée à l'alinéa 1er, arrête si la personne est atteinte d'un handicap tel que visé à l'article 2, 2°, du décret du 7 mai 2004. La commission d'évaluation provinciale base son évaluation sur le rapport, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, du présent arrêté.
Le demandeur peut demander d'être entendu par la commission d'évaluation provinciale, visée à l'alinéa 1er.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le dossier n'est pas soumis à la commission d'évaluation provinciale, visée à l'article 12 de l'arrêté du 24 juillet 1991, si la personne se trouve dans une des situations visées à l'article 2, § 2bis, de l'arrêté précité. La personne qui se trouve dans une des situations visées à l'article 2, § 2bis précité, est reconnue automatiquement comme personne handicapée.
§ 3. L'agence examine s'il est satisfait aux conditions, visées aux articles 20 et 21 du décret du 7 mai 2004.
Si la personne est reconnue comme personne handicapée et les conditions visées aux articles 20 et 21 du décret du 7 mai 2004 sont remplies, l'agence détermine sur la base du rapport, visé à l'article 5, alinéa 1er, 3°, du présent arrêté, conformément au tableau repris en annexe jointe au présent arrêté, le module de soutien qui peut être attribué.
L'agence ne peut pas attribuer de combinaison de modules de soutien. L'agence peut attribuer le module d'accompagnement de jour et au logement + si le rapport visé à l'article 5, alinéa 1er, 3°, démontre une des situations suivantes :
1° la personne internée a besoin d'un accompagnement de jour et au logement à temps plein, et un intervenant doit être présent et assurer une surveillance à portée de voix en permanence ;
2° la personne internée a besoin d'un accompagnement de jour et au logement à temps plein, et un intervenant doit être présent en permanence sans que cette personne ne doit assurer une surveillance continue, et la personne a besoin d'un soutien journalier dans la plupart des domaines de la vie, surtout sous forme d'accompagnement de fond ou pratique d'une partie de l'activité.
La décision d'attribution ou de refus d'un module de soutien tel que visé au tableau repris en annexe au présent arrêté, est communiquée :
1° au demandeur et au directeur si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 1° ou 2° ;
2° au responsable des soins si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 3° ou 4° ;
3° au responsable de l'unité pour internés si la personne internée séjourne dans un établissement tel que visé à l'article 2, 5°.
La décision de l'agence d'attribution d'un module de soutien tel que visé au tableau repris en annexe au présent arrêté, échoit dans les cas suivants :
1° si aucun contrat individuel de services tel que visé à l'article 9 du présent arrêté n'est enregistré auprès de l'agence dans le délai d'un an à compter de la date de la décision visée au paragraphe 3, alinéa 4 ;
2° [1 à partir du moment de la libération définitive visée à l'article 77 de la loi du 5 mai 2014, sauf si un contrat individuel de services tel que visé à l'article 9 du présent arrêté, a été conclu et qu'un budget a été attribué ou demandé ou si, dans les trois mois de la date de la libération définitive, un plan de soutien du financement personnalisé tel que visé à l'article 1, 15°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, a été transmis à l'agence ;]1
3° si un budget est mis à disposition de la personne internée ;
4° si la personne internée séjourne à nouveau dans un établissement tel que visé à l'article 2 du présent arrêté;
[1 5° à partir du jour du décès de la personne internée ;
6° à partir de la date de la décision de l'agence d'attribution du soutien, telle que visée à l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés.]1
Par dérogation à l'alinéa 5, 4°, la décision de l'agence d'attribution d'un module de soutien tel que visé au tableau repris en annexe jointe au présent arrêté, est suspendue pendant la période que la personne internée séjourne, sous le statut du placement, visé à l'article 19 de la loi du 5 mai 2014, dans un établissement tel que visé à l'alinéa 1er, suite à une arrestation provisoire telle que visée à l'article 65 de la loi précitée, ou d'une suspension de la libération à l'essai ou de la surveillance électronique telle que visée à l'article 61 de la loi précitée, et la décision d'attribution d'un module de soutien est arrêtée à partir du premier jour du quatrième mois après le mois auquel la personne handicapée internée est passée à un établissement tel que visé à l'article 2, 4°, pour un soutien en cas de crise ou un time-out.
Art.6/1. [1 Als er binnen een jaar vanaf de datum van de beslissing, vermeld in artikel 6, § 3, vierde lid, tot toewijzing van een module ondersteuning als vermeld in de tabel die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, een nieuwe aanvraag van ondersteuning als vermeld in artikel 4, wordt ingediend en als er op de datum van die aanvraag geen individuele dienstverleningsovereenkomst als vermeld in artikel 9, is geregistreerd bij het agentschap of het agentschap conform artikel 8 geen goedkeuring heeft verleend om een individuele dienstverleningsovereenkomst te sluiten, vervangt de beslissing van het agentschap die is genomen naar aanleiding van de nieuwe aanvraag, de beslissing die het agentschap heeft genomen naar aanleiding van de vorige aanvraag. De termijn van een jaar, vermeld in artikel 6, § 3, vijfde lid, 1°, begint opnieuw te lopen vanaf de datum van de beslissing van het agentschap over de nieuwe aanvraag.]1
Art. 6/1. [1 Si, dans un délai d'an à compter de la date de la décision visée à l'article 6, § 3, alinéa quatre, d'attribution d'un module soutien tel que visé au tableau repris en annexe au présent arrêté, une nouvelle demande de soutien telle que visée à l'article 4, est introduite et si à la date de cette demande, aucun contrat individuel de services, tel que visé à l'article 9, est enregistré auprès de l'agence ou l'agence n'a pas donné son approbation pour la conclusion d'un contrat individuel de services, remplace la décision de l'agence prise à la suite de la nouvelle demande, la décision prise par l'agence à la suite de la nouvelle demande remplace la décision prise par l'agence à l'occasion de la demande précédente. Le délai d'un an visé à l'article 6, § 3, alinéa cinq, 1°, recommence à courir à partir de la date de la décision de l'agence sur la nouvelle demande.]1
HOOFDSTUK 5. - Voorwaarden voor de vergunde zorgaanbieders
CHAPITRE 5. - Conditions pour les offreurs de soins autorisés
Art.7. Om zorg en ondersteuning te kunnen bieden aan geïnterneerde personen moeten vergunde zorgaanbieders voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° ze zijn bij het agentschap geregistreerd op de wijze die wordt bepaald door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;
2° ze zijn bereid om op maat te werken met een forensische doelgroep;
3° ze beschikken over forensische expertise en volgen opleidingen over de ondersteuning van een forensische doelgroep;
4° ze stemmen sectoraal en intersectoraal af met andere actoren die betrokken zijn bij de ondersteuning van de geïnterneerde personen;
5° ze staan in voor de opvolging en de nazorg van het zorgtraject van de geïnterneerde persoon.
De vergunde zorgaanbieders die woon- of dagondersteuning willen bieden, moeten naast de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, ook voldoen aan de voorwaarde dat ze afhankelijk van de module van ondersteuning die ze willen bieden, beschikken over een aangepaste infrastructuur of bereid zijn op korte termijn de nodige infrastructurele maatregelen te nemen.
1° ze zijn bij het agentschap geregistreerd op de wijze die wordt bepaald door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;
2° ze zijn bereid om op maat te werken met een forensische doelgroep;
3° ze beschikken over forensische expertise en volgen opleidingen over de ondersteuning van een forensische doelgroep;
4° ze stemmen sectoraal en intersectoraal af met andere actoren die betrokken zijn bij de ondersteuning van de geïnterneerde personen;
5° ze staan in voor de opvolging en de nazorg van het zorgtraject van de geïnterneerde persoon.
De vergunde zorgaanbieders die woon- of dagondersteuning willen bieden, moeten naast de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, ook voldoen aan de voorwaarde dat ze afhankelijk van de module van ondersteuning die ze willen bieden, beschikken over een aangepaste infrastructuur of bereid zijn op korte termijn de nodige infrastructurele maatregelen te nemen.
Art.7. Pour pouvoir offrir des soins et du soutien aux personnes internées, les offreurs de soins autorisés doivent satisfaire aux conditions suivantes :
1° ils sont enregistrés auprès de l'agence de la manière fixée par le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions ;
2° ils sont disposés à travailler sur mesure avec un groupe-cible médicolégal ;
3° ils disposent d'une expertise médicolégale et suivent des formations sur le soutien d'un groupe-cible médicolégal ;
4° ils s'alignent au niveau sectoriel et intersectoriel avec d'autres acteurs associés au soutien des personnes internées ;
6° ils assurent le suivi et les soins continués du trajet de soins de la personne internée.
Outre les conditions visées à l'alinéa 1er, les offreurs de soins autorisés qui souhaitent offrir un accompagnement de jour ou au logement doivent également répondre à la condition qu'ils disposent, indépendamment du module de soutien qu'ils souhaitent offrir, d'une infrastructure adaptée ou qu'ils sont disposés à prendre à court terme les mesures infrastructurelles nécessaires.
1° ils sont enregistrés auprès de l'agence de la manière fixée par le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions ;
2° ils sont disposés à travailler sur mesure avec un groupe-cible médicolégal ;
3° ils disposent d'une expertise médicolégale et suivent des formations sur le soutien d'un groupe-cible médicolégal ;
4° ils s'alignent au niveau sectoriel et intersectoriel avec d'autres acteurs associés au soutien des personnes internées ;
6° ils assurent le suivi et les soins continués du trajet de soins de la personne internée.
Outre les conditions visées à l'alinéa 1er, les offreurs de soins autorisés qui souhaitent offrir un accompagnement de jour ou au logement doivent également répondre à la condition qu'ils disposent, indépendamment du module de soutien qu'ils souhaitent offrir, d'une infrastructure adaptée ou qu'ils sont disposés à prendre à court terme les mesures infrastructurelles nécessaires.
HOOFDSTUK 6. - Organisatie van de ondersteuning
CHAPITRE 6. - Organisation du soutien
Art.8. Alvorens een individuele dienstverleningsovereenkomst af te sluiten met een vergunde zorgaanbieder als vermeld in artikel 7, vraagt de aanvrager daarvoor de goedkeuring van het agentschap.
Het agentschap houdt bij het verlenen van zijn goedkeuring rekening met de middelen die voor zorg en ondersteuning voor geïnterneerde personen als vermeld in artikel 4 zijn vastgelegd op zijn begroting en met de datum en het uur waarop het aanvraagdocument, vermeld in artikel 5, eerste lid, 1°, en het verslag, vermeld in artikel 5, eerste lid, 3°, aan het agentschap is bezorgd. De oudste data en bij gelijke data, de vroegste uren, komen het eerst in aanmerking voor een goedkeuring van het agentschap.
Het agentschap houdt bij het verlenen van zijn goedkeuring rekening met de middelen die voor zorg en ondersteuning voor geïnterneerde personen als vermeld in artikel 4 zijn vastgelegd op zijn begroting en met de datum en het uur waarop het aanvraagdocument, vermeld in artikel 5, eerste lid, 1°, en het verslag, vermeld in artikel 5, eerste lid, 3°, aan het agentschap is bezorgd. De oudste data en bij gelijke data, de vroegste uren, komen het eerst in aanmerking voor een goedkeuring van het agentschap.
Art.8. Avant de conclure un contrat individuel de services avec un offreur de soins autorisé tel que visé à l'article 7, le demandeur en demande l'approbation de l'agence.
Lors de l'octroi de son approbation, l'agence tient compte des moyens engagés sur son budget pour les soins et le soutien pour les personnes internées, tels que visés à l'article 4, ainsi que de la date et de l'heure auxquelles le document de demande, visé à l'article 5, alinéa 1er, 1°, et le rapport, visé à l'article 5, alinéa 1er, 3°, sont transmis à l'agence. Les dates les plus anciennes et, en cas de dates égales, les premières heures sont les premières à être éligibles à une approbation de l'agence.
Lors de l'octroi de son approbation, l'agence tient compte des moyens engagés sur son budget pour les soins et le soutien pour les personnes internées, tels que visés à l'article 4, ainsi que de la date et de l'heure auxquelles le document de demande, visé à l'article 5, alinéa 1er, 1°, et le rapport, visé à l'article 5, alinéa 1er, 3°, sont transmis à l'agence. Les dates les plus anciennes et, en cas de dates égales, les premières heures sont les premières à être éligibles à une approbation de l'agence.
Art.9. Als het agentschap zijn goedkeuring heeft verleend, kan de aanvrager een individuele dienstverleningsovereenkomst over het verlenen van de nodige zorg en ondersteuning sluiten met een vergunde zorgaanbieder als vermeld in artikel 7.
Als de zorg en ondersteuning geboden wordt door meerdere vergunde zorgaanbieders als vermeld in artikel 7, sluiten die zorgaanbieders daarover een samenwerkingsovereenkomst. Daarin wordt vastgesteld met welke vergunde zorgaanbieder de individuele dienstverleningsovereenkomst wordt afgesloten en op welke wijze de personeelspunten, vermeld in de tabel die opgenomen is in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd, en die zijn vastgesteld voor de module van ondersteuning die het agentschap aan de geïnterneerde persoon heeft toegewezen, worden verdeeld over de verschillende vergunde zorgaanbieders.
De vergunde zorgbieder registreert de individuele dienstverleningsovereenkomst bij het agentschap op de wijze die het agentschap bepaalt.
[1 Gedurende een periode van drie maanden vanaf de datum van de goedkeuring van het agentschap, vermeld in artikel 8, kan de ondersteuning, vermeld in de module ondersteuning, vermeld in de tabel die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, die het agentschap heeft toegewezen, gecombineerd worden met een verblijf of een gedeeltelijk verblijf in een inrichting als vermeld in artikel 2.]1
Als de zorg en ondersteuning geboden wordt door meerdere vergunde zorgaanbieders als vermeld in artikel 7, sluiten die zorgaanbieders daarover een samenwerkingsovereenkomst. Daarin wordt vastgesteld met welke vergunde zorgaanbieder de individuele dienstverleningsovereenkomst wordt afgesloten en op welke wijze de personeelspunten, vermeld in de tabel die opgenomen is in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd, en die zijn vastgesteld voor de module van ondersteuning die het agentschap aan de geïnterneerde persoon heeft toegewezen, worden verdeeld over de verschillende vergunde zorgaanbieders.
De vergunde zorgbieder registreert de individuele dienstverleningsovereenkomst bij het agentschap op de wijze die het agentschap bepaalt.
[1 Gedurende een periode van drie maanden vanaf de datum van de goedkeuring van het agentschap, vermeld in artikel 8, kan de ondersteuning, vermeld in de module ondersteuning, vermeld in de tabel die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, die het agentschap heeft toegewezen, gecombineerd worden met een verblijf of een gedeeltelijk verblijf in een inrichting als vermeld in artikel 2.]1
Art.9. Si l'agence a accordé son approbation, le demandeur peut conclure un contrat individuel de services concernant la fourniture des soins et du soutien nécessaires avec un offreur de services autorisé tel que visé à l'article 7.
Si les soins et le soutien sont offerts par plusieurs offreurs de soins autorisés tels que visés à l'article 7, ces offreurs de soins concluent un accord de coopération à ce sujet. Cet accord de coopération arrête l'offreur de soins autorisé avec lequel le contrat individuel de services est conclu, et la manière dont les points personnel, visés au tableau repris en annexe jointe au présent arrêté et fixés pour le module de soutien que l'agence a attribué à la personne internée, sont répartis parmi les différents offreurs de soins autorisés.
L'offreur de soins autorisé enregistre le contrat individuel de services auprès de l'agence de la manière fixée par l'agence.
[1 Pendant une période de trois mois à partir de la date de l'approbation de l'agence visée à l'article 8, le soutien visé dans le module soutien visé au tableau repris en annexe au présent arrêté, qui a été attribué par l'agence, peut être combiné avec un séjour ou un séjour partiel dans un établissement tel que visé à l'article 2.]1
Si les soins et le soutien sont offerts par plusieurs offreurs de soins autorisés tels que visés à l'article 7, ces offreurs de soins concluent un accord de coopération à ce sujet. Cet accord de coopération arrête l'offreur de soins autorisé avec lequel le contrat individuel de services est conclu, et la manière dont les points personnel, visés au tableau repris en annexe jointe au présent arrêté et fixés pour le module de soutien que l'agence a attribué à la personne internée, sont répartis parmi les différents offreurs de soins autorisés.
L'offreur de soins autorisé enregistre le contrat individuel de services auprès de l'agence de la manière fixée par l'agence.
[1 Pendant une période de trois mois à partir de la date de l'approbation de l'agence visée à l'article 8, le soutien visé dans le module soutien visé au tableau repris en annexe au présent arrêté, qui a été attribué par l'agence, peut être combiné avec un séjour ou un séjour partiel dans un établissement tel que visé à l'article 2.]1
Wijzigingen
Art.10. De geïnterneerde persoon met een handicap die zorg en ondersteuning geniet op basis van een individuele dienstverleningsovereenkomst als vermeld in artikel 9, staat zelf in voor de woon- en leefkosten.
Art.10. La personne handicapée internée qui bénéficie des soins et du soutien sur la base d'un contrat individuel de services, tel que visé à l'article 9, assume elle-même les frais de logement et de subsistance.
Art.11. Als de aanvrager moeilijkheden ervaart bij het vinden van een vergunde zorgaanbieder als vermeld in artikel 7 van dit besluit, kan hij aan het agentschap al de volgende vormen van begeleiding vragen:
1° casemanagement als vermeld in artikel 5 en 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 over de bemiddeling, de afstemming en de planning in het kader van persoonsvolgende financiering voor meerderjarige personen met een handicap;
2° collectieve bemiddeling als vermeld in artikel 10 en 11 van het voormelde besluit.
In afwijking van artikel 5 van het voormelde besluit hoeft niet te worden samengewerkt met de bijstandsorganisatie.
In afwijking van artikel 11 van het voormelde besluit hoeft de bijstandsorganisatie, vermeld in artikel 11, eerste lid, 2°, van het voormelde besluit, niet te worden uitgenodigd voor de collectieve bemiddeling.
1° casemanagement als vermeld in artikel 5 en 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 over de bemiddeling, de afstemming en de planning in het kader van persoonsvolgende financiering voor meerderjarige personen met een handicap;
2° collectieve bemiddeling als vermeld in artikel 10 en 11 van het voormelde besluit.
In afwijking van artikel 5 van het voormelde besluit hoeft niet te worden samengewerkt met de bijstandsorganisatie.
In afwijking van artikel 11 van het voormelde besluit hoeft de bijstandsorganisatie, vermeld in artikel 11, eerste lid, 2°, van het voormelde besluit, niet te worden uitgenodigd voor de collectieve bemiddeling.
Art.11. Si le demandeur rencontre des difficultés dans la recherche d'un offreur de soins autorisé tel que visé à l'article 7 du présent arrêté, il peut demander à l'agence toutes les formes d'accompagnement suivantes :
1° le case management, tel que visé aux articles 5 et 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2018 relatif à la médiation, la coordination et la planification dans le cadre du financement qui suit la personne au bénéfice de personnes handicapées majeures ;
2° la médiation collective telle que visée aux articles 10 et 11 de l'arrêté précité.
Par dérogation à l'article 5 de l'arrêté précité, une coopération avec l'organisation d'assistance n'est pas requise.
Par dérogation à l'article 11 de l'arrêté précité, l'organisation d'assistance, visée à l'article 11, alinéa 1er, 2°, de l'arrêté précité, ne doit pas être invitée à la médiation collective.
1° le case management, tel que visé aux articles 5 et 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2018 relatif à la médiation, la coordination et la planification dans le cadre du financement qui suit la personne au bénéfice de personnes handicapées majeures ;
2° la médiation collective telle que visée aux articles 10 et 11 de l'arrêté précité.
Par dérogation à l'article 5 de l'arrêté précité, une coopération avec l'organisation d'assistance n'est pas requise.
Par dérogation à l'article 11 de l'arrêté précité, l'organisation d'assistance, visée à l'article 11, alinéa 1er, 2°, de l'arrêté précité, ne doit pas être invitée à la médiation collective.
HOOFDSTUK 7. - Subsidiëring van de vergunde zorgaanbieders
CHAPITRE 7. - Subventionnement des offreurs de soins autorisés
Art.12. [4 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder G-index: het indexcijfer van de afgevlakte gezondheidsindex, vermeld in titel I, hoofdstuk II, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.]4
[4 §1/1 ]4 De vergunde zorgaanbieders die conform artikel 9 een individuele dienstverleningsovereenkomst hebben geregistreerd, worden door het agentschap gesubsidieerd voor het aantal personeelspunten en het bedrag werkingsmiddelen [4 , vermeld in de tabel, die is opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd,]4 dat is vastgesteld voor de module van ondersteuning die het agentschap heeft toegewezen aan de geïnterneerde persoon met een handicap die wordt ondersteund.
In voorkomend geval wordt het aantal personeelspunten en het bedrag van de werkingsmiddelen pro rata aangepast, rekening houdend met de effectieve duur van de geregistreerde individuele dienstverleningsovereenkomst.
[4 Het bedrag van de werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast, rekening houdend met de G-index, volgens de volgende formule: bedrag X-1 x G-index december X-1/G-index december X-2, waarbij X het jaartal is waarin de indexering plaatsvindt.]4
§ 2. Maximaal 3% van de personeelspunten die conform paragraaf 1 subsidieerbaar zijn, kan worden omgezet in werkingsmiddelen tegen een bedrag per punt.
Het bedrag per punt bedraagt 834 euro (achthonderdvierendertig euro).
De werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, mogen niet aangewend worden voor reservevorming, voor de aanwerving van personeel of voor de vergoeding van personeelskosten. De besteding van het bedrag mag gespreid worden over meer dan een boekhoudkundig jaar.
[1 In afwijking van het derde lid kan het bedrag, vermeld in het eerste lid, aangewend worden voor de vergoeding van variabele prestaties die niet vergoed worden overeenkomstig [2 artikel 13/1 en 13/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 houdende de methodiek voor de berekening van de subsidies voor personeelskosten.]2]1
[3 Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast, rekening houdend met [4 de G-index]4, volgens de volgende formule: bedrag X-1 x G-index december X-1/G-index december X-2, waarbij X het jaartal is waarin de indexering plaatsvindt]3.
Het agentschap subsidieert de werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° er is voorafgaand overleg gepleegd over de aanwending van het bedrag met het collectieve overlegorgaan, vermeld in artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap;
2° er is collectieve inspraak als vermeld in artikel 30 van het voormelde besluit geweest, en er heeft overleg plaatsgevonden met de werknemersvertegenwoordiging, en er is aan die overlegkanalen transparantie geboden over de aanwending van de werkingsmiddelen.
Op verzoek van het agentschap bewijst de vergunde zorgaanbieder het resultaat van het overleg met het collectieve overlegorgaan of de collectieve inspraak en het overleg met de werknemersvertegenwoordiging.
[4 §1/1 ]4 De vergunde zorgaanbieders die conform artikel 9 een individuele dienstverleningsovereenkomst hebben geregistreerd, worden door het agentschap gesubsidieerd voor het aantal personeelspunten en het bedrag werkingsmiddelen [4 , vermeld in de tabel, die is opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd,]4 dat is vastgesteld voor de module van ondersteuning die het agentschap heeft toegewezen aan de geïnterneerde persoon met een handicap die wordt ondersteund.
In voorkomend geval wordt het aantal personeelspunten en het bedrag van de werkingsmiddelen pro rata aangepast, rekening houdend met de effectieve duur van de geregistreerde individuele dienstverleningsovereenkomst.
[4 Het bedrag van de werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast, rekening houdend met de G-index, volgens de volgende formule: bedrag X-1 x G-index december X-1/G-index december X-2, waarbij X het jaartal is waarin de indexering plaatsvindt.]4
§ 2. Maximaal 3% van de personeelspunten die conform paragraaf 1 subsidieerbaar zijn, kan worden omgezet in werkingsmiddelen tegen een bedrag per punt.
Het bedrag per punt bedraagt 834 euro (achthonderdvierendertig euro).
De werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, mogen niet aangewend worden voor reservevorming, voor de aanwerving van personeel of voor de vergoeding van personeelskosten. De besteding van het bedrag mag gespreid worden over meer dan een boekhoudkundig jaar.
[1 In afwijking van het derde lid kan het bedrag, vermeld in het eerste lid, aangewend worden voor de vergoeding van variabele prestaties die niet vergoed worden overeenkomstig [2 artikel 13/1 en 13/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 houdende de methodiek voor de berekening van de subsidies voor personeelskosten.]2]1
[3 Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast, rekening houdend met [4 de G-index]4, volgens de volgende formule: bedrag X-1 x G-index december X-1/G-index december X-2, waarbij X het jaartal is waarin de indexering plaatsvindt]3.
Het agentschap subsidieert de werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° er is voorafgaand overleg gepleegd over de aanwending van het bedrag met het collectieve overlegorgaan, vermeld in artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap;
2° er is collectieve inspraak als vermeld in artikel 30 van het voormelde besluit geweest, en er heeft overleg plaatsgevonden met de werknemersvertegenwoordiging, en er is aan die overlegkanalen transparantie geboden over de aanwending van de werkingsmiddelen.
Op verzoek van het agentschap bewijst de vergunde zorgaanbieder het resultaat van het overleg met het collectieve overlegorgaan of de collectieve inspraak en het overleg met de werknemersvertegenwoordiging.
Art.12. [4 § 1er. Dans le présent article, on entend par indice G : l'indice de l'indice santé lissé, visé au titre I, chapitre II, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.]4
[4 §1er/1]4 § 1er. Les offreurs de soins autorisés qui ont enregistré un contrat individuel de services conformément à l'article 9, sont subventionnés par l'agence pour le nombre de points personnel et le montant des moyens de fonctionnement [4 , visés dans le tableau joint en annexe au présent arrêté, ]4 fixé pour le module de soutien que l'agence a attribué à la personne handicapée internée qui est soutenue.
Le cas échéant, le nombre de points personnel et le montant des moyens de fonctionnement sont adaptés au prorata, en tenant compte de la durée effective du contrat individuel de services enregistré.
[4 Le montant des moyens de fonctionnement visé à l'alinéa 1er, est annuellement adapté au 1er janvier, compte tenu de l'indice G, selon la formule suivante : montant X-1 x indice G décembre X-1/indice G décembre X-2, où X est l'année au cours de laquelle l'indexation intervient. ]4
§ 2. Au maximum 3 % des points personnel qui sont subventionnables conformément au paragraphe 1er, peuvent être convertis en moyens de fonctionnement à concurrence d'un montant par point.
Le montant par point s'élève à 834 euros (huit cent trente-quatre euros).
Les moyens de fonctionnement, visés à l'alinéa 1er, ne peuvent être affectés à la constitution de réserves, au recrutement de personnel ou au paiement des frais de personnel. La dépense du montant peut être étalée sur plusieurs exercices comptables.
[1 Par dérogation à l'alinéa 3, le montant visé à l'alinéa 1er, peut être utilisé pour la rémunération des prestations variables qui ne sont pas rémunérées conformément [2 aux articles 13/1 et 13/2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2017 relatif à la méthode de calcul des subventions pour frais de personnel.]2]1
[3 Le montant visé à l'alinéa 2 est annuellement adapté au 1er janvier, compte tenu de [4 l'indice G " ]4, selon la formule suivante : montant X-1 x indice G décembre X-1/indice G décembre X-2, où X est l'année au cours de laquelle l'indexation intervient]3.
L'agence subventionne les moyens de fonctionnement, visés à l'alinéa 1er, s'il est satisfait à une des conditions suivantes :
1° il y a eu une concertation préalable relative à l'affectation du montant avec l'organe de concertation collective, visé à l'article 27 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées ;
2° il y a une participation collective telle que visée à l'article 30 de l'arrêté précité, il y a eu une concertation avec la représentant des travailleurs, et une transparence a été offerte à ces filières de concertation en matière de l'affectation des moyens de fonctionnement.
A la demande de l'agence, l'offreur de soins autorisé prouve le résultat de la concertation avec l'organe de concertation collectif ou du droit d'expression collectif et la concertation avec la représentation des travailleurs.
[4 §1er/1]4 § 1er. Les offreurs de soins autorisés qui ont enregistré un contrat individuel de services conformément à l'article 9, sont subventionnés par l'agence pour le nombre de points personnel et le montant des moyens de fonctionnement [4 , visés dans le tableau joint en annexe au présent arrêté, ]4 fixé pour le module de soutien que l'agence a attribué à la personne handicapée internée qui est soutenue.
Le cas échéant, le nombre de points personnel et le montant des moyens de fonctionnement sont adaptés au prorata, en tenant compte de la durée effective du contrat individuel de services enregistré.
[4 Le montant des moyens de fonctionnement visé à l'alinéa 1er, est annuellement adapté au 1er janvier, compte tenu de l'indice G, selon la formule suivante : montant X-1 x indice G décembre X-1/indice G décembre X-2, où X est l'année au cours de laquelle l'indexation intervient. ]4
§ 2. Au maximum 3 % des points personnel qui sont subventionnables conformément au paragraphe 1er, peuvent être convertis en moyens de fonctionnement à concurrence d'un montant par point.
Le montant par point s'élève à 834 euros (huit cent trente-quatre euros).
Les moyens de fonctionnement, visés à l'alinéa 1er, ne peuvent être affectés à la constitution de réserves, au recrutement de personnel ou au paiement des frais de personnel. La dépense du montant peut être étalée sur plusieurs exercices comptables.
[1 Par dérogation à l'alinéa 3, le montant visé à l'alinéa 1er, peut être utilisé pour la rémunération des prestations variables qui ne sont pas rémunérées conformément [2 aux articles 13/1 et 13/2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2017 relatif à la méthode de calcul des subventions pour frais de personnel.]2]1
[3 Le montant visé à l'alinéa 2 est annuellement adapté au 1er janvier, compte tenu de [4 l'indice G " ]4, selon la formule suivante : montant X-1 x indice G décembre X-1/indice G décembre X-2, où X est l'année au cours de laquelle l'indexation intervient]3.
L'agence subventionne les moyens de fonctionnement, visés à l'alinéa 1er, s'il est satisfait à une des conditions suivantes :
1° il y a eu une concertation préalable relative à l'affectation du montant avec l'organe de concertation collective, visé à l'article 27 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées ;
2° il y a une participation collective telle que visée à l'article 30 de l'arrêté précité, il y a eu une concertation avec la représentant des travailleurs, et une transparence a été offerte à ces filières de concertation en matière de l'affectation des moyens de fonctionnement.
A la demande de l'agence, l'offreur de soins autorisé prouve le résultat de la concertation avec l'organe de concertation collectif ou du droit d'expression collectif et la concertation avec la représentation des travailleurs.
Art.13. § 1. Als er een budget ter beschikking wordt gesteld, eindigt de subsidiëring van de vergunde zorgaanbieder vanaf de eerste dag na afloop van twee maanden vanaf de aanvangsdatum van de terbeschikkingstelling van het budget.
Als de geïnterneerde persoon met een handicap overlijdt, eindigt de subsidiëring van de vergunde zorgaanbieder vanaf de eerste dag na afloop van twee maanden vanaf de datum van overlijden van de persoon met een handicap.
Als de individuele dienstverleningsovereenkomst, vermeld in artikel 9, eerste lid, wordt beëindigd, eindigt de subsidiëring van de vergunde zorgaanbieder vanaf de eerste dag na de beëindiging van de individuele dienstverleningsovereenkomst.
De subsidiëring eindigt vanaf de eerste dag van de vierde maand na de maand waarin de definitieve invrijheidsstelling ingaat [1 , behalve als een budget is toegewezen of is aangevraagd of als binnen drie maanden na de datum van de definitieve invrijheidstelling een ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering als vermeld in artikel 1, 15°, van het besluit 27 november 2015, aan het agentschap is bezorgd]1.
§ 2. De subsidiëring van de vergunde zorgaanbieder wordt stopgezet vanaf de eerste dag van de vierde maand na de maand waarin de geïnterneerde persoon met een handicap voor crisisondersteuning of time-out is overgestapt naar een inrichting als vermeld in artikel 2, 4°, of naar een voorziening die door de federale, communautaire andere dan het agentschap, regionale of lokale overheden wordt gesubsidieerd. De subsidiëring wordt geschorst gedurende de periode dat de geïnterneerde persoon onder het statuut plaatsing, vermeld in artikel 19 van de wet van 5 mei 2014, verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 1° tot en met 4°, van dit besluit, als gevolg van een voorlopige aanhouding als vermeld in artikel 65 van de voormelde wet, of van een schorsing van een invrijheidstelling op proef of een elektronisch toezicht als vermeld in artikel 61 van de voormelde wet.
Als de geïnterneerde persoon met een handicap overlijdt, eindigt de subsidiëring van de vergunde zorgaanbieder vanaf de eerste dag na afloop van twee maanden vanaf de datum van overlijden van de persoon met een handicap.
Als de individuele dienstverleningsovereenkomst, vermeld in artikel 9, eerste lid, wordt beëindigd, eindigt de subsidiëring van de vergunde zorgaanbieder vanaf de eerste dag na de beëindiging van de individuele dienstverleningsovereenkomst.
De subsidiëring eindigt vanaf de eerste dag van de vierde maand na de maand waarin de definitieve invrijheidsstelling ingaat [1 , behalve als een budget is toegewezen of is aangevraagd of als binnen drie maanden na de datum van de definitieve invrijheidstelling een ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering als vermeld in artikel 1, 15°, van het besluit 27 november 2015, aan het agentschap is bezorgd]1.
§ 2. De subsidiëring van de vergunde zorgaanbieder wordt stopgezet vanaf de eerste dag van de vierde maand na de maand waarin de geïnterneerde persoon met een handicap voor crisisondersteuning of time-out is overgestapt naar een inrichting als vermeld in artikel 2, 4°, of naar een voorziening die door de federale, communautaire andere dan het agentschap, regionale of lokale overheden wordt gesubsidieerd. De subsidiëring wordt geschorst gedurende de periode dat de geïnterneerde persoon onder het statuut plaatsing, vermeld in artikel 19 van de wet van 5 mei 2014, verblijft in een inrichting als vermeld in artikel 2, 1° tot en met 4°, van dit besluit, als gevolg van een voorlopige aanhouding als vermeld in artikel 65 van de voormelde wet, of van een schorsing van een invrijheidstelling op proef of een elektronisch toezicht als vermeld in artikel 61 van de voormelde wet.
Art.13. § 1er. En cas de mise à disposition d'un budget, le subventionnement de l'offreur de soins autorisé prend fin à partir du premier jour après la fin de deux mois à compter de la date de début de la mise à disposition du budget.
En cas de décès de la personne handicapée internée, le subventionnement de l'offreur de soins autorisé prend fin à partir du premier jour après la fin de deux mois à compter de la date du décès de la personne handicapée.
En cas de cessation du contrat individuel de services, visé à l'article 9, alinéa 1er, le subventionnement de l'offreur de soins autorisé prend fin à partir du premier jour après la cessation du contrat individuel de services.
Le subventionnement prend fin à partir du premier jour du quatrième mois après le mois auquel la libération définitive prend cours [1 , sauf si un budget a été attribué ou demandé ou si, dans les trois mois de la date de la libération définitive, un plan de soutien du financement personnalisé tel que visé à l'article 1, 15°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, a été transmis à l'agence]1.
§ 2. Le subventionnement de l'offreur de soins autorisé est arrêté à partir du premier jour du quatrième mois après le mois auquel la personne handicapée internée est passée, pour un soutien en cas de crise ou un time-out, à un établissement tel que visé à l'article 2, 4°, ou à une structure subventionnée par les autorités fédérales, communautaires autres que l'agence, régionales ou locales. Le subventionnement est suspendu pendant la période que la personne internée séjourne, sous le statut du placement, visé à l'article 19 de la loi du 5 mai 2014, dans un établissement tel que visé à l'article 2, 1° à 4° du présent arrêté, suite à une arrestation provisoire telle que visée à l'article 65 de la loi précitée, ou d'une suspension de la libération à l'essai ou de la surveillance électronique telle que visée à l'article 61 de la loi précitée.
En cas de décès de la personne handicapée internée, le subventionnement de l'offreur de soins autorisé prend fin à partir du premier jour après la fin de deux mois à compter de la date du décès de la personne handicapée.
En cas de cessation du contrat individuel de services, visé à l'article 9, alinéa 1er, le subventionnement de l'offreur de soins autorisé prend fin à partir du premier jour après la cessation du contrat individuel de services.
Le subventionnement prend fin à partir du premier jour du quatrième mois après le mois auquel la libération définitive prend cours [1 , sauf si un budget a été attribué ou demandé ou si, dans les trois mois de la date de la libération définitive, un plan de soutien du financement personnalisé tel que visé à l'article 1, 15°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, a été transmis à l'agence]1.
§ 2. Le subventionnement de l'offreur de soins autorisé est arrêté à partir du premier jour du quatrième mois après le mois auquel la personne handicapée internée est passée, pour un soutien en cas de crise ou un time-out, à un établissement tel que visé à l'article 2, 4°, ou à une structure subventionnée par les autorités fédérales, communautaires autres que l'agence, régionales ou locales. Le subventionnement est suspendu pendant la période que la personne internée séjourne, sous le statut du placement, visé à l'article 19 de la loi du 5 mai 2014, dans un établissement tel que visé à l'article 2, 1° à 4° du présent arrêté, suite à une arrestation provisoire telle que visée à l'article 65 de la loi précitée, ou d'une suspension de la libération à l'essai ou de la surveillance électronique telle que visée à l'article 61 de la loi précitée.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions modificatives
Art.14. Aan artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 houdende de methodiek voor de berekening van de subsidies voor personeelskosten, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2017, wordt een punt 12° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"12° de personeelspunten, die conform artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018 over de zorg en ondersteuning voor geïnterneerde personen met een handicap door vergunde zorgaanbieders, gesubsidieerd kunnen worden.".
"12° de personeelspunten, die conform artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018 over de zorg en ondersteuning voor geïnterneerde personen met een handicap door vergunde zorgaanbieders, gesubsidieerd kunnen worden.".
Art.14. L'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2017 relatif à la méthode de calcul des subventions pour frais de personnel, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 décembre 2017, est complété par un point 12°, rédigé comme suit :
" 12° les points personnel qui peuvent être subventionnés conformément à l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018 relatif aux soins et au soutien pour les personnes handicapées internées par des offreurs de soins autorisés. ".
" 12° les points personnel qui peuvent être subventionnés conformément à l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018 relatif aux soins et au soutien pour les personnes handicapées internées par des offreurs de soins autorisés. ".
Art.15. In artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
"3° ze verblijven op het moment dat het aanvraagdocument, vermeld in artikel 21, eerste lid, 1°, wordt bezorgd aan het agentschap en op het moment van de opname in de unit voor geïnterneerden in een van de volgende inrichtingen:
a) een inrichting als vermeld in artikel 3, 4°, a), van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering;
b) een inrichting als vermeld in artikel 3, 4°, b), van de voormelde wet;
c) een inrichting als vermeld in artikel 3, 4°, c), van de voormelde wet;
d) een door de bevoegde overheid gesubsidieerde medium risk afdeling in het kader van het pilootproject internering of een afdeling met een voorbehouden capaciteit voor geïnterneerde personen die er verblijven onder het statuut van plaatsing, vermeld in artikel 19 van de voormelde wet, met het oog op een verdere maatschappelijke reïntegratie. Het gaat om afdelingen van de campus van het Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum Rekem, het Universitair Psychiatrisch Centrum Bierbeek of het Psychiatrisch Centrum Sint-Jan-Baptist Zelzate;".
"3° ze verblijven op het moment dat het aanvraagdocument, vermeld in artikel 21, eerste lid, 1°, wordt bezorgd aan het agentschap en op het moment van de opname in de unit voor geïnterneerden in een van de volgende inrichtingen:
a) een inrichting als vermeld in artikel 3, 4°, a), van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering;
b) een inrichting als vermeld in artikel 3, 4°, b), van de voormelde wet;
c) een inrichting als vermeld in artikel 3, 4°, c), van de voormelde wet;
d) een door de bevoegde overheid gesubsidieerde medium risk afdeling in het kader van het pilootproject internering of een afdeling met een voorbehouden capaciteit voor geïnterneerde personen die er verblijven onder het statuut van plaatsing, vermeld in artikel 19 van de voormelde wet, met het oog op een verdere maatschappelijke reïntegratie. Het gaat om afdelingen van de campus van het Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum Rekem, het Universitair Psychiatrisch Centrum Bierbeek of het Psychiatrisch Centrum Sint-Jan-Baptist Zelzate;".
Art.15. Dans l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° au moment où le document de demande, visé à l'article 21, alinéa 1er, 1°, est transmis à l'agence et au moment d'admission à l'unité pour internés, elles séjournent dans un des établissements suivants :
a) un établissement tel que visé à l'article 3, 4°, a), de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement ;
b) un établissement tel que visé à l'article 3, 4°, b) de la loi précitée ;
c) un établissement tel que visé à l'article 3, 4°, c) de la loi précitée ;
d) une division à risque moyen, subventionnée par l'autorité compétente, dans le cadre du projet pilote d'internement ou une division avec une capacité réservée aux personnes internées qui y séjournent sous le statut du placement, visé à l'article 19 de la loi précitée, en vue d'une réintégration sociale ultérieure. Il s'agit de divisions du campus du " Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum Rekem ", du " Universitair Psychiatrisch Centrum Bierbeek " ou du " Psychiatrisch Centrum Sint-Jan-Baptist Zelzate "; ".
" 3° au moment où le document de demande, visé à l'article 21, alinéa 1er, 1°, est transmis à l'agence et au moment d'admission à l'unité pour internés, elles séjournent dans un des établissements suivants :
a) un établissement tel que visé à l'article 3, 4°, a), de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement ;
b) un établissement tel que visé à l'article 3, 4°, b) de la loi précitée ;
c) un établissement tel que visé à l'article 3, 4°, c) de la loi précitée ;
d) une division à risque moyen, subventionnée par l'autorité compétente, dans le cadre du projet pilote d'internement ou une division avec une capacité réservée aux personnes internées qui y séjournent sous le statut du placement, visé à l'article 19 de la loi précitée, en vue d'une réintégration sociale ultérieure. Il s'agit de divisions du campus du " Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum Rekem ", du " Universitair Psychiatrisch Centrum Bierbeek " ou du " Psychiatrisch Centrum Sint-Jan-Baptist Zelzate "; ".
Art.16. In artikel 19, eerste lid, van het hetzelfde besluit wordt het percentage "95 %" vervangen door het percentage "90 %".
Art.16. Dans l'article 19, alinéa 1er, du même arrêté, le pourcentage " 95 % " est remplacé par le pourcentage " 90 % ".
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Art.17. De aanvragen van een budget die met toepassing van het besluit van 27 november 2015, voor [1 1 januari 2019]1 bij het agentschap zijn ingediend door geïnterneerde personen die op [1 1 januari 2019]1 verblijven in een inrichting als vermeld in artikel 2, 1° tot en met 4°, van dit besluit, en waarover het agentschap op die datum nog geen beslissing tot toewijzing heeft genomen, worden stopgezet.
Voor de geïnterneerde personen die voor [1 1 januari 2019]1 een aanvraag van een budget bij het agentschap hebben ingediend waarover het agentschap op [1 1 januari 2019]1 nog geen beslissing tot toewijzing heeft genomen en die op [1 1 januari 2019]1 niet verblijven in een inrichting als vermeld in artikel 2, 1° tot en met 4°, van dit besluit, is de datum van de aanvraag in afwijking van artikel 5, § 1, van het besluit van 27 november 2015, de datum waarop het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering, vermeld in artikel 1, 15°, van het voormelde besluit, aan het agentschap is bezorgd. De datum waarop het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering wordt bezorgd aan het agentschap is de datum van de poststempel of de datum waarop het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering elektronisch is verstuurd.
De beslissing van het agentschap tot toewijzing of terbeschikkingstelling van een budget die door het agentschap is genomen voor [1 1 januari 2019]1 voor geïnterneerde personen die op [1 1 januari 2019]1 verblijven in een inrichting als vermeld in artikel 2, 1° tot en met 4°, van dit besluit, vervalt op [1 1 januari 2019]1, met uitzondering van de beslissingen tot toekenning van zorggebonden punten conform hoofdstuk 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten. De beslissing tot toekenning van zorggebonden punten vervalt op de dag waarop een individuele dienstverleningsovereenkomst als vermeld in artikel 9 van dit besluit, start.
Voor de geïnterneerde personen die voor [1 1 januari 2019]1 een aanvraag van een budget bij het agentschap hebben ingediend waarover het agentschap op [1 1 januari 2019]1 nog geen beslissing tot toewijzing heeft genomen en die op [1 1 januari 2019]1 niet verblijven in een inrichting als vermeld in artikel 2, 1° tot en met 4°, van dit besluit, is de datum van de aanvraag in afwijking van artikel 5, § 1, van het besluit van 27 november 2015, de datum waarop het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering, vermeld in artikel 1, 15°, van het voormelde besluit, aan het agentschap is bezorgd. De datum waarop het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering wordt bezorgd aan het agentschap is de datum van de poststempel of de datum waarop het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering elektronisch is verstuurd.
De beslissing van het agentschap tot toewijzing of terbeschikkingstelling van een budget die door het agentschap is genomen voor [1 1 januari 2019]1 voor geïnterneerde personen die op [1 1 januari 2019]1 verblijven in een inrichting als vermeld in artikel 2, 1° tot en met 4°, van dit besluit, vervalt op [1 1 januari 2019]1, met uitzondering van de beslissingen tot toekenning van zorggebonden punten conform hoofdstuk 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten. De beslissing tot toekenning van zorggebonden punten vervalt op de dag waarop een individuele dienstverleningsovereenkomst als vermeld in artikel 9 van dit besluit, start.
Art.17. Les demandes d'un budget qui sont introduites auprès de l'agence, en application de l'arrêté du 27 novembre 2015, avant le [1 1er janvier 2019]1 par des personnes internées qui séjournent, au [1 1er janvier 2019]1, dans un établissement tel que visé à l'article 2, 1° à 4°, du présent arrêté, et sur lesquelles l'agence n'a pas encore pris, à cette date, de décision d'attribution, sont arrêtées.
Pour les personnes internées qui ont introduit une demande d'un budget auprès de l'agence avant le [1 1er janvier 2019]1, sur laquelle l'agence n'a pas encore pris, au [1 1er janvier 2019]1, de décision d'attribution, et qui ne séjournent pas, au [1 1er janvier 2019]1, dans un établissement tel que visé à l'article 2, 1° à 4°, du présent arrêté, la date de la demande est, par dérogation à l'article 5, § 1er, de l'arrêté du 27 novembre 2015, la date à laquelle le plan de soutien du financement personnalisé, visé à l'article 1, 15°, de l'arrêté précité, est transmis à l'agence. La date à laquelle le plan de soutien du financement personnalisé est transmis à l'agence est la date du cachet de la poste ou la date à laquelle le plan de soutien du financement personnalisé est envoyé par la voie électronique.
La décision de l'agence d'attribution ou de mise à disposition d'un budget, prise par l'agence avant le [1 1er janvier 2019]1 pour les personnes internées qui séjournent, au [1 1er janvier 2019]1, dans un établissement tel que visé à l'article 2, 1° à 4°, du présent arrêté, échoit le [1 1er janvier 2019]1, à l'exception des décisions d'octroi de points liés aux soins conformément au chapitre 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers un financement qui suit la personne et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide à domicile. La décision d'octroi de points liés aux soins échoit le jour auquel commence un contrat individuel de services tel que visé à l'article 9 du présent arrêté.
Pour les personnes internées qui ont introduit une demande d'un budget auprès de l'agence avant le [1 1er janvier 2019]1, sur laquelle l'agence n'a pas encore pris, au [1 1er janvier 2019]1, de décision d'attribution, et qui ne séjournent pas, au [1 1er janvier 2019]1, dans un établissement tel que visé à l'article 2, 1° à 4°, du présent arrêté, la date de la demande est, par dérogation à l'article 5, § 1er, de l'arrêté du 27 novembre 2015, la date à laquelle le plan de soutien du financement personnalisé, visé à l'article 1, 15°, de l'arrêté précité, est transmis à l'agence. La date à laquelle le plan de soutien du financement personnalisé est transmis à l'agence est la date du cachet de la poste ou la date à laquelle le plan de soutien du financement personnalisé est envoyé par la voie électronique.
La décision de l'agence d'attribution ou de mise à disposition d'un budget, prise par l'agence avant le [1 1er janvier 2019]1 pour les personnes internées qui séjournent, au [1 1er janvier 2019]1, dans un établissement tel que visé à l'article 2, 1° à 4°, du présent arrêté, échoit le [1 1er janvier 2019]1, à l'exception des décisions d'octroi de points liés aux soins conformément au chapitre 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers un financement qui suit la personne et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide à domicile. La décision d'octroi de points liés aux soins échoit le jour auquel commence un contrat individuel de services tel que visé à l'article 9 du présent arrêté.
Wijzigingen
Art.18. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2019.
Art.18. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2019.
Art.19. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.19. Le Ministre flamand, qui a l'assistance aux personnes dans ses attributions, est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage. Tabel met modules van ondersteuning
Art. N. Tableau de modules de soutien
| module van ondersteuning | personeelspunten | werkingsmiddelen |
| dag- en woonondersteuning + | 79,7516 | 5.941,04 euro |
| dag- en woonondersteuning | 61,8762 | 4.609,42 euro |
| dagondersteuning | 37,8132 | 2.816,87 euro |
| woonondersteuning | 48,1260 | 3.585,11 euro |
| individuele ondersteuning | 19,2504 | 1.434,04 euro |
| Module de soutien | points personnel | moyens de fonctionnement |
| accompagnement de jour et au logement + | 79,7516 | 5.941,04 euros |
| accompagnement de jour et au logement | 61,8762 | 4.609,42 euros |
| accompagnement de jour | 37,8132 | 2.816,87 euros |
| accompagnement au logement | 48,1260 | 3.585,11 euros |
| soutien individuel | 19,2504 | 1.434,04 euros |