Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
3 JULI 2018. - Reglement van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten betreffende de voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme
Titre
3 JUILLET 2018. - Règlement de l'Autorité des services et marchés financiers relatif à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme
Documentinformatie
Numac: 2018A31644
Datum: 2018-07-03
Info du document
Numac: 2018A31644
Date: 2018-07-03
Inhoud
TITEL 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Definities Artikel 1. Voor de to...
HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied
TITEL 2. - Algemene risicobeoordeling en risico...
HOOFDSTUK 1. - Algemene risicobeoordeling door ...
HOOFDSTUK 2. - Risicobeoordeling op groepsniveau
TITEL 3. - Organisatie en interne controle
HOOFDSTUK 1. - Organisatie en interne controle ...
Afdeling 1. - Compliancefunctie
Afdeling 2. - Interne procedures
Onderafdeling 1. - Cliëntacceptatiebeleid
Onderafdeling 2. - Genummerde overeenkomsten
Onderafdeling 3. - Verzameling, verificatie en ...
Onderafdeling 4. - Onderzoek van de verrichting...
Onderafdeling 5. - Nakoming van de verplichting...
Onderafdeling 6. - Melding van vermoedens
Onderafdeling 7. - Toezicht inzake financiële e...
Onderafdeling 8. - Bewijs van de nakoming van d...
HOOFDSTUK 2. - Organisatie en interne controle ...
TITEL 4. - Slotbepalingen
Inhoud
TITRE 1er. - Dispositions générales
CHAPITRE 1er. - Définitions Article 1er. Pour l...
CHAPITRE 2. - Champ d'application
TITRE 2. - Processus d'évaluation globale et de...
CHAPITRE 1er. - Evaluation globale des risques ...
CHAPITRE 2. - Evaluation des risques au niveau ...
TITRE 3. - Organisation et contrôle interne
CHAPITRE 1er. - Organisation et contrôle intern...
Section 1re. - Fonction de conformité (compliance)
Section 2. - Procédures internes
Sous-section 1re. - Politique d'acceptation des...
Sous-section 2. - Contrats numérotés
Sous-section 3. - Collecte, vérification et mis...
Sous-section 4. - Examen des opérations 1. Déte...
Sous-section 5. - Exécution des obligations en ...
Sous-section 6. - Déclaration de soupçons
Sous-section 7. - Surveillance en matière d'emb...
Sous-section 8. - Preuve de l'exécution des obl...
CHAPITRE 2. - Organisation et contrôle interne ...
TITRE 4. - Dispositions finales
Tekst (48)
Texte (48)
TITEL 1. - Algemene bepalingen
TITRE 1er. - Dispositions générales
HOOFDSTUK 1. - Definities Artikel 1. Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
CHAPITRE 1er. - Définitions Article 1er. Pour l'application du présent règlement, on entend par :
HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied
CHAPITRE 2. - Champ d'application
Art. 2. Dit reglement is van toepassing op de onderworpen entiteiten als bedoeld in artikel 5, § 1, 11° tot 20°, van de wet waarvoor de FSMA bevoegd is krachtens artikel 85, § 1, 4°, van de wet.
Art. 2. Le présent règlement s'applique aux entités assujetties visées à l'article 5, § 1er, 11° à 20°, de la loi qui relèvent des compétences de la FSMA en vertu de l'article 85, § 1er, 4° de la loi.
TITEL 2. - Algemene risicobeoordeling en risicoclassificatie
TITRE 2. - Processus d'évaluation globale et de classification des risques
HOOFDSTUK 1. - Algemene risicobeoordeling door de onderworpen entiteiten
CHAPITRE 1er. - Evaluation globale des risques des entités assujetties
Art. 3. De in artikel 16 van de wet bedoelde algemene risicobeoordeling voldoet aan de volgende vereisten:
1° zij wordt uitgevoerd:
- als de onderworpen entiteit een rechtspersoon is, onder de verantwoordelijkheid van de persoon die de functie van AMLCO uitoefent, en door de effectieve leiding is goedgekeurd; of
- als de onderworpen entiteit een natuurlijk persoon is, onder de verantwoordelijkheid van de persoon die de functie van AMLCO uitoefent, en, als die persoon niet de onderworpen entiteit is, door laatstgenoemde is goedgekeurd;
2° zij heeft betrekking op de gereglementeerde activiteiten van de onderworpen entiteit in België, alsook op diezelfde activiteiten verricht in het kader van het vrij verrichten van diensten in een andere lidstaat of in een derde land, en strookt, in voorkomend geval, met de andere activiteiten die zij verricht;
3° zij is onderworpen aan een specifieke procedure die de modaliteiten ervan bepaalt, waaronder de modaliteiten voor de in artikel 17 van de wet bedoelde bijwerking ervan. De beoordeling moet worden bijgewerkt telkens er zich een gebeurtenis voordoet die een significante invloed kan hebben op één of meerdere risico's. Daarenboven verifieert de persoon die de functie van AMLCO uitoefent, minstens jaarlijks of de risicobeoordeling nog actueel is en vermeldt hij zijn bevindingen en, in voorkomend geval, de te verrichten bijwerkingen in het in artikel 8 bedoelde verslag.
1° zij wordt uitgevoerd:
- als de onderworpen entiteit een rechtspersoon is, onder de verantwoordelijkheid van de persoon die de functie van AMLCO uitoefent, en door de effectieve leiding is goedgekeurd; of
- als de onderworpen entiteit een natuurlijk persoon is, onder de verantwoordelijkheid van de persoon die de functie van AMLCO uitoefent, en, als die persoon niet de onderworpen entiteit is, door laatstgenoemde is goedgekeurd;
2° zij heeft betrekking op de gereglementeerde activiteiten van de onderworpen entiteit in België, alsook op diezelfde activiteiten verricht in het kader van het vrij verrichten van diensten in een andere lidstaat of in een derde land, en strookt, in voorkomend geval, met de andere activiteiten die zij verricht;
3° zij is onderworpen aan een specifieke procedure die de modaliteiten ervan bepaalt, waaronder de modaliteiten voor de in artikel 17 van de wet bedoelde bijwerking ervan. De beoordeling moet worden bijgewerkt telkens er zich een gebeurtenis voordoet die een significante invloed kan hebben op één of meerdere risico's. Daarenboven verifieert de persoon die de functie van AMLCO uitoefent, minstens jaarlijks of de risicobeoordeling nog actueel is en vermeldt hij zijn bevindingen en, in voorkomend geval, de te verrichten bijwerkingen in het in artikel 8 bedoelde verslag.
Art. 3. L'évaluation globale des risques visée à l'article 16 de la loi répond aux exigences suivantes :
1° elle est réalisée:
- lorsque l'entité assujettie est une personne morale, sous la responsabilité de la personne exerçant la fonction d'AMLCO et approuvée par la direction effective ; ou
- lorsque l'entité assujettie est une personne physique, sous la responsabilité de la personne exerçant la fonction d'AMLCO et, si cette personne n'est pas l'entité assujettie, approuvée par cette dernière ;
2° elle couvre les activités réglementées exercées par l'entité assujettie en Belgique, ainsi que ces mêmes activités lorsqu'elles sont exercées en libre prestation de services dans un autre Etat membre ou dans un pays tiers et, le cas échéant, est cohérente eu égard aux autres activités qu'elle exerce ;
3° elle fait l'objet d'une procédure spécifique qui en détermine les modalités, en ce compris celles de sa mise à jour, prévue à l'article 17 de la loi. Cette mise à jour est réalisée chaque fois que se produit un événement susceptible d'avoir un impact significatif sur un ou plusieurs risques. La personne exerçant la fonction d'AMLCO vérifie en outre au moins une fois par an que l'évaluation des risques reste à jour, et il mentionne ses conclusions et, le cas échéant, les mises à jour à opérer, dans le rapport visé à l'article 8.
1° elle est réalisée:
- lorsque l'entité assujettie est une personne morale, sous la responsabilité de la personne exerçant la fonction d'AMLCO et approuvée par la direction effective ; ou
- lorsque l'entité assujettie est une personne physique, sous la responsabilité de la personne exerçant la fonction d'AMLCO et, si cette personne n'est pas l'entité assujettie, approuvée par cette dernière ;
2° elle couvre les activités réglementées exercées par l'entité assujettie en Belgique, ainsi que ces mêmes activités lorsqu'elles sont exercées en libre prestation de services dans un autre Etat membre ou dans un pays tiers et, le cas échéant, est cohérente eu égard aux autres activités qu'elle exerce ;
3° elle fait l'objet d'une procédure spécifique qui en détermine les modalités, en ce compris celles de sa mise à jour, prévue à l'article 17 de la loi. Cette mise à jour est réalisée chaque fois que se produit un événement susceptible d'avoir un impact significatif sur un ou plusieurs risques. La personne exerçant la fonction d'AMLCO vérifie en outre au moins une fois par an que l'évaluation des risques reste à jour, et il mentionne ses conclusions et, le cas échéant, les mises à jour à opérer, dans le rapport visé à l'article 8.
Art. 4. Met het oog op de toepassing van waakzaamheidsverplichtingen die in verhouding staan tot de risico's, stellen de onderworpen entiteiten, onder de verantwoordelijkheid van de persoon die de functie van AMLCO uitoefent, risicocategorieën vast. Daartoe gaan zij uit van de risico's die bij de in artikel 16 van de wet bedoelde algemene risicobeoordeling worden geïdentificeerd, en bundelen binnen eenzelfde categorie de situaties waarvoor identieke waakzaamheidsmaatregelen moeten worden genomen.
De onderworpen entiteiten zien erop toe dat de in het eerste lid bedoelde risicocategorieën zo worden gedefinieerd dat zij het, in voorkomend geval, bij de individuele risicobeoordeling die conform artikel 19, § 2, van de wet zal worden uitgevoerd, mogelijk maken een cliënt (gelet op de specifieke kenmerken van de betrokken zakelijke relatie of occasionele verrichting) in een andere risicocategorie onder te brengen dan die waarin hij theoretisch zou moeten worden ondergebracht op basis van de algemene risicobeoordeling die conform artikel 16 van de wet wordt uitgevoerd. De definitie van die risicocategorieën maakt het voor de onderworpen entiteiten ook mogelijk om rekening te houden met de in de artikelen 37 tot 39 en 41 van de wet bedoelde gevallen van verhoogde waakzaamheid.
De onderworpen entiteiten zien erop toe dat de in het eerste lid bedoelde risicocategorieën zo worden gedefinieerd dat zij het, in voorkomend geval, bij de individuele risicobeoordeling die conform artikel 19, § 2, van de wet zal worden uitgevoerd, mogelijk maken een cliënt (gelet op de specifieke kenmerken van de betrokken zakelijke relatie of occasionele verrichting) in een andere risicocategorie onder te brengen dan die waarin hij theoretisch zou moeten worden ondergebracht op basis van de algemene risicobeoordeling die conform artikel 16 van de wet wordt uitgevoerd. De definitie van die risicocategorieën maakt het voor de onderworpen entiteiten ook mogelijk om rekening te houden met de in de artikelen 37 tot 39 en 41 van de wet bedoelde gevallen van verhoogde waakzaamheid.
Art. 4. En vue d'appliquer des mesures de vigilance appropriées aux risques, les entités assujetties définissent, sous la responsabilité de la personne exerçant la fonction d'AMLCO, des catégories de risques. Pour ce faire, elles se basent sur les risques identifiés dans le cadre de l'évaluation globale des risques visée à l'article 16 de la loi et regroupent au sein d'une même catégorie les situations qui appellent des mesures de vigilance identiques.
Les entités assujetties veillent à ce que les catégories de risques visées à l'alinéa 1er soient définies de façon à leur permettre, le cas échéant, au moment de l'évaluation individuelle des risques qui sera réalisée conformément à l'article 19, § 2, de la loi, de classer un client (tenant compte des particularités de la relation d'affaire ou de l'opération concernée) dans une autre catégorie de risques que celle dans laquelle il devrait théoriquement être classé sur la base de l'évaluation globale des risques réalisée conformément à l'article 16 de la loi. La définition des catégories de risques permet également aux entités assujetties de prendre en compte les cas de vigilance accrue visés aux articles 37 à 39 et 41 de la loi.
Les entités assujetties veillent à ce que les catégories de risques visées à l'alinéa 1er soient définies de façon à leur permettre, le cas échéant, au moment de l'évaluation individuelle des risques qui sera réalisée conformément à l'article 19, § 2, de la loi, de classer un client (tenant compte des particularités de la relation d'affaire ou de l'opération concernée) dans une autre catégorie de risques que celle dans laquelle il devrait théoriquement être classé sur la base de l'évaluation globale des risques réalisée conformément à l'article 16 de la loi. La définition des catégories de risques permet également aux entités assujetties de prendre en compte les cas de vigilance accrue visés aux articles 37 à 39 et 41 de la loi.
Art. 5. De onderworpen entiteiten leggen schriftelijk, op papier of via een elektronische informatiedrager vast op welke wijze de WG/FT-risico's die zij met toepassing van artikel 16 van de wet hebben geïdentificeerd en beoordeeld, in aanmerking worden genomen in het kader van de gedragslijnen, waaronder het in titel 3 van dit reglement bedoelde cliëntacceptatiebeleid, van de procedures en van de internecontrolemaatregelen die zij vaststellen in overeenstemming met artikel 8 van de wet. Zij houden dit geschrift ter beschikking van de FSMA, teneinde te voldoen aan de vereiste van artikel 17, tweede lid, van de wet.
Art. 5. Les entités assujetties consignent par écrit, sur support papier ou électronique, la manière dont les risques de BC/FT qu'elles ont identifiés et évalués, en application de l'article 16 de la loi, sont pris en considération dans le cadre des politiques, y compris la politique d'acceptation des clients visée au titre 3 du présent règlement, des procédures et des mesures de contrôle interne qu'elles définissent conformément à l'article 8 de la loi. Elles tiennent cet écrit à disposition de la FSMA, en vue de satisfaire à l'exigence de l'article 17, alinéa 2, de la loi.
HOOFDSTUK 2. - Risicobeoordeling op groepsniveau
CHAPITRE 2. - Evaluation des risques au niveau des groupes
Art. 6. De onderworpen entiteiten die dochterondernemingen of bijkantoren hebben in een andere lidstaat of in een derde land, of die dochterondernemingen hebben die in België onderworpen entiteiten zijn, nemen gepaste maatregelen om te verzekeren dat deze bijkantoren en dochterondernemingen, elk wat hen betreft, een algemene risicobeoordeling verrichten van de WG/FT-risico's waaraan zij in hun land van vestiging zijn blootgesteld, en dat zij deze algemene risicobeoordeling aan hen overmaken.
Art. 6. Les entités assujetties qui ont des filiales ou des succursales dans un autre Etat membre ou dans un pays tiers, ou qui ont des filiales qui sont des entités assujetties en Belgique, prennent les mesures appropriées pour s'assurer que leurs succursales et filiales procèdent, chacune pour ce qui la concerne, à une évaluation globale des risques de BC/FT auxquels elles sont exposées dans leurs pays d'établissement, et qu'elles lui communiquent leurs évaluations globales des risques.
TITEL 3. - Organisatie en interne controle
TITRE 3. - Organisation et contrôle interne
HOOFDSTUK 1. - Organisatie en interne controle binnen de onderworpen entiteiten
CHAPITRE 1er. - Organisation et contrôle interne au sein des entités assujetties
Afdeling 1. - Compliancefunctie
Section 1re. - Fonction de conformité (compliance)
Art. 7. Wanneer de onderworpen entiteit een rechtspersoon is, maakt de hooggeplaatste leidinggevende die conform artikel 9, § 1, eerste lid, van de wet is aangesteld, deel uit van het orgaan dat met de effectieve leiding van de onderworpen entiteit is belast, als een dergelijk orgaan bestaat. Zo niet, wordt die persoon aangesteld onder de leden van het wettelijk bestuursorgaan van de onderworpen entiteit.
Art. 7. Lorsque l'entité assujettie est une personne morale, le haut dirigeant responsable désigné conformément à l'article 9, § 1er, al. 1er, de la loi fait partie de l'organe de direction effective de l'entité assujettie lorsqu'un tel organe existe. A défaut, cette personne est désignée parmi les membres de l'organe légal d'administration de l'entité assujettie.
Art. 8. De persoon die de functie van AMLCO uitoefent, stelt minstens eenmaal per jaar een activiteitenverslag op en bezorgt dit aan de effectieve leiding en het wettelijk bestuursorgaan. Dit verslag moet de effectieve leiding in staat stellen om kennis te nemen van de ontwikkeling van de WG/FT-risico's waaraan de onderworpen entiteit is blootgesteld, en om het passend karakter te waarborgen van de gedragslijnen, procedures en internecontrolemaatregelen die ten uitvoer zijn gelegd met toepassing van artikel 8 van de wet.
Wanneer de onderworpen entiteit een natuurlijk persoon is, wordt het in het vorige lid bedoelde activiteitenverslag opgesteld door de persoon die de functie van AMLCO uitoefent, en, als die persoon niet de onderworpen entiteit is, wordt dat verslag aan de ontworpen entiteit overgemaakt. Aan de hand van dat activiteitenverslag kan de onderworpen entiteit nagaan of de met toepassing van artikel 8 van de wet ten uitvoer gelegde gedragslijnen, procedures en internecontrolemaatregelen passend zijn.
Er wordt systematisch een kopie van het jaarlijks activiteitenverslag aan de FSMA en, in voorkomend geval, aan de commissaris, erkend revisor van de onderneming voorgelegd. De in artikel 5, § 1, 19°, van de wet bedoelde instellingen zijn weliswaar vrijgesteld van deze verplichting om hun jaarlijks activiteitenverslag over te maken, maar zij moeten hun jaarverslagen niettemin gedurende de in artikel 60 van de wet bedoelde termijn ter beschikking houden van de FSMA en haar die onverwijld overmaken, als zij daarom verzoekt.
Wanneer de onderworpen entiteit een natuurlijk persoon is, wordt het in het vorige lid bedoelde activiteitenverslag opgesteld door de persoon die de functie van AMLCO uitoefent, en, als die persoon niet de onderworpen entiteit is, wordt dat verslag aan de ontworpen entiteit overgemaakt. Aan de hand van dat activiteitenverslag kan de onderworpen entiteit nagaan of de met toepassing van artikel 8 van de wet ten uitvoer gelegde gedragslijnen, procedures en internecontrolemaatregelen passend zijn.
Er wordt systematisch een kopie van het jaarlijks activiteitenverslag aan de FSMA en, in voorkomend geval, aan de commissaris, erkend revisor van de onderneming voorgelegd. De in artikel 5, § 1, 19°, van de wet bedoelde instellingen zijn weliswaar vrijgesteld van deze verplichting om hun jaarlijks activiteitenverslag over te maken, maar zij moeten hun jaarverslagen niettemin gedurende de in artikel 60 van de wet bedoelde termijn ter beschikking houden van de FSMA en haar die onverwijld overmaken, als zij daarom verzoekt.
Art. 8. La personne exerçant la fonction d'AMLCO, établit et transmet une fois par an au moins un rapport d'activité à la direction effective et à l'organe légal d'administration. Ce rapport permet à la direction effective de prendre connaissance de l'évolution des risques de BC/FT auxquels l'entité assujettie est exposée et de s'assurer de l'adéquation des politiques, procédures et mesures de contrôle interne mises en oeuvre en application de l'article 8 de la loi.
Lorsque l'entité assujettie est une personne physique, le rapport visé à l'alinéa précédent est établi par la personne exerçant la fonction d'AMLCO et si cette personne n'est pas l'entité assujettie, transmis à cette dernière. Ce rapport d'activité permet à l'entité assujettie de s'assurer de l'adéquation des politiques, procédures et mesures de contrôle interne mises en oeuvre en application de l'article 8 de la loi.
Une copie du rapport annuel d'activité est systématiquement adressée à la FSMA et, le cas échéant, au commissaire réviseur agréé de l'organisme. Les organismes visés à l'article 5, § 1er, 19°, de la loi, sont dispensés de cette transmission annuelle, mais conservent les rapports annuels pendant la durée fixée à l'article 60 de la loi, les tiennent à la disposition de la FSMA, et les lui communiquent sans délai à sa demande.
Lorsque l'entité assujettie est une personne physique, le rapport visé à l'alinéa précédent est établi par la personne exerçant la fonction d'AMLCO et si cette personne n'est pas l'entité assujettie, transmis à cette dernière. Ce rapport d'activité permet à l'entité assujettie de s'assurer de l'adéquation des politiques, procédures et mesures de contrôle interne mises en oeuvre en application de l'article 8 de la loi.
Une copie du rapport annuel d'activité est systématiquement adressée à la FSMA et, le cas échéant, au commissaire réviseur agréé de l'organisme. Les organismes visés à l'article 5, § 1er, 19°, de la loi, sont dispensés de cette transmission annuelle, mais conservent les rapports annuels pendant la durée fixée à l'article 60 de la loi, les tiennent à la disposition de la FSMA, et les lui communiquent sans délai à sa demande.
Afdeling 2. - Interne procedures
Section 2. - Procédures internes
Onderafdeling 1. - Cliëntacceptatiebeleid
Sous-section 1re. - Politique d'acceptation des clients
Art. 9. § 1. De onderworpen entiteiten dienen een cliëntacceptatiebeleid uit te stippelen en ten uitvoer te leggen dat is aangepast aan hun gereglementeerde activiteiten en aan de WG/FT-risico's waaraan zij zijn blootgesteld, en dat hen in staat stelt om, bij het aanknopen van een zakelijke relatie met cliënten of bij het uitvoeren van occasionele verrichtingen voor cliënten, een voorafgaand onderzoek te verrichten naar de WG/FT-risico's die aan het profiel van de cliënt en aan de aard van de zakelijke relatie of de gewenste occasionele verrichting zijn verbonden, alsook om passende waakzaamheidsmaatregelen te nemen in het licht van de geïdentificeerde risico's.
§ 2. Het cliëntacceptatiebeleid stelt de onderworpen entiteiten met name in staat hun volledige medewerking te verlenen aan de voorkoming van WG/FT via een passende kennisname en een passend onderzoek van de kenmerken van hun cliënteel, van de door hen aangeboden producten, diensten of verrichtingen, van de betrokken landen of geografische gebieden en van de leveringskanalen waarop een beroep wordt gedaan.
In hun cliëntacceptatiebeleid verdelen de onderworpen entiteiten hun cliënten over de in artikel 4 bedoelde risicocategorieën.
§ 3. Het cliëntacceptatiebeleid maakt het ook mogelijk om Bindende bepalingen betreffende financiële embargo's ten uitvoer te leggen.
§ 2. Het cliëntacceptatiebeleid stelt de onderworpen entiteiten met name in staat hun volledige medewerking te verlenen aan de voorkoming van WG/FT via een passende kennisname en een passend onderzoek van de kenmerken van hun cliënteel, van de door hen aangeboden producten, diensten of verrichtingen, van de betrokken landen of geografische gebieden en van de leveringskanalen waarop een beroep wordt gedaan.
In hun cliëntacceptatiebeleid verdelen de onderworpen entiteiten hun cliënten over de in artikel 4 bedoelde risicocategorieën.
§ 3. Het cliëntacceptatiebeleid maakt het ook mogelijk om Bindende bepalingen betreffende financiële embargo's ten uitvoer te leggen.
Art. 9. § 1er. Les entités assujetties définissent et mettent en oeuvre une politique d'acceptation des clients appropriée aux activités réglementées qu'elles exercent et aux risques de BC/FT auxquels elles sont exposées, leur permettant de soumettre l'entrée en relation d'affaires ou l'exécution d'opérations occasionnelles avec les clients à un examen préalable des risques de BC/FT associés au profil du client et à la nature de la relation d'affaires ou de l'opération occasionnelle souhaitée, ainsi qu'à des mesures de vigilance appropriées en fonction des risques identifiés.
§ 2. La politique d'acceptation des clients permet notamment aux entités assujetties de concourir pleinement à la prévention du BC/FT par une prise de connaissance et un examen appropriés des caractéristiques de leurs clientèles, des produits, services ou opérations qu'elles proposent, des pays ou zones géographiques concernées et des canaux de distribution auxquels elles ont recours.
Dans leur politique d'acceptation des clients, les entités assujetties répartissent les clients en fonction des catégories de risques visées à l'article 4.
§ 3. La politique d'acceptation des clients permet également de mettre en oeuvre les Dispositions contraignantes relatives aux embargos financiers.
§ 2. La politique d'acceptation des clients permet notamment aux entités assujetties de concourir pleinement à la prévention du BC/FT par une prise de connaissance et un examen appropriés des caractéristiques de leurs clientèles, des produits, services ou opérations qu'elles proposent, des pays ou zones géographiques concernées et des canaux de distribution auxquels elles ont recours.
Dans leur politique d'acceptation des clients, les entités assujetties répartissent les clients en fonction des catégories de risques visées à l'article 4.
§ 3. La politique d'acceptation des clients permet également de mettre en oeuvre les Dispositions contraignantes relatives aux embargos financiers.
Art. 10. Het cliëntacceptatiebeleid van de onderworpen entiteiten bepaalt dat cliënten die mogelijk een specifiek risico vormen, pas als cliënt worden aanvaard na een passend onderzoek en nadat ter zake op een geschikt hiërarchisch niveau een beslissing is genomen. Hieronder ressorteren onder meer diegenen:
1° in verband met wie, met toepassing van artikel 19, § 2, van de wet wordt vastgesteld dat zij een hoog risico inhouden, en ten minste diegenen die in de artikelen 37 tot 39 en 41 van de wet worden bedoeld;
2° die vragen om de afsluiting van genummerde overeenkomsten als bedoeld in artikel 11.
In het cliëntacceptatiebeleid wordt, in voorkomend geval, rekening gehouden met het feit dat er geen relevante informatie kon worden ingewonnen over het adres van de cliënt die een natuurlijke persoon is, of, in voorkomend geval, over de geboorteplaats en -datum van de uiteindelijke begunstigde(n) van de cliënt, teneinde te bepalen of de in het eerste lid bedoelde maatregelen ten aanzien van de betrokken cliënt moeten worden genomen.
1° in verband met wie, met toepassing van artikel 19, § 2, van de wet wordt vastgesteld dat zij een hoog risico inhouden, en ten minste diegenen die in de artikelen 37 tot 39 en 41 van de wet worden bedoeld;
2° die vragen om de afsluiting van genummerde overeenkomsten als bedoeld in artikel 11.
In het cliëntacceptatiebeleid wordt, in voorkomend geval, rekening gehouden met het feit dat er geen relevante informatie kon worden ingewonnen over het adres van de cliënt die een natuurlijke persoon is, of, in voorkomend geval, over de geboorteplaats en -datum van de uiteindelijke begunstigde(n) van de cliënt, teneinde te bepalen of de in het eerste lid bedoelde maatregelen ten aanzien van de betrokken cliënt moeten worden genomen.
Art. 10. La politique d'acceptation des clients des entités assujetties soumet à un examen approprié et à un pouvoir de décision à un niveau hiérarchique adéquat l'acceptation des clients susceptibles de présenter des niveaux particuliers de risque, notamment ceux :
1° qui sont identifiés comme présentant un risque élevé en application de l'article 19, § 2, de la loi et, au minimum, ceux qui sont visés aux articles 37 à 39 et 41 de la loi ;
2° qui sollicitent la conclusion de contrats numérotés visés à l'article 11.
Elle tient compte, le cas échéant, du fait qu'il n'a pas été possible de recueillir des informations pertinentes concernant l'adresse du client qui constitue une personne physique ou, le cas échéant, concernant la date et le lieu de naissance du ou des bénéficiaires effectifs du client, pour déterminer s'il y a lieu d'appliquer les mesures visées à l'alinéa 1er au client concerné.
1° qui sont identifiés comme présentant un risque élevé en application de l'article 19, § 2, de la loi et, au minimum, ceux qui sont visés aux articles 37 à 39 et 41 de la loi ;
2° qui sollicitent la conclusion de contrats numérotés visés à l'article 11.
Elle tient compte, le cas échéant, du fait qu'il n'a pas été possible de recueillir des informations pertinentes concernant l'adresse du client qui constitue une personne physique ou, le cas échéant, concernant la date et le lieu de naissance du ou des bénéficiaires effectifs du client, pour déterminer s'il y a lieu d'appliquer les mesures visées à l'alinéa 1er au client concerné.
Onderafdeling 2. - Genummerde overeenkomsten
Sous-section 2. - Contrats numérotés
Art. 11. Een onderworpen entiteit mag enkel een genummerde overeenkomst afsluiten op voorwaarde dat de interne procedures die zij met toepassing van artikel 8 van de wet heeft vastgesteld:
1° voorzien in de voorwaarden waaronder deze overeenkomsten mogen worden afgesloten;
2° voorzien in de modaliteiten voor de werking van deze overeenkomsten;
3° bepalen dat deze voorwaarden en modaliteiten geen afbreuk mogen doen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de in artikel 8, § 1, 1° en 3°, van de wet bedoelde bepalingen en uit de bepalingen van dit reglement.
1° voorzien in de voorwaarden waaronder deze overeenkomsten mogen worden afgesloten;
2° voorzien in de modaliteiten voor de werking van deze overeenkomsten;
3° bepalen dat deze voorwaarden en modaliteiten geen afbreuk mogen doen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de in artikel 8, § 1, 1° en 3°, van de wet bedoelde bepalingen en uit de bepalingen van dit reglement.
Art. 11. La conclusion de contrats numérotés est soumise à la condition que les procédures internes définies par l'entité assujettie en application de l'article 8 de la loi prévoient :
1° les conditions auxquelles ces contrats peuvent être conclus ;
2° les modalités de leur fonctionnement ;
3° que ces conditions et modalités ne peuvent faire obstacle à l'exécution des obligations découlant des dispositions visées à l'article 8, § 1er, points 1° et 3°, de la loi et de celles du présent règlement.
1° les conditions auxquelles ces contrats peuvent être conclus ;
2° les modalités de leur fonctionnement ;
3° que ces conditions et modalités ne peuvent faire obstacle à l'exécution des obligations découlant des dispositions visées à l'article 8, § 1er, points 1° et 3°, de la loi et de celles du présent règlement.
Onderafdeling 3. - Verzameling, verificatie en bijwerking van de identificatiegegevens
Sous-section 3. - Collecte, vérification et mise à jour des données d'identification
Art. 12. Indien wordt betwijfeld of de persoon die een verrichting wenst uit te voeren in het kader van een voorheen aangegane zakelijke relatie, wel degelijk de in dit kader geïdentificeerde cliënt of zijn gemachtigde en geïdentificeerde lasthebber is, identificeren en verifiëren de onderworpen entiteiten de identiteit van de cliënt overeenkomstig de artikelen 26 tot 32 van de wet.
Art. 12. Lorsqu'il existe des raisons de douter que la personne qui souhaite réaliser une opération dans le cadre d'une relation d'affaires antérieurement nouée est effectivement le client identifié en vue de cette relation d'affaires ou son mandataire autorisé et identifié, les entités assujetties identifient et vérifient l'identité du client conformément aux articles 26 à 32 de la loi.
Art. 13. De door de onderworpen entiteiten met toepassing van artikel 8 van de wet vastgestelde interne procedures voorzien daarnaast in:
1° precieze regels met betrekking tot de bewijsstukken of de betrouwbare en onafhankelijke informatiebronnen die overeenkomstig artikel 27, § 1, van de wet door de onderworpen entiteit worden aanvaard om de identiteitsverificatie uit te voeren. Hierbij wordt rekening gehouden met de kenmerken van de betrokken personen, met de individuele risicobeoordeling die met toepassing van artikel 19, § 2, van de wet wordt uitgevoerd, en met de risicoclassificatie die met toepassing van artikel 4 van dit reglement wordt uitgevoerd.
Voor de identiteitsverificatie kan specifieke identificatietechnologie worden aanvaard als een bewijsstuk of als een betrouwbare en onafhankelijke informatiebron in de zin van voornoemd artikel 27, § 1, van de wet, indien een analyse van de betrouwbaarheid van deze technologie dit rechtvaardigt;
2° indien uit de overeenkomstig artikel 19, § 2, eerste lid, van de wet uitgevoerde individuele risicobeoordeling blijkt dat het aan de cliënt en de zakelijke relatie of aan de occasionele verrichting verbonden risico laag is:
a) de informatie die, overeenkomstig artikel 26, § 3, van de wet, niet moet worden ingewonnen door de onderworpen entiteit;
b) de informatie die, overeenkomstig artikel 27, § 3, van de wet, niet moet worden geverifieerd;
3° indien uit de overeenkomstig artikel 19, § 2, eerste lid, van de wet uitgevoerde individuele risicobeoordeling blijkt dat het aan de cliënt en de zakelijke relatie of aan de occasionele verrichting verbonden risico hoog is:
a) de informatie waarvan de onderworpen entiteit overeenkomstig artikel 26, § 4, van de wet oordeelt dat deze haar in staat stelt de betrokken persoon op onbetwistbare wijze te onderscheiden van elke andere persoon, alsook de bijkomende informatie die, indien nodig, daartoe moet worden ingewonnen;
b) de maatregelen die de onderworpen entiteit moet nemen om zich er met verhoogde aandacht van te vergewissen dat de documenten of informatiebronnen waarop zij een beroep doet om deze informatie te verifiëren, haar overeenkomstig artikel 27, § 4, van de wet een hoge mate van zekerheid verschaffen over haar kennis van de betrokken persoon;
4° de maatregelen die de onderworpen entiteit moet nemen voor de identificatie van de lasthebber(s) van een cliënt overeenkomstig artikel 22 van de wet, of van de vertegenwoordiger(s) van een cliënt, alsook voor de verificatie van hun identiteit, teneinde zich te vergewissen van de vertegenwoordigingsbevoegdheden van de betrokken perso(o)n(en);
5° de maatregelen die de onderworpen entiteit moet nemen om, met toepassing van artikel 23, § 1, tweede lid, van de wet, inzicht te verkrijgen in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de cliënt of lasthebber die een vennootschap, rechtspersoon, stichting, fiducie, trust of soortgelijke juridische constructie is;
6° de maatregelen die de onderworpen entiteit moet nemen voor de identificatie en de verificatie van de identiteit van de uiteindelijke begunstigden van haar cliënten, van de lasthebbers van haar cliënten of van de begunstigden van levensverzekeringsovereenkomsten, in voorkomend geval, ter aanvulling van de raadpleging van de in artikel 29 van de wet bedoelde registers.
1° precieze regels met betrekking tot de bewijsstukken of de betrouwbare en onafhankelijke informatiebronnen die overeenkomstig artikel 27, § 1, van de wet door de onderworpen entiteit worden aanvaard om de identiteitsverificatie uit te voeren. Hierbij wordt rekening gehouden met de kenmerken van de betrokken personen, met de individuele risicobeoordeling die met toepassing van artikel 19, § 2, van de wet wordt uitgevoerd, en met de risicoclassificatie die met toepassing van artikel 4 van dit reglement wordt uitgevoerd.
Voor de identiteitsverificatie kan specifieke identificatietechnologie worden aanvaard als een bewijsstuk of als een betrouwbare en onafhankelijke informatiebron in de zin van voornoemd artikel 27, § 1, van de wet, indien een analyse van de betrouwbaarheid van deze technologie dit rechtvaardigt;
2° indien uit de overeenkomstig artikel 19, § 2, eerste lid, van de wet uitgevoerde individuele risicobeoordeling blijkt dat het aan de cliënt en de zakelijke relatie of aan de occasionele verrichting verbonden risico laag is:
a) de informatie die, overeenkomstig artikel 26, § 3, van de wet, niet moet worden ingewonnen door de onderworpen entiteit;
b) de informatie die, overeenkomstig artikel 27, § 3, van de wet, niet moet worden geverifieerd;
3° indien uit de overeenkomstig artikel 19, § 2, eerste lid, van de wet uitgevoerde individuele risicobeoordeling blijkt dat het aan de cliënt en de zakelijke relatie of aan de occasionele verrichting verbonden risico hoog is:
a) de informatie waarvan de onderworpen entiteit overeenkomstig artikel 26, § 4, van de wet oordeelt dat deze haar in staat stelt de betrokken persoon op onbetwistbare wijze te onderscheiden van elke andere persoon, alsook de bijkomende informatie die, indien nodig, daartoe moet worden ingewonnen;
b) de maatregelen die de onderworpen entiteit moet nemen om zich er met verhoogde aandacht van te vergewissen dat de documenten of informatiebronnen waarop zij een beroep doet om deze informatie te verifiëren, haar overeenkomstig artikel 27, § 4, van de wet een hoge mate van zekerheid verschaffen over haar kennis van de betrokken persoon;
4° de maatregelen die de onderworpen entiteit moet nemen voor de identificatie van de lasthebber(s) van een cliënt overeenkomstig artikel 22 van de wet, of van de vertegenwoordiger(s) van een cliënt, alsook voor de verificatie van hun identiteit, teneinde zich te vergewissen van de vertegenwoordigingsbevoegdheden van de betrokken perso(o)n(en);
5° de maatregelen die de onderworpen entiteit moet nemen om, met toepassing van artikel 23, § 1, tweede lid, van de wet, inzicht te verkrijgen in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de cliënt of lasthebber die een vennootschap, rechtspersoon, stichting, fiducie, trust of soortgelijke juridische constructie is;
6° de maatregelen die de onderworpen entiteit moet nemen voor de identificatie en de verificatie van de identiteit van de uiteindelijke begunstigden van haar cliënten, van de lasthebbers van haar cliënten of van de begunstigden van levensverzekeringsovereenkomsten, in voorkomend geval, ter aanvulling van de raadpleging van de in artikel 29 van de wet bedoelde registers.
Art. 13. Les procédures internes définies par l'entité assujettie en application de l'article 8 de la loi prévoient en outre :
1° des règles précises quant aux documents probants ou sources fiables et indépendantes d'information acceptés par l'entité assujettie aux fins de la vérification de l'identité conformément à l'article 27, § 1er, de la loi, en fonction des caractéristiques des personnes concernées, de l'évaluation individuelle des risques réalisée en application de l'article 19, § 2, de la loi, et de la catégorisation des risques réalisées en application de l'article 4 du présent règlement.
L'acceptation, aux fins de la vérification de l'identité, d'une technologie particulière d'identification au titre de document probant ou de source fiable et indépendante d'information au sens de l'article 27, § 1er, précité de la loi, résulte d'une analyse de la fiabilité de cette technologie ;
2° lorsqu'il ressort de l'évaluation individuelle des risques réalisée conformément à l'article 19, § 2, alinéa 1er, de la loi, que le risque associé au client et à la relation d'affaires ou à l'opération occasionnelle est faible :
a) les informations qui, conformément à l'article 26, § 3, de la loi, peuvent ne pas être recueillies par l'entité assujettie ;
b) les informations qui, conformément à l'article 27, § 3, de la loi, peuvent ne pas être vérifiées ;
3° lorsqu'il ressort de l'évaluation individuelle des risques réalisée conformément à l'article 19, § 2, alinéa 1er, de la loi, que le risque associé au client et à la relation d'affaires ou à l'opération occasionnelle est élevé :
a) les informations qui, conformément à l'article 26, § 4, de la loi, sont considérées par l'entité assujettie comme permettant de distinguer de façon incontestable la personne concernée de toute autre, ainsi que les informations complémentaires à recueillir, au besoin, à cette fin;
b) les mesures à prendre par l'entité assujettie pour s'assurer avec une attention accrue que les documents ou sources d'information auxquels elle a recours pour vérifier ces informations lui permettent, conformément à l'article 27, § 4, de la loi, d'acquérir un degré élevé de certitude quant à sa connaissance de la personne concernée ;
4° les mesures à prendre par l'entité assujettie lorsqu'elle identifie le ou les mandataire(s) d'un client, conformément à l'article 22 de la loi, ou le ou les représentant(s) d'un client, et qu'elle vérifie leur identité, pour s'assurer des pouvoirs de représentation de la ou des personne(s) concernée(s) ;
5° les mesures à prendre par l'entité assujettie pour comprendre, en application de l'article 23, § 1er, alinéa 2, de la loi, la structure de propriété et de contrôle du client ou du mandataire qui est une société, une personne morale, une fondation, une fiducie, un trust ou une construction juridique similaire ;
6° les mesures à prendre par l'entité assujettie pour identifier et vérifier l'identité des bénéficiaires effectifs de ses clients, des mandataires de ses clients ou des bénéficiaires de contrats d'assurance vie, en complément de la consultation des registres visés à l'article 29 de la loi, le cas échéant.
1° des règles précises quant aux documents probants ou sources fiables et indépendantes d'information acceptés par l'entité assujettie aux fins de la vérification de l'identité conformément à l'article 27, § 1er, de la loi, en fonction des caractéristiques des personnes concernées, de l'évaluation individuelle des risques réalisée en application de l'article 19, § 2, de la loi, et de la catégorisation des risques réalisées en application de l'article 4 du présent règlement.
L'acceptation, aux fins de la vérification de l'identité, d'une technologie particulière d'identification au titre de document probant ou de source fiable et indépendante d'information au sens de l'article 27, § 1er, précité de la loi, résulte d'une analyse de la fiabilité de cette technologie ;
2° lorsqu'il ressort de l'évaluation individuelle des risques réalisée conformément à l'article 19, § 2, alinéa 1er, de la loi, que le risque associé au client et à la relation d'affaires ou à l'opération occasionnelle est faible :
a) les informations qui, conformément à l'article 26, § 3, de la loi, peuvent ne pas être recueillies par l'entité assujettie ;
b) les informations qui, conformément à l'article 27, § 3, de la loi, peuvent ne pas être vérifiées ;
3° lorsqu'il ressort de l'évaluation individuelle des risques réalisée conformément à l'article 19, § 2, alinéa 1er, de la loi, que le risque associé au client et à la relation d'affaires ou à l'opération occasionnelle est élevé :
a) les informations qui, conformément à l'article 26, § 4, de la loi, sont considérées par l'entité assujettie comme permettant de distinguer de façon incontestable la personne concernée de toute autre, ainsi que les informations complémentaires à recueillir, au besoin, à cette fin;
b) les mesures à prendre par l'entité assujettie pour s'assurer avec une attention accrue que les documents ou sources d'information auxquels elle a recours pour vérifier ces informations lui permettent, conformément à l'article 27, § 4, de la loi, d'acquérir un degré élevé de certitude quant à sa connaissance de la personne concernée ;
4° les mesures à prendre par l'entité assujettie lorsqu'elle identifie le ou les mandataire(s) d'un client, conformément à l'article 22 de la loi, ou le ou les représentant(s) d'un client, et qu'elle vérifie leur identité, pour s'assurer des pouvoirs de représentation de la ou des personne(s) concernée(s) ;
5° les mesures à prendre par l'entité assujettie pour comprendre, en application de l'article 23, § 1er, alinéa 2, de la loi, la structure de propriété et de contrôle du client ou du mandataire qui est une société, une personne morale, une fondation, une fiducie, un trust ou une construction juridique similaire ;
6° les mesures à prendre par l'entité assujettie pour identifier et vérifier l'identité des bénéficiaires effectifs de ses clients, des mandataires de ses clients ou des bénéficiaires de contrats d'assurance vie, en complément de la consultation des registres visés à l'article 29 de la loi, le cas échéant.
Art. 14. Onverminderd de identificatie en de verificatie van de identiteit van de cliënten die professionele tegenpartijen zijn, en van hun uiteindelijke begunstigden conform de artikelen 21, 23 en 26 van de wet en de bepalingen van dit reglement, en voor zover de onderworpen entiteiten die een relatie met deze tegenpartijen aanknopen of verrichtingen met hen uitvoeren, zich ervan vergewissen dat die tegenpartijen en hun verrichtingen geen hoge WG/FT-risico's inhouden, kunnen de onderworpen entiteiten de identificatie van de werknemers van de cliënt die door hem zijn gemachtigd om in zijn naam verrichtingen uit te voeren, laten slaan op de naam, de voornaam, de geboortedatum en -plaats en de hiërarchische graad of de functies van die werknemers binnen het organigram van de cliënt, maar niet op hun adres.
De interne procedures van de onderworpen entiteiten die gebruikmaken van de in het eerste lid geboden mogelijkheid, bevatten een limitatieve opsomming van de categorieën van professionele tegenpartijen, alsook van de categorieën van zakelijke relaties of verrichtingen waarop de specifieke regels inzake identificatie en verificatie van de identiteit van de lasthebbers van de cliënten kunnen worden toegepast.
De interne procedures van de onderworpen entiteiten die gebruikmaken van de in het eerste lid geboden mogelijkheid, bevatten een limitatieve opsomming van de categorieën van professionele tegenpartijen, alsook van de categorieën van zakelijke relaties of verrichtingen waarop de specifieke regels inzake identificatie en verificatie van de identiteit van de lasthebbers van de cliënten kunnen worden toegepast.
Art. 14. Sans préjudice de l'identification et de la vérification de l'identité des clients qui sont des contreparties professionnelles, ainsi que de leurs bénéficiaires effectifs, conformément aux articles 21, 23 et 26 de la loi et au présent règlement, et pour autant que les entités assujetties qui entrent en relation avec ces contreparties ou qui effectuent des opérations avec elles s'assurent que celles-ci et leurs opérations ne présentent pas de risques élevés de BC/FT, les entités assujetties peuvent faire porter l'identification des employés du client qui sont mandatés par celui-ci pour conclure les opérations en son nom sur le nom, le prénom, la date et lieu de naissance et le grade hiérarchique ou les fonctions de ces employés dans l'organigramme du client, à l'exclusion de leur adresse.
Les procédures internes des entités assujetties qui recourent à la faculté prévue à l'alinéa premier énumèrent limitativement les catégories de contreparties professionnelles, ainsi que les catégories de relations d'affaires ou d'opérations, auxquelles ces modalités particulières d'identification et de vérification de l'identité des mandataires des clients peuvent être appliquées.
Les procédures internes des entités assujetties qui recourent à la faculté prévue à l'alinéa premier énumèrent limitativement les catégories de contreparties professionnelles, ainsi que les catégories de relations d'affaires ou d'opérations, auxquelles ces modalités particulières d'identification et de vérification de l'identité des mandataires des clients peuvent être appliquées.
Art. 15. De onderworpen entiteiten die gebruikmaken van de in artikel 31 van de wet bepaalde mogelijkheid tot afwijking, en die de identiteit van de in de artikelen 21 tot 24 van de wet bedoelde personen tijdens de zakelijke relatie verifiëren, leggen in hun interne regels passende maatregelen vast die garanderen dat aan de in voornoemd artikel 31 gestelde voorwaarden wordt voldaan.
Art. 15. Les entités assujetties qui exercent la faculté de dérogation prévue à l'article 31 de la loi et vérifient l'identité des personnes visées aux articles 21 à 24 de la loi au cours de la relation d'affaires définissent, dans leurs procédures internes, des mesures appropriées garantissant que les conditions énoncées à l'article 31 précité sont réunies.
Art. 16. Wanneer de onderworpen entiteiten niet kunnen voldoen aan hun verplichtingen tot identificatie en verificatie van de identiteit van een cliënt, zijn lasthebbers of zijn uiteindelijke begunstigden binnen de termijnen omschreven in de artikelen 30 en 31 van de wet, of aan hun verplichtingen tot bijwerking van deze identificatiegegevens, in overeenstemming met de wet, mogen zij, in plaats van een reeds aangeknoopte zakelijke relatie te beëindigen zoals wordt vereist in artikel 33, § 1, eerste lid, van wet, alternatieve beperkende maatregelen nemen indien de zakelijke relatie betrekking heeft op een leningsovereenkomst waarvan de eenzijdige beëindiging de onderworpen entiteit aan een ernstig en onevenredig nadeel zou blootstellen. In dat geval weigert de onderworpen entiteit het geleende bedrag te verhogen en beëindigt zij de zakelijke relatie zo spoedig mogelijk.
In de in het eerste lid bedoelde gevallen leggen de onderworpen entiteiten overeenkomstig artikel 19, § 2, van de wet ten aanzien van de zakelijke relatie een waakzaamheid aan de dag die evenredig is met het opnieuw beoordeelde risiconiveau, rekening houdend met het feit dat deze zakelijke relatie niet is beëindigd. Daarnaast weigeren de onderworpen entiteiten om andere zakelijke relaties aan te knopen met de betrokken cliënt en om occasionele verrichtingen uit te voeren voor die cliënt.
In de in het eerste lid bedoelde gevallen leggen de onderworpen entiteiten overeenkomstig artikel 19, § 2, van de wet ten aanzien van de zakelijke relatie een waakzaamheid aan de dag die evenredig is met het opnieuw beoordeelde risiconiveau, rekening houdend met het feit dat deze zakelijke relatie niet is beëindigd. Daarnaast weigeren de onderworpen entiteiten om andere zakelijke relaties aan te knopen met de betrokken cliënt en om occasionele verrichtingen uit te voeren voor die cliënt.
Art. 16. Lorsque les entités assujetties ne peuvent satisfaire à leurs obligations d'identification et de vérification de l'identité d'un client, de ses mandataires ou de ses bénéficiaires effectifs dans les délais visés aux articles 30 et 31 de la loi, ou à leurs obligations de mise à jour de ces données d'identification conformément à la loi, elles peuvent appliquer des mesures restrictives alternatives à la clôture, requise en vertu de l'article 33, § 1er, alinéa 1er, de la loi, de la relation d'affaires qui aurait déjà été nouée, si celle-ci consiste en un contrat de prêt, dont la résiliation unilatérale exposerait l'entité assujettie à un préjudice grave et disproportionné. Dans ce cas, l'entité assujettie refuse toute augmentation du montant prêté et met fin à la relation d'affaires dans les meilleurs délais.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, les entités assujetties exercent, à l'égard de la relation d'affaires, une vigilance proportionnée au niveau de risque réévalué, conformément à l'article 19, § 2, de la loi, en tenant compte du fait qu'il n'a pas été mis fin à cette relation d'affaires. Les entités assujetties refusent, en outre, de nouer toute autre relation d'affaires avec le client concerné et d'exécuter toute opération occasionnelle avec ce client.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, les entités assujetties exercent, à l'égard de la relation d'affaires, une vigilance proportionnée au niveau de risque réévalué, conformément à l'article 19, § 2, de la loi, en tenant compte du fait qu'il n'a pas été mis fin à cette relation d'affaires. Les entités assujetties refusent, en outre, de nouer toute autre relation d'affaires avec le client concerné et d'exécuter toute opération occasionnelle avec ce client.
Onderafdeling 4. - Onderzoek van de verrichtingen 1. Opsporing van atypische verrichtingen
Sous-section 4. - Examen des opérations 1. Détection des opérations atypiques
Art. 17. De onderworpen entiteiten brengen de volgende elementen schriftelijk ter kennis van hun aangestelden die rechtstreeks in contact staan met de cliënten of die met de uitvoering van hun verrichtingen zijn belast:
1° de passende criteria die hen in staat moeten stellen atypische verrichtingen op te sporen;
2° de te volgen procedure om deze verrichtingen te onderwerpen aan een specifieke analyse onder de verantwoordelijkheid van de persoon die de functie van AMLCO uitoefent overeenkomstig de artikelen 45 en 46 van de wet, teneinde te bepalen of van deze verrichtingen kan worden vermoed dat zij verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme.
1° de passende criteria die hen in staat moeten stellen atypische verrichtingen op te sporen;
2° de te volgen procedure om deze verrichtingen te onderwerpen aan een specifieke analyse onder de verantwoordelijkheid van de persoon die de functie van AMLCO uitoefent overeenkomstig de artikelen 45 en 46 van de wet, teneinde te bepalen of van deze verrichtingen kan worden vermoed dat zij verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme.
Art. 17. Les entités assujetties précisent par écrit à l'intention de leurs préposés qui sont en contact direct avec les clients ou chargés de l'exécution de leurs opérations :
1° les critères appropriés leur permettant de détecter les opérations atypiques ;
2° la procédure requise en vue de soumettre ces opérations à une analyse spécifique sous la responsabilité de la personne exerçant la fonction d'AMLCO, conformément aux articles 45 et 46, de la loi, afin de déterminer si ces opérations peuvent être suspectées d'être liées au blanchiment de capitaux ou au financement du terrorisme.
1° les critères appropriés leur permettant de détecter les opérations atypiques ;
2° la procédure requise en vue de soumettre ces opérations à une analyse spécifique sous la responsabilité de la personne exerçant la fonction d'AMLCO, conformément aux articles 45 et 46, de la loi, afin de déterminer si ces opérations peuvent être suspectées d'être liées au blanchiment de capitaux ou au financement du terrorisme.
Art. 18. De onderworpen entiteiten maken gebruik van een toezichtssysteem voor de opsporing van atypische verrichtingen die, in voorkomend geval, mogelijk niet werden opgespoord door hun aangestelden, lasthebbers of onderaannemers als bedoeld in artikel 20, die rechtstreeks in contact staan met de cliënten of die met de uitvoering van hun verrichtingen zijn belast.
Dat toezichtssysteem moet:
1° betrekking hebben op alle overeenkomsten en verrichtingen van de cliënten die respectievelijk via de onderworpen entiteit zijn gesloten of uitgevoerd;
2° gebaseerd zijn op nauwkeurige en relevante criteria die door elke onderworpen entiteit afzonderlijk worden vastgesteld, waarbij voornamelijk rekening wordt gehouden met de kenmerken van haar cliënteel, met de door haar aangeboden producten, diensten of verrichtingen, met de betrokken landen of geografische gebieden, en met de leveringskanalen waarop zij een beroep doet, en voldoende verfijnd zijn om atypische verrichtingen effectief te kunnen opsporen;
3° een snelle opsporing van dergelijke verrichtingen mogelijk maken om te verifiëren of deze verrichtingen stroken met de kenmerken van de cliënt, het doel en de aard van de zakelijke relatie of de voorgenomen verrichting en met het risicoprofiel van de cliënt;
4° geautomatiseerd zijn, behalve als de onderworpen entiteit kan aantonen dat dit niet vereist is gezien de aard, het aantal en het volume van de verrichtingen waarop toezicht moet worden gehouden;
5° eerst aan een valideringsprocedure worden onderworpen en daarna geregeld opnieuw op zijn relevantie worden onderzocht, zodat het, indien nodig, kan worden aangepast aan de ontwikkeling van het cliënteel waarop de onderworpen entiteit zich richt, van de door haar aangeboden producten, diensten of verrichtingen, van de betrokken landen en geografische gebieden, en van de leveringskanalen waarop zij een beroep doet.
De in het tweede lid, 2°, bedoelde criteria houden met name rekening met het specifieke WG/FT-risico dat verbonden is aan de verrichtingen die worden uitgevoerd door cliënten van wie de acceptatie aan striktere regels is onderworpen krachtens het in titel 3 bedoelde cliëntacceptatiebeleid.
2. Analyse van de atypische verrichtingen
Dat toezichtssysteem moet:
1° betrekking hebben op alle overeenkomsten en verrichtingen van de cliënten die respectievelijk via de onderworpen entiteit zijn gesloten of uitgevoerd;
2° gebaseerd zijn op nauwkeurige en relevante criteria die door elke onderworpen entiteit afzonderlijk worden vastgesteld, waarbij voornamelijk rekening wordt gehouden met de kenmerken van haar cliënteel, met de door haar aangeboden producten, diensten of verrichtingen, met de betrokken landen of geografische gebieden, en met de leveringskanalen waarop zij een beroep doet, en voldoende verfijnd zijn om atypische verrichtingen effectief te kunnen opsporen;
3° een snelle opsporing van dergelijke verrichtingen mogelijk maken om te verifiëren of deze verrichtingen stroken met de kenmerken van de cliënt, het doel en de aard van de zakelijke relatie of de voorgenomen verrichting en met het risicoprofiel van de cliënt;
4° geautomatiseerd zijn, behalve als de onderworpen entiteit kan aantonen dat dit niet vereist is gezien de aard, het aantal en het volume van de verrichtingen waarop toezicht moet worden gehouden;
5° eerst aan een valideringsprocedure worden onderworpen en daarna geregeld opnieuw op zijn relevantie worden onderzocht, zodat het, indien nodig, kan worden aangepast aan de ontwikkeling van het cliënteel waarop de onderworpen entiteit zich richt, van de door haar aangeboden producten, diensten of verrichtingen, van de betrokken landen en geografische gebieden, en van de leveringskanalen waarop zij een beroep doet.
De in het tweede lid, 2°, bedoelde criteria houden met name rekening met het specifieke WG/FT-risico dat verbonden is aan de verrichtingen die worden uitgevoerd door cliënten van wie de acceptatie aan striktere regels is onderworpen krachtens het in titel 3 bedoelde cliëntacceptatiebeleid.
2. Analyse van de atypische verrichtingen
Art. 18. Les entités assujetties mettent en oeuvre un système de surveillance permettant de détecter les opérations atypiques qui, le cas échant, auraient pu ne pas l'être par leurs préposés, mandataires ou sous-traitants visés à l'article 20, qui sont en contact direct avec les clients ou chargés de l'exécution de leurs opérations.
Ce système de surveillance doit :
1° couvrir l'intégralité des contrats des clients et de leurs opérations qui sont, respectivement, conclus ou effectuées à l'intervention de l'entité assujettie ;
2° être basé sur des critères précis et pertinents, fixés par chaque entité assujettie en tenant compte, notamment, des caractéristiques de sa clientèle, des produits, services ou opérations qu'elle propose, des pays ou zones géographiques concernées et des canaux de distribution auxquels elle a recours, et être suffisamment discriminants pour permettre de détecter effectivement les opérations atypiques ;
3° permettre une détection rapide de ces opérations afin de vérifier qu'elles sont cohérentes par rapport aux caractéristiques du client, à l'objet et à la nature de la relation d'affaires ou de l'opération envisagée et au profil de risque du client ;
4° être automatisé, sauf si l'entité assujettie peut démontrer que la nature, le nombre et le volume des opérations à surveiller ne le requièrent pas ;
5° faire l'objet d'une procédure de validation initiale et d'un réexamen périodique de sa pertinence en vue de l'adapter, au besoin, en fonction de l'évolution de la clientèle à laquelle l'entité assujettie s'adresse, des produits, services ou opérations qu'elle propose, des pays ou zones géographiques concernées et des canaux de distribution auxquels elle a recours.
Les critères visés à l'alinéa 2, 2°, tiennent compte notamment du risque particulier de BC/FT qui est lié aux opérations réalisées par les clients dont l'acceptation a été soumise à des règles renforcées en vertu de la politique d'acceptation des clients visée au titre 3.
2. Analyse des opérations atypiques
Ce système de surveillance doit :
1° couvrir l'intégralité des contrats des clients et de leurs opérations qui sont, respectivement, conclus ou effectuées à l'intervention de l'entité assujettie ;
2° être basé sur des critères précis et pertinents, fixés par chaque entité assujettie en tenant compte, notamment, des caractéristiques de sa clientèle, des produits, services ou opérations qu'elle propose, des pays ou zones géographiques concernées et des canaux de distribution auxquels elle a recours, et être suffisamment discriminants pour permettre de détecter effectivement les opérations atypiques ;
3° permettre une détection rapide de ces opérations afin de vérifier qu'elles sont cohérentes par rapport aux caractéristiques du client, à l'objet et à la nature de la relation d'affaires ou de l'opération envisagée et au profil de risque du client ;
4° être automatisé, sauf si l'entité assujettie peut démontrer que la nature, le nombre et le volume des opérations à surveiller ne le requièrent pas ;
5° faire l'objet d'une procédure de validation initiale et d'un réexamen périodique de sa pertinence en vue de l'adapter, au besoin, en fonction de l'évolution de la clientèle à laquelle l'entité assujettie s'adresse, des produits, services ou opérations qu'elle propose, des pays ou zones géographiques concernées et des canaux de distribution auxquels elle a recours.
Les critères visés à l'alinéa 2, 2°, tiennent compte notamment du risque particulier de BC/FT qui est lié aux opérations réalisées par les clients dont l'acceptation a été soumise à des règles renforcées en vertu de la politique d'acceptation des clients visée au titre 3.
2. Analyse des opérations atypiques
Art. 19. Conform artikel 8, §§ 1 en 2, van de wet stellen de onderworpen entiteiten passende procedures vast om zo snel mogelijk, naar gelang van de omstandigheden, een analyse te verrichten van de atypische verrichtingen, teneinde overeenkomstig de artikelen 45 en 46 van de wet te bepalen of er, met toepassing van artikel 47 van de wet, een vermoeden moet worden gemeld aan de CFI.
Art. 19. Les entités assujetties adoptent, conformément à l'article 8, §§ 1er et 2, de la loi, des procédures appropriées, permettant d'effectuer dans les plus brefs délais, en fonction des circonstances, une analyse des opérations atypiques dans le but de déterminer, conformément aux articles 45 et 46 de la loi, s'il y a lieu de déclarer des soupçons à la CTIF en application de l'article 47 de la loi.
Onderafdeling 5. - Nakoming van de verplichtingen inzake de voorkoming van WG/FT door lasthebbers, onderaannemers of derde zaakaanbrengers
Sous-section 5. - Exécution des obligations en matière de prévention du BC/FT par des mandataires, des sous-traitants ou des tiers introducteurs
Art. 20. Onderworpen entiteiten die, voor het aanknopen of onderhouden van zakelijke relaties met cliënten of voor het uitvoeren van occasionele verrichtingen voor cliënten, een beroep doen op lasthebbers of op onderaannemers die volgens hun instructies, alsook onder hun toezicht en verantwoordelijkheid handelen, dienen aan deze tussenkomende personen schriftelijk te laten weten welke procedure zij, met inachtneming van de wet en dit reglement, bij de identificatie en verificatie van de identiteit van de cliënten moeten volgen. Daarnaast moeten deze instellingen toezien op de naleving van deze procedures.
Art. 20. Les entités assujetties qui recourent à l'intervention de mandataires ou sous-traitants agissant sur leurs instructions et sous leur contrôle et leur responsabilité pour nouer ou entretenir des relations d'affaires avec les clients ou pour réaliser avec eux des opérations occasionnelles précisent par écrit à ces intervenants les procédures d'identification et de vérification à mettre en oeuvre, dans le respect de la loi et du présent règlement. Elles s'assurent du respect de ces procédures.
Art. 21. De onderworpen entiteiten brengen de volgende elementen schriftelijk ter kennis van hun in artikel 20 bedoelde lasthebbers en onderaannemers die rechtstreeks in contact staan met de cliënten of die met de uitvoering van hun verrichtingen zijn belast:
1° de passende criteria die hen in staat moeten stellen atypische verrichtingen op te sporen;
2° de te volgen procedure om deze verrichtingen te onderwerpen aan een specifieke analyse onder de verantwoordelijkheid van de persoon die de functie van AMLCO uitoefent overeenkomstig de artikelen 45 en 46 van de wet, teneinde te bepalen of van deze verrichtingen kan worden vermoed dat zij verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme.
1° de passende criteria die hen in staat moeten stellen atypische verrichtingen op te sporen;
2° de te volgen procedure om deze verrichtingen te onderwerpen aan een specifieke analyse onder de verantwoordelijkheid van de persoon die de functie van AMLCO uitoefent overeenkomstig de artikelen 45 en 46 van de wet, teneinde te bepalen of van deze verrichtingen kan worden vermoed dat zij verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme.
Art. 21. Les entités assujetties précisent par écrit à l'intention de leurs mandataires et sous-traitants visés à l'article 20 qui sont en contact direct avec les clients ou chargés de l'exécution de leurs opérations :
1° les critères appropriés leur permettant de détecter les opérations atypiques ;
2° la procédure requise en vue de soumettre ces opérations à une analyse spécifique sous la responsabilité de la personne exerçant la fonction d'AMLCO, conformément aux articles 45 et 46 de la loi, afin de déterminer si ces opérations peuvent être suspectées d'être liées au blanchiment de capitaux ou au financement du terrorisme.
1° les critères appropriés leur permettant de détecter les opérations atypiques ;
2° la procédure requise en vue de soumettre ces opérations à une analyse spécifique sous la responsabilité de la personne exerçant la fonction d'AMLCO, conformément aux articles 45 et 46 de la loi, afin de déterminer si ces opérations peuvent être suspectées d'être liées au blanchiment de capitaux ou au financement du terrorisme.
Art. 22. Wanneer een onderworpen entiteit, overeenkomstig artikel 42 van de wet, een beroep doet op een derde zaakaanbrenger, moeten de interne procedures van de betrokken onderworpen entiteit bepalen dat:
1° de onderworpen entiteit vooraf moet verifiëren of de derde zaakaanbrenger voldoet aan de voorwaarden van artikel 43, § 1, 3°, en § 2, tweede lid, van de wet, en dat zij de documenten waarop zij zich hiervoor heeft gebaseerd, moet bewaren;
2° de derde zaakaanbrenger er zich vooraf schriftelijk moet toe verbinden:
a) de onderworpen entiteit onmiddellijk de identiteitsgegevens te bezorgen van de cliënten die hij voornemens is aan te brengen en, in voorkomend geval, van zijn lasthebbers en uiteindelijke begunstigden, alsook gegevens over de kenmerken van de cliënt en het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie, die nodig zijn voor de nakoming van de waakzaamheidsverplichtingen die hem overeenkomstig artikel 42 van de wet zijn opgelegd;
b) de onderworpen entiteit onverwijld en zodra zij daarom verzoekt, een kopie te bezorgen van de bewijsstukken of de betrouwbare informatiebronnen aan de hand waarvan hij de identiteit heeft geverifieerd van de cliënten en, in voorkomend geval, van zijn lasthebbers en uiteindelijke begunstigden.
1° de onderworpen entiteit vooraf moet verifiëren of de derde zaakaanbrenger voldoet aan de voorwaarden van artikel 43, § 1, 3°, en § 2, tweede lid, van de wet, en dat zij de documenten waarop zij zich hiervoor heeft gebaseerd, moet bewaren;
2° de derde zaakaanbrenger er zich vooraf schriftelijk moet toe verbinden:
a) de onderworpen entiteit onmiddellijk de identiteitsgegevens te bezorgen van de cliënten die hij voornemens is aan te brengen en, in voorkomend geval, van zijn lasthebbers en uiteindelijke begunstigden, alsook gegevens over de kenmerken van de cliënt en het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie, die nodig zijn voor de nakoming van de waakzaamheidsverplichtingen die hem overeenkomstig artikel 42 van de wet zijn opgelegd;
b) de onderworpen entiteit onverwijld en zodra zij daarom verzoekt, een kopie te bezorgen van de bewijsstukken of de betrouwbare informatiebronnen aan de hand waarvan hij de identiteit heeft geverifieerd van de cliënten en, in voorkomend geval, van zijn lasthebbers en uiteindelijke begunstigden.
Art. 22. Lorsqu'une entité assujettie recourt à un tiers introducteur conformément à l'article 42 de la loi, les procédures internes de l'entité assujettie concernée prévoient :
1° que l'entité assujettie vérifie préalablement et conserve la documentation sur laquelle elle s'est fondée pour vérifier que le tiers introducteur répond aux conditions fixées à l'article 43, § 1er, 3°, et § 2, alinéa 2, de la loi ;
2° que le tiers introducteur s'engage préalablement, par écrit :
a) à fournir immédiatement à l'entité assujettie les informations concernant l'identité des clients qu'il introduira et, le cas échéant, de ses mandataires et bénéficiaires effectifs, et concernant les caractéristiques du client et l'objet et la nature envisagée de la relation d'affaires, qui sont nécessaires à l'exécution des obligations de vigilance qui lui ont été confiées conformément à l'article 42 de la loi;
b) à fournir sans délai à l'entité assujettie, à première demande, une copie des documents probants ou sources fiables d'information au moyen desquels il a vérifié l'identité des clients et, le cas échéant, de ses mandataires et bénéficiaires effectifs.
1° que l'entité assujettie vérifie préalablement et conserve la documentation sur laquelle elle s'est fondée pour vérifier que le tiers introducteur répond aux conditions fixées à l'article 43, § 1er, 3°, et § 2, alinéa 2, de la loi ;
2° que le tiers introducteur s'engage préalablement, par écrit :
a) à fournir immédiatement à l'entité assujettie les informations concernant l'identité des clients qu'il introduira et, le cas échéant, de ses mandataires et bénéficiaires effectifs, et concernant les caractéristiques du client et l'objet et la nature envisagée de la relation d'affaires, qui sont nécessaires à l'exécution des obligations de vigilance qui lui ont été confiées conformément à l'article 42 de la loi;
b) à fournir sans délai à l'entité assujettie, à première demande, une copie des documents probants ou sources fiables d'information au moyen desquels il a vérifié l'identité des clients et, le cas échéant, de ses mandataires et bénéficiaires effectifs.
Onderafdeling 6. - Melding van vermoedens
Sous-section 6. - Déclaration de soupçons
Art. 23. Wanneer een onderworpen entiteit met toepassing van artikel 47 van de wet een vermoeden meldt, voert zij een nieuwe individuele beoordeling uit van de WG/FT-risico's overeenkomstig artikel 19, § 2, van de wet, waarbij zij met name rekening houdt met de omstandigheid dat er in verband met de betrokken cliënt een vermoeden werd gemeld. Op basis van deze nieuwe beoordeling en van het in artikel 8, § 2, 1°, van de wet bedoelde cliëntacceptatiebeleid besluit zij de reeds aangegane zakelijke relatie ofwel voort te zetten, in welk geval zij waakzaamheidsmaatregelen ten uitvoer legt die zijn aangepast aan de opnieuw beoordeelde risico's, ofwel te beëindigen.
Art. 23. Lorsqu'une entité assujettie procède à une déclaration de soupçons en application de l'article 47 de la loi, elle procède à une réévaluation individuelle des risques de BC/FT, conformément à l'article 19, § 2, de la loi, en tenant compte notamment de la particularité que le client concerné a fait l'objet d'une déclaration de soupçon. Elle décide, sur la base de cette réévaluation et de la politique d'acceptation des clients visée à l'article 8, § 2, 1°, de la loi, de maintenir la relation d'affaires moyennant la mise en oeuvre de mesures de vigilance adaptées aux risques ainsi réévalués, ou d'y mettre fin.
Onderafdeling 7. - Toezicht inzake financiële embargo's
Sous-section 7. - Surveillance en matière d'embargos financiers
Art. 24. De onderworpen entiteiten maken gebruik van een toezichtssysteem om de naleving te waarborgen van de Bindende bepalingen betreffende financiële embargo's.
Dat toezichtssysteem moet:
1° betrekking hebben op alle overeenkomsten en verrichtingen van de cliënten die respectievelijk via de onderworpen entiteit zijn gesloten of uitgevoerd;
2° een snelle opsporing mogelijk maken van eventuele inbreuken op de in het eerste lid bedoelde bepalingen, of een opsporing in real time wanneer deze bepalingen dat vereisen;
3° geautomatiseerd zijn, behalve als de onderworpen entiteit kan aantonen dat dit niet vereist is gezien de aard, het aantal en het volume van de verrichtingen waarop toezicht moet worden gehouden;
4° eerst aan een valideringsprocedure worden onderworpen en daarna geregeld worden bijgewerkt.
Dat toezichtssysteem moet:
1° betrekking hebben op alle overeenkomsten en verrichtingen van de cliënten die respectievelijk via de onderworpen entiteit zijn gesloten of uitgevoerd;
2° een snelle opsporing mogelijk maken van eventuele inbreuken op de in het eerste lid bedoelde bepalingen, of een opsporing in real time wanneer deze bepalingen dat vereisen;
3° geautomatiseerd zijn, behalve als de onderworpen entiteit kan aantonen dat dit niet vereist is gezien de aard, het aantal en het volume van de verrichtingen waarop toezicht moet worden gehouden;
4° eerst aan een valideringsprocedure worden onderworpen en daarna geregeld worden bijgewerkt.
Art. 24. Les entités assujetties mettent en oeuvre un système de surveillance permettant de s'assurer du respect des Dispositions contraignantes relatives aux embargos financiers.
Ce système de surveillance doit :
1° couvrir l'intégralité contrats des clients et de leurs opérations qui sont, respectivement, conclus ou effectuées à l'intervention de l'entité assujettie ;
2° permettre une détection rapide des éventuelles infractions aux dispositions visées à l'alinéa 1er ou en temps réel, lorsque ces dispositions le requièrent ;
3° être automatisé, sauf si l'entité assujettie peut démontrer que la nature, le nombre et le volume des opérations à surveiller ne le requièrent pas ;
4° faire l'objet d'une procédure de validation initiale et d'une mise à jour régulière.
Ce système de surveillance doit :
1° couvrir l'intégralité contrats des clients et de leurs opérations qui sont, respectivement, conclus ou effectuées à l'intervention de l'entité assujettie ;
2° permettre une détection rapide des éventuelles infractions aux dispositions visées à l'alinéa 1er ou en temps réel, lorsque ces dispositions le requièrent ;
3° être automatisé, sauf si l'entité assujettie peut démontrer que la nature, le nombre et le volume des opérations à surveiller ne le requièrent pas ;
4° faire l'objet d'une procédure de validation initiale et d'une mise à jour régulière.
Onderafdeling 8. - Bewijs van de nakoming van de verplichtingen inzake de voorkoming van WG/FT en financiële embargo's
Sous-section 8. - Preuve de l'exécution des obligations en matière de prévention du BC/FT et d'embargos financiers
Art. 25. Om aan de FSMA te kunnen aantonen dat zij de hun opgelegde verplichtingen inzake de voorkoming van WG/FT en financiële embargo's nakomen, en om de FSMA in staat te stellen om de haar door de wet verleende toezichtsbevoegdheden uit te oefenen, inzonderheid door gebruik te maken van de in artikel 99 van de wet bedoelde prerogatieven, bewaren de onderworpen entiteiten alle maatregelen die zij effectief hebben genomen met het oog op het nakomen van die verplichtingen (inzonderheid om te voldoen aan de in Boek II, Titel 3, van de wet bedoelde waakzaamheids-verplichtingen, aan de in Boek II, Titel 4, van de wet bedoelde verplichtingen inzake de analyse van atypische verrichtingen en de melding van vermoedens, en aan de Bindende bepalingen betreffende financiële embargo's), op papier of via een elektronische informatiedrager. Zij bewaren deze verantwoording gedurende de in artikel 60 van de wet vastgestelde termijn.
Art. 25. Afin d'être en mesure de démontrer à la FSMA qu'elles se conforment aux obligations qui leur sont imposées en matière de prévention du BC/FT et d'embargos financiers, et de permettre à cette dernière d'exercer les compétences de contrôle qui lui sont dévolues par la loi, notamment en faisant usage des prérogatives visées à l'article 99 de la loi, les entités assujetties conservent, sur support papier ou électronique, l'ensemble des mesures qu'elles ont effectivement mises en oeuvre dans le cadre du processus visant à se conformer à ces obligations (en particulier, aux fins de l'exécution des obligations de vigilance visées au Livre II, Titre 3, de la loi, de celles relatives à l'analyse des opérations atypiques et à la déclaration de soupçons visées au Livre II, Titre 4, de la loi et des Dispositions contraignantes relatives aux embargos financiers). Elles conservent cette justification pendant la durée fixée à l'article 60 de la loi.
HOOFDSTUK 2. - Organisatie en interne controle binnen groepen
CHAPITRE 2. - Organisation et contrôle interne au sein des groupes
Art. 26. De onderworpen entiteiten die dochterondernemingen of bijkantoren hebben in een andere lidstaat of in een derde land, of die in België gevestigde dochterondernemingen hebben die onderworpen entiteiten zijn, leggen hun op groepsniveau geldende gedragslijnen en procedures ter voorkoming van WG/FT vast in overeenstemming met artikel 13 van de wet, op basis van een beoordeling van de risico's waaraan de groep is blootgesteld, met inachtneming van de risico's die door elk van de dochterondernemingen en bijkantoren van de groep met toepassing van artikel 6 zijn geïdentificeerd.
Art. 26. Les entités assujetties qui ont des filiales ou des succursales dans un autre Etat membre ou dans un pays tiers, ou qui ont des filiales établies en Belgique qui sont des entités assujetties, définissent leurs politiques et procédures de prévention du BC/FT à l'échelle du groupe conformément à l'article 13 de la loi sur la base d'une évaluation des risques auxquels le groupe est exposé, en tenant compte des risques identifiés conformément à l'article 6 par chacune des filiales et succursales qui font partie de ce groupe.
Art. 27. De onderworpen entiteiten die deel uitmaken van een groep waarvan de moederonderneming een onderworpen entiteit is die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat of van een derde land, beoordelen, onder de verantwoordelijkheid van de persoon die de functie van AMLCO uitoefent, of de op groepsniveau vastgestelde gedragslijnen en procedures ter voorkoming van WG/FT overeenstemmen met de in artikel 8 van de wet bedoelde bepalingen en met de bepalingen van dit reglement, voordat zij deze ten uitvoer leggen. Indien dit niet het geval is, verzoeken zij hun moederonderneming hen vrij te stellen van de toepassing van de op groepsniveau vastgestelde gedragslijnen en procedures, teneinde de overeenstemming met de voornoemde wettelijke en reglementaire bepalingen te waarborgen. Als de door de groep opgelegde maatregelen aan de hand van deze vrijstellingsprocedure niet in overeenstemming kunnen worden gebracht met deze bepalingen, brengen zij de FSMA hiervan op de hoogte.
Art. 27. Les entités assujetties qui font partie d'un groupe dont l'entreprise-mère est une entité assujettie relevant du droit d'un autre Etat membre ou d'un pays tiers évaluent, sous la responsabilité de la personne exerçant la fonction d'AMLCO, avant de les mettre en oeuvre, si les politiques et les procédures de prévention du BC/FT définies à l'échelle du groupe sont conformes aux dispositions visées à l'article 8 de la loi et de celles du présent règlement. Dans le cas contraire, elles sollicitent de leur maison-mère une dispense d'application de la politique et des procédures définies au niveau du groupe afin de garantir la conformité avec les dispositions législatives et réglementaires précitées. A défaut de pouvoir conformer les mesures imposées par le groupe auxdites dispositions par l'application de cette procédure de dispense, elles en avertissent la FSMA.
TITEL 4. - Slotbepalingen
TITRE 4. - Dispositions finales
Art. 28. Dit reglement treedt op 1 januari 2019 in werking, met uitzondering van de artikelen 1 tot en met 6, die in werking treden op de dag van de bekendmaking van het koninklijk besluit tot goedkeuring van het reglement in het Belgisch Staatsblad.
Art. 28. Le présent règlement entre en vigueur le 1er janvier 2019, à l'exception de ses articles 1 à 6 (inclus) qui entrent en vigueur le jour de la publication au Moniteur belge de l'arrêté royal qui approuve le présent règlement.
Art. 29. Het reglement van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen van 23 februari 2010 betreffende de voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 16 maart 2010, wordt opgeheven.
Art. 29. Le règlement de la Commission bancaire, financière et des assurances du 23 février 2010 relatif à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, approuvé par arrêté royal du 16 mars 2010, est abrogé.